ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 153

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

50e jaargang
14 juni 2007


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Verordening (EG) nr. 650/2007 van de Commissie van 13 juni 2007 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

1

 

*

Verordening (EG) nr. 651/2007 van de Commissie van 8 juni 2007 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

3

 

*

Verordening (EG) nr. 652/2007 van de Commissie van 8 juni 2007 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

6

 

*

Verordening (EG) nr. 653/2007 van de Commissie van 13 juni 2007 betreffende het gebruik van een gemeenschappelijk Europees formaat voor veiligheidscertificaten en aanvraagdocumenten overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad en betreffende de geldigheid van overeenkomstig Richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad afgegeven veiligheidscertificaten ( 1 )

9

 

 

Verordening (EG) nr. 654/2007 van de Commissie van 13 juni 2007 betreffende de afgifte van invoercertificaten voor vers, gekoeld of bevroren rundvlees van hoge kwaliteit

25

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Commissie

 

 

2007/407/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 12 juni 2007 betreffende een geharmoniseerde monitoring van de antimicrobiële resistentie van salmonella bij pluimvee en varkens (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 2421)  ( 1 )

26

 

 

III   Besluiten op grond van het EU-Verdrag

 

 

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL VI VAN HET EU-VERDRAG

 

 

2007/408/JBZ

 

*

Besluit van de Raad van 12 juni 2007 inzake de aanpassing van de salarissen en vergoedingen van personeelsleden van Europol

30

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

14.6.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 153/1


VERORDENING (EG) Nr. 650/2007 VAN DE COMMISSIE

van 13 juni 2007

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 14 juni 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 juni 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 386/2005 (PB L 62 van 9.3.2005, blz. 3).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 13 juni 2007 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

46,7

TR

95,5

ZZ

71,1

0707 00 05

JO

151,2

TR

94,5

ZZ

122,9

0709 90 70

TR

95,3

ZZ

95,3

0805 50 10

AR

49,7

ZA

62,9

ZZ

56,3

0808 10 80

AR

92,9

BR

81,3

CA

102,0

CL

79,7

CN

93,8

NZ

109,6

US

109,8

UY

55,1

ZA

98,3

ZZ

91,4

0809 10 00

IL

155,5

TR

204,2

ZZ

179,9

0809 20 95

TR

352,5

US

308,9

ZZ

330,7

0809 40 05

CL

134,4

IL

204,2

ZZ

169,3


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „andere oorsprong”.


14.6.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 153/3


VERORDENING (EG) Nr. 651/2007 VAN DE COMMISSIE

van 8 juni 2007

tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (1), en met name op artikel 9, lid 1, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om de uniforme toepassing te waarborgen van de gecombineerde nomenclatuur die als bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 is gevoegd, dienen bepalingen te worden vastgesteld voor de indeling van het in de bijlage bij de onderhavige verordening opgenomen goed.

(2)

Bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 zijn de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur vastgesteld. Deze regels zijn ook van toepassing op iedere andere nomenclatuur die, geheel of gedeeltelijk of met toevoeging van onderverdelingen, de gecombineerde nomenclatuur overneemt en die bij specifieke communautaire voorschriften is vastgesteld voor de toepassing van tarief- of andere maatregelen in het kader van het goederenverkeer.

(3)

Met toepassing van genoemde algemene regels, dient het in kolom 1 van de tabel omschreven goed dat is opgenomen in de bijlage bij deze verordening te worden ingedeeld onder de daarmee corresponderende GN-code die is vermeld in kolom 2, op grond van de motiveringen die zijn opgenomen in kolom 3 van voornoemde tabel.

(4)

Het is wenselijk dat, onder voorbehoud van de in de Gemeenschap van kracht zijnde maatregelen inzake dubbele controle en communautair toezicht, vooraf en achteraf, op de invoer van textielproducten in de Gemeenschap, door de rechthebbende op een door de douaneautoriteiten van de lidstaten verstrekte bindende tariefinlichting betreffende de indeling van goederen in de gecombineerde nomenclatuur die niet in overeenstemming is met de bepalingen van onderhavige verordening, een beroep kan worden gedaan, gedurende 60 dagen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (2).

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het goed omschreven in kolom 1 van de in de bijlage opgenomen tabel wordt in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder de corresponderende GN-code vermeld in kolom 2 van voornoemde tabel.

Artikel 2

Onder voorbehoud van de in de Gemeenschap van kracht zijnde maatregelen inzake dubbele controle en communautair toezicht, vooraf en achteraf, op de invoer van textielproducten in de Gemeenschap, kan op de door de douaneautoriteiten van de lidstaten verstrekte bindende tariefinlichting die niet in overeenstemming is met de bepalingen van onderhavige verordening, gedurende 60 dagen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92, een beroep worden gedaan.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 juni 2007.

Voor de Commissie

László KOVÁCS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 580/2007 (PB L 138 van 30.5.2007, blz. 1).

(2)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 van de Raad (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).


BIJLAGE

Omschrijving

Indeling

GN-code

Motivering

(1)

(2)

(3)

1.

Lichtgewicht kledingstuk voor dames bedoeld om het lichaam te bedekken tot en met het kruis, vervaardigd van effen breiwerk van synthetische vezels (80 % polyamide en 20 % elastaan); de stof bevat geen rubberdraad.

Het kledingstuk is voorzien van 8 mm brede stroken van gevulcaniseerd rubber (post 4008), die in de halsuitsnijding, de armsgaten en beenopeningen zijn gestikt.

Het kledingstuk heeft met beugels voorgevormde cups zoals een bustehouder, een gevoerd inzetstuk, verstelbare schouderbandjes en hoog uitgesneden openingen voor de benen.

(badpak)

(Zie foto nr. 641) (1)

6112 41 90

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de tekst van de GN-codes 6112, 6112 41 en 6112 41 90.

Aangezien het rubber is toegevoegd aan het kledingstuk, maar niet is ingesloten in de stof waaruit het kledingstuk is vervaardigd, kan dit kledingstuk niet worden ingedeeld onder postonderverdeling 6112 41 10 (badpakken voor dames of meisjes, van synthetische vezels bevattende 5 of meer gewichtspercenten rubberdraden).

Gelet op de algemene verschijningsvorm, de snit en het materiaal van de stof, voldoet het kledingstuk aan de criteria voor de indeling van badpakken voor dames of meisjes, gemaakt van synthetische vezels (GN-code 6112 41 90 — andere).

2.

Gewatteerd artikel van textiel samengesteld uit twee lagen weefsel van textiel (100 % katoen) samen gestikt met een tussenlaag van watten.

Het geconfectioneerde artikel is aan elkaar genaaid en heeft de volgende eigenschappen:

Het artikel is ongeveer 90 cm lang en heeft een nauwsluitende kraag. Het heeft een opening aan de voorzijde voorzien van een ritssluiting met een lengte van ongeveer 68 cm. Bij de taille is een elastische insnoering aangebracht. Het bovendeel van het artikel beschikt over armsgaten en de zij- en onderkanten zijn volledig gesloten. De snit van het bovendeel geeft het kledingstuk zijn lichaamsvorm.

(trappelzak voor kinderen)

(Zie foto nr. 640) (1)

6211 42 90

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, aantekening 7 op afdeling XI, aantekening 8 op hoofdstuk 62 en de tekst van de GN-codes 6211, 6211 42 en 6211 42 90.

Volgens aantekening 4 a) op hoofdstuk 62 kan dit artikel niet als „babykleding” worden aangemerkt aangezien het bestemd is voor jonge kinderen met een lichaamslengte van meer dan 86 cm. Daarom is het uitgezonderd van post 6209.

Gelet op de GN-toelichting op post 6111, waarin trappelzakken voor baby’s met armsgaten of mouwen als kledingstukken worden aangemerkt, moet dit artikel, dat op dezelfde manier is ontworpen als die voor baby’s (het bovendeel heeft de snit van een kledingstuk) maar alleen groter van formaat is, ook als kledingstuk worden aangemerkt.

Gelet op de snit van het bovendeel, wordt het artikel aangemerkt als een kledingstuk van afdeling XI en niet als een artikel voor bedden en dergelijke. Daarom is het uitgezonderd van post 9404.

Aangezien er in de hoofdstukken kleding- en kledingtoebehoren geen specifieke post voor dit soort artikelen is, moet het als „andere kleding” worden ingedeeld.

3.

Een artikel van textiel bestemd voor stoffering van motorvoertuigen. Het is bedoeld om op stoelen van motorvoertuigen te worden aangebracht en bestaat uit meerdere lagen materiaal, waarvan de buitenlagen gemaakt zijn van weefsel (katoen) en een tussenlaag van gebonden textielvlies, die dient als vulling.

(stoelbekleding)

(Zie foto nr. 642) (1)

6304 92 00

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, en de tekst van de GN-codes 6304 en 6304 92 00.

Zie de GS-toelichtingen bij post 6304, waarin wordt vermeld dat deze post artikelen van textiel voor stoffering van motorvoertuigen omvat.

Dit artikel is geen onderdeel van een autostoel, maar toebehoren voor de stoel en kan daarom niet worden ingedeeld onder post 9401. Zie ook de GS-toelichtingen bij post 9401, delen.

Omdat dit artikel ontworpen is om te worden gebruikt in motorvoertuigen, kan het niet worden aangemerkt als een artikel voor bedden en dergelijke. Daarom is het uitgezonderd van post 9404.

Image

Image

Image


(1)  De foto’s dienen slechts ter informatie.


14.6.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 153/6


VERORDENING (EG) Nr. 652/2007 VAN DE COMMISSIE

van 8 juni 2007

tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (1), en met name op artikel 9, lid 1, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om de uniforme toepassing te waarborgen van de gecombineerde nomenclatuur die als bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 is gevoegd, dienen bepalingen te worden vastgesteld voor de indeling van de in de bijlage bij de onderhavige verordening opgenomen goederen.

(2)

Bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 zijn de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur vastgesteld. Deze regels zijn ook van toepassing op iedere andere nomenclatuur die, geheel of gedeeltelijk of met toevoeging van onderverdelingen, de gecombineerde nomenclatuur overneemt en die bij specifieke communautaire voorschriften is vastgesteld voor de toepassing van tarief- of andere maatregelen in het kader van het goederenverkeer.

(3)

Met toepassing van genoemde algemene regels, dienen de in kolom 1 van de tabel omschreven goederen die zijn opgenomen in de bijlage bij deze verordening te worden ingedeeld onder de daarmee corresponderende GN-codes die zijn vermeld in kolom 2, op grond van de motiveringen die zijn opgenomen in kolom 3 van voornoemde tabel.

(4)

Het is wenselijk dat een beroep kan worden gedaan op een door de douaneautoriteiten van de lidstaten verstrekte bindende tariefinlichting betreffende de indeling van goederen in de gecombineerde nomenclatuur die niet in overeenstemming is met de bepalingen van onderhavige verordening, door de rechthebbende, gedurende drie maanden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (2).

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De goederen omschreven in kolom 1 van de in de bijlage opgenomen tabel worden in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder de corresponderende GN-codes vermeld in kolom 2 van voornoemde tabel.

Artikel 2

Op de door de douaneautoriteiten van de lidstaten verstrekte bindende tariefinlichting die niet in overeenstemming is met de bepalingen van de onderhavige verordening, kan gedurende drie maanden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92, een beroep worden gedaan.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 juni 2007.

Voor de Commissie

László KOVÁCS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 580/2007 (PB L 138 van 30.5.2007, blz. 1).

(2)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).


BIJLAGE

Omschrijving

Indeling

(GN-code)

Motivering

(1)

(2)

(3)

1.

Een replica van een specifieke mobiele telefoon (een zogenaamd „proefmodel”).

Het product is hoofdzakelijk vervaardigd uit kunststof. Het heeft geen elektronische componenten.

De grootte, het ontwerp en het gewicht zijn identiek aan de kenmerken van het specifieke model.

Het is uitgerust met knoppen die het gevoel geven dat er op echte knoppen wordt gedrukt.

3926 90 97

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en op basis van de tekst van de GN-codes 3926, 3926 90 en 3926 90 97.

Door de bouw en het feit dat het niet de functies van een mobiele telefoon bezit, is het uitgesloten van indeling onder post 8517.

Hoewel het product uiterlijk een model van een specifieke mobiele telefoon is, (uitgerust met knoppen die het gevoel van een mobiele telefoon geven, bezit het geen andere eigenschap of kenmerk van het desbetreffende model. De enige bedoeling ervan is te laten zien hoe die specifieke mobiele telefoon er in het echt uitziet. Daarom is indeling onder post 9023 uitgesloten.

Het product moet worden ingedeeld naar aard en samenstelling (kunststof).

2.

Een zogenaamd „zelfopblaasbaar matras” bestemd voor gebruik buitenshuis, met de volgende afmetingen: 185 cm (L), 66 cm (B) en 3,8 cm (H).

De buitenzijde van het artikel bestaat uit een textielweefsel van kunstmatige vezels en is aan de binnenzijde voorzien van een kunststoflaag. Het geheel bevat een vel (ongeveer 3,5 cm dik) van polyurethaan met open cellen.

De buitenzijde van het artikel heeft een oppervlak dat de wrijving met andere producten (bv. slaapzakken) verhoogt, is duurzaam en bestand tegen vuil, vochtigheid en leeglopen door een lek.

Het is uitgerust met een ventiel waardoor er bij uitrollen lucht in en bij oprollen lucht uit kan.

6306 40 00

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en op basis van de tekst van de GN-codes 6306 en 6306 40 00.

Het product is gezien zijn objectieve kenmerken (wrijving, vuilafstotendheid, duurzaamheid) en het feit dat het is bedoeld voor gebruik buitenshuis, een kampeerartikel.

Het product is uitgesloten van indeling onder hoofdstuk 94 omdat het een luchtbed is (zie aantekening 1 onder a) op hoofdstuk 94).

Het product moet worden ingedeeld bij onderverdeling 6306 40 00 als kampeerartikel zijnde een luchtbed van textiel.

3.

Vaartuig van het type „catamaran”, ontworpen voor het vervoer van personen.

Het heeft een lengte van ongeveer 49 m en een maximumsnelheid van 34 knopen (ongeveer 63 km per uur). Het kan maximaal 600 passagiers vervoeren.

Het is ontworpen om te varen op rivieren, in riviermondingen of in kustwateren. Het is echter zo ontworpen dat het op open zee mag varen echter zonder passagiers.

Het is niet gebouwd om passagiers verder dan 20 zeemijl (ongeveer 37 km) uit de kust te vervoeren.

8901 10 90

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en op basis van de tekst van de GN-codes 8901, 8901 10 en 8901 10 90.

De catamaran is een vaartuig ontworpen voor het vervoer van passagiers op rivieren, in riviermondingen of in kustwateren. Omdat het niet is gebouwd om passagiers verder dan een bepaalde afstand van de kust te vervoeren, is het geen vaartuig voor het „vervoer van personen” over zee. Het kan daarom niet worden aangemerkt als een „schip ontworpen en gebouwd voor de vaart in volle zee” (zie aanvullende aantekening 1 bij hoofdstuk 89).

4.

Een verkleind model (schaalmodel) van een voetbalstadion, hoofdzakelijk gemaakt van kunststof op een voetplaat van vezelplaat.

Er zijn geen beweegbare delen.

9503 00 95

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en op basis van de tekst van de GN-codes 9503 00 en 9503 00 95.

Het product kan niet worden ingedeeld onder post 9023 omdat het niet is ontworpen voor demonstratieve doeleinden.

Het kan niet worden ingedeeld naar de aard en samenstelling omdat het gaat om een verkleind model (schaalmodel) voor ontspanningsdoeleinden van post 9503. Dergelijke modellen kunnen niet werken of zijn enkel bestemd voor uit te stallen of te bekijken en behoeven niet ontworpen te zijn als speelgoed.


14.6.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 153/9


VERORDENING (EG) Nr. 653/2007 VAN DE COMMISSIE

van 13 juni 2007

betreffende het gebruik van een gemeenschappelijk Europees formaat voor veiligheidscertificaten en aanvraagdocumenten overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad en betreffende de geldigheid van overeenkomstig Richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad afgegeven veiligheidscertificaten

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, en van Richtlijn 2001/14/EG van de Raad inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering (Spoorwegveiligheidsrichtlijn) (1), en met name op artikel 15,

Gelet op Verordening (EG) nr. 881/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 tot oprichting van een Europees Spoorwegbureau (Spoorwegbureauverordening) (2), en met name op artikel 7,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De voorschriften voor veiligheidscertificaten van spoorwegondernemingen zijn in detail uiteengezet in Richtlijn 2004/49/EG inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen. In artikel 10 van die richtlijn is bepaald dat spoorwegondernemingen in het bezit moeten zijn van een veiligheidscertificaat om toegang te krijgen tot de spoorweginfrastructuur. Het veiligheidscertificaat toont aan dat de spoorwegonderneming in kwestie een systeem voor veiligheidsbeheer heeft opgezet en voldoet aan de eisen van de technische specificaties inzake interoperabiliteit die zijn vastgesteld bij Richtlijn 96/48/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de interoperabiliteit van het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem (3), Richtlijn 2001/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2001 betreffende de interoperabiliteit van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem (4), en andere Gemeenschapswetgeving, en in nationale regels voor risicobeheersing en veilige exploitatie van het spoornet.

(2)

De lidstaten moeten inspanningen leveren om bijstand te verlenen aan aanvragers die als spoorwegonderneming toegang willen krijgen tot de markt, en ze moeten met name informatie verstrekken en onmiddellijk reageren op aanvragen voor veiligheidscertificaten. Voor spoorwegondernemingen die internationale diensten exploiteren, is het belangrijk dat de procedures voor veiligheidscertificering gelijk zijn in alle lidstaten; de gemeenschappelijke delen van het veiligheidscertificaat worden dan ook geharmoniseerd tot een gemeenschappelijk model. Artikel 15 van Richtlijn 2004/49/EG voorziet reeds in de harmonisering van veiligheidscertificaten. In artikel 15 van Verordening (EG) nr. 881/2004 is bepaald dat het Spoorwegbureau een geharmoniseerd model voor het veiligheidscertificaat ontwikkelt, met inbegrip van een elektronische versie, en een geharmoniseerd model voor het aanvragen van veiligheidscertificaten, met inbegrip van een lijst van de belangrijkste over te leggen gegevens.

(3)

Overeenkomstig artikel 33 van Richtlijn 2004/49/EG doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 30 april 2006 aan deze richtlijn te voldoen. Aangezien veiligheidscertificaten vanaf die datum overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2004/49/EG worden toegekend, moeten onverwijld maatregelen worden genomen om deze veiligheidscertificaten te harmoniseren, zodat de lidstaten zo snel mogelijk op geharmoniseerde wijze kunnen optreden.

(4)

In artikel 10 van Richtlijn 2004/49/EG is bepaald dat veiligheidscertificaten uit twee delen bestaan: een deel waarin wordt gecertificeerd dat het veiligheidsbeheersysteem van de spoorwegonderneming in de hele Gemeenschap wordt goedgekeurd (A-certificaat), en een tweede deel waarin wordt gecertificeerd dat de voorzieningen die de spoorwegonderneming heeft getroffen om te voldoen aan specifieke eisen om veilig op het betrokken net te kunnen opereren, zijn goedgekeurd (B-certificaat). De in deze verordening vervatte richtsnoeren en geharmoniseerde aanvraagdocumenten voor veiligheidscertificaten verschaffen spoorwegondernemingen en nationale veiligheidsinstanties advies over wat de aanvragen voor elk deel van het veiligheidscertificaat moeten omvatten.

(5)

Overeenkomstig artikel 10, lid 6, van Richtlijn 2004/49/EG stellen nationale veiligheidsinstanties het Bureau in kennis van de veiligheidscertificaten die overeenkomstig de bepalingen van artikel 10, lid 2, onder a), van die richtlijn zijn afgegeven (A-certificaten). Overeenkomstig artikel 11, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 881/2004 moet het bureau echter een openbaar gegevensbestand bijhouden van alle veiligheidscertificaten die overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2004/49/EG zijn afgegeven. Dit betekent dat het Bureau verplicht is zowel A- als B-certificaten te publiceren. Om dit mogelijk te maken moeten de lidstaten het Bureau in kennis stellen van overeenkomstig artikel 10, lid 2, onder b) van Richtlijn 2004/49/EG afgegeven B-certificaten en van A-certificaten.

(6)

De nationale veiligheidsinstanties kunnen het Bureau op drie manieren in kennis stellen van de afgifte, vernieuwing, wijziging of intrekking van veiligheidscertificaten: door gebruik te maken van de internettoepassing van het Bureau, door een elektronisch bestand van het veiligheidscertificaat in te dienen of door het veiligheidscertificaat naar het Bureau te faxen. Om het gebruik van het standaardformulier te vergemakkelijken en om te garanderen dat de meest recente versie van de formulieren wordt gebruikt, wordt nationale veiligheidsinstanties aanbevolen het elektronische formulier op de website van het Bureau te gebruiken of de elektronische bestanden of hoofddocumenten van die website te downloaden. De voorkeur gaat naar het gebruik van de elektronische internetformulieren omdat deze documenten rechtstreeks in de databank van het Bureau kunnen worden opgeslagen. Het indienen van een elektronisch bestand verdient eveneens aanbeveling omdat het Bureau deze documenten als gecodificeerde bestanden kan opslaan en rechtstreeks naar de veiligheidsdatabank van het Bureau kan zenden.

(7)

Elk veiligheidscertificaat dat door de lidstaten wordt afgegeven krijgt een uniek nummer; dit nummer vereenvoudigt ook de methode voor de opslag van het veiligheidscertificaat in de door het Bureau op te zetten openbare databank.

(8)

Om onnodige financiële en administratieve last te voorkomen zij erop gewezen dat spoorwegondernemingen die overeenkomstig Richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering (5) een veiligheidscertificaat hebben gekregen, vóór 1 januari 2011 geen nieuw certificaat dienen aan te vragen. De bestaande veiligheidscertificaten blijven geldig zolang aan de geldigheidsvoorwaarden is voldaan; als niet meer aan een van de voorwaarden is voldaan (bv. als het certificaat is verstreken of als de geografische werkingssfeer is veranderd) moet een nieuw veiligheidscertificaat worden aangevraagd. Dit sluit echter niet uit dat spoorwegondernemingen die overeenkomstig Richtlijn 2001/14/EG een veiligheidscertificaat hebben gekregen, een certificaat in het nieuwe geharmoniseerde formaat mogen aanvragen. Deze kwestie is overeenkomstig artikel 28, lid 1, van Richtlijn 2004/49/EG onder de aandacht van de Commissie gebracht.

(9)

De maatregelen van deze verordening zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 21 van Richtlijn 96/48/EG opgezette comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Certificaten die worden afgegeven overeenkomstig artikel 10, lid 2, onder a), van Richtlijn 2004/49/EG (A-certificaten) volgen het in bijlage I bij deze verordening uiteengezette standaardformaat.

Dat formaat wordt gebruikt telkens als een A-certificaat wordt afgegeven, vernieuwd, bijgewerkt, gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 2

Certificaten die worden afgegeven overeenkomstig artikel 10, lid 2, onder b), van Richtlijn 2004/49/EG (B-certificaten) volgen het in bijlage II bij deze verordening uiteengezette standaardformaat.

Dat formaat wordt gebruikt telkens als een B-certificaat wordt afgegeven, vernieuwd, bijgewerkt, gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 3

Aanvragen voor veiligheidscertificaten die zijn ingediend overeenkomstig de artikelen 10 en 12 van Richtlijn 2004/49/EG volgen het in bijlage III bij deze verordening uiteengezette standaardformaat.

Het aanvraagformulier wordt overeenkomstig de in bijlage III bij deze verordening uiteengezette richtsnoeren ingevuld.

Artikel 4

Aan elk veiligheidscertificaat wordt een uniek nummer toegekend, overeenkomstig het in bijlage IV bij deze verordening beschreven protocol.

Artikel 5

De veiligheidsinstantie stelt het Bureau in kennis van de afgifte, vernieuwing, wijziging of intrekking van alle A- en B-certificaten die overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Richtlijn 2004/49/EG zijn afgegeven.

Artikel 6

Alle overeenkomstig Richtlijn 2001/14/EG afgegeven veiligheidscertificaten worden vervangen door veiligheidscertificaten die uiterlijk op 1 januari 2011 overeenkomstig Richtlijn 2004/49/EG en de onderhavige verordening worden afgegeven.

De wijziging, bijwerking of vernieuwing van een overeenkomstig Richtlijn 2001/14/EG afgegeven veiligheidscertificaat gebeurt overeenkomstig de onderhavige verordening en Richtlijn 2004/49/EG.

Spoorwegondernemingen die al houder zijn van een overeenkomstig Richtlijn 2001/14/EG afgegeven veiligheidscertificaat hebben het recht bij de nationale veiligheidsinstantie een nieuw certificaat aan te vragen dat overeenkomstig de onderhavige verordening en Richtlijn 2004/49/EG wordt afgegeven.

Artikel 7

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 juni 2007.

Voor de Commissie

Jacques BARROT

Vicevoorzitter


(1)  PB L 164 van 30.4.2004, blz. 44, gerectificeerd in PB L 220 van 21.6.2004, blz. 16.

(2)  PB L 164 van 30.4.2004, blz. 1, gerectificeerd in PB L 220 van 21.6.2004, blz. 3.

(3)  PB L 235 van 17.9.1996, blz. 6. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG van het Europees Parlament en de Raad (PB L 164 van 30.4.2004, blz. 114, gerectificeerd in PB L 220 van 21.6.2004, blz. 40).

(4)  PB L 110 van 20.4.2001, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG.

(5)  PB L 75 van 15.3.2001, blz. 29. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/49/EG.


BIJLAGE I

Image


BIJLAGE II

Image


BIJLAGE III

Standaard aanvraagformulier en richtsnoeren

Image

AANVRAAG VEILIGHEIDSCERTIFICAAT

Image

Image

Image

Image

VOORBLAD VOOR BIJLAGEN BIJ HET AANVRAAGFORMULIER

Image

Image

RICHTSNOEREN VOOR HET INVULLEN

Informatie die op de aanvraagformulieren voor A- of B-veiligheidscertificaten moet worden ingevuld

INLEIDING

Dit aanvraagformulier moet worden gebruikt door spoorwegondernemingen (ook „de aanvrager” genoemd) die een aanvraag indienen voor een A- of B-veiligheidscertificaat (artikel 10, lid 1, van Richtlijn 2004/49/EG). Tenzij anders vermeld, wordt in dit document verwezen naar artikelen van Richtlijn 2004/49/EG.

Wanneer spoorwegondernemingen die een aanvraag indienen voor een of beide certificaten gebruikmaken van dit aanvraagformulier om hun verzoek in te dienen bij de veiligheidsinstantie/-organisatie die bevoegd is voor de afgifte van deze certificaten, kan de instantie het verzoek onmiddellijk en in elk geval binnen de in artikel 12, lid 1, gestelde termijnen behandelen.

De spoorwegonderneming moet alle velden van het formulier invullen en alle toepasselijke informatie verstrekken.

A- en B-veiligheidscertificaten

Via dit document kan een spoorwegonderneming een aanvraag indienen voor zowel een A- als een B-veiligheidscertificaat, of voor een van beide; het formulier kan worden gebruikt om een nieuw, vernieuwd of bijgewerkt/gewijzigd A- en/of B-certificaat aan te vragen (zoals bepaald in artikel 10, lid 5).

Het is mogelijk om alleen een nieuw A-certificaat aan te vragen en later, via een tweede aanvraag, het eerste B-certificaat aan te vragen.

Wanneer alleen een aanvraag voor een B-certificaat wordt gedaan, moet de aanvrager al houder zijn van een geldig A-certificaat.

Type en omvang van spoorwegactiviteiten

Overeenkomstig artikel 10, lid 5, wordt een veiligheidscertificaat geheel of gedeeltelijk bijgewerkt wanneer de soort of omvang van de activiteit ingrijpend verandert. De houder van het veiligheidscertificaat stelt de bevoegde veiligheidsinstantie onverwijld in kennis van alle belangrijke wijzigingen in de voorwaarden van het betrokken gedeelte van het veiligheidscertificaat. Het is dan ook belangrijk dat de spoorwegondernemingen het „type” en de „omvang” van de spoorwegdiensten vaststellen en de veiligheidsinstantie daarvan in kennis stellen.

„Type” en „omvang” vormen de basis voor de communautaire geldigheid van het A-certificaat en voor de definitie van „gelijkwaardige spoorwegvervoersactiviteiten” (artikel 10, lid 3) in de hele Gemeenschap.

Met „type” dienst wordt passagiersvervoer, inclusief en exclusief hogesnelheidsdiensten, goederenvervoer, inclusief en exclusief diensten met betrekking tot gevaarlijke goederen, en rangeerdiensten bedoeld. Met „omvang” van de dienst en van de spoorwegonderneming wordt het volume aan passagiers/goederen en de geraamde omvang van de spoorwegonderneming in termen van werknemers in de spoorwegsector bedoeld (micro, klein, middelgroot, groot).

Het „type” en de „omvang” van diensten voor alle B-certificaten, die door dezelfde spoorwegonderneming in een of meer landen worden uitgevoerd, moeten onder het „type” en de „omvang” van de diensten van het A certificaat vallen.

Alle informatie in de velden 2.6 tot 2.19 en 3.6 tot 3.16 is noodzakelijk om na te gaan of de diensten die in het kader van het aangevraagde veiligheidscertificaat zullen worden uitgevoerd al dan niet gelijkwaardig zijn aan andere spoorwegactiviteiten die al door de aanvrager zijn uitgevoerd in het kader van geldige certificaten waarvan hij eerder al houder was.

AANVULLENDE INFORMATIE

Bladzijde 3 van het aanvraagformulier is bedoeld als herinnering aan de documenten die samen met elke aanvraag moeten worden ingediend. Deze bladzijde dient als referentielijst voor de aanvrager en de organisatie/instantie die de certificaten afgeeft en moet daarom als voorblad van de bijlagen bij het aanvraagformulier worden gebruikt (elk vakje moet volgens het specifieke geval worden aangevinkt).

Om het invullen en het maken van verwijzingen te vergemakkelijken, is elk veld van het aanvraagformulier genummerd en toegelicht op de volgende bladzijden.

De persoon die bevoegd is om het aanvraagformulier in te dienen bij de veiligheidsorganisatie/-instantie dient het formulier op de daartoe bestemde plaats te ondertekenen. De naam van deze persoon moet ook voluit worden geschreven.

TOELICHTING EN GEBRUIKSINSTRUCTIES

1.1.-1.2.

Naam en adres van de veiligheidsinstantie/-organisatie waar de aanvraag naartoe wordt gestuurd. Bijgewerkte informatie kan onder meer worden gevonden op de website van het Europees Spoorwegbureau (www.era.eu.int) of de website van de veiligheidsorganisatie/-instantie die het certificaat afgeeft (voor zover van toepassing).

2.1.

In dit veld moet worden gespecificeerd of het ingediende aanvraagformulier betrekking heeft op een A-veiligheidscertificaat. In dat geval moet aanvullende informatie worden verstrekt (door het aanvinken van de vakjes) om het type en de omvang van de diensten van de spoorwegonderneming te bepalen.

2.2.

De aanvrager moet dit vakje aanvinken in de volgende gevallen:

A)

als hij voor de eerste keer een A-veiligheidscertificaat aanvraagt;

B)

als het vorige veiligheidscertificaat, voor diensten van hetzelfde type en dezelfde omvang, is ingetrokken;

C)

in alle andere gevallen die niet onder de velden 2.3 en 2.4 vallen.

2.3.

Het veiligheidscertificaat wordt op verzoek van de spoorwegonderneming en ten minste om de vijf jaar vernieuwd (artikel 10, lid 5).

2.4.

Het veiligheidscertificaat wordt geheel of gedeeltelijk bijgewerkt wanneer de soort of omvang van de activiteit ingrijpend verandert. In dat geval moet een bijgewerkt/gewijzigd certificaat worden aangevraagd; bovendien moet de houder van het veiligheidscertificaat onverwijld de bevoegde instantie in kennis stellen van alle belangrijke wijzigingen in de voorwaarden van het betrokken gedeelte van het veiligheidscertificaat. Voorts neemt hij contact op met de bevoegde veiligheidsinstantie wanneer nieuwe categorieën personeel of nieuwe soorten rollend materieel worden geïntroduceerd. (artikel 10, lid 5).

2.5.

Vermeld, voor zover van toepassing, het volledige EU-identificatienummer van het vorige A-veiligheidscertificaat met betrekking tot het aanvraagformulier dat bij de in de velden 1.1 en 1.2 vermelde veiligheidsinstantie/-organisatie wordt ingediend.

2.6.-2.7.

Wanneer de aanvraag ook/alleen betrekking heeft op passagiersdiensten moet door het aanvinken van het passende vakje worden gespecificeerd of de activiteiten al dan niet hogesnelheidsdiensten omvatten, waarbij slechts één mogelijkheid mag worden geselecteerd. De geselecteerde optie (2.6 of 2.7) omvat echter ook alle andere typen passagiersvervoer (bv. regionaal, over korte, middellange of lange afstand enz.), en alle andere diensten die nodig zijn om de diensten waarvoor een veiligheidscertificaat wordt gevraagd te kunnen uitvoeren (rangeeractiviteiten enz.). Voor de definitie van hogesnelheidsdiensten wordt verwezen naar bijlage I bij Richtlijn 96/48/EG.

2.8.-2.9.

Wanneer een aanvraag voor passagiersdiensten (2.6 of 2.7) wordt gedaan, moet door het aanvinken van het passende vakje het geraamde huidige of geplande volume (in passagierskilometers per jaar) van de diensten worden gespecificeerd, waarbij slechts één mogelijkheid mag worden geselecteerd. De categorieën in kwestie zijn in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1192/2003 betreffende de statistieken van het spoorvervoer.

2.10.-2.11.

Wanneer de aanvraag ook/alleen betrekking heeft op goederendiensten moet door het aanvinken van het passende vakje worden gespecificeerd of de activiteiten al dan niet het vervoer van gevaarlijke goederen omvatten, waarbij slechts één mogelijkheid mag worden geselecteerd. De geselecteerde optie (2.10 of 2.11) omvat echter ook alle andere typen goederenvervoer die niet expliciet zijn vermeld en alle andere diensten die nodig zijn om de goederendiensten waarvoor een veiligheidscertificaat wordt aangevraagd te kunnen uitvoeren (rangeeractiviteiten enz.). Voor de definities van gevaarlijke goederen wordt verwezen naar Richtlijn 96/49/EG en bijlagen.

Exploitanten die goederenvervoersdiensten voor interne spoorwegbehoeften uitvoeren, vallen binnen het toepassingsgebied van de categorie goederenvervoer (bv. bedrijven die de sporen onderhouden en die machines van de ene site naar de andere moeten vervoeren, of bedrijven die meettreinen exploiteren).

2.12.-2.13.

Wanneer een aanvraag voor goederendiensten (2.10 of 2.11) wordt gedaan, moet door het aanvinken van het passende vakje het geraamde huidige of geplande volume (in tonkilometers per jaar) van de diensten worden gespecificeerd, waarbij slechts één mogelijkheid mag worden geselecteerd. De categorieën in kwestie zijn in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1192/2003 betreffende de statistieken van het spoorvervoer.

2.14.

Wanneer de aanvrager voornemens is uitsluitend rangeeractiviteiten uit te voeren, zonder passagiers- of goederenvervoer, moet dit vakje worden aangevinkt.

2.15.

Vermeld hier de datum waarop de exploitatie van de diensten waarvoor de aanvraag wordt ingediend (passagiersdiensten, goederendiensten, uitsluitend rangeeractiviteiten) zal beginnen, in het geval van een vernieuwd of bijgewerkt/gewijzigd certificaat, de datum waarop het certificaat van kracht wordt en het vorige certificaat vervangt.

2.16.

Als het aantal werknemers dat actief is in de spoorwegsector of betrokken is bij spoorwegactiviteiten en aanverwante activiteiten, inclusief de aannemers, tussen 0 (d.w.z. dat de ondernemer zelf de enige werknemer is) en 9 ligt, moet de optie „micro-onderneming” worden geselecteerd. Voor de omvang van de ondernemingen wordt verwezen naar de door het DG ENTR gebruikte definities. Slechts één van de mogelijkheden (2.16-2.17-2.18-2.19) mag worden gekozen.

2.17.

Als het aantal werknemers dat actief is in de spoorwegsector of betrokken is bij spoorwegactiviteiten en aanverwante activiteiten, inclusief de aannemers, tussen 10 en 49 ligt, moet de optie „kleine onderneming” worden geselecteerd. Voor de omvang van de ondernemingen wordt verwezen naar de door het DG ENTR gebruikte definities. Slechts één van de mogelijkheden (2.16-2.17-2.18-2.19) mag worden gekozen.

2.18.

Als het aantal werknemers dat actief is in de spoorwegsector of betrokken is bij spoorwegactiviteiten en aanverwante activiteiten, inclusief de aannemers, tussen 50 en 250 ligt, moet de optie „middelgrote onderneming” worden geselecteerd. Voor de omvang van de ondernemingen wordt verwezen naar de door het DG ENTR gebruikte definities. Slechts één van de mogelijkheden (2.16-2.17-2.18-2.19) mag worden gekozen.

2.19.

Als het aantal werknemers dat actief is in de spoorwegsector of betrokken is bij spoorwegactiviteiten en aanverwante activiteiten, inclusief de aannemers, meer dan 250 bedraagt, moet de optie „grote onderneming” worden geselecteerd. Voor de omvang van de ondernemingen wordt verwezen naar de door het DG ENTR gebruikte definities. Slechts één van de mogelijkheden (2.16-2.17-2.18-2.19) mag worden gekozen.

3.1.

In dit veld moet worden gespecificeerd of het ingediende aanvraagformulier betrekking heeft op een B-veiligheidscertificaat. In dat geval moet aanvullende informatie worden verstrekt (door het aanvinken van de vakjes) om het type en de omvang van de diensten van de spoorwegonderneming te bepalen.

3.2.

De aanvrager moet dit vakje aanvinken in de volgende gevallen:

A)

als de aanvraag betrekking heeft op het eerste of om het even welk ander nieuw B-veiligheidscertificaat;

B)

als het vorige veiligheidscertificaat, voor diensten van hetzelfde type en dezelfde omvang, is ingetrokken;

C)

in alle andere gevallen die niet onder de velden 3.3 en 3.4 vallen.

3.3.

Het veiligheidscertificaat wordt op verzoek van de spoorwegonderneming en ten minste om de vijf jaar vernieuwd (artikel 10, lid 5).

3.4.

Het veiligheidscertificaat wordt geheel of gedeeltelijk bijgewerkt wanneer de soort of omvang van de activiteit ingrijpend verandert. In dat geval moet een bijgewerkt/gewijzigd certificaat worden aangevraagd; bovendien moet de houder van het veiligheidscertificaat onverwijld de bevoegde instantie in kennis stellen van alle belangrijke wijzigingen in de voorwaarden van het betrokken gedeelte van het veiligheidscertificaat. Voorts neemt hij contact op met de bevoegde veiligheidsinstantie wanneer nieuwe categorieën personeel of nieuwe soorten rollend materieel worden geïntroduceerd. (artikel 10, lid 5).

3.5.

Vermeld, voor zover van toepassing, het volledige EU-identificatienummer van het vorige B-veiligheidscertificaat met betrekking tot het aanvraagformulier dat bij de in de velden 1.1 en 1.2 vermelde veiligheidsinstantie/-organisatie wordt ingediend.

3.6.-3.7.

Zie 2.6-2.7 hierboven.

3.8.-3.9.

Zie 2.8-2.9 hierboven.

3.10.-3.11.

Zie 2.10-2.11 hierboven.

3.12.-3.13.

Zie 2.12-2.13 hierboven.

3.14.

Zie 2.14 hierboven.

3.15.

Zie 2.15 hierboven.

3.16.

Een B-veiligheidscertificaat kan het gehele spoorwegnet van een lidstaat dan wel een bepaald deel daarvan bestrijken (artikel 10, lid 1). Daarom moeten duidelijk alle lijnen worden vermeld waarop de diensten (passagiersdiensten, goederendiensten of uitsluitend rangeerbewegingen) zullen worden geëxploiteerd. Spoorwegondernemingen moeten de benamingen/namen van de lijnen gebruiken zoals die in de „Netverklaring” (zie artikel 3 van en bijlage I bij Richtlijn 2001/14/EG) zijn vermeld. Als er niet genoeg ruimte beschikbaar is, moet de aanvrager bijlagen bij het aanvraagformulier voegen en deze bijlagen specificeren in dit veld.

3.17.

Deze informatie moet alleen worden verstrekt als de aanvraag betrekking heeft op een nieuw, vernieuwd of bijgewerkt/gewijzigd B-veiligheidscertificaat en als de aanvrager al houder is van een geldig A-certificaat. Alle instanties/organisaties die veiligheidscertificaten afgeven, kennen de EU-identificatienummers toe volgens de vaste codificatieregels van het Europees Spoorwegbureau. De hier vermelde informatie ontslaat de aanvrager niet van de verplichting om samen met de aanvraag een kopie van het A-veiligheidscertificaat in te dienen (8.1). Als het EU-identificatienummer nog niet beschikbaar is, vul dan „NIET VAN TOEPASSING” in.

3.18.

Vul hier het land in dat het A-veiligheidscertificaat heeft afgegeven (d.w.z. het land waartoe de autoriteit/organisatie die het certificaat heeft afgegeven behoort). De hier vermelde informatie ontslaat de aanvrager niet van de verplichting om samen met de aanvraag een kopie van het A-veiligheidscertificaat in te dienen (8.1).

4.1.

Deze informatie moet alleen worden verstrekt als de aanvrager houder is van een of meer geldige B-veiligheidscertificaten. In dat geval moeten de EU-identificatienummers van de al afgegeven B-veiligheidscertificaten worden gespecificeerd, gescheiden door „/”. De aanvrager hoeft geen kopie van de B-veiligheidscertificaten bij zijn aanvraag te voegen.

4.2.

Deze informatie moet alleen worden verstrekt wanneer een spoorwegonderneming die een aanvraag voor een A- of B-certificaat indient al houder is van een geldige vergunning (Richtlijn 95/18/EG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2001/13/EG). De verstrekte informatie ontslaat de aanvrager niet van de verplichting een kopie van de vergunning bij zijn aanvraag te voegen (7.2 en 8.2).

OPMERKING: een spoorwegonderneming, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2001/14/EG moet over een vergunning beschikken overeenkomstig de toepasselijke Gemeenschapswetgeving; een spoorwegonderneming, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2004/49/EG, hoeft evenwel niet altijd over een vergunning te beschikken.

4.3.

Vul hier het land in dat de vergunning heeft afgegeven (d.w.z. het land waartoe de autoriteit/organisatie die de vergunning heeft afgegeven behoort). De hier verstrekte informatie ontslaat de aanvrager niet van de verplichting een kopie van de vergunning bij zijn aanvraag te voegen (7.2 en 8.2).

5.1.

Als de „wettelijke naam” en de „naam van de spoorwegonderneming” niet dezelfde zijn, vermeld ze dan allebei.

5.2.-5.8.

Iedere aanvrager verstrekt de nodige informatie die het orgaan dat het certificaat afgeeft in staat stelt contact op te nemen met de spoorwegonderneming (vermeld het telefoonnummer van de centrale, indien van toepassing, en niet van de persoon die verantwoordelijk is voor de certificeringsprocedure; vermeld bij de telefoon- en faxnummers ook steeds de landcode; vermeld het algemene e-mailadres van de spoorwegonderneming). Bij de contactgegevens van de spoorwegonderneming moet het algemene adres worden vermeld, niet de gegevens van een specifieke persoon. Deze informatie moet immers worden vermeld in de punten 6.1 tot 6.5. Het is niet verplicht de website (5.8) te vermelden.

5.9.-5.10.

Indien uit hoofde van de nationale wetgeving meerdere registratienummers zijn toegekend aan de spoorwegonderneming die de aanvraag indient, is het mogelijk om op het formulier zowel het btw-nummer (5.10) als een tweede registratienummer (5.9) (bv. handelsregisternummer) in te vullen.

5.11.

Indien nodig kan informatie worden toegevoegd die niet expliciet in de andere velden wordt gevraagd.

6.1.-6.5.

Deze persoon fungeert tijdens de volledige duur van het certificeringsproces als contactpersoon tussen de spoorwegonderneming die de aanvraag indient en de organisatie/instantie die het certificaat afgeeft. Hij/zij geeft waar nodig ondersteuning, bijstand, informatie en verduidelijkingen en is het aanspreekpunt voor het orgaan dat de aanvraag behandelt. Bij de telefoon- en faxnummers moet de landcode worden vermeld; het is niet verplicht het e-mailadres te vermelden.

7.1.

Dit document moet worden ingediend wanneer een (nieuw, vernieuwd of bijgewerkt/gewijzigd) A-veiligheidscertificaat wordt aangevraagd; met „samenvatting van de handleiding van het veiligheidsbeheersysteem” wordt een document bedoeld waarin de hoofdlijnen van het veiligheidsbeheersysteem van de spoorwegonderneming worden uiteengezet. Het document moet gedetailleerde achtergrondinformatie over de verschillende procedures of normen/regels van de onderneming bevatten en aantonen dat deze zijn toegepast (of worden toegepast), waarbij kruiselings moet worden verwezen naar de punten van artikel 9 en bijlage III.

7.2.

Een spoorwegonderneming, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2001/14/EG, moet overeenkomstig de toepasselijke Gemeenschapswetgeving over een vergunning beschikken; volgens de definitie van Richtlijn 2004/49/EG moet een spoorwegonderneming echter niet over een vergunning beschikken; een spoorwegonderneming moet dan ook alleen een kopie van een geldige vergunning indienen als de eerste richtlijn van toepassing is, zoniet moet „niet van toepassing” worden aangevinkt (7.3 en/of 8.3).

7.3.

Zie 7.2.

8.1.

Wanneer met dit formulier alleen een (nieuw, vernieuwd of bijgewerkt/gewijzigd) B-veiligheidscertificaat wordt aangevraagd, zonder ook een A-veiligheidscertificaat aan te vragen, moet een kopie van een geldig A-veiligheidscertificaat worden ingediend.

8.2.

Zie 7.2 hierboven.

8.3.

Zie 7.3 hierboven.

8.4.

Volgens artikel 9 van Richtlijn 95/18/EG dient een spoorwegonderneming voldoende te zijn verzekerd of gelijkwaardige voorzieningen te hebben getroffen (bv. een financiële garantie) om, overeenkomstig de nationale en internationale wetgeving, haar wettelijke aansprakelijkheid bij ongeval te dekken. Het bewijs dat een spoorwegonderneming waaraan een vergunning is toegekend voldoet aan de nationale verzekeringseisen of gelijkwaardige voorzieningen heeft getroffen om haar aansprakelijkheid te dekken, wordt bij de vergunning gevoegd (Aanbeveling 2004/358/EG van de Commissie). Een kopie van de bij de vergunning gevoegde verzekering of financiële dekking van de aansprakelijkheid moet samen met het aanvraagformulier worden ingediend.

8.5.

De aanvrager dient een lijst in van de documentatie over de technische specificaties inzake operabiliteit of delen daarvan en, voor zover van toepassing, van de nationale veiligheidsregels en andere regels die van toepassing zijn op de werknemers, het rollend materieel en, in het algemeen, op de diensten die met het aangevraagde certificaat zullen worden geëxploiteerd. Er moet duidelijk worden verwezen naar de processen waarop de technische specificaties inzake operabiliteit van toepassing zijn, en naar documenten over de toepassing daarvan. Om dubbel werk te vermijden en de hoeveelheid informatie te beperken, moet alleen samenvattende informatie worden ingediend over elementen die voldoen aan de technische specificaties inzake operabiliteit en andere eisen van de Richtlijnen 96/48/EG en 2001/16/EG.

8.6.

De aanvrager dient een volledige lijst in van de verschillende CATEGORIEËN WERKNEMERS die in vast dienstverband of op contractuele basis betrokken zijn bij de diensten die met het aangevraagde certificaat zullen worden geëxploiteerd. De lijst van CATEGORIEËN WERKNEMERS moet voldoen aan nationale en netwerkspecifieke regels voor het categoriseren van die gegevens.

8.7.

De aanvrager dient een beschrijving in van de procedures van het veiligheidsbeheersysteem die betrekking hebben op WERKNEMERS, inclusief bewijzen dat de werknemers voldoen aan de nationale regels en/of toepasselijke technische specificaties inzake operabiliteit en dat de werknemers naar behoren zijn gecertificeerd.

8.8.

De aanvrager dient een volledige documentatie in van de verschillende TYPEN ROLLEND MATERIEEL die met het aangevraagde certificaat zullen worden geëxploiteerd. De TYPEN ROLLEND MATERIEEL moeten voldoen aan de nationale en netwerkspecifieke regels voor het categoriseren van die gegevens.

8.9.

De aanvrager dient een beschrijving in van de procedures van het veiligheidsbeheersysteem die betrekking hebben op ROLLEND MATERIEEL, inclusief bewijzen dat het rollend materieel voldoet aan de nationale regels en/of toepasselijke technische specificaties inzake operabiliteit en dat het rollend materieel naar behoren is gecertificeerd.

8.10.

Op deze plaats kunnen andere documenten die samen met de aanvraag worden ingediend, worden vermeld. Identificeer het nummer en type van het document en geef een korte beschrijving van de inhoud.


BIJLAGE IV

Code voor het geharmoniseerde nummersysteem voor veiligheidscertificaten, EU-Identificatienummer (EIN) genoemd

Landcode

(2 letters)

Type document

(2 cijfers)

Jaar van afgifte

(4 cijfers)

Teller

(4 cijfers)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voorbeeld:

I

T

1

1

2

0

0

6

0

0

0

5

Toelichting bij de structuur van het EU-identificatienummer (EIN)

I

T

1

1

2

0

0

6

0

0

0

5

Landcode

(2 letters)

Type document

(2 cijfers)

Jaar van afgifte

(4 cijfers)

Teller

(4 cijfers)

Veld 1

Veld 2

Veld 3

Veld 4

VELD 1 —   Landcode (2 letters)

De gebruikte landcodes zijn die welke officieel zijn bekendgemaakt en bijgewerkt in de interinstitutionele schrijfwijzer op de Europese website en die gebaseerd zijn op ISO-norm 3166 alpha-2.

Land

Code

Oostenrijk

AT

België

BE

Bulgarije

BG

Cyprus

CY

Tsjechië

CZ

Denemarken

DK

Estland

EE

Finland

FI

Frankrijk

FR

Duitsland

DE

Griekenland

EL

Hongarije

HU

IJsland

IS

Ierland

IE

Italië

IT

Letland

LV

Liechtenstein

LI

Litouwen

LT

Luxemburg

LU

Noorwegen

NO

Malta

MT

Nederland

NL

Polen

PL

Portugal

PT

Roemenië

RO

Slowakije

SK

Slovenië

SI

Spanje

ES

Zweden

SE

Zwitserland

CH

Verenigd Koninkrijk

UK

De „Channel Tunnel Safety Authority”, tot dusver de enige multinationale veiligheidsinstantie, wordt met de volgende tweelettercode aangeduid:

MULTINATIONALE VEILIGHEIDSINSTANTIE

Code

Channel Tunnel Safety Authority

CT

VELD 2 —   Type document (2 cijfers)

Twee cijfers die het mogelijk maken het type document te identificeren: het eerste cijfer staat voor de algemene classificatie van het document en geeft aan of het om een veiligheidscertificaat (cijfer 1) of een ander document (ander cijfer dan 1) gaat; het tweede cijfer staat voor het subtype document en geeft aan of het om een A-veiligheidscertificaat (cijfer 1) of B-veiligheidscertificaat (cijfer 2) gaat. Op dit ogenblik zijn slechts twee mogelijke combinaties van belang:

 

[1 1] voor A-veiligheidscertificaten;

 

[1 2] voor B-veiligheidscertificaten.

Wanneer er behoefte is aan andere codes kan dit systeem worden uitgebreid. Hierna volgt de voorgestelde lijst van bekende mogelijke combinaties van twee cijfers en de typen documenten waarop ze betrekking hebben:

Cijfercombinatie voor veld 2

Type document

Subtype document

[0 1]

Vergunningen

Niet van toepassing op deze verordening

[0 x]

Vergunningen

Niet van toepassing op deze verordening

[1 1]

Veiligheidscertificaat

Deel A

[1 2]

Veiligheidscertificaat

Deel B

[1 x]

Veiligheidscertificaat

Niet van toepassing op deze verordening

[2 1]

Veiligheidsvergunning

Niet van toepassing op deze verordening

[2 2]

Veiligheidsvergunning

Niet van toepassing op deze verordening

[2 x]

Veiligheidsvergunning

Niet van toepassing op deze verordening

[3 x]

Certificaten voor onderhoudswerkplaatsen

Niet van toepassing op deze verordening

[4 x]

Certificaten voor aangemelde instanties

Niet van toepassing op deze verordening

[5 x] … [9 x]

Reserve (5 documenttypen)

Niet van toepassing op deze verordening

VELD 3 —   Jaar van afgifte (4 cijfers)

Dit veld geeft het jaar aan (in het gespecificeerde formaat yyyy, d.w.z. 4 cijfers) waarin het certificaat is afgegeven.

VELD 4 —   Teller

De teller is een getal dat telkens met één wordt verhoogd wanneer een certificaat wordt afgegeven, ongeacht of het om een nieuw, vernieuwd of bijgewerkt/gewijzigd certificaat gaat. Het getal van een ingetrokken certificaat mag niet opnieuw worden gebruikt.

De teller wordt elk jaar op nul gezet.


14.6.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 153/25


VERORDENING (EG) Nr. 654/2007 VAN DE COMMISSIE

van 13 juni 2007

betreffende de afgifte van invoercertificaten voor vers, gekoeld of bevroren rundvlees van hoge kwaliteit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 936/97 van de Commissie van 27 mei 1997 betreffende de opening en de wijze van beheer van tariefcontingenten voor vers, gekoeld of bevroren rundvlees van hoge kwaliteit en voor bevroren buffelvlees (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 936/97 voorziet in de artikelen 4 en 5 de bepalingen voor het indienen en voor het afgeven van de invoercertificaten voor vlees zoals bedoeld in artikel 2, onder f).

(2)

In artikel 2, onder f), van Verordening (EG) nr. 936/97 is de hoeveelheid met de omschrijving in die bepaling overeenstemmend vers, gekoeld of bevroren rundvlees van hoge kwaliteit, die in het tijdvak van 1 juli 2006 tot en met 30 juni 2007 onder bijzondere voorwaarden mag worden ingevoerd, vastgesteld op 11 500 t.

(3)

Er moet aan herinnerd worden dat de in deze verordening bedoelde certificaten slechts tijdens de gehele geldigheidsduur ervan gebruikt kunnen worden voorzover de veterinairrechtelijke voorschriften in acht worden genomen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Elke aanvraag om een invoercertificaat, die van 1 tot en met 5 juni 2007 is ingediend voor vers, gekoeld of bevroren rundvlees van hoge kwaliteit, zoals bedoeld in artikel 2, onder f), van Verordening (EG) nr. 936/97, wordt in haar geheel ingewilligd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 14 juni 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 juni 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 21. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1913/2005 (PB L 307 van 25.11.2005, blz. 2).

(2)  PB L 137 van 28.5.1997, blz. 10. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 317/2007 (PB L 84 van 24.3.2007, blz. 4).


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Commissie

14.6.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 153/26


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 12 juni 2007

betreffende een geharmoniseerde monitoring van de antimicrobiële resistentie van salmonella bij pluimvee en varkens

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 2421)

(Voor de EER relevante tekst)

(2007/407/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bewaking van zoönoses en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking van Richtlijn 92/117/EEG van de Raad (1), en met name op artikel 7, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Richtlijn 2003/99/EG zien de lidstaten erop toe dat de monitoring vergelijkbare gegevens oplevert over het vóórkomen van antimicrobiële resistentie bij zoönoseverwekkers, en bij andere verwekkers, wanneer deze gevaar opleveren voor de volksgezondheid.

(2)

Een workshop van de FAO, OIE en WHO over de wetenschappelijke beoordeling van het niet-menselijke gebruik van antimicrobiële stoffen en de antimicrobiële resistentie in 2003 concludeerde dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat resistente organismen als gevolg van het niet-menselijke gebruik van antimicrobiële stoffen de menselijke gezondheid nadelig beïnvloeden: grotere frequentie van infecties, grotere frequentie van mislukte behandelingen (in sommige gevallen met de dood tot gevolg) en ernstiger aard van de infecties, zoals gedocumenteerd door fluoroquinolon-resistente menselijke salmonella-infecties. Uit de aanwijzingen blijkt dat de omvang en het patroon van het niet-menselijke gebruik van antimicrobiële stoffen van invloed zijn op het vóórkomen van resistente bacteriën bij dieren en in levensmiddelen en als gevolg daarvan op de blootstelling van de mens aan deze resistente bacteriën (gezamenlijke workshop van deskundigen van de FAO, OIE en WHO, 2003). Er zij echter op gewezen dat de meeste resistentieproblemen in de menselijke geneeskunde veroorzaakt worden door het menselijke gebruik en overgebruik van antimicrobiële stoffen voor therapie en profylaxe (Europees Parlement, oktober 2006).

(3)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) wijst er in haar „Community Summary Report on Trends and Sources of Zoonoses, Zoonotic agents, Antimicrobial Resistance and Foodborne Outbreaks in the European Union in 2005” (2) op dat een relatief hoog aandeel van Campylobacter- en Salmonella-isolaten uit dieren en levensmiddelen resistent waren tegen antimicrobiële stoffen die gewoonlijk bij de behandeling van menselijke ziekten worden gebruikt. Door voedsel overgedragen infecties die door deze resistente bacteriën worden veroorzaakt, vormen een bijzonder risico voor de mens omdat zij tot het mislukken van de behandeling kunnen leiden.

(4)

Het wetenschappelijk panel voor biologische gevaren en het wetenschappelijk panel voor diergezondheid en dierenwelzijn van de EFSA hebben op hun vergadering van 7 respectievelijk 8 september 2006 een advies goedgekeurd over „Review of the Community Summary Report on Trends and Sources of Zoonoses, Zoonotic Agents and Antimicrobial Resistance in the European Union in 2004” (3). Wat de tests op antimicrobiële resistentie betreft, wordt er in het advies op gewezen dat het belangrijk is dat gedetailleerde informatie over de Salmonella-serovar voor elk isolaat wordt verstrekt en dat de voor de beoordeling en de rapportage van de resistentie toegepaste breekpunten worden geharmoniseerd.

(5)

De taskforce voor de verzameling van gegevens over zoönosen van de EFSA heeft op 20 februari 2007 een „Report including a proposal for a harmonised monitoring scheme of antimicrobial resistance in Salmonella in fowl (Gallus gallus), turkeys and pigs and Campylobacter jejuni and C. coli in broilers” (4) goedgekeurd. In het verslag worden aanbevelingen gedaan voor een geharmoniseerde monitoringregeling en een geharmoniseerde methodologie voor gevoeligheidstests.

(6)

Gezien het toenemende risico dat antimicrobiële resistentie voor de volksgezondheid vormt en de aanwijzingen dat het gebruik van antimicrobiële stoffen van invloed is op dit risico moeten overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 2003/99/EG bij alle lidstaten vergelijkbare gegevens worden verzameld over het vóórkomen van antimicrobiële resistentie bij zoönoseverwekkers bij dieren. Deze verzameling van gegevens moet zijn gebaseerd op het voorstel van de taskforce van de EFSA maar loopt niet vooruit op eventuele verdere uitvoeringsvoorschriften in de toekomst.

(7)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Deze beschikking stelt gedetailleerde voorschriften vast voor de in de lidstaten uit te voeren monitoring van de antimicrobiële resistentie overeenkomstig artikel 7, lid 3, en bijlage II, deel B, van Richtlijn 2003/99/EG. Zij is van toepassing op Salmonella spp. bij kippen (Gallus gallus), kalkoenen en slachtvarkens, onverminderd aanvullende monitoring van de antimicrobiële resistentie overeenkomstig artikel 7, lid 1, van Richtlijn 2003/99/EG.

Artikel 2

Verzameling en analyse van isolaten

De verzameling van isolaten van Salmonella spp., als bedoeld in artikel 1, en de analyse daarvan wordt door de bevoegde autoriteit of onder haar toezicht uitgevoerd overeenkomstig de technische specificaties van de bijlage.

Artikel 3

Vertrouwelijkheid van de gegevens

De nationale geaggregeerde gegevens en resultaten van de analyses worden op zodanige wijze openbaar gemaakt dat de vertrouwelijkheid wordt gewaarborgd.

Artikel 4

Toepassing

Deze beschikking is van toepassing met ingang van 1 januari 2008.

Artikel 5

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 12 juni 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 325 van 12.12.2003, blz. 31. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2006/104/EG van de Raad (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 352).

(2)  The EFSA Journal (2006) 94.

(3)  The EFSA Journal (2006) 403, 1-62.

(4)  The EFSA Journal (2007) 96, 1-46.


BIJLAGE

TECHNISCHE SPECIFICATIES ALS BEDOELD IN ARTIKEL 2

1.   Herkomst van de isolaten

Salmonella-isolaten, verzameld in het kader van de bestrijdings- en monitoringprogramma’s die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad (1) en/of de Beschikkingen 2006/662/EG (2) en 2006/668/EG (3) van de Commissie, worden voor de monitoring van de antimicrobiële resistentie verzameld overeenkomstig tabel 1.

Tabel 1

Jaren waarin bepaalde uit de aangegeven dierpopulaties geïsoleerde zoönoseverwekkers worden geselecteerd voor tests op antimicrobiële resistentie

Jaar

Alle Salmonella-serovars

Legkippen

Slachtkuikens

Kalkoenen

Slachtvarkens

2007

 

 

X (4)

X (5)

2008

X

 

 

 

2009

X

X

 

 

2010

X

X

X

 

2011

X

X

X

X

2012

X

X

X

X

De monitoring heeft betrekking op niet meer dan één isolaat per Salmonella-serovar uit dezelfde epidemiologische eenheid per jaar. De epidemiologische eenheid voor legkippen, slachtkuikens en kalkoenen is het koppel. Voor varkens is de epidemiologische eenheid het bedrijf.

2.   Aantal te testen isolaten

Het aantal Salmonella-isolaten voor de monitoring van de antimicrobiële resistentie per lidstaat en per jaar bedraagt 170 voor elke studiepopulatie (d.w.z. legkippen, slachtkuikens, kalkoenen en slachtvarkens).

In de lidstaten waar in een bepaald jaar een kleiner aantal isolaten dan de nagestreefde steekproefomvang uit de monitoring- of bestrijdingsprogramma’s beschikbaar is, worden al deze isolaten in de monitoring van de antimicrobiële resistentie opgenomen.

In de lidstaten waar een groter aantal isolaten beschikbaar is, worden in de monitoring alle isolaten of een representatieve aselecte steekproef, gelijk aan of groter dan de nagestreefde steekproefomvang, opgenomen.

3.   Antimicrobiële-gevoeligheidstests

Voor de bepaling van de Salmonella-gevoeligheid testen de lidstaten de in tabel 2 vermelde antimicrobiële stoffen, onder gebruikmaking van de gegeven cut-off-waarden en een passend concentratiebereik.

De dilutiemethoden worden toegepast volgens de methoden die zijn beschreven door het Europees Comité voor tests op antimicrobiële resistentie (EUCAST) en het Clinical and Laboratory Standards Institute (CLSI) en zijn aanvaard als internationale referentiemethode (ISO-norm 20776-1:2006). Er wordt aanbevolen dat van de geselecteerde isolaten van S. Enteritidis en S. Typhimurium een faagtypering wordt uitgevoerd.

4.   Gegevensverzameling en rapportage

De resultaten van de monitoring van de antimicrobiële resistentie worden beoordeeld en hiervan wordt overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 2003/99/EG verslag gedaan in het jaarlijkse verslag over de tendensen en bronnen van zoönoses, zoönoseverwekkers en antimicrobiële resistentie.

Onverminderd de bepalingen van bijlage IV bij Richtlijn 2003/99/EG worden in het verslag de volgende gegevens voor salmonella bij legkippen, slachtkuikens, kalkoenen en varkens verstrekt:

herkomst van de isolaten, d.w.z. basisonderzoek, bestrijdingsprogramma, passieve surveillance;

aantal op gevoeligheid geteste isolaten;

aantal resistent bevonden isolaten per antimicrobiële stof; en

aantal volledig gevoelige isolaten en aantal isolaten die resistent zijn tegen 1, 2, 3, 4 en meer dan 4 in tabel 2 vermelde antimicrobiële stoffen.

Tabel 2

Ten minste in de tests voor Salmonella op te nemen antimicrobiële stoffen en voor de bepaling van de gevoeligheid te gebruiken cut-off-waarden.

 

Antimicrobiële stof

Cut-off-waarde (mg/L) R >

Salmonella

Cefotaxime

0,5

Nalidixinezuur

16

Ciprofloxacin

0,06

Ampicilline

4

Tetracycline

8

Chlooramfenicol

16

Gentamicine

2

Streptomycine

32

Trimethoprim

2

Sulfonamiden

256


(1)  PB L 325 van 12.12.2003, blz. 1.

(2)  PB L 272 van 3.10.2006, blz. 22.

(3)  PB L 275 van 6.10.2006, blz. 51.

(4)  Isolaten uit monsters die in 2007 zijn verzameld en opgeslagen overeenkomstig Beschikking 2006/662/EG.

(5)  Isolaten uit monsters die in 2007 zijn verzameld en opgeslagen overeenkomstig Beschikking 2006/668/EG.


III Besluiten op grond van het EU-Verdrag

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL VI VAN HET EU-VERDRAG

14.6.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 153/30


BESLUIT VAN DE RAAD

van 12 juni 2007

inzake de aanpassing van de salarissen en vergoedingen van personeelsleden van Europol

(2007/408/JBZ)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het besluit van de Raad van 3 december 1998 houdende vaststelling van het Statuut voor de personeelsleden van Europol (1) (hierna „het Statuut” genoemd), en met name op artikel 44,

Gezien het initiatief van de Republiek Finland (2),

Gezien het advies van het Europees Parlement (3),

Gezien het onderzoek van de raad van bestuur van Europol naar de bezoldiging van de functionarissen van Europol,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De raad van bestuur heeft in het onderzoek naar de bezoldiging van de functionarissen van Europol rekening gehouden met de wijzigingen van de kosten van levensonderhoud in Nederland, alsmede met de wijzigingen in de salarissen van het overheidspersoneel in de lidstaten.

(2)

Uit de onderzoeksperiode, die liep van 1 juli 2005 tot en met 30 juni 2006, blijkt dat een verhoging van 1,5 % van de bezoldiging gerechtvaardigd is voor de periode ingaande op 1 juli 2006 en eindigend op 30 juni 2007.

(3)

Op basis van dit onderzoek moet de Raad met eenparigheid van stemmen beslissen over een aanpassing van de basissalarissen en de vergoedingen van de Europolfunctionarissen,

BESLUIT:

Artikel 1

Het statuut wordt als volgt gewijzigd:

Met ingang van 1 juli 2006:

a)

wordt de in artikel 45 opgenomen tabel van het maandelijkse basissalaris vervangen door navolgende tabel:

 

„1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

1

15 136,93

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2

13 592,32

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3

9 329,29

9 570,24

9 811,20

10 070,70

10 330,19

10 602,01

10 872,61

11 158,08

11 445,37

11 748,12

12 047,75

4

8 124,50

8 340,75

8 553,91

8 779,42

9 004,93

9 242,78

9 477,56

9 727,80

9 978,00

10 240,60

10 503,18

5

6 694,23

6 870,30

7 043,29

7 228,65

7 414,01

7 611,71

7 806,32

8 013,30

8 217,19

8 433,42

8 649,68

6

5 736,61

5 887,94

6 039,33

6 199,97

6 357,50

6 524,33

6 691,14

6 867,23

7 043,29

7 228,65

7 414,01

7

4 782,03

4 908,69

5 032,25

5 165,09

5 297,91

5 436,94

5 575,94

5 724,23

5 869,42

6 023,88

6 178,34

8

4 065,35

4 173,47

4 278,49

4 392,80

4 503,99

4 621,40

4 738,78

4 865,45

4 989,01

5 121,84

5 251,57

9

3 583,44

3 679,19

3 774,98

3 873,80

3 972,67

4 077,70

4 182,73

4 293,94

4 402,10

4 519,46

4 633,76

10

3 107,71

3 191,13

3 271,43

3 357,91

3 441,34

3 534,01

3 626,68

3 722,44

3 815,11

3 917,07

4 015,92

11

3 011,95

3 092,27

3 169,48

3 252,90

3 336,29

3 425,88

3 512,39

3 605,06

3 697,74

3 796,61

3 892,33

12

2 391,04

2 455,87

2 517,65

2 582,55

2 647,42

2 718,46

2 789,52

2 863,66

2 934,70

3 011,95

3 089,17

13

2 054,29

2 109,90

2 162,42

2 221,12

2 276,73

2 338,50

2 397,20

2 462,06

2 523,87

2 591,82

2 656,68”

b)

in artikel 59, lid 3, wordt het bedrag „1 004,36 EUR” vervangen door „1 019,43 EUR”;

c)

in artikel 59, lid 3, wordt het bedrag „2 008,72 EUR” vervangen door „2 038,85 EUR”;

d)

in artikel 60, lid 1, wordt het bedrag „267,84 EUR” vervangen door „271,86 EUR”;

e)

in artikel 2, lid 1, van aanhangsel 5, wordt het bedrag „280,00 EUR” vervangen door „284,20 EUR”;

f)

in artikel 3, lid 1, van aanhangsel 5, wordt het bedrag „12 174,06 EUR” vervangen door „12 356,67 EUR”;

g)

in artikel 3, lid 1, van aanhangsel 5, wordt het bedrag „2 739,17 EUR” vervangen door „2 780,26 EUR”;

h)

in artikel 3, lid 2, van aanhangsel 5, wordt het bedrag „16 434,98 EUR” vervangen door „16 681,50 EUR”;

i)

in artikel 4, lid 1, van aanhangsel 5, wordt het bedrag „1 217,41 EUR” vervangen door „1 235,67 EUR”;

j)

in artikel 4, lid 1, van aanhangsel 5, wordt het bedrag „913,07 EUR” vervangen door „926,77EUR”;

k)

in artikel 4, lid 1, van aanhangsel 5, wordt het bedrag „608,70 EUR” vervangen door „617,83 EUR”;

l)

in artikel 4, lid 1, van aanhangsel 5, wordt het bedrag „486,96 EUR” vervangen door „494,26 EUR”;

m)

in artikel 5, lid 3, van aanhangsel 5, wordt het bedrag „1 718,01 EUR” vervangen door „1 743,78 EUR”;

n)

in artikel 5, lid 3, van aanhangsel 5, wordt het bedrag „2 290,68 EUR” vervangen door „2 325,04 EUR”;

o)

in artikel 4, lid 3, van aanhangsel 5, wordt het bedrag „2 863,34 EUR” vervangen door „2 906,29 EUR”.

Artikel 2

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie

Artikel 3

Dit besluit wordt van kracht op de eerste dag volgende op de dag van de goedkeuring.

Gedaan te Luxemburg, 12 juni 2007.

Voor de Raad

De voorzitter

W. SCHÄUBLE


(1)  PB C 26 van 30.1.1999, blz. 23. Besluit laatstelijk gewijzigd bij het besluit van 29 november 2006 (PB L 8 van 13.1.2007, blz. 66).

(2)  PB C 41 van 24.2.2007, blz. 3.

(3)  Advies uitgebracht op 11 april 2007 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).