ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 106

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

50e jaargang
24 april 2007


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EG) nr. 442/2007 van de Raad van 19 april 2007 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op ammoniumnitraat van oorsprong uit Oekraïne naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 384/96

1

 

 

Verordening (EG) nr. 443/2007 van de Commissie van 23 april 2007 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

20

 

*

Verordening (EG) nr. 444/2007 van de Commissie van 23 april 2007 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 41/2007 van de Raad wat betreft de vangstbeperkingen voor het haringbestand in de ICES-zones I en II

22

 

*

Verordening (EG) nr. 445/2007 van de Commissie van 23 april 2007 houdende enkele toepassingsbepalingen van Verordening (EG) nr. 2991/94 van de Raad tot vaststelling van normen voor smeerbare vetproducten en van Verordening (EEG) nr. 1898/87 van de Raad betreffende de bescherming van de benaming van melk en zuivelproducten bij het in de handel brengen (Gecodificeerde versie)

24

 

*

Verordening (EG) nr. 446/2007 van de Commissie van 23 april 2007 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2273/2002 van de Commissie houdende vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad met betrekking tot de constatering van de prijzen voor sommige categorieën runderen op de representatieve markten van de Gemeenschap

30

 

*

Verordening (EG) nr. 447/2007 van de Commissie van 23 april 2007 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1043/2005 houdende tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad met betrekking tot de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer van bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen, en de criteria voor de vaststelling van de restitutiebedragen

31

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2007/25/EG van de Commissie van 23 april 2007 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde dimethoaat, dimethomorf, glufosinaat, metribuzin, fosmet en propamocarb op te nemen als werkzame stoffen ( 1 )

34

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Raad

 

 

2007/241/EG

 

*

Besluit van de Raad van 27 maart 2007 betreffende de sluiting van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Republiek Korea

43

Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Republiek Korea

44

 

 

2007/242/EG

 

*

Besluit van de Raad van 23 april 2007 houdende uitvoering van artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 423/2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran

51

 

 

Commissie

 

 

2007/243/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 18 april 2007 houdende onttrekking aan communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten voor het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, hebben verricht (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 1663)  ( 1 )

55

 

 

III   Besluiten op grond van het EU-Verdrag

 

 

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG

 

*

Besluit 2007/244/GBVB van de Raad van 23 april 2007 tot uitvoering van Gemeenschappelijk Optreden 2005/557/GBVB inzake het civiel-militaire optreden van de Europese Unie ter ondersteuning van de missie van de Afrikaanse Unie in de regio Darfur in Sudan

63

 

*

Gemeenschappelijk Optreden 2007/245/GBVB van de Raad van 23 april 2007 houdende wijziging van Gemeenschappelijk Optreden 2005/557/GBVB inzake het civiel-militaire optreden van de Europese Unie ter ondersteuning van de missie van de Afrikaanse Unie in de regio Darfur in Sudan met betrekking tot de opneming van een ondersteunende militaire component ter verlening van bijstand bij het opzetten van de missie van de Afrikaanse Unie in Somalië (AMISOM)

65

 

*

Gemeenschappelijk Standpunt 2007/246/GBVB van de Raad van 23 april 2007 tot wijziging van Gemeenschappelijk Standpunt 2007/140/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran

67

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

24.4.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 106/1


VERORDENING (EG) Nr. 442/2007 VAN DE RAAD

van 19 april 2007

tot instelling van een definitief antidumpingrecht op ammoniumnitraat van oorsprong uit Oekraïne naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 384/96

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name op artikel 11, lid 2,

Gezien het voorstel dat de Commissie na raadpleging van het Raadgevend Comité heeft ingediend,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

1.   Geldende maatregelen

(1)

Op 22 januari 2001 heeft de Raad bij Verordening (EG) nr. 132/2001 (2) een definitief antidumpingrecht van 33,25 EUR/t ingesteld („de bestaande maatregelen”) op ammoniumnitraat („AN”), ingedeeld onder de GN-codes 3102 30 90 en 3102 40 90, van oorsprong uit onder andere Oekraïne. Het tot die maatregelen leidende onderzoek wordt hierna aangeduid als het „oorspronkelijke onderzoek”.

(2)

Naar aanleiding van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek heeft de Raad op 17 mei 2004 bij Verordening (EG) nr. 993/2004 (3) producten van ondernemingen waarvan de Commissie een verbintenis wilde aanvaarden, vrijgesteld van de bij Verordening (EG) nr. 132/2001 ingestelde antidumpingrechten. Bij Verordening (EG) nr. 1001/2004 van de Commissie (4), werden prijsverbintenissen aanvaard tot 20 mei 2005. Deze verbintenissen waren bedoeld om rekening te houden met bepaalde gevolgen van de uitbreiding van de Europese Unie tot 25 lidstaten.

(3)

Bij Verordening (EG) nr. 945/2005 heeft de Raad, naar aanleiding van een tussentijds nieuw onderzoek dat alleen de definitie van het betrokken product betrof, besloten dat die definitie moest worden verduidelijkt en dat de geldende maatregelen op het betrokken product van toepassing moesten zijn wanneer dit samen met andere marginale stoffen en nutriënten in andere meststoffen verwerkt was, naar rato van het AN-gehalte van die meststoffen.

2.   Verzoek om een nieuw onderzoek

(4)

Na de bekendmaking op 5 mei 2005 van het bericht dat de maatregelen op korte termijn zouden vervallen (5), werd uit hoofde van artikel 11, lid 2, van de basisverordening op 25 oktober 2005 een verzoek om een nieuw onderzoek ingediend. Dit verzoek werd ingediend door de European Fertilizer Manufacturers Association (EFMA) („de indiener van het verzoek”) namens producenten die samen een groot deel, in dit geval meer dan 50 %, van de totale productie van AN in de Gemeenschap voor hun rekening nemen.

(5)

De indiener van het verzoek beweerde, op grond van voldoende voorlopig bewijsmateriaal, dat met betrekking tot de invoer van AN van oorsprong uit Oekraïne („het betrokken land”) herhaling van dumping en schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap waarschijnlijk was.

(6)

Daar de Commissie na overleg in het Raadgevend Comité tot de conclusie is gekomen dat er voldoende bewijsmateriaal is om een procedure voor een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen in te leiden, heeft zij op 25 januari 2006 door middel van bekendmaking van een bericht van opening in het Publicatieblad van de Europese Unie  (6) de opening van een nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening aangekondigd.

3.   Onderzoek

3.1.   Onderzoektijdvak

(7)

Het onderzoek naar de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van dumping had betrekking op de periode van 1 januari tot en met 31 december 2005 („het nieuwe onderzoektijdvak” of „NOT”). Het onderzoek van de ontwikkelingen die relevant zijn om te beoordelen of het waarschijnlijk is dat de schade zal voortduren of zich zal herhalen, had betrekking op de periode van 2002 tot het einde van het nieuwe onderzoektijdvak („de beoordelingsperiode”).

3.2.   Bij het onderzoek betrokken partijen

(8)

De Commissie heeft de haar bekende betrokken producenten/exporteurs, importeurs en gebruikers en hun verenigingen, de vertegenwoordigers van het land van uitvoer, de indiener van het verzoek en de producenten in de Gemeenschap officieel van de opening van het nieuwe onderzoek in kennis gesteld. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en konden binnen de in het bericht van opening vermelde termijn een verzoek indienen om te worden gehoord.

(9)

Alle belanghebbenden die daarom met opgave van redenen hadden verzocht, werden gehoord.

(10)

Wegens het grote aantal producenten en importeurs in de Gemeenschap werd overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening besloten na te gaan of moest worden gebruikgemaakt van een steekproef. Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze samen te stellen, heeft de Commissie bovengenoemde partijen overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening verzocht binnen 15 dagen na de opening van het onderzoek contact met haar op te nemen en haar de in het bericht van opening gevraagde gegevens te verstrekken.

(11)

Na beoordeling van de verstrekte informatie en gezien het feit dat tien communautaire producenten zich bereid verklaarden medewerking te verlenen, werd besloten dat voor de communautaire producenten een steekproef moest worden samengesteld. Slechts één importeur verstrekte de in het bericht van opening gevraagde informatie en verklaarde zich bereid de diensten van de Commissie verdere medewerking te verlenen. Deze importeur was evenwel buiten de Gemeenschap gevestigd en had het betrokken product tijdens het nieuwe onderzoektijdvak niet in de Gemeenschap ingevoerd. Daarom werd besloten dat een steekproef van de importeurs niet nodig was.

(12)

Tien communautaire producenten stuurden het formulier voor de samenstelling van de steekproef binnen de termijn ingevuld terug en zegden formeel toe verder aan het onderzoek te zullen meewerken. De Commissie stelde overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening van die tien producenten een steekproef samen op basis van de grootste representatieve productie- en verkoophoeveelheden van AN in de Gemeenschap die binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs konden worden onderzocht. De vier in de steekproef opgenomen communautaire producenten vertegenwoordigden 76 % van de totale productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, zoals gedefinieerd in overweging 51 hieronder, in het nieuwe onderzoektijdvak, terwijl de bovengenoemde tien communautaire producenten in het nieuwe onderzoektijdvak 70 % van de totale productie van de Gemeenschap voor hun rekening namen.

(13)

Overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening werd met de betrokken partijen overleg gepleegd over de samengestelde steekproef; zij maakten geen bezwaar tegen de selectie.

(14)

Aan de vier in de steekproef opgenomen communautaire producenten en alle bekende producenten/exporteurs werd een vragenlijst toegezonden.

(15)

De vier in de steekproef opgenomen communautaire producenten, drie producenten in het betrokken land, waarvan twee producenten/exporteurs, en één verbonden handelaar stuurden de vragenlijsten ingevuld terug.

(16)

Eén producent in het referentieland diende ook een volledig beantwoorde vragenlijst in.

(17)

De Commissie verzamelde en controleerde alle gegevens die zij nodig achtte om vast te stellen of herhaling van de dumping en de daaruit voortvloeiende schade waarschijnlijk was en om het belang van de Gemeenschap te bepalen. Bij de volgende bedrijven werd ter plaatse een controle verricht:

a)

verbonden handelaar van de Oekraïense producent Stirol:

IBE Trading, New York, New York, Verenigde Staten;

b)

producent in het referentieland:

Terra Industries, Sioux City, Iowa, Verenigde Staten;

c)

in de steekproef opgenomen communautaire producenten:

Terra Nitrogen Limited, Stockton, Verenigd Koninkrijk;

Grande Paroisse SA, Parijs, Frankrijk;

Zakłady Azotowe Anwil SA, Polen;

Yara nv, Brussel, België, en zijn verbonden producent Yara Sluiskil bv, Sluiskil, Nederland.

B.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

1.   Betrokken product

(18)

Bij het betrokken product gaat het om vaste meststoffen met een gehalte aan ammoniumnitraat van meer dan 80 gewichtspercenten, van oorsprong uit Oekraïne, ingedeeld onder de GN-codes 3102 30 90, 3102 40 90, ex 3102 29 00, ex 3102 60 00, ex 3102 90 00, ex 3105 10 00, ex 3105 20 10, ex 3105 51 00, ex 3105 59 00 en ex 3105 90 91. Ammoniumnitraat is een vaste stikstofhoudende meststof die vaak in de landbouw wordt gebruikt. AN wordt vervaardigd uit ammoniak en salpeterzuur en heeft in de vorm van prils of granules een stikstofgehalte van meer dan 28 gewichtspercenten.

(19)

De definitie van het betrokken product is verduidelijkt in Verordening (EG) nr. 945/2005.

2.   Soortgelijk product

(20)

Dit nieuwe onderzoek bevestigde wat bij het oorspronkelijke onderzoek al was vastgesteld, namelijk dat AN een echt basisproduct is en dat de kwaliteit en de fysische eigenschappen van dit product identiek zijn, ongeacht het land van oorsprong. Het betrokken product en de door de producenten/exporteurs vervaardigde en op hun binnenlandse markt en in derde landen verkochte producten, alsmede de producten die de communautaire producenten in de Gemeenschap vervaardigen en verkopen en het product dat de producent in het referentieland vervaardigt en op de binnenlandse markt van het referentieland verkoopt, hebben dus dezelfde fysische en chemische eigenschappen en worden in wezen voor dezelfde doeleinden gebruikt, zodat zij als soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening moeten worden beschouwd.

C.   WAARSCHIJNLIJKHEID VAN VOORTZETTING OF HERHALING VAN DUMPING

1.   Algemeen

(21)

Drie Oekraïense producenten van het betrokken product hebben aan het onderzoek meegewerkt. Twee van hen hebben het betrokken product tijdens het nieuwe onderzoektijdvak uitgevoerd. Er is ten minste één niet-medewerkende producent waarvan bekend is dat hij het betrokken product in Oekraïne vervaardigt.

(22)

Een vergelijking van de door de producenten/exporteurs verstrekte gegevens over de uitvoer naar de Gemeenschap en de cijfers van Eurostat over het totale invoervolume toonde aan dat de twee producenten/exporteurs tijdens het nieuwe onderzoektijdvak circa 60 % van de totale invoer uit Oekraïne in de Gemeenschap voor hun rekening namen. Het bleek echter dat het overgrote deel van de resterende 40 % van de invoer van het betrokken product weliswaar in december 2004 was gefactureerd, maar pas tijdens het nieuwe onderzoektijdvak de Gemeenschap was binnengekomen (zodat deze invoer niet door de medewerkende producenten werd gemeld, maar wel in de invoerstatistiek was opgenomen). Daarentegen was de uitvoer die in december 2005 werd gefactureerd maar pas in januari 2006 in de Gemeenschap werd ingevoerd van onbeduidende omvang. Er werd dus geconcludeerd dat 85-90 % van alle invoer uit Oekraïne in de Gemeenschap tijdens het nieuwe onderzoektijdvak voor rekening van de medewerkende producenten kwam. Het niveau van medewerking was dus hoog.

(23)

De totale invoer van het betrokken product uit Oekraïne was gering en maakte minder dan 1 % van de totale communautaire markt uit.

2.   Invoer met dumping tijdens het onderzoektijdvak

2.1.   Referentieland

(24)

Aangezien Oekraïne ten tijde van de indiening van het verzoek om een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen nog niet als land met een markteconomie werd beschouwd (7), moest de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 7, van de basisverordening worden vastgesteld aan de hand van gegevens van een producent in een derde land met markteconomie. In het bericht van opening werden de Verenigde Staten en Roemenië als mogelijke referentielanden genoemd. In het oorspronkelijke onderzoek was Polen als referentieland gebruikt. Aangezien Polen in mei 2004 tot de Europese Unie toetrad, kon dit land niet meer als referentieland dienen. Alle belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld over de keuze van de Verenigde Staten en Roemenië als referentieland op- of aanmerkingen te maken.

(25)

Uit de analyse die na de bekendmaking van het bericht van opening werd uitgevoerd, bleek echter dat de Roemeense AN-markt werd gedomineerd door invoer uit Oekraïne en Rusland, terwijl de Roemeense producenten zich vooral op de uitvoer richtten en slechts zeer geringe hoeveelheden op hun binnenlandse markt verkochten. Om die reden werd besloten dat Roemenië gezien bovengenoemde structuur van zijn binnenlandse markt niet als het meest geschikte referentieland kon worden beschouwd.

(26)

Van slechts één medewerkende producent werden opmerkingen ontvangen. Hij stelde voor Algerije als referentieland te gebruiken wegens de toegang van dit land tot de belangrijkste grondstof, gas. Bij de keuze van het referentieland is het echter niet van belang of dat land zelf aardgas wint. Wat wel van belang is, is of de gasprijzen de marktwaarde weergeven. De dubbele prijsstelling die Algerije voor gas hanteert, wijst er duidelijk op dat dit niet het geval is en dat Algerije dus minder geschikt is om als referentieland te dienen. Voorts zijn zowel de Verenigde Staten als Oekraïne producenten en netto-importeurs van aardgas, terwijl Algerije een netto-exporteur van aardgas is. Op dit punt zijn de overeenkomsten tussen de Verenigde Staten en Oekraïne dus groter dan die tussen Algerije en Oekraïne.

(27)

Voorts werd beweerd dat de Verenigde Staten geen geschikt referentieland waren, omdat de gasprijzen op de binnenlandse markt van de Verenigde Staten in het nieuwe onderzoektijdvak te hoog waren. Hoewel de gasprijzen door een aantal natuurrampen in het vierde kwartaal van het nieuwe onderzoektijdvak inderdaad zeer hoog waren, kunnen hiervoor gemakkelijk correcties worden toegepast, zoals in overweging 35 wordt beschreven.

(28)

Ook op grond van het productieproces werd bezwaar gemaakt tegen de Verenigde Staten als referentieland. Er werd beweerd dat het Algerijnse productieproces beter vergelijkbaar was met dat in Oekraïne. Deze bewering werd door de producent echter niet met bewijzen gestaafd.

(29)

Verder werd aangevoerd dat Algerije qua productie, verbruik en vraag beter vergelijkbaar was met Oekraïne. Volgens de beschikbare informatie zijn zowel de productie (8) als het binnenlandse verbruik (9) in Algerije van onbeduidende omvang. Anderzijds hebben zowel Oekraïne als de Verenigde Staten een aanzienlijke productie en een grote binnenlandse markt.

(30)

Hoewel in de Verenigde Staten antidumpingmaatregelen van toepassing waren op AN van oorsprong uit Oekraïne, werd vastgesteld dat de economie van de Verenigde Staten een openmarkteconomie is waar een aanzienlijk aantal binnenlandse producenten aanzienlijke concurrentie ondervinden van invoer uit andere derde landen. Voorts is de binnenlandse verkoop van de producenten in de Verenigde Staten representatief en is hun toegang tot grondstoffen vergelijkbaar met die van Oekraïense producenten.

(31)

Bij het onderzoek werd dus vastgesteld dat de Verenigde Staten een geschikt referentieland waren. Daarom werden de berekeningen gebaseerd op de gecontroleerde informatie van de enige medewerkende Amerikaanse producent die een volledig ingevulde vragenlijst terugstuurde.

2.2.   Normale waarde

(32)

Aangezien Oekraïne ten tijde van de indiening van het verzoek om een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen nog niet als land met een markteconomie werd beschouwd, moest de normale waarde worden vastgesteld aan de hand van de gegevens van een producent in de Verenigde Staten, zoals in overweging 31 nader is toegelicht.

(33)

De representativiteit van de binnenlandse verkoop door de enige medewerkende producent van het soortgelijke product in het referentieland werd dus aan de hand van de uitvoer van de twee medewerkende producenten/exporteurs naar de Gemeenschap beoordeeld. Er werd maar één productsoort naar de Gemeenschap uitgevoerd. Een analyse naar productsoort was daarom niet nodig.

(34)

Er werd geconcludeerd dat de binnenlandse verkoop van de enige medewerkende producent van het soortgelijke product in het referentieland representatief was, aangezien deze verkoop veel groter was dan de hoeveelheid AN die door de twee medewerkende Oekraïense producenten/exporteurs naar de Gemeenschap werd uitgevoerd.

(35)

Om vast te stellen of de binnenlandse verkoop van de producent in de Verenigde Staten in het kader van normale handelstransacties plaatsvond, werden de binnenlandse verkoopprijzen vergeleken met de productiekosten. Bij het bepalen van de productiekosten van de producent in de Verenigde Staten bleek dat deze in het vierde kwartaal door natuurrampen waren beïnvloed. Volgens informatie die door deze producent werd gepubliceerd, stuurde een aantal orkanen aan de Amerikaanse Golfkust tijdens het derde kwartaal de aardgasmarkten danig in de war en hadden deze orkanen een negatieve invloed op de resultaten in het vierde kwartaal en op de jaarresultaten van de producent (10). De in de Verenigde Staten genoteerde gasprijzen (11) verdubbelden inderdaad tussen augustus (12) en oktober (13) 2005, de periode waarin de Amerikaanse Golfkust door de orkanen Katrina (23-31 augustus) en Rita (17-26 september) werd geteisterd. Aangezien aardgas de belangrijkste kostenpost is bij de productie van AN, was het effect hiervan aanzienlijk en zou een kunstmatig hoge normale waarde zijn berekend. Daarom werd besloten dat de productiekosten voor het vierde kwartaal 2005 zouden worden vastgesteld op basis van de gemiddelde gasprijzen die de producent in de eerste drie kwartalen van 2005 had betaald.

(36)

Op basis van het bovenstaande bleek het overgrote deel van de binnenlandse verkoop winstgevend te zijn, zodat de normale waarde werd gebaseerd op de binnenlandse verkoopprijzen aan de eerste onafhankelijke binnenlandse afnemer. Aangezien de Oekraïense producenten/exporteurs tijdens het nieuwe onderzoektijdvak slechts één productsoort naar de Gemeenschap uitvoerden, was de analyse tot deze soort beperkt.

2.3.   Uitvoerprijs

(37)

De uitvoerprijs werd overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening vastgesteld aan de hand van de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het betrokken product dat met het oog op uitvoer naar de Gemeenschap wordt verkocht. Alle verkoop van de medewerkende producenten/exporteurs werd rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap uitgevoerd.

2.4.   Vergelijking

(38)

De normale waarde en de uitvoerprijs werden vergeleken in het stadium af fabriek. Om een billijke vergelijking te waarborgen, werd overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening door middel van correcties rekening gehouden met verschillen die de vergelijkbaarheid van de prijzen beïnvloeden. Dienovereenkomstig werden er in voorkomend geval correcties toegepast voor verschillen in de kosten van vervoer, op- en overslag, laden en lossen en aanverwante kosten, krediet en commissielonen, waar die met gecontroleerd bewijsmateriaal waren gestaafd.

2.5.   Dumpingmarge

(39)

Daar Oekraïne voor dit onderzoek niet als land met een markteconomie wordt beschouwd, werd overeenkomstig artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening een voor het gehele land geldende dumpingmarge vastgesteld op basis van een vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs. Zoals al in overweging 22 werd gezegd, was er een hoog niveau van medewerking.

(40)

Bij bovengenoemde vergelijking bleek dat het niveau van dumping (30-40 %) tijdens het nieuwe onderzoektijdvak iets lager was dan bij het oorspronkelijke onderzoek. Daar de uitvoer van Oekraïne naar de Gemeenschap tijdens het nieuwe onderzoektijdvak echter gering was, werd bij de analyse vooral gekeken naar de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van de dumping.

3.   Ontwikkeling van de invoer indien de maatregelen worden ingetrokken

3.1.   Reservecapaciteit

(41)

De productie van de drie medewerkende producenten bleef stabiel tijdens de beoordelingsperiode. Ook de productiecapaciteit bleef gedurende die periode constant. De drie producenten hebben een reservecapaciteit van 600 000-700 000 ton (8-10 % van het verbruik in de Gemeenschap), zodat zij bij intrekking van de maatregelen hun uitvoer naar de Gemeenschap aanzienlijk kunnen opvoeren. Bovendien is er ten minste nog één andere bekende Oekraïense producent van het betrokken product die niet aan het onderzoek heeft meegewerkt. Hoewel de reservecapaciteit van deze niet-medewerkende producent niet bekend is, kan niet worden uitgesloten dat ook die aanzienlijk is, daar de drie medewerkende producenten een reservecapaciteit van gemiddeld 30 % hadden.

(42)

Gemiddeld kwam de binnenlandse verkoop van de drie medewerkende producenten tijdens de beoordelingsperiode overeen met 30-40 % van de productiecapaciteit. Het lijkt dus weinig aannemelijk dat de binnenlandse markt van Oekraïne het grootste deel van deze reserveproductiecapaciteit kan absorberen, zodat alle extra productie waarschijnlijk zal worden uitgevoerd.

(43)

Zonder antidumpingmaatregelen zou een aanzienlijk deel van die reservecapaciteit dus voor uitvoer naar de Gemeenschap kunnen worden gebruikt.

3.2.   Verhouding tussen de Oekraïense verkoopprijzen op andere markten en de verkoopprijs in de Gemeenschap

(44)

Uit een analyse van de uitvoer van de medewerkende Oekraïense producenten naar derde landen bleek, bij een vergelijking op basis van daf-/fob-prijzen grens Oekraïne, dat de prijzen van die uitvoer tijdens het nieuwe onderzoektijdvak gemiddeld 20-30 % lager waren dan die voor de uitvoer naar de Gemeenschap. Daarnaast vond ook de binnenlandse verkoop plaats tegen prijzen die 20-30 % onder die van de verkoop aan de Gemeenschap lagen. Uit de gegevens over het nieuwe onderzoektijdvak kan dus worden opgemaakt dat er bij intrekking van de maatregelen reden zou zijn de uitvoer die nu voor derde landen is bestemd naar de Gemeenschap te verleggen, zodat hogere prijzen en betere marges kunnen worden behaald.

(45)

De Oekraïense invoerprijzen voor aardgas zijn tijdens het nieuwe onderzoektijdvak echter aanzienlijk gestegen. Aangezien aardgas de belangrijkste kostenpost is bij de productie van AN, kan niet worden uitgesloten dat de Oekraïense producenten hun prijzen voor de uitvoer naar derde landen zullen verhogen, zodat het in overweging 44 genoemde prijsverschil tussen de verkoop aan derde landen en die aan de Gemeenschap veel kleiner wordt. Eerste gegevens (14) wijzen er inderdaad op dat dat het geval is.

4.   Conclusie betreffende de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van dumping

(46)

Uit het onderzoek is gebleken dat twee van de medewerkende producenten hun dumpingpraktijken ondanks de geldende antidumpingmaatregelen hebben voortgezet. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat de huidige uitvoer naar derde landen naar de Gemeenschap wordt verlegd.

(47)

Voorts liggen ook de gewogen gemiddelde prijzen die de medewerkende producenten/exporteurs bij uitvoer naar derde landen berekenen een stuk onder de gangbare prijzen in de Gemeenschap. Als de maatregelen worden ingetrokken is dat dus samen met de aanzienlijke reservecapaciteit een reden voor de Oekraïense producenten/exporteurs om hun uitvoer, waarschijnlijk tegen dumpingprijzen, naar de Gemeenschap te verleggen.

D.   DEFINITIE VAN DE BEDRIJFSTAK VAN DE GEMEENSCHAP

(48)

In de Gemeenschap wordt het soortgelijke product vervaardigd door 14 producenten wier productie de totale communautaire productie van het soortgelijke product in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening vormt.

(49)

Er wordt op gewezen dat de „Hydro Agri”-ondernemingen in het oorspronkelijke onderzoek nu „Yara” heten. Vijf van de 14 bedrijven zijn bij de uitbreiding van de Europese Unie in 2004 onderdeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap geworden.

(50)

Van de 14 communautaire producenten hebben tien bedrijven aan het onderzoek meegewerkt, die alle in het verzoek om een nieuw onderzoek werden genoemd. De overige vier producenten („andere communautaire producenten”) hebben binnen de gestelde termijn contact opgenomen en de voor de steekproef vereiste informatie verstrekt. Zij hebben echter niet aangeboden verder mee te werken. De volgende tien producenten waren tot medewerking bereid:

Achema AB (Litouwen),

Zakłady Azotowe Anwil SA (Polen),

BASF AG (Duitsland),

DSM Agro (Nederland),

Fertiberia SA (Spanje),

Grande Paroisse SA (Frankrijk),

Nitrogénművek Rt (Hongarije),

Terra Nitrogen Limited (Verenigd Koninkrijk),

Yara (Duitsland, Italië, Nederland en het Verenigd Koninkrijk),

Zakłady Azotowe w Tarnowie (Polen).

(51)

Deze tien communautaire producenten namen tijdens het nieuwe onderzoektijdvak 70 % van de totale communautaire productie voor hun rekening, dus een groot deel van de totale communautaire productie van het soortgelijke product. Zij worden dus als de bedrijfstak van de Gemeenschap in de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening beschouwd en zullen hierna als „de bedrijfstak van de Gemeenschap” worden aangeduid.

(52)

Zoals reeds vermeld in de overwegingen 11 en 14 is een steekproef van vier bedrijven geselecteerd. Alle in de steekproef opgenomen communautaire producenten hebben medewerking verleend en hebben de vragenlijst binnen de termijn beantwoord. Daarnaast hebben de overige zes medewerkende producenten bepaalde algemene gegevens voor de schadeanalyse verstrekt.

E.   SITUATIE OP DE COMMUNAUTAIRE MARKT

1.   Verbruik in de Gemeenschap

(53)

Het zichtbare verbruik in de Gemeenschap werd vastgesteld aan de hand van de omvang van de verkoop door de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt, de omvang van de verkoop door de andere communautaire producenten op de communautaire markt en gegevens van Eurostat over de totale EU-invoer. Met het oog op de uitbreiding van de Europese Unie in 2004 werd voor de duidelijkheid en coherentie van de analyse het verbruik gedurende de gehele beoordelingsperiode gebaseerd op de markt van de EU-25.

(54)

Tussen 2002 en het eind van het nieuwe onderzoektijdvak daalde het verbruik in de Gemeenschap met 1 %. De toename met 4 % in 2003 werd in 2004 weer tenietgedaan, wat op een stabilisatie duidde, waarna de verdere daling in het nieuwe onderzoektijdvak (– 1 %) op een licht neergaande trend wees.

 

2002

2003

2004

NOT

Totaal verbruik in de Gemeenschap (ton)

7 757 697

8 099 827

7 775 470

7 641 817

Index (2002 = 100)

100

104

100

99

2.   Omvang, marktaandeel en prijzen van de invoer uit Oekraïne

(55)

De ontwikkeling van de omvang, het marktaandeel en de gemiddelde prijzen van de invoer uit Oekraïne is hieronder weergegeven. De cijfers zijn van Eurostat.

 

2002

2003

2004

NOT

Omvang van de invoer (ton)

212 827

123 477

51 031

62 077

Marktaandeel

2,7 %

1,5 %

0,7 %

0,8 %

Prijzen van de invoer (euro/ton)

88

83

112

122

Index (2002 = 100)

100

94

127

139

(56)

De omvang van de invoer uit Oekraïne is tijdens de beoordelingsperiode gestaag afgenomen. Ook het marktaandeel van deze invoer daalde van 2,7 % in 2002 tot 0,8 % in het nieuwe onderzoektijdvak. De prijzen hebben zich tijdens de beoordelingsperiode positief ontwikkeld van 88 tot 122 EUR/t. Deze ontwikkeling weerspiegelt de gunstige marktvoorwaarden die ook in overweging 73 worden vermeld.

(57)

Voor de berekening van de prijsonderbieding tijdens het nieuwe onderzoektijdvak werden de af-fabriekprijzen die de bedrijfstak van de Gemeenschap aan niet-verbonden afnemers berekende, vergeleken met de cif-importprijzen, grens Gemeenschap, van de medewerkende producenten/exporteurs van het betrokken land, naar behoren gecorrigeerd om de prijs inclusief lossen, inklaring en invoerrechten weer te geven. Uit de vergelijking bleek dat de invoer uit Oekraïne de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap met 10 tot 15 % onderbood.

3.   Invoer uit andere landen

(58)

In onderstaande tabel wordt de omvang van de invoer uit andere derde landen tijdens de beoordelingsperiode weergegeven. Ook hier zijn de cijfers van Eurostat.

 

2002

2003

2004

NOT

Omvang van de invoer uit Rusland (ton)

690 233

528 609

504 026

257 921

Marktaandeel

8,9 %

6,5 %

6,5 %

3,4 %

Prijzen van de invoer uit Rusland (EUR/t)

79

77

106

123

Omvang van de invoer uit Georgië (ton)

86 517

100 025

132 457

153 844

Marktaandeel

1,1 %

1,2 %

1,7 %

2,0 %

Prijzen van de invoer uit Georgië (EUR/t)

103

113

137

164

Omvang van de invoer uit Roemenië (ton)

186 834

14 114

107 585

111 126

Marktaandeel

2,4 %

0,2 %

1,4 %

1,5 %

Prijzen van de invoer uit Roemenië (EUR/t)

117

113

126

144

Omvang van de invoer uit Bulgarije (ton)

160 423

140 677

79 716

73 441

Marktaandeel

2,1 %

1,7 %

1,0 %

1,0 %

Prijzen van de invoer uit Bulgarije (EUR/t)

133

139

157

176

Omvang van de invoer uit Egypte (ton)

63 368

133 427

16 508

46 249

Marktaandeel

0,8 %

1,6 %

0,2 %

0,6 %

Prijzen van de invoer uit Egypte (EUR/t)

148

142

193

199

Omvang van de invoer uit alle andere landen (ton)

94 915

128 213

54 510

17 752

Marktaandeel

1,2 %

1,6 %

0,7 %

0,2 %

Prijzen van de invoer uit alle andere landen (EUR/t)

124

124

141

169

(59)

De omvang van de uitvoer uit alle bovengenoemde landen blijkt tussen 2002 en het eind van het nieuwe onderzoektijdvak te zijn gedaald, behalve die uit Georgië dat zijn aandeel in de communautaire markt enigermate vergrootte van 1,1 % in 2002 tot 2 % in het nieuwe onderzoektijdvak. Voor alle bovengenoemde landen behalve Rusland en Roemenië lagen de prijzen van de uitvoer naar de Gemeenschap in het nieuwe onderzoektijdvak, en in sommige gevallen in de hele beoordelingsperiode, boven die van de bedrijfstak van de Gemeenschap. De invoer uit Rusland valt sinds april 2002 onder Verordening (EG) nr. 658/2002 (15), dat wil zeggen dat hierop een antidumpingrecht van 47,07 EUR/t van toepassing is. Overigens waren de prijzen voor de invoer uit Rusland in de hele beoordelingsperiode met uitzondering van het nieuwe onderzoektijdvak lager dan die voor de invoer uit Oekraïne. De Roemeense prijzen lagen onder die van de bedrijfstak van de Gemeenschap, maar de omvang van de uitvoer uit dat land daalde van 187 000 ton in 2002 tot 111 000 ton in het nieuwe onderzoektijdvak, zodat het toch al geringe marktaandeel van dat land slonk van 2,4 % in 2002 tot 1,5 % in het nieuwe onderzoektijdvak.

4.   Economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(60)

Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening onderzocht de Commissie alle relevante economische factoren en indicatoren die op de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap van invloed waren.

4.1.   Opmerkingen vooraf

(61)

Drie van de medewerkende communautaire producenten bleken het soortgelijke product binnen hetzelfde concern te verwerken tot stikstofhoudende mengmeststoffen of synthetische meststoffen die naast stikstof in water oplosbare fosfor en/of kalium, de andere primaire voedingselementen van kunstmeststoffen, bevatten. Deze producten, met een AN-gehalte van minder dan 80 gewichtspercenten, concurreren niet met het soortgelijke product.

(62)

Deze AN-productie, die binnen het concern verder wordt verwerkt, komt niet op de open markt en concurreert dan ook niet rechtstreeks met het betrokken product dat wordt ingevoerd. Daarom werd nagegaan of en in welke mate bij de analyse rekening moest worden gehouden met het verdere gebruik van het door de bedrijfstak van de Gemeenschap geproduceerde soortgelijke product. Aangezien uit het onderzoek bleek dat slechts een zeer gering deel van de productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap (maximaal 2 %) voor intern gebruik was bestemd, werd het niet nodig geacht onderscheid te maken tussen de open markt en de markt voor eigen gebruik. Omwille van de duidelijkheid en transparantie zijn de hoeveelheden AN die door de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn geproduceerd en intern werden verwerkt, echter wel vermeld in overweging 64 hieronder.

(63)

Wanneer wordt gebruikgemaakt van een steekproef, is het vaste praktijk bepaalde schade-indicatoren (productie, productiecapaciteit, voorraden, verkoop, marktaandeel, groei en werkgelegenheid) voor de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel („BG” in onderstaande tabellen) te analyseren en schade-indicatoren die betrekking hebben op de resultaten van individuele bedrijven (prijzen, productiekosten, winstgevendheid, lonen, investeringen, rendement van investeringen, kasstroom en het vermogen om kapitaal aan te trekken) aan de hand van gegevens over de communautaire producenten in de steekproef („SP” in onderstaande tabellen) te onderzoeken.

4.2.   Gegevens over de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel

a)   Productie

(64)

De productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap is tussen 2002 en het eind van het nieuwe onderzoektijdvak met 7 % toegenomen, van ongeveer 5,1 miljoen ton in 2002 tot ongeveer 5,4 miljoen ton in het nieuwe onderzoektijdvak. De productie voor intern gebruik is tijdens de beoordelingsperiode nagenoeg constant gebleven op een zeer laag niveau, waaruit blijkt dat deze geen invloed heeft op de schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.

 

2002

2003

2004

NOT

BG: productie (ton)

5 075 456

5 424 732

5 358 283

5 446 307

Index (2002 = 100)

100

107

106

107

BG: productie voor intern gebruik

83 506

83 911

93 187

107 461

In % van de totale productie

1,6 %

1,5 %

1,7 %

2,0 %

Bron: Klagers, antwoorden op de steekproefvragenlijst en gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst

b)   Capaciteit en bezettingsgraad

(65)

De productiecapaciteit is in de gehele beoordelingsperiode vrijwel constant gebleven. De productiestijging had ook een stijging van de bezettingsgraad van 52 % in 2002 tot 56 % in het nieuwe onderzoektijdvak tot gevolg. Bij het oorspronkelijke onderzoek was al opgemerkt dat de bezettingsgraad bij dit soort productie en in deze sector kan worden beïnvloed doordat met dezelfde productieapparatuur ook andere producten kunnen worden vervaardigd; de bezettingsgraad is als schade-indicator dus van minder betekenis.

 

2002

2003

2004

NOT

BG: productiecapaciteit (ton)

9 813 156

9 843 266

9 681 968

9 718 866

BG: bezettingsgraad

52 %

55 %

55 %

56 %

c)   Voorraden

(66)

De eindvoorraden van de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn tussen 2002 en het eind van het nieuwe onderzoektijdvak met tien procentpunten geslonken. De sterke daling in 2003 en 2004 was het gevolg van een toename van de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap (zie de volgende overweging), en met name de uitvoer, en niet van veranderingen in het productievolume.

 

2002

2003

2004

NOT

BG: eindvoorraden (ton)

312 832

216 857

163 824

282 942

Index (2002 = 100)

100

69

52

90

d)   Omvang van de verkoop

(67)

De verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt nam tussen 2002 en het eind van het nieuwe onderzoektijdvak met 13 % toe. Deze ontwikkeling moet worden gezien tegen de achtergrond van een lichte daling van het verbruik in de Gemeenschap.

 

2002

2003

2004

NOT

BG: omvang van de verkoop in de Gemeenschap (ton)

4 499 898

5 045 582

4 975 864

5 074 188

Index (2002 = 100)

100

112

111

113

SP: omvang van de verkoop aan derde landen (ton)

420 588

528 437

522 349

373 106

Index (2002 = 100)

100

126

124

89

e)   Marktaandeel

(68)

Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap nam tussen 2002 en het eind van het nieuwe onderzoektijdvak, dus in de beoordelingsperiode, met ruim 8 procentpunten toe.

 

2002

2003

2004

NOT

BG: marktaandeel

58,0 %

62,3 %

64,0 %

66,4 %

Index (2002 = 100)

100

107

110

114

f)   Groei

(69)

Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap is in de beoordelingsperiode ondanks een licht krimpende markt toegenomen.

g)   Werkgelegenheid

(70)

Het aantal werknemers in de bedrijfstak van de Gemeenschap nam tussen 2002 en het eind van het nieuwe onderzoektijdvak met 5 % af terwijl de productie steeg, waaruit het voortdurende streven van deze bedrijfstak naar verbetering van zijn productiviteit en concurrentievermogen blijkt.

 

2002

2003

2004

NOT

BG: aantal werknemers i.v.m. het betrokken product

1 653

1 613

1 593

1 572

Index (2002 = 100)

100

98

96

95

h)   Productiviteit

(71)

De jaarlijkse productie per werknemer in de bedrijfstak van de Gemeenschap nam tussen 2002 en het eind van het nieuwe onderzoektijdvak aanzienlijk toe — het positieve effect van een daling van het aantal werknemers in combinatie met een hogere productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

 

2002

2003

2004

NOT

BG: productiviteit (ton per werknemer)

3 071

3 362

3 364

3 464

Index (2002 = 100)

100

109

110

113

i)   Hoogte van de dumpingmarge

(72)

Gezien de geringe hoeveelheden die momenteel uit Oekraïne worden ingevoerd, wordt het effect van de werkelijke dumpingmarge op de bedrijfstak van de Gemeenschap als onbelangrijk beschouwd, zodat deze marge geen indicator van betekenis is.

4.3.   Gegevens over de in de steekproef opgenomen communautaire producenten

a)   Verkoopprijzen en factoren die van invloed zijn op de binnenlandse prijzen

(73)

De gemiddelde nettoverkoopprijs van de bij de steekproef betrokken communautaire producenten nam in 2004 en in het nieuwe onderzoektijdvak fors toe als gevolg van de gunstige internationale marktvoorwaarden voor AN in die periode.

 

2002

2003

2004

NOT

SP: eenheidsprijzen op de communautaire markt (EUR/t)

132

133

146

167

Index (2002 = 100)

100

101

111

127

b)   Lonen

(74)

Tussen 2002 en het eind van het nieuwe onderzoektijdvak steeg het gemiddelde loon per werknemer met 9 %, zoals blijkt uit onderstaande tabel. Dat is een matige toename gezien de inflatie en de algemene daling van het aantal werknemers.

 

2002

2003

2004

NOT

SP: jaarlijkse arbeidskosten per werknemer (× 1 000 EUR)

46,5

46,8

46,7

50,5

Index (2002 = 100)

100

101

100

109

c)   Investeringen

(75)

De jaarlijkse investeringen in het soortgelijke product van de vier in de steekproef opgenomen producenten hebben zich tijdens de beoordelingsperiode positief ontwikkeld, dat wil zeggen zij zijn met 69 % gestegen, ook al waren er enkele schommelingen. Deze investeringen betroffen voornamelijk de modernisering van apparatuur. Hieruit blijkt het streven van de bedrijfstak van de Gemeenschap naar voortdurende verbetering van zijn productiviteit en concurrentievermogen. De resultaten van deze inspanningen zijn duidelijk zichtbaar: de productiviteit is in deze periode aanzienlijk gestegen (zie overweging 71).

 

2002

2003

2004

NOT

SP: netto-investeringen (× 1 000 EUR)

21 079

16 751

22 287

35 546

Index (2002 = 100)

100

79

106

169

d)   Winstgevendheid en rendement van de investeringen

(76)

De winstgevendheid van de bij de steekproef betrokken producenten liet vooral vanaf 2003 een geleidelijke verbetering zien en bereikte in het nieuwe onderzoektijdvak een niveau van 8,2 %. Bij het oorspronkelijke onderzoek was in dit verband vastgesteld dat zonder schade veroorzakende dumping een winstmarge van 8 % haalbaar was. Het rendement van de investeringen, uitgedrukt in procenten van de nettoboekwaarde, volgde in de hele beoordelingsperiode grotendeels de ontwikkeling van de winstgevendheid.

 

2002

2003

2004

NOT

SP: winstgevendheid van de EG-verkoop aan niet-verbonden afnemers (% van de nettoverkoop)

3,9 %

5,5 %

7,6 %

8,2 %

Index (2002 = 100)

100

139

194

209

SP: rendement van investeringen (in % van de nettoboekwaarde)

10,1 %

14,0 %

20,0 %

25,5 %

Index (2002 = 100)

100

139

197

252

e)   Kasstroom en vermogen om kapitaal aan te trekken

(77)

In de beoordelingsperiode is de kasstroom met 13 procentpunten toegenomen. Deze ontwikkeling was in overeenstemming met de ontwikkeling van de algemene winstgevendheid in de beoordelingsperiode.

 

2002

2003

2004

NOT

SP: kasstroom (× 1 000 EUR)

59 631

61 446

69 848

67 216

Index (2002 = 100)

100

103

117

113

(78)

Uit het onderzoek bleek niet dat de bij de steekproef betrokken producenten moeilijkheden hadden ondervonden bij het aantrekken van kapitaal. Verscheidene van hen maken deel uit van een grote ondernemingsgroep en financieren hun activiteiten binnen die groep, hetzij door samenvoeging van kasmiddelen, hetzij door leningen van de moedermaatschappij.

5.   Conclusie

(79)

Alle schade-indicatoren hebben zich tussen 2002 en het eind van het nieuwe onderzoektijdvak positief ontwikkeld: het productievolume van de bedrijfstak van de Gemeenschap is toegenomen, de verkoopprijzen per eenheid en de omvang van de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn gestegen en de winstgevendheid heeft gelijke tred gehouden met de prijsontwikkeling en is aanzienlijk verbeterd. Ook het rendement van de investeringen en de kasstroom hebben zich positief ontwikkeld. De loonontwikkeling was gematigd en de bedrijfstak van de Gemeenschap is blijven investeren.

(80)

Bovendien is het marktaandeel van de Gemeenschap met 9 % gestegen terwijl de markt licht kromp. Ook de productiviteit is flink toegenomen als gevolg van de positieve ontwikkeling van de productie en de inspanningen van de bedrijfstak van de Gemeenschap om zijn productiviteit door middel van investeringen te verbeteren.

(81)

Over het geheel genomen is de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap aanzienlijk verbeterd ten opzichte van de situatie in 2001 toen nog geen antidumpingmaatregelen op AN uit het betrokken land waren ingesteld. Die maatregelen hadden dus een duidelijk positief effect op de economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(82)

De conclusie luidt dus dat de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap tijdens de beoordelingsperiode geleidelijk verbeterd is ten opzichte van de periode die aan de instelling van maatregelen voorafging.

F.   WAARSCHIJNLIJKHEID VAN HERHALING VAN SCHADE

1.   Algemeen

(83)

Aangezien er geen sprake meer is van aanmerkelijke schade door invoer uit het betrokken land, was de analyse er vooral op gericht de waarschijnlijkheid van een herhaling van de schade te bepalen. In dit verband werden met name de volgende twee parameters geanalyseerd: i) mogelijke omvang van de uitvoer en uitvoerprijzen van het betrokken land en ii) het effect van de verwachte omvang en prijzen van de uitvoer uit het betrokken land op de bedrijfstak van de Gemeenschap.

2.   Mogelijke omvang van de uitvoer en uitvoerprijzen van het betrokken land

(84)

Zoals in overweging 41 is aangetoond, bedraagt de bekende reservecapaciteit van de medewerkende Oekraïense producenten 600 000-700 000 ton, wat overeenkomt met 8-10 % van de communautaire markt. Deze overtollige capaciteit wijst erop dat de Oekraïense producenten hun huidige productie en dus ook hun uitvoer van AN kunnen opvoeren.

(85)

Bovendien zijn de Oekraïense producenten door hun betrekkelijk kleine binnenlandse markt sterk afhankelijk van de uitvoer naar derde landen. Uit onderstaande tabel blijkt dat de totale Oekraïense uitvoer naar derde landen in 2005 circa 847 000 ton bedroeg, wat overeenkomt met rond 11 % van de communautaire markt.

Oekraïense uitvoer naar derde landen

 

2004

2005

Turkije

Omvang (ton)

295 436

292 943

Prijs (EUR/t) (16)

98

98

Egypte

Omvang (ton)

81 522

183 248

Prijs (EUR/t) (16)

95

97

Marokko

Omvang (ton)

92 541

62 879

Prijs (EUR/t) (16)

96

94

India

Omvang (ton)

42 456

48 256

Prijs (EUR/t) (16)

77

106

Syrië

Omvang (ton)

50 851

41 143

Prijs (EUR/t) (16)

100

110

Brazilië

Omvang (ton)

8 000

38 870

Prijs (EUR/t) (16)

74

91

Maleisië

Omvang (ton)

35 913

Prijs (EUR/t) (16)

 

101

Argentinië

Omvang (ton)

28 790

28 815

Prijs (EUR/t) (16)

99

97

Andere landen

Omvang (ton)

140 225

114 783

Prijs (EUR/t) (16)

90

106

Totale uitvoer naar derde landen

Omvang (ton)

739 821

846 849

Prijs (EUR/t) (16)

95

99

Bron: Oekraïens bureau voor de statistiek.

(86)

Zoals uit de tabel blijkt, is de Oekraïense uitvoer van AN naar derde landen tussen 2004 en 2005 gestegen. Deze uitvoer vond plaats tegen prijzen die veel lager waren dan die van de uitvoer naar de Gemeenschap.

(87)

Gezien de hierboven beschreven omstandigheden zou de Gemeenschap in vergelijking met alle andere exportmarkten wat de prijzen betreft een aantrekkelijke markt zijn voor de Oekraïense producenten/exporteurs. Daarom kan redelijkerwijs worden verwacht dat een groot deel van de uitvoer die nu naar derde landen gaat, bij intrekking van de maatregelen waarschijnlijk naar de Gemeenschap wordt verlegd, ook al zijn er eerste tekenen die erop wijzen dat de prijzen van de verkoop aan derde landen en die van de verkoop aan de Gemeenschap convergeren (zie overweging 45). De aantrekkelijkheid van de communautaire markt is nog groter door de relatieve nabijheid van deze markt in vergelijking met andere exportmarkten, met als gevolg dat de huidige uitvoer van Oekraïense producenten naar derde landen naar de Gemeenschap zou worden verlegd.

(88)

Aangezien de huidige marktpositie van de Oekraïense producten in de Gemeenschap echter zwak is, zouden de Oekraïense exporteurs het verloren marktaandeel moeten terugwinnen en meer afnemers moeten vinden, waarbij zij, zoals tijdens het nieuwe onderzoektijdvak is vastgesteld, waarschijnlijk zullen gebruikmaken van dumpingprijzen.

(89)

De indiener van het verzoek voerde aan dat de winst van de bedrijfstak van de Gemeenschap in de beoordelingsperiode eigenlijk zeer gering was en dat het niveau van 8 % pas in het nieuwe onderzoektijdvak werd bereikt. Voorts kwam hij met het argument dat een kapitaalintensieve sector als de kunstmeststoffenindustrie bij een dergelijke winstmarge geen kapitaalgoederen kon onderhouden en vervangen en niet alle activiteiten kon handhaven en dus op lange termijn niet levensvatbaar was. Hierbij moet worden opgemerkt dat het geen schade veroorzakende niveau van 8 %, dat bij het oorspronkelijke onderzoek werd vastgesteld, voor dit soort industrie als normale winstmarge wordt beschouwd wanneer er geen sprake is van schade veroorzakende dumping. Bij het oorspronkelijke onderzoek werd echter ook vastgesteld dat de winstgevendheid als gevolg van de schade veroorzakende dumping door onder meer Oekraïne tot – 12,4 % was gedaald. Als de maatregelen worden ingetrokken, bestaat er dus een ernstig risico dat de winstgevendheid daalt tot een percentage dat een stuk onder het niveau ligt waarbij geen schade wordt veroorzaakt.

(90)

Hierbij moet erop worden gewezen dat voor circa 80 % van de totale uitvoer van Oekraïne naar de communautaire markt tijdens het nieuwe onderzoektijdvak een prijsverbintenis gold. De prijzen lagen evenwel 20-25 % boven de minimuminvoerprijs in die verbintenis. Omdat in de verbintenis echter een maximumhoeveelheid was vastgelegd, kon geen algemene conclusie worden getrokken over het vermoedelijke prijsgedrag van de exporteurs bij het ontbreken van een dergelijke maximumhoeveelheid.

(91)

Gezien het bovenstaande is het dus waarschijnlijk dat aanzienlijke hoeveelheden in Oekraïne geproduceerde AN bij intrekking van de maatregelen op de communautaire markt zouden terechtkomen tegen dumpingprijzen die de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap in belangrijke mate onderbieden.

3.   Effect van de verwachte omvang van de uitvoer en prijzen op de bedrijfstak van de Gemeenschap bij het vervallen van de maatregelen

(92)

Aangezien het, zoals hierboven is vastgesteld, waarschijnlijk is dat de omvang van de uitvoer van Oekraïne naar de Gemeenschap tegen prijsonderbiedende dumpingprijzen aanzienlijk zal toenemen, zal de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn afnemers alleen kunnen behouden als hij zijn verkoopprijzen aanmerkelijk verlaagt. Dat geldt des te meer omdat de AN-markt een sterk wisselende markt is waar dumping tegen prijzen die de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap sterk onderbieden, een grote invloed kan hebben op het prijsniveau. Er zou dus veel minder winst worden gemaakt omdat de huidige verbetering van de prestaties van de bedrijfstak van de Gemeenschap te danken is aan verkoopprijzen die de gunstige marktvoorwaarden in met name 2004 en het nieuwe onderzoektijdvak weerspiegelen.

(93)

De gunstige marktvoorwaarden in de laatste twee jaar van de beoordelingsperiode hebben er, afgezien van de geldende antidumpingmaatregelen, in belangrijke mate toe bijgedragen dat de prijzen op een hoog niveau bleven. Door het gespannen evenwicht tussen vraag en aanbod op de wereldmarkt werden in die periode namelijk voor alle stikstofhoudende meststoffen hoge prijzen genoteerd. Evenals de andere stikstofhoudende meststoffen is AN een product waarvan de prijsstelling van talrijke factoren afhangt, bijvoorbeeld van de sterk schommelende gasprijs die als belangrijkste kostenpost een aanzienlijke invloed op het aanbod heeft, de weersomstandigheden, de oogsten en de graanvoorraden, waardoor de vraag kan af- of toenemen. Vooral wat de Gemeenschapsmarkt betreft wordt verwacht dat de vraag naar stikstofhoudende meststoffen de komende jaren licht zal dalen (17). Handhaving van het huidige hoge prijspeil hangt dus af van een krap aanbod, dat — zoals het onderzoek heeft aangetoond — zeer onwaarschijnlijk is gezien de onbenutte uitvoercapaciteit van het betrokken land en de waarschijnlijkheid dat het bij het vervallen van de maatregelen een deel van de uitvoer die tijdens het nieuwe onderzoektijdvak naar derde landen ging, naar de Gemeenschap zal verleggen. Aangezien de door de Oekraïense producenten gehanteerde prijzen de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap sterk onderboden, zal de waarschijnlijke toename van de invoer uit Oekraïne de bedrijfstak van de Gemeenschap dwingen zijn prijzen en dus zijn winstmarge fors te verlagen of een aanzienlijk marktaandeel prijs te geven en daarmee inkomsten te derven, of beide. De succesvolle herstructurering van de bedrijfstak van de Gemeenschap zou een dergelijke prijsverlaging waarschijnlijk maar ten dele kunnen compenseren en het hele herstel van de sector zou hierdoor op losse schroeven komen te staan. Daarom zou intrekking van de maatregelen waarschijnlijk leiden tot een verslechtering van de algehele prestatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

4.   Conclusie over de waarschijnlijkheid van herhaling van de schade

(94)

Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het betrokken land bij het vervallen van de maatregelen zeer waarschijnlijk aanzienlijke hoeveelheden naar de Gemeenschap zou uitvoeren tegen dumpingprijzen die de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap onderbieden. Dat zou zeer waarschijnlijk tot gevolg hebben dat de prijzen op de markt voor AN worden gedrukt, wat naar verwachting nadelige gevolgen voor de economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft. Met name zou dit een belemmering zijn voor voortzetting van het financiële herstel dat in 2004 en het nieuwe onderzoektijdvak heeft plaatsgevonden, zodat een herhaling van schade waarschijnlijk is.

G.   BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

1.   Inleiding

(95)

Overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening werd onderzocht of handhaving van de bestaande antidumpingmaatregelen in strijd was met het belang van de Gemeenschap. Het belang van de Gemeenschap werd vastgesteld aan de hand van een beoordeling van alle verschillende betrokken belangen.

(96)

In het oorspronkelijke onderzoek werden antidumpingmaatregelen niet in strijd met het belang van de Gemeenschap geacht. Voorts is dit onderzoek een nieuw onderzoek, wat betekent dat een situatie wordt onderzocht waarin al antidumpingmaatregelen van toepassing zijn, zodat kan worden nagegaan of deze maatregelen negatieve gevolgen voor de betrokken partijen hebben.

(97)

Op basis hiervan werd onderzocht of er, ondanks de conclusies inzake de waarschijnlijkheid van herhaling van schadeveroorzakende dumping, dwingende redenen waren om te concluderen dat handhaving van de maatregelen in dit bijzondere geval niet in het belang van de Gemeenschap is.

2.   Belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(98)

De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft bewezen structureel gezond te zijn. Dit werd bevestigd door de positieve ontwikkeling van zijn economische situatie na de instelling van antidumpingmaatregelen in 2001. De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft tussen 2002 en het eind van het nieuwe onderzoektijdvak met name zijn winstgevendheid sterk verbeterd en een succesvolle herstructurering doorgemaakt.

(99)

Redelijkerwijs kan dan ook worden verwacht dat de bedrijfstak van de Gemeenschap van de thans geldende maatregelen zal blijven profiteren en zich door het behoud en de stabilisatie van zijn winstgevendheid verder zal herstellen. Als de maatregelen niet worden gehandhaafd, zal de invoer met dumping uit het betrokken land waarschijnlijk toenemen en de bedrijfstak van de Gemeenschap schade toebrengen doordat de verkoopprijzen onder druk komen te staan, waardoor zijn thans positieve financiële situatie in gevaar komt.

3.   Belang van de importeurs

(100)

Zoals al in overweging 11 is vermeld, heeft slechts één importeur zich bereid verklaard in de steekproef te worden opgenomen en de in het formulier voor de samenstelling van de steekproef gevraagde basisinformatie verstrekt. Deze importeur heeft in het nieuwe onderzoektijdvak echter geen AN ingevoerd.

(101)

Bij het oorspronkelijke onderzoek werd vastgesteld dat het effect van de maatregelen niet al te groot zou zijn, daar het product verder zou worden ingevoerd, maar tegen prijzen die geen schade veroorzaken, en importeurs doorgaans niet alleen AN invoeren, maar voor een belangrijk deel ook andere meststoffen. De daling van de invoer uit het betrokken land tijdens de beoordelingsperiode doet concluderen dat een aantal importeurs inderdaad negatieve gevolgen heeft ondervonden van de antidumpingmaatregelen, zoals in overweging 52 van Verordening (EG) nr. 1629/2000 van de Commissie (18) was aangegeven. Bij gebrek aan medewerkende importeurs, en dus aan afdoende bewijs om na te gaan of er sprake is geweest van belangrijke negatieve gevolgen, werd geconcludeerd dat de meeste importeurs/handelaren over het geheel genomen maar weinig last hadden gehad van de maatregelen.

(102)

Er is geen betrouwbare informatie waaruit blijkt dat handhaving van de maatregelen belangrijke negatieve gevolgen voor importeurs of handelaren zal hebben.

4.   Belang van de gebruikers

(103)

AN wordt in de Gemeenschap in de landbouw gebruikt. Bij het oorspronkelijke onderzoek werd geconcludeerd dat een stijging van de kosten van AN de boeren waarschijnlijk geen groot nadeel zou berokkenen, aangezien deze kosten voor hen van weinig betekenis zijn. Het feit dat geen van de gebruikers of gebruikersorganisaties in het kader van dit nieuwe onderzoek gegevens heeft verstrekt die deze conclusie weerleggen, lijkt te bevestigen dat: i) AN voor de boeren slechts een zeer klein deel van hun totale productiekosten uitmaakt; ii) de bestaande maatregelen geen belangrijke negatieve gevolgen voor hun economische situatie hebben; en iii) handhaving van de maatregelen geen nadelige gevolgen zal hebben voor de financiële belangen van de boeren.

5.   Conclusie inzake het belang van de Gemeenschap

(104)

Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er geen dwingende redenen zijn om de bestaande antidumpingmaatregelen niet te handhaven.

H.   ANTIDUMPINGMAATREGELEN

(105)

Alle partijen zijn in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie wil aanbevelen de bestaande maatregelen te handhaven. Zij konden hierover binnen een bepaalde termijn opmerkingen maken.

(106)

Uit het bovenstaande volgt dat de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op AN van oorsprong uit Oekraïne overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening moeten worden gehandhaafd. Er wordt aan herinnerd dat deze maatregelen uit specifieke rechten bestaan.

(107)

Zoals al in overweging 45 is vermeld, zijn de prijzen die Oekraïne voor ingevoerd aardgas moet betalen sinds het nieuwe onderzoektijdvak fors gestegen en zal het verschil met de prijzen op de wereldmarkt in de komende jaren waarschijnlijk geleidelijk verdwijnen. Bovendien was, zoals al in overweging 32 is uitgelegd, bij de bevindingen inzake dumping uitgegaan van een normale waarde die aan de hand van de gegevens van een producent in een derde land met markteconomie was vastgesteld. Na de indiening van het verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen is aan Oekraïne de status van markteconomie toegekend. Daarom en omdat aardgas de belangrijkste kostenpost bij de productie van AN is, zou een latere herziening van de dumpingmarge op basis van een normale waarde die aan de hand van de gegevens van de Oekraïense exporteurs is berekend, tot andere bevindingen kunnen leiden dan het huidige nieuwe onderzoek. Ook zou het effect van de hogere productiekosten, die het gevolg zijn van de ontwikkeling van de binnenlandse gasprijzen, op de uitvoerprijzen een factor zijn die het potentieel schade veroorzakende effect van de herziene dumpingmarge beinvloedt. Onverminderd de andere bepalingen van artikel 11 van de basisverordening, lijkt het dus verstandig de handhaving van de maatregelen tot twee jaar te beperken,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op vaste meststoffen met een gehalte aan ammoniumnitraat van meer dan 80 gewichtspercenten, vallende onder de GN-codes 3102 30 90, 3102 40 90, ex 3102 29 00, ex 3102 60 00, ex 3102 90 00, ex 3105 10 00, ex 3105 20 10, ex 3105 51 00, ex 3105 59 00 en ex 3105 90 91, van oorsprong uit Oekraïne.

2.   Het antidumpingrecht is een vast bedrag in euro per ton volgens onderstaand schema:

Omschrijving van het product

GN-code

Taric-code

Recht

(EUR/t)

Ammoniumnitraat, ander dan in waterige oplossing

3102 30 90

33,25

Mengsels van ammoniumnitraat en calciumcarbonaat of andere niet-vruchtbaarmakende anorganische stoffen, met een stikstofgehalte van meer dan 28 gewichtspercenten

3102 40 90

 

33,25

Dubbelzouten en mengsels van ammoniumsulfaat en ammoniumnitraat — Vaste meststoffen met een gehalte aan ammoniumnitraat van meer dan 80 gewichtspercenten

3102 29 00

10

33,25

Dubbelzouten en mengsels van calciumnitraat en ammoniumnitraat — Vaste meststoffen met een gehalte aan ammoniumnitraat van meer dan 80 gewichtspercenten

3102 60 00

10

33,25

Vaste meststoffen met een gehalte aan ammoniumnitraat van meer dan 80 gewichtspercenten

3102 90 00

10

33,25

Vaste meststoffen met een gehalte aan ammoniumnitraat van meer dan 80 gewichtspercenten, geen fosfor en geen kalium bevattend

3105 10 00

10

33,25

Vaste meststoffen met een gehalte aan ammoniumnitraat van meer dan 80 gewichtspercenten en een fosforgehalte berekend als P2O5 en/of een kaliumgehalte berekend als K2O van minder dan 3 gewichtspercenten

3105 10 00

20

32,25

Vaste meststoffen met een gehalte aan ammoniumnitraat van meer dan 80 gewichtspercenten en een fosforgehalte berekend als P2O5 en/of een kaliumgehalte berekend als K2O van 3 of meer doch minder dan 6 gewichtspercenten

3105 10 00

30

31,25

Vaste meststoffen met een gehalte aan ammoniumnitraat van meer dan 80 gewichtspercenten en een fosforgehalte berekend als P2O5 en/of een kaliumgehalte berekend als K2O van 6 of meer doch minder dan 9 gewichtspercenten

3105 10 00

40

30,26

Vaste meststoffen met een gehalte aan ammoniumnitraat van meer dan 80 gewichtspercenten en een fosforgehalte berekend als P2O5 en/of een kaliumgehalte berekend als K2O van 9 of meer doch niet meer dan 12 gewichtspercenten

3105 10 00

50

29,26

Vaste meststoffen met een gehalte aan ammoniumnitraat van meer dan 80 gewichtspercenten en een fosforgehalte berekend als P2O5 en een kaliumgehalte berekend als K2O van minder dan 3 gewichtspercenten

3105 20 10

30

32,25

Vaste meststoffen met een gehalte aan ammoniumnitraat van meer dan 80 gewichtspercenten en een fosforgehalte berekend als P2O5 en een kaliumgehalte berekend als K2O van 3 of meer doch minder dan 6 gewichtspercenten

3105 20 10

40

31,25

Vaste meststoffen met een gehalte aan ammoniumnitraat van meer dan 80 gewichtspercenten en een fosforgehalte berekend als P2O5 en een kaliumgehalte berekend als K2O van 6 of meer doch minder dan 9 gewichtspercenten

3105 20 10

50

30,26

Vaste meststoffen met een gehalte aan ammoniumnitraat van meer dan 80 gewichtspercenten en een fosforgehalte berekend als P2O5 en een kaliumgehalte berekend als K2O van 9 of meer doch niet meer dan 12 gewichtspercenten

3105 20 10

60

29,26

Vaste meststoffen met een gehalte aan ammoniumnitraat van meer dan 80 gewichtspercenten en een fosforgehalte berekend als P2O5 van minder dan 3 gewichtspercenten

3105 51 00

10

32,25

Vaste meststoffen met een gehalte aan ammoniumnitraat van meer dan 80 gewichtspercenten en een fosforgehalte berekend als P2O5 van 3 of meer doch minder dan 6 gewichtspercenten

3105 51 00

20

31,25

Vaste meststoffen met een gehalte aan ammoniumnitraat van meer dan 80 gewichtspercenten en een fosforgehalte berekend als P2O5 van 6 of meer doch minder dan 9 gewichtspercenten

3105 51 00

30

30,26

Vaste meststoffen met een gehalte aan ammoniumnitraat van meer dan 80 gewichtspercenten en een fosforgehalte berekend als P2O5 van 9 of meer doch niet meer dan 10,40 gewichtspercenten

3105 51 00

40

29,79

Vaste meststoffen met een gehalte aan ammoniumnitraat van meer dan 80 gewichtspercenten en een fosforgehalte berekend als P2O5 van minder dan 3 gewichtspercenten

3105 59 00

10

32,25

Vaste meststoffen met een gehalte aan ammoniumnitraat van meer dan 80 gewichtspercenten en een fosforgehalte berekend als P2O5 van 3 of meer doch minder dan 6 gewichtspercenten

3105 59 00

20

31,25

Vaste meststoffen met een gehalte aan ammoniumnitraat van meer dan 80 gewichtspercenten en een fosforgehalte berekend als P2O5 van 6 of meer doch minder dan 9 gewichtspercenten

3105 59 00

30

30,26

Vaste meststoffen met een gehalte aan ammoniumnitraat van meer dan 80 gewichtspercenten en een fosforgehalte berekend als P2O5 van 9 of meer doch niet meer dan 10,40 gewichtspercenten

3105 59 00

40

29,79

Vaste meststoffen met een gehalte aan ammoniumnitraat van meer dan 80 gewichtspercenten en een kaliumgehalte berekend als K2O van minder dan 3 gewichtspercenten

3105 90 91

30

32,25

Vaste meststoffen met een gehalte aan ammoniumnitraat van meer dan 80 gewichtspercenten en een kaliumgehalte berekend als K2O van 3 of meer doch minder dan 6 gewichtspercenten

3105 90 91

40

31,25

Vaste meststoffen met een gehalte aan ammoniumnitraat van meer dan 80 gewichtspercenten en een kaliumgehalte berekend als K2O van 6 of meer doch minder dan 9 gewichtspercenten

3105 90 91

50

30,26

Vaste meststoffen met een gehalte aan ammoniumnitraat van meer dan 80 gewichtspercenten en een kaliumgehalte berekend als K2O van 9 of meer doch niet meer dan 12 gewichtspercenten

3105 90 91

60

29,26

3.   Wanneer goederen zijn beschadigd voordat zij in het vrije verkeer worden gebracht en de werkelijk betaalde of te betalen prijs derhalve verhoudingsgewijs is verminderd met het oog op de vaststelling van de douanewaarde overeenkomstig artikel 145 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie (19), wordt het op basis van bovenstaande bedragen berekende antidumpingrecht met hetzelfde percentage verminderd als de werkelijk betaalde of te betalen prijs.

4.   Tenzij anders vermeld, zijn de bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij is gedurende twee jaar van kracht.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 19 april 2007.

Voor de Raad

De voorzitster

B. ZYPRIES


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2117/2005 (PB L 340 van 23.12.2005, blz. 17).

(2)  PB L 23 van 25.1.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 945/2005 (PB L 160 van 23.6.2005, blz. 1).

(3)  PB L 182 van 19.5.2004, blz. 28.

(4)  PB L 183 van 20.5.2004, blz. 13.

(5)  PB C 110 van 5.5.2005, blz. 15.

(6)  PB C 18 van 25.1.2006, blz. 2.

(7)  Verordening (EG) nr. 2117/2005 (PB L 340 van 23.12.2005, blz. 17), artikel 2.

(8)  Exclusief de productie van AN dat verder wordt verwerkt binnen verticaal geïntegreerde producerende bedrijven.

(9)  Bron: IFADATA — online statistieken van de International Fertilizer Industry Association.

(10)  Terra Industries, Annual Report 2005 — From 10-K, blz. 6.

(11)  Nymex Gas Futures, zoals genoteerd door Heren EGM.

(12)  Futures voor augustus genoteerd op 30 juni 2005, Nymex Gas Futures, Heren EGM.

(13)  Futures voor oktober genoteerd op 29 september 2005, Nymex Gas Futures, Heren EGM.

(14)  Uitvoerstatistieken voor Oekraïne, 2005 en de eerste zes maanden van 2006.

(15)  PB L 102 van 18.4.2002, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 945/2005.

(16)  De eenheidsprijs is gebaseerd op de douanewaarde van het product aan de Oekraïense grens. Deze waarde kan als vergelijkbaar worden beschouwd met de waarde van de invoer naar de Gemeenschap van het product van oorsprong uit Oekraïne, berekend op basis van Eurostat-gegevens.

(17)  Bron: „Global fertilisers and raw materials supply and supply/demand balances: 2005-2009”, A05/71b, juni 2005, International Fertiliser Industry Association „IFA”.

(18)  PB L 187 van 26.7.2000, blz. 12.

(19)  PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1.


24.4.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 106/20


VERORDENING (EG) Nr. 443/2007 VAN DE COMMISSIE

van 23 april 2007

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 24 april 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 april 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 386/2005 (PB L 62 van 9.3.2005, blz. 3).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 23 april 2007 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

65,3

TN

139,0

TR

136,5

ZZ

113,6

0707 00 05

JO

171,8

MA

46,9

TR

138,4

ZZ

119,0

0709 90 70

MA

35,8

TR

114,1

ZZ

75,0

0709 90 80

EG

242,2

ZZ

242,2

0805 10 20

CU

40,0

EG

41,3

IL

68,4

MA

45,6

TN

52,2

ZZ

49,5

0805 50 10

AR

37,2

IL

54,7

TR

42,8

ZZ

44,9

0808 10 80

AR

82,2

BR

79,3

CA

105,7

CL

86,1

CN

84,0

NZ

127,3

US

128,3

UY

48,2

ZA

94,7

ZZ

92,9

0808 20 50

AR

75,9

CL

80,0

CN

36,6

ZA

85,5

ZZ

69,5


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „andere oorsprong”.


24.4.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 106/22


VERORDENING (EG) Nr. 444/2007 VAN DE COMMISSIE

van 23 april 2007

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 41/2007 van de Raad wat betreft de vangstbeperkingen voor het haringbestand in de ICES-zones I en II

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op Verordening (EG) nr. 41/2007 van de Raad van 21 december 2006 tot vaststelling, voor 2007, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften (1), en met name op bijlage IB,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 41/2007 zijn voor 2007 de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden vastgesteld welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, alsmede de bij de visserij in acht te nemen voorschriften.

(2)

Na overleg tussen de Gemeenschap, de Faeröer, IJsland, Noorwegen en de Russische Federatie op 18 januari 2007, is een overeenkomst bereikt over de vangstmogelijkheden voor de (in het voorjaar paaiende Noorse) Atlantisch-Scandinavische haring in het noordoosten van de Atlantische Oceaan. In volledige overeenstemming met het wetenschappelijke advies van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (International Council for the Exploration of the Sea — ICES) is de algemene vangstbeperking voor 2007 op 1 280 000 ton vastgesteld. Die overeenkomst dient in gemeenschapsrecht te worden omgezet.

(3)

Verordening (EG) nr. 41/2007 dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage IB bij Verordening (EG) nr. 41/2007 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 april 2007.

Voor de Commissie

Joe BORG

Lid van de Commissie


(1)  PB L 15 van 20.1.2007, blz. 1.


BIJLAGE

In bijlage IB bij Verordening (EG) nr. 41/2007 worden de gegevens betreffende de soort haring in de EG-wateren en de internationale wateren van de ICES-zones I en II vervangen door:

„Soort

:

Haring

Clupea harengus

Zone

:

EG-wateren en internationale wateren van de zones I en II HER/1/2.

België

30

 

Denemarken

28 550

 

Duitsland

5 000

 

Spanje

94

 

Frankrijk

1 232

 

Ierland

7 391

 

Nederland

10 217

 

Polen

1 445

 

Portugal

94

 

Finland

442

 

Zweden

10 580

 

Verenigd Koninkrijk

18 253

 

EG

83 328

 

Noorwegen

74 995 (1)

 

TAC

1 280 000

Analytische TAC

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing.

Binnen de limieten van bovenstaande quota mag in de onderstaande zones niet meer worden gevangen dan de volgende hoeveelheden:

 

Noorse wateren ten noorden van 62 °NB en de visserijzone rond Jan Mayen (HER/*2AJMN)

België

30 ()

Denemarken

28 550 ()

Duitsland

5 000 ()

Spanje

94 ()

Frankrijk

1 232 ()

Ierland

7 391 ()

Nederland

10 217 ()

Polen

1 445 ()

Portugal

94 ()

Finland

442 ()

Zweden

10 580 ()

Verenigd Koninkrijk

18 253 ()

()  Als de som van de vangsten van alle lidstaten 74 995 ton bedraagt, worden geen nieuwe vangsten meer toegestaan.”.


(1)  Binnen dit quotum gedane vangsten moeten worden afgetrokken van het Noorse TAC-aandeel („access quota”). Dit quotum mag worden gevangen in de EG-wateren ten noorden van 62 °NB.

Bijzondere voorwaarden:

Binnen de limieten van bovenstaande quota mag in de onderstaande zones niet meer worden gevangen dan de volgende hoeveelheden:

 

Noorse wateren ten noorden van 62 °NB en de visserijzone rond Jan Mayen (HER/*2AJMN)

België

30 ()

Denemarken

28 550 ()

Duitsland

5 000 ()

Spanje

94 ()

Frankrijk

1 232 ()

Ierland

7 391 ()

Nederland

10 217 ()

Polen

1 445 ()

Portugal

94 ()

Finland

442 ()

Zweden

10 580 ()

Verenigd Koninkrijk

18 253 ()

()  Als de som van de vangsten van alle lidstaten 74 995 ton bedraagt, worden geen nieuwe vangsten meer toegestaan.”.

(2)  Als de som van de vangsten van alle lidstaten 74 995 ton bedraagt, worden geen nieuwe vangsten meer toegestaan.”.


24.4.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 106/24


VERORDENING (EG) Nr. 445/2007 VAN DE COMMISSIE

van 23 april 2007

houdende enkele toepassingsbepalingen van Verordening (EG) nr. 2991/94 van de Raad tot vaststelling van normen voor smeerbare vetproducten en van Verordening (EEG) nr. 1898/87 van de Raad betreffende de bescherming van de benaming van melk en zuivelproducten bij het in de handel brengen

(Gecodificeerde versie)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2991/94 van de Raad van 5 december 1994 tot vaststelling van normen voor smeerbare vetproducten (1), en met name op artikel 8,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 1898/87 van de Raad van 2 juli 1987 betreffende de bescherming van de benaming van melk en zuivelproducten bij het in de handel brengen (2), en met name op artikel 4, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 577/97 van de Commissie van 1 april 1997 houdende enkele toepassingsbepalingen van Verordening (EG) nr. 2991/94 van de Raad tot vaststelling van normen voor smeerbare vetproducten en van Verordening (EEG) nr. 1898/87 van de Raad betreffende de bescherming van de benaming van melk en zuivelproducten bij het in de handel brengen (3) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (4). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze verordening te worden overgegaan.

(2)

In Verordening (EG) nr. 2991/94 is bepaald dat de verkoopbenamingen voor de in artikel 1 van die verordening bedoelde producten de in de bijlage ervan vermelde benamingen moeten zijn. Op die bepaling zijn evenwel uitzonderingen mogelijk. Zij is met name niet van toepassing op de aanduiding van producten waarvan de exacte aard door het traditionele gebruik ervan duidelijk is en/of wanneer de aanduiding duidelijk gebruikt wordt om een kwaliteitskenmerk van het product te beschrijven. Voor de tenuitvoerlegging van die bepaling dient in een aantal toepassingsbepalingen te worden voorzien.

(3)

In dit verband moet artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2991/94 in acht worden genomen, waarin is bepaald dat die verordening met name onverminderd Verordening (EEG) nr. 1898/87 geldt. Met beide genoemde verordeningen wordt wezenlijk hetzelfde doel nagestreefd, namelijk om bij de consument elke verwarring betreffende de aard van de betrokken producten te vermijden. Bijgevolg dienen, met het oog op de coherentie van de communautaire wetgeving, de toepassingsbepalingen betreffende het gebruik van de benaming „boter” voor zowel Verordening (EG) nr. 2991/94 als Verordening (EEG) nr. 1898/87 in één enkele tekst te worden opgenomen.

(4)

Om de draagwijdte van de bij Verordening (EG) nr. 2991/94 vastgestelde uitzonderingen nauwkeurig te bepalen, is het dienstig een uitputtende lijst van de betrokken benaming op te stellen met een beschrijving van de producten waarop deze benamingen betrekking hebben.

(5)

Het eerste criterium voor de in artikel 2, lid 2, derde alinea, eerste streepje, van Verordening (EG) nr. 2991/94 bedoelde uitzondering heeft betrekking op het traditionele karakter van een benaming. Een benaming kan als traditioneel worden beschouwd wanneer zij sinds ten minste de periode die doorgaans wordt geacht overeen te komen met een menselijke generatie, vóór 9 april 1997, is gebruikt. Om aan het traditionele karakter geen afbreuk te doen moet deze uitzondering beperkt blijven tot de producten waarvoor de benaming effectief is gebruikt.

(6)

Het tweede criterium voor de genoemde uitzondering heeft betrekking op het gebruik van de in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 2991/94 vermelde benamingen om een kwaliteitskenmerk van het in de handel zijnde product te beschrijven. In dit geval heeft de uitzondering logischerwijs betrekking op producten die als zodanig niet onder de in die bijlage opgenomen producten zijn begrepen.

(7)

Genoemde uitzondering dient te worden beperkt tot die producten die op 9 april 1997 in de handel waren. De lidstaten hadden de Commissie vóór die datum de lijst meegedeeld van de producten die naar hun mening op hun grondgebied aan de criteria van die uitzondering beantwoordden.

(8)

Beschikking 88/566/EEG van de Commissie van 28 oktober 1988 tot vaststelling van de lijst van producten bedoeld in artikel 3, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EEG) nr. 1898/87 van de Raad (5) bevat reeds uitzonderingen met betrekking tot de benaming „boter” waarmee rekening dient te worden gehouden.

(9)

Het is dienstig in de bij Verordening (EG) nr. 2991/94 vastgestelde communautaire lijst de benamingen van de betrokken producten uitsluitend op te nemen in de taal van de Gemeenschap waarin zij mogen worden gebruikt.

(10)

De benamingen van levensmiddelen die producten bevatten zoals de in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 2991/94 gedefinieerde of die geconcentreerde producten bevatten zoals de in artikel 2, lid 2, derde alinea, tweede streepje, van genoemde verordening gedefinieerde, mogen op de etikettering ervan een verwijzing inhouden naar de overeenkomstige benamingen in voornoemde bijlage, voor zover Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (6), in acht wordt genomen; bijgevolg behoeft in de lijst van de bovenbedoelde uitzonderingen hiervan geen melding te worden gemaakt.

(11)

Gelet op de huidige technische voorwaarden, zou de eis om zonder enige tolerantie het juiste vetgehalte te vermelden aanzienlijke praktische problemen meebrengen. Bijgevolg dienen enkele specifieke voorschriften ter zake te worden vastgesteld.

(12)

Zowel Verordening (EG) nr. 2991/94 als Verordening (EEG) nr. 1898/87 bevatten voorschriften inzake samengestelde producten waarvan boter een essentieel bestanddeel is. Bijgevolg moeten die samengestelde producten worden behandeld op een coherente wijze die met de in artikel 2, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 1898/87 gevolgde benadering strookt. Derhalve dient de werkingssfeer van genoemd artikel 2, lid 3, wat de samengestelde producten betreft waarvan boter een essentieel bestanddeel is, nauwkeuriger te worden afgebakend door in een objectief criterium te voorzien aan de hand waarvan kan worden bepaald of boter werkelijk een essentieel bestanddeel van het samengestelde product is en of de benaming „boter” bijgevolg gerechtvaardigd is. Een minimummelkvetgehalte van 75 % van het eindproduct lijkt hiervoor het geschiktste criterium te zijn.

(13)

Krachtens artikel 2, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 2991/94 mogen de in de bijlage bij die verordening opgenomen verkoopbenamingen slechts worden gebruikt voor producten die aan de in die bijlage vastgestelde criteria voldoen. Merken waarin die benamingen voorkomen, mogen bijgevolg nog uitsluitend voor producten die aan die criteria voldoen, worden gebruikt.

(14)

De marktsituatie zal uitwijzen of het dienstig is later in een regeling te voorzien voor de samengestelde producten waarvan margarine of samengestelde vetproducten hoofdbestanddeel zijn.

(15)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van de betrokken beheerscomités,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De lijst van de in artikel 2, lid 2, derde alinea, eerste streepje, van Verordening (EG) nr. 2991/94 bedoelde producten is opgenomen in bijlage I bij de onderhavige verordening.

2.   De benamingen in de bijlage bij Beschikking 88/566/EEG die in een van de talen van de Gemeenschap het woord „boter” bevatten, zijn niet onder de onderhavige verordening begrepen.

Artikel 2

1.   De vermelding van het vetgehalte als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 2991/94 geschiedt met inachtneming van het volgende:

a)

het gemiddelde vetgehalte wordt zonder gebruikmaking van decimalen opgegeven;

b)

het gemiddelde vetgehalte mag niet meer dan 1 procentpunt van het opgegeven percentage afwijken. Het vetgehalte van individuele monsters mag niet meer dan 2 procentpunten van het opgegeven percentage afwijken;

c)

het gemiddelde vetgehalte moet in alle gevallen voldoen aan de in Verordening (EG) nr. 2991/94 vastgestelde grenswaarden.

2.   In afwijking van lid 1, moet voor de in deel A, punt 1, in deel B, punt 1, en in deel C, punt 1, van Verordening (EG) nr. 2991/94 vermelde producten het aangegeven gehalte met het minimumvetgehalte van het product overeenkomen.

3.   De procedure die moet worden toegepast voor de controle op de naleving van het bepaalde in lid 1, is vastgesteld in bijlage II.

Artikel 3

1.   Voor samengestelde producten waarvan boter een essentieel bestanddeel is in de zin van artikel 2, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 1898/87, mag de benaming „boter” slechts worden gebruikt indien het eindproduct ten minste 75 % melkvet bevat en het uitsluitend uit boter in de zin van deel A, punt 1, van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 2991/94 en het (de) in de benaming vermelde toegevoegde bestanddeel (bestanddelen) is vervaardigd.

2.   De benaming „boter” mag ook worden gebruikt voor samengestelde producten met een melkvetgehalte van minder dan 75 %, doch niet minder dan 62 %, wanneer aan de voorschriften van lid 1 is voldaan en wanneer het product als „boterbereiding” wordt aangeduid.

3.   In afwijking van de leden 1 en 2 mag de benaming „boter” in combinatie met een of meer andere woorden worden gebruikt om een van de in bijlage III bedoelde producten met een melkvetgehalte van minstens 34 % aan te duiden.

4.   In de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde gevallen mag de benaming „boter” slechts worden gebruikt wanneer op het etiket en de aanbiedingsvorm van het product het melkvetgehalte en, wanneer de overige toegevoegde bestanddelen vet bevatten, het totale vetgehalte worden vermeld.

5.   De in lid 2 bedoelde vermelding „boterbereiding” en de in lid 4 bedoelde vermeldingen moeten op een duidelijk zichtbare plaats en in duidelijk leesbare letters worden aangebracht.

Artikel 4

Verordening (EG) nr. 577/97 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage V.

Artikel 5

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 april 2007.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 316 van 9.12.1994, blz. 2.

(2)  PB L 182 van 3.7.1987, blz. 36. Verordening laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1994.

(3)  PB L 87 van 2.4.1997, blz. 3. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 568/1999 (PB L 70 van 17.3.1999, blz. 11).

(4)  Zie bijlage IV.

(5)  PB L 310 van 16.11.1988, blz. 32. Beschikking gewijzigd bij Beschikking 98/144/EG (PB L 42 van 14.2.1998, blz. 61).

(6)  PB L 109 van 6.5.2000, blz. 29. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/142/EG van de Commissie (PB L 368 van 23.12.2006, blz. 110).


BIJLAGE I

I.

(Spaans)

„Mantequilla de Soria” of „Mantequilla de Soria dulce” of „Mantequilla de Soria azucarada” voor een gearomatiseerd zuivelproduct met toegevoegde suiker en dat een melkvetgehalte heeft van ten minste 39 %

II.

(Deens)

III.

(Duits)

„Butterkäse” voor een halfzachte, vette kaas op basis van koemelk, met een drogestof-melkvetgehalte van ten minste 45 %

„Kräuterbutter” voor een bereiding op basis van met kruiden gemengde boter waarvan het melkvetgehalte ten minste 62 % is

„Milchmargarine” voor margarine met ten minste 5 gewichtsprocent volle melk, magere melk of andere geschikte zuivelproducten

IV.

(Grieks)

V.

(Engels)

„Brandy butter” — „Sherry butter” — „Rum butter” voor een alcoholhoudend product met toegevoegde suiker en met een melkvetgehalte van ten minste 20 %

„Buttercream” voor een product met toegevoegde suiker en met een melkvetgehalte van ten minste 22,5 %

VI.

(Frans)

„Beurre d'anchois, de crevettes, de langouste, de homard, de crabe, de langoustine, de saumon, de saumon fumé, de coquille Saint-Jacques, de sardine” voor een product dat producten van de zeevisserij bevat en dat een melkvetgehalte heeft van ten minste 10 %

VII.

(Italiaans)

VIII.

(Nederlands)

IX.

(Portugees)

X.

(Fins)

„Munavoi” voor een product dat eieren bevat, met een melkvetgehalte van ten minste de 35 %

XI.

(Zweeds)

„Flytande margarin” voor een product met een vloeibare consistentie, met ten minste 80 % plantaardig vet zoals margarine, maar met een zodanige samenstelling dat het product niet smeerbaar is

„Messmör” voor een zuivelproduct op basis van melkwei, met een melkvetgehalte van ten minste 2 % en waaraan soms suiker is toegevoegd

„Vitlökssmör, persiljesmör, pepparrotssmör” voor een product met aromaten en met een melkvetgehalte van ten minste 66 %.


BIJLAGE II

Controle op het aangegeven vetgehalte van smeerbare vetproducten

Van de te controleren en te analyseren partij wordt een aselecte steekproef van vijf monsters genomen. De volgende twee methoden worden toegepast:

A.

het rekenkundige gemiddelde van de vijf resultaten wordt met het opgegegeven vetgehalte vergeleken. Het opgegeven vetgehalte wordt geacht juist te zijn als het berekende vetgehalte niet meer dan 1 procentpunt afwijkt van het opgegeven vetgehalte;

B.

de vijf resultaten worden elk vergeleken met de in artikel 2, lid 1, onder b), bedoelde tolerantiemarge (2 procentpunten van het opgegeven vetgehalte). Als het verschil tussen het hoogste en het laagste van de vijf resultaten niet groter is dan 4 procentpunten, geldt dat de voorschriften van artikel 2, lid 1, onder b), zijn nagekomen.

Wanneer is vastgesteld dat aan de onder A en B vermelde voorwaarden is voldaan wordt de gecontroleerde partij geacht in overeenstemming te zijn met de bepalingen van artikel 2, lid 1, onder b), ook al ligt één van de vijf resultaten buiten de tolerantiemarge van 2 procentpunten.


BIJLAGE III

In artikel 3, lid 3, bedoelde producten

Aard van het product

Samenstelling

Minimummelkvetgehalte

Alcoholhoudende boter (boter met alcoholhoudende drank)

Boter, alcoholhoudende drank, suiker

34 %


BIJLAGE IV

Ingetrokken verordening met de achtereenvolgende wijzigingen ervan

Verordening (EG) nr. 577/97 van de Commissie

(PB L 87 van 2.4.1997, blz. 3)

Verordening (EG) nr. 1278/97 van de Commissie

(PB L 175 van 3.7.1997, blz. 6)

Verordening (EG) nr. 2181/97 van de Commissie

(PB L 299 van 4.11.1997, blz. 1)

Verordening (EG) nr. 623/98 van de Commissie

(PB L 85 van 20.3.1998, blz. 3)

Verordening (EG) nr. 1298/98 van de Commissie

(PB L 180 van 24.6.1998, blz. 5)

Verordening (EG) nr. 2521/98 van de Commissie

(PB L 315 van 25.11.1998, blz. 12)

Verordening (EG) nr. 568/1999 van de Commissie

(PB L 70 van 17.3.1999, blz. 11)


BIJLAGE V

Concordantietabel

Verordening (EG) nr. 577/97

De onderhavige verordening

Artikelen 1 tot en met 3

Artikelen 1 tot en met 3

Artikel 5

Artikel 5 bis

Artikel 4

Artikel 6

Artikel 5

Bijlagen I tot en met III

Bijlagen I tot en met III

Bijlage IV

Bijlage V


24.4.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 106/30


VERORDENING (EG) Nr. 446/2007 VAN DE COMMISSIE

van 23 april 2007

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2273/2002 van de Commissie houdende vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad met betrekking tot de constatering van de prijzen voor sommige categorieën runderen op de representatieve markten van de Gemeenschap

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (1), en met name op artikel 41,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 2273/2002 van de Commissie (2) zijn bepalingen vastgesteld met betrekking tot de constatering van de prijzen voor verschillende categorieën runderen op de representatieve markten van de lidstaten. In de bijlagen bij die verordening zijn uitvoeringsbepalingen inzake de mee te delen informatie voor de constatering van elk van deze categorieën vastgesteld.

(2)

Op verzoek van Ierland moeten de bijlagen I en II bij Verordening (EG) nr. 2273/2002 gedeeltelijk worden herzien in het licht van de ontwikkeling van de verkoop van runderen in die lidstaat, zodat de constatering van de prijzen ook in de toekomst op de representatieve markten plaatsvindt.

(3)

Verordening (EG) nr. 2273/2002 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor rundvlees,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 2273/2002 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In bijlage I, deel E, wordt punt 1 vervangen door:

„1.   Representatieve markten

Minimaal 2 markten”.

2)

In bijlage II, deel D, wordt punt 1 vervangen door:

„1.   Representatieve markten

Minimaal 2 markten”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 april 2007.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 21. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1913/2005 (PB L 307 van 25.11.2005, blz. 2).

(2)  PB L 347 van 20.12.2002, blz. 15. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2172/2003 (PB L 326 van 13.12.2003, blz. 8).


24.4.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 106/31


VERORDENING (EG) Nr. 447/2007 VAN DE COMMISSIE

van 23 april 2007

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1043/2005 houdende tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad met betrekking tot de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer van bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen, en de criteria voor de vaststelling van de restitutiebedragen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad van 6 december 1993 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen (1), en met name op artikel 8, lid 3, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (2) is ingetrokken en vervangen door Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (3). Om rekening te houden met deze ontwikkeling moeten diverse bepalingen van Verordening (EG) nr. 1043/2005 van de Commissie (4) worden gewijzigd, omdat deze nog verwijzingen naar Verordening (EG) nr. 1260/2001 bevatten.

(2)

In artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1043/2005 worden de basisproducten vastgesteld waaraan, voor de toekenning van uitvoerrestituties in overeenstemming met die verordening, bepaalde landbouwproducten en door de verwerking van basisproducten verkregen producten moeten worden gelijkgesteld.

(3)

De producten die met vollemelkpoeder (productgroep 3) moeten worden gelijkgesteld, zijn opgenomen in artikel 3, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1043/2005. Op grond van de tweede alinea van artikel 3, lid 4, kan de bevoegde instantie bij de vaststelling van de te betalen restitutie de in dat lid genoemde producten op verzoek van de belanghebbende evenwel gelijkstellen met mageremelkpoeder (productgroep 2), wat het niet-vette gedeelte van de droge stof van het product betreft, en boter (productgroep 6), wat het gedeelte melkvet van het product betreft.

(4)

Gezien de snelle daling van de restitutievoet voor vollemelkpoeder en mageremelkpoeder ten opzichte van de restitutievoet voor boter, valt meer en meer te verwachten dat marktdeelnemers een beroep doen op de tweede alinea van artikel 3, lid 4, en een restitutie vragen voor het gedeelte melkvet van producten die normaliter zouden worden gelijkgesteld met vollemelkpoeder. Dit vooruitzicht bergt het gevaar in zich dat voor landbouwproducten die in de vorm van niet onder bijlage I vallende goederen worden uitgevoerd hogere restituties moeten worden betaald dan wanneer deze producten niet verder worden verwerkt, hetgeen niet in overeenstemming is met Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (5), en met name met artikel 31, lid 1, tweede alinea.

(5)

De tweede alinea van artikel 3, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1043/2005 moet dan ook worden geschrapt, onder voorbehoud van de mogelijkheid een soortgelijke maatregel weer in te voeren wanneer het gevaar in kwestie is geweken. Enkele lidstaten waren wellicht al van oordeel dat zij, onder omstandigheden waarin Verordening (EG) nr. 61/2007 van de Commissie van 25 januari 2007 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer in de sector melk en zuivelproducten (6) de restitutievoet bij uitvoer van vollemelkpoeder met ingang van 26 januari 2007 tot nul heeft teruggebracht, niet langer gehoor moesten geven aan nieuwe verzoeken van marktdeelnemers om toepassing van de in de tweede alinea van artikel 3, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1043/2005 bedoelde afwijking. Teneinde de reacties van de lidstaten op na 26 januari 2007 ontvangen verzoeken op elkaar af te stemmen, is het nuttig een bepaalde datum vast te stellen waarna lidstaten nieuwe verzoeken om een gelijkstelling uit hoofde van die bepaling niet meer inwilligen.

(6)

Ingevolge artikel 43 van Verordening (EG) nr. 1043/2005 zijn aanvragen voor restitutiecertificaten, behalve die voor voedselhulptransacties, slechts geldig indien een zekerheid gelijk aan 25 % van het aangevraagde bedrag wordt gesteld. Deze zekerheid wordt gesteld om te waarborgen dat de houder van het restitutiecertificaat voor tijdens de geldigheidsduur van het certificaat uitgevoerde goederen restituties aanvraagt tot een bedrag dat gelijk is aan het bedrag waarvoor het restitutiecertificaat is afgegeven. De hoogte van de zekerheid werd vastgesteld op een tijdstip dat het bedrag waarvoor certificaten werden aangevraagd, veel groter was dan het bedrag dat kon worden toegekend. Als gevolg van de huidige verlaging van de restitutievoeten die moeten worden betaald voor landbouwproducten die in de vorm van niet onder bijlage I vallende goederen worden uitgevoerd, is het aantal aanvragen voor certificaten sterk afgenomen. Daarom is er minder kans dat marktdeelnemers om speculatieve redenen een aanvraag indienen. De hoogte van de zekerheid kan dan ook worden verlaagd.

(7)

Bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 1043/2005 bevat vermeldingen in eenentwintig van de drieëntwintig talen van de Gemeenschap. Die bijlage moet dezelfde vermelding ook in de twee andere talen, Iers en Maltees, bevatten.

(8)

Verordening (EG) nr. 1043/2005 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

Het Comité van beheer voor horizontale vraagstukken inzake verwerkte landbouwproducten die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen, heeft niet binnen de door de voorzitter vastgestelde termijn een advies gegeven,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1043/2005 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

a)

in de eerste alinea wordt „Verordening (EG) nr. 1260/2001” vervangen door:

„Verordening (EG) nr. 318/2006 (7)

b)

in de tweede alinea komt punt c) als volgt te luiden:

„c)

bijlage VII van Verordening (EG) nr. 318/2006;”.

2)

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de tweede alinea van lid 4 wordt geschrapt;

b)

lid 8 wordt als volgt gewijzigd:

i)

in de aanhef wordt „Verordening (EG) nr. 1260/2001” vervangen door „Verordening (EG) nr. 318/2006”;

ii)

de punten c) en d) komen als volgt te luiden:

„c)

de producten bedoeld in artikel 1, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 318/2006, met uitsluiting van de mengsels die gedeeltelijk zijn verkregen uit producten die onder Verordening (EG) nr. 1784/2003 vallen;

d)

de producten bedoeld in artikel 1, lid 1, onder d) en g), van Verordening (EG) nr. 318/2006, met uitsluiting van de mengsels die gedeeltelijk zijn verkregen uit producten die onder Verordening (EG) nr. 1784/2003 vallen.”.

3)

In de eerste alinea van artikel 43 wordt „25 %” vervangen door „15 %”.

4)

In de eerste alinea van artikel 44, lid 4, wordt „25 %” vervangen door „15 %”.

5)

In bijlage II komt voetnoot 4, bij kolom 6, „Suiker, melasse of isoglucose”, als volgt te luiden:

„(4)

Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad (PB L 58 van 28.2.2006, blz. 1).”.

6)

In bijlage III komt onder de omschrijving van GN-code 2905 43 00 mannitol de eerste onderverdeling als volgt te luiden:

„verkregen uit sacharose die onder Verordening (EG) nr. 318/2006 valt”.

7)

Bijlage VIII wordt als volgt gewijzigd:

a)

na de vermelding in het Frans wordt het volgende streepje ingevoegd:

„—

in het Iers: cearta arna n-aistriú ar ais chuig an sealbhóir ainmniúil ar an [dáta]”;

b)

na de vermelding in het Hongaars wordt het volgende streepje ingevoegd:

„—

in het Maltees: drittijiet li jkunu trasferiti lura lid-detentur titulari fid- [data]”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De tweede alinea van artikel 3, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1043/2005 blijft evenwel van toepassing voor producten die met de instemming van de desbetreffende bevoegde instantie vóór 17 februari 2007 de in die bepaling bedoelde gelijkstelling hebben verkregen en die zijn uitgevoerd met restitutiecertificaten waarvoor overeenkomstig artikel 29 van die verordening vóór 1 maart 2007 om vaststelling vooraf van de restitutievoet was verzocht.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 april 2007.

Voor de Commissie

Günter VERHEUGEN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 318 van 20.12.1993, blz. 18. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2580/2000 (PB L 298 van 25.11.2000, blz. 5).

(2)  PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1.

(3)  PB L 58 van 28.2.2006, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 247/2007 van de Commissie (PB L 69 van 9.3.2007, blz. 3).

(4)  PB L 172 van 5.7.2005, blz. 24. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1792/2006 (PB L 362 van 20.12.2006, blz. 1).

(5)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1913/2005 (PB L 307 van 25.11.2005, blz. 2).

(6)  PB L 19 van 26.1.2007, blz. 8.

(7)  PB L 58 van 28.2.2006, blz. 1”;


RICHTLIJNEN

24.4.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 106/34


RICHTLIJN 2007/25/EG VAN DE COMMISSIE

van 23 april 2007

tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde dimethoaat, dimethomorf, glufosinaat, metribuzin, fosmet en propamocarb op te nemen als werkzame stoffen

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name op artikel 6, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij de Verordeningen (EG) nr. 451/2000 (2) en (EG) nr. 703/2001 (3) van de Commissie zijn de bepalingen voor de uitvoering van de tweede fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG vastgesteld en is een lijst opgesteld van werkzame stoffen die moeten worden onderzocht met het oog op hun opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG. Dimethoaat, dimethomorf, glufosinaat, metribuzin, fosmet en propamocarb zijn in deze lijst opgenomen.

(2)

Voor deze werkzame stoffen zijn de uitwerking op de menselijke gezondheid en het milieueffect overeenkomstig de Verordeningen (EG) nr. 451/2000 en (EG) nr. 703/2001 beoordeeld voor een aantal door de kennisgever voorgestelde toepassingen. Bovendien worden in die verordeningen de als rapporteur optredende lidstaten aangewezen die overeenkomstig artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 451/2000 de desbetreffende evaluatieverslagen met aanbevelingen bij de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) moeten indienen. Voor dimethoaat was het Verenigd Koninkrijk de rapporterende lidstaat en werd alle relevante informatie ingediend op 4 augustus 2004. Voor dimethomorf en metribuzin was Duitsland de rapporterende lidstaat en werd alle relevante informatie op 11 juni 2004 respectievelijk 23 augustus 2004 ingediend. Voor glufosinaat was Zweden de rapporterende lidstaat en werd alle relevante informatie ingediend op 3 januari 2003. Voor fosmet was Spanje de rapporterende lidstaat en werd alle relevante informatie ingediend op 23 augustus 2004. Voor propamocarb was Ierland de rapporterende lidstaat en werd alle relevante informatie ingediend op 5 oktober 2004.

(3)

De evaluatieverslagen zijn door de lidstaten en de EFSA intercollegiaal getoetst en zijn op 14 maart 2005 voor glufosinaat, op 12 mei 2006 voor fosmet en propamocarb, op 23 juni 2006 voor dimethoaat en dimethomorf en op 28 juli 2006 voor metribuzin bij de Commissie ingediend in de vorm van de wetenschappelijke verslagen van de EFSA (4). Deze verslagen zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 24 november 2006 afgerond in de vorm van de evaluatieverslagen van de Commissie over dimethoaat, dimethomorf, glufosinaat, metribuzin, fosmet en propamocarb.

(4)

Uit de verschillende analysen is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die dimethoaat, dimethomorf, glufosinaat, metribuzin, fosmet en propamocarb bevatten, in het algemeen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, met name voor de toepassingen die zijn onderzocht en opgenomen in de evaluatieverslagen van de Commissie. Deze werkzame stoffen moeten derhalve in bijlage I worden opgenomen om ervoor te zorgen dat gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stoffen bevatten, in alle lidstaten kunnen worden toegelaten overeenkomstig het bepaalde in die richtlijn.

(5)

Onverminderd deze conclusie moet ten aanzien van dimethoaat, glufosinaat, metribuzin en fosmet nadere informatie over bepaalde aspecten worden verkregen. Artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/414/EG bepaalt dat aan de opneming van een werkzame stof in bijlage I voorwaarden kunnen worden verbonden. Daarom moet worden geëist dat dimethoaat, glufosinaat, metribuzin en fosmet ter bevestiging van de risicobeoordeling voor sommige kwesties aan verdere testen worden onderworpen en dat de kennisgevers deze studies voorleggen.

(6)

Er moet worden voorzien in een redelijke termijn voordat een werkzame stof in bijlage I wordt opgenomen, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de nieuwe eisen die uit de opneming voortvloeien.

(7)

Onverminderd de verplichtingen zoals vastgelegd in Richtlijn 91/414/EEG ten gevolge van de opneming van een werkzame stof in bijlage I, moeten de lidstaten na de opneming zes maanden de tijd krijgen om de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die dimethoaat, dimethomorf, glufosinaat, metribuzin, fosmet en propamocarb bevatten, opnieuw te onderzoeken en ervoor te zorgen dat aan de voorwaarden van Richtlijn 91/414/EEG, met name in artikel 13 en bijlage I, is voldaan. De lidstaten moeten de bestaande toelatingen al naar het geval wijzigen, vervangen of intrekken overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG. In afwijking van de bovenstaande termijn moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en beoordeling van het volledige in bijlage III vermelde dossier voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing overeenkomstig de uniforme beginselen van Richtlijn 91/414/EEG.

(8)

Bij eerdere opnamen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie (5) zijn onderzocht, is gebleken dat de uitlegging van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft tot problemen kan leiden. Om meer problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten daarom worden verduidelijkt, en met name de plicht om te verifiëren dat de houder van een toelating toegang tot een dossier verschaft en daarmee aan de vereisten van bijlage II bij die richtlijn voldoet. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen echter ten opzichte van de tot nu toe goedgekeurde richtlijnen tot wijziging van bijlage I geen nieuwe verplichtingen op.

(9)

Richtlijn 91/414/EEG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt gewijzigd zoals aangegeven in de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

De lidstaten dienen uiterlijk op 31 maart 2008 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 april 2008.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 3

1.   De lidstaten moeten, zo nodig, bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die dimethoaat, dimethomorf, glufosinaat, metribuzin, fosmet en propamocarb als werkzame stoffen bevatten, overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG uiterlijk op 31 maart 2008 wijzigen of intrekken.

Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name dat aan de voorwaarden van bijlage I bij die richtlijn met betrekking tot dimethoaat, dimethomorf, glufosinaat, metribuzin, fosmet en propamocarb is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in deel B van de tekst betreffende die werkzame stof, en dat de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat overeenkomstig de voorwaarden van artikel 13 van die richtlijn aan de voorwaarden van bijlage II bij die richtlijn voldoet.

2.   In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met deel B van de tekst van bijlage I bij die richtlijn wat dimethoaat, dimethomorf, glufosinaat, metribuzin, fosmet en propamocarb betreft, overeenkomstig de uniforme beginselen in bijlage VI bij die richtlijn een nieuwe evaluatie uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat dimethoaat, dimethomorf, glufosinaat, metribuzin, fosmet of propamocarb bevat als enige werkzame stof of als een van een aantal werkzame stoffen die alle uiterlijk op 30 september 2007 in bijlage I bij die richtlijn zijn opgenomen. Op basis van die evaluatie bepalen zij of het middel voldoet aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, onder b), c), d) en e), van Richtlijn 91/414/EEG.

Daarna zorgen de lidstaten ervoor dat:

a)

als dimethoaat, dimethomorf, glufosinaat, metribuzin, fosmet en propamocarb de enige werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel is, de toelating indien nodig uiterlijk op 30 september 2011 wordt gewijzigd of ingetrokken; of

b)

als het gewasbeschermingsmiddel naast dimethoaat, dimethomorf, glufosinaat, metribuzin, fosmet of propamocarb nog een of meer andere werkzame stoffen bevat, de toelating indien nodig uiterlijk op 30 september 2011 of, als dat later is, op de datum die voor een dergelijke wijziging of intrekking is vastgesteld in de richtlijnen waarbij die stoffen aan bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zijn toegevoegd, wordt gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 4

Deze richtlijn treedt in werking op 1 oktober 2007.

Artikel 5

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 23 april 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2007/21/EG van de Commissie (PB L 97 van 12.4.2007, blz. 42).

(2)  PB L 55 van 29.2.2000, blz. 25. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1044/2003 (PB L 151 van 19.6.2003, blz. 32).

(3)  PB L 98 van 7.4.2001, blz. 6.

(4)  EFSA Scientific Report (2005) 27, 1-81, Conclusion regarding the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance glufosinate (afgerond op: 14 maart 2005).

EFSA Scientific Report (2006) 75, 1-72, Conclusion regarding the Peer review of the pesticide risk assessment of the active substance phosmet (afgerond op: 12 mei 2006).

EFSA Scientific Report (2006) 78, 1-72, Conclusion regarding the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance propamocarb (afgerond op 12 mei 2006).

EFSA Scientific Report (2006) 84, 1-102, Conclusions on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance dimethoate (afgerond op: 23 juni 2006).

EFSA Scientific Report (2006) 82, 1-69, Conclusions on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance dimethomorph (afgerond op: 23 juni 2006).

EFSA Scientific Report (2006) 88, 1-74, Conclusions on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance metribuzin (afgerond op: 28 juli 2006).

(5)  PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2266/2000 (PB L 259 van 13.10.2000, blz. 27).


BIJLAGE

Aan het einde van de tabel in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt de volgende tekst toegevoegd:

Nr.

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Inwerkingtreding

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„155

Dimethoaat

CAS-nr. 60-51-5

CIPAC-nr. 59

O,O-Dimethyl-S-(N-methylcarbamoylmethyl) fosforodithioaat; 2-dimethoxy-fosfinothioylthio-N-methylaceetamide

≥ 950 g/kg

Onzuiverheden:

omethoaat: niet meer dan 2 g/kg

isodimethoaat: niet meer dan 3 g/kg

1 oktober 2007

30 september 2017

Deel A

Mag alleen worden toegelaten voor gebruik als insecticide.

Deel B

Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over dimethoaat dat op 24 november 2006 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II.

Bij de algemene evaluatie moeten de lidstaten:

bijzondere aandacht besteden aan de bescherming van vogels, zoogdieren, in het water levende organismen en andere niet tot de doelsoorten behorende geleedpotigen. De toelatingsvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten, zoals bufferzones en beperking van de lozing van regen- en afvalwater op oppervlaktewater;

bijzondere aandacht besteden aan de blootstelling van de consument via de voeding;

bijzondere aandacht besteden aan de veiligheid van de toedieners en ervoor zorgen dat de gebruiksvoorwaarden de toepassing van passende persoonlijke beschermingsmiddelen voorschrijven.

De betrokken lidstaten verzoeken om aanvullende studies ter bevestiging van de risicobeoordeling voor vogels, zoogdieren en niet tot de doelsoorten behorende geleedpotigen en ter bevestging van de toxicologische beoordeling van de metabolieten die aanwezig kunnen zijn in gewassen.

Zij dragen er zorg voor dat de kennisgever die om opneming van dimethoaat in deze bijlage heeft verzocht, deze studies binnen twee jaar na inwerkingtreding van deze richtlijn bij de Commissie indient.

156

Dimethomorf

CAS-nr. 110488-70-5

CIPAC-nr. 483

(E,Z) 4-[3-(4-chloorfenyl)-3-(3,4-dimethoxyfenyl)acryloyl]morfoline

≥ 965 g/kg

1 oktober 2007

30 september 2017

Deel A

Mag alleen worden toegestaan voor gebruik als fungicide.

Deel B

Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over dimethomorf dat op 24 november 2006 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II.

Bij de algemene evaluatie moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

de veiligheid van de toedieners en de werknemers. De toegelaten gebruiksvoorwaarden moeten de toepassing van passende persoonlijke beschermingsmiddelen voorschrijven;

de bescherming van vogels, zoogdieren en in het water levende organismen.

De toelatingsvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten.

157

Glufosinaat

CAS-nr. 77182-82-2

CIPAC-nr. 437.007

ammonium-DL-homoalanine-4-yl(methyl)fosfinaat

950 g/kg

1 oktober 2007

30 september 2017

Deel A

Mag alleen worden toegelaten voor gebruik als herbicide.

Deel B

Bij het beoordelen van aanvragen voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen die glufosinaat bevatten voor ander gebruik dan in appelboomgaarden, met name wat de blootstelling van de toedieners en de consumenten betreft, moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan de criteria in artikel 4, lid 1, onder b), en ervoor zorgen dat de vereiste informatie en gegevens worden verstrekt voordat de toelating wordt verleend

Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI wordt rekening gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over glufosinaat, dat op 24 november 2006 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II. Bij de algemene evaluatie moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

de veiligheid van de toedieners, werknemers en omstanders. De toelatingsvoorwaarden moeten zo nodig beschermingsmaatregelen omvatten;

de mogelijke verontreiniging van het grondwater, wanneer de werkzame stof wordt gebruikt in qua bodemgesteldheid en/of klimatologische omstandigheden kwetsbare gebieden;

de bescherming van zoogdieren, niet tot de doelsoorten behorende geleedpotigen en niet tot de doelgroepen behorende planten.

De toelatingsvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten.

De betrokken lidstaten verzoeken om aanvullende studies ter bevestiging van de risicobeoordeling voor zoogdieren en niet tot de doelsoorten behorende geleedpotigen in appelboomgaarden. Zij dragen er zorg voor dat deze studies binnen twee jaar na inwerkingtreding van deze richtlijn bij de Commissie worden ingediend door de kennisgever die om opneming van glufosinaat in deze bijlage heeft verzocht.

158

Metribuzin

CAS-nr. 21087-64-9

CIPAC-nr. 283

4-amino-6-tert-butyl-3-methylthio-1,2,4-triazine-5(4H)-on

≥ 910 g/kg

1 oktober 2007

30 september 2017

Deel A

Mag alleen worden toegelaten voor gebruik als herbicide.

Deel B

Bij het beoordelen van aanvragen voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen die metribuzin bevatten voor ander gebruik dan voor post-emergence-toediening als selectief herbicide voor aardappelen, moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan de criteria in artikel 4, lid 1, onder b), en ervoor zorgen dat de vereiste informatie en gegevens worden verstrekt voordat de toelating wordt verleend

Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over metribuzin dat op 24 november 2006 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II.

Bij de algemene evaluatie moeten de lidstaten:

bijzondere aandacht besteden aan de bescherming van algen, waterplanten, niet tot de doelsoorten behorende planten buiten het behandelde veld, en erop toezien dat de toelatingsvoorwaarden, indien nodig, ook voorzien in risicobeperkende maatregelen;

bijzondere aandacht besteden aan de veiligheid van de toedieners en ervoor zorgen dat de gebruiksvoorwaarden de toepassing van passende persoonlijke beschermingsmiddelen voorschrijven.

De betrokken lidstaten verzoeken om aanvullende studies ter bevestiging van de risicobeoordeling voor grondwater. Zij dragen er zorg voor dat de kennisgevers die om opneming van metribuzin in deze bijlage hebben verzocht, deze studies binnen twee jaar na inwerkingtreding van deze richtlijn bij de Commissie indienen.

159

Fosmet

CAS-nr. 732-11-6

CIPAC-nr. 318

O,O-dimethyl-S-ftaalimidome-thylfosforodithioaat; N-(dimethoxyfosfinothioylthiomethyl)ftaalimide

≥ 950 g/kg

Onzuiverheden:

fosmetoxon: niet meer dan 0,8 g/kg

isofosmet: niet meer dan 0,4 g/kg

1 oktober 2007

30 september 2017

Deel A

Mag alleen worden toegelaten voor gebruik als insecticide en acaracide.

Deel B

Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over fosmet dat op 24 november 2006 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II.

Bij de algemene evaluatie moeten de lidstaten:

bijzondere aandacht besteden aan de bescherming van vogels, zoogdieren, in het water levende organismen, bijen en andere niet tot de doelsoorten behorende geleedpotigen. De toelatingsvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten, zoals bufferzones en beperking van de lozing van regen- en afvalwater op oppervlaktewater,

bijzondere aandacht besteden aan de veiligheid van de toedieners en ervoor zorgen dat de gebruiksvoorwaarden de toepassing van passende persoonlijke en ademhalingsbeschermingsmiddelen voorschrijven.

De betrokken lidstaten verzoeken om aanvullende studies ter bevestiging van de risicobeoordeling voor vogels (acuut risico) en plantenetende zoogdieren (risico op lange termijn). Zij dragen er zorg voor dat de kennisgever die om opneming van fosmet in deze bijlage heeft verzocht, deze studies binnen twee jaar na inwerkingtreding van deze richtlijn bij de Commissie indient.

160

Propamocarb

CAS-nr. 24579-73-5

CIPAC-nr. 399

Propyl-3-(dimethylamino)pro-pylcarbamaat

≥ 920 g/kg

1 oktober 2007

30 september 2017

Deel A

Mag alleen worden toegestaan voor gebruik als fungicide.

Deel B

Bij het beoordelen van toelatingsaanvragen voor gewasbeschermingsmiddelen die propamocarb bevatten voor andere toepassingen dan bladtoepassingen, moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan de criteria van artikel 4, lid 1, onder b), wat de blootstelling van werknemers betreft, en ervoor zorgen dat de vereiste informatie vóór de verlening van de toelating wordt verstrekt.

Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over propamocarb dat op 24 november 2006 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II.

Bij de algemene evaluatie moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

de veiligheid van de toedieners en de werknemers. De toelatingsvoorwaarden moeten zo nodig beschermingsmaatregelen omvatten;

de overdracht van bodemresiduen voor wisselende en volggewassen;

de bescherming van oppervlakte- en grondwater in kwetsbare gebieden;

de bescherming van vogels, zoogdieren en in het water levende organismen. De toelatingsvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten.”.


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Raad

24.4.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 106/43


BESLUIT VAN DE RAAD

van 27 maart 2007

betreffende de sluiting van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Republiek Korea

(2007/241/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 170, in samenhang met artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin, en lid 3, eerste alinea,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Republiek Korea is namens de Gemeenschap ondertekend op 22 november 2006, onder voorbehoud van eventuele sluiting op een later tijdstip, overeenkomstig het besluit van de Raad betreffende de ondertekening van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Republiek Korea (2).

(2)

De overeenkomst dient te worden goedgekeurd,

BESLUIT:

Artikel 1

De Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Republiek Korea wordt namens de Gemeenschap goedgekeurd.

De tekst van de overeenkomst is aan dit besluit gehecht (3).

Artikel 2

De voorzitter van de Raad verricht namens de Gemeenschap de in artikel 12, lid 1, van de overeenkomst bedoelde kennisgeving (4).

Gedaan te Brussel, 27 maart 2007.

Voor de Raad

De voorzitter

P. STEINBRÜCK


(1)  Advies uitgebracht op 1 februari 2007 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Zie bladzijde 44 van dit Publicatieblad.

(3)  Zie bladzijde 44 van dit Publicatieblad.

(4)  De datum van inwerkingtreding van de overeenkomst zal door het secretariaat-generaal van de Raad bekend worden gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.


OVEREENKOMST

voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Republiek Korea

DE EUROPESE GEMEENSCHAP,

(hierna de „Gemeenschap” genoemd), en

DE REGERING VAN DE REPUBLIEK KOREA,

(hierna „Korea” genoemd),

hierna samen „de partijen” genoemd;

OVERWEGENDE dat de Gemeenschap en Korea activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie op een aantal gebieden van gemeenschappelijk belang beoefenen, en zich bewust van de snelle expansie van de wetenschappelijke kennis en het positieve aandeel ervan in het bevorderen van bilaterale en internationale samenwerking;

WENSENDE het terrein van de wetenschappelijke en technologische samenwerking op een aantal gebieden van gemeenschappelijk belang te verbreden door het opzetten van een productief partnerschap voor vreedzame doeleinden en wederzijdse voordelen;

GELET OP het feit dat een dergelijke samenwerking en de toepassing van de resultaten van een dergelijke samenwerking zullen bijdragen tot de economische en sociale ontwikkeling van de partijen; en

VERLANGENDE een formeel kader in te stellen voor de uitvoering van de algemene samenwerkingsactiviteiten die de samenwerking op het gebied van „wetenschap en technologie” tussen de partijen zullen versterken,

HEBBEN OMTRENT HET VOLGENDE OVEREENSTEMMING BEREIKT:

Artikel 1

Doel en beginselen

1.   De partijen bevorderen, ontwikkelen en vergemakkelijken in het kader van deze overeenkomst wetenschappelijke en technologische samenwerkingsactiviteiten voor vreedzame doeleinden, in overeenstemming met deze overeenkomst en de wet- en regelgeving van beide partijen.

2.   De samenwerkingsactiviteiten in het kader van deze overeenkomst worden uitgevoerd op basis van de volgende beginselen:

a)

wederzijdse en billijke bijdragen en voordelen;

b)

wederzijdse toegang tot de programma's, projecten en faciliteiten voor onderzoek en technologische ontwikkeling van elke partij door gastonderzoekers van de andere partij;

c)

tijdige uitwisseling van informatie die betrekking kan hebben op samenwerkingsactiviteiten;

d)

bevordering van de kennismaatschappij ten behoeve van de economische en sociale ontwikkeling van de partijen; en

e)

bescherming van intellectuele-eigendomsrechten in overeenstemming met bijlage II van deze overeenkomst.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt verstaan onder:

1)

„directe samenwerkingsactiviteiten”: samenwerkingsactiviteiten tussen de partijen;

2)

„indirecte samenwerkingsactiviteiten”: activiteiten tussen in Korea en de Gemeenschap gevestigde juridische entiteiten door middel van de deelname van Koreaanse juridische entiteiten aan het communautaire kaderprogramma uit hoofde van artikel 166 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna „het kaderprogramma” genoemd) en de wederkerige deelname van in de Gemeenschap gevestigde juridische entiteiten aan Koreaanse onderzoeksprogramma's of -projecten op soortgelijke gebieden van wetenschap en technologie als onder het kaderprogramma vallen;

3)

„samenwerkingsactiviteiten”: zowel directe als indirecte samenwerkingsactiviteiten;

4)

„juridische entiteit”: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon opgericht op grond van het nationale recht van zijn vestigingsplaats of op grond van het communautaire recht, die rechtspersoonlijkheid bezit en in eigen naam rechten en verplichtingen van welke aard dan ook kan hebben.

Artikel 3

Samenwerkingsactiviteiten

1.   De directe samenwerkingsactiviteiten op grond van deze overeenkomst kunnen omvatten:

a)

bijeenkomsten in verschillende vormen, inclusief bijeenkomsten van deskundigen, om te discussiëren en informatie uit te wisselen over wetenschappelijke en technologische onderwerpen van algemene of specifieke aard en om projecten en programma's voor onderzoek en ontwikkeling aan te wijzen die in samenwerkingverband kunnen worden ondernomen;

b)

uitwisseling van informatie over activiteiten, beleidslijnen, praktijken, wet- en regelgeving betreffende onderzoek en ontwikkeling;

c)

bezoeken en uitwisselingen van wetenschappers, technisch personeel en andere deskundigen over algemene of specifieke onderwerpen;

d)

uitvoering van samenwerkingsprojecten en -programma's waartoe door het in artikel 6 bedoelde gemengd comité kan worden besloten, in overeenstemming met de respectieve wet- en regelgeving van de partijen; en

e)

andere vormen van activiteiten op het gebied van wetenschap en technologie waartoe door het in artikel 6 bedoelde gemengd comité kan worden besloten, in overeenstemming met de respectieve wet- en regelgeving van de partijen.

2.   Met het oog op de ontwikkeling van indirecte samenwerkingsactiviteiten, en behoudens de bijlagen bij deze overeenkomst, kan elke in Korea of de Gemeenschap gevestigde juridische entiteit deelnemen aan onderzoeksprogramma's of -projecten die door de andere partij worden geleid en voor haar juridische entiteiten openstaan, in overeenstemming met de respectieve wet- en regelgeving van de partijen.

Artikel 4

Uitvoeringsprocedures

1.   Tussen de partijen kunnen uitvoeringsregelingen worden gesloten die voorzien in nadere bijzonderheden en procedures inzake samenwerkingsactiviteiten op grond van deze overeenkomst.

2.   Elke partij kan de uitvoering van wetenschappelijke en technologische samenwerkingsactiviteiten van de partijen delegeren aan specifieke instellingen voor directe uitvoering of ondersteuning van wetenschappelijke en technologische samenwerkingsactiviteiten tussen de partijen.

3.   Wetenschappelijke en technologische samenwerkingactiviteiten die niet op specifieke overeenkomsten steunen, door de partijen zijn gestimuleerd, ontwikkeld en vergemakkelijkt en zijn begonnen en op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst niet zijn beëindigd, vallen vanaf die datum onder deze overeenkomst.

Artikel 5

Uitbreiding van de samenwerking

1.   Elke partij spant zich tot het uiterste in om aan de juridische entiteiten die op grond van deze overeenkomst samenwerkingsactiviteiten uitvoeren, alle potentiële voorzieningen toe te kennen met het oog op het vergemakkelijken van de werkzaamheden en bezoeken van onderzoekers die deelnemen aan deze samenwerkingsactiviteiten alsmede het binnen en buiten haar grondgebied brengen van materialen, gegevens en apparatuur bestemd voor gebruik bij deze samenwerkingsactiviteiten.

2.   Met betrekking tot de samenwerkingsactiviteiten op grond van deze overeenkomst kunnen de partijen, indien nodig en voor vreedzame doeleinden, de deelname toestaan van onderzoekers en organisaties uit alle sectoren van de onderzoeksgemeenschap inclusief de privésector.

Artikel 6

Gemengd comité

1.   Voor de coördinatie en vergemakkelijking van samenwerkingsactiviteiten in het kader van deze overeenkomst wordt namens Korea zorg gedragen door de Koreaanse ministeries die verantwoordelijk zijn voor wetenschap en technologie en, namens de Gemeenschap, door de diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen (directoraat-generaal voor wetenschap, onderzoek en ontwikkeling), welke instanties optreden als uitvoerende organen.

2.   Voor het verzekeren van de effectieve uitvoering van deze overeenkomst richten de uitvoerende organen een Gemengd Comité voor wetenschappelijke en technologische samenwerking op (hierna „het gemengd comité” genoemd). Het gemengd comité bestaat uit officiële vertegenwoordigers van elke partij en wordt samen voorgezeten door de vertegenwoordigers van beide partijen. Het gemengd comité stelt in gemeenschappelijk overleg zijn eigen reglement van orde vast.

3.   Het gemengd comité heeft de volgende taken:

1)

uitwisselen van zienswijzen en informatie over wetenschappelijke en technologische beleidskwesties;

2)

evalueren en bespreken van de samenwerkingsactiviteiten en -prestaties op grond van deze overeenkomst;

3)

doen van aanbevelingen aan de partijen met betrekking tot de uitvoering van deze overeenkomst, hetgeen de aanwijzing en voorstelling van samenwerkingsactiviteiten op grond ervan en het stimuleren van de uitvoering ervan kan omvatten;

4)

verstrekken van een rapport aan de partijen over de status, de prestaties en de effectiviteit van de samenwerkingsactiviteiten op grond van deze overeenkomst. Dit rapport wordt gezonden aan het Gemengd Comité EU-Korea dat is opgericht bij de Kaderovereenkomst inzake handel en samenwerking.

4.   De besluiten van het gemengd comité komen in gemeenschappelijk overleg tot stand.

5.   De uitgaven van deelnemers voor de bijeenkomsten van het gemengd comité, zoals reis- en verblijfskosten, worden gedragen door de partijen waarop deze betrekking hebben. Alle andere kosten in verband met deze bijeenkomsten worden gedragen door de gastpartij.

6.   Het gemengd comité komt afwisselend in Korea en de Gemeenschap bijeen, waarbij het tijdstip van de bijeenkomsten in gemeenschappelijk overleg, bij voorkeur jaarlijks, wordt afgesproken.

Artikel 7

Financiering

1.   Deze overeenkomst wordt uitgevoerd onder voorbehoud van de beschikbaarheid van gereserveerde middelen en de toepasselijke wet- en regelgeving van elke partij.

2.   De kosten van de samenwerkingsactiviteiten op grond van deze overeenkomst worden gedragen zoals in gemeenschappelijk overleg vastgesteld.

3.   Wanneer specifieke samenwerkingsregelingen van de ene partij voorzien in financiële steun aan deelnemers van de andere partij, worden alle subsidies en financiële of andere bijdragen van de ene partij aan de deelnemers van de andere partij ter ondersteuning van de betrokken activiteiten toegekend vrij van belastingen en douanerechten overeenkomstig de relevante wet- en regelgeving die op het moment dat dergelijke subsidies en financiële of andere bijdragen worden toegekend van kracht is op de grondgebieden van elke partij.

Artikel 8

Informatie en intellectuele-eigendomsrechten

1.   Wetenschappelijke en technologische niet-eigendomsinformatie die voortkomt uit directe samenwerkingsactiviteiten kan door elke partij langs de gebruikelijke kanalen en in overeenstemming met haar algemene procedures voor het publiek beschikbaar worden gesteld.

2.   Intellectuele-eigendomsrechten en andere eigendomsrechten die ontstaan of worden ingesteld in de loop van samenwerkingsactiviteiten op grond van deze overeenkomst worden behandeld in overeenstemming met de bepalingen van bijlage II van deze overeenkomst.

Artikel 9

Territoriale toepassing

Deze overeenkomst is van toepassing, enerzijds, op ieder grondgebied waar het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is, onder de in dat Verdrag neergelegde voorwaarden, en, anderzijds, op het grondgebied van Korea. Dit vormt geen beletsel voor de uitvoering van samenwerkingsactiviteiten op open zee, in de ruimte of op het grondgebied van derde landen, in overeenstemming met het internationaal recht.

Artikel 10

Regeling van geschillen

1.   De bepalingen van deze overeenkomst doen geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen van bestaande en/of toekomstige overeenkomsten inzake samenwerking tussen de partijen of tussen regeringen van lidstaten van de Gemeenschap en de regering van Korea.

2.   Alle vraagstukken of geschillen in verband met de interpretatie of uitvoering van deze overeenkomst worden door de partijen in overleg geregeld.

Artikel 11

Bijlagen

Bijlagen I (betreffende voorwaarden voor deelname) en II (betreffende intellectuele-eigendomsrechten) vormen een integrerend onderdeel van deze overeenkomst.

Artikel 12

Inwerkingtreding en opzegging

1.   Deze overeenkomst treedt in werking op de datum waarop de partijen diplomatieke nota's uitwisselen waarin zij elkaar mededelen dat hun voor de inwerkingtreding van deze overeenkomst vereiste respectieve interne procedures zijn voltooid.

2.   Deze overeenkomst blijft vijf jaar van kracht en blijft daarna van kracht tenzij ze door een van de partijen wordt opgezegd.

3.   Aan het einde van de eerste periode van vijf jaar of op elk moment daarna kan deze overeenkomst worden opgezegd door de andere partij minstens zes maanden van tevoren schriftelijk hiervan in kennis te stellen.

4.   Elke partij kan de impact en activiteiten van deze overeenkomst om de vijf jaar evalueren. Elke partij spant zich tot het uiterste in om de door de andere partij verrichte evaluatie te vergemakkelijken, en de partij die de evaluatie verricht, brengt de andere partij van de evaluatieresultaten op de hoogte.

5.   Deze overeenkomst kan met onderlinge toestemming van de partijen worden gewijzigd door de uitwisseling van diplomatieke nota's. Wijzigingen treden in werking na dezelfde procedure als bedoeld in lid 1, tenzij door de partijen anders overeengekomen.

6.   De opzegging van deze overeenkomst heeft geen invloed op de samenwerkingsactiviteiten die op grond van deze overeenkomst zijn ondernomen en op het moment van de opzegging van deze overeenkomst niet volledig zijn uitgevoerd, noch op specifieke rechten en verplichtingen die zijn ontstaan met inachtneming van de bijlagen bij deze overeenkomst.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, hiertoe naar behoren gemachtigd door de Europese Gemeenschap respectievelijk de regering van de Republiek Korea, deze overeenkomst hebben ondertekend.

GEDAAN in tweevoud te Brussel, de tweeëntwintigste november tweeduizend zes in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische, de Zweedse en de Koreaanse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

Por la Comunidad Europea

Za Evropské společenství

For Det Europæiske Fællesskab

Für die Europäische Gemeinschaft

Euroopa Ühenduse nimel

Για την Ευρωπαϊκή Κοινότητα

For the European Community

Pour la Communauté européenne

Per la Comunità europea

Eiropas Kopienas vārdā

Europos bendrijos vardu

az Európai Közösség részéről

Għall-Kominità Ewropea

Voor de Europese Gemeenschap

W imieniu Wspólnoty Europejskiej

Pela Communidade Europeia

Za Európske spoločenstvo

Za Evropsko skupnost

Euroopan yhteisön puolesta

På Europeiska gemenskapens vägnar

Image

Image

Image

Por el Gobierno de la República de Corea

Za vládu Korejské republiky

For Republikken Koreas regering

Für die Regierung der Republik Korea

Korea Vabariigi Valitsuse nimel

Για την Κυβέρνηση της Δημοκρατίας της Κορέας

For the Government of the Republic of Korea

Pour le gouvernement de la République de Corée

Per il governo della Repubblica di Corea

Korejas Republikas vārdā

Korėjos Respublikos Vyriausybės vardu

A Koreai Köztársaság kormánya részéről

Għall-Gvern tar-Repubblíka tal-Korea

Voor de Regering van de Republiek Korea

W imieniu Rządu Republiki Korei

Pelo Governo da República da Coreia

Za vládu Kórejskej republiky

Za Vlado Republike Koreje

Korean tasavallan hallituksen puolesta

På Republiken Koreas regerings vägnar

Image

Image

BIJLAGE I

Voorwaarden voor de deelname van juridische entiteiten die zijn gevestigd in de Europese Gemeenschap en Korea

Binnen het kader van deze overeenkomst poogt, ingeval de ene partij met een juridische entiteit van de andere partij een contract voor een indirecte samenwerkingsactiviteit sluit, de andere partij op verzoek alle redelijke en mogelijke bijstand te verstrekken als voor de eerste partij nodig of nuttig kan zijn voor de vlotte uitvoering van een dergelijk contract.

1.   VOORWAARDEN VOOR DE DEELNAME VAN IN KOREA GEVESTIGDE JURIDISCHE ENTITEITEN AAN INDIRECTE SAMENWERKINGSACTIVITEITEN OP GROND VAN HET KADERPROGRAMMA VOOR ONDERZOEK VAN DE GEMEENSCHAP (HIERNA „HET KADERPROGRAMMA” GENOEMD)

a)

In Korea gevestigde juridische entiteiten kunnen deelnemen aan indirecte samenwerkingsactiviteiten op grond van het kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie onder de voorwaarden en beperkingen die zijn vastgesteld in de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de regels voor deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten en voor de verspreiding van onderzoeksresultaten voor de uitvoering van het kaderprogramma van de Europese Gemeenschap.

b)

Onverminderd a) dient de deelname van juridische entiteiten die in Korea zijn opgericht voor indirecte samenwerkingsactiviteiten op grond van de kaderprogramma's in overeenstemming te zijn met deze regels.

2.   VOORWAARDEN VOOR DE DEELNAME VAN IN DE EUROPESE GEMEENSCHAP GEVESTIGDE JURIDISCHE ENTITEITEN AAN KOREA'S ONDERZOEKSPROGRAMMA'S EN -PROJECTEN

a)

In de Gemeenschap gevestigde juridische entiteiten kunnen deelnemen aan de door de Koreaanse regering gefinancierde projecten of programma's voor onderzoek en ontwikkeling.

b)

In de Gemeenschap gevestigde juridische entiteiten nemen aan Korea's projecten of programma's voor onderzoek en ontwikkeling deel in overeenstemming met de relevante wet- en regelgeving van Korea en de relevante regels voor deelname aan dergelijke projecten of programma's.

BIJLAGE II

Beginselen inzake de toekenning van intellectuele-eigendomsrechten

1.   DEFINITIE

In het kader van deze overeenkomst heeft „intellectuele eigendom” de betekenis die het heeft in artikel 2 van het Verdrag tot oprichting van de Wereldorganisatie voor het intellectuele eigendom, gesloten in Stockholm op 14 juli 1967.

2.   INTELLECTUELE-EIGENDOMSRECHTEN VAN DE PARTIJEN BIJ DIRECTE SAMENWERKINGSACTIVITEITEN

a)

Tenzij door de partijen specifiek anders overeengekomen, zijn de volgende regels van toepassing op intellectuele-eigendomsrechten, met uitzondering van auteursrechten en gerelateerde rechten, die door de partijen zijn gegenereerd in de loop van op grond van artikel 3, lid 1, van deze overeenkomst uitgevoerde directe samenwerkingsactiviteiten.

1.

De partij die intellectueel eigendom genereert, heeft de volle eigendom. In het geval dat het intellectuele eigendom gezamenlijk is gegenereerd en het respectieve aandeel in de werkzaamheden van de twee partijen niet kan worden vastgesteld, hebben de partijen de gezamenlijke eigendom van het intellectuele eigendom.

2.

De partij die het intellectuele eigendom bezit, verleent de andere partij toegangsrechten om alle directe samenwerkingsactiviteiten uit te voeren. Dergelijke toegangsrechten worden vrij van auteursrechten verleend.

b)

Tenzij door de partijen specifiek anders overeengekomen, zijn de volgende regels van toepassing op auteursrechten en gerelateerde rechten van de partijen.

1.

Wanneer een partij door middel van tijdschriften, artikels, rapporten, boeken of in een andere vorm, inclusief videobanden en software, wetenschappelijke en technische gegevens, informatie of resultaten publiceert die voortkomen uit en betrekking hebben op samenwerkingsactiviteiten op grond van deze overeenkomst, spant de partij zich tot het uiterste in om voor de andere partij in alle landen waar auteursrechtelijke bescherming voorhanden is niet-exclusieve, onherroepelijke, auteursrechtenvrije licenties te verkrijgen om dergelijke werken te vertalen, te reproduceren, te bewerken, over te dragen en publiek te verspreiden.

2.

Op alle publiek verspreide kopieën van een auteursrechtelijk beschermd werk als bedoeld onder b), punt 1, dient(dienen) de naam(namen) van de auteur(s) van het werk te worden vermeld tenzij de auteur(s) expliciet daarvan afziet(afzien). Ook moet op een duidelijk zichtbare plaats een vermelding worden opgenomen met betrekking tot de samenwerkingssteun van de partijen.

c)

Tenzij door de partijen specifiek anders overeengekomen, zijn de volgende regels van toepassing op niet openbaar gemaakte informatie van de partijen.

1.

Bij het doorgeven aan de andere partij van informatie die nodig is voor het uitvoeren van directe samenwerkingsactiviteiten geeft elke partij aan welke informatie zij niet openbaar gemaakt wil zien.

2.

De partij die de informatie ontvangt kan voor specifieke doeleinden in verband met de uitvoering van deze overeenkomst onder eigen verantwoordelijkheid niet openbaar gemaakte informatie mededelen aan haar organen of de personen die via deze organen in dienst zijn.

3.

Met voorafgaande schriftelijke toestemming van de partij die de niet openbaar gemaakte informatie verstrekt, kan de andere partij dergelijke niet openbaar gemaakte informatie op grotere schaal verspreiden dan anders op grond van onder c), punt 2, toegestaan. De partijen werken samen procedures uit voor het aanvragen en verkrijgen van voorafgaande schriftelijke toestemming voor een dergelijke verspreiding op grotere schaal; elke partij verleent deze goedkeuring in de mate waarin dit door haar wet- en regelgeving is toegestaan.

4.

Informatie die voortkomt uit seminars, bijeenkomsten, op grond van deze overeenkomst geregelde overdrachten van personeel en van het gebruik van voorzieningen blijft vertrouwelijk wanneer aan de ontvanger van deze informatie op het moment dat deze wordt medegedeeld door de verstrekker ervan wordt gevraagd het vertrouwelijke of bevoorrechte karakter ervan te beschermen, overeenkomstig onder c), punt 1.

5.

Indien een van de partijen zich rekenschap ervan geeft dat zij niet in staat is, of redelijkerwijs verwacht niet in staat te zullen zijn, om de in punt 2, onder c), vervatte beperkingen en voorwaarden inzake de verspreiding na te leven, stelt zij de andere partij daarvan onmiddellijk in kennis. De partijen plegen vervolgens overleg om een passende gedragslijn te bepalen.

3.   INTELLECTUELE-EIGENDOMSRECHTEN VAN JURIDISCHE ENTITEITEN VAN DE PARTIJEN BIJ INDIRECTE SAMENWERKINGSACTIVITEITEN

a)

Elke partij verzekert dat de intellectuele-eigendomsrechten van juridische entiteiten van de ene partij die deelnemen aan door de andere partij geleide programma's voor onderzoek en ontwikkeling, en de gerelateerde rechten en verplichtingen die voortkomen uit deze deelname, verenigbaar zijn met de relevante wet- en regelgeving en internationale verdragen, inclusief de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van het intellectuele eigendom, bijlage 1C van de Overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie alsmede de Akte van Parijs van 24 juli 1971 van de Conventie van Bern voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst en de Akte van Stockholm van 14 juli 1967 van het Verdrag van Parijs tot bescherming van het industriële eigendom.

b)

Elke partij verzekert dat op grond van haar geldende wet- en regelgeving juridische entiteiten van de ene partij die deelnemen aan door de andere partij geleide programma's voor onderzoek en ontwikkeling bij dezelfde indirecte samenwerkingsactiviteit ten aanzien van het intellectuele eigendom dezelfde rechten en verplichtingen genieten als de juridische entiteiten van de andere partij.


24.4.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 106/51


BESLUIT VAN DE RAAD

van 23 april 2007

houdende uitvoering van artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 423/2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran

(2007/242/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op Verordening (EG) nr. 423/2007 van 19 april 2007 (1), en met name op artikel 15, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 19 april 2007 heeft de Raad Verordening (EG) nr. 423/2007 aangenomen betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran. Artikel 15, lid 2, van die verordening bepaalt dat de Raad de in artikel 7, lid 2, van die verordening bedoelde lijst van personen, groepen en entiteiten vaststelt, evalueert en wijzigt.

(2)

De Raad heeft bepaald dat bepaalde personen, groepen en entiteiten aan de in artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 423/2007 gestelde voorwaarden voldoen en dat zij derhalve op de daarin vermelde individuele en specifieke gronden moeten worden opgenomen in bijlage V van die verordening,

BESLUIT:

Artikel 1

De personen, entiteiten en lichamen die in de bijlage bij dit besluit zijn vermeld, worden opgenomen in bijlage V van Verordening (EG) nr. 423/2007.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag van zijn bekendmaking.

Artikel 3

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Luxemburg, 23 april 2007.

Voor de Raad

De voorzitter

F.-W. STEINMEIER


(1)  PB L 103 van 20.4.2007, blz. 1.


BIJLAGE

„A.   Rechtspersonen, entiteiten en lichamen

 

Naam

Informatie ter identificatie

Motivering

1.

Aerospace Industries Organisation, AIO

AIO, 28 Shian 5, Lavizan, Teheran

AIO superviseert Iraanse productie van raketten, incl. Shahid Hemmat Industrial Group, Shahid Bagheri Industrial Group en Fajr Industrial Group, alle drie vermeld in UNSCR 1737 (2006). Directeur van AIO en twee andere hoge functionarissen worden ook vermeld in UNSCR 1737 (2006)

2.

Armament Industries

Pasdaran Av., PO Box 19585/777, Teheran

Filiaal van DIO (Defence Industries Organization).

3.

Defence Technology and Science Research Centre (DTSRC) — ook bekend als Educational Research Institute/Moassese Amozeh Va Tahgiaghati (ERI/MAVT Co.)

Pasdaran Av., PO Box 19585/777, Teheran

Belast met O&O Filiaal van DIO. DTSRC doet groot deel van aankopen voor DIO.

4.

Jaber Ibn Hayan

AEOI-JIHRD, PO Box 11365-8486; Teheran; 84, 20th Av. Entehaye Karegar Shomali Street; Teheran

Jaber Ibn Hayan is laboratorium van AEOI (Atomic Energy Organisation of Iran), betrokken bij activiteiten i.v.m. de brandstofcyclus. Bevindt zich in het nucleair onderzoekscentrum van Teheran (TNRC); vóór 2003 niet opgegeven door Iran uit hoofde van zijn garantieovereenkomst hoewel er conversie-activiteiten plaatsvonden.

5.

Marine Industries

Pasdaran Av., PO Box 19585/777, Teheran

Filiaal van DIO.

6.

Nuclear Fuel Production and Procurement Company (NFPC)

AEOI-NFPD, PO Box: 11365-8486, Teheran/Iran

Nuclear Fuel Production Division (NFPD) van AEOI doet onderzoek en ontwikkeling i.v.m. de nucleaire brandstofcyclus, incl. uraniumexploratie, winning, fijnmalen, conversie en kernafvalbeheer. NFPC is opvolger van NFPD, dochtervennootschap onder AEOI die leiding heeft bij onderzoek en ontwikkeling i.v.m. nucleaire brandstofcyclus, waaronder conversie en verrijking.

7.

Special Industries Group

Pasdaran Av., PO Box 19585/777, Teheran

Filiaal van DIO.

8.

TAMAS Company

 

TAMAS is betrokken bij activiteiten op het vlak van verrijking, die Iran op last van Raad van Beheer IAEA en Veiligheidsraad moet opschorten. TAMAS is overkoepelend orgaan waaronder vier dochtermaatschappijen ressorteren, incl. één voor uraniumwinning t/m -concentratie en een ander voor uraniumverwerking, verrijking en -afval.

B.   Natuurlijke personen

 

Naam

Informatie ter identificatie

Motivering

1.

Reza AGHAZADEH

Geboren: 15.3.1949 Paspoortnummer: S4409483 geldig 26.4.2000-27.4.2010 Plaats van afgifte: Teheran Geboren te Khoy

Directeur Atomic Energy Organisation of Iran (AEOI). AEOI superviseert Irans kernprogramma en wordt vermeld in UNSCR 1737 (2006).

2.

Amir Moayyed ALAI

 

Betrokken bij beheer van assemblage en engineering van centrifuges. Iran moet op last van Raad van Beheer IAEA en Veiligheidsraad alle met verrijking verband houden activiteiten opschorten, incl., dus ook alle centrifugegerelateerde werkzaamheden. Op 27 augustus 2006 heeft Alai een speciale onderscheiding gekregen van President Ahmadinejad voor zijn rol bij het beheer van de assemblage en engineering van centrifuges.

3.

Mohammed Fedai ASHIANI

 

Betrokken bij productie van ammoniumuranylcarbonaat (AUC) en beheer van verrijkingscomplex van Natanz. Iran moet alle verrijkingsgerelateerde activiteiten opschorten. Op 27 augustus 2006 heeft Ashiani een speciale onderscheiding gekregen van President Ahmadinejad voor zijn rol bij het AUC-productieproces en bij het beheer en het engineeringdesign van het Natanz-complex (Kashan).

4.

Haleh BAKHTIAR

 

Betrokken bij productie van 99,9 % geconcentreerd magnesium. Op 27 augustus 2006 heeft Bakhtiar een speciale onderscheiding gekregen van President Ahmadinejad voor haar rol bij de productie van 99,9 % geconcentreerd magnesium. Magnesium van een dergelijke zuiverheid wordt gebruikt voor de productie van uraniummetaal, dat kan worden gegoten in materiaal voor een kernwapen. Iran heeft de IAEA de toegang geweigerd tot een document over de productie van hemisferen van uraniummetaal, die alleen van toepassing is op het gebruik van kernwapens.

5.

Morteza BEHZAD

 

Betrokken bij het maken van centrifugecomponenten. Iran moet alle verrijkingsgerelateerde activiteiten opschorten, ook i.v.m. centrifuges. Op 27 augustus 2006 heeft Behzad een speciale onderscheiding gekregen van President Ahmadinejad voor zijn rol bij het maken van complexe, gevoelige centrifugecomponenten.

6.

Dr. Hoseyn (Hossein) FAQIHIAN

Adres van NFPC: AEOI-NFPD, PO Box: 11365-8486, Teheran/Iran.

Plaatsvervangend Directeur-Generaal Nuclear Fuel Production and Procurement Company (NFPC), onderdeel van AEOI. AEOI superviseert Irans kernprogramma en wordt vermeld in UNSCR 1737 (2006). NFPC is betrokken bij verrijkingsgerelateerde activiteiten die Iran op last van Raad van Beheer IAEA en Veiligheidsraad moet opschorten.

7.

Seyyed Hussein (Hossein) HUSSEINI (HOSSEINI)

 

AEOI-official betrokken bij project van zwaarwateronderzoeksreactor (IR40) in Arak. UNSCR 1737 (2006) gelast Iran alle met zwaarwater verband houdende werkzaamheden op te schorten.

8.

Javad KARIMI SABET

 

Voorzitter Novin Energy Company. In augustus 2006 heeft Karimi Sabet een onderscheiding gekregen van President Ahmadinejad voor zijn rol bij het ontwerp, de bouw, de installatie en inwerkingstelling van de nucleaire faciliteiten van Natanz.

9.

Said Esmail KHALILIPOUR

 

Plaatsvervangend Directeur AEOI. AEOI superviseert Irans kernprogramma en wordt vermeld in UNSCR 1737 (2006).

10.

Ali Reza KHANCHI

Adres van NRC: AEOI-NRC PO Box: 11365-8486 Teheran/Iran; Fax: (+9821) 8021412.

Directeur Teheran Nuclear Research Center van AEOI. IAEA wil opheldering van Iran over plutoniumscheidingsexperimenten in TNRC, incl. over de aanwezigheid van deeltjes hoogverrijkt uranium in het milieu, aangetroffen in monsters genomen op de Karaj Waste Storage Facility, waar zich containers bevinden met verarmde uraniumdoelen die gebruikt zijn bij dergelijke experimenten. AEOI superviseert Irans kernprogramma en wordt vermeld in UNSCR 1737 (2006).

11.

Hamid Reza MOHAJERANI

 

Betrokken bij productiebeheer van Uranium Conversion Facility (UCF) van Isfahan. Op 27 augustus 2006 heeft Mohajerani een speciale onderscheiding gekregen van President Ahmadinejad voor zijn rol bij het beheer bij UCF en de planning, de bouw en de installatie van de UF-6-eenheid (UF6 is het uitgangsmateriaal voor verrijking).

12.

Houshang NOBARI

 

Betrokken bij beheer van verrijkingscomplex van Natanz. Iran moet alle verrijkingsgerelateerde activiteiten op last van Raad van Beheer IAEA en Veiligheidsraad opschorten. Op 27 augustus 2006 heeft Nobari een speciale onderscheiding gekregen van President Ahmadinejad voor zijn rol bij het succesvol beheer en de uitvoering van het Natanz-complex (Kashan).

13.

Dr Javad RAHIQI

 

Directeur Nuclear Technology Centre van AEOI in Isfahan; dit superviseert de uraniumconversiefaciliteit van Isfahan. Iran moet alle verrijkingsgerelateerde activiteiten op last van Raad van Beheer IAEA en Veiligheidsraad opschorten, incl. uraniumconversiewerkzaamheden. AEOI superviseert Irans kernprogramma en wordt vermeld in UNSCR 1737 (2006).

14.

Abbas RASHIDI

 

Betrokken bij verrijkingsactiviteiten in Natanz. Iran moet alle verrijkingsgerelateerde activiteiten op last van Raad van Beheer IAEA en Veiligheidsraad opschorten. Op 27 augustus 2006 heeft Rashidi een speciale onderscheiding gekregen van President Ahmadinejad voor zijn rol bij het beheer en met name de succesvolle werking van de uit 164 centrifuges bestaande verrijkingscascade in Natanz.

15.

Abdollah SOLAT SANA

 

Directeur management Uranium Conversion Facility (UCF) in Isfahan; faciliteit die uitgangsmateriaal (UF6) voor verrijking in Natanz produceert. Op 27 augustus 2006 kreeg Solat Sana een speciale onderscheiding van President Ahmadinejad voor zijn rol.”


Commissie

24.4.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 106/55


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 18 april 2007

houdende onttrekking aan communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten voor het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, hebben verricht

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 1663)

(Slechts de teksten in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal zijn authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2007/243/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (1), en met name op artikel 5, lid 2, onder c),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1258/1999 van de Raad van 17 mei 1999 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (2), en met name op artikel 7, lid 4,

Na raadpleging van het Comité van het Fonds,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 5 van Verordening (EEG) nr. 729/70, artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1258/1999 en artikel 8, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 1663/95 van de Commissie van 7 juli 1995 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad aangaande de procedure inzake de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL, afdeling Garantie (3) is bepaald dat de Commissie de nodige verificaties verricht, de resultaten daarvan aan de lidstaten meedeelt, kennis neemt van de door de lidstaten gemaakte opmerkingen, bilaterale besprekingen voert om overeenstemming te bereiken met de betrokken lidstaten en haar conclusies formeel aan deze laatste meedeelt.

(2)

De lidstaten konden verzoeken een bemiddelingsprocedure te openen. In sommige gevallen is van deze mogelijkheid gebruikgemaakt en is het aan het einde van de procedure uitgebrachte rapport door de Commissie onderzocht.

(3)

In de artikelen 2 en 3 van Verordening (EEG) nr. 729/70 en in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1258/1999 is bepaald dat financiering slechts mogelijk is voor restituties bij uitvoer naar derde landen die volgens de communautaire voorschriften in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten worden verleend, en voor interventies ter regulering van de landbouwmarkten waartoe volgens de communautaire voorschriften in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten wordt overgegaan.

(4)

Uit de verrichte verificaties, de resultaten van de bilaterale besprekingen en de bemiddelingsprocedures is gebleken dat een deel van de door de lidstaten gedeclareerde uitgaven niet aan die voorwaarden voldoet en derhalve niet door het EOGFL, afdeling Garantie, kan worden gefinancierd.

(5)

Aangegeven moet worden welke bedragen niet als ten laste zijnde van het EOGFL, afdeling Garantie, worden erkend, waarbij het geen uitgaven mag betreffen die zijn gedaan vóór de periode van 24 maanden die voorafging aan het tijdstip waarop de Commissie de resultaten van de verificaties schriftelijk aan de lidstaten heeft meegedeeld.

(6)

Voor de gevallen waarop deze beschikking betrekking heeft, heeft de Commissie de lidstaten in een syntheseverslag de raming meegedeeld van de uitgaven die aan financiering moeten worden onttrokken omdat zij niet overeenkomstig de communautaire voorschriften zijn verricht.

(7)

Met deze beschikking wordt niet vooruitgelopen op de financiële consequenties die de Commissie zou kunnen trekken uit arresten van het Hof van Justitie in zaken die op 25 januari 2007 aanhangig waren en aangelegenheden betreffen waarop deze beschikking betrekking heeft,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De ten laste van het EOGFL, afdeling Garantie, gedeclareerde uitgaven van erkende betaalorganen van de lidstaten, die in de bijlage zijn vermeld, worden aan communautaire financiering onttrokken omdat zij niet overeenkomstig de communautaire voorschriften zijn verricht.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

Gedaan te Brussel, 18 april 2007.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 94 van 28.4.1970, blz. 13. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1287/95 (PB L 125 van 8.6.1995, blz. 1).

(2)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 103.

(3)  PB L 158 van 8.7.1995, blz. 6. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 465/2005 (PB L 77 van 23.3.2005, blz. 6).


BIJLAGE

Totaal correcties — Begrotingspost 6 7 0 1

LS

Maatregel

BJ

Reden

Type

%

Valuta

Bedrag

Reeds afgetrokken

Financiële gevolgen

AT

Financiële audit — Overschrijdingen

2005

Overschrijding van de financiële maxima

Gericht

 

EUR

– 577,47

– 577,47

0,00

Totaal AT

 

 

 

 

EUR

– 577,47

– 577,47

0,00

BE

Goedkeuring van de rekeningen

2001

Goedkeuring van de rekeningen 2001

Gericht

 

EUR

–45 922,50

–45 922,50

0,00

BE

Goedkeuring van de rekeningen

2003

Goedkeuring van de rekeningen 2003

Gericht

 

EUR

–53 786,11

–29 109,11

–24 677,00

Totaal BE

 

 

 

 

EUR

–99 708,61

–75 031,61

–24 677,00

DE

Goedkeuring van de rekeningen

2003

Goedkeuring van de rekeningen 2003

Gericht

 

EUR

–2 372 552,57

0,00

–2 372 552,57

DE

Goedkeuring van de rekeningen

2004

Goedkeuring van de rekeningen 2004

Gericht

 

EUR

– 848 720,33

0,00

– 848 720,33

DE

Goedkeuring van de rekeningen

2005

Goedkeuring van de rekeningen 2005

Gericht

 

EUR

–1 475 549,22

0,00

–1 475 549,22

DE

Financiële audit — Te late betalingen

2005

Betalingstermijn niet nageleefd

Gericht

 

EUR

– 123 145,69

– 188 245,69

65 100,00

DE

Financiële audit — Overschrijdingen

2004

Overschrijding van de financiële maxima

Gericht

 

EUR

– 134 267,39

0,00

– 134 267,39

Totaal DE

 

 

 

 

EUR

–4 954 235,20

– 188 245,69

–4 765 989,51

DK

Uitvoerrestituties

2000

Ontoereikende toepassing substitutiecontroles

Forfaitair

2 %

DKK

–4 042 587,64

0,00

–4 042 587,64

DK

Uitvoerrestituties

2000

Ontoereikende toepassing substitutiecontroles

Forfaitair

5 %

DKK

–1 694 642,72

0,00

–1 694 642,72

DK

Uitvoerrestituties

2001

Ontoereikende toepassing substitutiecontroles

Forfaitair

2 %

DKK

–11 636 374,73

0,00

–11 636 374,73

DK

Uitvoerrestituties

2001

Ontoereikende toepassing substitutiecontroles

Forfaitair

5 %

DKK

–5 847 108,45

0,00

–5 847 108,45

DK

Uitvoerrestituties

2002

Ontoereikende toepassing substitutiecontroles

Forfaitair

2 %

DKK

–14 620 538,05

0,00

–14 620 538,05

DK

Uitvoerrestituties

2002

Ontoereikende toepassing substitutiecontroles

Forfaitair

5 %

DKK

–6 732 926,94

0,00

–6 732 926,94

DK

Uitvoerrestituties

2003

Ontoereikende toepassing substitutiecontroles

Forfaitair

2 %

DKK

–3 239 587,36

0,00

–3 239 587,36

DK

Uitvoerrestituties

2003

Ontoereikende toepassing substitutiecontroles

Forfaitair

5 %

DKK

–1 450 243,99

0,00

–1 450 243,99

DK

Financiële audit — Overschrijdingen

2004

Overschrijding van de financiële maxima

Gericht

 

EUR

–68 177,57

–68 177,57

0,00

Totaal DK

 

 

 

 

DKK

–49 264 009,88

0,00

–49 264 009,88

Totaal DK

 

 

 

 

EUR

–68 177,57

–68 177,57

0,00

ES

Financiële audit — Te late betalingen

2004

Betalingstermijn niet nageleefd

Gericht

 

EUR

–9 070 409,96

–9 197 146,98

126 737,02

ES

Financiële audit — Te late betalingen

2005

Betalingstermijn niet nageleefd

Gericht

 

EUR

–7 923 714,21

–7 940 441,61

16 727,40

ES

Financiële audit — Overschrijdingen

2005

Overschrijding van de financiële maxima

Gericht

 

EUR

339 296,14

339 296,14

0,00

ES

Groenten en fruit — noten (andere maatregelen)

2003

Betalingstermijn niet nageleefd

Gericht

 

EUR

–28 111 606,97

0,00

–28 111 606,97

ES

Groenten en fruit — noten (andere maatregelen)

2004

Betalingstermijn niet nageleefd

Gericht

 

EUR

–32 542 235,13

0,00

–32 542 235,13

ES

Groenten en fruit — Verwerking tomaten

2003

Buiten de normale kantooruren van de bevoegde autoriteiten geleverde tomaten konden niet naar behoren worden gecontroleerd; onvoldoende overeenstemming van de geregistreerde gegevens met de officiële boekhouding

Forfaitair

5 %

EUR

–1 850 032,92

0,00

–1 850 032,92

ES

Groenten en fruit — Verwerking tomaten

2004

Buiten de normale kantooruren van de bevoegde autoriteiten geleverde tomaten konden niet naar behoren worden gecontroleerd; onvoldoende overeenstemming van de geregistreerde gegevens met de officiële boekhouding

Forfaitair

5 %

EUR

–2 240 283,54

0,00

–2 240 283,54

ES

Verkoopbevorderende maatregelen

2003

Programma is niet subsidiabel

Gericht

 

EUR

–20 244,02

0,00

–20 244,02

ES

Verkoopbevorderende maatregelen

2004

Programma is niet subsidiabel

Gericht

 

EUR

–70 997,92

0,00

–70 997,92

ES

Verkoopbevorderende maatregelen

2003

Tekortkomingen boekhoudkundige en technische controles

Forfaitair

10 %

EUR

– 438 782,10

0,00

– 438 782,10

ES

Verkoopbevorderende maatregelen

2004

Tekortkomingen boekhoudkundige en technische controles

Forfaitair

10 %

EUR

– 500 158,94

0,00

– 500 158,94

ES

Verkoopbevorderende maatregelen

2005

Tekortkomingen boekhoudkundige en technische controles

Forfaitair

10 %

EUR

– 262 486,51

0,00

– 262 486,51

ES

Verkoopbevorderende maatregelen

2006

Tekortkomingen boekhoudkundige en technische controles

Forfaitair

10 %

EUR

–32 893,85

0,00

–32 893,85

Totaal ES

 

 

 

 

EUR

–82 724 549,93

–16 798 292,45

–65 926 257,48

FR

OTMS

2001

Gebrekkige of geen fysieke controles van de verrichtingen

Forfaitair

10 %

EUR

–2 150 231,66

0,00

–2 150 231,66

FR

OTMS

2002

Gebrekkige of geen fysieke controles van de verrichtingen

Forfaitair

10 %

EUR

–4 742 809,12

0,00

–4 742 809,12

FR

OTMS

2003

Gebrekkige of geen fysieke controles van de verrichtingen

Forfaitair

10 %

EUR

–1 792 725,04

0,00

–1 792 725,04

FR

Groenten en fruit — Verwerking perziken en peren

2003

Verschillende betalingen zijn te laat verricht

Gericht

 

EUR

–22 494,75

0,00

–22 494,75

FR

Openbare opslag alcohol

2001

Betalingstermijn niet nageleefd

Gericht

 

EUR

–2 226,40

0,00

–2 226,40

FR

Openbare opslag alcohol

2002

Betalingstermijn niet nageleefd

Gericht

 

EUR

–14 188,94

0,00

–14 188,94

FR

Plattelandsontwikkeling — Garantie nieuwe maatregelen

2003

Gebrekkige secundaire controles

Forfaitair

2 %

EUR

–1 995 633,00

0,00

–1 995 633,00

FR

Plattelandsontwikkeling — Garantie nieuwe maatregelen

2003

Tekortkomingen bij de controle van de „zachte leningen”: ontoereikende controle van de betalingsbewijzen en of de investeringen wel zijn gedaan

Forfaitair

5 %

EUR

–2 931 588,00

0,00

–2 931 588,00

FR

Plattelandsontwikkeling — Garantie nieuwe maatregelen

2004

Gebrekkige secundaire controles

Forfaitair

2 %

EUR

–2 568 245,00

0,00

–2 568 245,00

Totaal FR

 

 

 

 

EUR

–16 220 141,91

0,00

–16 220 141,91

GR

Rechtstreekse betalingen

2004

LPIS was niet volledig operationeel en controles ter plaatse werden te laat verricht om volledig doeltreffend te zijn

Forfaitair

5 %

EUR

–14 991 119,26

0,00

–14 991 119,26

GR

Rechtstreekse betalingen

2004

LPIS was niet volledig operationeel en controles ter plaatse werden te laat verricht om volledig doeltreffend te zijn

Forfaitair

10 %

EUR

–20 792 615,42

0,00

–20 792 615,42

GR

Rechtstreekse betalingen

2005

LPIS was niet volledig operationeel en controles ter plaatse werden te laat verricht om volledig doeltreffend te zijn

Forfaitair

5 %

EUR

–27 702,71

0,00

–27 702,71

GR

Rechtstreekse betalingen

2005

LPIS was niet volledig operationeel en controles ter plaatse werden te laat verricht om volledig doeltreffend te zijn

Forfaitair

10 %

EUR

–30 657,51

0,00

–30 657,51

GR

Groenten en fruit — Verwerking tomaten

2003

De in de registers vermelde gegevens zijn niet vergeleken met de officiële boekhouding van de telersvereniging; in de door een telersvereniging meegedeelde gegevens ontbraken cijfers over de opbrengst

Forfaitair

5 %

EUR

–1 231,08

0,00

–1 231,08

GR

Groenten en fruit — Verwerking tomaten

2004

De in de registers vermelde gegevens zijn niet vergeleken met de officiële boekhouding van de telersvereniging; in de door een telersvereniging meegedeelde gegevens ontbraken cijfers over de opbrengst

Forfaitair

5 %

EUR

– 417 259,82

0,00

– 417 259,82

GR

POSEI

2003

Onvoldoende bewijs dat het voordeel van de steun is doorgegeven aan de eindgebruiker; ontoereikende controle bij aankomst van de producten op het eiland; geen GBCS

Forfaitair

5 %

EUR

– 952 833,44

0,00

– 952 833,44

GR

POSEI

2004

Onvoldoende bewijs dat het voordeel van de steun is doorgegeven aan de eindgebruiker; ontoereikende controle bij aankomst van de producten op het eiland; geen GBCS

Forfaitair

5 %

EUR

– 952 833,58

0,00

– 952 833,58

GR

Plattelandsontwikkeling — Garantie begeleidende maatregelen

2001

Totaal van de maandelijkse aangiften overtreft de jaarlijkse aangifte

Gericht

 

EUR

–67 732,00

0,00

–67 732,00

Totaal GR

 

 

 

 

EUR

–38 233 984,82

0,00

–38 233 984,82

IE

Financiële audit — Te late betalingen

2004

Betalingstermijn niet nageleefd

Gericht

 

EUR

–1 021 717,84

–1 232 358,00

210 640,16

IE

Financiële audit — Overschrijdingen

2004

Overschrijding van de financiële maxima

Gericht

 

EUR

– 122 295,66

– 122 295,66

0,00

IE

Melkpoeder voor caseïne

2002

Onvoldoende controle van het productieproces

Forfaitair

5 %

EUR

– 676 675,34

0,00

– 676 675,34

IE

Melkpoeder voor caseïne

2003

Onvoldoende controle van het productieproces

Forfaitair

5 %

EUR

–1 444 677,65

0,00

–1 444 677,65

IE

Melkpoeder voor caseïne

2004

Onvoldoende controle van het productieproces

Forfaitair

5 %

EUR

– 378 635,48

0,00

– 378 635,48

Totaal IE

 

 

 

 

EUR

–3 644 001,97

–1 354 653,66

–2 289 348,31

IT

Financiële audit — Te late betalingen

2004

Betalingstermijn niet nageleefd

Gericht

 

EUR

–48 554 937,39

–48 865 275,10

310 337,71

IT

Financiële audit — Overschrijdingen

2004

Overschrijding van de financiële maxima

Gericht

 

EUR

–47 896,46

–47 896,46

0,00

IT

Plattelandsontwikkeling — Garantie nieuwe maatregelen

2003

Onvoldoende controle op de naleving van de minimumnormen; onvolledige risicoanalyse inzake de selectie van de begunstigden, waarvoor een controle ter plaatse moet worden verricht

Forfaitair

2 %

EUR

– 292 013,00

0,00

– 292 013,00

IT

Wijn — Herstructurering

2003

Overschatting van het wijnbouwareaal

Gericht

 

EUR

– 791 044,51

0,00

– 791 044,51

IT

Wijn — Herstructurering

2004

Overschatting van het wijnbouwareaal

Gericht

 

EUR

–1 587 599,85

0,00

–1 587 599,85

Totaal IT

 

 

 

 

EUR

–51 273 491,21

–48 913 171,56

–2 360 319,65

LU

Financiële audit — Te late betalingen

2005

Betalingstermijn niet nageleefd

Gericht

 

EUR

–89 099,53

–89 099,53

0,00

LU

Financiële audit — Overschrijdingen

2004

Overschrijding van de financiële maxima

Gericht

 

EUR

– 132 471,39

–42 350,66

–90 120,73

LU

Financiële audit — Overschrijdingen

2005

Overschrijding van de financiële maxima

Gericht

 

EUR

–14 637,53

–14 637,53

0,00

Totaal LU

 

 

 

 

EUR

– 236 208,45

– 146 087,72

–90 120,73

NL

Goedkeuring van de rekeningen

2003

Goedkeuring van de rekeningen over 2003

Gericht

 

EUR

– 159 196,13

0,00

– 159 196,13

NL

Uitvoerrestituties

1999

Te weinig substitutiecontroles

Forfaitair

5 %

EUR

–1 337 421,43

0,00

–1 337 421,43

NL

Uitvoerrestituties

2000

Te weinig substitutiecontroles

Forfaitair

5 %

EUR

–15 460 584,91

0,00

–15 460 584,91

NL

Uitvoerrestituties

2001

Uitvoerrestituties

Forfaitair

5 %

EUR

–9 866 616,71

0,00

–9 866 616,71

Totaal NL

 

 

 

 

EUR

–26 823 819,18

0,00

–26 823 819,18


Totaal correcties — Begrotingspost 05 07 01 07

LS

Maatregel

BJ

Reden

Type

%

Valuta

Bedrag

Reeds afgetrokken

Financiële gevolgen

FI

Financiële audit — Te late betalingen

2005

Betalingstermijn niet nageleefd

Gericht

 

EUR

–59 957,06

– 930 760,36

870 803,30

FI

Financiële audit — Overschrijdingen

2004

Overschrijding van de financiële maxima

Gericht

 

EUR

–4 383,80

–4 383,80

0,00

Totaal FI

 

 

 

 

EUR

–64 340,86

– 935 144,16

870 803,30

GB

Financiële audit — Te late betalingen

2003

Betalingstermijn niet nageleefd

Gericht

 

EUR

–18 692,31

0,00

–18 692,31

GB

Financiële audit — Te late betalingen

2004

Betalingstermijn niet nageleefd

Gericht

 

EUR

–53 718 181,34

–54 438 176,05

719 994,71

GB

Financiële audit — Overschrijdingen

2004

Overschrijding van de financiële maxima

Gericht

 

EUR

– 177 600,74

– 177 600,74

0,00

GB

Financiële audit — Overschrijdingen

2004

Overschrijding van de financiële maxima

Gericht

 

GBP

–5 043,95

–5 043,95

0,00

GB

Terugvorderingen

2003

Onjuiste indeling van de onregelmatigheden

Gericht

 

GBP

–23 387,80

0,00

–23 387,80

Totaal GB

 

 

 

 

EUR

–53 914 474,39

–54 615 776,79

701 302,40

Totaal GB

 

 

 

 

GBP

–28 431,75

–5 043,95

–23 387,80

PT

Financiële audit — Te late betalingen

2005

Betalingstermijn niet nageleefd

Gericht

 

EUR

– 400 433,43

– 521 198,20

120 764,77

PT

Financiële audit — Overschrijdingen

2003

Overschrijding van de financiële maxima

Gericht

 

EUR

–30 352,11

0,00

–30 352,11

PT

Financiële audit — Overschrijdingen

2004

Overschrijding van de financiële maxima

Gericht

 

EUR

– 139,80

– 139,80

0,00

Totaal PT

 

 

 

 

EUR

– 430 925,34

– 521 338,00

90 412,66


III Besluiten op grond van het EU-Verdrag

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG

24.4.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 106/63


BESLUIT 2007/244/GBVB VAN DE RAAD

van 23 april 2007

tot uitvoering van Gemeenschappelijk Optreden 2005/557/GBVB inzake het civiel-militaire optreden van de Europese Unie ter ondersteuning van de missie van de Afrikaanse Unie in de regio Darfur in Sudan

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien Gemeenschappelijk Optreden 2005/557/GBVB van de Raad van 18 juli 2005 inzake het civiel-militaire optreden van de Europese Unie ter ondersteuning van de missie van de Afrikaanse Unie in de regio Darfur in Sudan (1), en met name op artikel 8, lid 1, tweede alinea, in samenhang met artikel 23, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 17 oktober 2006 Besluit 2006/725/GBVB (2) tot uitvoering van Gemeenschappelijk Optreden 2005/557/GBVB inzake het civiel-militaire optreden van de Europese Unie ter ondersteuning van de missie van de Afrikaanse Unie in de regio Darfur in Sudan aangenomen. Bij dat besluit is de financiering van de civiele component verlengd tot en met 30 april 2007.

(2)

In afwachting van de overgang van de missie van de Afrikaanse Unie naar een hybride operatie van de VN en de AU heeft de Raad overeenkomstig artikel 2 van Besluit 2006/486/GBVB (3) besloten het civiel-militaire optreden van de Europese Unie ter ondersteuning van de missie van de Afrikaanse Unie in de regio Darfur in Sudan voort te zetten.

(3)

Wat de civiele component betreft, dient de Raad derhalve een besluit te nemen over de financiering van de voortzetting van het ondersteunend optreden.

(4)

Het ondersteunend optreden heeft mogelijk plaats in een verslechterende situatie die de doelstellingen van het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid, uiteengezet in artikel 11 van het Verdrag, kan schaden,

BESLUIT:

Artikel 1

1.   Het financieel referentiebedrag ter dekking van de uitgaven in verband met de uitvoering van afdeling II van Gemeenschappelijk Optreden 2005/557/GBVB van 1 mei 2007 tot en met 31 oktober 2007 bedraagt EUR 2 125 000. Dit bedrag dekt de periode van het huidige mandaat van de missie van de Afrikaanse Unie in de regio Darfur in Sudan en een daaropvolgende overgangsperiode die tot een eventuele overgang naar een hybride operatie van de VN en de AU leidt.

2.   De uit het in lid 1 genoemde bedrag gefinancierde uitgaven worden beheerd volgens de procedures en voorschriften van de Europese gemeenschap die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Europese Unie met dien verstande dat eventuele prefinancieringen evenwel niet het eigendom van de Gemeenschap blijven.

Onderdanen van derde staten mogen inschrijven bij aanbestedingen.

3.   Uitgaven komen met ingang van 1 mei 2007 in aanmerking voor financiering.

Artikel 2

De Raad beoordeelt uiterlijk op 30 juni 2007 of het ondersteunend optreden van de EU moet worden voortgezet.

Artikel 3

Dit besluit wordt van kracht op de dag waarop het wordt aangenomen.

Artikel 4

Dit besluit wordt in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.

Gedaan te Luxemburg, 23 april 2007.

Voor de Raad

De voorzitter

F.-W. STEINMEIER


(1)  PB L 188 van 20.7.2005, blz. 46.

(2)  PB L 296 van 26.10.2006, blz. 24.

(3)  Besluit 2006/486/GBVB van de Raad van 11 juli 2006 tot uitvoering van Gemeenschappelijk Optreden 2005/557/GBVB inzake het civiel-militaire optreden van de Europese Unie ter ondersteuning van de missie van de Afrikaanse Unie in de regio Darfur in Sudan (PB L 192 van 13.7.2006, blz. 30).


24.4.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 106/65


GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN 2007/245/GBVB VAN DE RAAD

van 23 april 2007

houdende wijziging van Gemeenschappelijk Optreden 2005/557/GBVB inzake het civiel-militaire optreden van de Europese Unie ter ondersteuning van de missie van de Afrikaanse Unie in de regio Darfur in Sudan met betrekking tot de opneming van een ondersteunende militaire component ter verlening van bijstand bij het opzetten van de missie van de Afrikaanse Unie in Somalië (AMISOM)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 14,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 18 juli 2005 heeft de Raad Gemeenschappelijk Optreden 2005/557/GBVB inzake het civiel-militaire optreden van de Europese Unie ter ondersteuning van de missie van de Afrikaanse Unie in de regio Darfur in Sudan (1), aangenomen.

(2)

Op 19 januari 2007 heeft de Raad voor Vrede en Veiligheid van de Afrikaanse Unie verklaard voornemens te zijn voor een periode van zes maanden een missie in Somalië in te zetten (AMISOM), die hoofdzakelijk tot doel heeft aan de eerste stabilisatiefase in Somalië bij te dragen.

(3)

Op 20 februari 2007 heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties Resolutie 1774 (2007) aangenomen waarbij de lidstaten van de Afrikaanse Unie worden gemachtigd om een missie in Somalië op te zetten voor een periode van zes maanden en waarin er bij de lidstaten van de VN op wordt aangedrongen zo nodig personeel, uitrusting en diensten ter beschikking te stellen met het oog op een geslaagde inzet van AMISOM.

(4)

Op 7 maart 2007 heeft de Afrikaanse Unie bij de Europese Unie een verzoek om deskundigheid ingediend teneinde op tijdelijke basis bijstand te verlenen aan de in het hoofdkwartier van de AU te Addis Abeba gevestigde militaire planningscel.

(5)

Op 20 maart 2007 is het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) overeengekomen positief op het verzoek van de Afrikaanse Unie te reageren en de steun voor AMISOM binnen het kader van het optreden van de Europese Unie ter ondersteuning van de missie van de Afrikaanse Unie in de regio Darfur in Sudan (AMIS) te verlenen.

(6)

Bij brief van 29 maart 2007 heeft de SG/HV de Afrikaanse Unie ervan in kennis gesteld dat de EU bereid zou zijn om op tijdelijke basis planningsdeskundigen ter beschikking te stellen en verzocht het voor AMISOM werkzame EU-personeel onder het Algemeen Verdrag betreffende voorrechten en immuniteiten van de OAE te laten vallen.

(7)

Gemeenschappelijk Optreden 2005/557/GBVB moet dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DIT GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN AANGENOMEN:

Artikel 1

Gemeenschappelijk Optreden 2005/557/GBVB wordt als volgt gewijzigd:

1)

De titel wordt vervangen door:

2)

Artikel 1 wordt vervangen door:

„Artikel 1

Hierbij stelt de EU een civiel-militair optreden in ter ondersteuning van AMIS II met een bijkomende militaire component ter ondersteuning van AMISOM, hierna het „ondersteunend optreden AMIS/AMISOM-EU” genoemd.

Doel van het ondersteunend optreden van de EU is het waarborgen van effectieve en tijdige bijstand van de EU ter ondersteuning van de versterking van AMIS II en daarnaast ter ondersteuning van het opzetten van AMISOM. De EU eerbiedigt en ondersteunt het beginsel van de eigen inbreng van Afrika en het ondersteunend optreden van de EU zal bestaan in de ondersteuning van de Afrikaanse Unie en haar politieke, militaire en politionele inspanningen om de crisis in de regio Darfur in Sudan en in Somalië op te lossen.

Het ondersteunend optreden van de EU omvat een civiele en een militaire component.”.

3)

In de artikel 3, lid 1, artikel 4, lid 1, artikel 5, lid 2, artikel 10 en artikel 11, lid 1, onder a), wordt „AMIS II” vervangen door „AMIS II en AMISOM”.

4)

In artikel 5 wordt lid 1 vervangen door:

„1.   De SG/HV neemt alle nodige maatregelen om de coördinatie te waarborgen van de EU-activiteiten ter ondersteuning van de versterking van AMIS II en van AMISOM, alsook de coördinatie tussen het secretariaat-generaal van de Raad (SGR) en de EU-Coördinatiecel in Addis Abeba (ACC). Het SGR geeft de ACC sturing en steun bij het dagelijkse beheer van de coördinatie teneinde samenhangende en tijdige steun van de EU voor AMIS II te waarborgen via politiek, militair, politioneel en ander civiel ondersteunend optreden, alsook voor het opzetten van AMISOM. Het SGR verstrekt aan de bevoegde Raadsinstanties situatieverslagen en actualiseringen alsmede beoordelingen van de steun van de EU voor AMIS II, de versterking van AMIS II en AMISOM en draagt zorg voor de coördinatie op strategisch niveau met andere donoren, met name de VN en de NAVO.”.

5)

Aan artikel 9 wordt het volgende lid toegevoegd:

„1 bis.   De militaire component ter ondersteuning van de planning van AMISOM verleent voornamelijk bijstand aan de strategische planningscel bij de planning van de missie van de Afrikaanse Unie, onder meer bij de formulering van het inzetplan voor AMISOM.”.

Artikel 2

Dit gemeenschappelijk optreden treedt in werking op de dag waarop het wordt aangenomen.

Artikel 3

Dit gemeenschappelijk optreden wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Luxemburg, 23 april 2007.

Voor de Raad

De voorzitter

F.-W. STEINMEIER


(1)  PB L 188 van 20.7.2005, blz. 46.


24.4.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 106/67


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT 2007/246/GBVB VAN DE RAAD

van 23 april 2007

tot wijziging van Gemeenschappelijk Standpunt 2007/140/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 15,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 27 februari 2007 heeft de Raad van de Europese Unie ter uitvoering van Resolutie 1737 (2006) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties („UNSCR 1737 (2006)”) Gemeenschappelijk Standpunt 2007/140/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran (1) aangenomen.

(2)

Op 24 maart 2007 heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties Resolutie 1747 (2007) („UNSCR 1747 (2007)”) aangenomen, waarbij de werkingssfeer van de bij UNSCR 1737 (2006) opgelegde beperkende maatregelen werd uitgebreid.

(3)

UNSCR 1747 (2007) verbiedt de aankoop van wapens en aanverwant materieel van Iran.

(4)

UNSCR 1747 (2007) roept voorts alle staten op waakzaamheid en terughoudendheid te betrachten bij de rechtstreekse of indirecte levering, verkoop of overdracht aan Iran van bepaalde conventionele wapens als omschreven ten behoeve van het VN-register van Conventionele Wapens, alsmede bij de verlening van technische bijstand of opleiding, financiële bijstand, investeringen, tussenhandel en andere diensten, en bij de overdracht van financiële middelen of diensten in verband met de levering, verkoop, overdracht, vervaardiging of gebruik van dergelijke artikelen, teneinde een destabiliserende accumulatie van wapens te voorkomen. Overeenkomstig deze doelstellingen van UNSCR 1747 (2007) en het beleid van de EU om geen wapens aan Iran te verkopen, acht de Raad het passend om de levering, verkoop en overdracht aan Iran van alle wapens en aanverwant materieel, alsmede van het verlenen van daarmee verband houdende bijstand, investeringen en diensten, te verbieden.

(5)

Bij UNSCR 1747 (2007) worden de sancties wat betreft financiën en reizen die bij UNSCR 1737 (2006) zijn opgelegd, uitgebreid tot nog meer personen en entiteiten die zich bezighouden met, direct betrokken zijn bij, dan wel medewerking verlenen aan, proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten van Iran of de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens.

(6)

UNSCR 1747 (2007) doet voorts een beroep op alle staten en internationale financiële instellingen om geen nieuwe verbintenissen aan te gaan voor subsidies, financiële bijstand en concessionele leningen aan de regering van Iran, behalve voor humanitaire of ontwikkelingsdoeleinden.

(7)

De Raad heeft voorts personen en entiteiten geïdentificeerd die voldoen aan de criteria van artikel 4, lid 1, onder b), en artikel 5, lid 1, onder b), van Gemeenschappelijk Standpunt 2007/140/GBVB; deze personen en entiteiten moeten daarom worden opgenomen in de lijst in bijlage II van dat gemeenschappelijk standpunt.

(8)

Gemeenschappelijk Standpunt 2007/140/GBVB moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

Voor de uitvoering van bepaalde maatregelen is een optreden van de Gemeenschap nodig,

HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT VASTGESTELD:

Artikel 1

Gemeenschappelijk Standpunt 2007/140/GBVB wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan artikel 1, lid 1, wordt het volgend punt toegevoegd:

„c)

wapens en aanverwant materieel van enigerlei aard, waaronder begrepen wapens en munitie, militaire voertuigen en uitrusting, paramilitaire uitrusting en reserveonderdelen hiervoor. Dit verbod geldt niet voor gevechtsvoertuigen die zijn gemaakt van of uitgerust met materiaal dat bescherming biedt tegen kogels en die uitsluitend bestemd zijn voor de bescherming van personeel van de EU en haar lidstaten in Iran;”

2)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 3 bis

De lidstaten gaan geen nieuwe verbintenissen aan voor subsidies, financiële bijstand en concessionele leningen aan de regering van Iran, ook niet via hun deelneming in internationale financiële instellingen, behalve voor humanitaire of ontwikkelingsdoeleinden.”.

3)

De bijlagen I en II worden vervangen door de bijlagen I en II bij onderhavig gemeenschappelijk standpunt.

Artikel 2

Dit gemeenschappelijk standpunt treedt in werking op de dag van zijn vaststelling.

Artikel 3

Dit gemeenschappelijk standpunt wordt in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.

Gedaan te Luxemburg, 23 april 2007.

Voor de Raad

De voorzitter

F.-W. STEINMEIER


(1)  PB L 61 van 28.2.2007, blz. 49.


BIJLAGE I

„A.   ENTITEITEN

(1)

Ammunition and Metallurgy Industries Group (AMIG) (alias Ammunition Industries Group). Overige informatie: de AMIG controleert de 7th of Tir, die wordt vermeld in Resolutie 1737 (2006) wegens zijn rol in het centrifugeprogramma van Iran. De AMIG op haar beurt is eigendom en valt onder zeggenschap van de Defence Industries Organisation (DIO), die wordt vermeld in Resolutie 1737 (2006).

(2)

Atomic Energy Organisation of Iran (AEOI) (Iraanse organisatie voor atoomenergie). Overige informatie: betrokken bij het nucleaire programma van Iran.

(3)

Sepah Bank en Sepah Bank International. Overige informatie: de Sepah Bank verleent steun aan de Aerospace Industries Organisation (AIO) en de ondergeschikte entiteiten daarvan, onder andere de Shahid Hemmat Industrial Group (SHIG) en de Shahid Bagheri Industrial Group (SBIG), die beide worden vermeld in Resolutie 1737 (2006).

(4)

Cruise Missile Industry Group (alias Naval Defence Missile Industry Group). Overige informatie: productie en ontwikkeling van kruisraketten. Verantwoordelijk voor raketten van de marine, onder andere kruisraketten.

(5)

Defence Industries Organisation (DIO). Overige informatie: a) overkoepelende entiteit onder controle van het MODAFL; ondergeschikte entiteiten zijn betrokken geweest bij de productie van componenten in het kader van het centrifugeprogramma en bij het rakettenprogramma; b) betrokken bij het nucleaire programma van Iran.

(6)

Esfahan Nuclear Fuel Research and Production Centre (NFRPC) en Esfahan Nuclear Technology Centre (ENTC). Overige informatie: deze centra zijn onderdelen van de Nuclear Fuel Production and Procurement Company, die onder de zeggenschap van de Iraanse organisatie voor atoomenergie (AEOI) ressorteert en betrokken is bij verrijkingsactiviteiten. De AEOI wordt vermeld in Resolutie 1737 (2006).

(7)

Fajr Industrial Group. Overige informatie: a) voorheen „Instrumentation Factory Plant” geheten; b) ondergeschikte entiteit van de AIO; c) betrokken bij het programma voor ballistische raketten van Iran.

(8)

Farayand Technique. Overige informatie: a) betrokken bij het nucleaire programma van Iran (centrifugeprogramma); b) genoemd in IAEA-rapporten.

(9)

Kala-Electric (alias Kalaye Electric). Overige informatie: a) leverancier van de PFEP — Natanz, b) betrokken bij het nucleaire programma van Iran.

(10)

Karaj Nuclear Research Centre. Overige informatie: onderdeel van de onderzoeksdivisie van het AEOI.

(11)

Kavoshyar Company. Overige informatie: Bedrijf onder zeggenschap van de AEOI, dat geprobeerd heeft glasvezels, ovens voor vacuümkamers en laboratoriumuitrusting voor het nucleaire programma van Iran te verkrijgen.

(12)

Mesbah Energy Company. Overige informatie: a) leverancier van de A40-onderzoeksreactor — Arak, b) betrokken bij het nucleaire programma van Iran.

(13)

Novin Energy Company (alias Pars Novin). Overige informatie: Het bedrijf opereert binnen de AEOI en heeft voor de AEOI fondsen overgemaakt naar entiteiten die betrokken zijn bij het nucleaire programma van Iran.

(14)

Parchin Chemical Industries. Overige informatie: dochteronderneming van de DIO, die munitie, explosieven en vaste brandstoffen voor raketwapens en raketten levert.

(15)

Pars Aviation Services Company. Overige informatie: deze onderneming verzorgt het onderhoud van verschillende vliegtuigen, waaronder de MI-171 die wordt gebruikt door de luchtmacht van de Iraanse Revolutionaire Garde (IRGC).

(16)

Pars Trash Company. Overige informatie: a) betrokken bij het nucleaire programma van Iran (centrifugeprogramma), b) genoemd in IAEA-rapporten.

(17)

Qods Aeronautics Industries. Overige informatie: Dit bedrijf produceert onbemande vliegtuigen (unmanned aerial vehicles (UAV)), parachutes, paragliders, paramotors, enz. De IRGC laat zich erop voorstaan deze producten te gebruiken als onderdeel van haar doctrine van de asymmetrische oorlogsvoering.

(18)

Fajr Industrial Group. Overige informatie: ondergeschikt entiteit van de AIO, heeft voor de AIO uitrusting aangekocht voor het raketprogramma.

(19)

7th of Tir. Overige informatie: a) ondergeschikte entiteit van DIO, waarvan algemeen wordt aangenomen dat het rechtstreeks betrokken is bij het nucleaire programma van Iran; b) betrokken bij het nucleaire programma van Iran.

(20)

Shahid Bagheri Industrial Group (SBIG). Overige informatie: a) ondergeschikte entiteit van de AIO, b) betrokken bij het programma voor ballistische raketten van Iran.

(21)

Shahid Hemmat Industrial Group (SHIG). Overige informatie: a) ondergeschikte entiteit van AIO, b) betrokken bij het programma voor ballistische raketten van Iran.

(22)

Sho'a' Aviation. Overige informatie: produceert microlight vliegtuigen die de IRGC naar eigen zeggen gebruikt als onderdeel van haar doctrine van asymmetrische oorlogsvoering.

(23)

Ya Mahdi Industries Group. Overige informatie: ondergeschikte entiteit van de AIO, betrokken bij de internationale aankoop van uitrusting voor raketten.

B.   NATUURLIJKE PERSONEN

(1)

Fereidoun Abbasi-Davani. Overige informatie: Hoofdwetenschapper van het ministerie van Defensie en Logistiek van de Strijdkrachten (MODAFL), met banden met het Instituut voor toegepaste wetenschappen, en nauw samenwerkend met Mohsen Fakhrizadeh-Mahabadi.

(2)

Dawood Agha-Jani. Functie: hoofd PFEP (Natanz). Overige informatie: betrokken bij het nucleaire programma van Iran.

(3)

Ali Akbar Ahmadian. Titel: viceadmiraal. Functie: hoofd van de gezamenlijke staf van de Iraanse revolutionaire garde (IRGC).

(4)

Behman Asgarpour. Functie: operationeel directeur (Arak). Overige informatie: betrokken bij het nucleaire programma van Iran.

(5)

Bahmanyar Morteza Bahmanyar. Functie: hoofd van het departement financiën en begroting, AIO. Overige informatie: betrokken bij het programma voor ballistische raketten van Iran.

(6)

Ahmad Vahid Dastjerdi. Functie: hoofd van de AIO. Overige informatie: betrokken bij het programma voor ballistische raketten van Iran.

(7)

Ahmad Derakhshandeh. Functie: voorzitter en directeur van de Sepah Bank. Overige informatie: de Sepah Bank verleent steun aan de AIO en de ondergeschikte entiteiten daarvan, onder andere de SHIG en de SBIG, die beide worden vermeld in Resolutie 1737 (2006).

(8)

Reza-Gholi Esmaeli. Functie: hoofd van het departement handel en internationale aangelegenheden, AIO. Overige informatie: betrokken bij het programma voor ballistische raketten van Iran.

(9)

Mohsen Fakhrizadeh-Mahabadi. Overige informatie: hoofdwetenschapper van het MODAFL en voormalig hoofd van het Centrum voor natuurkundig onderzoek (PHRC). Het IAEA heeft verzocht hem te mogen ondervragen over de activiteiten van het PHRC tijdens de periode waarin hij hoofd van het centrum was, hetgeen Iran geweigerd heeft.

(10)

Mohammad Hejazi. Titel: brigadegeneraal Functie: commandant van de Bassij weermacht.

(11)

Mohsen Hojati. Functie: hoofd van de Fajr Industrial Group. Overige informatie: de Fajr Industrial Group wordt vermeld in Resolutie 1737 (2006) wegens haar rol in het programma voor ballistische raketten.

(12)

Mehrdada Akhlaghi Ketabachi. Functie: hoofd van de SBIG. Overige informatie: de SBIG wordt vermeld in Resolutie 1737 (2006) wegens haar rol in het programma voor ballistische raketten.

(13)

Ali Hajinia Leilabadi. Functie: algemeen directeur Mesbah Energy Company. Overige informatie: betrokken bij het nucleaire programma van Iran.

(14)

Naser Maleki. Functie: hoofd van de SHIG. Overige informatie: de SHIG wordt vermeld in Resolutie 1737 (2006) wegens haar rol in het programma voor ballistische raketten. Naser Maleki is voorts een functionaris van het MODAFL die toezicht houdt op de werkzaamheden in verband met het programma voor de ballistische raket Shahab-3. De Shahab-3 is de huidige ballistische raket voor de lange afstand van Iran.

(15)

Jafar Mohammadi. Functie: technisch adviseur AEOI (beheert de productie van kleppen voor centrifuges). Overige informatie: betrokken bij het nucleaire programma van Iran.

(16)

Ehsan Monajemi. Functie: directeur bouwprojecten, Natanz. Overige informatie: betrokken bij het nucleaire programma van Iran.

(17)

Mohammad Mehdi Nejad Nouri. Titel: Luitenant-generaal. Functie: rector van de Malek Ashtar universiteit voor defensietechnologie. Overige informatie: het departement scheikunde van de Ashtar universiteit voor defensietechnologie is verbonden aan het MODAFL en heeft experimenten met beryllium uitgevoerd. Hij is betrokken bij het nucleaire programma van Iran.

(18)

Mohammad Qannadi. Functie: vicepresident onderzoek en ontwikkeling AEIO. Overige informatie: betrokken bij het nucleaire programma van Iran.

(19)

Amir Rahimi. Functie: hoofd van het Esfahan Nuclear Fuel Research and Production Center. Overige informatie: het centrum is onderdeel van de Nuclear Fuel Production and Procurement Company (van de AEOI), die op haar beurt betrokken is bij verrijkingsactiviteiten.

(20)

Morteza Rezaie. Titel: brigadegeneraal. Functie: plaatsvervangend bevelhebber van de IRGC.

(21)

Morteza Safari. Titel: viceadmiraal. Functie: bevelhebber van de marine van de IRGC.

(22)

Yahya Rahim Safavi. Titel: Generaal-majoor. Functie: bevelhebber, IRGC (Pasdaran). Overige informatie: betrokken bij het nucleaire programma en het programma voor ballistische raketten van Iran.

(23)

Seyed Jaber Safdari. Overige informatie: directeur van de verrijkingsinstallaties in Natanz.

(24)

Hosein Salimi. Titel: generaal. Functie: bevelhebber van de luchtmacht, IRGC (Pasdaran). Overige informatie: betrokken bij het programma voor ballistische raketten van Iran.

(25)

Qasem Soleimani. Titel: brigadegeneraal. Functie: bevelhebber van de Qods strijdkrachten.

(26)

Mohammad Reza Zahedi. Titel: brigadegeneraal. Functie: bevelhebber van de landmacht van de IRGC.

(27)

Generaal Zolqadr. Functie: onderminister van Binnenlandse Zaken, belast met veiligheid, officier van de IRGC.”


BIJLAGE II

„A.   Natuurlijke personen

 

Naam

Informatie ter identificatie

Motivering

1.

Reza AGHAZADEH

Geboren: 15/3/1949 Paspoortnummer: S4409483 geldig 26/4/2000 — 27/4/2010 Plaats van afgifte: Teheran Geboren te Khoy

Directeur Atomic Energy Organisation of Iran (AEOI). AEOI superviseert Irans kernprogramma en wordt vermeld in UNSCR 1737 (2006).

2.

Amir Moayyed ALAI

 

Betrokken bij beheer van assemblage en engineering van centrifuges. Iran moet op last van Raad van Beheer IAEA en Veiligheidsraad alle met verrijking verband houden activiteiten opschorten, incl., dus ook alle centrifugegerelateerde werkzaamheden. Op 27 augustus 2006 heeft Alai een speciale onderscheiding gekregen van President Ahmadinejad voor zijn rol bij het beheer van de assemblage en engineering van centrifuges.

3.

Mohammed Fedai ASHIANI

 

Betrokken bij productie van ammoniumuranylcarbonaat (AUC) en beheer van verrijkingscomplex van Natanz. Iran moet alle verrijkingsgerelateerde activiteiten opschorten. Op 27 augustus 2006 heeft Ashiani een speciale onderscheiding gekregen van President Ahmadinejad voor zijn rol bij het AUC-productieproces en bij het beheer en het engineeringdesign van het Natanz-complex (Kashan).

4.

Haleh BAKHTIAR

 

Betrokken bij productie van 99,9 % geconcentreerd magnesium. Op 27 augustus 2006 heeft Bakhtiar een speciale onderscheiding gekregen van President Ahmadinejad voor haar rol bij de productie van 99,9 % geconcentreerd magnesium. Magnesium van een dergelijke zuiverheid wordt gebruikt voor de productie van uraniummetaal, dat kan worden gegoten in materiaal voor een kernwapen. Iran heeft de IAEA de toegang geweigerd tot een document over de productie van hemisferen van uraniummetaal, die alleen van toepassing is op het gebruik van kernwapens.

5.

Morteza BEHZAD

 

Betrokken bij het maken van centrifugecomponenten. Iran moet alle verrijkingsgerelateerde activiteiten opschorten, ook i.v.m. centrifuges. Op 27 augustus 2006 heeft Behzad een speciale onderscheiding gekregen van President Ahmadinejad voor zijn rol bij het maken van complexe, gevoelige centrifugecomponenten.

6.

Dr. Hoseyn (Hossein) FAQIHIAN

Adres van NFPC: AEOI-NFPD, P.O.Box: 11365-8486, Teheran/Iran

Plaatsvervangend Directeur-Generaal Nuclear Fuel Production and Procurement Company (NFPC), onderdeel van AEOI. AEOI superviseert Irans kernprogramma en wordt vermeld in UNSCR 1737 (2006). NFPC is betrokken bij verrijkingsgerelateerde activiteiten die Iran op last van Raad van Beheer IAEA en Veiligheidsraad moet opschorten.

7.

Seyyed Hussein (Hossein) HUSSEINI (HOSSEINI)

 

AEOI-official betrokken bij project van zwaarwateronderzoeksreactor (IR40) in Arak. UNSCR 1737 (2006) gelast Iran alle met zwaarwater verband houdende werkzaamheden op te schorten.

8.

M. Javad KARIMI SABET

 

Voorzitter Novin Energy Company. In augustus 2006 heeft Karimi Sabet een onderscheiding gekregen van President Ahmadinejad voor zijn rol bij het ontwerp, de bouw, de installatie en inwerkingstelling van de nucleaire faciliteiten van Natanz.

9.

Said Esmail KHALILIPOUR

 

Plaatsvervangend Directeur AEOI. AEOI superviseert Irans kernprogramma en wordt vermeld in UNSCR 1737 (2006).

10.

Ali Reza KHANCHI

Adres van NRC: AEOI-NRC P.O.Box: 11365-8486 Teheran/Iran; Fax: (+9821) 8021412

Directeur Teheran Nuclear Research Center van AEOI. IAEA wil opheldering van Iran over plutoniumscheidingsexperimenten in TNRC, incl. over de aanwezigheid van deeltjes hoogverrijkt uranium in het milieu, aangetroffen in monsters genomen op de Karaj Waste Storage Facility, waar zich containers bevinden met verarmde uraniumdoelen die gebruikt zijn bij dergelijke experimenten. AEOI superviseert Irans kernprogramma en wordt vermeld in UNSCR 1737 (2006).

11.

Hamid-Reza MOHAJERANI

 

Betrokken bij productiebeheer van Uranium Conversion Facility (UCF) van Isfahan. Op 27 augustus 2006 heeft Mohajerani een speciale onderscheiding gekregen van President Ahmadinejad voor zijn rol bij het beheer bij UCF en de planning, de bouw en de installatie van de UF-6-eenheid (UF6 is het uitgangsmateriaal voor verrijking).

12.

Houshang NOBARI

 

Betrokken bij beheer van verrijkingscomplex van Natanz. Iran moet alle verrijkingsgerelateerde activiteiten op last van Raad van Beheer IAEA en Veiligheidsraad opschorten. Op 27 augustus 2006 heeft Nobari een speciale onderscheiding gekregen van President Ahmadinejad voor zijn rol bij het succesvol beheer en de uitvoering van het Natanz-complex (Kashan).

13.

Dr Javad RAHIQI

 

Directeur Nuclear Technology Centre van AEOI in Isfahan; dit superviseert de uraniumconversiefaciliteit van Isfahan. Iran moet alle verrijkingsgerelateerde activiteiten op last van Raad van Beheer IAEA en Veiligheidsraad opschorten, incl. uraniumconversiewerkzaamheden. AEOI superviseert Irans kernprogramma en wordt vermeld in UNSCR 1737 (2006).

14.

Abbas RASHIDI

 

Betrokken bij verrijkingsactiviteiten in Natanz. Iran moet alle verrijkingsgerelateerde activiteiten op last van Raad van Beheer IAEA en Veiligheidsraad opschorten. Op 27 augustus 2006 heeft Rashidi een speciale onderscheiding gekregen van President Ahmadinejad voor zijn rol bij het beheer en met name de succesvolle werking van de uit 164 centrifuges bestaande verrijkingscascade in Natanz.

15.

Abdollah SOLAT SANA

 

Directeur management Uranium Conversion Facility (UCF) in Isfahan; faciliteit die uitgangsmateriaal (UF6) voor verrijking in Natanz produceert. Op 27 augustus 2006 kreeg Solat Sana een speciale onderscheiding van President Ahmadinejad voor zijn rol.


B.   Rechtspersonen, entiteiten en lichamen

 

Naam

Informatie ter identificatie

Motivering

1.

Aerospace Industries Organisation, AIO

AIO, 28 Shian 5, Lavizan, Teheran

AIO superviseert Iraanse productie van raketten, incl. Shahid Hemmat Industrial Group, Shahid Bagheri Industrial Group en Fajr Industrial Group, alle drie vermeld in UNSCR 1737 (2006). Directeur van AIO en twee andere hoge functionarissen worden ook vermeld in UNSCR 1737 (2006)

2.

Armament Industries

Pasdaran Av., PO Box 19585/ 777, Teheran

Filiaal van DIO (Defence Industries Organization).

3.

Defence Technology and Science Research Centre (DTSRC) — ook bekend als Educational Research Institute/Moassese Amozeh Va Tahgiaghati (ERI/MAVT Co.)

Pasdaran Av., PO Box 19585/ 777, Teheran

Belast met O&O. Filiaal van DIO. DTSRC doet groot deel van aankopen voor DIO.

4.

Jaber Ibn Hayan

AEOI-JIHRD P.O.Box: 11365-8486; Teheran; 84, 20th Av. Entehaye Karegar Shomali Street; Teheran

Jaber Ibn Hayan is laboratorium van AEOI (Atomic Energy Organisation of Iran), betrokken bij activiteiten i.v.m. de brandstofcyclus. Bevindt zich in het nucleair onderzoekscentrum van Teheran (TNRC); vóór 2003 niet opgegeven door Iran uit hoofde van zijn garantieovereenkomst hoewel er conversie-activiteiten plaatsvonden.

5.

Marine Industries

Pasdaran Av., PO Box 19585/ 777, Teheran

Filiaal van DIO.

6.

Nuclear Fuel Production and Procurement Company (NFPC)

AEOI-NFPD, P.O.Box: 11365-8486, Teheran/Iran

Nuclear Fuel Production Division (NFPD) van AEOI doet onderzoek en ontwikkeling i.v.m. de nucleaire brandstofcyclus, incl. uraniumexploratie, winning, fijnmalen, conversie en kernafvalbeheer. NFPC is opvolger van NFPD, dochtervennootschap onder AEOI die leiding heeft bij onderzoek en ontwikkeling i.v.m. nucleaire brandstofcyclus, waaronder conversie en verrijking.

7.

Special Industries Group

Pasdaran Av., PO Box 19585/ 777, Teheran

Filiaal van DIO.

8.

TAMAS Company

 

TAMAS is betrokken bij activiteiten op het vlak van verrijking, die Iran op last van Raad van Beheer IAEA en Veiligheidsraad moet opschorten. TAMAS is overkoepelend orgaan waaronder vier dochtermaatschappijen ressorteren, incl. één voor uraniumwinning t/m -concentratie en een ander voor uraniumverwerking, verrijking en -afval. ”