ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 168

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

50e jaargang
28 juni 2007


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EG) nr. 708/2007 van de Raad van 11 juni 2007 inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur

1

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Raad

 

 

2007/435/EG

 

*

Beschikking van de Raad van 25 juni 2007 tot oprichting van het Europees Fonds voor de integratie van onderdanen van derde landen voor de periode 2007-2013 als onderdeel van het algemeen programma Solidariteit en beheer van de migratiestromen

18

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

28.6.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 168/1


VERORDENING (EG) Nr. 708/2007 VAN DE RAAD

van 11 juni 2007

inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37 en artikel 299, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 6 van het Verdrag moeten de eisen inzake milieubescherming worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het beleid en het optreden van de Gemeenschap, in het bijzonder met het oog op het bevorderen van duurzame ontwikkeling.

(2)

De aquacultuur is een snelgroeiende sector waar innovatieve methoden en nieuwe afzetmogelijkheden worden verkend. Om de productie op de marktomstandigheden af te stemmen, is het belangrijk dat de aquacultuursector meer verschillende soorten gaat kweken.

(3)

De aquacultuur heeft economisch voordeel gehaald uit de introductie van uitheemse soorten en de translocatie van soorten die op de betrokken plaats niet voorkomen (bv. regenboogforel, Japanse oester of zalm) en het beleid moet er nu op worden gericht de voordelen van introducties en translocaties te optimaliseren en tegelijkertijd veranderingen in de ecosystemen en negatieve biologische interactie met inheemse populaties, met inbegrip van genetische veranderingen, te voorkomen, en de verspreiding van niet-doelsoorten en nadelige gevolgen voor de natuurlijke habitats te beperken.

(4)

Invasieve uitheemse soorten worden tot de belangrijkste oorzaken van het verlies aan inheemse soorten en aan biodiversiteit gerekend. Volgens artikel 8, punt h), van het door de Gemeenschap ondertekende Verdrag inzake biodiversiteit (CDB) dient elke verdragssluitende partij voor zover mogelijk en passend de binnenkomst van uitheemse soorten die bedreigend zijn voor ecosystemen, habitats of soorten te voorkomen, dan wel deze te beheersen of uit te roeien. Zo heeft de Conferentie van partijen bij de CBD met name Besluit VI/23 inzake uitheemse soorten die een bedreiging vormen voor ecosystemen, habitats of soorten goedgekeurd, en de bijlage daarvan bevat een Leidraad inzake de preventie en de beperking van de gevolgen van de introductie van dergelijke uitheemse soorten.

(5)

Ook de translocatie van soorten binnen hun natuurlijke verspreidingsgebied naar plaatsen waar zij om bepaalde biologisch-geografische redenen niet voorkomen, kan risico’s inhouden voor de ecosystemen in deze gebieden, en moet daarom eveneens onder deze verordening vallen.

(6)

De Gemeenschap moet derhalve haar eigen kader ontwikkelen om de aquatische habitats adequaat te beschermen tegen de risico’s die het gebruik van uitheemse soorten in de aquacultuur met zich meebrengt. Dit kader moet procedures omvatten voor het analyseren van de potentiële risico’s, het treffen van maatregelen op basis van de beginselen van preventie en voorzorg, en het vaststellen van de eventueel noodzakelijke noodplannen. Deze procedures moeten worden gebaseerd op de ervaringen die zijn opgedaan met de bestaande vrijwillige regelingen, met name de Gedragscode met betrekking tot het introduceren en overbrengen van mariene dier- en plantensoorten (Code of Practice on the Introductions and Transfers of Marine Organisms) van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) en de Gedragscode (Code of Practice) en het Procedurehandboek voor het overwegen van de introductie en de verplaatsing van mariene en zoetwaterdier- en plantensoorten (Manual of Procedures for consideration of introduction and transfer of marine and freshwater organisms) van de Europese Adviescommissie Binnenvisserij (EIFAC).

(7)

De in deze verordening vastgestelde maatregelen mogen geen afbreuk doen aan Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (2), Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (3), Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (4), noch aan Richtlijn 2006/88/EG van de Raad van 24 oktober 2006 betreffende veterinairrechtelijke voorschriften voor aquacultuurdieren en de producten daarvan en betreffende de preventie en bestrijding van bepaalde ziekten bij waterdieren (5).

(8)

De potentiële risico’s, die in bepaalde gevallen verreikende gevolgen kunnen hebben, zijn aanvankelijk duidelijker zichtbaar op plaatselijk niveau. De lokale aquatische milieus in de Gemeenschap hebben zeer uiteenlopende kenmerken en de lidstaten beschikken over de nodige kennis en expertise om de risico’s voor de aquatische milieus die onder hun bevoegdheid vallen, te evalueren en te beheren. Het is dan ook dienstig dat de uitvoering van de in deze verordening vastgestelde maatregelen in eerste instantie onder de bevoegdheid van de lidstaten valt.

(9)

Er moet rekening mee worden gehouden dat geen voorafgaande milieurisicobeoordeling dient te worden ingevoerd voor verplaatsingen van uitheemse of plaatselijk niet-voorkomende soorten die zullen worden gehouden in gesloten aquacultuurvoorzieningen welke beveiligd zijn en een zeer laag risico op ontsnapping inhouden.

(10)

Voor gevallen waarin de risico’s echter aanzienlijk zijn en ook andere lidstaten kunnen treffen, moet een communautair systeem tot stand worden gebracht om de belanghebbenden te raadplegen en de vergunningen te valideren voordat zij door de lidstaten worden afgegeven. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij (WTECV) dat is opgericht bij Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (6) moet bij deze raadpleging wetenschappelijk advies verstrekken en het Raadgevend Comité voor de visserij en de aquacultuur dat is ingesteld bij Besluit 1999/478/EG van de Commissie (7) moet advies uitbrengen namens de belanghebbenden op het gebied van aquacultuur en milieubescherming.

(11)

Een aantal uitheemse soorten is gedurende lange tijd algemeen gebruikt in de aquacultuur in bepaalde delen van de Gemeenschap. Voor daarmee samenhangende activiteiten moet bijgevolg in een gedifferentieerde behandeling worden voorzien, teneinde de ontwikkeling ervan zonder bijkomende administratieve lasten te faciliteren, op voorwaarde evenwel dat de bron een bestand kan voortbrengen dat vrij is van niet-doelsoorten. lidstaten die het gebruik van dergelijke sinds lang gebruikte soorten op hun grondgebied willen beperken, moeten dat kunnen doen.

(12)

Niets in deze verordening belet de lidstaten om door middel van nationale voorschriften te voorzien in een regeling met betrekking tot het houden van uitheemse of plaatselijk niet-voorkomende soorten in particuliere aquaria en tuinvijvers.

(13)

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (8).

(14)

Ter wille van de doeltreffendheid worden wijzigingen in de bijlagen I, II, III en IV, van deze verordening, die nodig zijn om deze aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, vastgesteld volgens de procedure van artikel 30, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2371/2002,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt een kader tot stand gebracht voor de praktijken in de aquacultuur met betrekking tot uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten om de mogelijke impact van deze soorten en in hetzelfde ecosysteem levende niet-doelsoorten op de aquatische habitats te evalueren en tot een minimum te beperken, teneinde bij te dragen aan de duurzame ontwikkeling van de sector.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op de introductie van uitheemse soorten en de translocatie van plaatselijk niet-voorkomende soorten voor aquacultuurdoeleinden in de Gemeenschap, die geschieden nadat deze verordening overeenkomstig artikel 25, lid 1, toepasselijk is geworden.

2.   Deze verordening is niet van toepassing op de translocatie van plaatselijk niet-voorkomende soorten binnen een lidstaat, met uitzondering van gevallen waarin wetenschappelijk advies duidt op mogelijke gevaren voor het milieu als gevolg van de translocatie. Indien overeenkomstig artikel 5 een raadgevend comité is aangewezen, is dat comité verantwoordelijk voor de beoordeling van de risico’s.

3.   De verordening is van toepassing op alle aquacultuuractiviteiten die onder de jurisdictie van de lidstaten vallen, ongeacht de grootte of kenmerken ervan. De verordening bestrijkt alle uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende aquatische organismen die worden gekweekt. De verordening is van toepassing op aquacultuur, ongeacht het aquatische systeem.

4.   Deze verordening is niet van toepassing op het houden van sierwaterdieren of -planten in dierenwinkels, tuincentra, afgesloten tuinvijvers of aquaria die voldoen aan artikel 6 van Beschikking 2006/656/EG van de Commissie van 20 september 2006 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften en certificeringsvoorschriften voor de invoer van vissen voor sierdoeleinden (9), of in voorzieningen die zijn uitgerust met effluentbehandelingssystemen die aan de doelstellingen van artikel 1 voldoen.

5.   De verordening, met uitzondering van de artikelen 3 en 4, is niet van toepassing op de in bijlage IV opgenomen soorten. De in artikel 9 bedoelde risicobeoordeling is niet van toepassing op de in bijlage IV opgenomen soorten, behalve wanneer de lidstaten maatregelen wensen te nemen om het gebruik van de betrokken soorten op hun grondgebied te beperken.

6.   Er is geen voorafgaande milieurisicobeoordeling nodig voor verplaatsingen van uitheemse of plaatselijk niet-voorkomende soorten die zullen worden gehouden in gesloten aquacultuurvoorzieningen, behalve wanneer de lidstaten gepaste maatregelen wensen te nemen.

7.   De introductie en de translocatie voor gebruik in gesloten aquacultuurvoorzieningen kunnen in de toekomst, op basis van nieuwe wetenschappelijke informatie en nieuw wetenschappelijk advies, worden vrijgesteld van het in hoofdstuk III bedoelde vergunningsvereiste. Vooruitgang in het wetenschappelijk inzicht in de biobeveiliging van moderne gesloten systemen wordt onder meer verwacht van door de Gemeenschap gefinancierd onderzoek inzake uitheemse soorten. Uiterlijk op 31 maart 2009 zal hierover worden beslist volgens de in artikel 24 omschreven procedure.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.

„aquacultuur”: de activiteit als omschreven in artikel 3, onder d), van Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad van 27 juli 2006 inzake het Europees Visserijfonds (10);

2.

„open aquacultuurvoorziening”: een voorziening waar aquacultuur wordt bedreven in een aquatisch systeem dat niet van het natuurlijke watermilieu is gescheiden door barrières die ontsnapping van gekweekte exemplaren of biologisch materiaal die kans maken op overleving en reproductie, voorkomen;

3.

„gesloten aquacultuurvoorziening”: een voorziening waar aquacultuur wordt bedreven in een aquatisch systeem met waterrecirculatie, dat van het natuurlijke watermilieu is gescheiden door barrières die ontsnapping van gekweekte exemplaren of biologisch materiaal die kans maken op overleving en reproductie, voorkomen;

4.

„aquatische organismen”: alle in water levende soorten die behoren tot een van de rijken Animalia, Plantae en Protista, inclusief alle delen, geslachtscellen, zaadcellen, eicellen of propagulen van dergelijke wezens die kans maken op overleving en reproductie;

5.

„polyploïde organismen”: organismen met kunstmatig geïnduceerde tetraploïdie (4N). Dit zijn aquatische organismen waarvan het aantal chromosomen in de cellen is verdubbeld door middel van celmanipulatietechnieken;

6.

„uitheemse soort”:

a)

een soort of ondersoort van een aquatisch organisme waar die buiten het bekende natuurlijke verspreidingsgebied en buiten het potentiële natuurlijke verspreidingsgebied voorkomt;

b)

polyploïde organismen, en vruchtbare kunstmatig gehybridiseerde soorten, ongeacht hun natuurlijke of potentiële verspreidingsgebied;

7.

„plaatselijk niet-voorkomende soort”: een soort of ondersoort van een aquatisch organisme die om biologisch-geografische redenen niet voorkomt in een bepaald gebied binnen het natuurlijke verspreidingsgebied;

8.

„niet-doelsoort”: een soort of ondersoort van een aquatisch organisme die schadelijk kan zijn voor het aquatische milieu en die bij de introductie of translocatie van een ander aquatisch organisme onbedoeld samen met dat organisme wordt verplaatst, met uitzondering van ziekteveroorzakende organismen, waarop Richtlijn 2006/88/EG van toepassing is;

9.

„verplaatsing”: introductie en/of translocatie;

10.

„introductie”: de opzettelijke verplaatsing voor aquacultuurdoeleinden van een uitheemse soort naar een omgeving buiten haar natuurlijke verspreidingsgebied;

11.

„translocatie”: de opzettelijke verplaatsing voor aquacultuurdoeleinden van een plaatselijk niet-voorkomende soort binnen haar natuurlijke verspreidingsgebied naar een gebied waar het voorheen om biologisch-geografische redenen niet voorkwam;

12.

„proefuitzetting”: de introductie van een uitheemse soort of de translocatie van plaatselijk niet-voorkomende soorten op beperkte schaal om de ecologische interactie met inheemse soorten en habitats te beoordelen en de in de risicobeoordeling gemaakte hypothesen te evalueren;

13.

„aanvrager”: de natuurlijke, rechtspersoon of juridische eenheid die een voorstel tot introductie of translocatie van aquatische organismen indient;

14.

„quarantaine”: het proces waarbij aquatische organismen en daarmee samenhorende organismen in volledige afzondering van hun omgeving kunnen worden gehouden;

15.

„quarantainevoorziening”: een voorziening waar aquatische organismen en daarmee samenhorende organismen in volledige afzondering van hun omgeving kunnen worden gehouden;

16.

„routinematige verplaatsing”: de verplaatsing van aquatische organismen uit een bron met een laag risico op de overdracht van niet-doelsoorten, en die, wegens de kenmerken van het aquatisch organisme en/of de te gebruiken aquacultuurmethode, bijvoorbeeld een gesloten systeem als bedoeld in punt 3, geen gevaar voor nadelige ecologische gevolgen oplevert;

17.

„niet-routinematige verplaatsing”: iedere verplaatsing van aquatische organismen die niet aan de criteria voor routinematige verplaatsingen voldoet;

18.

„ontvangende lidstaat”: de lidstaat op wiens grondgebied uitheemse soorten worden geïntroduceerd of plaatselijk niet-voorkomende soorten worden getransloceerd;

19.

„zendende lidstaat”: de lidstaat vanaf wiens grondgebied de uitheemse soort wordt geïntroduceerd of de plaatselijk niet-voorkomende soort wordt getransloceerd.

HOOFDSTUK II

ALGEMENE VERPLICHTINGEN VAN DE LIDSTATEN

Artikel 4

Maatregelen om negatieve gevolgen te voorkomen

De lidstaten zien erop toe dat alle nodige maatregelen worden genomen ter voorkoming van negatieve gevolgen voor de biodiversiteit, met name voor soorten, habitats en ecosysteemfuncties, die naar verwachting het gevolg kunnen zijn van de introductie of translocatie van aquatische organismen en niet-doelsoorten in de aquacultuur en van de verspreiding van deze soorten in het wild.

Artikel 5

Besluitvorming en adviesorganen

De lidstaten wijzen de bevoegde autoriteit of autoriteiten aan die moet toezien op de naleving van de in deze verordening vastgestelde voorschriften (hierna „de bevoegde autoriteit” genoemd). Elke bevoegde autoriteit kan zich laten bijstaan door een raadgevend comité dat moet beschikken over passende wetenschappelijke deskundigheid (hierna „het raadgevend comité” genoemd). Indien een lidstaat geen raadgevend comité aanwijst, worden de bij deze verordening aan het raadgevend comité opgedragen taken overgenomen door de bevoegde autoriteit of de bevoegde autoriteiten.

HOOFDSTUK III

VERGUNNINGEN

Artikel 6

Aanvraag van een vergunning

1.   Aquacultuurbedrijven die voornemens zijn een introductie van een uitheemse soort of een translocatie van een plaatselijk niet-voorkomende soort te verrichten die niet onder artikel 2, lid 5, vallen, vragen hiervoor een vergunning aan bij de bevoegde autoriteit van de ontvangende lidstaat. Aanvragen kunnen worden ingediend voor meerdere verplaatsingen binnen een periode van ten hoogste zeven jaar.

2.   De door de aanvrager in te dienen aanvraag bevat een dossier dat is opgesteld volgens de in bijlage I vermelde indicatieve richtsnoeren. Het raadgevend comité bepaalt in een advies of de aanvraag alle vereiste gegevens bevat om te kunnen nagaan of het om een routinematige of een niet-routinematige verplaatsing gaat, en derhalve ontvankelijk is, en stelt de bevoegde autoriteit in kennis van haar advies.

3.   Aan het eind van de vergunningsperiode kan een aanvraag voor een nieuwe vergunning worden ingediend door te verwijzen naar de voorgaande vergunning. Indien er geen gedocumenteerde nadelige milieu-effecten zijn, wordt de voorgestelde verplaatsing beschouwd als een routinematige verplaatsing.

Artikel 7

Aard van de voorgestelde verplaatsing

Het raadgevend comité bepaalt in een advies of de voorgestelde verplaatsing een routinematige of niet-routinematige verplaatsing is, en of de uitzetting moet worden voorafgegaan door een quarantaine of proefuitzetting; het comité stelt de bevoegde autoriteit in kennis van haar advies.

Artikel 8

Routinematige verplaatsing

Voor routinematige verplaatsingen mag de bevoegde autoriteit een vergunning afgeven waarop in voorkomend geval wordt vermeld of er een quarantaine of proefuitzetting moet plaatsvinden als omschreven in de hoofdstukken IV en V.

Artikel 9

Niet-routinematige verplaatsing

1.   Voor niet-routinematige verplaatsingen moet een milieurisicobeoordeling worden verricht als omschreven in bijlage II. De bevoegde autoriteit besluit of de aanvrager dan wel een onafhankelijke instantie wordt belast met de uitvoering van de milieurisicobeoordeling en welke partij hiervan de kosten draagt.

2.   Op basis van de milieurisicobeoordeling brengt het raadgevend comité in een beknopt verslag als bedoeld in bijlage II, deel 3, bij de bevoegde autoriteit advies uit over de risico’s. Indien het raadgevend comité het risico gering bevindt, mag de bevoegde autoriteit zonder verdere formaliteiten de vergunning afgeven.

3.   Indien het raadgevend comité de risico’s verbonden aan de voorgestelde verplaatsing van aquatische organismen groot of middelmatig acht in de zin van bijlage II, deel 1, onderzoekt het de aanvraag in overleg met de aanvrager om na te gaan of er risicobeperkende procedures of technologieën beschikbaar zijn waardoor het risico laag kan worden gehouden. Het raadgevend comité stuurt de resultaten van zijn onderzoek naar de bevoegde autoriteit met vermelding van de omvang van het risico en de redenen voor een eventuele beperking van het risico in een verslag als bedoeld in bijlage II, deel 3.

4.   De bevoegde autoriteit mag alleen vergunningen afgeven voor niet-routinematige verplaatsingen indien de risicobeoordeling, inclusief eventuele risicobeperkende maatregelen, wijzen op een gering risico voor het milieu. Iedere weigering van een vergunning moet naar behoren worden gemotiveerd met wetenschappelijke argumenten of, indien de wetenschappelijke gegevens vooralsnog ontoereikend zijn, op grond van het voorzorgsbeginsel.

Artikel 10

Besluitvormingstermijn

1.   De aanvrager wordt binnen een redelijke termijn en uiterlijk zes maanden na de datum van indiening van de aanvraag schriftelijk in kennis gesteld van het besluit tot toekenning of weigering van de vergunning; de tijd die de aanvrager nodig heeft om op verzoek van het raadgevend comité nadere informatie te verstrekken, wordt hierbij niet meegerekend.

2.   Lidstaten die de ICES-overeenkomst hebben ondertekend, kunnen de ICES verzoeken de aanvragen en risicobeoordelingen betreffende mariene organismen te beoordelen alvorens het raadgevend comité hierover advies uitbrengt. In dergelijke gevallen wordt een aanvullende termijn van zes maanden toegestaan.

Artikel 11

Verplaatsingen die gevolgen hebben voor naburige lidstaten

1.   Indien de potentiële of bekende milieu-effecten van een voorgestelde verplaatsing van een organisme zich tot naburige lidstaten zouden kunnen uitstrekken, stelt de bevoegde autoriteit de betrokken lidstaat of lidstaten en de Commissie in kennis van haar voornemen om een vergunning af te geven door deze het desbetreffende ontwerp-besluit, vergezeld van een toelichting en een beknopt verslag van de milieurisicobeoordeling als bedoeld in bijlage II, deel 3, toe te zenden.

2.   De overige betrokken lidstaten kunnen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving de Commissie hun schriftelijke opmerkingen doen toekomen.

3.   Uiterlijk zes maanden na de kennisgeving gaat de Commissie, na raadpleging van het bij artikel 33 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 ingestelde Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij (WTECV) en van het bij Besluit 1999/478/EG ingestelde Raadgevend Comité voor de visserij en de aquacultuur, over tot bevestiging, weigering of wijziging van het voorgestelde besluit om een vergunning te verlenen.

4.   De betrokken lidstaten kunnen het besluit van de Commissie binnen een termijn van 30 dagen voorleggen aan de Raad. Vervolgens beschikt de Raad opnieuw over een termijn van 30 dagen om met gekwalificeerde meerderheid zo nodig een andersluidend besluit te nemen.

Artikel 12

Intrekking van de vergunning

Op ieder gewenst moment kan de bevoegde autoriteit indien zich onvoorziene zaken voordoen met nadelige gevolgen voor het milieu of voor de inheemse populatie, de vergunning tijdelijk of permanent intrekken. Iedere intrekking van een vergunning moet naar behoren worden gemotiveerd met wetenschappelijke argumenten of, indien de wetenschappelijke gegevens vooralsnog ontoereikend zijn, op grond van het voorzorgsbeginsel, een en ander met inachtneming van de nationale administratieve regels.

HOOFDSTUK IV

VOORWAARDEN VOOR INTRODUCTIES NA AFGIFTE VAN EEN VERGUNNING

Artikel 13

Naleving van overige communautaire bepalingen

Een vergunning voor introductie overeenkomstig deze verordening kan slechts worden afgegeven wanneer duidelijk is dat aan de vereisten uit hoofde van andere wet- en regelgeving kan worden voldaan, waaronder met name:

a)

de veterinairrechtelijke voorschriften van Richtlijn 2006/88/EG betreffende veterinairrechtelijke voorschriften voor aquacultuurdieren en de producten daarvan en betreffende de preventie en bestrijding van bepaalde ziekten bij waterdieren,

b)

de voorwaarden van Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (11).

Artikel 14

Uitzetting in aquacultuurvoorzieningen bij routinematige introductie

Bij routinematige introducties is het uitzetten van aquatische organismen in open of gesloten aquacultuurvoorzieningen toegestaan zonder voorafgaande quarantaine of proefuitzetting, tenzij de bevoegde autoriteit, in uitzonderlijke gevallen, op grond van specifiek advies van het raadgevend comité anders besluit. Verplaatsingen van een gesloten aquacultuurvoorziening naar een open aquacultuurvoorziening mogen niet als routinematige verplaatsingen worden beschouwd.

Artikel 15

Uitzetting in open aquacultuurvoorzieningen bij niet-routinematige introductie

1.   Bij niet-routinematige introducties gelden voor het uitzetten van aquatische organismen in open aquacultuurvoorzieningen, indien nodig, de in de leden 2, 3 en 4 vastgestelde voorwaarden.

2.   Aquatische organismen worden overeenkomstig de voorwaarden van bijlage III in een aangewezen quarantainevoorziening op het grondgebied van de Gemeenschap geplaatst voor het kweken van pootvis.

3.   De quarantainevoorziening mag in een andere lidstaat dan de ontvangende lidstaat zijn gevestigd, mits alle betrokken lidstaten hiermee instemmen en er met deze optie rekening is gehouden bij de milieurisicobeoordeling als bedoeld in artikel 9.

4.   In voorkomend geval mogen in aquacultuurvoorzieningen van de ontvangende lidstaat uitsluitend de nakomelingen van de geïntroduceerde aquatische organismen worden gebruikt, mits er tijdens de quarantaine geen potentieel schadelijke niet-doelsoorten zijn aangetroffen. Het volwassen bestand mag worden uitgezet wanneer de organismen zich niet voortplanten in gevangenschap of volledig onvruchtbaar zijn, en op voorwaarde dat de afwezigheid van potentieel schadelijke niet-doelsoorten wordt bevestigd.

Artikel 16

Proefuitzettingen in open aquacultuurvoorzieningen

De bevoegde autoriteit kan eisen dat het uitzetten van de aquatische organismen in open aquacultuurvoorzieningen pas plaatsvindt na een proefuitzetting met specifieke verspreidingsbeperkende preventieve maatregelen, die zijn gebaseerd op het advies en de aanbevelingen van het raadgevend comité.

Artikel 17

Noodplannen

Voor alle niet-routinematige introducties en proefuitzettingen stelt de aanvrager een noodplan op dat ter goedkeuring aan de bevoegde autoriteit wordt voorgelegd en dat onder andere regelingen bevat om bij onvoorziene gebeurtenissen met nadelige gevolgen voor het milieu of de inheemse populaties de geïntroduceerde soort uit het milieu te verwijderen of de dichtheid ervan te verminderen. Indien zulke gebeurtenissen zich voordoen, worden de noodplannen onmiddellijk uitgevoerd en kan de vergunning overeenkomstig artikel 12 tijdelijk of permanent worden ingetrokken.

Artikel 18

Toezicht

1.   Uitheemse soorten blijven na hun uitzetting in open aquacultuurvoorzieningen onder toezicht gedurende een periode van twee jaar of, als dat langer is, de duur van een volledige generatiecyclus, om te beoordelen of de gevolgen juist zijn voorspeld en of er zich aanvullende of afwijkende gevolgen hebben voorgedaan. De graad van verspreiding of verspreidingsbeperking, wordt in het bijzonder bestudeerd. De bevoegde autoriteit besluit of de aanvrager over de nodige expertise beschikt, dan wel of een andere instantie met het toezicht moet worden belast.

2.   Afhankelijk van het advies van het raadgevend comité kan de bevoegde autoriteit eisen dat de toezichtperioden worden verlengd om eventuele gevolgen voor het ecosysteem op langere termijn te bestuderen die moeilijk binnen de in lid 1 bedoelde periode kunnen worden opgespoord.

3.   Het raadgevend comité beoordeelt de resultaten van het toezichtprogramma en noteert met name iedere gebeurtenis die niet correct is voorspeld in de milieurisicobeoordeling. De resultaten van die beoordeling worden toegezonden aan de bevoegde autoriteit die een samenvatting van de resultaten opneemt in het nationale register als bedoeld in artikel 23.

HOOFDSTUK V

VOORWAARDEN VOOR TRANSLOCATIES NA AFGIFTE VAN EEN VERGUNNING

Artikel 19

Naleving van overige communautaire bepalingen

Een vergunning voor translocatie overeenkomstig deze verordening kan slechts worden afgegeven wanneer duidelijk is dat aan de vereisten uit hoofde van andere wet- en regelgeving kan worden voldaan, waaronder met name:

a)

de veterinairrechtelijke voorschriften van Richtlijn 2006/88/EG,

b)

de voorwaarden van Richtlijn 2000/29/EG.

Artikel 20

Niet-routinematige translocatie naar open aquacultuurvoorzieningen

Bij niet-routinematige translocaties naar open aquacultuurvoorzieningen kan de bevoegde autoriteit eisen dat het uitzetten van de aquatische organismen pas plaatsvindt na een proefuitzetting met specifieke verspreidingsbeperkende en preventieve maatregelen, die zijn gebaseerd op het advies en de aanbevelingen van het raadgevend comité.

Artikel 21

Quarantaine

De ontvangende lidstaat kan in uitzonderlijke gevallen en na goedkeuring van de Commissie eisen dat in het kader van niet-routinematige translocaties verplaatste soorten pas na quarantaine als omschreven in artikel 15, leden 2, 3 en 4, in een open aquacultuurvoorziening worden uitgezet. In het verzoek om goedkeuring van de Commissie wordt aangegeven waarom quarantaine is vereist. De Commissie beantwoordt dit verzoek binnen 30 dagen.

Artikel 22

Toezicht na translocatie

Na een niet-routinematige translocatie blijft de soort onder toezicht als omschreven in artikel 18.

HOOFDSTUK VI

REGISTER

Artikel 23

Register

De lidstaten houden een register van alle introducties en translocaties bij met een historisch overzicht van alle aanvragen en de bijbehorende documentatie die vóór de afgifte van de vergunning en tijdens de toezichtperiode is verzameld.

Het register wordt vrij ter beschikking van de lidstaten en het publiek gesteld overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie (12).

Teneinde de lidstaten in staat te stellen de in hun register opgenomen informatie te delen, kan een specifiek informatiesysteem worden ontwikkeld overeenkomstig de in artikel 30, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 bedoelde procedure.

HOOFDSTUK VII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 24

Gedetailleerde regels en aanpassing aan technische vooruitgang

1.   Wijzigingen in de bijlagen I, II, III en IV en hun overeenkomstige bepalingen die nodig zijn om deze aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 30, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2371/2002.

2.   Om soorten aan bijlage IV te kunnen toevoegen, moet het aquatisch organisme in bepaalde delen van de Gemeenschap gedurende lange tijd (ten opzichte van zijn levenscyclus) zonder nadelige gevolgen in de aquacultuur gebruikt zijn, en moeten de introductie en de translocatie kunnen plaatsvinden zonder gelijktijdige verplaatsing van potentieel schadelijke niet-doelsoorten.

3.   De Commissie stelt volgens de in artikel 30, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 omschreven procedure de uitvoeringsbepalingen vast met betrekking tot de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om soorten aan bijlage IV toe te voegen in de zin van lid 2.

4.   Nadat de Commissie de in punt 3 vermelde uitvoeringsbepalingen heeft vastgesteld, kunnen de lidstaten de Commissie verzoeken om volgens de in punt 1 genoemde procedure soorten aan bijlage IV toe te voegen. De lidstaten kunnen wetenschappelijke gegevens verstrekken om aan te tonen dat aan relevante criteria voor het toevoegen van soorten aan bijlage IV is voldaan. De Commissie beslist binnen vijf maanden na ontvangst van het verzoek over de ontvankelijkheid ervan; de tijd die de lidstaat nodig heeft om op verzoek van de Commissie nadere informatie te verstrekken, wordt hierbij niet meegerekend.

5.   Met betrekking tot door de lidstaten ingediende verzoeken tot toevoeging van soorten aan bijlage IV die vóór de inwerkingtreding van deze verordening zijn ontvangen, wordt evenwel vóór 1 januari 2009 een beslissing genomen.

6.   De betrokken lidstaten kunnen met betrekking tot hun ultraperifere gebieden, als bedoeld in artikel 299, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, voorstellen de toegevoegde soorten op te nemen in een afzonderlijk deel van bijlage IV.

Artikel 25

Inwerkingtreding

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing zes maanden na de inwerkingtreding van de in artikel 24, lid 3, bedoelde verordening van de Commissie betreffende de uitvoeringsbepalingen, maar uiterlijk op 1 januari 2009.

2.   De bepalingen van de hoofdstukken I en II, alsook die van artikel 24, zijn evenwel van toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding van de verordening.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxembourg, 11 juni 2007.

Voor de Raad

De voorzitter

H. SEEHOFER


(1)  PB C 324 van 30.12.2006, blz. 15.

(2)  PB L 175 van 5.7.1985, blz. 40. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 156 van 25.6.2003, blz. 17).

(3)  PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/105/EG (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 368).

(4)  PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Beschikking nr. 2455/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 331 van 15.12.2001, blz. 1).

(5)  PB L 328 van 24.11.2006, blz. 14.

(6)  PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.

(7)  PB L 187 van 20.7.1999, blz. 70. Besluit laatstelijk gewijzigd bij Besluit 2004/864/EG (PB L 370 van 17.12.2004, blz. 91).

(8)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).

(9)  PB L 271 van 30.9.2006, blz. 71.

(10)  PB L 223 van 15.8.2006, blz. 1.

(11)  PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1.

(12)  PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26.


BIJLAGE I

VERGUNNINGSAANVRAAG

(Indicatieve richtsnoeren voor het dossier dat door de aanvrager moet worden opgesteld als bepaald in artikel 6)

Voor zover mogelijk moeten alle gegevens worden onderbouwd met referenties uit wetenschappelijke literatuur en afschriften van persoonlijke contacten met wetenschappelijke autoriteiten en visserijdeskundigen. De aanvragers wordt aanbevolen om een onderscheid te maken tussen verplaatsingen naar „open” of „gesloten” aquacultuurvoorzieningen.

Voor de toepassing van deze bijlage moeten, indien de aanvraag betrekking heeft op een translocatie in plaats van een introductie, de termen „introductie” en „introduceren” gelezen worden als „translocatie” en „transloceren”.

A.   Beknopte samenvatting

Geef een beknopte samenvatting van het document met een beschrijving van het voorstel, de potentiële gevolgen ervan voor inheemse soorten en hun habitats en de voorzorgsmaatregelen om het potentiële effect op inheemse soorten te beperken.

B.   Inleiding

1.

Naam (de wetenschappelijke en de populaire naam) van het organisme dat de aanvrager wil introduceren of transloceren, met vermelding van genus, soort, ondersoort of lagere taxonomische classificatie voor zover relevant.

2.

Beschrijf de kenmerken, inclusief onderscheidende kenmerken, van het organisme. Voeg een wetenschappelijke tekening of foto bij.

3.

Beschrijf de geschiedenis met betrekking tot de aquacultuur, bevorderende maatregelen en andere introducties (indien van toepassing).

4.

Beschrijf de doelstellingen van en redenen voor de voorgestelde introductie, met uitleg over de redenen waarom deze doelstelling niet met inheemse soorten kan worden bereikt.

5.

Welke alternatieve strategieën zijn er onderzocht om de doelstellingen van het voorstel te bereiken?

6.

Wat is het geografische gebied waar de introductie zou moeten plaatsvinden? Beschrijf de habitats, het ecosysteem en de beschermingsstatus van het ontvangende milieu. Voeg een kaart bij.

7.

Geef het aantal organismen dat volgens het voorstel wordt geïntroduceerd (initieel en uiteindelijk). Kan het project worden verdeeld in verschillende delen? Zo ja, hoeveel organismen zijn er dan betrokken bij ieder deel?

8.

Beschrijf de bron(nen) van het bestand (de voorziening) en het genenbestand (indien bekend).

C.   Gegevens betreffende de levenscyclus van de te introduceren soort — per levensfase

1.

Beschrijf het oorspronkelijke verspreidingsgebied en het verspreidingsgebied na introducties.

2.

Heeft het bestand van waaruit de introductie/translocatie zal worden verricht een band met een bekende niet-doelsoort?

3.

Welke verspreiding kent die niet-doelsoort in het gebied van herkomst van het bestand dat zal worden geïntroduceerd/getransloceerd?

4.

Beschrijf waar de soort al eerder is geïntroduceerd en beschrijf de ecologische gevolgen daarvan voor het milieu in het ontvangende gebied (roofdieren, prooien, concurrenten en/of structurele/functionele elementen van de habitat).

5.

Welke factoren beperken de soort in haar natuurlijk verspreidingsgebied?

6.

Beschrijf de fysiologische toleranties (waterkwaliteit, temperatuur, zuurstofgehalte, zoutgehalte) in iedere levensfase (vroegste levensfasen, volwassenheid en reproductieve fasen).

7.

Beschrijf de voorkeuren en toleranties inzake de habitat voor iedere levensfase.

8.

Beschrijf het reproductieproces.

9.

Beschrijf het migratiegedrag.

10.

Beschrijf de voorkeuren inzake voedsel voor iedere levensfase.

11.

Beschrijf het groeitempo en de levensduur (ook in het voorgestelde introductiegebied, indien van toepassing).

12.

Wat is de leeftijd of leeftijdscategorie van de betrokken soorten?

13.

Beschrijf de (sociale, territoriale of agressieve) gedragskenmerken.

D.   Interactie met inheemse soorten

1.

Hoe groot is de kans op overleving en handhaving van het geïntroduceerde organisme indien het ontsnapt? (Deze vraag is van toepassing op verplaatsingen naar open en gesloten aquacultuurvoorzieningen.)

2.

Welke habitat(s) zal de geïntroduceerde soort naar verwachting innemen in het voorgestelde introductiegebied en overlapt dit de gebieden van kwetsbare of bedreigde soorten? (Vermeld of het voorgestelde introductiegebied ook uitmondt in andere wateren.)

3.

Met welke inheemse soorten zou de geïntroduceerde soort ecologische „niches” moeten delen? Zijn er ongebruikte ecologische rijkdommen die de nieuwe soort zou kunnen benutten?

4.

Waarmee zal het geïntroduceerde organisme zich in de nieuwe omgeving voeden?

5.

Heeft deze voedingswijze eventueel negatieve gevolgen voor het ontvangende ecosysteem?

6.

Zullen de geïntroduceerde organismen overleven en zich met succes reproduceren in het voorgestelde introductiegebied, of moeten er jaarlijkse nieuwe exemplaren worden uitgezet? (Deze vraag is niet van toepassing op verplaatsingen naar gesloten aquacultuurvoorzieningen.)

7.

Zullen de geïntroduceerde organismen hybridiseren met inheemse soorten? Is het mogelijk dat inheemse soorten of bestanden plaatselijk verdwijnen onder invloed van de voorgestelde introductie? Kunnen de geïntroduceerde organismen gevolgen hebben voor het paaigedrag en de paaigronden van inheemse soorten?

8.

Heeft de voorgestelde introductie potentiële gevolgen voor de habitat of de waterkwaliteit?

E.   Ontvangend milieu en daarmee verbonden wateren

1.

Beschrijf de fysische kenmerken van het ontvangende milieu en de daarmee verbonden waterlichamen, zoals watertemperatuur per seizoen, zoutgehalte, troebelheid, opgeloste zuurstofgehalte, pH, nutriënten en metalen. Komen deze parameters overeen met de toleranties/voorkeuren van de te introduceren soort, inclusief de voorwaarden voor reproductie?

2.

Beschrijf de samenstelling aan soorten (belangrijkste aquatische gewervelden, ongewervelden en planten) in het ontvangende gebied.

3.

Beschrijf de habitat in het introductiegebied, inclusief daaraan verbonden wateren, en vermeld kritieke habitats. Welke van de betrokken parameters komt overeen met de toleranties/preferenties van de te introduceren organismen? Kunnen de te introduceren organismen (bepaalde van) de beschreven habitats verstoren?

4.

Beschrijf de natuurlijke of menselijke barrières die moeten voorkomen dat de geïntroduceerde organismen zich naar aangrenzende wateren verplaatsen.

F.   Toezicht

Beschrijf de plannen voor het follow-uptoezicht van de ontwikkeling van te introduceren soorten en geef aan hoe eventuele negatieve gevolgen voor inheemse soorten en hun habitats zullen worden geëvalueerd.

G.   Beheersplan

1.

Beschrijf het beheersplan voor de voorgestelde introductie. Deze beschrijving dient ten minste de volgende gegevens te bevatten:

a)

de maatregelen om te voorkomen dat andere soorten (niet-doelsoorten) met de lading meekomen;

b)

de partijen die toestemming zullen krijgen om de voorgestelde organismen te gebruiken en de voorwaarden voor dat gebruik;

c)

vermelding van een eventuele pre-commerciële fase van de voorgestelde introductie;

d)

beschrijving van het noodplan voor de verwijdering van soorten;

e)

beschrijving van het kwaliteitsborgingsplan voor het voorstel, en

f)

overige wettelijke vereisten waaraan moet worden voldaan.

2.

Beschrijf de chemische, biofysische en beheersmaatregelen ter voorkoming van incidentele ontsnappingen van het organisme en van eventuele niet-doelsoorten naar, en de vestiging daarvan in andere dan de beoogde ontvangende ecosystemen. Beschrijf de herkomst van het water, de bestemming van effluenten, eventuele behandelingen van effluenten, de nabijheid van regenwatercollectoren, roofdierbestrijding, bewaking van de locatie en maatregelen ter voorkoming van ontsnappingen.

3.

Beschrijf de noodplannen die moeten worden uitgevoerd bij een eventuele onopzettelijke, incidentele of ongemachtigde vrijlating van organismen uit de kweekvoorzieningen of bij een incidentele of onverwachte uitbreiding van het verspreidingsgebied na uitzetting.

4.

Indien dit voorstel wordt gedaan ten behoeve van bepaalde visserijactiviteiten, beschrijf dan het doel van deze visserijactiviteiten. Wie is er gebaat bij deze visserijactiviteiten? Beschrijf het beheersplan en, indien van toepassing, eventuele wijzigingen in het beheersplan voor soorten die door de introductie worden beïnvloed.

H.   Bedrijfsgegevens

1.

Geef de naam van de eigenaar en/of het bedrijf, het nummer van de aquacultuurvergunning en de bedrijfsvergunning (indien van toepassing) of de naam van de overheidsdienst met naam, telefoonnummer, fax en e-mailadres van de contactpersoon.

2.

Geef een indicatie van de economische levensvatbaarheid van het voorgestelde project.

I.   Referenties

1.

Geef een gedetailleerde bibliografie van alle referenties die bij de opstelling van de aanvraag zijn gebruikt.

2.

Geef een lijst met de namen en adressen van de wetenschappelijke autoriteiten en visserijdeskundigen die zijn geraadpleegd.


BIJLAGE II

Procedures en minimaal vereiste gegevens voor een milieurisicobeoordeling als bepaald in artikel 9

Om de risico’s te beoordelen in verband met de introductie of translocatie van aquatische organismen moet worden beoordeeld hoe waarschijnlijk het is dat de organismen zich blijvend vestigen en wat de gevolgen daarvan zijn.

Bij deze procedure moeten de belangrijkste milieuaspecten worden bestudeerd. Er moet een gestandaardiseerde aanpak worden gevolgd voor de beoordeling van het risico op genetische en ecologische effecten en van de kans op introductie van niet-doelsoorten met eventuele negatieve gevolgen voor de inheemse soorten in de voorgestelde ontvangende wateren.

Tijdens de beoordelingsprocedure ligt de nadruk niet op de beoordelingswaarden maar op de gedetailleerde biologische en andere onderbouwing daarvan. In geval van wetenschappelijke onzekerheid moet het voorzorgsbeginsel worden toegepast.

Voor de toepassing van deze bijlage moeten, indien de aanvraag betrekking heeft op een translocatie in plaats van een introductie, de termen „introductie” en „introduceren” worden gelezen als „translocatie” en „transloceren”.

DEEL 1

PROCEDURE VOOR DE BEOORDELING VAN ECOLOGISCHE EN GENETISCHE RISICO’S

Stap 1

Waarschijnlijkheid van vestiging en verspreiding buiten het beoogde introductiegebied

Gebeurtenis

Waarschijnlijkheid

(H, M, L) (1)

Zekerheid

(VC, RC, RU, VU) (2)

Toelichting (3)

De geïntroduceerde of getransloceerde soorten die zijn ontsnapt of zich hebben verspreid, koloniseren met succes het beoogde introductiegebied en handhaven er een populatie die niet door de aquacultuurvoorziening kan worden beheerd

 

 

 

De geïntroduceerde of getransloceerde soorten die zijn ontsnapt of zich hebben verspreid, verspreiden zich buiten het beoogde introductiegebied

 

 

 

Eindoordeel (4)

 

 

 

Stap 2

Gevolgen van vestiging en verspreiding

Gebeurtenis

Waarschijnlijkheid

(H, M, L)

Zekerheid

(VC, RC, RU, VU)

Toelichting (5)

Genetische vermenging met plaatselijke populaties die leidt tot verlies aan genetische diversiteit

 

 

 

Concurrentie (om voedsel of ruimte) met en predatie op inheemse populaties die leidt tot uitsterving van die populatie

 

 

 

Andere ongewenste ecologische gebeurtenissen

 

 

 

Bepaalde van de genoemde gebeurtenissen blijven zich ook na verwijdering van de geïntroduceerde soorten voordoen

 

 

 

Eindoordeel (6)

 

 

 

Stap 3

Potentiële risico’s van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten

Er wordt een enkele waarde toegekend op basis van de beoordelingen in de stappen 1 en 2:

Onderdeel

Potentieel risico

(H, M, L)

Zekerheid

(VC, RC, RU, VU)

Toelichting (7)

Vestiging en verspreiding (stap 1)

 

 

 

Ecologische gevolgen (stap 2)

 

 

 

Eindoordeel over algemeen potentieel risico (8)

 

 

 

Het resultaat van deze beoordeling moet worden uitgedrukt met behulp van een van de volgende risiconiveaus:

Er is sprake van een verplaatsing met hoog risico:

a)

wanneer de verplaatsing een hoog risico inhoudt op nadelige gevolgen voor de biodiversiteit door verspreiding en andere ecologische gevolgen;

b)

wanneer onder zodanige omstandigheden wordt gekweekt dat het risico op nadelige gevolgen toeneemt;

c)

wanneer in de betrokken aquacultuurvoorziening levende waterdieren worden verkocht om verder te worden gekweekt of te worden uitgezet;

d)

wanneer de risico’s van de verplaatsing bijgevolg zeer groot zijn (er zijn uitgebreide risicobeperkende maatregelen nodig). Geadviseerd wordt het voorstel af te wijzen tenzij er risicobeperkende maatregelen kunnen worden genomen om het risico terug te brengen tot gering.

Er is sprake van een verplaatsing met middelmatig risico:

a)

wanneer de verplaatsing een middelmatig risico inhoudt op nadelige gevolgen voor de biodiversiteit door verspreiding en andere ecologische gevolgen;

b)

wanneer onder zodanige omstandigheden wordt gekweekt dat het risico op nadelige gevolgen niet noodzakelijk toeneemt, gelet op de soort en de inperkingsomstandigheden;

c)

wanneer de betrokken aquacultuurvoorziening haar producten voornamelijk voor menselijke consumptie verkoopt;

d)

wanneer de risico’s van de verplaatsing bijgevolg middelmatig zijn. Geadviseerd wordt het voorstel af te wijzen tenzij er risicobeperkende maatregelen kunnen worden genomen om het risico terug te brengen tot gering.

Er is sprake van een verplaatsing met gering risico:

a)

wanneer de verplaatsing een gering risico inhoudt op nadelige gevolgen voor de biodiversiteit door verspreiding en andere ecologische gevolgen;

b)

wanneer onder zodanige omstandigheden wordt gekweekt dat het risico op nadelige gevolgen niet toeneemt;

c)

wanneer de betrokken aquacultuurvoorziening haar producten uitsluitend voor menselijke consumptie verkoopt;

d)

wanneer de risico’s van de verplaatsing bijgevolg te verwaarlozen zijn. Geadviseerd wordt het voorstel goed te keuren. Risicobeperkende maatregelen zijn niet nodig.

Het voorstel kan uitsluitend ongewijzigd worden goedgekeurd (zonder risicobeperkende maatregelen) indien het algemene potentiële risico Low wordt geacht en het oordeel over de algemene zekerheid over het algemene potentiële risico Very Certain of Reasonably Certain luidt.

Indien het algemene risico na de eerste analyse wordt aangemerkt als High of Medium, moeten aan het voorstel verspreidings- en risicobeperkende maatregelen worden toegevoegd die aan een verdere risicoanalyse zullen worden toegevoegd totdat het eindoordeel over het algemene potentiële risico Low wordt in combinatie met de beoordeling Very Certain of Reasonably Certain. De beschrijvingen van deze aanvullende maatregelen met gedetailleerde specificaties van de risicoverspreidings- en risicobeperkende maatregelen, vormen daarna een integrerend deel van de risicobeoordeling.

DEEL 2

PROCEDURE VOOR DE BEOORDELING VAN NIET-DOELSOORTEN

Stap 1

Waarschijnlijkheid van vestiging en verspreiding van niet-doelsoorten buiten het beoogde introductiegebied

Gebeurtenis

Waarschijnlijkheid

(H, M, L)

Zekerheid

(VC, RC, RU, VU)

Toelichting (9)

Als gevolg van de introductie of translocatie van een aquatisch organisme wordt een niet-doelsoort geïntroduceerd

 

 

 

De geïntroduceerde niet-doelsoort vindt een mogelijke habitat of gastorganisme

 

 

 

Eindoordeel (10)

 

 

 

Stap 2

Gevolgen van de vestiging en verspreiding van niet-doelsoorten

Gebeurtenis

Waarschijnlijkheid

(H, M, L)

Zekerheid

(VC, RC, RU, VU)

Toelichting (11)

De niet-doelsoort concurreert met of predeert op inheemse populaties, die daardoor uitsterven

 

 

 

Er is sprake van genetische vermenging met plaatselijke populaties die leidt tot verlies aan genetische diversiteit

 

 

 

Andere ongewenste ecologische of pathologische gebeurtenissen

 

 

 

Bepaalde van de genoemde gebeurtenissen blijven zich ook na verwijdering van de niet-doelsoort voordoen

 

 

 

Eindoordeel (12)

 

 

 

Stap 3

Potentieel risico in verband met niet-doelsoorten

Er wordt één enkele waarde toegekend op basis van de beoordelingen in de stappen 1 en 2:

Onderdeel

Potentieel risico

(H, M, L)

Zekerheid

(VC, RC, RU, VU)

Toelichting (13)

Vestiging en verspreiding (stap 1)

 

 

 

Ecologische gevolgen (stap 2)

 

 

 

Eindoordeel (14)

 

 

 

De voorwaarden voor de beoordeling van het potentiële risico in verband met uitheemse soorten (deel 1) zijn van overeenkomstige toepassing op het potentiële risico in verband met niet-doelsoorten (deel 2), inclusief de verplichting om verspreidings- en risicobeperkende maatregelen te nemen.

DEEL 3

ALGEMENE MILIEURISICOBEOORDELING — BEKNOPT VERSLAG

Voorgeschiedenis, achtergrond en redenen van het verzoek

Beknopte informatie risicobeoordeling

Samenvatting van de beoordeling van het ecologische en genetische risico

Samenvatting van de beoordeling van de risico’s in verband met niet-doelsoorten

Opmerkingen

Risicobeperkende maatregelen

Conclusie over het totale potentiële risico in verband met het organisme

Advies aan de bevoegde autoriteit


(1)  H = High/Groot, M = Medium/Middelmatig, L = Low/Gering.

(2)  VC = Very certain/Zeer zeker, RC = Reasonably certain/Redelijk zeker, RU = Reasonably uncertain/Redelijk onzeker, VU = Very uncertain/Zeer onzeker.

(3)  De beoordelaar wordt voor nadere richtsnoeren verwezen naar de aanhangsels A en B van de ICES-Gedragscode.

(4)  Het eindoordeel voor de waarschijnlijkheid van vestiging en verspreiding wordt bepaald door de waarde van het element met de laagste beoordeling (bijvoorbeeld, een High en Low in bovenstaande tabel leiden tot het eindoordeel Low). Pas wanneer beide gebeurtenissen waarschijnlijk zijn — de organismen koloniseren met succes het beoogde introductiegebied en handhaven er een populatie (hetzij een gesloten milieu zoals een aquacultuurvoorziening of een natuurlijke habitat) en de organismen verspreiden zich buiten het beoogde introductiegebied — is er sprake van een vestiging buiten het beoogde introductiegebied.

Het eindoordeel voor de zekerheid wordt bepaald door de waarde van het element met de geringste zekerheid (bijvoorbeeld, Very Certain en Reasonably Certain leiden tot het eindoordeel Reasonably Certain). Bij het bepalen van het eindoordeel dient rekening te worden gehouden met de schadelijkheid van vestiging en verspreiding, en met de risico-batenratio.

(5)  De beoordelaar wordt voor nadere richtsnoeren verwezen naar de aanhangsels A en B van de ICES-Gedragscode.

(6)  Het eindoordeel voor de gevolgen van vestiging en verspreiding wordt bepaald door de waarde van het element (individuele waarschijnlijkheid) met de grootste waarschijnlijkheid en dat voor zekerheid wordt bepaald door de waarde van het element met de geringste zekerheid.

(7)  De beoordelaar wordt voor nadere richtsnoeren verwezen naar de aanhangsels A en B van de ICES-Gedragscode.

(8)  Het eindoordeel over het potentiële risico wordt bepaald door de waarde van het meest waarschijnlijke van de twee elementen mits er geen sprake is van een toename van de waarschijnlijkheid (bijvoorbeeld: indien het risico op vestiging en verspreiding groot is, en het risico op ecologische gevolgen middelmatig, wordt in het eindoordeel de hoogste van de twee waarden genomen, d.w.z. High). Indien de waarschijnlijkheid toeneemt (bijvoorbeeld een combinatie van High en Low) dan luidt het eindoordeel: Medium.

(9)  De beoordelaar wordt voor nadere richtsnoeren verwezen naar de aanhangsels A en B van de ICES-Gedragscode.

(10)  Het eindoordeel voor de waarschijnlijkheid wordt bepaald door de waarde van het element met het geringste risico en dat voor zekerheid wordt bepaald door de waarde van het element met de geringste zekerheid.

(11)  De beoordelaar wordt voor nadere richtsnoeren verwezen naar de aanhangsels A en B van de ICES-Gedragscode.

(12)  Het eindoordeel voor de gevolgen wordt bepaald door de waarde van het element met het grootste risico en dat voor zekerheid wordt bepaald door de waarde van het element met de geringste zekerheid.

(13)  De beoordelaar wordt voor nadere richtsnoeren verwezen naar de aanhangsels A en B van de ICES-Gedragscode.

(14)  Het eindoordeel voor het potentiële risico wordt bepaald door de waarde van het element met het geringste risico en dat voor zekerheid wordt bepaald door de waarde van het element met de geringste zekerheid.


BIJLAGE III

Quarantaine

Quarantaine is een methode waarbij levende dieren of planten en eventuele daarmee samenhorende organismen in volledige afzondering van hun omgeving worden gehouden om nadelige gevolgen voor wilde en gekweekte soorten en ongewenste veranderingen in natuurlijke ecosystemen te voorkomen.

Uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten moeten lang genoeg in quarantaine worden gehouden om alle niet-doelsoorten op te sporen en om met zekerheid vast te stellen dat de organismen geen ziekteverwekkers of ziekten dragen. De voorziening daarvoor moet voldoen aan de specificaties van de bevoegde autoriteit in de lidstaat van vestiging, die tevens goedkeuring daarvoor moet verlenen. De duur van de quarantaine moet op de vergunning worden vermeld. Indien de voorziening niet in de ontvangende lidstaat is gevestigd, moeten het voor de voorziening bevoegde raadgevende comité en het raadgevende comité van de ontvangende lidstaat in onderling overleg de duur vaststellen.

Exploitanten moeten quarantainevoorzieningen beheren volgens de hieronder beschreven voorwaarden. Bovendien moet de exploitant beschikken over een kwaliteitsborgingprogramma en een handboek.

Voor de toepassing van deze bijlage moeten, indien de aanvraag betrekking heeft op een translocatie in plaats van een introductie, de termen „introductie” en „introduceren” worden gelezen als „translocatie” en „transloceren”.

Verwijdering van effluenten en afvalstoffen

Alle effluenten en afvalstoffen die de voorziening voortbrengt moeten zodanig worden behandeld dat alle mogelijke doelsoorten en daarmee samenhorende organismen doeltreffend worden vernietigd. Om een continue werking en een volledige inperking te waarborgen, moeten de systemen voor de behandeling van effluenten worden uitgerust met volledig betrouwbare veiligheidssystemen.

Behandelde effluenten en afvalstoffen kunnen stoffen bevatten die schadelijk zijn voor het milieu (bv. aangroeiwerende stoffen) en moeten zodanig worden verwijderd dat de gevolgen voor het milieu worden geminimaliseerd.

Het behandelen van effluenten en vaste afvalstoffen moet tot in de details worden voorbereid; de taakverdeling en het tijdschema moeten worden vastgelegd. Het systeem moet onder toezicht blijven om een doeltreffend functioneren te waarborgen en eventuele gebreken zo spoedig mogelijk op te sporen.

Fysieke scheiding

De organismen die zijn overgeplaatst, moeten van andere organismen worden gescheiden om te garanderen dat zij zich niet verspreiden. Dit geldt niet voor indicatorsoorten die speciaal worden toegevoegd om de invloed van de geïntroduceerde organismen te testen. De toegang van vogels of andere dieren, ziekteverwekkers en vervuilende stoffen moet worden voorkomen.

Personeel

Uitsluitend opgeleid bevoegd personeel mag toegang krijgen tot de voorziening. Schoenen, handen en alle in de voorziening gebruikte materialen moeten worden ontsmet (zie onder) alvorens de personeelsleden de voorziening verlaten.

Apparatuur

Na ontvangst moeten organismen van alle levensstadia, tanks, water, vervoerscontainers en apparatuur die met de geïntroduceerde soorten in contact zijn geweest, inclusief de transportmiddelen, zo worden behandeld dat er geen organismen van de doelsoort of van de daarmee samenhorende niet-doelsoort uit de voorziening kunnen ontsnappen. Alle vervoermiddelen en verpakkingsmateriaal moeten worden gedesinfecteerd of, indien toegestaan, verbrand.

Sterfte en verwijdering

Dagelijks moeten alle sterfgevallen worden geregistreerd en deze gegevens moeten voor inspectie door de bevoegde autoriteit beschikbaar blijven. Alle dode exemplaren moeten binnen de voorziening blijven. Het is niet toegestaan dode exemplaren, weefsel of schelpen te verwijderen zonder een erkende behandeling om volledige desinfectie te garanderen. Hittebehandeling in bijvoorbeeld een autoclaaf of door chemische sterilisatie is toegestaan.

Sterfgevallen moeten worden gemeld aan de bevoegde autoriteit en de lidstaten moeten de doodsoorzaak tijdig onderzoeken. Dode exemplaren moeten worden opgeslagen, vervoerd en verwijderd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (1).

Inspectie en tests

Er moeten regelmatig inspecties plaatsvinden op niet-doelsoorten. Indien dergelijke soorten of een voorheen niet ontdekte ziekte of parasiet in een organisme worden ontdekt, moeten maatregelen worden getroffen om de situatie te beheersen. Dit kan betekenen dat de organismen worden vernietigd en dat de voorziening wordt gedesinfecteerd.

Duur

De vereiste duur van de quarantaine varieert naargelang van het betrokken organisme, de seizoensgebondenheid van betrokken niet-doelsoorten en de kweekomstandigheden.

Registratie

Quarantainevoorzieningen moeten de volgende gegevens nauwkeurig registreren:

tijden van binnenkomst/vertrek van het personeel;

aantal dode exemplaren en methode van opslag of verwijdering;

behandeling van binnenkomend water en van effluenten;

aan experts overhandigde monsters voor tests op niet-doelsoorten;

iedere abnormale omstandigheid met gevolgen voor de quarantaine (stroomonderbrekingen, schade aan gebouwen, ernstige weersomstandigheden enz.).

Desinfectie

Desinfectie houdt in dat er lang genoeg voldoende geconcentreerde desinfecterende middelen worden gebruikt om schadelijke organismen te doden. De te gebruiken desinfecterende middelen en de concentraties daarvan voor quarantainedoeleinden moeten een volledige ontsmetting van zeewater en zoet water garanderen. Bij routinematige desinfectie van de voorziening moeten dezelfde concentraties worden gebruikt. Aanbevolen wordt alle desinfecterende stoffen te neutraliseren alvorens deze in het milieu te brengen en installaties met zeewater moeten residuele oxidanten die tijdens chemische desinfectie zijn ontstaan, behandelen. In noodgevallen, bijvoorbeeld wanneer er een geïmporteerde parasiet of ziekteverwekker wordt ontdekt, moeten er voldoende desinfecterende stoffen beschikbaar zijn om de gehele voorziening te kunnen behandelen.


(1)  PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2007/2006 van de Commissie (PB L 379 van 28.12.2006, blz. 98).


BIJLAGE IV

Lijst van soorten als bedoeld in artikel 2, lid 5,

 

Regenboogforel, Oncorhynchus mykiss

 

Bronforel, Salvelinus fontinalis

 

Karper, Cyprinus carpio

 

Graskarper, Ctenopharyntgodon idella

 

Zilverkarper, Hypophthalmichthys molitrix

 

Grootkopkarper, Aristichtys nobilis

 

Japanse oester, Crassostrea gigas

 

Japanse tapijtschelp, Ruditapes philippinarum

 

Forelbaars, Micropterus salmoides

 

Riddervis, Salvelinus alpinus


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Raad

28.6.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 168/18


BESCHIKKING VAN DE RAAD

van 25 juni 2007

tot oprichting van het Europees Fonds voor de integratie van onderdanen van derde landen voor de periode 2007-2013 als onderdeel van het algemeen programma „Solidariteit en beheer van de migratiestromen”

(2007/435/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 63, punt 3, onder a),

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Gezien het advies van het Europees Parlement (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht voorziet het Verdrag in de aanneming, enerzijds, van maatregelen die erop gericht zijn het vrije verkeer van personen te waarborgen, in samenhang met begeleidende maatregelen met betrekking tot controles aan de buitengrenzen, asiel en immigratie, en, anderzijds, van maatregelen op het gebied van asiel, immigratie en de vrijwaring van de rechten van onderdanen van derde landen.

(2)

De Europese Raad heeft tijdens zijn speciale bijeenkomst in Tampere van 15 en 16 oktober 1999 verklaard dat de Europese Unie moet zorgen voor een eerlijke behandeling van onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van haar lidstaten verblijven. Een krachtiger integratiebeleid moet erop gericht zijn hun rechten en verplichtingen te geven die vergelijkbaar zijn met die van de EU-burgers. Het moet tevens de non-discriminatie in het economische, sociale en culturele leven stimuleren en maatregelen tegen racisme en vreemdelingenhaat ontwikkelen.

(3)

De integratie van onderdanen van derde landen in de lidstaten is een wezenlijk onderdeel van de bevordering van economische en sociale samenhang — door het Verdrag aangemerkt als één van de fundamentele doelen van de Gemeenschap. Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap moet het Europees Fonds voor de integratie van onderdanen van derde landen (hierna „het Fonds” genoemd) evenwel, wat de medefinanciering van concrete acties ter ondersteuning van het integratieproces betreft, in de eerste plaats op nieuwkomers uit derde landen worden gericht.

(4)

In het zogeheten Haags Programma van 4 en 5 november 2004 benadrukt de Europese Raad dat het voor het bereiken van het doel van stabiliteit en cohesie in de samenlevingen van de lidstaten van wezenlijk belang is doelmatig beleid te ontwikkelen. De Europese Raad onderstreept de noodzaak van een betere coördinatie van het nationale integratiebeleid op basis van een gemeenschappelijk kader en verzoekt de lidstaten, de Raad en de Commissie de structurele uitwisseling van ervaringen met en informatie over integratie te bevorderen.

(5)

Overeenkomstig de in het Haags Programma gestelde vraag hebben de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten op 19 november 2004„gemeenschappelijke basisbeginselen voor het beleid inzake de integratie van immigranten in de Europese Unie” (hierna „de gemeenschappelijke basisbeginselen” genoemd) vastgesteld. De gemeenschappelijke basisbeginselen hebben tot doel de lidstaten te helpen bij het formuleren van een integratiebeleid door hun een doordachte leidraad met basisbeginselen aan te reiken waartegen zij hun eigen inspanningen kunnen afwegen en beoordelen.

(6)

De gemeenschappelijke basisbeginselen zijn complementair en in volledige synergie met de communautaire wetgevingsinstrumenten inzake de toelating en het verblijf van legaal in de Europese Unie verblijvende onderdanen van derde landen op het punt van gezinshereniging en langdurig ingezetenen, en andere toepasselijke wetgevingskaders, met inbegrip van die betreffende gendergelijkheid, non-discriminatie en sociale integratie.

(7)

In de conclusies van de Raad over een gemeenschappelijke agenda voor integratie van 1 en 2 december 2005 wordt herinnerd aan de mededeling van de Commissie van 1 september 2005„Een gemeenschappelijke agenda voor integratie: Kader voor de integratie van onderdanen van derde landen in de Europese Unie”, wordt onderstreept dat het integratiebeleid van de lidstaten moet worden geïntensiveerd en wordt het belang erkend van de totstandbrenging van een kader op Europees niveau voor de integratie van legaal in de Europese Unie verblijvende onderdanen van derde landen in de samenleving in al haar facetten, met name concrete maatregelen voor de toepassing van de gemeenschappelijke basisbeginselen.

(8)

Wanneer een individuele lidstaat geen succesvol integratiebeleid uitstippelt en ontwikkelt, kan zulks in verschillende opzichten nadelige gevolgen hebben voor andere lidstaten en de Europese Unie.

(9)

Ter ondersteuning van programmering op het gebied van integratie heeft de begrotingsautoriteit in de algemene begroting van de Europese Unie voor de jaren 2003 tot en met 2006 specifieke kredieten opgenomen waarmee proefprojecten en voorbereidende acties op dat gebied kunnen worden gefinancierd (hierna „INTI” genoemd).

(10)

Met het oog op INTI en gezien de mededelingen van de Commissie inzake immigratie, integratie en werkgelegenheid en het eerste jaarverslag over migratie en integratie, wordt het noodzakelijk geacht om de Gemeenschap vanaf 2007 de beschikking te geven over een specifiek instrument waarmee kan worden bijgedragen aan de nationale inspanningen van de lidstaten inzake ontwikkeling en uitvoering van integratiebeleidsmaatregelen om onderdanen van derde landen met een andere culturele, religieuze, taal- en etnische achtergrond in de gelegenheid te stellen te voldoen aan de voorwaarden voor verblijf en hun integratie in Europese samenlevingen te vergemakkelijken, in overeenstemming met de gemeenschappelijke basisbeginselen en in aanvulling op de werking van het Europees Sociaal Fonds (ESF).

(11)

Om voor een samenhangende aanpak van de integratie van onderdanen van derde landen door de Gemeenschap te zorgen, moeten acties die uit deze beschikking worden gefinancierd ten opzichte van acties die uit het ESF en het Europees Vluchtelingenfonds worden gefinancierd, een specifiek karakter hebben en een aanvulling daarop vormen. Daartoe zullen bijzondere coördinatiemechanismen voor de programmering worden ontwikkeld die een dergelijke samenhangende aanpak moeten waarborgen.

(12)

Aangezien dit Fonds en het ESF gezamenlijk met de lidstaten worden beheerd, moeten ook op nationaal vlak regelingen worden getroffen om een samenhangende uitvoering te verzekeren. Met het oog daarop dient te worden bepaald dat de voor de uitvoering van dit Fonds verantwoordelijke autoriteiten van de lidstaten mechanismen instellen voor samenwerking en coördinatie met de autoriteiten die door de lidstaten zijn aangewezen om de uitvoering van het ESF en het Europees Vluchtelingenfonds te beheren, en erop toezien dat acties die uit dit instrument worden gefinancierd ten opzichte van acties die uit het ESF en het Europees Vluchtelingenfonds worden gefinancierd, een specifiek karakter hebben en een aanvulling daarop vormen.

(13)

Deze beschikking moet, wat de medefinanciering van concrete acties ter ondersteuning van het integratieproces van onderdanen van derde landen in de lidstaten betreft, in de eerste plaats worden gericht op acties met betrekking tot nieuwkomers uit derde landen. Hierbij kan worden verwezen naar Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (4) waarin de periode van vijf jaar legaal verblijf als eis wordt gesteld waaraan onderdanen van derde landen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de status van langdurig ingezetene.

(14)

Dit Fonds moet de lidstaten ook ondersteunen bij de vergroting van hun capaciteit om in het algemeen alle strategieën, beleidsvormen en maatregelen voor de integratie van onderdanen van derde landen te ontwikkelen, uit te voeren, te monitoren en te evalueren, alsook de uitwisseling van informatie, beste praktijken en samenwerking in en tussen de lidstaten in dat verband.

(15)

Deze beschikking maakt deel uit van een coherent kader, bestaande onder meer uit Beschikking nr. 573/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 mei 2007 tot instelling van het Europees Vluchtelingenfonds voor de periode 2008-2013 als onderdeel van het algemeen programma „Solidariteit en beheer van de migratiestromen” en tot intrekking van Beschikking 2004/904/EG van de Raad (5), Beschikking nr. 574/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 mei 2007 tot instelling van het Buitengrenzenfonds voor de periode 2007-2013 als onderdeel van het algemeen programma „Solidariteit en beheer van de migratiestromen” (6) en Beschikking nr. 575/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 mei 2007 tot oprichting van het Europees Terugkeerfonds voor de periode 2008-2013 als onderdeel van het algemeen programma „Solidariteit en beheer van de migratiestromen” (7), dat gericht is op een eerlijke verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de lidstaten, met name de financiële lasten die voortvloeien uit de invoering van een geïntegreerd beheer van de buitengrenzen van de Unie en uit het gemeenschappelijke asiel- en immigratiebeleid dat is ontwikkeld overeenkomstig titel IV van deel 3 van het Verdrag.

(16)

De bijstandsverlening uit het Fonds zal doelmatiger en doelgerichter zijn als de medefinanciering van subsidiabele acties steunt op strategische meerjarenprogrammering die elke lidstaat in samenspraak met de Commissie opstelt.

(17)

Op basis van strategische richtsnoeren die door de Commissie worden vastgesteld, dienen de lidstaten, uitgaande van de bestaande situatie en behoeften, een meerjarig programmeringsdocument met een ontwikkelingsstrategie op te stellen dat het kader moet vormen voor de uitvoering van de maatregelen die in de jaarprogramma's zullen worden genoemd.

(18)

In het kader van het gedeelde beheer zoals bedoeld in artikel 53, lid 1, onder b), van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (8) (hierna „het Financieel Reglement” genoemd), moeten de voorwaarden waaronder de Commissie haar verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de begroting kan uitoefenen, worden vastgesteld en de samenwerkingsverplichtingen van de lidstaten worden verduidelijkt. Door deze voorwaarden toe te passen kan de Commissie zich ervan vergewissen dat de lidstaten het Fonds op een wettige en correcte manier gebruiken volgens het beginsel van goed financieel beheer in de zin van artikel 27 en artikel 48, lid 2, van het Financieel Reglement.

(19)

Er moeten objectieve criteria worden vastgesteld voor de toewijzing van de jaarlijks beschikbare middelen aan de lidstaten. Deze dienen het totale aantal legaal in een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen en het totale aantal tijdens een referentieperiode nieuw toegelaten onderdanen van derde landen te omvatten.

(20)

De lidstaten dienen de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat het beheers- en controlesysteem en de uitvoeringskwaliteit goed werken. Daartoe moet worden vastgesteld welke algemene beginselen en functies in alle programma's terug te vinden moeten zijn.

(21)

Overeenkomstig het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel zijn in de eerste plaats de lidstaten verantwoordelijk voor de uitvoering van en de controle op de bijstandsverlening uit het Fonds.

(22)

De verplichtingen van de lidstaten op het gebied van de beheers- en controlesystemen, de certificering van de uitgaven en de preventie, opsporing en correctie van onregelmatigheden en inbreuken op het Gemeenschapsrecht moeten nader worden uitgewerkt om ervoor te zorgen dat de meerjaren- en de jaarprogramma's efficiënt en correct worden uitgevoerd. Voor het beheer en de controle moet worden vastgesteld op welke manier de lidstaten ervoor zorgen dat de systemen worden ingevoerd en naar tevredenheid werken.

(23)

Onverminderd de bevoegdheden van de Commissie inzake financiële controle dient de samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten op dit gebied te worden aangemoedigd.

(24)

De doeltreffendheid en het effect van de acties die met geld uit het Fonds worden ondersteund, hangen mede af van de evaluatie en de verspreiding van de resultaten. Er moet formeel worden geregeld welke verantwoordelijkheden de lidstaten en de Commissie op dit gebied hebben, en hoe de betrouwbaarheid van de evaluaties en de kwaliteit van de desbetreffende informatie worden gewaarborgd.

(25)

De acties dienen te worden geëvalueerd met het oog op de tussentijdse herziening en effectbeoordeling, en in de regelingen voor het volgen van projecten dient evaluatie een vast onderdeel te zijn.

(26)

Het belang van de zichtbaarheid van de financiering door de Gemeenschap indachtig, dient de Commissie richtsnoeren te verstrekken om te bevorderen dat autoriteiten, niet-gouvernementele organisaties, internationale organisaties en andere entiteiten die een subsidie uit dit Fonds krijgen, de ontvangen steun terdege erkennen, rekening houdend met de praktijk voor andere instrumenten in het kader van gezamenlijk beheer, zoals de Structuurfondsen.

(27)

In deze beschikking is voor de volledige looptijd van het programma een financieel referentiebedrag in de zin van punt 38 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (9) opgenomen, zonder dat hiermee afbreuk wordt gedaan aan de bevoegdheden van de begrotingsautoriteit zoals omschreven in het Verdrag.

(28)

Aangezien de doelstelling van deze beschikking, namelijk het bevorderen van de integratie van onderdanen van derde landen in de ontvangende samenlevingen van de lidstaten overeenkomstig de gemeenschappelijke basisbeginselen, onvoldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve, wegens de omvang en de gevolgen van het optreden, beter op communautair niveau kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in dat artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel reikt deze beschikking niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(29)

De maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van deze beschikking moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (10).

(30)

Voor een tijdige uitvoering van het Fonds dient deze beschikking met ingang van 1 januari 2007 van toepassing te zijn.

(31)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming van deze beschikking, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in Denemarken.

(32)

Overeenkomstig artikel 3 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, heeft Ierland bij brief van 6 september 2005 kennis gegeven van zijn wens deel te nemen aan de aanneming en toepassing van deze beschikking.

(33)

Overeenkomstig artikel 3 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, heeft het Verenigd Koninkrijk bij brief van 27 oktober 2005 kennis gegeven van zijn wens deel te nemen aan de aanneming en toepassing van deze beschikking,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP, DOELSTELLINGEN EN ACTIES

Artikel 1

Onderwerp en werkingssfeer

1.   Om bij te dragen tot de versterking van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht en tot de toepassing van het beginsel van solidariteit tussen de lidstaten, wordt bij deze beschikking voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013 het Europees Fonds voor de integratie van onderdanen van derde landen, hierna „het Fonds” genoemd, opgericht, als onderdeel van een coherent kader dat ook Beschikking nr. 573/2007/EG, Beschikking nr. 574/2007/EG en Beschikking nr. 575/2007/EG omvat.

Bij deze beschikking wordt vastgesteld welke doelstellingen het Fonds nastreeft, hoe uitvoering wordt gegeven aan het Fonds, welke financiële middelen beschikbaar zijn en volgens welke criteria deze verdeeld worden.

Daarnaast worden de regels voor het beheer van het Fonds, ook op financieel gebied, en de toezicht- en controlemechanismen vastgesteld, uitgaande van gedeelde taken van de Commissie en de lidstaten.

2.   Onderdanen van derde landen die zich op het grondgebied van een derde land bevinden en die voldoen aan specifieke maatregelen en/of voorwaarden vóór het vertrek uit het land van herkomst van de nationale wetgeving, onder andere wat betreft het vermogen om zich in de samenleving van de lidstaat te integreren, vallen onder deze beschikking.

3.   Onderdanen van een derde land die een asielverzoek hebben ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is genomen, de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus hebben of daarvoor in aanmerking komen overeenkomstig Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft en de inhoud van de verleende bescherming (11), vallen niet onder deze beschikking.

4.   Onder „onderdaan van een derde land” wordt verstaan eenieder die geen burger van de Unie is in de zin van artikel 17, lid 1, van het Verdrag.

Artikel 2

Algemene doelstelling van het Fonds

1.   De algemene doelstelling van het Fonds is ondersteuning van de inspanningen van de lidstaten om onderdanen van derde landen met een andere economische, sociale, culturele, religieuze, taal- of etnische achtergrond in de gelegenheid te stellen te voldoen aan de voorwaarden voor verblijf en hun integratie in de Europese samenleving te vergemakkelijken.

Het Fonds zal zich voornamelijk richten op maatregelen met betrekking tot de integratie van nieuwkomers uit derde landen.

2.   Met het oog op de verwezenlijking van de in lid 1 vermelde doelstelling draagt het Fonds bij tot de ontwikkeling en uitvoering van nationale strategieën voor de integratie van onderdanen van derde landen in alle aspecten van de samenleving, met name uitgaande van het beginsel dat integratie een dynamisch bilateraal proces is waarbij alle immigranten en ingezetenen van de lidstaten zich aan elkaar moeten aanpassen.

3.   Het Fonds draagt bij aan de financiering van technische bijstand die wordt verleend op initiatief van de lidstaten of de Commissie.

Artikel 3

Specifieke doelstellingen

Het Fonds draagt bij tot de verwezenlijking van de volgende specifieke doelstellingen:

a)

vergemakkelijking van de uitwerking en toepassing van toelatingsprocedures die relevant zijn voor het integratieproces van onderdanen van derde landen, en dit ondersteunen;

b)

ontwikkeling en uitvoering van het integratieproces van nieuwkomers uit derde landen in de lidstaten;

c)

vergroting van de capaciteit van de lidstaten om beleid en maatregelen voor de integratie van onderdanen van derde landen te ontwikkelen, uit te voeren, te monitoren en te evalueren;

d)

uitwisseling van informatie en beste praktijken, en samenwerking in en tussen de lidstaten bij de ontwikkeling, uitvoering, monitoring en evaluatie van beleid en maatregelen voor de integratie van onderdanen van derde landen.

Artikel 4

Subsidiabele acties in de lidstaten

1.   Met het oog op het in artikel 3, onder a), gestelde doel wordt uit het Fonds bijstand verleend voor acties in de lidstaten die gericht zijn op:

a)

faciliteren van de ontwikkeling en toepassing door de lidstaten van toelatingsprocedures, onder meer door bijstandsverlening voor raadpleging van belanghebbenden, inwinnen van deskundig advies en uitwisseling van informatie over benaderingen gericht op specifieke nationaliteiten of categorieën onderdanen van derde landen;

b)

het effectiever toepasbaar en toegankelijker maken van toelatingsprocedures voor onderdanen van derde landen, onder meer door gebruikmaking van gebruikersvriendelijke informatie- en communicatietechnologie, voorlichtingscampagnes en selectieprocedures;

c)

betere voorbereiding van onderdanen van derde landen op hun integratie in de samenleving van het gastland, middels bijstandsverlening voor maatregelen vóór het vertrek uit het thuisland, waarbij hen de kennis en vaardigheden worden bijgebracht die nodig zijn voor hun integratie, zoals beroepsopleiding, verstrekking van informatiepakketten, alomvattende inburgeringscursussen en taalonderwijs in het land van herkomst.

2.   Met het oog op het in artikel 3, onder b), gestelde doel wordt uit het Fonds bijstand verleend voor acties in de lidstaten die gericht zijn op:

a)

het opzetten van programma's en activiteiten om nieuwkomers uit derde landen vertrouwd te maken met de samenleving in het gastland en hen basiskennis bij te brengen van de taal, de geschiedenis, de instellingen, de sociaal-economische kenmerken, het culturele landschap en de fundamentele normen en waarden van het gastland, en het aanvullen van dergelijke bestaande programma's en activiteiten;

b)

het opzetten van en verbeteren van de kwaliteit van dergelijke programma's en -activiteiten op lokaal en regionaal niveau, met bijzondere nadruk op inburgering;

c)

het vergroten van het vermogen van dergelijke programma's en activiteiten om specifieke groepen te bereiken, zoals personen die afhankelijk zijn van personen voor wie een toelatingsprocedure loopt, kinderen, vrouwen, ouderen, analfabeten of personen met een handicap;

d)

het flexibeler maken van dergelijke programma's en activiteiten, in het bijzonder door middel van het aanbieden van deeltijdopleidingen, snelcursussen, afstandsonderwijs, e-learning en dergelijke, waardoor onderdanen van derde landen een programma of een activiteit kunnen voltooien terwijl ze werken of studeren;

e)

het opzetten en uitvoeren van dergelijke programma's en activiteiten toegespitst op jonge onderdanen van derde landen, met specifieke sociale en culturele problemen samenhangend met identiteitsvraagstukken;

f)

het opzetten van dergelijke programma's of activiteiten om de toelating van hooggekwalificeerde en gekwalificeerde onderdanen van derde landen aan te moedigen en hun integratieproces te ondersteunen.

3.   Met het oog op de in artikel 3, onder c) en d), vermelde doelstellingen wordt uit het Fonds bijstand verleend voor acties in en tussen de lidstaten die gericht zijn op:

a)

het voor onderdanen van derde landen toegankelijker maken van openbare en particuliere goederen en diensten, door middel van bijvoorbeeld bemiddelingsdiensten, tolk- en vertaaldiensten, en door verbetering van de interculturele vaardigheden van personeel;

b)

het opzetten van duurzame organisatiestructuren voor integratie- en diversiteitsmanagement, het bevorderen van blijvende en duurzame participatie aan het civiele en culturele leven en het ontwikkelen van vormen van samenwerking tussen de verschillende belanghebbenden, waardoor ambtenaren op verschillende niveaus snel informatie kunnen inwinnen over ervaringen en werkmethoden van anderen en zo mogelijk krachten en middelen kunnen bundelen;

c)

het ontwikkelen en implementeren van interculturele opleidingen, capaciteitsopbouw en diversiteitsmanagement, opleiding van het personeel van openbare en particuliere dienstverrichters, met inbegrip van onderwijsinstellingen;

d)

het vergroten van de capaciteit om nationale integratiestrategieën voor onderdanen van derde landen te coördineren, uit te voeren, te monitoren en te evalueren op alle bestuurlijke niveaus en bij alle overheidsdiensten;

e)

het helpen evalueren van toelatingsprocedures of programma's en activiteiten bedoeld in lid 2, door middel van ondersteuning van representatieve enquêtes bij onderdanen van derde landen die aan een programma hebben deelgenomen, en/of bij belanghebbenden, zoals ondernemingen, niet-gouvernementele organisaties en regionale of plaatselijke overheden;

f)

het opzetten van programma's om, door middel van contact met platforms voor raadpleging van onderdanen van derde landen en informatie-uitwisseling tussen belanghebbenden door peilingen bij migrantengemeenschappen informatie te vergaren, en vervolgens te analyseren, over de behoeften die bij de verschillende categorieën onderdanen van derde landen op lokaal of regionaal niveau aanwezig zijn en over de manier waarop in deze behoeften het best kan worden voorzien;

g)

het bijdragen aan het bilaterale proces dat ten grondslag ligt aan het integratiebeleid door de ontwikkeling van platforms voor raadpleging van onderdanen van derde landen, de uitwisseling van informatie tussen belanghebbenden en interculturele gespreksplatforms en gespreksplatforms tussen geloofsgemeenschappen en/of tussen gemeenschappen en de autoriteiten die het beleid en de besluitvorming bepalen;

h)

het ontwikkelen van indicatoren en maatstaven om resultaten en vorderingen op nationale schaal te meten;

i)

het ontwikkelen van kwalitatief hoogstaande monitoringsinstrumenten en beoordelingssystemen voor integratiebeleid en -maatregelen;

j)

het vergroten van de acceptatie van migratie in de ontvangende samenlevingen en van de acceptatie van integratiemaatregelen door middel van bewustmakingscampagnes, met name in de media.

Artikel 5

Communautaire acties

1.   Op initiatief van de Commissie kan maximaal 7 % van de voor het Fonds beschikbare middelen worden gebruikt ter financiering van transnationale acties of acties van communautair belang, hierna „communautaire acties” genoemd, met betrekking tot immigratie- en integratiebeleid.

2.   Om voor bijstand uit het Fonds in aanmerking te komen, moeten communautaire acties met name gericht zijn op:

a)

het bevorderen van communautaire samenwerking bij de toepassing van communautaire wetgeving en goede praktijken op het gebied van immigratie, en van goede praktijken op het gebied van integratie;

b)

het steunen van het opzetten van transnationale samenwerkingsnetwerken en proefprojecten op basis van transnationale partnerschappen tussen instanties van twee of meer lidstaten, die gericht zijn op innovatie, uitwisseling van ervaringen en goede praktijken, en verbetering van de kwaliteit van integratiebeleid;

c)

het steunen van transnationale bewustmakingscampagnes;

d)

het steunen van studies en van de verspreiding en uitwisseling van informatie over beste praktijken en over alle andere aspecten van het immigratie- en integratiebeleid, onder meer over het gebruik van de modernste technologie;

e)

het steunen van proefprojecten en studies waarin wordt gezocht naar nieuwe vormen van communautaire samenwerking op het gebied van immigratie en integratie en van Gemeenschapsrecht op het gebied van immigratie;

f)

het ondersteunen van de ontwikkeling en toepassing door de lidstaten van gemeenschappelijke statistische hulpmiddelen, methoden en indicatoren voor het meten van beleidsontwikkelingen op het gebied van immigratie en integratie.

3.   Het jaarlijkse werkprogramma met de prioriteiten voor de communautaire acties wordt vastgesteld volgens de in artikel 52, lid 2, bedoelde procedure.

HOOFDSTUK II

BIJSTANDSBEGINSELEN

Artikel 6

Complementariteit, samenhang en conformiteit

1.   De bijstand uit het Fonds dient als aanvulling op nationale, regionale en plaatselijke acties waarin de prioriteiten van de Gemeenschap zijn overgenomen.

In het bijzonder moeten — om voor een samenhangende aanpak van de integratie van onderdanen van derde landen door de Gemeenschap te zorgen — acties die uit dit Fonds worden gefinancierd, een specifiek karakter hebben ten opzichte van, en complementair zijn aan acties die uit het Europees Sociaal Fonds en het Europees Vluchtelingenfonds worden gefinancierd.

2.   De Commissie en de lidstaten zorgen ervoor dat de bijstand uit het Fonds en van de lidstaten aansluit bij de activiteiten, beleidslijnen en prioriteiten van de Gemeenschap. Deze samenhang moet duidelijk tot uiting komen in het in artikel 16 bedoelde meerjarenprogramma.

3.   Uit het Fonds gefinancierde acties moeten in overeenstemming zijn met het Verdrag en met alle krachtens het Verdrag vastgestelde besluiten.

Artikel 7

Programmering

1.   De doelstellingen van het Fonds worden nagestreefd in het kader van het meerjarige programmeringsperiode (2007-2013), die tussentijds wordt herzien overeenkomstig artikel 20. Dit meerjarige programmeringssysteem omvat de prioriteiten en een beheers-, besluitvormings-, audit- en certificeringsproces.

2.   De door de Commissie goedgekeurde meerjarenprogramma's worden uitgevoerd door middel van jaarlijkse programma's.

Artikel 8

Subsidiaire en evenredige bijstandsverlening

1.   De lidstaten zijn, op het passende territoriale niveau en in overeenstemming met hun eigen specifieke institutionele stelsels, verantwoordelijk voor de uitvoering van de in de artikelen 17 en 19 bedoelde meerjaren- en jaarprogramma's. Deze verantwoordelijkheid wordt uitgeoefend in overeenstemming met deze beschikking.

2.   De middelen die door de Commissie en de lidstaten worden ingezet op het gebied van audit, variëren naar gelang van de omvang van de bijdrage van de Gemeenschap. Hetzelfde beginsel is van toepassing op de evaluatievoorschriften en de verslagen over de meerjaren- en de jaarprogramma's.

Artikel 9

Uitvoering

1.   De communautaire begroting van het Fonds wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 53, lid 1, onder b), van het Financieel Reglement, met uitzondering van de in artikel 5 bedoelde communautaire acties en de in artikel 14 bedoelde technische bijstand. De lidstaten en de Commissie zorgen ervoor dat het beginsel van goed financieel beheer wordt nageleefd.

2.   De Commissie oefent haar verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie uit door:

a)

te controleren of er in de lidstaten beheers- en controlesystemen bestaan die goed functioneren, overeenkomstig de procedures in artikel 30;

b)

de betalingen overeenkomstig de artikelen 39 en 40 geheel of gedeeltelijk uit te stellen of op te schorten indien de nationale beheers- en controlesystemen niet naar behoren functioneren en door de nodige financiële correcties toe te passen volgens de procedures van de artikelen 43 en 44.

Artikel 10

Partnerschap

1.   Elke lidstaat organiseert overeenkomstig de nationale voorschriften en praktijken een partnerschap met de autoriteiten en instanties die betrokken zijn bij de uitvoering van het meerjarenprogramma of die, volgens de lidstaat in kwestie, een nuttige bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling ervan.

Deze autoriteiten en instanties kunnen de bevoegde regionale, plaatselijke, stedelijke en andere overheden zijn, internationale organisaties en instanties die de civiele samenleving vertegenwoordigen, zoals niet-gouvernementele organisaties, waaronder migrantenorganisaties, of sociale partners.

Dit partnerschap omvat ten minste de uitvoeringsinstanties die door de lidstaten zijn aangewezen voor het beheer van de bijstandsverlening uit het Europees Sociaal Fonds en de verantwoordelijke instantie van het Europees Vluchtelingenfonds.

2.   Dit partnerschap wordt uitgeoefend met volledige inachtneming van de respectieve institutionele, juridische en financiële bevoegdheden van elke afzonderlijke categorie partners.

HOOFDSTUK III

FINANCIEEL KADER

Artikel 11

Totale middelen

1.   De financiële toewijzing voor de uitvoering van door dit Fonds gefinancierde acties voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013 beloopt 825 miljoen EUR.

2.   De jaarlijkse toewijzing voor het Fonds wordt door de begrotingsautoriteit binnen de grenzen van het financiële kader goedgekeurd.

3.   De Commissie maakt elk jaar een indicatieve verdeling per lidstaat aan de hand van de in artikel 12 vastgestelde criteria.

Artikel 12

Jaarlijkse verdeling van de middelen voor subsidiabele acties in de lidstaten

1.   Iedere lidstaat ontvangt een vast bedrag van 500 000 EUR uit de jaarlijkse toewijzing aan het Fonds.

Voor de lidstaten die tijdens de periode van 2007 tot en met 2013 tot de Europese Unie toetreden, beloopt dit bedrag met ingang van het jaar na dat van toetreding 500 000 EUR per jaar tot het einde van die periode.

2.   De rest van de jaarlijks beschikbare middelen wordt als volgt onder de lidstaten verdeeld:

a)

40 % naar verhouding van het totale aantal onderdanen van derde landen dat gemiddeld in de drie voorgaande jaren legaal in een lidstaat verbleef, en

b)

60 % naar verhouding van het aantal onderdanen van derde landen dat in de drie voorgaande jaren van een lidstaat toestemming heeft gekregen om op zijn grondgebied te verblijven.

3.   De volgende categorieën van personen worden voor de berekening van het in lid 2, onder b), bedoelde aantal evenwel buiten beschouwing gelaten:

a)

seizoenarbeiders, zoals gedefinieerd in de wetgeving van de lidstaat;

b)

onderdanen van derde landen die overeenkomstig Richtlijn 2004/114/EG (12) zijn toegelaten met het oog op studie, scholierenuitwisseling, onbezoldigde opleiding of vrijwilligerswerk;

c)

onderdanen van derde landen die overeenkomstig Richtlijn 2005/71/EG (13) zijn toegelaten met het oog op wetenschappelijk onderzoek, en

d)

onderdanen van derde landen van wie de door een lidstaat afgegeven toestemming is verlengd of van wie de status is gewijzigd, met inbegrip van onderdanen van derde landen die de status van langdurig ingezetene hebben verkregen overeenkomstig Richtlijn 2003/109/EG.

4.   Als referentiecijfers gelden de meest recente statistieken die de Commissie (Eurostat) overeenkomstig de communautaire wetgeving heeft opgesteld op basis van door de lidstaten verstrekte gegevens.

Indien de lidstaten de Commissie (Eurostat) de statistische gegevens in kwestie niet hebben geleverd, leveren zij zo spoedig mogelijk voorlopige gegevens.

Alvorens deze gegevens te aanvaarden als referentiecijfers, beoordeelt de Commissie (Eurostat) de kwaliteit, vergelijkbaarheid en volledigheid van de statistische informatie volgens de normale operationele procedures. Op verzoek van de Commissie (Eurostat) leveren de lidstaten alle daarvoor benodigde informatie.

Artikel 13

Financieringsstructuur

1.   Financiële bijdragen uit het Fonds worden verstrekt in de vorm van subsidies.

2.   De acties die uit het Fonds worden gefinancierd, worden medegefinancierd uit publieke of particuliere middelen, hebben geen winstoogmerk en komen niet in aanmerking voor financiering uit andere bronnen die onder de algemene begroting van de Europese Unie vallen.

3.   De kredieten uit het Fonds dienen ter aanvulling van de overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen uitgaven van de lidstaten voor de maatregelen waarop deze beschikking betrekking heeft.

4.   De bijdrage van de Gemeenschap aan ondersteunde projecten, voor wat betreft acties in de lidstaten in de zin van artikel 4, bedraagt ten hoogste 50 % van de totale kosten van een specifieke actie.

Dit maximum kan worden verhoogd tot 75 % voor projecten die betrekking hebben op specifieke prioriteiten die zijn vastgesteld in de in artikel 16 bedoelde strategische richtsnoeren.

De bijdrage van de Gemeenschap kan in de lidstaten die onder het Cohesiefonds vallen, worden verhoogd tot 75 %.

5.   In het kader van de uitvoering van nationale programmering zoals bedoeld in hoofdstuk IV, selecteren de lidstaten projecten voor financiering aan de hand van de volgende minimumcriteria:

a)

de situatie en de behoeften in de lidstaat;

b)

de kosteneffectiviteit van de uitgaven, onder meer in verhouding tot het aantal personen dat bij het project is betrokken;

c)

de ervaring, deskundigheid, betrouwbaarheid en financiële bijdrage van de organisatie die financiering aanvraagt, en van eventuele partnerorganisaties;

d)

de mate waarin de projecten een aanvulling vormen op andere acties die uit de algemene begroting van de Europese Unie of als onderdeel van nationale programma's worden gefinancierd.

6.   De financiële steun van de Gemeenschap voor acties in het kader van het Fonds wordt in de regel voor ten hoogste drie jaar toegekend, onder voorbehoud van periodieke voortgangsverslagen.

Artikel 14

Technische assistentie op initiatief van de Commissie

1.   Met inachtneming van een maximum van 500 000 EUR uit de jaarlijkse toewijzing van het Fonds, kan het Fonds op initiatief en/of namens de Commissie worden gebruikt voor de financiering van de maatregelen op het gebied van voorbereiding, toezicht, administratieve en technische ondersteuning, evaluatie, audit en inspectie die voor de uitvoering van deze beschikking nodig zijn.

2.   Deze maatregelen omvatten met name:

a)

studies, evaluaties, deskundigenverslagen en statistieken, met name van algemene aard betreffende de werking van het Fonds;

b)

voorlichtingsmaatregelen voor de lidstaten, de eindbegunstigden en het grote publiek, inclusief bewustmakingscampagnes en een gemeenschappelijke gegevensbank over de uit het Fonds gefinancierde projecten;

c)

het opzetten, doen functioneren en onderling koppelen van computersystemen voor het beheer, het toezicht, de inspectie en de evaluatie;

d)

het ontwerpen van een gemeenschappelijk kader voor evaluatie en toezicht, alsmede een systeem van indicatoren dat, in voorkomend geval, rekening houdt met nationale indicatoren;

e)

de verbetering van de evaluatiemethoden en de uitwisseling van informatie over de praktijken op dit gebied;

f)

voorlichtings- en opleidingsmaatregelen voor de door de lidstaten overeenkomstig hoofdstuk V aangewezen instanties, als aanvulling op de inspanningen van de lidstaten om hun instanties richtsnoeren te geven overeenkomstig artikel 30, lid 2.

Artikel 15

Technische bijstand op initiatief van de lidstaten

1.   Op initiatief van de betrokken lidstaat kunnen uit het Fonds voor elk jaarprogramma maatregelen op het gebied van voorbereiding, beheer, toezicht, evaluatie, voorlichting en controle worden gefinancierd, alsmede maatregelen om de bestuurlijke capaciteit voor de uitvoering van het Fonds te versterken.

2.   Het bedrag dat krachtens elk jaarprogramma wordt uitgetrokken voor technische bijstand mag niet hoger zijn dan

a)

7 % van de aan de lidstaat toegekende jaarlijkse medefinanciering, vermeerderd met 30 000 EUR, voor 2007 tot en met 2010, en

b)

4 % van de aan de lidstaat toegekende jaarlijkse medefinanciering, vermeerderd met 30 000 EUR, voor 2011 tot en met 2013.

HOOFDSTUK IV

PROGRAMMERING

Artikel 16

Vaststelling van strategische richtsnoeren

1.   De Commissie stelt strategische richtsnoeren vast die het kader vormen voor de bijstandsverlening uit het Fonds, waarbij rekening wordt gehouden met de ontwikkeling en toepassing van het Gemeenschapsrecht op het gebied van immigratie en andere gebieden die verband houden met de integratie van onderdanen van derde landen, en met de indicatieve verdeling van de financiële middelen van het Fonds voor de looptijd van het meerjarenprogramma.

2.   In deze richtsnoeren worden, voor elk van de doelstellingen van het Fonds, de prioriteiten van de Gemeenschap vastgelegd met het oog op de bevordering van de gemeenschappelijke basisbeginselen.

3.   De Commissie stelt de strategische richtsnoeren voor de meerjarenprogrammeringsperiode uiterlijk op 31 mei 2007 vast.

4.   De strategische richtsnoeren worden vastgesteld volgens de in artikel 52, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 17

Opstelling en goedkeuring van de nationale meerjarenprogramma's

1.   Elke lidstaat stelt op basis van de in artikel 16 bedoelde strategische richtsnoeren een ontwerp-meerjarenprogramma voor dat bestaat uit:

a)

een beschrijving van de actuele situatie in de lidstaat met betrekking tot de uitvoering van de nationale integratiestrategie tegen de achtergrond van de gemeenschappelijke basisbeginselen en, eventueel, met betrekking tot de ontwikkeling en uitvoering van nationale toelatings- en introductieprogramma's;

b)

een analyse van de behoeften van de betrokken lidstaat op het gebied van een nationale integratiestrategie en, eventueel, toelatings- en introductieprogramma's, alsmede een opgave van de operationele doelstellingen om in de loop van de programmeringsperiode in deze behoeften te voorzien;

c)

de presentatie van een goede strategie om deze doelstellingen te verwezenlijken, met de prioriteiten in verband met de realisering van de doelstellingen en een beschrijving van de acties om uitvoering te geven aan deze prioriteiten;

d)

een aanwijzing of deze strategie strookt met andere regionale, nationale en communautaire instrumenten;

e)

informatie over de prioriteiten en de bijbehorende specifieke doelen. Deze specifieke doelen worden gekwantificeerd aan de hand van een beperkt aantal indicatoren, waarbij rekening wordt gehouden met het evenredigheidsbeginsel. Met deze indicatoren moeten de vorderingen ten opzichte van de uitgangssituatie kunnen worden gemeten en moet kunnen worden nagegaan in hoeverre deze doelen effectief uitvoering geven aan de prioriteiten;

f)

een beschrijving van de aanpak die wordt gekozen voor de uitvoering van het beginsel van partnerschap, omschreven in artikel 10;

g)

een ontwerp-financieringsplan met per prioriteit en per jaarprogramma de voorgestelde financiële bijdrage uit het Fonds en met het totaalbedrag van de publieke of particuliere medefinanciering;

h)

een beschrijving van de maatregelen die zijn genomen om voor complementariteit met de krachtens het ESF gefinancierde acties te zorgen;

i)

de voorschriften die ervoor moeten zorgen dat aan het meerjarenprogramma bekendheid wordt gegeven.

2.   Uiterlijk vier maanden nadat de Commissie de strategische richtsnoeren voor de betrokken periode heeft bekendgemaakt, dienen de lidstaten hun ontwerp-meerjarenprogramma in.

3.   Met het oog op de goedkeuring van het ontwerp-meerjarenprogramma gaat de Commissie na of

a)

het ontwerp-meerjarenprogramma strookt met de doelstellingen van het Fonds en de in artikel 16 bedoelde strategische richtsnoeren;

b)

de in het ontwerp-meerjarenprogramma beoogde acties relevant zijn in het licht van de voorgestelde strategie;

c)

de beheers- en controlesystemen die door de lidstaat zijn ingevoerd voor de uitvoering van de bijstand uit het Fonds, stroken met de bepalingen van deze beschikking;

d)

het ontwerp-meerjarenprogramma in overeenstemming is met het Gemeenschapsrecht en in het bijzonder met het Gemeenschapsrecht dat het vrije verkeer van personen moet waarborgen in samenhang met de daarmee rechtstreeks verband houdende begeleidende maatregelen inzake de controles aan de buitengrenzen, asiel en immigratie.

4.   Indien de Commissie van oordeel is dat een ontwerp-meerjarenprogramma niet strookt met de strategische richtsnoeren of met de bepalingen van deze beschikking betreffende de beheers- en controlesystemen of met het Gemeenschapsrecht, verzoekt zij de lidstaat alle noodzakelijke informatie te verstrekken en het ontwerp-meerjarenprogramma in voorkomend geval dienovereenkomstig aan te passen.

5.   De Commissie keurt ieder meerjarenprogramma uiterlijk drie maanden na de formele indiening ervan goed volgens de in artikel 52, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 18

Herziening van meerjarenprogramma's

1.   Op initiatief van de betrokken lidstaat of van de Commissie wordt het meerjarenprogramma opnieuw bekeken en, indien nodig, voor het resterende gedeelte van de programmeringsperiode herzien om meer of op een andere wijze rekening te houden met de communautaire prioriteiten. De meerjarenprogramma's kunnen opnieuw worden bekeken in het licht van een evaluatie en/of wegens moeilijkheden bij de uitvoering.

2.   De Commissie neemt zo snel mogelijk nadat een lidstaat een formeel verzoek tot herziening van een meerjarenprogramma heeft ingediend, een besluit tot goedkeuring van de herziening. De herziening van het meerjarenprogramma gebeurt volgens de in artikel 52, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 19

Jaarprogramma's

1.   De door de Commissie goedgekeurde meerjarenprogramma's worden uitgevoerd door middel van jaarprogramma's.

2.   De Commissie verstrekt de lidstaten jaarlijks uiterlijk op 1 juli een raming van de bedragen die hun voor het volgende jaar worden toegekend uit de totale kredieten die in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure aan het Fonds worden toegewezen, waarbij de in artikel 12 beschreven verdeelsleutel wordt toegepast.

3.   De lidstaten dienen jaarlijks uiterlijk op 1 november bij de Commissie een ontwerp-jaarprogramma voor het volgende jaar in, dat wordt opgesteld op basis van het meerjarenprogramma en bestaat uit:

a)

de algemene regels voor de selectie van projecten die worden gefinancierd in het kader van het jaarprogramma;

b)

een beschrijving van de acties die krachtens het jaarprogramma worden gesteund;

c)

de geplande verdeling van de bijdrage uit het Fonds over de verschillende acties in het kader van het programma, alsmede een indicatie van het bedrag dat nodig is voor de in artikel 15 bedoelde technische bijstand voor de tenuitvoerlegging van het jaarprogramma.

4.   Bij de beoordeling van het ontwerp-jaarprogramma van een lidstaat houdt de Commissie rekening met het definitieve bedrag dat in het kader van de begrotingsprocedure aan het Fonds is toegekend.

Binnen een maand na de formele indiening van het ontwerp-jaarprogramma laat de Commissie de betrokken lidstaat weten of zij het ontwerp kan goedkeuren. Indien het ontwerp-jaarprogramma niet strookt met het meerjarenprogramma, verzoekt de Commissie de lidstaat alle noodzakelijke bijkomende informatie te verstrekken en het ontwerp-meerjarenprogramma in voorkomend geval dienovereenkomstig aan te passen.

De Commissie neemt uiterlijk op 1 maart van het betreffende jaar het financieringsbesluit ter goedkeuring van het jaarprogramma aan. In dat besluit wordt vermeld welk bedrag aan de betrokken lidstaat wordt toegewezen en gedurende welke termijn de uitgaven subsidiabel zijn.

Artikel 20

Tussentijdse herziening van het meerjarenprogramma

1.   De Commissie herziet de strategische richtsnoeren en neemt, indien nodig, uiterlijk op 31 maart 2010 herziene strategische richtsnoeren aan voor de periode 2011-2013.

2.   Indien zulke herziene strategische richtsnoeren worden aangenomen, bekijkt iedere lidstaat zijn meerjarenprogramma opnieuw en herziet hij dit indien nodig.

3.   De regels van artikel 17 over de voorbereiding en de goedkeuring van nationale meerjarenprogramma's gelden mutatis mutandis voor de voorbereiding en goedkeuring van deze herziene meerjarenprogramma's.

4.   De herziene strategische richtsnoeren worden aangenomen volgens de in artikel 52, lid 2, bedoelde procedure.

HOOFDSTUK V

BEHEERS- EN CONTROLESYSTEMEN

Artikel 21

Uitvoering

De Commissie is verantwoordelijk voor de uitvoering van deze beschikking en stelt de nodige uitvoeringsbepalingen vast.

Artikel 22

Algemene beginselen van beheers- en controlesystemen

De door de lidstaten opgezette beheers- en controlesystemen voor de meerjarenprogramma's voorzien in:

a)

de omschrijving van de functies van de bij het beheer en de controle betrokken instanties en de toewijzing van de functies binnen elke instantie;

b)

de naleving van het beginsel van functiescheiding tussen dergelijke instanties en binnen elke instantie;

c)

voldoende middelen voor elke organisatie of dienst om de eraan opgedragen functies te kunnen uitoefenen gedurende de periode waarin de uit het Fonds medegefinancierde acties worden uitgevoerd;

d)

procedures om te zorgen voor de juistheid en regelmatigheid van de in het kader van de meerjarenprogramma's gedeclareerde uitgaven;

e)

betrouwbare geautomatiseerde systemen voor de boekhouding, het toezicht en de financiële verslaglegging;

f)

in de gevallen waarin de verantwoordelijke instantie de uitvoering van taken aan een andere instantie toevertrouwt, een systeem voor de verslaglegging en het toezicht;

g)

procedurehandleidingen met betrekking tot de uit te oefenen functies;

h)

regelingen voor het uitvoeren van audits in verband met de werking van het systeem;

i)

systemen en procedures om voor een toereikend auditspoor te zorgen;

j)

procedures voor de verslaglegging over en het toezicht op onregelmatigheden en voor de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen.

Artikel 23

Aanwijzing van instanties

1.   Voor de uitvoering van zijn meerjarenprogramma en jaarprogramma's wijst de lidstaat de volgende instanties aan:

a)

een verantwoordelijke instantie: een functioneel orgaan van de lidstaat of een door de lidstaat aangewezen nationale overheidsinstantie of -organisatie of een privaatrechtelijke organisatie met een openbaredienstverleningstaak, die verantwoordelijk is voor het beheer van de uit het Fonds ondersteunde meerjaren- en jaarprogramma's en voor alle communicatie met de Commissie;

b)

een certificeringsinstantie: een nationale overheidsinstantie of -organisatie, of een persoon die optreedt als zo'n instantie of organisatie, door de lidstaat aangewezen om uitgavenstaten te certificeren voordat deze aan de Commissie worden toegezonden;

c)

een auditinstantie: een door de lidstaat aangewezen nationale overheidsinstantie of -organisatie, mits functioneel onafhankelijk van de verantwoordelijke instantie en de certificerende instantie, die belast is met het verifiëren van de goede werking van het beheers- en controlesysteem;

d)

indien nodig, een instantie waaraan taken worden gedelegeerd.

2.   De lidstaat stelt voorschriften vast waarbij zijn betrekkingen met de in lid 1 bedoelde instanties, alsmede de betrekkingen van deze instanties met de Commissie, worden geregeld.

3.   Onverminderd artikel 22, onder b), kunnen sommige of alle in lid 1 bedoelde instanties in dezelfde organisatie zijn ondergebracht.

4.   De uitvoeringsbepalingen voor de artikelen 24 tot en met 28 worden vastgesteld volgens de in artikel 52, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 24

Verantwoordelijke instantie

1.   De verantwoordelijke instantie moet ten minste aan de volgende voorwaarden voldoen. Zij moet:

a)

rechtspersoonlijkheid hebben, behalve wanneer het gaat om een functioneel orgaan van de lidstaat;

b)

beschikken over de vereiste infrastructuur voor een vlotte communicatie met een groot scala aan gebruikers, de verantwoordelijke instanties van de andere lidstaten en de Commissie;

c)

functioneren binnen een administratief kader dat haar in staat stelt zich naar behoren van haar taken te kwijten en belangenconflicten te vermijden;

d)

in staat zijn de regels voor het beheer van financiële middelen van de Gemeenschap toe te passen;

e)

op financieel gebied en op het gebied van het beheer beschikken over een capaciteit die in verhouding staat tot de omvang van de communautaire middelen die zij moet beheren;

f)

beschikken over personeel met voldoende beroepskwalificaties en taalvaardigheid om administratieve werkzaamheden te verrichten in een internationale omgeving.

2.   De lidstaat zorgt voor adequate financiering van de verantwoordelijke instantie, zodat zij haar taken in de periode 2007-2013 naar behoren en zonder onderbreking kan blijven vervullen.

3.   De Commissie kan de lidstaten bijstaan bij de opleiding van personeel, met name wat de correcte toepassing van de hoofdstukken V-IX betreft.

Artikel 25

Taken van de verantwoordelijke instantie

1.   De verantwoordelijke instantie is ervoor verantwoordelijk dat het meerjarenprogramma overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer wordt beheerd en uitgevoerd.

Dit houdt met name in dat zij:

a)

de partners raadpleegt overeenkomstig artikel 10;

b)

bij de Commissie de in de artikelen 17 en 19 bedoelde voorstellen voor meerjaren- en jaarprogramma's indient;

c)

mechanismen instelt voor samenwerking en coördinatie met de autoriteiten die door de lidstaat zijn aangewezen om de uit het Fonds en het Europees Vluchtelingenfonds gefinancierde acties te beheren;

d)

aanbestedingen en oproepen tot het indienen van voorstellen organiseert en publiceert, in voorkomend geval;

e)

procedures voor selectie van projecten voor toekenning van medefinanciering uit het Fonds instelt, met inachtneming van de criteria van artikel 13, lid 5;

f)

de betalingen van de Commissie ontvangt en betalingen aan de eindbegunstigden verricht;

g)

zorgt voor samenhang en complementariteit tussen de medefinanciering uit het Fonds en die uit andere nationale en communautaire financieringsinstrumenten;

h)

erop toeziet dat de medegefinancierde producten en diensten zijn geleverd, en controleert of de voor de acties gedeclareerde uitgaven daadwerkelijk zijn gedaan en met de communautaire en nationale voorschriften in overeenstemming zijn;

i)

zorgt voor een systeem om boekhoudkundige gegevens over elke actie in het kader van de jaarprogramma's in gecomputeriseerde vorm te registreren en te bewaren, en waarborgt dat de gegevens over de uitvoering die nodig zijn voor financieel beheer, toezicht, controle en evaluatie, worden verzameld;

j)

ervoor zorgt dat de eindbegunstigden en de andere organisaties die betrokken zijn bij de uitvoering van acties die uit het Fonds worden medegefinancierd, voor alle transacties die verband houden met een actie, een afzonderlijk boekhoudsysteem of een passende boekhoudkundige code gebruiken, onverminderd nationale boekhoudregels;

k)

ervoor zorgt dat de in artikel 47 bedoelde evaluaties van het Fonds binnen de in artikel 48, lid 2, gestelde termijnen plaatsvinden en voldoen aan de kwaliteitsnormen die de Commissie en de lidstaat hebben vastgesteld;

l)

procedures instelt om te garanderen dat alle documenten met betrekking tot uitgaven en audits die nodig zijn om voor een toereikend auditspoor te zorgen, worden bewaard overeenkomstig artikel 41;

m)

ervoor zorgt dat de auditinstantie met het oog op de in artikel 28, lid 1, bedoelde audits de nodige informatie ontvangt over de beheersprocedures die worden toegepast en de projecten die uit het Fonds worden medegefinancierd;

n)

ervoor zorgt dat de certificeringsinstantie met het oog op de certificering de nodige informatie ontvangt over de in verband met de uitgaven gevolgde procedures en verrichte verificaties;

o)

voortgangsverslagen en eindverslagen over de uitvoering van de jaarprogramma's, door de certificeringsinstantie gecertificeerde uitgavenstaten, en betalingsverzoeken of eventueel terugbetalingsverklaringen opstelt en indient bij de Commissie;

p)

activiteiten op het gebied van voorlichting en advies uitvoert; en de resultaten van medegefinancierde acties verspreidt;

q)

samenwerkt met de Commissie en met de verantwoordelijke instanties in de andere lidstaten;

r)

de toepassing door de eindbegunstigden van de in artikel 31, lid 6, bedoelde richtsnoeren verifieert.

2.   De werkzaamheden van de verantwoordelijke instanties in verband met het beheer van de in de lidstaten uitgevoerde projecten kunnen worden gefinancierd in het kader van de in artikel 15 bedoelde regeling voor technische bijstand.

Artikel 26

Delegatie van taken door de verantwoordelijke instantie

1.   Indien de taken van de verantwoordelijke instantie geheel of gedeeltelijk worden gedelegeerd aan een andere instantie, legt de verantwoordelijke instantie nauwkeurig vast wat de gedelegeerde taken inhouden en volgens welke nadere procedures zij moeten worden uitgevoerd, waarbij de voorwaarden van artikel 24 in acht worden genomen.

2.   Deze procedures omvatten het regelmatig verstrekken van informatie over de effectieve uitvoering van de gedelegeerde taken en van een beschrijving van de gebruikte middelen aan de verantwoordelijke instantie.

Artikel 27

Certificeringsinstantie

1.   De certificeringsinstantie:

a)

verklaart dat:

i)

de uitgavenstaat juist is, afkomstig is van een betrouwbaar boekhoudsysteem en gebaseerd is op controleerbare bewijsstukken,

ii)

de gedeclareerde uitgaven in overeenstemming zijn met de geldende communautaire en nationale voorschriften en zijn gedaan voor acties die aan de hand van de voor het programma geldende criteria zijn geselecteerd en die in overeenstemming zijn met de communautaire en de nationale voorschriften;

b)

zorgt er, met het oog op de certificering, voor dat zij van de verantwoordelijke instantie toereikende informatie krijgt over de procedures die zijn gevolgd, en de verificaties die zijn verricht in verband met de in de uitgavenstaten vermelde uitgaven;

c)

houdt voor de certificering rekening met de uitkomst van alle audits die door of onder de verantwoordelijkheid van de auditinstantie zijn verricht;

d)

houdt boekhoudkundige gegevens in gecomputeriseerde vorm bij over de bij de Commissie gedeclareerde uitgaven;

e)

zorgt ervoor dat alle communautaire bijstand waarvan blijkt dat hij wegens geconstateerde onregelmatigheden onverschuldigd is betaald, wordt teruggevorderd, eventueel verhoogd met rente;

f)

houdt een boekhouding bij van de te innen en de geïnde bedragen aan de algemene begroting van de Europese Unie, indien mogelijk door ze in mindering te brengen op de volgende uitgavenstaat.

2.   De werkzaamheden van de certificeringsinstantie in verband met projecten die in de lidstaten worden uitgevoerd, kunnen worden gefinancierd in het kader van de in artikel 15 bedoelde regeling voor technische bijstand, mits de in artikel 23 beschreven prerogatieven van deze instantie in acht worden genomen.

Artikel 28

Auditinstantie

1.   De certificeringsinstantie:

a)

zorgt ervoor dat er audits worden verricht om na te gaan of het beheers- en controlesysteem effectief functioneert;

b)

zorgt ervoor dat er aan de hand van een adequate steekproef audits worden verricht om de voor bepaalde maatregelen gedeclareerde uitgaven te verifiëren; de steekproef bestrijkt ten minste 10 % van de totale subsidiabele uitgaven van elk jaarprogramma;

c)

legt binnen zes maanden na de goedkeuring van het meerjarenprogramma de Commissie een auditstrategie voor waarin wordt uiteengezet welke organisaties de onder a) en b) bedoelde audits zullen uitvoeren; het doel hiervan is te garanderen dat audits worden verricht ten aanzien van de belangrijkste begunstigden van de medefinanciering uit het Fonds en dat de audits gelijkelijk over de programmeringsperiode worden gespreid.

2.   Indien de op grond van deze beschikking aangewezen auditinstantie tevens als auditinstantie is aangewezen op grond van de Beschikkingen nr. 573/2007/EG, nr. 574/2007/EG en nr. 575/2007/EG of indien twee of meer van de bij die beschikkingen ingestelde fondsen bepaalde systemen gemeenschappelijk hebben, kan één enkele gecombineerde auditstrategie in de zin van lid 1, onder c), worden ingediend.

3.   De auditinstantie stelt voor elk jaarprogramma een verslag op met daarin:

a)

een jaarlijks auditverslag met de uitkomst van de audits die overeenkomstig de auditstrategie met betrekking tot het jaarprogramma zijn verricht, waarbij eventuele tekortkomingen in de beheers- en controlesystemen voor het programma worden vermeld;

b)

een oordeel, op basis van de onder de verantwoordelijkheid van de auditautoriteit verrichte controles en audits, over de vraag of de wijze waarop het beheers- en controlesysteem heeft gefunctioneerd, een redelijke garantie biedt omtrent de correctheid van de uitgavenstaten die bij de Commissie zijn ingediend, alsmede omtrent de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende transacties;

c)

een verklaring over de geldigheid van het verzoek om betaling van het eindsaldo of van terugbetalingsverklaringen, alsmede over de wettigheid en de regelmatigheid van de betrokken uitgaven.

4.   De auditinstantie ziet erop toe dat de werkzaamheden worden uitgevoerd volgens internationaal aanvaarde auditnormen.

5.   De auditwerkzaamheden in verband met projecten die in de lidstaten worden uitgevoerd, kunnen worden gefinancierd in het kader van de in artikel 15 bedoelde regeling voor technische bijstand, mits de in artikel 23 beschreven prerogatieven van deze instantie in acht worden genomen.

HOOFDSTUK VI

VERANTWOORDELIJKHEDEN EN CONTROLES

Artikel 29

Verantwoordelijkheden van de lidstaten

1.   De lidstaten zijn verantwoordelijk voor het goede financiële beheer van de meerjaren- en de jaarprogramma's en voor de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende transacties.

2.   De lidstaten zien erop toe dat de verantwoordelijke instanties en de instanties waaraan taken zijn gedelegeerd, de certificeringsinstanties, de auditinstanties en alle andere betrokken instanties adequate richtsnoeren ontvangen voor het opzetten van de in de artikelen 22 tot en met 28 bedoelde beheers- en controlesystemen, die moeten garanderen dat de financiële middelen van de Gemeenschap doelmatig en correct worden gebruikt.

3.   De lidstaten voorkomen onregelmatigheden, sporen ze op en corrigeren ze. Zij stellen de Commissie in kennis van onregelmatigheden en houden haar op de hoogte van het verloop van administratieve en gerechtelijke procedures.

Wanneer ten onrechte aan de eindbegunstigde betaalde bedragen niet kunnen worden teruggevorderd, is de betrokken lidstaat verantwoordelijk voor de terugbetaling van die voor de algemene begroting van de Europese Unie verloren gegane bedragen, indien is aangetoond dat het verlies door zijn fout of nalatigheid is berokkend.

4.   De lidstaten zijn in de eerste plaats verantwoordelijk voor de financiële controle van de acties en zien erop toe dat de beheers- en controlesystemen en de audits zodanig worden toegepast dat wordt gegarandeerd dat de communautaire middelen correct en effectief worden gebruikt. Zij verstrekken de Commissie een beschrijving van deze systemen.

5.   De nadere uitvoeringsbepalingen voor de leden 1 tot en met 4 worden vastgesteld volgens de in artikel 52, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 30

Beheers- en controlesystemen

1.   Voordat een meerjarenprogramma door de Commissie wordt goedgekeurd, overeenkomstig de procedure van artikel 52, lid 2, zorgen de lidstaten ervoor dat de beheers- en controlesystemen zijn opgezet overeenkomstig de artikelen 22 tot en met 28. Zij zijn verantwoordelijk voor de effectieve werking van deze systemen gedurende de hele programmeringsperiode.

2.   Tegelijk met hun ontwerp-meerjarenprogramma dienen de lidstaten bij de Commissie een beschrijving van de organisatie en de procedures van de verantwoordelijke instanties, de instanties waaraan taken worden gedelegeerd en de certificeringsinstantie in, alsmede van de interneauditsystemen die worden toegepast binnen deze instanties, de auditinstantie en alle andere instanties die onder haar verantwoordelijkheid audits verrichten.

3.   De Commissie toetst de toepassing van deze bepaling in het kader van de voorbereiding van het verslag voor de periode 2007-2013, genoemd in artikel 48, lid 3.

Artikel 31

Verantwoordelijkheden van de Commissie

1.   De Commissie vergewist zich er volgens de procedure van artikel 30 van dat de lidstaten beheers- en controlesystemen hebben opgezet die in overeenstemming zijn met de artikelen 22 tot en met 28, en, op basis van jaarlijkse auditverslagen en haar eigen audits, dat de systemen effectief functioneren tijdens de programmeringsperiode.

2.   Onverminderd de audits van de lidstaten kunnen ambtenaren van de Commissie of gemachtigde vertegenwoordigers van de Commissie ter plaatse controles verrichten om na te gaan of de beheers- en controlesystemen effectief functioneren, waarbij ook acties uit de jaarprogramma's aan een audit kunnen worden onderworpen, mits deze audits ten minste drie werkdagen van tevoren worden aangekondigd. Aan deze audits mogen ambtenaren of gemachtigde vertegenwoordigers van de lidstaat deelnemen.

3.   De Commissie kan een lidstaat verzoeken controles ter plaatse uit te voeren om de goede werking van de systemen of de correctheid van één of meer transacties te verifiëren. Aan deze controles mogen ambtenaren van de Commissie of gemachtigde vertegenwoordigers van de Commissie deelnemen.

4.   De Commissie zorgt in samenwerking met de lidstaten voor passende voorlichting en publiciteit over en follow-up van de uit het Fonds ondersteunde acties.

5.   De Commissie zorgt er in samenwerking met de lidstaten voor dat de maatregelen aansluiten bij en een aanvulling vormen op andere relevante communautaire beleidsmaatregelen, instrumenten en initiatieven.

6.   De Commissie stelt richtsnoeren vast om de zichtbaarheid van de in het kader van deze beschikking verstrekte financiering te garanderen.

Artikel 32

Samenwerking met de auditinstanties van de lidstaten

1.   De Commissie werkt met de auditinstanties samen om hun respectieve auditplannen en auditmethoden te coördineren en zij wisselt onmiddellijk de uitkomst van de audits van de beheers- en controlesystemen uit om zo goed mogelijk gebruik te maken van de voor de controle beschikbare middelen en om dubbel werk te voorkomen.

De Commissie maakt haar opmerkingen over de krachtens artikel 28 voorgelegde auditstrategie binnen drie maanden na ontvangst kenbaar.

2.   Bij het bepalen van haar eigen auditstrategie, stelt de Commissie vast welke jaarprogramma's zij bevredigend acht, op basis van de kennis die zij heeft van de beheers- en controlesystemen.

Voor deze programma's kan de Commissie concluderen dat zij zich hoofdzakelijk kan verlaten op het door de lidstaten geleverde auditbewijs en dat zij uitsluitend eigen controles ter plaatse zal verrichten indien er bewijzen zijn die tekortkomingen in het systeem doen vermoeden.

HOOFDSTUK VII

FINANCIEEL BEHEER

Artikel 33

Subsidiabiliteit — Uitgavendeclaraties

1.   Alle uitgavendeclaraties bevatten het bedrag van de uitgaven die de eindbegunstigden hebben gedaan in verband met de uitvoering van de acties, alsmede de bijbehorende bijdrage uit publieke of private middelen.

2.   De uitgaven komen overeen met de betalingen die door de eindbegunstigden zijn verricht. Zij worden gestaafd met facturen die zijn voldaan, of met vergelijkbare boekhoudkundige bewijsstukken.

3.   Alleen uitgaven die zijn verricht op of na 1 januari van het jaar waarop het in artikel 19, lid 4, derde alinea, bedoelde financieringsbesluit, waarbij het jaarprogramma wordt goedgekeurd, betrekking heeft, komen in aanmerking voor bijstand uit het Fonds. De medegefinancierde acties mogen niet vóór de begindatum van de subsidiabiliteit zijn voltooid.

Bij wijze van uitzondering wordt de periode waarvoor de uitgaven subsidiabel zijn, op drie jaar vastgesteld voor de uitgaven ter uitvoering van de in het kader van de jaarprogramma's 2007 gesteunde acties.

4.   De regels voor de subsidiabiliteit van de uitgaven in het kader van de in artikel 4 bedoelde acties in de lidstaten die worden medegefinancierd uit het Fonds, worden vastgesteld volgens de in artikel 52, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 34

Volledigheid van de betalingen aan de eindbegunstigden

De lidstaten vergewissen zich ervan dat de verantwoordelijke instantie het volledige bedrag van de bijdrage uit overheidsmiddelen zo snel mogelijk aan de eindbegunstigden laat overmaken. Er mogen geen bedragen in mindering worden gebracht of worden ingehouden, noch specifieke extra heffingen of andere heffingen met gelijke werking worden toegepast die het totale bedrag voor de eindbegunstigden verminderen, op voorwaarde dat alle eindbegunstigden voldoen aan alle vereisten inzake de subsidiabiliteit van acties en uitgaven.

Artikel 35

Gebruik van de euro

1.   De bedragen in het ontwerp-meerjarenprogramma en de ontwerp-jaarprogramma's van de lidstaten, bedoeld in respectievelijk artikel 17 en artikel 19, gecertificeerde uitgavendeclaraties, betalingsverzoeken bedoeld in artikel 25, lid 1, onder o), en uitgaven zoals vermeld in de voortgangsverslagen over de uitvoering van het jaarprogramma, bedoeld in artikel 37, lid 4, alsmede het eindverslag over de uitvoering van het jaarprogramma, bedoeld in artikel 49, luiden in euro.

2.   In artikel 19, lid 4, derde alinea, bedoelde financieringsbesluiten van de Commissie waarbij het jaarprogramma van de lidstaten wordt goedgekeurd, en vastleggingen en betalingen van de Commissie, worden in euro uitgevoerd.

3.   De lidstaten die op de datum van het betalingsverzoek de euro niet als munteenheid hebben aangenomen, rekenen de bedragen van de in de nationale munteenheid gedane uitgaven om in euro. Dit gebeurt aan de hand van de maandelijkse boekhoudkundige wisselkoers voor de euro van de Commissie in de maand waarin de uitgave in de rekeningen van de verantwoordelijke instantie van het betrokken programma is opgenomen. Deze boekhoudkundige wisselkoers wordt maandelijks langs elektronische weg door de Commissie bekendgemaakt.

4.   Wanneer de euro de munteenheid van een lidstaat wordt, blijft de in lid 3 beschreven omrekeningsprocedure van toepassing op alle uitgaven die vóór de datum van inwerkingtreding van de vaste omrekeningskoers tussen de nationale munteenheid en de euro zijn opgenomen in de rekeningen van de certificeringsinstantie.

Artikel 36

Vastleggingen

De communautaire begrotingskredieten worden jaarlijks vastgelegd op basis van het financieringsbesluit waarbij het in artikel 19, lid 4, derde alinea, bedoelde jaarprogramma wordt goedgekeurd.

Artikel 37

Betalingen — Voorfinanciering

1.   De Commissie betaalt de bijdrage uit het Fonds overeenkomstig de vastleggingen in de begroting.

2.   De betalingen gebeuren in de vorm van een voorfinanciering en een saldobetaling. De bijdragen worden betaald aan de door de lidstaat aangewezen verantwoordelijke instantie.

3.   Van het eerste bedrag dat in het financieringsbesluit waarbij het jaarprogramma wordt goedgekeurd, wordt toegekend, wordt 50 % binnen 60 dagen na de aanneming van dat besluit aan de lidstaat uitbetaald als voorschot.

4.   Een tweede voorschot wordt uitbetaald uiterlijk drie maanden nadat de Commissie, binnen twee maanden na de formele indiening van een betalingsverzoek door een lidstaat, haar goedkeuring heeft gehecht aan een voortgangsverslag over de uitvoering van het jaarprogramma en aan een gecertificeerde uitgavendeclaratie, die is opgesteld overeenkomstig artikel 27, lid 1, onder a), en artikel 33 en die betrekking heeft op ten minste 60 % van het bedrag van het eerste voorschot.

Het tweede voorschot van de Commissie bedraagt ten hoogste 50 % van het in het financieringsbesluit waarbij het jaarprogramma wordt goedgekeurd, toegewezen totaalbedrag en, in ieder geval, wanneer een lidstaat op nationaal niveau een kleiner bedrag uittrekt dan het bedrag dat is vermeld in het financieringsbesluit waarbij het jaarprogramma wordt goedgekeurd, het verschil tussen het bedrag aan communautaire middelen dat daadwerkelijk door de lidstaat is uitgetrokken voor in het kader van het jaarprogramma geselecteerde projecten en het bedrag van het eerste voorschot.

5.   De renteopbrengsten van de voorschotten worden voor het betrokken jaarprogramma bestemd, aangezien deze worden beschouwd als middelen voor de lidstaat als nationale overheidsbijdrage, en worden bij de Commissie gedeclareerd op het tijdstip van de uitgavendeclaratie betreffende het eindverslag over de uitvoering van het betrokken programma.

6.   Bij de afsluiting van het jaarprogramma worden de bedragen van de voorfinanciering vereffend.

Artikel 38

Saldobetaling

1.   De Commissie betaalt het saldo uit mits zij uiterlijk negen maanden na de in het financieringsbesluit waarbij het jaarprogramma wordt goedgekeurd, vastgestelde uiterste datum voor de subsidiabiliteit van de uitgaven, onderstaande documenten heeft ontvangen:

a)

een gecertificeerde uitgavendeclaratie, die is opgesteld overeenkomstig artikel 27, lid 1, onder a), en artikel 33, en een saldobetalingsverzoek of een terugbetalingsverklaring;

b)

het eindverslag over de uitvoering van het jaarprogramma, zoals bedoeld in artikel 49;

c)

het jaarlijkse auditverslag, het oordeel en de verklaring zoals bedoeld in artikel 28, lid 3.

Het saldo wordt uitgekeerd op voorwaarde dat het eindverslag over de uitvoering van het jaarprogramma en de verklaring over de geldigheid van het saldobetalingsverzoek worden aanvaard.

2.   Indien de verantwoordelijke instantie de in lid 1 bedoelde documenten niet tijdig in een aanvaardbare vorm verstrekt, wordt het gedeelte van de vastlegging voor het betrokken jaarprogramma dat niet voor de betaling van een voorschot is gebruikt, door de Commissie vrijgemaakt.

3.   De in lid 2 bedoelde procedure voor het ambtshalve vrijmaken van de kredieten wordt voor het bedrag dat met de betrokken projecten overeenkomt, geschorst indien op het moment dat de in lid 1 bedoelde documenten worden ingediend, in de lidstaat een gerechtelijke procedure of een administratief beroep met schorsende werking loopt. De lidstaat verstrekt in het eindverslag uitvoerige informatie over dergelijke projecten en dient elke zes maanden een voortgangsverslag in. Uiterlijk drie maanden na de afronding van de gerechtelijke procedure of het administratieve beroep dient de lidstaat voor het betrokken project de in lid 1 genoemde documenten in.

4.   De in lid 1 genoemde termijn van negen maanden wordt geschorst indien de Commissie een besluit tot opschorting van de betalingen voor het betrokken jaarprogramma heeft genomen overeenkomstig artikel 40. De termijn loopt verder vanaf de datum waarop het in artikel 40, lid 3, bedoelde besluit van de Commissie ter kennis van de lidstaat is gebracht.

5.   Onverminderd artikel 39 laat de Commissie de lidstaat binnen zes maanden na de ontvangst van de in lid 1 van dit artikel bedoelde documenten weten welk bedrag zij ten laste van het Fonds aanvaardt en welke financiële correcties eventueel worden toegepast als gevolg van het verschil tussen de gedeclareerde en de aanvaarde uitgaven. De lidstaat heeft drie maanden de tijd om te reageren.

6.   Binnen drie maanden na ontvangst van de opmerkingen van de lidstaat besluit de Commissie welk bedrag zij aanvaardt ten laste van het Fonds, en vordert zij het verschil tussen de uiteindelijk aanvaarde uitgaven en het reeds aan de lidstaat betaalde bedrag terug.

7.   Onder voorbehoud van de beschikbaarheid van begrotingsmiddelen betaalt de Commissie het saldo uiterlijk 60 dagen na de datum waarop zij de in lid 1 bedoelde documenten aanvaardt. Het saldo van de vastlegging wordt zes maanden na de betaling vrijgemaakt.

Artikel 39

Uitstel van betalingen

1.   De gedelegeerde ordonnateur in de zin van het Financieel Reglement stelt de betaling maximaal zes maanden uit als:

a)

er in een verslag van een nationale of communautaire auditinstantie aanwijzingen zijn die significante tekortkomingen in de goede werking van de beheers- en controlesystemen doen vermoeden;

b)

de gedelegeerde ordonnateur aanvullende verificaties moet verrichten naar aanleiding van te zijner kennis gekomen informatie die hem doet vermoeden dat uitgaven in een gecertificeerde uitgavendeclaratie verband houden met een ernstige onregelmatigheid ten aanzien waarvan geen corrigerende maatregelen zijn genomen.

2.   De lidstaat en de verantwoordelijke instantie worden onmiddellijk in kennis gesteld van de redenen voor dit uitstel. De betaling wordt uitgesteld totdat de lidstaat de nodige maatregelen heeft genomen.

Artikel 40

Opschorting van betalingen

1.   De Commissie kan de voorfinancieringen en de saldobetalingen geheel of gedeeltelijk opschorten indien:

a)

de beheers- en controlesystemen van het programma ernstige tekortkomingen vertonen die afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van de procedure voor de certificering van de betalingen, en er in dat verband geen correctiemaatregelen zijn genomen, of

b)

uitgaven in een gecertificeerde uitgavendeclaratie verband houden met een ernstige onregelmatigheid ten aanzien waarvan geen corrigerende maatregelen zijn genomen, of

c)

een lidstaat zijn verplichtingen uit hoofde van de artikelen 29 en 30 niet is nagekomen.

2.   De Commissie kan besluiten de voorfinancierings- en saldobetalingen op te schorten na de lidstaat in de gelegenheid te hebben gesteld binnen drie maanden opmerkingen te maken.

3.   De Commissie heft de opschorting van de voorfinancierings- en saldobetalingen op als zij van mening is dat de lidstaat de nodige maatregelen heeft genomen om opheffing van de opschorting mogelijk te maken.

4.   Indien de lidstaat niet de vereiste maatregelen neemt, kan de Commissie een besluit aannemen om de bijdrage van de Gemeenschap aan het jaarprogramma geheel of gedeeltelijk in te trekken overeenkomstig artikel 44.

Artikel 41

Bewaring van documenten

Onverminderd de in artikel 87 van het Verdrag opgenomen voorschriften voor staatssteun zorgt de verantwoordelijke instantie ervoor dat alle bewijsstukken betreffende uitgaven en audits in verband met de programma's ter beschikking van de Commissie en de Rekenkamer worden gehouden gedurende een periode van vijf jaar volgende op de afsluiting van de programma's overeenkomstig artikel 38, lid 1.

Deze periode wordt onderbroken in geval van een gerechtelijke procedure of op een met redenen omkleed verzoek van de Commissie.

De bewijsstukken moeten hetzij als originele stukken, hetzij als voor authentiek gewaarmerkte versies op algemeen aanvaarde gegevensdragers worden bewaard.

HOOFDSTUK VIII

FINANCIËLE CORRECTIES

Artikel 42

Financiële correcties door de lidstaten

1.   De lidstaten zijn als eerste verantwoordelijk om onregelmatigheden te onderzoeken, op te treden bij aanwijzingen voor belangrijke wijzigingen die gevolgen hebben voor de aard van of de voorwaarden voor de uitvoering of de controle van de programma's, en de nodige financiële correcties te verrichten.

2.   De lidstaten verrichten de nodige financiële correcties voor de bij de maatregelen of de jaarprogramma's geconstateerde incidentele of systematische onregelmatigheden.

De financiële correcties van de lidstaten bestaan uit het geheel of gedeeltelijk intrekken of, indien van toepassing, terugvorderen van de communautaire bijdrage. Indien het betrokken bedrag niet wordt terugbetaald binnen de daarvoor door de lidstaat gestelde termijn, is achterstandsrente verschuldigd tegen de in artikel 45, lid 2, bedoelde rentevoet. De lidstaat houdt rekening met de aard en de ernst van de onregelmatigheden en met het financiële verlies van het Fonds.

3.   Bij systematische onregelmatigheden breidt de lidstaat zijn onderzoek uit tot alle acties die daarbij betrokken kunnen zijn.

4.   De lidstaten nemen in het eindverslag over de uitvoering van het in artikel 49 bedoelde jaarprogramma een overzicht op van de intrekkingsprocedures die voor het betrokken jaarprogramma zijn ingeleid.

Artikel 43

Audits en financiële correcties door de Commissie

1.   Onverminderd de bevoegdheden van de Rekenkamer en de controles van de lidstaten overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, mogen ambtenaren of gemachtigde vertegenwoordigers van de Commissie de uit het Fonds gefinancierde acties en de beheers- en controlesystemen ter plaatse controleren, ook door middel van steekproeven, mits deze controles ten minste drie werkdagen van tevoren worden aangekondigd. De Commissie stelt de betrokken lidstaat in kennis van de controle teneinde de nodige medewerking te verkrijgen. Aan deze controles mogen ambtenaren of gemachtigde vertegenwoordigers van de betrokken lidstaat deelnemen.

De Commissie kan van een lidstaat verlangen dat hij een controle ter plaatse verricht om voor één of meer transacties na te gaan of ze correct zijn verlopen. Aan deze controles mogen ambtenaren of gemachtigde vertegenwoordigers van de Commissie deelnemen.

2.   Indien de Commissie, nadat zij de nodige verificaties heeft verricht, concludeert dat een lidstaat de krachtens artikel 29 op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, wordt de betaling van de voorfinanciering of van het saldo overeenkomstig artikel 40 opgeschort.

Artikel 44

Criteria voor de correcties

1.   De Commissie kan financiële correcties toepassen door de bijdrage van de Gemeenschap aan een jaarprogramma volledig of gedeeltelijk in te trekken als zij, na het nodige onderzoek, tot de conclusie komt dat:

a)

het beheers- en controlesysteem van het programma ernstige tekortkomingen vertoont die de reeds voor het programma betaalde communautaire bijdrage in gevaar brengen;

b)

de uitgaven in een gecertificeerde uitgavendeclaratie onregelmatigheden vertonen die niet door de lidstaat zijn gecorrigeerd voordat de in dit lid bedoelde correctieprocedure werd ingeleid;

c)

een lidstaat niet aan zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 29 heeft voldaan voordat de in dit lid bedoelde correctieprocedure werd ingeleid.

De Commissie houdt rekening met de eventuele opmerkingen van de lidstaat voordat zij een besluit neemt.

2.   De Commissie baseert haar financiële correcties op geconstateerde afzonderlijke onregelmatigheden, waarbij zij rekening houdt met het systematische karakter van de onregelmatigheid, om te bepalen of er een forfaitaire dan wel een geëxtrapoleerde correctie moet worden toegepast. Indien de onregelmatigheid betrekking heeft op een uitgavendeclaratie waarvoor eerder overeenkomstig artikel 28, lid 3, onder b), door de auditinstantie een positieve garantie was gegeven, wordt aangenomen dat het om een systematisch probleem gaat dat aanleiding geeft tot een forfaitaire of een geëxtrapoleerde correctie, tenzij de lidstaat deze veronderstelling binnen drie maanden met bewijzen kan weerleggen.

3.   De Commissie houdt bij het vaststellen van het bedrag van een correctie rekening met de ernst van de onregelmatigheid en met de omvang en de financiële consequenties van de tekortkomingen die in het betrokken jaarprogramma zijn geconstateerd.

4.   Indien de Commissie haar standpunt baseert op feiten die zijn geconstateerd door andere controleurs dan die van haar eigen diensten, trekt zij met betrekking tot de financiële consequenties haar eigen conclusies, na onderzoek van de op grond van artikel 30 door de betrokken lidstaat genomen maatregelen, de verslagen over de gemelde onregelmatigheden en de eventuele antwoorden van de lidstaat.

Artikel 45

Terugbetaling

1.   Terugbetalingen aan de algemene begroting van de Europese Unie geschieden vóór de vervaldag die is vermeld in de invorderingsopdracht die is opgesteld overeenkomstig artikel 72 van het Financieel Reglement . Deze vervaldatum is de laatste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin de invorderingsopdracht is gegeven.

2.   Elke vertraging van de terugbetaling geeft aanleiding tot rente wegens te late betaling, te rekenen vanaf de vervaldatum tot en met de datum van de daadwerkelijke betaling. Deze rente wordt berekend op basis van de door de Europese Centrale Bank op haar belangrijkste herfinancieringsoperaties toegepaste en in het Publicatieblad van de Europese Unie, reeks C, bekendgemaakte rentevoet die gold op de eerste kalenderdag van de maand waarin de vervaldatum valt, vermeerderd met 3 1/2 procentpunt.

Artikel 46

Verplichtingen van de lidstaten

Een financiële correctie door de Commissie laat de verplichting van de lidstaat tot terugvordering van bedragen op grond van artikel 42 onverlet.

HOOFDSTUK IX

TOEZICHT, EVALUATIE EN VERSLAGEN

Artikel 47

Toezicht en evaluatie

1.   De Commissie zorgt in samenwerking met de lidstaten voor een regelmatig toezicht op het Fonds.

2.   Er vindt een evaluatie van het Fonds plaats, waarbij de Commissie in samenwerking met de lidstaten de relevantie, de doeltreffendheid en het effect van de uitgevoerde maatregelen toetst aan de in artikel 2 geformuleerde algemene doelstelling in de context van de voorbereiding van het verslag, bedoeld in artikel 48, lid 3.

3.   De evaluatie van de Commissie heeft tevens betrekking op de complementariteit van de acties die in het kader van het Fonds worden uitgevoerd, en acties uit hoofde van andere relevante communautaire beleidsterreinen, instrumenten en initiatieven.

Artikel 48

Verslagleggingsverplichtingen

1.   In elke lidstaat neemt de verantwoordelijke instantie de nodige maatregelen met het oog op het toezicht op en de evaluatie van de acties.

Daartoe wordt in de overeenkomsten die deze instantie sluit met de organisaties die zijn belast met de uitvoering van de acties, de verplichting opgenomen om geregeld gedetailleerde verslagen in te dienen over de vorderingen bij de uitvoering van de acties en de verwezenlijking van de doelstellingen, die de basis worden voor respectievelijk het voortgangsverslag en het eindverslag over de uitvoering van het jaarprogramma.

2.   De lidstaten dienen het volgende bij de Commissie in:

a)

uiterlijk op 30 juni 2010, een evaluatieverslag over de uitvoering van acties die medefinanciering uit het Fonds hebben ontvangen;

b)

uiterlijk op 30 juni 2012 (voor de periode van 2007 tot en met 2010) respectievelijk op 30 juni 2015 (voor de periode van 2011 tot en met 2013), een evaluatieverslag over de resultaten en het effect van de acties die medefinanciering uit het Fonds hebben ontvangen.

3.   De Commissie dient bij het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's het volgende in:

a)

uiterlijk op 30 juni 2009, een verslag over en een evaluatie van de toepassing van de in artikel 12 geformuleerde criteria voor de jaarlijkse verdeling van de middelen tussen de lidstaten, zo nodig met voorstellen voor wijzigingen;

b)

uiterlijk op 31 december 2010, een tussentijds verslag over de resultaten en over de kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de uitvoering van het Fonds, vergezeld van een voorstel voor de toekomstige ontwikkeling van het Fonds;

c)

uiterlijk op 31 december 2012 (voor de periode van 2007 tot en met 2010) respectievelijk op 31 december 2015 (voor de periode van 2011 tot en met 2013), een verslag van de evaluatie achteraf.

Artikel 49

Eindverslag over de uitvoering van het jaarprogramma

1.   Het eindverslag over de uitvoering van het jaarprogramma bevat de volgende gegevens die een duidelijk beeld moeten geven over de uitvoering van het programma:

a)

de financiële en de operationele uitvoering van het jaarprogramma;

b)

de vorderingen die bij de uitvoering van het meerjarenprogramma en de prioriteiten zijn gemaakt in het licht van specifieke controleerbare doelstellingen door middel van een kwantificering, voor zover en wanneer zij zich daartoe lenen, van de indicatoren;

c)

de maatregelen die de verantwoordelijke instantie heeft genomen om de kwaliteit en de doeltreffendheid van de uitvoering te waarborgen, en met name:

i)

de maatregelen op het gebied van toezicht en evaluatie, met inbegrip van regelingen voor gegevensverzameling,

ii)

een samenvatting van eventuele belangrijke problemen die bij de uitvoering van het programma zijn ondervonden, en de maatregelen die eventueel zijn genomen,

iii)

het gebruik van technische bijstand;

d)

de maatregelen om informatie te verstrekken over en bekendheid te geven aan de meerjaren- en de jaarprogramma's.

2.   De verslagen worden ontvankelijk geacht als ze alle in lid 1 genoemde gegevens bevatten. De Commissie neemt een besluit over de inhoud van het door de verantwoordelijke instantie ingediende uitvoeringsverslag binnen twee maanden na ontvangst van alle in lid 1 bedoelde gegevens, en deelt dat besluit mee aan de lidstaten. Als de Commissie niet binnen de gestelde termijn heeft geantwoord, worden de verslagen geacht aanvaard te zijn.

HOOFDSTUK X

OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 50

Voorbereiding van het meerjarenprogramma

1.   In afwijking van artikel 17 zullen de lidstaten

a)

zo spoedig mogelijk na 29 juni 2007, maar uiterlijk op 14 juli 2007, de in artikel 24, lid 1, onder a), bedoelde verantwoordelijke instantie en in voorkomend geval de instantie waaraan taken worden gedelegeerd, aanwijzen;

b)

uiterlijk op 30 september 2007 de beschrijving van de beheers- en controlesystemen, bedoeld in artikel 31, lid 2, overleggen.

2.   De Commissie verschaft de lidstaten jaarlijks uiterlijk op 1 juli 2007

a)

een raming van de bedragen die hun voor het begrotingsjaar 2007 worden toegekend;

b)

ramingen van de bedragen die hun voor de begrotingsjaren 2008-2013 zullen worden toegekend, op basis van een extrapolatie van de berekening van de raming voor het begrotingsjaar 2007, gelet op de voorgestelde jaarlijkse kredieten voor de jaren 2007-2013 zoals bepaald in de financiële vooruitzichten.

Artikel 51

Voorbereiding van de jaarprogramma's 2007 en 2008

1.   In afwijking van artikel 19 geldt het volgende tijdschema voor de uitvoering van de begrotingsjaren 2007 en 2008:

a)

de Commissie verstrekt de lidstaten uiterlijk op 1 juli 2007 een raming van de bedragen die hun voor het begrotingsjaar 2007 worden toegekend;

b)

de lidstaten leggen uiterlijk op 1 december 2007 het ontwerp-jaarprogramma 2007 aan de Commissie voor;

c)

de lidstaten leggen uiterlijk op 1 maart 2008 het ontwerp-jaarprogramma 2008 aan de Commissie voor.

2.   Voor het jaarprogramma 2007 komen de uitgaven die daadwerkelijk zijn verricht tussen 1 januari 2007 en de datum van aanneming van het financieringsbesluit tot goedkeuring van het jaarprogramma van de betreffende lidstaat, in aanmerking voor steun uit het Fonds.

3.   Om de aanneming van financieringsbesluiten waarbij het jaarprogramma 2007 wordt goedgekeurd, in 2008 mogelijk te maken, legt de Commissie de communautaire begrotingskredieten voor 2007 vast op basis van de raming van het aan de lidstaten toe te wijzen bedrag, waarbij de in artikel 12 beschreven verdeelsleutel wordt toegepast.

HOOFDSTUK XI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 52

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Gemeenschappelijk Comité „Solidariteit en beheer van de migratiestromen” dat bij Beschikking nr. 574/2007/EG werd opgericht, hierna „het comité” genoemd.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

Artikel 53

Evaluatie

Op voorstel van de Commissie beziet de Raad deze beschikking uiterlijk op 30 juni 2013 opnieuw.

Artikel 54

Inwerkingtreding en toepassing

Deze beschikking treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2007.

Artikel 55

Adressaten

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Gedaan te Luxemburg, 25 juni 2007.

Voor de Raad

De voorzitter

A. SCHAVAN


(1)  Advies van 14 februari 2006 (PB C 88 van 11.4.2006, blz. 15).

(2)  Advies van 16 november 2005 (PB C 115 van 16.5.2006, blz. 47).

(3)  Advies van 14 december 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(4)  PB L 16 van 23.1.2004, blz. 44.

(5)  PB L 144 van 6.6.2007, blz. 1.

(6)  PB L 144 van 6.6.2007, blz. 22.

(7)  PB L 144 van 6.6.2007, blz. 45.

(8)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1995/2006 (PB L 390 van 30.12.2006, blz. 1).

(9)  PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.

(10)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).

(11)  PB L 304 van 30.9.2004, blz. 12.

(12)  PB L 375 van 23.12.2004, blz. 12.

(13)  PB L 289 van 3.11.2005, blz. 15.