ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 84

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

50e jaargang
24 maart 2007


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EG) nr. 315/2007 van de Raad van 19 maart 2007 houdende overgangsmaatregelen in afwijking van Verordening (EG) nr. 2597/97 met betrekking tot in Estland vervaardigde consumptiemelk

1

 

 

Verordening (EG) nr. 316/2007 van de Commissie van 23 maart 2007 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

2

 

*

Verordening (EG) nr. 317/2007 van de Commissie van 23 maart 2007 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 936/97 betreffende de opening en de wijze van beheer van tariefcontingenten voor vers, gekoeld of bevroren rundvlees van hoge kwaliteit en voor bevroren buffelvlees

4

 

*

Verordening (EG) nr. 318/2007 van de Commissie van 23 maart 2007 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer van bepaalde vogels in de Gemeenschap en de desbetreffende quarantainevoorschriften ( 1 )

7

 

*

Verordening (EG) nr. 319/2007 van de Commissie van 22 maart 2007 tot vaststelling van een verbod op de visserij op Noordse garnaal in NAFO-gebied 3L door vaartuigen die de vlag van Polen voeren

30

 

*

Verordening (EG) nr. 320/2007 van de Commissie van 22 maart 2007 tot vaststelling van een verbod op de visserij op blauwe wijting in EG-wateren en internationale wateren van de ICES-zones I, II, III, IV, V, VI, VII, VIII a, b, d, e, XII en XIV door vaartuigen die de vlag van Ierland voeren

32

 

*

Verordening (EG) nr. 321/2007 van de Commissie van 23 maart 2007 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 396/92 houdende indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

34

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Raad

 

 

2007/180/EG

 

*

Besluit van de Raad van 19 maart 2007 houdende benoeming van een Italiaans lid en van twee Italiaanse plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s

35

 

 

2007/181/EG

 

*

Besluit van de Raad van 19 maart 2007 houdende benoeming van een Nederlandse plaatsvervanger van het Comité van de Regio’s

36

 

 

Commissie

 

 

2007/182/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 19 maart 2007 betreffende een onderzoek naar Chronic Wasting Disease bij hertachtigen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 860)  ( 1 )

37

 

 

2007/183/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 23 maart 2007 tot wijziging van Beschikking 2005/760/EG tot vaststelling van bepaalde beschermende maatregelen voor de invoer van in gevangenschap gehouden vogels in verband met hoogpathogene aviaire influenza in bepaalde derde landen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 1259)  ( 1 )

44

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

24.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 84/1


VERORDENING (EG) Nr. 315/2007 VAN DE RAAD

van 19 maart 2007

houdende overgangsmaatregelen in afwijking van Verordening (EG) nr. 2597/97 met betrekking tot in Estland vervaardigde consumptiemelk

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In afwijking van Verordening (EG) nr. 2597/97 van de Raad van 18 december 1997 houdende aanvullende voorschriften voor de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten met betrekking tot consumptiemelk (1), is bij Verordening (EG) nr. 749/2004 van de Commissie van 22 april 2004 houdende vaststelling van overgangsmaatregelen met betrekking tot in Estland vervaardigde consumptiemelk (2) bepaald dat in Estland geproduceerde consumptiemelk met een vetgehalte van 2,5 % in Estland mag worden geleverd en verkocht. Deze afwijking loopt af op 30 april 2007.

(2)

In het licht van de gewoonten van de consumenten in Estland en van de moeilijkheden die verbonden zijn aan de aanpassing van de communautaire regelgeving, en ermee rekening houdend dat soortgelijke afwijkingen in verschillende andere lidstaten aflopen op 30 april 2009, is het passend de looptijd van de afwijking op grond waarvan in Estland geproduceerde consumptiemelk met een vetgehalte van 2,5 % in Estland mag worden geleverd en verkocht, te verlengen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In afwijking van artikel 3, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 2597/97, mag in Estland geproduceerde consumptiemelk met een vetgehalte van 2,5 % in Estland worden geleverd en verkocht overeenkomstig artikel 2, lid 1, van die verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing tot en met 30 april 2009.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 maart 2007.

Voor de Raad

De voorzitter

Horst SEEHOFER


(1)  PB L 351 van 23.12.1997, blz. 13. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1602/1999 (PB L 189 van 22.7.1999, blz. 43).

(2)  PB L 118 van 23.4.2004, blz. 5.


24.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 84/2


VERORDENING (EG) Nr. 316/2007 VAN DE COMMISSIE

van 23 maart 2007

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 24 maart 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 maart 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 386/2005 (PB L 62 van 9.3.2005, blz. 3).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 23 maart 2007 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

180,4

MA

96,0

TN

143,7

TR

117,9

ZZ

134,5

0707 00 05

JO

171,8

TR

126,0

ZZ

148,9

0709 90 70

MA

63,5

TR

117,1

ZZ

90,3

0805 10 20

CU

47,3

EG

47,2

IL

56,3

MA

51,3

TN

52,1

TR

63,2

ZZ

52,9

0805 50 10

EG

58,7

IL

62,3

TR

52,4

ZZ

57,8

0808 10 80

AR

81,1

BR

78,6

CL

82,1

CN

72,7

US

114,1

UY

60,8

ZA

106,4

ZZ

85,1

0808 20 50

AR

70,7

CL

92,7

CN

73,6

UY

70,9

ZA

75,0

ZZ

76,6


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „andere oorsprong”.


24.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 84/4


VERORDENING (EG) Nr. 317/2007 VAN DE COMMISSIE

van 23 maart 2007

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 936/97 betreffende de opening en de wijze van beheer van tariefcontingenten voor vers, gekoeld of bevroren rundvlees van hoge kwaliteit en voor bevroren buffelvlees

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (1), en met name op artikel 32, lid 1, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 936/97 van de Commissie (2) heeft betrekking op de opening en de wijze van beheer van een aantal meerjarige tariefcontingenten voor de invoer van rundvlees van hoge kwaliteit.

(2)

Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (3) is van toepassing op invoercertificaten voor invoertariefcontingentperioden die op of na 1 januari 2007 beginnen. Bij Verordening (EG) nr. 1301/2006 zijn met name uitvoeringsbepalingen vastgesteld inzake de invoercertificaataanvragen, de status van de aanvragers en het afgeven van certificaten. Bij die verordening is de geldigheid van certificaten beperkt tot en met de laatste dag van de invoertariefcontingentperiode. De bepalingen van Verordening (EG) nr. 1301/2006 moeten met ingang van 1 juli 2007 gelden voor op grond van Verordening (EG) nr. 936/97 afgegeven invoercertificaten, onverminderd de in die verordening vastgestelde aanvullende voorschriften. In voorkomend geval moeten de bepalingen van Verordening (EG) nr. 936/97 worden aangepast aan Verordening (EG) nr. 1301/2006.

(3)

Krachtens artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 936/97 moeten de lidstaten de Commissie op de tweede werkdag na afloop van de termijn voor de indiening van de aanvragen in kennis stellen van de totale hoeveelheden waarvoor aanvragen zijn ingediend. In artikel 5, lid 4, van die verordening is bepaald dat, voor zover de Commissie de aanvragen aanvaardt, de certificaten de elfde dag van iedere maand worden afgegeven. Om praktische redenen moet worden voorzien in de afgifte van de certificaten op de 15e dag van elke maand. Gezien de officiële vakantiedagen in 2007 moet deze wijziging met ingang van april 2007 van toepassing worden.

(4)

Een aantal bepalingen van Verordening (EG) nr. 936/97 betreffende reeds verstreken invoertariefcontingentperioden heeft niet langer zin. Omwille van de duidelijkheid moeten deze bepalingen worden geschrapt.

(5)

Bovendien is in artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1445/95 van de Commissie van 26 juni 1995 houdende uitvoeringsbepalingen voor de invoer- en uitvoercertificatenregeling in de sector rundvlees en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/80 (4) bepaald dat, behoudens andersluidende bijzondere bepalingen, de invoercertificaten worden aangevraagd voor producten van eenzelfde onderverdeling van de gecombineerde nomenclatuur of van eenzelfde groep onderverdelingen van de gecombineerde nomenclatuur, die na een streepje in bijlage I bij die verordening is vermeld. Met het oog op de reeks producten die op grond van Verordening (EG) nr. 936/97 mag worden ingevoerd, moet het aanvragers worden toegestaan één aanvraag voor hetzelfde contingentsvolgnummer te verdelen per GN-code of groep GN-codes.

(6)

Verordening (EG) nr. 936/97 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor rundvlees,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 936/97 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   Voor perioden gaande van 1 juli van een jaar tot en met 30 juni van het daaropvolgende jaar, hierna „invoertariefcontingentperioden” genoemd, worden jaarlijks de volgende tariefcontingenten geopend:

60 250 ton rundvlees van hoge kwaliteit, vers, gekoeld of bevroren, van de GN-codes 0201 en 0202, alsmede de producten van de GN-codes 0206 10 95 en 0206 29 91. Dit contingent heeft volgnummer 09.4002;

2 250 ton bevroren buffelvlees zonder been van GN-code 0202 30 90, uitgedrukt in vlees zonder been. Dit contingent heeft volgnummer 09.4001.

Voor de afboeking op de in alinea 1 bedoelde contingenten komt 100 kg vlees met been overeen met 77 kg vlees zonder been.”.

2)

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

onder b) wordt de vijfde alinea geschrapt;

b)

onder e) wordt de derde alinea geschrapt.

3)

Artikel 3, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De invoertariefcontingentperiode voor de invoer van de in artikel 2, onder f), bedoelde hoeveelheid wordt opgesplitst in twaalf subperioden van elk één maand. De hoeveelheid die per subperiode beschikbaar is, bedraagt één twaalfde van de totale hoeveelheid.”.

4)

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de punten a) en b) worden geschrapt;

b)

punt c) wordt vervangen door:

„c)

moet in vak 8 van de certificaataanvraag en het certificaat het land van oorsprong worden vermeld en moet de vermelding „ja” worden aangekruist. Het certificaat brengt de verplichting met zich om uit het aangegeven land te importeren;”.

5)

Artikel 5 wordt vervangen door:

„Artikel 5

1.   De in artikel 4 bedoelde certificaataanvragen moeten in de eerste vijf dagen van elke maand van elke invoertariefcontingentperiode worden ingediend.

In afwijking van artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1445/95 mogen aanvragen voor eenzelfde contingentsvolgnummer betrekking hebben op één of meer producten van de GN-codes of groepen GN-codes die in bijlage I bij die verordening zijn opgenomen. Wanneer aanvragen betrekking hebben op verschillende GN-codes, moeten de respectieve aangevraagde hoeveelheden per GN-code of groep GN-codes worden gespecificeerd. In ieder geval moeten in vak 16 van de certificaataanvraag en het certificaat alle GN-codes en in vak 15 ervan de desbetreffende omschrijving worden vermeld.

2.   De lidstaten delen de Commissie uiterlijk op de tweede werkdag na de termijn voor de indiening van de aanvragen, om 16.00 uur (plaatselijke tijd Brussel), de totale, naar land van oorsprong uitgesplitste hoeveelheden mee waarvoor aanvragen zijn ingediend.

3.   De invoercertificaten worden op de 15e dag van elke maand afgegeven.

Op ieder afgegeven certificaat wordt per GN-code of groep GN-codes de betrokken hoeveelheid aangegeven.”.

6)

Artikel 8, lid 2, onder a), wordt vervangen door:

„a)

Het origineel en een kopie van het overeenkomstig de artikelen 6 en 7 opgestelde echtheidscertificaat worden samen met de aanvraag voor het eerste invoercertificaat dat betrekking heeft op dit echtheidscertificaat, aan de bevoegde instantie overgelegd.”.

7)

Artikel 9 wordt vervangen door:

„Artikel 9

Echtheidscertificaten en invoercertificaten zijn drie maanden geldig vanaf de respectieve datum van afgifte. De geldigheidsduur van de echtheidscertificaten loopt echter af op 30 juni volgend op de datum van afgifte.”.

8)

Artikel 10 wordt vervangen door:

„Artikel 10

Tenzij in de onderhavige verordening anders is bepaald, gelden voor de in artikel 2, onder f), van de onderhavige verordening aangegeven hoeveelheden de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1445/95, Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie (5) en Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie (6).

Tenzij in de onderhavige verordening anders is bepaald, gelden voor de in artikel 1, lid 1, tweede streepje en de in artikel 2, onder a), b), c), d), e) en g), van de onderhavige verordening aangegeven hoeveelheden de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1445/95, Verordening (EG) nr. 1291/2000 en hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 1301/2006.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2007. Artikel 5, lid 3, van Verordening (EG) nr. 936/97, zoals gewijzigd bij de onderhavige verordening, is evenwel van toepassing met ingang van 1 april 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 maart 2007.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 21. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1913/2005 (PB L 307 van 25.11.2005, blz. 2).

(2)  PB L 137 van 28.5.1997, blz. 10. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1965/2006 (PB L 408 van 30.12.2006, blz. 26).

(3)  PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13.

(4)  PB L 143 van 27.6.1995, blz. 35. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1965/2006.

(5)  PB L 152 van 24.6.2000, blz. 1.

(6)  PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13.”.


24.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 84/7


VERORDENING (EG) Nr. 318/2007 VAN DE COMMISSIE

van 23 maart 2007

tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer van bepaalde vogels in de Gemeenschap en de desbetreffende quarantainevoorschriften

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 91/496/EEG van de Raad van 15 juli 1991 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht en tot wijziging van de Richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG en 90/675/EEG (1), en met name op artikel 10, lid 3, tweede alinea, en lid 4, eerste alinea,

Gelet op Richtlijn 92/65/EEG van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma, eicellen en embryo’s waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van Richtlijn 90/425/EEG geldt (2), en met name op artikel 17, lid 2, onder b), en lid 3, en artikel 18, lid 1, eerste en vierde streepje,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Beschikking 2000/666/EG van de Commissie van 16 oktober 2000 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften en de voorschriften inzake veterinaire certificering voor de invoer van vogels, met uitzondering van pluimvee, alsmede van quarantainevoorschriften (3) worden de veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer van bepaalde vogels, met uitzondering van pluimvee, als nader gespecificeerd in die beschikking, en de quarantainevoorschriften voor dergelijke vogels vastgesteld.

(2)

Ingevolge de uitbraken van de Aziatische variant van hoogpathogene aviaire influenza in Zuidoost-Azië in 2004 heeft de Commissie verscheidene beschikkingen vastgesteld waarbij onder meer de invoer van vogels, met uitzondering van pluimvee, uit getroffen derde landen wordt verboden.

(3)

Ingevolge de verspreiding van de Aziatische variant van aviaire influenza door trekvogels naar Europa en het in een quarantainevoorziening in het Verenigd Koninkrijk ontdekte geval van de Aziatische variant van aviaire influenza is Beschikking 2005/760/EG van de Commissie van 27 oktober 2005 tot vaststelling van bepaalde beschermende maatregelen voor de invoer van in gevangenschap gehouden vogels in verband met hoogpathogene aviaire influenza in bepaalde derde landen (4) vastgesteld. Bij die beschikking wordt de invoer van vogels, met uitzondering van pluimvee, uit alle derde landen opgeschort wegens de risico’s die worden veroorzaakt door in het wild levende vogels die door de ziekte zijn aangetast.

(4)

Om een inventaris op te maken van de door de invoer van in gevangenschap levende vogels veroorzaakte risico’s heeft de Commissie de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) op 13 april 2005 verzocht een wetenschappelijk advies uit te brengen over de risico’s die worden veroorzaakt door de invoer van in het wild gevangen vogels en in gevangenschap gefokte vogels uit derde landen.

(5)

Ingevolge dat verzoek heeft het panel voor diergezondheid en dierenwelzijn van de EFSA tijdens zijn vergadering van 26 en 27 oktober 2006 een wetenschappelijk advies uitgebracht over de risico’s voor de gezondheid en het welzijn van dieren in verband met de invoer van in het wild levende vogels, met uitzondering van pluimvee, in de Gemeenschap. In dat wetenschappelijk advies worden de mogelijke instrumenten en opties aangegeven die de eventueel vastgestelde risico’s voor de diergezondheid in verband met de invoer van vogels, met uitzondering van pluimvee, kunnen beperken.

(6)

Rekening houdend met de conclusies en aanbevelingen van het wetenschappelijk advies van de EFSA moeten de voorschriften van Beschikking 2000/666/EG worden herzien.

(7)

In het wetenschappelijk advies van de EFSA wordt er met name op gewezen dat de gegevens over de invoer van dergelijke vogels schaars zijn. De verzameling van verdere gegevens over deze invoer moet daarom worden overwogen.

(8)

Een van de aanbevelingen van het wetenschappelijk advies van de EFSA heeft betrekking op de controles die worden uitgevoerd in de derde landen die vogels, met uitzondering van pluimvee, naar de Gemeenschap uitvoeren. Verbeteringen op de plaats van uitvoer zullen het meeste effect sorteren wat betreft de vermindering van de waarschijnlijkheid dat besmette dieren voor invoer in de Gemeenschap worden aangeboden. Daarom moeten de invoervoorschriften in deze verordening zodanig worden vastgesteld dat alleen invoer wordt toegestaan uit derde landen die dergelijke vogels naar de Gemeenschap mogen uitvoeren.

(9)

Een andere aanbeveling van de EFSA betreft de invoer van in het wild gevangen vogels. In het wetenschappelijk advies wordt het risico aangegeven dat wordt veroorzaakt door vogels die kunnen zijn besmet door de laterale verspreiding van de ziekte door andere in het wild levende besmette vogels uit het verontreinigde milieu of door het overbrengen van de ziekte door besmet pluimvee. Rekening houdend met de rol die in het wild levende trekvogels bij de verspreiding van aviaire influenza uit Azië naar Europa in 2005 en 2006 hebben gespeeld, is het dienstig om de invoer van vogels, met uitzondering van pluimvee, te beperken tot in gevangenschap gefokte vogels.

(10)

Het is zelden mogelijk met zekerheid een onderscheid te maken tussen in het wild gevangen vogels en in gevangenschap gefokte vogels. Er kunnen voor beide soorten vogels merkmethoden worden toegepast zonder dat het mogelijk is om beide van elkaar te onderscheiden. Het is daarom dienstig de invoer van vogels, met uitzondering van pluimvee, te beperken tot vermeerderingsbedrijven die door de bevoegde autoriteit van het derde land van uitvoer zijn erkend, en om bepaalde minimumvoorschriften voor een dergelijke erkenning vast te stellen.

(11)

Voor de invoer van bepaalde vogels geldt een andere communautaire wetgeving. Daarom moeten deze van het toepassingsgebied van deze verordening worden uitgesloten.

(12)

Het risico voor de diergezondheid van wedstrijdduiven die de Gemeenschap worden binnengebracht om er opnieuw te worden losgelaten zodat zij kunnen terugvliegen naar hun plaats van herkomst, is van dien aard dat zij van het toepassingsgebied van deze verordening moeten worden uitgesloten.

(13)

Bovendien hebben bepaalde derde landen veterinairrechtelijke voorschriften die gelijkwaardig zijn aan die van de communautaire wetgeving. Daarom moet de invoer van vogels uit die landen van het toepassingsgebied van deze verordening worden uitgesloten.

(14)

De lidstaten moeten de Commissie bepaalde informatie over erkende quarantainevoorzieningen en -stations verstrekken, zodat de Commissie een lijst van erkende quarantainevoorzieningen en -stations kan publiceren en die lijst kan bijwerken. Het is dienstig dat die lijst in een bijlage bij deze verordening wordt opgenomen.

(15)

Het is dienstig dat verdere invoerprocedures worden vastgesteld voor het overbrengen van de vogels van de grensinspectiepost naar de erkende quarantainevoorzieningen en -stations bij binnenkomst in de Gemeenschap om ervoor te zorgen dat de ingevoerde vogels binnen redelijke tijd aankomen in de aangewezen erkende quarantainevoorziening of het aangewezen erkende quarantainestation.

(16)

Richtlijn 2005/94/EG van de Raad van 20 december 2005 betreffende communautaire maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza en tot intrekking van Richtlijn 92/40/EEG (5) is vastgesteld om rekening te houden met de ervaring die de laatste jaren met de bestrijding van aviaire influenza is opgedaan. Op grond van die richtlijn is Beschikking 2006/437/EG van de Commissie van 4 augustus 2006 tot goedkeuring van een diagnosehandboek voor aviaire influenza overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG van de Raad (6) („het diagnosehandboek”) goedgekeurd met het oog op de vaststelling op communautair niveau van diagnoseprocedures, bemonsteringsmethoden en criteria voor de evaluatie van laboratoriumtests ter bevestiging van een uitbraak van aviaire influenza. Er moet rekening met die beschikking worden gehouden bij de vaststelling van de testregelingen voor aviaire influenza in erkende quarantainevoorzieningen en -stations in deze verordening.

(17)

Er moet ook worden voorzien in bepaalde afwijkingen voor vogels die in een erkende quarantainevoorziening of een erkend quarantainestation besmet blijken te zijn met laagpathogene aviaire influenza of de ziekte van Newcastle, wanneer die ziekten geen risico vormen voor de diergezondheidsstatus van de Gemeenschap.

(18)

Voor de duidelijkheid van de communautaire wetgeving moet Beschikking 2000/666/EG worden ingetrokken en door deze verordening worden vervangen.

(19)

Als gevolg van de in deze verordening vastgestelde stringentere veterinairrechtelijke voorschriften moet Beschikking 2005/760/EG worden ingetrokken.

(20)

Er moeten overgangsmaatregelen worden vastgesteld voor de krachtens Beschikking 2000/666/EG erkende quarantainevoorzieningen en -stations om ervoor te zorgen dat de invoer via deze quarantainevoorzieningen en -stations kan worden voortgezet op grond van de krachtens deze verordening verleende erkenning.

(21)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden de veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer van bepaalde vogels in de Gemeenschap uit de derde landen en delen daarvan, als bedoeld in bijlage I, en de quarantainevoorschriften voor deze invoer vastgesteld.

Artikel 2

Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op vogels.

Zij is echter niet van toepassing op:

a)

kippen, kalkoenen, parelhoenders, eenden, ganzen, kwartels, duiven, fazanten, patrijzen en loopvogels (Ratitae), die in gevangenschap worden opgefokt of gehouden voor de fokkerij, voor de productie van vlees of van consumptie-eieren of om in het wild te worden uitgezet („pluimvee”);

b)

vogels ingevoerd voor instandhoudingprogramma’s die door de bevoegde autoriteit in de lidstaat van bestemming zijn goedgekeurd;

c)

gezelschapsdieren, als bedoeld in artikel 1, derde alinea, van Richtlijn 92/65/EEG, die hun eigenaar vergezellen;

d)

vogels bestemd voor dierentuinen, circussen, pretparken of proeven;

e)

vogels bestemd voor instellingen, instituten of centra die zijn erkend overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 92/65/EEG;

f)

wedstrijdduiven die op het grondgebied van de Gemeenschap worden binnengebracht vanuit een aangrenzend derde land waar zij normaliter verblijven en die onmiddellijk daarna worden losgelaten in de verwachting dat zij naar dat derde land zullen terugvliegen;

g)

vogels ingevoerd uit Andorra, Liechtenstein, Monaco, Noorwegen, San Marino, Vaticaanstad en Zwitserland.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening zijn de in Richtlijn 2005/94/EG vastgestelde definities van toepassing.

De volgende definities zijn ook van toepassing:

a)

„vogels”: dieren van andere vogelsoorten dan die bedoeld in artikel 2, onder a) tot en met g);

b)

„erkend vermeerderingsbedrijf”:

i)

een bedrijf dat uitsluitend wordt gebruikt voor het vermeerderen van vogels; en

ii)

dat door de bevoegde autoriteit van het exporterende derde land is geïnspecteerd en erkend wat de naleving van de in artikel 4 en bijlage II bedoelde voorschriften betreft;

c)

„in gevangenschap gefokte vogels”: vogels die niet in het wild zijn gevangen maar die in gevangenschap zijn geboren en gefokt uit ouderdieren die in gevangenschap hebben gepaard of waarvan op een andere wijze gameten zijn overgedragen;

d)

„naadloze, gesloten pootring”: een ononderbroken ring of manchet, zonder enige naad of las, waarmee op geen enkele wijze is geknoeid, waarvan het formaat zodanig is dat hij, nadat hij in de eerste levensdagen van de vogel is aangebracht, niet meer kan worden verwijderd wanneer de poot van de vogel zijn definitieve omvang heeft bereikt en die commercieel voor dat doel is vervaardigd;

e)

„erkende quarantainevoorziening”: een gebouw, met uitzondering van een quarantainestation:

i)

waar ingevoerde vogels in quarantaine worden gehouden;

ii)

dat door de bevoegde autoriteit is geïnspecteerd en erkend wat de naleving van de in artikel 6 en bijlage IV bedoelde minimumvoorschriften betreft;

f)

„erkend quarantainestation”: een gebouw:

i)

waar ingevoerde vogels in quarantaine worden gehouden;

ii)

dat bestaat uit een aantal functioneel en materieel van elkaar afgescheiden eenheden die elk uitsluitend vogels bevatten die tot dezelfde zending behoren en dezelfde gezondheidsstatus hebben en daarom een enkele epizoötiologische eenheid vormen;

iii)

dat door de bevoegde autoriteit is geïnspecteerd en erkend wat de naleving van de in artikel 6 en bijlage IV bedoelde minimumvoorschriften betreft;

g)

„verklikkervogels”: vogels die als hulpmiddel voor diagnosedoeleinden in het kader van de quarantaine worden gebruikt;

h)

„diagnosehandboek”: het diagnosehandboek voor aviaire influenza dat is opgenomen in de bijlage bij Beschikking 2006/437/EG;

i)

„lokale veterinaire eenheid (LVE)”: een daartoe aangewezen lokale autoriteit van een lidstaat.

Artikel 4

Erkende vermeerderingsbedrijven

De invoer van vogels uit erkende vermeerderingsbedrijven wordt toegestaan, mits aan de volgende voorschriften wordt voldaan:

a)

het vermeerderingsbedrijf moet door de bevoegde autoriteit overeenkomstig de voorschriften van bijlage II zijn erkend en van haar een erkenningsnummer hebben gekregen;

b)

dat erkenningsnummer moet door die autoriteit aan de Commissie zijn meegedeeld;

c)

de naam en het erkenningsnummer van het vermeerderingsbedrijf moeten voorkomen op een door de Commissie opgestelde lijst van vermeerderingsbedrijven;

d)

de erkenning van het vermeerderingsbedrijf moet door de bevoegde autoriteit onmiddellijk worden ingetrokken of opgeschort, als het niet langer aan de voorschriften van bijlage II voldoet, en de Commissie moet daarvan onmiddellijk in kennis worden gesteld.

Artikel 5

Invoervoorschriften

De invoer van vogels uit erkende vermeerderingsbedrijven overeenkomstig artikel 4 moet aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

de vogels zijn in gevangenschap gefokte vogels;

b)

de vogels moeten afkomstig zijn uit derde landen of delen daarvan, als bedoeld in bijlage I;

c)

de vogels werden 7 à 14 dagen vóór de verzending onderworpen aan een virusdetectietest in een laboratorium met negatieve resultaten voor virussen van aviaire influenza en de ziekte van Newcastle;

d)

de vogels zijn niet ingeënt tegen aviaire influenza;

e)

de vogels gaan vergezeld van een diergezondheidscertificaat overeenkomstig het model van bijlage III (hierna „het diergezondheidscertificaat” genoemd);

f)

de vogels worden met een individueel identificatienummer geïdentificeerd door middel van een naadloze, gesloten pootring of een microchip met een uniek nummer overeenkomstig artikel 66, lid 2, van Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie (7);

g)

het individuele identificatienummer van de onder f), bedoelde pootringen of microchips moet ten minste de volgende informatie bevatten:

de ISO-code van het exporterende derde land dat de identificatie verricht;

een uniek serienummer;

h)

het onder f) bedoelde individuele identificatienummer moet op het diergezondheidscertificaat worden vermeld;

i)

de vogels worden vervoerd in nieuwe containers die aan de buitenkant individueel zijn geïdentificeerd met een identificatienummer dat overeenstemt met het op het diergezondheidscertificaat vermelde identificatienummer.

Artikel 6

Erkende quarantainevoorzieningen en -stations

1.   De lijst van de erkende quarantainevoorzieningen en -stations die voldoen aan de minimumvoorschriften van bijlage IV is opgenomen in bijlage V.

2.   De lidstaten verstrekken de Commissie en de andere lidstaten een lijst met:

a)

de erkenningsnummers van de erkende quarantainevoorzieningen en -stations op hun grondgebied; en

b)

de benaming en het Traces-nummer van de voor die voorzieningen of stations verantwoordelijke LVE.

Artikel 7

Direct vervoer van de vogels naar erkende quarantainevoorzieningen of -stations

De vogels worden in kooien of kratten direct van de grensinspectiepost naar een erkende quarantainevoorziening of een erkend quarantainestation vervoerd.

De totale reistijd van die post naar die quarantainevoorziening of dat quarantainestation mag normaliter niet meer bedragen dan negen uur.

Wanneer voor deze reis voertuigen worden gebruikt, worden deze door de bevoegde autoriteit met een onvervalsbaar zegel verzegeld.

Artikel 8

Verklaring

De importeurs of hun vertegenwoordigers verstrekken een schriftelijke verklaring in een officiële taal van de lidstaat van binnenkomst, die is ondertekend door de voor de quarantainevoorziening of het quarantainestation verantwoordelijke persoon, waarin wordt verklaard dat de vogels daar in quarantaine zullen worden genomen.

Deze verklaring:

a)

vermeldt duidelijk de naam, het adres en het erkenningsnummer van de quarantainevoorziening of het quarantainestation;

b)

wordt per e-mail of per fax naar de grensinspectiepost gestuurd voordat de zending daar aankomt of wordt door de importeur of diens vertegenwoordiger overgelegd voordat de vogels de grensinspectiepost verlaten.

Artikel 9

Doorvoer van vogels in de Gemeenschap

Wanneer vogels in de Gemeenschap worden binnengebracht via een andere lidstaat dan de lidstaat van bestemming, worden alle maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat de zending in het beoogde land van bestemming aankomt.

Artikel 10

Monitoring van het vervoer van de vogels

1.   Wanneer de communautaire wetgeving voorziet in de monitoring van de vogels vanaf de grensinspectiepost tot de erkende quarantainevoorziening of het erkende quarantainestation op de plaats van bestemming, wordt de volgende informatie uitgewisseld:

a)

de voor de grensinspectiepost verantwoordelijke officiële dierenarts stelt de voor de erkende quarantainevoorziening of het erkende quarantainestation op de plaats van bestemming verantwoordelijke bevoegde autoriteit in kennis van de plaats van oorsprong en de plaats van bestemming van de vogels via het Traces-netwerk;

b)

de voor de erkende quarantainevoorziening of het erkende quarantainestation van bestemming verantwoordelijke persoon stelt binnen één werkdag na de datum van aankomst van de zending in de quarantainevoorziening of het quarantainestation de voor de erkende quarantainevoorziening of het erkende quarantainestation op de plaats van bestemming verantwoordelijke officiële dierenarts per e-mail of fax in kennis van de aankomst van de zending op haar plaats van bestemming;

c)

de voor de erkende quarantainevoorziening of het erkende quarantainestation op de plaats van bestemming van de zending verantwoordelijke officiële dierenarts stelt via het Traces-netwerk binnen drie werkdagen na de datum van aankomst van de zending in de quarantainevoorziening of het quarantainestation de voor de grensinspectiepost verantwoordelijke officiële dierenarts die hem in kennis heeft gesteld van de verzending van de zending, in kennis van de aankomst van de zending op haar plaats van bestemming.

2.   Als aan de bevoegde autoriteit die voor de grensinspectiepost verantwoordelijk is, wordt bevestigd dat de vogels die volgens de verklaring bestemd waren voor een erkende quarantainevoorziening of een erkend quarantainestation niet binnen drie werkdagen na de geraamde datum van aankomst van de zending in de quarantainevoorziening of het quarantainestation zijn aangekomen, neemt de bevoegde autoriteit ten aanzien van de voor de zending verantwoordelijke persoon passende maatregelen.

Artikel 11

Quarantainebepalingen

1.   De vogels worden gedurende minstens 30 dagen in een erkende quarantainevoorziening of een erkend quarantainestation in quarantaine gehouden (hierna „de quarantaine” genoemd).

2.   Ten minste aan het begin en aan het einde van de quarantaine van elke zending inspecteert de officiële dierenarts de quarantaineomstandigheden, in het kader waarvan hij onder andere de gegevens met betrekking tot sterfgevallen bekijkt en een klinisch onderzoek verricht bij de vogels in de erkende quarantainevoorziening of in elke eenheid van het erkende quarantainestation.

De officiële dierenarts voert echter vaker inspecties uit, als de ziektesituatie dit vereist.

Artikel 12

Uit te voeren onderzoeken, bemonsteringen en tests in verband met een zending tijdens de quarantaine

1.   Na aankomst van de vogels in quarantaine worden de onderzoek-, bemonsterings- en testprocedures voor aviaire influenza en de ziekte van Newcastle, als vastgesteld in bijlage VI, uitgevoerd.

2.   Wanneer verklikkervogels worden gebruikt, wordt gebruikgemaakt van minimaal tien verklikkervogels in de erkende quarantainevoorziening of in elke eenheid van het erkende quarantainestation.

3.   Voor onderzoek-, bemonsterings- en testprocedures gebruikte verklikkervogels:

a)

zijn ten minste drie weken oud en worden slechts één keer voor die doeleinden gebruikt;

b)

zijn van een identificatiering aan de poot of een ander niet-afneembaar identificatiemerk voorzien;

c)

zijn niet ingeënt en zijn binnen een periode van 14 dagen vóór het begin van de quarantaine seronegatief bevonden voor aviaire influenza en de ziekte van Newcastle;

d)

worden in de erkende quarantainevoorziening of in een eenheid van het erkende quarantainestation vóór de aankomst van de vogels in de gemeenschappelijke luchtruimte zo dicht mogelijk bij de vogels ondergebracht zodat wordt gezorgd voor een nauw contact tussen de verklikkervogels en de uitwerpselen van de vogels in quarantaine.

Artikel 13

Maatregelen ingeval het vermoeden bestaat dat in een erkende quarantainevoorziening of een erkend quarantainestation een ziekte heerst

1.   Indien tijdens de quarantaine in een erkende quarantainevoorziening het vermoeden bestaat dat een of meer vogels en/of verklikkervogels met aviaire influenza of de ziekte van Newcastle zijn besmet, worden de volgende maatregelen genomen:

a)

er worden van die vogels en verklikkervogels monsters voor virologisch onderzoek, als bedoeld in punt 2 van bijlage VI, genomen en die monsters worden dienovereenkomstig geanalyseerd;

b)

al die vogels en verklikkervogels worden gedood en vernietigd;

c)

de erkende quarantainevoorziening wordt gereinigd en ontsmet;

d)

er worden geen vogels in de erkende quarantainevoorziening binnengebracht tot 21 dagen na de definitieve reiniging en ontsmetting.

2.   Indien tijdens de quarantaine in een erkend quarantainestation het vermoeden bestaat dat een of meer vogels en/of verklikkervogels in een eenheid van het quarantainestation met aviaire influenza of de ziekte van Newcastle zijn besmet, worden de volgende maatregelen genomen:

a)

er worden van die vogels en verklikkervogels monsters voor virologisch onderzoek, als bedoeld in punt 2 van bijlage VI, genomen en die monsters worden dienovereenkomstig geanalyseerd;

b)

al die vogels en verklikkervogels worden gedood en vernietigd;

c)

de betrokken eenheid wordt gereinigd en ontsmet;

d)

de volgende monsters worden genomen:

i)

wanneer verklikkervogels worden gebruikt, moeten op zijn vroegst 21 dagen na de definitieve reiniging en ontsmetting van de betrokken eenheid van de verklikkervogels in de andere quarantaine-eenheden monsters voor serologisch onderzoek, als bedoeld in bijlage VI, worden genomen, of

ii)

wanneer geen verklikkervogels worden gebruikt, moeten tijdens de periode van 7 tot 15 dagen na de definitieve reiniging en ontsmetting van de vogels in de andere quarantaine-eenheden monsters voor virologisch onderzoek, als bedoeld in punt 2 van bijlage VI, worden genomen;

e)

er mogen geen vogels het betrokken erkende quarantainestation verlaten totdat uit de onderzoeken van de onder d) bedoelde monsters een negatief resultaat blijkt.

3.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de uit hoofde van dit artikel genomen maatregelen.

Artikel 14

Afwijkingen ingeval de onderzoeken naar laagpathogene aviaire influenza en de ziekte van Newcastle in een erkende quarantainevoorziening of een erkend quarantainestation positieve resultaten opleveren

1.   Wanneer tijdens de quarantaine een of meer vogels en/of verklikkervogels besmet blijken te zijn met laagpathogene aviaire influenza (LPAI) of de ziekte van Newcastle, mag de bevoegde autoriteit op grond van een risicobeoordeling afwijkingen van de in artikel 13, lid 1, onder b), en lid 2, onder b), bedoelde maatregelen toestaan, mits deze afwijkingen de bestrijding van de ziekte niet in gevaar brengen (hierna „afwijkingen” genoemd).

De lidstaten stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van dergelijke afwijkingen.

2.   Wanneer een officiële dierenarts een inspectie uitvoert in een erkende quarantainevoorziening of een erkend quarantainestation waarvoor een afwijking is toegestaan, en een of meer vogels en/of verklikkervogels besmet blijken te zijn met LPAI of de ziekte van Newcastle, worden de in de leden 3 tot en met 7 vastgestelde maatregelen uitgevoerd.

De lidstaten stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van dergelijke maatregelen.

3.   Ingeval de onderzoeken positieve resultaten in verband met LPAI opleveren, moeten in plaats van de standaardmonsters, als bedoeld in het diagnosehandboek, 21 dagen na de datum van het laatste positieve LPAI-resultaat in de erkende quarantainevoorziening of uit elke eenheid van het erkende quarantainestation en met tussenpozen van 21 dagen de volgende monsters voor laboratoriumtests worden genomen:

a)

monsters van alle dode verklikkervogels of andere vogels die ten tijde van de bemonstering aanwezig zijn;

b)

trachea-/orofarynxswabs en cloacaswabs van ten minste 60 vogels of van alle vogels wanneer er minder dan 60 aanwezig zijn in de erkende quarantainevoorziening of de betrokken eenheid van het erkende quarantainestation; of, als het gaat om kleine, exotische vogels die niet gewend zijn om vastgepakt te worden of om vogels waarvan het vastpakken gevaar voor mensen zou opleveren, verse fecesmonsters; de bemonstering en de laboratoriumtests van deze monsters moeten worden voortgezet totdat twee achtereenvolgende negatieve laboratoriumresultaten met een tussenpoos van ten minste 21 dagen worden verkregen.

De bevoegde autoriteit kan echter op basis van de uitkomst van een risicobeoordeling afwijkingen van de in dit lid bedoelde monstergrootte toestaan.

4.   Ingeval de onderzoeken positieve resultaten in verband met de ziekte van Newcastle opleveren, kan de bevoegde autoriteit alleen een afwijking toestaan als in de 30 dagen na de dood of het klinisch herstel van het laatste geval van die ziekte een bemonstering overeenkomstig de punten 1 en 2 van bijlage VI, waarbij geen rekening is gehouden met de daarin vermelde termijn, met negatieve resultaten is uitgevoerd.

5.   De vogels mogen pas uit quarantaine worden vrijgegeven, als de in lid 3 bedoelde periode voor de laboratoriumtests is verstreken.

6.   De erkende quarantainevoorziening of de betrokken eenheid van het erkende quarantainestation wordt gereinigd en ontsmet nadat zij is leeggemaakt. Alle mogelijk besmet materiaal en afval wordt op zodanige wijze verwijderd dat ervoor wordt gezorgd dat de pathogeen niet wordt verspreid en op zodanige wijze wordt vernietigd dat het aanwezige virus van LPAI of de ziekte van Newcastle en al het afval dat tijdens de in lid 3 bedoelde periode voor de laboratoriumtests is geproduceerd, met zekerheid geïnactiveerd is.

7.   De erkende quarantainevoorziening of het erkende quarantainestation mag niet herbevolkt worden gedurende een termijn van 21 dagen na de datum waarop de definitieve reiniging en ontsmetting overeenkomstig lid 6 voltooid zijn.

Artikel 15

Maatregelen wanneer chlamydiose vermoed wordt

Indien tijdens de quarantaine in een erkende quarantainevoorziening of een erkend quarantainestation bij papegaaiachtigen besmetting met Chlamydophyla psittaci wordt vermoed of vastgesteld, worden alle vogels van de zending behandeld met een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde methode en wordt de quarantaine verlengd met ten minste twee maanden, te rekenen vanaf het laatst vastgestelde geval.

Artikel 16

Vrijgave uit quarantaine

De vogels worden alleen met schriftelijke toestemming van een officiële dierenarts vrijgegeven uit quarantaine in een erkende quarantainevoorziening of een erkend quarantainestation.

Artikel 17

Kennisgevings- en verslagleggingsvoorschriften

1.   De lidstaten delen de Commissie binnen 24 uur elk geval van aviaire influenza of de ziekte van Newcastle mee, dat in een erkende quarantainevoorziening of een erkend quarantainestation is ontdekt.

2.   De lidstaten delen de Commissie jaarlijks de volgende gegevens mee:

a)

het aantal via erkende quarantainevoorzieningen of -stations ingevoerde vogels naar soort en naar erkend vermeerderingsbedrijf van oorsprong;

b)

gegevens over het sterftecijfer voor ingevoerde vogels, vanaf de veterinaire certificeringsprocedure in het land van oorsprong tot het einde van de quarantaineperiode;

c)

het aantal positieve gevallen van aviaire influenza, ziekte van Newcastle en Chlamydophyla psittaci in erkende quarantainevoorzieningen of -stations.

Artikel 18

Kosten in verband met de quarantaine

Alle uit de toepassing van deze verordening voortvloeiende quarantainekosten zijn voor rekening van de importeur.

Artikel 19

Intrekkingen

De Beschikkingen 2000/666/EG en 2005/760/EG worden ingetrokken.

Artikel 20

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 maart 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 268 van 24.9.1991, blz. 56. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/104/EG (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 352).

(2)  PB L 268 van 14.9.1992, blz. 54. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/68/EG (PB L 139 van 30.4.2004, blz. 321); gerectificeerd in PB L 226 van 25.6.2006, blz. 128.

(3)  PB L 278 van 31.10.2000, blz. 26. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2002/279/EG (PB L 99 van 16.4.2002, blz. 17).

(4)  PB L 285 van 28.10.2005, blz. 60. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2007/183/EG (zie bladzijde 44 van dit Publicatieblad).

(5)  PB L 10 van 14.1.2006, blz. 16.

(6)  PB L 237 van 31.8.2006, blz. 1.

(7)  PB L 166 van 19.6.2006, blz. 1.


BIJLAGE I

LIJST VAN DERDE LANDEN DIE HET DIERGEZONDHEIDSCERTIFICAAT IN BIJLAGE III KUNNEN GEBRUIKEN

Derde landen of delen daarvan, als opgenomen in de kolommen 1 en 3 van de tabel in deel 1 van bijlage I bij Beschikking 2006/696/EG van de Commissie (1), waarbij kolom 4 van die tabel voorziet in een model van veterinair certificaat voor fok- of gebruikspluimvee met uitzondering van loopvogels (BPP).


(1)  PB L 295 van 25.10.2006, blz. 1.


BIJLAGE II

VOORSCHRIFTEN VOOR DE ERKENNING VAN VERMEERDERINGSBEDRIJVEN IN DE DERDE LANDEN VAN OORSPRONG, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 4

HOOFDSTUK 1

Erkenning van vermeerderingsbedrijven

Om erkend te worden overeenkomstig artikel 4 moet een vermeerderingsbedrijf aan de in dit hoofdstuk vastgestelde voorschriften voldoen.

1.

Het vermeerderingsbedrijf moet duidelijk afgebakend en van de omgeving gescheiden zijn of de dieren moeten opgesloten zitten of zo gehuisvest zijn dat er geen enkel gezondheidsrisico is voor dierbedrijven waarvan de gezondheidsstatus in het gedrang zou kunnen komen.

2.

Het moet beschikken over de nodige voorzieningen om dieren te vangen, op te sluiten en te isoleren, alsmede over passende erkende quarantainevoorzieningen en erkende procedures voor dieren die afkomstig zijn uit niet-erkende bedrijven.

3.

De voor het vermeerderingsbedrijf verantwoordelijke persoon moet beschikken over de nodige ervaring met het fokken van vogels.

4.

Het vermeerderingsbedrijf moet vrij zijn van aviaire influenza, ziekte van Newcastle en Chlamydophyla psittaci; om het bedrijf vrij van deze ziekten te kunnen verklaren, beoordeelt de bevoegde autoriteit de met betrekking tot de diergezondheidsstatus geregistreerde gegevens over ten minste de drie aan de datum van de aanvraag om erkenning voorafgaande jaren en de resultaten van de klinische onderzoeken en de laboratoriumtests die zijn verricht bij de dieren in het bedrijf. Nieuwe vermeerderingsbedrijven worden echter alleen erkend op grond van de resultaten van de klinische onderzoeken en de laboratoriumtests die zijn verricht bij de dieren in deze bedrijven.

5.

Het bedrijf moet gegevens bewaren over:

a)

het aantal en de identiteit (leeftijd, geslacht, soort en individueel identificatienummer voorzover dat mogelijk is) van alle dieren in het vermeerderingsbedrijf, per soort;

b)

het aantal en de identiteit (leeftijd, geslacht, soort en individueel identificatienummer voorzover dat mogelijk is) van de dieren die in het vermeerderingsbedrijf worden binnengebracht of die het bedrijf verlaten, tezamen met informatie over herkomst en bestemming, het vervoer van en naar het vermeerderingsbedrijf en de gezondheidsstatus van de dieren;

c)

de resultaten van bloedtests of andere diagnostische procedures;

d)

ziektegevallen en, in voorkomend geval, de toegepaste behandeling;

e)

de resultaten van de secties die zijn verricht bij dieren die in het vermeerderingsbedrijf zijn gestorven, met inbegrip van doodgeboren dieren;

f)

tijdens de isolatie- of de quarantaineperiode gedane observaties.

6.

Het vermeerderingsbedrijf moet een overeenkomst hebben met een bevoegd laboratorium voor het verrichten van de secties, dan wel beschikken over één of meer daarvoor geschikte gebouwen waar deze secties kunnen worden uitgevoerd door een bevoegd persoon onder de verantwoordelijkheid van de erkende dierenarts.

7.

Het vermeerderingsbedrijf moet de nodige afspraken hebben gemaakt of ter plaatse over de nodige voorzieningen beschikken voor het verwijderen van de karkassen van dieren die zijn gestorven als gevolg van een ziekte of die zijn geëuthanaseerd.

8.

Het vermeerderingsbedrijf moet ervoor zorgen dat, op grond van een contract of een ander rechtsgeldig instrument, een beroep kan worden gedaan op de diensten van een dierenarts die is erkend en wordt gecontroleerd door de bevoegde autoriteit van het exporterende derde land en die:

a)

erop toeziet dat, met inachtneming van de diergezondheidssituatie in het betrokken land, adequate maatregelen inzake surveillance en bestrijding van ziekten worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteit en worden toegepast in het vermeerderingsbedrijf. Deze maatregelen omvatten:

i)

een jaarlijks ziektesurveillanceplan, in het kader waarvan de dieren onder meer op adequate wijze worden gecontroleerd op zoönosen;

ii)

klinisch onderzoek, laboratoriumtests en secties bij dieren waarvan vermoed wordt dat ze met een overdraagbare ziekte zijn besmet;

iii)

indien nodig, inenting van gevoelige dieren tegen besmettelijke ziekten overeenkomstig het Manual for diagnostic tests and vaccines for Terrestrial Animals (handboek inzake normen voor diagnostische tests en vaccins voor landdieren) van de Werelddiergezondheidsorganisatie (OIE);

b)

erop toeziet dat elk verdacht overlijden of elke aanwezigheid van enig ander symptoom waaruit zou kunnen blijken dat dieren met aviaire influenza, de ziekte van Newcastle of Chlamydophyla psittaci zijn besmet, onverwijld bij de bevoegde autoriteit van het derde land wordt gemeld;

c)

erop toeziet dat de dieren die in het vermeerderingsbedrijf worden binnengebracht, zo nodig worden geïsoleerd overeenkomstig de voorschriften van deze verordening en de eventueel door de bevoegde autoriteit gegeven instructies;

d)

verantwoordelijk is voor de dagelijkse naleving van de veterinairrechtelijke voorschriften van deze verordening en de communautaire wetgeving inzake het welzijn van dieren tijdens het vervoer.

9.

Als in het vermeerderingsbedrijf dieren worden gefokt die zijn bestemd voor laboratoria die proeven verrichten, moet de algemene verzorging en de huisvesting van deze dieren voldoen aan de voorschriften van artikel 5 van Richtlijn 86/609/EEG van de Raad (1).

HOOFDSTUK 2

Behoud van de erkenning van de vermeerderingsbedrijven

De vermeerderingsbedrijven blijven slechts erkend als zij aan de voorwaarden van dit hoofdstuk voldoen.

1.

Het bedrijf staat onder de controle van een officiële dierenarts van de bevoegde autoriteit, die:

a)

erop toeziet dat de voorschriften van deze verordening worden nageleefd;

b)

de gebouwen van het vermeerderingsbedrijf ten minste één keer per jaar bezoekt;

c)

de activiteit van de erkende dierenarts en de uitvoering van het jaarlijkse ziektesurveillanceplan controleert;

d)

nagaat of uit de resultaten van het klinisch onderzoek, de sectie en de laboratoriumtests die bij de dieren zijn verricht, geen besmetting met aviaire influenza, de ziekte van Newcastle of Chlamydophyla psittaci is gebleken.

2.

Slechts dieren die afkomstig zijn van een ander erkend vermeerderingsbedrijf worden in het vermeerderingsbedrijf binnengebracht, overeenkomstig de voorschriften van deze verordening.

3.

Het vermeerderingsbedrijf bewaart de in punt 5 van hoofdstuk 1 vermelde gegevens gedurende een periode van ten minste tien jaar na de datum van erkenning.

HOOFDSTUK 3

Quarantaine van vogels die worden binnengebracht uit andere bronnen dan erkende vermeerderingsbedrijven

In afwijking van punt 2 van hoofdstuk 2 mogen uit andere bronnen dan erkende vermeerderingsbedrijven binnengebrachte vogels in een vermeerderingsbedrijf worden binnengebracht nadat door de bevoegde autoriteit toestemming daartoe is verleend, mits deze dieren overeenkomstig de instructies van de bevoegde autoriteit in quarantaine worden geplaatst voordat zij aan het bestaande dierenbestand worden toegevoegd. De quarantaineperiode moet ten minste 30 dagen bedragen.

HOOFDSTUK 4

Opschorting, intrekking of herverlening van de erkenning van een vermeerderingsbedrijf

De procedures voor de opschorting, intrekking of herverlening van de erkenning van een vermeerderingsbedrijf moeten voldoen aan de voorschriften van dit hoofdstuk.

1.

Wanneer de bevoegde autoriteit vindt dat een vermeerderingsbedrijf niet meer voldoet aan de voorschriften van de hoofdstukken 1 en 2 of wanneer er een verandering in het gebruik heeft plaatsgevonden waardoor het bedrijf niet meer uitsluitend voor het fokken van vogels wordt gebruikt, schort zij de erkenning van dat bedrijf op of trekt zij de erkenning in.

2.

Wanneer de bevoegde autoriteit in kennis is gesteld van de vermoedelijke besmetting met aviaire influenza, de ziekte van Newcastle of Chlamydophyla psittaci, schort zij de erkenning van het vermeerderingsbedrijf op totdat het vermoeden officieel is weerlegd. Zij ziet erop toe dat de nodige maatregelen worden genomen om het vermoeden te bevestigen of te weerleggen en om verspreiding van de ziekte tegen te gaan, overeenkomstig de voorschriften van de communautaire wetgeving inzake de maatregelen die moeten worden genomen tegen de desbetreffende ziekte en inzake het handelsverkeer in dieren.

3.

Wanneer de vermoede ziekte wordt bevestigd, mag de bevoegde autoriteit het vermeerderingsbedrijf alleen opnieuw overeenkomstig hoofdstuk 1 erkennen na:

a)

de uitroeiing van de ziekte en de bron van besmetting in het vermeerderingsbedrijf;

b)

de passende reiniging en ontsmetting van het vermeerderingsbedrijf;

c)

de naleving van de voorschriften van hoofdstuk 1 van deze bijlage, met uitzondering van punt 4.

4.

De bevoegde autoriteit stelt de Commissie onmiddellijk in kennis van de opschorting, intrekking of herverlening van de erkenning van een vermeerderingsbedrijf.


(1)  PB L 358 van 18.12.1986, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/65/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 230 van 16.9.2003, blz. 32).


BIJLAGE III

Als bedoeld in punt e) van artikel 5

DIERGEZONDHEIDSCERTIFICAAT

voor de invoer van bepaalde vogels, met uitzondering van pluimvee, bestemd voor verzending naar de Gemeenschap

Image

Image

Image


BIJLAGE IV

als bedoeld in artikel 6

MINIMUMVOORSCHRIFTEN VOOR ERKENDE QUARANTAINEVOORZIENINGEN EN -STATIONS VOOR VOGELS

Erkende quarantainevoorzieningen en -stations moeten voldoen aan de voorschriften van de hoofdstukken 1 en 2.

HOOFDSTUK 1

Bouw en uitrusting van quarantainevoorzieningen of -stations

1.

De quarantainevoorziening of het quarantainestation moet bestaan uit een of meer afzonderlijke gebouwen, die gescheiden van andere pluimveebedrijven en andere vogelbedrijven zijn opgetrokken op een afstand die door de bevoegde autoriteit is vastgesteld op grond van een risicobeoordeling die rekening houdt met de epidemiologie van aviaire influenza en de ziekte van Newcastle. De toegangsdeuren moeten afsluitbaar zijn en zijn voorzien van borden met de tekst: „QUARANTAINE — Geen toegang voor onbevoegden”.

2.

De lucht mag niet van de ene quarantaine-eenheid van het quarantainestation naar de andere kunnen stromen.

3.

De quarantainevoorziening of het quarantainestation moet vrij zijn van vogels, vliegen en ongedierte en moet luchtdicht kunnen worden afgesloten om te kunnen worden gefumigeerd.

4.

De erkende quarantainevoorziening en elke eenheid van een erkend quarantainestation moet beschikken over voorzieningen voor het wassen van de handen.

5.

Alle toegangsdeuren van de erkende quarantainevoorziening en elke eenheid van een erkend quarantainestation moeten van het sluistype zijn.

6.

Alle in- en uitgangen van de erkende quarantainevoorziening en de verschillende eenheden van een erkend quarantainestation moeten uitgerust zijn met een hygiënebarrière.

7.

Alle installaties moeten zodanig zijn gebouwd dat ze kunnen worden gereinigd en ontsmet.

8.

De voorraadruimte voor het voeder moet vrij zijn van vogels en knaagdieren, en tegen insecten zijn beschermd.

9.

Er moet een afvalcontainer aanwezig zijn die moet kunnen worden afgesloten voor vogels en knaagdieren.

10.

Er moet een koel- en/of vriesinrichting aanwezig zijn voor het opslaan van dode dieren.

HOOFDSTUK 2

Beheersvoorschriften

1.

Erkende quarantainevoorzieningen moeten:

a)

beschikken over een efficiënt controlesysteem om op passende wijze toezicht te houden op de dieren;

b)

onder toezicht en gezag van de officiële dierenarts staan;

c)

worden gereinigd en ontsmet volgens een programma dat door de bevoegde autoriteit is goedgekeurd; na de reiniging en ontsmetting dient een passende periode van leegstand in acht te worden genomen; de gebruikte ontsmettingsmiddelen moeten door de bevoegde autoriteit daartoe goedgekeurd zijn.

2.

Voor elke zending in quarantaine geplaatste vogels gelden de volgende voorschriften:

a)

de erkende quarantainevoorziening of de eenheid van een erkend quarantainestation moet worden gereinigd en ontsmet en daarna vrij van vogels worden gehouden gedurende ten minste zeven dagen voordat de ingevoerde vogels er worden binnengebracht;

b)

de zending vogels moet afkomstig zijn van een enkel erkend vermeerderingsbedrijf in het derde land van oorsprong en over een periode van niet meer dan 48 uur worden binnengebracht;

c)

de quarantaineperiode moet ingaan wanneer de laatste vogel wordt binnengebracht;

d)

de erkende quarantainevoorziening of de eenheid van een erkend quarantainestation moet aan het einde van de quarantaineperiode worden leeggemaakt, gereinigd en ontsmet.

3.

Er worden voorzorgsmaatregelen genomen om kruisverontreiniging van inkomende en buitengaande zendingen te voorkomen.

4.

Onbevoegden hebben geen toegang tot de erkende quarantainevoorziening of het erkende quarantainestation.

5.

Alle personen die de erkende quarantainevoorziening of het erkende quarantainestation betreden, moeten beschermende kleding, inclusief beschermend schoeisel, dragen.

6.

Er mogen geen contacten tussen personen plaatsvinden waardoor verontreiniging tussen erkende quarantainevoorzieningen of eenheden van erkende quarantainestations kan worden veroorzaakt.

7.

Er moet adequaat reinigings- en ontsmettingsmateriaal voorhanden zijn.

8.

Indien identificatie met behulp van een microchip wordt toegepast, moet in de erkende quarantainevoorziening of het erkende quarantainestation een passend leestoestel voor microchips aanwezig zijn.

9.

De voor het vervoer gebruikte kooien en kratten moeten in de erkende quarantainevoorziening of het erkende quarantainestation worden gereinigd en ontsmet, tenzij zij worden vernietigd. Voor hergebruik bestemde kooien en kratten moeten vervaardigd zijn van materiaal dat effectief kan worden gereinigd en ontsmet. De kooien en kratten moeten zodanig worden vernietigd dat ziekteverwekkers zich niet kunnen verspreiden.

10.

Afval wordt regelmatig verzameld, opgeslagen in de afvalcontainer en vervolgens zodanig behandeld dat ziekteverwekkers zich niet kunnen verspreiden.

11.

Vogelkadavers moeten worden onderzocht in een officieel, door de bevoegde autoriteit aangewezen laboratorium.

12.

De nodige analysen en behandelingen van vogels moeten worden uitgevoerd in overleg met en onder toezicht van de officiële dierenarts.

13.

De officiële dierenarts moet ervan in kennis gesteld worden wanneer vogels en/of verklikkervogels tijdens de quarantaine door een ziekte worden getroffen of sterven.

14.

De voor de erkende quarantainevoorziening of het erkende quarantainestation verantwoordelijke persoon moet de volgende gegevens bewaren:

a)

voor elke zending: de datum van aankomst en vertrek van de vogels, het aantal en de soort;

b)

een kopie van de gezondheidscertificaten en de gemeenschappelijke veterinaire documenten van binnenkomst die de ingevoerde vogels vergezellen;

c)

de individuele identificatienummers van de ingevoerde vogels en, in geval van identificatie met behulp van een microchip, gegevens over het type microchip en de gebruikte lezer;

d)

als in de quarantainevoorziening of het quarantainestation verklikkervogels worden gebruikt, het aantal en de plaats van de verklikkervogels in de quarantainevoorziening of het quarantainestation;

e)

relevante informatie: zoals gevallen van ziekte en sterftecijfers op dagbasis;

f)

data en resultaten van de tests;

g)

data waarop behandelingen hebben plaatsgevonden en type behandeling;

h)

personen die de quarantainevoorziening of het quarantainestation betreden of verlaten.

15.

De in punt 14 bedoelde gegevens moeten gedurende ten minste tien jaar worden bewaard.

HOOFDSTUK 3

Opschorting, intrekking of herverlening van de erkenning van quarantainevoorzieningen en quarantainestations

De procedures voor de gedeeltelijke of volledige opschorting, intrekking of herverlening van de erkenning van quarantainevoorzieningen en quarantainestations moeten voldoen aan de voorschriften van dit hoofdstuk.

1.

Wanneer de bevoegde autoriteit vindt dat een quarantainevoorziening of een quarantainestation niet meer voldoet aan de voorschriften van de hoofdstukken 1 en 2 of wanneer er een verandering in het gebruik heeft plaatsgevonden waardoor artikel 3, onder e) en f), niet meer van toepassing is, stelt zij de Commissie daarvan in kennis. Deze quarantainevoorzieningen of quarantainestations mogen als gevolg daarvan niet meer voor invoer worden gebruikt.

2.

Aan een quarantainevoorziening of een quarantainestation wordt slechts een nieuwe erkenning verleend als aan de voorschriften van de hoofdstukken 1 en 2 wordt voldaan.


BIJLAGE V

LIJST VAN DE ERKENDE VOORZIENINGEN EN STATIONS, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 6, LID 1

ISO-landcode

Naam van het land

Erkenningsnummer quarantainevoorziening of -station

AT

OOSTENRIJK

AT OP Q1

AT

OOSTENRIJK

AT-NK-Q-1

AT

OOSTENRIJK

AT-KO-Q1

AT

OOSTENRIJK

AT-3-ME-Q1

AT

OOSTENRIJK

AT-4-KI-Q1

AT

OOSTENRIJK

AT 4 WL Q 1

AT

OOSTENRIJK

AT-4-VB-Q1

AT

OOSTENRIJK

AT 6 10 Q 1

AT

OOSTENRIJK

AT 6 04 Q 1

BE

BELGIË

BE VQ 1003

BE

BELGIË

BE VQ 1010

BE

BELGIË

BE VQ 1011

BE

BELGIË

BE VQ 1012

BE

BELGIË

BE VQ 1013

BE

BELGIË

BE VQ 1016

BE

BELGIË

BE VQ 1017

BE

BELGIË

BE VQ 3001

BE

BELGIË

BE VQ 3008

BE

BELGIË

BE VQ 3014

BE

BELGIË

BE VQ 3015

BE

BELGIË

BE VQ 4009

BE

BELGIË

BE VQ 4017

BE

BELGIË

BE VQ 7015

CY

CYPRUS

CB 0011

CY

CYPRUS

CB 0012

CY

CYPRUS

CB 0061

CY

CYPRUS

CB 0013

CY

CYPRUS

CB 0031

CZ

TSJECHIË

21750005

CZ

TSJECHIË

21750016

CZ

TSJECHIË

21750027

CZ

TSJECHIË

21750038

CZ

TSJECHIË

32750007

CZ

TSJECHIË

61750009

CZ

TSJECHIË

62750011

CZ

TSJECHIË

71750000

CZ

TSJECHIË

71750011

DE

DUITSLAND

BW-1

DE

DUITSLAND

BY-1

DE

DUITSLAND

BY-2

DE

DUITSLAND

BY-3

DE

DUITSLAND

BY-4

DE

DUITSLAND

HE-1

DE

DUITSLAND

NI-1

DE

DUITSLAND

NI-2

DE

DUITSLAND

NI-3

DE

DUITSLAND

NW-1

DE

DUITSLAND

NW-2

DE

DUITSLAND

NW-3

DE

DUITSLAND

NW-4

DE

DUITSLAND

NW-5

DE

DUITSLAND

NW-6

DE

DUITSLAND

NW-7

DE

DUITSLAND

NW-8

DE

DUITSLAND

RP-1

DE

DUITSLAND

SN-1

DE

DUITSLAND

SN-2

DE

DUITSLAND

ST-1

DE

DUITSLAND

SH-1

DE

DUITSLAND

TH-1

DE

DUITSLAND

TH-2

DK

DENEMARKEN

DK-VQB-2002-001

ES

SPANJE

ES01/02/05

ES

SPANJE

ES01/02/01

ES

SPANJE

ES05/02/12

ES

SPANJE

ES05/03/13

ES

SPANJE

ES07/02/02

ES

SPANJE

ES08/02/03

ES

SPANJE

ES09/02/09

ES

SPANJE

ES09/02/10

ES

SPANJE

ES13/02/08

ES

SPANJE

ES15/02/06

ES

SPANJE

ES17/02/07

ES

SPANJE

ES04/03/11

ES

SPANJE

ES04/03/14

ES

SPANJE

ES09/03/15

ES

SPANJE

ES01/04/16

ES

SPANJE

ES09/04/17

ES

SPANJE

ES09/06/18

FR

FRANKRIJK

38.193.01

GR

GRIEKENLAND

GR.1

GR

GRIEKENLAND

GR.2

HU

HONGARIJE

HU12MK001

IE

IERLAND

IRL-HBQ-1-2003 Unit A

IT

ITALIË

003AL707

IT

ITALIË

305/B/743

IT

ITALIË

132BG603

IT

ITALIË

170BG601

IT

ITALIË

233BG601

IT

ITALIË

068CR003

IT

ITALIË

006FR601

IT

ITALIË

054LCO22

IT

ITALIË

I — 19/ME/01

IT

ITALIË

119RM013

IT

ITALIË

006TS139

IT

ITALIË

133VA023

MT

MALTA

BQ 001

NL

NEDERLAND

NL-13000

NL

NEDERLAND

NL-13001

NL

NEDERLAND

NL-13002

NL

NEDERLAND

NL-13003

NL

NEDERLAND

NL-13004

NL

NEDERLAND

NL-13005

NL

NEDERLAND

NL-13006

NL

NEDERLAND

NL-13007

NL

NEDERLAND

NL-13008

NL

NEDERLAND

NL-13009

NL

NEDERLAND

NL-13010

PL

POLEN

14084501

PT

PORTUGAL

05.01/CQA

PT

PORTUGAL

01.02/CQA


BIJLAGE VI

ONDERZOEK-, BEMONSTERINGS- EN TESTPROCEDURES VOOR AVIAIRE INFLUENZA EN DE ZIEKTE VAN NEWCASTLE

1.

Tijdens de quarantaine moeten hetzij de verklikkervogels, hetzij, wanneer geen verklikkervogels worden gebruikt, de ingevoerde vogels aan de volgende procedures worden onderworpen:

a)

Met gebruik van verklikkervogels:

i)

bij alle verklikkervogels worden bloedmonsters voor serologisch onderzoek genomen niet minder dan 21 dagen nadat zij in quarantaine zijn geplaatst en ten minste drie dagen vóór het einde van de quarantaine;

ii)

wanneer het serologisch onderzoek van de onder i) bedoelde monsters van de verklikkervogels een positief resultaat oplevert of geen uitsluitsel geeft, moet bij de ingevoerde vogels een virologisch onderzoek worden verricht; er moeten cloacaswabs (of feces) en trachea-/orofarynxswabs worden genomen van ten minste 60 vogels of van alle vogels, wanneer de zending uit minder dan 60 vogels bestaat.

b)

Zonder gebruik van verklikkervogels moeten de ingevoerde vogels virologisch worden onderzocht (aangezien serologische tests niet geschikt zijn). Er moeten tijdens de eerste 7 à 15 dagen van de quarantaine trachea-/orofarynxswabs en/of cloacaswabs (of feces) worden genomen van ten minste 60 vogels of van alle vogels, wanneer de zending uit minder dan 60 vogels bestaat.

2.

Naast de in punt 1 bedoelde tests moeten de volgende monsters voor virologisch onderzoek worden genomen:

a)

cloacaswabs (of feces) en trachea-/orofarynxswabs, indien mogelijk, bij klinisch zieke vogels of zieke verklikkervogels;

b)

monsters van de maag- en darminhoud, de hersenen, de luchtpijp, de longen, de lever, de milt, de nieren en andere duidelijk aangetaste organen, zo snel mogelijk na de dood van, hetzij:

i)

dode verklikkervogels en alle vogels die dood zijn bij aankomst of tijdens de quarantaine sterven, hetzij

ii)

bij hoge sterfte van kleine vogels van grote zendingen, ten minste 10 % van de dode vogels.

3.

Alle virologische en serologische tests op tijdens de quarantaine genomen monsters moeten in door de bevoegde autoriteit aangewezen officiële laboratoria worden uitgevoerd volgens diagnoseprocedures overeenkomstig het diagnosehandboek voor aviaire influenza en het Manual for diagnostic tests and vaccines for Terrestrial Animals (handboek inzake normen voor diagnostische tests en vaccins voor landdieren) van de Werelddiergezondheidsorganisatie (OIE) voor de ziekte van Newcastle. Voor virologisch onderzoek mogen verzamelmonsters worden gevormd uit monsters van maximaal vijf dieren. Feces mogen niet tezamen met andere orgaan- en weefselmonsters in één verzamelmonster worden opgenomen.

4.

Virusisolaten moeten worden bezorgd aan het nationaal referentielaboratorium.


24.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 84/30


VERORDENING (EG) Nr. 319/2007 VAN DE COMMISSIE

van 22 maart 2007

tot vaststelling van een verbod op de visserij op Noordse garnaal in NAFO-gebied 3L door vaartuigen die de vlag van Polen voeren

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1), en met name op artikel 26, lid 4,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (2), en met name op artikel 21, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 41/2007 van de Raad van 21 december 2006 tot vaststelling, voor 2007, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften (3) zijn quota voor 2007 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2007 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Derhalve moet het worden verboden op dit bestand te vissen en vis uit dit bestand aan boord te houden, over te laden en aan te voeren,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2007 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbod

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 maart 2007.

Voor de Commissie

Fokion FOTIADIS

Directeur-generaal Visserij en maritieme zaken


(1)  PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.

(2)  PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1967/2006 (PB L 409 van 30.12.2006, blz. 9, gerectificeerd in PB L 36 van 8.2.2007, blz. 6).

(3)  PB L 15 van 20.1.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Nr.

03

Lidstaat

Polen

Bestand

PRA/N3L

Soort

Noordse garnaal (Pandalus borealis)

Zone

NAFO 3L

Datum

7 maart 2007


24.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 84/32


VERORDENING (EG) Nr. 320/2007 VAN DE COMMISSIE

van 22 maart 2007

tot vaststelling van een verbod op de visserij op blauwe wijting in EG-wateren en internationale wateren van de ICES-zones I, II, III, IV, V, VI, VII, VIII a, b, d, e, XII en XIV door vaartuigen die de vlag van Ierland voeren

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1), en met name op artikel 26, lid 4,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (2), en met name op artikel 21, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 41/2007 van de Raad van 21 december 2006 tot vaststelling, voor 2007, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften (3) zijn quota voor 2007 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2007 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Derhalve moet het worden verboden op dit bestand te vissen en vis uit dit bestand aan boord te houden, over te laden en aan te voeren,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2007 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbod

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 maart 2007.

Voor de Commissie

Fokion FOTIADIS

Directeur-generaal Visserij en maritieme zaken


(1)  PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.

(2)  PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1967/2006 (PB L 409 van 30.12.2006, blz. 9, gerectificeerd in PB L 36 van 8.2.2007, blz. 6).

(3)  PB L 15 van 20.1.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Nr.

04

Lidstaat

Ierland

Bestand

WHB/1X14

Soort

Blauwe wijting (Micromesistius poutassou)

Zone

EG-wateren en internationale wateren van de ICES-zones I, II, III, IV, V, VI, VII, VIII a, b, d, e, XII en XIV

Datum

27 februari 2007


24.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 84/34


VERORDENING (EG) Nr. 321/2007 VAN DE COMMISSIE

van 23 maart 2007

tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 396/92 houdende indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de statistiek- en tariefnomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (1), met name op artikel 9, lid 1, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In punt 4 van de bijlage bij Verordening (EEG) 396/92 van de Commissie (2) zijn bepaalde voertuigen met een verstevigde laadbak, voorzien van een hydraulisch kantelmechanisme, in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder GN-code 8704 31 91. Volgens ditzelfde punt kan dit voertuig door de veelzijdige toepasbaarheid en de ingewikkelde constructie niet worden aangemerkt als een dumper als bedoeld bij GN-code 8704 10.

(2)

In zijn arrest in de zaak C-396/02 (3) oordeelde het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dat het feit dat vrachtauto's voorzien zijn van een ingewikkelde, veelzijdige en precieze kiepfunctie, niet verhindert dat zij onder het begrip dumper in de zin van post 8704 10 van de gecombineerde nomenclatuur vallen.

(3)

Aangezien de indelingsmaatregel van Verordening (EEG) nr. 396/92 niet in overeenstemming is met bovengenoemd arrest van het Hof, moet het worden gewijzigd voor zover daarbij voertuigen met hydraulisch kantelmechanisme onder GN-code 8704 31 worden ingedeeld. Het is daarom wenselijk om punt 4 te schrappen en het in te trekken met ingang van 10 maart 1992.

(4)

De in deze verordening vastgestelde maatregelen stemmen overeen met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Punt 4 van de bijlage bij Verordening (EEG) 396/92 wordt geschrapt.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 10 maart 1992.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 maart 2007.

Voor de Commissie

László KOVÁCS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 129/2007 (PB L 56 van 23.2.2007, blz. 1).

(2)  PB L 44 van 20.2.1992, blz. 9. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 705/2005 (PB L 118 van 5.5.2005, blz. 18).

(3)  Arrest van 16 september 2004, zaak C-396/02, DFDS, 2004, Jurispr. I-8439.


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Raad

24.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 84/35


BESLUIT VAN DE RAAD

van 19 maart 2007

houdende benoeming van een Italiaans lid en van twee Italiaanse plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s

(2007/180/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 263,

Gezien de voordracht van de Italiaanse regering,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 24 januari 2006 heeft de Raad Besluit 2006/116/EG houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s voor de periode van 26 januari 2006 tot en met 25 januari 2010 (1), aangenomen.

(2)

Door het verstrijken van de ambtstermijn van de heer Guido MILANA is in het Comité van de Regio’s een zetel van lid vrijgekomen; door het aftreden van de heren Salvatore CUFFARO en Giovanni MASTROCINQUE zijn in het Comité van de Regio’s twee zetels van plaatsvervangers vrijgekomen,

BESLUIT:

Artikel 1

In het Comité van de Regio’s worden de volgende personen benoemd voor de verdere duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2010:

a)

als lid:

de heer Guido MILANA, Consiglio provinciale di Roma (provincieraadslid van de Provincie Rome) ter vervanging van de heer Guido MILANA, Consigliere comunale di Olevano Romano;

b)

als plaatsvervangers:

de heer Francesco SCOMA, Consigliere dell’Assemblea regionale siciliana, ter vervanging van de heer Salvatore CUFFARO,

de heer Graziano MILIA, Presidente della Provincia di Cagliari, ter vervanging van de heer Giovanni MASTROCINQUE.

Artikel 2

Dit besluit wordt van kracht op de dag waarop het wordt aangenomen.

Gedaan te Brussel, 19 maart 2007.

Voor de Raad

De voorzitter

Horst SEEHOFER


(1)  PB L 56 van 25.2.2006, blz. 75.


24.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 84/36


BESLUIT VAN DE RAAD

van 19 maart 2007

houdende benoeming van een Nederlandse plaatsvervanger van het Comité van de Regio’s

(2007/181/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 263,

Gezien de voordracht van de Nederlandse regering,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 24 januari 2006 heeft de Raad Besluit 2006/116/EG houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s voor de periode van 26 januari 2006 tot en met 25 januari 2010 (1), aangenomen.

(2)

In het Comité van de Regio’s is een zetel van plaatsvervanger vrijgekomen door het aftreden van mevrouw P.C. KRIKKE,

BESLUIT:

Artikel 1

In het Comité van de Regio’s wordt voor het resterende deel van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2010, als plaatsvervanger benoemd:

de heer B. VERKERK, burgemeester van Delft,

ter vervanging van mevrouw P.C. KRIKKE.

Artikel 2

Dit besluit wordt van kracht op de dag waarop het wordt aangenomen.

Gedaan te Brussel, 19 maart 2007.

Voor de Raad

De voorzitter

Horst SEEHOFER


(1)  PB L 56 van 25.2.2006, blz. 75.


Commissie

24.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 84/37


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 19 maart 2007

betreffende een onderzoek naar Chronic Wasting Disease bij hertachtigen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 860)

(Voor de EER relevante tekst)

(2007/182/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (1), en met name op artikel 6, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Chronic Wasting Disease is een overdraagbare spongiforme encefalopathie (TSE) bij hertachtigen, die in Noord-Amerika wijdverbreid is maar tot op heden nog niet in de Gemeenschap is gemeld.

(2)

Op 3 juni 2004 heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) een advies uitgebracht waarin wordt aanbevolen gerichte bewaking onder hertachtigen in de Gemeenschap uit te voeren. Die bewaking is bedoeld om eventuele TSE’s bij hertachtigen op te sporen. Er moet dan ook voor worden gezorgd dat de lidstaten zulke onderzoeken overeenkomstig dat advies uitvoeren.

(3)

Verordening (EG) nr. 999/2001 bevat voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van TSE’s bij dieren. Die verordening, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1923/2006, bevat bepalingen inzake toezichtsprogramma’s in verband met TSE’s bij hertachtigen. Daarom kan bij deze beschikking worden bepaald dat de lidstaten onderzoeken naar TSE’s bij hertachtigen moeten uitvoeren.

(4)

Die onderzoeken moeten zowel op wilde als op gekweekte hertachtigen betrekking hebben. Aangezien wilde herten hoofdzakelijk bemonsterd moeten worden gedurende het jachtseizoen, dat van beperkte duur is, moet deze beschikking van toepassing worden na de vaststelling van Verordening (EG) nr. 1923/2006, zodat de lidstaten voldoende tijd hebben om de streefaantallen monsters te nemen.

(5)

De lidstaten moeten jaarlijks een verslag over de resultaten van die onderzoeken onder hertachtigen indienen. Positieve TSE-gevallen bij hertachtigen moeten onmiddellijk aan de Commissie worden gemeld.

(6)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat hertachtigen die op TSE’s getest zijn, pas in de commerciële voedselketen terechtkomen als een negatieve testuitslag is verkregen.

(7)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Toepassingsgebied

Deze beschikking bevat voorschriften voor een onderzoek naar de aanwezigheid van Chronic Wasting Disease (CWD) bij hertachtigen (hierna „het onderzoek” genoemd).

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze beschikking gelden de definities in bijlage I.

Artikel 3

Reikwijdte van het onderzoek

1.   De lidstaten voeren een onderzoek uit naar de aanwezigheid van CWD bij hertachtigen overeenkomstig de minimumcriteria in bijlage II.

2.   De lidstaten voltooien het onderzoek uiterlijk aan het eind van het jachtseizoen van 2007.

Artikel 4

Door de lidstaten te nemen maatregelen na de uitvoering van tests op CWD

Na de uitvoering van tests op CWD nemen de lidstaten de in bijlage III vermelde maatregelen.

Artikel 5

Rapportage van de lidstaten aan de Commissie

De lidstaten rapporteren de Commissie:

a)

onverwijld elke positieve of twijfelachtige uitslag met betrekking tot een overdraagbare spongiforme encefalopathie bij een hertachtige;

b)

jaarlijks de resultaten van de onderzoeken overeenkomstig bijlage IV.

Artikel 6

Door de Commissie aan de lidstaten te verstrekken samenvatting van de verslagen

De Commissie verstrekt de lidstaten een samenvatting van de in artikel 5 bedoelde verslagen.

Artikel 7

Adressaten

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 19 maart 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1923/2006 (PB L 404 van 30.12.2006, blz. 1).


BIJLAGE I

Definities

Voor de toepassing van deze beschikking gelden de onderstaande definities:

a)

„doelsoort”: wilde en gekweekte edelherten (Cervus elaphus) en wilde witstaartherten (Odocoileus virginianus);

b)

„betrokken lidstaten”: lidstaten waar de populaties van de doelsoorten voldoende groot zijn om de statistisch vereiste steekproefgrootten te halen; dit verschilt al naar gelang van de doelsoort en de vraag of het om wilde dan wel gekweekte doelsoorten gaat, zoals aangegeven in de tabellen 1 en 2 in bijlage II;

c)

„klinische/zieke hertachtigen”: hertachtigen met afwijkend gedrag en/of stoornissen van het bewegingsapparaat en/of een slechte algemene gezondheidstoestand;

d)

„in het verkeer gewonde of omgekomen hertachtigen”: hertachtigen die door wegvoertuigen geraakt zijn en waarvan de gezondheidstoestand vóór overlijden niet kan worden vastgesteld;

e)

„gestorven/gedode hertachtigen”: hertachtigen die op het bedrijf of in het wild zijn gestorven en hertachtigen die om gezondheidsredenen of vanwege hun leeftijd zijn gedood;

f)

„geslachte gezonde hertachtigen”: gezonde gekweekte hertachtigen die in het slachthuis of op het bedrijf zijn geslacht;

g)

„geschoten gezonde hertachtigen”: gezonde wilde hertachtigen die tijdens het jachtseizoen zijn geschoten;

h)

„doelgroepen”: de onder c) tot en met g) bedoelde hertachtigen.


BIJLAGE II

Minimumcriteria voor een onderzoek naar de aanwezigheid van Chronic Wasting Disease (CWD) bij hertachtigen

1.   Bemonstering van doelsoorten door de betrokken lidstaten

a)

De betrokken lidstaten nemen monsters voor tests op CWD overeenkomstig tabel 1 voor wilde edelherten en witstaartherten en tabel 2 voor gekweekte edelherten op hun grondgebied.

Die monsters mogen uit alle doelgroepen in de betrokken lidstaten worden genomen.

b)

De bevoegde autoriteit van elke betrokken lidstaat neemt bij het samenstellen van de steekproeven van de doelsoorten de volgende criteria in aanmerking:

i)

alle hertachtigen moeten ouder zijn dan 18 maanden; de leeftijd wordt geschat aan de hand van het gebit, duidelijke tekenen van volgroeidheid of andere betrouwbare informatie;

ii)

van de geschoten gezonde hertachtigen worden in het bijzonder de mannelijke dieren bemonsterd;

iii)

van de geslachte gezonde hertachtigen worden in het bijzonder de oudere mannelijke en vrouwelijke dieren bemonsterd.

c)

De bevoegde autoriteit van elke betrokken lidstaat neemt bij het samenstellen van de steekproeven van de doelsoorten de volgende risicofactoren in aanmerking:

i)

gebieden met een hoge hertenpopulatie;

ii)

een hoge scrapie-incidentie;

iii)

een hoge BSE-incidentie;

iv)

hertachtigen die voeder hebben gegeten dat mogelijk met een TSE besmet is;

v)

hertachtigen op bedrijven of in gebieden waarvan bekend is dat er in het verleden invoer van hertachtigen of producten daarvan heeft plaatsgevonden uit gebieden waar CWD heerst.

d)

De bevoegde autoriteit van elke betrokken lidstaat bemonstert de doelsoorten aselect.

2.   Bemonstering op CWD bij alle soorten hertachtigen in alle lidstaten

Alle lidstaten nemen monsters voor CWD-tests van alle soorten hertachtigen, prioritair van klinische/zieke hertachtigen en gestorven/gedode hertachtigen en voorts van in het verkeer gewonde of omgekomen hertachtigen. De bevoegde autoriteit van elke lidstaat streeft naar maximale alertheid op deze hertachtigen, zodat een zo groot mogelijk aantal van deze dieren op CWD wordt getest.

Tabel 1

Wilde edelherten (Cervus elaphus) en witstaartherten (Odocoileus virginianus)

 

Populatie doelsoort

Steekproefgrootte

Tsjechië

25 000

598

Duitsland

150 000

598

Spanje

220 000-290 000

598

Frankrijk

100 000

598

Italië

44 000

598

Letland

28 000

598

Hongarije

74 000

598

Oostenrijk

150 000

598

Polen

600 000

598

Slowakije

38 260

598

Finland

30 000

598

Verenigd Koninkrijk

382 500

598


Tabel 2

Gekweekte edelherten (Cervus elaphus elaphus)

 

Populatie doelsoort

Steekproefgrootte

Tsjechië

> 9 000

576

Duitsland

11 500

598

Frankrijk

17 000

598

Ierland

10 000

581

Oostenrijk

10 000

581

Verenigd Koninkrijk

28 000

598

3.   Bemonstering en laboratoriumonderzoek

Van elke hertachtige van de in de punten 1 en 2 bedoelde groepen wordt een monster van de obex genomen. Van elk monster wordt een deel koel of ingevroren bewaard totdat een negatieve uitslag is verkregen, voor het geval dat een bioassay moet worden uitgevoerd.

De bevoegde autoriteit van elke lidstaat raadpleegt hoofdstuk C, punt 3, van bijlage X bij Verordening (EG) nr. 999/2001 voor de te gebruiken methoden en protocollen.

Snelle tests zoals bedoeld in hoofdstuk C, punt 4, van bijlage X bij Verordening (EG) nr. 999/2001, die worden gebruikt voor het aantonen van TSE’s in de obex van runderen of kleine herkauwers, worden geschikt geacht voor de in de punten 1 en 2 bedoelde bemonstering. De lidstaten mogen voor screeningsdoeleinden ook gebruikmaken van immunohistochemische tests, indien zij aan een proficiency test van het communautaire referentielaboratorium voor TSE’s voldoen. Indien een lidstaat een positieve uitslag van een snelle test niet kan bevestigen, zendt hij voor de bevestiging het nodige weefsel naar het communautaire referentielaboratorium. Indien een positief TSE-geval wordt geconstateerd, is het protocol van hoofdstuk C, punt 3.2, onder c), i) en ii), van bijlage X bij Verordening (EG) nr. 999/2001 van toepassing.

4.   Genotypering

Voor elke positieve TSE-uitslag bij een hertachtige wordt het prioneiwitgenotype bepaald overeenkomstig de richtsnoeren van het communautaire referentielaboratorium voor TSE’s.


BIJLAGE III

Maatregelen naar aanleiding van het testen van hertachtigen

1.

De lidstaten zorgen ervoor dat, indien een CWD-test wordt uitgevoerd op een hertachtige die bestemd is om voor menselijke consumptie in de handel te worden gebracht, het karkas traceerbaar is en pas voor de verkoop wordt vrijgegeven als de snelle test een negatieve uitslag heeft opgeleverd.

2.

Ingeval punt 1 van toepassing is, wordt — voor zover mogelijk en indien bekend — de jager, jachtopziener of veehouder ervan op de hoogte gesteld dat er monsters voor tests op CWD worden ingestuurd en worden positieve uitslagen van de snelle test zo snel mogelijk op geautoriseerde wijze meegedeeld.

3.

De lidstaat behoudt zich het recht voor om materiaal voor nadere diagnose- of onderzoeksdoeleinden te bewaren totdat bij de snelle test op CWD een negatieve uitslag is verkregen.

4.

Voor zover mogelijk worden, afgezien van materiaal dat voor nadere diagnose- of onderzoeksdoeleinden wordt bewaard, alle delen van het kadaver van een met een snelle test positief bevonden hertachtige, met inbegrip van de huid, rechtstreeks verwijderd overeenkomstig artikel 4, lid 2, onder a), b) of e), van Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad (1).


(1)  PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1.


BIJLAGE IV

Vereisten inzake rapportage en registratie

1.   Vereisten voor de lidstaten

Door de lidstaten in hun jaarverslag over de resultaten van het onderzoek naar CWD op te nemen gegevens:

a)

Het aantal monsters van hertachtigen waarop tests zijn uitgevoerd, per doelgroep al naar gelang van de volgende criteria:

diersoort,

gekweekte of wilde hertachtigen,

doelgroep,

geslacht,

leeftijd.

b)

De uitslagen van de snelle tests en bevestigingstests (aantal positieve en negatieve uitslagen) en van de onderscheidende tests, waar van toepassing, het bemonsterde weefsel en de voor de tests gebruikte methoden.

c)

De geografische ligging, met inbegrip van het land van oorsprong, indien dat niet de rapporterende lidstaat is, van positieve TSE-gevallen.

d)

Het genotype en de diersoort van elke TSE-positief bevonden hertachtige.

2.   Rapportagetermijnen

De resultaten van de bemonstering op CWD worden in een jaarverslag opgenomen.

Dat verslag wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk zes maanden na afloop van elk onderzoeksjaar, ingediend.

Het verslag over 2007 omvat de resultaten van het jachtseizoen van 2007, ook al zijn enkele monsters in 2008 genomen.


24.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 84/44


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 23 maart 2007

tot wijziging van Beschikking 2005/760/EG tot vaststelling van bepaalde beschermende maatregelen voor de invoer van in gevangenschap gehouden vogels in verband met hoogpathogene aviaire influenza in bepaalde derde landen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 1259)

(Voor de EER relevante tekst)

(2007/183/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (1), en met name op artikel 10, lid 4,

Gelet op Richtlijn 91/496/EEG van de Raad van 15 juli 1991 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht en tot wijziging van de Richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG en 90/675/EEG (2), en met name op artikel 18, lid 7,

Gelet op Richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (3), en met name op artikel 22, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Naar aanleiding van uitbraken van aviaire influenza, veroorzaakt door een hoogpathogene virusstam, in Zuidoost-Azië in 2004 heeft de Commissie een aantal beschermende maatregelen vastgesteld. Het betreft hier met name Beschikking 2005/760/EG van de Commissie van 27 oktober 2005 tot vaststelling van bepaalde beschermende maatregelen voor de invoer van in gevangenschap gehouden vogels in verband met hoogpathogene aviaire influenza in bepaalde derde landen (4). Die beschikking is van toepassing tot en met 31 maart 2007.

(2)

Beschikking 2000/666/EG van de Commissie van 16 oktober 2000 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften en de voorschriften inzake veterinaire certificering voor de invoer van vogels, met uitzondering van pluimvee, alsmede van quarantainevoorschriften (5) stelt de veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer van bepaalde vogels, met uitzondering van pluimvee, als nader gespecificeerd in die beschikking, en de quarantainevoorschriften voor die vogels vast.

(3)

Het panel voor diergezondheid en dierenwelzijn van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft op 27 oktober 2006 een wetenschappelijk advies goedgekeurd over de risico’s voor de diergezondheid en het dierenwelzijn als gevolg van de invoer van in het wild levende vogels, met uitzondering van pluimvee, in de Gemeenschap (hierna „het advies” genoemd). In het advies wordt een aantal gebieden aangegeven waarop wijzigingen van de veterinairrechtelijke voorschriften van de Gemeenschap voor de invoer van deze vogels de vastgestelde gezondheidsrisico’s als gevolg van die invoer aanzienlijk zouden verminderen. Op grond van het advies zijn de veterinairrechtelijke voorschriften voor dergelijke invoer opnieuw bekeken en is Beschikking 2000/666/EG ingetrokken en vervangen door Verordening (EG) nr. 318/2007 van de Commissie (6).

(4)

Aangezien de nieuwe veterinairrechtelijke voorschriften van Verordening (EG) nr. 318/2007 strenger zijn dan die welke thans gelden, zal die verordening pas op 1 juli 2007 in werking treden om de lidstaten en de derde landen die dergelijke vogels naar de Gemeenschap uitvoeren de nodige tijd te geven om zich aan de nieuwe maatregelen aan te passen.

(5)

In het licht van het advies en de huidige diergezondheidssituatie in de wereld ten aanzien van aviaire influenza mag de invoer van dergelijke vogels alleen volgens stringente invoervoorschriften plaatsvinden.

(6)

De beschermende maatregelen van Beschikking 2005/760/EG moeten daarom tot en met 30 juni 2007 van toepassing blijven. Bijgevolg moet de toepassingsdatum van die beschikking worden gewijzigd.

(7)

Beschikking 2005/760/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

In artikel 6 van Beschikking 2005/760/EG wordt „31 maart 2007” vervangen door „30 juni 2007”.

Artikel 2

De lidstaten nemen onmiddellijk de nodige maatregelen om aan deze beschikking te voldoen en zij maken die maatregelen bekend. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 23 maart 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/33/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 315 van 19.11.2002, blz. 14).

(2)  PB L 268 van 24.9.1991, blz. 56. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/104/EG (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 352).

(3)  PB L 24 van 30.1.1998, blz. 9. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/104/EG.

(4)  PB L 285 van 28.10.2005, blz. 60. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2007/21/EG (PB L 7 van 12.1.2007, blz. 44).

(5)  PB L 278 van 31.10.2000, blz. 26. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2002/279/EG (PB L 99 van 16.4.2002, blz. 17).

(6)  Zie bladzijde 7 van dit Publicatieblad.