ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 195

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

50e jaargang
27 juli 2007


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Verordening (EG) nr. 882/2007 van de Commissie van 26 juli 2007 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

1

 

*

Verordening (EG) nr. 883/2007 van de Commissie van 26 juli 2007 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 824/2000 tot vaststelling van de procedures voor de overneming van granen door de interventiebureaus en tot vaststelling van de analysemethodes voor de bepaling van de kwaliteit

3

 

*

Verordening (EG) nr. 884/2007 van de Commissie van 26 juli 2007 inzake noodmaatregelen tot opschorting van het gebruik van E 128 Rood 2G als levensmiddelenkleurstof ( 1 )

8

 

 

Verordening (EG) nr. 885/2007 van de Commissie van 26 juli 2007 houdende het besluit om geen uitvoerrestitutie toe te kennen voor boter in het kader van de permanente inschrijving van Verordening (EG) nr. 581/2004

10

 

 

Verordening (EG) nr. 886/2007 van de Commissie van 26 juli 2007 betreffende de afgifte van invoercertificaten voor aanvragen die zijn ingediend voor de periode van 1 juli 2007 tot en met 30 juni 2008 in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 996/97 geopende tariefcontingent voor bevroren omlopen van runderen

11

 

 

Verordening (EG) nr. 887/2007 van de Commissie van 26 juli 2007 houdende vaststelling van de restituties die van toepassing zijn op bepaalde zuivelproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I bij het Verdrag vallen

12

 

 

Verordening (EG) nr. 888/2007 van de Commissie van 26 juli 2007 houdende vaststelling van de restituties die van toepassing zijn op bepaalde graan- en rijstproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I bij het Verdrag vallen

15

 

 

Verordening (EG) nr. 889/2007 van de Commissie van 26 juli 2007 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte producten

19

 

 

Verordening (EG) nr. 890/2007 van de Commissie van 26 juli 2007 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer voor mengvoeders op basis van granen

22

 

 

Verordening (EG) nr. 891/2007 van de Commissie van 26 juli 2007 tot vaststelling van de restituties bij de productie in de sector granen

24

 

 

Verordening (EG) nr. 892/2007 van de Commissie van 26 juli 2007 inzake de afgifte van invoercertificaten voor rijst in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 327/98 geopende tariefcontingenten voor de deelperiode juli 2007

25

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2007/48/EG van de Commissie van 26 juli 2007 tot wijziging van Richtlijn 2003/90/EG houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van Richtlijn 2002/53/EG van de Raad met betrekking tot de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouwgewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek ( 1 )

29

 

*

Richtlijn 2007/49/EG van de Commissie van 26 juli 2007 tot wijziging van Richtlijn 2003/91/EG houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van Richtlijn 2002/55/EG van de Raad met betrekking tot de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van groentegewassen zich ten minste moet uitstrekken en de minimumeisen voor dat onderzoek ( 1 )

33

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Commissie

 

 

2007/529/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 21 maart 2007 betreffende de staatssteun C 21/06 (ex N 635/2005) die de Slowaakse republiek voornemens is te verlenen aan de onderneming Slovenské lodenice Komárno (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 1182)  ( 1 )

36

 

 

2007/530/Euratom

 

*

Beschikking van de Commissie van 17 juli 2007 tot instelling van de Europese groep op hoog niveau voor nucleaire veiligheid en afvalbeheer ( 1 )

44

 

 

2007/531/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 26 juli 2007 betreffende een vragenlijst voor de verslagen van de lidstaten over de uitvoering van Richtlijn 1999/13/EG van de Raad inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties in de periode 2008-2010 (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 3547)

47

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

27.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 195/1


VERORDENING (EG) Nr. 882/2007 VAN DE COMMISSIE

van 26 juli 2007

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 27 juli 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 juli 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 756/2007 (PB L 172 van 30.6.2007, blz. 41).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 26 juli 2007 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

TR

90,5

ZZ

90,5

0707 00 05

TR

95,7

ZZ

95,7

0709 90 70

TR

87,9

ZZ

87,9

0805 50 10

AR

46,8

UY

64,6

ZA

61,3

ZZ

57,6

0806 10 10

BR

161,0

EG

143,6

MA

207,0

TR

180,9

ZZ

173,1

0808 10 80

AR

83,0

BR

98,6

CL

80,8

CN

78,6

NZ

101,8

US

111,8

UY

36,3

ZA

102,1

ZZ

86,6

0808 20 50

AR

71,8

CL

77,7

NZ

80,2

TR

139,7

ZA

98,7

ZZ

93,6

0809 10 00

TR

167,2

ZZ

167,2

0809 20 95

CA

324,1

TR

286,0

US

288,0

ZZ

299,4

0809 30 10, 0809 30 90

TR

157,0

ZZ

157,0

0809 40 05

IL

73,8

ZZ

73,8


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „andere oorsprong”.


27.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 195/3


VERORDENING (EG) Nr. 883/2007 VAN DE COMMISSIE

van 26 juli 2007

houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 824/2000 tot vaststelling van de procedures voor de overneming van granen door de interventiebureaus en tot vaststelling van de analysemethodes voor de bepaling van de kwaliteit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1784/2003, als gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 735/2007, zijn de hoeveelheden mais die door de interventiebureaus kunnen worden aangekocht, in de hele Gemeenschap beperkt tot een totale hoeveelheid van 1 500 000 ton voor het verkoopseizoen 2007/2008, 700 000 ton voor het verkoopseizoen 2008/2009 en 0 ton met ingang van het verkoopseizoen 2009/2010.

(2)

Om voor een bevredigend beheer van het interventieaankoopsysteem voor mais te zorgen en de marktdeelnemers van alle lidstaten onder gelijkwaardige voorwaarden toegang te geven tot de interventieregeling, moeten in Verordening (EG) nr. 824/2000 van de Commissie (2) nadere specifieke bepalingen worden vastgesteld voor de toewijzing van de hoeveelheden mais die voor interventie in aanmerking komen. Hiertoe moet een mechanisme voor de toewijzing van de genoemde hoeveelheden worden ingesteld dat betrekking heeft op de periodes van het verkoopseizoen waarin alle marktdeelnemers aanbiedingen mogen doen, waardoor de marktdeelnemers voldoende tijd krijgen om hun aanbiedingen in te dienen en het mogelijk wordt voor alle aanbieders een uniforme toewijzingscoëfficiënt vast te stellen wanneer de aangeboden hoeveelheden de beschikbare hoeveelheden overschrijden. Het is in dit verband dienstig te bepalen dat de aanbiedingen in twee fasen moeten worden onderzocht, en een tijdschema vast te stellen voor de indiening van aanbiedingen van mais, alsmede voor de desbetreffende leveringen en overnames.

(3)

Om de marktdeelnemers een gelijkwaardige behandeling te garanderen moet, rekening houdend met de bij artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 vastgestelde perioden voor de interventieaankoop, worden bepaald dat de eerste fase voor de indiening van aanbiedingen van mais in Griekenland, Spanje, Italië en Portugal op 1 augustus begint, in Zweden op 1 december en in de overige lidstaten op 1 november, en dat zij loopt tot en met 31 december, de laatste dag voor de indiening van de aanbiedingen voor alle lidstaten. Na afloop van deze eerste fase zal de Commissie, als de aangeboden hoeveelheden groter zijn dan de hoeveelheid die is vastgesteld in artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1784/2003, een toewijzingscoëfficiënt moeten vaststellen voor de tijdens deze eerste fase ingediende ontvankelijke aanbiedingen en de interventie voor de rest van het verkoopseizoen moeten beëindigen. Om te voorkomen dat voor interventiebureaus en marktdeelnemers te grote administratieve en financiële lasten ontstaan, met name doordat zekerheden moeten worden gesteld die achteraf nutteloos blijken te zijn omdat er geen hoeveelheden kunnen worden toegewezen, moet worden bepaald dat tussen 1 januari en de datum van de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie van de hoeveelheid die voor de tweede fase overblijft voor interventie, een aanbiedingenstop wordt ingesteld.

(4)

Rekening houdend met de tijd die vereist is om indien nodig de toewijzingscoëfficiënt voor de eerste fase vast te stellen, moet de tweede fase voor de indiening van de aanbiedingen worden geopend de dag na de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie van de hoeveelheid die voor interventie beschikbaar blijft, en moet deze dag in alle lidstaten gelden als eerste dag voor de indiening van de aanbiedingen. Tijdens deze tweede fase moet de aanvaarding van de aanbiedingen wekelijks plaatsvinden vanaf de eerste vrijdag na de bekendmaking van de genoemde hoeveelheid, en moet daarbij worden uitgegaan van de aanbiedingen die de marktdeelnemers uiterlijk vrijdag om 12.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) hebben ingediend. De Commissie moet elke week, uiterlijk op woensdag, de marktdeelnemers via haar website in kennis stellen van de hoeveelheid die nog voor interventie beschikbaar blijft. Als de in artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 vastgestelde hoeveelheid overschreden is, moet de Commissie een toewijzingscoëfficiënt vaststellen en bekendmaken en moet zij de interventie voor het lopende verkoopseizoen beëindigen. Rekening houdend met de bij artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 vastgestelde perioden voor de interventieaankoop, moet worden bepaald dat de tweede fase voor de indiening van de aanbiedingen in elk geval verstrijkt uiterlijk op 30 april in Griekenland, Spanje, Italië en Portugal, op 30 juni in Zweden en op 31 mei in de overige lidstaten.

(5)

Om een efficiënt beheer van het toewijzingsmechanisme mogelijk te maken, moet worden bepaald dat de aanbiedingen van mais niet mogen worden gewijzigd of ingetrokken. Bovendien blijkt het, om de ernst van de aanbiedingen te garanderen, nodig te bepalen dat voor die aanbiedingen een zekerheid moet worden gesteld, en vast te stellen hoe de realiteit van de aanbiedingen moet worden gecontroleerd en onder welke voorwaarden de zekerheid kan worden vrijgegeven. Met het oog hierop moet deze controle worden verricht volgens dezelfde regels en onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor de controle van de voorraden in het kader van de openbare opslag als bedoeld in Verordening (EG) nr. 884/2006 van de Commissie van 21 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad met betrekking tot de financiering van de maatregelen voor interventie in de vorm van openbare opslag door het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en de boeking van de verrichtingen in verband met openbare opslag door de betaalorganen van de lidstaten (3). Voorts kan tussen het begin van de indiening van de aanbiedingen in de eerste fase en 31 december een periode van verschillende maanden verstrijken. Om te voorkomen dat de marktdeelnemers bij de indiening van aanbiedingen in deze eerste fase financieel te zwaar worden belast, is het wenselijk toe te staan dat de bij de indiening van de aanbiedingen te stellen zekerheid, als zij in de vorm van een bankgarantie wordt gesteld, pas opeisbaar wordt op de dag volgende op de laatste dag van de indiening van de aanbiedingen.

(6)

In artikel 5, leden 4 en 5, van Verordening (EG) nr. 824/2000 is bepaald dat het graan kan worden overgenomen in de opslagplaats waar het zich bevindt op het tijdstip van de aanbieding. Om de kwaliteit van de opslagomstandigheden te verbeteren en die kwaliteit te garanderen vanaf het tijdstip waarop de aanbiedingen worden ingediend, moeten de opslagplaatsen waar het graan zich op het tijdstip van de aanbieding bevindt, de optimale bewaring ervan garanderen, met name tijdens een lange opslagperiode als het mais betreft. Bijgevolg blijkt het nodig de mogelijkheid om graan in de opslagplaats van de aanbieder over te nemen, te beperken en dit soort overname slechts toe te staan als het graan zich bevindt bij opslaghouders in de zin van artikel 2, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 884/2006. In dit geval verbindt de aanbieder zich ertoe om in zijn betrekkingen met de opslaghouder, vanaf de indiening van zijn aanbieding, op overeenkomstige wijze dezelfde regels en dezelfde voorwaarden voor de opslag en de controle toe te passen als die welke gelden op grond van Verordening (EG) nr. 884/2006.

(7)

In artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 824/2000 is bepaald dat de aan de aanbieder te betalen prijs de in artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde interventieprijs is die geldt op de dag die in de kennisgeving betreffende de ontvankelijkheid van de aanbieding als eerste leveringsdag is aangegeven voor een ongelost, franco opslagplaats geleverd product, na toepassing van de in artikel 9 van Verordening (EG) nr. 824/2000 bedoelde toeslagen en kortingen. Rekening houdend met het nieuwe, bij de onderhavige verordening ingestelde beheerssysteem voor de interventieaankoop van mais, en met name met het feit dat de aanbiedingen van mais niet mogen worden ingetrokken of gewijzigd, moet van die regel worden afgeweken voor de aanbiedingen van mais wanneer de interventieprijs in de maand van aanbieding hoger is dan de interventieprijs in de maand van levering.

(8)

In artikel 11 bis, onder a), van Verordening (EG) nr. 824/2000 is de inhoud vastgesteld van de mededelingen die de lidstaten aan de Commissie moeten doen opdat een wekelijks statistisch verslag over de ontwikkeling van de voorraden graan in interventie kan worden opgesteld. Rekening houdend met het nieuwe, bij de onderhavige verordening ingestelde beheerssysteem voor de interventieaankoop van mais moeten deze bepalingen worden aangepast, meer in het bijzonder ten aanzien van de wijze waarop de aanbiedingen door de interventiebureaus aan de Commissie worden meegedeeld.

(9)

Met het oog op een efficiënt beheer van het systeem moet worden bepaald dat de door de Commissie gevraagde informatie moet worden meegedeeld met gebruikmaking van de door de Commissie ter beschikking van de lidstaten gestelde modellen waarin de voor het beheer van de interventie vereiste informatie is opgenomen, dat deze modellen van toepassing worden nadat het Comité van beheer voor granen daarvan vooraf in kennis is gesteld en dat zij in voorkomend geval door de Commissie onder dezelfde voorwaarden worden aangepast en geactualiseerd.

(10)

Verordening (EG) nr. 824/2000 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(11)

Aangezien de interventieperiode in Griekenland, Spanje, Italië en Portugal op 1 augustus begint, dienen de in deze verordening vastgestelde maatregelen met ingang van die datum te worden toegepast.

(12)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 824/2000 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Het volgende artikel 3 bis wordt ingevoegd:

„Artikel 3 bis

1.   Onverminderd artikel 4 van deze verordening worden de hoeveelheden mais die overeenkomstig artikel 5, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 voor interventie in aanmerking komen, overeenkomstig de in de leden 2 tot en met 5 van dit artikel vastgestelde voorwaarden en bepalingen in de verkoopseizoenen 2007/2008 en 2008/2009 toegewezen in twee fasen, „fase 1” en „fase 2” genoemd.

Fase 1 begint in Griekenland, Spanje, Italië en Portugal op 1 augustus, in Zweden op 1 december, en in de overige lidstaten op 1 november, en loopt tot en met 31 december, de laatste dag voor de indiening van de aanbiedingen voor alle lidstaten voor deze fase.

Fase 2 begint op de dag volgende op de in lid 2, tweede alinea, bedoelde bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie van de hoeveelheid die voor deze fase voor interventie beschikbaar blijft. Deze dag is in alle lidstaten de eerste dag voor de indiening van de aanbiedingen en deze fase loopt in Griekenland, Spanje, Italië en Portugal uiterlijk tot 30 april, in Zweden uiterlijk tot 30 juni en in de overige lidstaten uiterlijk tot 31 mei.

2.   Na afloop van fase 1 boekt de Commissie, op basis van de mededelingen die de lidstaten wekelijks doen overeenkomstig artikel 11 bis, lid 1, onder a), punt i), de ontvankelijke aanbiedingen van mais die de marktdeelnemers tot en met 31 december om 12.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) bij de interventiebureaus van de lidstaten hebben ingediend.

Als de totale aangeboden hoeveelheid de desbetreffende in artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 vastgestelde maximumhoeveelheid overschrijdt, stelt de Commissie een op de aangeboden hoeveelheden toe te passen toewijzingscoëfficiënt met 6 decimalen vast, en maakt zij deze uiterlijk op 25 januari bekend. Als de betrokken maximumhoeveelheid niet wordt overschreden, is deze toewijzingscoëfficiënt 1 en maakt de Commissie de hoeveelheid bekend die voor interventie beschikbaar blijft voor fase 2.

Uiterlijk op 31 januari deelt het interventiebureau van de lidstaat aan de aanbieder mee dat zijn aanbieding is aanvaard voor een hoeveelheid die gelijk is aan de aangeboden hoeveelheid vermenigvuldigd met de toewijzingscoëfficiënt.

3.   Vanaf de eerste woensdag van februari boekt de Commissie elke week, op basis van de mededelingen die de lidstaten overeenkomstig artikel 11 bis, lid 1, onder a), punt i), hebben gedaan, de ontvankelijke aanbiedingen van mais die de marktdeelnemers uiterlijk op vrijdag van de voorafgaande week om 12.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) bij de interventiebureaus van de lidstaten hebben ingediend.

Als de hoeveelheid die voor interventie beschikbaar blijft, wordt overschreden, stelt de Commissie een op de aangeboden hoeveelheden toe te passen toewijzingscoëfficiënt met 6 decimalen vast, die zij uiterlijk op de vierde werkdag volgende op de uiterste datum voor de indiening van de aanbiedingen bekendmaakt. Is de beschikbare hoeveelheid niet overschreden, dan is de toewijzingscoëfficiënt gelijk aan 1, worden de aangeboden hoeveelheden als aanvaard beschouwd en stelt de Commissie, uiterlijk op woensdag van elke week, de marktdeelnemers via haar website http://ec.europa.eu/agriculture/markets/crops/index_fr.htm in kennis van de hoeveelheid die voor de lopende week nog voor interventie beschikbaar blijft.

Uiterlijk op de negende werkdag volgende op de uiterste datum voor de indiening van de aanbiedingen deelt het interventiebureau van de lidstaat aan de aanbieder mee dat zijn aanbieding is aanvaard voor een hoeveelheid die gelijk is aan de aangeboden hoeveelheid vermenigvuldigd met de toewijzingscoëfficiënt.

4.   Het bevoegde interventiebureau boekt de in de leden 2 en 3 bedoelde aanbiedingen op de dag van hun ontvangst.

Ingediende aanbiedingen kunnen niet meer worden gewijzigd of ingetrokken.

5.   De aanbiedingen gaan, op straffe van onontvankelijkheid, vergezeld van het bewijs dat de aanbieder een zekerheid van 15 EUR per ton heeft gesteld. Deze zekerheid wordt bij de indiening van de aanbiedingen gesteld, maar als zij in fase 1 in de vorm van een bankgarantie wordt gesteld, is zij pas opeisbaar met ingang van de dag volgende op de laatste dag van de indiening van de in lid 2 bedoelde aanbiedingen.

6.   De garantie dekt de hoeveelheden die de aanbieder overeenkomstig de leden 2 of 3 heeft aangeboden.

Behalve bij overmacht of in uitzonderlijke omstandigheden vervalt in de volgende gevallen de zekerheid volledig aan de Gemeenschapsbegroting:

a)

als de hoeveelheden die tussen de indiening van de aanbieding en de overname van de mais in de opslagplaats aanwezig zijn, kleiner zijn dan de hoeveelheden die de aanbieder heeft aangegeven overeenkomstig artikel 4, lid 1, rekening houdend met een tolerantie van 5 %;

b)

als de toegewezen hoeveelheden niet werkelijk door de aanbieder worden geleverd met het oog op overname door het interventiebureau overeenkomstig de artikelen 2 en 5.

Met het oog op de toepassing van de tweede alinea, onder a), van dit lid controleren de interventiebureaus de in de opslagplaatsen aanwezige hoeveelheden door op overeenkomstige wijze de regels en voorwaarden toe te passen die bij Verordening (EG) nr. 884/2006 van de Commissie (4) zijn vastgesteld voor de controle op de fysieke aanwezigheid van de in het kader van de openbare-opslagverrichtingen opgeslagen producten, en meer bepaald die welke zijn vastgesteld in punt B.III van bijlage I bij de genoemde verordening. Deze controles hebben betrekking op ten minste 5 % van de aanbiedingen en 5 % van de aangeboden hoeveelheden en zijn gebaseerd op een risicoanalyse. Deze minimumpercentages voor de controles gelden slechts voor fase 1.

De zekerheid wordt volledig vrijgegeven:

a)

voor de niet-toegewezen aangeboden hoeveelheden,

b)

voor de aangeboden hoeveelheden die zijn toegewezen, zodra 95 % van de toegewezen hoeveelheid daadwerkelijk door het interventiebureau is overgenomen.

2)

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt punt e) vervangen door:

„e)

interventiecentrum waarvoor de aanbieding wordt gedaan en als artikel 5, lid 1, tweede alinea, van deze verordening wordt toegepast, de verbintenis van de aanbieder om in zijn betrekkingen met de opslaghouder te garanderen dat op de opslagplaats als bedoeld onder c) van dit lid, op overeenkomstige wijze de regels en voorwaarden voor de opslag en de controle worden toegepast die gelden op grond van artikel 2, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 884/2006.”;

b)

in lid 3 wordt de derde alinea geschrapt;

c)

het volgende lid 4 wordt toegevoegd:

„4.   Voor andere voor de interventie aangeboden graansoorten dan mais vindt de laatste levering plaats uiterlijk aan het einde van de vierde maand volgende op de maand van ontvangst van de aanbieding, maar in Spanje, Griekenland, Italië en Portugal niet later dan 1 juli en in de overige lidstaten niet later dan 31 juli.

Voor mais vindt de levering plaats tussen 1 februari en 30 april voor de aanbiedingen die in de loop van fase 1 zijn ingediend, en uiterlijk aan het einde van de derde maand na de maand van ontvangst voor de aanbiedingen die in fase 2 zijn gedaan, maar in Spanje, Griekenland, Italië en Portugal niet later dan 1 juli en in de overige lidstaten niet later dan 31 juli.”.

3)

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

a)

aan lid 1 worden de volgende tweede en derde alinea toegevoegd:

„Deze overname kan plaatsvinden in de opslagplaats waar het graan zich op het tijdstip van de aanbieding bevindt voor zover de opslag plaatsvindt in de ruimten van een „opslaghouder” in de zin van artikel 2, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 884/2006 en dezelfde regels en dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor die ruimten na overname van graan door de interventiebureaus, van toepassing zijn vanaf de indiening van de aanbieding.

Voor mais mag de overgenomen hoeveelheid niet groter zijn dan de hoeveelheid die is toegewezen overeenkomstig artikel 3 bis, leden 2 en 3.”;

b)

lid 6 wordt vervangen door:

„6.   De laatste overname moet, voor andere granen dan mais, uiterlijk aan het einde van de tweede maand na de in artikel 4, lid 4, eerste alinea, bedoelde laatste levering plaatsvinden, en voor mais uiterlijk aan het einde van de tweede maand na elke van de in artikel 4, lid 4, tweede alinea, bedoelde laatste leveringen, maar niet later dan op 31 juli in Spanje, Griekenland, Italië en Portugal en niet later dan op 31 augustus in de overige lidstaten.”.

4)

In artikel 8, lid 1, tweede alinea, wordt de tweede zin vervangen door:

„Voor in augustus en september aangeboden sorghum geldt deze alinea niet.”.

5)

Artikel 11 bis wordt vervangen door:

„Artikel 11 bis

1.   Voor elke in artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde graansoort deelt elke lidstaat langs elektronische weg de informatie mee die nodig is voor het beheer van de interventie, en met name:

a)

uiterlijk elke woensdag om 12.00 uur (plaatselijke tijd Brussel):

i)

de hoeveelheden granen die voor interventie zijn aangeboden en waarvoor de marktdeelnemers hun aanbiedingen uiterlijk vrijdag van de voorafgaande week om 12.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) hebben ingediend overeenkomstig de artikelen 3 bis en 4 van deze verordening,

ii)

de hoeveelheden granen, andere dan mais, die voor interventie zijn aangeboden en waarvoor de aanbieding sinds de opening van de interventieperiode door de aanbieders is ingetrokken,

iii)

de totale hoeveelheden granen die sinds de opening van de interventieperiode voor interventie zijn aangeboden, na aftrek van de in punt ii) bedoelde hoeveelheden,

iv)

de totale hoeveelheden granen die sinds de opening van de interventieperiode overeenkomstig artikel 5 van deze verordening zijn overgenomen;

b)

op de woensdag volgende op de bekendmaking van het bericht van inschrijving, de overeenkomstig artikel 2, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2131/93 van de Commissie (5) bij inschrijving te koop aangeboden hoeveelheden granen;

c)

op de woensdag volgende op de datum waarop de lidstaat de betrokken partijen heeft bepaald, de hoeveelheden granen die zijn bestemd voor kosteloze uitreiking aan de meest behoeftigen in de Gemeenschap overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 3730/87 van de Raad (6);

d)

uiterlijk aan het einde van de maand volgende op de in artikel 5, lid 6, van deze verordening bedoelde overnametermijn, per regio zoals bepaald in bijlage III bij Verordening (EEG) nr. 837/90 van de Raad (7), de gemiddelde resultaten van het soortelijk gewicht, het vochtgehalte, het aandeel aan gebroken korrels en het eiwitgehalte die zijn geconstateerd voor de overgenomen partijen graan.

2.   De in lid 1 bedoelde mededelingen worden ook gedaan als geen enkele hoeveelheid is aangeboden. Wanneer de in lid 1, onder a), punt i), bedoelde informatie niet wordt meegedeeld, gaat de Commissie ervan uit dat in de betrokken lidstaat geen enkele aanbieding is ingediend.

3.   De vorm en de inhoud van de in lid 1 bedoelde mededelingen worden vastgesteld op basis van de modellen die door de Commissie ter beschikking worden gesteld van de lidstaten. Deze modellen worden pas van toepassing nadat het Comité van beheer voor granen daarvan vooraf in kennis is gesteld. Zij worden door de Commissie onder dezelfde voorwaarden aangepast en geactualiseerd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 augustus 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 juli 2007.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 735/2007 (PB L 169 van 29.6.2007, blz. 6).

(2)  PB L 100 van 20.4.2000, blz. 31. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1572/2006 (PB L 290 van 20.10.2006, blz. 29).

(3)  PB L 171 van 23.6.2006, blz. 35. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 721/2007 (PB L 164 van 26.6.2007, blz. 4).

(4)  PB L 171 van 23.6.2006, blz. 35.”.

(5)  PB L 191 van 31.7.1993, blz. 76.

(6)  PB L 352 van 15.12.1987, blz. 1.

(7)  PB L 88 van 3.4.1990, blz. 1.”.


27.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 195/8


VERORDENING (EG) Nr. 884/2007 VAN DE COMMISSIE

van 26 juli 2007

inzake noodmaatregelen tot opschorting van het gebruik van E 128 Rood 2G als levensmiddelenkleurstof

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (1), en met name op artikel 53, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Uit hoofde van artikel 53, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 kan de Commissie het in de handel brengen of het gebruik van een levensmiddel dat waarschijnlijk een ernstig risico voor de menselijke gezondheid inhoudt, opschorten wanneer dat risico niet op afdoende wijze kan worden beheerst met de door de betrokken lidstaten getroffen maatregelen.

(2)

Krachtens bijlage I bij Richtlijn 94/36/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 30 juni 1994 inzake kleurstoffen die in levensmiddelen mogen worden gebruikt (2) is het gebruik van de kleurstof E 128 Rood 2G in levensmiddelen toegestaan. Volgens bijlage IV bij die richtlijn is de kleurstof E 128 Rood 2G toegestaan voor gebruik in breakfast sausages met een minimumgraangehalte van 6 % en hamburgervlees met een minimumgroenten- en/of -graangehalte van 4 %. In beide levensmiddelen is de toegestane maximumconcentratie 20 mg/kg.

(3)

Het gebruik van de kleurstof is toegestaan op grond van het advies van het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding (WCMV) van 27 juni 1975 (3). Dat comité heeft voor E 128 Rood 2G een aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) van 0,1 mg/kg lichaamsgewicht vastgesteld.

(4)

Levensmiddelenadditieven moeten voortdurend worden geobserveerd en telkens opnieuw worden beoordeeld wanneer wijzigingen in de gebruiksomstandigheden en nieuwe wetenschappelijke gegevens daartoe aanleiding geven. Daar de oorspronkelijke beoordelingen van tal van levensmiddelenadditieven al een aantal jaren geleden zijn uitgevoerd, heeft de Commissie besloten dat alle toegestane levensmiddelenadditieven systematisch opnieuw moeten worden beoordeeld om na te gaan of de bestaande veiligheidsbeoordeling nog geldig is. Daarom heeft de Commissie de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) verzocht alle momenteel in de EU toegestane levensmiddelenadditieven opnieuw te beoordelen.

(5)

In dat verband heeft het panel van de EFSA voor levensmiddelenadditieven, aroma's, technische hulpstoffen en materialen die met levensmiddelen in aanraking komen de veiligheid van de kleurstof E 128 Rood 2G opnieuw beoordeeld en op 5 juli 2007 een advies uitgebracht (4).

(6)

De EFSA heeft bij haar beoordeling gebruikgemaakt van de conclusies van het risicobeoordelingsrapport van de Europese Unie over aniline (5). In dat rapport werd geconcludeerd dat aniline moet worden beschouwd als kankerverwekkende stof waarvoor een genotoxisch mechanisme niet kan worden uitgesloten. Omdat de kleurstof E 128 Rood 2G snel grotendeels gemetaboliseerd wordt tot aniline, concludeerde de EFSA dat het verstandig zou zijn om de stof als onveilig te beschouwen. Daarom heeft de EFSA de ADI voor E 128 Rood 2G ingetrokken. De EFSA vond wel dat indien het mechanisme van tumorinductie van aniline verder onderzocht wordt en daaruit blijkt dat er sprake is van een drempelwaarde en/of dat het mechanisme niet relevant is voor de mens, E 128 Rood 2G nogmaals beoordeeld kan worden met het oog op gebruik als levensmiddelenadditief.

(7)

Daar een levensmiddelenadditief alleen gebruikt mag worden indien bewezen is dat dit de gezondheid niet schaadt, moet Richtlijn 94/36/EG worden gewijzigd om het gebruik van de kleurstof E 128 Rood 2G te verbieden.

(8)

In afwachting daarvan moet, omdat E 128 Rood 2G waarschijnlijk een ernstig risico voor de gezondheid van de mens inhoudt, het gebruik van die kleurstof in levensmiddelen en het in de handel brengen en invoeren van levensmiddelen die die kleurstof bevatten, met onmiddellijke ingang worden opgeschort om het in de Gemeenschap gekozen hoge niveau van gezondheidsbescherming in stand te houden.

(9)

Het gebruik van E 128 Rood 2G is krachtens Richtlijn 94/36/EG in alle lidstaten wettelijk toegestaan. Daarom is een maatregel op Gemeenschapsniveau nodig.

(10)

De Commissie zal deze verordening op gezette tijden toetsen aan nieuwe wetenschappelijke informatie.

(11)

Gezien de aard van het risico moet deze verordening onmiddellijk in werking treden.

(12)

Om technische en economische redenen moeten er overgangsperioden worden vastgesteld voor breakfast sausages en hamburgervlees die de kleurstof E 128 Rood 2G bevatten en overeenkomstig Richtlijn 94/36/EG in de handel gebracht zijn, alsmede voor zendingen die vóór de datum van toepassing van deze verordening uit derde landen naar de Gemeenschap zijn verzonden.

(13)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Het gebruik van de kleurstof E 128 Rood 2G zoals opgenomen in bijlage IV bij Richtlijn 94/36/EG wordt opgeschort.

2.   Het in de handel brengen van levensmiddelen die de kleurstof E 128 Rood 2G bevatten, wordt opgeschort.

3.   De invoer van levensmiddelen die de kleurstof E 128 Rood 2G bevatten, wordt opgeschort.

Artikel 2

1.   In afwijking van artikel 1, lid 2, mogen breakfast sausages en hamburgervlees die de kleurstof E 128 Rood 2G bevatten en vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening overeenkomstig Richtlijn 94/36/EG in de handel gebracht zijn, worden verkocht tot en met de uiterste consumptiedatum of de datum van minimale houdbaarheid.

2.   Artikel 1 geldt niet voor zendingen breakfast sausages en hamburgervlees die de kleurstof E 128 Rood 2G bevatten indien de importeur van die levensmiddelen kan aantonen dat zij vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening uit het derde land verzonden en naar de Gemeenschap onderweg waren.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 juli 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 575/2006 van de Commissie (PB L 100 van 8.4.2006, blz. 3).

(2)  PB L 237 van 10.9.1994, blz. 13. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(3)  WCMV (1975). Verslagen van het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding (eerste reeks), blz. 17, 19, 24.

(4)  EFSA (2007). Opinion of the Scientific Panel on Food Additives, Flavourings, Processing aids and Materials in contact with Food (AFC) on re-evaluation of food colours Red 2G (E 128).

(5)  ECB, 2004, Europees Bureau voor chemische stoffen, Instituut voor gezondheid en consumentenbescherming. European Union Risk Assessment Report on Aniline. Deel 50.


27.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 195/10


VERORDENING (EG) Nr. 885/2007 VAN DE COMMISSIE

van 26 juli 2007

houdende het besluit om geen uitvoerrestitutie toe te kennen voor boter in het kader van de permanente inschrijving van Verordening (EG) nr. 581/2004

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (1), en met name op artikel 31, lid 3, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 581/2004 van de Commissie van 26 maart 2004 tot opening van een permanente inschrijving voor de bepaling van de uitvoerrestituties voor bepaalde soorten boter (2) voorziet in een permanente inschrijving.

(2)

In het kader van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 580/2004 van de Commissie van 26 maart 2004 houdende een inschrijvingsprocedure tot vaststelling van de uitvoerrestituties voor bepaalde zuivelproducten (3) en na bestudering van de offertes die in het kader van de inschrijving zijn ingediend, dient te worden besloten geen restitutie toe te kennen voor de inschrijvingsperiode die eindigt op 24 juli 2007.

(3)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor melk en zuivelproducten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In het kader van de bij Verordening (EG) nr. 581/2004 geopende permanente inschrijving wordt voor de inschrijvingsperiode die eindigt op 24 juli 2007, geen uitvoerrestitutie toegekend voor de producten en de bestemmingen zoals vermeld in artikel 1, lid 1, van die verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 27 juli 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 juli 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1913/2005 van de Commissie (PB L 307 van 25.11.2005, blz. 2).

(2)  PB L 90 van 27.3.2004, blz. 64. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 276/2007 (PB L 76 van 16.3.2007, blz. 16).

(3)  PB L 90 van 27.3.2004, blz. 58. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 128/2007 (PB L 41 van 13.2.2007, blz. 6).


27.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 195/11


VERORDENING (EG) Nr. 886/2007 VAN DE COMMISSIE

van 26 juli 2007

betreffende de afgifte van invoercertificaten voor aanvragen die zijn ingediend voor de periode van 1 juli 2007 tot en met 30 juni 2008 in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 996/97 geopende tariefcontingent voor bevroren omlopen van runderen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (2), en met name op artikel 7, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 996/97 van de Commissie van 3 juni 1997 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor de invoer van bevroren omlopen van runderen van GN-code 0206 29 91 (3) is een tariefcontingent geopend voor de invoer van producten van de sector rundvlees.

(2)

De certificaataanvragen die voor de periode van 1 juli 2007 tot en met 30 juni 2008 zijn ingediend, hebben betrekking op een hoeveelheid die de beschikbare hoeveelheid overschrijdt. Bijgevolg dient door vaststelling van de op de aangevraagde hoeveelheden toe te passen toewijzingscoëfficiënt te worden bepaald in hoeverre de invoercertificaten kunnen worden afgegeven,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Op de invoercertificaataanvragen die in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 996/97 vastgestelde contingent met het volgnummer 09.4020 zijn ingediend voor de periode van 1 juli 2007 tot en met 30 juni 2008, wordt een toewijzingscoëfficiënt toegepast van 0,970873 %.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 27 juli 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 juli 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 21. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1913/2005 (PB L 307 van 25.11.2005, blz. 2).

(2)  PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 289/2007 (PB L 78 van 17.3.2007, blz. 17).

(3)  PB L 144 van 4.6.1997, blz. 6. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 568/2007 (PB L 133 van 25.5.2007, blz. 15).


27.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 195/12


VERORDENING (EG) Nr. 887/2007 VAN DE COMMISSIE

van 26 juli 2007

houdende vaststelling van de restituties die van toepassing zijn op bepaalde zuivelproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I bij het Verdrag vallen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (1), en met name op artikel 31, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 31, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1255/1999 kan het verschil tussen de prijzen van de in artikel 1, onder a), b), c), d), e) en g), van die verordening bedoelde producten in de internationale handel enerzijds en de prijzen in de Gemeenschap anderzijds door een restitutie bij de uitvoer worden overbrugd.

(2)

In Verordening (EG) nr. 1043/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 houdende tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad wat betreft de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen (2) is aangegeven voor welke producten een restitutie moet worden vastgesteld wanneer zij worden uitgevoerd in de vorm van goederen bedoeld in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1255/1999.

(3)

Overeenkomstig artikel 14, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1043/2005 moet de restitutievoet per 100 kg van elk van de betrokken basisproducten maandelijks worden vastgesteld.

(4)

Voor bepaalde melkproducten die worden uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I bij het Verdrag vallen, bestaat evenwel het gevaar dat, indien vooraf hoge restituties worden vastgesteld, de verplichtingen die met betrekking tot deze restituties zijn aangegaan, op het spel worden gezet. Om dat gevaar te voorkomen dienen passende voorzorgsmaatregelen te worden genomen, zonder evenwel contracten op lange termijn uit te sluiten. De vaststelling van specifieke restitutiebedragen voor het vooraf vaststellen van de restituties voor deze producten moet het mogelijk maken beide doelstellingen te verwezenlijken.

(5)

In artikel 15, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1043/2005 is bepaald dat voor de vaststelling van de restitutie in voorkomend geval rekening moet worden gehouden met de restituties bij de productie en de steunmaatregelen of andere maatregelen van gelijke werking die voor de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1043/2005 vermelde basisproducten of daarmee gelijkgestelde producten in alle lidstaten worden toegepast uit hoofde van de verordening houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de betrokken sector.

(6)

Ingevolge artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1255/1999 wordt steun verleend aan in de Gemeenschap geproduceerde en tot caseïne verwerkte ondermelk, indien deze melk en de daarvan vervaardigde caseïne aan bepaalde eisen voldoen.

(7)

Verordening (EG) nr. 1898/2005 van de Commissie van 9 november 2005 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad, wat betreft maatregelen voor de afzet van room, boter en boterconcentraat op de markt van de Gemeenschap (3) voorziet in de levering van boter en room tegen verlaagde prijs aan de fabrikanten van bepaalde koopwaren.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor melk en zuivelproducten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De restitutiebedragen die van toepassing zijn op de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1043/2005 en in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1255/1999 opgenomen basisproducten die worden uitgevoerd in de vorm van in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1255/1999 vermelde goederen, worden vastgesteld zoals bepaald in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 27 juli 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 juli 2007.

Voor de Commissie

Heinz ZOUREK

Directeur-generaal Ondernemingen en industrie


(1)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1913/2005 van de Commissie (PB L 307 van 25.11.2005, blz. 2).

(2)  PB L 172 van 5.7.2005, blz. 24. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 447/2007 (PB L 106 van 24.4.2007, blz. 31).

(3)  PB L 308 van 25.11.2005, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 96/2007 (PB L 25 van 1.2.2007, blz. 6).


BIJLAGE

Restituties welke van toepassing zijn vanaf 27 juli 2007 op bepaalde zuivelproducten die worden uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen (1)

(EUR/100 kg)

GN-code

Omschrijving

Restituties

Bij vaststelling vooraf van de restituties

Overige gevallen

ex 0402 10 19

Melk in poeder, in korrels of in andere vaste vorm, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, met een vetgehalte van minder dan 1,5 gewichtspercenten (PG 2):

 

 

a)

in geval van uitvoer van goederen van GN-code 3501

b)

in geval van uitvoer van andere goederen

0,00

0,00

ex 0402 21 19

Melk in poeder, in korrels of in andere vaste vorm, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, met een vetgehalte van 26 gewichtspercenten (PG 3):

 

 

a)

bij uitvoer van producten, bevattende boter of room in de vorm van een aan PG 3 gelijkgesteld product, tegen verlaagde prijs krachtens Verordening (EG) nr. 1898/2005

0,00

0,00

b)

in geval van uitvoer van andere goederen

0,00

0,00

ex 0405 10

Boter met een vetgehalte van 82 gewichtspercenten (PG 6):

 

 

a)

bij uitvoer van producten, bevattende boter of room tegen verlaagde prijs, vervaardigd overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EG) nr. 1898/2005

0,00

0,00

b)

in geval van uitvoer van goederen behorende tot GN-code 2106 90 98, met een vetgehalte van 40 of meer gewichtspercenten

0,00

0,00

c)

in geval van uitvoer van andere goederen

0,00

0,00


(1)  De in deze bijlage vastgestelde restituties zijn niet van toepassing op de uitvoer naar Andorra, Gibraltar, Ceuta en Melilla, de Heilige Stoel (Vaticaanstad), Liechtenstein, de gemeenten Livigno en Campione d′Italia, Heligoland, Groenland, de Faeröer, de Verenigde Staten van Amerika en de delen van de Republiek Cyprus waarin de regering van de Republiek Cyprus niet feitelijk het gezag uitoefent, noch op de goederen die zijn opgenomen in de tabellen I en II bij Protocol nr. 2 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972 en die naar de Zwitserse Bondsstaat worden uitgevoerd.


27.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 195/15


VERORDENING (EG) Nr. 888/2007 VAN DE COMMISSIE

van 26 juli 2007

houdende vaststelling van de restituties die van toepassing zijn op bepaalde graan- en rijstproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I bij het Verdrag vallen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 13, lid 3,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1785/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt (2), en met name op artikel 14, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 13, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 en artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1785/2003 kan het verschil tussen de noteringen of de prijzen van de in artikel 1 van deze beide verordeningen bedoelde producten op de wereldmarkt enerzijds en de prijzen in de Gemeenschap anderzijds door een restitutie bij de uitvoer worden overbrugd.

(2)

In Verordening (EG) nr. 1043/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 houdende tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad wat betreft de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen (3), is aangegeven voor welke producten een restitutie moet worden vastgesteld wanneer ze worden uitgevoerd in de vorm van goederen bedoeld naar gelang van het geval in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1784/2003 of bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 1785/2003.

(3)

Overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1043/2005 moet de restitutievoet per 100 kg van elk van de betrokken basisproducten maandelijks worden vastgesteld.

(4)

De naleving van de verplichtingen die zijn aangegaan met betrekking tot de restituties die kunnen worden toegekend bij de uitvoer van landbouwproducten die zijn verwerkt in niet onder bijlage I bij het Verdrag vallende goederen, kan in het gedrang komen door de vaststelling vooraf van hoge restituties. In deze situatie moeten derhalve vrijwaringsmaatregelen worden genomen zonder dat daardoor de sluiting van langetermijncontracten wordt verhinderd. De vaststelling van een specifieke restitutie voor de voorfixatie van restituties is een maatregel die aan deze verschillende doelstellingen beantwoordt.

(5)

Rekening houdend met de regeling tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika met betrekking tot de uitvoer van deegwaren uit de Gemeenschap naar de Verenigde Staten, goedgekeurd bij Besluit 87/482/EEG van de Raad (4), moet de restitutie voor goederen van de GN-codes 1902 11 00 en 1902 19 naar gelang van de bestemming worden gedifferentieerd.

(6)

Ingevolge artikel 15, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 1043/2005 moet een verlaagde restitutievoet worden vastgesteld, waarbij rekening wordt gehouden met het bedrag van de restitutie bij de productie tijdens de veronderstelde periode van de vervaardiging van de goederen, die krachtens Verordening (EEG) nr. 1722/93 van de Commissie (5) op het verwerkte basisproduct van toepassing is.

(7)

Alcoholhoudende dranken worden geacht minder gevoelig te zijn voor de prijs van de granen die voor de vervaardiging ervan worden gebruikt. In protocol nr. 19 van het Verdrag betreffende de toetreding van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken wordt evenwel bepaald dat de maatregelen moeten worden vastgesteld die noodzakelijk zijn om het gebruik van granen uit de Gemeenschap voor de vervaardiging van alcoholhoudende dranken uit granen te vergemakkelijken. Daarom moet de restitutie die wordt toegepast op granen die in de vorm van alcoholhoudende dranken worden uitgevoerd, worden aangepast.

(8)

Het Comité van beheer voor granen heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter bepaalde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De restituties die van toepassing zijn op de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1043/2005 en in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1784/2003 of in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1785/2003 opgenomen basisproducten die worden uitgevoerd in de vorm van goederen vermeld in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1784/2003, respectievelijk in bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 1785/2003, worden vastgesteld zoals in de bijlage is aangegeven.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 27 juli 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 juli 2007.

Voor de Commissie

Heinz ZOUREK

Directeur-generaal Ondernemingen en industrie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1154/2005 van de Commissie (PB L 187 van 19.7.2005, blz. 11).

(2)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 96. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 797/2006 van de Commissie (PB L 144 van 31.5.2006, blz. 1).

(3)  PB L 172 van 5.7.2005, blz. 24. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 447/2007 (PB L 106 van 24.4.2007, blz. 31).

(4)  PB L 275 van 29.9.1987, blz. 36.

(5)  PB L 159 van 1.7.1993, blz. 112. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1584/2004 (PB L 280 van 31.8.2004, blz. 11).


BIJLAGE

Restituties die met ingang van 27 juli 2007 van toepassing zijn op bepaalde producten van de sector granen en de sector rijst, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I bij het Verdrag vallen (1)

(EUR/100 kg)

GN-code

Omschrijving (2)

Restitutievoet per 100 kg basisproduct

Bij vaststelling vooraf van de restituties

Andere

1001 10 00

Harde tarwe:

 

 

– in geval van uitvoer van goederen van de GN-codes 1902 11 en 1902 19 naar de Verenigde Staten van Amerika

– in andere gevallen

1001 90 99

Zachte tarwe en mengkoren:

 

 

– in geval van uitvoer van goederen van de GN-codes 1902 11 en 1902 19 naar de Verenigde Staten van Amerika

– in andere gevallen:

 

 

– – in geval van toepassing van artikel 15, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1043/2005 (3)

– – in geval van uitvoer van goederen van post 2208 (4)

– – in andere gevallen

1002 00 00

Rogge

1003 00 90

Gerst:

 

 

– in geval van uitvoer van goederen van post 2208 (4)

– in andere gevallen

1004 00 00

Haver

1005 90 00

Maïs, gebruikt in de vorm van:

 

 

– zetmeel:

 

 

– – in geval van toepassing van artikel 15, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1043/2005 (3)

2,131

2,131

– – in geval van uitvoer van goederen van post 2208 (4)

– – in andere gevallen

2,131

2,131

– glucose, glucosestroop, maltodextrine, maltodextrinestroop van de GN-codes 1702 30 51, 1702 30 59, 1702 30 91, 1702 30 99, 1702 40 90, 1702 90 50, 1702 90 75, 1702 90 79, 2106 90 55 (5):

 

 

– – in geval van toepassing van artikel 15, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1043/2005 (3)

1,598

1,598

– – in geval van uitvoer van goederen van post 2208 (4)

– – in andere gevallen

1,598

1,598

– – in geval van uitvoer van goederen van post 2208 (4)

– andere (ook als zodanig)

2,131

2,131

Aardappelzetmeel van GN-code 1108 13 00 gelijkgesteld aan een verwerkingsproduct van maïs:

 

 

– in geval van toepassing van artikel 15, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1043/2005 (3)

2,131

2,131

– in geval van uitvoer van goederen van post 2208 (4)

– in andere gevallen

2,131

2,131

ex 1006 30

Volwitte rijst:

 

 

– rondkorrelig

– halflangkorrelig

– langkorrelig

1006 40 00

Breukrijst

1007 00 90

Graansorgho (m.u.v. hybriden, bestemd voor zaaidoeleinden)


(1)  De in deze bijlage vastgestelde restituties zijn niet van toepassing op de goederen die zijn opgenomen in de tabellen I en II bij Protocol nr. 2 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972 en die naar de Zwitserse Bondsstaat of naar het Vorstendom Liechtenstein worden uitgevoerd.

(2)  Voor landbouwproducten verkregen door verwerking van een basisproduct en/of een daarmee gelijkgesteld product gelden de coëfficiënten vermeld in bijlage V bij Verordening (EG) nr. 1043/2005 van de Commissie.

(3)  De betrokken goederen vallen onder GN-code 3505 10 50.

(4)  Goederen opgenomen in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1784/2003 of bedoeld in artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 2825/93 (PB L 258 van 16.10.1993, blz. 6).

(5)  Voor stropen van de GN-codes 1702 30 99, 1702 40 90 en 1702 60 90, verkregen door het mengen van glucose- en fructosestropen, betreft de uitvoerrestitutie alleen glucosestroop.


27.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 195/19


VERORDENING (EG) Nr. 889/2007 VAN DE COMMISSIE

van 26 juli 2007

tot vaststelling van de restituties bij uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte producten

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), inzonderheid op artikel 13, lid 3,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1785/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt (2), inzonderheid op artikel 14, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Volgens artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1784/2003 en artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1785/2003 kan het verschil tussen de noteringen of de prijzen op de wereldmarkt voor de in artikel 1 van deze verordeningen genoemde producten en de prijzen van deze producten in de Gemeenschap worden overbrugd door een restitutie bij de uitvoer.

(2)

Krachtens artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1785/2003 moeten de restituties worden vastgesteld met inachtneming van de bestaande situatie en de vooruitzichten voor de ontwikkeling, enerzijds van de beschikbare hoeveelheden granen, rijst en breukrijst, evenals van hun prijzen op de markt van de Gemeenschap, en anderzijds van de prijzen van granen, rijst en breukrijst en de producten in de sector granen op de wereldmarkt. Krachtens deze artikelen moeten ook waarborgen worden geschapen dat op de graan- en rijstmarkten een evenwichtige toestand heerst en een natuurlijke ontwikkeling op het gebied van de prijzen en de handel plaatsvindt en moet bovendien rekening worden gehouden met het economische aspect van de bedoelde uitvoer en de noodzaak verstoringen op de markt van de Gemeenschap te vermijden.

(3)

Verordening (EG) nr. 1518/95 van de Commissie (3) betreffende de regeling voor de invoer en de uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte producten heeft in artikel 2 de specifieke criteria vastgesteld waarmee rekening moet worden gehouden voor de berekening van de restitutie voor deze producten.

(4)

Het is wenselijk de aan bepaalde verwerkte producten toe te kennen restitutie, al naar gelang van het product, hoger of lager vast te stellen volgens het asgehalte, het gehalte aan ruwe celstof, het gehalte aan doppen, het eiwitgehalte, het vetgehalte of het zetmeelgehalte, daar deze gehaltes van bijzondere betekenis zijn voor de hoeveelheid basisproduct die werkelijk voor de vervaardiging van het verwerkte product is gebruikt.

(5)

Ten aanzien van maniokwortel en andere tropische wortels en knollen en het daarvan vervaardigde meel behoeft het economische aspect van de uitvoeren die zouden kunnen worden overwogen, in het bijzonder gezien de aard en de herkomst van deze producten, op het ogenblik geen vaststelling van een restitutie bij uitvoer. Voor bepaalde verwerkte producten is het, gezien het geringe aandeel van de Gemeenschap aan de wereldhandel, op het ogenblik niet noodzakelijk een restitutie bij uitvoer vast te stellen.

(6)

De situatie op de wereldmarkt of de specifieke eisen van bepaalde markten voor zekere producten kunnen een differentiatie van de restitutie, naar gelang van de bestemming, nodig maken.

(7)

De restitutie moet eenmaal per maand worden vastgesteld. Zij kan in de tussentijd worden gewijzigd.

(8)

Bepaalde verwerkte producten op basis van maïs kunnen een warmtebehandeling ondergaan, waardoor een restitutie zou kunnen worden uitgekeerd die niet overeenstemt met de kwaliteit van het product. Duidelijk moet worden aangegeven dat deze producten, die voorgegelatineerd zetmeel bevatten, niet in aanmerking komen voor uitvoerrestituties.

(9)

Het Comité van beheer voor granen heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter bepaalde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De restituties bij uitvoer van de in artikel 1 bedoelde producten van Verordening (EG) nr. 1518/95 van toepassing is, worden vastgesteld in overeenstemming met de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 27 juli 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 juli 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1154/2005 van de Commissie (PB L 187 van 19.7.2005, blz. 11).

(2)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 96. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1549/2004 van de Commissie (PB L 280 van 31.8.2004, blz. 13).

(3)  PB L 147 van 30.6.1995, blz. 55. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2993/95 (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 25).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 26 juli 2007 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte producten

Productcode

Bestemming

Meeteenheid

Bedrag van de restitutie

1102 20 10 9200 (1)

C10

EUR/t

29,83

1102 20 10 9400 (1)

C10

EUR/t

25,57

1102 20 90 9200 (1)

C10

EUR/t

25,57

1102 90 10 9100

C10

EUR/t

0,00

1102 90 10 9900

C10

EUR/t

0,00

1102 90 30 9100

C10

EUR/t

0,00

1103 19 40 9100

C10

EUR/t

0,00

1103 13 10 9100 (1)

C10

EUR/t

38,36

1103 13 10 9300 (1)

C10

EUR/t

29,83

1103 13 10 9500 (1)

C10

EUR/t

25,57

1103 13 90 9100 (1)

C10

EUR/t

25,57

1103 19 10 9000

C10

EUR/t

0,00

1103 19 30 9100

C10

EUR/t

0,00

1103 20 60 9000

C10

EUR/t

0,00

1103 20 20 9000

C10

EUR/t

0,00

1104 19 69 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 12 90 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 12 90 9300

C10

EUR/t

0,00

1104 19 10 9000

C10

EUR/t

0,00

1104 19 50 9110

C10

EUR/t

34,10

1104 19 50 9130

C10

EUR/t

27,70

1104 29 01 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 29 03 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 29 05 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 29 05 9300

C10

EUR/t

0,00

1104 22 20 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 22 30 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 23 10 9100

C10

EUR/t

31,97

1104 23 10 9300

C10

EUR/t

24,51

1104 29 11 9000

C10

EUR/t

0,00

1104 29 51 9000

C10

EUR/t

0,00

1104 29 55 9000

C10

EUR/t

0,00

1104 30 10 9000

C10

EUR/t

0,00

1104 30 90 9000

C10

EUR/t

5,33

1107 10 11 9000

C10

EUR/t

0,00

1107 10 91 9000

C10

EUR/t

0,00

1108 11 00 9200

C10

EUR/t

0,00

1108 11 00 9300

C10

EUR/t

0,00

1108 12 00 9200

C10

EUR/t

34,10

1108 12 00 9300

C10

EUR/t

34,10

1108 13 00 9200

C10

EUR/t

34,10

1108 13 00 9300

C10

EUR/t

34,10

1108 19 10 9200

C10

EUR/t

0,00

1108 19 10 9300

C10

EUR/t

0,00

1109 00 00 9100

C10

EUR/t

0,00

1702 30 51 9000 (2)

C10

EUR/t

33,40

1702 30 59 9000 (2)

C10

EUR/t

25,57

1702 30 91 9000

C10

EUR/t

33,40

1702 30 99 9000

C10

EUR/t

25,57

1702 40 90 9000

C10

EUR/t

25,57

1702 90 50 9100

C10

EUR/t

33,40

1702 90 50 9900

C10

EUR/t

25,57

1702 90 75 9000

C10

EUR/t

35,00

1702 90 79 9000

C10

EUR/t

24,29

2106 90 55 9000

C14

EUR/t

25,57

NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A” zijn vastgesteld in de gewijzigde Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1).

De numerieke codes voor de bestemmingen zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2081/2003 (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11).

De andere bestemmingen zijn als volgt gedefinieerd:

C10

:

Alle bestemmingen

C14

:

Alle bestemmingen, uitgezonderd Zwitserland en Liechtenstein.


(1)  Er worden geen restituties toegekend voor producten die een warmtebehandeling hebben ondergaan waardoor het zetmeel is voorgegelatineerd.

(2)  De restituties worden toegekend overeenkomstig de gewijzigde Verordening (EEG) nr. 2730/75 van de Raad (PB L 281 van 1.11.1975, blz. 20).

NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A” zijn vastgesteld in de gewijzigde Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1).

De numerieke codes voor de bestemmingen zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2081/2003 (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11).

De andere bestemmingen zijn als volgt gedefinieerd:

C10

:

Alle bestemmingen

C14

:

Alle bestemmingen, uitgezonderd Zwitserland en Liechtenstein.


27.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 195/22


VERORDENING (EG) Nr. 890/2007 VAN DE COMMISSIE

van 26 juli 2007

tot vaststelling van de restituties bij uitvoer voor mengvoeders op basis van granen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 13, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Volgens artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1784/2003 kan het verschil tussen de noteringen of de prijzen op de wereldmarkt voor de in artikel 1 van die verordening genoemde producten en de prijzen van deze producten in de Gemeenschap worden overbrugd door een restitutie bij de uitvoer.

(2)

Verordening (EG) nr. 1517/95 van de Commissie van 29 juni 1995 houdende bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad ten aanzien van de invoer- en uitvoerregeling voor mengvoeders op basis van granen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1162/95 houdende bijzondere uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer- en uitvoercertificaten in de sector granen en rijst (2) heeft in artikel 2 de specifieke criteria vastgesteld waarmee rekening moet worden gehouden voor de berekening van de restitutie voor deze producten.

(3)

Bij de berekening moet ook rekening worden gehouden met het gehalte aan graanproducten. Gemakshalve zou de restitutie moeten worden betaald voor twee categorieën „graanproducten”, namelijk voor maïs, de meest gebruikte component van uitgevoerde mengvoeders, en maïsproducten, en voor „andere granen”, dat wil zeggen voor restitutie in aanmerking komende graanproducten, andere dan maïs en maïsproducten. Een restitutie zou moeten worden toegekend voor de hoeveelheid graanproducten in het mengvoeder.

(4)

Anderzijds moet het bedrag van de restitutie eveneens rekening houden met de afzetmogelijkheden en verkoopvoorwaarden voor de betrokken producten op de wereldmarkt, het belang dat men erbij heeft om verstoringen op de markt van de Gemeenschap te voorkomen en het economisch aspect van de uitvoer.

(5)

Op grond van de huidige situatie op de markt voor granen, en met name de vooruitzichten inzake de voorziening, moeten de uitvoerrestituties worden geschrapt.

(6)

Het Comité van beheer voor granen heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter bepaalde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De restituties bij uitvoer voor de in Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde mengvoeders waarop Verordening (EG) nr. 1517/95 van toepassing is, worden overeenkomstig de bijlage bij deze verordening vastgesteld.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 27 juli 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 juli 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1154/2005 van de Commissie (PB L 187 van 19.7.2005, blz. 11).

(2)  PB L 147 van 30.6.1995, blz. 51.


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 26 juli 2007 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer voor mengvoeders op basis van granen

Productcodes van de producten die in aanmerking komen voor een restitutie bij uitvoer:

 

2309 10 11 9000,

 

2309 10 13 9000,

 

2309 10 31 9000,

 

2309 10 33 9000,

 

2309 10 51 9000,

 

2309 10 53 9000,

 

2309 90 31 9000,

 

2309 90 33 9000,

 

2309 90 41 9000,

 

2309 90 43 9000,

 

2309 90 51 9000,

 

2309 90 53 9000.


Graanproducten

Bestemming

Meeteenheid

Bedrag van de restitutie

Maïs en maïsproducten

GN-codes 0709 90 60, 0712 90 19, 1005, 1102 20, 1103 13, 1103 29 40, 1104 19 50, 1104 23, 1904 10 10

C10

EUR/t

0,00

Graanproducten, met uitzondering van maïs en maïsproducten

C10

EUR/t

0,00

NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A” zijn vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1), zoals gewijzigd.

C10

:

Alle bestemmingen.


27.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 195/24


VERORDENING (EG) Nr. 891/2007 VAN DE COMMISSIE

van 26 juli 2007

tot vaststelling van de restituties bij de productie in de sector granen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 8, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EEG) nr. 1722/93 van de Commissie van 30 juni 1993 tot vaststelling van de toepassingsbepalingen van de Verordeningen (EEG) nr. 1766/92 en (EEG) nr. 1418/76 van de Raad wat de regelingen inzake de productierestituties in de sector granen respectievelijk rijst betreft (2) zijn de voorwaarden voor de toekenning van de productierestitutie vastgesteld. De berekeningsgrondslag is bepaald in artikel 3 van genoemde verordening. De aldus berekende restitutie, zo nodig gedifferentieerd voor aardappelmeel, moet eenmaal per maand worden vastgesteld en mag slechts gewijzigd worden wanneer de maïs- en/of tarweprijzen een significante verandering te zien geven.

(2)

De in deze verordening vastgestelde productierestituties moeten worden aangepast met de in bijlage II bij Verordening (EEG) nr. 1722/93 bepaalde coëfficiënten, teneinde het juiste te betalen bedrag te verkrijgen.

(3)

Het Comité van beheer voor granen heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter bepaalde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 3, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1722/93 bedoelde productierestitutie per ton zetmeel wordt vastgesteld op:

a)

0,00 EUR/t voor zetmeel uit maïs, tarwe, gerst en haver;

b)

0,00 EUR/t voor aardappelmeel.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 27 juli 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 juli 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1154/2005 van de Commissie (PB L 187 van 19.7.2005, blz. 11).

(2)  PB L 159 van 1.7.1993, blz. 112. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1950/2005 (PB L 312 van 29.11.2005, blz. 18).


27.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 195/25


VERORDENING (EG) Nr. 892/2007 VAN DE COMMISSIE

van 26 juli 2007

inzake de afgifte van invoercertificaten voor rijst in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 327/98 geopende tariefcontingenten voor de deelperiode juli 2007

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1785/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (2), en met name op artikel 7, lid 2,

Gelet op Verordening (EG) nr. 327/98 van de Commissie van 10 februari 1998 inzake de opening en de wijze van beheer van bepaalde tariefcontingenten voor de invoer van rijst en breukrijst (3), en met name op artikel 5, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 327/98 betreft de opening en de wijze van beheer van bepaalde tariefcontingenten voor de invoer van rijst en breukrijst die overeenkomstig bijlage IX bij die verordening zijn verdeeld over landen van oorsprong en vervolgens over verscheidene deelperioden.

(2)

De maand juli is de derde deelperiode voor het bij artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 327/98 vastgestelde contingent en de tweede deelperiode voor de bij dat lid 1, onder b), c) en d), vastgestelde contingenten.

(3)

Blijkens de gegevens die overeenkomstig artikel 8, onder a), van Verordening (EG) nr. 327/98 zijn verstrekt, hebben voor het contingent met de volgnummers 09.4154 — 09.4116 en 09.4166 de aanvragen die overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die verordening zijn ingediend gedurende de eerste tien werkdagen van de maand juli 2007, betrekking op een hoeveelheid die groter is dan de beschikbare hoeveelheid. Bijgevolg dient door vaststelling van de toewijzingscoëfficiënt die moet worden toegepast op de voor de betrokken contingenten aangevraagde hoeveelheden, te worden bepaald in hoeverre de invoercertificaten kunnen worden afgegeven.

(4)

Uit de bovenbedoelde gegevens blijkt overigens ook dat voor de contingenten met de volgnummers 09.4127 — 09.4128 — 09.4129 — 09.4149 — 09.4150 — 09.4152 en 09.4153 de aanvragen die overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 327/98 zijn ingediend gedurende de eerste tien werkdagen van de maand juli 2007, betrekking hebben op een hoeveelheid die kleiner is dan de beschikbare hoeveelheid.

(5)

Derhalve dienen voor de contingenten met de volgnummers 09.4127 — 09.4128 — 09.4129 — 09.4130 — 09.4148 — 09.4112 — 09.4116 — 09.4117 — 09.4118 — 09.4119 en 09.4166 overeenkomstig artikel 5, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 327/98 de totale hoeveelheden te worden vastgesteld die beschikbaar zijn voor de volgende contingentsdeelperiode,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Op grond van de aanvragen voor certificaten voor de invoer van rijst in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 327/98 vastgestelde contingent met de volgnummers 09.4154 — 09.4116 en 09.4166 die zijn ingediend gedurende de eerste tien werkdagen van de maand juli 2007, worden certificaten afgegeven voor de aangevraagde hoeveelheden, vermenigvuldigd met de in de bijlage bij de onderhavige verordening vastgestelde toewijzingscoëfficiënten.

2.   De totale hoeveelheden die in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 327/98 vastgestelde contingenten met de volgnummers 09.4127 — 09.4128 — 09.4129 — 09.4130 — 09.4148 — 09.4112 — 09.4116 — 09.4117 — 09.4118 — 09.4119 en 09.4166 beschikbaar zijn voor de volgende contingentsdeelperiode, worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 juli 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 96. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 797/2006 van de Commissie (PB L 144 van 31.5.2006, blz. 1)

(2)  PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 289/2007 (PB L 78 van 17.3.2007, blz. 17).

(3)  PB L 37 van 11.2.1998, blz. 5. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2019/2006 (PB L 384 van 29.12.2006, blz. 48).


BIJLAGE

Hoeveelheden die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 327/98 moeten worden toegewezen voor de deelperiode juli 2007, respectievelijk beschikbaar zijn voor de daaropvolgende deelperiode:

a)   Bij artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 327/98 vastgesteld contingent voor volwitte of halfwitte rijst van GN-code 1006 30:

Oorsprong

Volgnummer

Toewijzingscoëfficiënt voor de deelperiode juli 2007

Totale hoeveelheid die beschikbaar is voor de deelperiode september 2007

(in kg)

Verenigde Staten van Amerika

09.4127

 (2)

19 578 285

Thailand

09.4128

 (2)

1 233 332

Australië

09.4129

 (2)

305 500

Andere landen van oorsprong

09.4130

 (3)

7 319


b)   Bij artikel 1, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 327/98 vastgesteld contingent voor gedopte rijst van GN-code 1006 20:

Oorsprong

Volgnummer

Toewijzingscoëfficiënt voor de deelperiode juli 2007

Totale hoeveelheid die beschikbaar is voor de deelperiode oktober 2007

(in kg)

Alle landen

09.4148

 (3)

60 728


c)   Bij artikel 1, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 327/98 vastgesteld contingent voor breukrijst van GN-code 1006 40:

Oorsprong

Volgnummer

Toewijzingscoëfficiënt voor de deelperiode juli 2007

Thailand

09.4149

 (2)

Australië

09.4150

 (1)

Guyana

09.4152

 (1)

Verenigde Staten van Amerika

09.4153

 (2)

Andere landen van oorsprong

09.4154

1,809392 %


d)   Bij artikel 1, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 327/98 vastgesteld contingent voor volwitte of halfwitte rijst van GN-code 1006 30:

Oorsprong

Volgnummer

Toewijzingscoëfficiënt voor de deelperiode juli 2007

Totale hoeveelheid die beschikbaar is voor de deelperiode september 2007

(in kg)

Thailand

09.4112

 (3)

7 344

Verenigde Staten van Amerika

09.4116

3,329173 %

0

India

09.4117

 (3)

36 522

Pakistan

09.4118

 (3)

4 521

Andere landen van oorsprong

09.4119

 (3)

58 099

Alle landen

09.4166

1,218315 %

0


(1)  Geen toewijzingscoëfficiënt van toepassing voor deze deelperiode: de Commissie is geen enkele certificaataanvraag meegedeeld.

(2)  Geen toewijzingscoëfficiënt van toepassing voor deze deelperiode: de aanvragen hebben betrekking op een hoeveelheid die kleiner is dan of gelijk is aan de beschikbare hoeveelheid.

(3)  Geen hoeveelheid meer beschikbaar voor deze deelperiode.


RICHTLIJNEN

27.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 195/29


RICHTLIJN 2007/48/EG VAN DE COMMISSIE

van 26 juli 2007

tot wijziging van Richtlijn 2003/90/EG houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van Richtlijn 2002/53/EG van de Raad met betrekking tot de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouwgewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2002/53/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen (1), en met name op artikel 7, lid 2, onder a) en b),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2003/90/EG van de Commissie (2) is vastgesteld om ervoor te zorgen dat de rassen die de lidstaten in hun nationale rassenlijsten opnemen, aan de richtsnoeren van het Communautair Bureau voor plantenrassen (CBP) voldoen wat betreft de kenmerken waartoe het onderzoek van de rassen zich ten minste moet uitstrekken en de minimumeisen voor dat onderzoek, voor zover deze richtsnoeren zijn vastgesteld. Voor andere rassen bepaalt die richtlijn dat de richtsnoeren van de Internationale Unie tot bescherming van kweekproducten (UPOV) van toepassing zijn.

(2)

Het CBP en de UPOV hebben sindsdien verdere richtsnoeren voor een aantal andere gewassen vastgesteld of bestaande richtsnoeren aangepast.

(3)

Richtlijn 2003/90/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor teeltmateriaal voor land-, tuin- en bosbouw,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I en II bij Richtlijn 2003/90/EG worden vervangen door de tekst in de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

In het geval van onderzoeken die vóór 1 november 2007 zijn begonnen, mogen de lidstaten Richtlijn 2003/90/EG toepassen in de versie die vóór de wijziging bij deze richtlijn gold.

Artikel 3

De lidstaten dienen uiterlijk op 31 oktober 2007 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 november 2007.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 4

Deze richtlijn treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 5

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 26 juli 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 193 van 20.7.2002, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1).

(2)  PB L 254 van 8.10.2003, blz. 7. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2005/91/EG (PB L 331 van 17.12.2005, blz. 24).


BIJLAGE

BIJLAGE I

Lijst van de in artikel 1, lid 2, onder a), bedoelde gewassen die moeten voldoen aan de CBP-testprotocollen

Soorten die zijn opgenomen in de gemeenschappelijke rassenlijst

CBP-protocol

Voedererwt

Erwt, TP 7/1 van 6.11.2003

Koolzaad

Koolzaad, TP 36/1 van 25.3.2004

Zonnebloem

Zonnebloem, TP 81/1 van 31.10.2002

Haver

Haver, TP 20/1 van 6.11.2003

Gerst

Gerst, TP 19/2 van 6.11.2003

Rijst

Rijst, TP 16/1 van 18.11.2004

Rogge

Rogge, TP 58/1 van 31.10.2002

Triticale

Triticale, TP 121/2 van 22.1.2007

Tarwe

Tarwe, TP 3/3 van 6.11.2003

Harde tarwe

Harde tarwe, TP 120/2 van 6.11.2003

Mais

Mais, TP 2/2 van 15.11.2001

Aardappel

Aardappel, TP 23/2 van 1.12.2005

Vlas

Vlas, TP/57/1 van 21.3.2007

De tekst van deze protocollen is te vinden op de website van het CBP (www.cpvo.europa.eu).

BIJLAGE II

Lijst van de in artikel 1, lid 2, onder b), bedoelde gewassen die moeten voldoen aan de UPOV-testrichtsnoeren

Soorten die zijn opgenomen in de gemeenschappelijke rassenlijst

UPOV-richtsnoeren

Voederbiet

Voederbiet, richtsnoer TG/150/3 van 4.11.1994

Kruipend struisgras/heidestruisgras

Struisgras, richtsnoer TG/30/6 van 12.10.1990

Hoog struisgras

Struisgras, richtsnoer TG/30/6 van 12.10.1990

Wit struisgras

Struisgras, richtsnoer TG/30/6 van 12.10.1990

Gewoon struisgras

Struisgras, richtsnoer TG/30/6 van 12.10.1990

Paardengras

Paardengras, richtsnoer TG/180/3 van 4.4.2001

Alaskadravik

Alaskadravik, richtsnoer TG/180/3 van 4.4.2001

Kropaar

Kropaar, richtsnoer TG/31/8 van 17.4.2002

Rietzwenkgras

Rietzwenkgras, richtsnoer TG/39/8 van 17.4.2002

Schapengras

Schapengras, richtsnoer TG/67/5 van 5.4.2006

Beemdlangbloem

Beemdlangbloem, richtsnoer TG/39/8 van 17.4.2002

Roodzwenkgras

Roodzwenkgras, richtsnoer TG/67/5 van 5.4.2006

Italiaans raaigras

Raaigras, richtsnoer TG/4/8 van 5.4.2006

Engels raaigras

Raaigras, richtsnoer TG/4/8 van 5.4.2006

Gekruist raaigras

Raaigras, richtsnoer TG/4/8 van 5.4.2006

Kleine timothee

Kleine timothee, richtsnoer TG/34/6 van 7.11.1984

Veldbeemdgras

Veldbeemdgras, richtsnoer TG/33/6 van 12.10.1990

Witte lupine

Witte lupine, richtsnoer TG/66/4 van 31.3.2004

Blauwe lupine

Blauwe lupine, richtsnoer TG/66/4 van 31.3.2004

Gele lupine

Gele lupine, richtsnoer TG/66/4 van 31.3.2004

Luzerne

Luzerne, richtsnoer TG/6/5 van 6.4.2005

Rode klaver

Rode klaver, richtsnoer TG/5/7 van 4.4.2001

Witte klaver

Witte klaver, richtsnoer TG/38/7 van 9.4.2003

Paardenboon/veldboon

Paardenboon/veldboon, richtsnoer TG/8/6 van 17.4.2002

Voederwikke

Voederwikke, richtsnoer TG/32/6 van 21.10.1988

Koolraap

Koolraap, richtsnoer TG/89/6 van 4.4.2001

Bladrammenas

Bladrammenas, richtsnoer TG/178/3 van 4.4.2001

Grondnoot

Grondnoot, richtsnoer TG/93/3 van 13.11.1985

Raapzaad

Raapzaad, richtsnoer TG/185/3 van 17.4.2002

Saffloer

Saffloer, richtsnoer TG/134/3 van 12.10.1990

Katoen

Katoen, richtsnoer TG/88/6 van 4.4.2001

Blauwmaanzaad

Blauwmaanzaad, richtsnoer TG/166/3 van 24.3.1999

Gele mosterd

Gele mosterd, richtsnoer TG/179/3 van 4.4.2001

Soja

Soja, richtsnoer TG/80/6 van 1.4.1998

Sorghum

Sorghum, richtsnoer TG/122/3 van 6.10.1989

De tekst van deze richtsnoeren is te vinden op de website van de UPOV (www.upov.int).

”.

27.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 195/33


RICHTLIJN 2007/49/EG VAN DE COMMISSIE

van 26 juli 2007

tot wijziging van Richtlijn 2003/91/EG houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van Richtlijn 2002/55/EG van de Raad met betrekking tot de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van groentegewassen zich ten minste moet uitstrekken en de minimumeisen voor dat onderzoek

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2002/55/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van groentezaad (1), en met name op artikel 7, lid 2, onder a) en b),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2003/91/EG van de Commissie (2) is vastgesteld om ervoor te zorgen dat de rassen die de lidstaten in hun nationale rassenlijsten opnemen, aan de richtsnoeren van het Communautair Bureau voor plantenrassen (CBP) voldoen wat betreft de kenmerken waartoe het onderzoek van de rassen zich ten minste moet uitstrekken en de minimumeisen voor dat onderzoek, voor zover deze richtsnoeren zijn vastgesteld. Voor andere rassen bepaalt de richtlijn dat de richtsnoeren van de Internationale Unie tot bescherming van kweekproducten (UPOV) van toepassing zijn.

(2)

Het CBP en de UPOV hebben sindsdien verdere richtsnoeren voor een aantal andere gewassen vastgesteld of bestaande richtsnoeren aangepast.

(3)

Richtlijn 2003/91/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor teeltmateriaal voor land-, tuin- en bosbouw,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I en II bij Richtlijn 2003/91/EG worden vervangen door de tekst in de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

In het geval van onderzoeken die vóór 1 november 2007 zijn begonnen, mogen de lidstaten Richtlijn 2003/91/EG toepassen in de versie die vóór de wijziging bij deze richtlijn gold.

Artikel 3

De lidstaten dienen uiterlijk op 31 oktober 2007 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 november 2007.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 4

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 5

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 26 juli 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 193 van 20.7.2002, blz. 33. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/124/EG van de Commissie (PB L 339 van 6.12.2006, blz. 12).

(2)  PB L 254 van 8.10.2003, blz. 11. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2006/127/EG (PB L 343 van 8.12.2006, blz. 82).


BIJLAGE

BIJLAGE I

Lijst van de in artikel 1, lid 2, onder a), bedoelde gewassen die moeten voldoen aan de CBP-testprotocollen

Wetenschappelijke naam

Gewone naam

CBP-protocol

Allium cepa L. (Cepa-groep)

Ui en echalion

TP 46/1 van 14.6.2005

Allium cepa L. (Aggregatum-groep)

Sjalot

TP 46/1 van 14.6.2005

Allium porrum L.

Prei

TP 85/1 van 15.11.2001

Allium sativum L.

Knoflook

TP 162/1 van 25.3.2004

Asparagus officinalis L.

Asperge

TP 130/1 van 27.3.2002

Brassica oleracea L.

Bloemkool

TP 45/1 van 15.11.2001

Brassica oleracea L.

Broccoli

TP 151/2 van 21.3.2007

Brassica oleracea L.

Spruitkool

TP 54/2 van 1.12.2005

Brassica oleracea L.

Koolrabi

TP 65/1 van 25.3.2004

Brassica oleracea L.

Savooiekool, witte kool en rode kool

TP 48/2 van 1.12.2005

Capsicum annuum L.

Paprika of Spaanse peper

TP 76/2 van 21.3.2007

Cichorium endivia L.

Krulandijvie en andijvie

TP 118/2 van 1.12.2005

Cichorium intybus L.

Cichorei voor de industrie

TP 172/2 van 1.12.2005

Cichorium intybus L.

Witlof

TP 173/1 van 25.3.2004

Citrullus lanatus (Thunb.) Matsum. et Nakai

Watermeloen

TP 142/1 van 21.3.2007

Cucumis melo L.

Meloen

TP 104/2 van 21.3.2007

Cucumis sativus L.

Komkommer en augurk

TP 61/1 van 27.3.2002

Cucurbita pepo L.

Courgette

TP 119/1 van 25.3.2004

Cynara cardunculus L.

Artisjok en kardoen

TP 184/1 van 25.3.2004

Daucus carota L.

Wortel en voederwortel

TP 49/2 van 1.12.2005

Foeniculum vulgare Mill.

Knolvenkel

TP 183/1 van 25.3.2004

Lactuca sativa L.

Sla

TP 13/3 van 21.3.2007

Lycopersicon esculentum Mill.

Tomaat

TP 44/3 van 21.3.2007

Petroselinum crispum (Mill.) Nyman ex A. W. Hill

Peterselie

TP 136/1 van 21.3.2007

Phaseolus coccineus L.

Pronkboon

TP 9/1 van 21.3.2007

Phaseolus vulgaris L.

Stamboon en stokboon

TP 12/2 van 1.12.2005

Pisum sativum L. (partim)

Kreukzadige doperwt, rondzadige doperwt en peul

TP 7/1 van 6.11.2003

Raphanus sativus L.

Radijs

TP 64/1 van 27.3.2002

Spinacia oleracea L.

Spinazie

TP 55/1 van 27.3.2002

Valerianella locusta (L.) Laterr.

Veldsla

TP 75/2 van 21.3.2007

Vicia faba L. (partim)

Tuinboon

TP Broadbean/1 van 25.3.2004

Zea mays L. (partim)

Suikermais en pofmais

TP 2/2 van 15.11.2001

De tekst van deze protocollen is te vinden op de website van het CBP (www.cpvo.europa.eu).

BIJLAGE II

Lijst van de in artikel 1, lid 2, onder b), bedoelde gewassen die moeten voldoen aan de UPOV-testrichtsnoeren

Wetenschappelijke naam

Gewone naam

UPOV-richtsnoer

Allium fistulosum L.

Stengelui

TG/161/3 van 1.4.1998

Allium schoenoprasum L.

Bieslook

TG/198/1 van 9.4.2003

Apium graveolens L.

Bleekselderij

TG/82/4 van 17.4.2002

Apium graveolens L.

Knolselderij

TG/74/4 corr. van 17.4.2002 + 5.4.2006

Beta vulgaris L.

Snijbiet

TG/106/4 van 31.3.2004

Beta vulgaris L.

Rode biet, inclusief Cheltenham beet

TG/60/6 van 18.10.1996

Brassica oleracea L.

Boerenkool

TG/90/6 van 31.3.2004

Brassica rapa L.

Chinese kool

TG/105/4 van 9.4.2003

Brassica rapa L.

Meiraap/stoppelknol

TG/37/10 van 4.4.2001

Cichorium intybus L.

Bladcichorei

TG/154/3 van 18.10.1996

Cucurbita maxima Duchesne

Pompoen

TG/155/4 van 14.3.2007

Raphanus sativus L.

Rammenas

TG/63/6 van 24.3.1999

Rheum rhabarbarum L.

Rabarber

TG/62/6 van 24.3.1999

Scorzonera hispanica L.

Schorseneer

TG/116/3 van 21.10.1988

Solanum melongena L.

Aubergine

TG/117/4 van 17.4.2002

De tekst van deze richtsnoeren is te vinden op de website van de UPOV (www.upov.int).

”.

II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Commissie

27.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 195/36


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 21 maart 2007

betreffende de staatssteun C 21/06 (ex N 635/2005) die de Slowaakse republiek voornemens is te verlenen aan de onderneming Slovenské lodenice Komárno

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 1182)

(Slechts de tekst in de Slowaakse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2007/529/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 88, lid 2, eerste alinea,

Na de belanghebbenden overeenkomstig voornoemd artikel (1) in de gelegenheid te hebben gesteld hun opmerkingen kenbaar te maken en rekening houdend met deze opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

(1)

Bij brief van 9 december 2005, die op 14 december 2005 werd ingeschreven, heeft de Slowaakse republiek aan de Commissie haar voornemen bekendgemaakt, regionale investeringssteun aan de onderneming Slovenské lodenice Komárno te verlenen. De Commissie heeft bij brieven van 23 december 2005 en 27 februari 2006 om aanvullende inlichtingen verzocht, waarop de Slowaakse republiek heeft geantwoord bij brief van 26 januari 2006, die op 31 januari 2006 werd ingeschreven, en bij brief van 23 maart 2006, die op 4 april 2006 werd ingeschreven.

(2)

De Commissie heeft de Slowaakse republiek bij brief van 7 juni 2006 in kennis gesteld van haar besluit de procedure overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag ten aanzien van de betrokken steun in te leiden.

(3)

Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag is in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2) bekendgemaakt. De Commissie heeft de belanghebbenden uitgenodigd opmerkingen over de steunmaatregel te maken.

(4)

Bij brief van 6 juli 2006, die op 12 juli 2006 werd ingeschreven, heeft de Slowaakse republiek opmerkingen van de begunstigde — Slovenské lodenice Komárno — verstrekt. Aangezien deze opmerkingen door de Slowaakse republiek aan de Commissie doorgezonden zijn, vermoedt de Commissie, dat de Slowaakse republiek de gelegenheid heeft gehad, op de opmerkingen van de begunstigde te reageren. De Slowaakse republiek heeft geen andere opmerkingen verstrekt. Bij brief van 30 oktober 2006 heeft de Commissie de Slowaakse republiek verzocht, de opvatting van de opmerkingen van de begunstigde door de Commissie te bevestigen. De begunstigde heeft op een bijeenkomst op 14 december 2006 verdere toelichtingen verstrekt. De Slowaakse republiek heeft op het verzoek van de Commissie van 30 oktober 2006 bij brief van 10 januari 2007 geantwoord, die op dezelfde dag werd ingeschreven, waarin zij de door de begunstigde op de bovengenoemde bijeenkomst verstrekte toelichtingen ook heeft bevestigd.

2.   GEDETAILLEERDE BESCHRIJVING VAN DE STEUNMAATREGEL

2.1.   Betrokken onderneming

(5)

De ontvanger van de steun is de Slowaakse scheepsbouwonderneming Slovenské lodenice Komárno, a.s. Bratislava (hierna „SLK” genoemd), die aan de rivier de Donau werkzaam is, in een regio die overeenkomstig artikel 87, lid 3, onder a) van het EG-Verdrag voor de verlening van regionale steun in aanmerking komt. De onderneming werd in 2000 opgericht. Haar aandeelhouders zijn Euram Bank AG Wenen (70 %) en de staat (30 %). Euram Bank AG Wenen werd tot de meerderheidsaandeelhouder door twee kapitaalinjecties in 2003. SLK is een grote onderneming met een omzet van SKK 1,424 miljard. (3) (2004) en 910 werknemers (2005). Na de deelprivatisering van 2003 heeft de onderneming haar productie verdrievoudigd (wat de uitdrukking in gecompenseerde brutotonnage (gbt) per jaar betreft) en heeft in 2004 een winst van SKK 26 miljoen. bereikt. De onderneming SLK heeft geen financiële moeilijkheden.

(6)

SLK bouwt kleine zeecontainerschepen en rivier-zeeschepen met een maximaal draagvermogen van 6 000 dwt. Volgens de door de Slowaakse republiek verstrekte inlichtingen hebben de werven DAMEN in Nederland en Flensburg in Duitsland, die schepen met een draagvermogen van 4 000 tot 20 000 dwt bouwen, de leidende positie op de markt. Tegenwoordig specialiseert zich ook de Poolse werf Stocznia Polnocna in de bouw van containerschepen van dergelijke grootte. SLK voert noch reparaties noch conversies van zeeschepen uit. De gehele productie van SLK is bestemd voor de lidstaten van de Europese Unie.

2.2.   Investeringsproject

(7)

De onderneming is voornemens tussen 2006 en 2008 het investeringsproject genoemd Modernisatie van de technologische basis van Slovenské lodenice Komárno ten uitvoer te leggen. Het doel van het project is de productie te moderniseren. Het investeringsproject bestaat uit negen deelprojecten, die hierna DP 01 tot DP 09 worden genoemd en verder in de tekst beschreven zijn rekening houdend met de door de begunstigde na de inleiding van de formele onderzoeksprocedure verstrekte opmerkingen, die de aard van de investering hebben toegelicht.

DP 01 — Uitbreiding van de productieruimte: oprichting van een nieuwe spoor op de werf die met een installatie uitgerust zal zijn, om een nieuwe assemblagewerkplaats te scheppen; de werf zal een kraan met een draagvermogen van 50 t aankopen. Dit deel van de werf werd tot nu toe niet voor productie, maar als opslagruimte gebruikt. De met de investering verband houdende kosten bedragen SKK 39 825 658.

DP 02 — Aankoop en installatie van een straalreiniger voor het Geautomatiseerde systeem voor voorbehandeling van metallurgisch materiaal. De investering zou de reiniging van staalplaten versnellen. In vergelijking met de tegenwoordig gebruikte installatie biedt de nieuwe straalreiniger enige voordelen: versnelling van het productieproces, aanzienlijk lagere verbruik van abrasieven en energie, verbetering ten aanzien van het milieu. De theoretische capaciteit van het Geautomatiseerde systeem voor voorbehandeling van metallurgisch materiaal zou stijgen van 12 450 t tot 15 700 t. De kosten bedragen SKK 17 500 000.

DP 03 — Oprichting van een energieleiding op sporen nr. 4 en 5: sporen 4 en 5 worden tegenwoordig bij de bouw van secties van het scheepslichaam en bij het lassen van het scheepslichaam gebruikt; de werf zal zes nieuwe afnamepunten (voor acetyleen, zuurstof en druklucht) oprichten, waardoor deze installatie gemoderniseerd zal worden. De investeringskosten bedragen SKK 6 500 000.

DP 04 — Oprichting van energieleidingen voor de zware pier, waar de completering wordt uitgevoerd: langs de pier zullen nieuwe leidingen en acht afnamepunten (voor acetyleen, zuurstof, druklucht en elektrische energie) worden opgericht. Het doel is het tegenwoordige langzame en kostbare systeem, waarbij acetyleen, zuurstof en druklucht uit flessen worden afgenomen, te vervangen. De kosten bedragen SKK 3 500 000.

DP 05 — Horizontale boorbeitel: aankoop van een horizontale boorbeitel van het type W 100. Tegenwoordig heeft SLK in huur een ouder type van deze boorbeitel (W 75). Het type W 100 is een gevorderd type van boorbeitel en op grond van de technische eigenschappen daarvan kan men daarmee een groter spectrum van delen op effectievere wijze bewerken (hogere omwentelingen per minuut). De investeringskosten bedragen SKK 6 000 000.

DP 06 — Werkplaats voor verdeling van materiaal door knippen: aankoop van een hydraulische plaatschaar. Tot nu toe werd een alternatieve en minder effectieve technologie gebruikt. De kosten bedragen SKK 2 000 000.

DP 07 — Verbetering van kwaliteitscontrole: controlemetingen van het scheepslichaam gedurende de productie, kwaliteitscontrole na de individuele werkoperaties, aankoop van een draagbaar industrieel röntgenapparaat, aankoop van een apparaat voor meting van verflagen en materialen, ultrageluidsdiktemeter voor meting van de dikte van staalplaten en van een sonde. De kosten bedragen SKK 2 000 000.

DP 08 — Modernisatie van de manipulatietechniek: platformtruck, vorkheftruck, oplader van tractieloodbatterijen. De kosten bedragen SKK 2 000 000.

DP 09 — Laswerkplaatsen voor aluminium en roestvrij staal: een elektronische slotenmakerwerkplaats, pijpwerkplaats (lassen van roestvrije pijpen). De genoemde twee werkplaatsen worden tegenwoordig uitbesteedt. De kosten bedragen SKK 1 000 000.

(8)

De totale kosten bedragen SKK 80 325 658 die met de voor regionale investeringssteun in aanmerking komende kosten corresponderen. De kosten bestaan uit de uitgaven op de aankoop van machines en installaties. De tegenwoordige waarde van de in aanmerking komende investeringskosten is SKK 76 100 000 (discontovoet 7,55 %). In de individuele jaren zijn de kosten op volgende wijze verdeeld:

Tafel nr. 1

Tegenwoordige waarde van de in aanmerking komende kosten

Jaar

In aanmerking komende kosten

Tegenwoordige waarde van de in aanmerking komende kosten

2006

31 164 000

31 164 000

2007

37 295 658

34 677 506

2008

11 866 000

10 258 494

Totaal

80 325 658

76 100 000

(9)

Volgens de Slowaakse republiek zijn de deelprojecten DP 02 — DP 09 afzonderlijke projecten die door SLK zullen worden uitgevoerd ook als het deelproject DP 01 niet ten uitvoer gelegd zal worden.

(10)

Het investeringsproject zal tot een stijging van de technische capaciteit van de werf van 24 000 gbt (gecompenseerde brutotonnage) tot 28 500 gbt in 2009 leiden, wat een productiestijging van tot twee schepen per jaar betekent. Een verder voordeel van de tenuitvoerlegging van het project zal de verkorting van de productiecyclus, kostenbesparing en verhoging van kwaliteit zijn. De productiviteit van de werf zal in 2009 stijgen van de tegenwoordige 67 persoonuren/gbt tot 58 persoonuren/gbt rekening houdend met uitbesteedde activiteiten.

(11)

Als gevolg van de tenuitvoerlegging van de investering zullen 140 werkplaatsen in de werf (inclusief 112 direct met de productie verbonden werkplaatsen, 20 bijkomstige werkplaatsen en 8 technisch-economische werkplaatsen) en 50 indirecte werkplaatsen in een regio met 14 % werkloosheid worden gecreëerd. Na de tenuitvoerlegging van het deelproject DP 09 zal een groot deel van de direct met de productie verbonden werkplaatsen wegens insourcing worden gecreëerd. Het totale aantal disponibele persoonuren per jaar zal na de tenuitvoerlegging van de investering van 1 590 300 tot 1 653 200 stijgen.

(12)

De begunstigde heeft verklaard, van de resultaten van deze investering ten minste tijdens de volgende vijf jaar gebruik te maken. De onderneming Slovenské lodenice Komárno heeft om de verstrekking van de steun bij brief van 10 oktober 2005 verzocht. De tenuitvoerlegging van de investering is in 2006 begonnen.

2.3.   Betrokken maatregel

(13)

De aangemelde maatregel bestaat in een kwijtschelding van dwangsommen door het Bureau voor Sociale Zekerheid betreffend een verzuimde betaling van sociaalzekerheidspremies door SLK van 31 oktober 2003 tot 31 maart 2004. De af te schrijven schuld bedraagt SKK 17 117 957. Het Bureau voor Sociale Zekerheid zal de kwijtschelding slechts na de indiening van de goedkeuring van de Commissie uitvoeren. De tegenwoordige waarde van steun bedraagt daarom SKK 17 117 957, wat een steunintensiteit ter hoogte van 22,49 % van de in aanmerking komende kosten betekent.

(14)

Andere financieringsbronnen zijn eigene bronnen van de onderneming Slovenské lodenice Komárno (SKK 19 025 000) en een credit van een private bank (SKK 39 957 043).

3.   BESLUIT TOT INLEIDING VAN EEN PROCEDURE OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 88, LID 2, VAN HET EG-VERDRAG

(15)

De Commissie heeft de formele onderzoeksprocedure uit volgende redenen ingeleid. Ten eerste, de Commissie betwijfelde of de deelprojecten DP 01, DP 05 en DP 09 investeringen in de modernisatie van de tegenwoordige toestand van de werf waren, of zij voor de productiviteitsverhoging van de bestaande installaties bestemd waren en of zij derhalve als voor verlening van regionale steun in aanmerking komende kosten kunnen worden beschouwd.

(16)

De Commissie had concrete twijfels of het deelproject DP 01 dat schijnbaar bedoeld is om nieuwe productiecapaciteit te creëren, tevens bestemd is om de productiviteit van de installaties, waarover de werf al beschikt, te verhogen.

(17)

De Commissie vreesde bovendien of het deelproject DP 05 slechts bedoeld was om de gehuurde installatie door een eigene te vervangen, omdat het voordeel van deze investering in betrekking met effectiviteitstijging niet zichtbaar was. Dezelfde twijfels had de Commissie ook ten aanzien van het deelproject DP 09.

(18)

Ten tweede, de Commissie betwijfelde of de deelprojecten DP 01, DP 02 en DP 03 voor tenuitvoerlegging van regionale steun in aanmerking kwamen, omdat zij, zoals het bleek, tot stijging van technische capaciteit van de begunstigde leidden. De Commissie is tot de conclusie gekomen dat zij de invloed van investeringssteun op de capaciteit van de werf nader moet analyseren.

(19)

Ten derde, in verband met de twijfels of de individuele delen van het investeringsproject voor tenuitvoerlegging van regionale steun in aanmerking komen, had de Commissie twijfels of aan de maximale toegestaan steunintensiteit voldaan was.

(20)

Ten slotte is de Commissie tot de voorlopige conclusie gekomen dat op grond van de inlichtingen, waarover zij destijds beschikte, de overige deelprojecten aan de in de Kaderregeling inzake staatssteun aan de scheepsbouw (hierna „kaderregeling” genoemd) (4) vastgelegde subsidiabiliteitscriteria voldoen.

4.   OPMERKINGEN VAN DE BEGUNSTIGDE

(21)

Na de inleiding van de formele onderzoeksprocedure verstrekte de begunstigde verdere toelichtingen van redenen en consequenties van het investeringsproject.

(22)

Hij vermelde, dat de hoofdstimulus van het investeringsproject de tegenwoordige ongunstige toestand van de werfordening was die door de afhankelijkheid van de productie van de milieuvoorwaarden, namelijk van de waterstand van de Donau veroorzaakt was. Delen van het scheepslichaam (hierna „secties” genoemd) worden tegenwoordig in overdekte productiehallen alsook op open ruimte op sporen 4 en 5 geassembleerd. De uit de tegenwoordige ordening voortvloeiende problemen bestaan daarin dat de grootte van deze secties enerzijds door de hoogte van de productiehallen en anderzijds door het draagvermogen van de kraan op sporen 4 en 5 (27 t) beperkt is. Deze situatie resulteert in twee hoofdconsequenties. Ten eerste, de assemblage van grotere secties moet gedeeltelijk op water worden uitgevoerd. Ten tweede, vaak bereiken de secties niet de kritische dimensies die de assemblage van uitrusting, vooral de assemblage van het pijpsysteem, mogelijk zouden maken. De assemblage van de uitrusting wordt daarom op water eerst na de assemblage van het gehele scheepslichaam uitgevoerd, wat oneffectief is.

(23)

Het feit dat de assemblage van secties en de assemblage van uitrusting ten minste gedeeltelijk op water moeten worden uitgevoerd veroorzaakt de afhankelijkheid van de werfproductie van de voldoende waterstand en van de voorwaarden op de Donau. Als de waterstand laag is, wordt de productie stopgezet, omdat het technisch niet mogelijk is, de assemblage in de hallen (beperkte hoogte en kleine ruimte) of op de bestaande open ruimten (onvoldoend draagvermogen van de kraan) voort te zetten.

(24)

Deelprojecten DP 01 en DP 03 lossen juist dit probleem op. De investering zou nieuwe assemblagecapaciteit brengen en het mogelijk maken voor de werf grotere secties te produceren. De assemblagecapaciteit van buiten zal stijgen als gevolg van de oprichting van een nieuwe installatie op spoor 8 die met een kraan met een draagvermogen van 50 t zal worden uitgerust, wat met het draagvermogen van de kraan dat bij de completering op de zware pier (ook 50 t) nodig is, overeenstemt. Daardoor zal het proces worden gemoderniseerd. Bovendien zal ook de assemblagecapaciteit op sporen 4 en 5 worden gemoderniseerd.

(25)

Om die reden zal een deel van de bouw van secties uit de productiehallen naar buiten worden verplaatst. In het verleden, als de waterstand van de Donau te laag was om het werk op water mogelijk te maken, werd de capaciteit van de productiehallen overbelast, wat in een stopzetting van de productie in de onderneming resulteerde. De vrijgemaakte ruimte zal tot modernisatie van het productieproces binnen de productiehallen dienen en het voor de werf mogelijk maken ook andere werken dan assemblage, bijvoorbeeld verving, productie van verschillende kleinere scheepsdelen enz. uit te voeren.

(26)

De tenuitvoerlegging van het deelproject DP 03 zal in een verkorting van het distributienet resulteren, waardoor energieverliezen zullen dalen.

(27)

Wat het deelproject DP 02 betreft, heeft de begunstigde het voordeel ten aanzien van verhoogde effectiviteit als gevolg van de vervanging van de bestaande straalreiniger door een nieuwe benadrukt.

(28)

Wat het deelproject DP 05 betreft, heeft de begunstigde een vergelijking van de technische eigenschappen van de oude boorbeitel met de nieuwe verstrekt, zoals in lid 7 reeds vermeld is.

(29)

Concluderend, ten aanzien van het deelproject DP 09 heeft de begunstigde toegelicht dat het toeleveringssysteem, wat het lassen van aluminium en roestvrij staal betreft, in het geval van veranderingen van de technische specificatie van de geproduceerde delen gedurende het productieproces problematisch wordt. Dergelijke veranderingen komen dikwijls voor en de begunstigde wordt in deze situatie door het productieplan van zijn toeleveranciers beperkt. Een eigene installatie zou de begunstigde nodige flexibiliteit verstrekken, zodat hij onmiddellijk op deze veranderingen kan reageren, wat tot wezenlijke verbeteringen van het productieproces zou leiden (20 % verlaging van kosten ten aanzien van de productie van andere delen dan staaldelen). Het belang van deze kwestie zal nog stijgen, als men de groeiende gebruikmaking van aluminiummaterialen en materialen uit roestvrij staal in vergelijking met staal in overweging neemt.

(30)

In reactie op de vrezen dat de deelprojecten DP 01 en DP 03, evenals het project DP 02, bedoeld zijn om de technische capaciteit van de werf te verhogen, argumenteerde de begunstigde dat de verhoging van de technische capaciteit slechts een gevolg van de productiviteitstoename is die dankzij deze investering zou worden bereikt. De begunstigde bevestigde dat de totaalcapaciteit van 24 000 gbt tot 28 500 gbt in 2009 zou stijgen, wat een gemiddelde productiviteitstoename van twee schepen per jaar betekent, in afhankelijkheid van de grootte en van het type van schepen. De theoretische verwerkingscapaciteit van metallurgisch materiaal zal van 12 450 t tot 15 700 t stijgen. De tegenwoordige verwerkingscapaciteit van metallurgisch materiaal zal echter op het niveau van 12 450 t blijven, wat door belemmeringen wordt veroorzaakt die zich bij de vorige productieoperaties voordoen en slechts met behulp van aanzienlijke investeringen zouden kunnen worden verwijderd die de werf op middellange termijn niet voornemens is ten uitvoer te leggen.

(31)

In reactie op de vrezen dat de deelprojecten DP 01, DP 05 en DP 09 niet bestemd waren om de productiviteit van de bestaande installaties te verhogen, verstrekte de begunstigde aan de Commissie gegevens die een werkelijke productiviteitstoename bewezen. De begunstigde becijferde de totale productiviteitstoename met behulp van deze factoren: verkorting van de productiecyclus met 20/12/8 dagen in afhankelijkheid van het scheepstype, verlaging van de werkomvang ongeveer met 12 000 persoonuren per één schip, productiviteitstoename van de installatie voor voorbehandeling van metallurgisch materiaal uitgedrukt door de hoeveelheid verwerkt staal (t) per één werker met 14 % van 13,65 tot 15,60, productiviteitstoename van de installatie voor voorbehandeling van metallurgisch materiaal uitgedrukt door het aantal persoonuren per één ton verwerkte staal met 31 % van 127 tot 97.

5.   OPMERKINGEN VAN DE SLOWAAKSE REPUBLIEK

(32)

De Slowaakse republiek heeft aan de Commissie de opmerkingen van de begunstigde verstuurd, waaraan zij geen eigene opmerkingen had toegevoegd, waardoor zij zich eigenlijk met de opmerkingen van de begunstigde heeft vereenzelvigd.

6.   BEOORDELING

6.1.   Staatssteun overeenkomstig artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag

(33)

Overeenkomstig artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voorzover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten beïnvloedt. Volgens vaste rechtspraak van de Europese gerechten wordt het handelsverkeer beïnvloed indien de begunstigde onderneming economische activiteiten uitoefent waarbij er sprake is van interstatelijk handelsverkeer.

(34)

In dit geval wordt de kwijtschelding van de schuld door het Bureau voor Sociale Zekerheid uitgevoerd die een centrale autoriteit voor het systeem van sociale zekerheid vormt. De financiële maatregel betreft daarom staatsbronnen en is op de staat van toepassing. Het Bureau voor Sociale Zekerheid kan uit eigen overweging „in gerechtvaardigde gevallen” de dwangsommen volledig of gedeeltelijk vergeven. Aan het selectiecriterium is derhalve voldaan. De maatregel verleent SLK een financieel voordeel dat door de werf op de markt niet zou worden bereikt aangezien de werf de dwangsommen zou moeten betalen. SLK produceert zeeschepen. Aangezien bij deze producten van handelsverkeer sprake is, kan de genoemde maatregel bedreigen de mededinging tussen lidstaten te vervalsen en het handelsverkeer tussen lidstaten beïnvloeden. Hoewel de onderneming SLK een gat in de markt van kleine schepen tot 6 000 dwt vult, is zij ten minste een potentiële concurrent van de kleinere Poolse werf, van de Nederlandse werf DAMEN en van de Duitse werf Flensburg. Daarom vormt de financiële maatregel staatssteun overeenkomstig artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag en moet dienovereenkomstig worden beoordeeld.

(35)

De staatssteun bedraagt SKK 17 117 957.

(36)

Zoals in het besluit tot inleiding van een formele onderzoeksprocedure al vermeld werd, heeft de Commissie besloten niet te beoordelen of het besluit, de sociaalzekerheidspremies ten gunste van het Bureau voor Sociale Zekerheid voor de periode van 31 oktober 2003 tot 31 maart 2004 niet in te vorderen, staatssteun overeenkomstig artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag vormt. Er ging om een periode voor de toetreding van de Slowaakse republiek tot de Europese Unie en het betrof de volgende periode niet. Daarom is de Commissie niet bevoegd om de verenigbaarheid van deze maatregel met de gemeenschappelijke markt te beoordelen. Volgens de gegevens zijn de sociaalzekerheidspremies voor de periode tussen 31 oktober 2003 en 31 maart 2004 door SLK afgedragen, wat eigenlijk een onontbeerlijke voorwaarde voor de kwijtschelding van de dwangsommen is.

6.2.   Verenigbaarheid van de steun: Uitzondering overeenkomstig artikel 87, lid 3, van het EG-Verdrag

(37)

Artikelen 87, lid 2 en 3, van het EG-Verdrag stellen uitzonderingen op de algemene onverenigbaarheid van staatssteun met de gemeenschappelijke markt vast die in lid 1 van dit artikel vastgelegd is.

(38)

Ten behoeve van beoordeling van de steun aan de scheepsbouw heeft de Commissie desbetreffende kaderregeling uitgegeven. Volgens deze kaderregeling voor scheepsbouw betekent scheepsbouw de bouw in de Gemeenschap van zichzelf voortstuwende zeeschepen in de handelsvaart. De vermelde definitie kan men op de activiteiten van de onderneming SLK toepassen en daarom moet de steun ten gunste van SLK op grond van de kaderregeling voor scheepsbouw worden beoordeeld.

(39)

In punt 26 van de kaderregeling voor de scheepsbouw wordt vastgelegd dat regionale steun ten behoeve van scheepsbouw, scheepsreparatie of scheepsbouwverbouwing kan met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden geacht wanneer de steun wordt toegekend ten behoeve van investeringen in verhoging van het niveau of modernisatie van bestaande werven en is niet gekoppeld aan een financiële herstructurering van de betrokken werven, met als doel de productiviteit van de bestaande installaties te verbeteren.

(40)

De steunintensiteit mag in de in artikel 87, lid 3, onder a) van het EG-Verdrag vermelde gebieden 22,5 % of het toepasselijke plafond voor regionale steun, indien dat lager is, niet overschrijden. In dit geval is het plafond van 22,5 % van toepassing. De steun is beperkt tot het steunen van in aanmerking komende uitgaven als gedefinieerd in de toepasselijke communautaire richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen (hierna „richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen” genoemd) (5).

(41)

De door de Commissie geuite twijfels ten aanzien van de kwestie of deze deelprojecten een investering in de modernisatie van de bestaande werf vormen, met als doel de productiviteit van de bestaande installaties te verbeteren, zijn weerlegd.

(42)

De Commissie beschouwt het deelproject DP 01 als modernisatieproject omdat het productieproces daardoor wordt vereenvoudigd en de basisproblemen van de tegenwoordige toestand van de werfordening worden opgelost. Ten eerste, het zal voor de werf mogelijk maken grotere secties aan de oever te produceren, zodat de werfproductie niet meer van de milieuvoorwaarden op de rivier de Donau afhankelijk zal zijn. Ten tweede, de effectiviteit van het assemblageproces zal stijgen, aangezien de werf in staat zal zijn grotere secties te produceren. Ten derde, de werkoperatie van uitrustingsassemblage in de individuele secties zal gedurende het productieproces vroeger kunnen worden gerealiseerd, wat tot effectiviteitstijging in vergelijking met de tegenwoordige realisatie van deze uitrustingsassemblage zal leiden, vooral van het pijpsysteem op het complete scheepslichaam. Ten slotte zal de nieuwe installatie een betere gebruikmaking van de productiehallen mogelijk maken, de capaciteit waarvan tegenwoordig overbelast is, omdat daarin de bouw van secties wordt uitgevoerd, en die in de toekomst voor andere met de werkoperaties van de eerdere fase van het productieproces verband houdende activiteiten zullen worden gebruikt.

(43)

Op de basis daarvan is de Commissie tot de conclusie gekomen dat ongeacht het feit dat het deelproject DP 01 een nieuwe installatie betreft, het inderdaad modernisatie van de werf als een geheel (in het bijzonder van het productieproces van sectieassemblage) vormt en in een productiviteitstoename van de bestaande installaties, vooral van de productiehallen, resulteert.

(44)

Wat het deelproject DP 05 betreft, kan de modernere en snellere boorbeitel (DP 05) dankzij de technische eigenschappen daarvan bij het werk aan een groter schaal van delen worden gebruikt, en derhalve wordt de flexibiliteit bij de werkoperatie Productie en assemblage van systemen daardoor verhoogd. De investering vormt een werkelijke modernisatie en niet alleen vervanging van een gehuurde machine-installatie die door de werf tot nu toe is gebruikt. Het deelproject verhoogt de productiviteit van de bestaande installaties en hoewel gehuurde werktuigen niet als bestaande installaties kunnen worden beschouwd, wordt de productiviteit bij de productieoperatie Productie en assemblage van systemen door het deelproject verhoogd.

(45)

Wat het deelproject DP 09 betreft, leidt dit tot productiviteitstoename op de laswerkplaats voor aluminium en roestvrije staal (DP 09) in vorm van een duidelijke kostenbesparing en daardoor dat het mogelijk maakt voor de werf op dikwijls voorkomende veranderingen van specificaties door de klant te reageren, elimineert het de stopzettingen van het productieproces. De in insourcing resulterende investering vormt werkelijke modernisatie van het productieproces. Het project leidt tot productiviteitstoename van de bestaande installaties en hoewel een gehuurde installatie niet als een bestaande installatie kan worden beschouwd, vormt het project verbetering van het gehele productieproces.

(46)

Op basis van de vermelde feiten is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de deelprojecten DP 05 en DP 09 modernisatie van de bestaande werf en in vergelijking met de bestaande installaties productiviteitstoename vormen.

(47)

In het besluit tot de inleiding van de formele onderzoeksprocedure vreesde de Commissie dat de deelprojecten DP 01, DP 02 en DP 03 tot toename van de werfcapaciteit zouden leiden en uitte twijfels ten aanzien daarvan of deze capaciteitstoename in overeenstemming met de bepalingen van de kaderregeling was.

(48)

De Commissie is tot de conclusie gekomen dat deze alle drie deelprojecten aan het vereiste voldoen dat de investering voor modernisatie van de bestaande werf moet worden uitgegeven, met als doel de productiviteit van de bestaande installaties te verhogen. Ten aanzien van het deelproject DP 01 is het al in lid 42 bewezen dat aan dit vereiste is voldaan. Ten aanzien van het deelproject DP 02 vermeldt de Commissie dat de nieuwe straalreiniger een kwaliteitsverbetering in vorm van versnelling en lager verbruik van materiaal en energie vormt en ook een verbetering in betrekking met het milieu vormt. Het deelproject DP 03 heeft een tweeledig voordeel. Ten eerste, het distributienet wordt daardoor verkort, wat in besparing van energiekosten resulteert. Ten tweede, de verbetering van de installatie voor assemblage van secties op sporen 4 en 5 brengt dezelfde productiviteitstoename als bij het project DP 01 (bekwaamheid om grotere secties te bouwen, vrijmaking van ruimte in de productiehallen, productie zonder weerinvloed).

(49)

Wat de kwestie van capaciteit betreft, beoordeelt de Commissie eerst de invloed van deze deelprojecten op de technische capaciteit van de werf (zie lid 50 en lid 51). De Commissie besluit dan of de capaciteitstoename, als deze voorkomt, als gerechtvaardigd kan worden beschouwd (zie leden 52 en 53).

(50)

Op basis van de door de begunstigde verstrekte inlichtingen doet de Commissie opmerken dat hoewel het deelproject DP 02 inderdaad tot een capaciteitstoename van de bestaande installatie Geautomatiseerd systeem voor voorbehandeling van metallurgisch materiaal leidt, is deze capaciteitstoename puur theoretisch. De nieuwe capaciteit van 15 700 t verwerkte staal is een nieuw gegeven van de maximale capaciteit van deze installatie. Als gevolg van de bestaande belemmeringen die bij de vorige productieoperaties voorkomen, blijft de werkelijke hoeveelheid verwerkte staal onveranderd — 12 450 t. De begunstigde bevestigde dat de belemmeringen bij de voorbehandeling van metallurgisch materiaal slechts door aanzienlijke investeringen ten uitvoer te leggen zouden kunnen worden verwijderd, wat tegenwoordig niet wordt gepland. De Commissie is daarom tot de conclusie gekomen dat het deelproject DP 02 tot geen toename van de capaciteit van de werf als een geheel leidt en de mogelijkheid van een stijging tot 15 700 t puur theoretisch is.

(51)

In het geval van de deelprojecten DP 01 en DP 03 werd bevestigd dat allebei in een toename van werfcapaciteit van 24 000 gbt tot 28 500 gbt resulteren, wat een stijging van tot twee schepen per jaar, in afhankelijkheid van de grootte en het type van het geproduceerde schip, betekent. De Commissie vermeldt dat aangezien de capaciteit van staalverwerking niet stijgt (zie lid 50), de toename van technische werfcapaciteit een gevolg van de stijging van productiviteit van de na de voorbehandeling van metallurgisch materiaal volgende werkoperaties moet zijn. Deelprojecten DP 01 en DP 03 leiden werkelijk tot een productiviteitstoename in het geval van het assemblageproces van secties met aanzienlijke besparing van assemblagetijd (de productiecyclus zal in doorsnee met 30 % worden verkort, omdat de assemblage van een schip in doorsnee ongeveer 36 dagen duurt en de gemiddelde tijdbesparing 13 dagen per één schip bedraagt, zie lid 31). De capaciteitstoename is een gevolg van het feit dat grotere secties zullen worden geassembleerd, waardoor de assemblagetijd van het scheepslichaam zal worden verkort. Als gevolg daarvan zal het niveau van gbt per één kalenderjaar stijgen.

(52)

De Commissie moet nu besluiten of deze capaciteitstoename aan de productiviteitstoename proportioneel is. Om die reden vermeldt de Commissie dat het investeringsproject een wezenlijk voordeel vormt, wat de productiviteit betreft. De productiecyclus zal in doorsnee met 30 % worden verkort. Alle productiviteitsindicatoren tonen verbetering: stijging van de totale werfproductiviteit uitgedrukt in persoonuren/gbt met 15 % (van 67 tot 58), evenals stijging van de productiviteit van de installatie voor voorbehandeling van metallurgisch materiaal uitgedrukt in hoeveelheid verwerkte staal (t) per één werker — met 14 % (van 13,65 tot 15,60) en uitgedrukt in persoonuren per één ton verwerkte staal — met 31 % (van 127 tot 97). De Commissie vermeldt voorts dat hoewel 140 nieuwe werkplaatsen direct in de werf zullen worden gecreëerd, wat een toename van 15 % betekent, het totale aantal disponibele persoonuren per jaar alleen met 3,9 % (van 1 590 300 tot 1 653 200) zal stijgen. Dat betekent, dat de schepping van nieuwe directe werkplaatsen in grote mate een gevolg van de overgang tot insourcing in het lasgebied (DP 09) is. De verhoogde capaciteit is geen gevolg van de schepping van verdere werkplaatsen, maar van de modernisatie van de installaties en van de vereenvoudiging van het gehele productieproces.

(53)

Aangezien de investeringen aan het vereiste van modernisatie van de bestaande werf, aan het doel en effect, die de verhoging van productiviteit van de bestaande installaties is, voldoen, aangezien de capaciteitstoename slechts een gevolg van de modernisatie van de werf is en met de aanpassing van het productieproces verbonden is en aangezien deze productiviteitstoename aanzienlijk is, is deze capaciteitstoename aan de productiviteitsstijging proportioneel.

(54)

De Commissie is daarom tot de conclusie gekomen, dat de deelprojecten DP 01, DP 02 en DP 03 voor verlening van regionale steun in aanmerking komen.

(55)

De Commissie bevestigt haar voorlopige conclusie van het besluit tot inleiding van een formele onderzoeksprocedure, dat de overige deelprojecten (DP 04, DP 06, DP 07 en DP 08) voor verlening van regionale steun in aanmerking komen.

(56)

De Commissie vermeldt ook, dat alle aangemelde deelprojecten aan de subsidiabiliteitscriteria voldoen die in de richtsnoeren inzake regionale steun vastgelegd zijn (investeringen in vaste activa: in installaties/machines die onder marktvoorwaarden zullen worden aangekocht en niet alleen vervanging van de reeds afgeschreven activa zullen vormen). De investering is met geen financiële herstructurering verbonden.

(57)

Aangezien de vrezen van de Commissie inzake subsidiabiliteit van een deel van het investeringsproject voor verlening van regionale steun zijn weerlegd, is de Commissie tot de conclusie gekomen, dat aan de maximale steunintensiteit van 22,5 % van subsidiabele kosten, zoals in de kaderregeling vastgelegd, is voldaan.

(58)

Aangezien het in dit geval om verlening van ad-hoc staatssteun voor een individueel project gaat, beoordeelde de Commissie ook de invloed van dit project op regionale ontwikkeling in overeenstemming met de richtsnoeren inzake regionale steun. De Commissie is tot de conclusie gekomen, dat het project door de tenuitvoerlegging van een wezenlijke modernisatie van de werf tot de ontwikkeling van de regio bijdraagt en dus het concurrentievermogen op de markt verhoogt en de werkplaatsen in een regio met 14 % werkloosheid te bewaren helpt. De investering zal ter plaatse ten minste tijdens de volgende 5 jaar worden bewaard.

(59)

De onderneming Slovenské lodenice Komárno, a.s., heeft om staatsteun voor het begin van het werk aan het project verzocht en draagt met meer dan 25 % tot de financiering van het project bij, in overeenstemming met de richtsnoeren inzake regionale steun.

7.   CONCLUSIE

(60)

De Commissie is tot de conclusie gekomen, dat de voorgenomen verlening van regionale steun aan de onderneming Slovenské lodenice Komárno die 22,5 % van SKK 76 100 000 d.w.z. SKK 17 117 957 bedraagt, in overeenstemming met de in de kaderregeling vastgelegde voorwaarden voor verlening van regionale steun is. De voorgenomen verlening van steun voldoet daarom aan de voorwaarden, op basis waarvan de steun als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kan worden beschouwd,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:

Artikel 1

De staatssteun die de Slowaakse republiek voornemens is aan de onderneming Slovenské lodenice Komárno te verlenen in de vorm van kwijtschelding van een schuld ten bedrage van SKK 17 117 957 is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt overeenkomstig artikel 87, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag.

De verlening van de steun ten bedrage van SKK 17 117 957 wordt hiermee toegestaan.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de Slowaakse republiek.

Gedaan te Brussel, 21 maart 2007.

Voor de Commissie

Neelie KROES

Lid van de Commissie


(1)  PB C 194 van 18.8.2006, blz. 30.

(2)  Zie voetnoot 1.

(3)  Gemiddelde wisselkoers bekendgemaakt door de Nationale Bank van Slowakije (voor november 2005): EUR 1 = SKK 38,4550.

(4)  PB C 317 van 30.12.2003, blz. 11. De geldigheidsduur van het kader werd verlengd bij Mededeling van de Commissie betreffende verlenging van de geldigheidsduur van de kaderregeling inzake staatssteun aan de scheepsbouw (PB C 260 van 28.10.2006, blz. 7).

(5)  PB C 54 van 4.3.2006, blz. 13.


27.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 195/44


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 17 juli 2007

tot instelling van de Europese groep op hoog niveau voor nucleaire veiligheid en afvalbeheer

(Voor de EER relevante tekst)

(2007/530/Euratom)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name op artikel 135,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) en haar lidstaten dienen de veiligheid van nucleaire installaties te verzekeren en te zorgen voor een veilig beheer van afgewerkte splijtstof en radioactieve afvalstoffen, overeenkomstig de bestaande communautaire wetgeving die is aangenomen krachtens de artikelen 31 en 32 van het Euratomverdrag, alsmede overeenkomstig de resoluties en conclusies van de Europese Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal comité.

(2)

De Europese Raad van 8 en 9 maart 2007 heeft zich positief uitgesproken over het voornemen van de Commissie om een EU-groep op hoog niveau voor nucleaire veiligheid en afvalbeheer in te stellen die wordt belast met de geleidelijke totstandbrenging van een onderlinge overeenstemming en, uiteindelijk, de ontwikkeling van aanvullende Europese voorschriften op deze gebieden.

(3)

De werkzaamheden van de groep op hoog niveau moeten worden afgestemd op de conclusies van de 2798e vergadering van de Raad van de Europese Unie (Economische en Financiële zaken) van 8 mei 2007 waarin, op grond van verslagen van de Groep Atoomvraagstukken, een lijst met mogelijke acties is vastgesteld, en moeten voortbouwen op de bestaande internationale samenwerking (onder meer in het kader van het Verdrag inzake nucleaire veiligheid, het Gezamenlijk Verdrag, de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling/Agentschap voor kernenergie, de West-Europese Associatie van kernregulators).

(4)

De groep op hoog niveau wordt samengesteld uit de hoofden van de nationale regelgevende instanties of de autoriteiten die bevoegd zijn voor de veiligheid van nucleaire installaties en het veilig beheer van afgewerkte splijtstof en radioactieve afvalstoffen. Ook de Commissie wijst één vertegenwoordiger aan.

(5)

De groep op hoog niveau brengt regelmatig verslag uit aan het Europees kernenergieforum, een breed overlegplatform waarin alle belanghebbenden uit de nucleaire sector zijn vertegenwoordigd. Voorts dient de groep bij te dragen tot een coherente tenuitvoerlegging van de toepasselijke regelgeving in alle betrokken lidstaten.

(6)

De groep op hoog stelt regelmatig activiteitenverslagen op voor de Commissie en formuleert desgevallend aanbevelingen ten behoeve van het Europees Parlement en de Raad.

(7)

Derhalve dient een groep op hoog niveau te worden ingesteld en moeten het mandaat en de structuur van deze groep nader worden omschreven,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De Europese groep op hoog niveau voor nucleaire veiligheid en afvalbeheer (hierna „de groep op hoog niveau” genoemd) wordt opgericht.

Artikel 2

Taken

De groep op hoog niveau verleent de Commissie, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de Commissie, advies en biedt ondersteuning bij de geleidelijke ontwikkeling van onderlinge overeenstemming en, uiteindelijk, aanvullende Europese voorschriften inzake:

a)

de veiligheid van nucleaire installaties en

b)

het veilige beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval.

De groep op hoog niveau moet een faciliterende rol spelen bij het overleg, de coördinatie en de samenwerking tussen nationale regelgevende instanties.

Artikel 3

Samenstelling

1.   De groep op hoog niveau is samengesteld uit 27 nationale deskundigen op de in artikel 2 bedoelde gebieden en een vertegenwoordiger van de Commissie. De groep op hoog niveau kan bij gewone meerderheid van stemmen haar samenstelling uitbreiden met de plaatsvervangende leden.

Elke lidstaat wijst één lid en één plaatsvervangend lid aan. De leden blijven in functie tot zij worden vervangen.

2.   De Commissie stelt een vertegenwoordiger op hoog niveau aan, die de vergaderingen bijwoont en deelneemt aan de besprekingen van de groep op hoog niveau. De vertegenwoordiger van de Commissie is een evenwaardig lid van de groep op hoog niveau en neemt deel aan alle vergaderingen van de groep.

3.   Leden die geen effectieve bijdrage meer aan de beraadslagingen van de groep kunnen leveren, die ontslag nemen of die de voorwaarden van het lidmaatschap niet naleven, kunnen voor de resterende periode van hun ambtstermijn worden vervangen.

4.   Alle leden tekenen jaarlijks een verklaring waarin zij zich ertoe verbinden in het algemeen belang te handelen, alsmede een verklaring waaruit blijkt dat zij geen belangen hebben die afbreuk kunnen doen aan hun onafhankelijkheid.

5.   De namen van de leden worden bekendgemaakt op de webpagina van het directoraat-generaal Vervoer en energie.

Artikel 4

Organisatie

1.   De groep op hoog niveau wijst met gewone meerderheid van stemmen één van haar leden aan als voorzitter.

2.   De groep op hoog niveau kan werkgroepen van deskundigen of subwerkgroepen oprichten om specifieke kwesties te onderzoeken op basis van een door de groep opgesteld mandaat. Deze subgroepen worden ontbonden zodra hun opdrachten zijn voltooid.

3.   De Commissie kan steeds deelnemen aan een vergadering van een werkgroep van deskundigen.

4.   De groep en haar subgroepen vergaderen gewoonlijk in de kantoren van de Commissie overeenkomstig de vastgestelde procedures en tijdschema. Het secretariaat wordt verzorgd door de Commissie.

5.   Deskundigen van EER-landen en uit landen die kandidaat zijn voor toetreding tot de Europese Unie kunnen de vergaderingen van de groep op hoog niveau bijwonen als waarnemer. De groep op hoog niveau en de Commissie kunnen andere deskundigen en waarnemers uitnodigen om deel te nemen aan de vergaderingen.

6.   De groep op hoog niveau stelt in onderlinge overeenstemming zijn reglement van orde vast of, wanneer geen overeenstemming kan worden bereikt, bij tweederde meerderheid van de stemmen, waarbij elke lidstaat over één stem beschikt, evenwel onderworpen aan goedkeuring door de Commissie.

7.   De Commissie verzorgt het secretariaat van de groep op hoog niveau.

Artikel 5

Kosten van vergaderingen

Per lidstaat worden de reis- en verblijfkosten in verband met de werkzaamheden van de groep op hoog niveau van één vertegenwoordiger door de Commissie vergoed overeenkomstig de desbetreffende voorschriften van de Commissie.

De leden worden niet voor hun werkzaamheden betaald.

Artikel 6

Rapportage

De groep op hoog niveau legt de Commissie uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van deze beschikking, en vervolgens elke twee jaar, een verslag voor over zijn activiteiten.

De Commissie zendt deze verslagen toe aan het Europees Parlement en de Raad, in voorkomend geval vergezeld van opmerkingen.

Artikel 7

Transparantie

De groep op hoog niveau pleegt uitvoerig en op een open en transparante wijze overleg met alle actoren en het belangstellende publiek.

Artikel 8

Vertrouwelijkheid

Wanneer de Commissie de groep op hoog niveau in kennis stelt dat het advies waarom wordt verzocht of de vraag die wordt gesteld, betrekking heeft op een kwestie van vertrouwelijke aard, zijn de leden van de groep, alsmede waarnemers of andere personen ertoe gehouden de inlichtingen waarvan zij door de werkzaamheden van de groep op hoog niveau of zijn werkgroepen kennis hebben gekregen, niet openbaar te maken.

In dergelijke gevallen kan de vertegenwoordiger van de Commissie verzoeken dat alleen de leden van de groep op hoog niveau aan de vergadering deelnemen.

Artikel 9

Inwerkingtreding

Deze beschikking treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 17 juli 2007.

Voor de Commissie

Andris PIEBALGS

Lid van de Commissie


27.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 195/47


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 26 juli 2007

betreffende een vragenlijst voor de verslagen van de lidstaten over de uitvoering van Richtlijn 1999/13/EG van de Raad inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties in de periode 2008-2010

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 3547)

(2007/531/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 1999/13/EG van de Raad van 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties (1), en met name op artikel 11, lid 1,

Gelet op Richtlijn 91/692/EEG van de Raad van 23 december 1991 tot standaardisering en rationalisering van de verslagen over de toepassing van bepaalde richtlijnen op milieugebied (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 11, lid 1, van Richtlijn 1999/13/EG zijn de lidstaten verplicht verslagen over de uitvoering van de richtlijn op te stellen aan de hand van een vragenlijst of een schema, uitgewerkt door de Commissie volgens de procedure van artikel 6 van Richtlijn 91/692/EEG.

(2)

De lidstaten hebben verslagen opgesteld over de uitvoering van de richtlijn in de periode 1 januari 2003 tot 31 december 2004 overeenkomstig Beschikking 2002/529/EG van de Commissie (3).

(3)

De lidstaten zijn verplicht uiterlijk op 30 september 2008 verslag uit te brengen over de uitvoering van de richtlijn in de periode 1 januari 2005 tot 31 december 2007 overeenkomstig Beschikking 2006/534/EG van de Commissie (4).

(4)

Het derde verslag moet de periode 1 januari 2008 tot 31 december 2010 bestrijken.

(5)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het comité ex artikel 6 van Richtlijn 91/692/EEG,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De lidstaten gebruiken de vragenlijst in de bijlage bij deze beschikking om het verslag over de periode 1 januari 2008 tot 31 december 2010 op te stellen dat ingediend moet worden overeenkomstig artikel 11, lid 1, van Richtlijn 1999/13/EG.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 26 juli 2007.

Voor de Commissie

Stavros DIMAS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 85 van 29.3.1999, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/42/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 143 van 30.4.2004, blz. 87).

(2)  PB L 377 van 31.12.1991, blz. 48. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(3)  PB L 172 van 2.7.2002, blz. 57.

(4)  PB L 213 van 3.8.2006, blz. 4.


BIJLAGE

Vragenlijst over de uitvoering van Richtlijn 1999/13/EG van de Raad inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties in de periode 2008-2010

1.   Algemene beschrijving

Vermeld relevante wijzigingen in de nationale wetgeving betreffende Richtlijn 1999/13/EG die in de verslagperiode plaatvonden.

2.   Betrokken installaties

2.1.

Vermeld voor alle twintig activiteiten in bijlage II A, zowel voor de eerste (1.1.2008) als voor de laatste dag (31.12.2010) van de verslagperiode, het aantal installaties dat in onderstaande categorieën valt:

Totaal aantal installaties (1);

Totaal aantal installaties dat tevens onder Richtlijn 96/61/EG (IPPC-richtlijn) valt;

Totaal aantal installaties dat over een registratie/vergunning beschikt overeenkomstig Richtlijn 1999/13/EG;

Totaal aantal installaties dat is geregistreerd/waaraan een vergunning is verleend met gebruikmaking van het reductieprogramma;

Totaal aantal installaties dat overeenkomstig artikel 5, lid 3, onder a), van Richtlijn 1999/13/EG een uitzondering geniet. Voeg aan de bijlage bij deze vragenlijst een lijst toe met de redenen voor alle gemaakte uitzonderingen;

Totaal aantal installaties dat overeenkomstig artikel 5, lid 3, onder b), van Richtlijn 1999/13/EG een uitzondering geniet. Voeg aan de bijlage bij deze vragenlijst een lijst toe met de redenen voor alle gemaakte uitzonderingen;

2.2.

Vermeld voor alle activiteiten in bijlage II A hoeveel installaties tijdens de verslagperiode in de onderstaande categorieën vallen:

Totaal aantal nieuwe of aanzienlijk gewijzigde installaties dat over een registratie/vergunning beschikt overeenkomstig Richtlijn 1999/13/EG;

3.   Vervanging

Vermeld voor alle twintig activiteiten in bijlage II A welke stoffen of preparaten, in Richtlijn 67/548/EEG van de Raad (2) aangemerkt als kankerverwekkend, mutageen of vergiftig voor de voortplanting (R45, R46, R49, R60, R61), tegen het einde van de verslagperiode (31.12.2010) nog steeds worden gebruikt en in welke (geschatte) hoeveelheden (t per jaar).

4.   Toezicht

Vermeld voor alle twintig activiteiten in bijlage II A de volgende cijfers betreffende de verslagperiode:

Aantal installaties waarover overeenkomstig artikel 8, lid 1, van de richtlijn „eenmaal per jaar” of „op verzoek” gegevens zijn verstrekt;

Aantal installaties dat overeenkomstig artikel 8, lid 2, van de richtlijn doorlopend wordt gecontroleerd;

5.   Naleving

Vermeld voor alle twintig activiteiten in bijlage II A de volgende cijfers betreffende de verslagperiode:

Aantal aanbieders die de voorschriften van de richtlijn hebben overtreden

a)

in verband met het niet naleven van het „eenmaal per jaar” of „op verzoek” verstrekken van gegevens;

b)

in verband met het niet naleven van andere voorschriften van de richtlijn.

Van hoeveel aanbieders hebben de bevoegde autoriteiten de vergunning opgeschort of ingetrokken in het geval van niet-naleving volgens artikel 10, onder b), van de richtlijn?

6.   Emissies

6.1.

Vermeld voor het totaal aantal installaties de geschatte hoeveelheid uitgestoten vluchtige organische stoffen (t) in 2008 en in 2010.

6.2.

Vermeld voor alle twintig activiteiten in bijlage II A de geschatte hoeveelheid uitgestoten vluchtige organische stoffen in 2008 en in 2010 (facultatief).

7.   Kosten

7.1.

Vermeld voor 2010 de totale kosten, bv. in samenhang met vergunningen, toezicht, controles, enz., van de uitvoering van Richtlijn 1999/13/EG voor alle betrokken nationale autoriteiten in euro per jaar of in mensjaren (facultatief).

7.2.

Vermeld de geschatte administratieve kosten voor deze verslaglegging in EUR en in mensmaanden (facultatief).

8.   Publicatie van verslagen van lidstaten over deze vragenlijst

Vermeld de bron, bv. het URL-adres van de website, waar het publiek direct toegang heeft tot de verslagen van de lidstaat over de antwoorden van deze vragenlijst.

9.   Verbeteringen

Welke aspecten moeten benadrukt worden in verband met:

de uitvoering/toekomstige herziening van Richtlijn 1999/13/EG;

toekomstige vragenlijsten?

10.   Overige op- of aanmerkingen


(1)  In het kader van deze vragenlijst omvat het „totaal aantal installaties” ook installaties die niet onder Richtlijn 1999/13/EG vallen, maar waarvoor krachtens de nationale wetgeving regels gelden die overeenstemmen met de bepalingen van die richtlijn. Installaties voor het aanbrengen van een laklaag op wegvoertuigen als gedefinieerd in Richtlijn 70/156/EEG, of een deel daarvan, als onderdeel van de reparatie, de bescherming of de decoratie van voertuigen buiten de fabriek worden niet in de vragenlijst opgenomen.

(2)  PB 196 van 16.8.1967, blz. 1.