ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 115

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

50e jaargang
3 mei 2007


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Verordening (EG) nr. 489/2007 van de Commissie van 2 mei 2007 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

1

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Commissie

 

 

2007/268/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 13 april 2007 betreffende de in de lidstaten uit te voeren surveillanceprogramma’s voor aviaire influenza bij pluimvee en in het wild levende vogels en tot wijziging van Beschikking 2004/450/EG (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 1554)

3

 

 

2007/269/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 23 april 2007 tot vaststelling van beschermende maatregelen in verband met infectieuze anemie bij paarden in Roemenië (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 1652)  ( 1 )

18

 

 

2007/270/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 23 april 2007 betreffende een financiële bijdrage van de Gemeenschap in de kosten van urgente maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza in Nederland in 2006 (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 1746)

20

 

 

2007/271/EG

 

*

Besluit van de Commissie van 23 april 2007 betreffende de financiële bijdrage van de Gemeenschap voor de OIE-conferentie in 2007 Naar de uitroeiing van rabiës in Eurazië (Towards the elimination of rabies in Eurasia)

22

 

 

2007/272/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 25 april 2007 betreffende een financiële bijdrage van de Gemeenschap in de kosten van urgente maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza in het Verenigd Koninkrijk in 2006 (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 1785)

24

 

 

2007/273/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 25 april 2007 betreffende een financiële bijdrage van de Gemeenschap in de kosten van urgente maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza in Duitsland in 2006 (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 1786)

26

 

 

OVEREENKOMSTEN

 

 

Raad

 

*

Informatie over de datum van inwerkingtreding van de Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Federale Staten van Micronesia inzake de visserij

28

 

 

III   Besluiten op grond van het EU-Verdrag

 

 

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG

 

*

Besluit 2007/274/JBZ van de Raad van 23 april 2007 betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake de beveiliging van gerubriceerde gegevens

29

Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake de beveiliging van gerubriceerde gegevens

30

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

3.5.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 115/1


VERORDENING (EG) Nr. 489/2007 VAN DE COMMISSIE

van 2 mei 2007

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 3 mei 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 mei 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 386/2005 (PB L 62 van 9.3.2005, blz. 3).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 2 mei 2007 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

48,6

TN

127,8

TR

140,3

ZZ

105,6

0707 00 05

JO

196,3

MA

69,3

MK

53,2

TR

109,7

ZZ

107,1

0709 90 70

TR

106,1

ZZ

106,1

0805 10 20

EG

41,7

IL

69,7

MA

44,8

TN

50,1

ZZ

51,6

0805 50 10

IL

61,4

ZZ

61,4

0808 10 80

AR

80,6

BR

80,3

CA

99,8

CL

86,1

CN

100,5

NZ

129,9

US

109,5

UY

65,9

ZA

85,9

ZZ

93,2


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „andere oorsprong”.


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Commissie

3.5.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 115/3


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 13 april 2007

betreffende de in de lidstaten uit te voeren surveillanceprogramma’s voor aviaire influenza bij pluimvee en in het wild levende vogels en tot wijziging van Beschikking 2004/450/EG

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 1554)

(2007/268/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Beschikking 90/424/EEG van de Raad van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (1), en met name op artikel 24, lid 2, vierde alinea, en artikel 10,

Gelet op Richtlijn 2005/94/EG van de Raad van 20 december 2005 betreffende communautaire maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza en tot intrekking van Richtlijn 92/40/EEG (2), en met name op artikel 4, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Beschikking 90/424/EEG betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied worden de procedures vastgesteld voor de financiële bijdrage van de Gemeenschap aan programma’s voor de uitroeiing, de bestrijding en de monitoring van dierziekten.

(2)

Beschikking 90/424/EEG, zoals gewijzigd bij Beschikking 2006/53/EG (3), bepaalt dat aan de lidstaten financiële steun van de Gemeenschap kan worden verleend voor door de lidstaten uitgevoerde uitroeiingsmaatregelen ter bestrijding van stammen van laagpathogene aviaire influenza (LPAI) waarvan bekend is dat zij in hoogpathogene aviaire influenza (HPAI) kunnen muteren. Bovendien wordt in artikel 24, lid 2, van Beschikking 90/424/EEG bepaald dat de lidstaten jaarlijks uiterlijk op 30 april bij de Commissie de jaar- of meerjarenprogramma’s moeten indienen die het volgende jaar beginnen en waarvoor zij een financiële bijdrage van de Gemeenschap wensen te ontvangen.

(3)

Richtlijn 92/40/EEG van de Raad van 19 mei 1992 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van aviaire influenza (4) stelt vast welke communautaire bestrijdingsmaatregelen moeten worden genomen in geval van een uitbraak van hoogpathogene aviaire influenza (HPAI) bij pluimvee. Zij voorziet echter niet in de bestrijding van laagpathogene aviaire influenza (LPAI) van de subtypes H5 en H7 noch in de regelmatige surveillance van die ziekte bij pluimvee en in het wild levende vogels.

(4)

Sinds 2002 voeren de lidstaten verplichte onderzoeken naar aviaire influenza bij als huisdier gehouden pluimvee uit en dienen daartoe bij de Commissie jaarlijkse surveillanceprogramma’s in, zoals bedoeld in de Beschikkingen 2002/649/EG (5), 2004/111/EG (6), 2005/464/EG (7) en 2006/101/EG (8) van de Commissie.

(5)

Richtlijn 2005/94/EG voorziet in bepaalde preventieve maatregelen met betrekking tot de surveillance en de vroegtijdige detectie van aviaire influenza. De uiterste datum voor de omzetting van die richtlijn door de lidstaten is 1 juli 2007 en Richtlijn 92/40/EEG wordt vanaf die datum ingetrokken.

(6)

De in Richtlijn 2005/94/EG bedoelde communautaire maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza hebben ook betrekking op de bestrijding van uitbraken van LPAI, veroorzaakt door aviaire influenza van de subtypes H5 en H7, bij pluimvee. Om de mogelijke circulatie van die virussen in pluimveekoppels op te sporen, moeten door de lidstaten verplichte surveillanceprogramma’s worden uitgevoerd. Die bestrijdingsmaatregelen beogen de preventie van de verspreiding van LPAI van de subtypes H5 en H7 voordat zij zich op grote schaal ontwikkelen in de populatie als huisdier gehouden pluimvee, zodat het risico van een mutatie naar HPAI met eventueel desastreuze gevolgen kan worden voorkomen.

(7)

Richtlijn 2005/94/EG voorziet ook in de uitvoering van surveillanceprogramma’s bij in het wild levende vogels om door een regelmatig geactualiseerde risicobeoordeling een beter inzicht te verkrijgen in de bedreiging door van vogels afkomstige influenzavirussen, die door in het wild levende vogels worden overgedragen.

(8)

Het is belangrijk dat de surveillanceactiviteiten verder worden versterkt gezien de recente ontwikkelingen wat betreft het wijdverbreide voorkomen van HPAI H5N1 bij in het wild levende vogels in Europa, rekening houdend met de resultaten van de in de lidstaten tussen 2003 en 2006 uitgevoerde onderzoeken en het wetenschappelijke werk dat onlangs door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) (9) in samenwerking met de wetenschappelijke werkgroep ORNIS van het directoraat-generaal Milieu van de Commissie is verricht. Die organen zetten hun werkzaamheden voort en de resultaten daarvan kunnen aanleiding geven tot verdere actualisering.

(9)

Bij de uitvoering van de surveillanceprogramma’s moeten de voorschriften van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad (10) betreffende de bescherming en het behoud van alle in het wild levende vogelsoorten in de Gemeenschap ten volle worden nageleefd.

(10)

Bij Beschikking 2004/450/EG van de Commissie van 29 april 2004 tot vaststelling van standaardvoorschriften voor de inhoud van aanvragen tot financiële steunverlening van de Gemeenschap voor programma’s voor de uitroeiing van en de controle op dierziekten (11) worden standaardvoorschriften voor de inhoud van aanvragen tot financiële steunverlening van de Gemeenschap voor programma’s voor de uitroeiing van en de controle op dierziekten vastgesteld.

(11)

Aangezien Beschikking 90/424/EEG nu bepaalt dat een financiële bijdrage van de Gemeenschap moet worden verleend voor de door de lidstaten gedane uitgaven voor de nationale programma’s voor de uitroeiing, bestrijding en monitoring van bepaalde dierziekten, waaronder aviaire influenza, mogen de lidstaten uiterlijk op 30 april van elk jaar overeenkomstig artikel 24, lid 2, van Beschikking 90/424/EEG bij de Commissie surveillanceprogramma’s voor aviaire influenza indienen ter verkrijging van een financiële bijdrage van de Gemeenschap. Beschikking 2004/450/EG moet worden gewijzigd om standaardvoorschriften voor de inhoud van aanvragen tot financiële steunverlening van de Gemeenschap voor surveillanceprogramma’s voor aviaire influenza vast te stellen.

(12)

Beschikking 2004/450/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(13)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Goedkeuring van surveillanceprogramma’s voor aviaire influenza

De surveillanceprogramma’s voor aviaire influenza bij pluimvee en in het wild levende vogels, die door de lidstaten moeten worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2005/94/EG, voldoen aan de richtsnoeren van de bijlagen I en II bij deze beschikking.

Artikel 2

Wijziging van Beschikking 2004/450/EG

Beschikking 2004/450/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan artikel 1 wordt het volgende punt c) toegevoegd:

„c)

voor de dierziekten zoals bedoeld in bijlage I, deel C, ten minste de informatie zoals gespecificeerd in bijlage IV.”.

2)

Aan bijlage I wordt het volgende deel C toegevoegd:

„DEEL C

Ziekte, bedoeld in artikel 1, onder c)

Aviaire influenza.”.

3)

Er wordt een nieuwe bijlage IV toegevoegd, waarvan de tekst is vastgesteld in bijlage III bij deze beschikking.

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 13 april 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 19. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2006/965/EG van de Raad (PB L 397 van 30.12.2006, blz. 22).

(2)  PB L 10 van 14.1.2006, blz. 16.

(3)  PB L 29 van 2.2.2006, blz. 37.

(4)  PB L 167 van 22.6.1992, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/104/EG (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 352).

(5)  PB L 213 van 9.8.2002, blz. 38.

(6)  PB L 32 van 5.2.2004, blz. 20. Beschikking gewijzigd bij Beschikking 2004/615/EG (PB L 278 van 27.8.2004, blz. 59).

(7)  PB L 164 van 24.6.2005, blz. 52. Beschikking gewijzigd bij Beschikking 2005/726/EG (PB L 273 van 19.10.2005, blz. 21).

(8)  PB L 46 van 16.2.2006, blz. 40.

(9)  Wetenschappelijk advies over „Migratory birds and their possible role in the spread of highly pathogenic avian influenza” (Trekvogels en hun mogelijke rol bij de verspreiding van hoogpathogene aviaire influenza) (EFSA, 12 mei 2006), met addendum (11 december 2006).

(10)  PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/105/EG (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 368).

(11)  PB L 155 van 30.4.2004, blz. 90, gerectificeerd in PB L 92 van 12.4.2005, blz. 16. Beschikking gewijzigd bij Beschikking 2006/282/EG (PB L 104 van 13.4.2006, blz. 40).


BIJLAGE I

Richtsnoeren voor de in de lidstaten uit te voeren surveillanceprogramma’s voor aviaire influenza bij pluimvee

A.   Doelstellingen, algemene voorschriften en criteria voor de surveillance

A.1.   Doelstellingen

De serologische surveillance van LPAI van de subtypes H5 en H7 bij pluimvee beoogt het volgende:

1.

Opsporen van subklinische infecties met LPAI van de subtypes H5 en H7 ter aanvulling van vroegtijdige detectiesystemen en ter preventie van de mogelijke mutatie van deze virussen naar HPAI.

2.

Opsporen van infecties van LPAI van de subtypes H5 en H7 bij specifieke pluimveedoelpopulaties met een specifiek infectierisico wegens hun houderijsysteem of de gevoeligheid van specifieke soorten.

3.

Bijdragen aan het aantonen van de vrije status van een bepaald land, een bepaalde regio of een bepaald gebied van meldplichtige aviaire influenza in het kader van de internationale handel overeenkomstig de OIE-vooschriften.

A.2.   Algemene voorschriften en criteria

1.

De bemonstering vindt uiterlijk plaats op 31 december van het jaar van uitvoering van het programma. Bij pluimvee wordt de bemonsteringsperiode zo nodig aangepast aan de productieperiode voor elke categorie pluimvee.

2.

Om middelen te besparen worden voor andere doeleinden verzamelde monsters aanbevolen.

3.

De monsters worden onderzocht in het nationale laboratorium voor aviaire influenza van elke lidstaat of in andere, door de bevoegde autoriteiten erkende laboratoria die onder het toezicht van het nationale laboratorium staan.

4.

Alle resultaten (zowel serologische als virologische) worden toegezonden aan het communautaire referentielaboratorium voor aviaire influenza, dat de gegevens bundelt. Er wordt voor een goede informatiestroom gezorgd. Het communautaire referentielaboratorium verleent technische assistentie en bewaart een uitgebreide voorraad diagnostische reagentia.

5.

Alle virusisolaten van aviaire influenza worden overeenkomstig de communautaire wetgeving aan het communautaire referentielaboratorium toegezonden, tenzij een afwijking overeenkomstig punt 4 van hoofdstuk V (Differentiële diagnose) in het in Beschikking 2006/437/EG van de Commissie (1) vastgestelde diagnosehandboek wordt toegestaan. Virussen van de subtypes H5 en H7 worden onverwijld toegezonden en worden onderworpen aan een genormaliseerde karakterisatietest (nucleotide sequencing/IVPI) overeenkomstig dat diagnosehandboek.

6.

Indien mogelijk zenden de nationale laboratoria aan het communautaire referentielaboratorium H5- of H7-positieve sera van Anseriformes toe, zodat een archief kan worden aangelegd om de toekomstige ontwikkeling van tests te vergemakkelijken.

B.   Surveillance van aviaire influenza bij pluimvee

1.

Alle positieve resultaten worden retrospectief op het bedrijf onderzocht en de conclusies van dit onderzoek worden aan de Commissie en het communautaire referentielaboratorium meegedeeld.

2.

Het communautaire referentielaboratorium zorgt voor specifieke protocollen waarvan naar dit laboratorium verzonden materiaal vergezeld moet gaan, en voor rapporteringstabellen voor het verzamelen van de surveillancegegevens. In deze tabellen worden de gebruikte laboratoriumtestmethoden aangegeven. De tabellen worden gebruikt om de resultaten in één document toe te zenden.

3.

Er worden bloedmonsters voor serologisch onderzoek verzameld van alle soorten pluimvee (met inbegrip van pluimvee met vrije uitloop), van ten minste vijf tot tien dieren (met uitzondering van eenden, ganzen en kwartels) per bedrijf, en uit verschillende stallen indien op het bedrijf meer dan één stal staat. Bij verscheidene stallen moet de monstergrootte per bedrijf op passende wijze worden uitgebreid. Er wordt aanbevolen om ten minste vijf vogels per stal te nemen.

4.

Er vindt een gestratificeerde bemonstering in de hele lidstaat plaats, zodat de monsters als representatief voor de hele lidstaat kunnen worden beschouwd, waarbij rekening wordt gehouden met:

a)

het aantal te bemonsteren bedrijven (met uitzondering van eenden, ganzen en kalkoenen); dat aantal wordt zo bepaald dat bij een prevalentie van besmette bedrijven van ten minste 5 % met een betrouwbaarheid van 95 % kan worden gegarandeerd dat ten minste één besmet bedrijf wordt geïdentificeerd (zie tabel 1), en

b)

het aantal te bemonsteren dieren per bedrijf, dat zo wordt bepaald dat bij een prevalentie van seropositieve dieren van ten minste 30 % met een betrouwbaarheid van 95 % ten minste één positief dier wordt geïdentificeerd.

5.

Op grond van een risicobeoordeling en de specifieke situatie in de lidstaat in kwestie wordt in het bemonsteringsplan ook op het volgende gelet:

a)

wat de productietypes en de specifieke risico’s daarvan betreft, wordt de bemonstering op uitloop- en buitenhouderij en hobbypluimvee gericht en wordt rekening gehouden met andere factoren zoals dieren van verschillende leeftijd, gebruik van oppervlaktewater, een relatief langere levensduur, de aanwezigheid van meer dan één soort op het bedrijf of andere relevante factoren;

b)

het aantal te bemonsteren kalkoen-, eenden- en ganzenbedrijven wordt zo bepaald dat bij een prevalentie van besmette bedrijven van ten minste 5 % met een betrouwbaarheid van 99 % ten minste één besmet bedrijf wordt geïdentificeerd (zie tabel 2);

c)

indien in een lidstaat een aanzienlijk aantal bedrijven voorkomt dat vederwild, loopvogels en kwartels produceert, worden deze bedrijven in het programma opgenomen. Wat kwartels betreft, worden alleen volwassen (of leggende) vermeerderingsdieren bemonsterd;

d)

de bemonsteringsperiode valt samen met de seizoenproductie. Zo nodig wordt de bemonstering echter aan bepaalde andere perioden op lokaal niveau aangepast indien de aanwezigheid van andere gastheersoorten op een bedrijf het risico van insleep van de ziekte gedurende die periode verhoogt;

e)

wanneer een significant aantal hobbypluimveedieren aanwezig is, kan de surveillance tot hen worden uitgebreid;

f)

lidstaten die op de ziekte van Newcastle moeten bemonsteren met het oog op de handhaving van hun status als gebied waarin overeenkomstig Beschikking 94/327/EG van de Commissie (2) niet tegen de ziekte van Newcastle wordt ingeënt, mogen deze monsters van fok- en vermeerderingskoppels gebruiken voor de surveillance van antilichamen tegen H5 en H7.

Tabel 1

Aantal te bemonsteren bedrijven per pluimveecategorie (met uitzondering van kalkoen-, eenden- en ganzenbedrijven)

Aantal bedrijven per pluimveecategorie per lidstaat

Aantal te bemonsteren bedrijven

Tot 34

Alle

35-50

35

51-80

42

81-250

53

> 250

60


Tabel 2

Aantal te bemonsteren kalkoen-, eenden- en ganzenbedrijven

Aantal bedrijven per lidstaat

Aantal te bemonsteren bedrijven

Tot 46

Alle

47-60

47

61-100

59

101-350

80

> 350

90

C.   Specifieke voorschriften voor de opsporing van infecties met de subtypes H5 en H7 van aviaire influenza bij eenden, ganzen en kwartels

1.

Bloedmonsters voor serologisch onderzoek worden bij voorkeur genomen bij dieren die buiten in het veld worden gehouden.

2.

In elk geselecteerd bedrijf worden 40-50 bloedmonsters voor serologisch onderzoek genomen.

3.

Als geen commerciële koppels aanwezig zijn, kan de surveillance op koppels hobbypluimvee worden uitgevoerd.

D.   Laboratoriumtests

1.

De laboratoriumtests worden uitgevoerd overeenkomstig het diagnosehandboek voor aviaire influenza (Beschikking 2006/437/EG) waarin de procedures voor de bevestiging en differentiële diagnose van aviaire influenza worden vastgesteld (inclusief onderzoek van sera van eenden en ganzen door een hemagglutinatieremmingstest).

2.

Als niet in het diagnosehandboek voor aviaire influenza vastgestelde noch in het OIE Terrestrial Manual beschreven laboratoriumtests worden gepland, verstrekken de lidstaten de nodige validatiegegevens aan het communautaire referentielaboratorium, wanneer zij hun programma ter goedkeuring aan de Commissie voorleggen.

3.

Alle positieve serologische resultaten worden door het nationale laboratorium voor aviaire influenza door een hemagglutinatieremmingstest bevestigd met gebruikmaking van door het communautaire referentielaboratorium voor aviaire influenza geleverde stammen:

H5

a)

Eerste test met Ostrich/Denmark/72420/96 (H5N2);

b)

alle positieve dieren worden getest met Duck/Denmark/64650/03 (H5N7) om een kruisreactie met antilichamen tegen N2 uit te sluiten.

H7

a)

Eerste test met Turkey/England/647/77 (H7N7);

b)

alle positieve dieren worden getest met African Starling/983/79 (H7N1) teneinde een kruisreactie met antilichamen tegen N7 uit te sluiten.


(1)  PB L 237 van 31.8.2006, blz. 1.

(2)  PB L 146 van 11.6.1994, blz. 17.


BIJLAGE II

Richtsnoeren voor de in de lidstaten uit te voeren surveillanceprogramma’s voor aviaire influenza bij in het wild levende vogels

A.   Doelstellingen, algemene voorschriften en criteria voor de surveillance

A.1.   Doelstellingen

De virologische surveillance van aviaire influenza bij in het wild levende vogels beoogt de vaststelling van het risico van de insleep van AI-virussen (LPAI en HPAI) bij als huisdier gehouden pluimvee door:

het zorgen voor de vroegtijdige opsporing van HPAI H5N1 door het onderzoeken van de verhoogde incidentie van ziekte- en sterftegevallen bij in het wild levende vogels, met name bij geselecteerde soorten die een „hoger risico” vormen.

ingeval HPAI H5N1 bij in het wild levende vogels wordt opgespoord, wordt de surveillance van levende en dode in het wild levende vogels uitgebreid om vast te stellen of in het wild levende vogels van andere soorten kunnen fungeren als asymptomatische dragers of „brugsoorten” (zie deel E van deze bijlage).

het voortzetten van een „basis”-surveillance van verschillende soorten vrij levende trekvogels als onderdeel van de continue monitoring van LPAI-virussen. Anseriformes (watervogels) en Charadriiformes (kustvogels en meeuwen) moeten de voornaamste bemonsteringsdoelsoorten zijn om te beoordelen of zij drager zijn van LPAI-virussen van de subtypes H5 en H7 (waardoor in elk geval ook eventueel aanwezige HPAI H5N1 en andere HPAI zouden worden opgespoord). De surveillance moet met name gericht zijn op „soorten met een hoger risico”.

A.2.   Algemene voorschriften en criteria

1.

De bemonstering vindt uiterlijk plaats op 31 december van het jaar van uitvoering van het programma.

2.

De monsters worden onderzocht in het nationale laboratorium voor aviaire influenza van elke lidstaat of in andere, door de bevoegde autoriteiten erkende laboratoria die onder het toezicht van het nationale laboratorium staan.

3.

Alle resultaten worden toegezonden aan het communautaire referentielaboratorium voor aviaire influenza, dat de gegevens bundelt. Er wordt voor een goede informatiestroom gezorgd. Het communautaire referentielaboratorium verleent technische assistentie en bewaart een uitgebreide voorraad diagnostische reagentia.

4.

Alle virusisolaten van aviaire influenza van besmettingsgevallen bij in het wild levende vogels worden overeenkomstig de communautaire wetgeving aan het communautaire referentielaboratorium toegezonden, tenzij een afwijking overeenkomstig punt 4 van hoofdstuk V (Differentiële diagnose) in het in Beschikking 2006/437/EG vastgestelde diagnosehandboek wordt toegestaan. Virussen van de subtypes H5/H7 worden onverwijld toegezonden en worden onderworpen aan een genormaliseerde karakterisatietest (nucleotide sequencing/IVPI) overeenkomstig voornoemd diagnosehandboek.

B.   Surveillance van aviaire influenza bij in het wild levende vogels

Opzet en uitvoering

Er wordt gezorgd voor een nauwe samenwerking met epidemiologen en ornithologen en de bevoegde autoriteit voor natuurbescherming voor het opzetten van het surveillancesysteem, het verlenen van bijstand bij de identificatie van de soorten en het optimaliseren van de bemonstering. De opzet van het surveillancesysteem wordt aangepast aan de nationale situatie wat betreft de selectie van de te bemonsteren soorten overeenkomstig de predominantie van de soorten en de grootte van de vogelpopulaties. Bij de bemonstering moet rekening worden gehouden met het seizoensgebonden karakter van de vogeltrekpatronen die van lidstaat tot lidstaat kunnen verschillen. Er moet ook rekening worden gehouden met het gedrag van de vogelsoorten wat betreft trekroutes, voornaamste habitats, zwermvorming en vermenging met andere soorten tijdens de trek en met de resultaten van de surveillance in 2003-2006. Bovendien zal de werkgroep „Surveillance van AI bij in het wild levende vogels”, die de nieuwe beschikbare gegevens bestudeert, zorgen voor een continu onderzoek van de situatie en het verstrekken van een continue feedback.

Voor H5N1 HPAI worden al deze factoren bekeken in relatie tot de waarschijnlijkheid van blootstelling van in het wild levende vogels aan besmet pluimvee en in het wild levende vogels in uitbraakgebieden en de waarschijnlijkheid dat in het wild levende vogels in contact komen met als huisdier gehouden pluimvee in de pluimveehouderijsystemen in de verschillende lidstaten.

Om deze waarschijnlijkheden te beoordelen, kunnen de beslisbomen en tabellen in het advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) (1), die zijn opgesteld in samenwerking met het directoraat-generaal Milieu van de Commissie, een effectief instrument zijn om de lokale risicobeoordelingen van de lidstaten aan te passen aan een steeds veranderende situatie op grond van een nauwe samenwerking en gedachtewisseling tussen de lidstaten.

Contacten met instellingen voor de instandhouding/observatie van vogels en met ringstations worden aangemoedigd. Waar nodig wordt de bemonstering uitgevoerd onder toezicht van personeel van deze instellingen/stations, door jagers en andere personen met de nodige ornithologische kennis.

1.

Passieve surveillance van zieke en dode in het wild levende vogels wordt gericht op:

a)

gebieden met een verhoogde incidentie van ziekte- en sterftegevallen bij in het wild levende vogels;

b)

gebieden dicht bij de zee, meren en waterwegen waar dode vogels zijn aangetroffen; met name wanneer deze gebieden zich in de nabijheid van pluimveebedrijven bevinden;

c)

vogels die behoren tot soorten met een „hoger risico”, zoals vermeld in deel D, en andere in het wild levende vogels die in hun onmiddellijke omgeving verblijven.

2.

Bovendien worden de onderzoeken van levende en dode in het wild levende vogels in gebieden waar gevallen van H5N1 zijn ontdekt, idealiter gericht op:

a)

in het wild levende vogels of pluimvee voor de mogelijke identificatie van asymptomatische dragers;

b)

vogels in gebieden waar een epidemiologisch verband met deze gevallen bestaat;

c)

vogels die in nauw contact kunnen komen met pluimveebedrijven (beschermingsgebied, toezichtgebied en gebied B) en die kunnen fungeren als „brugsoorten”, met name die welke worden vermeld in deel E.

3.

Actieve surveillance van levende en klinisch gezonde en/of klinisch zieke, verwonde of gejaagde (2) vogels wordt gericht op:

a)

trekvogels behorend tot de orde van de Anseriformes (watervogels) en de orde van de Charadriiformes (kustvogels en meeuwen);

b)

geïdentificeerde gebieden voor de concentratie en vermenging van een groot aantal trekvogels van verschillende soorten, met name wanneer deze gebieden zich in de nabijheid van pluimveebedrijven bevinden;

c)

een selectie van soorten met een hoger risico (3).

Bemonsteringsprocedures

1.

Er worden orofarynxswabs en cloacaswabs voor virologisch onderzoek genomen bij blijkbaar gezonde vrij levende vogels. Als het om welke reden dan ook niet uitvoerbaar is om cloacaswabs bij levende dieren te nemen, kunnen zorgvuldig verzamelde verse fecesmonsters als alternatief worden gebruikt. De traceerbaarheid op plaatsen waar verschillende soorten trekvogels samenkomen, moet echter worden gewaarborgd.

2.

Cloacaswabs en trachea-/orofarynxswabs en/of weefsel (namelijk hersen-, hart-, long-, luchtpijp-, nier- en darmweefsel) van dood aangetroffen of aangeschoten in het wild levende vogels worden bemonsterd voor virusisolatie en moleculaire detectie (PCR).

3.

Er wordt bijzondere zorg besteed aan de opslag en het vervoer van de monsters. De swabs worden onmiddellijk op ijs of met bevroren gelpacks gekoeld en zo snel mogelijk naar het laboratorium gestuurd. De monsters mogen niet worden bevroren, tenzij dat absoluut noodzakelijk is. Indien beschikbaar, worden de swabs in een antibiotisch of een specifiek virustransportmedium ondergedompeld. De onderdompeling van de monsters in een transportmedium geschiedt naast koeling en niet als alternatief voor koeling. Is een dergelijk medium niet beschikbaar, dan moeten de swabs weer in hun huls gedaan worden en droog worden verstuurd. Als niet kan worden gezorgd voor snel vervoer binnen 48 uur naar het laboratorium (in transportmedium bij 4 °C), worden de monsters bevroren, opgeslagen en daarna in droogijs vervoerd. Bij de opslag en het vervoer van de monsters kunnen tal van factoren een rol spelen; daarom moet de methode op de aard van de monsters afgestemd zijn.

4.

De bemonsteringsprocedures worden uitgevoerd overeenkomstig het diagnosehandboek voor aviaire influenza (Beschikking 2006/437/EG) waarin de procedures voor de bevestiging en differentiële diagnose van aviaire influenza worden vastgesteld.

C.   Laboratoriumtests

1.

De laboratoriumtests worden uitgevoerd overeenkomstig het diagnosehandboek voor aviaire influenza (Beschikking 2006/437/EG) waarin de procedures voor de bevestiging en differentiële diagnose van aviaire influenza worden vastgesteld.

2.

Als niet in het diagnosehandboek voor aviaire influenza vastgestelde noch in het OIE Terrestrial Manual beschreven laboratoriumtests worden gepland, verstrekken de lidstaten de nodige validatiegegevens aan het communautaire referentielaboratorium, wanneer zij hun programma ter goedkeuring aan de Commissie voorleggen.

3.

Alle bij de surveillance van aviaire influenza bij in het wild levende vogels verzamelde monsters worden zo spoedig mogelijk getest met behulp van moleculaire technieken, indien voorhanden, en overeenkomstig het diagnosehandboek (Beschikking 2006/437/EG). Deze tests mogen alleen worden uitgevoerd in laboratoria die kwaliteitsborging bieden en door het communautaire referentielaboratorium erkende methoden voor het opsporen van aviaire influenza gebruiken. Bovendien moeten de gebruikte methoden aanvaardbare resultaten hebben opgeleverd bij de meest recente vergelijkende ringtest van nationale laboratoria. Een eerste screening met behulp van een M-gen-PCR wordt aanbevolen, met een snelle test op positieve gevallen van H5 (binnen twee weken), en bij een positief resultaat moet zo spoedig mogelijk een analyse van de splitsingsplaats worden verricht om na te gaan of het motief op hoogpathogene aviaire influenza (HPAI) of laagpathogene aviaire influenza (LPAI) wijst. Als H5 HPAI wordt bevestigd, moet een verdere analyse ter bepaling van het N-type worden uitgevoerd (ook dit kan het bewijs leveren dat N1 kan worden uitgesloten).

4.

In het laboratorium kan de samenvoeging van maximaal vijf monsters van dezelfde soort, die op dezelfde plaats en op hetzelfde tijdstip zijn verzameld, worden toegestaan wanneer kan worden gewaarborgd dat bij een positief resultaat de afzonderlijke monsters kunnen worden geïdentificeerd en opnieuw getest.

5.

Serologische surveillance mag niet worden toegepast voor onderzoek naar aviaire influenza bij in het wild levende vogels, omdat serologische methoden geen onderscheid kunnen maken tussen HP- en LP-stammen en uit antilichaambevindingen geen conclusies kunnen worden getrokken wat betreft de waarschijnlijke plaats waar in het wild levende vogels besmet kunnen zijn geraakt. Serologische surveillance kan echter belangrijk zijn voor het bestuderen bij welke stand- of trekvogels H5/H7-virussen prevalent (of endemisch) zijn/waren. Een dergelijke analyse mag alleen worden uitgevoerd door gespecialiseerde laboratoria onder gebruikmaking van een zorgvuldig geselecteerd panel van antigenen om te zorgen voor de opsporing van hemagglutinine-specifieke antilichamen (d.w.z. om de mogelijkheid van interferentie met N-specifieke antilichamen uit te sluiten).

Lijst van in het wild levende vogelsoorten met een hoger risico van aviaire influenza (4)

Gewone naam

Wetenschappelijke naam

Kleine zwaan

Cygnus columbianus

Wilde zwaan

Cygnus cygnus

Knobbelzwaan

Cygnus olor

Ganzen

Kleine rietgans

Anser brachyrhynchus

Rietgans

Anser fabalis

Kolgans (Europees ras)

Anser albifrons albifrons

Dwerggans

Anser erythropus

Grauwe gans

Anser anser

Brandgans

Branta leucopsis

Rotgans

Branta bernicla

Roodhalsgans

Branta ruficollis

Canadese gans

Branta canadensis

Eenden

Smient

Anas penelope

Wintertaling

Anas crecca

Wilde eend

Anas platyrhynchos

Pijlstaart

Anas acuta

Zomertaling

Anas querquedula

Slobeend

Anas clypeata

Marmereend

Marmaronetta angustirostris

Krooneend

Netta rufina

Tafeleend

Aythya ferina

Kuifeend

Aythya fuligula

Waadvogels

Kievit

Vanellus vanellus

Goudplevier

Pluvialis apricaria

Grutto

Limosa limosa

Kemphaan

Philomachus pugnax

Meeuwen

Kokmeeuw

Larus ridibundus

Stormmeeuw

Larus canus

Lijst van vogels die in de nabijheid van als huisdier gehouden pluimvee leven (5)

Gewone naam

Wetenschappelijke naam

Waarschijnlijkheid dat zij in contact komen met pluimvee

Groep 1:   

Soorten die nauw verbonden zijn met de pluimveehouderij in Europa

Soepgans

Anser anser domesticus

Hoog

Wilde eend

Anas platyrhynchos

Hoog

Muskuseend

Cairina moschata

Hoog

Rotsduif

Columba livia

Hoog

Huismus

Passer domesticus

Hoog

Groep 2:   

Soorten die ook door gedomesticeerd pluimvee in Noord-Europa gebruikte akker- en weidegrond kunnen delen

Goudplevier

Pluvialis apricaria

Laag

Kievit

Vanellus vanellus

Middelhoog

Kokmeeuw

Larus ridibundus

Hoog

Stormmeeuw

Larus canus

Hoog

Zilvermeeuw

Larus argentatus

Laag

Houtduif

Columba palumbus

Hoog

Turkse tortel

Streptopelia decaocto

Hoog

Fazant

Phasianus colchicus

Hoog

Leeuweriksoorten

Alauda & Galerida spp.

Laag

Piepers

 

Laag

Kwikstaarten

 

Middelhoog

Kramsvogel

Turdus pilaris

Middelhoog

Koperwiek

Turdus iliacus

Middelhoog

Ekster

Pica pica

Hoog

Kauw

Corvus monedula

Hoog

Roek

Corvus frugilegus

Middelhoog

Zwarte kraai

Corvus corone

Middelhoog

Raaf

Corvus corax

Laag

Spreeuw

Sturnus vulgaris

Hoog

Zwarte spreeuw

Sturnus unicolor

Hoog

Huismus

Passer domesticus

Hoog

Ringmus

Passer montanus

Hoog

Vinken

 

Middelhoog

Gorsen

Miliaria, Emberiza spp.

Middelhoog

Groep 3:   

Soorten die ook door gedomesticeerde watervogels in Noord-Europa gebruikte waterrijke gebieden kunnen delen

Zilverreigers

Egretta spp.

Laag

Reigers

Ardea en andere spp.

Middelhoog

Aalscholver

Phalacrococrax carbo

Middelhoog

Ooievaars

Ciconia spp.

Laag

Knobbelzwaan

Cygnus olor

Middelhoog

Grauwe gans

Anser anser

Middelhoog

Canadese gans

Branta canadensis

Laag

Eenden

Anas & Aythya spp.

Laag

Wilde eend

Anas platyrhynchos

Hoog

Meerkoet

Fulica atra

Middelhoog

Waterhoen

Gallinula chloropus

Middelhoog


(1)  Wetenschappelijk advies over „Trekvogels en hun mogelijke rol bij de verspreiding van hoogpathogene aviaire influenza” (EFSA, 12 mei 2006).

(2)  Jacht onder naleving van de voorschiften van Richtlijn 79/409/EEG betreffende de bescherming en het behoud van alle in het wild levende vogels.

(3)  Te verstrekken door het directoraat-generaal Milieu van de Commissie.

(4)  Deze lijst is geen beperkende lijst. Zij is alleen bedoeld voor de identificatie van trekvogelsoorten die een hoog risico kunnen vormen voor de insleep van aviaire influenza in de Gemeenschap op grond van hun trekpatroon in gebieden waar H5N1 HPAI is voorgekomen bij in het wild levende vogels of bij pluimvee. Zij is gebaseerd op het wetenschappelijke advies over „Trekvogels en hun mogelijke rol bij de verspreiding van hoogpathogene aviaire influenza” dat op 12 mei 2006 door het Panel voor diergezondheid en dierenwelzijn van de EFSA is goedgekeurd, en de werkzaamheden die zijn uitgevoerd door het Comité voor de aanpassing van Richtlijn 79/409/EEG aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang (ORNIS-comité) en contractanten van het directoraat-generaal Milieu van de Commissie. Deze lijst kan echter op grond van de resultaten van verdere wetenschappelijke studies en de door de nationale autoriteiten uitgevoerde risicobeoordeling worden aangepast, rekening houdend met hun specifieke ornithologische situatie.

(5)  Deze lijst is niet exhaustief. Zij is bedoeld voor de identificatie van Europese stand- en trekvogelsoorten die leven in de nabijheid van als huisdier gehouden pluimvee (met name in NW-Europa) en die theoretisch HPAI H5N1 kunnen overdragen van asymptomatisch besmette, in het wild levende vogels („brugsoorten”). Zij is gebaseerd op het wetenschappelijke advies over „Trekvogels en hun mogelijke rol bij de verspreiding van hoogpathogene aviaire influenza” dat op 12 mei 2006 door het Panel voor diergezondheid en dierenwelzijn van de EFSA is goedgekeurd en de werkzaamheden die zijn uitgevoerd door het ORNIS-comité en contractanten van het directoraat-generaal Milieu van de Commissie. Deze lijst kan echter worden bijgewerkt en uitgebreid op grond van de resultaten van verdere wetenschappelijke studies. Het directoraat-generaal Milieu heeft met name Wetland international en Euring opgedragen om de voorlopige analyse van soorten en plaatsen met een hoger risico in het licht van de uitbraken van H5N1 in Europa in 2006 opnieuw te bekijken, bij te werken en uit te breiden en andere hoogrisico-vogelsoorten te identificeren die kunnen fungeren als „brugsoorten” tussen in het wild levende vogels en pluimvee en/of mensen in verschillende delen van Europa. De resultaten moeten eind juni 2007 beschikbaar zijn.

(http://ec.europa.eu/environment/nature/nature_conservation/focus_wild_birds/avian_influenza/pdf/avian_influenza_report.pdf). Een en ander moet een meer betrouwbare voorlopige lijst van soorten die een hoger risico vormen en het risico lopen in contact te komen met pluimvee in de Europese Unie, opleveren en zorgen voor een meer doelgerichte aanpak.


BIJLAGE III

„BIJLAGE IV

Image

Image

Image


3.5.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 115/18


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 23 april 2007

tot vaststelling van beschermende maatregelen in verband met infectieuze anemie bij paarden in Roemenië

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 1652)

(Voor de EER relevante tekst)

(2007/269/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (1), en met name op artikel 10, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Infectieuze anemie bij paarden (Equine infectieuze anemie — EIA) is een virusziekte die alleen dieren van de familie Equidae aantast. Infectie met EIA neigt ertoe subklinisch te worden als een van de acute klinische aanvallen niet tot de dood leidt. De incubatieperiode bedraagt normaliter een tot drie weken, maar kan ook tot drie maanden duren. Geïnfecteerde paardachtigen blijven hun leven lang infectieus en kunnen de infectie potentieel op andere paardachtigen overdragen. De transmissie vindt plaats door de overdracht van bloed van een geïnfecteerde paardachtige, het meest waarschijnlijk via periodieke voeding van bloedzuigende paardenvliegen, in utero op de foetus of door het gebruik van besmette naalden of infusie van bloedproducten die het virus bevatten.

(2)

EIA is een ziekte waarvoor een aangifteplicht bestaat overeenkomstig bijlage A bij Richtlijn 90/426/EEG van de Raad van 26 juni 1990 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van paardachtigen en de invoer van paardachtigen uit derde landen (2). Bovendien wordt in Richtlijn 82/894/EEG van de Raad van 21 december 1982 inzake de melding van dierziekten in de Gemeenschap (3) bepaald dat uitbraken van EIA aan de Commissie en de andere lidstaten moeten worden gemeld via het Animal Disease Notification System („ADNS”).

(3)

Artikel 4, lid 5, van Richtlijn 90/426/EEG voorziet in beperkingen betreffende het verkeer van paardachtigen uit bedrijven waar de aanwezigheid van EIA is bevestigd totdat, na het doden van de geïnfecteerde dieren, de resterende dieren twee Coggings-testen met negatieve resultaten hebben ondergaan.

(4)

In tegenstelling tot de andere lidstaten is EIA endemisch in Roemenië en infectieuze paarden worden niet op consistente wijze onmiddellijk gedood. Daarom is Roemenië na de toetreding tot de Europese Unie de relevante maatregelen, bedoeld in Beschikking 2004/825/EG van de Commissie van 29 november 2004 betreffende beschermingsmaatregelen ten aanzien van de invoer van paardachtigen uit Roemenië (4), op overeenkomstige wijze blijven toepassen.

(5)

Wat de handel in levende paardachtigen en sperma, eicellen en embryo’s daarvan betreft, kan de ziektesituatie in Roemenië een diergezondheidsrisico voor paardachtigen in de Gemeenschap vormen.

(6)

Het is daarom dienstig dat beschermende maatregelen worden genomen tot vaststelling van een bijzondere regeling voor het verkeer van en de handel in uit Roemenië afkomstige paardachtigen en eicellen en embryo’s daarvan met het oog op de waarborging van de gezondheid en het welzijn van paardachtigen in de lidstaten.

(7)

Beschikking 93/623/EEG van de Commissie van 20 oktober 1993 tot vaststelling van het identificatiedocument (paspoort) dat geregistreerde paardachtigen moet vergezellen (5) en Beschikking 2000/68/EG van de Commissie van 22 december 1999 houdende wijziging van Beschikking 93/623/EEG en tot vaststelling van de identificatievoorschriften voor als fok- en gebruiksdier gehouden paardachtigen (6) schrijven voor dat paardachtigen tijdens hun verplaatsing of vervoer vergezeld moeten gaan van een identificatiedocument.

(8)

De certificeringsvoorschriften voor het verkeer en het vervoer van paardachtigen worden vastgesteld in artikel 8 van Richtlijn 90/426/EEG. Om de traceerbaarheid van het vervoer van geregistreerde paarden uit door EIA getroffen gebieden naar andere lidstaten te verbeteren moet de verklaring overeenkomstig bijlage B bij Richtlijn 90/426/EEG worden vervangen door een diergezondheidscertificaat overeenkomstig bijlage C bij die richtlijn.

(9)

Overeenkomstig deel A van hoofdstuk II van bijlage D bij Richtlijn 92/65/EEG van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma, eicellen en embryo’s waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van Richtlijn 90/425/EEG geldt (7), voorziet Beschikking 95/307/EG van de Commissie van 24 juli 1995 tot vaststelling van het model van het diergezondheidscertificaat voor de handel in sperma van paardachtigen (8) in het testen van de hengsten op EIA, als sperma wordt gewonnen voor de intracommunautaire handel. Het is echter nodig dat de veterinairrechtelijke voorschriften vastgesteld in Beschikking 95/294/EG van de Commissie van 24 juli 1995 tot vaststelling van het model van het diergezondheidscertificaat voor de handel in eicellen en embryo’s van paardachtigen (9) worden aangevuld met een voorschrift voor het uitvoeren van een test op EIA, als eicellen en embryo’s van in Roemenië verblijvende merries worden gewonnen.

(10)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Beschermende maatregelen van toepassing op uit Roemenië afkomstige paardachtigen

1.   Roemenië zorgt ervoor dat paardachtigen niet naar andere lidstaten worden verzonden, tenzij die paardachtigen aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

zij hebben met negatief resultaat een Coggings-test ondergaan, uitgevoerd op een binnen 30 dagen vóór de verzending genomen bloedmonster, en die test en het resultaat daarvan worden vermeld in hoofdstuk VII van het identificatiedocument, als bedoeld in de Beschikkingen 93/623/EEG en 2000/68/EG, dat het dier bij de verplaatsing daarvan vergezelt;

b)

zij gaan vergezeld van een diergezondheidscertificaat overeenkomstig bijlage C bij Richtlijn 90/426/EEG, waarop de volgende aanvullende vermelding wordt aangebracht:

„Paardachtigen overeenkomstig Beschikking 2007/269/EG van de Commissie”.

2.   Lid 1 is niet van toepassing op paardachtigen uit buiten Roemenië gelegen bedrijven, die op hoofd- en autowegen door Roemenië worden doorgevoerd of door Roemenië direct en zonder onderbreking van de rit naar een slachthuis voor onmiddellijke slachting worden vervoerd.

3.   Roemenië zorgt ervoor dat eicellen en embryo’s van paardachtigen niet naar andere lidstaten worden verzonden, tenzij die producten aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

zij zijn verzameld bij donormerries die in elk afzonderlijk geval met negatief resultaat een Coggings-test hebben ondergaan, uitgevoerd op een van elke donormerrie genomen bloedmonster binnen 30 dagen vóór de winning van de eicellen of embryo’s in de zending; en

b)

de zending van eicellen of embryo’s gaat vergezeld van een diergezondheidscertificaat overeenkomstig de bijlage bij Beschikking 95/294/EG, waarop de volgende aanvullende vermelding wordt aangebracht:

„Eicellen of embryo’s overeenkomstig Beschikking 2007/269/EG van de Commissie”.

4.   Roemenië brengt aan de Commissie en de andere lidstaten regelmatig verslag uit over de ontwikkeling van EIA en de voor de bestrijding daarvan uitgevoerde maatregelen.

Artikel 2

Toepassing

Deze beschikking is van toepassing met ingang van de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 3

Addressaten

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 23 april 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/33/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 315 van 19.11.2002, blz. 14).

(2)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 42. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/104/EG (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 352).

(3)  PB L 378 van 31.12.1982, blz. 58. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2004/216/EG van de Commissie (PB L 67 van 5.3.2004, blz. 27).

(4)  PB L 358 van 3.12.2004, blz. 18. Beschikking ingetrokken bij Verordening (EG) nr. 1792/2006 (PB L 362 van 20.12.2006, blz. 1).

(5)  PB L 298 van 3.12.1993, blz. 45. Beschikking gewijzigd bij Beschikking 2000/68/EG (PB L 23 van 28.1.2000, blz. 72).

(6)  PB L 23 van 28.1.2000, blz. 72.

(7)  PB L 268 van 14.9.1992, blz. 54. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/68/EG (PB L 139 van 30.4.2004, blz. 321, gerectificeerd in PB L 226 van 25.6.2004, blz. 128).

(8)  PB L 185 van 4.8.1995, blz. 58.

(9)  PB L 182 van 2.8.1995, blz. 27.


3.5.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 115/20


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 23 april 2007

betreffende een financiële bijdrage van de Gemeenschap in de kosten van urgente maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza in Nederland in 2006

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 1746)

(Slechts de tekst in de Nederlandse taal is authentiek)

(2007/270/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Beschikking 90/424/EEG van de Raad van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (1), en met name op artikel 3, lid 3, en artikel 3 bis, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Beschikking 90/424/EEG stelt de procedures vast voor de financiële bijdrage van de Gemeenschap in de kosten van gerichte veterinaire maatregelen, waaronder urgente maatregelen. Beschikking 90/424/EEG, gewijzigd bij Beschikking 2006/53/EG (2), voorziet in de toekenning aan de lidstaten van een financiële bijdrage van de Gemeenschap in bepaalde kosten van maatregelen voor de uitroeiing van aviaire influenza.

(2)

In Nederland hebben zich in 2006 uitbraken van aviaire influenza voorgedaan. Het uitbreken van die ziekte vormt een ernstig risico voor de veestapel in de Gemeenschap. Nederland heeft op grond van artikel 3 bis, lid 2, van Beschikking 90/424/EEG maatregelen ter bestrijding van die uitbraken genomen.

(3)

De financiële bijdrage van de Gemeenschap wordt verleend op voorwaarde dat de geplande maatregelen daadwerkelijk zijn uitgevoerd en de bevoegde autoriteiten de Commissie binnen bepaalde termijnen alle nodige informatie verstrekken.

(4)

Verordening (EG) nr. 349/2005 van de Commissie van 28 februari 2005 tot vaststelling van voorschriften inzake de communautaire financiering van de in Beschikking 90/424/EEG van de Raad bedoelde urgente maatregelen en maatregelen ter bestrijding van bepaalde dierziekten (3) heeft, na de wijziging van Beschikking 90/424/EEG bij Beschikking 2006/53/EG, niet langer betrekking op aviaire influenza. Daarom moet in deze beschikking uitdrukkelijk worden bepaald dat de toekenning van een financiële bijdrage aan Nederland afhankelijk is van de naleving van bepaalde voorschriften van Verordening (EG) nr. 349/2005.

(5)

Artikel 3 bis, lid 3, van Beschikking 90/424/EEG bepaalt dat de financiële bijdrage van de Gemeenschap 50 % van de door de lidstaat gemaakte subsidiabele kosten bedraagt.

(6)

Nederland heeft volledig voldaan aan zijn technische en administratieve verplichtingen als bedoeld in artikel 3, lid 3, en artikel 3 bis, lid 2, van Beschikking 90/424/EEG. Nederland heeft de Commissie op 30 augustus 2006 informatie doen toekomen over de kosten die het in het kader van deze uitbraak heeft gemaakt en heeft daarna verder alle nodige informatie verstrekt over de vergoedingskosten en de operationele uitgaven.

(7)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Financiële bijdrage van de Gemeenschap

1.   De Gemeenschap kan Nederland een financiële bijdrage verlenen in de kosten die deze lidstaat heeft gemaakt voor de in artikel 3 bis, lid 2, van Beschikking 90/424/EEG bedoelde maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza in 2006.

De financiële bijdrage bedraagt 50 % van de gemaakte kosten die voor financiering door de Gemeenschap in aanmerking komen.

2.   Voor de toepassing van deze beschikking zijn de artikelen 2 tot en met 5, de artikelen 7 en 8, artikel 9, leden 2, 3 en 4, en artikel 10, van Verordening (EG) nr. 349/2005 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2

Adressaat

Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk der Nederlanden.

Gedaan te Brussel, 23 april 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 19. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).

(2)  PB L 29 van 2.2.2006, blz. 37.

(3)  PB L 55 van 1.3.2005, blz. 12.


3.5.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 115/22


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 23 april 2007

betreffende de financiële bijdrage van de Gemeenschap voor de OIE-conferentie in 2007 „Naar de uitroeiing van rabiës in Eurazië (Towards the elimination of rabies in Eurasia)”

(2007/271/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Beschikking 90/424/EEG van de Raad van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (1), en met name op artikel 20,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Beschikking 90/424/EEG stelt de procedures vast voor de financiële bijdragen van de Gemeenschap in de kosten van specifieke veterinaire maatregelen, waaronder technische en wetenschappelijke maatregelen. De Gemeenschap moet met name technische en wetenschappelijke maatregelen nemen die voor de ontwikkeling van de communautaire wetgeving op veterinair gebied, alsmede voor de ontwikkeling van onderwijs en opleiding op veterinair gebied nodig zijn, of de lidstaten of internationale organisaties helpen bij het nemen van dergelijke maatregelen.

(2)

De Werelddiergezondheidsorganisatie (OIE) heeft het initiatief genomen tot de organisatie van de grootschalige conferentie „Naar de uitroeiing van rabiës in Eurazië” in mei 2007 te Parijs (hierna „de OIE-conferentie” genoemd). Omdat de OIE-conferentie bedoeld is om de aanbevelingen van de in 2005 door het OIE te Kiev gehouden conferentie verder uit te werken, bevindt het OIE zich feitelijk in een monopoliepositie, als vermeld in artikel 168, onder c), van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (2); daarom is een oproep tot het indienen van voorstellen niet nodig.

(3)

Rabiës komt in verscheidene lidstaten al vele jaren voor bij in het wild levende dieren, die dienen als reservoir voor infecties bij andere dieren en daarom een ernstig gezondheidsrisico voor de mens vormen. Die lidstaten hebben uitroeiings- en oralevaccinatieprogramma’s bij in het wild levende dieren uitgevoerd. Als gevolg van die maatregelen is de ziekte in bepaalde lidstaten uitgeroeid, maar zij komt nog steeds voor in andere lidstaten waar de uitroeiingsprogramma’s later zijn gestart.

(4)

Die programma’s moeten worden voortgezet totdat rabiës volledig is uitgeroeid. Verder moeten de programma’s worden voortgezet in de lidstaten die grenzen aan derde landen waar rabiës nog bij in het wild levende dieren voorkomt.

(5)

Ten behoeve van de diergezondheid moeten alle acties worden aangemoedigd die de besluitvorming ten gunste van de bestrijding en uitroeiing van rabiës in Oost-Europa en Midden-Azië zouden kunnen vergemakkelijken.

(6)

De OIE-conferentie zou kunnen leiden tot verbeteringen in de van kracht zijnde veterinaire wetgeving en tot de ontwikkeling van onderwijs en opleiding op veterinair gebied in de deelnemende landen.

(7)

Het is daarom dienstig dat een financiële bijdrage van de Gemeenschap aan de OIE-conferentie wordt verleend. Het maximumbedrag en het percentage van die bijdrage moeten worden vastgesteld. De financiële bijdrage van de Gemeenschap wordt verleend uit begrotingsonderdeel 17 04 02 01.

(8)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

BESLUIT:

Enig artikel

Een financiële bijdrage van de Gemeenschap, als bedoeld in artikel 19 van Beschikking 90/424/EEG, van maximaal 25 % van de subsidiabele kosten tot een maximumbedrag van 50 000 EUR wordt verleend aan de Werelddiergezondheidsorganisatie (OIE) voor het technische en wetenschappelijke materiaal voor de conferentie „Naar de uitroeiing van rabiës in Eurazië”, die in mei 2007 te Parijs zal worden gehouden.

Gedaan te Brussel, 23 april 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 19. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).

(2)  PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1248/2006 (PB L 227 van 19.8.2006, blz. 3).


3.5.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 115/24


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 25 april 2007

betreffende een financiële bijdrage van de Gemeenschap in de kosten van urgente maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza in het Verenigd Koninkrijk in 2006

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 1785)

(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

(2007/272/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Beschikking 90/424/EEG van de Raad van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (1), en met name op artikel 3, lid 3, en artikel 3 bis, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Beschikking 90/424/EEG stelt de procedures vast voor de financiële bijdrage van de Gemeenschap in de kosten van gerichte veterinaire maatregelen, met inbegrip van urgente maatregelen. Beschikking 90/424/EEG, gewijzigd bij Beschikking 2006/53/EG (2), voorziet in een financiële bijdrage van de Gemeenschap aan de lidstaten om bepaalde kosten ter uitroeiing van aviaire influenza te dekken.

(2)

In het Verenigd Koninkrijk hebben zich in 2006 uitbraken van aviaire influenza voorgedaan. Het uitbreken van deze ziekte vormt een ernstig risico voor de veestapel in de Gemeenschap. Krachtens artikel 3 bis, lid 2, van Beschikking 90/424/EEG heeft het Verenigd Koninkrijk maatregelen genomen om deze uitbraken te bestrijden.

(3)

De financiële bijdrage van de Gemeenschap wordt alleen uitbetaald als de geplande maatregelen daadwerkelijk zijn uitgevoerd en de bevoegde autoriteiten alle noodzakelijke informatie binnen bepaalde termijnen bij de Commissie hebben ingediend.

(4)

Sinds Beschikking 90/424/EEG is gewijzigd bij Beschikking 2006/53/EG, valt aviaire influenza niet langer onder Verordening (EG) nr. 349/2005 van de Commissie van 28 februari 2005 tot vaststelling van voorschriften inzake de communautaire financiering van de in Beschikking 90/424/EEG van de Raad bedoelde urgente maatregelen en maatregelen ter bestrijding van bepaalde dierziekten (3). Daarom moet in deze beschikking uitdrukkelijk worden bepaald dat het Verenigd Koninkrijk alleen een financiële bijdrage kan ontvangen als aan bepaalde voorschriften van Verordening (EG) nr. 349/2005 is voldaan.

(5)

Krachtens artikel 3 bis, lid 3, van Beschikking 90/424/EEG beloopt de financiële bijdrage van de Gemeenschap 50 % van de voor steun in aanmerking komende uitgaven van de lidstaat.

(6)

Het Verenigd Koninkrijk heeft volledig voldaan aan de technische en administratieve verplichtingen van artikel 3, lid 3, en artikel 3 bis, lid 2, van Beschikking 90/424/EEG. Het Verenigd Koninkrijk heeft de Commissie informatie toegezonden over de kosten van de uitbraak op 2 juni 2006. Het land is daarna ook alle noodzakelijke informatie blijven verstrekken over de beleidsuitgaven en de kosten van schadeloosstellingen.

(7)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Financiële bijdrage van de Gemeenschap

1.   Er kan een financiële bijdrage van de Gemeenschap aan het Verenigd Koninkrijk worden toegekend om de kosten te dekken van de in artikel 3 bis, lid 2, van Beschikking 90/424/EEG vermelde maatregelen die het land heeft genomen om aviaire influenza in 2006 te bestrijden.

De financiële bijdrage bedraagt 50 % van de voor financiering door de Gemeenschap in aanmerking komende uitgaven.

2.   Voor de toepassing van deze beschikking gelden mutatis mutandis de artikelen 2 tot en met 5, artikel 7, artikel 8, artikel 9, leden 2 tot en met 4, en artikel 10, van Verordening (EG) nr. 349/2005.

Artikel 2

Adressaten

Deze beschikking is gericht tot het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

Gedaan te Brussel, 25 april 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 19. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).

(2)  PB L 29 van 2.2.2006, blz. 37.

(3)  PB L 55 van 1.3.2005, blz. 12.


3.5.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 115/26


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 25 april 2007

betreffende een financiële bijdrage van de Gemeenschap in de kosten van urgente maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza in Duitsland in 2006

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 1786)

(Alleen de tekst in de Duitse taal is authentiek)

(2007/273/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Beschikking 90/424/EEG van de Raad van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (1), en met name op artikel 3, lid 3, en artikel 3 bis, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Beschikking 90/424/EEG stelt de procedures vast voor de financiële bijdrage van de Gemeenschap in de kosten van gerichte veterinaire maatregelen, met inbegrip van urgente maatregelen. Beschikking 90/424/EEG, gewijzigd bij Beschikking 2006/53/EG (2), voorziet in een financiële bijdrage van de Gemeenschap aan de lidstaten om bepaalde kosten ter uitroeiing van aviaire influenza te dekken.

(2)

In Duitsland hebben zich in 2006 uitbraken van aviaire influenza voorgedaan. Het uitbreken van deze ziekte vormt een ernstig risico voor de veestapel in de Gemeenschap. Krachtens artikel 3 bis, lid 2, van Beschikking 90/424/EEG heeft Duitsland maatregelen genomen om deze uitbraken te bestrijden.

(3)

De financiële bijdrage van de Gemeenschap wordt alleen uitbetaald als de geplande maatregelen daadwerkelijk zijn uitgevoerd en de bevoegde autoriteiten alle noodzakelijke informatie binnen bepaalde termijnen bij de Commissie hebben ingediend.

(4)

Sinds Beschikking 90/424/EEG is gewijzigd bij Beschikking 2006/53/EG, valt aviaire influenza niet langer onder Verordening (EG) nr. 349/2005 van de Commissie van 28 februari 2005 tot vaststelling van voorschriften inzake de communautaire financiering van de in Beschikking 90/424/EEG van de Raad bedoelde urgente maatregelen en maatregelen ter bestrijding van bepaalde dierziekten (3). Daarom moet in deze beschikking uitdrukkelijk worden bepaald dat Duitsland alleen een financiële bijdrage kan ontvangen als aan bepaalde voorschriften van Verordening (EG) nr. 349/2005 is voldaan.

(5)

Krachtens artikel 3 bis, lid 3, van Beschikking 90/424/EEG beloopt de financiële bijdrage van de Gemeenschap 50 % van de voor steun in aanmerking komende uitgaven van de lidstaat.

(6)

Duitsland heeft volledig voldaan aan de technische en administratieve verplichtingen van artikel 3, lid 3, en artikel 3 bis, lid 2, van Beschikking 90/424/EEG. Duitsland heeft de Commissie informatie toegezonden over de kosten van de uitbraak op 14 maart 2006. Het land is daarna ook alle noodzakelijke informatie blijven verstrekken over de beleidsuitgaven en de kosten van schadeloosstellingen.

(7)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Financiële bijdrage van de Gemeenschap

1.   Er kan een financiële bijdrage van de Gemeenschap aan Duitsland worden toegekend om de kosten te dekken van de in artikel 3 bis, lid 2, van Beschikking 90/424/EEG vermelde maatregelen die het land heeft genomen om aviaire influenza in 2006 te bestrijden.

De financiële bijdrage bedraagt 50 % van de voor financiering door de Gemeenschap in aanmerking komende uitgaven.

2.   Voor de toepassing van deze beschikking gelden mutatis mutandis de artikelen 2 tot en met 5, artikel 7, artikel 8, artikel 9, leden 2 tot en met 4, en artikel 10, van Verordening (EG) nr. 349/2005.

Artikel 2

Adressaten

Deze beschikking is gericht tot de Bondsrepubliek Duitsland.

Gedaan te Brussel, 25 april 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 19. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).

(2)  PB L 29 van 2.2.2006, blz. 37.

(3)  PB L 55 van 1.3.2005, blz. 12.


OVEREENKOMSTEN

Raad

3.5.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 115/28


Informatie over de datum van inwerkingtreding van de Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Federale Staten van Micronesia inzake de visserij (1)

De Europese Gemeenschap en de regering van de Federale Staten van Micronesia hebben elkaar op respectievelijk 20 september 2006 en 26 februari 2007 kennis gegeven van de voltooiing van de voor de inwerkingtreding van de overeenkomst noodzakelijke procedures.

De overeenkomst is derhalve, conform artikel 16, op 26 februari 2007 in werking getreden.


(1)  PB L 151 van 6.6.2006, blz. 1.


III Besluiten op grond van het EU-Verdrag

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG

3.5.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 115/29


BESLUIT 2007/274/JBZ VAN DE RAAD

van 23 april 2007

betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake de beveiliging van gerubriceerde gegevens

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op de artikelen 24 en 38,

Gezien de aanbeveling van het voorzitterschap,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Tijdens zijn zitting van 27 en 28 november 2003 heeft de Raad besloten het voorzitterschap, bijgestaan door de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger, te machtigen om overeenkomstig de artikelen 24 en 38 van het Verdrag betreffende de Europese Unie onderhandelingen aan te gaan met bepaalde derde staten, met het oog op de sluiting van een overeenkomst tussen de Europese Unie en elk van deze staten inzake beveiligingsprocedures voor de uitwisseling van gerubriceerde gegevens.

(2)

Ingevolge deze machtiging om onderhandelingen aan te gaan heeft het voorzitterschap, bijgestaan door de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger, overeenstemming bereikt over een overeenkomst met de Regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake de beveiliging van gerubriceerde gegevens.

(3)

Die overeenkomst dient te worden goedgekeurd,

BESLUIT:

Artikel 1

De overeenkomst tussen de Europese Unie en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake de beveiliging van gerubriceerde gegevens wordt namens de Europese Unie goedgekeurd.

De tekst van de overeenkomst is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad is gemachtigd de persoon aan te wijzen die bevoegd is de overeenkomst te ondertekenen teneinde daardoor de Europese Unie te binden.

Artikel 3

Dit besluit wordt van kracht op de datum waarop het wordt aangenomen.

Artikel 4

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Luxemburg, 23 april 2007.

Voor de Raad

De voorzitter

F.-W. STEINMEIER


VERTALING

OVEREENKOMST

tussen de Europese Unie en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake de beveiliging van gerubriceerde gegevens

DE REGERING VAN DE VERENIGDE STATEN VAN AMERIKA, hierna „de Verenigde Staten-regering” genoemd,

en

DE EUROPESE UNIE, hierna „de EU” genoemd, hierna „de partijen” genoemd,

OVERWEGENDE DAT de Verenigde Staten-regering en de EU zich beide ten doel stellen, hun eigen veiligheid op alle mogelijke manieren te versterken en hun burgers een hoog niveau van veiligheid in een veilige ruimte te bieden;

OVERWEGENDE DAT de Verenigde Staten-regering en de EU het erover eens zijn dat onderling overleg en onderlinge samenwerking over beveiligingsaangelegenheden van gemeenschappelijk belang geboden zijn;

OVERWEGENDE DAT er in dit verband een voortdurende behoefte bestaat aan uitwisseling van gerubriceerde gegevens tussen de Verenigde Staten-regering en de EU;

ERKENNENDE DAT het voor een volledig en doeltreffend overleg en dito samenwerking nodig kan zijn dat toegang wordt verleend tot gerubriceerde gegevens van de Verenigde Staten-regering en van de EU, en dat gerubriceerde gegevens worden uitgewisseld tussen de Verenigde Staten-regering en de EU;

ZICH ERVAN BEWUST dat een dergelijke toegang tot en uitwisseling van gerubriceerde gegevens passende beveiligingsmaatregelen vereisen,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT OVER HETGEEN VOLGT:

Artikel 1

Toepassingsgebied

1.   Deze overeenkomst is van toepassing op gerubriceerde gegevens die door de ene partij aan de andere partij worden verstrekt of die tussen de partijen worden uitgewisseld.

2.   Elke partij beschermt de van de andere partij ontvangen gerubriceerde gegevens, met name tegen openbaarmaking zonder machtiging, volgens het bepaalde in deze overeenkomst en volgens de respectieve wet- en regelgeving van de partijen.

Artikel 2

Definities

1.   In deze overeenkomst wordt onder „de EU” verstaan: de Raad van de Europese Unie (hierna „de Raad” genoemd), de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger en het secretariaat-generaal van de Raad, alsook de Commissie van de Europese Gemeenschappen (hierna „de Commissie” genoemd).

2.   In deze overeenkomst wordt onder „gerubriceerde gegevens” verstaan: aan deze overeenkomst onderworpen gegevens en materiaal i) waarvan openbaarmaking zonder machtiging de belangen van de Verenigde Staten-regering, de EU of een of meer van haar lidstaten in meerdere of mindere mate zou kunnen schaden of benadelen; ii) die in verband met veiligheidsbelangen van de Verenigde Staten-regering of de EU moeten worden beschermd tegen openbaarmaking zonder machtiging; en iii) die een door de Verenigde Staten-regering of de EU toegekende veiligheidsrubricering dragen. De gegevens kunnen in mondelinge, visuele, elektronische, magnetische of documentaire vorm zijn, dan wel in de vorm van materiaal, uitrusting of technologie daaronder begrepen.

Artikel 3

Beveiligingsrubriceringen

1.   Gerubriceerde gegevens worden als volgt aangeduid:

a)

voor de Verenigde Staten-regering worden gerubriceerde gegevens aangeduid met TOP SECRET, SECRET of CONFIDENTIAL.

b)

Voor de EU worden gerubriceerde gegevens aangeduid met TRÈS SECRET UE/EU TOP SECRET, SECRET UE, CONFIDENTIEL UE of RESTREINT UE.

2.   De met elkaar overeenkomende beveiligingsrubriceringen zijn:

In de Europese Unie

In de Verenigde Staten van Amerika

TRÈS SECRET UE/EU TOP SECRET

TOP SECRET

SECRET UE

SECRET

CONFIDENTIEL UE

CONFIDENTIAL

RESTREINT UE

(geen gelijkwaardige Verenigde Staten-rubricering)

3.   Op gerubriceerde gegevens die door de ene partij aan de andere worden verstrekt, moeten door middel van een stempel, markering of aanduiding de naam van de verstrekkende partij worden vermeld. Gerubriceerde gegevens die door de ene partij aan de andere worden verstrekt, worden door de ontvangende partij beschermd op een wijze die ten minste gelijkwaardig is aan de bescherming die de verstrekkende partij aan deze gegevens geeft.

Artikel 4

Bescherming van gerubriceerde gegevens

1.   Elke partij beschikt over een beveiligingssysteem en over beveiligingsmaatregelen gebaseerd op de grondbeginselen en minimumnormen voor de beveiliging die zijn vastgelegd in haar wet- en regelgeving, om te waarborgen dat er een gelijkwaardig beschermingsniveau voor gerubriceerde gegevens wordt toegepast. Elke partij verstrekt de andere partij, op verzoek, informatie over haar beveiligingsnormen, -procedures en -praktijken, waaronder opleiding, op het gebied van de bescherming van gerubriceerde gegevens.

2.   De ontvangende partij geeft aan gerubriceerde gegevens die zij heeft ontvangen van de verstrekkende partij een mate van bescherming die ten minste gelijkwaardig is aan die welke door de verstrekkende partij aan deze gegevens wordt gegeven.

3.   De ontvangende partij gebruikt noch geeft toestemming voor het gebruik van gerubriceerde gegevens voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn verstrekt, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming te hebben gekregen van de verstrekkende partij.

4.   De ontvangende partij gaat niet zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de verstrekkende partij over tot verdere vrijgave of openbaarmaking van gerubriceerde gegevens.

5.   De ontvangende partij neemt bij openbaarmaking van gerubriceerde gegevens alle beperkingen inzake de verdere vrijgave van die gegevens in acht die eventueel door de verstrekkende partij zijn gespecificeerd.

6.   De ontvangende partij zorgt ervoor dat de rechten van de bron van in het kader van deze overeenkomst verstrekte of uitgewisselde gerubriceerde gegevens, evenals de intellectuele-eigendomsrechten zoals octrooien, auteursrechten of fabrieksgeheimen, naar behoren worden beschermd.

7.   Niemand heeft louter op grond van rang, aanstelling of veiligheidsmachtiging recht op toegang tot van de andere partij ontvangen gerubriceerde gegevens. Toegang tot gerubriceerde gegevens wordt uitsluitend verleend aan personen die wegens hun officiële functie die toegang moeten hebben en die, indien nodig, de vereiste persoonlijke veiligheidsmachtiging hebben ontvangen, overeenkomstig de voorgeschreven normen van de partijen.

8.   De ontvangende partij zorgt ervoor dat alle personen die toegang hebben tot gerubriceerde gegevens op de hoogte zijn van hun verantwoordelijkheden om de gegevens te beschermen overeenkomstig de toepasselijke wet- en regelgeving.

Artikel 5

Persoonlijke veiligheidsmachtiging

1.   De partijen dragen er zorg voor dat personen die bij het vervullen van hun officiële werkzaamheden toegang dienen te hebben tot in het kader van deze overeenkomst geleverde of uitgewisselde, als CONFIDENTIEL UE of CONFIDENTIAL of hoger gerubriceerde gegevens, of wier werkzaamheden of taken hen in staat stellen toegang daartoe te krijgen, naar behoren aan een veiligheidsonderzoek worden onderworpen voordat zij toegang krijgen tot dergelijke gegevens.

2.   Het besluit van een partij om iemand een persoonlijke veiligheidsmachtiging te verlenen, moet verenigbaar zijn met de veiligheidsbelangen van die partij en moet gebaseerd zijn op alle beschikbare informatie waaruit de onbetwistbare loyaliteit, integriteit en betrouwbaarheid van de betrokkene blijkt.

3.   De veiligheidsmachtigingen van elke partij moeten gebaseerd zijn op een passend en voldoende grondig onderzoek om de zekerheid te verstrekken dat aan de in lid 2 genoemde criteria is voldaan met betrekking tot elke persoon aan wie toegang tot gerubriceerde gegevens zal worden verleend. Voor de EU is de verantwoordelijke nationale veiligheidsinstantie (NVI) van de betrokkene de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de noodzakelijke veiligheidsonderzoeken met betrekking tot zijn onderdanen.

Artikel 6

Overdracht van bewaring

De verstrekkende partij zorgt ervoor dat alle gerubriceerde gegevens naar behoren beschermd worden totdat de bewaring van de gegevens wordt overgedragen aan de ontvangende partij. De ontvangende partij zorgt ervoor dat alle gerubriceerde gegevens van de andere partij naar behoren beschermd worden zodra zij de aan haar verstrekte gegevens in bewaring heeft.

Artikel 7

Beveiliging van inrichtingen en gebouwen van de partijen waar gerubriceerde gegevens worden bewaard

Overeenkomstig de toepasselijke wet- en regelgeving zorgt elke partij voor de beveiliging van de inrichtingen en gebouwen waar gerubriceerde gegevens worden bewaard die haar door de andere partij zijn verstrekt, en zij zorgt er ten aanzien van elk van dergelijke inrichtingen en gebouwen voor dat alle nodige maatregelen worden genomen om de gegevens te bewaken en te beschermen.

Artikel 8

Vrijgave van gerubriceerde gegevens aan aannemers

1.   Van de andere partij ontvangen gerubriceerde gegevens mogen, na voorafgaande schriftelijke toestemming van de verstrekkende partij, worden verstrekt aan een aannemer of potentiële aannemer. Voordat gerubriceerde gegevens worden vrijgegeven of bekendgemaakt aan een aannemer of potentiële aannemer, vergewist de ontvangende partij zich ervan dat die aannemer of potentiële aannemer, en zijn inrichting, de capaciteit hebben om de gegevens te beschermen, en een passende veiligheidsmachtiging hebben.

2.   Dit artikel is niet van toepassing op personeel dat bij de Europese Unie op grond van een arbeidsovereenkomst of bij de Verenigde Staten op grond van een „personal services contract” (overeenkomst inzake persoonlijk dienstverlening) in dienst is.

Artikel 9

Verzending

1.   Gerubriceerde gegevens worden tussen de partijen verzonden langs onderling overeengekomen kanalen.

In het kader van deze overeenkomst:

a)

worden, wat de EU betreft, alle schriftelijke gerubriceerde gegevens gezonden aan het hoofd postregistratie van de Raad van de Europese Unie. Al dergelijke gegevens worden door het hoofd postregistratie van de Raad doorgestuurd aan de lidstaten en aan de Commissie, onverminderd lid 3;

b)

worden, wat de Verenigde Staten-regering betreft, alle schriftelijke gerubriceerde gegevens, tenzij anders bepaald, verzonden via de missie van de Verenigde Staten van Amerika bij de Europese Unie, op het volgende adres:

Mission of the United States of America to the European Union

Registry Officer

Zinnerstraat 13

B-1000 Brussel

2.   De elektronische transmissie van gerubriceerde gegevens tot het niveau CONFIDENTIAL/CONFIDENTIEL UE tussen de Verenigde Staten-regering en de EU en tussen de EU en de Verenigde Staten-regering wordt geëncrypteerd overeenkomstig de voorschriften van de verstrekkende partij zoals die in haar beveiligingsbeleid en -voorschriften zijn aangegeven. Bij de transmissie, de opslag en de verwerking van gerubriceerde gegevens in interne netwerken van de partijen wordt voldaan aan de voorschriften van de verstrekkende partij.

3.   Bij wijze van uitzondering kunnen gerubriceerde gegevens van een partij waartoe slechts bepaalde daartoe bevoegde ambtenaren, organen of diensten van deze partij toegang hebben, om operationele redenen gericht worden aan en toegankelijk zijn voor uitsluitend bepaalde ambtenaren, organen of diensten van de andere partij, die daartoe uitdrukkelijk als ontvangers zijn aangewezen, gelet op hun bevoegdheden en volgens het need-to-know-beginsel. Wat de EU betreft, wordt de doorzending van deze gerubriceerde gegevens verzorgd door het hoofd postregistratie van de Raad, of door het hoofd postregistratie van het directoraat Beveiliging van de Commissie, wanneer de gegevens aan de Commissie zijn gericht.

Artikel 10

Bezoeken aan inrichtingen en gebouwen van de partijen

Op verzoek bevestigen de partijen persoonlijke veiligheidsmachtigingen langs onderling overeengekomen kanalen voor bezoeken van vertegenwoordigers van de ene partij aan inrichtingen en gebouwen van de andere partij.

Artikel 11

Wederzijdse beveiligingsbezoeken

De uitvoering van de beveiligingsvoorschriften van deze overeenkomst kan worden gecontroleerd door wederzijdse bezoeken van beveiligingspersoneel van de partijen met het oog op de beoordeling van de doeltreffendheid van de uit hoofde van deze overeenkomst genomen maatregelen en van de overeenkomstig artikel 13 op te stellen technische beveiligingsregeling ter bescherming van de tussen de partijen verstrekte of uitgewisselde gerubriceerde gegevens. Dienovereenkomstig kan aan beveiligingsvertegenwoordigers van elke partij, na voorafgaand overleg, worden toegestaan de andere partij te bezoeken en de uitvoeringsprocedures van de andere partij te bespreken en te observeren. De gastpartij staat de bezoekende beveiligingsvertegenwoordigers bij bij het bepalen of de van de bezoekende partij ontvangen gerubriceerde gegevens naar behoren wordt beschermd.

Artikel 12

Toezicht

1.   Voor de Verenigde Staten-regering houden de ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie en de directeur van de National Intelligence toezicht op de uitvoering van deze overeenkomst.

2.   Voor de EU houden de secretaris-generaal van de Raad en het voor beveiligingsvraagstukken bevoegde lid van de Commissie toezicht op de uitvoering van deze overeenkomst.

Artikel 13

Technische beveiligingsregeling

1.   Ter uitvoering van deze overeenkomst worden door de in de leden 2, 3 en 4 genoemde drie instanties een technische beveiligingsregeling ingesteld om de normen vast te stellen voor de wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens die in het kader van deze overeenkomst tussen de partijen worden verstrekt of uitgewisseld.

2.   Het ministerie van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten, dat optreedt namens en onder het gezag van de Verenigde Staten-regering, wordt belast met de ontwikkeling van de in lid 1 bedoelde technische beveiligingsregeling voor de bescherming van gerubriceerde gegevens die in het kader van deze overeenkomst aan de Verenigde Staten-regering worden verstrekt of met haar worden uitgewisseld.

3.   Het Bureau beveiliging van het secretariaat-generaal van de Raad dat onder leiding staat en handelt in naam van de secretaris-generaal van de Raad en dat optreedt namens en onder het gezag van de Raad, wordt belast met de ontwikkeling van de in lid 1 bedoelde technische beveiligingsregeling voor de bescherming en beveiliging van gerubriceerde gegevens die in het kader van deze overeenkomst aan de Raad of het secretariaat-generaal van de Raad worden verstrekt of daarmee worden uitgewisseld.

4.   Het directoraat Beveiliging van de Commissie, dat optreedt onder het gezag van het voor beveiligingsvraagstukken bevoegde lid van de Commissie, wordt belast met de ontwikkeling van de in lid 1 bedoelde technische beveiligingsregeling voor de bescherming van gerubriceerde gegevens die in het kader van deze overeenkomst aan de Commissie worden verstrekt of met haar worden uitgewisseld.

5.   Wat de EU betreft, is de regeling onderworpen aan goedkeuring door het Beveiligingscomité van de Raad.

Artikel 14

Lagere rubricering en derubricering

1.   De partijen komen overeen dat gerubriceerde gegevens lager gerubriceerd zullen worden zodra de gegevens niet langer de hogere mate van bescherming behoeven, en dat zij gederubriceerd zullen worden zodra de gegevens niet langer bescherming tegen openbaarmaking zonder machtiging behoeven.

2.   De verstrekkende partij beslist in volstrekte vrijheid over de lagere rubricering of derubricering van zijn eigen gerubriceerde gegevens. De ontvangende partij verleent de van de andere partij ontvangen gerubriceerde gegevens geen lagere rubricering en derubriceert die gegevens niet, ongeacht eventuele klaarblijkelijke derubriceringsinstructies op het document, zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van de verstrekkende partij.

Artikel 15

Verlies of aantasting van het vertrouwelijke karakter

De verstrekkende partij wordt bij ontdekking van bewijzen of vermoedens van verlies of aantasting van het vertrouwelijke karakter van haar gerubriceerde gegevens daarvan in kennis gesteld, en de ontvangende partij stelt een onderzoek in om de omstandigheden vast te stellen. De resultaten van het onderzoek en informatie betreffende de genomen maatregelen om herhaling te voorkomen, worden ter kennis van de verstrekkende partij gebracht. De in artikel 13 genoemde autoriteiten kunnen hiervoor procedures vaststellen.

Artikel 16

Regeling van geschillen

Alle geschillen tussen de partijen die zich in het kader van of in verband met deze overeenkomst voordoen, worden uitsluitend via overleg tussen de partijen opgelost.

Artikel 17

Kosten

Elke partij neemt de kosten die zij ter uitvoering van deze overeenkomst heeft gemaakt, voor haar rekening.

Artikel 18

Vermogen om te beschermen

Voordat de partijen elkaar gerubriceerde gegevens verstrekken of deze uitwisselen, moeten de in artikel 12 genoemde verantwoordelijke beveiligingsautoriteiten overeenkomen dat de ontvangende partij in staat is de in deze overeenkomst bedoelde gegevens conform de in artikel 13 bedoelde technische beveiligingsregeling te beschermen en te beveiligen.

Artikel 19

Andere overeenkomsten

Niets in deze overeenkomst doet afbreuk aan bestaande overeenkomsten of regelingen tussen de partijen noch aan overeenkomsten tussen de Verenigde Staten-regering en lidstaten van de Europese Unie. Deze overeenkomst belet de partijen niet andere overeenkomsten betreffende de verstrekking of uitwisseling van gerubriceerde gegevens als bedoeld in deze overeenkomst te sluiten, mits deze niet onverenigbaar zijn met de verplichtingen krachtens deze overeenkomst.

Artikel 20

Inwerkingtreding, wijziging en opzegging

1.   Deze overeenkomst treedt in werking op de datum waarop de laatste partij haar ondertekent.

2.   Elke partij stelt de andere partij in kennis van eventuele wijzigingen in haar wet- en regelgeving die gevolgen zouden kunnen hebben voor de bescherming van de in deze overeenkomst bedoelde gerubriceerde gegevens. In die gevallen treden de partijen in overleg om overeenkomstig lid 3 de nodige wijzigingen in deze overeenkomst aan te brengen.

3.   Wijzigingen in deze overeenkomst worden via schriftelijke onderlinge overeenstemming tussen de partijen aangebracht.

4.   Elke partij kan deze overeenkomst opzeggen door de andere partij negentig dagen van te voren schriftelijk in kennis te stellen van haar voornemen de overeenkomst op te zeggen. Ondanks de opzegging van deze overeenkomst blijven alle volgens deze overeenkomst verstrekte gegevens onderworpen aan bescherming volgens het bepaalde in deze overeenkomst. De partijen plegen onmiddellijk overleg over hetgeen met die gerubriceerde gegevens moet gebeuren.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd door hun respectieve autoriteiten, deze overeenkomst hebben ondertekend.

Gedaan te Washington, de dertigste april 2007, in twee exemplaren, beide in de Engelse taal.

Voor de Europese Unie

Image

Voor de Regering van de Verenigde Staten van Amerika

Image