ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 379

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

49e jaargang
28 december 2006


Inhoud

 

I   Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

Bladzijde

 

*

Verordening (EG) nr. 1997/2006 van de Raad van 19 december 2006 houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 2092/91 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen ( 1 )

1

 

*

Verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun

5

 

*

Verordening (EG) nr. 1999/2006 van de Commissie van 20 december 2006 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van bepaalde zadels uit de Volksrepubliek China

11

 

*

Verordening (EG) nr. 2000/2006 van de Commissie van 20 december 2006 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1870/2005 in verband met de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie

37

 

*

Verordening (EG) nr. 2001/2006 van de Commissie van 21 december 2006 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2295/2003 houdende bepalingen voor de toepassing van Verordening (EEG) nr. 1907/90 van de Raad betreffende bepaalde handelsnormen voor eieren in verband met de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie

39

 

*

Verordening (EG) nr. 2002/2006 van de Commissie van 21 december 2006 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 795/2004 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers

47

 

*

Verordening (EG) nr. 2003/2006 van de Commissie van 21 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de financiering van uitgaven in verband met de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)

49

 

*

Verordening (EG) nr. 2004/2006 van de Commissie van 22 december 2006 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2273/93 houdende aanwijzing van de interventiecentra voor granen, en tot aanpassing van genoemde verordening in verband met de toetreding van Bulgarije en Roemenië

54

 

*

Verordening (EG) nr. 2005/2006 van de Commissie van 22 december 2006 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van synthetische stapelvezels van polyesters (PSV) afkomstig uit Maleisië en Taiwan

65

 

*

Verordening (EG) nr. 2006/2006 van de Commissie van 22 december 2006 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 950/2006 ten einde rekening te houden met de jaarlijkse tariefcontingenten voor suikerproducten uit Kroatië

95

 

*

Verordening (EG) nr. 2007/2006 van de Commissie van 22 december 2006 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de invoer en doorvoer van bepaalde tussenproducten die afgeleid zijn van categorie 3-materiaal bestemd voor technisch gebruik in medische hulpmiddelen, in-vitrodiagnostica en laboratoriumreagentia, en tot wijziging van die verordening ( 1 )

98

 

*

Verordening (EG) nr. 2008/2006 van de Commissie van 22 december 2006 tot vaststelling van gedetailleerde regels voor de toepassing van de tariefcontingenten voor 2007 voor Baby beef- producten van oorsprong uit Kroatië, Bosnië en Herzegovina, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Servië, Montenegro en Kosovo

105

 

 

Verordening (EG) nr. 2009/2006 van de Commissie van 27 december 2006 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer in de sector melk en zuivelproducten

117

 

 

Verordening (EG) nr. 2010/2006 van de Commissie van 27 december 2006 tot vaststelling van de voor de eerste helft van 2007 beschikbare hoeveelheid voor bepaalde producten in de sector melk en zuivelproducten in het kader van door de Gemeenschap geopende contingenten op basis van uitsluitend invoercertificaten

121

 

 

II   Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

 

 

Raad

 

*

Besluit van de Raad van 21 december 2006 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme

123

 

 

Commissie

 

*

Beschikking van de Commissie van 22 december 2006 betreffende de niet-opneming van dimethenamid in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en de intrekking van de toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stof bevatten (Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 6895)  ( 1 )

125

 

*

Beschikking van de Commissie van 22 december 2006 betreffende de niet-opneming van fosalon in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en de intrekking van de toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stof bevatten (Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 6897)  ( 1 )

127

 

 

Besluiten aangenomen krachtens titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie

 

*

Gemeenschappelijk Standpunt 2006/1011/GBVB van de Raad van 21 december 2006 inzake de uitvoering van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme

129

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

28.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 379/1


VERORDENING (EG) Nr. 1997/2006 VAN DE RAAD

van 19 december 2006

houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 2092/91 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen

(Voor de EER relevante tekst)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name op artikel 37,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Europees actieplan voor biologisch voedsel en biologische landbouw moet verder worden uitgevoerd op basis van concrete maatregelen teneinde te komen tot vereenvoudiging en algehele samenhang.

(2)

In de Gemeenschap ingevoerde biologische producten moeten in de Gemeenschap in de handel kunnen worden gebracht met een verwijzing naar „biologische landbouw” op het etiket, indien zij zijn geproduceerd volgens productievoorschriften en zijn onderworpen aan inspectieregelingen die in overeenstemming zijn met of gelijkwaardig zijn aan die welke zijn vastgesteld in de communautaire regelgeving.

(3)

Derde landen waarvan de productienormen en inspectieregelingen gelijkwaardig zijn aan die welke in de Gemeenschap worden toegepast, moeten worden erkend, en moet een lijst van die landen worden bekendgemaakt. De inspectieorganen of -autoriteiten die bevoegd zijn om de controle uit te voeren in landen die niet op de lijst van erkende derde landen staan, moeten ook worden erkend, en ook daarvan moet een lijst worden opgesteld. Marktdeelnemers uit derde landen die direct de communautaire productievoorschriften naleven, moet worden toegestaan dat zij hun activiteiten ter beoordeling voorleggen aan daartoe door de Commissie erkende inspectieorganen of -autoriteiten.

(4)

In Verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad van 24 juni 1991 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen (2) is bepaald dat de lidstaten tot 31 december 2006 de mogelijkheid hebben om importeurs onder bepaalde voorwaarden toe te staan individuele producten in de Gemeenschap in de handel te brengen. Die verordening moet derhalve in die zin worden gewijzigd dat de huidige invoerregeling met ingang van die datum door de nieuwe invoerregeling kan worden vervangen.

(5)

Om verstoring van het internationale handelsverkeer te voorkomen moet de lidstaten de mogelijkheid worden gelaten om aan importeurs per geval vergunningen te blijven afgeven voor het in de handel brengen van producten in de Gemeenschap, totdat de maatregelen die nodig zijn voor de goede werking van de nieuwe invoerregeling zijn getroffen, met name voor wat betreft de erkenning van de inspectieorganen en -autoriteiten die bevoegd worden voor het uitvoeren van inspecties in de landen die niet op de lijst van erkende derde landen voorkomen.

(6)

Verordening (EEG) nr. 2092/91 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EEG) nr. 2092/91 wordt als volgt gewijzigd:

1)

in artikel 10, lid 1, wordt punt b) vervangen door:

„b)

die zijn gecontroleerd in het kader van de in artikel 9 bedoelde inspectieregeling of in overeenstemming met het bepaalde in artikel 11 zijn ingevoerd;

voor producten die overeenkomstig artikel 11, lid 6, zijn ingevoerd, dient bij de toepassing van de inspectieregeling evenwel te worden voldaan aan eisen die gelijkwaardig zijn aan die welke zijn vastgesteld in artikel 9, en in het bijzonder in lid 4 van dat artikel;”;

2)

artikel 11 wordt vervangen door:

„Artikel 11

1.   Een uit een derde land ingevoerd product mag in de Gemeenschap in de handel worden gebracht als een product voorzien van aanduidingen die verwijzen naar de biologische productiemethode mits:

a)

het product in overeenstemming is met het bepaalde in de artikelen 5 en 6 van deze verordening;

b)

alle marktdeelnemers, inclusief de exporteurs, hun activiteiten aan controle door een overeenkomstig lid 2 erkend inspectieorgaan of -autoriteit hebben onderworpen, en

c)

de betrokken marktdeelnemers te allen tijde aan de importeurs of de nationale instanties bewijsstukken kunnen voorleggen waarmee de marktdeelnemer die de laatste bewerking heeft verricht en het type producten dat of de reeks producten die hij onder zijn controle heeft, kunnen worden geïdentificeerd, alsook de naleving door deze marktdeelnemer van de punten a) en b) en de geldigheidsperiode kunnen worden geverifieerd.

2.   De Commissie erkent volgens de procedure van artikel 14, lid 2, de in lid 1, onder b), genoemde inspectieorganen en -autoriteiten, waaronder de in artikel 9 bedoelde inspectieorganen en -autoriteiten, die bevoegd zijn om inspecties te verrichten en de in lid 1, onder c), bedoelde bewijsstukken in derde landen op te stellen, en stelt een lijst van deze inspectieorganen en -autoriteiten op.

De inspectieorganen worden geaccrediteerd overeenkomstig de Europese Norm EN 45011 of ISO Guide 65 „Algemene voorschriften voor instanties die productcertificeringssystemen toepassen” in de versie waarvan het meest recent kennis is gegeven door bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie, C-reeks. De inspectieorganen worden op geregelde tijdstippen onderworpen aan evaluatie op het terrein, toezicht en meerjarige herbeoordeling van hun activiteiten door de accrediteringsinstantie.

In het kader van de behandeling van een verzoek om erkenning verzoekt de Commissie het inspectieorgaan of de inspectieautoriteit haar alle nodige informatie te verstrekken. De Commissie kan deskundigen machtigen de productievoorschriften en de door het inspectieorgaan of de inspectieautoriteit in kwestie in het derde land verrichte controleactiviteiten ter plaatse te onderzoeken.

De erkende inspectieorganen of -autoriteiten zorgen voor de evaluatieverslagen die ter beschikking worden gesteld door de accrediteringsinstantie of, in voorkomend geval, door het orgaan dat bevoegd is voor de regelmatige evaluatie ter plaatse, het toezicht en de meerjarige herbeoordeling van hun activiteiten.

Aan de hand van de evaluatieverslagen zorgt de Commissie met de hulp van de lidstaten voor het passend toezicht op de erkende inspectieorganen en -autoriteiten door hun erkenning op geregelde tijdstippen opnieuw te evalueren. De aard van het toezicht wordt bepaald op basis van een beoordeling van het risico dat zich onregelmatigheden voordoen of de bepalingen van deze verordening worden geschonden.

3.   Een uit een derde land ingevoerd product mag ook in de Gemeenschap in de handel worden gebracht als een product met aanduidingen die verwijzen naar de biologische productiemethode mits:

a)

het product is geproduceerd overeenkomstig productienormen die gelijkwaardig zijn aan die welke in de artikelen 5 en 6 voor biologische productie in de Gemeenschap zijn opgenomen;

b)

de marktdeelnemers aan inspectieregelingen zijn onderworpen die qua efficiëntie gelijkwaardig zijn met de in de artikelen 8 en 9 bedoelde regelingen en deze inspectieregelingen permanent en effectief zijn toegepast;

c)

de marktdeelnemers in alle stadia van de productie, bereiding en distributie in het derde land hun activiteiten hebben onderworpen aan een inspectiesysteem dat overeenkomstig lid 4 is erkend of aan een of meer inspectieorganen of -autoriteiten die overeenkomstig lid 5 zijn erkend; en

d)

voor het product een inspectiecertificaat is afgegeven door de bevoegde autoriteiten of inspectieorganen van het derde land dat overeenkomstig lid 4 is erkend, of door een inspectieorgaan dat of de inspectieautoriteit die overeenkomstig lid 5 is erkend, waaruit blijkt dat het product voldoet aan de in dit lid gestelde voorwaarden. Het origineel van het certificaat moet de goederen vergezellen naar het gebouw van de eerste ontvanger; daarna moet de importeur het certificaat voor een periode van ten minste twee jaar ter beschikking houden van het inspectieorgaan c.q. de inspectieautoriteit.

4.   Volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure kan de Commissie derde landen erkennen waarvan het productiesysteem voldoet aan voorschriften die gelijkwaardig zijn aan die welke in de artikelen 5 en 6 zijn beschreven en waarvoor de inspectieregelingen even efficiënt zijn als de in de artikelen 8 en 9 beschreven regelingen, en kan de Commissie een lijst van deze landen opstellen. Bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid wordt rekening gehouden met de richtsnoeren van de Codex Alimentarius CAC/GL 32.

In het kader van de behandeling van een verzoek om erkenning verzoekt de Commissie het derde land alle nodige informatie te verstrekken. De Commissie kan deskundigen machtigen de productievoorschriften en de inspectieregelingen van het betrokken derde land ter plaatse te onderzoeken.

De erkende derde landen zenden de Commissie ieder jaar vóór 31 maart een beknopt jaarverslag toe betreffende de uitvoering en de handhaving van hun inspectieregelingen.

Op basis van de gegevens in die jaarlijkse evaluatieverslagen zorgt de Commissie met de hulp van de lidstaten voor het passend toezicht op de erkende derde landen door hun erkenning op geregelde tijdstippen opnieuw te evalueren. De aard van het toezicht wordt bepaald op basis van een beoordeling van het risico dat zich onregelmatigheden voordoen of de bepalingen van deze verordening worden geschonden.

5.   Voor producten die niet overeenkomstig lid 1 zijn ingevoerd en die niet zijn ingevoerd uit een overeenkomstig lid 4 erkende derde land, kan de Commissie volgens de procedure van artikel 14, lid 2, de inspectieorganen en -autoriteiten, waaronder de in artikel 9 bedoelde inspectieorganen en -autoriteiten, erkennen die bevoegd zijn om inspecties te verrichten en in derde landen certificaten te verstrekken voor de toepassing van lid 3, alsook een lijst van deze inspectieorganen en -autoriteiten opstellen. Bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid wordt rekening gehouden met de richtsnoeren van de Codex Alimentarius CAC/GL 32.

De Commissie onderzoekt alle verzoeken om erkenning die door een inspectieorgaan of -autoriteit in een derde land zijn ingediend.

In het kader van de behandeling van een verzoek om erkenning verzoekt de Commissie het inspectieorgaan of de inspectieautoriteit haar alle nodige informatie te verstrekken. Het inspectieorgaan of de inspectieautoriteit worden op geregelde tijdstippen onderworpen aan evaluatie op het terrein, toezicht en meerjarige herbeoordeling van hun activiteiten door een accrediteringsinstantie of in voorkomend geval door een bevoegde autoriteit. De Commissie kan deskundigen machtigen de productievoorschriften en de door het inspectieorgaan of de inspectieautoriteit in kwestie in het derde land verrichte inspectieactiviteiten ter plaatse te onderzoeken.

De erkende inspectieorganen of -autoriteiten zorgen voor de evaluatieverslagen die ter beschikking worden gesteld door de accrediteringsinstantie of, in voorkomend geval, door het orgaan dat bevoegd is voor de regelmatige evaluatie ter plaatse, het toezicht en de meerjarige herbeoordeling, om de zoveel jaar, van hun activiteiten.

Op basis van die evaluatieverslagen zorgt de Commissie met de hulp van de lidstaten voor het passend toezicht op de erkende inspectieorganen en inspectieautoriteiten door hun erkenning op geregelde tijdstippen opnieuw te evalueren. De aard van het toezicht wordt bepaald op basis van een beoordeling van het risico dat zich onregelmatigheden voordoen of de in of uit hoofde van deze verordening vastgestelde bepalingen worden geschonden.

6.   Voor een periode die begint op 1 januari 2007 en eindigt twaalf maanden na de bekendmaking van de eerste lijst van de op grond van lid 5 erkende inspectieorganen of inspectieautoriteiten mag de bevoegde instantie van een lidstaat importeurs in die lidstaat waar de invoerder overeenkomstig artikel 8, lid 1, kennis heeft gegeven van zijn activiteit, toestaan dat producten die zijn ingevoerd uit derde landen die niet op de in lid 4 bedoelde lijst staan, in de handel worden gebracht, mits de importeur voldoende bewijs levert waaruit blijkt dat aan de in lid 3, onder a) en b), genoemde voorwaarden is voldaan. Indien niet langer aan die voorwaarden wordt voldaan, wordt de toestemming onmiddellijk ingetrokken. De toestemmingen vervallen uiterlijk 24 maanden na de bekendmaking van de eerste lijst van overeenkomstig lid 5 erkende inspectieorganen en -autoriteiten. Voor het ingevoerde product wordt een inspectiecertificaat afgegeven dat is opgesteld door de autoriteit die of het orgaan dat daartoe is erkend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat die toestemming heeft verleend. Het origineel van het certificaat moet de goederen vergezellen naar het gebouw van de eerste ontvanger; daarna moet de importeur het certificaat voor een periode van ten minste twee jaar ter beschikking houden van het inspectieorgaan c.q. de inspectieautoriteit.

Elke lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke toestemming die op grond van dit lid is verleend, met inbegrip van informatie over de betrokken productienormen en inspectieregelingen.

Op verzoek van een lidstaat of op initiatief van de Commissie wordt een overeenkomstig dit lid verleende toestemming door het in artikel 14 bedoelde comité onderzocht. Als uit dit onderzoek blijkt dat niet aan de in lid 3, onder a) en b), van dit artikel bedoelde voorwaarden is voldaan, eist de Commissie van de lidstaat die de toestemming heeft verleend, dat die wordt ingetrokken.

Een toestemming voor het op de markt brengen van uit een derde land ingevoerde producten die vóór 31 december 2006 door de bevoegde autoriteit van de respectieve lidstaat uit hoofde van dit lid is verleend, blijft geldig tot uiterlijk 31 december 2007.

7.   Volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure stelt de Commissie bepalingen ter uitvoering van dit artikel vast, met name met betrekking tot:

a)

de criteria en procedures die moeten worden gehanteerd voor de erkenning van derde landen en inspectieorganen en -autoriteiten, waaronder de bekendmaking van de lijsten van erkende derde landen en inspectieorganen en -autoriteiten; en

b)

de in lid 1 bedoelde bewijsstukken en het in lid 3, onder d), en lid 6 van dit artikel bedoelde certificaat, waarbij rekening wordt gehouden met de voordelen van elektronische certificering, waaronder de betere bescherming tegen fraude.”;

3)

de tweede alinea van artikel 16, lid 3, wordt geschrapt;

4)

punt C van bijlage III wordt als volgt gewijzigd:

a)

in de eerste alinea wordt het tweede streepje vervangen door:

„—

„eerste geadresseerde” (of „eerste ontvanger”): de in artikel 11, lid 3, onder d), en artikel 11, lid 6, bedoelde natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de zending wordt geleverd en die deze in ontvangst zal nemen met het oog op de verdere bereiding en/of het in de communautaire handel brengen ervan.”;

b)

in punt 5 wordt de eerste alinea vervangen door:

„De controleorganisatie of -instantie moet de in punt 2 van deze afdeling C bedoelde voorraadboekhouding en financiële boekhouding en het in artikel 11, lid 3, onder d), of artikel 11, lid 6, bedoelde inspectiecertificaat en de in artikel 11, lid 1, bedoelde bewijsstukken controleren.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 december 2006.

Voor de Raad

De voorzitter

J. KORKEAOJA


(1)  Advies uitgebracht op 28 september 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  PB L 198 van 22.7.1991, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 780/2006 van de Commissie (PB L 137 van 25.5.2006, blz. 9).


28.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 379/5


VERORDENING (EG) Nr. 1998/2006 VAN DE COMMISSIE

van 15 december 2006

betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 994/98 van de Raad van 7 mei 1998 betreffende de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op bepaalde soorten van horizontale steunmaatregelen (1), en met name op artikel 2,

Na bekendmaking van de ontwerp-verordening (2),

Na raadpleging van het Adviescomité inzake overheidssteun,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 994/98 is de Commissie gemachtigd om bij verordening een drempel vast te stellen waaronder steunmaatregelen worden geacht niet aan alle criteria van artikel 87, lid 1, van het Verdrag te voldoen — en derhalve niet onder de aanmeldingsprocedure van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vallen.

(2)

De Commissie heeft de artikelen 87 en 88 van het Verdrag toegepast en heeft in talrijke besluiten met name het begrip „steun in de zin van artikel 87, lid 1, van het Verdrag” verduidelijkt. De Commissie heeft ook haar beleid met betrekking tot een de-minimisplafond beneden hetwelk artikel 87, lid 1, van het Verdrag kan worden geacht niet van toepassing te zijn, bekendgemaakt, eerst in haar mededeling inzake de-minimissteun (3), en vervolgens in Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun (4). In het licht van de ervaring die bij de toepassing van die verordening is opgedaan, en om rekening te houden met de ontwikkeling tot en met 2006 van de inflatie en het bruto binnenlands product in de Gemeenschap en met de gedurende de looptijd van deze verordening te verwachten ontwikkelingen, lijkt het dienstig een aantal van de in Verordening (EG) nr. 69/2001 vastgestelde voorwaarden te herzien en die verordening te vervangen.

(3)

Gelet op de bijzondere regels die in de sectoren van de primaire productie van landbouwproducten, de visserij en de aquacultuur gelden, en gezien het risico dat in die sectoren steunbedragen die kleiner zijn dan die welke in deze verordening zijn vastgesteld, aan de criteria van artikel 87, lid 1, van het Verdrag kunnen voldoen, dient deze verordening niet op die sectoren van toepassing te zijn. Gezien de ontwikkeling in de vervoerssector, met name de herstructurering van talrijke vervoersactiviteiten na de liberalisering ervan, is het niet langer passend de vervoerssector van het toepassingsbereik van de de-minimisverordening uit te sluiten. Daarom dient het toepassingsbereik van deze verordening tot de hele vervoerssector te worden uitgebreid. Het algemene de-minimisplafond dient echter te worden aangepast om rekening te houden met de kleine omvang van de gemiddelde onderneming die in het vracht- en passagiersvervoer over de weg actief is. Om diezelfde redenen, en gezien ook de overcapaciteit in de sector en de doelstellingen van het vervoersbeleid wat betreft congestie op de weg en het vrachtvervoer, dient steun ten behoeve van de aanschaf van wegvervoermiddelen voor vracht door ondernemingen die vrachtvervoer voor rekening van derden uitvoeren, te worden uitgesloten. Dit doet geen afbreuk aan de positieve benadering van de Commissie ten aanzien van staatssteun voor schonere en milieuvriendelijkere voertuigen in andere communautaire instrumenten dan deze verordening. Gelet op Verordening (EG) nr. 1407/2002 van de Raad van 23 juli 2002 betreffende staatssteun voor de kolenindustrie (5) dient deze verordening niet op de kolenindustrie van toepassing te zijn.

(4)

Gezien de overeenkomsten die er zijn tussen de verwerking en afzet van landbouwproducten en van niet-landbouwproducten, dient deze verordening te gelden voor de verwerking en afzet van landbouwproducten mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. In dat verband dienen noch activiteiten op landbouwbedrijven die nodig zijn om een product voor te bereiden voor de eerste verkoop (zoals oogsten, maaien en dorsen van graan of het verpakken van eieren) noch de eerste verkoop aan wederverkopers of verwerkende bedrijven als verwerking of afzet te worden beschouwd. Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening dient steun aan ondernemingen die in de verwerking of afzet van landbouwproducten actief zijn, niet meer onder de toepassing te vallen van Verordening (EG) nr. 1860/2004 van de Commissie van 6 oktober 2004 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de de-minimissteun in de landbouwsector en de visserijsector (6). Bijgevolg dient Verordening (EG) nr. 1860/2004 dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(5)

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft verklaard dat de lidstaten, wanneer de Gemeenschap een regeling voor de totstandbrenging van een gemeenschappelijke marktordening in een bepaalde landbouwsector heeft vastgesteld, zich dienen te onthouden van elke maatregel die daarvan afwijkt of er inbreuk op maakt. Deze verordening dient derhalve niet van toepassing te zijn op steun waarvan het bedrag is vastgesteld op basis van de prijs of de hoeveelheid afgenomen of op de markt gebrachte producten. Evenmin dient zij van toepassing te zijn op de-minimissteun waaraan de verplichting is gekoppeld om deze met primaire producenten te delen.

(6)

Deze verordening dient niet van toepassing te zijn op de-minimisexportsteun of de-minimissteun waarmee binnenlandse producten ten opzichte van ingevoerde producten worden begunstigd. Met name mag de verordening niet gelden voor de oprichting en exploitatie van een distributienetwerk in andere landen. Steun ter financiering van de kosten van deelneming aan handelsbeurzen of van studies of consultancydiensten die noodzakelijk zijn om een nieuw of een bestaand product op een nieuwe markt te introduceren, is in de regel geen exportsteun.

(7)

Deze verordening dient niet van toepassing te zijn op ondernemingen in moeilijkheden in de zin van de communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (7), gelet op de moeilijkheden welke zijn verbonden aan de vaststelling van het bruto-subsidie-equivalent van steun die aan dit soort ondernemingen wordt verleend.

(8)

In het licht van de ervaring van de Commissie kan worden vastgesteld dat steun waarvan het bedrag over een periode van drie jaar een plafond van 200 000 EUR niet overschrijdt, het handelsverkeer tussen de lidstaten niet ongunstig beïnvloedt en/of de mededinging niet vervalst of dreigt te vervalsen, zodat deze steun ook niet onder artikel 87, lid 1, van het Verdrag valt. Ten aanzien van ondernemingen die in het wegvervoer actief zijn, dient dit plafond op 100 000 EUR te worden vastgesteld.

(9)

De daartoe in aanmerking te nemen jaren zijn de belastingjaren zoals de onderneming die in de betrokken lidstaat voor fiscale doeleinden gebruikt. De desbetreffende driejaarsperiode dient op voortschrijdende grondslag te worden beoordeeld zodat bij elke nieuwe verlening van de-minimissteun het totale in het betrokken belastingjaar en in de twee voorgaande belastingjaren verleende bedrag aan de-minimissteun moet worden bepaald. Alle door een lidstaat verleende steun dient daartoe in rekening worden gebracht, zelfs indien deze geheel of ten dele uit middelen van communautaire oorsprong wordt gefinancierd. Het zou niet mogelijk mogen zijn steun die het de-minimissteunplafond overschrijdt, op te splitsen in een aantal kleinere tranches om deze tranches onder de toepassing van deze verordening te brengen.

(10)

In lijn met de beginselen die voor steun in de zin van artikel 87, lid 1, van het Verdrag gelden, dient de-minimissteun geacht te worden te zijn verleend op het tijdstip waarop de onderneming krachtens de toepasselijke nationale wet- en regelgeving een wettelijke aanspraak op de steun verwerft.

(11)

Om te vermijden dat de in verschillende communautaire instrumenten vastgestelde maximum steunintensiteiten worden omzeild, mag de-minimissteun niet worden gecumuleerd met staatssteun ten behoeve van dezelfde in aanmerking komende kosten indien een dergelijke cumulering ertoe zou leiden dat een steunintensiteit hoger uitkomt dan de intensiteit die in de specifieke omstandigheden van elke zaak door een groepsvrijstellingsverordening of een besluit van de Commissie is vastgesteld.

(12)

Met het oog op transparantie, gelijke behandeling en correcte toepassing van het de-minimisplafond dienen alle lidstaten dezelfde berekeningsmethode toe te passen. Om deze berekening te vergemakkelijken en in overeenstemming met de huidige praktijk inzake de toepassing van de de-minimisregel, dienen, wanneer steun niet in de vorm van een subsidie wordt verleend, steunbedragen in hun bruto-subsidie-equivalent te worden omgerekend. Voor de berekening van het subsidie-equivalent van transparante soorten steun niet zijnde subsidies of in verschillende tranches uit te keren steun, moet de marktrente worden gebruikt die van toepassing is op het tijdstip dat de steun wordt toegekend. Met het oog op een eenvormige, transparante en eenvoudige toepassing van de staatssteunregels dienen voor de toepassing van deze verordening als marktrentevoeten te gelden de referentierentevoeten zoals die op geregelde tijdstippen door de Commissie op grond van objectieve criteria worden vastgesteld en in het Publicatieblad van de Europese Unie of op internet worden bekendgemaakt. Toch kan het nodig zijn het minimumpercentage met aanvullende basispunten te verhogen, gelet op de gestelde zekerheden of het aan de begunstigde verbonden risico.

(13)

Met het oog op transparantie, gelijke behandeling en doelmatige monitoring dient deze verordening alleen te gelden voor transparante de-minimissteun. Transparante steun is steun waarvan het bruto-subsidie-equivalent vooraf precies kan worden berekend zonder dat een risicoanalyse hoeft te worden uitgevoerd. Dergelijke precieze berekening kan bijvoorbeeld plaatsvinden wanneer het gaat om subsidies, rentesubsidies en belastingvrijstellingen waarvoor een plafond geldt. Steun in de vorm van kapitaalinjecties dient alleen als transparante de-minimissteun te gelden indien het totale door de overheid ingebrachte bedrag onder het de-minimisplafond blijft. Steun in de vorm van risicokapitaalmaatregelen als bedoeld in de communautaire richtsnoeren inzake staatssteun ter bevordering van risicokapitaalinvesteringen in kleine en middelgrote ondernemingen (8) dient alleen als transparante de-minimissteun te gelden indien de in de betrokken risicokapitaalregeling aan elke doelonderneming verstrekte middelen onder het de-minimisplafond blijven. Steun in de vorm van leningen dient als transparante de-minimissteun te gelden indien voor het berekenen van het bruto-subsidie-equivalent de marktrente is gebruikt die van toepassing is op het tijdstip dat de steun wordt toegekend.

(14)

Deze verordening laat de mogelijkheid onverlet dat een door een lidstaat goedgekeurde maatregel niet als staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het Verdrag wordt aangemerkt op basis van andere gronden dan die welke in deze verordening worden uiteengezet, bijvoorbeeld in het geval van kapitaalinjecties, omdat tot dit soort maatregel is besloten in overeenstemming met het beginsel van een particuliere investeerder in een markteconomie.

(15)

Het is noodzakelijk rechtszekerheid te bieden voor garantieregelingen die niet het potentieel hebben het handelsverkeer ongunstig te beïnvloeden en de mededinging te verstoren en waarvoor voldoende gegevens voorhanden zijn om alle potentiële effecten op betrouwbare wijze te kunnen beoordelen. Daarom dient met deze verordening het algemene de-minimissteunplafond van 200 000 EUR te worden omgezet in een garantiespecifiek plafond dat is gebaseerd op het totale gegarandeerde bedrag van de individuele lening die de onderliggende waarde voor die garantie vormt. Het is passend dit specifieke plafond te berekenen aan de hand van een methodiek voor het beoordelen van het staatssteunbedrag dat in garantieregelingen voor leningen aan levensvatbare ondernemingen is vervat. De methodiek en de gegevens die voor het berekenen van het garantiespecifieke plafond worden gebruikt, dienen ondernemingen in moeilijkheden als bedoeld in de communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden uit te sluiten. Dit specifieke plafond dient derhalve niet te gelden voor individuele adhocsteun die buiten een garantieregeling om wordt toegekend, noch voor steun aan ondernemingen in moeilijkheden of garanties voor onderliggende transacties niet zijnde een lening, zoals garanties voor vermogenstransacties. Het specifieke plafond dient te worden vastgesteld op grond van het feit dat, rekening houdend met een maximumpercentage (nettopercentage wanbetalingen) van 13 % dat met een worstcasescenario voor garantieregelingen in de Gemeenschap overeenstemt, een garantie ten belope van 1,5 miljoen EUR kan worden beschouwd als hebbende een bruto-subsidie-equivalent dat aan het algemene de-minimisplafond gelijk is. Dit bedrag dient voor ondernemingen die in de sector van het wegvervoer actief zijn, tot 750 000 EUR te worden verlaagd. Deze specifieke plafonds dienen alleen te gelden voor garanties die meer dan 80 % van de onderliggende lening dekken. Ook kunnen de lidstaten ten behoeve van de beoordeling van het in een garantie vervatte bruto-subsidie-equivalent gebruikmaken van een methodiek die door de Commissie is aanvaard na aanmelding van die methodiek op grond van Verordening (EG) nr. 1628/2006 van de Commissie van 24 oktober 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op nationale regionale investeringssteun (9), indien die goedgekeurde methodiek uitdrukkelijk is toegespitst op het soort garanties en het soort onderliggende transacties die bij de toepassing van onderhavige verordening in het geding zijn.

(16)

Bij aanmelding door een lidstaat kan de Commissie nagaan of een steunmaatregel die geen subsidie, lening, garantie, kapitaalinjectie of risicokapitaalmaatregel is, een bruto-subsidie-equivalent oplevert dat het de-minimisplafond niet overschrijdt — en dus onder de toepassing van deze verordening kan vallen.

(17)

De Commissie heeft tot taak erop toe te zien dat de staatssteunregels worden nageleefd en inzonderheid dat, wanneer op grond van de de-minimisregel steun wordt verleend, de desbetreffende voorwaarden in acht worden genomen. De lidstaten dienen, in overeenstemming met het in artikel 10 van het Verdrag neergelegde samenwerkingsbeginsel, de vervulling van deze taak te vergemakkelijken door de nodige maatregelen te treffen om te waarborgen dat het totale bedrag van de op grond van de de-minimisregel aan eenzelfde onderneming verleende de-minimissteun over een periode van drie belastingjaren het plafond van 200 000 EUR niet overschrijdt. Daartoe dienen de lidstaten bij het verlenen van de-minimissteun de betrokken onderneming, onder verwijzing naar deze verordening, het steunbedrag mee te delen en er op te wijzen dat het om de-minimissteun gaat. Voorts dient de betrokken lidstaat, alvorens dit soort steun te verlenen, van de onderneming een verklaring te ontvangen over andere in het betrokken belastingjaar en in de twee voorafgaande belastingjaren ontvangen de-minimissteun, en dient hij zorgvuldig na te gaan of het de-minimisplafond met de nieuwe de-minimissteun niet wordt overschreden. Bij wijze van alternatief dient het mogelijk te zijn de eerbiediging van het plafond te garanderen door middel van een centraal register of, in het geval van door het Europees Investeringsfonds opgezette garantieregelingen, kan dit fonds zelf een lijst van begunstigden opstellen en de lidstaten verzoeken de begunstigden van de ontvangen de-minimissteun in kennis te stellen.

(18)

Verordening (EG) nr. 69/2001 loopt per 31 december 2006 af. Daarom dient deze verordening vanaf 1 januari 2007 van toepassing te zijn. Aangezien Verordening (EG) nr. 69/2001 niet van toepassing was op de vervoerssector, die tot dusver niet onder de de-minimisregel viel, en gezien ook het erg beperkte de-minimisbedrag dat in de sector van de verwerking en afzet van landbouwproducten van toepassing was, en mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan, dient deze verordening te gelden voor steun die vóór de inwerkingtreding ervan is verleend aan ondernemingen die actief zijn in de vervoerssector en in de sector van de verwerking en afzet van landbouwproducten. Voorts dient alle individuele steun die in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 69/2001 is toegekend in de periode dat die verordening van kracht is, door deze verordening onverlet te worden gelaten.

(19)

Gezien de ervaring van de Commissie, met name de regelmaat waarmee het over het algemeen noodzakelijk is het staatssteunbeleid te herzien, dient de geldigheidsduur van deze verordening te worden beperkt. Ingeval de geldigheidsduur van deze verordening mocht verstrijken zonder dat zij is verlengd, dienen de lidstaten te beschikken over een aanpassingsperiode van zes maanden met betrekking tot de-minimissteun die onder deze verordening viel,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op steun die aan ondernemingen wordt verleend in alle sectoren met uitzondering van:

a)

steun verleend aan in de sectoren visserij en aquacultuur actieve ondernemingen voor zover die onder Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad (10) vallen;

b)

steun verleend aan ondernemingen die in de primaire productie van de in Bijlage I van het Verdrag vermelde landbouwproducten actief zijn;

c)

steun verleend aan ondernemingen die actief zijn op het gebied van de verwerking en de afzet van landbouwproducten vermeld in Bijlage I van het Verdrag, in de volgende gevallen:

i)

wanneer het steunbedrag wordt vastgesteld op basis van de prijs of de hoeveelheid van dergelijke van primaire producenten afgenomen producten die door de betrokken ondernemingen op de markt worden gebracht;

ii)

wanneer de steun afhankelijk wordt gesteld van de verplichting deze steun geheel of ten dele aan primaire producenten door te geven;

d)

steun voor werkzaamheden die verband houden met de uitvoer naar derde landen of lidstaten, met name steun die direct aan de uitgevoerde hoeveelheden is gerelateerd, en steun voor de oprichting en exploitatie van een distributienet of andere lopende uitgaven in verband met werkzaamheden op het gebied van uitvoer;

e)

steun die van het gebruik van binnenlandse in plaats van ingevoerde goederen afhangt;

f)

steun verleend aan ondernemingen die actief zijn in de kolenindustrie in de zin van Verordening (EG) nr. 1407/2002;

g)

steun ten behoeve van de aanschaf van wegvervoermiddelen voor vracht door ondernemingen die vrachtvervoer voor rekening van derden uitvoeren;

h)

steun verleend aan ondernemingen in moeilijkheden.

2.   Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)

„landbouwproducten”: de in bijlage I bij het EG-Verdrag vermelde producten, met uitzondering van visserijproducten;

b)

„de verwerking van landbouwproducten”: een bewerking van een landbouwproduct die een product oplevert dat nog steeds een landbouwproduct is, met uitzondering van activiteiten op landbouwbedrijven die nodig zijn om een plantaardig of dierlijk product voor de eerste verkoop voor te bereiden;

c)

„afzet van landbouwproducten”: het in voorraad hebben of uitstellen met het oog op verkoop, te koop aanbieden, leveren of op enige andere wijze verhandelen, met uitzondering van de eerste verkoop door een primaire producent aan wederverkopers of verwerkingsbedrijven en alle activiteiten waarmee een product voor een dergelijke eerste verkoop wordt voorbereid. Verkoop door een primaire producent aan eindgebruikers geldt als afzet indien deze plaatsvindt in speciaal daartoe voorziene afzonderlijke lokalen.

Artikel 2

De-minimissteun

1.   Steunmaatregelen worden geacht niet aan alle criteria van artikel 87, lid 1, van het Verdrag te voldoen — en zijn derhalve vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting uit hoofde van artikel 88, lid 3, van het Verdrag — indien zij aan de in de leden 2 tot en met 5 vastgestelde voorwaarden voldoen.

2.   Het totale bedrag aan de-minimissteun dat aan één onderneming wordt verleend, ligt niet hoger dan 200 000 EUR over een periode van drie belastingjaren. Het totale bedrag aan de-minimissteun dat aan één onderneming die in het wegvervoer actief is, wordt verleend, ligt niet hoger dan 100 000 EUR over een periode van drie belastingjaren. Deze plafonds zijn van toepassing ongeacht de vorm van de de-minimissteun of het daarmee nagestreefde doel en ongeacht het feit of de door de lidstaat verleende steun geheel of ten dele uit middelen van communautaire oorsprong wordt gefinancierd. Deze periode wordt vastgesteld op basis van de belastingjaren zoals de onderneming die in de betrokken lidstaat voor fiscale doeleinden gebruikt.

Wanneer het totale in het kader van een steunmaatregel verleende steunbedrag dit plafond overschrijdt, kan het voordeel van deze verordening niet worden ingeroepen, zelfs niet voor een gedeelte van het steunbedrag dat het plafond niet overschrijdt. In dat geval kan voor deze steunmaatregel noch op het tijdstip van steunverlening noch op een later tijdstip het voordeel van deze verordening worden ingeroepen.

3.   Het in lid 2 vastgestelde steunplafond wordt als een subsidiebedrag uitgedrukt. Alle bedragen die worden gebruikt, zijn brutobedragen vóór aftrek van belastingen of andere heffingen. Wanneer steun in een andere vorm dan subsidies wordt verleend, is het steunbedrag het bruto-subsidie-equivalent van de steun.

Van steun die in tranches wordt uitgekeerd, wordt door discontering de waarde op het ogenblik van de verlening ervan berekend. De rentevoet die voor de discontering en de berekening van het bruto-subsidie-equivalent wordt gebruikt, is de referentierentevoet die geldt op het tijdstip waarop de steun wordt verleend.

4.   Deze verordening is alleen van toepassing op steun waarvan, ongeacht de vorm ervan, het bruto-subsidie-equivalent vooraf precies kan worden berekend zonder dat een risicoanalyse hoeft te worden uitgevoerd (hierna „transparante steun” genoemd). Met name:

a)

geldt steun in de vorm van leningen als transparante de-minimissteun indien voor het berekenen van het bruto-subsidie-equivalent de marktrente is gebruikt die van toepassing is op het tijdstip dat de steun wordt toegekend;

b)

geldt steun in de vorm van kapitaalinjecties alleen als transparante de-minimissteun indien het totale door de overheid ingebrachte bedrag onder het de-minimisplafond blijft;

c)

geldt steun in de vorm van risicokapitaalmaatregelen alleen als transparante de-minimissteun indien de in de betrokken risicokapitaalregeling aan elke doelonderneming verstrekte middelen onder het de-minimisplafond blijven;

d)

geldt individuele steun die in het kader van een garantieregeling wordt verleend aan ondernemingen welke geen ondernemingen in moeilijkheden zijn, als transparante de-minimissteun wanneer het in het kader van een dergelijke regeling gegarandeerde gedeelte van de onderliggende lening niet meer dan 1,5 miljoen EUR per onderneming bedraagt. Individuele steun die in het kader van een garantieregeling wordt verleend aan in het wegvervoer actieve ondernemingen welke geen ondernemingen in moeilijkheden zijn, geldt als transparante de-minimissteun wanneer het in het kader van een dergelijke regeling gegarandeerde gedeelte van de onderliggende lening niet meer dan 750 000 EUR per onderneming bedraagt. Indien het gegarandeerde gedeelte van de onderliggende lening slechts een bepaald deel van dit plafond bedraagt, wordt het bruto-subsidie-equivalent van die garantie geacht overeen te komen met hetzelfde aandeel van het toepasselijke plafond dat in lid 2 is vastgesteld. De garantie mag niet meer dan 80 % van de onderliggende lening belopen. Garantieregelingen gelden ook als transparant indien i) vóór de tenuitvoerlegging van de regeling de methodiek voor het berekenen van het bruto-subsidie-equivalent van de garanties door de Commissie is aanvaard na aanmelding van die methodiek op grond van een andere verordening die de Commissie op staatssteungebied heeft goedgekeurd, en ii) de goedgekeurde methodiek uitdrukkelijk is toegespitst op het soort garanties en het soort onderliggende transacties die in het kader van de toepassing van onderhavige verordening in het geding zijn.

5.   De-minimissteun wordt niet gecumuleerd met staatssteun ten behoeve van dezelfde in aanmerking komende kosten indien dergelijke cumulering ertoe zou leiden dat een steunintensiteit hoger uitkomt dan de intensiteit die in de specifieke omstandigheden van elke zaak door een groepsvrijstellingsverordening of een besluit van de Commissie is vastgesteld.

Artikel 3

Monitoring

1.   Wanneer een lidstaat voornemens is de-minimissteun aan een onderneming te verlenen, stelt hij de onderneming schriftelijk in kennis van het voorgenomen steunbedrag (uitgedrukt als bruto-subsidie-equivalent) en van het feit dat het de-minimissteun betreft, waarbij uitdrukkelijk wordt verwezen naar deze verordening en de titel en de vindplaats ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Wanneer op basis van een regeling de de-minimissteun aan verschillende ondernemingen wordt verleend en in het kader van die regeling aan die ondernemingen uiteenlopende bedragen aan individuele steun worden verleend, kan de betrokken lidstaat ervoor opteren om deze verplichting te vervullen door de ondernemingen een vast bedrag mee te delen dat met het in het kader van de regeling maximaal uit te keren steunbedrag overeenstemt. In dat geval wordt het vaste bedrag gebruikt om te bepalen of het in artikel 2, lid 2, vastgestelde plafond is bereikt. Alvorens de steun te verlenen, verlangt de lidstaat van de betrokken onderneming ook een verklaring in schriftelijke of elektronische vorm over alle andere in de twee voorgaande belastingjaren en in het lopende belastingjaar ontvangen de-minimissteun.

De lidstaat verleent slechts nieuwe de-minimissteun nadat hij zich ervan heeft vergewist dat hiermee het totale bedrag van de gedurende de periode die door het betrokken fiscale jaar en de twee voorafgaande fiscale jaren wordt bestreken, door de onderneming ontvangen de-minimissteun niet zodanig doet toenemen dat het in artikel 2, lid 2, vastgestelde plafond wordt overschreden.

2.   Wanneer een lidstaat een centraal register voor de-minimissteun heeft opgezet dat alle gegevens bevat over alle de-minimissteun die door enige autoriteit in die lidstaat is verstrekt, is lid 1, eerste alinea, niet meer van toepassing vanaf het tijdstip waarop het register een periode van drie jaar bestrijkt.

Wanneer door een lidstaat steun wordt verleend op grond van een garantieregeling waarbij een garantie wordt verleend die uit het communautaire budget wordt gefinancierd onder mandaat van het Europees Investeringsfonds, kan lid 1, eerste alinea, niet langer van toepassing zijn.

In dergelijke gevallen is het volgende monitoringsysteem van toepassing:

a)

het Europees Investeringsfonds stelt op grond van de gegevens die financiële intermediairs aan het Europees Investeringsfonds moeten verschaffen, op jaarbasis een lijst op van de begunstigden van steun en van het door elk van hen ontvangen steunbedrag. Het Europees Investeringsfonds zendt de betrokken lidstaten en de Commissie deze gegevens;

b)

de betrokken lidstaat geeft die gegevens aan de uiteindelijke begunstigden door binnen drie maanden nadat hij die gegevens van het Europees Investeringsfonds heeft ontvangen, en

c)

de betrokken lidstaat eist van elke begunstigde van de steun een verklaring dat het totale bedrag dat deze aan de-minimissteun heeft ontvangen, het in artikel 2, lid 2, vastgestelde plafond niet overschrijdt. Ingeval het plafond voor één of meer begunstigden wordt overschreden, ziet de betrokken lidstaat er op toe dat de steunmaatregel die erin resulteerde dat het plafond werd overschreden, bij de Commissie wordt aangemeld of van de begunstigde wordt teruggevorderd.

3.   De lidstaten verzamelen en bewaren alle gegevens die betrekking hebben op de toepassing van deze verordening. Deze dossiers moeten alle gegevens bevatten die nodig zijn om na te gaan of de voorwaarden van deze verordening werden nageleefd. Voor een individuele de-minimissteunmaatregel worden de dossiers gedurende tien jaar te rekenen vanaf het tijdstip van steunverlening bewaard. Voor de-minimissteunregelingen worden de dossiers bewaard gedurende tien jaar te rekenen gedurende tien jaar vanaf het tijdstip van de laatste individuele steunverlening op grond van die regeling. De betrokken lidstaat verstrekt de Commissie op haar schriftelijk verzoek binnen 20 werkdagen, of binnen de langere termijn die de Commissie in haar verzoek vaststelt, alle gegevens die de Commissie nodig acht om te kunnen nagaan of aan de voorwaarden van deze verordening is voldaan, en inzonderheid om te kunnen vaststellen ten belope van welk totaalbedrag een bepaalde onderneming de-minimissteun heeft ontvangen.

Artikel 4

Wijziging

Artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1860/2004 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in punt 1 worden de woorden „de verwerking en de afzet” geschrapt;

b)

punt 3 wordt geschrapt.

Artikel 5

Overgangsmaatregelen

1.   Deze verordening is van toepassing op steun die vóór de inwerkingtreding van deze verordening is verleend aan in de vervoersector actieve ondernemingen en aan in de verwerking en afzet van landbouwproducten actieve ondernemingen, mits aan alle in de artikelen 1 en 2 vastgestelde voorwaarden wordt voldaan. Steun die niet aan deze voorwaarden voldoet, zal door de Commissie worden beoordeeld overeenkomstig de ter zake relevante kaderregelingen, richtsnoeren, mededelingen en bekendmakingen.

2.   Alle individuele de-minimissteun die tussen 2 februari 2001 en 30 juni 2007 wordt verleend en die aan de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 69/2001 voldoet, wordt geacht niet aan alle criteria van artikel 87, lid 1, van het Verdrag te voldoen en is bijgevolg van de aanmeldingsverplichting uit hoofde van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld.

3.   Na het verstrijken van de geldigheidsduur van deze verordening kan alle de-minimissteun die aan de voorwaarden van deze verordening voldoet, gedurende een periode van ten hoogste zes maanden nog geldig ten uitvoer worden gelegd.

Artikel 6

Inwerkingtreding en geldigheidsduur

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013 van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 december 2006.

Voor de Commissie

Neelie KROES

Lid van de Commissie


(1)  PB L 142 van 14.5.1998, blz. 1.

(2)  PB C 137 van 10.6.2006, blz. 4.

(3)  PB C 68 van 6.3.1996, blz. 9.

(4)  PB L 10 van 13.1.2001, blz. 30.

(5)  PB L 205 van 2.8.2002, blz. 1.

(6)  PB L 325 van 28.10.2004, blz. 4.

(7)  PB C 244 van 1.10.2004, blz. 2.

(8)  PB C 194 van 18.8.2006, blz. 2.

(9)  PB L 302 van 1.11.2006, blz. 29.

(10)  PB L 17 van 21.1.2000, blz. 22.


28.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 379/11


VERORDENING (EG) Nr. 1999/2006 VAN DE COMMISSIE

van 20 december 2006

tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van bepaalde zadels uit de Volksrepubliek China

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) (hierna „de basisverordening” genoemd), en met name op artikel 7,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

1.   Inleiding van de procedure

(1)

Op 22 februari 2006 ontving de Commissie een klacht betreffende bepaalde zadels afkomstig uit de Volksrepubliek China (hierna „China” genoemd), die uit hoofde van artikel 5 van de basisverordening was ingediend door de European Saddle Manufacturers Association (hierna „de indieners van de klacht”) namens een aantal producenten die tezamen een overwegend deel, in dit geval 99 %, van de totale productie in de EG van bepaalde typen zadels vertegenwoordigen.

(2)

Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal inzake dumping en schade werd voldoende geacht om tot inleiding van een procedure over te gaan.

(3)

Op 7 april 2006 werd de procedure geopend met de publicatie van een bericht van inleiding in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

2.   Partijen bij de procedure

(4)

De Commissie heeft de producenten/exporteurs in China, de haar bekende betrokken importeurs/handelaren, gebruikers, leveranciers en verenigingen, vertegenwoordigers van China, de producenten in de Gemeenschap die de klacht hebben ingediend, en de andere haar bekende betrokken producenten in de Gemeenschap in kennis gesteld van de inleiding van de procedure. Belanghebbenden kregen de gelegenheid om binnen de in het bericht van inleiding genoemde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord.

(5)

Om producenten/exporteurs in de gelegenheid te stellen desgewenst een verzoek om behandeling als marktgerichte onderneming of individuele behandeling in te dienen, heeft de Commissie de betrokken Chinese producenten/exporteurs de daarvoor benodigde formulieren toegezonden. Drie producerende/exporterende groepen/concerns en één individuele producent/exporteur verzochten om behandeling als marktgerichte onderneming overeenkomstig artikel 2, lid 7, van de basisverordening, dan wel om individuele behandeling indien uit het onderzoek mocht blijken dat zij niet voldoen aan de voorwaarden om voor behandeling als marktgerichte onderneming in aanmerking te komen. Er zij op gewezen dat drie van deze producenten/exporteurs bestaan uit twee of meer verbonden ondernemingen die zadels produceren en/of verkopen.

(6)

Gezien de kennelijk grote aantallen producenten/exporteurs in China en producenten/importeurs in de Gemeenschap heeft de Commissie in het bericht van inleiding aangegeven dat bij dit onderzoek naar eventuele dumping en schade gebruik kan worden gemaakt van een steekproef, overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening.

(7)

Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk was, en zo ja, deze ook samen te stellen, werden alle producenten/exporteurs in China en importeurs en producenten in de Gemeenschap verzocht zich bekend te maken en de Commissie fundamentele gegevens te verstrekken over hun activiteiten in verband met het betrokken product tijdens het onderzoektijdvak (1 januari 2005 tot 31 december 2005), zoals vermeld in het bericht van inleiding.

(8)

Wat de producenten/exporteurs betreft, werd besloten dat een steekproef niet noodzakelijk was, aangezien slechts drie groepen en één individuele onderneming aan het onderzoek meewerkten.

(9)

Voor de producenten van de Gemeenschap heeft de Commissie in overeenstemming met artikel 17 van de basisverordening een steekproef samengesteld, die gebaseerd was op de grootste representatieve in de Gemeenschap vervaardigde hoeveelheid die binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden onderzocht. Op basis van de antwoorden van de producenten selecteerde de Commissie vijf ondernemingen in twee lidstaten. Wat het productievolume betreft, zijn de vijf ondernemingen in de steekproef goed voor 86 % van de totale productie in de Gemeenschap. Overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening werd overleg gepleegd met de betrokken partijen; zij maakten geen bezwaar tegen de selectie. Daarnaast werd de overige producenten in de Gemeenschap verzocht bepaalde algemene gegevens voor de schadeanalyse te verstrekken. Verder werd overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening een steekproef van importeurs samengesteld, die gebaseerd was op de grootste representatieve in de Gemeenschap ingevoerde hoeveelheid van het betrokken product die binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden onderzocht. Op basis van de van de verschillende importeurs ontvangen informatie, en gelet op de uiteenlopende kwaliteit van de verstrekte informatie, werden twee in dezelfde lidstaat gevestigde importeurs geselecteerd voor de steekproef. De twee voor de steekproef geselecteerde importeurs vertegenwoordigen 21 % van de invoer van het betreffende product in de Gemeenschap. Gezien het geringe aantal reacties van de gebruikers werd besloten dat het niet nodig was een steekproef van gebruikers samen te stellen.

(10)

De Commissie heeft een vragenlijst gezonden aan alle haar bekende belanghebbenden en alle andere ondernemingen die zich bekend hadden gemaakt binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn. Vier producenten/exporteurs in China en één producent in het referentieland (Brazilië) zonden ingevulde vragenlijsten in. Ook de vijf voor de steekproef geselecteerde ondernemingen in de Gemeenschap retourneerden volledig ingevulde vragenlijsten. Hoewel vier importeurs op het steekproefformulier hebben gereageerd, hebben er slechts twee de vragenlijst volledig ingevuld. Ook vier gebruikers van zadels zonden een volledig ingevulde vragenlijst in. Daarnaast is ook een ingevulde vragenlijst ontvangen van een leverancier van grondstoffen.

(11)

De Commissie heeft alle gegevens die nodig waren voor de voorlopige vaststelling van dumping, schade en het belang van de Gemeenschap, ingewonnen en gecontroleerd. Bij de volgende ondernemingen werd ter plaatse een controle verricht:

a)

Producenten in de Gemeenschap

Selle Royal SpA, Pozzoleone, Italië

Selle Italia srl, Rossano Veneto, Italië

Bassano Selle srl, Riese Pio X, Italië

Selle SMP SAS, Casalserugo, Italië

pph ABI sp.j., Nasielsk, Polen.

b)

Producenten/exporteurs in de Volksrepubliek China

Cionlli Group

Cionlli Bicycle (Taicang) Co., Ltd

Shunde Hongli Bicycle Parts Co., Ltd, Shunde

Safe Strong Bicycle Parts Shenzhen Co., Ltd, Shenzhen

Cionlli Bicycle (Tianjin) Co., Ltd, Tianjin;

Giching Group

Giching Bicycle Parts (Shenzhen) Co., Ltd, Shenzhen

Velo Cycle (Kunshan) Co., Ltd, Kunshan;

Justek Group

Jiangyin Justek Vehicle Co., Ltd, Jiangyin

Jiangyin Justek Communication Equipment Co., Ltd, Jiangyin

Tianjin Justek Vehicle Co., Ltd, Tianjin;

Viscount Vehicle (Shenzhen) Co., Ltd, Shenzhen.

c)

Verbonden ondernemingen in de Volksrepubliek China en Taiwan

Cionlli Bicycle (Tianjin) Co., Ltd, Tianjin

Cionlli Industrial Co., Ltd

d)

Onafhankelijke importeur in de Gemeenschap

Buechel GmbH, Fulda, Duitsland.

(12)

Daar voor het vaststellen van de normale waarde voor producenten/exporteurs die niet als marktgericht bedrijf konden worden beschouwd, gebruik moest worden gemaakt van de gegevens in een referentieland, in dit geval Brazilië, vond een controlebezoek plaats bij onderstaande onderneming:

e)

Producent in Brazilië

Royal Ciclo Indústria de Componentes Ltda, Rio do Sul.

3.   Onderzoektijdvak

(13)

Het onderzoek naar de dumping en schade had betrekking op de periode van 1 januari tot 31 december 2005 („het onderzoektijdvak”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2002 tot het einde van het onderzoektijdvak („de beoordelingsperiode”).

B.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

1.   Het product

(14)

Het betrokken product is bepaalde zadels en essentiële onderdelen daarvan (onderplaten, kussentjes en bekledingen) van fietsen en andere niet gemotoriseerde rijwielen (inclusief bakfietsen), van rijwielen met hulpmotor (al dan niet met zijspan), en van fitnessapparaten en hometrainers (hierna genoemd „het betrokken product” of „zadels”) afkomstig uit China. Het betrokken product wordt gewoonlijk gedeclareerd onder de GN-codes 8714 95 00, ex 8714 99 90 en ex 9506 91 10.

(15)

Een zadel bestaat gewoonlijk uit drie onderdelen: een basis of onderplaat, gewoonlijk door spuitgieten uit plastic vervaardigd; een kussentje dat daarop wordt bevestigd om het zadel comfortabel te maken, dit kan bestaan uit kunststofschuim of andere materialen; de bekleding, van kunststof of leer, die het kussentje en de rest van het zadel bedekt en bepaalt hoe het zadel aanvoelt en er uitziet. Behalve deze drie componenten omvat een zadel gewoonlijk een metalen bevestigingsmechanisme zoals een vork of klem, en eventueel ook een schokabsorberend mechanisme met spiraalveren of elastomeer.

(16)

Het betrokken product wordt verwerkt in fietsen en vergelijkbare transportmiddelen, en ook in stationaire toestellen zoals fitnessapparaten. Uit het onderzoek is gebleken dat de verschillende typen van het betrokken product, ondanks verschillen in afmetingen, materialen en productieprocessen, allemaal dezelfde fysieke en technische basiskenmerken hebben en in hoofdzaak voor dezelfde doeleinden worden gebruikt. Derhalve worden zij in het kader van deze procedure geacht één enkel product te vormen.

2.   Soortgelijk product

(17)

Bij het onderzoek is gebleken dat de fysieke en technische basiskenmerken van de zadels zoals die in de Gemeenschap worden geproduceerd en verkocht door de bedrijfstak van de Gemeenschap, van zadels die worden geproduceerd en verkocht op de binnenlandse Chinese markt, van zadels die uit China in de Gemeenschap worden ingevoerd en van in Brazilië geproduceerde en verkochte zadels niet van elkaar verschillen, en dat deze producten voor dezelfde doeleinden worden aangewend.

(18)

Derhalve wordt voorlopig geconcludeerd dat al deze producten soortgelijke producten zijn in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

C.   DUMPING

1.   Behandeling als marktgericht bedrijf

(19)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening wordt de normale waarde bij antidumpingonderzoeken betreffende producten uit China voor producenten die voldoen aan de criteria van artikel 2, lid 7, onder c), vastgesteld overeenkomstig de leden 1 tot en met 6 van dat artikel.

(20)

De criteria voor behandeling als marktgericht bedrijf zijn (kort samengevat en vereenvoudigd):

1)

de besluiten van de onderneming worden genomen en kosten worden gemaakt als reactie op marktsignalen en zonder staatsinmenging van betekenis op dat punt, en de kosten van de voornaamste productiefactoren weerspiegelen de marktprijzen;

2)

de onderneming beschikt over een duidelijke basisboekhouding die alle terreinen bestrijkt en die door een onafhankelijke accountant wordt gecontroleerd in overeenstemming met de hiervoor geldende internationale normen;

3)

er zijn geen verstoringen van betekenis die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie;

4)

de betrokken onderneming is onderworpen aan faillissements- en eigendomswetten die rechtszekerheid en stabiliteit verschaffen;

5)

de omrekening van munteenheden geschiedt tegen de marktkoers.

(21)

Twee groepen van Chinese producenten/exporteurs en één individuele producent/exporteur hebben overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening verzocht om als marktgerichte onderneming te worden behandeld en hebben te dien einde binnen de vastgestelde termijn het desbetreffende formulier voor producenten/exporteurs ingevuld. De Commissie heeft alle benodigde informatie die deze ondernemingen in hun aanvragen hadden verstrekt ter plaatse gecontroleerd, voor zover dat nodig werd geacht. Uit het onderzoek bleek dat slechts twee groepen van producenten/exporteurs in aanmerking kwamen voor behandeling als marktgerichte onderneming; de aanvragen van de derde groep en van de individuele onderneming moesten worden afgewezen.

(22)

Wat de individuele producent/exporteur betreft, bleek uit het onderzoek dat de onderneming niet voldeed aan de bovengenoemde criteria 1 en 3. De onderneming was met name niet in staat om aan te tonen dat zakelijke beslissingen genomen werden naar aanleiding van marktsignalen, zonder staatsinmenging van betekenis, met name aangezien de omvang van de verkoop op de binnenlandse en buitenlandse markten beperkt wordt door de statuten van de onderneming, die alleen met goedkeuring van de staat gewijzigd kunnen worden. Bovendien kon de onderneming niet aantonen dat er geen van vóór de markteconomie daterende concurrentieverstorende factoren meer in het spel waren; met name kon zij geen documenten overleggen waaruit bleek hoe de rechten op het gebruik van de grond verworven waren.

(23)

Bovendien verzweeg een groep van producenten/exporteurs, zowel op het markteconomieformulier als in de antwoorden op de antidumpingvragenlijst, zijn bijzondere relatie met een belangrijke binnenlandse afnemer. Deze relatie kwam pas aan het licht door contrachecks in de vestigingen van deze producenten/exporteurs. Het is de vaste praktijk van de Commissie om bij groepen van verbonden ondernemingen (concerns) voor het geheel een besluit te nemen betreffende behandeling als marktgerichte onderneming, dan wel individuele behandeling. In het geval van deze exporteur zou dus de volledige medewerking van de verbonden onderneming aan het onderzoek vereist zijn geweest, om te bepalen wat precies de activiteiten van die onderneming met betrekking tot het betrokken product waren, of voldaan werd aan de criteria voor behandeling als marktgerichte onderneming, en wat het effect van de bijzondere relatie op de transacties tussen de twee ondernemingen was. Dat was niet mogelijk, aangezien de verbonden onderneming niet meewerkte aan het onderzoek. De Commissie was dan ook niet in staat om een beslissing te nemen over behandeling als marktgerichte onderneming, dan wel individuele behandeling, van deze groep. Er zij op gewezen dat dit probleem een zeer aanzienlijk deel van de binnenlandse verkoop van de exporteur betrof. Bovendien rezen als gevolg van deze opzettelijke omissie twijfels over de betrouwbaarheid van andere aan de Commissie verstrekte informatie en documenten. Gelet op deze omissie en de betekenis daarvan, zowel voor de analyse met het oog op behandeling als marktgerichte onderneming als voor eventuele beslissingen inzake dumping, die gebaseerd zouden zijn op de door deze groep van exporteurs verstrekte gegevens, werd vastgesteld dat zij onjuiste en misleidende inlichtingen in de zin van artikel 18 van de basisverordening hadden verstrekt. De onderneming werd onverwijld op de hoogte gesteld van de redenen waarom de Commissie voornemens was om de verstrekte informatie buiten beschouwing te laten, en werd in de gelegenheid gesteld om nadere toelichtingen te geven, overeenkomstig artikel 18, lid 4, van de basisverordening. De verklaringen van de onderneming waren echter onbevredigend en konden de Commissie er niet van overtuigen dat de onderneming geen misleidende inlichtingen had verstrekt, en konden ook de gerezen twijfels over de betrouwbaarheid van de overige door de onderneming verstrekte gegevens niet wegnemen. Deze groep van producenten/exporteurs werd dan ook geacht niet aan het onderzoek mee te werken, en het verzoek om behandeling als marktgerichte onderneming, dan wel individuele behandeling, werd afgewezen.

(24)

De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om op deze bevindingen te reageren.

(25)

Gelet op het voorafgaande werd behandeling als marktgerichte onderneming toegekend aan twee groepen van producenten/exporteurs:

Cionlli Bicycle (Taicang) Co. Ltd, en verbonden ondernemingen

Giching Bicycle Parts (Shenzhen) Co. Ltd, en verbonden ondernemingen.

2.   Individuele behandeling

(26)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening wordt voor landen waarop dat artikel van toepassing is, een voor het gehele land geldend recht vastgesteld, maar kunnen ondernemingen die aan de criteria van artikel 9, lid 5, van de basisverordening voldoen, daarvan worden uitgezonderd.

(27)

De producent/exporteur aan wie behandeling als marktgerichte onderneming niet kon worden toegekend, verzocht ook om individuele behandeling voor het geval behandeling als marktgerichte onderneming niet mogelijk zou blijken. De aanvraag van de onderneming om individuele behandeling („individual treatment” of IT) werd echter eveneens afgewezen, aangezien de onderneming niet voldeed aan de in artikel 9, lid 5, onder b), aangegeven criteria, namelijk dat de exportprijzen en uitgevoerde hoeveelheden vrij bepaald kunnen worden.

3.   Normale waarde

a)   Vaststelling van de normale waarde voor de producenten/exporteurs aan wie een behandeling als marktgerichte onderneming werd toegekend

(28)

Voor de vaststelling van de normale waarde is de Commissie eerst nagegaan of de totale binnenlandse verkoop van zadels door elk van de betrokken producenten/exporteurs representatief was in vergelijking met zijn totale uitvoer naar de Gemeenschap. Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening wordt de binnenlandse verkoop representatief geacht wanneer de totale binnenlandse verkoop van de producent/exporteur minstens 5 % bedraagt van zijn uitvoer naar de Gemeenschap.

(29)

De twee groepen van ondernemingen aan wie behandeling als marktgerichte onderneming werd toegekend, omvatten vijf ondernemingen die zadels voor export produceerden; drie daarvan verkochten ook op de binnenlandse markt. Een andere onderneming verkocht producten op de binnenlandse markt maar exporteerde niet.

(30)

Vervolgens heeft de Commissie voor de producenten/exporteurs met een over het geheel genomen representatieve verkoop op de binnenlandse markt onderzocht welke typen zadels die op de binnenlandse markt werden verkocht identiek waren of rechtstreeks vergeleken konden worden met de typen die naar de Gemeenschap werden uitgevoerd.

(31)

Voor elk van deze typen werd vastgesteld of de binnenlandse verkoop voldoende representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop van een gegeven type werd voldoende representatief geacht wanneer deze verkoop in het onderzoektijdvak minstens 5 % bedroeg van de uitvoer van het vergelijkbare type naar de Gemeenschap.

(32)

Vervolgens onderzocht de Commissie voor elke onderneming of de binnenlandse verkoop van elk type van het betrokken product dat in representatieve hoeveelheden op de binnenlandse markt werd verkocht, overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening had plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties; daartoe werd het aandeel van de winstgevende verkoop van het desbetreffende type aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt vastgesteld.

(33)

Wanneer 80 % of meer van de totale verkoop van een type zadel was verkocht tegen nettoverkoopprijzen die gelijk waren aan of hoger dan de productiekosten, en de gewogen gemiddelde prijs van dat type gelijk was aan of hoger dan de productiekosten, werd de normale waarde per type product gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs. Die prijs werd berekend als het gewogen gemiddelde van alle binnenlandse prijzen van die soort in het onderzoektijdvak, ongeacht de vraag of de gehele verkoop al dan niet winstgevend was geweest.

(34)

Wanneer van een bepaald type zadel 80 % of minder met winst was verkocht of wanneer de gewogen gemiddelde prijs van dat type lager was dan de productiekosten, werd de normale waarde per type product gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs, berekend als het gewogen gemiddelde van de winstgevende verkoop van dat type, mits die verkoop ten minste 10 % bedroeg van de totale verkoop van dat type.

(35)

Wanneer ten slotte de winstgevende verkoop van een type zadel minder bedroeg dan 10 % van de totale verkoop van dat type, werd die verkoop niet als representatief beschouwd en werd de binnenlandse prijs geen geschikte basis geacht voor de vaststelling van de normale waarde.

(36)

Wanneer de binnenlandse prijzen van een door een producent/exporteur verkocht type niet konden worden gebruikt, werd de normale waarde geconstrueerd.

(37)

Overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening werd de normale waarde berekend aan de hand van de productiekosten, voor iedere exporteur, van de uitgevoerde typen — waar nodig gecorrigeerd — vermeerderd met een redelijk bedrag voor verkoopkosten, algemene en administratieve kosten (VAA-kosten) en een redelijke winstmarge. In alle gevallen werden de VAA-kosten en de winst vastgesteld met gebruikmaking van de methoden van artikel 2, lid 6, van de basisverordening. Hiertoe heeft de Commissie onderzocht of de VAA-kosten en de winst van de betrokken producenten/exporteurs bij verkoop op de binnenlandse markt betrouwbare gegevens waren.

(38)

De binnenlandse VAA-kosten werden als betrouwbaar beschouwd wanneer de binnenlandse verkoop van een onderneming in vergelijking met de uitvoer naar de Gemeenschap als representatief kon worden beschouwd. Voor de vaststelling van de winstmarge op de binnenlandse verkoop werd de binnenlandse verkoop van die typen in aanmerking genomen die in het kader van normale handelstransacties waren verkocht. Hiertoe werd de hierboven beschreven methode toegepast.

(39)

Voor de drie ondernemingen met representatieve binnenlandse verkoopcijfers werd vastgesteld dat de meeste uitgevoerde typen van het betrokken product ook op de binnenlandse markt werden verkocht in het kader van normale handelstransacties. Voor de typen waarvoor dit niet het geval was, werd de normale waarde berekend met behulp van de hierboven uiteengezette methode, op basis van de VAA-kosten en de winstcijfers van elke betrokken onderneming.

(40)

Voor de twee ondernemingen zonder representatieve binnenlandse verkoop werden de bedragen van de VAA-kosten en de winsten vastgesteld op basis van de gemiddelde VAA-kosten en winsten van de vier ondernemingen met binnenlandse verkoop.

b)   Vaststelling van de normale waarde voor de producenten/exporteurs die niet als marktgericht bedrijf werden beschouwd

i)   Referentieland

(41)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening moet de normale waarde voor producenten/exporteurs die niet als marktgerichte onderneming kunnen worden behandeld, worden vastgesteld op basis van de prijzen of berekende waarde in een referentieland.

(42)

In het bericht van inleiding deelde de Commissie haar voornemen mede om Brazilië als geschikt referentieland voor de vaststelling van de normale waarde te gebruiken, en belanghebbenden werd verzocht hun reacties mede te delen.

(43)

De Chinese producenten/exporteurs die niet als marktgericht bedrijf werden beschouwd, hebben geen bezwaar gemaakt tegen deze keuze.

(44)

Eén importeur en één producent/exporteur die als marktgerichte ondernemingen waren aangemerkt, hebben echter aangevoerd dat Brazilië niet het meest geschikte referentieland was, en dat in plaats daarvan Taiwan of Mexico voor dat doel geselecteerd zou moeten worden.

(45)

Wat Taiwan betreft, meent de Commissie te weten dat daar weliswaar onderdelen van fietsen werden geproduceerd, maar dat het grootste deel van de productie intussen naar China is overgebracht. Dat betekent dus dat in Taiwan gevestigde fabrikanten van fietszadels grotendeels dezelfde ondernemingen zouden zijn die volgens de klacht tegen dumpingprijzen vanuit China naar de Gemeenschap exporteren, dan wel daaraan verbonden ondernemingen. Bovendien houdt de gebruikelijke arbeidsverdeling in die concerns in dat alleen een paar exclusieve modellen, met hogere winstmarges, nog in Taiwan worden geproduceerd, terwijl de productie van de standaard- en goedkope modellen voor het overgrote deel naar China is overgebracht om de kosten te drukken. Het is daarom niet waarschijnlijk dat de prijzen of de kosten van in Taiwan geproduceerde modellen zadels een goede basis zouden vormen voor het bepalen van een normale waarde voor in China geproduceerde zadels.

(46)

Wat Mexico betreft, dit land wordt geacht een open en concurrerende markt te zijn, met een omvang van ongeveer 1/8e van die van de Braziliaanse markt. De Commissie heeft contact opgenomen met de twee haar bekende producenten in Mexico, maar die hebben geen medewerking aangeboden.

(47)

Wat Brazilië betreft, bleek uit het onderzoek dat dit een concurrerende markt voor het betrokken product is, met ten minste drie binnenlandse producenten van uiteenlopende omvang, en met een invoer vanuit andere landen die ongeveer 15 % van de binnenlandse consumptie van 8 à 9 miljoen zadels per jaar bedraagt. Eén producent/exporteur voerde aan dat de mate van concurrentie op de Braziliaanse markt twijfelachtig was, gezien het geringe aantal producenten. Uit het onderzoek bleek echter niet dat een van de Braziliaanse producenten een dominante positie heeft of dat prijzen op een andere manier dan door vrije mededinging tot stand komen. Er was ook geen reden om aan te nemen dat de toegang tot grondstoffen, de kosten en de andere randvoorwaarden voor de productie in Taiwan of Mexico meer met de toestand in China vergelijkbaar zijn dan die in Brazilië. De Braziliaanse markt werd derhalve geschikt geacht om de normale waarde vast te kunnen stellen.

(48)

De Commissie heeft contact opgenomen met de drie haar bekende producenten/exporteurs in Brazilië en vond één onderneming bereid om mee te werken. Deze producent werd een vragenlijst toegezonden en de gegevens in zijn antwoord werden ter plaatse gecontroleerd. Deze meewerkende producent is verbonden aan een van de producenten in de Gemeenschap, maar er is geen reden om aan te nemen dat dit de betrouwbaarheid van de gegevens zal aantasten; deze gegevens zijn bovendien ter plaatse gecontroleerd.

(49)

Gelet op het voorafgaande is de voorlopige conclusie dat Brazilië het meest geschikte referentieland is overeenkomstig artikel 2, lid 7, van de basisverordening.

ii)   Normale waarde

(50)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a) van de basisverordening werd de normale waarde voor de producenten/exporteurs die niet als marktgericht bedrijf werden erkend, vastgesteld aan de hand van de gecontroleerde gegevens die de producent in het referentieland heeft verstrekt, dat wil zeggen aan de hand van de betaalde of te betalen prijzen voor vergelijkbare typen producten op de Braziliaanse markt, volgens de hierboven uiteengezette methode.

(51)

De normale waarde werd vastgesteld aan de hand van alle op de Braziliaanse binnenlandse markt betaalde of te betalen prijzen voor vergelijkbare typen producten, aangezien alle verkopen kennelijk in het kader van normale handelstransacties plaatsvonden.

4.   Exportprijzen

(52)

Alle producenten/exporteurs leverden aan de Gemeenschap, hetzij rechtstreeks aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap, hetzij via verbonden of niet verbonden handelsondernemingen in Hongkong, op de Britse Maagdeneilanden of in Taiwan.

(53)

Wanneer het betrokken product rechtstreeks aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap werd geleverd, werden de exportprijzen berekend op basis van de feitelijk betaalde of te betalen prijzen voor het betrokken product, overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening.

(54)

Bij verkoop via een verbonden handelaar buiten de Gemeenschap werd de uitvoerprijs vastgesteld op basis van de eerste wederverkoopprijzen aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap.

5.   Vergelijking

(55)

De normale waarde en de uitvoerprijzen werden vergeleken af fabriek. Om een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs te kunnen maken, werden overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties toegepast om rekening te houden met verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. Correcties voor de kosten van vervoer, verzekering, lading, overlading, lossing en bijkomende kosten, verpakking, krediet en bankkosten werden toegestaan wanneer de verzoeken daartoe redelijk en nauwkeurig bleken en met bewijsmateriaal waren gestaafd.

(56)

Voor de verkopen die plaatsvonden via verbonden ondernemingen in Taiwan werd een aanpassingscoëfficiënt toegepast overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening, waar aangetoond kon worden dat deze ondernemingen in feite functioneren als een agent die op commissiebasis werkt. Aangezien het door de verbonden onderneming aangegeven aandeel van de uitgaven voor VAA niet als betrouwbaar beschouwd kon worden, werd deze aanpassingscoëfficiënt gebaseerd op gegevens betreffende VAA-kosten en winst van een niet verbonden handelaar.

6.   Dumpingmarges

a)   Voor de meewerkende producenten/exporteurs die als marktgerichte onderneming werden behandeld

(57)

Voor de ondernemingen die als marktgerichte onderneming werden behandeld, werd de gewogen gemiddelde normale waarde van elk type van het product dat naar de Gemeenschap werd uitgevoerd, overeenkomstig artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van dat type van het betrokken product.

(58)

Het is een vaste praktijk van de Commissie om verbonden producenten/exporteurs of producenten/exporteurs die tot hetzelfde concern behoren als één enkele entiteit te beschouwen en daarom voor deze exporteurs één enkele dumpingmarge vast te stellen. Deze praktijk wordt met name toegepast omdat individuele dumpingmarges voor dit soort ondernemingen ontduiking van de rechten in de hand kunnen werken — en dus de doeltreffendheid van die rechten kan verminderen — doordat ondernemingen naar de EG zouden kunnen uitvoeren via de met hen verbonden onderneming waarvoor het laagste individuele antidumpingrecht geldt.

(59)

Overeenkomstig deze praktijk werden de verbonden producenten/exporteurs die tot dezelfde concerns behoren beschouwd als één enkele entiteit en werd voor hen één enkele dumpingmarge vastgesteld op basis van het gewogen gemiddelde van de dumpingmarges voor de medewerkende producenten in de respectieve concerns.

(60)

De voorlopige gewogen gemiddelde dumpingmarges, in procenten van de cif-prijs, grens Gemeenschap, vóór inklaring, zijn als volgt:

Onderneming

Voorlopige dumpingmarge

Cionlli Bicycle (Taicang) Co. Ltd, Shunde Hongli Bicycle Parts Co. Ltd en Safe Strong Bicycle Parts Shenzhen Co. Ltd

7,5 %

Giching Bicycle Parts (Shenzhen) Co. Ltd en Velo Cycle Kunshan Co. Ltd

0 %

b)   Voor alle andere producenten/exporteurs

(61)

Om de dumpingmarge vast te stellen voor alle andere exporteurs in China heeft de Commissie eerst het niveau van medewerking vastgesteld. Er werd een vergelijking gemaakt tussen de totale uitgevoerde hoeveelheden, als aangegeven in de antwoorden van de drie meewerkende producenten/exporteurs op de vragenlijst, en de totale gedumpte invoer vanuit China, berekend zoals aangeven in overweging 71. Dit percentage bleek 23 % te zijn. Op grond daarvan werd de mate van medewerking als laag beschouwd.

(62)

Het werd daarom passend geacht om de dumpingmarge voor het gehele land te bepalen als het gewogen gemiddelde van:

de dumpingmarges geconstateerd voor de meewerkende exporteurs die geen behandeling als marktgerichte onderneming of individuele behandeling genoten, en

de hoogste dumpingmarges voor representatieve typen producten van diezelfde exporteurs, aangezien er geen aanwijzingen waren dat de niet-meewerkende producenten/exporteurs op een lager niveau dumpten.

(63)

Op deze wijze werd de dumpingmarge voor het gehele land voorlopig vastgesteld op 30,9 % van de cif-prijs, grens Gemeenschap, vóór inklaring.

D.   SCHADE

1.   Productie in de Gemeenschap

(64)

De klacht werd ingediend namens negen ondernemingen in de Gemeenschap waarvan bekend is dat zij het betrokken product vervaardigen. Deze ondernemingen zijn gevestigd in Italië, Polen, het Verenigd Koninkrijk en Portugal, en vertegenwoordigden 99 % van de productie van de Gemeenschap gedurende het onderzoektijdvak.

(65)

In feite was er in het aanvangsstadium slechts één bekende producent in de Gemeenschap die zich niet bij de klacht had aangesloten. Uitgaande van de productiecijfers van de negen klagende producenten en de niet-klagende producent in de Gemeenschap bedroeg de totale productie van het soortgelijke product 16 165 936 stuks in het onderzoektijdvak.

2.   Bedrijfstak van de Gemeenschap

(66)

Onderstaande EU-producenten steunden de klacht:

Selle Royal SpA, Pozzoleone, Italië, met de verbonden onderneming:

Brooks England Ltd, West Midlands, Verenigd Koninkrijk

Selle Italia srl, Rossano Veneto, Italië, met de verbonden onderneming:

Bassano Selle srl, Riese Pio X, Italië

Selle SMP SAS, Casalserugo, Italië

pph ABI sp.j., Nasielsk, Polen

Iberoselle Fabrica de Selins Lda, Agueda, Portugal

Selle Montegrappa snc, Ramon di Loria, Italië

Selle San Marco SpA, Rossano, Italië.

(67)

Aangezien deze negen meewerkende producenten die zich bij de klacht hebben aangesloten (zowel de ondernemingen die deel uitmaakten van de steekproef als de andere) goed zijn voor 99 % van de productie van het soortgelijke product in de Gemeenschap, vormen zij de bedrijfstak van de Gemeenschap in de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening. De producenten van de Gemeenschap die deel uitmaakten van de steekproef voor het onderzoek (hierna „de in de steekproef opgenomen producenten”) vertegenwoordigden 86 % van de totale productie van fietszadels in de Gemeenschap gedurende het onderzoektijdvak. De overige producenten in de Gemeenschap werd verzocht bepaalde algemene gegevens ten behoeve van het onderzoek naar de schade te verstrekken.

3.   Verbruik in de Gemeenschap

(68)

Het verbruik in de Gemeenschap werd bepaald op basis van de verkoopvolumes op de markt van de Gemeenschap van de vijf in de steekproef opgenomen producenten van de Gemeenschap, van de vier producenten van de Gemeenschap die niet in de steekproef waren opgenomen, en van de producent in de Gemeenschap die zich niet bij de klacht had aangesloten, en de invoer vanuit China en andere derde landen onder de betreffende GN-codes volgens Eurostat. Zoals aangegeven in overweging 14 wordt het betrokken product momenteel gedeclareerd onder de GN-codes 8714 95 00, ex 8714 99 90 en ex 9506 91 10. De Eurostat-gegevens betreffende de laatste twee GN-codes (ex 8714 99 90 en ex 9506 91 10) omvatten ook andere onderdelen van fietsen en fitnessapparaten. Aangezien het niet mogelijk bleek om uit deze twee bredere categorieën gegevens voor alleen fietszadels af te leiden, werd besloten de invoerstatistieken uitsluitend op GN-code 8714 95 00 te baseren. Dit betekent dat de importvolumes op basis waarvan het verbruik in de Gemeenschap bepaald is, mogelijk iets lager zijn dan in werkelijkheid het geval was.

(69)

Aan de hand van deze gegevens kon worden vastgesteld dat het verbruik in de beoordelingsperiode met 17 % was gestegen, van 20 701 027 stuks in 2002 tot 24 179 012 stuks in 2005.

Tabel 1

 

2002

2003

2004

2005 (onderzoektijdvak)

Verbruik in de Gemeenschap (stuks)

20 701 027

21 688 470

23 357 359

24 179 012

Index

100

105

113

117

4.   Invoer van zadels uit China

a)   Dumpingmarge, importvolume en marktaandeel

(70)

Zoals hierboven aangegeven, is uit het onderzoek gebleken dat de voor China vastgestelde gemiddelde dumpingmarges boven de in artikel 9, lid 3, van de basisverordening aangegeven drempel liggen, en dat het volume van de invoer vanuit China niet te verwaarlozen is in de zin van artikel 5, lid 7, van de basisverordening.

(71)

De importvolumes werden vastgesteld op basis van gegevens van Eurostat. Zoals hierboven in overweging 68 aangegeven, is het mogelijk dat de onderstaande cijfers over de invoer iets te laag zijn. Verder betreffen de statistieken van Eurostat importvolumes van fietszadels in hoeveelheden van 100 kg, niet in stuks. Een gemiddeld gewicht van 500 gram per stuk voor uit China ingevoerde zadels werd als een redelijke veronderstelling beschouwd, aangezien dit gewicht werd aangegeven door een producent/exporteur en een niet verbonden importeur.

(72)

De invoer vanuit China nam in de beoordelingsperiode toe met meer dan 300 %. In 2002 werden 1 416 814 stuks ingevoerd, en in het onderzoektijdvak 6 276 749. Het marktaandeel steeg dienovereenkomstig, van 7 % in 2002 tot 26 % in het onderzoektijdvak. Deze cijfers moeten worden gezien tegen de achtergrond van een stijging van het verbruik met slechts 17 %, d.w.z. aanzienlijk minder dan de toename van de invoer vanuit China.

(73)

Een niet verbonden importeur stelde dat de invoerstatistieken te hoog geschat waren doordat in de klacht een gemiddeld gewicht van 400 gram per zadel werd gehanteerd. Deze onderneming beweerde dat het gemiddelde gewicht van uit China ingevoerde zadels in feite tussen de 600 en de 800 gram lag. Deze zelfde onderneming moest bij een controlebezoek ter plaatse echter toegeven dat het gemiddelde gewicht van uit China ingevoerde zadels 500 gram per stuk bedroeg, dus precies het gewicht dat de Commissie hanteerde voor de omrekening van de cijfers van Eurostat (x 100 kg) in aantallen zadels (stuks). Deze importeur voerde ook aan dat de statistieken betreffende de invoer uit China te hoog waren omdat ze ook de invoer van zadeldekjes (hoesjes) voor de bescherming van zadels omvatten. Zoals hierboven in overweging 71 aangegeven, zijn de invoerstatistieken gebaseerd op slechts één GN-code, namelijk GN 8714 95 00; zadeldekjes worden normaliter niet onder deze code gedeclareerd en de bewering van de importeur is dus niet gefundeerd.

Tabel 2

 

2002

2003

2004

2005 (onderzoektijdvak)

Invoer (stuks)

1 416 814

2 048 240

4 351 842

6 276 749

Index

100

145

307

443

Marktaandeel

7 %

9 %

19 %

26 %

b)   Prijzen

(74)

De gewogen gemiddelde prijs van uit China ingevoerde zadels nam in de loop van de beoordelingsperiode ieder jaar duidelijk af, met in totaal 21 %, namelijk van 1,40 EUR per stuk tot 1,10 EUR per stuk tussen 2002 en het onderzoektijdvak.

Tabel 3

 

2002

2003

2004

2005 (onderzoektijdvak)

Gewogen gemiddelde cif-prijs, grens Gemeenschap (EUR/stuk)

1,4

1,3

1,1

1,1

Index

100

91

75

79

c)   Onderbieding

(75)

Om na te gaan of er sprake was van onderbieding heeft de Commissie gegevens met betrekking tot het onderzoektijdvak geanalyseerd. Hierbij werd uitgegaan van de verkoopprijzen die de bedrijfstak van de Gemeenschap in rekening bracht aan onafhankelijke afnemers, waar nodig gecorrigeerd naar het niveau af fabriek, d.w.z. met uitsluiting van de kosten van het vervoer in de Gemeenschap en na aftrek van kortingen en rabatten. De prijzen voor de verschillende typen zadels, als bepaald op basis van onderplaat, kussen, bekleding, vork en gewicht, werden vergeleken met de verkoopprijzen die de exporteurs voor vergelijkbare typen vroegen, zonder kortingen, en indien nodig gecorrigeerd tot cif grens Gemeenschap, en gecorrigeerd voor de inklaringskosten (1,2 %) en de kosten na invoer voor een importeur in de Gemeenschap.

(76)

Voor de berekening van de gewogen gemiddelde onderbiedingsmarges werd gekeken naar de uitvoerprijzen van de meewerkende producenten/exporteurs. Gedurende het onderzoektijdvak bedroeg de gewogen gemiddelde onderbiedingsmarge van de meewerkende producenten 67,3 %. Wanneer de gehele invoer van zadels werd meegerekend, dus zowel van meewerkende als van niet-meewerkende producenten/exporteurs in China, leverde berekening van de gemiddelde onderbiedingsmarge op basis van gegevens van Eurostat een vergelijkbare gemiddelde onderbiedingsmarge van 70,1 % op voor het onderzoektijdvak.

5.   Situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(77)

Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening omvatte het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Gemeenschap een evaluatie van alle economische factoren die gevolgen hebben voor de situatie van deze bedrijfstak in de beoordelingsperiode.

(78)

Deze analyse had betrekking op de in de steekproef opgenomen bedrijven. Om evenwel een volledig beeld te verkrijgen van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap wordt hieronder ook informatie verstrekt betreffende indicatoren waarvoor betrouwbare gegevens van de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel beschikbaar waren. Indicatoren zoals prijzen, lonen, investeringen, winst, opbrengst van investeringen, kasstroom en vermogen om kapitaal aan te trekken werden vastgesteld aan de hand van gegevens afkomstig van de in de steekproef opgenomen ondernemingen. Voor schade-indicatoren zoals marktaandeel, verkoop en productie werd uitgegaan van de bedrijfstak van de EU in zijn geheel.

a)   Productie

(79)

Het productievolume van de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel vertoonde een duidelijk negatieve trend in de beoordelingsperiode. Het productievolume bedroeg in 2002, 19 546 740 zadels, maar gedurende het onderzoektijdvak produceerde de bedrijfstak van de Gemeenschap slechts 16 165 936 stuks, dus bijna 3,5 miljoen stuks of 17 % minder dan in 2002. Aangezien zadels over het algemeen pas geproduceerd worden als er bestellingen van afnemers binnenkomen, moet worden aangenomen dat de negatieve ontwikkeling van het productievolume een rechtstreeks gevolg is van een dalende vraag naar door de bedrijfstak van de Gemeenschap geproduceerde zadels.

Tabel 4

 

2002

2003

2004

2005 (onderzoektijdvak)

Productie (stuks)

19 546 740

19 022 491

17 698 103

16 165 936

Index

100

97

91

83

b)   Productiecapaciteit en bezettingsgraad

(80)

De productiecapaciteit werd vastgesteld aan de hand van de nominale capaciteit van de productie-eenheden die eigendom van de bedrijfstak van de Gemeenschap waren, waarbij rekening werd gehouden met onderbrekingen in de productie en met het feit dat de capaciteit in een klein aantal gevallen ten dele werd gebruikt voor andere producten, bijvoorbeeld handgrepen voor rolstoelen, die op dezelfde productielijnen werden vervaardigd.

(81)

De productiecapaciteit van zadels nam toe met 5 % in de loop van de beoordelingsperiode, van 29 492 120 stuks in 2002 tot 30 921 920 stuks in het onderzoektijdvak. Deze lichte toename van de productiecapaciteit is het gevolg van investeringen die in 2004 en in het onderzoektijdvak zijn gedaan voor de productie van enkele nieuwe typen producten bestemd voor racefietsen. De bezettingsgraad weerspiegelt de daling van de productie en de vraag. Dit cijfer daalde gestaag in de loop van de beoordelingsperiode en bedroeg nog slechts 45 % in het onderzoektijdvak.

Tabel 5

 

2002

2003

2004

2005 (onderzoektijdvak)

Productiecapaciteit (stuks)

29 492 120

29 215 880

29 354 000

30 921 920

Index

100

99

100

105

Bezettingsgraad

60 %

59 %

53 %

45 %

c)   Voorraden

(82)

Wat eindejaarsvoorraden betreft, vindt verreweg het grootste deel van de productie op bestelling plaats. Daarom werden de voorraden in dit geval, ondanks een afname van 35 % in de loop van de beoordelingsperiode, niet als een relevante indicator voor de schade beschouwd.

Tabel 6

 

2002

2003

2004

2005 (onderzoektijdvak)

Voorraden (stuks)

1 365 040

1 192 612

1 000 376

884 829

Index

100

87

73

65

d)   Investeringen

(83)

Tussen 2002 en 2003 namen de investeringen in de productie van het soortgelijke product af van 3 808 057 EUR tot 1 664 147 EUR. In 2004 voerden de producenten in de Gemeenschap hun investeringen op en besteedden zij bijna het dubbele in vergelijking met het voorafgaande jaar, namelijk 3 381 996 EUR. In het onderzoektijdvak bedroegen de investeringen 3 638 962 EUR, 4 % minder dan het peil bij het begin van de beoordelingsperiode in 2002. Tijdens het onderzoek bleek dat de investeringen in gebouwen, installaties en machines hoofdzakelijk gericht waren op de instandhouding van de productiecapaciteit, en alleen in 2004 en het onderzoektijdvak in mindere mate ook op het ontwikkelen van nieuwe typen producten. Vanwege de hierboven vermelde lage bezettingsgraad werd in ieder geval niet geïnvesteerd in uitbreiding van het (totale) productievolume.

(84)

Uit het onderzoek bleek dat de bedrijfstak van de Gemeenschap beschouwd wordt als toonaangevend in de wereld wat betreft het ontwerpen van zadels en productinnovatie. Tussen 2000 en het onderzoektijdvak ontworpen de producenten van de Gemeenschap meer dan duizend nieuwe typen zadels en brachten deze in de handel. O & O vertegenwoordigt ongeveer 8-10 % van de omzet van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Om deze positie te behouden, moet de bedrijfstak van de Gemeenschap een bepaald niveau van investeringen handhaven, ook al is de bezettingsgraad laag.

Tabel 7

 

2002

2003

2004

2005 (onderzoektijdvak)

Investeringen (EUR)

3 808 057

1 664 147

3 381 996

3 638 962

Index

100

44

89

96

e)   Verkoopvolume en marktaandeel

(85)

Er zijn in hoofdzaak twee verkoopkanalen voor zadels: fabrikanten van fietsen (de „original equipment manufacturers” of OEM) en de „aftermarket”. In het eerste geval worden de verkochte zadels op nieuwe fietsen gemonteerd en in het tweede geval worden ze gebruikt om versleten zadels te vervangen. Het bleek dat de verkoop aan OEM ongeveer 60 % van de totale markt vertegenwoordigt en de „aftermarket” ongeveer 40 %. Zadels zijn met banden de onderdelen van fietsen die het vaakst vervangen worden.

(86)

Het verkoopvolume van de hele bedrijfstak van de Gemeenschap daalde met 20 % in de loop van de beoordelingsperiode, van 15 109 569 stuks tot 12 139 162 stuks in het onderzoektijdvak, met andere woorden, de bedrijfstak van de Gemeenschap verkocht in het onderzoektijdvak bijna drie miljoen minder zadels dan in 2002. Na een geringe daling van 1 % in 2003 in vergelijking met 2002, viel het verkoopvolume sterker terug in 2004 en het onderzoektijdvak.

(87)

In financiële termen nam de verkoop van zadels door de bedrijfstak van de Gemeenschap in de loop van de gehele beoordelingsperiode met slechts 1 % toe. De waarde van de verkoop op de markt van de Gemeenschap nam toe met 5 %, van 54 460 180 EUR in 2002 tot 56 978 530 EUR in 2003, en vervolgens tot 58 052 609 EUR in 2004. In de loop van het onderzoektijdvak nam het verkoopcijfer van de bedrijfstak van de Gemeenschap echter met bijna drie miljoen EUR af vergeleken met het voorafgaande jaar. Dat het verkoopcijfer (waarde) niet dezelfde trend volgde als het verkoopvolume is het gevolg van een stijging van de gemiddelde prijzen die hieronder nader toegelicht zal worden.

(88)

Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap daalde met het verkoopvolume, van 81 % in 2002 tot 58 % in het onderzoektijdvak. Met andere woorden, de bedrijfstak van de Gemeenschap verloor, over de hele beoordelingsperiode gezien, 23 procentpunten van zijn marktaandeel aan de toenemende invoer vanuit China.

Tabel 8

 

2002

2003

2004

2005 (onderzoektijdvak)

Verkoopwaarde (EUR)

54 460 180

56 978 530

58 052 609

55 228 738

Index

100

105

107

101

Verkopen in de EG (stuks)

15 109 569

15 024 427

13 803 151

12 139 162

Index

100

99

91

80

Marktaandeel

81 %

77 %

67 %

58 %

f)   Prijzen

(89)

De gemiddelde verkoopprijs per eenheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap steeg met 25 % in de loop van de beoordelingsperiode. Deze prijsstijging valt te verklaren uit enerzijds de gestegen kosten van grondstoffen, die van invloed waren op de gehele industrie, en anderzijds een accentverlegging van „low tech” naar „high tech” producten, waarvoor duurdere grondstoffen nodig zijn en waarvan de productie arbeidsintensiever is.

(90)

De voornaamste grondstoffen/onderdelen voor de productie van zadels zijn plastic onderplaten, bekledingen, polyurethaan, rails en klemmen. De prijzen van deze basismaterialen zijn indirect gekoppeld aan de ontwikkeling van de prijzen van aardolie en metalen. Grondstoffen vormen een belangrijke bepalende factor voor de kosten van de productie van zadels: ze vertegenwoordigen ongeveer de helft van de totale kosten van de productie en hebben rechtstreeks invloed op de ontwikkeling van de verkoopprijs.

(91)

Het bleek dat de gemiddelde prijzen van grondstoffen stabiel bleven tussen 2002 en 2003, maar vanaf 2003 en ook gedurende het onderzoektijdvak toenamen, wat zijn neerslag vond in de hogere verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(92)

Een niet verbonden importeur beweerde dat de stijging van de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap toe te schrijven was aan een verschuiving van de vraag van de consumenten. Volgens deze onderneming is de vraag naar goedkope fietsen — en daarmee naar goedkope zadels — afgenomen, terwijl de vraag naar duurdere zadels van hoge kwaliteit gestegen is. Dit argument wordt ontkracht door het feit dat de invoer van goedkope producten vanuit China relatief gezien aanmerkelijk sterker steeg dan het totale verbruik van zadels in de Gemeenschap, als aangegeven in overweging 72.

Tabel 9

 

2002

2003

2004

2005 (onderzoektijdvak)

Gewogen gemiddelde prijs (EUR/stuk)

3,6

3,8

4,2

4,5

Index

100

106

117

125

g)   Winstgevendheid en cashflow

(93)

Gedurende de beoordelingsperiode nam de gewogen gemiddelde winstgevendheid over de netto-omzet van de bedrijfstak van de Gemeenschap sterk af, van 3,8 % in 2002 tot slechts 0,4 % in het onderzoektijdvak. De winstgevendheid steeg tot 5,0 % in 2003, daalde naar 3,1 % in 2004, en bereikte uiteindelijk 0,4 % in het onderzoektijdvak. De lage winstmarge is een gevolg van het feit dat de bedrijfstak van de Gemeenschap in onvoldoende mate in staat was om de stijging van de prijzen van grondstoffen door te berekenen aan de afnemers.

Tabel 10

 

2002

2003

2004

2005 (onderzoektijdvak)

Winstmarge vóór belastingen

3,8 %

5,0 %

3,1 %

0,4 %

De bedrijfstak van de Gemeenschap had een cashflow van 3 990 473 EUR gedurende het onderzoektijdvak, ongeveer 1,1 miljoen EUR oftewel 22 % lager dan in het jaar 2002. De nog steeds aanzienlijke liquiditeit van de bedrijfstak van de Gemeenschap valt te verklaren uit het feit dat het een kapitaalintensieve bedrijfstak is met hoge afschrijvingskosten. Over het algemeen kon worden vastgesteld dat de liquiditeit van de bedrijfstak van de Gemeenschap zich in dezelfde richting ontwikkelde als de winstgevendheid.

Tabel 11

 

2002

2003

2004

2005 (onderzoektijdvak)

Kasstroom (EUR)

5 084 871

6 655 555

6 574 821

3 990 473

Index

100

131

129

78

h)   Rendement op nettoactiva

(94)

Het rendement op de nettoactiva werd berekend door de nettowinst vóór belastingen op de soortgelijke producten uit te drukken als een percentage van de nettoboekwaarde van de vaste activa die werden toegerekend aan soortgelijke producten. Deze indicator volgde een vergelijkbare trend als de winstgevendheid en daalde van 12 % in 2002 tot slechts 1 % in het onderzoektijdvak.

Tabel 12

 

2002

2003

2004

2005 (onderzoektijdvak)

Rendement op nettoactiva

12 %

16 %

10 %

1 %

i)   Vermogen om kapitaal aan te trekken

(95)

De bedrijfstak van de Gemeenschap voerde niet aan dat hij moeilijkheden had om voor zijn activiteiten kapitaal aan te trekken en er waren ook geen aanwijzingen in die zin, zodat werd geconcludeerd dat de bedrijfstak als geheel gedurende de gehele beoordelingsperiode in staat was kapitaal voor zijn activiteiten aan te trekken.

j)   Werkgelegenheid en lonen

(96)

De werkgelegenheid in de bedrijfstak van de Gemeenschap bleef in de gehele beoordelingsperiode stabiel. Na een lichte toename in 2003 en 2004 verschafte de bedrijfstak van de Gemeenschap 418 mensen werk (op voltijdsbasis) gedurende het onderzoektijdvak, d.w.z. bijna even veel als in 2002. Er zij echter op gewezen dat alle producenten in de Gemeenschap een aanzienlijk deel van hun productie uitbesteden aan andere kleine en middelgrote ondernemingen in de Gemeenschap, en in enkele gevallen zelfs bijna het hele productieproces. Dat betekent dus dat het totale aantal personen dat (voltijds) werkzaam is in de productie van zadels in feite veel hoger is dan het aantal werknemers dat rechtstreeks in dienst is van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Men schat dat het totale aantal werknemers dat werkzaam is in de productie van het soortgelijke product ten minste driemaal zo hoog is, d.w.z. ongeveer 1 200 personen in het onderzoektijdvak. De gemiddelde jaarlijkse loonkosten volgden dezelfde trend als de arbeidskosten; zij stegen met 5 % in de loop van de beoordelingsperiode, van 7 784 339 EUR in 2002 tot 8 190 911 EUR in het onderzoektijdvak, wat minder is dan het inflatiepercentage in de Gemeenschap gedurende diezelfde periode.

Tabel 13

 

2002

2003

2004

2005 (onderzoektijdvak)

Aantal werknemers

421

434

456

418

Index

100

103

108

99

Arbeidskosten (EUR/jaar)

11 427 812

12 136 974

12 319 136

12 121 976

Index

100

106

108

106

Loonkosten (EUR/jaar)

7 784 339

8 136 410

8 428 090

8 190 911

Index

100

105

108

105

k)   Productiviteit

(97)

De productiviteit, uitgedrukt als output (productie) per werknemer per jaar, bedroeg 42 225 stuks in 2002 en daalde daarna gestaag naar 33 317 stuks in het onderzoektijdvak. Deze daling is het gevolg van het dalende totale productievolume.

Tabel 14

 

2002

2003

2004

2005 (onderzoektijdvak)

Productiviteit (stuks per werknemer)

42 225

39 752

34 388

33 317

Index

100

94

81

79

l)   Groei

(98)

Terwijl het verbruik in de Gemeenschap met 17 % toenam tussen 2002 en het onderzoektijdvak, bleef het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Gemeenschap stabiel in diezelfde periode. De verkopen van de bedrijfstak van de Gemeenschap namen gedurende de beoordelingsperiode dus veel minder sterk toe dan de vraag. Het marktaandeel van de invoer uit China daarentegen nam met 19 procentpunten toe.

m)   Omvang van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping

(99)

De gevolgen van de omvang van de dumpingmarge voor de bedrijfstak van de Gemeenschap kunnen, gezien de hoeveelheden waarin het betrokken product uit China werd ingevoerd en de prijzen waartegen deze producten werden verkocht, niet als te verwaarlozen worden beschouwd.

(100)

Er waren geen aanwijzingen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap herstellende was van de gevolgen van dumping of subsidiëring in het verleden.

6.   Conclusie inzake schade

(101)

Uit de analyse van de schade-indicatoren bleek dat de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap aanzienlijk verslechterd was in de loop van de beoordelingsperiode. De meeste schade-indicatoren (nettoverkoopvolume, productievolume, bezettingsgraad, winstgevendheid, rendement van investeringen, investeringen, cashflow en werkgelegenheid) volgden een negatieve trend in de beoordelingsperiode.

(102)

Andere schade-indicatoren vertonen een stabiele ontwikkeling (netto verkoop in waarde en vermogen om kapitaal aan te trekken) of zelfs een positieve trend (gemiddelde verkoopprijzen, productiecapaciteit en eindvoorraden). De stijging van de verkoopprijzen en van de nettoverkoopwaarde gedurende het onderzoektijdvak kan niet worden toegeschreven aan een verbetering van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap als zodanig, maar was een gevolg van de gestegen prijzen van grondstoffen alsmede van een omschakeling van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de productie van duurdere typen producten. Wat de eindvoorraden betreft: deze kunnen, zoals opgemerkt in overweging 82, niet als relevant voor het bepalen van de schade worden beschouwd, gezien de typische kenmerken van deze bedrijfstak.

(103)

Gezien de sterk negatieve ontwikkeling van de winstindicatoren valt aan te nemen dat het voortbestaan van de bedrijfstak op het spel staat als deze situatie niet wordt aangepakt. Aangezien de bedrijfstak van de Gemeenschap uit kleine en middelgrote ondernemingen bestaat en het hier om een kapitaalintensieve activiteit gaat, is het in feite zeer onwaarschijnlijk dat de bedrijfstak van de Gemeenschap financieel zal kunnen overleven als deze situatie langer voortduurt.

(104)

Gezien het voorgaande wordt geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening.

E.   OORZAKELIJK VERBAND

1.   Inleiding

(105)

Overeenkomstig artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of de bedrijfstak van de Gemeenschap door de invoer met dumping van het betrokken product uit China zodanige schade heeft geleden dat deze als aanmerkelijk kan worden beschouwd. Andere bekende factoren dan de invoer met dumping waardoor de EU-producenten ook schade konden hebben geleden werden eveneens onderzocht om te voorkomen dat mogelijke schade door deze andere factoren aan de invoer met dumping werd toegeschreven.

2.   Gevolgen van de invoer met dumping

(106)

De omvang van de invoer uit China steeg in de beoordelingsperiode met 343 % in termen van volume, en het marktaandeel met 19 procentpunten. Tegelijkertijd waren de gemiddelde prijzen van alle producenten/exporteurs in China in het onderzoektijdvak 70,1 % lager dan gemiddelde prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap. De aanzienlijke toename van de invoer vanuit China en de verovering van een groter marktaandeel in de beoordelingsperiode, met prijzen die slechts een fractie van die van de bedrijfstak van de Gemeenschap bedroegen, vielen samen met een duidelijke verslechtering van de algemene financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap in diezelfde periode.

(107)

Terwijl de prijzen van de invoer vanuit China gestaag bleven dalen gedurende de beoordelingsperiode, en wel met 21 %, namelijk van 1,40 EUR in 2002 tot 1,10 EUR in het onderzoektijdvak, stegen de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap in dezelfde periode met 26 %, van 3,60 EUR in 2002 tot 4,50 EUR gedurende het onderzoektijdvak. Deze diametraal tegengestelde prijsontwikkeling kan slechts ten dele worden verklaard uit een verschillende productenmix bij zadels geproduceerd in de Gemeenschap en in China. Bovendien hebben de producenten van de Gemeenschap bewijsmateriaal voorgelegd waaruit blijkt dat de verkrijgbaarheid en de prijzen van grondstoffen in de Gemeenschap en in China vergelijkbaar zijn. Zij hebben ook aangetoond dat de kosten van grondstoffen voor zadels in de Gemeenschap in de loop van de beoordelingsperiode gestegen zijn. Sommige producenten/exporteurs in China verkopen hun producten zelfs in de Gemeenschap tegen een prijs die de kosten van de grondstoffen niet dekt, en daaruit blijkt wel duidelijk dat de prijzen niet laag zijn vanwege een of ander comparatief voordeel van de producenten in China, maar omdat er dumpingpraktijken worden aangewend.

(108)

Het gevolg van deze oneerlijke prijsbepaling van de invoer met dumping vanuit China was dat de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap werden gedrukt en zelfs niet meer de gestegen kosten van grondstoffen konden dekken. Dit werd ook bevestigd door de aanzienlijke afname van de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(109)

In het licht van bovenstaande overwegingen is het duidelijk dat de laaggeprijsde invoer vanuit China, waardoor de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap in aanzienlijke mate onderboden werden, een bepalende rol speelden bij de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, die met name weerspiegeld wordt in de afnemende omvang van productie en verkoop en van het marktaandeel, en in de scherpe daling van de winstgevendheid.

3.   Gevolgen van andere factoren

a)   Invoer zonder dumping uit China

(110)

Voor één producent/exporteur lag de vastgestelde dumpingmarge onder de drempelwaarde. De invoer van deze onderneming werd daarom buiten beschouwing gelaten bij de hierboven beschreven analyse van de schade. De invoer van deze producent/exporteur bedroeg 28-33 % van alle invoer vanuit China in 2002 en 2003, 18-23 % in 2004, en lag tussen de 12 en de 17 % in het onderzoektijdvak. De gemiddelde prijzen van deze onderneming onderboden die van de bedrijfstak van de Gemeenschap evenwel nog aanzienlijk in de gehele beoordelingsperiode. De gemiddelde onderbiedingsmarges van deze onderneming waren evenwel veel kleiner dan die van de ondernemingen waarvoor dumping werd geconstateerd. Aangezien de invoer vanuit deze onderneming niet significant was en — wat belangrijker was — sterk afnam in de loop van de beoordelingsperiode, werd geconcludeerd dat de invoer zonder dumping van deze producent/exporteur niet van invloed was op het oorzakelijk verband en op de conclusie dat invoer met dumping vanuit China aanmerkelijke schade toebracht aan de bedrijfstak van de Gemeenschap.

b)   Invoer uit andere derde landen dan het betreffende land

(111)

Volgens Eurostat en de tijdens het onderzoek verzamelde informatie zijn Taiwan, India en Vietnam de belangrijkste andere derde landen waaruit zadels worden ingevoerd.

(112)

De invoer vanuit Taiwan bedroeg 1 145 000 stuks in 2002 en nam in de loop van de beoordelingsperiode toe met 25 %, tot 1 429 200 stuks in het onderzoektijdvak. Het marktaandeel van uit Taiwan ingevoerde zadels bedroeg 6 % in 2002, hetzelfde niveau als in het onderzoektijdvak. De Taiwanese invoer vond plaats tegen prijzen die te vergelijken waren met die van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Aangezien het marktaandeel van de Taiwanese invoer niet toenam maar stabiel bleef bij 6 % in de loop van de beoordelingsperiode en de prijzen op hetzelfde niveau lagen als die van de bedrijfstak van de Gemeenschap, wordt de invoer vanuit Taiwan niet geacht een negatief effect te hebben gehad op de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(113)

De invoer vanuit India bedroeg 204 200 stuks in 2002 en nam in het onderzoektijdvak toe met 30 %, tot 264 600 stuks. De gemiddelde prijzen van de invoer vanuit India bleven gedurende de hele beoordelingsperiode duidelijk onder het prijspeil van de invoer vanuit China. Deze prijs lag bij 0,63 EUR in 2002, steeg tot 0,91 EUR in 2003, daalde toen weer sterk naar 0,47 EUR en bereikte 0,60 EUR in het onderzoektijdvak. Deze invoer vertegenwoordigde echter slechts een marktaandeel van 1 % in de hele beoordelingsperiode. De conclusie is dan ook dat de invoer vanuit India ondanks het lage prijsniveau geen wezenlijke invloed had op de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(114)

Wat de invoer vanuit Vietnam betreft, werden volgens de statistieken van Eurostat in 2002 slechts 4 400 zadels ingevoerd en nam deze invoer toe tot 136 600 stuks in het onderzoektijdvak. De prijzen van de invoer vanuit Vietnam waren ongeveer vergelijkbaar met de Chinese prijzen. Net als voor India bleef het marktaandeel van de Vietnamese invoer onder de 1 % in 2002 en 2003 en kwam nauwelijks boven dat peil in 2004 en in het onderzoektijdvak. De conclusie is dan ook dat deze invoer geen wezenlijke invloed heeft gehad op de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(115)

Voorlopig kan dus worden geconcludeerd dat invoer uit andere landen dan China geen rol speelde bij de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden.

c)   Aantasting van intellectuele-eigendomsrechten

(116)

Zoals opgemerkt in overweging 84 wordt ongeveer 8-10 % van de omzet van de bedrijfstak van de Gemeenschap aan investeringen in O & O besteed. Geïnvesteerd wordt bijvoorbeeld in onderzoeken naar lichaamshouding, tests en het ontwerpen van nieuwe modellen zadels. Enkele producenten in de Gemeenschap beweerden dat bepaalde Chinese producenten/exporteurs gepatenteerde Europese producten eenvoudig kopiëren en zichzelf zodoende een kostenvoordeel verschaffen ten opzichte van de producenten in de Gemeenschap, dat weerspiegeld wordt in de lage prijs van uit China ingevoerde zadels. Anderzijds beweerde een niet verbonden importeur dat namaak niet alleen uit China afkomstig is, maar ook uit Europa, en dat dit aanleiding is geweest tot rechtszaken tussen de producenten in de Gemeenschap onderling. Het valt niet te ontkennen dat namaak een serieus probleem is in deze bedrijfstak en inderdaad de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap verergerd kan hebben. Maar hoe dan ook, de financiële schade als gevolg van de schending van intellectuele-eigendomsrechten door de bedrijfstak van de Gemeenschap zelf is niet zo omvangrijk dat het overduidelijke oorzakelijke verband tussen de aanzwellende invoer met dumping en de aanzienlijke schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap lijdt, daardoor in twijfel getrokken zou kunnen worden. Er zij op gewezen dat voor zover invoer met dumping vanuit China profiteerde van de schending van intellectuele-eigendomsrechten, dit niet als een aparte factor beschouwd kon worden, aangezien dit eventuele kostenvoordeel bij dumping toch geen rol meer zou spelen.

4.   Conclusie inzake oorzakelijk verband

(117)

Het samenvallen in de tijd van de toename van de invoer met dumping uit China, het groeiende marktaandeel van die invoer en de prijsonderbieding enerzijds, en de duidelijke verslechtering van de toestand van de bedrijfstak van de Gemeenschap anderzijds, leidt tot de conclusie dat de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden aanmerkelijke schade in de zin van artikel 3, lid 6, van de basisverordening veroorzaakt is door de invoer met dumping. Andere factoren werden geanalyseerd maar bleken geen wezenlijke rol te spelen bij de geleden schade.

(118)

Uitgaande van de hierboven vermelde analyse, waarbij een duidelijk onderscheid werd gemaakt tussen de gevolgen van alle andere bekende factoren voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap en de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping, wordt voorlopig geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade heeft geleden, in de zin van artikel 3, lid 6, van de basisverordening, door de invoer van zadels uit China.

F.   BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

(119)

Overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening werd nagegaan of er ondanks de conclusie in verband met de schadelijke dumping dwingende redenen zijn om te concluderen dat het niet in het belang van de Gemeenschap zou zijn om in dit bijzondere geval maatregelen te nemen. In dit verband moet rekening worden gehouden met de waarschijnlijke gevolgen van het al dan niet nemen van antidumpingmaatregelen voor alle bij de procedure betrokken partijen.

1.   Bedrijfstak van de Gemeenschap

(120)

De schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden, vloeide voort uit het feit dat de bedrijfstak moeite had te concurreren met de laaggeprijsde producten die met dumping waren ingevoerd.

(121)

Door maatregelen op te leggen, zou de bedrijfstak van de Gemeenschap in staat worden gesteld meer te verkopen en een groter marktaandeel te heroveren, daardoor schaalvoordelen te genereren en zo de nodige winst te maken om verdere investeringen in zijn productie-installaties en in onderzoek om concurrerend te blijven te rechtvaardigen.

(122)

Eén importeur beweerde dat een bepaalde producent van de Gemeenschap een dominante marktpositie had, echter zonder deze bewering te staven. Gezien het feit dat gedurende de hele beoordelingsperiode ten minste tien verschillende concurrerende producenten in de Gemeenschap zadels produceerden, en aangezien in de loop van het onderzoek geen aanwijzingen zijn gevonden die deze bewering ondersteunen, wordt deze bewering van de hand gewezen.

(123)

Indien geen maatregelen worden genomen, zal de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap verder verslechteren. Deze zal dan niet kunnen investeren in nieuwe technologieën en niet effectief kunnen concurreren met de invoer uit derde landen. Bovendien zal, als er geen maatregelen worden genomen, de bedrijfstak van de Gemeenschap ook in de toekomst nauwelijks meer voet kunnen vatten op de grote markt voor middenklassezadels, en zal daardoor niet in staat zijn om de vaste kosten te spreiden. Enkele ondernemingen zouden zelfs de productie van het soortgelijke product moeten staken en hun personeel moeten ontslaan, zoals één producent in de Gemeenschap in 2005 al gedaan heeft. Daarom wordt geconcludeerd dat antidumpingmaatregelen in het belang zijn van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

2.   Belang van de niet verbonden importeurs

(124)

Slechts twee niet verbonden importeurs hebben op de vragenlijst gereageerd, en bij een van hen werd vervolgens een controlebezoek afgelegd. De door deze twee importeurs ingevoerde hoeveelheid maakte 21 % van de totale invoer van het betrokken product in de Gemeenschap vanuit China en 7 % van het verbruik in de Gemeenschap uit.

(125)

Overwegende dat het grootste deel van de invoer van zadels in de Gemeenschap plaatsvindt via importeurs die niet aan producenten/exporteurs verbonden zijn, werd de invoer van deze niet verbonden importeurs als representatief voor alle andere niet verbonden importeurs beschouwd.

(126)

Beide importeurs importeerden al hun zadels uit China. Bij één importeur vertegenwoordigde de verkoopwaarde van de zadels 8 % van zijn totale omzet tijdens het onderzoektijdvak. De verkoop van uit China ingevoerde zadels was winstgevend gedurende het onderzoektijdvak. De winstgevendheid van de verkoop van zadels lag echter 0,7 procentpunt onder de algemene winst van deze onderneming, tussen de 2 % en de 6 % in het onderzoektijdvak. Bij de andere importeur vertegenwoordigde de verkoopwaarde van ingevoerde zadels in het onderzoektijdvak slechts 1,2 % van de totale omzet van de onderneming en de winstgevendheid van de verkoop van zadels kwam naar schatting ongeveer overeen met de totale winst van deze onderneming. Op basis van de door andere importeurs verstrekte inlichtingen mag worden aangenomen dat de situatie van de twee bovengenoemde importeurs representatief is voor de meeste importeurs van zadels uit China.

(127)

Aangezien beide ondernemingen uitsluitend Chinese zadels invoerden, kan geconcludeerd worden dat het opleggen van maatregelen inderdaad een negatief effect op de financiële situatie van deze ondernemingen kan hebben. Anderzijds maakte de verkoop van zadels slechts een gering deel uit van de totale omzet en winsten van deze ondernemingen en het valt dus niet te verwachten dat maatregelen een wezenlijk financieel effect op de algemene situatie van deze twee importeurs zouden hebben. Bovendien hebben deze ondernemingen de mogelijkheid fietszadels te betrekken van het concern waar geen dumping werd geconstateerd, of uit andere derde landen, bijvoorbeeld Taiwan.

3.   Belang van de gebruikers

(128)

Vier gebruikers en distributeurs hebben op de vragenlijst van de Commissie gereageerd. Dit zijn ondernemingen die zowel in de Gemeenschap geproduceerde als ingevoerde zadels gebruiken voor het assembleren van fietsen. Deze vier ondernemingen verbruikten in totaal 1 255 655 zadels in de loop van het onderzoektijdvak, waarvan meer dan de helft (55 %) afkomstig was uit China. De uit China ingevoerde en door deze vier ondernemingen gebruikte zadels vertegenwoordigden 5,7 % van het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Gemeenschap en 2,9 % van het totale verbruik van zadels in de Gemeenschap gedurende het onderzoektijdvak. Wat de assemblage van fietsen betreft, werd geconstateerd dat zadels slechts een gering deel uitmaken van de totale productiekosten van een complete fiets. Gemiddeld vertegenwoordigen zadels, afhankelijk van het model, 1 à 4 % van de totale kosten.

(129)

Twee van de vier gebruikers verklaarden dat het opleggen van een antidumpingrecht waarschijnlijk geen bijzonder groot effect zou hebben op hun activiteiten, omdat een stijging van de prijs van zadels aan hun consumenten doorberekend zou kunnen worden. Verder voerden zij aan dat het prijsverschil tussen door de bedrijfstak van de Gemeenschap geproduceerde en verkochte zadels en de invoer vanuit China zodanig groot was dat ook na het opleggen van antidumpingrechten de Chinese zadels concurrerend zouden blijven.

(130)

De twee andere gebruikers hadden geen niet-vertrouwelijke versie van hun inlichtingen ingediend. Deze inlichtingen werden dus voorlopig buiten beschouwing gelaten, overeenkomstig artikel 19, lid 3.

(131)

Eén producent/exporteur stelde dat het opleggen van rechten op de invoer van zadels niet in het belang van de Gemeenschap was, omdat daardoor het voortbestaan van een gezonde Europese fietsenproducerende bedrijfstak nog meer in gevaar gebracht zou worden. Deze onderneming argumenteerde dat fabrikanten in de Gemeenschap hun assemblageactiviteiten zouden stopzetten en in plaats daarvan complete fietsen uit China zouden gaan importeren, ondanks de bestaande antidumpingrechten op fietsen. In dit verband zij opgemerkt dat exporteurs niet als betrokken partij worden beschouwd bij het bepalen van het belang van de Gemeenschap. Desalniettemin werd nagegaan of dit argument steekhoudend was. Twee van de vier gebruikers gaven te kennen dat het opleggen van maatregelen geen wezenlijke gevolgen voor hun activiteiten zou hebben, gezien het geringe aandeel van zadels in de totale productiekosten van een fiets; dat betekent dat het argument in ieder geval niet ontvankelijk is.

(132)

Gezien het feit dat de vier ondernemingen een aanzienlijk deel van alle zadels (45 % gedurende het onderzoektijdvak) in de Gemeenschap opkochten, en gezien het relatief ondergeschikte belang van zadels voor de totale kosten van een complete fiets, luidt de conclusie dat het opleggen van antidumpingmaatregelen op zadels geen wezenlijk effect zou hebben op de totale kosten voor gebruikers. En wanneer een dergelijk effect toch zou optreden, zouden de gebruikers van ingevoerde zadels de extra kosten hoogstwaarschijnlijk kunnen doorberekenen aan de consumenten.

4.   Het belang van de leveranciers van grondstoffen en van consumenten

(133)

Eén leverancier van grondstoffen zond een ingevulde vragenlijst in. Deze onderneming verkoopt de metalen onderdelen van zadels aan producenten in de Gemeenschap, namelijk frames en veren vervaardigd uit ijzer, staal, titanium, vanadium, mangaan of koolstofstaal. Deze onderneming is voorstander van het opleggen van antidumpingrechten, want zij verwacht dat de productievolumes van de bedrijfstak van de Gemeenschap dan zullen stijgen, en daarmee ook de vraag naar haar grondstoffen.

(134)

Op basis van bovenstaande conclusies en omdat consumentenorganisaties geen nieuwe elementen hebben aangedragen, werd geconcludeerd dat het effect van de voorgestelde maatregelen op de consumenten waarschijnlijk marginaal is.

5.   Conclusie over het belang van de Gemeenschap

(135)

Gelet op het bovenstaande luidt de conclusie dat er, wat de belangen van de Gemeenschap betreft, geen dwingende redenen zijn om geen voorlopige antidumpingrechten op te leggen.

G.   VOORLOPIGE ANTIDUMPINGMAATREGELEN

1.   Schademarge

(136)

Gezien de conclusies inzake dumping, schade, oorzakelijk verband en het belang van de Gemeenschap, dienen voorlopige maatregelen te worden genomen om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap nog meer schade lijdt door de invoer met dumping.

(137)

De rechten moeten hoog genoeg zijn om een eind te maken aan de door die invoer veroorzaakte schade, maar mogen het niveau van de vastgestelde dumpingmarge niet overschrijden. Bij de berekening van de hoogte van het recht dat nodig is om de schade ten gevolge van de dumping te neutraliseren, werd in aanmerking genomen dat de maatregelen de bedrijfstak van de Gemeenschap in staat moeten stellen zijn productiekosten te dekken en een winst vóór belasting te maken die een bedrijfstak van dit type onder normale concurrentieomstandigheden, namelijk wanneer er geen sprake is van dumping, in de betrokken sector op de verkoop van het betrokken product in de Gemeenschap redelijkerwijs kan behalen. Deze berekening was gebaseerd op een winstmarge (vóór belasting) van 5 % van de omzet, uitgaande van de winstgevendheid als vastgesteld in eerdere onderzoeken betreffende producenten van onderdelen van fietsen, waar de producenten van de Gemeenschap als omschreven in overweging 67 ook onder vallen.

(138)

De noodzakelijke prijsstijging werd vervolgens vastgesteld door de gewogen gemiddelde invoerprijs, zoals vastgesteld voor de berekening van de prijsonderbieding (zie overweging 75), te vergelijken met de niet-schadelijke prijs van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap op de markt van de Gemeenschap verkochte producten. Die prijs werd verkregen door de verkoopprijs van de bedrijfstak van de Gemeenschap te corrigeren voor het verlies of de winst in het onderzoektijdvak en te vermeerderen met bovengenoemde winstmarge. Het verschil dat deze vergelijking opleverde, werd vervolgens uitgedrukt in procenten van de totale cif-waarde bij invoer.

(139)

In verband met de berekening van de voor het gehele land geldende schademarge voor alle andere producenten/exporteurs uit China zij eraan herinnerd dat het niveau van medewerking laag was. De schademarge werd daarom berekend als het gewogen gemiddelde van de voor de meewerkende exporteur berekende marge en de hoogste vastgestelde marges voor representatieve typen producten die door diezelfde exporteur werden uitgevoerd.

(140)

De schademarges waren aanzienlijk hoger dan de geconstateerde dumpingmarges.

2.   Voorlopige maatregelen

(141)

Gezien het voorgaande wordt geoordeeld dat voorlopige antidumpingrechten moeten worden vastgesteld die gelijk zijn aan de dumpingmarge, maar overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening niet hoger dan de hierboven berekende schademarge.

(142)

De bij deze verordening vastgestelde individuele antidumpingrechten (voor afzonderlijke ondernemingen) zijn gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Zij zijn dan ook in overeenstemming met de situatie die bij het onderzoek voor die ondernemingen werd vastgesteld. Deze rechten (in tegenstelling tot het recht dat voor „alle andere ondernemingen” in het betrokken land geldt) zijn dus uitsluitend van toepassing op de invoer van producten uit het betrokken land die door de betrokken ondernemingen, dus door de genoemde rechtspersonen, zijn geproduceerd. Geïmporteerde producten die zijn geproduceerd door andere ondernemingen, die niet specifiek, met naam en adres, in het dispositief van deze verordening zijn genoemd, met inbegrip van ondernemingen die verbonden zijn met de specifiek genoemde ondernemingen, komen niet voor deze rechten in aanmerking; op deze ondernemingen is het recht van toepassing dat voor „alle andere ondernemingen” geldt.

(143)

Verzoeken in verband met de toepassing van voor bepaalde ondernemingen geldende antidumpingrechten (bv. na de naamswijziging van een onderneming of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) dienen aan de Commissie (3) te worden gericht, onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien deze naamswijziging of oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houdt met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van productie en de verkoop in binnen- en buitenland. Indien zij dit gerechtvaardigd acht, zal de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, de verordening wijzigen door bijwerking van de lijst van ondernemingen die voor een individueel recht in aanmerking komen. Om een correcte toepassing van het antidumpingrecht te garanderen, moet de dumpingmarge ook gelden voor producenten die in het onderzoektijdvak niet naar de Gemeenschap hebben uitgevoerd.

(144)

Op basis van het bovenstaande zijn de voorlopige antidumpingrechten:

Cionlli Bicycle (Taicang) Co. Ltd, Shunde Hongli Bicycle Parts Co. Ltd en Safe Strong Bicycle Parts Shenzhen Co. Ltd

7,5 %

Giching Bicycle Parts (Shenzhen) Co. Ltd en Velo Cycle Kunshan Co. Ltd

0 %

Alle andere ondernemingen

30,9 %

3.   Speciaal toezicht

(145)

Om, gelet op het grote verschil tussen de hoogte van de rechten, het gevaar dat het recht wordt ontweken, zoveel mogelijk te beperken, moeten in dit geval bijzondere maatregelen worden genomen om de goede toepassing van het antidumpingrecht te garanderen. Alleen geïmporteerde producten die zijn geproduceerd door de betreffende producent/exporteur komen in aanmerking voor de specifieke dumpingmarge die voor die producent is vastgesteld. De speciale maatregelen omvatten onder meer:

(146)

De overlegging aan de douaneautoriteiten van de lidstaten van een geldige handelsfactuur die voldoet aan de vereisten die zijn vermeld in de bijlage bij deze verordening. Voor invoer die niet van een dergelijke factuur vergezeld gaat, geldt het residuele antidumpingrecht dat van toepassing is op alle andere ondernemingen.

(147)

Indien de uitvoer door de bedrijven die een lager individueel recht genieten na de instelling van de antidumpingmaatregelen aanzienlijk in volume toeneemt, kan dit op zich worden beschouwd als een verandering in de structuur van het handelsverkeer als gevolg van de oplegging van maatregelen in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening. In dergelijke omstandigheden en mits aan de voorwaarden is voldaan, kan een onderzoek naar ontduiking van de maatregelen worden ingeleid. Hierbij kan onder meer worden onderzocht of het nodig is de individuele rechten in te trekken en een voor het gehele land geldend recht in te stellen.

H.   SLOTBEPALING

(148)

Met het oog op de beginselen van behoorlijk bestuur moet een termijn worden vastgesteld waarbinnen belanghebbenden die zich binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn kenbaar hebben gemaakt, schriftelijk opmerkingen kunnen maken en kunnen vragen te worden gehoord. Voorts dient te worden opgemerkt dat alle bevindingen betreffende de instelling van antidumpingrechten in het kader van deze verordening voorlopig zijn en in het kader van de instelling van definitieve rechten kunnen worden herzien,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op de invoer van zadels en essentiële onderdelen daarvan (d.w.z. onderplaten, kussentjes en bekledingen), van fietsen en andere niet gemotoriseerde rijwielen (inclusief bakfietsen), van rijwielen met hulpmotor (al dan niet met zijspan), en van fitnessapparaten en hometrainers, die vallen onder de GN-codes 8714 95 00, ex 8714 99 90 en ex 9506 91 10 (Taric-codes 8714999081 en 9506911010) en die afkomstig zijn uit de Volksrepubliek China.

2.   Het voorlopig antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs franco grens EG, vóór inklaring, van de producten die door onderstaande bedrijven worden vervaardigd, bedraagt:

Onderneming

Antidumpingrecht

Aanvullende Taric-code

Cionlli Bicycle (Taicang) Co. Ltd, Shunde Hongli Bicycle Parts Co. Ltd en Safe Strong Bicycle Parts Shenzhen Co. Ltd

7,5 %

A787

Giching Bicycle Parts (Shenzhen) Co. Ltd en Velo Cycle Kunshan Co. Ltd

0 %

A788

Alle andere ondernemingen

30,9 %

A999

3.   De individuele rechten voor de in lid 2 genoemde ondernemingen zijn uitsluitend van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur, opgesteld conform de voorwaarden in de bijlage, wordt overgelegd. Als een dergelijke factuur niet wordt overgelegd, wordt het antidumpingrecht dat voor alle overige ondernemingen geldt toegepast.

4.   Bij het in het vrije verkeer brengen in de Gemeenschap van het in lid 1 bedoelde product wordt een zekerheid gesteld ten bedrage van het voorlopige recht.

5.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

Onverminderd artikel 20 van Verordening (EG) nr. 384/96 kunnen belanghebbenden, binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening, verzoeken in kennis te worden gesteld van de voornaamste feiten en overwegingen op grond waarvan deze verordening werd vastgesteld, schriftelijk opmerkingen maken, en vragen door de Commissie te worden gehoord.

Overeenkomstig artikel 21, lid 4, van Verordening (EG) nr. 384/96 kunnen belanghebbenden binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening opmerkingen maken over de toepassing van deze verordening.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 1 van deze verordening is zes maanden van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 december 2006.

Voor de Commissie

Peter MANDELSON

Lid van de Commissie


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2117/2005 (PB L 340 van 23.12.2005, blz. 17).

(2)  PB C 84 van 7.4.2006, blz. 4.

(3)  Europese Commissie, directoraat-generaal Handel, directoraat B, B-1049 Brussel.


BIJLAGE

De in artikel 1, lid 3, van deze verordening bedoelde geldige handelsfactuur moet een door een werknemer van de onderneming ondertekende verklaring bevatten met de volgende gegevens:

1.

de naam en functie van de werknemer van de onderneming die de handelsfactuur heeft opgesteld;

2.

de volgende verklaring: „Ondergetekende verklaart dat de (hoeveelheid) zadels die voor uitvoer naar de Europese Gemeenschap zijn verkocht en waarop deze factuur betrekking heeft, zijn vervaardigd door (naam en adres van de onderneming) (aanvullende Taric-code) in de Volksrepubliek China. Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.”


28.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 379/37


VERORDENING (EG) Nr. 2000/2006 VAN DE COMMISSIE

van 20 december 2006

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1870/2005 in verband met de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag betreffende de toetreding van Bulgarije en Roemenië, en met name op artikel 4, lid 3,

Gelet op de Akte van toetreding van Bulgarije en Roemenië, en met name op artikel 41,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overgangsmaatregelen moeten worden vastgesteld om de importeurs uit Bulgarije en Roemenië in staat te stellen gebruik te maken van het bepaalde in Verordening (EG) nr. 1870/2005 van de Commissie van 16 november 2005 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van tariefcontingenten en houdende invoering van een stelsel van invoer- en oorsprongscertificaten voor uit derde landen ingevoerde knoflook (1). Deze maatregelen moeten in het bijzonder gelden voor de definitie van „referentiehoeveelheid” en voor de definitie van traditionele en nieuwe importeurs.

(2)

Verordening (EG) nr. 1870/2005 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(3)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor verse groenten en fruit,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1870/2005 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de eerste alinea, punt 5, onder c), wordt vervangen door:

„c)

voor traditionele importeurs die knoflook in Bulgarije of Roemenië hebben ingevoerd tussen 2003 en 2005, de maximumhoeveelheid knoflook die zij hebben ingevoerd in

i)

hetzij de kalenderjaren 2003, 2004 of 2005,

ii)

hetzij de invoerseizoenen 2003/2004, 2004/2005 of 2005/2006;

d)

voor traditionele importeurs die niet onder a), b) of c) vallen, de maximumhoeveelheid knoflook die zij hebben ingevoerd in de eerste drie afgesloten invoerseizoenen waarin zij invoercertificaten hebben ontvangen op grond van Verordening (EG) nr. 565/2002 of de onderhavige verordening.”

b)

de tweede alinea wordt vervangen door:

„Knoflook van oorsprong uit de lidstaten van de Gemeenschap in haar samenstelling op 31 december 2006 of uit Bulgarije en Roemenië wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van de referentiehoeveelheid.”

c)

de volgende alinea wordt toegevoegd:

„Bulgarije en Roemenië kiezen één van de twee onder c) vermelde methoden en passen deze toe voor alle traditionele importeurs op grond van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling tussen marktdeelnemers wordt gegarandeerd.”

2)

Aan artikel 3 wordt het volgende lid 4 toegevoegd:

„4.   In afwijking van de leden 1 en 2, wordt voor de invoerseizoenen 2006/2007, 2007/2008 en 2008/2009 en uitsluitend in Bulgarije en Roemenië:

a)

onder „traditionele importeurs” verstaan natuurlijke of rechtspersonen, individuele marktdeelnemers of volgens het nationale recht opgerichte groeperingen van marktdeelnemers, die kunnen bewijzen dat:

i)

zij in ten minste twee van de voorgaande drie invoerseizoenen knoflook hebben ingevoerd uit andere landen van oorsprong dan de Gemeensschap in haar samenstelling op 31 december 2006 of Bulgarije en Roemenië;

ii)

zij in het voorgaande kalenderjaar ten minste 50 ton groenten en fruit als bedoeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2200/96 hebben ingevoerd;

iii)

de onder i) en ii) bedoelde invoer heeft plaatsgevonden in Bulgarije of Roemenië, waar het hoofdkantoor van de betrokken importeur gelegen is;

b)

onder „nieuwe importeurs” verstaan andere dan onder a) bedoelde traditionele importeurs of handelaren, natuurlijke of rechtspersonen, individuele marktdeelnemers of volgens het nationale recht opgerichte groeperingen van marktdeelnemers, die kunnen bewijzen dat:

i)

zij in elk van de voorgaande twee kalenderjaren ten minste 50 ton groenten en fruit als bedoeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2200/96 uit andere landen van oorsprong dan de Gemeenschap in haar samenstelling op 31 december 2006 of Bulgarije en Roemenië hebben ingevoerd;

ii)

de onder i) bedoelde invoer heeft plaatsgevonden in Bulgarije of Roemenië, waar het hoofdkantoor van de betrokken importeur gelegen is.”

3)

Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:

a)

de volgende vermelding wordt ingevoegd vóór de vermelding in het Spaans:

„—

in het Bulgaars: Мито 9,6 % — Регламент (ЕО) № 1870/2005,”

b)

de volgende vermelding wordt ingevoegd na de vermelding in het Portugees:

„—

in het Roemeens: Taxa vamală: 9,6 % — Regulamentul (CE) nr. 1870/2005,”

4)

Bijlage III wordt als volgt gewijzigd:

a)

de volgende vermelding wordt ingevoegd vóór de vermelding in het Spaans:

„—

in het Bulgaars: Лицензия, издадена и валидна само за тримесечие от 1 (месец) до 28/29/30/31 (месец)”

b)

de volgende vermelding wordt ingevoegd na de vermelding in het Portugees:

„—

in het Roemeens: licență emisă și valabilă numai pentru trimestrul de la 1 [luna] pana la 28/29/30/31[luna]”

Artikel 2

Deze verordening treedt onder voorbehoud van de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de toetreding van Bulgarije en Roemenië op de datum van die inwerkingtreding in werking.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 december 2006.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 300 van 17.11.2005, blz. 19. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 991/2006 (PB L 179 van 1.7.2006, blz. 15).


28.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 379/39


VERORDENING (EG) Nr. 2001/2006 VAN DE COMMISSIE

van 21 december 2006

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2295/2003 houdende bepalingen voor de toepassing van Verordening (EEG) nr. 1907/90 van de Raad betreffende bepaalde handelsnormen voor eieren in verband met de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op het Verdrag betreffende de toetreding van Bulgarije en Roemenië, en met name op artikel 4, lid 3,

Gelet op de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor Bulgarije en Roemenië, en met name op artikel 56,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Aan Verordening (EG) nr. 2295/2003 van de Commissie (1) dienen enkele technische wijzigingen te worden aangebracht in verband met de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie.

(2)

In de bijlagen I, II en V bij Verordening (EG) nr. 2295/2003 zijn bepaalde vermeldingen vastgesteld in alle talen van de Gemeenschap in haar samenstelling op 31 december 2006. Ook de vermeldingen in het Bulgaars en het Roemeens moeten daarin worden opgenomen.

(3)

Verordening (EG) nr. 2295/2003 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 2295/2003 wordt gewijzigd als volgt:

1)

Artikel 4, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De bevoegde autoriteit kent aan het pakstation een registratienummer toe, dat met de volgende code moet beginnen:

BE

België

BG

Bulgarije

CZ

Tsjechië

DK

Denemarken

DE

Duitsland

EE

Estland

GR

Griekenland

ES

Spanje

FR

Frankrijk

IE

Ierland

IT

Italië

CY

Cyprus

LV

Letland

LT

Litouwen

LU

Luxemburg

HU

Hongarije

MT

Malta

NL

Nederland

AT

Oostenrijk

PL

Polen

PT

Portugal

RO

Roemenië

SI

Slovenië

SK

Slowakije

FI

Finland

SE

Zweden

UK

Verenigd Koninkrijk”

2)

De bijlagen I, II en V worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking onder voorbehoud van en op de datum van de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de toetreding van Bulgarije en Roemenië.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 december 2006.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 340 van 24.12.2003, blz. 16. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 89/2006 (PB L 15 van 20.1.2006, blz. 30).


BIJLAGE

De bijlagen bij Verordening (EG) nr. 2295/2003 worden gewijzigd als volgt:

1)

Bijlage I wordt vervangen door:

„BIJLAGE I

1.   Datum van minimale houdbaarheid

Code van de taal

Op de eieren

Op de verpakkingen

BG

срок на годност

срок на годност

ES

Cons. pref.

Consúmase preferentemente antes del

CS

Spotřebujte of S.

Spotřebujte do

DA

Mindst holdbar til of M.H.

Mindst holdbar til

DE

Mind. haltbar of M.H.D.

Mindestens haltbar bis

ET

Parim enne of PE

Parim enne

EL

Ανάλωση πριν από

Ανάλωση κατά προτίμηση πριν από

EN

Best before of B.B. (1)

Best before

FR

à cons. de préf. av. of DCR (1)

A consommer de préférence avant le

IT

Entro

da consumarsi preferibilmente entro

LV

Izlietot līdz of I.L. (1)

Izlietot līdz

LT

Geriausi iki of G (1)

Geriausi iki

HU

Min. meg. of M.M (1)

Minőségét megőrzi

MT

L-aħjar jintuża sa

L-aħjar jintuża sa

NL

Tenm. houdb. tot of THT (1)

Tenminste houdbaar tot

PL

Najlepiej spożyć przed of N.S.P. (1)

Najlepiej spożyć przed

PT

Cons. pref.

A consumir de preferência antes de

RO

d.d.m.

A se consuma, de preferință, înainte de

SK

Minimálna trvanlivosť do of M.T.D. (1)

Minimálna trvanlivosť do

SL

Uporabno najmanj do of U.N.D. (1)

Uporabno najmanj do

FI

parasta ennen

parasta ennen

SV

Bäst före

Bäst före

2.   Verpakkingsdatum

Code van de taal

Op de eieren

Op de verpakkingen

BG

Дата на опаковане

Дата на опаковане

ES

Emb.

Embalado el:

CS

Baleno of D. B. (2)

Datum balení

DA

Pakket

Pakket den:

DE

Verp.

Verpackt am:

ET

Pakendamiskuupäev of PK (2)

Pakendamiskuupäev:

EL

Συσκευασία

Ημερομηνία συσκευασίας:

EN

Packed of pkd (2)

Packing date:

FR

Emb. le

Emballé le:

IT

Imb.

Data d'imballaggio:

LV

Iepakots

Iepakots

LT

Supakuota of PK (2)

Pakavimo data

HU

Csom.

Csomagolás dátuma

MT

Ippakkjat

Data ta’ l-ippakkjar:

NL

Verp.

Verpakt op:

PL

Zapakowano w dniu of ZWD (2)

Zapakowano w dniu

PT

Emb.

Embalado em:

RO

Amb.

Ambalat la

SK

Balené dňa of B.D. (2)

Balené dňa

SL

Pakirano of Pak. (2)

Datum pakiranja

FI

Pakattu

Pakattu:

SV

Förp. Den

Förpackat den:

3.   Uiterste verkoopdatum

Code van de taal

 

BG

Препоръчителна дата за продажба

ES

Vender antes

CS

Prodat do

DA

Sidste salgsdato

DE

Verkauf bis

ET

Viimane soovitav müügikuupäev or VSM (3)

EL

Πώληση

EN

Sell by

FR

à vend. préf. av. of DVR (3)

IT

racc.

LV

Realizēt līdz

LT

Parduoti iki

HU

Forgalomba hozható: …-ig

MT

Għandu jinbiegħ sa

NL

Uiterste verkoopdatum of Uit. verk. dat. (3)

PL

Sprzedaż do dnia

PT

Vend. de pref. antes de

RO

A se vinde înainte de

SK

Predávať do

SL

Prodati do

FI

viimeinen myyntipäivä

SV

Sista försäljningsdag

4.   Legdatum

Code van de taal

 

BG

Дата на снасяне

ES

Puesta

CS

Sneseno

DA

Læggedato

DE

Gelegt am

ET

Munemiskuupäev

EL

Ωοτοκία

EN

Laid

FR

Pondu le

IT

Dep.

LV

Izdēts

LT

Padėta

HU

Tojás rakás napja

MT

Tbiedu

NL

Gelegd op

PL

Zniesione w dniu

PT

Postura

RO

Produs la

SK

Znáška

SL

Zneseno

FI

munintapäivä

SV

Värpta den”

2)

Bijlage II wordt vervangen door:

„BIJLAGE II

In artikel 13 bedoelde vermeldingen voor het aanduiden van het houderijsysteem van legkippen: a) op de verpakkingen; b) op de eieren

Code van de taal

 

1

2

3

BG

(a)

яйца от кокошки – свободно отглеждане на открито

яйца от кокошки – подово отглеждане

яйца от кокошки – клетъчно отглеждане

(b)

яйца от кокошки – свободно отглеждане на открито

яйца от кокошки – подово отглеждане

яйца от кокошки – клетъчно отглеждане

ES

(a)

Huevos de gallinas camperas

Huevos de gallinas criadas en el suelo

Huevos de gallinas criadas en jaula

(b)

Camperas

Suelo

Jaula

CS

(a)

Vejce nosnic ve volném výběhu

Vejce nosnic v halách

Vejce nosnic v klecích

(b)

Výběh

Hala

Klec

DA

(a)

Frilandsæg

Skrabeæg

Buræg

(b)

Frilandsæg

Skrabeæg

Buræg

DE

(a)

Eier aus Freilandhaltung

Eier aus Bodenhaltung

Eier aus Käfighaltung

(b)

Freiland

Boden

Käfig

ET

(a)

Vabalt peetavate kanade munad

Õrrekanade munad

Puuris peetavate kanade munad

(b)

Vabapidamine of V

Õrrelpidamine of Õ

Puurispidamine of P

EL

(a)

Αυγά ελεύθερης βοσκής

Αυγά αχυρώνα

Αυγά κλωβοστοιχίας

(b)

Eλεύθερης βοσκής

Αχυρώνα

Κλωβοστοιχία

EN

(a)

Free range eggs

Barn eggs

Eggs from caged hens

(b)

Free range of F/range

Barn

Cage

FR

(a)

Œufs de poules élevées en plein air

Œufs de poules élevées au sol

Œufs de poules élevées en cage

(b)

Plein air

Sol

Cage

IT

(a)

Uova da allevamento all'aperto

Uova da allevamento a terra

Uova da allevamento in gabbie

(b)

Aperto

A terra

Gabbia

LV

(a)

Brīvās turēšanas apstākļos dētās olas

Kūtī dētas olas

Sprostos dētas olas

(b)

Brīvībā dēta

Kūtī dēta

Sprostā dēta

LT

(a)

Laisvai laikomų vištų kiaušiniai

Ant kraiko laikomų vištų kiaušiniai

Narvuose laikomų vištų kiaušiniai

(b)

Laisvų

Ant kraiko

Narvuose

HU

(a)

Szabad tartásban termelt tojás

Alternatív tartásban termelt tojás

Ketreces tartásból származó tojás

(b)

Szabad t.

Alternatív

Ketreces

MT

(a)

Bajd tat-tiġieg imrobbija barra

Bajd tat-tiġieġ imrobbija ma’ l-art.

Bajd tat-tiġieġ imrobbija fil-gaġeġ

(b)

Barra

Ma’ l-art

Gaġġa

NL

(a)

Eieren van hennen met vrije uitloop

Scharreleieren

Kooieieren

(b)

Vrije uitloop

Scharrel

Kooi

PL

(a)

Jaja z chowu na wolnym wybiegu

Jaja z chowu ściółkowego

Jaja z chowu klatkowego

(b)

Wolny wybieg

Ściółka

Klatka

PT

(a)

Ovos de galinhas criadas ao ar livre

Ovos de galinhas criadas no solo

Ovos de galinhas criadas em gaiolas

(b)

Ar livre

Solo

Gaiola

RO

(a)

Ouă de găini crescute în aer liber

Ouă de găini crescute în hale la sol

Ouă de găini crescute în baterii

(b)

Aer liber

Sol

baterii

SK

(a)

Vajcia z chovu na voľnom výbehu

Vajcia z podostieľkového chovu

Vajcia z klietkového chovu

(b)

Voľný výbeh

Podstieľkové

Klietkové

SL

(a)

Jajca iz proste reje

Jajca iz hlevske reje

Jajca iz baterijske reje

(b)

Prosta reja

Hlevska reja

Baterijska reja

FI

(a)

Ulkokanojen munia

Lattiakanojen munia

Häkkikanojen munia

(b)

Ulkokanan

Lattiakanan

Häkkikanan

SV

(a)

Ägg från utehöns

Ägg från frigående höns inomhus

Ägg från burhöns

(b)

Frigående (alt. Frig.) ute

Frigående (alt. Frig.) inne

Burägg”

3)

Bijlage V wordt vervangen door:

„BIJLAGE V

In artikel 16, lid 6, bedoelde vermeldingen

:

Bulgaars

:

яйца, предназначени изключително за преработка, съгласно член 16, параграф 6 от Регламент (ЕО) № 2295/2003.

:

Spaans

:

huevos destinados exclusivamente a la transformación, de conformidad con lo dispuesto en el apartado 6 del artículo 16 del Reglamento (CE) no 2295/2003.

:

Tsjechisch

:

vejce určená výhradně ke zpracování v souladu s čl. 16, odst. 6 Nařízení (ES) č. 2295/2003.

:

Deens

:

æg, der udelukkende er bestemt til forarbejdning, jf. artikel 16, stk. 6, i forordning (EF) nr. 2295/2003.

:

Duits

:

Eier ausschließlich bestimmt zur Verarbeitung gemäß Artikel 16 Absatz 6 der Verordnung (EG) Nr. 2295/2003.

:

Ests

:

eranditult ümbertöötlemisele kuuluvad munad, vastavalt määruse (EÜ) nr 2295/2003 artikli 16 lõikele 6.

:

Grieks

:

αυγά που προορίζονται αποκλειστικά για την μεταποίησή τους, σύμφωνα με το άρθρο 16, παράγραφος 6 του κανονισμού (ΕΚ) αριθ. 2295/2003.

:

Engels

:

eggs intended exclusively for processing in accordance with Article 16(6) of Regulation (EC) No 2295/2003.

:

Frans

:

œufs destinés exclusivement à la transformation, conformément à l’article 16, paragraphe 6, du règlement (CE) no 2295/2003.

:

Italiaans

:

uova destinate esclusivamente alla trasformazione, in conformità dell’articolo 16, paragrafo 6, del regolamento (CE) n. 2295/2003.

:

Lets

:

olas, kas paredzētas tikai pārstrādei, saskaņā ar regulas (EK) Nr. 2295/2003 16. panta 6. punktu.

:

Litouws

:

tik perdirbti skirti kiaušiniai, atitinkantys Reglamento (EB) Nr. 2295/2003 16 straipsnio 6 dalies reikalavimus.

:

Hongaars

:

A 2295/2003/EK rendelet 16. cikke (6) bekezdésének megfelelően kizárólag feldolgozásra szánt tojás.

:

Maltees

:

bajd destinat esklussivament għall-konverżjoni, f’konformità ma’ l-Artikolu 16, Paragrafu 6 tar-Regolament (KE) Nru 2295/2003.

:

Nederlands

:

eieren die uitsluitend bestemd zijn voor verwerking, overeenkomstig artikel 16, lid 6, van Verordening (EG) nr. 2295/2003.

:

Pools

:

jaja przeznaczone wyłącznie dla przetwórstwa, zgodnie z artykułem 16, paragraf 6 rozporządzenia (WE) nr 2295/2003.

:

Portugees

:

ovos destinados exclusivamente à transformação, em conformidade com o n.o 6 do artigo 16.o do Regulamento (CE) n.o 2295/2003.

:

Roemeens

:

ouă destinate exclusiv procesării, conform articolului 16 alineatul 6 din Regulamentul (CE) nr. 2295/2003.

:

Slowaaks

:

vajcia určené výhradne na spracovanie podľa článku 16, odsek 6 nariadenia (ES) č. 2295/2003.

:

Sloveens

:

jajca namenjena izključno predelavi, v skladu s 6. odstavkom 16. čelna uredbe (CE) št. 2295/2003.

:

Fins

:

Yksinomaan jalostettaviksi tarkoitettuja munia asetuksen (EY) N:o 2295/2003 16 artiklan 6 kohdan mukaisesti.

:

Zweeds

:

Ägg uteslutande avsedda för bearbetning, i enlighet med artikel 16.6 i förordning (EG) nr 2295/2003.”


(1)  Indien de afkorting wordt gebruikt, moet uit de aanduidingen op de verpakking duidelijk blijken welke betekenis deze heeft.

(2)  Indien de afkorting wordt gebruikt, moet uit de aanduidingen op de verpakking duidelijk blijken welke betekenis deze heeft.

(3)  Indien de afkorting wordt gebruikt, moet uit de aanduidingen op de verpakking duidelijk blijken welke betekenis deze heeft.


28.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 379/47


VERORDENING (EG) Nr. 2002/2006 VAN DE COMMISSIE

van 21 december 2006

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 795/2004 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (1), en met name op artikel 145, onder c),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 795/2004 van de Commissie (2) zijn met ingang van 2005 de uitvoeringsbepalingen voor de bedrijfstoeslagregeling vastgesteld.

(2)

In artikel 54, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 is bepaald dat de landbouwers de voor braakleggingstoeslagrechten in aanmerking komende hectaren uit productie moeten nemen, en krachtens artikel 56, lid 1, van die verordening is het in het algemeen verboden om als braakgelegd aangegeven grond voor landbouwdoeleinden te gebruiken.

(3)

In artikel 32, lid 1, van Verordening (EG) nr. 795/2004 is bepaald dat braakgelegde oppervlakten braak moeten blijven liggen gedurende een periode die uiterlijk op 15 januari ingaat en op zijn vroegst op 31 augustus eindigt.

(4)

De Commissie heeft vaak een afwijking van die voorschriften toegestaan om het de landbouwers in een gebied dat was getroffen door een natuurramp, meestal droogte, mogelijk te maken in hun voerbehoeften te voorzien. De specifieke omstandigheden bij een plaatselijke natuurramp vergen een tijdige analyse en besluitvorming. De ervaring wijst uit dat het, met het oog op een passende en tijdige aanpak van plaatselijke situaties, aanbeveling verdient de verantwoordelijkheid voor die besluitvorming aan de lidstaten over te laten, mits de betrokken besluiten door uitzonderlijke omstandigheden worden gerechtvaardigd.

(5)

Daarom is het goed dat de lidstaten zelf tijdig het besluit nemen om een erge natuurramp die ernstige gevolgen heeft voor grond van bedrijven in een bepaald gebied, te erkennen en om alle getroffen producenten toe te staan als braakgelegd aangegeven grond voor voederdoeleinden te gebruiken en dat zij dat besluit vervolgens meedelen aan de Commissie. De lidstaten dienen de Commissie dus in kennis te stellen van dergelijke nationale besluiten, en vooral van de ongunstige weersomstandigheden die er de rechtvaardiging voor vormen.

(6)

Verordening (EG) nr. 795/2004 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor rechtstreekse betalingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 795/2004 wordt als volgt gewijzigd:

Aan artikel 32 wordt het volgende lid toegevoegd:

„5.   In gevallen zoals bedoeld in artikel 40, lid 4, onder c), van Verordening (EG) nr. 1782/2003 kunnen de lidstaten alle getroffen producenten toestemming geven om gedurende het jaar waarop de verzamelaanvraag betrekking heeft, als braakgelegd aangegeven grond voor voederdoeleinden te gebruiken. De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de braakgelegde oppervlakte waarvoor de toestemming geldt, niet voor winstgevende doeleinden wordt gebruikt, en in het bijzonder dat geen voer dat op die braakgelegde grond is geproduceerd, wordt verkocht.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van hun besluit over de toestemming en van de rechtvaardiging daarvoor.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 december 2006.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1405/2006 (PB L 265 van 26.9.2006, blz. 1).

(2)  PB L 141 van 30.4.2004, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1291/2006 (PB L 236 van 31.8.2006, blz. 20).


28.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 379/49


VERORDENING (EG) Nr. 2003/2006 VAN DE COMMISSIE

van 21 december 2006

tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de financiering van uitgaven in verband met de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad van 17 december 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur (1), en met name op artikel 35, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 3, lid 2, onder f), van Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (2) is bepaald dat het ELGF de uitgaven betreffende de visserijmarkten op gecentraliseerde wijze financiert.

(2)

In artikel 35 van Verordening (EG) nr. 104/2000 zijn de soorten uitgaven van de lidstaten gespecificeerd.

(3)

Bij de financiering van deze uitgaven worden de regels van het gecentraliseerd rechtstreeks beheer tussen de Commissie en de lidstaten gevolgd.

(4)

Met het oog op een goed beheer van de communautaire geldmiddelen en de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap bevat Verordening (EG) nr. 1290/2005 een aantal verplichtingen voor de lidstaten met betrekking tot het beheer en de controle van deze geldmiddelen, en bevat zij informatie betreffende het wettelijke en administratieve kader voor het nakomen van deze verplichtingen en voor de terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen in geval van onregelmatigheden in het beheer van deze fondsen. Voorts worden de financiële belangen van de Gemeenschap met betrekking tot de uit hoofde van artikel 35 van Verordening (EG) nr. 104/2000 gefinancierde uitgaven beschermd door de relevante bepalingen van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (3), Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (4), Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (5) en Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (6).

(5)

Met name gezien het feit dat de lidstaten de financiële middelen ter dekking van de in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 104/2000 bedoelde uitgaven eerst zelf beschikbaar stellen voordat de Commissie hun uitgaven vergoedt op halfjaarlijkse basis, dient met het oog op een goed beheer van de geldstromen te worden bepaald dat de lidstaten de gegevens betreffende deze uitgaven verzamelen en tezamen met de uitgavendeclaratie aan de Commissie doen toekomen.

(6)

De Commissie vergoedt de lidstaten tweemaal per jaar op basis van deze uitgavendeclaraties en de bijbehorende stavingsdocumenten.

(7)

Met het oog op een efficiënt gebruik van deze gegevens door de Commissie, dienen zij elektronisch te worden toegezonden.

(8)

Om te vermijden dat voor aan producentenorganisaties in andere valuta dan de euro betaalde steun enerzijds en in de uitgavendeclaratie anderzijds verschillende wisselkoersen worden toegepast, dienen de lidstaten in hun uitgavendeclaraties dezelfde wisselkoers toe te passen als bij de betaling aan de begunstigden. De geldende wisselkoersen moeten worden vastgesteld overeenkomstig de ontstaansfeiten zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 1925/2000 van de Commissie van 11 september 2000 tot vaststelling van de ontstaansfeiten van de wisselkoersen die moeten worden toegepast voor de berekening van bepaalde bedragen die gelden in het kader van de mechanismen van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur (7).

(9)

Teneinde een juridische grondslag te verschaffen voor de betalingen in de eerste referentieperiode, dient deze verordening retroactief te worden toegepast met ingang van 16 oktober 2006,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voorwerp

Bij deze verordening worden de uitvoeringsbepalingen vastgesteld voor Verordening (EG) nr. 104/2000 inzake de financiering van uitgaven van de lidstaten in verband met de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF).

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

„uitgaven”: door de lidstaten verrichte uitgaven zoals bedoeld in artikel 35, lid 1, van Verordening (EG) nr. 104/2000.

Artikel 3

Bevoegde autoriteit

Elke lidstaat wijst zijn bevoegde autoriteit voor de tenuitvoerlegging van deze verordening aan en stelt de Commissie daarvan in kennis.

Artikel 4

Uitgavendeclaraties

1.   Elke lidstaat stelt een uitgavendeclaratie op overeenkomstig het model in de bijlage. De uitgavendeclaratie bestaat uit een volgens de begrotingsnomenclatuur van de Europese Gemeenschappen en een meer gedetailleerde nomenclatuur per soort uitgaven uitgesplitste staat. Deze bevat de volgende gegevens:

a)

de uitgaven over de voorgaande referentieperiode van zes maanden,

b)

de totale uitgaven vanaf het begin van het begrotingsjaar tot het einde van de voorgaande referentieperiode van zes maanden.

2.   Elke lidstaat verzamelt alle voor de uitgavendeclaratie relevante gegevens.

3.   De referentieperiodes zijn de periodes van zes maanden van 16 oktober tot en met 15 april en van 16 april tot en met 15 oktober.

4.   De uitgavendeclaratie kan correcties op de voor de voorgaande referentieperiode gedeclareerde bedragen bevatten,

5.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten zenden hun uitgavendeclaratie tezamen met de in lid 2 bedoelde gegevens uiterlijk op respectievelijk 10 mei en 10 november elektronisch aan de Commissie toe.

Artikel 5

Halfjaarlijkse betalingen

1.   De Commissie stelt de voor de financiering van de uitgaven benodigde kredieten in de vorm van halfjaarlijkse terugbetalingen (hierna „halfjaarlijkse betalingen” genoemd) ter beschikking van de lidstaten.

De bedragen van de halfjaarlijkse betalingen worden vastgesteld op basis van de door de lidstaten overeenkomstig artikel 4 ingediende uitgavendeclaratie.

2.   Halfjaarlijkse betalingen worden aan elke lidstaat overgemaakt binnen 60 dagen nadat de Commissie de volledige uitgavendeclaratie van de lidstaat heeft ontvangen. De declaratie wordt als volledig beschouwd indien de Commissie binnen 30 dagen na ontvangst ervan niet om nadere gegevens heeft verzocht.

3.   In afwachting van de uitbetaling van de halfjaarlijkse betalingen door de Commissie stellen de lidstaten de voor de uitgaven benodigde middelen beschikbaar.

Artikel 6

Toe te passen wisselkoersen

De lidstaten hanteren voor hun uitgavendeclaratie de recentste wisselkoers die de Europese Centrale Bank (ECB) heeft vastgesteld vóór de corresponderende ontstaansfeiten zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 1925/2000.

Artikel 7

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 16 oktober 2006.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 december 2006.

Voor de Commissie

Joe BORG

Lid van de Commissie


(1)  PB L 17 van 21.1.2000, blz. 22. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1759/2006 (PB L 335 van 1.12.2006, blz. 3).

(2)  PB L 209 van 11.8.2005, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 320/2006 (PB L 58 van 28.2.2006, blz. 42).

(3)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(4)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.

(5)  PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2.

(6)  PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1.

(7)  PB L 230 van 12.9.2000, blz. 7.


BIJLAGE

UITGAVENDECLARATIE

Volgens de nomenclatuur van de begroting van de Europese Gemeenschappen en per soort uitgaven uitgesplitste gegevens

Inhoud van de aan de Commissie langs elektronische weg te verzenden uitgavendeclaratie

Inleidend deel van de declaratie

Het inleidende deel van de declaratie omvat de volgende elementen:

een identificatiecode die aangeeft wat de aard van de boodschap is en welke lidstaat de gegevens toezendt (Opmerking: de code wordt met name gebruikt om te garanderen dat de gebruiker die de declaratie indient, daartoe wel degelijk door de betrokken lidstaat is gemachtigd.) Deze identificatiecode wordt u door de Commissie meegedeeld;

de uitgavenperiode waarop de declaratie betrekking heeft;

de taal van de declaratie.

Hoofddeel van de declaratie

Het hoofddeel van de declaratie omvat voor elke subpost van de ELGF-nomenclatuur:

de identificatiecode van de subpost (bv. 110201002610033);

de omschrijving van de subpost in de taal die is aangegeven in het inleidende deel van de declaratie;

het voor de betrokken periode (N) gedeclareerde bedrag en het sinds het begin van het begrotingsjaar gedeclareerde cumulatieve bedrag; alle bedragen moeten in euro's worden gedeclareerd.

Afsluitend deel

Na de lijst van alle subposten volgt het onderstaande:

het voor de betrokken periode (N) gedeclareerde totaalbedrag en het sinds het begin van het begrotingsjaar gedeclareerde cumulatieve totaalbedrag;

ruimte voor opmerkingen.

Syntaxis van de boodschap

Image

Beschrijving van de velden

Naam

Formaat

Beschrijving

Inleidend deel van de declaratie: de gegevens komen 1 maal voor

[IDENTIFICATION] *

 

Door DG FISH meegedeelde identificatiecode

[PERIOD] *

Datum (YYYYMM)

Uitgavenperiode

[LANGUAGE] *

2 karakters

ISO-code van de taal

Hoofddeel van de declaratie: de gegevens komen 1 à n maal voor

[SUBITEM] *

Cijfer (15)

Subpost

[DESCRIPTION] *

Vrije tekst (600)

Omschrijving van de subpost

[AMOUNT ] *

Cijfer (15,2)

Gedeclareerd bedrag

[AMOUNT CUMUL] *

Cijfer (15,2)

Cumulatief bedrag

Afsluitend deel: de gegevens komen 1 maal voor

[AMOUNT TOT ] *

Cijfer (15,2)

Gedeclareerd totaalbedrag

[AMOUNT CUMUL TOT] *

Cijfer (15,2)

Cumulatief totaalbedrag

[COMMENT]

Vrije tekst (80)

Opmerkingen

De velden met een * moeten worden ingevuld.

Voorbeeld

Image


28.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 379/54


VERORDENING (EG) Nr. 2004/2006 VAN DE COMMISSIE

van 22 december 2006

tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2273/93 houdende aanwijzing van de interventiecentra voor granen, en tot aanpassing van genoemde verordening in verband met de toetreding van Bulgarije en Roemenië

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op het Verdrag betreffende de toetreding van Bulgarije en Roemenië, en met name op artikel 4, lid 3,

Gelet op de Akte van toetreding van Bulgarije en Roemenië, en met name op artikel 56,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 6, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Sommige lidstaten hebben een aanvraag ingediend tot wijziging van bepaalde interventiecentra die zijn opgenomen in de bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2273/93 van de Commissie (2), omdat de ligging van de nieuwe centra beter is of om beter aan de gestelde voorwaarden te voldoen. Het is passend dat aan die aanvraag gevolg wordt gegeven.

(2)

In verband met de toetreding van Bulgarije en Roemenië moeten voor die nieuwe lidstaten interventiecentra worden aangewezen en moeten deze aan de bij Verordening (EEG) nr. 2273/93 vastgestelde lijst worden toegevoegd.

(3)

Verordening (EEG) nr. 2273/93 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2273/93 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2007. De punten 1, 2 en 6 van de bijlage zijn evenwel, onder voorbehoud van de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de toetreding van Bulgarije en Roemenië van toepassing met ingang van de datum van die inwerkingtreding.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 december 2006.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1154/2005 van de Commissie (PB L 187 van 19.7.2005, blz. 11).

(2)  PB L 207 van 18.8.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1805/2004 (PB L 318 van 19.10.2004, blz. 9).


BIJLAGE

De bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2273/93 wordt als volgt gewijzigd:

1)

De titel, de toelichtingen vóór de tabel en de opschriften van de kolommen worden vervangen door:

1.

Знакът + означава, че определеното място се счита за интервенционен център за въпросния вид зърно.

2.

Знакът – означава, че определеното място не трябва да се счита за интервенционен център за въпросния вид зърно.

1.

El signo + significa que el lugar indicado se considera centro de intervención para el cereal en cuestión.

2.

El signo – significa que el lugar indicado no ha de considerarse centro de intervención para el cereal en cuestión.

1.

Označení + znamená, že uvedené místo je považováno za intervenční centrum pro příslušnou obilovinu.

2.

Označení – znamená, že uvedené místo není považováno za intervenční centrum pro příslušnou obilovinu.

1.

Tegnet + angiver, at det anførte sted betragtes som interventionscenter for den pågældende kornsort.

2.

Tegnet – angiver, at det anførte sted ikke betragtes som interventionscenter for den pågældende kornsort.

1.

Das Zeichen + bedeutet, dass der angegebene Ort als Interventionsort für die betreffende Getreideart gilt.

2.

Das Zeichen – bedeutet, dass der angegebene Ort nicht als Interventionsort für die betreffende Getreideart gilt.

1.

Märge + näitab, et tähistatud piirkonda käsitletakse nimetatud teravilja sekkumiskeskusena.

2.

Märge – näitab, et tähistatud piirkonda ei käsitleta nimetatud teravilja sekkumiskeskusena.

1.

Το σημείο + καθορίζει ότι ο αναγραφόμενος τόπος θεωρείται ως κέντρο παρεμβάσεως για τα εν λόγω σιτηρά.

2.

Το σημείο – καθορίζει ότι ο αναγραφόμενος τόπος δεν θεωρείται ως κέντρο παρεμβάσεως για τα εν λόγω σιτηρά.

1.

The sign + indicates that the location shown is treated as an intervention centre for the cereal in question.

2.

The sign – indicates that the location shown is not to be treated as an intervention centre for the cereal in question.

1.

Le signe + précise que le lieu indiqué est considéré comme centre d'intervention pour la céréale en cause.

2.

Le signe – précise que le lieu indiqué n'est pas à considérer comme centre d'intervention pour la céréale en cause.

1.

Il segno + significa che il luogo indicato è considerato centro d'intervento per il cereale in causa.

2.

Il segno – significa che il luogo indicato non è da considerarsi centro di intervento per il cereale in causa.

1.

Zīme + norāda uz to, ka šī vieta uzskatāma par intervences centru minētajiem graudaugiem.

2.

Zīme – norāda uz to, ka šī vieta nav uzskatāma par intervences centru minētajiem graudaugiem.

1.

Ženklas + nurodo, kad tam tikri produktai yra sandėliuojami intervencinėje agentūroje.

2.

Ženklas – nurodo, kad tam tikri produktai nėra sandėliuojami intervencinėje agentūroje.

1.

A + jel azt jelzi, hogy a feltüntetett hely a kérdéses gabonaféle szempontjából intervenciós központnak minősül.

2.

A – jel azt jelzi, hogy a feltüntetett hely a kérdéses gabonaféle szempontjából nem minősül intervenciós központnak.

1.

Het teken + geeft aan, dat deze plaats interventiecentrum is voor de betrokken graansoort.

2.

Het teken – geeft aan, dat deze plaats geen interventiecentrum is voor de betrokken graansoort.

1.

Znak + oznacza, że wskazane miejsce traktuje się jako centrum interwencji w odniesieniu do danego zboża.

2.

Znak – oznacza, że wskazanego miejsca nie należy traktować jako centrum interwencji w odniesieniu do danego zboża.

1.

O sinal + significa que a localidade indicada é considerada centro de intervenção para o cereal em questão.

2.

O sinal – significa que a localidade indicada não é considerada centro de intervenção para o cereal em questão.

1.

Semnul „+” indică faptul că locul menționat este considerat ca si centru de intervenție pentru cereala în cauză.

2.

Semnul „–” indică faptul că locul menționat nu este considerat ca si centru de intervenție pentru cereala în cauză.

1.

Znamienko + označuje, že uvedené miesto sa považuje za intervenčné centrum pre daný druh obilniny.

2.

Znamienko – označuje, že uvedené miesto sa nepovažuje za intervenčné centrum pre daný druh obilniny.

1.

Znak + pomeni, da se prikazana lokacija šteje za intervencijski center za zadevno žito.

2.

Znak – pomeni, da se prikazana lokacija ne šteje za intervencijski center za zadevno žito.

1.

Merkki + ilmaisee, että mainittu paikka on kyseisen viljan interventiokeskus.

2.

Merkki – ilmaisee, että mainittu paikka ei ole kyseisen viljan interventiokeskus.

1.

Tecknet + indikerar att platsen används för intervention av det aktuella spannmålsslaget.

2.

Tecknet – indikerar att platsen inte används för intervention av det aktuella spannmålsslaget

1

2

4

5

6

7

Интервенционен

Centros de intervención

Intervenční centrum

Interventionscentre

Interventionsort

Sekkumiskeskus

Κέντρα παρεμβάσεως

Intervention centres

Centres d'intervention

Centri di intervento

Intervences centri

Intervencinis centras

Intervenciós központok

Interventiecentrum

Centrum interwencji

Centros de intervencão

Centre de intervenție

Intervenčné centrum

Intervencijski center

Interventiokeskus

Interventionsort

Обикновена пшеница

Trigo blando

Pšenice setá

Blød hvede

Weichweizen

Harilik nisu

Σίτος μαλακός

Common wheat

Froment tendre

Frumento tenero

Mīkstie kvieši

Paprastieji kviečiai

Búza

Zachte tarwe

Pszenica zwyczajna

Trigo mole

grâu comun

Pšenica obyčajná

Navadna pšenica

Tavallinen vehnä

Vete

Ечемик

Cebada

Ječmen

Byg

Gerste

Oder

Κριθή

Barley

Orge

Orzo

Mieži

Miežiai

Árpa

Gerst

Jęczmień

Cevada

orz

Jačmeň

Ječmen

Ohra

Korn

Твърда пшеница

Trigo duro

Pšenice tvrdá

Hård hvede

Hartweizen

Kōva nisu

Σίτος σκληρός

Durum wheat

Froment dur

Frumento duro

Cietie kvieši

Kietieji kviečiai

Durumbúza

Durum tarwe

Pszenica durum

Trigo duro

Grâu dur

Psenica tvrdá

Trda pšenica

Durumvehnä

Durumvete

Царевица

Maíz

Kukuřice

Majs

Mais

Mais

Αραβόσιτος

Maize

Maïs

Granturco

Kukurūza

Kukurūzai

Kukorica

Maïs

Kukurydza

Milho porumb

Kukurica

Koruza

Maissi

Majs

Сорго

Sorgo

Čirok

Sorghum

Sorghum

Sorgo

Σόργο

Sorghum

Sorgho

Sorgo

Sorgo

Sorgas

Cirok

Sorgho

Sorgo

Sorgo

sorg

Cirok

Sirek

Durra

Sorgum”;

2)

vóór het deel „BELGIË” wordt het volgende deel ingevoegd:

1

2

4

5

6

7

„БЪЛГАРИЯ

Бургаска област

Айтос

+

Бургас

+

+

+

Карнобат

+

+

Варненска област

Варна

+

+

+

Вълчи дол

+

+

+

Провадия

+

+

+

Великотърновска и Габровска област

Велико Търново

+

+

+

Павликени

+

Свищов

+

+

+

Видинска област

Дунавци

+

+

+

Врачанска област

Бяла Слатина

+

+

+

Враца

+

+

+

Мизия

+

+

+

Добричка област

Балчик

+

+

+

+

Белгун

+

Генерал Тошево

+

+

+

Добрич

+

+

 

+

Каварна

+

Карапелит

+

Шабла

+

+

+

Ловешка област

Ловеч

+

+

Монтана област

Лом

+

+

+

Монтана

+

+

Пернишка област, София-град и София област

Перник

+

Плевенска област

Гулянци

+

Левски

+

+

+

Плевен

+

+

+

Пловдивска и Смолянска област

Пловдив

+

+

Разградска област

Исперих

+

+

+

Кубрат

+

Разград

+

+

+

Русенска област

Бяла

+

+

+

Русе

+

+

+

Силистренска област

Алфатар

+

Дулово

+

+

+

Силистра

+

+

+

Тутракан

+

+

+

Сливенска област

Нова Загора

+

+

Сливен

+

+

+

Старозагорска област

Гълъбово

+

Стара Загора

+

+

+

Чирпан

+

Търговищка област

Попово

+

+

+

Търговище

+

+

+

Хасковска и Кърджалийска област

Хасково

+

+

Шуменска област

Каспичан

+

+

+

Хитрино

+

Ямболска област

Елхово

+

+

+

Стралджа

+

Ямбол

+

+

+

–”;

3)

het deel „BELGIË” wordt als volgt gewijzigd:

a)

het centrum „Ath” wordt geschrapt;

b)

het centrum „Seneffe” wordt na het centrum Luik toegevoegd voor zachte tarwe en gerst.

4)

het deel „BUNDESREPUBLIK DEUTSCHLAND” wordt als volgt gewijzigd:

a)

voor het land „Brandenburg” wordt de naam van het centrum „Gusow” vervangen door „Gusow-Platkow”;

b)

voor het land „Sachsen-Anhalt” wordt de naam van het centrum „Vahldorf” vervangen door „Niedere Börde”.

5)

het deel „FRANCE” wordt als volgt gewijzigd:

a)

de tekst voor het departement „Creuse-23” wordt als volgt gewijzigd:

i)

het centrum „Reterre” wordt geschrapt;

ii)

de regel voor het centrum „Maison-Feyne”wordt vervangen door:

„Maison-Feyne

+

+

–”;

b)

de tekst voor het departement „Haute-Loire-43” wordt als volgt gewijzigd:

i)

de regel voor het centrum „Brioude” wordt vervangen door:

„Brioude

+

–”;

ii)

het centrum „Le Puy” wordt geschrapt.

c)

voor het departement „Puy-de-Dôme-63” wordt de regel voor het centrum „Issoire” vervangen door:

„Issoire

+

–”;

d)

de tekst voor het departement „Somme-80” wordt vervangen door:

„Somme — 80

Abbeville

+

+

Beauquesne

+

+

Languevoisin

+

+

+

Moislains

+

+

+

Montdidier

+

+

+

Poix-de-Picardie

+

+

Saleux

+

+

–”;

6)

na het deel „NEDERLAND” wordt het volgende deel ingevoegd:

1

2

4

5

6

7

„ROMÂNIA

Alba

Blaj

+

+

Sebeș

+

+

Alba iulia

+

Arad

Arad

+

+

+

+

Pecica

+

+

+

Chișinău-criș

+

+

+

Pâncota

+

+

+

Argeș

Miroși

+

+

+

Bascov

+

+

+

Topoloveni

+

+

Bacău

Sascut

+

+

Bihor

Oradea

+

+

+

Salonta

+

+

+

Marghita

+

+

+

Săcuieni

+

+

+

Bistrita năsăud

Lechinta

+

Botoșani

săveni

+

+

Brăila

Făurei

+

+

Însurătei

+

+

Brăila

+

+

Movila miresei

+

+

Brașov

Codlea

+

Buzău

Pogoanele

+

+

Buzău

+

+

Râmnicu sărat

+

+

Mihăilești

+

+

Caraș-severin

Grădinari

+

Călărași

Călărași

+

+

+

fundulea

+

+

+

Lehliu

+

+

+

Vlad țepeș

+

+

+

Cluj

Gherla

+

Constanța

Medgidia

+

+

+

Cobadin

+

+

+

N. Bălcescu

+

+

+

Negru vodă

+

+

+

Casimcea

+

+

+

Covasna

Covasna

+

Tg. Secuiesc

+

Ozun

+

Dâmbovița

Titu

+

+

Găiești

+

+

Răcari

+

+

Tărgoviște

+

+

Dolj

Băilești

+

+

+

Leu

+

+

+

Dobrești

+

+

+

Moțăței

+

+

+

Filiași

+

+

+

Portărești

+

+

+

Galați

Tecuci

+

Independența

+

+

Galați

+

+

Berești

+

Matca

+

+

Giurgiu

Giurgiu

+

+

+

Mihăilești

+

+

+

Băneasa

+

+

+

Izvoarele

+

+

+

Gorj

Tg. cărbunești

+

Harghita

Sânsimion

+

Hunedoara

Hațeg

+

Ialomița

Tăndărei

+

+

Fetești

+

+

+

Slobozia

+

+

Urziceni

+

+

Fierbinți

+

+

Iași

Iași

+

+

Ilfov

Balotești

+

+

+

Dragomirești Vale

+

+

+

Maramureș

Ulmeni

+

Mehedinți

Prunișor

+

+

+

Vânju mare

+

+

+

Mureș

Luduș

+

+

Tg. Mureș

+

+

Neamț

Roman

+

Olt

Drăgănești olt

+

+

+

Caracal

+

+

+

Piatra olt

+

+

+

Slatina

+

+

+

Corabia

+

+

+

Prahova

Ploiești

+

Satu Mare

Carei

+

+

+

Satu Mare

+

+

+

Tășnad

+

+

+

Sanislau

+

+

+

Sălaj

Jibou

+

Sibiu

Agnita

+

Suceava

Fălticeni

+

Teleorman

Videle

+

+

+

Drăgănești Vlașca

+

+

+

Alexandria

+

+

+

Roșiorii de Vede

+

+

+

Dobrotești

+

+

+

Turnu Măgurele

+

+

+

Timiș

Timișoara

+

+

+

Lugoj

+

+

+

Deta

+

+

+

Sânicolau Mare

+

+

+

Topolovătu Mare

+

+

+

Orțișoara

+

+

+

Tulcea

Tulcea

+

+

Babadag

+

+

Cataloi

+

+

Baia

+

+

Vaslui

Bârlad

+

Vaslui

+

Huși

+

Vâlcea

Drăgășani

+

Vrancea

Focșani

+

Gugești

+

Pădureni

+

–”;

7)

in het deel „ÖSTERREICH” wordt de regel voor het centrum „Ennsdorf” vervangen door:

„Ennsdorf

+

+

+

–”;

8)

het deel „ČESKÁ REPUBLIKA” wordt als volgt gewijzigd:

a)

de tekst voor het gebied „Středočeský kraj” wordt als volgt gewijzigd:

i)

de centra „Lysa n. L.” en „Beroun” worden geschrapt;

ii)

de volgende tekst wordt toegevoegd:

„Mesice

+

Zdice

+

–”;

b)

de tekst voor het gebied „Karlovarský kraj” wordt vervangen door:

„Karlovarský kraj

Nebanice

+

–”;

c)

de tekst voor het gebied „Jihomoravský kraj” wordt als volgt gewijzigd:

i)

de regel voor het centrum „Hodonice” wordt vervangen door:

„Hodonice

+

–”;

ii)

de volgende tekst wordt toegevoegd:

„Hosteradicee

+

–”;

d)

voor het gebied „Moravskoslezský kraj” wordt het centrum „Mesto Albrechtice” toegevoegd voor zachte tarwe;

9)

het deel „LIETUVA” wordt als volgt gewijzigd:

a)

de regel voor het centrum „Alytus” wordt vervangen door:

„Alytus

+

+

–”;

b)

de regel voor het centrum „Marijampole” wordt vervangen door:

„Marijampole

+

+

–”;

c)

de volgende tekst wordt ingevoegd:

„Pakruojis

+

+

–”;

10)

het deel „MAGYARORSZÁG” wordt als volgt gewijzigd:

a)

de regel voor het centrum „Kaposvar” wordt vervangen door:

„Kaposvar

+

+

+

+”;

b)

de regel voor het centrum „Encs” wordt vervangen door:

„Encs

+

+

+

–”;

11)

in het deel „SLOVENSKO” wordt voor het gebied „Košický kraj” de volgende tekst toegevoegd:

„Dobra

+

–”.


28.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 379/65


VERORDENING (EG) Nr. 2005/2006 VAN DE COMMISSIE

van 22 december 2006

tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van synthetische stapelvezels van polyesters (PSV) afkomstig uit Maleisië en Taiwan

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) (hierna „de basisverordening” genoemd), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2117/2005 (2), met name op artikel 7,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

1.   Inleiding van een procedure

(1)

Op 12 april 2006 heeft de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie  (3) aangekondigd („bericht van inleiding”) dat zij een antidumpingprocedure zou inleiden ten aanzien van de invoer in de EG van synthetische stapelvezels van polyesters (polyester stapelvezels of PSV) afkomstig uit Maleisië en Taiwan.

(2)

De antidumpingprocedure werd ingeleid naar aanleiding van een klacht die op 3 maart 2006 werd ingediend door het „Comité International de la Rayonne et des Fibres Synthétiques” (CIRFS, hierna „de klager” genoemd) namens producenten die goed zijn voor een groot deel, namelijk meer dan 50 %, van de productie van PSV in de EU. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal betreffende de dumping van dit product en de daaruit voortvloeiende aanmerkelijke schade werd voldoende geacht om een antidumpingprocedure in te leiden.

2.   Geldende maatregelen

(3)

In maart 2005 heeft de Raad bij Verordening (EG) nr. 428/2005 (4) definitieve antidumpingrechten op stapelvezels van polyester uit de Volksrepubliek China en Saoedi-Arabië ingesteld, en de bestaande antidumpingrechten op PSV uit de Republiek Korea gewijzigd. Verder zijn er definitieve antidumpingmaatregelen van kracht ten aanzien van de invoer van PSV uit Belarus (5).

3.   Partijen bij de procedure

(4)

De Commissie bracht de volgende partijen officieel van de inleiding van de procedure op de hoogte: de producenten/exporteurs in Maleisië en Taiwan, de importeurs/handelaren en hun organisaties, de leveranciers en de verwerkende bedrijven, de vertegenwoordigers van de exporterende landen, de indiener van de klacht en alle bekende producenten van de Gemeenschap. De belanghebbenden konden binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn hun standpunt schriftelijk uiteenzetten en verzoeken te worden gehoord. De partijen die verzochten te worden gehoord, zagen hun verzoek ingewilligd.

(5)

Gezien het kennelijk grote aantal Taiwanese exporteurs/producenten dat in de klacht werd vermeld, en het grote aantal producenten en importeurs van PSV in de Gemeenschap, werd in het bericht van inleiding aangegeven dat bij de vaststelling van de dumping en schade gebruik kon worden gemaakt van een steekproef, overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening.

(6)

Om te kunnen besluiten of het nodig was om van een steekproef gebruik te maken, en zo ja, deze samen te stellen, verzocht de Commissie alle Taiwanese producenten/exporteurs, EU-producenten en EU-importeurs zich bij de Commissie bekend te maken en de in het bericht van inleiding vermelde basisgegevens te verstrekken over hun activiteiten in verband met PSV in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 (het onderzoektijdvak).

(7)

Negen ondernemingen in Taiwan gaven antwoord op de vragenlijst ten behoeve van de steekproef. Acht van de negen gaven aan dat zij aan de Gemeenschap verkocht hadden gedurende het onderzoektijdvak. Vier ondernemingen, die meer dan 80 % van de gemelde gedurende het onderzoektijdvak naar de Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheden vertegenwoordigden, werden in de steekproef opgenomen. De steekproef werd samengesteld uitgaande van het grootste representatieve uitvoervolume dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijze kon worden onderzocht. Overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening werd overleg gepleegd met de Taiwanese autoriteiten die tegen deze keuze geen bezwaar hebben gemaakt. De steekproef bestaat uit de volgende ondernemingen:

Far Eastern Textile Ltd.

Nan Ya Plastics Corporation

Tung Ho Spinning Weaving & Dyeing Co., Ltd.

Tuntex Distinct Corporation en de verbonden onderneming Tuntex Synthetic Corporation

(8)

Wat importeurs die in de Europese Gemeenschap invoeren betreft, hebben slechts drie niet verbonden importeurs zich gemeld en de verlangde inlichtingen tijdig verstrekt. Het was dus niet nodig een steekproef te nemen. Er zijn vragenlijsten aan deze drie niet verbonden importeurs toegezonden, maar twee daarvan moesten in het vervolg als niet meewerkend worden beschouwd, aangezien zij de vragenlijst niet volledig hadden ingevuld.

(9)

Slechts drie van de producenten van de bedrijfstak van de Gemeenschap hebben zich gemeld, hebben de verlangde informatie tijdig verstrekt, en waren bereid de vragenlijst in te vullen. Het was dus niet nodig een steekproef te nemen.

(10)

De Commissie zond vragenlijsten aan alle betrokken partijen alsmede aan alle andere ondernemingen die zich binnen de in het bericht van inleiding gestelde termijnen hadden bekendgemaakt. Antwoorden werden ontvangen van twee Maleisische producenten/exporteurs, van vier in de steekproef opgenomen Taiwanese producenten/exporteurs, van een aan een Taiwanese producent/exporteur verbonden onderneming, en van drie producenten in de Gemeenschap, een niet verbonden importeur, een leverancier van grondstoffen en zeven gebruikers.

(11)

De Commissie verzamelde en verifieerde alle gegevens die zij voor de voorlopige vaststelling van de dumping, de daaruit voortvloeiende schade en het belang van de Gemeenschap noodzakelijk achtte. Bij de volgende bedrijven werd ter plaatse een controle verricht:

a)

Communautaire producenten:

Advansa GmbH, Hamm, Duitsland

Wellman International Ltd., Kells, Ierland

La Seda de Barcelona, Barcelona, Spanje

b)

Niet verbonden importeur:

SIMP SPA, Verrone, Italië

c)

Verwerkende bedrijven:

Tharreau Industries, Chemillé, Frankrijk

Libeltex, Meulebeke, België

d)

Producenten/exporteurs in Maleisië:

Hualon Corporation (M) Sdn. Bhd., Kuala Lumpur

Penfibre Sdn. Bhd., Penang

e)

Producenten/exporteurs in Taiwan:

Far Eastern Textile Ltd., Taipei

Nan Ya Plastics Corporation, Taipei

Tung Ho Spinning Weaving & Dyeing Co., Ltd., Taipei

Tuntex Distinct Corporation, Hsichih, Taipei County, en de verbonden onderneming Tuntex Synthetic Corporation, Hsichih, Taipei County

4.   Onderzoektijdvak

(12)

Het onderzoek naar de dumping en schade had betrekking op de periode van 1 januari 2005 tot 31 december 2005 (het onderzoektijdvak). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die leidden tot de schade had betrekking op de periode van 1 januari 2002 tot het einde van het onderzoektijdvak (hierna „de beoordelingsperiode” genoemd).

B.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

5.   Betrokken product

(13)

De betrokken producten zijn synthetische stapelvezels van polyester, niet gekaard, niet gekamd, noch op andere wijze bewerkt met het oog op het spinnen, die momenteel onder GN-code 5503 20 00 worden ingedeeld. Deze producten worden in het algemeen polyester stapelvezels (PSV) genoemd.

(14)

Dit product wordt als basismateriaal in diverse stadia van het fabricageproces van textielproducten gebruikt. Polyester stapelvezels worden in de Gemeenschap gebruikt in spinnerijen, voor het vervaardigen van filamenten voor de productie van textiel, al dan niet gemengd met andere vezels, bijvoorbeeld vezels van katoen of wol, of voor nonwoven toepassingen, bijvoorbeeld voor het vullen of watteren van textielproducten zoals kussens, autostoelen en anoraks.

(15)

Het betrokken product wordt verkocht in verschillende soorten, die kunnen worden onderverdeeld al naar gelang van gewicht, reksterkte, glans, siliconenbehandeling of door indeling in verschillende productfamilies zoals ronde, holle of bicomponente vezels en speciale producten zoals gekleurde en drielobbige vezels. Uit het oogpunt van de productie kan een onderscheid worden gemaakt tussen onbehandeld PSV, vervaardigd van onbewerkte grondstoffen, en geregenereerd PSV, dat van gerecycleerd polyester wordt vervaardigd. Ten slotte wordt een onderscheid gemaakt tussen producten van eerste en tweede keuze.

(16)

Bij het onderzoek is gebleken dat alle soorten van het betrokken product dat in overweging 12 is omschreven, ondanks de in de voorgaande overweging beschreven verschillen, dezelfde fysische en chemische basiskenmerken hebben en voor dezelfde doeleinden worden gebruikt. Derhalve worden alle typen van het betrokken product in het kader van deze antidumpingprocedure als één enkel product beschouwd.

6.   Soortgelijk product

(17)

Het betrokken product, de in de Gemeenschap door de bedrijfstak van de Gemeenschap geproduceerde en verkochte PSV, en de op de binnenlandse markt van beide exporterende landen geproduceerde en verkochte PSV bleken dezelfde fysische en chemische basiskenmerken te hebben en voor dezelfde doeleinden te worden gebruikt. Deze producten worden daarom voorlopig beschouwd als soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

C.   DUMPING

7.   Algemene werkwijze

(18)

Hieronder wordt de algemene methode beschreven. In de volgende uiteenzetting van de bevindingen inzake dumping voor de betrokken landen wordt derhalve alleen nog beschreven wat specifiek is voor elk exportland.

7.1.   Normale waarde

(19)

Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening, werd eerst voor elke meewerkende producent/exporteur onderzocht of zijn binnenlandse verkoop van PSV representatief was, dat wil zeggen of de totale binnenlandse verkoop ten minste 5 % uitmaakte van de totale uitvoer van de producent naar de Gemeenschap.

(20)

De Commissie stelde vervolgens vast welke typen PSV die op de binnenlandse markt waren verkocht, identiek of rechtstreeks vergelijkbaar waren met de typen die naar de Gemeenschap waren uitgevoerd. Wat het onderzoek per soort betreft, en zoals aangegeven in overweging 17, heeft de Commissie op de binnenlandse markt verkochte en uitgevoerde soorten als rechtstreeks vergelijkbaar beschouwd indien zij dezelfde herkomst, denier, samenstelling, dwarsdoorsnede, glans, kleur, kwaliteit en toepassingsmogelijkheden hadden en dezelfde siliconenbehandeling hadden ondergaan.

(21)

Voor elk door de producenten/exporteurs op de binnenlandse markt verkocht producttype dat rechtstreeks vergelijkbaar was met het type PSV dat naar de Gemeenschap was uitgevoerd, werd onderzocht of de binnenlandse verkoop voldoende representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop van een bepaald type PSV werd voldoende representatief geacht indien de totale binnenlandse verkoop van dat type in het onderzoektijdvak 5 % of meer bedroeg van de totale verkoop van het vergelijkbare type PSV dat naar de Gemeenschap werd uitgevoerd.

(22)

De Commissie onderzocht vervolgens of de binnenlandse verkoop van elk type PSV dat in representatieve hoeveelheden op de binnenlandse markt werd verkocht, overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening in het kader van normale handelstransacties had plaatsgevonden. Daartoe werd het aandeel van de winstgevende verkooptransacties van het betrokken type aan onafhankelijke afnemers vastgesteld.

(23)

Indien van een type PSV 80 % of meer was verkocht tegen nettoprijzen die gelijk waren aan of hoger dan de berekende productiekosten van die soort en de gewogen gemiddelde prijs van die soort gelijk was aan of hoger dan de productiekosten werd de normale waarde gebaseerd op de binnenlandse prijs, dat wil zeggen de gewogen gemiddelde prijs van de gehele, al dan niet winstgevende binnenlandse verkoop, van die soort in het onderzoektijdvak.

(24)

Wanneer de winstgevende verkoop van een type PSV 80 % of minder bedroeg van de totale verkoop van die soort of de gewogen gemiddelde prijs van die soort lager was dan de productiekosten, werd de normale waarde gelijkgesteld met de gewogen gemiddelde prijs van uitsluitend de winstgevende verkoop van die soort, mits deze verkoop 10 % of meer bedroeg van de totale verkoop van die soort.

(25)

Indien de winstgevende verkoop van een productsoort minder bedroeg dan 10 % van de totale verkoop van die soort, werd geoordeeld dat die soort in onvoldoende hoeveelheden werd verkocht om een binnenlandse prijs op te leveren die een geschikte basis kon bieden voor de vaststelling van de normale waarde.

(26)

Wanneer de binnenlandse prijzen van een bepaald door een producent/exporteur verkocht producttype niet konden worden gebruikt om de normale waarde vast te stellen, moest een andere methode worden toegepast. In dergelijke gevallen werd overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening de normale waarde berekend (geconstrueerd) aan de hand van de productiekosten van iedere producent/exporteur, vermeerderd met een redelijk bedrag voor VAA-kosten en een redelijke winstmarge.

(27)

De Commissie heeft onderzocht of de VAA-kosten en winst bij verkoop door de betrokken producenten/exporteurs op de binnenlandse markt betrouwbare gegevens waren.

(28)

De binnenlandse VAA-kosten werden betrouwbaar geacht indien de binnenlandse verkoop van de betrokken onderneming als representatief kon worden beschouwd in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De winst op de binnenlandse markt werd vastgesteld aan de hand van de binnenlandse verkoop in het kader van normale handelstransacties.

(29)

Wanneer niet aan deze voorwaarden was voldaan, werd onderzocht of de gegevens van andere producenten/exporteurs in het betrokken land konden worden gebruikt overeenkomstig artikel 2, lid 6, onder a), van de basisverordening. Wanneer slechts voor één producent/exporteur betrouwbare gegevens beschikbaar waren, kon geen gemiddelde overeenkomstig artikel 2, lid 6, onder a), van de basisverordening worden vastgesteld en werd onderzocht of voldaan was aan de voorwaarde van artikel 2, lid 6, onder b), met andere woorden of gebruik kon worden gemaakt van gegevens over productie en verkoop van dezelfde algemene categorie producten van de betrokken producent/exporteur. Indien dergelijke gegevens betreffende VAA-kosten en winsten niet beschikbaar waren of niet werden verstrekt door de producent/exporteur, werden de VAA-kosten en winst vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 6, onder c) van de basisverordening, d.w.z. op basis van een andere redelijke methode.

7.2.   Uitvoerprijs

(30)

Aangezien de gehele uitvoer naar onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap ging, werd de uitvoerprijs vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening, namelijk aan de hand van de daadwerkelijk betaalde of te betalen uitvoerprijzen.

7.3.   Vergelijking

(31)

De normale waarde en de uitvoerprijzen werden vergeleken af fabriek. Om een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs te kunnen maken, werden overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties toegepast voor verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. Passende correcties werden toegekend in alle gevallen waar dergelijke correcties nodig bleken en berekend konden worden op basis van geverifieerd bewijsmateriaal.

7.4.   Dumpingmarges

(32)

Overeenkomstig artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening werden de dumpingmarges voor de iedere producent/exporteur vastgesteld door vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde per producttype met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs per producttype, vastgesteld zoals hierboven uiteengezet.

(33)

Het is een vaste praktijk van de Commissie om verbonden producenten/exporteurs of producenten die tot hetzelfde concern behoren als één enkele entiteit te beschouwen en daarom voor deze exporteurs één enkele dumpingmarge vast te stellen. De berekening van individuele dumpingmarges kan immers ontduiking van de antidumpingmaatregelen aanmoedigen, zodat zij hun effect verliezen, aangezien verbonden producenten/exporteurs hun uitvoer naar de Gemeenschap kunnen kanaliseren via het bedrijf waarvoor de laagste individuele dumpingmarge is vastgesteld.

(34)

Overeenkomstig deze praktijk werden de verbonden producenten/exporteurs die tot dezelfde concerns behoren beschouwd als één enkele entiteit en werd voor hen één enkele dumpingmarge vastgesteld op basis van het gewogen gemiddelde van de dumpingmarges van de medewerkende producenten in de respectieve concerns.

(35)

De dumpingmarge voor medewerkende producenten/exporteurs die zich overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening hebben aangemeld, maar niet zijn opgenomen in de steekproef, werd overeenkomstig artikel 9, lid 6, van de basisverordening vastgesteld op basis van het gewogen gemiddelde van de dumpingmarges van de in de steekproef opgenomen ondernemingen.

(36)

Voor de niet meewerkende producenten/exporteurs werd de dumpingmarge vastgesteld op basis van de beschikbare gegevens, overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening. Daartoe werd eerst het niveau van niet-medewerking vastgesteld, door de omvang van de door de meewerkende producenten/exporteurs gemelde uitvoer naar de Gemeenschap te vergelijken met de overeenkomstige invoerstatistieken van Eurostat betreffende het onderzoektijdvak.

(37)

Aangezien het niveau van medewerking in beide exporterende landen laag was — de uitvoer van de meewerkende producenten/exporteurs bedroeg in beide landen minder dan 80 % van de invoer vanuit het betreffende land — werd de residuele dumpingmarge vastgesteld op basis van het gemiddelde van de hoogst geprijsde transacties met dumping, in representatieve hoeveelheden, van de meewerkende producenten/exporteurs. Deze werkwijze werd gevolgd om te voorkomen dat het niet verlenen van medewerking zou worden beloond, en omdat er geen aanwijzingen waren dat niet-meewerkende ondernemingen op een lager niveau hadden gedumpt.

7.5.   Maleisië

(38)

Twee producenten/exporteurs zonden antwoorden op de vragenlijst in.

7.5.1.   Normale waarde

(39)

Eén van de meewerkende producenten/exporteurs verkocht geen voldoende representatieve hoeveelheden van het soortgelijke product op de binnenlandse markt.

(40)

De normale waarde werd derhalve berekend zoals beschreven in overweging 26.

(41)

Uit het onderzoek bleek dat de productiekosten van de onderneming te laag aangegeven waren, aangezien de feitelijk gemaakte overheadkosten (afschrijving, huur, lonen en onderhoud) gedurende het onderzoektijdvak opgevoerd waren als VAA-kosten. De onderneming voerde aan dat dit gedaan was vanwege de lage bezettingsgraad van haar productiefaciliteiten. De productieoverhead dient echter onder feitelijk gemaakte kosten geboekt te worden. Het feit dat de onderneming op slechts een fractie van de productiecapaciteit werkte, betekent niet dat de kosten van de productie-installaties buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Deze kosten kwamen ook voor in de boekhouding van de onderneming, en aangezien zij direct verband hielden met de productie van het soortgelijke product, moest er een correctie worden toegepast op de aangegeven fabricagekosten.

(42)

Bij gebrek aan binnenlandse verkoop van het soortgelijke product of gegevens betreffende deze algemene categorie producten gedurende het onderzoektijdvak werden de VAA-kosten vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 6, onder c), van de basisverordening. De VAA-kosten werden met name gebaseerd op de totale verkoop van alle producten op de binnenlandse markt. Deze uitgaven werden opgeteld bij de gemiddelde productiekosten van elke type geëxporteerd product van de betreffende onderneming gedurende het onderzoektijdvak.

(43)

Wat de winsten betreft, werd bij gebrek aan een andere redelijke basis een winstmarge van 5 % gehanteerd. Er waren geen aanwijzingen dat deze winstmarge hoger was dan die van andere exporteurs of producenten bij verkoop van dezelfde algemene categorie van producten op de binnenlandse markt (van Maleisië), zoals in artikel 2, lid 6, onder c), van de basisverordening wordt geëist.

(44)

Een tweede meewerkende producent/exporteur verkocht wel representatieve hoeveelheden van het soortgelijke product op de binnenlandse markt. De verkoop in het kader van normale handelstransacties was echter van onvoldoende omvang om de normale waarde op de feitelijke binnenlandse prijzen te kunnen baseren. Derhalve moest de normale waarde worden geconstrueerd. Overeenkomstig artikel 2, lid 6, van de basisverordening werden de VAA-kosten gebaseerd op feitelijke gegevens van de onderneming betreffende de productie en verkoop van het soortgelijke product. Wat de winst betreft, werd net als voor de andere producent/exporteur een marge van 5 % gehanteerd.

7.5.2.   Uitvoerprijs

(45)

Beide producenten/exporteurs verkochten rechtstreeks aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap. Daarom werden de uitvoerprijzen vastgesteld aan de hand van de in de EG werkelijk betaalde of te betalen prijzen, overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening.

7.5.3.   Vergelijking

(46)

Teneinde een eerlijke vergelijking mogelijk te maken, werden, voor zover nodig en gerechtvaardigd, correcties toegepast voor verschillen in de kosten van vervoer, verzekering, laden, lossen, op- en overslag en aanverwante kosten, de kosten van kredietverlening en commissies.

7.5.4.   Dumpingmarges

(47)

De voorlopige dumpingmarges, uitgedrukt als een percentage van de CIF-invoerprijs franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, zijn als volgt:

Hualon Corporation (M) Sdn. Bhd., Kuala Lumpur 12,4 %

Penfibre Sdn. Bhd., Penang 14,7 %

Alle andere ondernemingen 23,0 %

7.6.   Taiwan

(48)

Antwoorden op de vragenlijst werden ontvangen van de vier in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs en van een verbonden onderneming in het exporterende land.

(49)

Eén Taiwanese producent antwoordde op het steekproefformulier en verzocht om vaststelling van een individueel recht. Deze onderneming exporteerde echter geen PSV naar de Gemeenschap gedurende het onderzoektijdvak en kon dus niet als een producent/exporteur worden beschouwd. Er kon dus ook geen individuele dumpingmarge worden vastgesteld voor deze onderneming, die onderworpen zal worden aan het voorlopige residuele recht dat voor alle andere Taiwanese producenten is vastgesteld. De onderneming werd hiervan op de hoogte gesteld en heeft niet gereageerd.

7.6.1.   Niet-medewerking

(50)

Bij het onderzoek bleek dat twee in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs de Commissie onjuiste en misleidende inlichtingen hadden verstrekt.

(51)

Eén producent/exporteur meldde binnenlands verkochte hoeveelheden en verkoopprijzen die niet overeenkwamen met de feitelijke hoeveelheden die aan binnenlandse afnemers van het soortgelijke product waren geleverd en de feitelijke prijzen die aan deze afnemers waren berekend. Het bleek dat bij veel transacties de gemelde hoeveelheden groter waren, en de prijzen lager, dan in feite het geval was geweest volgens de bestellingen van de binnenlandse afnemers, zoals die afgeleid konden worden uit het register van de verzendafdeling van de onderneming. De conclusie moest zijn dat de feitelijk verkochte hoeveelheden overeenkwamen met de bestellingen van de binnenlandse afnemers, zoals aangegeven in het verkoopregister, en niet met de hoeveelheden die waren gemeld en in de aan de Commissie voorgelegde facturen waren aangegeven.

(52)

Bovendien bleek, wat de gemelde verkoopprijzen betrof, dat de onderneming fictieve transacties had toegevoegd om de schijn te wekken dat het totaalbedrag voor een bepaalde bestelling, op basis van alle betreffende facturen, hoger was geweest dan in feite het geval was. Deze toegevoegde transacties waren duidelijk fictief, aangezien zij niet voorkwamen in het verkoopregister van de onderneming.

(53)

Er zij op gewezen dat voor de gemelde binnenlandse transacties, waarvoor onjuiste hoeveelheden en fictieve transacties werden opgegeven, de onderneming afleveringsbonnen en facturen heeft verstrekt waarvan zij beweerde dat dit authentieke ondersteunende documenten waren. Aangezien de verstrekte gegevens gefingeerd bleken te zijn, is de conclusie onvermijdelijk dat ook de ondersteunende documenten vervalst waren om ze in overeenstemming te brengen met die gegevens.

(54)

Door aldus de gegevens betreffende de binnenlandse prijzen en verkochte hoeveelheden te manipuleren, heeft de onderneming onjuiste en misleidende informatie verstrekt aan de Commissie.

(55)

Ook de andere producent/exporteur bleek onjuiste en misleidende informatie over de binnenlandse verkoop te hebben verstrekt. Meer in het bijzonder meldde de onderneming binnenlandse transacties betreffende bepaalde typen producten die niet overeenkwamen met de bestelling van de afnemer zoals geregistreerd door de verkoopafdeling van de onderneming. Dit betrof de meest geëxporteerde typen PSV, kennelijk met de bedoeling de Commissie ertoe te bewegen deze binnenlandse prijzen te hanteren, hoewel de verkoop van die typen in feite niet representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening, gezien de geringe hoeveelheden.

(56)

Bovendien verstrekte de onderneming, om een bij een bepaalde transactie vastgestelde discrepantie te verklaren en om te laten zien dat het geleverde type product inderdaad het aan de Commissie gemelde type was, een vervalst document, namelijk een kopie van een ondertekende afleveringsbon die volgens de onderneming door de klant per fax was verstuurd, op verzoek van de onderneming. Dit document kwam echter niet overeen met het origineel dat de onderneming eerder had overgelegd. Het type product was niet hetzelfde, wat erop wijst dat dit zogenaamde bewijsmateriaal gemanipuleerd was met het doel de Commissie te misleiden.

(57)

Bovendien bleek bij het onderzoek dat het de normale praktijk is bij ondernemingen in Taiwan om de door de klant ondertekende afleveringsbonnen te bewaren als bewijs dat de bestelde hoeveelheden inderdaad geleverd zijn. Dit werd bevestigd door de producent/exporteur in kwestie en ook door de andere bezochte producenten/exporteurs. Maar hoewel de Commissie uitdrukkelijk om deze afleveringsbonnen voor het onderzoektijdvak verzocht, werden deze documenten niet overgelegd tijdens het controlebezoek. De onderneming weigerde dus niet alleen de noodzakelijke documenten over te leggen, maar belemmerde ook het onderzoek aanmerkelijk.

(58)

Gezien het feit dat beide ondernemingen vervalste afleveringsbonnen en facturen betreffende binnenlandse transacties konden overleggen, en aangezien deze documenten kennelijk deel uitmaken van een geïntegreerd systeem, moet worden geconcludeerd dat alle documenten die met een dergelijk systeem verband houden, gemanipuleerd kunnen worden en dus niet als betrouwbaar kunnen worden beschouwd. Bovendien zijn aard en omvang van de onjuiste en misleidende informatie zodanig dat de betrouwbaarheid van alle door deze ondernemingen verstrekte gegevens betwijfeld moet worden. Daarom is besloten de door deze ondernemingen verstrekte informatie volledig buiten beschouwing te laten, overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening.

(59)

De ondernemingen werden onverwijld in kennis gesteld van de redenen waarom Commissie voornemens was de verstrekte inlichtingen buiten beschouwing te laten, en kregen gelegenheid om nadere toelichting te verstrekken, overeenkomstig artikel 18, lid 4, van de basisverordening. De verklaringen van de ondernemingen waren echter onbevredigend en konden de bewijzen dat zij onjuiste en misleidende inlichtingen hadden verstrekt niet weerleggen.

(60)

De dumpingmarges werden dan ook voorlopig vastgesteld op basis van de beschikbare gegevens, overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening.

7.6.2.   Normale waarde

(61)

Voor twee meewerkende producenten was de binnenlandse verkoop van het soortgelijke product representatief.

(62)

Eén producent/exporteur verkocht op de binnenlandse markt zowel aan verbonden als aan niet verbonden afnemers. De aan de verbonden afnemer verkochte producten werden doorverkocht aan onafhankelijke afnemers. Aangezien deze twee verbonden ondernemingen bepaalde productie- en verkoopactiviteiten gezamenlijk verrichten, werd het zinvol geacht om ze als één enkele economische entiteit te beschouwen. Derhalve werd waar mogelijk de normale waarde vastgesteld op basis van de door de eerste onafhankelijke afnemer in het kader van normale handelstransacties betaalde of te betalen prijs.

(63)

Voor de meeste door deze meewerkende producenten verkochte typen producten was de binnenlandse verkoop in het kader van normale handelstransacties onvoldoende, en moest de normale waarde worden geconstrueerd overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening. In dit geval werden de VAA-kosten en de winst gebaseerd op de gegevens over de productie en verkoop van het product in het kader van normale handelstransacties door de onderzochte producenten/exporteurs overeenkomstig artikel 2, lid 6, eerste alinea, van de basisverordening.

7.6.3.   Uitvoerprijs

(64)

Voor de twee meewerkende producenten/exporteurs werden de uitvoerprijzen vastgesteld op basis van de door onafhankelijke afnemers in de EG werkelijk betaalde of te betalen prijzen, overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening.

7.6.4.   Vergelijking

(65)

Teneinde een eerlijke vergelijking mogelijk te maken, werden, voor zover nodig en gerechtvaardigd, correcties toegepast voor verschillen in de kosten van vervoer, verzekering, laden, lossen, op- en overslag en aanverwante kosten, de kosten van kredietverlening en technische bijstand en commissies.

7.6.5.   Dumpingmarges

(66)

Voor meewerkende, maar niet in de steekproef opgenomen ondernemingen werd de dumpingmarge bepaald op basis van een gewogen gemiddelde van de dumpingmarges die berekend waren voor de in de steekproef opgenomen ondernemingen, die meer dan 12,0 % van de Taiwanese uitvoer naar de Gemeenschap vertegenwoordigden. Daarbij werden de voor de niet meewerkende producenten/exporteurs vastgestelde dumpingmarges, die gebaseerd waren op de beschikbare gegevens, overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening, niet meegerekend voor het bepalen van het gemiddelde, zoals bepaald in artikel 9, lid 6, van de basisverordening.

(67)

De voorlopige dumpingmarges, uitgedrukt als percentage van de CIF-invoerprijs franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, zijn als volgt:

Far Eastern Textile Ltd., Taipei 29,5 %

Nan Ya Plastics Corporation, Taipei 29,5 %

Tung Ho Spinning Weaving & Dyeing Co., Ltd., Taipei 14,7 %

Tuntex Distinct Corporation, Hsichih, Taipei County 18,2 %

Tuntex Synthetic Corporation, Hsichih, Taipei County 18,2 %

Medewerkende, maar niet in de steekproef opgenomen ondernemingen 16,5 %

Alle andere ondernemingen 29,5 %

D.   SCHADE

1.   Productie in de Gemeenschap

(68)

Gedurende het onderzoektijdvak produceerden 18 ondernemingen in de Gemeenschap PSV:

acht klagende EG-producenten, waarvan drie volledige medewerking hebben verleend aan de Commissie gedurende het onderzoek,

zes producenten die de klacht volledig ondersteunden maar niet meewerkten aan de procedure,

en vier producenten die geen commentaar hadden op de klacht en niet meewerkten aan de procedure.

(69)

De productie van PSV door alle bovengenoemde ondernemingen werd geacht de totale productie van de EG te zijn in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening.

2.   Bedrijfstak van de Gemeenschap

(70)

Zoals uiteengezet in overweging 9 hebben drie van de producenten van de bedrijfstak van de Gemeenschap zich gemeld, de in het bericht van inleiding verlangde informatie tijdig verstrekt, en zich bereid verklaard de vragenlijst in te vullen. Deze drie producenten in de Gemeenschap, die de klacht ondersteunden en volledig meewerkten met het onderzoek, hebben dan ook vragenlijsten ontvangen. Deze producenten vertegenwoordigen meer dan 25 % van de productie van het betrokken product in de Gemeenschap, en worden derhalve geacht „de bedrijfstak van de Gemeenschap” te vormen in de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening.

3.   Verbruik in de Gemeenschap

(71)

Het verbruik in de EG werd vastgesteld door de omvang van de invoer van het betrokken product uit de betrokken landen, gebaseerd op verstrekte gegevens en aangevuld door gegevens van Eurostat, en uit alle andere landen waarvan bekend is dat zij het betrokken product produceren en naar de Gemeenschap exporteren (op basis van gegevens van Eurostat) te nemen en daaraan de omvang van de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap en van andere EG-producenten op de EG-markt toe te voegen. Wat de laatstgenoemde producenten betreft, werden de in de antwoorden op minivragenlijsten (zie overweging 143) verstrekte gegevens gebruikt, en voor producenten in de Gemeenschap die in het geheel niet meewerkten, werden de in de klacht aangegeven gegevens gebruikt.

(72)

Uit deze gegevens bleek dat het verbruik in de Gemeenschap licht toegenomen is in de loop van de beoordelingsperiode, namelijk met 3 % tussen 2002 en het onderzoektijdvak. Het daalde eerst met 5 % tussen 2002 en 2003 en steeg vervolgens met meer dan 8 % tot 834 093 ton gedurende het onderzoektijdvak.

Tabel 1

Verbruik in de EU (volume)

 

2002

2003

2004

Onderzoektijdvak (2005)

Verbruik (ton)

810 226

771 298

825 969

834 093

Index

100

95

102

103

4.   Cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de betrokken invoer

(73)

Eerst is onderzocht of de invoer uit Taiwan en Maleisië cumulatief moest worden beoordeeld overeenkomstig artikel 3, lid 4, van de basisverordening.

(74)

Geconstateerd werd dat:

de voor beide betrokken landen vastgestelde dumpingmarges boven de in artikel 9, lid 3, van de basisverordening aangegeven drempel lagen;

het volume van de invoer vanuit elk van deze landen niet te verwaarlozen was in de zin van artikel 5, lid 7, van de basisverordening, aangezien het marktaandeel voor deze landen tussen de 2 % en de 13 % lag gedurende het onderzoektijdvak;

een cumulatieve beoordeling passend was, gezien de concurrentie tussen het betrokken product uit deze beide landen onderling en tussen deze producten en het soortgelijke EG-product. Daartoe werkt het marktgedrag van de exporteurs geanalyseerd in termen van de trends van uitvoerprijzen en -volumes. Het bleek dat het niveau van onderbieding vergelijkbaar was, namelijk tussen 43 % en 50 %, en dat de verkoopprijzen van beide landen dezelfde trends volgden als het soortgelijke product dat door de bedrijfstak van de Gemeenschap wordt geproduceerd en verkocht. Verder bleek dat de exporteurs van de betrokken landen vergelijkbare verkoopkanalen gebruikten als de bedrijfstak van de Gemeenschap, namelijk rechtstreeks aan onafhankelijke afnemers. Bovendien bleek uit het onderzoek dat de betrokken invoer en het soortgelijke product dezelfde fysische en chemische kenmerken vertonen, en dus met elkaar concurreren per type product;

zoals uit de tabel hieronder blijkt, het volume van de invoer vanuit zowel Taiwan als Maleisië een aanzienlijke toename vertoonde, met name tussen 2004 en het einde van het onderzoektijdvak.

(75)

Om deze redenen luidt de voorlopige conclusie dat aan alle criteria van artikel 3, lid 4, van de basisverordening is voldaan en dat de gevolgen van de invoer uit Taiwan en Maleisië derhalve cumulatief moeten worden beoordeeld.

5.   Invoer uit de betrokken landen

5.1.   Ingevoerde hoeveelheden en marktaandeel

(76)

Het importvolume vanuit de betrokken landen verdubbelde tussen 2002 en het onderzoektijdvak. Deze invoer bedroeg 62 574 ton in 2002 en bereikte een niveau van 127 890 ton in het onderzoektijdvak. De invoer nam eerst met 5 % af tussen 2002 en 2003 en steeg daarna met in totaal 115 % tot het einde van het onderzoektijdvak. Deze toename was vooral opvallend tussen 2004 en het onderzoektijdvak: 76 %.

Tabel 2

Invoer uit de betrokken landen

Invoer (ton)

2002

2003

2004

Onderzoektijdvak

Taiwan

58 679

54 869

66 915

111 390

Index

100

94

114

190

Maleisië

3 894

4 494

5 825

16 500

Index

100

115

150

424

Totaal betrokken landen

62 574

59 363

72 740

127 890

Index

100

95

116

204

(77)

Het marktaandeel van de betrokken landen verdubbelde bijna tussen 2002 en het onderzoektijdvak: van 8 % tot 15 %, m.a.w. een toename met 7 procentpunten. Deze toename was bijzonder sterk tussen 2004 en het onderzoektijdvak: 73,8 %.

Tabel 3

Marktaandeel van de betrokken landen

Marktaandeel

2002

2003

2004

Onderzoektijdvak

Taiwan

7,2 %

7,1 %

8,1 %

13,4 %

Maleisië

0,5 %

0,6 %

0,7 %

2,0 %

Totaal betrokken landen

7,7 %

7,7 %

8,8 %

15,3 %

5.2.   Prijzen

(78)

Tussen 2002 en het onderzoektijdvak namen de prijzen van de invoer uit de betrokken landen toe met 9 %. De prijzen daalden eerst met 7 % tussen 2002 en 2003 en stegen vervolgens met 16 % tussen 2003 en het onderzoektijdvak, toen de prijs een niveau van 1 156 EUR per ton bereikte.

(79)

Deze stijging dient te worden gezien tegen de achtergrond van de ontwikkeling van de prijs van de grondstoffen, die zoals in de overwegingen nr. 124 tot en met 129 uiteengezet op wereldniveau met meer dan 30 % toenam tussen 2002 en het onderzoektijdvak.

Tabel 4

Prijzen van de betrokken invoer

Prijzen per eenheid (EUR/ton)

2002

2003

2004

Onderzoektijdvak