ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 404

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

49e jaargang
30 december 2006


Inhoud

 

I   Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

 

*

Verordening (EG) nr. 1923/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 999/2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën ( 1 )

 

*

Verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen

 

*

Verordening (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de toevoeging van vitaminen en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen

 

*

Besluit nr. 1926/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot vaststelling van een communautair actieprogramma op het gebied van consumentenbeleid (2007-2013) ( 1 )

 


 

(1)   (Voor de EER relevante tekst)

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

30.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 404/1


VERORDENING (EG) Nr. 1923/2006 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 18 december 2006

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 999/2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 152, lid 4, onder b),

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 999/2001 (3) beoogt één juridisch kader te bieden voor overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE's) in de Gemeenschap.

(2)

Bij Verordening (EG) nr. 932/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 999/2001 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur van overgangsmaatregelen (4) is de geldigheidsduur van overgangsmaatregelen vastgesteld krachtens Verordening (EG) nr. 999/2001 verlengd tot uiterlijk 1 juli 2007.

(3)

Op de algemene vergadering van de Wereldorganisatie voor de Gezondheid van Dieren van mei 2003 is een resolutie goedgekeurd om de bestaande internationale criteria voor het indelen van landen naar BSE-risico (boviene spongiforme encefalopathie) te vereenvoudigen. In mei 2005 werd een voorstel hieromtrent door de algemene vergadering goedgekeurd. De artikelen van Verordening (EG) nr. 999/2001 dienen te worden aangepast aan het nieuwe internationaal overeengekomen systeem voor de indeling in categorieën.

(4)

Bijlage X bij Verordening (EG) nr. 999/2001 moet in verband met nieuwe ontwikkelingen op het gebied van bemonstering en analyses ingrijpend gewijzigd worden. Daarom moeten er enkele technische wijzigingen worden aangebracht in de huidige definitie van „snelle tests” in Verordening (EG) nr. 999/2001, zodat de structuur van die bijlage later gemakkelijker gewijzigd kan worden.

(5)

Ten behoeve van de duidelijkheid van de gemeenschapswetgeving moet worden gepreciseerd dat de definitie van „separatorvlees” die in andere communautaire wetgeving op het gebied van de voedselveiligheid wordt gehanteerd ook dient te gelden voor Verordening (EG) nr. 999/2001 in de context van TSE-uitroeiingsmaatregelen.

(6)

In Verordening (EG) nr. 999/2001 is een toezichtprogramma voor BSE en scrapie vastgesteld. In zijn advies van 6 en 7 maart 2003 heeft de Wetenschappelijke Stuurgroep aanbevolen een toezichtprogramma voor TSE's onder hertachtigen in te voeren. Daarom moet het systeem van toezicht van die verordening worden uitgebreid tot andere TSE's en moet de mogelijkheid worden geschapen om in een later stadium nadere maatregelen vast te stellen om dat systeem toe te passen.

(7)

Er is bij wijze van overgangsmaatregel bij Beschikking 2003/100/EG van de Commissie van 13 februari 2003 tot vaststelling van minimumeisen voor fokprogramma's ter verkrijging van resistentie tegen overdraagbare spongiforme encefalopathieën bij schapen (5) een geharmoniseerd fokprogramma ingevoerd om schapen te selecteren op resistentie tegen TSE's. Verordening (EG) nr. 999/2001 moet worden gewijzigd om dat programma een permanente rechtsgrond te geven en om de mogelijkheid te bieden dergelijke programma's te wijzigen om rekening te houden met de geëvalueerde wetenschappelijke resultaten en de algehele gevolgen van de tenuitvoerlegging ervan.

(8)

Verordening (EG) nr. 999/2001 verbiedt het vervoederen van bepaalde dierlijke eiwitten aan bepaalde dieren en voorziet in afwijkingen van dat verbod. Nieuwe ontwikkelingen betreffende voederverboden kunnen ertoe leiden dat bijlage IV bij die verordening gewijzigd moet worden. In de formulering van het desbetreffende artikel moeten bepaalde technische wijzigingen worden aangebracht zodat het in een later stadium wijzigen van de structuur van die bijlage gemakkelijker wordt.

(9)

Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (6) bevat voorschriften voor de verwijdering van gespecificeerd risicomateriaal en met een TSE besmette dieren. Er zijn inmiddels ook voorschriften vastgesteld voor de doorvoer van producten van dierlijke oorsprong door de Gemeenschap. Daarom moeten met het oog op de consistentie van de communautaire wetgeving de bestaande voorschriften van Verordening (EG) nr. 999/2001 inzake de verwijdering van materiaal en dieren als hierboven bedoeld worden vervangen door een verwijzing naar Verordening (EG) nr. 1774/2002 en moet de verwijzing naar de voorschriften inzake doorvoer in Verordening (EG) nr. 999/2001 worden geschrapt.

(10)

In verband met nieuwe ontwikkelingen op het gebied van gespecificeerd risicomateriaal zal ook bijlage V bij Verordening (EG) nr. 999/2001 ingrijpend gewijzigd moeten worden. In de formulering van de desbetreffende bepalingen van die verordening moeten bepaalde technische wijzigingen worden aangebracht zodat het in een later stadium wijzigen van de structuur van die bijlage gemakkelijker wordt.

(11)

Bedwelming door injectie van gas in de schedelholte is in de Gemeenschap weliswaar verboden, maar ook na het bedwelmen kan gasinjectie plaatsvinden. Daarom moeten de bepalingen betreffende slachtmethoden in Verordening (EG) nr. 999/2001 worden herzien zodat het injecteren van gas in de schedelholte na bedwelming wordt verboden.

(12)

Verordening (EG) nr. 1915/2003 van de Commissie tot wijziging van Verordening (EG) nr. 999/2001 (7) bevat nieuwe bepalingen betreffende de uitroeiing van scrapie bij schapen en geiten. Daarom moet worden verboden dat schapen en geiten worden vervoerd vanaf bedrijven waar een officieel vermoeden van scrapie bestaat.

(13)

Op grond van de ontwikkelingen in de wetenschappelijke kennis moet in Verordening (EG) nr. 999/2001 de mogelijkheid worden geschapen om de voorschriften voor het in de handel brengen en de uitvoer van runderen, schapen en geiten en van sperma, embryo's en eicellen van die dieren ook op andere diersoorten toe te passen.

(14)

In zijn advies 26 juni 1998 heeft de Wetenschappelijke Stuurgroep aangegeven dat er bepaalde beperkingen in acht moeten worden genomen wat betreft de grondstoffen die bij de bereiding van dicalciumfosfaat worden gebruikt. Daarom moet dicalciumfosfaat worden geschrapt van de lijst van producten waarvoor Verordening (EG) nr. 999/2001 geen beperkingen ten aanzien van het in de handel brengen vastlegt. Er moet verduidelijkt worden dat er geen beperkingen gelden voor melk en zuivelproducten.

(15)

Niettegenstaande de mogelijkheid om vrijwaringsmaatregelen te treffen moet Verordening (EG) nr. 999/2001 het mogelijk maken om naar aanleiding van de ontwikkelingen in de wetenschappelijke kennis en de risico-indeling volgens de comitéprocedure specifiekere voorschriften vast te stellen voor het in de handel brengen en de uitvoer van producten van dierlijke oorsprong uit lidstaten of derde landen met een gecontroleerd of onbepaald TSE-risico.

(16)

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (8).

(17)

De Commissie dient met name te worden gemachtigd de besluiten te nemen tot goedkeuring van de snelle tests, aanpassing van de leeftijd van de dieren, tot invoering van het tolerantieniveau, om het voederen van jonge dieren van herkauwende soorten met van vis afkomstige eiwitten toe te staan; om regels vast te stellen om vrijstelling te verlenen van de verplichting om gespecificeerd risicomateriaal te verwijderen en te vernietigen; om criteria vast te stellen om verbetering van de epidemiologische situatie aan te tonen, alsmede criteria om vrijstelling te verlenen van bepaalde beperkingen en productieprocessen. Aangezien die maatregelen een algemene strekking hebben en bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van Verordening (EG) nr. 999/2001 te wijzigen en/of die verordening aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, dienen zij te worden vastgesteld overeenkomstig de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG.

(18)

Verordening (EG) nr. 999/2001 dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 999/2001 wordt als volgt gewijzigd:

1)

de volgende overweging wordt ingevoegd:

„(8 bis)

Het gebruik van bepaalde verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van niet-herkauwers in de voeding van niet-herkauwers dient te worden toegestaan, met inachtneming van het anti-kannibalisme-beginsel overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (9) en overeenkomstig de controle-aspecten met name in verband met de differentiatie van verwerkte dierlijke eiwitten die voor bepaalde soorten specifiek zijn zoals bepaald in de Mededeling betreffende het TSE-stappenplan die op 15 juli 2005 door de Commissie is goedgekeurd.

2)

de volgende overwegingen worden ingevoegd:

„(11 bis)

In zijn resolutie van 28 oktober 2004 (10) sprak het Europees Parlement zijn bezorgdheid uit over het vervoederen van dierlijke eiwitten aan herkauwers, omdat zij geen bestanddeel van de natuurlijke voeding van volwassen runderen zijn. Na de BSE-crisis en de crisis met de mond-en-klauwzeerziekte is men er steeds meer doordrongen van geraakt dat de gezondheid van mensen en dieren het beste kan worden gewaarborgd door dieren te houden en te voeden op een wijze die is afgestemd op de specifieke kenmerken van elke soort. Overeenkomstig het voorzorgsbeginsel en gelet op de natuurlijke voeding en leefomstandigheden van herkauwers is het derhalve noodzakelijk om het verbod op het vervoederen van dierlijke eiwitten aan herkauwers in vormen die normaal geen bestanddeel uitmaken van hun natuurlijke voeding, te handhaven.

(11 ter)

Separatorvlees wordt verkregen door het vlees op een zodanige wijze van de beenderen te verwijderen dat de spierweefselstructuur verloren gaat of verandert. Het kan delen van de beenderen of het periosteum (beenvlies) bevatten. Derhalve is separatorvlees niet vergelijkbaar met gewoon vlees. Daarom moet het gebruik ervan voor menselijke consumptie worden heroverwogen.

3)

artikel 3, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt l) wordt vervangen door:

„l)

snelle tests: de in bijlage X vermelde screeningsmethoden, waarvan de resultaten binnen 24 uur bekend zijn;”;

b)

de volgende punten worden toegevoegd:

„n)

separatorvlees: het product dat wordt verkregen door vlees dat na het uitbenen nog aan de beenderen vastzit daarvan mechanisch te scheiden, waardoor de spierweefselstructuur verloren gaat of verandert;

o)

passief toezicht: het melden van alle dieren die worden verdacht van mogelijke besmetting met TSE en, waar TSE niet kan worden uitgesloten op basis van klinisch onderzoek, het testen van deze dieren;

p)

actief toezicht: het testen van dieren die niet gemeld zijn als verdacht van mogelijke besmetting met TSE, zoals noodgeslachte dieren, dieren met symptomen bij de ante-morteminspectie, gestorven dieren, gezond geslachte dieren en in verband met een TSE-geval geruimde dieren, teneinde de ontwikkeling en de prevalentie van TSE in een land of een gebied van dat land vast te stellen.”;

4)

artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   De BSE-status van de lidstaten, derde landen of een van de gebieden daarvan (hierna „landen of gebieden” genoemd) wordt bepaald door indeling in één van de volgende drie categorieën:

verwaarloosbaar BSE-risico als gedefinieerd in bijlage II,

gecontroleerd BSE-risico als gedefinieerd in bijlage II,

onbepaald BSE-risico als gedefinieerd in bijlage II.

De BSE-status van landen of gebieden kan alleen worden bepaald aan de hand van de criteria van bijlage II, hoofdstuk A. Deze criteria omvatten mede het resultaat van een risicoanalyse op basis van alle in bijlage II, hoofdstuk B, omschreven potentiële factoren van de BSE-uitbraak en de ontwikkeling daarvan, alsmede uitvoerige maatregelen inzake actief en passief toezicht waarbij rekening wordt gehouden met de risicocategorie van het land of gebied.

De lidstaten en de derde landen die willen blijven voorkomen op de lijst van derde landen die de onder deze verordening vallende levende dieren of producten naar de Gemeenschap mogen uitvoeren, dienen bij de Commissie een verzoek in om hun BSE-status te bepalen, tezamen met de relevante informatie over de in bijlage II, hoofdstuk A, genoemde criteria en de in bijlage II, hoofdstuk B, bedoelde mogelijke risicofactoren, alsmede over de ontwikkeling daarvan.”;

b)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   Lidstaten en derde landen die niet overeenkomstig lid 1, derde alinea, een verzoek hebben ingediend, houden zich wat de verzending vanaf hun grondgebied van levende dieren en producten van dierlijke oorsprong betreft aan de invoervoorschriften voor landen met een onbepaald BSE-risico, totdat zij een dergelijk verzoek hebben ingediend en een definitieve beslissing over hun BSE-status is genomen.”;

5)

artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   De lidstaten voeren op basis van actief en passief toezicht overeenkomstig bijlage III een jaarlijks programma voor toezicht op TSE's uit. Dit programma omvat indien beschikbaar voor de desbetreffende diersoort een screeningsprocedure waarbij gebruik wordt gemaakt van snelle tests.

Die snelle tests worden volgens de procedure van artikel 24, lid 3, erkend en aan de in bijlage X opgenomen lijst toegevoegd.”;

b)

de volgende leden worden ingevoegd:

„1 bis.   Het jaarlijkse programma voor toezicht als bedoeld in lid 1 heeft minimaal betrekking op de navolgende subpopulaties:

a)

alle runderen ouder dan 24 maanden die naar de noodslachting zijn gestuurd of met symptomen bij de antemorteminspecties,

b)

alle runderen ouder dan 30 maanden die normaal voor menselijke consumptie worden geslacht,

c)

alle runderen ouder dan 24 maanden die niet voor menselijke consumptie worden geslacht, die zijn gestorven of gedood op de boerderij, tijdens het vervoer of in een slachthuis (gestorven dieren).

De lidstaten kunnen besluiten om in afgelegen gebieden met een geringe dierdichtheid, waar geen inzameling van dode dieren wordt georganiseerd, af te wijken van het bepaalde onder c). Lidstaten die gebruikmaken van deze mogelijkheid delen dit mee aan de Commissie en dienen een lijst in van de betrokken gebieden met een motivering voor de afwijking. De afwijking heeft betrekking op niet meer dan 10 % van de runderenpopulatie in een lidstaat.

1 ter.   Na raadpleging van het desbetreffende wetenschappelijk comité kan de leeftijd als vastgesteld in lid 1 bis, onder a) en c), overeenkomstig de procedure van artikel 24, lid 3, worden aangepast op basis van de wetenschappelijke vooruitgang.

Op verzoek van een lidstaat die op basis van bepaalde overeenkomstig de procedure van artikel 24, lid 3, vast te stellen criteria kan aantonen dat de epidemiologische situatie in het land is verbeterd, kunnen de jaarlijkse programma's voor toezicht voor die lidstaat worden herzien.

De betrokken lidstaat dient bewijsstukken te overleggen betreffende zijn mogelijkheden om de doeltreffendheid van de genomen maatregelen vast te stellen en de bescherming van de gezondheid van mens en dier op basis van een uitgebreide risicoanalyse te waarborgen. Met name dient de lidstaat aan te tonen:

a)

dat er sprake is van een duidelijk dalende of voortdurend geringe BSE-prevalentie, gestaafd door recente testresultaten;

b)

dat hij gedurende ten minste zes jaar een volledig BSE-testsprogramma ten uitvoer gelegd en gehandhaafd heeft (communautaire wetgeving betreffende de traceerbaarheid en de identificatie van levende dieren en BSE-toezicht);

c)

dat hij gedurende ten minste zes jaar communautaire wetgeving betreffende het algeheel verbod op vervoedering aan landbouwhuisdieren heeft toegepast en doen naleven.”;

c)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„5.   De uitvoeringsbepalingen voor dit artikel worden volgens de procedure van artikel 24, lid 2, vastgesteld.”;

6)

het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 6 bis

Fokprogramma's

1.   Elke lidstaat kan een fokprogramma invoeren om te selecteren op resistentie tegen TSE's in zijn schapenpopulatie. Die programma's omvatten een regeling voor de erkenning van de TSE-resistente status van bepaalde koppels en kunnen tot andere diersoorten worden uitgebreid op grond van wetenschappelijke gegevens waaruit blijkt dat bepaalde genotypes van die diersoorten resistent zijn tegen TSE's.

2.   Nadere voorschriften voor de in lid 1 bedoelde programma's worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 24, lid 2.

3.   De lidstaten die fokprogramma's invoeren, dienen bij de Commissie regelmatig verslagen in, zodat de programma's wetenschappelijk kunnen worden beoordeeld, met name op de gevolgen ervan voor de frequentie van TSE, maar ook op de genetische diversiteit en variabiliteit en de instandhouding van oude, zeldzame of regionaal aangepaste schapenrassen. De wetenschappelijke resultaten en de algehele gevolgen van de fokprogramma's worden regelmatig geëvalueerd, en zo nodig worden die programma's dienovereenkomstig gewijzigd.”;

7)

artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 1 tot en met 4 worden vervangen door de volgende tekst:

„1.   Het gebruik van van dieren afkomstige eiwitten in de voeding van herkauwers is verboden.

2.   Het verbod van lid 1 wordt uitgebreid tot niet-herkauwers en beperkt, voor wat betreft de voedering van dergelijke dieren, tot producten van dierlijke oorsprong overeenkomstig bijlage IV.

3.   De leden 1 en 2 gelden onverminderd het bepaalde in bijlage IV waarin de afwijkingen van het in deze leden vervatte verbod zijn vermeld.

De Commissie kan, overeenkomstig de procedure als bedoeld in artikel 24, lid 3, aan de hand van een wetenschappelijke beoordeling van de voedingsbehoeften van jonge herkauwers, met inachtneming van de bepalingen die voor de tenuitvoerlegging van dit artikel als vermeld in lid 5 van dit artikel zijn goedgekeurd, en na een beoordeling van de controle-aspecten van deze afwijking, besluiten om het voederen van jonge dieren van herkauwende soorten met van vis afkomstige eiwitten toe te staan.

4.   Lidstaten of gebieden daarvan met een onbepaald BSE-risico mogen geen diervoeders uitvoeren of opslaan die bestemd zijn voor landbouwhuisdieren en die van zoogdieren afkomstige eiwitten bevatten, evenmin als diervoeders die bestemd zijn voor zoogdieren, met uitzondering van voeder voor honden, katten en pelsdieren, en die van zoogdieren afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten bevatten.

Derde landen of gebieden daarvan met een onbepaald BSE-risico mogen naar de Gemeenschap geen diervoeders uitvoeren die bestemd zijn voor landbouwhuisdieren en die van zoogdieren afkomstige eiwitten bevatten, evenmin als diervoeders die bestemd zijn voor zoogdieren, met uitzondering van voeder voor honden, katten en pelsdieren, en die van zoogdieren afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten bevatten.

Op verzoek van een lidstaat of een derde land kan volgens de procedure van artikel 24, lid 2, volgens gedetailleerde criteria die volgens de procedure van artikel 24, lid 3, moeten worden vastgesteld, worden besloten om individuele vrijstellingen van de beperkingen van dit lid te verlenen. Bij elke vrijstelling wordt rekening gehouden met de bepalingen vervat in lid 3 van dit artikel.”;

b)

het volgende lid wordt ingevoegd:

„4 bis.   Op basis van een gunstige risicoanalyse waarbij rekening wordt gehouden met ten minste de hoeveelheid en de mogelijke bron van besmetting en de uiteindelijke bestemming van de zending, kan, overeenkomstig de procedure als bedoeld in artikel 24, lid 3, worden besloten om een tolerantieniveau te introduceren voor onbeduidende hoeveelheden dierlijke eiwitten in diervoeders die het gevolg zijn van incidentele en technisch niet vermijdbare besmetting.”;

c)

lid 5 wordt vervangen door:

„5.   De uitvoeringsbepalingen voor dit artikel, met name de voorschriften voor de voorkoming van kruisbesmetting en voor de bemonsterings- en analysemethoden die nodig zijn om de naleving van dit artikel te controleren, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 24, lid 2. Die bepalingen worden gebaseerd op een verslag van de Commissie betreffende herkomst, verwerking, controle en traceerbaarheid van diervoeders van dierlijke oorsprong.”;

8)

in artikel 8 worden de leden 1 tot en met 5 vervangen door:

„1.   Gespecificeerd risicomateriaal wordt verwijderd overeenkomstig bijlage V bij deze verordening en Verordening (EG) nr. 1774/2002. Het wordt niet in de Gemeenschap ingevoerd. De lijst van gespecificeerd risicomateriaal als bedoeld in bijlage V omvat tenminste de hersenen, het ruggenmerg, de ogen en de amandelen van runderen van meer dan 12 maanden oud en de wervelkolom van runderen boven een leeftijd die overeenkomstig de procedure van artikel 24, lid 3, wordt vastgesteld. Met inachtneming van de verschillende risicocategorieën als vastgesteld in artikel 5, lid 1, eerste alinea, en de vereisten van artikel 6, lid 1 bis en lid 1 ter, onder b), wordt de lijst van gespecificeerd risicomateriaal in bijlage V dienovereenkomstig gewijzigd.

2.   Lid 1 van dit artikel is niet van toepassing op weefsels van dieren die negatief gereageerd hebben op een voor dit specifieke doel volgens de procedure van artikel 24, lid 3, erkende alternatieve test die in bijlage X is opgenomen en volgens de voorwaarden van bijlage V is uitgevoerd.

De lidstaten die krachtens dit lid het gebruik van een dergelijke alternatieve test toestaan, stellen de andere lidstaten en de Commissie daarvan in kennis.

3.   In lidstaten of gebieden daarvan met een gecontroleerd of een onbepaald BSE-risico mag vernietiging van het weefsel van het centrale zenuwstelsel, na bedwelming, met een lang, staafvormig instrument dat in de schedelholte wordt ingebracht, of door injectie van gas in de schedelholte in samenhang met bedwelming, niet worden toegepast bij runderen, schapen en geiten waarvan het vlees voor menselijke of dierlijke consumptie bestemd is.

4.   De in bijlage V vermelde leeftijdsgegevens kunnen worden aangepast. Deze aanpassingen vinden plaats aan de hand van de meest recente en betrouwbare wetenschappelijke inzichten over de statistische kans dat zich in de betrokken leeftijdsgroepen van de communautaire rundvee-, schapen- en geitenpopulatie een geval van TSE voordoet.

5.   Regels inzake vrijstelling van de leden 1 tot en met 4 van dit artikel kunnen volgens de procedure van artikel 24, lid 3, worden goedgekeurd met betrekking tot de datum van de daadwerkelijke toepassing van het in artikel 7, lid 1, bedoelde voederverbod of, voor zover van toepassing in derde landen of gebieden daarvan waar een gecontroleerd BSE-risico bestaat, met betrekking tot de datum van de daadwerkelijke toepassing van het verbod op het gebruik van van zoogdieren afkomstige eiwitten in de voeding van herkauwers, teneinde de verplichtingen tot verwijdering en vernietiging van gespecificeerd risicomateriaal te beperken tot dieren die in de betrokken landen of gebieden vóór die datum geboren zijn.”;

9)

in artikel 9 worden de leden 1 en 2 vervangen door:

„1.   De in bijlage VI vermelde producten van dierlijke oorsprong worden vervaardigd met productieprocessen die volgens de procedure van artikel 24, lid 3, zijn goedgekeurd.

2.   Beenderen van runderen, schapen en geiten uit landen of gebieden waar een gecontroleerd of onbepaald BSE-risico bestaat, mogen niet gebruikt worden voor de productie van separatorvlees. Voor 1 juli 2008 dienen de lidstaten bij de Commissie een verslag in over het gebruik van separatorvlees op hun grondgebied en de daarbij toegepaste productiemethode. Dit verslag bevat ook een verklaring ten aanzien van de vraag of de lidstaat voornemens is de productie van separatorvlees voort te zetten.

Vervolgens dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een mededeling in over de toekomstige noodzaak en het gebruik van separatorvlees in de Gemeenschap, met inbegrip van het voorlichtingsbeleid voor de consument.”;

10)

artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Een van besmetting met een TSE verdacht dier wordt aan een officiële verplaatsingsbeperking onderworpen in afwachting van het resultaat van een klinisch en epidemiologisch onderzoek door de bevoegde autoriteit, of het wordt gedood om onder officieel toezicht in een laboratorium te worden onderzocht.

Indien een rund op een bedrijf in een lidstaat officieel verdacht wordt van een TSE, geldt voor alle andere runderen op dat bedrijf een officiële verplaatsingsbeperking totdat de resultaten van het onderzoek beschikbaar zijn. Indien een schaap of geit op een bedrijf in een lidstaat officieel verdacht wordt van een TSE, dan geldt voor alle andere schapen en geiten op dat bedrijf een officiële verplaatsingsbeperking totdat de resultaten van het onderzoek beschikbaar zijn.

Indien echter uit bewijsmateriaal blijkt dat het bedrijf waarop het dier zich bevond toen de TSE er werd vermoed, waarschijnlijk niet het bedrijf is waar het dier aan de TSE kon zijn blootgesteld, kan de bevoegde autoriteit besluiten dat alleen het van besmetting verdachte dier aan een officiële verplaatsingsbeperking wordt onderworpen.

Indien zij zulks noodzakelijk acht mag de bevoegde autoriteit, afhankelijk van de beschikbare epidemiologische informatie, ook besluiten andere bedrijven, of alleen het bedrijf waar de blootstelling heeft plaatsgevonden, onder officieel toezicht te plaatsen.

Een lidstaat kan in afwijking van de officiële verplaatsingsbeperkingen van dit lid, volgens de procedure van artikel 24, lid 2, vrijgesteld worden van de toepassing van die verplaatsingsbeperkingen indien hij maatregelen toepast die gelijkwaardige garanties bieden op basis van een passende beoordeling van de mogelijke risico's voor de menselijke en dierlijke gezondheid.”;

b)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   Alle delen van het kadaver van het van besmetting verdachte dier worden onder officieel toezicht bewaard totdat er een negatieve diagnose gesteld is, of worden verwijderd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002.”;

11)

artikel 13, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

a)

het bepaalde in de eerste alinea, onder a), wordt vervangen door:

„a)

alle delen van het kadaver van het dier worden overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002 verwijderd, behalve het materiaal dat overeenkomstig bijlage III, hoofdstuk B, bij deze verordening voor de registers bewaard wordt;”;

b)

het bepaalde in de eerste alinea, onder c), wordt vervangen door:

„c)

alle dieren en producten daarvan, vermeld in bijlage VII, punt 2, bij deze verordening die bij het onder b) bedoelde onderzoek zijn geïdentificeerd als zijnde een risico, worden gedood en verwijderd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002;”;

c)

na de eerste alinea wordt de volgende alinea ingevoegd:

„Op verzoek van een lidstaat en op basis van een positieve risicoanalyse waarbij met name rekening wordt gehouden met de controlemaatregelen in die lidstaat, kan overeenkomstig de procedure van artikel 24, lid 2, worden besloten het gebruik van runderen als bedoeld in deze alinea tot het einde van hun productief leven toe te staan.”;

12)

in artikel 15 wordt lid 3 vervangen door:

„3.   Volgens de procedure van artikel 24, lid 3, kunnen de leden 1 en 2 worden uitgebreid tot andere diersoorten;

4.   Bepalingen ter uitvoering van dit artikel kunnen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 24, lid 2.”;

13)

artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1, punt b), wordt vervangen door:

„b)

melk en zuivelproducten, huiden en vellen, en uit huiden en vellen vervaardigde gelatine en collageen.”;

b)

de leden 2 en 3 worden vervangen door:

„2.   Producten van dierlijke oorsprong uit derde landen waar een gecontroleerd of onbepaald BSE-risico bestaat, zijn afkomstig van gezonde runderen, schapen en geiten die niet de in artikel 8, lid 3, bedoelde vernietiging van weefsel van het centrale zenuwstelsel of injectie van gas in de schedelholte hebben ondergaan.

3.   Levensmiddelen van dierlijke oorsprong die materiaal bevatten afkomstig van runderen uit een land of gebied waar een onbepaald BSE-risico bestaat, mogen niet in de handel worden gebracht, behalve indien zij afkomstig zijn van:

a)

dieren die geboren zijn acht jaar na de datum van effectieve toepassing van het verbod om van zoogdieren afgeleide dierlijke eiwitten in de voeding van herkauwers te gebruiken, en

b)

dieren die geboren en opgefokt zijn en verbleven hebben in beslagen die reeds minstens zeven jaar een gecertificeerde historische BSE-vrije status hebben.

Bovendien mogen levensmiddelen afkomstig van herkauwers niet vanuit een lidstaat of gebied daarvan waar een onbepaald BSE-risico bestaat, naar een andere lidstaat worden verzonden of uit een derde land waar een onbepaald BSE-risico bestaat, worden ingevoerd.

Dit verbod is niet van toepassing op de in bijlage VIII, hoofdstuk C, bedoelde producten van dierlijke oorsprong die aan de eisen van bijlage VIII, hoofdstuk C, voldoen.

Zij gaan vergezeld van een door een officiële dierenarts afgegeven gezondheidscertificaat waaruit blijkt dat zij overeenkomstig de onderhavige verordening zijn geproduceerd.”;

14)

het volgend artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 23 bis

De volgende maatregelen die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen dan wel aan te vullen, worden vastgesteld overeenkomstig de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 24, lid 3:

a)

goedkeuring van de snelle tests bedoeld in artikel 6, lid 1, en artikel 8, lid 2;

b)

aanpassing van de leeftijd bedoeld in artikel 6, lid 1 ter;

c)

criteria om verbetering van de epidemiologische situatie aan te tonen als bedoeld in artikel 6, lid 1 ter;

d)

het besluit om het voederen van jonge dieren van herkauwende soorten met van vis afkomstige eiwitten toe te staan, als bedoeld in artikel 7, lid 3;

e)

het besluit om individuele vrijstellingen te verlenen van de in artikel 7, lid 4, bedoelde bepalingen;

f)

het besluit om een tolerantieniveau te introduceren als bedoeld in artikel 7, lid 4 bis;

g)

het besluit omtrent de leeftijd bedoeld in artikel 8, lid 1;

h)

regels voor het verlenen van vrijstellingen van de verplichting om gespecificeerd risicomateriaal te verwijderen en te vernietigen als bedoeld in artikel 8, lid 5;

i)

goedkeuring van de in artikel 9, lid 1, bedoelde productieprocessen;

j)

het besluit om bepaalde voorschriften uit te breiden tot andere diersoorten als bedoeld in artikel 15, lid 3.”;

15)

artikel 24 wordt vervangen door:

„Artikel 24

Comités

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid. Voor kwesties betreffende artikel 6 bis wordt eveneens het Permanent Zoötechnisch Comité door de Commissie geraadpleegd.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van dat besluit bedoelde termijnen worden vastgesteld op drie maanden en, in het geval van de in artikel 4, lid 2, van deze verordening bedoelde vrijwaringsmaatregelen, op 15 dagen.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.”;

16)

het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 24 bis

Besluiten die worden genomen volgens een van de procedures van artikel 24 worden gebaseerd op een passende beoordeling van de mogelijke risico's voor de gezondheid van mens en dier en zijn, met inachtneming van de beschikbare wetenschappelijke gegevens, gericht op handhaving of, indien vanuit wetenschappelijk oogpunt gerechtvaardigd, verhoging van het in de Gemeenschap gegarandeerde niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 december 2006

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES

Voor de Raad

De voorzitter

J.-E. ENESTAM


(1)  PB C 234 van 22.9.2005, blz. 26.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 17 mei 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 24 november 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en standpunt van het Europees Parlement van 12 december 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1041/2006 van de Commissie (PB L 187 van 8.7.2006, blz. 10).

(4)  PB L 163 van 23.6.2005, blz. 1.

(5)  PB L 41 van 14.2.2003, blz. 41.

(6)  PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 208/2006 van de Commissie (PB L 36 van 8.2.2006, blz. 25).

(7)  PB L 283 van 31.10.2003, blz. 29.

(8)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).

(9)  PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 208/2006 van de Commissie (PB L 36 van 8.2.2006, blz. 25).”;

(10)  PB C 174 E van 14.7.2005, blz. 178.”;


30.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 404/9


VERORDENING (EG) Nr. 1924/2006 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 20 december 2006

inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Er komen in de Gemeenschap steeds meer levensmiddelen waarvoor op het etiket of in reclameboodschappen voedings- en gezondheidsclaims worden gedaan. Om een hoog beschermingsniveau voor de consumenten te waarborgen en hun keuze te vergemakkelijken, dienen de in de handel gebrachte producten veilig en naar behoren geëtiketteerd te zijn.

(2)

Verschillen tussen de nationale bepalingen met betrekking tot dergelijke claims kunnen het vrije verkeer van levensmiddelen belemmeren en tot ongelijke concurrentievoorwaarden leiden. Aldus hebben zij rechtstreekse gevolgen voor de werking van de interne markt. Het is derhalve noodzakelijk communautaire voorschriften voor het gebruik van voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen vast te stellen.

(3)

Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (3) bevat algemene voorschriften inzake etikettering. Richtlijn 2000/13/EG bevat een algemeen verbod op informatie waardoor de koper wordt misleid of waarin aan levensmiddelen een geneeskrachtige werking wordt toegeschreven. Deze verordening dient de algemene beginselen van Richtlijn 2000/13/EG aan te vullen en te voorzien in specifieke bepalingen betreffende het gebruik van voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen die als zodanig aan de consument worden geleverd.

(4)

Deze verordening is van toepassing op alle voedings- en gezondheidsclaims die in commerciële mededelingen worden gedaan, met inbegrip van onder meer generieke reclame voor levensmiddelen en reclamecampagnes die geheel of ten dele door de overheid gefinancierd worden. Zij is niet van toepassing op claims die in niet-commerciële mededelingen worden gedaan, zoals dieetvoorschriften of adviezen van volksgezondheidsinstanties of -organisaties, noch op niet-commerciële mededelingen en informatie in de pers en in wetenschappelijke publicaties. Deze verordening is ook van toepassing op handelsmerken en andere merknamen die als voedings- of gezondheidsclaims kunnen worden opgevat.

(5)

Niet-heilzame voedingsclaims vallen buiten het toepassingsgebied van deze verordening; de lidstaten die voornemens zijn daarvoor nationale regelingen in te voeren, dienen deze regelingen overeenkomstig Richtlijn 98/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (4) en regels betreffende de informatiemaatschappij aan de Commissie ter kennis te brengen.

(6)

Op internationaal niveau heeft de Codex Alimentarius in 1991 algemene richtsnoeren voor claims en in 1997 richtsnoeren voor het gebruik van voedingsclaims vastgesteld. De Commissie van de Codex Alimentarius heeft in 2004 een wijziging van deze laatste goedgekeurd, waardoor gezondheidsclaims in de richtsnoeren van 1997 zullen worden opgenomen. De definities en voorwaarden van de Codex-richtsnoeren worden naar behoren in aanmerking genomen.

(7)

De in Verordening (EG) nr. 2991/94 van de Raad van 5 december 1994 tot vaststelling van normen voor smeerbare restproducten (5) geboden mogelijkheid om de vermelding „met laag vetgehalte” te gebruiken voor smeerbare vetproducten moet zo spoedig mogelijk in onderhavige verordening worden opgenomen. In afwachting daarvan is Verordening (EG) nr. 2991/94 van toepassing op de producten die eronder vallen .

(8)

In een levensmiddel kunnen allerlei nutriënten en andere stoffen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, vitaminen, mineralen met inbegrip van spoorelementen, aminozuren, essentiële vetzuren, voedingsvezels, diverse planten- en kruidenextracten, met een nutritioneel of fysiologisch effect aanwezig zijn waarvoor een claim kan worden gedaan. Derhalve moeten er algemene beginselen voor alle claims inzake levensmiddelen worden vastgesteld om een hoog beschermingsniveau voor de consument te waarborgen, de consument de informatie te verstrekken die hij nodig heeft om geïnformeerde keuzes te kunnen maken, en gelijke concurrentievoorwaarden voor de levensmiddelenindustrie te scheppen.

(9)

Wanneer levensmiddelen met claims worden aangeprezen, kan bij de consument de indruk ontstaan dat zij in nutritioneel, fysiologisch of een ander met de gezondheid verband houdend opzicht beter zijn dan soortgelijke of andere stoffen waar dergelijke nutriënten niet aan toegevoegd zijn. Dit kan de consument ertoe brengen keuzes te maken die zijn totale inname van nutriënten of andere stoffen beïnvloeden op een wijze die strijdig is met de wetenschappelijke adviezen. Om dit eventuele ongewenste effect tegen te gaan, moeten bepaalde beperkingen worden opgelegd ten aanzien van producten met claims. In dit verband kan het gehalte aan bepaalde stoffen in een product (zoals het alcoholgehalte) of het voedingsprofiel een geschikt criterium zijn om te bepalen of voor dat product claims mogen worden gedaan. Hoewel het gebruik van dergelijke criteria op nationaal niveau verantwoord is omdat het de consumenten de mogelijkheid biedt geïnformeerde keuzes op voedingsgebied te maken, is de kans groot dat zulks tot hinderpalen voor de intracommunautaire handel aanleiding geeft en daarom moeten deze criteria op communautair niveau geharmoniseerd worden.

(10)

Met het hanteren van voedingsprofielen als criterium wordt voorkomen dat een situatie ontstaat waarbij voedings- of gezondheidsclaims de algemene nutritionele status van een voedingsmiddel verhullen, wat de consumenten zou kunnen misleiden bij het maken van een verstandige keuze in het kader van een gezonde, evenwichtige voeding. De voedingsprofielen waarin deze verordening voorziet, zijn uitsluitend bedoeld om te kunnen bepalen onder welke voorwaarden een claim kan worden gedaan. De profielen moeten gebaseerd zijn op algemeen aanvaarde wetenschappelijke gegevens betreffende de relatie tussen voeding en gezondheid. De profielen moeten evenwel ook productinnovatie mogelijk maken en moeten rekening houden met de veranderlijkheid van voedingsgewoonten en -tradities en met de belangrijke rol die afzonderlijke producten in het totale voedselpakket kunnen spelen.

(11)

Bij de vaststelling van een voedingsprofiel dient te worden gekeken naar het gehalte aan verschillende nutriënten en stoffen met een nutritioneel of fysiologisch effect, met name vetten, verzadigde vetten, transvetzuren, zout/natrium en suikers, waarvan een overmatige inname in de totale voeding niet aanbevolen wordt, alsmede enkelvoudig en meervoudig onverzadigde vetten, andere beschikbare koolhydraten dan suikers, vitaminen, mineralen, eiwitten en voedingsvezels. Bij de vaststelling van voedingsprofielen moeten de verschillende categorieën levensmiddelen en het aandeel en de rol van deze levensmiddelen in de totale voeding in aanmerking genomen worden. Voor bepaalde levensmiddelen of categorieën levensmiddelen kan het, afhankelijk van hun rol en betekenis in de voeding van de bevolking, nodig zijn van de inachtneming van de vastgestelde voedingsprofielen af te wijken. Dit zijn complexe technische aangelegenheden en het nemen van de maatregelen terzake moet aan de Commissie worden overgelaten, rekening houdend met het advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid.

(12)

Voedingssupplementen zoals omschreven in Richtlijn 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake voedingssupplementen (6), die in vloeibare vorm verkrijgbaar zijn en een alcoholvolumegehalte van meer dan 1,2 % hebben, worden niet als dranken beschouwd die onder deze verordening vallen.

(13)

In de etikettering van en de reclame voor levensmiddelen worden in sommige lidstaten momenteel allerlei claims gebruikt betreffende stoffen waarvan niet bewezen is dat zij heilzaam zijn of waarover nog onvoldoende wetenschappelijke overeenstemming bestaat. Er moet voor worden gezorgd dat de stoffen waarvoor een claim wordt gedaan, een bewezen heilzaam nutritioneel of fysiologisch effect hebben.

(14)

Om te waarborgen dat de gedane claims waarheidsgetrouw zijn, moet de stof waarvoor de claim wordt gedaan in het eindproduct in voldoende hoeveelheid aanwezig, respectievelijk afwezig of tot een voldoende laag niveau beperkt, zijn om het geclaimde nutritionele of fysiologische effect te bereiken. Ook moet de stof door het lichaam kunnen worden opgenomen. In voorkomend geval moet de stof die het geclaimde nutritionele of fysiologische effect sorteert, bovendien in een significante hoeveelheid aanwezig zijn in een hoeveelheid voedsel waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de consument die tot zich zal nemen.

(15)

Claims inzake levensmiddelen moeten voor de consument begrijpelijk zijn en alle consumenten moeten tegen misleidende claims worden beschermd. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft het sinds de inwerkingtreding van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad van 10 september 1984 inzake misleidende reclame (7) evenwel noodzakelijk geacht om bij uitspraken in zaken over reclamekwesties na te gaan wat de gevolgen voor een fictieve doorsneeconsument zijn. In overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, en om de op grond van dat beginsel geboden bescherming ook effectief te kunnen toepassen, wordt in deze verordening het door het Hof van Justitie ontwikkelde criterium van de gemiddelde consument (een redelijk goed geïnformeerde, redelijk oplettende en voorzichtige consument) als maatstaf genomen en wordt er rekening gehouden met sociale, culturele en taalkundige factoren, maar wordt er tevens voorzien in bepalingen die voorkomen dat wordt geprofiteerd van consumenten die bijzonder kwetsbaar zijn voor misleidende claims. Indien een claim gericht is op een bepaalde groep consumenten, zoals kinderen, is het wenselijk dat het effect van de claim vanuit het gezichtspunt van het gemiddelde lid van die groep wordt beoordeeld. Het criterium van de gemiddelde consument is geen statistisch criterium. Nationale rechtbanken en autoriteiten moeten, rekening houdend met de jurisprudentie van het Hof van Justitie, hun eigen oordeel volgen om vast te stellen wat in een bepaald geval de typische reactie van de gemiddelde consument is.

(16)

Wetenschappelijke onderbouwing dient bij het gebruik van voedings- en gezondheidsclaims op de eerste plaats te komen; exploitanten van levensmiddelenbedrijven die claims gebruiken, moeten deze onderbouwen.

(17)

Een voedings- of gezondheidsclaim is niet toelaatbaar indien hij indruist tegen de algemeen aanvaarde voedings- en gezondheidsbeginselen, of indien daarmee overmatige consumptie van levensmiddelen wordt aangemoedigd of gedoogd, of het belang van goede eetgewoonten geminimaliseerd wordt.

(18)

Gezien het positieve beeld dat wordt opgeroepen door levensmiddelen met voedings- en/of gezondheidsclaims en het potentiële effect van die levensmiddelen op de voedingsgewoonten en de totale nutriënteninname, moet de consument de algehele voedingskwaliteit van die producten kunnen beoordelen. Daarom moet voor alle levensmiddelen met gezondheidsclaims uitvoerige voedingswaarde-etikettering verplicht worden gesteld.

(19)

Algemene nutritionele etiketteringsbepalingen staan in Richtlijn 90/496/EEG van de Raad van 24 september 1990 inzake de voedingswaarde-etikettering van levensmiddelen (8). Volgens deze richtlijn moet de voedingswaarde in de etikettering worden vermeld indien in de etikettering of de presentatie van een levensmiddel of in de daarvoor gemaakte reclame, met uitzondering van generieke reclame, een voedingsclaim wordt gedaan. Indien een voedingsclaim wordt gemaakt voor suikers, verzadigde vetten, vezels of natrium moet de te verstrekken informatie bestaan uit de in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 90/496/EEG omschreven gegevens van groep 2. Met het oog op een hoog niveau van consumentenbescherming moet deze verplichting om de gegevens van groep 2 te verstrekken mutatis mutandis van toepassing zijn indien een gezondheidsclaim wordt gedaan, generieke reclame uitgezonderd.

(20)

Er moet een lijst van toegestane voedingsclaims, met de specifieke voorwaarden voor het gebruik daarvan, worden opgesteld, op basis van de voorwaarden voor het gebruik van dergelijke claims die op nationaal of internationaal niveau zijn overeengekomen en in de communautaire wetgeving zijn vastgelegd. Elke claim die wordt geacht voor de consument dezelfde betekenis te hebben als een in bovengenoemde lijst opgenomen voedingsclaim, moet aan dezelfde in deze lijst vermelde gebruiksvoorwaarden voldoen. Bijvoorbeeld, claims in verband met de toevoeging van vitaminen en mineralen zoals „met …”, „met gerestaureerd gehalte aan …”, „toegevoegd …” of „verrijkt ...”, moeten voldoen aan de voorwaarden die zijn vastgesteld voor de claim „bron van …”. De lijst moet op gezette tijden worden bijgewerkt om rekening te houden met wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen. Verder is het voor vergelijkende claims nodig dat de consument duidelijk kan zien welke producten met elkaar worden vergeleken.

(21)

De voorwaarden voor claims zoals lactosevrij of glutenvrij die gericht zijn tot een groep van consumenten met specifieke aandoeningen, moeten worden geregeld in Richtlijn 89/398/EEG van de Raad van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen (9). Die richtlijn laat bovendien toe dat bij gewone levensmiddelen wordt vermeld dat zij geschikt zijn voor deze groepen consumenten indien die levensmiddelen voldoen aan de voorwaarden voor een dergelijke vermelding. Totdat de voorwaarden voor die vermeldingen op Gemeenschapsniveau zijn vastgesteld, kunnen de lidstaten terzake nationale maatregelen handhaven of vaststellen.

(22)

Het gebruik van gezondheidsclaims mag pas na een wetenschappelijke beoordeling volgens de strengste normen in de Gemeenschap worden toegestaan. Met het oog op een geharmoniseerde wetenschappelijke beoordeling van die claims dient de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid daarmee te worden belast.

(23)

Psychologische en gedragsfuncties worden, behalve door de voeding, nog door tal van andere factoren beïnvloed. Dit is een uiterst complexe materie en daardoor is het niet eenvoudig om een volledige, correcte en zinvolle boodschap over te brengen in een korte claim die in de etikettering en reclame voor levensmiddelen kan worden gebruikt. Daarom dienen claims met betrekking tot psychologische of gedragsaspecten wetenschappelijk te worden onderbouwd.

(24)

In het licht van Richtlijn 96/8/EG van de Commissie van 26 februari 1996 inzake voedingsmiddelen die zijn bestemd om in energiebeperkte diëten te worden genuttigd voor gewichtsvermindering (10), die verbiedt dat op de etikettering van onder die richtlijn vallende producten en bij het adverteren en het te koop aanbieden daarvan melding wordt gemaakt van de snelheid of de mate van gewichtsverlies als gevolg van het nuttigen ervan, wordt het dienstig geacht deze beperking uit te breiden tot alle levensmiddelen.

(25)

Gezondheidsclaims die niet over ziekterisicobeperking gaan en die gebaseerd zijn op algemeen aanvaarde wetenschappelijke gegevens, moeten volgens een andere procedure beoordeeld en toegelaten worden. Daarom moet er na raadpleging van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid een communautaire lijst van die toegestane claims worden vastgesteld.

(26)

Om de ontwikkeling van wetenschap en techniek bij te houden, moet die lijst, telkens wanneer dat nodig is, snel worden herzien. Die herzieningen zijn uitvoeringsmaatregelen van technische aard en om de procedure te vereenvoudigen en te versnellen, dient de vaststelling daarvan aan de Commissie te worden overgelaten.

(27)

Een gevarieerde, evenwichtige voeding is een vereiste voor een goede gezondheid en de invloed van afzonderlijke producten in de totale voeding is relatief gering. Verder is voeding slechts één van de vele factoren die van invloed zijn op het ontstaan van bepaalde ziekten bij de mens. Andere factoren, zoals leeftijd, genetische aanleg, de hoeveelheid lichaamsbeweging, het gebruik van tabak en drugs, blootstelling aan milieufactoren en stress kunnen daarbij ook een rol spelen. Daarom zijn voor claims betreffende de beperking van een ziekterisico specifieke etiketteringsvoorschriften nodig.

(28)

Om ervoor te zorgen dat gezondheidsclaims waarheidsgetrouw, duidelijk en betrouwbaar zijn en de consument zinvol helpen bij het kiezen van een gezonde voeding, moeten de formulering en de presentatie van gezondheidsclaims in het advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en de daaropvolgende vergunningsprocedure in aanmerking genomen worden.

(29)

Soms levert een wetenschappelijke risicobeoordeling op zich niet alle informatie op waarop een besluit inzake risicobeheersing moet worden gebaseerd. Daarom moeten andere terzake dienende factoren in aanmerking genomen worden.

(30)

Met het oog op transparantie en om te vermijden dat voor claims die al zijn beoordeeld, meerdere aanvragen moeten worden ingediend, dient een openbaar repertorium met de lijsten van die claims te worden opgesteld en bijgewerkt door de Commissie.

(31)

Om onderzoek en ontwikkeling in de levensmiddelenindustrie te stimuleren, dienen de door innoverende ondernemers gedane investeringen voor het verzamelen van de informatie en gegevens ten behoeve van een aanvraag krachtens deze verordening te worden beschermd. Die bescherming dient echter slechts voor beperkte tijd te gelden om onnodige herhaling van studies en onderzoeken te vermijden.

(32)

Gezien de specifieke aard van levensmiddelen met claims dienen de controleorganen naast de gebruikelijke middelen over extra middelen te beschikken om een efficiënte controle van deze producten te vergemakkelijken.

(33)

Er moeten toereikende overgangsmaatregelen komen om de exploitanten van levensmiddelenbedrijven in staat te stellen zich aan de eisen van deze verordening aan te passen.

(34)

Aangezien de doelstellingen van deze verordening, te weten het waarborgen van de goede werking van de gemeenschappelijke markt met betrekking tot voedings- en gezondheidsclaims met behoud van een hoog niveau van consumentenbescherming, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in dat artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(35)

De maatregelen ter uitvoering van deze verordening moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (11),

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

DOEL, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Doel en toepassingsgebied

1.   Het doel van deze verordening is de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten met betrekking tot voedings- en gezondheidsclaims, teneinde de goede werking van de interne markt te waarborgen en tevens een hoog niveau van consumentenbescherming te verwezenlijken.

2.   Deze verordening is van toepassing op voedings- en gezondheidsclaims die in commerciële mededelingen worden gedaan, hetzij in de etikettering en presentatie van levensmiddelen, hetzij in de daarvoor gemaakte reclame, indien het gaat om levensmiddelen die bestemd zijn om als zodanig aan de eindverbruiker te worden geleverd, inclusief onverpakt of in bulk in de handel gebrachte levensmiddelen.

Zij is ook van toepassing op levensmiddelen die zijn bestemd om aan restaurants, ziekenhuizen, scholen, kantines en soortgelijke instellingen te worden geleverd.

3.   Een handelsmerk, merknaam of fantasienaam die voorkomt in de etikettering of de presentatie van een levensmiddel of in de daarvoor gemaakte reclame en die als een voedings- of een gezondheidsclaim kan worden uitgelegd, kan worden gebruikt zonder de in deze verordening vastgestelde vergunningsprocedures te ondergaan, op voorwaarde dat het merk of de naam in die etikettering, presentatie of reclame voorkomt in combinatie met een daarmee verband houdende voedings- of gezondheidsclaim die voldoet aan de bepalingen van deze verordening.

4.   Deze verordening is van toepassing onverminderd de volgende communautaire bepalingen:

a)

Richtlijn 89/398/EEG en de richtlijnen tot uitvoering daarvan;

b)

Richtlijn 80/777/EEG van de Raad van 15 juli 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de exploitatie en het in de handel brengen van natuurlijk mineraalwater (12);

c)

Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 inzake voor menselijke consumptie bestemd water (13).

Artikel 2

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening:

a)

gelden de definities van „levensmiddel”, „exploitant van een levensmiddelenbedrijf”, „in de handel brengen” en „eindverbruiker” van respectievelijk artikel 2 en artikel 3, punten 3, 8 en 18, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (14);

b)

geldt de definitie van „voedingssupplement” van Richtlijn 2002/46/EG;

c)

gelden voor „voedingswaarde-etikettering”, „eiwitten”, „koolhydraten”, „suikers”, „vetstoffen”, „verzadigd vet”, „enkelvoudig onverzadigd vet”, „meervoudig onverzadigd vet” en „voedingsvezels” de definities van Richtlijn 90/496/EEG;

d)

geldt de definitie van „etikettering” van artikel 1, lid 3 bis, van Richtlijn 2000/13/EG.

2.   Daarnaast zijn de volgende definities van toepassing:

1.

claim: elke boodschap of aanduiding die niet verplicht is op grond van de communautaire of nationale wetgeving, met inbegrip van illustraties, grafische voorstellingen of symbolen, ongeacht de vorm, waarmee gesteld, de indruk gewekt of geïmpliceerd wordt dat een levensmiddel bepaalde eigenschappen heeft;

2.

nutriënt: eiwitten, koolhydraten, vetten, voedingsvezels, natrium en de in de bijlage bij Richtlijn 90/496/EEG genoemde vitaminen en mineralen, alsmede stoffen die tot een van deze categorieën behoren of er een bestanddeel van zijn;

3.

andere stof: een stof die geen nutriënt is, maar wel een nutritioneel of fysiologisch effect heeft;

4.

voedingsclaim: een claim die stelt, de indruk wekt of impliceert dat een levensmiddel bepaalde heilzame voedingseigenschappen heeft met betrekking tot:

a)

de energetische waarde (calorische waarde) die het

i)

levert,

ii)

in verlaagde of verhoogde mate levert, of

iii)

niet levert, en/of

b)

de nutriënten of andere stoffen die het

i)

bevat,

ii)

in verlaagde of verhoogde hoeveelheid bevat, of

iii)

niet bevat;

5.

gezondheidsclaim: een claim die stelt, de indruk wekt of impliceert dat er een verband bestaat tussen een levensmiddelencategorie, een levensmiddel of een bestanddeel daarvan en de gezondheid;

6.

claim inzake ziekterisicobeperking: een claim die stelt, de indruk wekt of impliceert dat de consumptie van een levensmiddelencategorie, een levensmiddel of een bestanddeel daarvan een risicofactor voor het ontstaan van een ziekte bij de mens in significante mate beperkt;

7.

Autoriteit: de bij Verordening (EG) nr. 178/2002 opgerichte Europese Autoriteit voor voedselveiligheid.

HOOFDSTUK II

ALGEMENE BEGINSELEN

Artikel 3

Algemene beginselen voor alle claims

Voedings- en gezondheidsclaims mogen in de etikettering en presentatie van levensmiddelen die in de Gemeenschap in de handel worden gebracht, en in de daarvoor gemaakte reclame uitsluitend worden gebruikt indien zij in overeenstemming zijn met deze verordening.

Onverminderd Richtlijn 2000/13/EG en Richtlijn 84/450/EEG mogen voedings- en gezondheidsclaims niet:

a)

onjuist, dubbelzinnig of misleidend zijn;

b)

leiden tot twijfels omtrent de veiligheid en/of de geschiktheid uit voedingsoogpunt van andere levensmiddelen;

c)

de excessieve consumptie van een levensmiddel stimuleren of vergoelijken;

d)

stellen, suggereren of impliceren dat een evenwichtige, gevarieerde voeding in het algemeen geen toereikende hoeveelheden nutriënten kan bieden. Er kunnen overeenkomstig de in artikel 24, lid 2, bedoelde procedure en rekening houdend met de bijzondere omstandigheden in lidstaten, afwijkingen worden toegestaan voor nutriënten die niet in voldoende hoeveelheden voorkomen in een evenwichtige, gevarieerde voeding, ook wat betreft de voorwaarden voor het gebruik ervan;

e)

door middel van tekst of illustraties, grafische afbeeldingen of symbolen zinspelen op veranderingen in lichaamsfuncties die de consument vrees kunnen inboezemen of op diens vrees kunnen inspelen.

Artikel 4

Voorwaarden voor het gebruik van voedings- en gezondheidsclaims

1.   Uiterlijk op 19 januari 2009 stelt de Commissie volgens de procedure van artikel 24, lid 2, specifieke voedingsprofielen op en stelt zij de voorwaarden vast, met inbegrip van de uitzonderingen, waaraan moet worden voldaan voor het gebruik van voedings- en gezondheidsclaims met betrekking tot levensmiddelen en/of categorieën levensmiddelen.

De voedingsprofielen voor levensmiddelen en/of categorieën levensmiddelen en de voorwaarden voor het gebruik van voedings- of gezondheidsclaims met betrekking tot de voedingsprofielen worden opgesteld met inachtneming van met name:

a)

de hoeveelheden van bepaalde nutriënten en andere stoffen die het betreffende levensmiddel bevat, zoals vet, verzadigde vetzuren, transvetzuren, suikers en zout/natrium;

b)

het belang van het levensmiddel (of de levensmiddelencategorieën) in de voeding van de bevolking in het algemeen of, in voorkomend geval, van bepaalde risicogroepen, zoals kinderen;

c)

de algehele samenstelling van het levensmiddel vanuit nutritioneel oogpunt en de aanwezigheid van nutriënten waarvan het gunstige effect op de gezondheid wetenschappelijk erkend is.

De voedingsprofielen worden opgesteld op grond van wetenschappelijke kennis omtrent dieet en voeding en de relatie tot de gezondheid.

Bij de vaststelling van de voedingsprofielen verzoekt de Commissie de Autoriteit om binnen twaalf maanden wetenschappelijk advies terzake te verstrekken, waarbij in het bijzonder aandacht zal worden besteed aan de volgende punten:

i)

de vraag of de profielen moeten worden opgesteld voor levensmiddelen in het algemeen en/of voor levensmiddelencategorieën;

ii)

de keuze en het evenwicht van nutriënten die in aanmerking moeten worden genomen;

iii)

de keuze van referentiehoeveelheden als basis voor de profielen;

iv)

de aanpak van de berekening van de profielen en

v)

het testen van het voorgestelde systeem.

Bij de vaststelling van de voedingsprofielen overlegt de Commissie met de belanghebbende partijen, met name exploitanten van levensmiddelenbedrijven en consumentenorganisaties.

De voedingsprofielen en hun gebruiksvoorwaarden worden volgens de procedure van artikel 24, lid 2, aan de wetenschappelijke ontwikkelingen op dit gebied aangepast.

2.   In afwijking van lid 1 zijn voedingsclaims met betrekking tot de verlaging van het gehalte aan vetten, verzadigde vetzuren, transvetzuren, suikers en zout/natrium toegestaan zonder verwijzing naar een profiel voor de specifieke nutriënt(en) ten aanzien waarvan de claim wordt gedaan, mits zij in overeenstemming zijn met de in deze verordening vastgelegde voorwaarden.

3.   Dranken met een alcoholgehalte van meer dan 1,2 volumeprocent mogen niet voorzien zijn van:

a)

gezondheidsclaims;

b)

voedingsclaims, afgezien van claims betreffende een verlaagd alcoholgehalte of een verlaagde energetische waarde.

4.   Bij het ontbreken van specifieke communautaire voorschriften voor voedingsclaims met betrekking tot de verlaging of afwezigheid van het alcoholgehalte of de energetische waarde in dranken die normaal alcohol bevatten, kunnen de desbetreffende nationale voorschriften overeenkomstig de Verdragsbepalingen worden toegepast.

5.   Andere dan de in lid 3 bedoelde levensmiddelen of categorieën levensmiddelen, waarvoor voedings- of gezondheidsclaims beperkt of verboden moeten worden, kunnen in het licht van wetenschappelijke gegevens worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 24, lid 2.

Artikel 5

Algemene voorwaarden

1.   Voedings- en gezondheidsclaims mogen alleen worden gebruikt als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de aanwezigheid, de afwezigheid of de beperkte hoeveelheid in een levensmiddel of levensmiddelencategorie van een nutriënt of andere stof waarvoor de claim wordt gedaan, heeft een bewezen heilzaam nutritioneel of fysiologisch effect, dat is vastgesteld aan de hand van algemeen aanvaarde wetenschappelijke gegevens;

b)

de nutriënt of de andere stof waarvoor de claim wordt gedaan:

i)

is in het eindproduct aanwezig in een significante hoeveelheid zoals omschreven in de communautaire wetgeving of, indien er terzake geen voorschriften bestaan, in een hoeveelheid die volgens algemeen aanvaarde wetenschappelijke gegevens het geclaimde nutritionele of fysiologische effect bewerkstelligt, dan wel

ii)

is afwezig, of is aanwezig in een beperkte hoeveelheid die volgens algemeen aanvaarde wetenschappelijke gegevens het geclaimde nutritionele of fysiologische effect bewerkstelligt;

c)

indien van toepassing, de nutriënt of andere stof waarvoor de claim wordt gedaan, is aanwezig in een vorm die door het lichaam kan worden gebruikt;

d)

de hoeveelheid van het product die de consument, naar redelijkerwijs kan worden aangenomen, tot zich zal nemen, levert een significante hoeveelheid nutriënt of andere stof waarvoor de claim wordt gedaan, zoals omschreven in de communautaire wetgeving of, indien er terzake geen voorschriften bestaan, een significante hoeveelheid die volgens algemeen aanvaarde wetenschappelijke gegevens het geclaimde nutritionele of fysiologische effect bewerkstelligt;

e)

de specifieke voorwaarden van hoofdstuk III, respectievelijk hoofdstuk IV, worden nageleefd.

2.   Voedings- en gezondheidsclaims mogen alleen worden gebruikt als kan worden aangenomen dat de gemiddelde consument de heilzame effecten die in de claim worden beschreven, begrijpt.

3.   Voedings- en gezondheidsclaims hebben betrekking op het levensmiddel dat gereed is voor consumptie overeenkomstig de aanwijzingen van de fabrikant.

Artikel 6

Wetenschappelijke onderbouwing van claims

1.   Voedings- en gezondheidsclaims zijn gebaseerd op en onderbouwd door algemeen aanvaarde wetenschappelijke gegevens.

2.   Een exploitant van een levensmiddelenbedrijf die gebruikmaakt van een voedings- of gezondheidsclaim, dient dit te rechtvaardigen.

3.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen een exploitant van een levensmiddelenbedrijf of een persoon die een product in de handel brengt, verzoeken alle relevante elementen en gegevens te verstrekken waaruit blijkt dat aan deze verordening wordt voldaan.

Artikel 7

Voedingswaarde-informatie

De verplichting tot en de nadere regelingen voor het verstrekken van informatie overeenkomstig Richtlijn 90/496/EEG in het geval dat een voedingsclaim wordt gedaan, zijn van overeenkomstige toepassing in het geval dat een gezondheidsclaim wordt gedaan, uitgezonderd bij generieke reclame. De te verstrekken informatie bestaat evenwel uit de in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 90/496/EEG omschreven gegevens van groep 2.

Voorts wordt in voorkomend geval van (een) stof(fen) waarop een voedings- of gezondheidsclaim betrekking heeft en die niet in de voedingswaarde-etikettering vermeld staat (staan), in hetzelfde gezichtsveld als de voedingswaarde-informatie de hoeveelheid vermeld en uitgedrukt, overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 90/496/EEG.

In het geval van voedingssupplementen wordt de voedingswaarde-informatie verstrekt overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2002/46/EG.

HOOFDSTUK III

VOEDINGSCLAIMS

Artikel 8

Specifieke voorwaarden

1.   Uitsluitend de voedingsclaims die in de bijlage staan vermeld en die voldoen aan de voorwaarden van onderhavige verordening, zijn toegestaan.

2.   De bijlage kan worden gewijzigd volgens de procedure van artikel 24, lid 2, indien van toepassing, na raadpleging van de Autoriteit.

Artikel 9

Vergelijkende claims

1.   Onverminderd Richtlijn 84/450/EEG mogen alleen levensmiddelen van dezelfde categorie worden vergeleken en moet daarbij een reeks levensmiddelen van die categorie in aanmerking worden genomen. Het verschil in de hoeveelheid van een nutriënt en/of de energetische waarde moet worden vermeld en de vergelijking moet betrekking hebben op dezelfde hoeveelheid levensmiddel.

2.   Vergelijkende voedingsclaims vergelijken de samenstelling van het betrokken levensmiddel met die van een reeks levensmiddelen van dezelfde categorie, met inbegrip van levensmiddelen van andere merken, die niet zodanig samengesteld zijn dat zij van een claim kunnen worden voorzien.

HOOFDSTUK IV

GEZONDHEIDSCLAIMS

Artikel 10

Specifieke voorwaarden

1.   Gezondheidsclaims zijn verboden, tenzij zij in overeenstemming zijn met de algemene voorschriften van hoofdstuk II en de specifieke voorschriften van dit hoofdstuk en er overeenkomstig deze verordening een vergunning voor is verleend en zij zijn opgenomen in de in de artikelen 13 en 14 bedoelde lijsten van toegestane claims.

2.   Gezondheidsclaims zijn alleen toegestaan als op de etikettering of, bij ontbreken daarvan, in de presentatie en de reclame de volgende informatie wordt aangebracht:

a)

een vermelding waarin wordt gewezen op het belang van een gevarieerde, evenwichtige voeding en een gezonde levensstijl;

b)

de benodigde hoeveelheid van het levensmiddel en het vereiste consumptiepatroon om het geclaimde heilzame effect te bereiken;

c)

indien van toepassing, een vermelding voor mensen die het gebruik van het levensmiddel dienen te vermijden, en

d)

een passende waarschuwing voor producten die bij overmatig gebruik een gezondheidsrisico kunnen inhouden.

3.   Verwijzingen naar algemene, niet-specifieke voordelen van de nutriënt of het levensmiddel voor de algemene gezondheid of voor het welzijn op het gebied van gezondheid zijn alleen toegestaan indien zij gepaard gaan met een specifieke gezondheidsclaim die is opgenomen in de in de artikelen 13 en 14 bedoelde lijsten.

4.   In voorkomend geval worden volgens de procedure van artikel 24, lid 2, richtsnoeren voor de uitvoering van dit artikel vastgesteld, indien nodig in overleg met de belanghebbende partijen, met name exploitanten van levensmiddelenbedrijven en consumentenorganisaties.

Artikel 11

Nationale medische verenigingen en liefdadigheidsinstellingen op het gebied van de volksgezondheid

Bij gebrek aan specifieke communautaire voorschriften met betrekking tot aanbevelingen of goedkeuringen door nationale medische verenigingen en liefdadigheidsinstellingen op het gebied van de volksgezondheid, kunnen nationale voorschriften worden toegepast, met inachtneming van de bepalingen van het Verdrag.

Artikel 12

Beperkingen op het gebruik van gezondheidsclaims

De volgende gezondheidsclaims zijn niet toegestaan:

a)

claims waarin de indruk wordt gewekt dat het niet nuttigen van het levensmiddel de gezondheid kan schaden;

b)

claims die zinspelen op de snelheid of de mate van gewichtsverlies;

c)

claims waarin wordt verwezen naar aanbevelingen van individuele artsen of beroepsbeoefenaren op het gebied van de volksgezondheid en andere niet in artikel 11 bedoelde verenigingen.

Artikel 13

Gezondheidsclaims die niet over ziekterisicobeperking gaan

1.   Gezondheidsclaims die het volgende beschrijven of waarin naar het volgende wordt verwezen:

a)

de rol van een nutriënt of andere stof bij de groei en ontwikkeling en de functies van het lichaam, of

b)

psychologische functies of gedragsfuncties, of

c)

onverminderd Richtlijn 96/8/EG, het afslankende of het gewichtsbeheersende effect, een vermindering van het hongergevoel, een versterking van het gevoel van verzadiging, of beperking van de in de voeding beschikbare energie,

en die zijn opgenomen in de in lid 3 bedoelde lijst, zijn toegestaan zonder dat zij aan de in de artikelen 15 tot en met 18 bedoelde vergunningsprocedure hoeven te worden onderworpen, indien zij:

i)

zijn gebaseerd op algemeen aanvaarde wetenschappelijke gegevens en

ii)

door de gemiddelde consument goed begrepen worden.

2.   De lidstaten verstrekken de Commissie uiterlijk op 31 januari 2008 een lijst met claims zoals bedoeld in lid 1, tezamen met de voorwaarden die daarop van toepassing zijn en verwijzingen naar de desbetreffende wetenschappelijke staving.

3.   Na raadpleging van de Autoriteit stelt de Commissie, volgens de procedure van artikel 24, lid 2, uiterlijk op 31 januari 2010 een communautaire lijst op van toegestane claims zoals bedoeld in lid 1, en van alle noodzakelijke voorwaarden voor het gebruik van deze claims.

4.   Aanpassingen van de in lid 3 bedoelde lijst op basis van algemeen aanvaarde wetenschappelijke gegevens worden volgens de procedure van artikel 24, lid 2, goedgekeurd, na raadpleging van de Autoriteit, op initiatief van de Commissie of op verzoek van een lidstaat.

5.   Toevoegingen van claims aan de in lid 3 bedoelde lijst die gebaseerd zijn op nieuwe wetenschappelijke gegevens en/of die een verzoek om bescherming van door eigendomsrechten beschermde gegevens inhouden, worden volgens de procedure van de artikelen 15 tot en met 18 goedgekeurd.

Artikel 14

Claims inzake ziekterisicobeperking

1.   Niettegenstaande artikel 2, lid 1, onder b), van Richtlijn 2000/13/EG mogen claims inzake ziekterisicobeperking worden gedaan, indien er volgens de procedure van de artikelen 15 tot en met 18 van deze verordening een vergunning is verleend om ze op te nemen in een communautaire lijst van dergelijke toegestane claims, tezamen met alle noodzakelijke voorwaarden voor het gebruik van die claims.

2.   Naast de algemene voorschriften van deze verordening en de specifieke voorschriften van lid 1 geldt bij claims inzake ziekterisicobeperking dat op de etikettering, of, bij ontbreken daarvan, in de presentatie en de reclame, ook moet worden vermeld dat de ziekte waaraan de claim refereert, meerdere risicofactoren heeft en dat verandering van één van die factoren al dan niet een heilzaam effect kan hebben.

Artikel 15

Aanvragen van een vergunning

1.   In het geval dat naar dit artikel wordt verwezen, wordt een aanvraag ingediend voor een vergunning overeenkomstig de volgende leden.

2.   De aanvraag wordt aan de bevoegde nationale autoriteit van een lidstaat toegezonden.

a)

De bevoegde nationale autoriteit:

i)

bevestigt de ontvangst van de aanvraag binnen 14 dagen na ontvangst schriftelijk. Op die bevestiging staat de datum van ontvangst van de aanvraag vermeld;

ii)

stelt de Autoriteit onverwijld daarvan in kennis, en

iii)

stelt de aanvraag en alle door de aanvrager verstrekte aanvullende informatie ter beschikking van de Autoriteit.

b)

De Autoriteit:

i)

stelt de overige lidstaten en de Commissie onverwijld in kennis van de aanvraag en stelt de aanvraag en de door de aanvrager verstrekte aanvullende informatie te hunner beschikking;

ii)

maakt de in lid 3, onder g), bedoelde samenvatting van de aanvraag openbaar.

3.   De aanvraag bevat het volgende:

a)

naam en adres van de aanvrager;

b)

de nutriënt of andere stof, of het levensmiddel of de categorie levensmiddelen waarvoor de gezondheidsclaim wordt gedaan en de bijzondere eigenschappen ervan;

c)

een verslag van de verrichte onderzoeken, met inbegrip van, voorzover beschikbaar, onafhankelijke collegiaal getoetste studies die met betrekking tot de gezondheidsclaim zijn verricht, en alle andere gegevens aan de hand waarvan kan worden aangetoond dat de gezondheidsclaim aan de criteria van deze verordening voldoet;

d)

voorzover nodig, een aanwijzing betreffende de informatie die door eigendomsrechten is beschermd, vergezeld van een verifieerbare staving;

e)

een verslag van andere wetenschappelijke studies die voor de gezondheidsclaim van belang zijn;

f)

een voorstel voor de tekst van de gezondheidsclaim waarvoor een vergunning wordt aangevraagd, in voorkomend geval met inbegrip van specifieke voorwaarden voor het gebruik ervan;

g)

een samenvatting van de aanvraag.

4.   De Commissie stelt, na raadpleging van de Autoriteit, volgens de in artikel 24, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringsvoorschriften voor de toepassing van dit artikel vast, met inbegrip van voorschriften voor het opstellen en indienen van de aanvragen.

5.   De Commissie stelt, in nauwe samenwerking met de Autoriteit, passende technische ondersteuning en instrumenten ter beschikking om de exploitanten van levensmiddelenbedrijven, met name MKB's, te assisteren bij de voorbereiding en indiening van de aanvraag voor een wetenschappelijke beoordeling.

Artikel 16

Advies van de Autoriteit

1.   Bij het uitbrengen van haar advies tracht de Autoriteit een termijn van zes maanden vanaf de datum van ontvangst van een geldige aanvraag in acht te nemen. Die termijn wordt verlengd indien de Autoriteit overeenkomstig lid 2 aanvullende informatie van de aanvrager verlangt.

2.   Zo nodig kan de Autoriteit, of een bevoegde nationale autoriteit via de Autoriteit, de aanvrager verzoeken de bij de aanvraag verstrekte gegevens binnen een bepaalde termijn aan te vullen.

3.   Voor het opstellen van het advies zal de Autoriteit:

a)

verifiëren of de voorgestelde tekst van de gezondheidsclaim met wetenschappelijke gegevens is onderbouwd;

b)

nagaan of de tekst van de gezondheidsclaim voldoet aan de criteria van deze verordening;

c)

advies geven of de voorgestelde tekst van de gezondheidsclaim voor de gemiddelde consument begrijpelijk en zinvol is.

4.   Indien het advies luidt dat voor de gezondheidsclaim een vergunning kan worden verleend, worden in het advies de volgende gegevens opgenomen:

a)

naam en adres van de aanvrager;

b)

de nutriënt of andere stof, of het levensmiddel of de categorie levensmiddelen waarvoor een claim wordt gedaan, en de bijzondere eigenschappen ervan;

c)

de aanbevolen tekst van de gezondheidsclaim waarvoor een vergunning wordt aangevraagd, in voorkomend geval met inbegrip van specifieke voorwaarden voor het gebruik ervan;

d)

indien van toepassing, de voorwaarden voor of beperkingen van het gebruik van het levensmiddel en/of een aanvullende vermelding of waarschuwing waarvan de gezondheidsclaim op het etiket en in de reclame vergezeld moet gaan.

5.   De Autoriteit zendt het advies aan de Commissie, de lidstaten en de aanvrager, tezamen met een rapport waarin haar beoordeling van de gezondheidsclaim wordt beschreven en het advies wordt gemotiveerd, alsook de gegevens waarop het advies is gebaseerd.

6.   De Autoriteit maakt het advies overeenkomstig artikel 38, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 openbaar.

De aanvrager of het publiek kan gedurende 30 dagen na deze openbaarmaking opmerkingen aan de Commissie doen toekomen.

Artikel 17

Communautaire vergunning

1.   De Commissie legt binnen drie maanden na ontvangst van het advies van de Autoriteit aan het in artikel 22, lid 2, bedoelde comité een ontwerp-besluit betreffende de lijsten van toegestane gezondheidsclaims voor, daarbij rekening houdend met het advies van de Autoriteit, de toepasselijke bepalingen van het Gemeenschapsrecht en andere factoren die terzake een rol spelen. Indien het ontwerp-besluit niet in overeenstemming is met het advies van de Autoriteit, geeft de Commissie een verklaring voor de verschillen.

2.   Indien het ontwerp-besluit strekt tot wijziging van de lijsten van toegestane gezondheidsclaims, worden de in artikel 16, lid 4, bedoelde gegevens hier vermeld.

3.   Het definitieve besluit ten aanzien van de aanvraag wordt vastgesteld volgens de procedure van artikel 24, lid 2.

4.   De Commissie stelt de aanvrager onverwijld in kennis van het vastgestelde besluit en maakt de bijzonderheden ervan bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

5.   Gezondheidsclaims die op de in de artikelen 13 en 14 bedoelde lijsten staan, kunnen overeenkomstig de daarvoor geldende voorwaarden door elke exploitant van een levensmiddelenbedrijf worden gebruikt, tenzij het gebruik ervan overeenkomstig artikel 20 is beperkt.

6.   De afgifte van de vergunning laat de algemene civielrechtelijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid van de exploitant van een levensmiddelenbedrijf met betrekking tot het desbetreffende levensmiddel onverlet.

Artikel 18

Wijziging, schorsing en intrekking van vergunningen

1.   De aanvrager/gebruiker van een claim uit een van de in de artikelen 13 en 14 bedoelde lijsten kan een aanvraag tot wijziging van de relevante lijst indienen. De procedure van de artikelen 15 tot en met 17 is van overeenkomstige toepassing.

2.   De Autoriteit brengt, op eigen initiatief of naar aanleiding van een verzoek van een lidstaat of van de Commissie, advies uit over de vraag of een gezondheidsclaim uit de in de artikelen 13 en 14 bedoelde lijsten nog steeds in overeenstemming is met de voorwaarden van deze verordening.

Zij legt het advies onverwijld voor aan de Commissie, aan de lidstaten en, in voorkomend geval, aan de oorspronkelijke aanvrager van de betrokken claim. De Autoriteit maakt het advies overeenkomstig artikel 38, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 openbaar.

De aanvrager/gebruiker of het publiek kan gedurende 30 dagen na deze openbaarmaking opmerkingen aan de Commissie doen toekomen.

De Commissie bestudeert het advies van de Autoriteit en de ingezonden opmerkingen zo spoedig mogelijk. De vergunning wordt, zo nodig, volgens de procedure van artikel 17 gewijzigd, geschorst of ingetrokken.

HOOFDSTUK V

ALGEMENE BEPALINGEN EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 19

Communautair repertorium

1.   Door de Commissie wordt een communautair repertorium van voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (hierna „het repertorium” genoemd) opgesteld en bijgehouden.

2.   Het repertorium bevat het volgende:

a)

de voedingsclaims en de daarvoor geldende voorwaarden zoals aangegeven in de bijlage;

b)

overeenkomstig artikel 4, lid 5, vastgestelde beperkingen;

c)

de toegezonden gezondheidsclaims en de daarvoor geldende voorwaarden overeenkomstig artikel 13, lid 3, artikel 14, lid 1, artikel 18, lid 2, artikel 20, artikel 23, lid 2, en artikel 27, lid 6, alsmede de in artikel 22, lid 3, bedoelde nationale maatregelen;

d)

een lijst van afgewezen gezondheidsclaims en de redenen voor de afwijzing.

Gezondheidsclaims waarvoor een vergunning is verleend op grond van door eigendomsrechten beschermde gegevens, worden opgenomen in een aparte bijlage bij het repertorium onder vermelding van:

1.

de datum waarop de Commissie een vergunning voor de gezondheidsclaim heeft verleend, en de naam van de oorspronkelijke aanvrager aan wie de vergunning is verleend;

2.

het feit dat de Commissie de gezondheidsclaim heeft verleend op grond van door eigendomsrechten beschermde gegevens;

3.

het feit dat het gebruik van de gezondheidsclaim is beperkt, tenzij een latere aanvrager een vergunning voor de claim krijgt zonder dat er naar de door eigendomsrechten beschermde gegevens van de oorspronkelijke aanvrager wordt verwezen.

3.   Het repertorium wordt openbaar gemaakt.

Artikel 20

Gegevensbescherming

1.   De wetenschappelijke gegevens en de andere informatie die de aanvraag overeenkomstig artikel 15, lid 2, dient te bevatten, mogen gedurende zeven jaar vanaf de datum van afgifte van de vergunning niet ten behoeve van latere aanvragers worden gebruikt — tenzij de latere aanvrager met de eerdere aanvrager is overeengekomen dat die gegevens en informatie wel mogen worden gebruikt — indien:

a)

de eerdere aanvrager bij zijn aanvraag heeft aangegeven dat de wetenschappelijke gegevens en andere informatie door eigendomsrechten waren beschermd, en

b)

de eerdere aanvrager ten tijde van zijn aanvraag het exclusieve recht had om naar de desbetreffende gegevens te verwijzen, en

c)

de gezondheidsclaim niet had kunnen worden goedgekeurd indien de eerdere aanvrager de desbetreffende gegevens niet had verstrekt.

2.   Tot het eind van de in lid 1 bedoelde periode van zeven jaar hebben latere aanvragers niet het recht om te verwijzen naar gegevens waarvan een eerdere aanvrager heeft aangegeven dat zij door eigendomsrechten zijn beschermd, behalve indien de Commissie besluit dat een claim kon of had kunnen worden opgenomen in de in artikel 14, dan wel indien van toepassing, in de in artikel 13 bedoelde lijst, zonder dat de desbetreffende gegevens waren verstrekt.

Artikel 21

Nationale bepalingen

Onverminderd de Verdragsbepalingen, in het bijzonder artikel 28 en artikel 30, mogen de lidstaten de handel in levensmiddelen die aan deze verordening voldoen, en de daarvoor gemaakte reclame niet beperken of verbieden door de toepassing van niet-geharmoniseerde nationale bepalingen inzake claims voor bepaalde levensmiddelen of voor levensmiddelen in het algemeen.

Artikel 22

Kennisgevingsprocedure

1.   Indien een lidstaat het nodig acht nieuwe wetgeving vast te stellen, stelt hij de Commissie en de andere lidstaten in kennis van de beoogde maatregelen en de motivering daarvan.

2.   De Commissie raadpleegt het bij artikel 58, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 ingestelde Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid (hierna „het comité” genoemd), indien zij van oordeel is dat zulks zinvol is of indien een lidstaat daarom verzoekt, en brengt advies uit over de beoogde maatregelen.

3.   De betrokken lidstaat kan de beoogde maatregelen zes maanden na de in lid 1 bedoelde kennisgeving treffen, op voorwaarde dat hij van de Commissie geen negatief advies heeft ontvangen.

Indien de Commissie een negatief advies uitbrengt, stelt zij, voordat de in de eerste alinea bedoelde periode is verstreken, volgens de procedure van artikel 24, lid 2, vast of de beoogde maatregelen kunnen worden uitgevoerd. De Commissie kan verlangen dat de beoogde maatregelen worden gewijzigd.

Artikel 23

Vrijwaringsmaatregelen

1.   Indien een lidstaat gegronde redenen heeft om aan te nemen dat een claim niet aan deze verordening voldoet of dat de in artikel 6 bedoelde wetenschappelijke onderbouwing ervan ontoereikend is, kan die lidstaat het gebruik van die claim op zijn grondgebied tijdelijk opschorten.

Hij stelt de andere lidstaten en de Commissie daarvan, onder opgave van redenen, in kennis.

2.   Over de claim wordt een besluit genomen volgens de procedure van artikel 24, lid 2, in voorkomend geval na raadpleging van de Autoriteit.

De Commissie kan deze procedure op eigen initiatief inleiden.

3.   De in lid 1 bedoelde lidstaat kan de opschorting handhaven totdat hem kennis is gegeven van het in lid 2 bedoelde besluit.

Artikel 24

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 25

Toezicht

Teneinde een efficiënt toezicht op levensmiddelen met voedings- of gezondheidsclaims te vergemakkelijken, kunnen de lidstaten eisen dat de fabrikant of degene die voor het in de handel brengen van dergelijke levensmiddelen op hun grondgebied verantwoordelijk is, de bevoegde autoriteit van deze commercialisering in kennis stelt door haar een model van het voor het product gebruikte etiket te verstrekken.

Artikel 26

Evaluatie

Uiterlijk op 19 januari 2013 legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de toepassing van deze verordening, in het bijzonder over de ontwikkeling van de markt voor levensmiddelen waarvoor voedings- of gezondheidsclaims worden gedaan, en over de wijze waarop de consument de claims begrijpt, samen met een voorstel voor wijzigingen, indien dat nodig is.

Artikel 27

Overgangsmaatregelen

1.   Vóór de toepassingsdatum van deze verordening in de handel gebrachte of geëtiketteerde levensmiddelen die niet aan deze verordening voldoen, kunnen tot de houdbaarheidsdatum, doch uiterlijk tot en met 31 juli 2009 in de handel worden gebracht. Met betrekking tot het bepaalde in artikel 4, lid 1, mogen levensmiddelen niet later dan twaalf maanden na de vaststelling van de desbetreffende voedingsprofielen en hun gebruiksvoorwaarden in de handel worden gebracht.

2.   Producten voorzien van handelsmerken of merknamen die bestonden vóór 1 januari 2005 en die niet aan deze verordening voldoen, mogen blijvend in de handel worden gebracht tot en met 19 januari 2022; daarna gelden de bepalingen van deze verordening.

3.   Niet in de bijlage opgenomen voedingsclaims die vöör 1 januari 2005 in een lidstaat werden gebruikt overeenkomstig nationale bepalingen die daarop van toepassing waren, mogen tot 19 januari 2010 onder de verantwoordelijkheid van de exploitanten van levensmiddelenbedrijven worden gemaakt, onverminderd de aanneming van de in artikel 23 bedoelde vrijwaringsmaatregelen.

4.   Ten aanzien van voedingsclaims in de vorm van illustraties, grafische voorstellingen of symbolen die aan de algemene beginselen van deze verordening voldoen, niet in de bijlage zijn opgenomen en overeenkomstig in nationale bepalingen of voorschriften vastgestelde specifieke voorwaarden en criteria worden gebruikt, geldt het volgende:

a)

de lidstaten doen de Commissie die voedingsclaims en de toepasselijke nationale bepalingen of voorschriften uiterlijk op 31 januari 2008 toekomen, vergezeld van de wetenschappelijke gegevens ter staving van die bepalingen of voorschriften;

b)

de Commissie neemt in overeenstemming met de in artikel 24, lid 2, vastgestelde procedure een besluit met betrekking tot het gebruik van dergelijke claims aan.

Voedingsclaims die niet worden toegestaan op grond van deze procedure, mogen tot uiterlijk twaalf maanden na de aanneming van het besluit worden gebruikt.

5.   De in artikel 13, lid 1, onder a), vermelde gezondheidsclaims kunnen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening tot de aanneming van de in artikel 13, lid 3, vermelde lijst onder de verantwoordelijkheid van bedrijfsexploitanten worden gedaan, mits zij stroken met deze verordening en met de toepasselijke nationale bepalingen en onverminderd de aanneming van de in artikel 23 bedoelde vrijwaringsmaatregelen.

6.   Ten aanzien van andere dan de in artikel 13, lid 1, onder a), en artikel 14 bedoelde gezondheidsclaims die, in overeenstemming met de nationale bepalingen, vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening zijn gebruikt, geldt het volgende:

a)

gezondheidsclaims die in een lidstaat zijn beoordeeld en toegestaan, worden als volgt toegestaan:

i)

de lidstaten doen de Commissie die claims uiterlijk op 31 januari 2008 toekomen, vergezeld van een verslag met de evaluatie van de wetenschappelijke gegevens ter staving van de claim;

ii)

na raadpleging van de Autoriteit neemt de Commissie in overeenstemming met de in artikel 24, lid 2, vastgestelde procedure een besluit met betrekking tot de aldus toegestane gezondheidsclaims aan.

Gezondheidsclaims die niet worden toegestaan op grond van deze procedure, mogen tot uiterlijk zes maanden na de aanneming van het besluit worden gebruikt;

b)

gezondheidsclaims die niet in een lidstaat zijn beoordeeld en toegestaan: deze claims kunnen verder worden gebruikt, mits voor 19 januari 2008 overeenkomstig deze verordening een aanvraag wordt ingediend; gezondheidsclaims die niet worden toegestaan op grond van deze procedure, kunnen verder worden gebruikt tot uiterlijk zes maanden nadat overeenkomstig artikel 17, lid 3, een besluit is genomen.

Artikel 28

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 december 2006

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES

Voor de Raad

De voorzitter

J. KORKEAOJA


(1)  PB C 110 van 30.4.2004, blz. 18.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 26 mei 2005 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 8 december 2005 en standpunt van het Europees Parlement van 16 mei 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Besluit van de Raad van 12 oktober 2006.

(3)  PB L 109 van 6.5.2000, blz. 29. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/89/EG (PB L 308 van 25.11.2003, blz. 15).

(4)  PB L 204 van 21.7.1998, blz. 37. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.

(5)  PB L 316 van 9.12.1994, blz. 2.

(6)  PB L 183 van 12.7.2002, blz. 51.

(7)  PB L 250 van 19.9.1984, blz. 17. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149 van 11.6.2005, blz. 22).

(8)  PB L 276 van 6.10.1990, blz. 40. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/120/EG van de Commissie (PB L 333 van 20.12.2003, blz. 51).

(9)  PB L 186 van 30.6.1989, blz. 27. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(10)  PB L 55 van 6.3.1996, blz. 22.

(11)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(12)  PB L 229 van 30.8.1980, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

(13)  PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

(14)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1642/2003 (PB L 245 van 29.9.2003, blz. 4).


BIJLAGE

Voedingsclaims en voorwaarden daarvoor

LAGE ENERGETISCHE WAARDE

De claim dat een levensmiddel een lage energetische waarde heeft, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als de energetische waarde van het product maximaal 40 kcal (170 kJ)/100 g voor vaste stoffen en [of] maximaal 20 kcal (80 kJ)/100 ml voor vloeistoffen bedraagt. Op tafelzoetstoffen is een limiet van 4 kcal (17 kJ)/portie, met een zoetkracht die overeenstemt met die van 6 g sucrose (ongeveer 1 theelepel sucrose), van toepassing.

VERMINDERDE ENERGETISCHE WAARDE

De claim dat een levensmiddel een verminderde energetische waarde heeft, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als de energetische waarde van het product met minimaal 30 % verminderd is, onder vermelding van de eigenschap(pen) waardoor de totale energetische waarde van het levensmiddel verminderd is.

BEVAT GEEN ENERGIE

De claim dat een levensmiddel geen energie bevat, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan gedaan als de energetische waarde van het product maximaal 4 kcal (17 kJ)/100 ml bedraagt. Op tafelzoetstoffen is een limiet van 0,4 kcal (1,7 kJ)/portie, met een zoetkracht die overeenstemt met die van 6 g sucrose (ongeveer 1 theelepel sucrose), van toepassing.

VETARM

De claim dat een levensmiddel vetarm is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het vetgehalte van het product maximaal 3 g/100 g voor vaste stof of 1,5 g/100 ml voor vloeibare stoffen bedraagt (1,8 g/100 ml voor halfvolle melk).

VETVRIJ

De claim dat een levensmiddel vetvrij is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het vetgehalte van het product maximaal 0,5 g/100 g of 0,5 g/100 ml bedraagt. Claims zoals „X % vetvrij” zijn echter verboden.

ARM AAN VERZADIGDE VETTEN

De claim dat een levensmiddel arm aan verzadigde vetten is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als de som van de verzadigde vetzuren en de transvetzuren in het product niet groter is dan 1,5 g/100 g voor vaste stoffen of 0,75 g/100 ml voor vloeistoffen, en op voorwaarde dat maximaal 10 % van de energetische waarde afkomstig is van de som van de verzadigde vetzuren en de transvetzuren.

VRIJ VAN VERZADIGDE VETTEN

De claim dat een levensmiddel vrij van verzadigde vetten is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als de som van de verzadigde vetzuren en de transvetzuren niet groter is dan 0,1 g/100 g of 0,1 g/100 ml.

SUIKERARM

Een claim dat een levensmiddel suikerarm is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het suikergehalte van het product maximaal 5 g/100 g voor vaste stof of 2,5 g/100 ml voor vloeibare stoffen bedraagt.

SUIKERVRIJ

De claim dat een levensmiddel suikervrij is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het suikergehalte van het product maximaal 0,5 g/100 g of 0,5 g/100 ml bedraagt.

ZONDER TOEGEVOEGDE SUIKERS

De claim dat aan een levensmiddel geen suikers zijn toegevoegd, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als aan het product geen mono- of disacchariden of andere vanwege hun zoetkracht gebruikte levensmiddelen zijn toegevoegd. Indien een levensmiddel van nature suikers bevat, dient ook het volgende op het etiket te staan: „DIT PRODUCT BEVAT VAN NATURE AANWEZIGE SUIKERS”.

NATRIUMARM/ZOUTARM

De claim dat een levensmiddel natriumarm/zoutarm is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het product maximaal 0,12 g natrium, of de overeenkomstige waarde voor zout, per 100 g of 100 ml bevat. Voor ander water dan natuurlijk mineraalwater dat onder het toepassingsgebied van Richtlijn 80/777/EEG valt, mag deze waarde niet meer dan 2 mg natrium per 100 ml bedragen.

ZEER LAAG NATRIUMGEHALTE/ZOUTGEHALTE

De claim dat een levensmiddel een zeer laag natriumgehalte/zoutgehalte heeft, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het product maximaal 0,04 g natrium, of de overeenkomstige waarde voor zout, per 100 g of 100 ml bevat. Deze claim mag niet worden gebruikt voor natuurlijk mineraalwater en ander water.

NATRIUMVRIJ/ZOUTLOOS

De claim dat een levensmiddel natrium- of zoutvrij is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het product maximaal 0,005 g natrium, of de overeenkomstige waarde voor zout, per 100 g bevat.

BRON VAN VEZELS

De claim dat een levensmiddel een bron van vezels is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het vezelgehalte van het product minimaal 3 g/100 g of 1,5 g/100 kcal bedraagt.

VEZELRIJK

De claim dat een levensmiddel vezelrijk is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het vezelgehalte van het product minimaal 6 g/100 g of 3 g/100 kcal bedraagt.

BRON VAN EIWITTEN

De claim dat een levensmiddel een bron van eiwitten is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als minimaal 12 % van de energetische waarde van het levensmiddel wordt geleverd door eiwitten.

EIWITRIJK

De claim dat een levensmiddel eiwitrijk is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als minimaal 20 % van de energetische waarde van het levensmiddel wordt geleverd door eiwitten.

BRON VAN (NAAM VAN DE VITAMINE(N)) EN/OF (NAAM VAN HET MINERAAL/DE MINERALEN)

De claim dat een levensmiddel een bron van vitaminen en/of mineralen is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het product minimaal een aanzienlijke hoeveelheid bevat zoals vastgesteld in de bijlage bij Richtlijn 90/496/EEG, of een hoeveelheid waarin is voorzien door afwijkingen die zijn toegestaan krachtens artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de toevoeging van vitaminen en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen (1).

RIJK AAN (NAAM VAN DE VITAMINE(N)) EN/OF (NAAM VAN HET MINERAAL/DE MINERALEN)

De claim dat een levensmiddel rijk aan vitaminen en/of mineralen is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het product ten minste tweemaal de onder „Bron van (NAAM VAN DE VITAMINE(N)) en/of (NAAM VAN HET MINERAAL/DE MINERALEN)” bedoelde hoeveelheid bevat.

BEVAT (NAAM VAN DE NUTRIËNT OF ANDERE STOF)

De claim dat een levensmiddel een nutriënt of andere stof bevat waarvoor in deze verordening geen specifieke voorwaarden zijn vastgelegd, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het product aan alle desbetreffende bepalingen van deze verordening, en met name artikel 5, voldoet. Voor vitaminen en mineralen gelden de voorwaarden van de claim „Bron van …”.

VERHOOGD GEHALTE AAN (NAAM VAN DE NUTRIËNT)

De claim dat een levensmiddel een verhoogd gehalte aan één of meer nutriënten, met uitzondering van vitaminen en mineralen, heeft, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het product voldoet aan de voorwaarden voor de claim „Bron van …” en het desbetreffende gehalte minimaal 30 % hoger is dan dat van een vergelijkbaar product.

VERLAAGD GEHALTE AAN (NAAM VAN DE NUTRIËNT)

De claim dat een levensmiddel een verlaagd gehalte aan één of meer nutriënten heeft, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het desbetreffende gehalte van het product minimaal 30 % lager is dan dat van een vergelijkbaar product, behalve voor micronutriënten, waarvoor een verschil van 10 % ten opzichte van de referentiewaarden van Richtlijn 90/496/EEG van de Raad aanvaardbaar is, en voor natrium, of de equivalente waarde voor zout, waarvoor een verschil van 25 % aanvaardbaar is.

„LIGHT” OF LITE

Voor de claim dat een levensmiddel „light” of lite is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, gelden dezelfde voorwaarden als voor de claim „verlaagd”; voorts moet bij de claim worden vermeld welke eigenschap(pen) het levensmiddel „light” of lite maken.

VAN NATURE/NATUURLIJK

Indien een levensmiddel van nature voldoet aan de in deze bijlage opgenomen voorwaarde(n) voor het gebruik van een voedingsclaim, mogen de woorden „van nature/natuurlijk” in de claim worden opgenomen.


(1)  Zie bladzijde 26 van dit Publicatieblad.


30.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 404/26


VERORDENING (EG) Nr. 1925/2006 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 20 december 2006

betreffende de toevoeging van vitaminen en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij de vervaardiging van levensmiddelen kan een breed scala van nutriënten en andere ingrediënten worden gebruikt, waaronder vitaminen, mineralen met inbegrip van spoorelementen, aminozuren, essentiële vetzuren, vezels, en diverse planten- en kruidenextracten. De toevoeging van die stoffen aan levensmiddelen is in de lidstaten geregeld met behulp van uiteenlopende nationale voorschriften, die het vrije verkeer van deze producten belemmeren, ongelijke concurrentievoorwaarden creëren en derhalve directe gevolgen hebben voor het functioneren van de interne markt. Er moeten dus communautaire voorschriften worden vastgesteld om de nationale bepalingen in verband met de toevoeging van vitaminen en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen te harmoniseren.

(2)

Deze verordening strekt tot reglementering van de toevoeging van vitaminen en mineralen aan levensmiddelen en van het gebruik van bepaalde andere stoffen of ingrediënten die andere stoffen dan vitaminen of mineralen bevatten, die aan levensmiddelen worden toegevoegd of bij de productie van levensmiddelen worden gebruikt op zodanige wijze dat de inname van die stoffen veel groter is dan onder normale omstandigheden bij een evenwichtige en gevarieerde voeding redelijkerwijs te verwachten is, en/of anderszins een potentieel risico voor de consument inhouden. Zolang er op grond van deze verordening of van andere specifieke communautaire bepalingen, geen specifieke communautaire voorschriften zijn vastgesteld inzake een verbod op of een beperking van het gebruik van stoffen of ingrediënten die andere stoffen dan vitaminen of mineralen bevatten, mogen, onverminderd de bepalingen van het Verdrag, de nationale voorschriften worden toegepast.

(3)

In enkele lidstaten is het om redenen van volksgezondheid verplicht aan bepaalde gewone levensmiddelen sommige vitaminen en mineralen toe te voegen. Deze redenen kunnen op nationaal of zelfs regionaal niveau gelden, maar rechtvaardigen op dit moment niet dat de verplichte toevoeging van nutriënten in de hele Gemeenschap geharmoniseerd wordt. Indien hiertoe evenwel aanleiding zou zijn, kunnen dergelijke bepalingen op communautair niveau worden vastgesteld. Ondertussen is het nuttig informatie over dergelijke nationale maatregelen te verzamelen.

(4)

Vitaminen en mineralen mogen vrijwillig door de fabrikanten aan levensmiddelen worden toegevoegd of moeten daar op grond van specifieke communautaire wetgeving als voedingsstoffen aan worden toegevoegd. Zij kunnen ook om technologische redenen worden toegevoegd als additieven, kleurstoffen, aroma's of voor soortgelijke toepassingen, met inbegrip van toegestane oenologische procédés en behandelingen overeenkomstig de desbetreffende communautaire wetgeving. Deze verordening is van toepassing onverminderd de reeds van kracht zijnde specifieke communautaire voorschriften inzake de toevoeging of het gebruik van vitaminen en mineralen in specifieke producten of groepen producten of de toevoeging van die stoffen om andere dan de in deze verordening bedoelde redenen.

(5)

Aangezien bij Richtlijn 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake voedingssupplementen (3) uitvoerige voorschriften zijn vastgesteld voor voedingssupplementen die vitaminen en mineralen bevatten, mogen de voorschriften inzake vitaminen en mineralen in deze verordening niet gelden voor voedingssupplementen.

(6)

Vitaminen en mineralen worden voor een aantal oogmerken door de fabrikant aan levensmiddelen toegevoegd, onder meer om het gehalte daaraan te restaureren indien dat gedurende de productie, opslag of behandeling is verlaagd, of om aan levensmiddelen een voedingswaarde te geven die vergelijkbaar is met die van de levensmiddelen ter vervanging waarvan zij bedoeld zijn.

(7)

Een adequate en gevarieerde voeding kan onder normale omstandigheden van alle nutriënten die voor een normale ontwikkeling en een gezond leven nodig zijn, de hoeveelheden leveren die op grond van algemeen aanvaarde wetenschappelijke gegevens zijn vastgesteld en worden aanbevolen. Uit onderzoek is echter gebleken dat deze ideale situatie zich niet voor alle vitaminen en mineralen en voor alle bevolkingsgroepen in de Gemeenschap voordoet. Levensmiddelen waaraan vitaminen en mineralen zijn toegevoegd, dragen in sterke mate bij aan de inname van de betrokken nutriënten en aldus aan de totale inname van die stoffen.

(8)

Aantoonbare tekorten aan nutriënten komen heden ten dage in de Gemeenschap voor, maar zijn weinig frequent. De veranderingen in de sociaal-economische situatie in de Gemeenschap en de leefstijl van diverse bevolkingsgroepen hebben geleid tot uiteenlopende voedingsbehoeften en veranderende voedingsgewoonten. Dit heeft tot gevolg gehad dat ook de behoeften van diverse bevolkingsgroepen aan energie en nutriënten veranderd zijn en dat die groepen van bepaalde vitaminen en mineralen er minder binnenkrijgen dan in de verschillende lidstaten wordt aanbevolen. Verder bieden de jongste wetenschappelijke inzichten aanwijzingen dat om de gezondheid en het welzijn op een optimaal niveau te houden de inname van bepaalde nutriënten hoger zou mogen zijn dan momenteel wordt aanbevolen.

(9)

Alleen vitaminen en mineralen die normaal in de voeding voorkomen, als onderdeel daarvan worden geconsumeerd en als essentiële nutriënten worden beschouwd, mogen als toevoeging aan levensmiddelen worden toegestaan, al betekent dit nog niet dat die toevoeging nodig is. Controverses die zouden kunnen ontstaan over de vraag welke nutriënten essentieel zijn, dienen te worden voorkomen. Daarom moet er een positieve lijst van deze vitaminen en mineralen worden vastgesteld.

(10)

De chemische stoffen die als bron van vitaminen en mineralen aan levensmiddelen kunnen worden toegevoegd, dienen veilig en biologisch beschikbaar te zijn, dat wil zeggen dat zij door het lichaam kunnen worden opgenomen. Daarom dient er ook van deze stoffen een positieve lijst te worden vastgesteld. Dergelijke stoffen die door het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding in een advies van 12 mei 1999 op grond van bovengenoemde criteria inzake veiligheid en biologische beschikbaarheid zijn goedgekeurd en die gebruikt kunnen worden bij de vervaardiging van levensmiddelen voor zuigelingen en peuters, van andere levensmiddelen voor bijzondere voeding of van voedingssupplementen, moeten op deze positieve lijst voorkomen. Hoewel natriumchloride (keukenzout) niet op deze lijst van stoffen staat, mag het ook in de toekomst als een ingrediënt voor de bereiding van levensmiddelen gebruikt worden.

(11)

Om de ontwikkeling van de wetenschap en techniek bij te houden dienen de bovenbedoelde lijsten, zo nodig, onverwijld te worden herzien. Dergelijke herzieningen zijn uitvoeringsmaatregelen van technische aard; om de procedure te vereenvoudigen en te bespoedigen dient de vaststelling daarvan aan de Commissie te worden overgelaten.

(12)

Levensmiddelen waaraan vitaminen en mineralen zijn toegevoegd, worden meestal door de fabrikant aangeprezen en kunnen door de consument worden gezien als levensmiddelen die in nutritioneel, fysiologisch of een ander met de gezondheid verband houdend opzicht beter zijn dan soortgelijke of andere producten waar dergelijke nutriënten niet aan toegevoegd zijn. Dit kan de consument aanzetten tot keuzes die uit een ander oogpunt ongewenst zijn. Om dit eventuele ongewenste effect tegen te gaan, is het dienstig bepaalde beperkingen op te leggen ten aanzien van de producten waaraan vitaminen en mineralen mogen worden toegevoegd, naast de beperkingen die voortvloeien uit technologische overwegingen of die om veiligheidsredenen nodig zijn wanneer er maximumgehalten voor vitaminen en mineralen in dergelijke producten worden vastgesteld. Het gehalte aan bepaalde stoffen, zoals alcohol, in het product kan in dit verband een geschikt criterium zijn om de toevoeging van vitaminen en mineralen niet toe te staan. Iedere afwijking van het verbod op de toevoeging van vitaminen en mineralen aan alcoholische dranken dient te worden beperkt tot de bescherming van traditionele wijnrecepten, en de betrokken producten moeten ter kennis van de Commissie worden gebracht; er mogen geen voedings- of gezondheidsclaims voor dergelijke toevoegingen worden gemaakt. Om bij de consument verwarring over de natuurlijke voedingswaarde van verse levensmiddelen te vermijden, zouden ook daaraan geen vitaminen en mineralen toegevoegd mogen worden.

(13)

Deze verordening heeft geen betrekking op vitaminen en mineralen die met het oog op fraudebestrijding als echtheidsindicatoren in sporenhoeveelheden worden gebruikt.

(14)

Omdat overmatige consumptie van vitaminen en mineralen schadelijke gevolgen voor de gezondheid kan hebben, dienen er maximale veiligheidsgrenzen voor de toevoeging van die stoffen aan levensmiddelen te worden vastgesteld. Deze veiligheidsgrenzen moeten ervoor zorgen dat de producten bij normaal gebruik volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant en bij een gevarieerde voeding veilig zijn voor de consument. Het moeten daarom veilige maximumwaarden zijn voor de totale hoeveelheden vitaminen en mineralen in het levensmiddel die daarin van nature voorkomen en/of eraan zijn toegevoegd voor ongeacht welk doel, ook voor technologische doeleinden.

(15)

Daarom moeten die veiligheidsgrenzen, alsmede eventuele andere beperkingen voor de toevoeging van bedoelde stoffen aan levensmiddelen worden vastgesteld met inachtneming van de veilige bovengrenzen die aan de hand van een wetenschappelijke risicobeoordeling zijn bepaald op basis van algemeen aanvaarde wetenschappelijke gegevens en de eventuele inname uit andere levensmiddelen voor deze nutriënten. Ook moet terdege rekening worden gehouden met de aanbevolen hoeveelheden vitaminen en mineralen voor de algemene bevolking. Indien het nodig is om voor bepaalde vitaminen en mineralen beperkingen te stellen aan de levensmiddelen waaraan zij mogen worden toegevoegd (b.v. toevoeging van jodium aan zout), moet prioriteit worden gegeven op grond van het oogmerk om het gehalte daaraan te restaureren indien dat gedurende de productie, opslag of behandeling is verlaagd of om aan levensmiddelen een voedingswaarde te geven die vergelijkbaar is met die van de levensmiddelen ter vervanging waarvan zij bedoeld zijn.

(16)

Bij de toevoeging van vitaminen en mineralen aan levensmiddelen moet een bepaalde minimumhoeveelheid in het levensmiddel worden bereikt. Een te lage of onbeduidende hoeveelheid van deze stoffen in de verrijkte levensmiddelen zou namelijk voor de consument geen enkel voordeel hebben en misleidend zijn. Om dezelfde reden moeten deze nutriënten in een significante hoeveelheid in het levensmiddel aanwezig zijn om in de voedingswaarde-etikettering vermeld te mogen worden. Het is dan ook wenselijk de minimumhoeveelheden vitaminen en mineralen in levensmiddelen waaraan deze vitaminen en mineralen zijn toegevoegd, gelijk te stellen aan de significante hoeveelheden waarin nutriënten aanwezig moeten zijn om in de voedingswaarde-etikettering te mogen worden vermeld, tenzij door middel van passende afwijkingen anders is bepaald.

(17)

De vaststelling van maximumgehalten en eventuele gebruiksvoorwaarden op grond van de in deze verordening vastgelegde beginselen en criteria, en de vaststelling van minimumgehalten zijn uitvoeringsmaatregelen van technische aard: om de procedure te vereenvoudigen en te versnellen dient de vaststelling daarvan aan de Commissie te worden overgelaten.

(18)

Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (4), bevat algemene voorschriften en definities inzake etikettering. De onderhavige verordening moet derhalve tot de nodige aanvullende bepalingen beperkt blijven. Die aanvullende bepalingen dienen voorts van toepassing te zijn onverminderd Verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (5).

(19)

Gezien het belang voor de voeding van producten waaraan vitaminen en mineralen zijn toegevoegd en hun potentiële effect op de voedingsgewoonten en de totale nutriënteninname, moet de consument de algehele voedingskwaliteit van die producten kunnen beoordelen. Daarom moet voedingswaarde-etikettering, in afwijking van artikel 2 van Richtlijn 90/496/EEG van de Raad van 24 september 1990 inzake de voedingswaarde-etikettering van levensmiddelen (6), verplicht zijn.

(20)

Een normale, gevarieerde voeding bevat tal van ingrediënten die elk weer tal van stoffen bevatten. De inname van deze stoffen of ingrediënten als gevolg van hun normale, traditionele gebruik in de huidige voedingswijzen geeft geen aanleiding tot bezorgdheid en hoeft niet gereguleerd te worden. Een aantal andere stoffen dan vitaminen en mineralen, of ingrediënten die deze stoffen bevatten, worden aan levensmiddelen toegevoegd in de vorm van extracten of concentraten, en kunnen leiden tot een inname die aanzienlijk hoger ligt dan bij een adequate, gevarieerde voeding het geval zou zijn. Soms zijn er sterke twijfels omtrent de veiligheid van dergelijke toevoegingen en het nut ervan is niet altijd duidelijk; daarom moeten die toevoegingen gereguleerd worden. In dergelijke gevallen moet de bewijslast voor de veiligheid van die stoffen liggen bij de exploitanten van levensmiddelenbedrijven, die verantwoordelijk zijn voor de veiligheid van de producten die zij in de handel brengen.

(21)

Gelet op de specifieke aard van de levensmiddelen waaraan vitaminen en mineralen zijn toegevoegd, dienen de controlediensten, naast de gebruikelijke middelen, over aanvullende middelen te beschikken om een efficiënte controle van deze producten te vergemakkelijken.

(22)

Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk de goede werking van de interne markt wat betreft de toevoeging van vitaminen en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen, terwijl een hoog niveau van consumentenbescherming wordt geboden, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(23)

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (7),

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP, WERKINGSSFEER EN DEFINITIES

Artikel 1

Doel en toepassingsgebied

1.   Doel van deze verordening is de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten met betrekking tot de toevoeging van vitaminen en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen, teneinde de goede werking van de interne markt te waarborgen en tevens een hoog niveau van consumentenbescherming te verwezenlijken.

2.   De bepalingen van deze verordening met betrekking tot vitaminen en mineralen zijn niet van toepassing op de voedingssupplementen die onder Richtlijn 2002/46/EG vallen.

3.   Deze verordening geldt onverminderd specifieke bepalingen van de communautaire wetgeving betreffende:

a)

voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen en, indien hiervoor geen specifieke bepalingen bestaan, eisen betreffende de samenstelling van die producten die nodig zijn in verband met de specifieke voedingsbehoeften van de personen voor wie zij bestemd zijn;

b)

nieuwe levensmiddelen en nieuwe levensmiddeleningrediënten;

c)

genetisch gemodificeerde levensmiddelen;

d)

levensmiddelenadditieven en aroma's;

e)

toegestane oenologische procédés en behandelingen.

Artikel 2

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

1.

„autoriteit”: de bij Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (8) opgerichte Europese Autoriteit voor voedselveiligheid;

2.

„andere stof”: een stof die geen vitamine of mineraal is, maar wel een nutritief of fysiologisch effect heeft.

HOOFDSTUK II

TOEVOEGING VAN VITAMINEN EN MINERALEN

Artikel 3

Voorschriften inzake de toevoeging van vitaminen en mineralen

1.   Aan levensmiddelen mogen uitsluitend de in bijlage I opgesomde vitaminen en mineralen in de in bijlage II opgesomde vormen worden toegevoegd, overeenkomstig de voorschriften van deze verordening.

2.   Vitaminen en mineralen in voor het menselijk lichaam opneembare vorm mogen aan levensmiddelen worden toegevoegd, ongeacht of zij daarin normaliter voorkomen, om met name rekening te houden met:

a)

een tekort aan een of meer vitaminen en/of mineralen bij de bevolking of bij specifieke bevolkingsgroepen, dat kan worden aangetoond aan de hand van klinische of subklinische bewijzen van een tekort of waarvoor een geschatte lage nutriënteninname een aanwijzing is, of

b)

de mogelijkheid om de voedingstoestand van de bevolking of van specifieke bevolkingsgroepen te verbeteren, en/of eventuele tekorten bij de opname van vitaminen of mineralen uit de voeding ten gevolge van veranderde voedingsgewoonten te verhelpen, of

c)

ontwikkelingen in de algemeen aanvaarde wetenschappelijke kennis over de betekenis van vitaminen en mineralen in de voeding en de daaruit voortvloeiende effecten op de gezondheid.

3.   Wijzigingen in de in lid 1 van dit artikel bedoelde lijsten worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure, met inachtneming van het advies van de Autoriteit.

Alvorens dergelijke wijzigingen vast te stellen, pleegt de Commissie overleg met de belanghebbende partijen, met name met de exploitanten van levensmiddelenbedrijven en de consumentengroeperingen.

Artikel 4

Beperkingen voor de toevoeging van vitaminen en mineralen

Vitaminen en mineralen mogen niet worden toegevoegd aan:

a)

onbewerkte producten zoals, onder meer, groenten, fruit, vlees, pluimvee en vis;

b)

dranken met een alcoholgehalte van meer dan 1,2 volumeprocent, uitgezonderd, in afwijking van artikel 3, lid 2, de producten:

i)

als bedoeld in artikel 44, lid 6 en lid 13, van Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (9); en

ii)

die vóór de aanneming van deze verordening in de handel zijn gebracht; en

iii)

die overeenkomstig artikel 11 door een lidstaat ter kennis van de Commissie zijn gebracht,

en op voorwaarde dat er geen voedings- of gezondheidsclaim wordt gemaakt.

De lijst van levensmiddelen of categorieën levensmiddelen waaraan bepaalde vitaminen en mineralen niet mogen worden toegevoegd, kan in het licht van wetenschappelijke gegevens, met inachtneming van hun voedingswaarde, worden uitgebreid volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 5

Zuiverheidscriteria

1.   De zuiverheidscriteria voor vitamineformuleringen en mineraalverbindingen van bijlage II worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure, tenzij zij van toepassing zijn krachtens lid 2 van dit artikel.

2.   Voor de vitamineformuleringen en mineraalverbindingen van bijlage II gelden de zuiverheidscriteria die in de communautaire wetgeving zijn voorgeschreven voor het gebruik ervan bij de vervaardiging van levensmiddelen voor andere dan in deze verordening bedoelde doeleinden.

3.   Voor de vitamineformuleringen en mineraalverbindingen van bijlage II waarvoor de communautaire wetgeving niet in zuiverheidscriteria voorziet, gelden de algemeen aanvaardbare zuiverheidscriteria die door internationale organen worden aanbevolen, en kunnen nationale voorschriften met strengere zuiverheidscriteria van kracht blijven, totdat de communautaire wetgeving in zuiverheidscriteria voor deze stoffen voorziet.

Artikel 6

Voorwaarden voor de toevoeging van vitaminen en mineralen

1.   Wanneer een vitamine of mineraal aan levensmiddelen wordt toegevoegd, bedraagt de totale hoeveelheid van die vitamine of dat mineraal die voor ongeacht welk doel in het verkochte levensmiddel aanwezig is, niet meer dan maximumhoeveelheden die volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure worden vastgesteld. Met het oog hierop kan de Commissie uiterlijk 19 januari 2009 voorstellen indienen voor maximumhoeveelheden. Voor geconcentreerde en gedehydrateerde producten zijn de vast te stellen maximumhoeveelheden de hoeveelheden die aanwezig zijn in de volgens de aanwijzingen van de fabrikant voor consumptie bereide levensmiddelen.

2.   Eventuele voorwaarden houdende een beperking van of een verbod op de toevoeging van een specifieke vitamine of een specifiek mineraal aan een levensmiddel of een categorie levensmiddelen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure.

3.   De in lid 1 bedoelde maximumhoeveelheden en de in lid 2 bedoelde voorwaarden worden vastgesteld met inachtneming van:

a)

de veilige bovengrenzen voor vitaminen en mineralen die aan de hand van een wetenschappelijke risicobeoordeling op basis van algemeen aanvaardbare wetenschappelijke gegevens zijn vastgesteld, waarbij in voorkomend geval rekening wordt gehouden met de variërende mate van gevoeligheid van verschillende groepen consumenten; en

b)

innames van vitaminen en mineralen uit andere voedingsbronnen.

4.   Bij de vaststelling van de in lid 1 bedoelde maximumhoeveelheden en de in lid 2 bedoelde voorwaarden wordt ook rekening gehouden met de aanbevolen hoeveelheden vitaminen en mineralen voor de algemene bevolking.

5.   Bij de vaststelling van de in lid 1 bedoelde maximumhoeveelheden en de in lid 2 bedoelde voorwaarden voor vitaminen en mineralen waarvan de aanbevolen hoeveelheden voor de algemene bevolking dicht bij de veilige bovengrens liggen, wordt voor zover nodig ook met het volgende rekening gehouden:

a)

de bijdrage van de afzonderlijke producten aan het totale voedingspakket van de algemene bevolking of van bepaalde bevolkingsgroepen;

b)

het voedingsprofiel van het product zoals vastgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1924/2006.

6.   Na toevoeging van een vitamine of mineraal aan een levensmiddel is die vitamine of dat mineraal in het levensmiddel aanwezig in ten minste een significante hoeveelheid, indien die is bepaald overeenkomstig de bijlage bij Richtlijn 90/496/EEG. Minimumhoeveelheden voor specifieke levensmiddelen of categorieën levensmiddelen, inclusief lagere hoeveelheden, die afwijken van de bovenbedoelde significante hoeveelheden, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 7

Etikettering, presentatie en reclame

1.   De etikettering en presentatie van en de reclame voor levensmiddelen waaraan vitaminen en mineralen zijn toegevoegd, mogen geen vermelding bevatten waarin gesteld of gesuggereerd wordt dat een evenwichtige, gevarieerde voeding niet kan voorzien in een toereikende hoeveelheden nutriënten. In voorkomend geval kan volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure een afwijking betreffende een specifieke nutriënt worden vastgesteld.

2.   De etikettering en presentatie van en de reclame voor levensmiddelen waaraan vitaminen en mineralen zijn toegevoegd, mogen de consument niet misleiden of bedriegen informatie verstrekken over de voedingswaarde van de levensmiddelen als gevolg van de toevoeging van die nutriënten.

3.   Producten waaraan vitaminen en mineralen zijn toegevoegd en die onder deze verordening vallen, is voedingswaarde-etikettering verplicht. De te verstrekken informatie bestaat uit de in artikel 4, lid 1, groep 2, van Richtlijn 90/496/EEG genoemde gegevens en de totale in het levensmiddel aanwezige hoeveelheden van de vitaminen en mineralen na toevoeging.

4.   In de etikettering van producten waaraan vitaminen en mineralen zijn toegevoegd, mag die toevoeging worden vermeld onder de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 1924/2006.

5.   Dit artikel geldt onverminderd andere bepalingen van de levensmiddelenwetgeving die van toepassing zijn op gespecificeerde categorieën levensmiddelen.

6.   De voorschriften ter uitvoering van dit artikel kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure.

HOOFDSTUK III

TOEVOEGING VAN BEPAALDE ANDERE STOFFEN

Artikel 8

Stoffen waarvoor een verbod of een beperking geldt, of die door de Gemeenschap worden onderzocht

1.   Wanneer een andere stof dan vitaminen of mineralen, of een ingrediënt dat een dergelijke stof bevat, aan levensmiddelen wordt toegevoegd of bij de vervaardiging van levensmiddelen wordt gebruikt op zodanige wijze dat de inname van die stof veel groter is dan onder normale omstandigheden bij een evenwichtige en gevarieerde voeding redelijkerwijs te verwachten is, en/of dat anderszins een potentieel risico voor de consument ontstaat, wordt de procedure van dit artikel gevolgd.

2.   Op eigen initiatief of op basis van informatie van de lidstaten kan de Commissie, steeds na een beoordeling van de beschikbare informatie door de Autoriteit en volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure, een besluit nemen en indien nodig de stof of het ingrediënt in bijlage III opnemen. Meer bepaald:

a)

indien een schadelijk effect op de gezondheid is vastgesteld, wordt die stof en/of het ingrediënt dat die stof bevat:

i)

opgenomen in deel A van bijlage III en wordt de toevoeging ervan aan levensmiddelen en het gebruik ervan bij de vervaardiging van levensmiddelen verboden, of

ii)

opgenomen in deel B van bijlage III en is de toevoeging ervan aan levensmiddelen en het gebruik ervan bij de vervaardiging van levensmiddelen slechts toegestaan onder de aldaar vermelde voorwaarden;

b)

indien de mogelijkheid van schadelijke gevolgen voor de gezondheid is vastgesteld, maar hieromtrent nog wetenschappelijke onzekerheid bestaat, wordt de stof opgenomen in deel C van bijlage III.

3.   De communautaire voorschriften betreffende specifieke levensmiddelen kunnen het gebruik van bepaalde stoffen onderwerpen aan verdere beperkingen of verboden, naast de beperkingen en verboden van deze verordening.

4.   Ondernemers in de levensmiddelensector alsmede andere belanghebbenden kunnen te allen tijde bij de Autoriteit ter beoordeling een dossier indienen met de wetenschappelijke gegevens ter staving van de veiligheid van een in deel C van bijlage III opgenomen stof onder de omstandigheden waarin die stof in een levensmiddel of een categorie levensmiddelen wordt gebruikt, waarin ook het oogmerk van dat gebruik wordt toegelicht. De Autoriteit informeert de lidstaten en de Commissie onverwijld van de indiening en stelt hun het dossier ter beschikking.

5.   Binnen vier jaar na de datum waarop een stof in deel C van bijlage III is opgenomen, wordt volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure en met inachtneming van het advies van de Autoriteit over de overeenkomstig lid 4 van dit artikel ter beoordeling ingediende dossiers, een besluit genomen om het gebruik van een in deel C van bijlage III opgenomen stof algemeen toe te staan, of om die stof in deel A of deel B van bijlage III op te nemen, naar gelang van het geval.

6.   De Commissie stelt, volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure, de uitvoeringsvoorschriften voor de toepassing van dit artikel vast, met inbegrip van voorschriften betreffende de in lid 4 van dit artikel bedoelde indiening.

HOOFDSTUK IV

ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 9

Communautair repertorium

1.   De Commissie stelt een communautair repertorium op over de toevoeging van vitaminen en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen, hierna „het repertorium” genoemd, en houdt dat repertorium bij.

2.   Het repertorium bevat het volgende:

a)

de vitaminen en mineralen die aan levensmiddelen mogen worden toegevoegd, vermeld in bijlage I;

b)

de vitamineformuleringen en mineraalverbindingen die aan levensmiddelen mogen worden toegevoegd, vermeld in bijlage II;

c)

de maximum- en minimumhoeveelheden voor vitaminen en mineralen die aan levensmiddelen mogen worden toegevoegd, alsmede daaraan verbonden voorwaarden overeenkomstig artikel 6;

d)

de informatie betreffende de nationale bepalingen inzake verplichte toevoeging van vitaminen en mineralen als bedoeld in artikel 11;

e)

eventuele beperkingen inzake de toevoeging van vitaminen en mineralen als bedoeld in artikel 4;

f)

de stoffen waarvoor dossiers zijn ingediend overeenkomstig artikel 17, lid 1, onder b);

g)

informatie over de in bijlage III genoemde stoffen en de redenen voor opname in die bijlage;

h)

informatie over de in bijlage III, deel C, genoemde stoffen waarvan het gebruik algemeen is toegestaan overeenkomstig artikel 8, lid 5.

3.   Het repertorium wordt openbaar gemaakt.

Artikel 10

Het vrije verkeer van goederen

Onverminderd het Verdrag, met name de artikelen 28 en 30, mogen de lidstaten de handel in levensmiddelen die aan de voorschriften van deze verordening en van communautaire besluiten ter uitvoering van deze verordening voldoen, niet verbieden of beperken door toepassing van niet-geharmoniseerde nationale bepalingen betreffende de toevoeging van vitaminen en mineralen aan levensmiddelen.

Artikel 11

Nationale bepalingen

1.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 19 juli 2007 in kennis van bestaande nationale bepalingen inzake de verplichte toevoeging van vitaminen en mineralen, en inzake de producten waarvoor de in artikel 4, onder b), bedoelde afwijking geldt.

2.   Wanneer een lidstaat het bij gebreke van communautaire bepalingen nodig acht nieuwe wetgeving vast te stellen:

a)

inzake de verplichte toevoeging van vitaminen en mineralen aan specifieke levensmiddelen of categorieën levensmiddelen,

b)

inzake het verbieden of beperken van het gebruik van bepaalde andere stoffen bij de vervaardiging van specifieke levensmiddelen,

stelt hij de Commissie daarvan in kennis overeenkomstig de procedure van artikel 12.

Artikel 12

Kennisgevingsprocedure

1.   Indien een lidstaat het nodig acht nieuwe wetgeving vast te stellen, stelt hij de Commissie en de andere lidstaten van de beoogde maatregelen en de motivering in kennis.

2.   De Commissie raadpleegt het in artikel 14, lid 1, bedoelde Comité, indien zij van oordeel is dat zulks zinvol is, of indien een lidstaat daarom verzoekt, en brengt advies uit over de beoogde maatregelen.

3.   De betrokken lidstaat kan de beoogde maatregelen niet eerder dan zes maanden na de in lid 1 bedoelde kennisgeving treffen, op voorwaarde dat hij van de Commissie geen negatief advies heeft ontvangen.

Indien de Commissie een negatief advies uitbrengt, besluit zij, voordat de in de eerste alinea bedoelde periode is verstreken, volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure of de beoogde maatregelen kunnen worden uitgevoerd. De Commissie kan eisen dat de beoogde maatregelen worden gewijzigd.

Artikel 13

Vrijwaringsmaatregelen

1.   Wanneer een lidstaat gegronde redenen heeft om aan te nemen dat een product gevaar oplevert voor de gezondheid van de mens, ook al is het in overeenstemming met deze verordening, kan die lidstaat de toepassing van de betrokken bepalingen op zijn grondgebied tijdelijk schorsen of beperken.

Hij stelt de andere lidstaten en de Commissie daarvan onverwijld in kennis onder vermelding van de redenen die tot zijn besluit hebben geleid.

2.   Over de zaak wordt een besluit genomen volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure, in voorkomend geval na raadpleging van de Autoriteit.

De Commissie kan deze procedure op eigen initiatief inleiden.

3.   De in lid 1 bedoelde lidstaat kan de schorsing of beperking handhaven tot hem kennis is gegeven van het in lid 2 bedoelde besluit.

Artikel 14

Procedure van het Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 58, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 ingestelde Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid (hierna „het comité” genoemd).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 15

Toezicht

Teneinde een efficiënt toezicht op levensmiddelen waaraan vitaminen en mineralen zijn toegevoegd en op levensmiddelen die in de delen B en C van bijlage III vermelde stoffen bevatten te vergemakkelijken, kunnen de lidstaten eisen dat de fabrikant of degene die voor het in de handel brengen van dergelijke levensmiddelen op hun grondgebied verantwoordelijk is, de bevoegde instantie van het in de handel brengen in kennis stelt, door deze een model van het voor het product gebruikte etiket te verstrekken. In zulke gevallen kan ook informatie over het uit de handel nemen van het product worden geëist.

Artikel 16

Evaluatie

Uiterlijk op 1 juli 2013 legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de gevolgen van de toepassing van deze verordening, in het bijzonder betreffende de ontwikkeling van de markt voor levensmiddelen waaraan vitaminen en mineralen zijn toegevoegd, het gebruik daarvan, de inname van nutriënten voor de bevolking, veranderingen in de voedingsgewoonten en de toevoeging van bepaalde andere stoffen, en dient zij de nodig geachte voorstellen tot wijziging van deze verordening in. De lidstaten verstrekken de Commissie daartoe uiterlijk op 1 juli 2012 alle nodige informatie. De voorschriften ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 17

Overgangsmaatregelen

1.   In afwijking van artikel 3, lid 1, kunnen de lidstaten tot 19 januari 2014 op hun grondgebied het gebruik toestaan van vitaminen en mineralen die niet in bijlage I zijn opgenomen of een niet in bijlage II vermelde vorm hebben, onder de volgende voorwaarden:

a)

de betrokken stof wordt gebruikt voor toevoeging aan levensmiddelen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening in de Gemeenschap op 19 januari 2007 in de handel zijn, en

b)

de Autoriteit heeft met betrekking tot het gebruik van die stof, of het gebruik van de stof in die vorm, bij de vervaardiging van levensmiddelen geen ongunstig advies verleend op basis van een dossier ter ondersteuning van het gebruik van de betrokken stof dat uiterlijk op 19 januari 2010 door de lidstaat bij de Commissie moet worden ingediend.

2.   Tot 19 januari 2014 kunnen de lidstaten in overeenstemming met het Verdrag de bestaande nationale beperkingen of verboden blijven toepassen op de handel in levensmiddelen waaraan vitaminen of mineralen zijn toegevoegd die niet in de lijst van bijlage I zijn opgenomen of die een niet in bijlage II vermelde vorm hebben.

3.   Totdat de desbetreffende communautaire maatregelen op grond van artikel 6 of andere specifieke communautaire bepalingen zijn vastgesteld, kunnen de lidstaten, in overeenstemming met het Verdrag, bestaande nationale voorschriften blijven toepassen inzake de maximum- en minimumhoeveelheden van de aan levensmiddelen toegevoegde vitaminen en mineralen die in bijlage I zijn opgenomen en inzake de voorwaarden voor deze toevoegingen.

Artikel 18

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2007.

Levensmiddelen die vóór 1 juli 2007 in de handel gebracht of geëtiketteerd zijn en niet aan deze verordening voldoen, mogen tot hun vervaldatum, doch niet na 31 december 2009 worden verhandeld.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 december 2006

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES

Voor de Raad

De voorzitter

J. KORKEAOJA


(1)  PB C 112 van 30.4.2004, blz. 44.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 26 mei 2005 (PB C 117 E van 18.5.2006, blz. 206), Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad van 8 december 2005 (PB C 80 E van 4.4.2006, blz. 27) en Standpunt van het Europees Parlement van 16 mei 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Besluit van de Raad van 12 oktober 2006.

(3)  PB L 183 van 12.7.2002, blz. 51. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2006/37/EG van de Commissie (PB L 94 van 1.4.2006, blz. 32).

(4)  PB L 109 van 6.5.2000, blz. 29. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/89/EG (PB L 308 van 25.11.2003, blz. 15).

(5)  Zie bladzijde 9 van dit Publicatieblad.

(6)  PB L 276 van 6.10.1990, blz. 40. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/120/EG van de Commissie (PB L 333 van 20.12.2003, blz. 51).

(7)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(8)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 575/2006 van de Commissie (PB L 100 van 8.4.2006, blz. 3).

(9)  PB L 179 van 14.7.1999, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2165/2005 (PB L 345 van 28.12.2005, blz. 1).


BIJLAGE I

VITAMINEN EN MINERALEN DIE AAN LEVENSMIDDELEN MOGEN WORDEN TOEGEVOEGD

1.   Vitaminen

Vitamine A

Vitamine D

Vitamine E

Vitamine K

Vitamine B1

Vitamine B2

Niacine

Pantotheenzuur

Vitamine B6

Foliumzuur

Vitamine B12

Biotine

Vitamine C

2.   Mineralen

Calcium

Magnesium

IJzer

Koper

Jood

Zink

Mangaan

Natrium

Kalium

Seleen

Chroom

Molybdeen

Fluoride

Chloride

Fosfor


BIJLAGE II

VITAMINEFORMULERINGEN EN MINERAALVERBINDINGEN DIE AAN LEVENSMIDDELEN MOGEN WORDEN TOEGEVOEGD

1.   Vitamineformuleringen

VITAMINE A

retinol

retinylacetaat

retinylpalmitaat

bèta-caroteen

VITAMINE D

cholecalciferol

ergocalciferol

VITAMINE E

D-alfa-tocoferol

DL-alfa-tocoferol

D-alfa-tocoferylacetaat

DL-alfa-tocoferylacetaat

D-alfa-tocoferylwaterstofsuccinaat

VITAMINE K

fyllochinon (fytomenadion)

VITAMINE B1

thiaminehydrochloride

thiaminemononitraat

VITAMINE B2

riboflavine

natriumriboflavine-5'-fosfaat

NIACINE

nicotinezuur

nicotinamide

PANTOTHEENZUUR

calcium-D-pantothenaat

natrium-D-pantothenaat

dexpanthenol

VITAMINE B6

pyridoxinehydrochloride

pyridoxine-5'-fosfaat

pyridoxinedipalmitaat

FOLIUMZUUR

pteroylmonoglutaminezuur

VITAMINE B12

cyanocobalamine

hydroxocobalamine

BIOTINE

D-biotine

VITAMINE C

L-ascorbinezuur

natrium-L-ascorbaat

calcium-L-ascorbaat

kalium-L-ascorbaat

6-palmityl-L-ascorbinezuur

2.   Mineraalverbindingen

calciumcarbonaat

calciumchloride

calciumzouten van citroenzuur

calciumgluconaat

calciumglycerofosfaat

calciumlactaat

calciumzouten van orthofosforzuur

calciumhydroxide

calciumoxide

calciumsulfaat

magnesiumacetaat

magnesiumcarbonaat

magnesiumchloride

magnesiumzouten van citroenzuur

magnesiumgluconaat

magnesiumglycerofosfaat

magnesiumzouten van orthofosforzuur

magnesiumlactaat

magnesiumhydroxide

magnesiumoxide

magnesiumsulfaat

ijzer(II)carbonaat

ijzer(II)citraat

ijzer(III)ammoniumcitraat

ijzer(II)gluconaat

ijzer(II)fumaraat

natriumijzer(III)difosfaat

ijzer(II)lactaat

ijzer(II)sulfaat

ijzer(III)difosfaat (ijzer(III)pyrofosfaat)

ijzer(III)saccharaat

elementair ijzer (uit carbonyl + elektrolytisch bereid + met waterstof gereduceerd)

koper(II)carbonaat

koper(II)citraat

koper(II)gluconaat

koper(II)sulfaat

koper-lysinecomplex

natriumjodide

natriumjodaat

kaliumjodide

kaliumjodaat

zinkacetaat

zinkchloride

zinkcitraat

zinkgluconaat

zinklactaat

zinkoxide

zinkcarbonaat

zinksulfaat

mangaancarbonaat

mangaanchloride

mangaancitraat

mangaangluconaat

mangaanglycerofosfaat

mangaansulfaat

natriumwaterstofcarbonaat

natriumcarbonaat

natriumcitraat

natriumgluconaat

natriumlactaat

natriumhydroxide

natriumzouten van orthofosforzuur

natriumselenaat

natriumwaterstofseleniet

natriumseleniet

natriumfluoride

kaliumfluoride

kaliumwaterstofcarbonaat

kaliumcarbonaat

kaliumchloride

kaliumcitraat

kaliumgluconaat

kaliumglycerofosfaat

kaliumlactaat

kaliumhydroxyde

kaliumzouten van orthofosforzuur

chroom(III)chloride en het hexahydraat daarvan

chroom(III)sulfaat en het hexahydraat daarvan

ammoniummolybdaat (molybdeen(VI))

natriummolybdaat (molybdeen(VI))


BIJLAGE III

STOFFEN WAARVAN HET GEBRUIK IN LEVENSMIDDELEN IS VERBODEN, AAN BEPERKING IS ONDERWORPEN OF DIE DOOR DE GEMEENSCHAP WORDEN ONDERZOCHT

Deel A — Verboden stoffen

Deel B — Aan beperkingen onderworpen stoffen

Deel C — Stoffen die door de Gemeenschap worden onderzocht


30.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 404/39


BESLUIT Nr. 1926/2006/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 18 december 2006

tot vaststelling van een communautair actieprogramma op het gebied van consumentenbeleid (2007-2013)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 153,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Door acties op het gebied van consumentenbescherming kan de Gemeenschap bijdragen tot de bescherming van de gezondheid, de veiligheid en de economische en juridische belangen van de burgers.

(2)

Daarom is het zinvol een communautair actieprogramma op het gebied van consumentenbeleid vast te stellen ter vervanging van Besluit nr. 20/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 december 2003 tot vaststelling van een algemeen kader voor de financiering van communautaire acties ter ondersteuning van het consumentenbeleid in de periode 2004-2007 (4). Dat besluit moet bijgevolg worden ingetrokken.

(3)

Hoge prioriteit dient te worden gegeven aan de integratie van de consumentenbelangen in elk beleid van de Gemeenschap overeenkomstig artikel 153 van het Verdrag en aan de in dit programma vastgelegde doelstellingen van consumentenbeleid. Coördinatie met andere communautaire beleidsgebieden en programma's vormt een essentieel onderdeel van de doelstelling om op andere beleidsgebieden volledig rekening te houden met de consumentenbelangen. Om synergieën te bevorderen en dubbel werk te voorkomen, dienen andere communautaire middelen en programma's te voorzien in financiële steun voor het integreren van de consumentenbelangen in hun respectieve gebieden.

(4)

Dit besluit stelt voor de gehele duur van het programma de financiële middelen vast die in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure voor de begrotingsautoriteit het voornaamste referentiepunt vormen in de zin van punt 37 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (5).

(5)

Het is van algemeen Europees belang dat de gezondheid en de veiligheid van diensten en niet-voedingsproducten, de economische en juridische belangen van de burger, en de belangen van de consument bij de ontwikkeling van normen voor producten en diensten, op communautair niveau worden behartigd. Gezien de specifieke aard van de organisaties in kwestie kan bij de verlenging van communautaire steun voor het functioneren van deze organisaties worden afgeweken van het beginsel van geleidelijke degressie van het bedrag van de communautaire steun.

(6)

Er moet worden gezorgd voor een overgang tussen dit programma en het voorafgaande programma dat het vervangt, met name wat betreft de continuïteit van meerjarige maatregelen en de beoordeling van de resultaten van het vorige programma en van de gebieden die meer aandacht nodig hebben. Vanaf 1 januari 2014 dienen de kredieten voor de technische en administratieve bijstand, zo nodig, in te staan voor de uitgaven voor het beheer van acties die eind 2013 nog niet zijn afgesloten.

(7)

De voor de uitvoering van dit besluit vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (6).

(8)

Bij de uitvoering van het programma dient ermee rekening te worden gehouden dat de interne markt niet behoorlijk zal functioneren als de consumenten in sommige lidstaten minder goed beschermd worden dan in andere. Het programma moet daarom bijzondere nadruk leggen op de bescherming en het bewustzijn van de consumenten in de op of na 1 mei 2004 toegetreden lidstaten om gelijke voorwaarden voor alle lidstaten van de Europese Unie te creëren.

(9)

De Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte (hierna „de EER-Overeenkomst” genoemd) voorziet in samenwerking op het gebied van consumentenbescherming tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en de landen van de Europese Vrijhandelsassociatie die deel uitmaken van de Europese Economische Ruimte (hierna „de EVA/EER-landen” genoemd) anderzijds. Ook andere landen moeten aan het programma kunnen deelnemen, met name de buurlanden van de Europese Unie, de landen die lidmaatschap van de Europese Unie aanvragen, de kandidaat-lidstaten en de toetredingslanden.

(10)

Bij de uitvoering van het programma dient samenwerking met derde landen die niet aan het programma deelnemen, te worden aangemoedigd, rekening houdend met eventuele overeenkomsten tussen die landen en de Gemeenschap.

(11)

De waarde en de impact van de in het kader van het programma genomen maatregelen moeten regelmatig worden gemonitord en beoordeeld, ook door onafhankelijke externe beoordelaars. Met het oog op de evaluatie van het consumentenbeleid is het wenselijk meetbare doelstellingen te formuleren en indicatoren te ontwikkelen.

(12)

Aangezien de doelstellingen van dit besluit door de grensoverschrijdende aard van de desbetreffende kwesties niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve, vanwege het grotere communautair potentieel om de gezondheid, de veiligheid en de economische en juridische belangen van de burgers efficiënt en effectief te beschermen, beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat dit besluit niet verder dan wat nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken,

BESLUITEN:

Artikel 1

Vaststelling van het programma

Voor de periode vanaf 31 december 2006 tot en met 31 december 2013 wordt een communautair actieprogramma op het gebied van consumentenbeleid (hierna „het programma” genoemd) vastgesteld.

Artikel 2

Algemeen doel en specifieke doelstellingen

1.   Het programma dient ter aanvulling, ondersteuning en monitoring van het beleid van de lidstaten en draagt bij tot de bescherming van de gezondheid, de veiligheid en de economische en juridische belangen van de consumenten en tot de bevordering van hun recht op voorlichting en vorming, en hun recht van vereniging om hun belangen te behartigen.

2.   Het in lid 1 genoemde doel wordt nagestreefd aan de hand van de volgende doelstellingen:

a)

een hoog niveau van consumentenbescherming waarborgen, met name door verbeterde gegevens en informatie, meer overleg en een betere behartiging van de consumentenbelangen;

b)

doeltreffende toepassing van de voorschriften inzake consumentenbescherming verzekeren, met name door samenwerking bij de handhaving, voorlichting, vorming en verhaalsmogelijkheden.

Deze doelstellingen worden verwezenlijkt door middel van een combinatie van acties en instrumenten uit de in bijlage I bij dit besluit opgenomen lijst, in overeenstemming met de prioriteiten van het in artikel 7, lid 2, onder a), bedoelde jaarlijkse werkprogramma.

Artikel 3

Financiering

1.   De financiële middelen voor de uitvoering van dit programma in de periode van 31 december 2006 tot en met 31 december 2013 worden vastgesteld op 156 800 000 EUR.

2.   De jaarlijkse kredieten worden binnen de grenzen van het financieel kader door de begrotingsautoriteit toegestaan.

Artikel 4

Financiële bijdragen

1.   De financiële bijdragen van de Gemeenschap bedragen maximaal:

a)

50 % van de kosten van acties die gemeenschappelijk zijn gefinancierd door de Gemeenschap en één of meer lidstaten, of door de Gemeenschap en de bevoegde autoriteiten van de derde landen die deelnemen overeenkomstig artikel 8, behalve in gevallen van uitzonderlijk nut, waarin de bijdrage van de Gemeenschap maximaal 70 % bedraagt;

b)

85 % van de kosten van acties om geïntegreerde Europese masteropleidingen op het gebied van consumentenzaken te ontwikkelen;

c)

50 % van de functioneringsuitgaven van Europese consumentenorganisaties;

d)

95 % van de functioneringsuitgaven van Europese consumentenorganisaties die de belangen van de consument behartigen bij de ontwikkeling op communautair niveau van normen voor producten en diensten.

2.   De financiële bijdragen van de Gemeenschap kunnen de vorm aannemen van:

a)

de toekenning van individuele mobiliteitsbeurzen aan docenten en studenten in het kader van geïntegreerde Europese masteropleidingen op het gebied van consumentenzaken. Het beheer van deze beurzen kan worden uitbesteed aan de nationale Erasmus-agentschappen van het programma voor levenslang leren;

b)

reis- en verblijfkostenvergoedingen voor de uitwisseling van handhavingsfunctionarissen.

3.   De criteria om te beoordelen of er al dan niet sprake is van uitzonderlijk nut zoals bedoeld in lid 1, onder a), worden vooraf vastgesteld in het jaarlijkse werkprogramma. Acties met uitzonderlijk nut komen met name ten goede aan consumenten uit de op of na 1 mei 2004 toegetreden lidstaten.

4.   Bij de verlenging van financiële bijdragen als bedoeld in lid 1, onder c) en d), mag worden afgeweken van het degressiebeginsel.

5.   Voor de toepassing van de leden 1 en 2 mogen de financiële bijdragen van de Gemeenschap ook in de vorm van een forfaitaire financiering of een forfaitair bedrag worden verstrekt, mits dit gezien de aard van de desbetreffende acties, zoals vastgesteld in het jaarlijkse werkprogramma, gepast is. In geval van forfaitaire financieringen of forfaitaire bedragen zijn de in lid 1 genoemde maximale percentages niet van toepassing, hoewel cofinanciering nog altijd vereist is.

Artikel 5

Begunstigden

Bijlage II bij dit besluit bevat de begunstigden van de financiële bijdragen zoals aangegeven in artikel 4.

Artikel 6

Administratieve en technische bijstand

1.   De financiële toewijzing voor het programma kan ook de uitgaven dekken die samenhangen met voorbereidings-, monitoring-, controle-, doorlichtings- en evaluatieactiviteiten die rechtstreeks zijn vereist voor het beheer van het programma en de verwezenlijking van de doelen ervan, en met name studies, vergaderingen, informatie- en publicatieacties, uitgaven in verband met informaticanetwerken die zijn gericht op informatie-uitwisseling, samen met alle andere uitgaven aan technische en administratieve bijstand van de Commissie voor het beheer van het programma.

2.   De financiële toewijzing voor het programma kan ook de uitgaven dekken voor noodzakelijke technische en administratieve uitgaven om de overgang tussen het programma en de maatregelen uit hoofde van Besluit nr. 20/2004/EG te waarborgen. Zo nodig kunnen er voor het beheer van acties die op 31 december 2013 nog niet zijn afgerond, eventueel ook na 2013 kredieten om deze uitgaven te dekken in de begroting worden opgenomen.

Artikel 7

Uitvoering

1.   De Commissie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het programma.

Bij acties ter verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 2 wordt ten volle gebruik gemaakt van de passende beschikbare uitvoeringsmethoden, waaronder met name de rechtstreekse of onrechtstreekse uitvoering door de Commissie op een gecentraliseerde grondslag.

2.   De procedure bedoeld in artikel 10, lid 2, geldt voor de aanneming van:

a)

het jaarlijks werkprogramma voor de uitvoering van het programma, met:

de prioriteiten en de uit te voeren acties, met inbegrip van de toewijzing van de financiële middelen;

selectie- en toewijzingscriteria en criteria voor het percentage van de financiële bijdrage van de Gemeenschap;

de mate waarin forfaitaire financiering of forfaitaire bedragen worden gebruikt; en

het geplande tijdschema van de aanbestedingen, de gezamenlijke acties en de oproepen tot het indienen van voorstellen;

b)

de regelingen, met inbegrip van selectie- en toewijzingscriteria, voor de uitvoering van de in artikel 4, lid 1, onder a), bedoelde acties.

3.   De Commissie houdt het in artikel 10 bedoelde comité op de hoogte van de ter uitvoering van het programma ondernomen acties.

Artikel 8

Deelname van derde landen

Aan het programma kan worden deelgenomen door:

a)

de EVA/EER-landen overeenkomstig de voorwaarden die worden gesteld in de EER-Overeenkomst;

b)

derde landen, met name de landen die onder het Europees Nabuurschapsbeleid vallen, de landen die het lidmaatschap van de Europese Unie aanvragen, de kandidaat-lidstaten, de toetredende landen en de landen van de westelijke Balkan die bij het stabilisatie- en associatieproces betrokken zijn, overeenkomstig de voorwaarden van de respectieve bilaterale of multilaterale overeenkomsten met die landen tot vaststelling van de algemene beginselen voor hun deelname aan communautaire programma's.

Artikel 9

Monitoring, evaluatie en verspreiding van de resultaten

1.   De Commissie houdt in nauwe samenwerking met de lidstaten toezicht op de uitvoering van de acties in het kader van het programma met het oog op de doelstellingen van het programma. De Commissie brengt daarover verslag uit aan het in artikel 10 bedoelde comité en houdt het Europees Parlement en de Raad op de hoogte.

2.   Op verzoek van de Commissie verstrekken de lidstaten informatie over de uitvoering en het effect van het programma.

3.   De Commissie zorgt ervoor dat het programma drie jaar na het begin ervan en na afloop ervan wordt geëvalueerd. De Commissie deelt de conclusies van die evaluaties met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

De Commissie maakt de resultaten van de acties die overeenkomstig dit besluit worden ondernomen, openbaar.

Artikel 10

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van de bepalingen van artikel 8 van dat besluit.

3.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 11

Intrekking

Besluit nr. 20/2004/EG wordt ingetrokken.

Artikel 12

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag volgende op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 18 december 2006

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES

Voor de Raad

De voorzitter

J.-E. ENESTAM


(1)  PB C 88 van 11.4.2006, blz. 1.

(2)  PB C 192 van 16.8.2006, blz. 8.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 23 maart 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 14 november 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en standpunt van het Europees Parlement van 12 december 2006.

(4)  PB L 5 van 9.1.2004, blz. 1. Besluit gewijzigd bij Besluit nr. 786/2004/EG (PB L 138 van 30.4.2004, blz. 7).

(5)  PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.

(6)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit gewijzigd bij Besluit nr. 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).


BIJLAGE I

ACTIES EN INSTRUMENTEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 2

Doelstelling I

Een hoog niveau van consumentenbescherming waarborgen, met name door middel van betere gegevens, meer overleg en een betere behartiging van de consumentenbelangen.

Actie 1:

Verzameling, uitwisseling en analyse van gegevens en informatie die een gedocumenteerde basis verschaffen om de ontwikkeling van het consumentenbeleid en de integratie van de belangen van de consument in ander EU-beleid te onderbouwen, met inbegrip van:

1.1.

monitoring en evaluatie van marktontwikkelingen met effect op de economische en overige belangen van de consument, onder andere door studies, prijsenquêtes, onderzoek naar veranderingen in de marktstructuur, onderzoek naar consumenten en bedrijven, verzameling en analyse van consumentenklachten, verzameling en analyse van gegevens over grensoverschrijdende „business-to-consumer”-handel en -markten;

1.2.

ontwikkeling en onderhoud van databanken;

1.3.

verzameling en analyse van statistische en andere relevante gegevens; het statistische onderdeel zal waar nodig worden ontwikkeld met behulp van het communautair statistisch programma.

Actie 2:

Verzameling, uitwisseling en analyse van gegevens en informatie, en ontwikkeling van evaluatie-instrumenten die een gedocumenteerde basis verschaffen over de veiligheid van consumentenproducten en -diensten, met inbegrip van de blootstelling van de consument aan chemische stoffen die vrijkomen uit producten, risico's en ongevallen in verband met specifieke consumentenproducten en -diensten, en technische analyse van waarschuwingsmeldingen.

Actie 3:

Steun voor wetenschappelijk advies en risicobeoordeling, waaronder de taken van de onafhankelijke wetenschappelijke comités die zijn ingesteld bij Besluit 2004/210/EG van de Commissie tot instelling van wetenschappelijke comités op het gebied van de consumentenveiligheid, de volksgezondheid en het milieu (1).

Actie 4:

Voorbereiding van wetgevings- en andere regelgevingsinitiatieven en bevordering van initiatieven op het gebied van gezamenlijke regelgeving en zelfregulering, met name:

4.1.

juridische en technische deskundigheid, met inbegrip van studies, met betrekking tot regelgeving en de gevolgen ervan;

4.2.

juridische en technische knowhow, met inbegrip van studies, voor de ontwikkeling van beleidsmaatregelen met betrekking tot de veiligheid van producten en diensten en de economische en juridische belangen van de consumenten;

4.3.

juridische en technische deskundigheid, met inbegrip van studies, voor de beoordeling van de behoefte aan normen voor productveiligheid en de opstelling van normalisatiemandaten voor producten en diensten;

4.4.

seminars, conferenties, workshops en vergaderingen met belanghebbenden en deskundigen.

Actie 5:

Financiële bijdragen aan het functioneren van Europese consumentenorganisaties.

Actie 6:

Financiële bijdragen aan het functioneren van Europese consumentenorganisaties die de belangen van de consument behartigen bij de ontwikkeling op communautair niveau van normen voor producten en diensten.

Actie 7:

Capaciteitsopbouw van regionale, nationale en Europese consumentenorganisaties, met name door middel van scholing en de uitwisseling van beste praktijken en expertise ten behoeve van personeelsleden, in het bijzonder voor consumentenorganisaties in de op of na 1 mei 2004 tot de Europese Unie toegetreden lidstaten.

Doelstelling II

Doeltreffende toepassing van consumentenbeschermingsvoorschriften verzekeren, met name door samenwerking bij de handhaving, voorlichting, vorming en verhaalsmogelijkheden.

Actie 8:

Acties ter verbetering van de doeltreffende toepassing van de Europese wetgeving inzake consumentenbescherming, met name Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid (2) en Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (3), waaronder:

8.1.

acties ter verbetering van de coördinatie van monitoring en handhaving en de samenwerking tussen bevoegde autoriteiten, waaronder ontwikkeling en beheer van IT-tools (bijvoorbeeld databanken en informatie- en communicatiesystemen) en het organiseren van seminars, conferenties, workshops en vergaderingen met belanghebbenden en deskundigen over handhaving, uitwisselingen van handhavingfunctionarissen en scholing, ook voor leden van de rechterlijke macht;

8.2.

monitoring en evaluatie van de veiligheid van niet-voedingsproducten en diensten, onder andere verbetering en uitbreiding van het toepassingsgebied en de werking van het RAPEX-waarschuwingssysteem, rekening houdend met ontwikkelingen op het gebied van de informatie-uitwisseling over markttoezicht, en de verdere ontwikkeling van het netwerk voor productveiligheid als bedoeld in Richtlijn 2001/95/EG;

8.3.

gezamenlijke monitoring- en handhavingsacties en andere acties ter verbetering van de administratieve samenwerking en de samenwerking bij de handhaving;

8.4.

acties voor administratieve samenwerking en samenwerking bij de handhaving met derde landen die niet aan het programma deelnemen.

Actie 9:

Juridische en technische deskundigheid, met inbegrip van studies, voor de monitoring en beoordeling van de omzetting, uitvoering en handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming door de lidstaten, met name Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt (4) en Verordening (EG) nr. 2006/2004. Dit omvat ook de ontwikkeling en het beheer van openbaar en gemakkelijk toegankelijke databanken over de uitvoering van communautaire wetgeving inzake consumentenbescherming.

Actie 10:

Acties op het gebied van informatie, advies en verhaalsmogelijkheden, waaronder:

10.1.

monitoring van het functioneren van alternatieve regelingen voor geschillenbeslechting en beoordeling van het effect ervan;

10.2.

financiële bijdragen aan gezamenlijke acties in samenwerking met communautaire netwerken van overheidsinstanties of non-profitorganisaties die informatie verstrekken en bijstand verlenen aan consumenten om hen te helpen hun rechten uit te oefenen en toegang te krijgen tot passende geschillenbeslechting (het Europees netwerk van centra voor de consument — ECC-net);

10.3.

acties voor betere communicatie met de EU-burgers over consumentenkwesties, met name in de op of na 1 mei 2004 tot de Europese Unie toegetreden lidstaten, met inbegrip van publicaties over kwesties die van belang zijn voor het consumentenbeleid, online-informatieverstrekking en voorlichtingsacties over consumentenbeschermingsmaatregelen en consumentenrechten.

Actie 11:

Acties op het gebied van consumentenvorming, waaronder:

11.1.

specifieke acties gericht op jonge consumenten, op oudere consumenten en op kwetsbare groepen van duidelijk minder weerbare consumenten, en de ontwikkeling van interactieve instrumenten voor consumentenvorming;

11.2.

financiële bijdragen voor de ontwikkeling van geïntegreerde Europese masteropleidingen op het gebied van consumentenzaken, met een stelsel van studiebeurzen voor een verblijf tot zes maanden in een ander land.


(1)  PB L 66 van 4.3.2004, blz. 45.

(2)  PB L 11 van 15.1.2002, blz. 4.

(3)  PB L 364 van 9.12.2004, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Richtlijn 2005/29/EG (PB L 149 van 11.6.2006, blz. 22).

(4)  PB L 149 van 11.6.2005, blz. 22.


BIJLAGE II

BEGUNSTIGDEN DIE VOOR DE FINANCIËLE BIJDRAGEN UIT HOOFDE VAN ARTIKEL 4 IN AANMERKING KOMEN

1.

De financiële bijdragen voor acties als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder a), kunnen worden toegekend aan overheidsinstanties of non-profitorganisaties die middels een transparante procedure door de betrokken lidstaat of bevoegde autoriteit worden aangewezen en door de Commissie worden aanvaard.

2.

De financiële bijdragen voor de acties als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder b), kunnen worden toegekend aan hoger-onderwijsinstellingen van de lidstaten of derde landen die deelnemen overeenkomstig artikel 8 van dit besluit, in de zin van artikel 2 van Besluit nr. 2317/2003/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 december 2003 tot invoering van een programma voor de verhoging van de kwaliteit van het hoger onderwijs en de bevordering van het intercultureel begrip door middel van samenwerking met derde landen (Erasmus Mundus) (2004-2008) (1).

3.

De financiële bijdragen voor de acties als bedoeld in artikel 4, lid 2, onder a), kunnen worden toegekend aan studenten en docenten die deelnemen aan geïntegreerde Europese masteropleidingen op het gebied van consumentenzaken die cofinanciering ontvangen op grond van artikel 4, lid 1, onder b).

4.

De financiële bijdragen voor de acties als bedoeld in artikel 4, lid 2, onder b), kunnen worden toegekend aan met de handhaving van de consumentenbescherming belaste ambtenaren in de zin van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en Richtlijn 2001/95/EG.

5.

De in artikel 4, lid 1, onder c), bedoelde financiële bijdragen kunnen worden toegekend aan Europese consumentenorganisaties die:

a)

niet-gouvernementele organisaties zonder winstoogmerk zijn, die onafhankelijk van het bedrijfsleven, de handel en het zakenleven zijn en ook geen andere strijdige belangen hebben, en waarvan de belangrijkste doelstellingen en activiteiten betrekking hebben op de bevordering en bescherming van de gezondheid, de veiligheid en de economische en juridische belangen van de consument in de Gemeenschap;

b)

in minstens de helft van de lidstaten de opdracht hebben gekregen van nationale consumentenorganisaties die de consument overeenkomstig nationale voorschriften of praktijken vertegenwoordigen en regionaal of nationaal actief zijn, om de belangen van de consument in de Gemeenschap te behartigen, en

c)

tot tevredenheid van de Commissie rekenschap hebben afgelegd over hun leden, reglement van orde en financieringsbronnen.

6.

De in artikel 4, lid 1, onder d), bedoelde financiële bijdragen kunnen worden toegekend aan Europese consumentenorganisaties die:

a)

niet-gouvernementele organisaties zonder winstoogmerk zijn, die onafhankelijk van het bedrijfsleven, de handel en het zakenleven zijn en ook geen andere strijdige belangen hebben, en waarvan de belangrijkste doelstellingen en activiteiten betrekking hebben op de behartiging van de consumentenbelangen bij het normalisatieproces op communautair niveau;

b)

in ten minste twee derde van de lidstaten de opdracht hebben gekregen om de consumentenbelangen op communautair niveau te behartigen;

van organen die overeenkomstig nationale voorschriften of praktijken de nationale consumentenorganisaties in de lidstaten vertegenwoordigen, of

wanneer de onder het eerste streepje bedoelde organen ontbreken, van nationale consumentenorganisaties in de lidstaten die, overeenkomstig de nationale voorschriften of praktijken, de consument vertegenwoordigen en nationaal actief zijn;

c)

tot tevredenheid van de Commissie rekenschap hebben afgelegd over hun leden, reglement van orde en financieringsbronnen.


(1)  PB L 345 van 31.12.2003, blz. 1.