ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 69

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

50e jaargang
9 maart 2007


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Verordening (EG) nr. 246/2007 van de Commissie van 8 maart 2007 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

1

 

*

Verordening (EG) nr. 247/2007 van de Commissie van 8 maart 2007 houdende wijziging van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad voor het verkoopseizoen 2007/2008

3

 

*

Verordening (EG) nr. 248/2007 van de Commissie van 8 maart 2007 inzake maatregelen betreffende de in het kader van het Sapard-programma gesloten meerjarenovereenkomsten voor de financiering en jaarlijkse financieringsovereenkomsten en de overgang van Sapard naar plattelandsontwikkeling

5

 

*

Verordening (EG) nr. 249/2007 van de Commissie van 8 maart 2007 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1431/94 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering, in de sector slachtpluimvee, van de invoerregeling waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 774/94 van de Raad houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten voor slachtpluimvee en bepaalde andere landbouwproducten

16

 

 

Verordening (EG) nr. 250/2007 van de Commissie van 8 maart 2007 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer van witte en ruwe suiker in onveranderde vorm

18

 

 

Verordening (EG) nr. 251/2007 van de Commissie van 8 maart 2007 tot vaststelling van de maximumrestitutie bij uitvoer van witte suiker in het kader van de in Verordening (EG) nr. 958/2006 bedoelde permanente inschrijving

20

 

 

Verordening (EG) nr. 252/2007 van de Commissie van 8 maart 2007 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer van stropen en bepaalde andere producten van de suikersector in ongewijzigde staat

21

 

 

Verordening (EG) nr. 253/2007 van de Commissie van 8 maart 2007 houdende wijziging van de restituties die worden toegepast voor bepaalde producten van de sector suiker die worden uitgevoerd in de vorm van niet in bijlage I van het Verdrag vermelde goederen

23

 

 

Verordening (EG) nr. 254/2007 van de Commissie van 8 maart 2007 tot vaststelling van de maximumrestitutie bij uitvoer van witte suiker in het kader van de in Verordening (EG) nr. 38/2007 bedoelde permanente inschrijving

25

 

 

Verordening (EG) nr. 255/2007 van de Commissie van 8 maart 2007 betreffende de offertes voor de uitvoer van zachte tarwe die zijn meegedeeld in het kader van de openbare inschrijving bedoeld in Verordening (EG) nr. 936/2006

26

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2007/14/EG van de Commissie van 8 maart 2007 tot vaststelling van concrete uitvoeringsvoorschriften van een aantal bepalingen van Richtlijn 2004/109/EG betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten

27

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Raad

 

 

2007/159/EG

 

*

Besluit van de Raad van 22 februari 2007 betreffende het standpunt van de Gemeenschap over het ontwerp-reglement van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties inzake de goedkeuring van motorvoertuigen wat het gezichtsveld naar voren van de bestuurder betreft ( 1 )

37

 

 

2007/160/EG

 

*

Besluit van de Raad van 22 februari 2007 betreffende het standpunt van de Gemeenschap over het ontwerp-reglement van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties inzake de goedkeuring van niet als oorspronkelijke uitrustingsstukken geleverde scheidingssystemen die gebruikt worden om inzittenden tegen de verplaatsing van bagage te beschermen ( 1 )

39

 

 

Commissie

 

 

2007/161/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 10 augustus 2006 waarbij een concentratie verenigbaar wordt verklaard met de gemeenschappelijke markt en de werking van de EER-overeenkomst (Zaak COMP/M.4094 — Ineos/BP Dormagen) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 3592)  ( 1 )

40

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

9.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/1


VERORDENING (EG) Nr. 246/2007 VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2007

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 9 maart 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 386/2005 (PB L 62 van 9.3.2005, blz. 3).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 8 maart 2007 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

121,1

MA

58,4

TN

143,7

TR

146,5

ZZ

117,4

0707 00 05

JO

171,8

MA

67,2

TR

158,0

ZZ

132,3

0709 90 70

MA

73,8

TR

110,1

ZZ

92,0

0709 90 80

IL

119,7

ZZ

119,7

0805 10 20

CU

36,7

EG

52,4

IL

58,2

MA

43,2

TN

49,6

TR

67,0

ZZ

51,2

0805 50 10

EG

61,7

IL

59,9

TR

51,0

ZZ

57,5

0808 10 80

AR

84,4

BR

69,0

CA

99,2

CL

109,6

CN

92,8

US

113,9

UY

63,9

ZA

101,9

ZZ

91,8

0808 20 50

AR

71,7

CL

103,4

CN

75,5

US

110,6

ZA

80,3

ZZ

88,3


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „andere oorsprong”.


9.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/3


VERORDENING (EG) Nr. 247/2007 VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2007

houdende wijziging van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad voor het verkoopseizoen 2007/2008

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 10, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In bijlage III bij Verordening (EG) nr. 318/2006 zijn de nationale en regionale quota vastgesteld voor de productie van suiker, isoglucose en inulinestroop. Voor het verkoopseizoen 2007/2008 moeten die quota uiterlijk eind februari 2007 worden aangepast.

(2)

Deze aanpassingen vloeien met name voort uit de toepassing van de artikelen 8 en 9 van Verordening (EG) nr. 318/2006 waarin is voorzien in de toekenning van extra suikerquota en van extra en aanvullende isoglucosequota. Deze aanpassingen dienen rekening te houden met de mededelingen van de lidstaten op grond van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 952/2006 van de Commissie van 29 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad, wat betreft het beheer van de interne suikermarkt en het quotastelsel (2). Deze mededelingen zijn vóór 31 januari 2007 aan de Commissie toegezonden en hebben met name betrekking op de extra en aanvullende quota die reeds zijn toegekend op de datum waarop de mededeling wordt opgesteld.

(3)

Tot en met 30 september 2007 kunnen de ondernemingen extra suikerquota vragen. De aanvullende isoglucosequota worden toegekend naargelang van de door de lidstaten vastgestelde voorschriften ter zake. De extra en aanvullende quota die worden toegekend voor het verkoopseizoen 2007/2008 maar nog niet zijn opgenomen in de vóór 31 januari 2007 toegezonden mededelingen, worden in aanmerking genomen bij de volgende aanpassing van de in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 318/2006 vastgestelde quota, vóór eind februari 2008.

(4)

De aanpassingen van de in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 318/2006 vastgestelde quota vloeien ook voort uit de toepassing van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 320/2006 van de Raad van 20 februari 2006 tot instelling van een tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie in de Europese Gemeenschap en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1290/2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (3), waarin is voorzien in herstructureringssteun voor ondernemingen die afstand doen van hun quotum. Derhalve moet rekening worden gehouden met de quota waarvan afstand is gedaan voor het verkoopseizoen 2007/2008 in het kader van de herstructureringsregeling.

(5)

Bijlage III bij Verordening (EG) nr. 318/2006 moet derhalve worden gewijzigd.

(6)

De in deze verordening vastgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor suiker,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage III bij Verordening (EG) nr. 318/2006 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2007.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 58 van 28.2.2006, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2011/2006 (PB L 384 van 29.12.2006, blz. 1).

(2)  PB L 178 van 1.7.2006, blz. 39.

(3)  PB L 58 van 28.2.2006, blz. 42.


BIJLAGE

„BIJLAGE III

NATIONALE EN REGIONALE QUOTA

Met ingang van het verkoopseizoen 2007/2008

(In ton)

Lidstaat of regio

(1)

Suiker

(2)

Isoglucose

(3)

Inulinestroop

(4)

België

862 077,0

99 796,0

0

Bulgarije

4 752,0

78 153,0

Tsjechië

367 937,8

Denemarken

420 746,0

Duitsland

3 655 455,5

49 330,2

Ierland

0

Griekenland

158 702,0

17 973,0

Spanje

887 163,7

110 111,0

Frankrijk (Europees Frankrijk)

3 640 441,9

0

Franse overzeese departementen

480 244,5

Italië

753 845,5

28 300

Letland

0

Litouwen

103 010,0

Hongarije

298 591,0

191 845,0

Nederland

876 560,0

12 683,6

0

Oostenrijk

405 812,4

Polen

1 772 477,0

37 331,0

Portugal (vasteland)

15 000,0

13 823,0

Autonome regio Azoren

9 953,0

Roemenië

109 164

13 913,0

Slovenië

0

Slowakije

140 031,0

59 308,3

Finland

90 000,0

16 548,0

Zweden

325 700,0

Verenigd Koninkrijk

1 221 474,0

37 967,0

Totaal

16 599 138,3

767 082,1

0”


9.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/5


VERORDENING (EG) Nr. 248/2007 VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2007

inzake maatregelen betreffende de in het kader van het Sapard-programma gesloten meerjarenovereenkomsten voor de financiering en jaarlijkse financieringsovereenkomsten en de overgang van Sapard naar plattelandsontwikkeling

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op het Verdrag betreffende de toetreding van Bulgarije en Roemenië,

Gelet op de Akte van toetreding van Bulgarije en Roemenië, en met name op artikel 29,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1268/1999 van de Raad van 21 juni 1999 inzake steunverlening door de Gemeenschap voor pretoetredingsmaatregelen op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling in de kandidaat-lidstaten in Midden- en Oost-Europa gedurende de pretoetredingsperiode (1), en met name op artikel 12, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1268/1999 van de Raad is communautaire steun ingevoerd voor pretoetredingsmaatregelen op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling gedurende de pretoetredingsperiode (het Sapard-programma) in de kandidaat-lidstaten in Midden- en Oost-Europa, waaronder met name Bulgarije en Roemenië.

(2)

In artikel 29 van de Akte van toetreding van Bulgarije en Roemenië is bepaald dat, wanneer de termijn voor meerjarenverbintenissen in het kader van het Sapard-programma met betrekking tot bepaalde maatregelen de toegestane uiterste datum voor betalingen in het kader van Sapard overschrijdt, de uitstaande verbintenissen zullen worden gedekt binnen het programma voor plattelandsontwikkeling voor het tijdvak 2007-2013.

(3)

Het Sapard-programma bevat verscheidene maatregelen waarvoor na de toetreding steun moet worden verleend in het kader van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (2).

(4)

Om de overgang tussen deze twee typen van steun te vergemakkelijken dient te worden gespecificeerd gedurende welke periode in het kader van het Sapard-programma verbintenissen jegens begunstigden kunnen worden aangegaan.

(5)

Gespecificeerd dient te worden onder welke voorwaarden projecten die zijn goedgekeurd op grond van Verordening (EG) nr. 1268/1999, maar niet langer in het kader van die verordening kunnen worden gefinancierd, kunnen worden overgedragen naar de programma's voor plattelandsontwikkeling.

(6)

Deze verordening geldt onverminderd Verordening (EG) nr. 1423/2006 van de Commissie van 26 september 2006 tot instelling van een mechanisme voor passende maatregelen op het gebied van landbouwuitgaven met betrekking tot Bulgarije en Roemenië (3).

(7)

Op grond van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 2759/1999 van de Commissie van 22 december 1999 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1268/1999 van de Raad (4) moet een evaluatie achteraf van het Sapard-programma worden uitgevoerd. Er moet voor worden gezorgd dat die evaluaties ook nog kunnen worden uitgevoerd en gefinancierd na 2006, wanneer overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1268/1999 van de Raad de subsidiabiliteitsperiode voor Sapard is verstreken.

(8)

Er zijn meerjarenovereenkomsten voor de financiering (MJOF's) en jaarlijkse financieringsovereenkomsten (JFO's) gesloten tussen de Europese Commissie, die de Europese Gemeenschap vertegenwoordigde, enerzijds, en Bulgarije en Roemenië, anderzijds.

(9)

Op de gebieden binnen de werkingssfeer van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap worden de betrekkingen tussen Bulgarije en Roemenië en de Gemeenschap sinds 1 januari 2007, toen deze staten tot de Europese Unie toetraden, bepaald door de regelgeving van de Gemeenschap. Bilaterale overeenkomsten blijven in beginsel, zonder dat daarvoor bijzondere rechtsbesluiten nodig zijn, van toepassing voor zover zij niet in strijd zijn met de dwingende regelgeving van de Gemeenschap. Op sommige gebieden bevatten de MJOF's en de JFO's voorschriften die van de regelgeving van de Gemeenschap verschillen zonder in strijd te zijn met welke dwingende bepalingen dan ook. Het verdient echter aanbeveling dat de nieuwe lidstaten ten aanzien van Sapard zo veel mogelijk dezelfde voorschriften toepassen als die welke op andere terreinen van de regelgeving van de Gemeenschap gelden.

(10)

Daarom is het dienstig te bepalen dat de MJOF's en de JFO's van toepassing blijven, maar bepaalde afwijkingen en wijzigingen vast te stellen. Tegelijk zijn sommige bepalingen niet langer nodig omdat de Gemeenschap niet meer met derde landen maar met lidstaten te maken heeft en de nieuwe lidstaten rechtstreeks onderworpen zijn aan de regelgeving van de Gemeenschap. De betrokken bepalingen van de MJOF's dienen derhalve niet langer van toepassing te zijn. Ter wille van de continuïteit in de toepassing van de MJOF's en de JFO's dienen deze veranderingen van toepassing te zijn met ingang van 1 januari 2007.

(11)

Verordening (EG) nr. 1266/1999 van de Raad van 21 juni 1999 betreffende de coördinatie van de bijstand aan de kandidaat-lidstaten in het kader van de pretoetredingsstrategie en houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 3906/89 (5) en Verordening (EG) nr. 2222/2000 van de Commissie van 7 juni 2000 houdende financiële uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1268/1999 van de Raad inzake steunverlening door de Gemeenschap voor pretoetredingsmaatregelen op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling in de kandidaat-lidstaten in Midden- en Oost-Europa gedurende de pretoetredingsperiode (6) zijn voor de Commissie de rechtsgronden geweest om het beheer van de steun in het kader van het Sapard-programma per geval over te dragen aan uitvoeringsinstanties in de kandidaat-lidstaten. De MJOF's zijn op basis van die mogelijkheid gesloten. Voor lidstaten is volgens de regelgeving van de Gemeenschap echter geen procedure voor overdracht van het beheer nodig, maar een procedure op nationaal niveau voor de erkenning van betaalorganen zoals vastgesteld bij artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (7). Artikel 4 van deel A van de bijlage bij de MJOF's voorziet in een erkenningsprocedure die in wezen dezelfde is als de voornoemde procedure. Voor lidstaten hoeft derhalve niet langer in een overdracht van het beheer van de steun te worden voorzien. Daarom is het dienstig van de betrokken bepalingen af te wijken.

(12)

Meerjarenovereenkomsten voor de financiering (MJOF's) en jaarlijkse financieringsovereenkomsten (JFO's) zijn ook gesloten tussen de Europese Commissie, die de Europese Gemeenschap vertegenwoordigde, enerzijds, en Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië (de in 2004 toegetreden lidstaten), anderzijds.

(13)

Soortgelijke bepalingen als die welke in de onderhavige verordening zijn opgenomen met betrekking tot de MJOF's en JFO's voor Bulgarije en Roemenië, zijn met betrekking tot de MJOF's en JFO's voor de in 2004 toegetreden lidstaten vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1419/2004 van de Commissie van 4 augustus 2004 inzake de verdere toepassing van de meerjarenovereenkomsten voor de financiering en de jaarlijkse financieringsovereenkomsten die zijn gesloten tussen de Europese Commissie, die de Europese Gemeenschap vertegenwoordigde, enerzijds, en Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië, anderzijds, en houdende enige afwijkingen van de meerjarenovereenkomsten voor de financiering en van de Verordeningen (EG) nr. 1266/1999 van de Raad en (EG) nr. 2222/2000 (8). Het gaat daarbij echter om maatregelen die zijn vastgesteld om de overgang van het Sapard-programma naar plattelandsontwikkeling te vergemakkelijken en die daarom op 30 april 2007 aflopen.

(14)

De ervaring leert dat die maatregelen niet alleen voor de overgang van het Sapard-programma naar plattelandsontwikkeling, maar ook en hoofdzakelijk voor de afronding van de in het kader van het Sapard-programma voor de in 2004 toegetreden lidstaten begonnen programma's van belang zijn. In artikel 1, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1268/1999 is bepaald dat die verordening in dat geval van toepassing blijft.

(15)

Daarom dienen bij de onderhavige verordening met de maatregelen van Verordening (EG) nr. 1419/2004 overeenkomende maatregelen te worden vastgesteld met het oog op de afronding van de in het kader van het Sapard-programma voor de in 2004 toegetreden lidstaten begonnen programma's, aangezien die programma's nog niet zijn afgerond. Die maatregelen moeten van toepassing zijn zodra de maatregelen van Verordening (EG) nr. 1419/2004 niet langer van toepassing zijn, namelijk met ingang van 1 mei 2007.

(16)

Volgens artikel 12, lid 7, van deel A van de bijlage bij de MJOF's moet het overeenkomstig een conformiteitsgoedkeuringsbeschikking terug te vorderen bedrag worden afgetrokken van de eerstvolgende betalingsaanvraag die bij de Commissie wordt ingediend. In artikel 12, lid 8, is bepaald dat het overeenkomstig een conformiteitsgoedkeuringsbeschikking terug te vorderen bedrag niet opnieuw aan het programma mag worden toegewezen. Toepassing van beide bepalingen zou ertoe leiden dat het betrokken bedrag tweemaal wordt afgetrokken van de Sapard-toewijzing aan het begunstigde land. Daarom dient de bepaling volgens welke dat bedrag wordt afgetrokken van de eerstvolgende betalingsaanvraag die bij de Commissie wordt ingediend, te worden geschrapt.

(17)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de landbouwstructuur en de plattelandsontwikkeling en het Comité voor de Landbouwfondsen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

BULGARIJE EN ROEMENIË

AFDELING I

Overgang van Sapard naar plattelandsontwikkeling

Artikel 1

Einde van de periode voor het sluiten van contracten in het kader van Verordening (EG) nr. 1268/1999

Wat de financiële middelen van de Gemeenschap voor Verordening (EG) nr. 1268/1999 betreft, kunnen Bulgarije en Roemenië verder contracten sluiten met of verbintenissen aangaan jegens welke begunstigde dan ook tot de respectieve datum waarop elk van die landen voor de eerste maal contracten sluit of verbintenissen aangaat in het kader van Verordening (EG) nr. 1698/2005. Zij stellen de Commissie van die datum in kennis.

Artikel 2

Financiering van Sapard-projecten na de subsidiabiliteitsperiode

1.   Wanneer de termijn voor meerjarenverbintenissen in het kader van het Sapard-programma met betrekking tot de bebossing van landbouwgrond, steun voor de oprichting van producentengroeperingen of milieuregelingen voor de landbouw de toegestane uiterste datum voor betalingen in het kader van Sapard overschrijdt, kunnen de uitstaande verbintenissen worden gedekt in het kader van de programma's voor plattelandsontwikkeling voor de periode 2007-2013 op grond van Verordening (EG) nr. 1698/2005 en worden gefinancierd uit het ELFPO, mits het programma voor plattelandsontwikkeling daartoe een voorziening bevat.

2.   Indien Bulgarije of Roemenië lid 1 toepast, stelt het de Commissie vóór eind 2007 in kennis van de bedragen die overeenstemmen met de kredieten waarvoor verbintenissen zijn aangegaan.

3.   De in het kader van Verordening (EG) nr. 1268/1999 geldende regels inzake de subsidiabiliteit en de controle van de steun blijven van toepassing.

Artikel 3

Uitgaven voor de evaluatie achteraf van de Sapard-programma's

De uitgaven voor de evaluaties achteraf van de betrokken Sapard-programma's waarin artikel 12 van Verordening (EG) nr. 2759/1999 voorziet, kunnen subsidiabel zijn in het kader van het onderdeel technische bijstand van de programma's voor plattelandsontwikkeling voor de periode 2007-2013 op grond van Verordening (EG) nr. 1698/2005 en worden gefinancierd uit het ELFPO, mits het programma voor plattelandsontwikkeling daartoe een voorziening bevat.

Artikel 4

Overeenstemming tussen de maatregelen van de vroegere en die van de nieuwe programmeringsperiode

De tabel inzake de overeenstemming tussen de in de artikelen 2 en 3 van Verordening (EG) nr. 1268/1999 genoemde maatregelen enerzijds, en Verordening (EG) nr. 1698/2005 anderzijds, is opgenomen in bijlage I.

AFDELING II

MJOF's en JFO's

Artikel 5

Verdere toepasselijkheid van de MJOF's en de JFO's na de toetreding

1.   Onverminderd de verdere geldigheid van de in bijlage II genoemde meerjarenovereenkomsten voor de financiering (hierna „MJOF's” genoemd) en jaarlijkse financieringsovereenkomsten (hierna „JFO's” genoemd) die zijn gesloten tussen de Europese Commissie, die de Europese Gemeenschap vertegenwoordigde, enerzijds, en Bulgarije en Roemenië, anderzijds, worden deze overeenkomsten verder toegepast onder voorbehoud van het bepaalde in deze verordening.

2.   De artikelen 2 en 4 van de MJOF's zijn niet langer van toepassing.

3.   De volgende bepalingen van de bijlage bij de MJOF's zijn niet langer van toepassing:

a)

de artikelen 1 en 3 van deel A; verwijzingen naar die artikelen in de MJOF's en de JFO's worden evenwel gelezen als verwijzingen naar het overeenkomstig artikel 4 van deel A genomen nationale erkenningsbesluit;

b)

artikel 14, punten 2.6 en 2.7, van deel A;

c)

de artikelen 2, 3, 4, 5, 6 en 8 van deel C;

d)

deel G.

4.   Artikel 12, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1266/1999 en artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2222/2000 gelden niet langer voor Bulgarije en Roemenië wat het Sapard-programma betreft.

Artikel 6

Afwijkingen van de MJOF's en van Verordening (EG) nr. 2222/2000

In afwijking van artikel 4, lid 7, laatste alinea, en artikel 5, lid 4, van deel A van de bijlage bij de MJOF's en in afwijking van artikel 5, lid 4, van Verordening (EG) nr. 2222/2000 wordt de Commissie onmiddellijk in kennis gesteld van alle wijzigingen die na de erkenning van het Sapard-orgaan worden aangebracht in de uitvoerings- of betalingsregelingen van dit orgaan.

HOOFDSTUK II

MJOF's EN JFO's VOOR ESTLAND, HONGARIJE, LETLAND, LITOUWEN, POLEN, SLOVENIË, SLOWAKIJE EN TSJECHIË

Artikel 7

Verdere toepasselijkheid van de MJOF's en de JFO's na de toetreding

1.   Onverminderd de verdere geldigheid van de in bijlage III genoemde meerjarenovereenkomsten voor de financiering (hierna „MJOF's” genoemd) en jaarlijkse financieringsovereenkomsten (hierna „JFO's” genoemd) die zijn gesloten tussen de Europese Commissie, die de Europese Gemeenschap vertegenwoordigde, enerzijds, en Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië, anderzijds, worden deze overeenkomsten verder toegepast onder voorbehoud van het bepaalde in deze verordening.

2.   De artikelen 2 en 4 van de MJOF's zijn niet langer van toepassing.

3.   De volgende bepalingen van de bijlage bij de MJOF's zijn niet langer van toepassing:

a)

de artikelen 1 en 3 van deel A; verwijzingen naar die artikelen in de MJOF's en de JFO's worden evenwel gelezen als verwijzingen naar het overeenkomstig artikel 4 van deel A genomen nationale erkenningsbesluit;

b)

artikel 14, punten 2.6 en 2.7, van deel A;

c)

de artikelen 2, 3, 4, 5, 6 en 8 van deel C;

d)

punt 8 van deel F;

e)

deel G.

4.   Artikel 12, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1266/1999 en artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2222/2000 gelden niet langer wat het Sapard-programma betreft.

Artikel 8

Afwijkingen van de MJOF's en van Verordening (EG) nr. 2222/2000

In afwijking van artikel 4, lid 7, laatste alinea, en artikel 5, lid 4, van deel A van de bijlage bij de MJOF's en in afwijking van artikel 5, lid 4, van Verordening (EG) nr. 2222/2000 wordt de Commissie onmiddellijk in kennis gesteld van alle wijzigingen die na de erkenning van het Sapard-orgaan worden aangebracht in de uitvoerings- of betalingsregelingen van dit orgaan.

Artikel 9

Wijziging van de MJOF's

1.   Artikel 7, lid 8, van deel A van de bijlage bij de MJOF's wordt vervangen door:

1.„8.   Het eindsaldo voor het programma wordt betaald:

a)

indien de nationale ordonnateur binnen de in de laatste jaarlijkse financieringsovereenkomst vastgestelde betalingstermijn overeenkomstig artikel 9 van dit deel bij de Commissie een gecertificeerde staat indient van de uitgaven die daadwerkelijk zijn betaald;

b)

indien het eindverslag over de uitvoering bij de Commissie is ingediend en door haar is goedgekeurd;

c)

wanneer het in artikel 11 van dit deel bedoelde besluit is vastgesteld.

De betaling laat de mogelijkheid onverlet dat later een besluit wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 12 van dit deel.”.

2.   Aan artikel 10, lid 3, van deel A van de bijlage bij de MJOF's wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Rente die niet is besteed aan projecten die worden ondersteund in het kader van het programma van respectievelijk Tsjechië, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Slovenië en Slowakije, wordt evenwel in euro aan de Commissie betaald.”.

3.   Artikel 12, lid 7, van deel A van de bijlage bij de MJOF's wordt vervangen door:

„7.   Het bedrag dat overeenkomstig de conformiteitsgoedkeuringsbeschikkingen moet worden teruggevorderd, wordt meegedeeld aan de nationale ordonnateur, die er namens de lidstaten op toeziet dat het bedrag op de Sapard-eurorekening wordt bijgeschreven binnen twee maanden na de datum waarop de conformiteitsgoedkeuringsbeschikking is gegeven.

De Commissie kan evenwel per geval besluiten dat een aan haar over te maken bedrag wordt verrekend met bedragen die zij de lidstaten moet betalen in het kader van welk instrument van de Gemeenschap dan ook.”.

Artikel 10

Vervanging van de in artikel 2 van de JFO's 2003 vastgestelde bedragen

Het bedrag dat is vastgesteld in artikel 2 van elk van de JFO's 2003, wordt vervangen door het in bijlage IV vermelde bedrag.

Artikel 11

Wijziging van artikel 3 van de JFO's 2000-2003

Aan artikel 3 van elk van de JFO's wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Elk deel van de in artikel 2 bedoelde bijdrage van de Gemeenschap waarvoor op de in de tweede alinea bedoelde datum geen contracten met de eindbegunstigden zijn ondertekend, wordt ter kennis van de Commissie gebracht binnen drie maanden na het bekend worden van dat bedrag.”.

HOOFDSTUK III

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 12

Toepassingsgebied

Hoofdstuk I geldt voor de uitvoering van het Sapard-programma in Bulgarije en Roemenië.

Hoofdstuk II geldt voor de uitvoering van het Sapard-programma in Tshechië, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Slovenië en Slowakije.

Artikel 13

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Hoofdstuk I is van toepassing met ingang van 1 januari 2007.

Hoofdstuk II is van toepassing met ingang van 1 mei 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2007.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 161 van 26.6.1999, blz. 87. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2112/2005 (PB L 344 van 27.12.2005, blz. 23).

(2)  PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2012/2006 (PB L 384 van 29.12.2006, blz. 8).

(3)  PB L 269 van 28.9.2006, blz. 10.

(4)  PB L 331 van 23.12.1999, blz. 51. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2278/2004 (PB L 396 van 31.12.2004, blz. 36).

(5)  PB L 161 van 26.6.1999, blz. 68.

(6)  PB L 253 van 7.10.2000, blz. 5. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1052/2006 (PB L 189 van 12.7.2006, blz. 3).

(7)  PB L 209 van 11.8.2005, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 320/2006 (PB L 58 van 28.2.2006, blz. 42).

(8)  PB L 258 van 5.8.2004, blz. 11. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1155/2005 (PB L 187 van 19.7.2005, blz. 14).


BIJLAGE I

Tabel inzake de overeenstemming tussen bij Verordening (EG) nr. 1268/1999 vastgestelde maatregelen en Verordening (EG) nr. 1698/2005

Maatregelen van Verordening (EG) nr. 1268/1999

Assen en maatregelen van Verordening (EG) nr. 1698/2005

Codes in het kader van Verordening (EG) nr. 1698/2005

Landbouwproductiemethoden die zijn ontworpen met het oog op milieubescherming en natuurbeheer, artikel 2, vierde streepje

Artikel 36, onder a), iv), en artikel 39: agromilieubetalingen

214

Oprichting van producentengroeperingen, artikel 2, zevende streepje

Artikel 20, onder d), ii), en artikel 35: producentengroeperingen

142

Bosbouwmaatregelen, waaronder bebossing van landbouwgebied, investeringen in bosbedrijven die eigendom zijn van particuliere boseigenaren, en maatregelen op het gebied van de verwerking en afzet van bosproducten, artikel 2, 14e streepje

Artikel 36, onder b), i), en artikel 43: eerste bebossing van landbouwgrond

221

Technische hulp voor de onder deze verordening vallende maatregelen, met inbegrip van studies om te helpen bij de voorbereiding van en het toezicht op de programma's, en voorlichtings- en publiciteitscampagnes

Artikel 66, lid 2: technische bijstand

511


BIJLAGE II

Tussen de Europese Commissie en Bulgarije en Roemenië gesloten meerjarenovereenkomsten voor de financiering (MJOF's) en jaarlijkse financieringsovereenkomsten (JFO's)

1.   LIJST VAN DE MJOF'S

De Europese Commissie, die de Europese Gemeenschap vertegenwoordigde, heeft de MJOF met

de Republiek Bulgarije gesloten op de twintigste april tweeduizend één,

de regering van Roemenië gesloten op de zeventiende januari tweeduizend twee.

2.   LIJST VAN DE JFO'S

A.   Jaarlijkse financieringsovereenkomst 2000

De Europese Commissie, die de Europese Gemeenschap vertegenwoordigde, heeft de JFO voor 2000 met

de Republiek Bulgarije gesloten op de twintigste april tweeduizend één,

de regering van Roemenië gesloten op de zeventiende januari tweeduizend twee.

B.   Jaarlijkse financieringsovereenkomst 2001

De Europese Commissie, die de Europese Gemeenschap vertegenwoordigde, heeft de JFO voor 2001 met

de Republiek Bulgarije gesloten op de negenentwintigste juli tweeduizend twee,

de regering van Roemenië gesloten op de elfde oktober tweeduizend twee.

C.   Jaarlijkse financieringsovereenkomst 2002

De Europese Commissie, die de Europese Gemeenschap vertegenwoordigde, heeft de JFO voor 2002 met

de Republiek Bulgarije gesloten op de zesde juni tweeduizend drie,

de regering van Roemenië gesloten op de twaalfde mei tweeduizend drie.

D.   Jaarlijkse financieringsovereenkomst 2003

De Europese Commissie, die de Europese Gemeenschap vertegenwoordigde, heeft de JFO voor 2003 met

de Republiek Bulgarije gesloten op de eerste oktober tweeduizend drie,

de regering van Roemenië gesloten op de tweeëntwintigste september tweeduizend vier.

E.   Jaarlijkse financieringsovereenkomst 2004

De Europese Commissie, die de Europese Gemeenschap vertegenwoordigde, heeft de JFO voor 2004 met

de Republiek Bulgarije gesloten op de zesde juni tweeduizend vijf,

de regering van Roemenië gesloten op de derde november tweeduizend vijf.

F.   Jaarlijkse financieringsovereenkomst 2005

De Europese Commissie, die de Europese Gemeenschap vertegenwoordigde, heeft de JFO voor 2005 met

de Republiek Bulgarije gesloten op de zesde juni tweeduizend zes,

de regering van Roemenië gesloten op de vijfentwintigste juli tweeduizend zes.

G.   Jaarlijkse financieringsovereenkomst 2006

De Europese Commissie, die de Europese Gemeenschap vertegenwoordigde, heeft de JFO voor 2006 met

de Republiek Bulgarije gesloten op de negenentwintigste december tweeduizend zes;

de regering van Roemenië gesloten (1).


(1)  De overeenkomst is op 18 oktober 2006 door de Commissie goedgekeurd, is op 31 oktober 2006 door de Commissie en de regering van Roemenië ondertekend en is momenteel het voorwerp van sluitingsprocedures in Roemenië.


BIJLAGE III

Tussen de Europese Commissie en Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië gesloten meerjarenovereenkomsten voor de financiering (MJOF's) en jaarlijkse financieringsovereenkomsten (JFO's)

1.   LIJST VAN DE MJOF'S

De Europese Commissie, die de Europese Gemeenschap vertegenwoordigde, heeft de MJOF met

de Tsjechische Republiek gesloten op de tiende december tweeduizend één,

de Republiek Estland gesloten op de achtentwintigste mei tweeduizend één,

de Republiek Hongarije gesloten op de vijftiende juni tweeduizend één,

de Republiek Letland gesloten op de vierde juli tweeduizend één,

de Republiek Litouwen gesloten op de negenentwintigste augustus tweeduizend één,

de Republiek Polen gesloten op de achttiende mei tweeduizend één,

de Slowaakse Republiek gesloten op de de zestiende mei tweeduizend één,

de Republiek Slovenië gesloten op de achtentwintigste augustus tweeduizend één.

2.   LIJST VAN DE JFO'S

A.   Jaarlijkse financieringsovereenkomst 2000

De Europese Commissie, die de Europese Gemeenschap vertegenwoordigde, heeft de JFO voor 2000 met

de Tsjechische Republiek gesloten op de tiende december tweeduizend één,

de Republiek Estland gesloten op de achtentwintigste mei tweeduizend één,

de Republiek Hongarije gesloten op de vijftiende juni tweeduizend één,

de Republiek Letland gesloten op de elfde mei tweeduizend één,

de Republiek Litouwen gesloten op de negenentwintigste augustus tweeduizend één,

de Republiek Polen gesloten op de achttiende mei tweeduizend één,

de Slowaakse Republiek gesloten op de zestiende mei tweeduizend één,

de Republiek Slovenië gesloten op de zestiende oktober tweeduizend één.

B.   Jaarlijkse financieringsovereenkomst 2001

De Europese Commissie, die de Europese Gemeenschap vertegenwoordigde, heeft de JFO voor 2002 met

de Tsjechische Republiek gesloten op de negentiende juni tweeduizend drie,

de Republiek Estland gesloten op de tiende juli tweeduizend drie,

de Republiek Hongarije gesloten op de zesentwintigste maart tweeduizend drie,

de Republiek Letland gesloten op de dertigste mei tweeduizend twee,

de Republiek Litouwen gesloten op de acttiende juli tweeduizend twee,

de Republiek Polen gesloten op de tiende juni tweeduizend twee,

de Slowaakse Republiek gesloten op de vierde november tweeduizend twee,

de Republiek Slovenië gesloten op de zeventiende juli tweeduizend twee.

C.   Jaarlijkse financieringsovereenkomst 2002

De Europese Commissie, die de Europese Gemeenschap vertegenwoordigde, heeft de JFO voor 2002 met

de Tsjechische Republiek gesloten op de derde juni tweeduizend vier,

de Republiek Estland gesloten op de elfde december tweeduizend drie,

de Republiek Hongarije gesloten op de tweeëntwintigste december tweeduizend drie,

de Republiek Letland gesloten op de twaalfde mei tweeduizend drie,

de Republiek Litouwen gesloten op de zesde juni tweeduizend drie,

de Republiek Polen gesloten op de veertiende april tweeduizend drie,

de Slowaakse Republiek gesloten op de dertigste september tweeduizend drie,

de Republiek Slovenië gesloten op de achtentwintigste juli tweeduizend drie.

D.   Jaarlijkse financieringsovereenkomst 2003

De Europese Commissie, die de Europese Gemeenschap vertegenwoordigde, heeft de JFO voor 2003 met

de Tsjechische Republiek gesloten op de tweede juli tweeduizend vier,

de Republiek Estland gesloten op de elfde december tweeduizend drie,

de Republiek Hongarije gesloten op de tweeëntwintigste december tweeduizend drie,

de Republiek Letland gesloten op de eerste december tweeduizend drie,

de Republiek Litouwen gesloten op de vijftiende januari tweeduizend vier,

de Republiek Polen gesloten op de tiende juni tweeduizend drie,

de Slowaakse Republiek gesloten op de zesentwintigste december tweeduizend drie,

de Republiek Slovenië gesloten op de elfde november tweeduizend drie.


BIJLAGE IV

Jaarlijkse financieringsovereenkomst 2003 — Toewijzing per land

(EUR)

Land

Bedrag

Tsjechië

23 923 565

Estland

13 160 508

Hongarije

41 263 079

Letland

23 690 433

Litouwen

32 344 468

Polen

182 907 972

Slowakije

19 831 304

Slovenië

6 871 397

Totaal

343 992 726


9.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/16


VERORDENING (EG) Nr. 249/2007 VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2007

houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1431/94 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering, in de sector slachtpluimvee, van de invoerregeling waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 774/94 van de Raad houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten voor slachtpluimvee en bepaalde andere landbouwproducten

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2777/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee (1), en met name op artikel 6, lid 1,

Gelet op Verordening (EG) nr. 774/94 van de Raad van 29 maart 1994 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten voor kwaliteitsrundvlees, varkensvlees, slachtpluimvee, tarwe en mengkoren, en zemelen, slijpsel en andere resten (2), en met name op artikel 7,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1431/94 van de Commissie (3) opgenomen tariefcontingent met volgnummer 09.4410, dat geldt voor groep nr. 1 en betrekking heeft op producten van de GN-codes 0207 14 10, 0207 14 50 en 0207 14 70 (bevroren kippendelen), is specifiek toegewezen aan Brazilië.

(2)

De Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en Brazilië in het kader van artikel XXIV, lid 6, en artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994, die is goedgekeurd bij Besluit 2006/963/EG van de Raad (4), voorziet in een jaarlijks tariefcontingent voor de rechtenvrije invoer van bepaalde bevroren kippendelen (GN-codes 0207 14 10, 0207 14 50 en 0207 14 70) ten belope van 2 332 ton.

(3)

Deze hoeveelheid dient te worden toegevoegd aan het contingent voor groep nr. 1.

(4)

Verordening (EG) nr. 1431/94 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor eieren en slachtpluimvee,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1431/94 wordt vervangen door de tekst die is opgenomen in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2007.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 282 van 1.11.1975, blz. 77. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 679/2006 (PB L 119 van 4.5.2006, blz. 1).

(2)  PB L 91 van 8.4.1994, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2198/95 van de Commissie (PB L 221 van 19.9.1995, blz. 3).

(3)  PB L 156 van 23.6.1994, blz. 9. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1938/2006 (PB L 407 van 30.12.2006, blz. 150).

(4)  PB L 397 van 30.12.2006, blz. 10.


BIJLAGE

„BIJLAGE I

Verlaging van het gemeenschappelijk douanetarief met 100 %

Kip

Land

Nummer van de groep

Volgnummer

GN-code

Jaarlijkse hoeveelheden

(in ton productgewicht)

Brazilië

1

09.4410

0207 14 10

0207 14 50

0207 14 70

9 432

Thailand

2

09.4411

0207 14 10

0207 14 50

0207 14 70

5 100

Andere

3

09.4412

0207 14 10

0207 14 50

0207 14 70

3 300


Kalkoen

Land

Nummer van de groep

Volgnummer

GN-code

Jaarlijkse hoeveelheden

(in ton productgewicht)

Brazilië

4

09.4420

0207 27 10

0207 27 20

0207 27 80

1 800

Andere

5

09.4421

0207 27 10

0207 27 20

0207 27 80

700

Andere landen

6

09.4422

0207 27 10

0207 27 20

0207 27 80

2 485”


9.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/18


VERORDENING (EG) Nr. 250/2007 VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2007

tot vaststelling van de restituties bij uitvoer van witte en ruwe suiker in onveranderde vorm

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 33, lid 2, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 32 van Verordening (EG) nr. 318/2006 is bepaald dat het verschil tussen de prijzen voor de in artikel 1, lid 1, onder b), van die verordening bedoelde producten op de wereldmarkt en op de interne markt mag worden overbrugd door een restitutie bij uitvoer.

(2)

Gezien de huidige situatie op de suikermarkt moeten derhalve uitvoerrestituties worden vastgesteld overeenkomstig de voorschriften en bepaalde criteria van de artikelen 32 en 33 van Verordening (EG) nr. 318/2006.

(3)

In artikel 33, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 318/2006 is bepaald dat de restitutie naar gelang van de bestemming kan variëren indien dat gezien de situatie op de wereldmarkt of de specifieke vereisten van bepaalde markten noodzakelijk is.

(4)

Alleen voor producten die tot het vrije verkeer in de Gemeenschap zijn toegelaten en voldoen aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 318/2006, mogen restituties worden verleend.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor suiker,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 32 van Verordening (EG) nr. 318/2006 bedoelde restituties worden verleend voor de producten en met toepassing van de bedragen die zijn vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 9 maart 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 58 van 28.2.2006, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1585/2006 van de Commissie (PB L 294 van 25.10.2006, blz. 19).


BIJLAGE

Met ingang van 9 maart 2007 geldende restituties bij uitvoer van witte en ruwe suiker in onveranderde vorm (1)

GN-code

Bestemming

Meeteenheid

Restitutiebedrag

1701 11 90 9100

S00

EUR/100 kg

20,04 (2)

1701 11 90 9910

S00

EUR/100 kg

20,04 (2)

1701 12 90 9100

S00

EUR/100 kg

20,04 (2)

1701 12 90 9910

S00

EUR/100 kg

20,04 (2)

1701 91 00 9000

S00

EUR/1 % sacharose × 100 kg nettoproduct

0,2179

1701 99 10 9100

S00

EUR/100 kg

21,79

1701 99 10 9910

S00

EUR/100 kg

21,79

1701 99 10 9950

S00

EUR/100 kg

21,79

1701 99 90 9100

S00

EUR/1 % sacharose × 100 kg nettoproduct

0,2179

NB: De bestemmingen zijn als volgt vastgesteld:

S00

:

alle bestemmingen, met uitzondering van Albanië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië, Montenegro, Kosovo en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Andorra, Gibraltar, Ceuta, Melilla, de Heilige Stoel (Vaticaanstad), Liechtenstein, de gemeenten Livigno en Campione in Italië, Helgoland, Groenland, de Faeröer en de zones van de Republiek Cyprus waarover de regering van de Republiek Cyprus niet feitelijk het gezag uitoefent.


(1)  De in deze bijlage vastgestelde restituties zijn niet van toepassing met ingang van 1 februari 2005 overeenkomstig Besluit 2005/45/EG van de Raad van 22 december 2004 betreffende het sluiten en de voorlopige toepassing van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972, wat de bepalingen betreffende verwerkte landbouwproducten betreft (PB L 23 van 26.1.2005, blz. 17).

(2)  Dit bedrag geldt voor ruwe suiker met een rendement van 92 %. Indien het rendement van de geëxporteerde ruwe suiker afwijkt van 92 %, wordt het bedrag van de toe te passen restitutie voor elke betrokken uitvoertransactie vermenigvuldigd met een omrekeningsfactor die wordt verkregen door het overeenkomstig bijlage I, punt III, punt 3, van Verordening (EG) nr. 318/2006 berekende rendement van de geëxporteerde ruwe suiker te delen door 92.


9.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/20


VERORDENING (EG) Nr. 251/2007 VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2007

tot vaststelling van de maximumrestitutie bij uitvoer van witte suiker in het kader van de in Verordening (EG) nr. 958/2006 bedoelde permanente inschrijving

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 33, lid 2, tweede alinea en derde alinea, onder b),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Verordening (EG) nr. 958/2006 van de Commissie van 28 juni 2006 betreffende een permanente inschrijving voor de vaststelling van restituties bij uitvoer van witte suiker voor het verkoopseizoen 2006/2007 (2) moeten deelinschrijvingen worden gehouden.

(2)

Op grond van artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 958/2006 en op grond van het onderzoek van de biedingen voor de op 8 maart 2007 verstrijkende deelinschrijving, dient de maximumrestitutie bij uitvoer in het kader van die deelinschrijving te worden vastgesteld.

(3)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor suiker,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De maximumrestitutie bij uitvoer van het in artikel 1, lid 1, van Verordening (EG) nr. 958/2006 bedoelde product wordt voor de op 8 maart 2007 verstrijkende deelinschrijving vastgesteld op 26,793 EUR/100 kg.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 9 maart 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 58 van 28.2.2006, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1585/2006 van de Commissie (PB L 294 van 25.10.2006, blz. 19).

(2)  PB L 175 van 29.6.2006, blz. 49.


9.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/21


VERORDENING (EG) Nr. 252/2007 VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2007

tot vaststelling van de restituties bij uitvoer van stropen en bepaalde andere producten van de suikersector in ongewijzigde staat

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 33, lid 2, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 32 van Verordening (EG) nr. 318/2006 is bepaald dat het verschil tussen de prijzen voor de in artikel 1, lid 1, onder c), d) en g), van die verordening bedoelde producten op de wereldmarkt en op de interne markt mag worden overbrugd door een restitutie bij uitvoer.

(2)

Gezien de huidige situatie op de suikermarkt moeten derhalve uitvoerrestituties worden vastgesteld overeenkomstig de regels en bepaalde criteria van de artikelen 32 en 33 van Verordening (EG) nr. 318/2006.

(3)

In artikel 33, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 318/2006 is bepaald dat de restitutie naar gelang van de bestemming kan variëren indien dat gezien de situatie op de wereldmarkt of de specifieke vereisten van bepaalde markten noodzakelijk is.

(4)

Er mogen alleen restituties worden verleend voor producten die tot het vrije verkeer in de Gemeenschap zijn toegelaten en voldoen aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006 wat de handel met derde landen in de suikersector betreft (2).

(5)

Om het verschil in concurrentievermogen tussen de communautaire uitvoer en die uit derde landen te overbruggen, kunnen uitvoerrestituties worden vastgesteld. De communautaire uitvoer naar bepaalde nabije bestemmingen en derde landen die voor communautaire producten een preferentiële behandeling toekennen, bevindt zich momenteel in een bijzonder gunstige concurrentiepositie. Restituties voor uitvoer naar deze bestemmingen moeten derhalve worden afgeschaft.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor suiker,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De in artikel 32 van Verordening (EG) nr. 318/2006 bedoelde uitvoerrestituties worden toegekend voor de producten en met toepassing van de bedragen die zijn vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening, op voorwaarde dat aan het bepaalde in lid 2 van het onderhavige artikel wordt voldaan.

2.   Alleen producten die voldoen aan de desbetreffende vereisten van de artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 951/2006 komen in aanmerking voor de in lid 1 van de onderhavige verordening bedoelde restituties.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 9 maart 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 58 van 28.2.2006, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1585/2006 van de Commissie (PB L 294 van 25.10.2006, blz. 19).

(2)  PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24.


BIJLAGE

Met ingang van 9 maart 2007 geldende restituties bij uitvoer van stropen en bepaalde andere producten van de suikersector in onveranderde vorm (1)

GN-code

Bestemming

Meeteenheid

Restitutiebedrag

1702 40 10 9100

S00

EUR/100 kg droge stof

21,79

1702 60 10 9000

S00

EUR/100 kg droge stof

21,79

1702 60 95 9000

S00

EUR/1 % sacharose × 100 kg nettoproduct

0,2179

1702 90 30 9000

S00

EUR/100 kg droge stof

21,79

1702 90 60 9000

S00

EUR/1 % sacharose × 100 kg nettoproduct

0,2179

1702 90 71 9000

S00

EUR/1 % sacharose × 100 kg nettoproduct

0,2179

1702 90 99 9900

S00

EUR/1 % sacharose × 100 kg nettoproduct

0,2179 (2)

2106 90 30 9000

S00

EUR/100 kg droge stof

21,79

2106 90 59 9000

S00

EUR/1 % sacharose × 100 kg nettoproduct

0,2179

NB: De bestemmingen zijn als volgt vastgesteld:

S00

:

alle bestemmingen, met uitzondering van Albanië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië, Montenegro, Kosovo en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Andorra, Gibraltar, Ceuta, Melilla, de Heilige Stoel (Vaticaanstad), Liechtenstein, de gemeenten Livigno en Campione in Italië, Helgoland, Groenland, de Faeröer en de zones van de Republiek Cyprus waarover de regering van de Republiek Cyprus niet feitelijk het gezag uitoefent.


(1)  De in deze bijlage vastgestelde restituties zijn niet van toepassing met ingang van 1 februari 2005 overeenkomstig Besluit 2005/45/EG van de Raad van 22 december 2004 betreffende het sluiten en de voorlopige toepassing van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972, wat de bepalingen betreffende verwerkte landbouwproducten betreft (PB L 23 van 26.1.2005, blz. 17).

(2)  Het basisbedrag is niet van toepassing op het in de bijlage, punt 2, van Verordening (EEG) nr. 3513/92 van de Commissie (PB L 355 van 5.12.1992, blz. 12) bedoelde product.


9.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/23


VERORDENING (EG) Nr. 253/2007 VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2007

houdende wijziging van de restituties die worden toegepast voor bepaalde producten van de sector suiker die worden uitgevoerd in de vorm van niet in bijlage I van het Verdrag vermelde goederen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 33, lid 2, onder a), en lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De restitutiebedragen welke met ingang van 23 februari 2007 worden toegepast op de in de bijlage bedoelde producten, uitgevoerd in de vorm van niet in bijlage I van het Verdrag vermelde goederen, zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 181/2007 van de Commissie (2).

(2)

Toepassing van de regels en criteria welke zijn aangehaald in Verordening (EG) nr. 181/2007 op de gegevens waarover de Commissie op het huidige tijdstip beschikt, geeft aanleiding tot wijziging van de op dit tijdstip geldende restituties in de zin als vermeld in de bijlage bij deze verordening,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De restitutiebedragen die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 181/2007 worden gewijzigd zoals in de bijlage van deze verordening aangegeven.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 9 maart 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2007.

Voor de Commissie

Günter VERHEUGEN

Vicevoorzitter


(1)  PB L 58 van 28.2.2006, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1585/2006 van de Commissie (PB L 294 van 25.10.2006, blz. 19).

(2)  PB L 55 van 23.2.2007, blz. 24.


BIJLAGE

Restituties die worden toegepast vanaf 9 maart 2007 voor bepaalde producten van de sector suiker die worden uitgevoerd in de vorm van niet in bijlage I bij het Verdrag vermelde goederen (1)

GN-code

Omschrijving

Restituties in EUR/100 kg

Bij vaststelling vooraf van de restituties

Overige gevallen

1701 99 10

Witte suiker

21,79

21,79


(1)  De in deze bijlage vastgestelde restituties zijn niet van toepassing op de uitvoer naar Albanië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië, Montenegro, Kosovo, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Andorra, Gibraltar, Ceuta en Melilla, de Heilige Stoel (Vaticaanstad), Liechtenstein, de gemeenten Livigno en Campione d'Italia, Heligoland, Groenland, Faeröer noch op de goederen die zijn opgenomen in de tabellen I en II bij Protocol nr. 2 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972 en die naar de Zwitserse Bondsstaat worden uitgevoerd.


9.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/25


VERORDENING (EG) Nr. 254/2007 VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2007

tot vaststelling van de maximumrestitutie bij uitvoer van witte suiker in het kader van de in Verordening (EG) nr. 38/2007 bedoelde permanente inschrijving

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 33, lid 2, tweede alinea en derde alinea, onder b),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Verordening (EG) nr. 38/2007 van de Commissie van 17 januari 2007 met betrekking tot de opening van een permanente openbare inschrijving voor de verkoop voor uitvoer van suiker uit de voorraden van de interventiebureaus van België, Tsjechië, Spanje, Ierland, Italië, Hongarije, Polen, Slowakije en Zweden (2) moeten deelinschrijvingen worden gehouden.

(2)

Op grond van artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 38/2007 en op grond van het onderzoek van de biedingen voor de op 7 maart 2007 verstrijkende deelinschrijving, dient de maximumrestitutie bij uitvoer in het kader van die deelinschrijving te worden vastgesteld.

(3)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor suiker,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De maximumrestitutie bij uitvoer van het in artikel 1, lid 1, van Verordening (EG) nr. 38/2007 bedoelde product wordt voor de op 7 maart 2007 verstrijkende deelinschrijving vastgesteld op 347,70 EUR/t.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 9 maart 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 58 van 28.2.2006, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1585/2006 van de Commissie (PB L 294 van 25.10.2006, blz. 19).

(2)  PB L 11 van 18.1.2007, blz. 4.


9.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/26


VERORDENING (EG) Nr. 255/2007 VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2007

betreffende de offertes voor de uitvoer van zachte tarwe die zijn meegedeeld in het kader van de openbare inschrijving bedoeld in Verordening (EG) nr. 936/2006

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 13, lid 3, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 936/2006 van de Commissie (2) is een inschrijving voor de restitutie bij uitvoer van zachte tarwe naar bepaalde derde landen opengesteld.

(2)

Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1501/95 van de Commissie van 29 juni 1995 tot vaststelling van enkele toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad voor wat de toekenning, in de graansector, van uitvoerrestituties en van bij verstoring van de graanmarkt te treffen maatregelen betreft (3) kan de Commissie op grond van de meegedeelde offertes besluiten niet tot toewijzing over te gaan.

(3)

Het is, met name rekening houdend met de in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1501/95 genoemde criteria, niet wenselijk een maximumrestitutie vast te stellen.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Er wordt geen gevolg gegeven aan de offertes die van 2 tot en met 8 maart 2007 zijn meegedeeld in het kader van de in Verordening (EG) nr. 936/2006 bedoelde inschrijving voor de restitutie bij uitvoer van zachte tarwe.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 9 maart 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1154/2005 van de Commissie (PB L 187 van 19.7.2005, blz. 11).

(2)  PB L 172 van 24.6.2006, blz. 6.

(3)  PB L 147 van 30.6.1995, blz. 7. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 777/2004 (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 50).


RICHTLIJNEN

9.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/27


RICHTLIJN 2007/14/EG VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2007

tot vaststelling van concrete uitvoeringsvoorschriften van een aantal bepalingen van Richtlijn 2004/109/EG betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (1), en met name op artikel 2, lid 3, onder a), artikel 5, lid 6, eerste alinea, artikel 5, lid 6, onder c), artikel 9, lid 7, artikel 12, lid 8, onder b) tot en met e), artikel 13, lid 2, artikel 14, lid 2, artikel 21, lid 4, onder a), artikel 23, lid 4, onder ii), en artikel 23, lid 7,

Na raadpleging van het Comité van Europese effectenregelgevers (CEER) (2) voor technisch advies,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2004/109/EG stelt de algemene beginselen vast voor de harmonisatie van de transparantievereisten met betrekking tot het houden van stemrechten of financiële instrumenten die het recht verlenen om bestaande aandelen met stemrechten te verwerven. De richtlijn beoogt ervoor te zorgen dat middels openbaarmaking van accurate, alomvattende en tijdige informatie over effectenuitgevende instellingen een duurzaam vertrouwen bij beleggers wordt gewekt. Evenzo beoogt zij middels bepalingen die voorschrijven dat uitgevende instellingen in kennis moeten worden gesteld van bewegingen op het vlak van belangrijke deelnemingen in hun kapitaal, ervoor te zorgen dat deze instellingen het publiek daarvan op de hoogte kunnen houden.

(2)

De uitvoeringsvoorschriften van de bepalingen betreffende de transparantievereisten moeten ook zorgen voor een hoog niveau van beleggersbescherming, de marktefficiëntie ten goede komen en op eenvormige wijze toegepast kunnen worden.

(3)

Wat de procedure betreft volgens welke beleggers in kennis moeten worden gesteld van de keuze van de uitgevende instelling voor een lidstaat van herkomst, is het aangewezen dat voor de bekendmaking van dergelijke keuzes dezelfde procedure wordt gevolgd als voor de bekendmaking van gereglementeerde informatie als bedoeld in Richtlijn 2004/109/EG.

(4)

Wanneer de verkorte halfjaarlijkse financiële overzichten niet overeenkomstig internationale standaarden voor jaarrekeningen worden opgesteld, mogen zij in elk geval geen misleidend beeld geven van de activa, de passiva, de financiële positie en de winst of het verlies van de uitgevende instelling geven. De halfjaarlijkse verslagen moeten met een gestage stroom van informatie over de resultaten van de uitgevende instelling voldoende transparantie jegens beleggers garanderen en deze informatie moet zo worden gepresenteerd dat ze gemakkelijk met de informatie in het jaarverslag over het voorgaande jaar kan worden vergeleken.

(5)

Instellingen die aandelen uitgeven en die een geconsolideerde jaarrekening overeenkomstig internationale standaarden voor jaarrekeningen (IAS) en internationale standaarden voor financiële verslaglegging (IFRS) opstellen, moeten in jaarlijkse en halfjaarlijkse verslagen ingevolge Richtlijn 2004/109/EG dezelfde definitie van transacties met verbonden partijen hanteren. Instellingen die aandelen uitgeven en die geen geconsolideerde jaarrekening overeenkomstig IAS en IFRS opstellen, moeten in hun halfjaarlijkse verslagen ingevolge Richtlijn 2004/109/EG de definitie van transacties met verbonden partijen hanteren die is opgenomen in Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g), van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (3).

(6)

Om in het geval van aandelen die uitsluitend worden verworven voor de clearing en afwikkeling van transacties, voor de vrijstelling van kennisgeving van belangrijke deelnemingen ingevolge Richtlijn 2004/109/EG in aanmerking te komen, moet de maximale lengte van de „korte afwikkelingstermijn” zo kort mogelijk blijven.

(7)

Om de relevante bevoegde autoriteit in staat te stellen haar toezichthoudende taken te verrichten met betrekking tot de voor de kennisgeving van informatie over belangrijke deelnemingen geldende afwijking voor marktmakers, moet een marktmaker die voor zo'n afwijking in aanmerking wil komen, bekendmaken dat hij als marktmaker optreedt of wil optreden, en voor welke aandelen of financiële instrumenten.

(8)

Het is van zeer groot belang dat marktmakingactiviteiten volledig transparant worden uitgevoerd. Derhalve moet de marktmaker in staat zijn om op verzoek van de relevante bevoegde autoriteit de activiteiten afzonderlijk op te geven die met betrekking tot de uitgevende instelling in kwestie, en met name de aandelen of financiële instrumenten die voor marktmakingdoeleinden worden aangehouden, worden uitgevoerd.

(9)

Wat de lijst van handelsdagen betreft, moeten termijnen gemakshalve worden berekend aan de hand van de handelsdagen in de lidstaat van herkomst van de uitgevende instelling. Wel moet omwille van de transparantie ervoor worden gezorgd dat elke bevoegde autoriteit aan de beleggers en marktdeelnemers de lijst van handelsdagen bekendmaakt van de diverse gereglementeerde markten die op haar grondgebied gelegen of werkzaam zijn.

(10)

Wat de omstandigheden betreft waarin kennisgeving van belangrijke deelnemingen vereist is, moet worden vastgesteld wanneer deze verplichting individueel dan wel collectief ontstaat en hoe deze verplichting in het geval van volmachten moet worden nagekomen.

(11)

Er mag redelijkerwijs van worden uitgegaan dat natuurlijke personen of juridische entiteiten bij de verwerving of overdracht van belangrijke deelnemingen grote zorgvuldigheid betrachten. Bijgevolg zullen dergelijke personen of entiteiten zeer snel op de hoogte zijn van zulke verwervingen of overdrachten of van de mogelijkheid om stemrechten uit te oefenen, en daarom moet een zeer korte termijn volgend op de desbetreffende transactie worden vastgesteld als termijn waarna zij geacht worden kennis te hebben.

(12)

Alleen moederondernemingen die kunnen aantonen dat hun beheermaatschappijen of beleggingsondernemingen aan afdoende voorwaarden van onafhankelijkheid voldoen, mogen worden vrijgesteld van de verplichting om belangrijke deelnemingen samen te voegen. Om volledige transparantie te waarborgen, moet de relevante bevoegde autoriteit vooraf met een verklaring daaromtrent daarvan in kennis worden gesteld. In dit opzicht is het van belang dat in de kennisgeving de bevoegde autoriteit wordt vermeld die overeenkomstig de voorwaarden vastgelegd in Richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (4) toezicht houdt op de activiteiten van de beheermaatschappijen ongeacht of hun op grond van die richtlijn vergunning is verleend, mits ze als dit niet het geval is bij nationale wetgeving aan toezicht zijn onderworpen.

(13)

Voor de toepassing van Richtlijn 2004/109/EG moet in het kader van de kennisgeving van belangrijke deelnemingen rekening worden gehouden met financiële instrumenten, voor zover dergelijke instrumenten de houder ervan een onvoorwaardelijk recht verlenen om de onderliggende aandelen te verwerven dan wel zelf een keuze te maken tussen verwerving van de onderliggende aandelen of een uitkering in contanten op de vervaldatum. Daarom mogen financiële instrumenten niet worden geacht instrumenten te omvatten die de houder ervan het recht op aandelen verleent als de prijs van het onderliggende aandeel op een bepaald moment een bepaald niveau bereikt. Evenmin mogen zij worden geacht instrumenten te omvatten die de uitgevende instelling van het instrument of een derde partij het recht verlenen om de houder van het instrument op de vervaldatum aandelen of contanten te geven.

(14)

De financiële instrumenten in deel C van bijlage I bij Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad (5) die niet in artikel 11, lid 1, van deze richtlijn van de Commissie worden genoemd, gelden niet als financiële instrumenten in de zin van artikel 13, lid 1, van Richtlijn 2004/109/EG.

(15)

Richtlijn 2004/109/EG stelt hoogwaardige eisen aan de verspreiding van gereglementeerde informatie. Voor de toepassing van die richtlijn is louter de beschikbaarheid van informatie, hetgeen impliceert dat beleggers actief daarnaar op zoek moeten gaan, niet toereikend. Daarom moeten uitgevende instellingen dergelijke informatie actief onder de media verspreiden met de bedoeling beleggers te bereiken.

(16)

Minimumkwaliteitsnormen voor de verspreiding van gereglementeerde informatie zijn nodig om ervoor te zorgen dat beleggers ook al zijn ze in een andere lidstaat dan die van de uitgevende instelling gevestigd, toch gelijkelijk toegang tot gereglementeerde informatie hebben. Uitgevende instellingen moeten ervoor zorgen dat aan deze minimumnormen wordt voldaan, door de gereglementeerde informatie ofwel zelf te verspreiden, ofwel een derde daarmee te belasten. In het laatste geval moet de derde in staat zijn om de gereglementeerde informatie onder afdoende voorwaarden te verspreiden en over adequate mechanismen beschikken om te garanderen dat de ontvangen gereglementeerde informatie afkomstig is van de desbetreffende uitgevende instelling en dat er geen wezenlijk risico op gegevensvervalsing of ongeoorloofde toegang tot niet-gepubliceerde voorwetenschap bestaat. Wanneer de derde andere diensten aanbiedt of andere taken uitoefent, zoals die van media, bevoegde autoriteiten, effectenbeurzen of de entiteit die met het officieel aangewezen opslagmechanisme belast is, moeten dergelijke diensten of taken duidelijk gescheiden worden gehouden van de diensten en taken die verband houden met de verspreiding van gereglementeerde informatie. Bij de mededeling van informatie aan de media moeten uitgevende instellingen en derden bij voorkeur gebruikmaken van elektronische hulpmiddelen en van de gangbare standaardformaten zodat de informatie gemakkelijker en sneller kan worden verwerkt.

(17)

Voorts moet gereglementeerde informatie in elk geval op zodanige wijze worden verspreid dat zij voor een zo groot mogelijk publiek toegankelijk is en zij het publiek in de lidstaat van de uitgevende instelling en daarbuiten zo mogelijk gelijktijdig bereikt. Een en ander doet geen afbreuk aan het recht van lidstaten om uitgevende instellingen te verzoeken gereglementeerde informatie deels of in haar geheel in kranten te publiceren, of aan de mogelijkheid van uitgevende instellingen om gereglementeerde informatie op hun eigen of op andere voor beleggers toegankelijke websites beschikbaar te stellen.

(18)

Algemene bekendmakingsvoorschriften van derde landen moeten gelijkwaardig kunnen worden verklaard wanneer gebruikers op grond daarvan de beschikking krijgen over een begrijpelijke en min of meer gelijkwaardige analyse van de positie van een uitgevende instelling die hen in staat stelt soortgelijke beslissingen te nemen als die op grond van informatie waarover zij ingevolge Richtlijn 2004/109/EG de beschikking zouden krijgen, ook al zijn de verplichtingen niet identiek. Wel moet gelijkwaardigheid beperkt blijven tot de essentie van de relevante informatie en mogen geen uitzonderingen op de termijnen van Richtlijn 2004/109/EG worden aanvaard.

(19)

Om te kunnen uitmaken of een uitgevende instelling uit een derde land al dan niet voldoet aan verplichtingen die gelijkwaardig zijn aan die van artikel 4, lid 3, van Richtlijn 2004/109/EG, moet worden gezorgd voor samenhang met Verordening (EG) nr. 809/2004 van de Commissie van 29 april 2004 tot uitvoering van Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de in het prospectus te verstrekken informatie, de vormgeving van het prospectus, de opneming van informatie door middel van verwijzing, de publicatie van het prospectus en de verspreiding van advertenties betreft (6), en met name met de rubrieken die op de in een prospectus op te nemen historische financiële informatie betrekking hebben.

(20)

Wat de gelijkwaardigheid van onafhankelijkheidsvoorwaarden betreft, moet een moederonderneming van een beheermaatschappij of beleggingsonderneming die haar statutaire zetel in een derde land heeft, voor een vrijstelling ingevolge artikel 12, lid 4 of lid 5, van Richtlijn 2004/109/EG in aanmerking kunnen komen, ongeacht of krachtens de wet van het derde land voor de gecontroleerde beheermaatschappij of beleggingsonderneming een vergunning vereist is om beheeractiviteiten of portefeuillebeheeractiviteiten uit te voeren, mits aan bepaalde onafhankelijkheidsvoorwaarden is voldaan.

(21)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen stroken met het advies van het Europees Comité voor het effectenbedrijf,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Voorwerp

Deze richtlijn stelt concrete voorschriften vast voor de uitvoering van artikel 2, lid 1, onder i), punt ii), artikel 5, lid 3, tweede alinea, artikel 5, lid 4, tweede zin, artikel 9, leden 1, 2 en 4, artikel 10, artikel 12, leden 1, 2, 4, 5 en 6, artikel 12, lid 2, onder a), artikel 13, lid 1, artikel 21, lid 1, en artikel 23, leden 1 en 6, van Richtlijn 2004/109/EG.

Artikel 2

Procedure voor de keuze van de lidstaat van herkomst

(Artikel 2, lid 1, onder i), punt ii), van Richtlijn 2004/109/EG)

Wanneer de uitgevende instelling een lidstaat van herkomst kiest, wordt voor de bekendmaking van deze keuze dezelfde procedure gevolgd als voor de bekendmaking van gereglementeerde informatie.

Artikel 3

Minimuminhoud van halfjaarlijkse niet-geconsolideerde financiële overzichten

(Artikel 5, lid 3, tweede alinea, van Richtlijn 2004/109/EG)

1.   Wanneer de verkorte halfjaarlijkse financiële overzichten niet worden opgesteld overeenkomstig internationale standaarden voor jaarrekeningen, zoals goedgekeurd volgens de procedure van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1606/2002, bevatten zij ten minste de in de leden 2 en 3 genoemde informatie.

2   De verkorte balans en de verkorte winst-en-verliesrekening bevatten alle kopjes en subtotalen die in de meest recente jaarlijkse financiële overzichten van de uitgevende instelling zijn opgenomen. Er worden additionele posten opgenomen indien de halfjaarlijkse financiële overzichten een misleidend beeld geven van de activa, de passiva, de financiële positie en de winst of het verlies van de uitgevende instelling wanneer deze posten zouden worden weggelaten.

Voorts wordt de volgende vergelijkende informatie opgenomen:

a)

een balans aan het eind van de eerste zes maanden van het lopende boekjaar en een vergelijkende balans aan het eind van het voorgaande boekjaar;

b)

een winst-en-verliesrekening voor de eerste zes maanden van het lopende boekjaar met, vanaf twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn, vergelijkende informatie voor de vergelijkbare periode van het voorgaande boekjaar.

3.   De toelichtingen bevatten het volgende:

a)

voldoende informatie om de verkorte halfjaarlijkse financiële overzichten met de jaarlijkse financiële overzichten te kunnen vergelijken;

b)

voldoende informatie en uitleg om de gebruiker een goed inzicht te kunnen verschaffen in wezenlijke veranderingen van bedragen en in de ontwikkelingen in de betrokken periode van zes maanden die van invloed zijn op de balans en de winst-en-verliesrekening.

Artikel 4

Belangrijkste transacties met verbonden partijen

(Artikel 5, lid 4, tweede zin, van Richtlijn 2004/109/EG)

1.   In het tussentijdse jaarverslag maken instellingen die aandelen uitgeven, met betrekking tot de belangrijkste transacties met verbonden partijen ten minste het volgende bekend:

a)

transacties met verbonden partijen die in de eerste zes maanden van het lopende boekjaar hebben plaatsgevonden en die wezenlijke gevolgen hebben gehad voor de financiële positie of resultaten van de onderneming in deze periode;

b)

alle wijzigingen in de in het meest recente jaarverslag beschreven transacties met verbonden partijen die wezenlijke gevolgen kunnen hebben voor de financiële positie of resultaten van de onderneming in de eerste zes maanden van het lopende boekjaar.

2.   Wanneer de instelling die aandelen uitgeeft, geen geconsolideerde jaarrekening hoeft op te stellen, maakt zij ten minste de in artikel 43, lid 1, punt 7 ter, van Richtlijn 78/660/EEG bedoelde transacties met verbonden partijen bekend.

Artikel 5

Maximale lengte van de gebruikelijke „korte afwikkelingstermijn”

(Artikel 9, lid 4, van Richtlijn 2004/109/EG)

De maximale lengte van de gebruikelijke „korte afwikkelingstermijn” bedraagt drie handelsdagen na de transactie.

Artikel 6

Mechanismen voor de controle door de bevoegde autoriteiten wat betreft marktmakers

(Artikel 9, lid 5, van Richtlijn 2004/109/EG)

1.   Een marktmaker die voor de vrijstelling als bedoeld in artikel 9, lid 5, van Richtlijn 2004/109/EG in aanmerking wenst te komen, stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de uitgevende instelling uiterlijk binnen de in artikel 12, lid 2, van Richtlijn 2004/109/EG genoemde termijn ervan in kennis dat hij met betrekking tot een bepaalde uitgevende instelling marktmakingactiviteiten uitvoert of uit wil voeren.

Wanneer de marktmaker met betrekking tot de betrokken uitgevende instelling zijn marktmakingactiviteiten staakt, stelt hij de bevoegde autoriteit daarvan in kennis.

2.   Wanneer een marktmaker die voor de vrijstelling als bedoeld in artikel 9, lid 5, van die richtlijn in aanmerking wenst te komen, door de bevoegde autoriteit van de uitgevende instelling wordt verzocht de aandelen of financiële instrumenten afzonderlijk op te geven die voor marktmakingdoeleinden worden aangehouden, wordt het, onverminderd de toepassing van artikel 24 van Richtlijn 2004/109/EG, de betrokken marktmaker toegestaan een dergelijke afzonderlijke opgave op een verifieerbare wijze te verrichten. Alleen indien de marktmaker niet in staat is om de betrokken aandelen of financiële instrumenten afzonderlijk op te geven, mag van hem worden verlangd dat deze met het oog op een dergelijke afzonderlijke opgave op een aparte rekening worden aangehouden.

3.   Indien op grond van nationaal recht een marktmakingovereenkomst tussen de marktmaker en de effectenbeurs en/of de uitgevende instelling vereist is, verstrekt de marktmaker, onverminderd de toepassing van artikel 24, lid 4, onder a), van Richtlijn 2004/109/EG, de overeenkomst op verzoek van de relevante bevoegde autoriteit aan deze autoriteit.

Artikel 7

Lijst van handelsdagen

(Artikel 12, leden 2 en 6, en artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2004/109/EG)

1.   Voor de toepassing van artikel 12, leden 2 en 6, en artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2004/109/EG geldt de lijst van handelsdagen van de lidstaat van herkomst van de uitgevende instelling.

2.   Elke bevoegde autoriteit publiceert op haar website de lijst van handelsdagen van de diverse gereglementeerde markten die in haar rechtsgebied gelegen of werkzaam zijn.

Artikel 8

Aandeelhouders en in artikel 10 van de Transparantierichtlijn bedoelde natuurlijke personen of juridische entiteiten die kennis moeten geven van belangrijke deelnemingen

(Artikel 12, lid 2, van Richtlijn 2004/109/EG)

1.   Voor de toepassing van artikel 12, lid 2, van Richtlijn 2004/109/EG is de kennisgevingsverplichting die ontstaat zodra het percentage van de gehouden stemrechten na transacties van het soort als bedoeld in artikel 10 van Richtlijn 2004/109/EG de toepasselijke drempelwaarden bereikt, overschrijdt of onderschrijdt, een individuele verplichting die op elke aandeelhouder of op elke in artikel 10 van die richtlijn bedoelde natuurlijke persoon of juridische entiteit, dan wel op beiden rust wanneer het percentage van de door elk van de partijen gehouden stemrechten de toepasselijke drempelwaarde bereikt, overschrijdt of onderschrijdt.

In de in artikel 10, onder a), van Richtlijn 2004/109/EG genoemde omstandigheden is de kennisgevingsverplichting een collectieve verplichting van alle partijen bij de overeenkomst.

2.   In de in artikel 10, onder h), van Richtlijn 2004/109/EG genoemde omstandigheden kan indien een aandeelhouder de volmacht voor één aandeelhoudersvergadering verleent, worden volstaan met een enkele kennisgeving op het moment waarop de volmacht wordt verleend, mits in de kennisgeving duidelijk wordt gemaakt wat de resulterende situatie is wat de stemrechten betreft, wanneer de gevolmachtigde de stemrechten niet meer naar eigen goeddunken mag uitoefenen.

Als in de in artikel 10, onder h), genoemde omstandigheden de gevolmachtigde voor één aandeelhoudersvergadering een of meer volmachten krijgt, kan worden volstaan met een enkele kennisgeving op het moment waarop de verleende volmachten worden verkregen, mits in de kennisgeving duidelijk wordt gemaakt wat de resulterende situatie is wat de stemrechten betreft, wanneer de gevolmachtigde de stemrechten niet meer naar eigen goeddunken mag uitoefenen.

3.   Wanneer de kennisgevingsplicht op meer dan een natuurlijke persoon of juridische entiteit rust, kan worden volstaan met een enkele gemeenschappelijke kennisgeving.

Ook al wordt een enkele gemeenschappelijke kennisgeving verricht, toch mag geen van de betrokken natuurlijke personen of juridische entiteiten worden geacht te zijn ontslagen van haar verantwoordelijkheid voor de kennisgeving.

Artikel 9

Omstandigheden waaronder de persoon die de kennisgeving verricht, kennis moet hebben gekregen van de verwerving of overdracht, of van de mogelijkheid om stemrechten uit te oefenen

(Artikel 12, lid 2, van Richtlijn 2004/109/EG)

Voor de toepassing van artikel 12, lid 2, onder a), van Richtlijn 2004/109/EG wordt de aandeelhouder dan wel de in artikel 10 van die richtlijn bedoelde natuurlijke persoon of juridische entiteit uiterlijk twee handelsdagen na de transactie geacht kennis te hebben van de verwerving of overdracht of van de mogelijkheid om stemrechten uit te oefenen.

Artikel 10

Onafhankelijkheidsvoorwaarden waaraan beheermaatschappijen en beleggingsondernemingen die portefeuilles per cliënt beheren, moeten voldoen

(Artikel 12, lid 4, eerste alinea, en artikel 12, lid 5, eerste alinea, van Richtlijn 2004/109/EG)

1.   Voor de toepassing van de vrijstelling van de verplichting tot samenvoeging van deelnemingen waarin de eerste alinea's van artikel 12, leden 4 en 5, van Richtlijn 2004/109/EG voorzien, voldoet een moederonderneming van een beheermaatschappij of een beleggingsonderneming aan de volgende voorwaarden:

a)

zij mag zich niet door directe of indirecte instructies te geven of op enigerlei andere wijze bemoeien met de uitoefening van de stemrechten die worden gehouden door deze beheermaatschappij of beleggingsonderneming;

b)

deze beheermaatschappij of beleggingsonderneming moet vrij zijn om de stemrechten die aan de door haar beheerde activa verbonden zijn, onafhankelijk van de moederonderneming uit te oefenen.

2.   Een moederonderneming die van de vrijstelling wil gebruikmaken, doet de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van uitgevende instellingen waarvan de stemrechten verbonden zijn aan deelnemingen die door de beheermaatschappijen of beleggingsondernemingen worden beheerd, het volgende onverwijld toekomen:

a)

een lijst met de namen van deze beheermaatschappijen en beleggingsondernemingen waarop wordt vermeld welke bevoegde autoriteiten toezicht op hen houden of dat geen bevoegde autoriteit toezicht op hen houdt, zonder dat echter de betrokken uitgevende instellingen worden genoemd;

b)

een verklaring dat de moederonderneming voor elk van deze beheermaatschappijen of beleggingsondernemingen voldoet aan de voorwaarden van lid 1.

De moederonderneming werkt de onder a) bedoelde lijst voortdurend bij.

3.   Wanneer de moederonderneming alleen met betrekking tot de in artikel 13 van Richtlijn 2004/109/EG bedoelde financiële instrumenten voor een vrijstelling in aanmerking wil komen, doet zij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de uitgevende instelling alleen de in lid 2, onder a), bedoelde lijst toekomen.

4.   Onverminderd de toepassing van artikel 24 van Richtlijn 2004/109/EG kan een moederonderneming van een beheermaatschappij of van een beleggingsonderneming tegenover de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de uitgevende instelling desgevraagd aantonen dat:

a)

de organisatorische structuren van de moederonderneming en de beheermaatschappij of beleggingsonderneming van dien aard zijn dat de stemrechten onafhankelijk van de moederonderneming worden uitgeoefend;

b)

de personen die beslissen hoe de stemrechten worden uitgeoefend, onafhankelijk opereren;

c)

indien de moederonderneming een cliënt van haar beheermaatschappij of beleggingsonderneming is of een deelneming in de door de beheermaatschappij of beleggingsonderneming beheerde activa heeft, er een duidelijk schriftelijk mandaat voor een onafhankelijke cliëntenrelatie tussen de moederonderneming en de beheermaatschappij of beleggingsonderneming bestaat.

Het vereiste onder a) houdt minimaal in dat de moederonderneming en de beheermaatschappij of beleggingsonderneming schriftelijke gedragslijnen en procedures moeten vaststellen die redelijkerwijs voorkomen dat met betrekking tot de uitoefening van stemrechten informatie wordt uitgewisseld tussen de moederonderneming en de beheermaatschappij of beleggingsonderneming.

5.   Voor de toepassing van lid 1, onder a), wordt onder een directe instructie verstaan: een instructie van de moederonderneming of een andere gecontroleerde onderneming van de moederonderneming waarin wordt aangegeven hoe de stemrechten door de beheermaatschappij of beleggingsonderneming in specifieke gevallen moeten worden uitgeoefend.

Onder een „indirecte instructie” wordt verstaan: een algemene of specifieke instructie, in welke vorm dan ook, van de moederonderneming of een andere gecontroleerde onderneming van de moederonderneming waardoor de beheermaatschappij of beleggingsonderneming de stemrechten niet geheel naar eigen goeddunken kan uitoefenen en waarmee bepaalde zakelijke belangen van de moederonderneming of een andere gecontroleerde onderneming van de moederonderneming gediend zijn.

Artikel 11

Soorten financiële instrumenten die de houder ervan het recht verlenen om, uitsluitend op eigener beweging, aandelen te verwerven waaraan stemrechten zijn verbonden

(Artikel 13, lid 1, van Richtlijn 2004/109/EG)

1.   Voor de toepassing van artikel 13, lid 1, van Richtlijn 2004/109/EG worden effecten, alsook opties, futures, swaps, rentetermijncontracten en andere derivatencontracten als bedoeld in deel C van bijlage I bij Richtlijn 2004/39/EG geacht financiële instrumenten te zijn als zij de houder ervan het recht verlenen om, uitsluitend op eigener beweging, uit hoofde van een formele overeenkomst reeds uitgegeven aandelen waaraan stemrechten zijn verbonden, te verwerven van een uitgevende instelling waarvan de aandelen tot een gereglementeerde markt zijn toegelaten.

De houder van het instrument moet op de vervaldag hetzij het onvoorwaardelijke recht hebben om de onderliggende aandelen te verwerven hetzij naar eigen goeddunken kunnen gebruikmaken van zijn recht om dergelijke aandelen al dan niet te verwerven.

Onder een „formele overeenkomst” wordt verstaan: een overeenkomst die krachtens het toepasselijke recht bindend is.

2.   Voor de toepassing van artikel 13, lid 1, van Richtlijn 2004/109/EG voegt de houder alle op dezelfde uitgevende instelling betrekking hebbende financiële instrumenten in de zin van lid 1 samen en geeft hij daarvan kennis.

3.   De bij artikel 13, lid 1, van Richtlijn 2004/109/EG vereiste kennisgeving bevat de volgende informatie:

a)

de resulterende situatie wat de stemrechten betreft;

b)

indien van toepassing, de keten van gecontroleerde ondernemingen via welke financiële instrumenten daadwerkelijk worden gehouden;

c)

de datum waarop de drempelwaarde is bereikt of gepasseerd;

d)

voor instrumenten met een uitoefeningsperiode: een vermelding van de datum of termijn waarop aandelen zullen of kunnen worden verworven, indien van toepassing;

e)

verval- of expiratiedatum van het instrument;

f)

identiteit van de houder;

g)

naam van de onderliggende uitgevende instelling.

Voor de toepassing van punt a) wordt het percentage van de stemrechten berekend aan de hand van het totale aantal stemrechten en het totale kapitaal zoals ingevolge artikel 15 van Richtlijn 2004/109/EG door de uitgevende instelling het laatst is bekendgemaakt.

4.   De kennisgevingsperiode komt overeen met die van artikel 12, lid 2, van Richtlijn 2004/109/EG en de bijbehorende uitvoeringsvoorschriften.

5.   De kennisgeving wordt verricht aan de uitgevende instelling van het onderliggende aandeel en aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de betrokken uitgevende instelling.

Indien een financieel instrument op meer dan één onderliggend aandeel betrekking heeft, wordt aan elk van de uitgevende instellingen van de onderliggende aandelen apart kennis gegeven.

Artikel 12

Minimumnormen

(Artikel 21, lid 1, van Richtlijn 2004/109/EG)

1.   Bij de verspreiding van gereglementeerde informatie ingevolge artikel 21, lid 1, van Richtlijn 2004/109/EG worden de minimumnormen zoals vastgelegd in de leden 2 tot en met 5, in acht genomen.

2.   Gereglementeerde informatie wordt op zodanige wijze verspreid dat deze een zo groot mogelijk publiek kan bereiken en in de lidstaat van herkomst of in de artikel 21, lid 3, van Richtlijn 2004/109/EG bedoelde lidstaat en in de andere lidstaten zoveel mogelijk gelijktijdig toegankelijk is.

3.   Gereglementeerde informatie wordt volledig en onbewerkt aan de media meegedeeld.

Wel wordt in het geval van de in de artikelen 4, 5 en 6 van Richtlijn 2004/109/EG bedoelde verslagen en overzichten aan deze eis geacht te zijn voldaan als een aankondiging in verband met de gereglementeerde informatie aan de media wordt meegedeeld en daarin wordt vermeld op welke website de relevante documenten, naast het officieel aangewezen mechanisme voor de centrale opslag van gereglementeerde informatie als bedoeld in artikel 21 van die richtlijn, beschikbaar zijn.

4.   Gereglementeerde informatie wordt op zodanige wijze aan de media meegedeeld dat de beveiliging van de mededeling gewaarborgd is, het risico op gegevensvervalsing en ongeoorloofde toegang zo gering mogelijk is en zekerheid over de bron van de gereglementeerde informatie bestaat.

Er wordt gezorgd voor een veilige ontvangst door eventuele tekortkomingen of verstoringen in de mededeling van gereglementeerde informatie zo spoedig mogelijk te verhelpen.

De uitgevende instelling of de persoon die de toelating tot de handel op een gereglementeerde markt heeft aangevraagd zonder toestemming van de uitgevende instelling, zijn niet verantwoordelijk voor fouten of tekortkomingen in de systemen van de media waaraan de gereglementeerde informatie is meegedeeld.

5.   Gereglementeerde informatie wordt op zodanige wijze aan de media meegedeeld dat duidelijk is dat het om gereglementeerde informatie gaat, en daaruit duidelijk de identiteit van de betrokken uitgevende instelling, het onderwerp van de gereglementeerde informatie en het tijdstip en de datum van mededeling van de informatie door de uitgevende instelling of de persoon die de toelating tot de handel op een gereglementeerde markt heeft aangevraagd zonder toestemming van de uitgevende instelling, blijken.

Desgevraagd kunnen de uitgevende instelling of de persoon die de toelating tot de handel op een gereglementeerde markt heeft aangevraagd zonder toestemming van de uitgevende instelling, met betrekking tot een bekendmaking van gereglementeerde informatie het volgende aan de bevoegde autoriteit meedelen:

a)

de naam van de persoon die de informatie aan de media heeft meegedeeld;

b)

de bijzonderheden over de beveiligingsvalidering;

c)

de datum en het tijdstip waarop de informatie aan de media is meegedeeld;

d)

de drager waarop de informatie is verstrekt;

e)

indien van toepassing, bijzonderheden over het embargo dat de uitgevende instelling op de gereglementeerde informatie heeft gelegd.

Artikel 13

Aan artikel 4, lid 2, onder b), van Richtlijn 2004/109/EG gelijkwaardige verplichtingen

(Artikel 23, lid 1, van Richtlijn 2004/109/EG)

Een derde land wordt geacht verplichtingen op te leggen die gelijkwaardig zijn aan die van artikel 4, lid 2, onder b), van Richtlijn 2004/109/EG, wanneer het jaarverslag krachtens de wetgeving van dit land ten minste de volgende informatie moet bevatten:

a)

een getrouw overzicht van de ontwikkeling en de resultaten van het bedrijf en van de positie van de uitgevende instelling, samen met een beschrijving van de voornaamste risico's en onzekerheden waarmee zij geconfronteerd wordt; het overzicht bevat een evenwichtige en grondige analyse van de ontwikkeling en de resultaten van het bedrijf en van de positie van de uitgevende instelling welke aan de omvang en de complexiteit van het bedrijf evenredig is;

b)

informatie over alle belangrijke gebeurtenissen die na het einde van het boekjaar hebben plaatsgevonden;

c)

informatie over de waarschijnlijke toekomstige ontwikkeling van de uitgevende instelling.

De onder a) bedoelde analyse bevat zoveel essentiële, voor het specifieke bedrijf relevante financiële én, voor zover van toepassing, niet-financiële prestatie-indicatoren als nodig is om inzicht te krijgen in de ontwikkeling, resultaten en positie van de uitgevende instelling.

Artikel 14

Aan artikel 5, lid 4, van Richtlijn 2004/109/EG gelijkwaardige verplichtingen

(Artikel 23, lid 1, van Richtlijn 2004/109/EG)

Een derde land wordt geacht verplichtingen op te leggen die gelijkwaardig zijn aan die van artikel 5, lid 4, van Richtlijn 2004/109/EG, wanneer krachtens de wetgeving van dit land naast het tussentijdse jaarverslag verkorte financiële overzichten vereist zijn en het tussentijdse jaarverslag ten minste de volgende informatie moet bevatten:

a)

een overzicht van de verslagperiode;

b)

informatie over de waarschijnlijke toekomstige ontwikkeling van de uitgevende instelling in de resterende zes maanden van het boekjaar;

c)

voor instellingen die aandelen uitgeven: de belangrijkste transacties met verbonden partijen zo deze niet al doorlopend worden bekendgemaakt.

Artikel 15

Aan artikel 4, lid 2, en artikel 5, lid 2, onder c), van Richtlijn 2004/109/EG gelijkwaardige verplichtingen

(Artikel 23, lid 1, van Richtlijn 2004/109/EG)

Een derde land wordt geacht verplichtingen op te leggen die gelijkwaardig zijn aan die van artikel 4, lid 2, onder c), en artikel 5, lid 2, onder c), van Richtlijn 2004/109/EG, wanneer een bepaalde persoon of bepaalde personen binnen de uitgevende instelling krachtens de wetgeving van dit land verantwoordelijk zijn voor de jaarlijkse en halfjaarlijkse financiële informatie, en met name voor het volgende:

a)

de conformiteit van de financiële overzichten met het toepasselijke verslaggevingskader of de toepasselijke reeks standaarden voor jaarrekeningen;

b)

de getrouwheid van het overzicht in het jaarverslag.

Artikel 16

Aan artikel 6 van Richtlijn 2004/109/EG gelijkwaardige verplichtingen

(Artikel 23, lid 1, van Richtlijn 2004/109/EG)

Een derde land wordt geacht verplichtingen op te leggen die gelijkwaardig zijn aan die van artikel 6 van Richtlijn 2004/109/EG, wanneer een uitgevende instelling krachtens de wetgeving van dit land driemaandelijkse financiële verslagen moet publiceren.

Artikel 17

Aan artikel 4, lid 3, van Richtlijn 2004/109/EG gelijkwaardige verplichtingen

(Artikel 23, lid 1, van Richtlijn 2004/109/EG)

Een derde land wordt geacht verplichtingen op te leggen die gelijkwaardig zijn aan die van artikel 4, lid 3, eerste alinea, van Richtlijn 2004/109/EG, wanneer de moederonderneming krachtens de wetgeving van dit land niet verplicht is een individuele jaarrekening te verstrekken, maar de uitgevende instelling die haar statutaire zetel in dit derde land heeft, verplicht is bij de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening de volgende informatie te vermelden:

a)

voor instellingen die aandelen uitgeven: dividendberekening en vermogen om dividend uit te keren;

b)

voor alle uitgevende instellingen: voor zover van toepassing, minimumkapitaal- en aandelenkapitaalvereisten, alsook informatie over de liquiditeit.

Omwille van de gelijkwaardigheid moet de uitgevende instelling de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst ook aanvullende gecontroleerde informatie over de individuele jaarrekening van de uitgevende instelling op solobasis kunnen verstrekken die voor de onder a) en b) bedoelde informatie van belang zijn. Deze informatie mag volgens de standaarden voor jaarrekeningen van het derde land worden opgesteld.

Artikel 18

Aan artikel 4, lid 3, tweede alinea, van Richtlijn 2004/109/EG gelijkwaardige verplichtingen

(Artikel 23, lid 1, van Richtlijn 2004/109/EG)

Een derde land wordt geacht met betrekking tot de individuele jaarrekening verplichtingen op te leggen die gelijkwaardig zijn aan die van artikel 4, lid 3, tweede alinea, van Richtlijn 2004/109/EG, wanneer een uitgevende instelling die haar statutaire zetel in dit derde land heeft, krachtens de wetgeving van dit land geen geconsolideerde jaarrekening hoeft op te stellen, maar wel haar individuele jaarrekening moet opstellen volgens de internationale, ingevolge artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (7) erkende standaarden voor jaarrekeningen zoals deze in de Gemeenschap van toepassing zijn, dan wel volgens de standaarden voor jaarrekeningen van het derde land die aan deze standaarden gelijkwaardig zijn.

Omwille van de gelijkwaardigheid moet dergelijke financiële informatie in de vorm van aangepaste financiële overzichten worden gepresenteerd indien ze niet met deze standaarden in overeenstemming is.

Voorts moet de individuele jaarrekening door een onafhankelijke accountant worden gecontroleerd.

Artikel 19

Aan artikel 12, lid 6, van Richtlijn 2004/109/EG gelijkwaardige verplichtingen

(Artikel 23, lid 1, van Richtlijn 2004/109/EG)

Een derde land wordt geacht verplichtingen op te leggen die gelijkwaardig zijn aan die van artikel 12, lid 6, van Richtlijn 2004/109/EG, wanneer de termijn waarbinnen een uitgevende instelling die haar statutaire zetel in dit derde land heeft, van belangrijke deelnemingen in kennis moet worden gesteld en waarbinnen zij deze belangrijke deelnemingen aan het publiek moet bekendmaken, krachtens de wetgeving van dit land in totaal gelijk is aan of korter is dan zeven handelsdagen.

De termijnen voor de kennisgeving aan de uitgevende instelling en voor de daaropvolgende bekendmaking aan het publiek door de uitgevende instelling kunnen derhalve afwijken van die welke worden vastgelegd in artikel 12, leden 2 en 6, van Richtlijn 2004/109/EG.

Artikel 20

Aan artikel 14 van Richtlijn 2004/109/EG gelijkwaardige verplichtingen

(Artikel 23, lid 1, van Richtlijn 2004/109/EG)

Een derde land wordt geacht verplichtingen op te leggen die gelijkwaardig zijn aan die van artikel 14 van Richtlijn 2004/109/EG, wanneer een uitgevende instelling die haar statutaire zetel in dit derde land heeft, krachtens de wetgeving van dit land aan de volgende voorwaarden moet voldoen:

a)

een uitgevende instelling die tot maximaal 5 % van haar eigen aandelen waaraan stemrechten verbonden zijn, mag houden, moet telkens als deze drempel wordt bereikt of gepasseerd, daarvan kennis geven;

b)

een uitgevende instelling die maximaal 5 % tot 10 % van haar eigen aandelen waaraan stemrechten verbonden zijn, mag houden, moet telkens als een drempel van 5 % of dit maximum wordt bereikt of gepasseerd, daarvan kennis geven;

c)

een uitgevende instelling die meer dan 10 % van haar eigen aandelen waaraan stemrechten verbonden zijn, mag houden, moet telkens als de drempel van 5 % of de drempel van 10 % wordt bereikt of gepasseerd, daarvan kennis geven.

Omwille van de gelijkwaardigheid is boven de drempel van 10 % geen kennisgeving vereist.

Artikel 21

Aan artikel 15 van Richtlijn 2004/109/EG gelijkwaardige verplichtingen

(Artikel 23, lid 1, van Richtlijn 2004/109/EG)

Een derde land wordt geacht verplichtingen op te leggen die gelijkwaardig zijn aan die van artikel 15 van Richtlijn 2004/109/EG, wanneer een uitgevende instelling die haar statutaire zetel in dit derde land heeft, krachtens de wetgeving van dit land verplicht is het totale aantal stemrechten en het totale kapitaal binnen 30 kalenderdagen nadat dit totaal is gestegen of gedaald, aan het publiek bekend te maken.

Artikel 22

Aan artikel 17, lid 2, onder a), en artikel 18, lid 2, onder a), van Richtlijn 2004/109/EG gelijkwaardige verplichtingen

(Artikel 23, lid 1, van Richtlijn 2004/109/EG)

Een derde land wordt geacht met betrekking tot de inhoud van de informatie over vergaderingen verplichtingen op te leggen die gelijkwaardig zijn aan die van artikel 17, lid 2, onder a), en artikel 18, lid 2, onder a), van Richtlijn 2004/109/EG, wanneer een uitgevende instelling die haar statutaire zetel in dit derde land heeft, krachtens de wetgeving van dit land verplicht is ten minste informatie over de plaats, het tijdstip en de agenda van vergaderingen te verstrekken.

Artikel 23

Gelijkwaardigheid met betrekking tot het onafhankelijkheidscriterium voor moederondernemingen van beheermaatschappijen en beleggingsondernemingen

(Artikel 23, lid 6, van Richtlijn 2004/109/EG)

1.   Een derde land wordt geacht onafhankelijkheidsvoorwaarden te stellen die gelijkwaardig zijn aan die van artikel 12, leden 4 en 5, van die richtlijn wanneer een beheermaatschappij of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 23, lid 6, van Richtlijn 2004/109/EG, krachtens de wetgeving van dit land aan de volgende voorwaarden moet voldoen:

a)

de beheermaatschappij of beleggingsonderneming moet te allen tijde vrij zijn om de stemrechten die aan de door haar beheerde activa verbonden zijn, onafhankelijk van haar moederonderneming uit te oefenen;

b)

de beheermaatschappij of beleggingsonderneming moet de belangen van de moederonderneming of van enige andere gecontroleerde onderneming van de moederonderneming terzijde schuiven telkens wanneer zich belangenconflicten voordoen.

2.   De moederonderneming voldoet aan de kennisgevingsvereisten van artikel 10, lid 2, onder a), en artikel 10, lid 3, van deze richtlijn.

Voorts verklaart de moederonderneming dat zij voor elk van de betrokken beheermaatschappijen of beleggingsondernemingen voldoet aan de voorwaarden van lid 1.

3.   Onverminderd de toepassing van artikel 24 van Richtlijn 2004/109/EG kan de moederonderneming tegenover de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de uitgevende instelling desgevraagd aantonen dat aan de vereisten van artikel 10, lid 4, van deze richtlijn wordt voldaan.

Artikel 24

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk twaalf maanden na de datum van vaststelling aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 25

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 26

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2007.

Voor de Commissie

Charlie McCREEVY

Lid van de Commissie


(1)  PB L 390 van 31.12.2004, blz. 38.

(2)  Het CEER is ingesteld bij Besluit 2001/527/EG van de Commissie van 6 juni 2001 (PB L 191 van 13.7.2001, blz. 43).

(3)  PB L 222 van 14.8.1978, blz. 11. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 224 van 16.8.2006, blz. 1).

(4)  PB L 375 van 31.12.1985, blz. 3. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2005/1/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 79 van 24.3.2005, blz. 9).

(5)  PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2006/31/EG (PB L 114 van 27.4.2006, blz. 60).

(6)  PB L 149 van 30.4.2004, blz. 1, gerectificeerd in PB L 215 van 16.6.2004, blz. 3. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1787/2006 (PB L 337 van 5.12.2006, blz. 17).

(7)  PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1.


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Raad

9.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/37


BESLUIT VAN DE RAAD

van 22 februari 2007

betreffende het standpunt van de Gemeenschap over het ontwerp-reglement van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties inzake de goedkeuring van motorvoertuigen wat het gezichtsveld naar voren van de bestuurder betreft

(Voor de EER relevante tekst)

(2007/159/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Besluit 97/836/EG van de Raad van 27 november 1997 inzake de toetreding van de Europese Gemeenschap tot de overeenkomst van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen (1), en met name op artikel 4, lid 2, tweede streepje,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien de instemming van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het ontwerp-reglement van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties inzake de goedkeuring van motorvoertuigen wat het gezichtsveld naar voren van de bestuurder betreft (2) zal met betrekking tot deze aspecten de technische belemmeringen voor de handel in motorvoertuigen tussen de overeenkomstsluitende partijen opheffen en tegelijkertijd een hoog niveau van veiligheid waarborgen.

(2)

Het is zaak het standpunt van de Gemeenschap over dit ontwerp-reglement te bepalen en dientengevolge de Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, in staat te stellen voor het ontwerp te stemmen.

(3)

Dit ontwerp-reglement moet in het communautaire systeem voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen worden opgenomen, omdat het toepassingsgebied van Richtlijn 77/649/EEG van de Raad van 27 september 1977 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het zichtveld van de bestuurder van motorvoertuigen (3) vergelijkbaar is met dat van dit ontwerp-reglement,

BESLUIT:

Artikel 1

Het ontwerp-reglement van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake de goedkeuring van motorvoertuigen wat het gezichtsveld naar voren van de bestuurder betreft, zoals vervat in document TRANS/WP.29/2005/82, wordt goedgekeurd.

Artikel 2

Tijdens een van de volgende zittingen van het administratief comité van het Wereldforum voor de harmonisatie van reglementen voor voertuigen van de VN/ECE zal de Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, voor het in artikel 1 bedoelde ontwerp-reglement van de VN/ECE stemmen.

Artikel 3

Het VN/ECE-reglement inzake de goedkeuring van motorvoertuigen wat het gezichtsveld naar voren van de bestuurder betreft wordt opgenomen in het communautaire systeem voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen.

Gedaan te Brussel, 22 februari 2007.

Voor de Raad

De voorzitter

F. MÜNTEFERING


(1)  PB L 346 van 17.12.1997, blz. 78.

(2)  VN/ECE-document TRANS/WP.29/2005/82.

(3)  PB L 267 van 19.10.1977, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 90/630/EEG van de Commissie (PB L 341 van 6.12.1990, blz. 20).


9.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/39


BESLUIT VAN DE RAAD

van 22 februari 2007

betreffende het standpunt van de Gemeenschap over het ontwerp-reglement van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties inzake de goedkeuring van niet als oorspronkelijke uitrustingsstukken geleverde scheidingssystemen die gebruikt worden om inzittenden tegen de verplaatsing van bagage te beschermen

(Voor de EER relevante tekst)

(2007/160/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Besluit 97/836/EG van de Raad van 27 november 1997 inzake de toetreding van de Europese Gemeenschap tot de overeenkomst van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen (1), en met name op artikel 4, lid 2, tweede streepje,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien de instemming van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij het ontwerp-reglement van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake de goedkeuring van niet als oorspronkelijke uitrustingsstukken geleverde scheidingssystemen die gebruikt worden om inzittenden tegen de verplaatsing van bagage te beschermen (2), worden de technische belemmeringen voor de handel in motorvoertuigen tussen de overeenkomstsluitende partijen ten aanzien van deze onderdelen opgeheven, terwijl toch een hoog niveau van veiligheid en milieubescherming wordt gewaarborgd.

(2)

Het is zaak het standpunt van de Gemeenschap over het ontwerp-reglement te bepalen en dientengevolge de Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, in staat te stellen voor dit ontwerp te stemmen.

(3)

Aangezien het ontwerp-reglement betrekking heeft op de levering van niet-oorspronkelijke uitrustingsstukken moet het niet worden opgenomen in het communautaire systeem voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen,

BESLUIT:

Artikel 1

Het ontwerp-reglement van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake niet als oorspronkelijke uitrustingsstukken geleverde scheidingssystemen die gebruikt worden om inzittenden tegen de verplaatsing van bagage te beschermen wordt goedgekeurd.

Artikel 2

Tijdens een van de volgende zittingen van het Administratief Comité van het Wereldforum voor de harmonisatie van reglementen voor voertuigen van de VN/ECE stemt de Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, voor het in artikel 1 bedoelde ontwerp-reglement van de VN/ECE.

Artikel 3

Het ontwerp-reglement van de VN/ECE inzake niet als oorspronkelijke uitrustingsstukken geleverde scheidingssystemen die gebruikt worden om inzittenden tegen de verplaatsing van bagage te beschermen wordt niet opgenomen in het communautaire systeem voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen.

Gedaan te Brussel, 22 februari 2007.

Voor de Raad

De voorzitter

F. MÜNTEFERING


(1)  PB L 346 van 17.12.1997, blz. 78.

(2)  Document TRANS/WP.29/2005/88.


Commissie

9.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/40


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 10 augustus 2006

waarbij een concentratie verenigbaar wordt verklaard met de gemeenschappelijke markt en de werking van de EER-overeenkomst

(Zaak COMP/M.4094 — Ineos/BP Dormagen)

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 3592)

(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2007/161/EG)

Op 10 augustus 2006 heeft de Commissie een beschikking gegeven met betrekking tot een zaak in het kader van artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (1). Een niet-vertrouwelijke versie van de volledige tekst van de beschikking is beschikbaar in de oorspronkelijke taal van de zaak en in de werktalen van de Commissie op de website van DG Concurrentie op het volgende adres: http://ec.europa.eu/comm/competiton/index_en.html

(1)

Op 24 januari 2006 ontving de Commissie een aanmelding waarin werd meegedeeld dat de onderneming INEOS Group Limited („Ineos”) voornemens is zeggenschap te verkrijgen over de onderneming BP Ethylene Oxide/Ethylene Glycol Business („BP Dormagen Business”) welke onder zeggenschap staat van British Petroleum Group („BP”), door de aankoop van aandelen.

(2)

Ineos is een naamloze vennootschap naar Brits recht met verschillende volledige dochterondernemingen die in de hele wereld actief zijn op het gebied van de productie, distributie, verkoop en het op de markt brengen van intermediaire en gespecialiseerde chemicaliën. Op 16 december 2006 verwierf Ineos Innovene, die de vroegere activiteiten van BP op het gebied van olefinen, afgeleide producten en geraffineerde producten behelst (met uitzondering van BP Dormagen Business, die het voorwerp uitmaakt van deze beschikking) en die verschillende petrochemische producten, waaronder olefinen, de afgeleide producten daarvan en een reeks geraffineerde producten vervaardigt (2). Die transactie werd door de Commissie op 9 december 2005 goedgekeurd (zaak COMP/M.4005 — Ineos/Innovene, de „hoofdtransactie”).

(3)

BP Dormagen Business, die alleen bestaat uit een fabriek in Keulen/Dormagen (Duitsland), staat thans onder zeggenschap van BP en is actief op het gebied van de productie van ethyleenoxide („EO”) en ethyleenglycol („EGs of glycolen”).

(4)

Het Adviescomité inzake concentraties bracht op de 143e bijeenkomst van 28 juli 2006 een gunstig advies uit over een door de Commissie aan het comité voorgelegde ontwerp-goedkeuringsbeschikking (3).

(5)

De raadadviseur-auditeur meldde in een verslag van 26 juli 2006 dat het recht van de partijen om te worden gehoord, gerespecteerd werd (3).

I.   DE RELEVANTE MARKTEN

Achtergrond

(6)

In haar onderzoek betreffende de hoofdtransactie analyseerde de Commissie de markten voor ethyleenoxide („EO”) en een aantal van zijn derivaten („EODs”), in het bijzonder, alcoholethoxylaten, glycolethers („GEs”) en ethanolaminen („EOAs”). De Commissie kwam tot de conclusie dat de hoofdtransactie geen ernstige twijfels deed rijzen over de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt op de horizontaal en verticaal verbonden markten.

(7)

De enige producten die BP Dormagen Business vervaardigt en verkoopt, zijn EO en EGs. Ineos produceert een ruim gamma van chemicaliën, waaronder EO en EO-derivaten (met inbegrip van EGs). Derhalve zijn er als gevolg van de voorgenomen overname van BP Dormagen Business door Ineos, alleen horizontale overlappingen op gebied van EO en EGs. Daarenboven bestaat er een verticale relatie met de upstreammarkt van EO (met betrekking tot ethyleen) en de downstreammarkt EO (met betrekking tot EO-derivaten).

Relevante productmarkten

(8)

EO is een kleurloos gas dat vrij komt bij de gedeeltelijke oxidatie van ethyleen. EO heeft een ethyleengehalte van 82 % en is een gevaarlijk product, dat zeer ontvlambaar en explosief is. Het is ook toxisch en kankerverwekkend. EO kan in de niet-gezuiverde vorm worden gebruikt om EG te produceren, of verder worden gezuiverd.

(9)

EGs zijn intermediaire chemicaliën die voornamelijk worden bekomen door de niet-katalytische hydratatie van EO. EGs zijn goed voor 37,5 % van de totale consumptie van EO in de EER en worden alleen geproduceerd door geïntegreerde EO-producenten.

(10)

Een alternatief voor de verwerking van EO is de verdere zuivering ervan: gezuiverd EO kan dan worden gebruikt voor de productie van verschillende andere chemische intermediaire producten. Het grootste deel van dit gezuiverd EO is bedoeld voor het eigen gebruik van de geïntegreerde EO-producenten om op de downstreammarkt EO-derivaten te vervaardigen. Het overschot wordt verkocht aan derden, die met de EO-producenten concurreren op de verschillende markten voor EO-derivaten.

Ethyleenoxide

(11)

De Commissie heeft ethyleenoxide onderzocht in vroegere zaken (4). Zij stelde vast dat er een afzonderlijke productmarkt voor EO bestaat, aangezien dit product een geringe substitueerbaarheid heeft, vooral wanneer het gebruikt wordt als een directe grondstof in chemische reacties. Het onderzoek in deze zaak bevestigde deze omschrijving van de productmarkt.

(12)

Aangezien alleen gezuiverd EO aan derden wordt verkocht, werd de beoordeling uit mededingingsoogpunt in deze zaak toegespitst op de markt voor gezuiverd EO. In een laat stadium van de procedure gaf Ineos aan dat het gezuiverd EO verder onderverdeeld kon worden in hoogwaardig EO („HG-EO”) of laagwaardig EO („LG-EO”), afhankelijk van het niveau van de onzuiverheden (voornamelijk het aldehydegehalte). Het marktonderzoek heeft evenwel bevestigd dat het niet nodig was de relevante productmarkt verder onder te verdelen volgens de mate van zuiverheid van het gezuiverd EO, aangezien alleen HG-EO aan derden werd verkocht.

(13)

De Commissie onderzocht tevens of een onderscheid moet worden gemaakt tussen de regelingen op lange termijn voor de levering van EO aan afnemers waarvan de fabriek op, of in de nabijheid van, het terrein van de leverancier ligt, en die via pijpleidingen verbonden zijn („on-site”), en de levering aan andere afnemers („off-site”) die op een andere manier plaatsvindt, bijvoorbeeld per vrachtwagen of spoor. De Commissie stelde vast dat er tussen deze twee leveringswijzen verschillen waren in prijsniveau, lengte van de contracten, en aangekochte hoeveelheden. De Commissie hoefde evenwel over deze kwestie niet te trancheren, aangezien de transactie de daadwerkelijke concurrentie niet aanzienlijk zou belemmeren, ongeacht of de on-site- en off-siteleveringen beschouwd worden als één enkele, dan wel twee afzonderlijke markten.

Ethyleenglycolen

(14)

Volgens Ineos vormen EGs een afzonderlijke productmarkt, overeenkomstig een eerdere beschikking van de Commissie (5). In een latere beschikking (6) heeft de Commissie evenwel opgemerkt dat, uit het oogpunt van de vraagzijde, het misschien noodzakelijk is een onderscheid te maken tussen de verschillende soorten EG. Die zijn: mono-ethyleenglycol („MEG”), di-ethyleenglycol („DEG”) en tri-ethyleenglycol („TEG”). MEG maakt het grootste deel van de productie uit (ongeveer 90 %), waarbij de rest van de productie verdeeld is tussen DEG (ongeveer 9 %) en TEG (ongeveer 1 %).

(15)

In dit geval gaf het merendeel van de marktdeelnemers aan dat EGs verder moeten worden opgedeeld in drie marktsegmenten, voor MEG, DEG en TEG, omdat zij voor zeer verschillende toepassingen worden gebruikt en geheel niet substitueerbaar zijn. Uit het oogpunt van de aanbodzijde evenwel, worden MEG, DEG en TEG zonder uitzondering tezamen, en altijd in een soortgelijke verhouding vervaardigd. De precieze marktomschrijving werd opengelaten, aangezien de transactie de daadwerkelijke mededinging met betrekking tot EGs niet aanzienlijk zou belemmeren, ongeacht welke van de verschillende productmarktomschrijvingen als basis zou worden genomen.

Relevante geografische markten

Ethyleenoxide

(16)

In eerdere beschikkingen (7) was de Commissie van mening dat de geografische dimensie van de EO-markt waarschijnlijk West-Europa (gedefinieerd als de EER plus Zwitserland) omvat, hoewel de precieze marktomschrijving opengelaten werd. In dit geval zijn de relevante fabrieken gevestigd in Antwerpen (België), Lavera (Frankrijk) en Dormagen (Duitsland). Volgens Ineos bestrijkt de markt de gehele EER, aangezien EO uit deze fabrieken over lange afstanden wordt vervoerd (volgens de gegevens van Ineos, over meer dan 1 000 km in sommige gevallen, hoewel het merendeel van de leveringen binnen een straal van 600 km plaatsvindt). Een grote meerderheid van de afnemers en ten minste de helft van de concurrenten menen evenwel dat de geografische markt regionaal is. De per schip afgelegde afstanden lijken 0 km tot 800 km te bedragen, waarbij een grote meerderheid tussen 0 en 600 km ligt, wegens de transportkosten en omdat het om een gevaarlijk product gaat.

(17)

Op basis van de beperkingen inzake transportafstand omschreef de Commissie mogelijke regionale markten voor EO als volgt: i) Verenigd Koninkrijk en Ierland, ii) Noordse landen (Noorwegen, Zweden en Finland), iii) vasteland Noord-West-Europa (Mainland North-West Europe, of „MNWE” (Nederland, Denemarken, België, Luxemburg, Duitsland, Oostenrijk, Midden- en Noord-Frankrijk), iv) het mediterrane bassin (Italië, Portugal, Zuid-Frankrijk en Spanje), en v) Midden- en Oost-Europa. Bovendien stelde de Commissie dat regionale prijsverschillen en beperkte handelsstromen deze segmentatie van de geografische markt lijken te bevestigen. Het was evenwel niet nodig om tot een conclusie te komen over de exacte geografische markt voor EO, aangezien de Commissie heeft geconstateerd dat de transactie de daadwerkelijke mededinging niet aanzienlijk zou belemmeren, ongeacht met welke mogelijke geografische markt rekening werd gehouden (een geografische markt die de EER omvat, of die de MNWE omvat, de enige regionale markt waarop beide partijen actief waren).

Ethyleenglycolen

(18)

Ineos voerde aan, overeenkomstig de argumentatie in eerdere beschikkingen (8), dat de relevante geografische markt voor EGs ten minste West-Europa of zelfs de hele wereld omvat. Dat komt omdat EGs geen gevaarlijke producten zijn, en bijgevolg gemakkelijk vervoerd kunnen worden. De prijzen zijn, globaal gezien, vergelijkbaar, en de invoer in de EER, hoofdzakelijk uit het Midden-Oosten en Rusland, vertegenwoordigt ongeveer 13 % van de totale consumptie in de EER.

(19)

De grote meerderheid van de respondenten van het marktonderzoek bevestigden dat de geografische markt ten minste de EER omvat. Voor de doeleinden van de beschikking werd de exacte marktomschrijving evenwel opengelaten, aangezien de transactie de daadwerkelijke concurrentie op de gemeenschappelijke markt of een wezenlijk deel daarvan niet aanzienlijk zou belemmeren, ongeacht met welke omschrijving van de geografische markt rekening wordt gehouden.

II.   BEOORDELING

Ethyleenoxide

(20)

De totale omvang van de EO-markt in de EER, met inbegrip van de productie voor eigen gebruik, beloopt ongeveer 3 000 ktpa (kiloton per jaar). De commerciële markt is goed voor ongeveer 18 % van de totale productie, of circa 560 ktpa, waarvan ongeveer 33 % naar waarde bestemd is voor on-siteafnemers, en 67 % voor off-siteafnemers.

(21)

In termen van marktstructuur, gaat het bij de transactie om een fusie tussen twee van de drie grootste EO-leveranciers, wat leidt tot gezamenlijke marktaandelen van meer dan 45 %, ongeacht welke redelijke omschrijving van de relevante product- en geografische markten voor EO daarvoor in aanmerking wordt genomen. De dichtste concurrent van de samengevoegde entiteit, Shell, vertegenwoordigt 15-25 % van de totale commerciële markt voor zowel on-site- als off-siteleveringen. Alle overige concurrenten hebben marktaandelen van minder dan 10 % (velen minder dan 5 %), wat zowel de totale als de off-siteverkopen betreft.

(22)

Aangezien de commerciële markt evenwel een redelijk klein aandeel in de totale productie vertegenwoordigt, kunnen relatief kleine veranderingen in de totale productie een aanzienlijke impact hebben op de commerciële markt. Daarom heeft de Commissie zich in haar beoordeling geconcentreerd op het belang van het EO voor eigen gebruik voor de geïntegreerde producenten, en de gevolgen daarvan voor de verkopen aan derden. De Commissie onderzocht de voorwaarden met betrekking tot de levering van EO en, in het bijzonder, de factoren die druk zouden kunnen uitoefenen op het gedrag van de samengevoegde entiteit op de commerciële markt voor EO.

(23)

Daarvoor ging de Commissie na van welke aspecten de beschikbaarheid van EO op de commerciële markt afhangt: de productiecapaciteit voor EO; de zuiveringscapaciteit; het gebruik van EO op de downstreammarkt, in het bijzonder, het onderscheid tussen EGs en andere soorten van gebruik; de stimulansen om extra EO intern te gebruiken en/of op de commerciële markt te verkopen.

(24)

Ten eerste ging de Commissie na of de concurrenten van de partijen momenteel voldoende onbenutte EO-capaciteit hebben om de commerciële markt te bevoorraden. In dit opzicht is de zuiveringscapaciteit het kritieke onderdeel, aangezien de verkopen op de commerciële markt alleen gezuiverd EO omvatten. Uit het onderzoek bleek dat, hoewel de fabrieken van de partijen een belangrijk deel vertegenwoordigen van de ongebruikte zuiveringscapaciteit, hun concurrenten met hun reservecapaciteit in staat zouden zijn het concurrentiebeperkende gedrag van de partijen aan banden te leggen, aangezien het daarbij over aanzienlijke volumen gaat in vergelijking met de relatief kleine commerciële markt.

(25)

Een belangrijk onderdeel van de beoordeling van de Commissie in deze zaak was ook toegespitst op de relatie tussen de productie van gezuiverd EO en EGs. Bij een vermindering van de productie van EGs, kunnen geïntegreerde producenten (die zowel EO als EGs vervaardigen) hun productie van gezuiverd EO verhogen. Deze relatie is gebaseerd op het feit dat voor beide producten dezelfde grondstof (ongezuiverd EO) wordt gebruikt en dat er dus, wanneer de productie van EGs daalt, een hoeveelheid ongezuiverd EO vrijkomt dat dan gebruikt kan worden voor de productie van extra hoeveelheden gezuiverd EO — voor zover de zuiveringscapaciteit niet beperkt is.

(26)

Ineos verklaarde dat MEG gebruikt wordt als bufferproduct, dat EO-producenten in staat stelt over te schakelen van en naar de levering van EO of andere EO-derivaten, afhankelijk van de marktomstandigheden. Om dit te bewijzen, verstrekte Ineos twee econometrische studies waaruit blijkt dat, in het verleden, de concurrenten van de partijen hun productie van gezuiverd EO konden verhogen ten nadelen van de productie van glycolen, in antwoord op tekorten bij de fabrieken van Ineos en BP Dormagen Business. Vastgesteld werd dat een daling van de EO-verkoop door de betrokken fabrieken (in bepaalde mate) gecompenseerd werd door een stijging van de verkoop van EO door de concurrenten.

(27)

De Commissie concludeerde dat deze studies, die weliswaar hun beperkingen hadden, erop wezen dat deze concurrenten de concurrentiebeperkende gedragingen van de samengevoegde entiteit mogelijk konden neutraliseren.

(28)

De Commissie schatte vervolgens in hoe groot deze potentiële overstap van glycolen naar gezuiverd EO zou kunnen zijn, rekening houdend met alle capaciteitsbeperkingen. De Commissie stelde vast dat, in het geval van de grootst mogelijke te verwachten daling van de glycolenproductie en in geval van een unilaterale prijsverhoging door de samengevoegde entiteit, de potentiële overstap van glycolen naar gezuiverd EO, ervoor zou zorgen dat aanzienlijke hoeveelheden op de commerciële markt voor EO terecht zouden komen in vergelijking met de huidige totale omvang van die markt.

(29)

De Commissie ging ook na welke invloed de nieuwe glycolencapaciteit, die op gang komt in het Midden-Oosten en Azië, zou hebben op de marktsituatie in Europa. Zij stelde vast dat deze nieuwe EO-productiecapaciteit waarschijnlijk zal resulteren in een stijging van de uitvoer van EGs naar de EER, en dat als gevolg daarvan een vermindering van de EG-productie in de EER kon worden verwacht. Dit zou op zijn beurt het aanbod van EO in de EER voor de verkoop aan derden, en de interne productie van andere EO-derivaten kunnen doen stijgen.

(30)

Derhalve meende de Commissie dat de gevolgen van de transactie naar de toekomst toe dienden te worden beoordeeld, d.w.z. gerelateerd aan de prognoses en de redelijkerwijze te verwachten ontwikkelingen in de toekomst.

(31)

Uit het onderzoek van de Commissie bleek dat de totale reservecapaciteit voor de productie van EO in de EER naar verwachting de komende jaren zal groeien en de benuttingsgraad zal afnemen. De ongebruikte zuiveringscapaciteit zal wellicht in de nabije toekomst dan wel dalen, maar zal evenwel, aangezien de commerciële markt relatief klein in en in de nabije toekomst waarschijnlijk niet aanzienlijk zal groeien, nog steeds als rem kunnen fungeren ingeval de samengevoegde entiteit unilateraal de prijzen zou verhogen.

(32)

Bovendien werd, om de invloed van de verwachte invoer van glycolen uit het Midden-Oosten naar de Europese commerciële markt voor EO te beoordelen, rekening gehouden met de toekomstige economische stimulansen van EO-producenten om de commerciële markt te bevoorraden. Om de voorspelde daling van het EO-verbruik voor glycolen te compenseren en om de benuttingsgraad bij de EO-productie zo hoog mogelijk te houden, zullen EO-producenten andere afzetmogelijkheden voor hun EO moeten vinden. Aangezien alle andere EO-derivaten (behalve de glycolen) en de commerciële markt, als grondstof gezuiverd EO nodig hebben, zullen de Europese EO-producenten ertoe aangezet worden om hun huidige zuiveringscapaciteit op te voeren.

(33)

De Commissie kwam tot de bevinding dat een uitbreiding van het zuiveringsonderdeel binnen de EO-productie goedkoper is en vaak niet gepaard hoeft te gaan met andere investeringen binnen de fabriek. Aangenomen dat de concurrenten hun huidige zuiveringscapaciteit zullen kunnen verhogen om de verwachte daling van de productie van glycolen op te vangen, zal de mate van deze verhoging afhangen van hoeveel EO de EO-producenten zelf gebruiken voor de vervaardiging van EODs, hun mogelijkheden om hun EOD-capaciteit op te voeren en hun bereidheid om EO voor eigen gebruik aan te wenden of op de commerciële markt te verkopen.

(34)

Uit het onderzoek van de Commissie is gebleken dat de EOD-capaciteit van de geïntegreerde producenten in de nabije toekomst gedeeltelijk zal worden ingeperkt wegens de gestegen vraag naar EODs. Een uitbreiding van de EOD-productiecapaciteit is duurder en neemt meer tijd in beslag dan een uitbreiding van de EO-zuiveringscapaciteit. Bijgevolg zal niet al het gezuiverde EO, dat vrijkomt als gevolg van de daling van de productie van glycolen in de EER, geabsorbeerd worden door een grotere EOD-productie van geïntegreerde producenten. Het zal bijgevolg beschikbaar worden voor de commerciële markt.

(35)

Derhalve kan een aanzienlijke belemmering van de daadwerkelijke concurrentie op de commerciële markt voor EO uitgesloten worden. EO-afnemers zullen beschikken over alternatieve leveranciers die afdoende druk kunnen uitoefenen op het gedrag van de samengevoegde entiteit.

Glycolen

(36)

De wereldwijde productie en consumptie van EG beloopt naar raming ongeveer 17 000 ktpa, waarvan in de EER ongeveer 1 700 ktpa wordt geproduceerd voor een vraag van ongeveer 1 950 ktpa. De mondiale vraag is de recente jaren relatief stabiel gebleven, in het bijzonder als gevolg van de vraag in China en het Midden-Oosten naar MEG voor gebruik in polyestertextiel. Dit stimuleerde op zijn beurt investeringen in een aanzienlijke nieuwe EG-capaciteit in Azië en het Midden-Oosten, die naar verwachting in de komende jaren op gang zal komen.

(37)

Uit het onderzoek van de Commissie bleek dat het marktaandeel van de samengevoegde entiteit op de totale commerciële markt niet groter zou zijn dan 5 %, voor gelijk welke mogelijke omschrijving van de productmarkt. Op een commerciële markt die de hele EER omvat, zou het aandeel van de samengevoegde entiteit niet boven de 20 % uitkomen, voor gelijk welke relevante productmarkt. Ook zou de samengevoegde entiteit te maken krijgen met concurrentie van verschillende sterke concurrenten, zoals BASF, MEGlobal, Sabic, Shell, Clariant, alsook van de ingevoerde producten.

(38)

In het licht van het beperkte marktaandeel van de samengevoegde entiteit, de aanwezigheid van belangrijke concurrenten met vergelijkbare of grotere marktaandelen en de voorspelde daling van de glycolenproductie in Europa (als gevolg van een stijging van de invoer), kwam de Commissie tot de conclusie dat de voorgenomen transactie niet leidt tot concurrentieproblemen op de markt voor EG.

III.   CONCLUSIE

(39)

Wegens de hierboven uiteengezette redenen concludeerde de Commissie dat de voorgenomen concentratie de daadwerkelijke concurrentie op de gemeenschappelijke markt of een aanzienlijk deel daarvan, niet beduidend belemmert, met name als het gevolg van de totstandbrenging of versterking van een machtspositie. Derhalve dient de concentratie overeenkomstig artikel 8, lid 1, van de concentratieverordening en artikel 57 van de EER-overeenkomst verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te worden verklaard.


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.

(2)  Innovene had drie vestigingen in de EER: Grangemouth (Verenigd Koninkrijk), Lavera (Frankrijk) en Dormagen (Duitsland). Grangemouth en Lavera werden door Ineos overgenomen in het kader van de hoofdtransactie.

(3)  PB C 54 van 9.3.2007.

(4)  Zaak COMP/M.2345 — Deutsche BP/Erdölchemie van 26 april 2001 en zaak COMP/M.4005 — Ineos/Innovene van 9 december 2005.

(5)  Zaak COMP/M.2345 — Deutsche BP/Erdölchemie van 26 april 2001.

(6)  Zaak COMP/M.3467 — Dow Chemicals/Pic/White Sands JV van 28 juni 2004.

(7)  Zaak COMP/M.2345 — Deutsche BP/Erdölchemie van 26 april 2001 en zaak COMP/M.4005 — Ineos/Innovene van 9 december 2005.

(8)  Zaak COMP/M.2345 — Deutsche BP/Erdölchemie van 26 april 2001, zaak COMP/M.3467 — DOW Chemicals/Pic/White Sands JV van 28 juni 2004.