ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 368

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

49e jaargang
23 december 2006


Inhoud

 

I   Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

Bladzijde

 

*

Verordening (EG) nr. 1969/2006 van de Raad van 19 december 2006 tot vaststelling, voor het visseizoen 2007, van de oriëntatieprijzen en de communautaire productieprijzen voor bepaalde visserijproducten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 104/2000

1

 

 

Verordening (EG) nr. 1970/2006 van de Commissie van 22 december 2006 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

6

 

 

Verordening (EG) nr. 1971/2006 van de Commissie van 22 december 2006 tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 1 januari 2007

8

 

 

Verordening (EG) nr. 1972/2006 van de Commissie van 22 december 2006 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer voor granen en meel, gries en griesmeel van tarwe of van rogge

11

 

 

Verordening (EG) nr. 1973/2006 van de Commissie van 22 december 2006 tot vaststelling van het op de restitutie voor granen toe te passen correctiebedrag

13

 

*

Verordening (EG) nr. 1974/2006 van de Commissie van 15 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)

15

 

*

Verordening (EG) nr. 1975/2006 van de Commissie van 7 december 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad met betrekking tot de toepassing van controleprocedures en van de randvoorwaarden in het kader van de steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling

74

 

*

Verordening (EG) nr. 1976/2006 van de Commissie van 20 december 2006 tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2204/2002, (EG) nr. 70/2001 en (EG) nr. 68/2001, wat de verlenging van de geldigheidsduur betreft ( 1 )

85

 

*

Verordening (EG) nr. 1977/2006 van de Commissie van 21 december 2006 houdende aanpassing van Verordening (EG) nr. 1201/2006 tot vaststelling van de wegingscoëfficiënten voor de berekening van de gemeenschappelijke marktprijs voor geslachte varkens voor het verkoopseizoen 2006/2007

87

 

*

Verordening (EG) nr. 1978/2006 van de Commissie van 22 december 2006 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 448/2001 wat de verslaglegging over de intrekkingsprocedures en het hergebruik van de ingetrokken bijdragen betreft

89

 

*

Verordening (EG) nr. 1979/2006 van de Commissie van 22 december 2006 betreffende de opening en de wijze van beheer van tariefcontingenten voor uit derde landen ingevoerde conserven van paddenstoelen

91

 

*

Verordening (EG) nr. 1980/2006 van de Commissie van 20 december 2006 tot vaststelling van overgangsmaatregelen tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2076/2002 en de Beschikkingen 2001/245/EG, 2002/928/EG en 2006/797/EG met betrekking tot het voortgezette gebruik van bepaalde werkzame stoffen die niet zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG, wegens de toetreding van Bulgarije ( 1 )

96

 

*

Verordening (EG) nr. 1981/2006 van de Commissie van 22 december 2006 tot vaststelling van nadere bepalingen ter uitvoering van artikel 32 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad wat het communautaire referentielaboratorium voor genetisch gemodificeerde organismen betreft ( 1 )

99

 

*

Richtlijn 2006/142/EG van de Commissie van 22 december 2006 tot wijziging van bijlage III bis bij Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, die de lijst bevat van de ingrediënten die in elk geval op de etikettering van levensmiddelen moeten worden vermeld ( 1 )

110

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Beschikking 2005/217/EG van de Commissie van 19 mei 2004 betreffende de staatssteun van Denemarken aan TV2/Danmark (PB L 85 van 23.3.2006)

112

 

 

 

*

Bericht aan de lezers(zie bladzijde 3 van de omslag)

s3

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

23.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 368/1


VERORDENING (EG) Nr. 1969/2006 VAN DE RAAD

van 19 december 2006

tot vaststelling, voor het visseizoen 2007, van de oriëntatieprijzen en de communautaire productieprijzen voor bepaalde visserijproducten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 104/2000

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad van 17 december 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur (1), en met name op artikel 18, lid 3, en artikel 26, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 18, lid 1, en artikel 26, lid 1, van Verordening (EG) nr. 104/2000 is bepaald dat er elk visseizoen een oriëntatieprijs en een communautaire productieprijs moeten worden vastgesteld om het prijspeil voor de interventies op de markt voor bepaalde visserijproducten vast te stellen.

(2)

In artikel 18, lid 1, van Verordening (EG) nr. 104/2000 is bepaald dat voor alle in de bijlagen I en II bij die verordening vermelde producten of groepen van producten een oriëntatieprijs wordt vastgesteld.

(3)

Op grond van de thans beschikbare gegevens betreffende de prijzen voor de betrokken producten en op grond van de in artikel 18, lid 2, van Verordening (EG) 104/2000 vermelde criteria is het dienstig de oriëntatieprijzen voor het visseizoen 2007 naargelang van de vissoort te verhogen, ongewijzigd te laten of te verlagen.

(4)

In artikel 26, lid 1, van Verordening (EG) nr. 104/2000 is bepaald dat voor elk van de in bijlage III bij die verordening vermelde visserijproducten de communautaire productieprijs wordt vastgesteld. Het is dienstig de communautaire productieprijs voor één van deze producten vast te stellen en deze prijs voor andere producten te berekenen met behulp van de bij Verordening (EG) nr. 802/2006 van de Commissie van 30 mei 2006 tot vaststelling van de aanpassingscoëfficiënten voor vis van de geslachten Thunnus en Euthynnus (2) vastgestelde aanpassingscoëfficiënten.

(5)

Uitgaande van de in artikel 18, lid 2, eerste en tweede streepje, en artikel 26, lid 1, van Verordening (EG) nr. 104/2000 vermelde criteria, moet de communautaire productieprijs voor het visseizoen 2007 worden aangepast.

(6)

Gezien het dringende karakter van deze kwestie is het van belang een uitzondering te maken op de periode van zes weken als bedoeld in punt I, 3 van het Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor het visseizoen van 1 januari tot en met 31 december 2007 zijn de in artikel 18, lid 1, van Verordening (EG) nr. 104/2000 bedoelde oriëntatieprijzen de in bijlage I bij deze verordening vermelde prijzen.

Artikel 2

Voor het visseizoen van 1 januari tot en met 31 december 2007 zijn de in artikel 26, lid 1, van Verordening (EG) nr. 104/2000 bedoelde communautaire productieprijzen de in bijlage II bij deze verordening vermelde prijzen.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 december 2006.

Voor de Raad

De voorzitter

J. KORKEAOJA


(1)  PB L 17 van 21.1.2000, blz. 22. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1759/2006 (PB L 335 van 1.12.2006, blz. 3).

(2)  PB L 144 van 31.5.2006, blz. 15.


BIJLAGE I

Bijlagen

Vissoort Producten van de bijlagen I en II van Verordening (EG) nr. 104/2000

Aanbiedingsvorm

Oriëntatieprijs

(in euro/ton)

I

1.

Haring van de soort Clupea harengus

In gehele staat

273

2.

Sardines van de soort Sardina pilchardus

In gehele staat

563

3.

Doornhaai (Squalus acanthias)

In gehele staat of ontdaan van ingewanden, met kop

1 090

4.

Hondshaai (Scyliorhinus spp.)

In gehele staat of ontdaan van ingewanden, met kop

740

5.

Roodbaars (Sebastes spp.)

In gehele staat

1 142

6.

Kabeljauw van de soort Gadus morhua

In gehele staat of ontdaan van ingewanden, met kop

1 623

7.

Zwarte koolvis (Pollachius virens)

In gehele staat of ontdaan van ingewanden, met kop

769

8.

Schelvis (Melanogrammus aeglefinus)

In gehele staat of ontdaan van ingewanden, met kop

1 028

9.

Wijting (Merlangius merlangus)

In gehele staat of ontdaan van ingewanden, met kop

946

10.

Leng (Molva spp.)

In gehele staat of ontdaan van ingewanden, met kop

1 196

11.

Makreel van de soort Scomber scombrus

In gehele staat

329

12.

Makreel van de soort Scomber japonicus

In gehele staat

298

13.

Ansjovis (Engraulis spp.)

In gehele staat

1 334

14.

Schol (Pleuronectes platessa)

In gehele staat of ontdaan van ingewanden, met kop van 1.1.2007 tot en met 30.4.2007

1 079

In gehele staat of ontdaan van ingewanden, met kop van 1.5.2007 tot en met 31.12.2007

1 499

15.

Heek van de soort Merluccius merluccius

In gehele staat of ontdaan van ingewanden, met kop

3 675

16.

Schartong (Lepidorhombus spp.)

In gehele staat of ontdaan van ingewanden, met kop

2 541

17.

Schar (Limanda limanda)

In gehele staat of ontdaan van ingewanden, met kop

863

18.

Bot (Platichthys flesus)

In gehele staat of ontdaan van ingewanden, met kop

519

19.

Witte tonijn (Thunnus alalunga)

In gehele staat

2 187

Ontdaan van ingewanden, met kop

2 440

20.

Inktvis (Sepia officinalis en Rossia macrosoma)

In gehele staat

1 670

21.

Zeeduivel (Lophius spp.)

In gehele staat of ontdaan van ingewanden, met kop

2 924

Zonder kop

6 047

22.

Garnalen van de soort Crangon crangon

Enkel gekookt in water

2 366

23.

Noorse garnaal (Pandalus Borealis)

Enkel gekookt in water

6 410

Vers of gekoeld

1 606

24.

Noordzeekrab (Cancer pagurus)

In gehele staat

1 766

25.

Noorse kreeft, langoestine (Nephrops norvegicus)

In gehele staat

5 337

Staarten

4 279

26.

Tong (solea spp.)

In gehele staat of ontdaan van ingewanden, met kop

6 813

II

1.

Zwarte heilbot (Reinhardtius hippoglossoides)

Bevroren, in oorspronkelijke verpakking, bevattende homogene producten

1 946

2.

Heek van de soort Merluccius spp.

Bevroren, in gehele staat, in oorspronkelijke verpakking, bevattende homogene producten

1 202

Bevroren, filets, in oorspronkelijke verpakking, bevattende homogene producten

1 462

3.

Zeebrasem (Dentex dentex en Pagellus spp.)

Bevroren, in partijen of in oorspronkelijke verpakking, bevattende homogene producten

1 570

4.

Zwaardvis (Xiphias gladius)

Bevroren, in gehele staat, in oorspronkelijke verpakking, bevattende homogene producten

4 079

5.

Inktvis (Sepia officinalis) (Rossia macrosoma) (Sepiola rondeletti)

Bevroren, in oorspronkelijke verpakking, bevattende homogene producten

1 888

6.

Achtarmige inktvis (Octopus spp.)

Bevroren, in oorspronkelijke verpakking, bevattende homogene producten

2 108

7.

Pijlinktvis van de soort Loligo spp.

Bevroren, in oorspronkelijke verpakking, bevattende homogene producten

1 168

8.

Pijlinktvis van de soort Ommastrephes sagittatus

Bevroren, in oorspronkelijke verpakking, bevattende homogene producten

961

9.

Illex argentinus

Bevroren, in oorspronkelijke verpakking, bevattende homogene producten

896

10.

Garnalen van de familie Penaeidae

Garnalen van de soort Parapenaeus Longirostris

Andere soorten van de familie Penaeidae

Bevroren, in oorspronkelijke verpakking, bevattende homogene producten

4 157

Bevroren, in oorspronkelijke verpakking, bevattende homogene producten

7 979


BIJLAGE II

Vissoort

Producten van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 104/2000

Gewicht

Handelskenmerken

Communautaire productieprijs

(EUR/t)

Geelvintonijn (Thunnus albacares)

met een gewicht van meer dan 10 kg per stuk

In gehele staat

1 225

Ontdaan van ingewanden en kieuwen

 

Overige

 

met een gewicht van niet meer dan 10 kg per stuk

In gehele staat

 

Ontdaan van ingewanden en kieuwen

 

Overige

 

Witte tonijn (Thunnus alalunga)

met een gewicht van meer dan 10 kg per stuk

In gehele staat

 

Ontdaan van ingewanden en kieuwen

 

Overige

 

met een gewicht van niet meer dan 10 kg per stuk

In gehele staat

 

Ontdaan van ingewanden en kieuwen

 

Overige

 

Gestreepte tonijn (Katsuwonus pelamis)

 

In gehele staat

 

 

Ontdaan van ingewanden en kieuwen

 

 

Overige

 

Blauwvintonijn (Thunnus thynnus)

 

In gehele staat

 

 

Ontdaan van ingewanden en kieuwen

 

 

Overige

 

Andere soorten van de geslachten (Thunnus en Euthynnus)

 

In gehele staat

 

 

Ontdaan van ingewanden en kieuwen

 

 

Overige

 


23.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 368/6


VERORDENING (EG) Nr. 1970/2006 VAN DE COMMISSIE

van 22 december 2006

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 23 december 2006.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 december 2006.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 386/2005 (PB L 62 van 9.3.2005, blz. 3).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 22 december 2006 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

052

130,3

204

74,9

999

102,6

0707 00 05

052

141,5

204

61,5

628

155,5

999

119,5

0709 90 70

052

126,6

204

48,9

999

87,8

0805 10 20

052

61,4

204

60,5

220

53,3

388

72,9

999

62,0

0805 20 10

204

62,8

999

62,8

0805 20 30, 0805 20 50, 0805 20 70, 0805 20 90

052

65,4

204

135,9

624

71,6

999

91,0

0805 50 10

052

52,4

528

35,6

999

44,0

0808 10 80

388

120,0

400

83,1

404

93,1

512

57,4

720

91,8

999

89,1

0808 20 50

400

93,9

720

51,1

999

72,5


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 750/2005 van de Commissie (PB L 126 van 19.5.2005, blz. 12). De code „999” staat voor „andere oorsprong”.


23.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 368/8


VERORDENING (EG) Nr. 1971/2006 VAN DE COMMISSIE

van 22 december 2006

tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 1 januari 2007

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1249/96 van de Commissie van 28 juni 1996 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad ten aanzien van de invoerrechten in de sector granen (2), en met name op artikel 2, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1784/2003 is bepaald dat bij de invoer van de in artikel 1 van die verordening bedoelde producten de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief worden geheven. Voor de producten als bedoeld in lid 2 van dat artikel is het invoerrecht echter gelijk aan de interventieprijs voor deze producten bij de invoer, verhoogd met 55 % en verminderd met de cif-invoerprijs van de betrokken zending. Dit invoerrecht mag echter niet hoger zijn dan het recht van het gemeenschappelijk douanetarief.

(2)

In artikel 10, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 is bepaald dat de cif-invoerprijzen worden berekend aan de hand van de representatieve prijzen voor het betrokken product op de wereldmarkt.

(3)

Bij Verordening (EG) nr. 1249/96 zijn bepalingen vastgesteld voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1784/2003 ten aanzien van de invoerrechten in de sector granen.

(4)

De vastgestelde invoerrechten zijn van toepassing totdat een nieuwe vaststelling in werking treedt.

(5)

Voor het normaal functioneren van het stelsel van invoerrechten moeten deze rechten worden berekend aan de hand van de in een referentieperiode geconstateerde representatieve marktkoersen.

(6)

De toepassing van Verordening (EG) nr. 1249/96 leidt ertoe de invoerrechten vast te stellen zoals vermeld in bijlage I bij deze verordening,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde invoerrechten in de sector granen worden vastgesteld in bijlage I bij deze verordening en zijn bepaald aan de hand van de in bijlage II vermelde elementen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 december 2006.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1154/2005 van de Commissie (PB L 187 van 19.7.2005, blz. 11).

(2)  PB L 161 van 29.6.1996, blz. 125. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1110/2003 (PB L 158 van 27.6.2003, blz. 12).


BIJLAGE I

Vanaf 1 januari 2007 geldende invoerrechten voor de in artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde producten

GN-code

Omschrijving

Invoerrecht (1)

(in EUR/ton)

1001 10 00

Harde tarwe van hoge kwaliteit

0,00

van gemiddelde kwaliteit

0,00

van lage kwaliteit

0,00

1001 90 91

Zachte tarwe, zaaigoed

0,00

ex 1001 90 99

Zachte tarwe van hoge kwaliteit, andere dan voor zaaidoeleinden

0,00

1002 00 00

Rogge

0,00

1005 10 90

Maïs, zaaigoed, andere dan hybriden

11,44

1005 90 00

Maïs, andere dan zaaigoed (2)

11,44

1007 00 90

Graansorgho, andere dan hybriden bestemd voor zaaidoeleinden

0,00


(1)  Voor producten die via de Atlantische Oceaan of het Suezkanaal in de Gemeenschap worden aangevoerd (artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1249/96) komt de importeur in aanmerking voor een verlaging van het invoerrecht met:

3 EUR/t, als de loshaven aan de Middellandse Zee ligt, of

2 EUR/t, als de loshaven in Ierland, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Estland, Letland, Litouwen, Polen, Finland, Zweden of aan de Atlantische kust van het Iberisch Schiereiland ligt.

(2)  De importeur komt in aanmerking voor een forfaitaire verlaging van het invoerrecht met 24 EUR/t, als aan de in artikel 2, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1249/96 vastgestelde voorwaarden is voldaan.


BIJLAGE II

Berekeningselementen

(15.12.2006-21.12.2006)

1)

Gemiddelden over de referentieperiode bepaald in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96:

Beursnotering

Minneapolis

Chicago

Minneapolis

Minneapolis

Minneapolis

Minneapolis

Product (eiwitgehalte bij 12 % vocht)

HRS2

YC3

HAD2

Van gemiddelde kwaliteit (1)

Van lage kwaliteit (2)

US barley 2

Notering (EUR/t)

155,30 (3)

111,29

182,08

172,08

152,08

160,47

Golfpremie (EUR/t)

10,71

 

 

Grote-Merenpremie (EUR/t)

16,94

 

 

2)

Gemiddelden over de referentieperiode bepaald in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96:

Vrachttarieven/kosten: Golf van Mexico–Rotterdam: 25,74 EUR/t; Grote Meren–Rotterdam: 31,37 EUR/t.

3)

Subsidies bedoeld in artikel 4, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1249/96:

0,00 EUR/t (HRW2)

0,00 EUR/t (SRW2).


(1)  Een korting van 10 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).

(2)  Een korting van 30 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).

(3)  Premie van 14 EUR/t inbegrepen (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).


23.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 368/11


VERORDENING (EG) Nr. 1972/2006 VAN DE COMMISSIE

van 22 december 2006

tot vaststelling van de restituties bij uitvoer voor granen en meel, gries en griesmeel van tarwe of van rogge

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 13, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Volgens artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1784/2003 kan het verschil tussen de noteringen of de prijzen op de wereldmarkt van de in artikel 1 van die verordening bedoelde producten en de prijzen van deze producten in de Gemeenschap worden overbrugd door een restitutie bij uitvoer.

(2)

De restituties moeten worden vastgesteld met inachtneming van de elementen als bedoeld in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1501/95 van de Commissie van 29 juni 1995 tot vaststelling van enkele toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad voor wat de toekenning, in de graansector, van uitvoerrestituties en van bij verstoring van de graanmarkt te treffen maatregelen betreft (2).

(3)

Voor meel, gries en griesmeel van tarwe of van rogge moet de restitutie worden berekend met inachtneming van de hoeveelheid granen benodigd voor de vervaardiging van de betreffende producten. Deze hoeveelheden zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1501/95.

(4)

De situatie op de wereldmarkt of de specifieke eisen van bepaalde markten voor sommige producten kunnen een differentiatie van de restitutie naar bestemming nodig maken.

(5)

De restitutie moet eenmaal per maand worden vastgesteld. Zij kan tussentijds worden gewijzigd.

(6)

De toepassing van deze regelen op de huidige situatie in de sector granen en met name op de noteringen of prijzen van deze producten in de Gemeenschap en op de wereldmarkt voert tot het vaststellen van de bedragen van de restitutie zoals vermeld in de bijlage.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De restituties bij uitvoer in ongewijzigde staat van de in artikel 1, onder a), b) en c), van Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde producten, met uitzondering van mout, worden op de in de bijlage aangegeven bedragen vastgesteld.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 december 2006.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1154/2005 van de Commissie (PB L 187 van 19.7.2005, blz. 11).

(2)  PB L 147 van 30.6.1995, blz. 7. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 777/2004 (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 50).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 22 december 2006 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer voor granen en meel, gries en griesmeel van tarwe of van rogge

Productcode

Bestemming

Meeteenheid

Bedrag van de restitutie

1001 10 00 9200

EUR/t

1001 10 00 9400

A00

EUR/t

0

1001 90 91 9000

EUR/t

1001 90 99 9000

A00

EUR/t

1002 00 00 9000

A00

EUR/t

0

1003 00 10 9000

EUR/t

1003 00 90 9000

A00

EUR/t

1004 00 00 9200

EUR/t

1004 00 00 9400

A00

EUR/t

0

1005 10 90 9000

EUR/t

1005 90 00 9000

A00

EUR/t

0

1007 00 90 9000

EUR/t

1008 20 00 9000

EUR/t

1101 00 11 9000

EUR/t

1101 00 15 9100

C01

EUR/t

0

1101 00 15 9130

C01

EUR/t

0

1101 00 15 9150

C01

EUR/t

0

1101 00 15 9170

C01

EUR/t

0

1101 00 15 9180

C01

EUR/t

0

1101 00 15 9190

EUR/t

1101 00 90 9000

EUR/t

1102 10 00 9500

A00

EUR/t

0

1102 10 00 9700

A00

EUR/t

0

1102 10 00 9900

EUR/t

1103 11 10 9200

A00

EUR/t

0

1103 11 10 9400

A00

EUR/t

0

1103 11 10 9900

EUR/t

1103 11 90 9200

A00

EUR/t

0

1103 11 90 9800

EUR/t

NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A” zijn vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1), zoals gewijzigd.

C01

:

Alle derde landen met uitzondering van Albanië, Bulgarije, Roemenië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Montenegro, Servië, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Liechtenstein en Zwitserland.


23.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 368/13


VERORDENING (EG) Nr. 1973/2006 VAN DE COMMISSIE

van 22 december 2006

tot vaststelling van het op de restitutie voor granen toe te passen correctiebedrag

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 15, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 14, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 moet bij uitvoer van granen de op de dag van indiening van de aanvraag van een certificaat geldende restitutie op verzoek worden toegepast op uitvoer die tijdens de geldigheidsduur van het certificaat moet plaatsvinden. In dat geval kan op de restitutie een correctiebedrag worden toegepast.

(2)

Op grond van Verordening (EG) nr. 1501/95 van de Commissie van 29 juni 1995 tot vaststelling van enkele toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad voor wat de toekenning, in de graansector, van uitvoerrestituties en van bij verstoring van de graanmarkt te treffen maatregelen betreft (2) kan een correctiebedrag worden vastgesteld voor de in artikel 1, onder a), b) en c), van Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde producten. Dit correctiebedrag moet worden berekend met inachtneming van de in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1501/95 genoemde elementen.

(3)

Op grond van de situatie op de wereldmarkt of de specifieke eisen van bepaalde markten kan het noodzakelijk zijn het correctiebedrag naar gelang van de bestemming te differentiëren.

(4)

Het correctiebedrag moet volgens dezelfde procedure als de restitutie worden vastgesteld. Het kan tussentijds worden gewijzigd.

(5)

Uit de bovengenoemde bepalingen volgt dat het correctiebedrag moet worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het correctiebedrag op de vooraf vastgestelde restituties bij uitvoer van de in artikel 1, onder a), b) en c), van Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde producten, met uitzondering van mout, wordt vastgesteld in de bijlage.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 december 2006.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1154/2005 van de Commissie (PB L 187 van 19.7.2005, blz. 11).

(2)  PB L 147 van 30.6.1995, blz. 7. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 777/2004 (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 50).


BIJLAGE

bij de Verordening van de Commissie van 22 december 2006 tot vaststelling van het op de restitutie voor granen toe te passen correctiebedrag

(in EUR/t)

Productcode

Bestemming

Lopende

1 maand

1e term.

2

2e term.

3

3e term.

4

4e term.

5

5e term.

6

6e term.

7

1001 10 00 9200

1001 10 00 9400

A00

0

0

0

0

0

1001 90 91 9000

1001 90 99 9000

C01

0

0

0

0

0

1002 00 00 9000

A00

0

0

0

0

0

1003 00 10 9000

1003 00 90 9000

C02

0

0

0

0

0

1004 00 00 9200

1004 00 00 9400

C03

0

0

0

0

0

1005 10 90 9000

1005 90 00 9000

A00

0

0

0

0

0

1007 00 90 9000

1008 20 00 9000

1101 00 11 9000

1101 00 15 9100

C01

0

0

0

0

0

1101 00 15 9130

C01

0

0

0

0

0

1101 00 15 9150

C01

0

0

0

0

0

1101 00 15 9170

C01

0

0

0

0

0

1101 00 15 9180

C01

0

0

0

0

0

1101 00 15 9190

1101 00 90 9000

1102 10 00 9500

A00

0

0

0

0

0

1102 10 00 9700

A00

0

0

0

0

0

1102 10 00 9900

1103 11 10 9200

A00

0

0

0

0

0

1103 11 10 9400

A00

0

0

0

0

0

1103 11 10 9900

1103 11 90 9200

A00

0

0

0

0

0

1103 11 90 9800

NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A” zijn vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1), zoals gewijzigd.

De numerieke codes voor de bestemmingen zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2081/2003 (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11).

C01

:

Alle derde landen met uitzondering van Albanië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Montenegro, Servië, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Liechtenstein en Zwitserland.

C02

:

Algerije, Saoedi Arabië, Bahrein, Egypte, de Verenigde Arabische Emiraten, Iran, Irak, Israël, Jordanië, Koeweit, Libanon, Libië, Marokko, Mauritanië, Oman, Qatar, Syrië, Tunesië en Jemen.

C03

:

Alle landen met uitzondering van Noorwegen, Zwitserland en Liechenstein.


23.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 368/15


VERORDENING (EG) Nr. 1974/2006 VAN DE COMMISSIE

van 15 december 2006

tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (1), en met name op artikel 5, lid 6, artikel 19, lid 2, tweede volzin, artikel 32, lid 1, onder b), artikel 66, lid 3, derde alinea, artikel 70, lid 1, en artikel 91,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1698/2005 is één enkel juridisch kader vastgesteld voor de verlening van steun voor plattelandsontwikkeling uit het ELFPO in de hele Gemeenschap. Dat juridische kader moet worden aangevuld met gedetailleerde uitvoeringsbepalingen.

(2)

Ten aanzien van de samenhang met de door andere instrumenten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid gefinancierde maatregelen dienen gedetailleerde bepalingen te worden vastgesteld voor de gevallen waarin bij uitzondering steun voor plattelandsontwikkeling mag worden verleend, en in het bijzonder voor de in artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde uitzonderingen. Wanneer in het kader van plattelandsontwikkeling investeringssteun wordt verleend, moet rekening worden gehouden met eventuele sectorale beperkingen en worden voorkomen dat in de betrokken sectoren overcapaciteit ontstaat.

(3)

Wat de bijwerking van de nationale strategische plannen betreft, zijn voorschriften op het gebied van de inhoud, de procedures en het tijdstip nodig.

(4)

Om het de lidstaten en de Commissie mogelijk te maken het nieuwe programmeringskader snel en doelmatig op te zetten, dient te worden bepaald hoeveel tijd tussen de indiening van een programma voor plattelandsontwikkeling en de goedkeuring ervan door de Commissie mag verstrijken.

(5)

Nadere voorschriften zijn nodig met betrekking tot de indiening van de programma's voor plattelandsontwikkeling en de herziening ervan. Om de opstelling van de programma's voor plattelandsontwikkeling en het onderzoek en de goedkeuring ervan door de Commissie te vergemakkelijken, dienen aan de hand van met name de in artikel 16 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 gestelde eisen gemeenschappelijke voorschriften inzake de opbouw en de inhoud van die programma's te worden vastgesteld. Daarnaast moeten specifieke bepalingen worden vastgesteld voor de in artikel 15, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde nationale kaders.

(6)

Alleen wijzigingen waarbij programma's belangrijke veranderingen ondergaan, waarbij ELFPO-middelen tussen assen binnen een programma worden verschoven of waarbij de percentages voor de medefinanciering door het ELFPO worden veranderd, dienen te worden vastgesteld bij een beschikking van de Commissie. De lidstaten moeten zelf beslissen over andere wijzigingen, die de Commissie dan moeten worden gemeld. Een procedure voor de instemming met aldus gemelde wijzigingen dient te worden vastgesteld.

(7)

Met het oog op een doeltreffend en regelmatig toezicht dienen de lidstaten de Commissie een bijgewerkte elektronische versie van hun programmeringsdocumenten in geconsolideerde vorm ter beschikking te stellen.

(8)

Bij Verordening (EG) nr. 1698/2005 zijn voorwaarden voor de steun aan jonge landbouwers vastgesteld. Bepaald dient te worden op welk tijdstip die voorwaarden moeten zijn vervuld, en ook hoelang de termijn is die de lidstaten sommige begunstigden kunnen toestaan om aan de voorwaarde op het gebied van vakbekwaamheid en deskundigheid te voldoen. Aangezien aan de steun aan jonge landbouwers de voorwaarde is verbonden dat door de jonge landbouwer een bedrijfsplan wordt ingediend, moeten nadere voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot het bedrijfsplan en de inachtneming van dat plan door de jonge landbouwers.

(9)

Wat de voorwaarden voor de steun voor vervroegde uittreding betreft, moeten de specifieke problemen worden opgelost die zich voordoen bij de overdracht van een landbouwbedrijf door verscheidene cedenten en bij de overdracht van een landbouwbedrijf door een landbouwer die pachter is. Niet-commerciële landbouwactiviteiten van de cedent dienen niet in aanmerking te komen voor steun in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

(10)

Gepreciseerd dient te worden over welke bekwaamheden en middelen de voor de verlening van subsidiabele adviesdiensten aan landbouwers geselecteerde autoriteiten of instanties moeten beschikken.

(11)

Wat de steun voor de oprichting van diensten ter ondersteuning van het bedrijfsbeheer, bedrijfsverzorgingsdiensten en bedrijfsadviesdiensten betreft, dient te worden bepaald op welke wijze die steun degressief moet zijn.

(12)

Ten aanzien van investeringen voor de modernisering van landbouwbedrijven die tot doel hebben pas ingevoerde, en in het geval van jonge landbouwers ook bestaande, communautaire normen na te leven, dient te worden bepaald op welke datum aan de betrokken normen moet worden voldaan.

(13)

Wat investeringen ter verbetering van de economische waarde van bossen betreft, dient te worden bepaald om welke bosbeheersplannen het moet gaan en welke typen van investeringen subsidiabel zijn. Die plannen moeten worden opgesteld in overeenstemming met de pan-Europese op operationeel niveau toe te passen richtsnoeren voor duurzaam bosbeheer die zijn vastgesteld in bijlage 2 bij Resolutie L2 (pan-Europese criteria, indicatoren en op operationeel niveau toe te passen richtsnoeren voor duurzaam bosbeheer) van de derde ministeriële conferentie over de bescherming van de bossen in Europa die is gehouden in Lissabon (2, 3 en 4 juni 1998) (2).

(14)

Ten aanzien van investeringen ter verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten die tot doel hebben in micro-ondernemingen pas ingevoerde communautaire normen na te leven, dient te worden bepaald op welke datum aan de betrokken normen moet worden voldaan. Een scheidingslijn moet worden getrokken tussen de op hout betrekking hebbende investeringen waarvoor de bij Verordening (EG) nr. 1698/2005 vastgestelde steuntarieven gelden, en de andere investeringen in de sector hout.

(15)

Wat samenwerking voor de ontwikkeling van nieuwe producten, procédés en technologieën in de landbouw-, de voedings- en de bosbouwsector betreft, dient een indicatie te worden gegeven welke kosten subsidiabel zijn.

(16)

De hoogte van de steun aan landbouwers voor het voldoen aan normen dient door de lidstaat per norm te worden gedifferentieerd naargelang van de omvang van de uit de toepassing van de norm voortvloeiende verplichtingen, terwijl investeringskosten niet voor de steun in aanmerking dienen te komen.

(17)

Ten aanzien van de steun aan landbouwers die deelnemen aan een voedselkwaliteitsregeling, dient te worden gepreciseerd om welke communautaire regelingen het gaat en wat de criteria voor de nationale regelingen zijn, voor welke producten deze steun geldt en welke soorten vaste kosten in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van het steunbedrag.

(18)

Om te zorgen voor complementariteit tussen de in artikel 33 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde maatregelen voor afzetbevordering en de regeling betreffende voorlichtings- en afzetbevorderingsacties die is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 2826/2000 van de Raad van 19 december 2000 betreffende voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt (3), moeten de voorwaarden voor de steun voor afzetbevordering voor kwaliteitsproducten tot in detail worden bepaald, met name wat de begunstigden en de in aanmerking komende activiteiten betreft. Bovendien dienen ter voorkoming van het gevaar voor dubbele financiering de op grond van Verordening (EG) nr. 2826/2000 gesteunde voorlichtings- en afzetbevorderingsacties niet in aanmerking te komen voor steun voor plattelandsontwikkeling.

(19)

Wat de steun aan semi-zelfvoorzieningsbedrijven betreft, dient nader te worden aangegeven wat de inhoud van de bedrijfsplannen moet zijn en welke voorwaarden gelden voor de uitvoering daarvan.

(20)

Wat de steun aan producentengroeperingen in Malta betreft, moeten bijzondere voorschriften worden vastgesteld om rekening te houden met de specifieke kenmerken van de Maltese landbouwsector.

(21)

Wat de steun aan probleemgebieden betreft, blijft overeenkomstig artikel 93 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 de steunregeling die is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en intrekking van een aantal verordeningen (4), van kracht tot en met 31 december 2009, behoudens een besluit dat de Raad vaststelt volgens de procedure van artikel 37 van het Verdrag. Daarom moet artikel 11 van Verordening (EG) nr. 817/2004 van de Commissie van 29 april 2004 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) (5) van toepassing blijven totdat de Raad het bovenbedoelde besluit heeft vastgesteld.

(22)

Een regeling dient te worden getroffen om overlapping te voorkomen tussen de steun aan landbouwers voor het voldoen aan normen enerzijds, en de Natura 2000-betalingen anderzijds.

(23)

Wat de steun op agromilieu- en dierenwelzijnsgebied betreft, moet door de vaststelling van minimumvoorwaarden waaraan de begunstigden in het kader van de verschillende verbintenissen op agromilieu- en dierenwelzijnsgebied dienen te voldoen, worden gezorgd voor een evenwichtige toepassing van de steun gelet op de doelstellingen ervan, zodat wordt bijgedragen tot een duurzame plattelandsontwikkeling. In dit verband is het zeer belangrijk een methode vast te stellen voor de berekening van de extra kosten, de gederfde inkomsten en de waarschijnlijke transactiekosten als gevolg van de aangegane verbintenis. In het geval van verbintenissen die zijn gebaseerd op beperkingen van het gebruik van productiemiddelen, dient slechts steun te worden verleend indien die beperkingen kunnen worden beoordeeld op een wijze die een redelijke zekerheid biedt over de nakoming van de verbintenis.

(24)

Wat de steun voor de instandhouding van genetische hulpbronnen in de landbouw betreft, dient te worden gepreciseerd welke concrete acties subsidiabel zijn, en dienen de mogelijke begunstigden te worden omschreven. Een regeling moet worden getroffen om overlapping met de agromilieumaatregel te voorkomen en om activiteiten die subsidiabel zijn op grond van het kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, van de steun uit te sluiten.

(25)

Aangegeven dient te worden wat wordt verstaan onder niet-productieve investeringen om een duurzaam gebruik van landbouwgrond te bevorderen.

(26)

Om een homogene aanpak bij de bosbouwmaatregelen te garanderen moet een gemeenschappelijke definitie worden gehanteerd van bossen en beboste oppervlakten, naargelang van het geval. De betrokken definities moeten in overeenstemming zijn met die welke in 2005 zijn gebruikt voor de actualisatie van de mondiale bosinventarisatie (Global Forest Resources Assessment Update), welke definities worden gebruikt door de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) en door Eurostat. De bossen en beboste oppervlakten die op grond van artikel 42, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 niet voor steun in aanmerking komen, dienen nader te worden omschreven.

(27)

Er dienen nadere voorwaarden te worden vastgesteld voor de steun voor de eerste bebossing van landbouwgrond, met name gaat met betrekking tot de definitie van de voor een dergelijke bebossing in aanmerking komende grond, van de aanlegkosten, van een landbouwer en van snelgroeiende soorten.

(28)

Wat de steun voor de eerste totstandbrenging van boslandbouwsystemen op landbouwgrond betreft, dienen de lidstaten met inachtneming van bepaalde parameters te bepalen wat de maximale dichtheid is waarin bosbomen mogen worden aangeplant.

(29)

Steun voor het herstel van bosbouwpotentieel en het treffen van preventieve maatregelen in bossen die als zeer of middelmatig brandgevaarlijk zijn aangemerkt, dient slechts te worden verleend indien wordt gehandeld in overeenstemming met de door de lidstaten opgestelde plannen voor de bescherming van die bossen tegen brand. Gezorgd moet worden voor een gemeenschappelijke aanpak wat de definitie van preventieve maatregelen tegen brand in bossen betreft.

(30)

De voorwaarden voor de aanwijzing van de in artikel 50, leden 5 en 6, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde gebieden moeten worden gepreciseerd. Voorkomen dient te worden dat bebossing schadelijk is voor de biodiversiteit of andere milieuschade veroorzaakt.

(31)

Om een gepaste toepassing te garanderen van de in artikel 52, onder a), punt i), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde steun betreffende diversificatie naar niet-agrarische activiteiten, moet een uitvoerige definitie van het in artikel 53 van die verordening bedoelde lid van het landbouwhuishouden worden gegeven.

(32)

De op grond van artikel 59, onder e), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 gesteunde publiek-private partnerschappen dienen aan bepaalde gedetailleerde voorwaarden te voldoen.

(33)

Wat de as Leader betreft, moeten de procedures voor de selectie van de plaatselijke groepen doorzichtig en concurrentiegericht zijn om ervoor te zorgen dat voor de steunverlening relevante plaatselijke ontwikkelingsstrategieën van hoge kwaliteit worden geselecteerd. Voor het inwonertal van het werkgebied van een plaatselijke groep dienen een beneden- en een bovengrens te worden vastgesteld die in de regel gelden, maar afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden kunnen worden aangepast.

(34)

Om een zo ruim mogelijke uitvoering van de plaatselijke ontwikkelingsstrategieën mogelijk te maken moet de steun voor de beheerskosten van de plaatselijke groepen worden beperkt.

(35)

Door plaatselijke groepen uitgevoerde samenwerkingsprojecten moeten aan bepaalde voorwaarden voldoen. Om de selectie van transnationale samenwerkingsprojecten te vergemakkelijken dient een procedure voor de coördinatie tussen de Commissie en de lidstaten te worden ingesteld.

(36)

Wat de technische bijstand betreft, moet worden gezorgd voor medefinancieringsregelingen voor het geval dat een programma voor plattelandsontwikkeling zowel onder de convergentiedoelstelling vallende regio's als andere regio's betreft, en moeten gedetailleerde opties en een uiterste datum voor de oprichting van het nationaal netwerk voor het platteland worden vastgesteld.

(37)

Voor verscheidene maatregelen geldende bepalingen dienen te worden vastgesteld op het gebied van met name de uitvoering van geïntegreerde concrete acties, investeringsmaatregelen, de overdracht van het bedrijf gedurende de looptijd van een verbintenis die is aangegaan als voorwaarde voor de toekenning van steun, de uitbreiding van de oppervlakte van het bedrijf en de bepaling van verschillende categorieën van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden.

(38)

De lidstaten moeten alle nodige stappen ondernemen en adequate voorzieningen treffen om te bewerkstelligen dat alle maatregelen voor plattelandsontwikkeling verifieerbaar en controleerbaar zijn. Zij moeten ervoor zorgen dat hun controleregelingen een redelijke zekerheid bieden dat de subsidiabiliteitscriteria en de andere verbintenissen worden nageleefd. Met name moeten de lidstaten voor de berekeningen van de betalingen in het kader van bepaalde maatregelen door middel van geschikte deskundigheid aantonen dat die berekeningen deugdelijk en nauwkeurig zijn.

(39)

Er dienen gedetailleerde voorschriften te worden vastgesteld betreffende rentesubsidies voor leningen en bepaalde vormen van financiële instrumentering, voor zover van toepassing. Met het oog op een doelmatig en homogeen beheer moeten ook de voorwaarden worden vastgesteld waaronder de beheersautoriteiten normbedragen voor kosten kunnen toepassen en bijdragen in natura kunnen beschouwen als subsidiabele uitgaven. Om beter gerichte investeringsacties te verkrijgen, dient een samenstel van gemeenschappelijke voorschriften voor de bepaling van de subsidiabele uitgaven beschikbaar te worden gesteld. Gemeenschappelijke voorschriften zijn eveneens vereist voor die gevallen waarin de bevoegde autoriteiten van een lidstaat beslissen om voorschotten te betalen aan begunstigden van investeringssteun.

(40)

Om ervoor te zorgen dat de voorschriften en procedures op het gebied van staatssteun worden nageleefd, moeten specifieke bepalingen worden vastgesteld voor bepaalde door het ELFPO medegefinancierde maatregelen en voor aanvullende nationale financiering.

(41)

Met het oog op voorlichting en publiciteit over de activiteiten op het gebied van plattelandsontwikkeling waarvoor steun uit het ELFPO wordt toegekend, dienen de programma's voor plattelandsontwikkeling een communicatieplan te bevatten waarvan de inhoud nader moet worden aangegeven. Om een zo coherent mogelijke aanpak te garanderen dienen de verplichtingen van de beheersautoriteiten en de begunstigden op dit punt te worden omschreven.

(42)

Teneinde de transparantie betreffende het gebruik van de steun uit het ELFPO te verbeteren, dienen de lidstaten de lijst van begunstigden, de namen van de concrete acties en het bedrag van de aan die concrete acties toegewezen overheidssteun jaarlijks elektronisch of anderszins te publiceren. Door deze informatie toegankelijk te maken voor het publiek wordt ernaar gestreefd de transparantie van het optreden van de Gemeenschap op het gebied van plattelandsontwikkeling te verbeteren, het goed financieel beheer van de desbetreffende openbare middelen te verruimen en in het bijzonder de controle van de aangewende openbare middelen te versterken, en ten slotte concurrentievervalsing tussen begunstigden en maatregelen te vermijden. Gezien het doorslaggevend belang van de nagestreefde doelstellingen, is het gerechtvaardigd om, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel en de vereisten inzake de bescherming van persoonsgegevens, zorg te dragen voor de algemene publicatie van de desbetreffende informatie, aangezien dit niet verder reikt dan wat in een democratische samenleving nodig is ter voorkoming van onregelmatigheden.

(43)

Wat het toezicht betreft, moeten nadere bepalingen worden vastgesteld met betrekking tot het in artikel 82 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde jaarverslag over de uitvoering en met betrekking tot de gemeenschappelijke indicatoren die deel uitmaken van het in artikel 80 van die verordening bedoelde gemeenschappelijke toezicht- en evaluatiekader.

(44)

Ten behoeve van een veilige elektronische uitwisseling van gegevens tussen de Commissie en de lidstaten moet een informatiesysteem worden opgezet. Bepalingen dienen te worden vastgesteld met betrekking tot de inhoud en het functioneren van het systeem en het recht op toegang tot dat systeem.

(45)

De nieuwe uitvoeringsbepalingen moeten in de plaats komen van die welke zijn vastgesteld voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1257/1999. Daarom moet Verordening (EG) nr. 817/2004 worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2007.

(46)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor plattelandsontwikkeling,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Toepassingsgebied

Artikel 1

Bij de onderhavige verordening worden uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 vastgesteld wat betreft de beginselen en algemene voorschriften inzake de steun voor plattelandsontwikkeling, specifieke en gemeenschappelijke bepalingen inzake de maatregelen voor plattelandsontwikkeling en subsidiabiliteits- en administratieve bepalingen, met uitzondering van bepalingen inzake controle.

HOOFDSTUK II

Algemene bepalingen

Afdeling 1

Complementariteit, coherentie en conformiteit

Artikel 2

1.   De in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde coherentie wordt gewaarborgd:

a)

tussen enerzijds de steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling en anderzijds de maatregelen die worden uitgevoerd in het kader van de andere steuninstrumenten van de Gemeenschap, waaronder in het bijzonder de op grond van de regelingen voor rechtstreekse en andere steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid uitgevoerde maatregelen en de maatregelen op het gebied van de gezondheid van dieren en planten;

b)

tussen de verschillende steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling onderling.

2.   Wanneer steun op grond van Verordening (EG) nr. 1698/2005 overeenkomstig artikel 5, lid 6, van die verordening bij uitzondering mag worden verleend voor maatregelen die vallen binnen de werkingssfeer van de in bijlage I bij de onderhavige verordening genoemde steunregelingen, zorgen de lidstaten ervoor dat een begunstigde voor een bepaalde concrete actie slechts op grond van één regeling steun kan ontvangen.

Wanneer de lidstaten in hun programma's voor plattelandsontwikkeling maatregelen opnemen die dergelijk uitzonderingen bevatten, beschrijven zij daartoe in die programma's de criteria en administratieve voorschriften die zij voor de betrokken steunregelingen zullen toepassen.

3.   Indien in het kader van een uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) gefinancierde gemeenschappelijke marktordening, inclusief de regelingen inzake rechtstreekse steunverlening, productiebeperkingen of beperkingen op communautaire steunverlening gelden op het niveau van individuele landbouwers, landbouwbedrijven of verwerkende bedrijven, wordt in het kader van Verordening (EG) nr. 1698/2005 geen steun verleend voor investeringen waardoor de productie zou uitkomen boven het op grond van die beperkingen toegestane niveau.

Afdeling 2

Strategie en programmering

Artikel 3

1.   De nationale strategische plannen kunnen in de loop van de programmeringsperiode worden bijgewerkt. Bij dergelijke bijwerkingen gaat het om één van de volgende gevallen of om beide gevallen:

a)

de bijwerking betreft één of meer van de in artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 genoemde elementen en/of één of meer van de in artikel 9 van die verordening bedoelde communautaire strategische richtsnoeren;

b)

de bijwerking omvat in artikel 6, lid 1, van de onderhavige verordening bedoelde veranderingen van één of meer programma's voor plattelandsontwikkeling.

2.   Artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 is van overeenkomstige toepassing op bijwerkingen van nationale strategische plannen.

3.   Om voldoende tijd voor aanpassingen van de programma's voor plattelandsontwikkeling te laten moet de laatste bijwerking van een nationaal strategisch plan uiterlijk op 30 juni 2013 aan de Commissie worden toegezonden.

4.   Na de goedkeuring van de programma's voor plattelandsontwikkeling worden de nationale strategische plannen bevestigd of bijgewerkt, met name in het licht van de uit de ex-ante-evaluatie van die programma's voortgevloeide kwantificering van de doelstellingen en streefwaarden.

Artikel 4

1.   De Commissie keurt de door de lidstaten ingediende programma's voor plattelandsontwikkeling goed binnen een maximumtermijn van zes maanden vanaf de datum van ontvangst van de programma's door de Commissie. Wanneer de programma's voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening worden ingediend, vangt de termijn van zes maanden op die datum aan.

In geval van toepassing van artikel 18, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 gaat de in de eerste alinea van het onderhavige lid bedoelde termijn van zes maanden in op de datum waarop het herziene voorgestelde programma voldoet aan het bepaalde in artikel 18, lid 3, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1698/2005.

2.   In voorkomend geval worden de data voor de bepaling van de in lid 1 van het onderhavige artikel bedoelde termijnen vastgesteld overeenkomstig artikel 63, leden 6 en 8.

Artikel 5

1.   De inhoud van de programma's voor plattelandsontwikkeling zoals bedoeld in artikel 16 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 wordt bepaald overeenkomstig bijlage II bij de onderhavige verordening.

De in artikel 85 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde ex-ante-evaluatie wordt aan elk programma voor plattelandsontwikkeling toegevoegd als bijlage.

2.   De in artikel 15, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde nationale kaders bevatten de gegevens die verscheidene maatregelen gemeen hebben. Voor dergelijke maatregelen mogen de regionale programma's voor plattelandsontwikkeling slechts aanvullende gegevens bevatten, met dien verstande dat de gegevens in het nationale kader en de regionale programma's tezamen moeten voldoen aan de in bijlage II bij de onderhavige verordening gestelde eisen.

3.   De lidstaten stellen de Commissie een elektronische versie van hun programma's voor plattelandsontwikkeling en in voorkomend geval van hun nationale kader ter beschikking, bijgewerkt na elke verandering, met inbegrip van de in bijlage II bij de onderhavige verordening opgenomen standaardtabellen die betrekking hebben op de overeenkomstig artikel 16, onder d), e) en f), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 te verstrekken gegevens. De lidstaten zenden verzoeken tot verandering van een programma, en in voorkomend geval tot verandering van het nationale kader, overeenkomstig artikel 63 van de onderhavige verordening langs elektronische weg aan de Commissie toe.

Afdeling 3

Veranderingen van programma's voor plattelandsontwikkeling

Artikel 6

1.   De veranderingen van de programma's voor plattelandsontwikkeling vallen uiteen in de volgende categorieën:

a)

herzieningen zoals bedoeld in artikel 19, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1698/2005;

b)

herzieningen die voortvloeien uit de toepassing van procedures voor coördinatie ten aanzien van de besteding van de financiële middelen zoals bedoeld in artikel 77, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1698/2005;

c)

andere, niet onder de punten a) en b) van het onderhavige lid vallende veranderingen.

2.   Veranderingen van een programma zoals bedoeld in lid 1, onder a) en b), mogen pas vanaf het tweede jaar van uitvoering van het programma worden voorgesteld.

3.   Voorstellen tot verandering van een programma voor plattelandsontwikkeling worden naar behoren toegelicht, met name aan de hand van de volgende gegevens:

a)

de redenen en de eventuele uitvoeringsproblemen die de verandering rechtvaardigen;

b)

de verwachte effecten van de verandering;

c)

het verband tussen de verandering en het nationaal strategisch plan.

Artikel 7

1.   Ten aanzien van de in artikel 6, lid 1, onder a), van de onderhavige verordening bedoelde herzieningen van een programma wordt in de volgende gevallen, op basis van een door de lidstaat ingediend herzieningsverzoek, een beschikking gegeven overeenkomstig artikel 19, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1698/2005:

a)

de herziening gaat het in artikel 9, lid 2, van de onderhavige verordening bedoelde maximum voor flexibiliteit tussen de assen te boven;

b)

de herziening verandert de in artikel 70 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde communautaire medefinancieringspercentages zoals vastgesteld in het goedgekeurde programma voor plattelandsontwikkeling;

c)

de herziening verandert de totale communautaire bijdrage voor de gehele programmeringsperiode en/of de verdeling daarvan over de jaren zonder daarbij de bijdragen van de voorbije jaren te veranderen;

d)

de herziening brengt veranderingen aan wat de in artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde uitzonderingen betreft.

Die beschikking wordt gegeven binnen zes maanden na de datum van de ontvangst door de Commissie van het verzoek van de lidstaat.

2.   Behalve in geval van noodmaatregelen wegens een natuurramp worden in artikel 6, lid 1, onder a), bedoelde verzoeken tot herziening van een programma niet vaker dan eenmaal per kalenderjaar en per programma ingediend.

De lidstaten zenden hun verzoeken met betrekking tot de in lid 1, onder c), bedoelde herzieningen uiterlijk op 30 september van elk jaar toe.

De lidstaten zenden de Commissie hun laatste verzoeken met betrekking tot de in lid 1 bedoelde herzieningen uiterlijk op 30 juni 2013 toe.

Artikel 8

1.   De lidstaten met een geregionaliseerde programmering kunnen in artikel 6, lid 1, onder b), bedoelde herzieningen van programma's die tot doel hebben bijdragen uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) voor bepaalde jaren over te dragen tussen regionale programma's, indienen op voorwaarde dat:

a)

de totale ELFPO-bijdrage per programma voor de gehele programmeringsperiode niet wordt gewijzigd;

b)

de totale ELFPO-toewijzing aan de betrokken lidstaat niet wordt gewijzigd;

c)

de verdelingen over de jaren voor de programma's niet worden gewijzigd wat de jaren vóór het jaar van de herziening betreft;

d)

de jaarlijkse ELFPO-toewijzing aan de betrokken lidstaat in acht wordt genomen;

e)

in voorkomend geval, de overeenkomstig artikel 11, lid 3, onder f), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 in het nationaal strategisch plan vermelde begrotingsmiddelen voor de verwezenlijking van de convergentiedoelstelling niet worden verlaagd.

2.   De financiële tabellen van de betrokken programma's worden aangepast om de in lid 1 bedoelde overdrachten erin aan te geven.

De herziene financiële tabellen worden de Commissie toegezonden uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar waarin een overdracht plaatsvindt. Het laatste jaar waarin dergelijke herzieningen kunnen worden toegezonden, is 2012.

De Commissie geeft een beschikking tot goedkeuring van de nieuwe financiële tabellen binnen drie maanden na de ontvangst van het verzoek van de lidstaat. De in artikel 90, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde procedure is niet van toepassing.

3.   Verzoeken tot herziening van programma's zoals bedoeld in artikel 6, lid 1, onder b), mogen niet vaker dan eenmaal per kalenderjaar worden ingediend.

Artikel 9

1.   De in artikel 6, lid 1, onder c), bedoelde veranderingen van programma's door de lidstaten kunnen bestaan uit veranderingen van financiële uitsplitsingen over maatregelen binnen assen en uit niet-financiële veranderingen die betrekking hebben op de toevoeging van nieuwe maatregelen aan het programma, de intrekking van bestaande maatregelen van het programma of het verschaffen van informatie over en de beschrijving van bestaande maatregelen van het programma.

2.   De lidstaten mogen ook in artikel 6, lid 1, onder c), bedoelde veranderingen aanbrengen door binnen een kalenderjaar tot 1 % van de totale ELFPO-bijdrage voor het programma voor de gehele programmeringsperiode over te dragen van en naar welke as dan ook.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde veranderingen van programma's kunnen uiterlijk vóór 31 december 2015 worden aangebracht op voorwaarde dat de lidstaten die veranderingen uiterlijk op 31 augustus 2015 melden.

4.   Behalve in geval van noodmaatregelen wegens een natuurramp mogen in de leden 1 en 2 bedoelde veranderingen niet vaker dan driemaal per kalenderjaar en per programma worden gemeld, met dien verstande dat het in lid 2 bepaalde maximum van 1 % in acht moet worden genomen binnen het kalenderjaar waarin de drie meldingen worden gedaan.

5.   De in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde veranderingen moeten verenigbaar zijn met de bij artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 vastgestelde percentages.

6.   De in de leden 1 en 2 bedoelde veranderingen worden de Commissie gemeld. De Commissie beoordeelt of die veranderingen:

a)

voldoen aan het bepaalde in Verordening (EG) nr. 1698/2005;

b)

coherent zijn met het betrokken nationaal strategisch plan;

c)

voldoen aan het bepaalde in de onderhavige verordening.

De Commissie stelt de lidstaat van de resultaten van die beoordeling in kennis binnen vier maanden na de datum waarop zij het verzoek tot verandering van het programma heeft ontvangen. Voldoen de veranderingen niet aan één of meer van de in de eerste alinea genoemde beoordelingsparameters, dan wordt de termijn van vier maanden geschorst totdat de Commissie veranderingen van het programma ontvangt die daaraan wel voldoen.

Indien de Commissie de kennisgeving aan de lidstaat niet binnen de in de tweede alinea gestelde termijn van vier maanden doet, worden de veranderingen geacht te zijn goedgekeurd en treden zij in werking zodra de termijn van vier maanden is verstreken.

Artikel 10

1.   Voor de toepassing van artikel 71, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 geldt dat de lidstaten de verantwoordelijkheid dragen voor de uitgaven tussen de datum waarop de Commissie hun verzoek tot herziening of verandering van het programma zoals bedoeld in artikel 6, lid 1, van de onderhavige verordening ontvangt en de datum van de beschikking van de Commissie overeenkomstig artikel 7 of 8 van de onderhavige verordening dan wel de datum van voltooiing van de in artikel 9 van de onderhavige verordening bedoelde beoordeling of de veranderingen aan de gestelde eisen voldoen.

2.   In geval van noodmaatregelen wegens een natuurramp kan de subsidiabiliteit van uitgaven die verband houden met in artikel 6, lid 1, bedoelde veranderingen van het programma ingaan op een vroegere datum dan de in artikel 71, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde datum.

Artikel 11

De veranderingen van nationale kaders zoals bedoeld in artikel 15, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 vallen onder artikel 6, lid 1, onder c), van de onderhavige verordening. Artikel 9, leden 3 en 6, van de onderhavige verordening zijn voor dergelijke veranderingen van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12

Wanneer nieuwe communautaire regelgeving wordt vastgesteld of bestaande communautaire regelgeving wordt gewijzigd, worden de programma's voor plattelandsontwikkeling zo nodig overeenkomstig artikel 6, lid 1, veranderd ter aanpassing aan die nieuwe of gewijzigde regelgeving. Dergelijke veranderingen worden niet meegerekend in het jaarlijkse aantal in artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 3, en artikel 9, lid 4, bedoelde veranderingen. Artikel 6, lid 2 is niet van toepassing op dergelijke veranderingen.

HOOFDSTUK III

Maatregelen voor plattelandsontwikkeling

Afdeling 1

Maatregelen voor plattelandsontwikkeling per as

Onderafdeling 1

As 1

Artikel 13

1.   Aan de bij artikel 22, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 vastgestelde voorwaarden voor de steun voor de vestiging van jonge landbouwers moet zijn voldaan op het tijdstip waarop de steunaanvraag wordt ingediend.

Voor de vervulling van de in artikel 22, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 gestelde voorwaarden op het gebied van vakbekwaamheid en deskundigheid kan evenwel een termijn worden toegestaan van ten hoogste 36 maanden vanaf de datum waarop het individuele besluit tot toekenning van de steun wordt genomen, indien de jonge landbouwer behoefte heeft aan een aanpassingsperiode voor zijn vestiging of de herstructurering van het bedrijf en indien die behoefte is vermeld in het in dat lid 1, onder c), bedoelde bedrijfsplan.

2.   Het in artikel 22, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde bedrijfsplan bevat ten minste:

a)

een beschrijving van de uitgangssituatie van het landbouwbedrijf en specifieke mijlpalen en streefwaarden voor de ontwikkeling van de activiteiten van het nieuwe bedrijf;

b)

bijzonderheden over de investeringen, opleidingen, adviezen of welke andere acties ook die nodig zijn voor de ontwikkeling van de activiteiten van het landbouwbedrijf.

3.   Binnen vijf jaar na de datum waarop het individuele besluit tot toekenning van de steun is genomen, wordt door de bevoegde autoriteit beoordeeld of het bedrijfsplan is nageleefd. Met inachtneming van de omstandigheden bij de uitvoering van het bedrijfsplan bepaalt de lidstaat de voorwaarden voor de terugvordering van reeds ontvangen steun in het geval dat de jonge landbouwer op het tijdstip van de beoordeling niet aan de bepalingen van het bedrijfsplan heeft voldaan.

4.   Het individuele besluit tot toekenning van steun voor de vestiging van jonge landbouwers wordt genomen binnen 18 maanden na de vestiging zoals gedefinieerd bij de in de lidstaat geldende bepalingen. In geval van steun in de vorm van een eenmalige premie zoals bepaald in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1698/2005 kan een lidstaat met het oog op de toepassing van lid 3 van het onderhavige artikel de betaling van die premie spreiden over ten hoogste vijf tranches.

5.   De lidstaten kunnen besluiten dat in het geval dat in het bedrijfsplan melding wordt gemaakt van het gebruik van andere maatregelen voor plattelandsontwikkeling waarin Verordening (EG) nr. 1698/2005 voorziet, de goedkeuring van de aanvraag van de jonge landbouwer door de bevoegde autoriteit eveneens toegang tot die andere maatregelen geeft. In een dergelijk geval moeten de door de aanvrager te verstrekken gegevens gedetailleerd genoeg zijn om een aanvraag voor steun in het kader van die andere maatregelen te kunnen onderbouwen.

6.   Specifieke voorwaarden kunnen worden toegepast in het geval dat een jonge landbouwer zich niet als enig bedrijfshoofd vestigt. Deze voorwaarden moeten gelijkwaardig zijn aan die welke gelden voor een jonge landbouwer die zich als enig bedrijfshoofd vestigt.

Artikel 14

1.   Indien een landbouwbedrijf door verscheidene cedenten wordt overgedragen, blijft de totale steun voor vervroegde uittreding zoals bedoeld in artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 beperkt tot het voor één enkele cedent geldende bedrag.

2.   Niet-commerciële landbouw die door de cedent wordt voortgezet, komt niet in aanmerking voor steun in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

3.   Een pachter kan vrijgekomen grond aan de eigenaar overdragen mits de pachtovereenkomst wordt beëindigd en wordt voldaan aan de in artikel 23, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 genoemde voorwaarden met betrekking tot de overnemer.

4.   De lidstaten kunnen een regeling treffen voor de overname van vrijgekomen grond door een instantie die zich ertoe verbindt deze grond op een later tijdstip door te geven aan overnemers die voldoen aan de in artikel 23, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 gestelde eisen.

Artikel 15

1.   De adviesdiensten aan landbouwers waarvoor overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 steun kan worden verleend, moeten in overeenstemming zijn met titel II, hoofdstuk 3, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad (6) en de uitvoeringsbepalingen daarvan.

2.   De autoriteiten en instanties die worden geselecteerd om adviesdiensten aan landbouwers te verlenen, moeten over passende middelen in de vorm van vakbekwaam personeel en administratieve en technische uitrusting beschikken en ervaren en betrouwbaar zijn wat de adviezen betreft die zij dienen te verstrekken over de in artikel 24, lid 1, tweede alinea, onder a) en b), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde eisen, condities en normen.

Artikel 16

In de programma's voor plattelandsontwikkeling wordt een degressief tarief vastgesteld voor de in artikel 25 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde steun voor de oprichting van diensten ter ondersteuning van het bedrijfsbeheer, bedrijfsverzorgingsdiensten en bedrijfsadviesdiensten, waarbij de steun vanaf het eerste jaar van steunverlening in gelijke tranches wordt verlaagd op zodanige wijze dat de steunverlening uiterlijk in het zesde jaar na de oprichting van die diensten volledig wordt beëindigd.

Artikel 17

1.   In het geval van steun voor investeringen voor de modernisering van landbouwbedrijven om te voldoen aan pas ingevoerde communautaire normen zoals bedoeld in artikel 26, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 moet aan de betrokken normen worden voldaan uiterlijk aan het einde van de in die alinea bedoelde extra termijn.

2.   In het geval van investeringen om aan bestaande communautaire normen te voldoen die worden gedaan door jonge landbouwers die in artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde steun ontvangen, moet aan de betrokken normen worden voldaan uiterlijk aan het einde van de in artikel 26, lid 1, derde alinea, van die verordening bedoelde extra termijn.

Artikel 18

1.   Voor de toepassing van artikel 27, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 moeten de bosbeheersplannen zijn afgestemd op de omvang en het gebruik van het bosareaal, zijn gebaseerd op de relevante nationale wetgeving en op de bestaande plannen voor grondgebruik, en op passende wijze de bosbestanden bestrijken.

2.   Concrete acties ter verbetering van de economische waarde van bossen zoals bedoeld in artikel 27 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 hebben betrekking op investeringen op het niveau van het bosbouwbedrijf en kunnen investeringen in oogstmaterieel omvatten.

Activiteiten op het gebied van verjonging na de eindkap worden uitgesloten van steun.

3.   De in artikel 30, lid 4, van de onderhavige verordening bedoelde bossen worden uitgesloten van de werkingssfeer van artikel 27, lid 1, eerste zin, van Verordening (EG) nr. 1698/2005.

Artikel 19

1.   In het geval van steun voor investeringen ter verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten om te voldoen aan pas ingevoerde communautaire normen zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, onder c), tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 moet aan de betrokken normen worden voldaan aan het einde van de in die alinea bedoelde extra termijn.

2.   In het geval van steun voor investeringen ter verhoging van de toegevoegde waarde van bosbouwproducten geldt voor investeringen met betrekking tot het gebruik van hout als grondstof een beperking tot alle werkzaamheden die aan de industriële verwerking voorafgaan.

Artikel 20

Bij de kosten voor samenwerking voor de ontwikkeling van nieuwe producten, procédés en technologieën in de landbouw-, de voedings- en de bosbouwsector zoals bedoeld in artikel 29, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 gaat het om voorbereidende werkzaamheden zoals het ontwerpen, de ontwikkeling van een product, procedé of technologie en de uitvoering van tests en om materiële en/of immateriële investeringen met betrekking tot de samenwerking, welke plaatsvinden in de stadia voordat de nieuw ontwikkelde producten, procedés en technologieën voor commerciële doeleinden worden gebruikt.

Artikel 21

1.   De hoogte van de steun voor het voldoen aan op communautaire regelgeving gebaseerde normen zoals bedoeld in artikel 31 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 wordt door de lidstaten per norm gedifferentieerd naargelang van de omvang van de verplichtingen die uit de toepassing van de norm voortvloeien. De betaling wordt geleidelijk verlaagd over de bij lid 2 van dat artikel vastgestelde maximumperiode van vijf jaar.

2.   Kosten in verband met investeringen worden niet in aanmerking genomen bij de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse steun voor het voldoen aan op communautaire regelgeving gebaseerde normen zoals bedoeld in artikel 31 van Verordening (EG) nr. 1698/2005.

Artikel 22

1.   De in artikel 32, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde communautaire voedselkwaliteitsregelingen zijn die welke zijn ingesteld bij de volgende verordeningen en bepalingen:

a)

Verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad (7);

b)

Verordening (EG) nr. 509/2006 van de Raad (8);

c)

Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad (9);

d)

titel VI van Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad (10).

2.   Om als basis voor steunverlening te kunnen fungeren moeten door de lidstaten erkende voedselkwaliteitsregelingen zoals bedoeld in artikel 32, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 voldoen aan de volgende criteria:

a)

de specificiteit van het eindproduct in het kader van dergelijke regelingen vloeit voort uit gedetailleerde verplichtingen inzake de landbouwmethoden die het volgende garanderen:

specifieke kenmerken, waaronder het productieproces, of

een kwaliteit van het eindproduct die uit het oogpunt van de gezondheid van mens, dier of plant, het dierenwelzijn of milieubescherming veel verder gaat dan de voor het handelsproduct geldende normen;

b)

van de regelingen maakt een bindend productdossier deel uit en een onafhankelijke controle-instantie gaat na of dat productdossier in acht wordt genomen;

c)

de regelingen staan open voor alle producenten;

d)

de regelingen zijn doorzichtig en garanderen een volledige traceerbaarheid van de producten;

e)

de regelingen spelen in op de bestaande en te verwachten marktkansen.

3.   Aan landbouwers die aan een voedselkwaliteitsregeling deelnemen, kan daarvoor slechts steun worden verleend indien het betrokken product of voedingsmiddel van hoge kwaliteit officieel is erkend op grond van de in lid 1 genoemde verordeningen en bepalingen of op grond van een door een lidstaat erkende voedselkwaliteitsregeling zoals bedoeld in lid 2.

Wat de in lid 1, onder b) en c), bedoelde voedselkwaliteitsregelingen betreft, kan alleen voor in een communautair register opgenomen producten steun worden verleend.

4.   Indien steun voor deelname aan de bij Verordening (EEG) nr. 2092/91 ingestelde voedselkwaliteitsregeling voor een specifiek product is opgenomen in het programma voor plattelandsontwikkeling, mogen de met de deelname aan die kwaliteitsregeling gemoeide vaste kosten niet worden meegerekend bij de berekening van het steunbedrag in het kader van een agromilieumaatregel ter ondersteuning van biologische landbouw voor hetzelfde product.

5.   Voor de toepassing van artikel 32, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 wordt onder „vaste kosten” verstaan de voor toetreding tot een gesteunde voedselkwaliteitsregeling gemaakte kosten en de jaarlijkse bijdrage voor deelname aan die regeling, zo nodig met inbegrip van de uitgaven voor de controles die nodig zijn om na te gaan of het tot de regeling behorende productdossier in acht wordt genomen.

Artikel 23

1.   Voor de toepassing van artikel 20, onder c), punt iii), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 wordt onder „producentengroepering” verstaan een organisatie, ongeacht de rechtsvorm ervan, waarin marktdeelnemers zijn verenigd die voor een specifiek landbouwproduct of voedingsmiddel actief deelnemen aan een voedselkwaliteitsregeling zoals bedoeld in artikel 32 van die verordening. Beroeps- en/of kolomorganisaties die één of meer sectoren vertegenwoordigen, kunnen niet als producentengroepering worden aangemerkt.

2.   De voor steun op grond van artikel 33 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 in aanmerking komende activiteiten op het gebied van voorlichting en afzetbevordering zijn activiteiten om de consumenten ertoe aan te zetten landbouwproducten of voedingsmiddelen te kopen die vallen onder voedselkwaliteitsregelingen die in het programma voor plattelandsontwikkeling zijn opgenomen op grond van artikel 32 van die verordening.

Dergelijke activiteiten vestigen de aandacht op de met de betrokken voedselkwaliteitsregeling samenhangende specifieke kenmerken of voordelen van de betrokken producten, met name de kwaliteit, specifieke productiemethoden, hoge normen op het gebied van dierenwelzijn en het milieu, en kunnen de verspreiding van wetenschappelijke en technische kennis over die producten inhouden. Zij omvatten met name de organisatie van beurzen en tentoonstellingen en/of de deelname daaraan, soortgelijke publicrelationsactiviteiten en reclame via de verschillende communicatiekanalen of op de verkooppunten.

3.   Alleen op de interne markt ontplooide activiteiten op het gebied van voorlichting, afzetbevordering en reclame komen voor de in artikel 20, onder c), punt iii), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde steun in aanmerking.

Die activiteiten mogen consumenten er niet toe aanzetten een product te kopen wegens de bijzondere oorsprong ervan, behalve in het geval van producten die onder de bij Verordening (EG) nr. 510/2006 ingestelde kwaliteitsregeling vallen, en in het geval van producten die onder Verordening (EG) nr. 1493/1999 vallen. De oorsprong van een product mag evenwel worden vermeld indien de verwijzingen naar de oorsprong ondergeschikt zijn aan de hoofdboodschap.

Activiteiten die verband houden met de afzetbevordering van handelsmerken, zijn niet subsidiabel.

4.   Indien de in lid 2 bedoelde activiteiten betrekking hebben op een product dat onder één van de in artikel 22, lid 1, onder a), b) of c), bedoelde voedselkwaliteitsregelingen valt, moet het in het kader van die regeling vastgestelde communautaire logo voorkomen op het voorlichtings-, afzetbevorderings- en/of reclamemateriaal.

5.   De in het kader van Verordening (EG) nr. 2826/2000 gesteunde voorlichtings- en afzetbevorderingsacties komen niet in aanmerking voor steun op grond van artikel 20, onder c), punt iii), van Verordening (EG) nr. 1698/2005.

6.   De lidstaten zien erop toe dat alle ontwerpen van voorlichtings-, afzetbevorderings- en reclamemateriaal die in het kader van een gesteunde activiteit worden vervaardigd, voldoen aan de communautaire regelgeving. Daartoe doen de begunstigden de ontwerpen van dergelijk materiaal aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat toekomen.

Artikel 24

1.   In het in artikel 34 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde bedrijfsplan moet aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

het bewijs wordt geleverd dat het landbouwbedrijf economisch levensvatbaar kan worden, waarbij in voorkomend geval rekening wordt gehouden met de aanvullende ontvangsten uit andere bronnen van inkomsten van het landbouwhuishouden;

b)

er worden bijzonderheden over de benodigde investeringen verstrekt;

c)

er worden specifieke mijlpalen en streefwaarden aangegeven.

2.   Indien in het in artikel 34 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde bedrijfsplan wordt verwezen naar het gebruik van andere maatregelen voor plattelandsontwikkeling, moet het plan gedetailleerd genoeg zijn om een aanvraag voor steun in het kader van die andere maatregelen te kunnen onderbouwen.

3.   Voor de toepassing van artikel 34, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 doet de lidstaat, rekening houdend met de omstandigheden waaronder het bedrijfsplan wordt uitgevoerd, geen verdere steunbetalingen indien de landbouwer die het semi-zelfvoorzieningsbedrijf exploiteert, op het tijdstip van de beoordeling niet aan de bepalingen van het bedrijfsplan heeft voldaan.

Artikel 25

1.   In het geval van Malta geldt voor de minimumsteun die overeenkomstig de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1698/2005 kan worden vastgesteld voor productiesectoren waarin de totale productie uiterst gering is, dat alleen producentengroeperingen waarvan een minimumpercentage van de producenten in de betrokken sector lid is en die een minimumpercentage van de productie in die sector vertegenwoordigen, voor die minimumsteun in aanmerking komen.

De minimumpercentages van de producenten en van de productie en de betrokken sectoren worden bepaald in het programma voor plattelandsontwikkeling van Malta.

2.   Het minimumbedrag van de steun voor producentengroeperingen in Malta, berekend aan de hand van de kosten die moeten worden gemaakt voor de oprichting van een kleine producentengroepering, is vastgesteld in bijlage III.

Onderafdeling 2

As 2

Artikel 26

Begunstigden van steun op grond van artikel 38 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 komen wat de uitvoering van de Richtlijnen 79/409/EEG (11) en 92/43/EEG (12) van de Raad betreft niet in aanmerking voor steun op grond van artikel 31 van Verordening (EG) nr. 1698/2005.

Artikel 27

1.   Voor de toepassing van de artikelen 39, leden 1 tot en met 4, en artikel 40 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 gelden, voor zover relevant, de leden 2 tot en met 13 van het onderhavige artikel.

2.   Een verbintenis om veehouderij te extensiveren of anders te beheren voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:

a)

het grasland wordt verder verzorgd;

b)

de volledige beweide oppervlakte wordt onderhouden door een zodanige begrazing per grootvee-eenheid dat niet alleen overbeweiding maar ook onderbenutting wordt voorkomen;

c)

voor de bepaling van de veedichtheid wordt rekening gehouden met alle op het bedrijf grazende dieren dan wel, in het geval van een verbintenis ter beperking van de uitspoeling van voedingsstoffen, met alle voor de betrokken verbintenis relevante dieren die op het bedrijf worden gehouden.

3.   Verbintenissen om het gebruik van meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen of andere productiemiddelen te beperken worden slechts aanvaard indien de toepassing van die beperkingen kan worden beoordeeld op een wijze die een redelijke zekerheid verschaft of de verbintenissen worden nagekomen.

4.   De steun kan betrekking hebben op verbintenissen om:

a)

landbouwhuisdieren van in het betrokken gebied inheemse lokale rassen die voor de veehouderij verloren dreigen te gaan, op te fokken;

b)

plantaardige genetische hulpbronnen die van nature aan de plaatselijke en regionale omstandigheden zijn aangepast en door genetische erosie worden bedreigd, in stand te houden.

De in aanmerking komende soorten landbouwhuisdieren en de criteria om de drempel te bepalen waaronder lokale rassen voor de veehouderij verloren dreigen te gaan, zijn vastgesteld in bijlage IV.

5.   Milieuacties die worden uitgevoerd in het kader van de in bijlage I genoemde gemeenschappelijke marktordeningen of regelingen inzake rechtstreekse steunverlening, in het kader van maatregelen op het gebied van de gezondheid van dieren of planten of in het kader van andere maatregelen voor plattelandsontwikkeling dan de steun op agromilieu- en dierenwelzijnsgebied, vormen geen beletsel voor de toekenning van steun op agromilieu- en/of dierenwelzijnsgebied voor dezelfde productie op voorwaarde dat deze steun een aanvulling vormt op en coherent is met die milieuacties.

Verscheidene agromilieu- en/of dierenwelzijnsverbintenissen mogen met elkaar worden gecombineerd op voorwaarde dat zij elkaar aanvullen en onderling verenigbaar zijn.

In geval van een combinatie van de in de eerste en tweede alinea bedoelde acties of verbintenissen wordt bij de bepaling van de hoogte van de steun rekening gehouden met de specifieke gederfde inkomsten en extra kosten die het gevolg zijn van de combinatie.

6.   Voor agromilieumaatregelen op land dat overeenkomstig artikel 54 of 107 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 is braakgelegd, mag slechts steun worden verleend indien de betrokken agromilieuverbintenissen verder gaan dan naleving van de belangrijkste in artikel 3, lid 1, van die verordening bedoelde eisen.

In geval van steunverlening in berggebieden, in andere gebieden met handicaps, in Natura 2000-landbouwgebieden en in landbouwgebieden die vallen onder stroomgebiedsbeheersplannen zoals bedoeld in Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (13), wordt in de agromilieuverbintenissen naargelang van het geval rekening gehouden met de voor steunverlening in de betrokken gebieden vastgestelde voorwaarden.

7.   Elke in artikel 40 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde dierenwelzijnsverbintenis betreft de toepassing van strengere normen op ten minste één van de volgende gebieden:

a)

een verstrekking van water en voer die beter aansluit bij de natuurlijke behoeften van de dieren;

b)

huisvestingsomstandigheden zoals beschikbare ruimte, stalstrooisel en natuurlijk licht;

c)

toegang tot een buitenuitloop;

d)

afzien van het systematisch verminken, het isoleren of het permanent aangebonden houden van dieren;

e)

preventie van ziekten die hoofdzakelijk het gevolg zijn van veehouderijmethoden en/of houderijomstandigheden.

8.   Het referentieniveau voor de berekening van de gederfde inkomsten en de extra kosten die het gevolg zijn van de aangegane verbintenissen, is het niveau dat overeenkomt met de relevante normen en eisen zoals bedoeld in artikel 39, lid 3, en artikel 40, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1698/2005.

9.   Indien de verbintenissen normaliter in andere eenheden dan de in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1698/2005 gebruikte eenheden worden gemeten, kunnen de lidstaten de betalingen op basis van die andere eenheden berekenen. In dergelijke gevallen dragen de lidstaten er zorg voor dat de in die bijlage genoemde maximumbedragen per jaar die voor communautaire steun in aanmerking komen, in acht worden genomen. Daartoe kan de lidstaat:

a)

een maximum vaststellen voor het aantal eenheden per hectare van het bedrijf waarvoor de agromilieuverbintenis geldt, of

b)

voor elk deelnemend bedrijf het maximale totaalbedrag bepalen en ervoor zorgen dat de betalingen voor elk bedrijf dit maximum niet overschrijden.

10.   De lidstaten bepalen aan de hand van objectieve criteria of het noodzakelijk is een compensatie voor de in artikel 39, lid 4, en artikel 40, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde transactiekosten te verlenen.

Voor de toepassing van artikel 39, lid 4, en artikel 40, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 wordt onder „transactiekosten” verstaan de met het laten plaatsvinden van de transactie gemoeide kosten die niet rechtstreeks zijn te rekenen tot de uitvoeringskosten van de verbintenis waarop zij betrekking hebben.

Het transactiekostenelement wordt berekend over de duur van de looptijd van de aangegane verbintenis en bedraagt niet meer dan 20 % van de gederfde inkomsten en de extra kosten die het gevolg zijn van die verbintenis.

11.   De lidstaten kunnen toestaan dat een verbintenis gedurende de looptijd ervan in een andere verbintenis wordt omgezet, mits alle navolgende voorwaarden zijn vervuld:

a)

die omzetting komt het milieu of het dierenwelzijn of beide in belangrijke mate ten goede;

b)

de bestaande verbintenis wordt aanzienlijk versterkt;

c)

het goedgekeurde programma voor plattelandsontwikkeling voorziet in de betrokken verbintenissen.

Op de in de eerste alinea, onder a) en b), van het onderhavige lid genoemde voorwaarden kan de omzetting van een agromilieuverbintenis in een verbintenis tot eerste bebossing van landbouwgrond overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 worden toegestaan. De agromilieuverbintenis wordt beëindigd zonder dat terugbetaling wordt verlangd.

12.   De lidstaten kunnen de mogelijkheid bieden om agromilieu- of dierenwelzijnsverbintenissen gedurende de looptijd ervan aan te passen op voorwaarde dat het goedgekeurde programma voor plattelandsontwikkeling daarin voorziet en de aanpassing beslist verantwoord is in het licht van de doelstellingen van de verbintenis.

Dergelijke aanpassingen kunnen ook de vorm aannemen van een verlenging van de looptijd van de verbintenis.

13.   De omrekeningskoersen van dieren in grootvee-eenheden (GVE) zijn vastgesteld in bijlage V. De lidstaten kunnen deze koersen differentiëren op basis van objectieve criteria en binnen de in die bijlage genoemde grenzen voor de relevante categorieën.

Artikel 28

1.   De steun op grond van artikel 39, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 kan betrekking hebben op concrete acties die worden uitgevoerd door andere dan de in lid 2 van dat artikel genoemde begunstigden.

2.   De in artikel 27, lid 4, van de onderhavige verordening bedoelde activiteiten in het kader van agromilieuverbintenissen komen niet in aanmerking voor steun op grond van artikel 39, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1698/2005.

Steun uit hoofde van artikel 39, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 wordt niet verleend voor activiteiten die subsidiabel zijn op grond van het kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie.

3.   De concrete acties voor de instandhouding van genetische hulpbronnen in de landbouw die op grond van artikel 39, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 voor steun in aanmerking komen, omvatten het volgende:

a)

gerichte acties: acties ter bevordering van de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw ex situ en in situ, met inbegrip van de totstandbrenging van op het internet gebaseerde inventarissen van de genetische hulpbronnen die momenteel in situ in stand worden gehouden, instandhouding in situ/op het landbouwbedrijf daaronder begrepen, en van de verzamelingen ex situ (genenbanken) en de databases;

b)

gecoördineerde acties: acties ter bevordering van de uitwisseling van gegevens ten behoeve van de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw in de Gemeenschap tussen de bevoegde organisaties in de lidstaten;

c)

begeleidende acties: voorlichtings-, verspreidings- en adviseringsacties waarbij niet-gouvernementele organisaties en andere relevante belanghebbenden worden betrokken, opleidingen en de opstelling van technische verslagen.

4.   Voor de toepassing van het onderhavige artikel wordt verstaan onder:

a)

„instandhouding in situ”: de instandhouding van genetisch materiaal in ecosystemen en natuurlijke habitats en het behoud en herstel van levensvatbare populaties van soorten of wilde rassen in hun natuurlijke omgeving en, in het geval van gedomesticeerde dierenrassen of gekweekte plantensoorten, in het agrarische milieu waar zij hun onderscheidende kenmerken hebben ontwikkeld;

b)

„instandhouding in situ/op het landbouwbedrijf”: instandhouding en ontwikkeling in situ op het niveau van het landbouwbedrijf;

c)

„instandhouding ex situ”: de instandhouding van genetisch materiaal voor de landbouw buiten de natuurlijke habitat ervan;

d)

„verzameling ex situ”: een verzameling van genetisch materiaal voor de landbouw die buiten de natuurlijke habitat ervan wordt onderhouden.

Artikel 29

Voor de toepassing van de artikelen 41 en 49 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 wordt onder „niet-productieve investeringen” verstaan investeringen die geen aanmerkelijke stijging van de waarde of rentabiliteit van het landbouw- of bosbouwbedrijf tot gevolg hebben.

Artikel 30

1.   Voor de toepassing van artikel 42, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 zijn de begripsomschrijvingen in de leden 2 en 3 van het onderhavige artikel van toepassing behoudens uitzonderingen die in de programma's voor plattelandsontwikkeling deugdelijk moeten worden gemotiveerd.

2.   Onder „bos” wordt verstaan een stuk grond van meer dan 0,5 hectare met bomen die hoger dan 5 meter zijn en een kroonbedekking van meer dan 10 % hebben, of bomen die deze drempels op de groeiplaats kunnen bereiken. Grond met een hoofdzakelijk agrarisch of stedelijk grondgebruik valt niet onder dit begrip.

Herbeboste oppervlakten die een kroonbedekking van 10 % en een boomhoogte van 5 meter nog niet hebben bereikt maar zulks naar verwachting zullen bereiken, vallen wel onder het begrip „bos” en hetzelfde geldt voor als gevolg van menselijk ingrijpen of natuurlijke oorzaken tijdelijk niet met bomen bezette oppervlakten waarop naar verwachting verjonging zal plaatsvinden.

Bos omvat mede de oppervlakten bamboe en palmbomen op voorwaarde dat wordt voldaan aan de criteria inzake hoogte en kroonbedekking.

Bos omvat mede de boswegen, de brandstroken en de andere kleine open plekken en omvat voorts mede bos in nationale parken, natuurreservaten en andere beschermde gebieden zoals gebieden van specifiek wetenschappelijk, historisch, cultureel of spiritueel belang.

Bos omvat mede de windsingels, schermstroken en bomencorridors met een oppervlakte van meer dan 0,5 hectare en een breedte van meer dan 20 meter.

Bos omvat mede de aanplantingen die in hoofdzaak bestemd zijn voor bosbouw- of beschermingsdoeleinden, zoals rubberplantages en kurkeikenopstanden. Boomopstanden in landbouwproductiesystemen zoals fruitboomgaarden en boslandbouwsystemen vallen niet onder het begrip „bos”. Bomen in stadsparken en -tuinen vallen er evenmin onder.

3.   Onder „beboste oppervlakte” wordt verstaan niet als „bos” aangemerkte grond met een oppervlakte van meer dan 0,5 hectare en met bomen die hoger dan 5 meter zijn en een kroonbedekking van 5-10 % hebben, of met bomen die deze drempels op de groeiplaats kunnen bereiken, of met een bedekking van meer dan 10 % die bestaat uit een combinatie van struiken en bomen. Grond met een hoofdzakelijk agrarisch of stedelijk gebruik valt niet onder dit begrip.

4.   De volgende bossen en beboste oppervlakten worden uitgesloten van de werkingssfeer van artikel 42, lid 1, eerste zin, van Verordening (EG) nr. 1698/2005:

a)

bossen en andere beboste gronden die eigendom zijn van een centrale of regionale overheid of van een overheidsonderneming;

b)

bossen en andere beboste gronden die de kroon toebehoren;

c)

bossen die eigendom zijn van een rechtspersoon waarvan het kapitaal voor ten minste 50 % in handen is van één van de onder a) en b) bedoelde instellingen.

Artikel 31

1.   De overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 voor steun voor eerste bebossing in aanmerking komende landbouwgrond wordt door de lidstaat bepaald en bestaat uit grond waarop de landbouw op regelmatige basis wordt bedreven.

Eerste bebossing in een overeenkomstig de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG aangewezen Natura 2000-gebied moet in overeenstemming zijn met de beheersdoelstellingen voor het betrokken gebied.

2.   Voor de toepassing van artikel 43, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 omvatten de „aanlegkosten” de kosten van het plantmateriaal, de kosten van de aanplant en de kosten die rechtstreeks zijn verbonden aan en moeten worden gemaakt voor de aanplant.

3.   Voor de toepassing van artikel 43, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 wordt onder „landbouwer” verstaan een persoon die een wezenlijk deel van zijn arbeidstijd aan landbouwwerkzaamheden besteedt en daaruit een belangrijk deel van zijn inkomen haalt, zulks in overeenstemming met door de lidstaat te bepalen criteria.

4.   Voor de toepassing van artikel 43, lid 3, en artikel 44, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 wordt onder „snelgroeiende soorten met korte omlooptijd” verstaan soorten waarvan de omlooptijd (de tijd tussen twee oogstvellingen op dezelfde plaats) minder dan 15 jaar bedraagt.

Artikel 32

Voor de toepassing van artikel 44 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bepalen de lidstaten het maximumaantal aangeplante bomen per hectare, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, met de bosbouwgewassoorten en met de noodzaak voortzetting van het landbouwgebruik van de grond te waarborgen.

Artikel 33

1.   Indien in artikel 48 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde steun wordt verleend voor de aanleg van brandstroken, kunnen de subsidiabele kosten naast de aanlegkosten ook latere onderhoudskosten op de betrokken oppervlakte omvatten.

Steun voor het onderhoud van brandstroken door middel van landbouwwerkzaamheden wordt niet verleend voor oppervlakten waarvoor agromilieusteun wordt toegekend.

2.   De in artikel 48 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde preventieve maatregelen tegen brand kunnen het volgende omvatten:

a)

de aanleg van beschermende infrastructuur zoals boswegen, sporen, bluswatervoorzieningen, brandstroken, van ondergroei ontdane oppervlakten en kapvlakten en maatregelen gericht op het onderhoud van brandstroken, oppervlakten die van ondergroei zijn ontdaan, en kapvlakten;

b)

de toepassing van preventieve bosbouwmaatregelen zoals beheersing van de vegetatie, dunning en diversificatie van de opbouw van de vegetatie;

c)

de totstandbrenging of verbetering van vaste voorzieningen voor bosbrandbewaking en van communicatieapparatuur.

Artikel 34

1.   De in artikel 50, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde landbouwgebieden die zijn opgenomen in stroomgebiedsbeheersplannen zoals bedoeld in Richtlijn 2000/60/EG, komen in aanmerking voor betalingen op grond van artikel 38 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 indien voor die gebieden een relevant stroomgebiedsbeheersplan is opgesteld en wordt uitgevoerd.

2.   De in artikel 50, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde milieuredenen die bebossing van gebieden wenselijk maken, kunnen zijn de voorkoming van erosie en/of van woestijnvorming, de vergroting van de biodiversiteit, de bescherming van waterreserves, de voorkoming van overstromingen en het tegengaan van klimaatverandering, in het laatste geval op voorwaarde dat de bebossing niet nadelig is voor de biodiversiteit en geen andere milieuschade veroorzaakt.

Onderafdeling 3

As 3

Artikel 35

Voor de toepassing van artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 wordt onder „lid van het landbouwhuishouden” verstaan een natuurlijke of rechtspersoon dan wel een groep natuurlijke of rechtspersonen, ongeacht de rechtspositie van de groep en haar leden volgens het nationale recht, uitgezonderd werknemers in de landbouw. Wanneer een lid van het landbouwhuishouden een rechtspersoon dan wel een groep van rechtspersonen is, moet dit lid ten tijde van het aanvragen van de steun een landbouwactiviteit op het landbouwbedrijf uitoefenen.

Artikel 36

In artikel 59, onder e), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde publiek-private partnerschappen die steun voor de uitvoering van een plaatselijke ontwikkelingsstrategie ontvangen, moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:

a)

zij stellen een gebiedsgerichte plaatselijke ontwikkelingsstrategie op subregionaal niveau op;

b)

zij zijn representatief voor de actoren uit de overheids- en de privésector op het in het onderhavige artikel, onder a), bedoelde geografische niveau;

c)

de beheerskosten bedragen ten hoogste 15 % van de overheidsuitgaven in verband met de plaatselijke ontwikkelingsstrategie van elk afzonderlijk publiek-privaat partnerschap.

Onderafdeling 4

As 4

Artikel 37

1.   Voor de uitvoering van as 4 zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk I, afdeling 4, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 kunnen de lidstaten of regio's ervoor kiezen om hetzij hun gehele grondgebied, hetzij een deel ervan te bestrijken door de criteria voor de selectie van de plaatselijke groepen en de door hen vertegenwoordigde gebieden dienovereenkomstig aan te passen.

De procedures voor de selectie van de plaatselijke groepen moeten openstaan voor de betrokken plattelandsgebieden en concurrentie garanderen tussen de plaatselijke groepen die plaatselijke ontwikkelingsstrategieën naar voren brengen.

2.   Binnen twee jaar na de goedkeuring van de programma's worden voor de selectie van plattelandsgebieden voor de uitvoering van plaatselijke ontwikkelingsstrategieën zoals bedoeld in artikel 62, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 oproepen tot het indienen van voorstellen georganiseerd. De lidstaten of regio's kunnen evenwel extra oproepen tot het indienen van voorstellen organiseren, vooral wanneer Leader openstaat voor nieuwe gebieden, in welk geval een langere termijn nodig kan zijn.

3.   Elk in artikel 61, onder a), en artikel 62, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoeld gebied moet in de regel ten minste 5 000 inwoners en ten hoogste 150 000 inwoners tellen.

Wanneer daarvoor goede gronden zijn, kan de benedengrens van 5 000 inwoners evenwel worden verlaagd, respectievelijk de bovengrens van 150 000 inwoners worden verhoogd.

4.   De lidstaten van de Gemeenschap in haar samenstelling op 30 april 2004 streven ernaar dat bij de selectie een bepaalde voorrang wordt gegeven aan plaatselijke groepen die overeenkomstig artikel 62, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 samenwerking hebben geïntegreerd in hun plaatselijke ontwikkelingsstrategieën.

Artikel 38

De kosten van het beheer van plaatselijke groepen zoals bedoeld in artikel 63, onder c), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 komen voor communautaire steun in aanmerking tot ten hoogste 20 % van de totale overheidsuitgaven voor de plaatselijke ontwikkelingsstrategie.

Artikel 39

1.   Bij in artikel 65 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde samenwerking is ten minste één plaatselijke groep betrokken die is geselecteerd in het kader van de as Leader. Deze samenwerking wordt ten uitvoer gelegd onder verantwoordelijkheid van een coördinerende plaatselijke groep.

2.   De samenwerking staat open voor in artikel 59, onder e), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde publiek-private partnerschappen en voor andere plattelandsgebieden die zijn georganiseerd in een vorm met de volgende kenmerken:

a)

in een geografisch gebied is een plaatselijk gevormde groep aanwezig die zich met plattelandsontwikkeling bezighoudt en in staat is om een ontwikkelingsstrategie voor dat gebied uit te stippelen;

b)

de organisatie van die plaatselijk gevormde groep is gebaseerd op een partnerschap van plaatselijke actoren.

3.   Samenwerking omvat mede de uitvoering van een gezamenlijke actie.

Alleen uitgaven voor de gezamenlijke actie, voor het beheer van eventuele gemeenschappelijke structuren en voor voorbereidende technische steun komen in aanmerking voor steun op grond van artikel 65 van Verordening (EG) nr. 1698/2005.

Uitgaven voor dynamisering kunnen in alle bij de samenwerking betrokken gebieden subsidiabel zijn.

4.   Indien de plaatselijke groepen niet overeenkomstig artikel 62, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 samenwerkingsprojecten hebben geïntegreerd in hun plaatselijke ontwikkelingsstrategieën, worden de samenwerkingsprojecten geselecteerd door de bevoegde autoriteit van de lidstaat. In dat geval kunnen de plaatselijke groepen uiterlijk op 31 december 2013 samenwerkingsprojecten indienen bij de bevoegde autoriteit.

5.   De lidstaten delen de goedgekeurde projecten voor transnationale samenwerking mee aan de Commissie.

Onderafdeling 5

Technische bijstand

Artikel 40

In het geval van programma's voor plattelandsontwikkeling die betrekking hebben op zowel onder de convergentiedoelstelling vallende regio's als niet onder de convergentiedoelstelling vallende regio's, kan de in artikel 70, lid 3, onder a), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde procentuele bijdrage uit het ELFPO voor technische bijstand worden bepaald met inachtneming van het type van regio's dat naar aantal in het programma overheerst.

Artikel 41

1.   De structuur die nodig is voor het beheer van het in artikel 68 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde nationaal netwerk voor het platteland, kan worden opgericht hetzij binnen de bevoegde nationale autoriteiten, hetzij door selectie volgens een aanbestedingsprocedure. Die structuur moet in staat zijn om de in lid 2, onder b), van dat artikel beschreven taken te vervullen.

2.   Ingeval één enkel programma voor plattelandsontwikkeling het gehele grondgebied van een lidstaat bestrijkt, maakt het nationaal netwerk voor het platteland deel uit van de component technische bijstand van het programma en wordt bij de geplande uitgaven voor de elementen die onder artikel 68, lid 2, onder a) en b), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 vallen, onderscheid gemaakt tussen die punten a) en b). De uitgaven voor de onder dat punt a) vallende elementen bedragen evenwel ten hoogste 25 % van het voor het nationaal netwerk voor het platteland gereserveerde bedrag.

3.   Voor de lidstaten die gebruik maken van de bij artikel 66, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 geboden mogelijkheid, wordt het specifieke programma voor het opzetten en het functioneren van het nationaal netwerk voor het platteland goedgekeurd overeenkomstig artikel 18, lid 4, van die verordening.

Artikel 4, artikel 5, leden 1 en 3, en artikel 6 van de onderhavige verordening zijn van overeenkomstige toepassing op de indiening, de goedkeuring en de veranderingen van dergelijke specifieke programma's.

In het specifieke programma en de financiële tabel daarvan wordt bij de onder artikel 68, lid 2, onder a) en b), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 vallende elementen onderscheid gemaakt tussen die punten a) en b). De uitgaven voor de onder dat punt a) vallende elementen bedragen evenwel ten hoogste 25 % van het totale bedrag voor dat programma.

4.   De nationale netwerken voor het platteland worden uiterlijk op 31 december 2008 opgericht.

5.   Nadere voorschriften met betrekking tot de oprichting en de organisatie van de nationale netwerken voor het platteland zijn vastgesteld in bijlage II.

Afdeling 2

Voor verscheidene maatregelen geldende gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 42

Voor de toepassing van artikel 70, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 geldt dat in het geval van geïntegreerde concrete acties die onder meer dan één as en/of maatregel vallen, voor elk deel van de concrete actie waarvoor duidelijk is aangegeven dat het binnen de werkingssfeer van een bepaalde maatregel voor plattelandsontwikkeling valt, de voorwaarden van die maatregel van toepassing zijn.

Artikel 43

Bij investeringsmaatregelen zien de lidstaten erop toe dat de steun is gericht op duidelijk omschreven doelstellingen die verband houden met onderkende structurele en territoriale behoeften en structurele nadelen.

Artikel 44

1.   Wanneer het bedrijf van de begunstigde geheel of gedeeltelijk aan een andere persoon wordt overgedragen gedurende de looptijd van een verbintenis die is aangegaan als voorwaarde voor de toekenning van steun, kan die andere persoon de verbintenis voor de resterende looptijd overnemen. Wordt de verbintenis niet overgenomen, dan moet de begunstigde de ontvangen steun terugbetalen.

2.   De lidstaten kunnen van de in lid 1 bedoelde terugbetaling afzien in de volgende gevallen:

a)

indien een begunstigde die reeds een belangrijk deel van de betrokken verbintenis heeft uitgevoerd, zijn landbouwactiviteiten definitief beëindigt en overname van die verbintenis door een opvolger niet haalbaar is;

b)

indien de overdracht van een deel van het bedrijf van een begunstigde plaatsvindt in een periode waarmee de looptijd van de verbintenis overeenkomstig artikel 27, lid 12, tweede alinea, is verlengd, en indien de overdracht betrekking heeft op ten hoogste 50 % van de oppervlakte die onder de verbintenis viel vóór de verlenging van de looptijd daarvan.

3.   De lidstaten kunnen specifieke maatregelen nemen om er in geval van geringe veranderingen van de bedrijfssituatie voor te zorgen dat de toepassing van lid 1 niet leidt tot resultaten die in het licht van de aangegane verbintenis niet passend zijn.

Artikel 45

1.   Wanneer een begunstigde gedurende de looptijd van een verbintenis die is aangegaan als voorwaarde voor de toekenning van steun, de oppervlakte van zijn bedrijf vergroot, kunnen de lidstaten een regeling treffen om de verbintenis voor het resterende deel van de looptijd ervan overeenkomstig lid 2 tot de extra oppervlakte uit te breiden of om de oorspronkelijke verbintenis van de begunstigde overeenkomstig lid 3 door een nieuwe verbintenis te vervangen.

Een dergelijke vervanging is ook mogelijk wanneer de oppervlakte waarop een verbintenis betrekking heeft, binnen het bedrijf wordt vergroot.

2.   De in lid 1 bedoelde uitbreiding kan alleen onder de volgende voorwaarden worden toegestaan:

a)

zij is gunstig wat de toepassing van de betrokken maatregel betreft;

b)

zij is gerechtvaardigd uit het oogpunt van de aard van de verbintenis, de duur van de resterende looptijd en de omvang van de extra oppervlakte;

c)

zij doet geen afbreuk aan een doeltreffende controle op de naleving van de voor de steunverlening geldende voorwaarden.

3.   De in lid 1 bedoelde nieuwe verbintenis geldt voor de gehele betrokken oppervlakte onder voorwaarden die ten minste even streng zijn als die van de oorspronkelijke verbintenis.

4.   In het geval dat een begunstigde een aangegane verbintenis niet kan blijven nakomen doordat zijn bedrijf wordt herverkaveld of binnen een ruilverkaveling van overheidswege of een door de bevoegde autoriteiten goedgekeurde ruilverkaveling valt, neemt de lidstaat de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de verbintenis aan de nieuwe bedrijfssituatie worden aangepast. Is een dergelijke aanpassing onmogelijk, dan eindigt de verbintenis en wordt geen terugbetaling verlangd voor de periode waarin de verbintenis daadwerkelijk is nagekomen.

Artikel 46

Voor de overeenkomstig de artikelen 39, 40 en 47 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 aangegane verbintenissen moet worden voorzien in een herzieningsclausule met het oog op de aanpassing van die verbintenissen in geval van wijziging van de in artikel 39, lid 3, artikel 40, lid 2, en artikel 47, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde relevante dwingende normen of eisen, vastgesteld overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en de bijlagen III en IV bij die verordening, en van de in nationale wetgeving vastgestelde minimumeisen inzake het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen en andere relevante dwingende eisen, voor zover die verbintenissen verder gaan dan die normen en eisen, zoals bepaald in genoemde artikelen.

Indien een dergelijke aanpassing niet door de begunstigde wordt aanvaard, eindigt de verbintenis en wordt geen terugbetaling verlangd voor de periode waarin de verbintenis daadwerkelijk is nagekomen.

Artikel 47

1.   De lidstaten kunnen met name de volgende categorieën van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden erkennen in welk geval zij niet de gedeeltelijke of volledige terugbetaling van de door de begunstigde ontvangen steun verlangen:

a)

het overlijden van de begunstigde;

b)

langdurige arbeidsongeschiktheid van de begunstigde;

c)

de onteigening van een groot deel van het bedrijf, indien deze onteigening op de dag waarop de verbintenis is aangegaan, niet was te voorzien;

d)

een ernstige natuurramp die grote schade aanricht aan grond van het bedrijf;

e)

het door een ongeluk tenietgaan van veehouderijgebouwen van het bedrijf;

f)

een epizoötie die de gehele veestapel van de landbouwer of een deel ervan treft.

2.   Van gevallen van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden doet de begunstigde of diens rechtsverkrijgende de bevoegde autoriteit een schriftelijke kennisgeving toekomen, samen met relevante bewijzen ten genoegen van die autoriteit, binnen tien werkdagen na de datum waarop de begunstigde of diens rechtsverkrijgende in staat is dit te doen.

HOOFDSTUK IV

Subsidiabiliteits- en administratieve bepalingen

Afdeling 1

Verifieerbaarheid en controleerbaarheid van de maatregelen en subsidiabiliteitsvoorschriften

Onderafdeling 1

Verifieerbaarheid en controleerbaarheid van de maatregelen

Artikel 48

1.   Voor de toepassing van artikel 74, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 zorgen de lidstaten ervoor dat alle maatregelen voor plattelandsontwikkeling die zij voornemens zijn uit te voeren, verifieerbaar en controleerbaar zijn. Daartoe stellen de lidstaten controleregelingen vast die hun een redelijke zekerheid verschaffen dat de subsidiabiliteitscriteria en de andere verbintenissen worden nageleefd.

2.   Om de deugdelijkheid en de nauwkeurigheid van de berekeningen van de in de artikelen 31, 38, 39, 40 en 43 tot en met 47 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde betalingen aan te tonen en te bevestigen, zorgen de lidstaten ervoor dat geschikte deskundigheid wordt geleverd door instanties of diensten die functioneel onafhankelijk zijn van die welke verantwoordelijk zijn voor die berekeningen. Uit het programma voor plattelandsontwikkeling blijkt dat dergelijke deskundigheid wordt geleverd.

Onderafdeling 2

Rentesubsidies

Artikel 49

Rentesubsidies voor leningen kunnen op grond van artikel 71, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 worden medegefinancierd uit het ELFPO. De lidstaten die rentesubsidies voorstellen, vermelden de voor de berekening van die subsidies te gebruiken methode in hun programma's.

De lidstaten kunnen een regeling opzetten om de resterende jaartranches van de rentesubsidie op enig tijdstip van de looptijd van de lening te kapitaliseren. Elke jaartranche die na de einddatum voor de betalingen resteert, wordt gekapitaliseerd en uiterlijk op 31 december 2015 uitbetaald. Voor de bij de Commissie in te dienen betalingsaanvragen worden de bedragen die worden uitbetaald aan de bemiddelende financiële instelling die zich belast met de betaling van de contante waarde van de subsidie, als daadwerkelijk verrichte uitgaven beschouwd.

Voor de toepassing van de tweede alinea is een overeenkomst nodig tussen het betaalorgaan van de lidstaat en de bemiddelende financiële instelling die zich belast met de betaling van de contante waarde van de subsidie. De lidstaten vermelden in het programma de berekeningsmethode en de veronderstellingen inzake de toekomstige waarde die zullen worden gebruikt om de gekapitaliseerde waarde van de uitstaande rente te berekenen, alsmede de regelingen voor de verdere overmaking van de steun aan de begunstigden.

De lidstaten blijven verantwoordelijk voor het beheer van de betaling van de contante waarde van de subsidie voor de gehele looptijd van de lening aan de bemiddelende financiële instantie en voor de eventuele terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad (14).

Onderafdeling 3

Andere acties op het gebied van financiële instrumentering

Artikel 50

Op grond van artikel 71, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 kan het ELFPO overeenkomstig de artikelen 51 en 52 van de onderhavige verordening in het kader van een programma voor plattelandsontwikkeling uitgaven medefinancieren voor een concrete actie die bijdragen omvat ter ondersteuning van risicokapitaalfondsen, garantiefondsen en leningsfondsen, hierna „fondsen” genoemd.

Artikel 51

1.   Degenen die de fondsen medefinancieren of sponsoren, dienen bij de beheersautoriteit een bedrijfsplan in dat gegevens bevat over onder meer de beoogde markt of garantieportefeuille, de financieringscriteria en -voorwaarden, de exploitatiebegroting van het fonds, de eigendomssituatie en de medefinancierende partners, de aan de leiding gestelde eisen op het gebied van professionele aanpak, deskundigheid en onafhankelijkheid, de statuten van het fonds, de motivering en het beoogde gebruik van de bijdrage uit het ELFPO, het exitbeleid ten aanzien van de investeringen en de bepalingen inzake de opheffing van het fonds, inclusief het gebruik van de dankzij de bijdrage uit het ELFPO verkregen opbrengsten. Door of onder verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit wordt het bedrijfsplan beoordeeld en wordt toezicht uitgeoefend op de uitvoering ervan.

2.   De fondsen worden opgericht als een onafhankelijke rechtspersoon die wordt beheerd op basis van een overeenkomst tussen de aandeelhouders, of als een afzonderlijk blok van financiële middelen binnen een bestaande financiële instelling. In dit laatste geval gelden voor het fonds specifieke uitvoeringsbepalingen die met name voorschrijven dat afzonderlijke rekeningen worden bijgehouden waarin de nieuwe middelen die in het fonds worden geïnvesteerd, met inbegrip van die welke worden bijgedragen door het ELFPO, worden onderscheiden van die welke oorspronkelijk in de financiële instelling beschikbaar waren. De Commissie kan geen vennoot of aandeelhouder in het fonds worden.

3.   De fondsen investeren in of verstrekken garanties aan ondernemingen bij de oprichting, in de vroegste stadia of bij een uitbreiding van die ondernemingen, zulks alleen voor activiteiten die de beheerders van het fonds als potentieel levensvatbaar beschouwen. Bij de beoordeling van de economische levensvatbaarheid wordt rekening gehouden met alle bronnen van inkomsten van de betrokken ondernemingen. De fondsen investeren niet in en verstrekken geen garanties aan ondernemingen in moeilijkheden in de zin van de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (15).

4.   De beheersautoriteiten en de fondsen nemen voorzorgsmaatregelen om de verstoring van de mededinging op de markt voor risicokapitaal of leningen tot een minimum te beperken. Met name kunnen opbrengsten uit aandelenparticipaties en leningen, na aftrek van een evenredig deel van de beheerskosten, op preferentiële basis worden toegewezen aan de aandeelhouders uit de privésector tot het beloningsniveau dat in de aandeelhoudersovereenkomst is vastgesteld, waarna zij naar evenredigheid over alle aandeelhouders en het ELFPO worden verdeeld.

5.   De beheerskosten van de fondsen mogen gedurende de looptijd van het programma gemiddeld per jaar niet meer bedragen dan 3 % van het gestorte kapitaal (2 % in het geval van garantiefondsen), tenzij na een op concurrentie gebaseerde aanbesteding een hoger percentage noodzakelijk blijkt.

6.   De voorwaarden voor de verlening van bijdragen aan de fondsen in het kader van de programma's voor plattelandsontwikkeling, die onder meer betrekking hebben op de verwachte prestaties, de investeringsstrategie en -planning, de uitoefening van het toezicht, het exitbeleid ten aanzien van de investeringen en de bepalingen inzake de opheffing, worden vastgelegd in een financieringsovereenkomst die moet worden gesloten tussen het fonds enerzijds en de lidstaat of de beheersautoriteit anderzijds.

7.   Voor de bijdragen aan de fondsen uit het ELFPO en uit andere bronnen in de overheidssector en voor de investeringen die de fondsen doen in of de garanties die zij verstrekken aan individuele ondernemingen, gelden de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 of de communautaire voorschriften inzake staatssteun.

Artikel 52

1.   Wat de in artikel 51 van de onderhavige verordening bedoelde acties op het gebied van financiële instrumentering betreft, zijn de uitgaven die overeenkomstig artikel 26, lid 3, onder a), van Verordening (EG) nr. 1290/2005 aan de Commissie worden gedeclareerd, de totale uitgaven die zijn betaald voor de oprichting van of de verlening van bijdragen aan de betrokken fondsen.

Wanneer overeenkomstig artikel 28 van Verordening (EG) nr. 1290/2005 het saldo wordt betaald en het programma voor plattelandsontwikkeling wordt afgesloten, zijn de subsidiabele uitgaven evenwel het totaal van:

a)

de betalingen voor investeringen in ondernemingen uit elk van de betrokken fondsen of de door garantiefondsen verstrekte garanties, met inbegrip van de door garantiefondsen als garanties toegezegde bedragen;

b)

de subsidiabele beheerskosten.

Het verschil tussen de ELFPO-bijdrage die daadwerkelijk voor acties op het gebied van financiële instrumentering is betaald, en de subsidiabele uitgaven zoals bedoeld in de tweede alinea, onder a) of b), wordt verrekend in het kader van de jaarrekeningen over het laatste jaar van uitvoering van het programma.

2.   De rente die is opgebracht door de in het kader van de programma's voor plattelandsontwikkeling aan de fondsen betaalde bedragen, wordt gebruikt voor de financiering van acties op het gebied van financiële instrumentering ten behoeve van individuele ondernemingen.

3.   De middelen die naar de concrete actie terugvloeien als opbrengst van door de fondsen gedane investeringen of die resteren nadat alle garanties gestand zijn gedaan, worden door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten gebruikt ten bate van individuele ondernemingen.

Onderafdeling 4

Normbedragen voor kosten en standaardveronderstellingen over gederfde inkomsten, bijdragen in natura

Artikel 53

1.   Waar dat passend is, kunnen de lidstaten de hoogte van de steun waarin is voorzien bij artikel 31, de artikelen 37 tot en met 41 en de artikelen 43 tot en met 49 van Verordening (EG) nr. 1698/2005, vaststellen op basis van normbedragen voor kosten en standaardveronderstellingen over gederfde inkomsten.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de berekeningen en de desbetreffende steun zoals bedoeld in lid 1:

a)

alleen elementen omvatten die verifieerbaar zijn;

b)

zijn gebaseerd op cijfers die met inzet van geschikte deskundigheid zijn bepaald;

c)

gepaard gaan met informatie die de bron van de cijfers duidelijk aangeeft;

d)

zijn gedifferentieerd om rekening te houden met de regionale of plaatselijke terreingesteldheid en het werkelijke grondgebruik, naargelang van het geval;

e)

wat artikel 31, de artikelen 37 tot en met 40 en de artikelen 43 tot en met 47 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 betreft, geen elementen omvatten die vaste investeringskosten betreffen.

Artikel 54

1.   Voor maatregelen met investeringen kunnen bijdragen in natura van een begunstigde uit de overheids- of de privésector, namelijk de levering van goederen of diensten waarvoor geen door facturen of gelijkwaardige stukken gestaafde betaling in geld wordt gedaan, subsidiabele uitgaven zijn mits de volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)

de bijdragen betreffen de inbreng van grond of onroerend goed, bedrijfsuitrusting of grondstoffen, onderzoeks- of beroepsactiviteiten of onbetaald vrijwilligerswerk;

b)

de bijdragen worden niet geleverd voor in artikel 60 bedoelde acties op het gebied van financiële instrumentering;

c)

de waarde van de bijdragen kan onafhankelijk worden beoordeeld en geverifieerd.

In het geval van de inbreng van grond of onroerend goed wordt de waarde gecertificeerd door een onafhankelijke bevoegde taxateur of bevoegde officiële instantie.

In het geval van onbetaald vrijwilligerswerk wordt de waarde van dat werk bepaald met inachtneming van de eraan bestede tijd en van het uur- en dagtarief van de beloning voor vergelijkbaar werk, zulks voor zover relevant op basis van een vooraf bepaald stelsel voor de toepassing van normbedragen voor kosten, waarbij als voorwaarde geldt dat het controlesysteem een redelijke zekerheid moet bieden dat het werk is uitgevoerd.

2.   De door het ELFPO medegefinancierde overheidsuitgaven die bijdragen tot een concrete actie waarbij bijdragen in natura worden geleverd, mogen aan het einde van de concrete actie niet hoger zijn dan de totale subsidiabele uitgaven exclusief die bijdragen in natura.

Onderafdeling 5

Investeringen

Artikel 55

1.   In het geval van investeringen kunnen de subsidiabele uitgaven slechts betrekking hebben op:

a)

de bouw, verwerving, inclusief leasing, of verbetering van onroerende goederen;

b)

de aankoop of huurkoop van nieuwe machines en bedrijfsuitrusting, met inbegrip van computerprogrammatuur, tot ten hoogste de marktwaarde van het bedrijfsmiddel. Andere kosten in verband met een huurkoopovereenkomst, zoals de marge voor de verhuurder, de met de financiering gemoeide rentekosten, de indirecte kosten en de verzekeringskosten, zijn geen subsidiabele uitgaven;

c)

algemene kosten in verband met de onder a) en b) bedoelde uitgaven, zoals die voor het inschakelen van architecten, ingenieurs en adviseurs, het uitvoeren van haalbaarheidsstudies en het verkrijgen van octrooien en licenties.

In afwijking van de eerste alinea, onder b), en alleen voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie (16), kunnen de lidstaten, wanneer daarvoor goede gronden zijn, de voorwaarden vaststellen waaronder de uitgaven voor de aankoop van tweedehands bedrijfsuitrusting als subsidiabel kunnen worden beschouwd.

2.   In het geval van investeringen in de landbouw komen de aankoop van landbouwproductierechten, dieren en zaai- en pootgoed van jaarlijkse gewassen alsook het planten daarvan niet voor investeringssteun in aanmerking.

In geval van het herstel van door een natuurramp beschadigd agrarisch productiepotentieel zoals bedoeld in artikel 20, onder b), punt vi), van Verordening (EG) nr. 1698/2005, kunnen de uitgaven voor aanschaf van dieren als subsidiabele uitgaven gelden

Gewone vervangingsinvesteringen komen niet voor investeringssteun in aanmerking.

Onderafdeling 6

Betaling van voorschotten voor investeringssteun

Artikel 56

1.   In afwijking van artikel 26 lid 5 van Verordening (EG) 1975/2006 van de Commissie (17), kunnen begunstigden van investeringssteun om betaling van een voorschot door de bevoegde betaalorganen verzoeken indien het programma voor plattelandsontwikkeling in die mogelijkheid voorziet. Wat publiekrechtelijke begunstigden betreft, kan een dergelijk voorschot alleen aan gemeenten en verenigingen daarvan en aan publiekrechterlijke lichamen worden toegekend.

2.   Het voorschot mag niet meer dan 20 % van de overheidssteun voor de investering bedragen en mag eerst worden betaald wanneer een bankgarantie of een gelijkwaardige garantie ten belope van 110 % van het voor te schieten bedrag is gesteld.

Voor de in lid 1 bedoelde publiekrechterlijke begunstigden kan het betaalorgaan evenwel een schriftelijke garantie van hun autoriteit aanvaarden die wordt gesteld overeenkomstig de in de lidstaten geldende bepalingen en die gelijkwaardig is aan het in de eerste alinea bepaalde percentage, mits die autoriteit zich ertoe verbindt het door de garantie gedekte bedrag te betalen indien de betrokkene geen recht op het voorgeschoten bedrag blijkt te hebben.

3.   De garantie wordt vrijgegeven zodra het bevoegde betaalorgaan vaststelt dat de werkelijke uitgaven in verband met de overheidssteun voor de investering het voorschot overtreffen.

Afdeling 2

Staatssteun

Artikel 57

1.   Programma's voor plattelandsontwikkeling kunnen staatsteun omvatten die tot doel heeft aanvullende nationale financiering te verschaffen, zoals bedoeld in artikel 89 van Verordening (EG) nr. 1698/2005, ten behoeve van maatregelen of concrete acties die binnen de werkingssfeer van artikel 36 van het Verdrag vallen, mits die staatssteun overeenkomstig punt 9, onder A, van bijlage II bij de onderhavige verordening is geïdentificeerd.

2.   Programma's voor plattelandsontwikkeling kunnen staatssteun omvatten die tot doel heeft de financiële bijdragen te verschaffen die de lidstaten leveren als tegenwaarde voor de communautaire steun, zoals bedoeld in artikel 88 van Verordening (EG) nr. 1698/2005, ten behoeve van de in de artikelen 25 en 52 van die verordening bedoelde maatregelen en van concrete acties in het kader van de in de artikelen 28 en 29 van die verordening bedoelde maatregelen of om aanvullende nationale financiering zoals bedoeld in artikel 89 van die verordening te verschaffen ten behoeve van de in de artikelen 25, 27 en 52 van die verordening bedoelde maatregelen en van de concrete acties in het kader van de in de artikelen 28 en 29 van die verordening bedoelde maatregelen, welke buiten de werkingssfeer van artikel 36 van het Verdrag vallen, mits die staatssteun overeenkomstig punt 9, onder B, van bijlage II bij de onderhavige verordening is geïdentificeerd.

3.   De uitgaven die worden gedaan voor de in lid 2 van dit artikel bedoelde maatregelen en concrete acties, zijn slechts subsidiabel indien de desbetreffende steun geen onrechtmatige steun in de zin van artikel 1, onder f), van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad (18) is op het tijdstip waarop die steun wordt toegekend.

Indien in het kader van de in lid 2 van dit artikel bedoelde maatregelen steun moet worden toegekend voor concrete acties op basis van bestaande steunregelingen in de zin van artikel 1, onder b) en d), van Verordening (EG) nr. 659/1999, ziet de beheersautoriteit of enige andere bevoegde autoriteit in de lidstaat erop toe dat de eventueel geldende aanmeldingsverplichtingen voor individuele steun in de zin van artikel 1, onder e), van die verordening worden nagekomen en dat concrete acties waarvoor dergelijke verplichtingen gelden, pas worden geselecteerd nadat de desbetreffende steun overeenkomstig artikel 88, lid 3, van het Verdrag is aangemeld bij de Commissie en door haar is goedgekeurd.

Afdeling 3

Voorlichting en publiciteit

Artikel 58

1.   Het programma voor plattelandsontwikkeling bevat een communicatieplan waarin het volgende is opgenomen:

a)

de doeleinden en de doelgroepen;

b)

de inhoud en de strategie van de communicatie- en voorlichtingsmaatregelen, waarbij wordt aangegeven welke maatregelen moeten worden genomen;

c)

de indicatieve begroting voor het communicatieplan;

d)

de administratieve diensten of instanties die worden belast met de uitvoering van het communicatieplan;

e)

de criteria die moeten worden gebruikt om de impact van de voorlichtings- en publiciteitsmaatregelen te evalueren uit het oogpunt van de doorzichtigheid en de bekendheid met de programma's voor plattelandsontwikkeling en met de rol die de Gemeenschap speelt.

2.   Het voor voorlichting en publiciteit bestemde bedrag kan deel uitmaken van de component technische bijstand van het programma voor plattelandsontwikkeling.

3.   Nadere bepalingen over de voorlichting en publiciteit worden vastgesteld in bijlage VI.

Artikel 59

In de vergaderingen van het overeenkomstig artikel 77 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 opgerichte toezichtcomité brengt de voorzitter verslag uit over de vorderingen die bij de uitvoering van de voorlichtings- en publiciteitsmaatregelen worden gemaakt, en geeft hij de leden van het comité voorbeelden van dergelijke maatregelen.

Afdeling 4

Toezicht en evaluatie

Artikel 60

De opbouw en de elementen van de in artikel 82 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde jaarverslagen over de uitvoering zijn vastgesteld in bijlage VII bij de onderhavige verordening.

Artikel 61

De in artikel 86, leden 4 en 5, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde verslagen over de midtermevaluatie en de ex-postevaluatie worden uiterlijk op respectievelijk 31 december 2010 en 31 december 2015 bij de Commissie ingediend.

Indien de lidstaten de verslagen over de midtermevaluatie en de ex-postevaluatie niet uiterlijk op de in de eerste alinea van dit artikel genoemde uiterste data indienen, kan de Commissie de in artikel 27, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1290/2005 bedoelde procedure voor een tijdelijke schorsing van de tussentijdse betalingen toepassen totdat zij die evaluatieverslagen ontvangt.

Artikel 62

1.   Het gemeenschappelijke samenstel van uitgangssituatie-, output-, resultaat- en impactindicatoren voor de programma's voor plattelandsontwikkeling is opgenomen in bijlage VIII bij de onderhavige verordening. Die lijst van indicatoren vormt het in artikel 80 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde gemeenschappelijke toezicht- en evaluatiekader (GTEK).

Waar dat relevant is, worden die indicatoren uitgesplitst naar de leeftijd en het geslacht van de begunstigden en naar de omstandigheid of de maatregelen in probleemgebieden of in onder de convergentiedoelstelling vallende gebieden worden uitgevoerd.

2.   De vorderingen die de output- en de resultaatindicatoren laten zien, worden behandeld in het jaarverslag over de uitvoering. In dat verslag wordt aandacht besteed aan zowel de aanvullende als de gemeenschappelijke indicatoren.

Met het oog op meting van de vorderingen bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma voor plattelandsontwikkeling worden indicatieve streefwaarden voor de output-, resultaat- en impactindicatoren vastgesteld voor de periode van uitvoering van het programma, met inbegrip van de in artikel 89 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde aanvullende nationale financiering.

3.   Door middel van een gemeenschappelijke aanpak samen met de lidstaten stelt de Commissie richtsnoeren betreffende het GTEK vast. Die richtsnoeren bevatten ten minste de volgende elementen:

a)

de eisen inzake het toezicht;

b)

de organisatie van de ex-ante-, de midterm- en de ex-postevaluatie en de gemeenschappelijke evaluatievragen voor elke maatregel voor plattelandsontwikkeling;

c)

richtsnoeren inzake het meldsysteem ten behoeve van de beoordeling van de volgens de indicatoren gemaakte vorderingen;

d)

informatiebladen per maatregel die de interventielogica en de verschillende indicatoren bevatten;

e)

informatiebladen waarin de uitgangssituatie-, output-, resultaat- en impactindicatoren worden beschreven.

Afdeling 5

Elektronische uitwisseling van gegevens en stukken

Artikel 63

1.   In samenwerking met de lidstaten brengt de Commissie een informatiesysteem (hierna „het systeem” genoemd) tot stand om de veilige uitwisseling van gegevens van gemeenschappelijk belang tussen de Commissie en elke lidstaat mogelijk te maken. Die gegevens betreffen niet alleen de administratieve/operationele aspecten, maar ook de financiële aspecten, welke laatste onder artikel 18 van Verordening (EG) nr. 883/2006 van de Commissie (19) vallen.

Het systeem wordt door de Commissie opgezet en geactualiseerd door middel van een gemeenschappelijke aanpak samen met de lidstaten.

2.   Wat het administratieve/operationele beheer betreft, bevat het systeem de gegevens en stukken van gemeenschappelijk belang die de uitoefening van het toezicht mogelijk maken, en met name: de nationale strategische plannen en de bijwerkingen daarvan, de samenvattende verslagen, de programma's en de wijzigingen daarvan, de beschikkingen van de Commissie, de jaarverslagen over de uitvoering, waarin de maatregelen worden gecodeerd overeenkomstig de in bijlage II, punt 7, opgenomen tabel, en de toezicht- en evaluatie-indicatoren zoals vermeld in bijlage VIII.

3.   De beheersautoriteit en de Commissie voeren de stukken waarvoor zij verantwoordelijk zijn, in het systeem in en werken die stukken daarin bij, zulks in het vereiste formaat.

4.   Het systeem is voor de lidstaten en de Commissie toegankelijk hetzij rechtstreeks, hetzij via een interface met de nationale en regionale computerbeheerssystemen die voor een automatische synchronisatie en gegevensinvoer zorgt.

De lidstaten zenden de verzoeken om recht op toegang tot het systeem op gecentraliseerde wijze toe aan de Commissie.

5.   De uitwisselingen van gegevens worden elektronisch ondertekend overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad (20). De lidstaten en de Commissie erkennen de rechtsgeldigheid en de toelaatbaarheid als bewijsmiddel in gerechtelijke procedures van de in het systeem gebruikte elektronische handtekening.

6.   Wat de datum van toezending van stukken aan de Commissie betreft, is de in aanmerking te nemen datum de datum waarop de lidstaat de stukken verzendt na deze in het systeem te hebben ingevoerd.

Een stuk wordt geacht aan de Commissie te zijn gezonden zodra de lidstaat het in het systeem niet langer kan wijzigen of onderdrukken.

7.   De kosten van de ontwikkeling en actualisering van de gemeenschappelijke elementen van het systeem worden uit de Gemeenschapsbegroting gefinancierd overeenkomstig artikel 66, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1698/2005.

Eventuele kosten voor een interface tussen nationale en plaatselijke systemen enerzijds en het systeem anderzijds en eventuele kosten in verband met de aanpassing van nationale en plaatselijke systemen kunnen subsidiabel zijn op grond van artikel 66, lid 2, van die verordening.

8.   In gevallen van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden, en met name bij een storing in het systeem of het ontbreken van een stabiele verbinding, kan de lidstaat de stukken op papier aan de Commissie toezenden. Voor een dergelijke toezending op papier is de voorafgaande formele toestemming van de Commissie vereist.

Zodra het gebruik van het systeem niet langer door de oorzaak van de overmacht of de uitzonderlijke omstandigheden wordt belet, voert de lidstaat de betrokken stukken in het systeem in. In dat geval wordt de datum van verzending geacht de datum te zijn waarop de stukken op papier zijn verzonden.

HOOFDSTUK V

Slotbepalingen

Artikel 64

Verordening (EG) nr. 817/2004 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2007.

Zij blijft van toepassing op de maatregelen die vóór 1 januari 2007 op grond van Verordening (EG) nr. 1257/1999 zijn goedgekeurd.

Artikel 11 van Verordening (EG) nr. 817/2004 en het bepaalde in punt 9.3.V.A, onder 1, en in punt 9.3.V.B, eerste streepje, onder 1, 2 en 3, en tweede streepje, van bijlage II bij die verordening blijven van toepassing tot en met 31 december 2009 in het kader van de toepassing van artikel 94, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1698/2005.

Artikel 65

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing op de steun van de Gemeenschap betreffende de programmeringsperiode die op 1 januari 2007 begint.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 december 2006.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1463/2006 (PB L 277 van 9.10.2006, blz. 1).

(2)  http://www.mcpfe.org/mcpfe/resolutions/lisbon/resolution_l2a2.pdf

(3)  PB L 328 van 23.12.2000, blz. 2. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2060/2004 (PB L 357 van 2.12.2004, blz. 3).

(4)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 80. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1698/2005.

(5)  PB L 153 van 30.4.2004, blz. 30 (gerectificeerde versie in PB L 231 van 30.6.2004, blz. 24). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1360/2005 (PB L 214 van 19.8.2005, blz. 55).

(6)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1.

(7)  PB L 198 van 22.7.1991, blz. 1.

(8)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 1.

(9)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(10)  PB L 179 van 14.7.1999, blz. 1.

(11)  PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1.

(12)  PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.

(13)  PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.

(14)  PB L 209 van 11.8.2005, blz. 1.

(15)  PB C 244 van 1.10.2004, blz. 2.

(16)  PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36.

(17)  Zie bladzijde 74 van dit Publicatieblad.

(18)  PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.

(19)  PB L 171 van 23.6.2006, blz. 1.

(20)  PB L 13 van 19.1.2000, blz. 12.


BIJLAGE I

IN ARTIKEL 2, LID 2, BEDOELDE STEUNREGELINGEN

Groenten en fruit (artikel 14, lid 2, en artikel 15 van Verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad (1))

Wijn (titel II, hoofdstuk III, van Verordening (EG) nr. 1493/1999)

Tabak (artikel 13, lid 2, onder b), van Verordening (EEG) nr. 2075/92 van de Raad (2))

Olijfolie (artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 865/2004 van de Raad (3)

Hop (artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1952/2005 van de Raad (4))

Rundvlees (artikel 132 van Verordening (EG) nr. 1782/2003)

Schapen en geiten (artikel 114, lid 1, en artikel 119 van Verordening (EG) nr. 1782/2003)

Bijenteelt (artikel 2 van Verordening (EG) nr. 797/2004 van de Raad (5))

Suiker (Verordening (EG) nr. 320/2006 van de Raad (6))

Specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden (titel III van Verordening (EG) nr. 247/2006 van de Raad (7)) en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee (hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 1405/2006 van de Raad (8))

Rechtstreekse betalingen (artikel 42, lid 5, en artikel 69 van Verordening (EG) nr. 1782/2003)


(1)  PB L 297 van 21.11.1996, blz. 1.

(2)  PB L 215 van 30.7.1992, blz. 70.

(3)  PB L 161 van 30.4.2004, blz. 97 (gerectificeerde versie in PB L 206 van 9.6.2004, blz. 37).

(4)  PB L 314 van 30.11.2005, blz. 1.

(5)  PB L 125 van 28.4.2004, blz. 1.

(6)  PB L 58 van 28.2.2006, blz. 42.

(7)  PB L 42 van 14.2.2006, blz. 1.

(8)  PB L 265 van 26.9.2006, blz. 1.


BIJLAGE II

A.   INHOUD VAN EEN PROGRAMMA VOOR PLATTELANDSONTWIKKELING (ARTIKEL 5)

1.   Titel van het programma voor plattelandsontwikkeling

2.   Lidstaat en bestuurlijke regio (indien relevant)

2.1   Door het programma bestreken geografisch gebied

(Artikel 15, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1698/2005)

2.2   Onder de convergentiedoelstelling vallende regio’s

(Artikel 16, onder d), en artikel 69 van Verordening (EG) nr. 1698/2005)

Geef aan:

de convergentieregio’s.

3.   Analyse van de situatie wat de sterke en de zwakke punten betreft, de op basis daarvan gekozen strategie en de ex-ante-evaluatie

(Artikel 16, onder a), en artikel 85 van Verordening (EG) nr. 1698/2005)

3.1   Analyse van de situatie wat de sterke en de zwakke punten betreft

Beschrijf de bestaande situatie in het geografische gebied met gebruikmaking van gekwantificeerde gegevens en met beklemtoning van de sterke en de zwakke punten, de ongelijkheden, de behoeften, de achterstanden en de mogelijkheden voor plattelandsontwikkeling op basis van de in bijlage VIII omschreven uitgangssituatie-indicatoren en van andere relevante, aanvullende indicatoren. Deze beschrijving moet betrekking hebben op:

—   De algemene sociaal-economische context in het geografische gebied: de definitie van een plattelandsgebied met inachtneming van het bepaalde in punt 2.4 van de bijlage bij Besluit 2006/144/EG van de Raad (1); de demografische situatie met inbegrip van een analyse van de opbouw van de bevolking naar leeftijd en geslacht, de inkomende en de uitgaande migratie en de problemen als gevolg van peri-urbane druk of een afgelegen ligging; aandrijvers van de economie, productiviteit en groei; de arbeidsmarkt, in het bijzonder de werkgelegenheidsstructuur, de werkloosheid en de opleidingsniveaus, met inbegrip van een analyse van de werkgelegenheidssituatie naar leeftijd en geslacht; het grondgebruik en de eigendomsstructuur in het algemeen en in de landbouw/bosbouw, de gemiddelde grootte van de bedrijven.

—   Prestaties van de landbouw-, de bosbouw- en de voedingssector: concurrentievermogen van de landbouw-, de bosbouw- en de voedingssector, analyse van de structurele nadelen en bepaling van de herstructurerings- en moderniseringsbehoeften; menselijk kapitaal en ondernemerschap; mogelijkheden voor innovatie en kennisoverdracht; kwaliteit en naleving van de communautaire normen.

—   Milieu en landbeheer: de handicaps waarvoor landbouwbedrijven zich geplaatst zien in gebieden die verlaten en gemarginaliseerd dreigen te worden; een algemene beschrijving van de biodiversiteit met een accent op de biodiversiteit die samenhangt met land- en bosbouw, inclusief land- en bosbouwsystemen met een hoge natuurwaarde, de situatie ten aanzien van de uitvoering van de Natura 2000-richtlijnen op het landbouw-/bosareaal; beschrijvende kenmerken van de waterkwaliteit en -hoeveelheid, rol van de landbouw in het watergebruik/de watervervuiling en uitvoering van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad (2) (nitraatrichtlijn) en Richtlijn 2006/60/EG (kaderrichtlijn water); luchtvervuiling en klimaatverandering en de samenhang daarvan met de landbouw: emissies van broeikasgassen en ammoniak en het verband met verschillende actieplannen/initiatieven van de lidstaat/regio om bij te dragen tot de verwezenlijking van internationale doelstellingen, met inbegrip van de code van goede werkwijzen ter vermindering van ammoniakemissies (Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand); gebruik van bio-energie; beschrijvende kenmerken van de bodemkwaliteit (water- en winderosie, organische stof, verontreiniging) en bescherming van de bodemkwaliteit, gebruik van bestrijdingsmiddelen, biologische landbouw en dierenwelzijn; omvang van de beschermende en de beschermde bosgebieden, zeer/middelmatig brandgevaarlijke bosgebieden, gemiddelde jaarlijkse verandering van de bosbedekking. De bovengenoemde beschrijvende kenmerken dienen te worden gestaafd aan de hand van gekwantificeerde gegevens.

—   Plattelandseconomie en leefkwaliteit: structuur van de plattelandseconomie, belemmeringen voor het scheppen van alternatieve werkgelegenheid, oprichting van micro-ondernemingen en toerisme; beschrijving van de voorzieningen op het platteland, met inbegrip van toegang tot onlinediensten en breedbandinfrastructuur, en analyse van het tekort eraan; infrastructuurbehoeften, cultureel erfgoed en bebouwde omgeving in de dorpen; menselijk potentieel en plaatselijke capaciteit voor ontwikkeling, met inbegrip van de kwaliteit van het bestuur.

—   Leader: de gebieden van de lidstaat en het aantal inwoners daarvan die in de programmeringsperiode 2000-2006 vielen onder geïntegreerde strategieën van onderop voor plattelandsontwikkeling (Leader+ en andere nationale of door de Gemeenschap medegefinancierde programma’s).

3.2   De op basis van de sterke en de zwakke punten gekozen strategie

Beschrijf de keuze van maatregelen voor plattelandsontwikkeling om de situatie op het platteland aan te pakken en de hiërarchie van die maatregelen, verstrek informatie over het aan de verschillende assen en maatregelen gegeven financiële gewicht en geef aan hoe een en ander door de analyse van de sterke en de zwakke punten wordt gerechtvaardigd.

3.3   De ex-ante-evaluatie

Deze in het programma op te nemen evaluatie omvat de bepaling en beoordeling van de in artikel 85 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 genoemde elementen: de behoeften op middellange en lange termijn, de te bereiken doeleinden, de verwachte resultaten, de gekwantificeerde streefwaarden, met name wat de impact in vergelijking met de uitgangssituatie betreft, de toegevoegde waarde van het optreden van de Gemeenschap, de mate waarin rekening is gehouden met de communautaire prioriteiten, de uit de voorgaande programmering getrokken lessen en de kwaliteit van de regelingen voor de uitvoering, het toezicht, de evaluatie en het financieel beheer.

Bij de ex-ante-evaluatie wordt ook voldaan aan de eisen op het gebied van milieubeoordeling zoals vastgesteld bij Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) (de „richtlijn strategische milieubeoordeling”).

De volledige ex-ante-evaluatie wordt als bijlage aan het programma voor plattelandsontwikkeling toegevoegd.

3.4   Impact van de voorgaande programmeringsperiode en andere informatie

Beschrijf de impact op dezelfde programmeringsregio van de financiële middelen uit het EOGFL die in de voorgaande programmeringsperiode zijn toegewezen voor plattelandsontwikkeling. Neem een samenvatting op van de resultaten van de evaluaties.

Indien naast de maatregelen voor plattelandsontwikkeling en de begeleidende maatregelen van de Gemeenschap nog verdere maatregelen een impact hebben gehad op de betrokken programmeringsregio, moeten ook deze maatregelen worden beschreven voor zover dat relevant is.

4.   Motivering van de gekozen prioriteiten in het licht van de communautaire strategische richtsnoeren en het nationaal strategisch plan en de op grond van de ex-ante-evaluatie verwachte impact

(Artikel 16, onder b), van Verordening (EG) nr. 1698/2005)

4.1   Motivering van de gekozen prioriteiten in het licht van de communautaire strategische richtsnoeren en het nationaal strategisch plan

Beschrijf hoe de in het programma voor plattelandsontwikkeling geselecteerde maatregelen en het aan de vier assen gegeven financiële gewicht verband houden met het nationaal strategisch plan en met de specifieke nationale situatie.

4.2   Op grond van de ex-ante-evaluatie verwachte impacts van de gekozen prioriteiten

In het programma voor plattelandsontwikkeling wordt een (op de als bijlage bij het programma gevoegde volledige ex-ante-evaluatie gebaseerde) samenvatting van de ex-ante-evaluatie opgenomen en wordt aangegeven hoe de beheersautoriteit rekening heeft gehouden met de resultaten van die evaluatie. In dit deel worden ook de verwachte impacts van synergieën tussen assen en maatregelen behandeld en wordt besproken hoe geïntegreerde acties die tot verschillende assen en maatregelen behoren, kunnen bijdragen tot positieve externe omstandigheden en tot win-winsituaties.

5.   Informatie over de assen en de voor elke as beoogde maatregelen en een beschrijving daarvan

(Artikel 16, onder c), van Verordening (EG) nr. 1698/2005)

Deze informatie omvat de beschrijving van de assen en de beoogde maatregelen, de specifieke verifieerbare doelstellingen en de in artikel 81 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde indicatoren die het mogelijk maken de voortgang, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het programma te meten. Tot deze indicatoren behoren de in het GTEK (bijlage VIII bij de onderhavige verordening) opgenomen gemeenschappelijke indicatoren en aanvullende indicatoren die specifiek zijn voor het programma.

5.1   Algemene eisen

vermeld het specifieke artikel (en in voorkomend geval het lid daarvan) waaronder elke maatregel voor plattelandsontwikkeling valt. Worden twee of meer artikelen genoemd (voor geïntegreerde concrete acties), dan wordt de steun toegerekend aan de overheersende maatregel en daardoor aan de overheersende as (artikel 70, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1698/2005), waarbij echter elk onderdeel moet worden uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften inzake de betrokken afzonderlijke maatregel;

vermeld de beweegredenen voor de steunverlening, de doelstellingen, de reikwijdte en de acties, de indicatoren, de gekwantificeerde streefwaarden en, waar dat passend is, de begunstigden.

5.2   Voor alle of verscheidene maatregelen geldende eisen

Referentie van alle lopende verrichtingen/contracten uit de voorgaande periode, waarbij ook financiële informatie dient te worden verstrekt en de procedures/bepalingen (inclusief de overgangsbepalingen) dienen te worden vermeld die daarvoor gelden overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006 van de Commissie houdende bepalingen voor de overgang naar de in Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad bedoelde steun voor plattelandsontwikkeling (4). Als in het programma afwijkingen van de in bijlage II bij die verordening opgenomen overeenstemmingstabel worden voorgesteld, moeten die afwijkingen in het onderhavige streepje worden uitgelegd. Voor verrichtingen (concrete acties) die behoren tot maatregelen die in de programmeringsperiode 2007-2013 niet langer zullen worden toegepast, kan de beschrijving beperkt blijven tot de gegevens die op grond van het onderhavige streepje moeten worden verstrekt.

Een bevestiging dat voor de in de artikelen 25 en 52 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde maatregelen en voor de buiten de werkingssfeer van artikel 36 van het Verdrag vallende concrete acties in het kader van de in de artikelen 28 en 29 van die verordening bedoelde maatregelen de inachtneming wordt gegarandeerd van de op grond van de artikelen 87 tot en met 89 van het Verdrag geldende procedures inzake staatssteun en materiële criteria voor de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt, waaronder met name de maxima voor de totale overheidssteun.

Een bevestiging dat de randvoorwaarden die worden gehanteerd in het kader van de toepassing van verscheidene maatregelen voor plattelandsontwikkeling, dezelfde zijn als die waarin Verordening (EG) nr. 1782/2003 voorziet.

Wat investeringsmaatregelen betreft, het bewijs dat de steun is gericht op duidelijk omschreven doelstellingen die betrekking hebben op onderkende territoriale behoeften en structurele nadelen.

De criteria en administratieve voorschriften om ervoor te zorgen dat concrete acties die tot de werkingssfeer van de in bijlage I bij de onderhavige verordening genoemde steunregelingen behoren en waarvoor bij uitzondering steun voor plattelandsontwikkeling wordt verleend, niet tevens worden ondersteund in het kader van andere relevante instrumenten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

Het in artikel 48, lid 2, van de onderhavige verordening bedoelde bewijs, zodat de Commissie kan controleren of de berekeningen coherent en aannemelijk zijn.

Bij gebruik van rentesubsidies en systemen voor de kapitalisatie daarvan en van acties op het gebied van financiële instrumentering, de in de artikelen 49 tot en met 52 van de onderhavige verordening bedoelde regelingen.

5.3   Voor de assen en maatregelen benodigde informatie

Over de maatregelen moet de volgende specifieke informatie worden verstrekt:

5.3.1   As 1: Verbetering van het concurrentievermogen van de land- en de bosbouwsector

Gemeenschappelijke eisen voor bepaalde maatregelen betreffende de bosbouw

het verband van de voorgestelde acties met het nationale/subnationale bosplan of een gelijkwaardig instrument en met de bosbouwstrategie van de Gemeenschap.

5.3.1.1   Maatregelen om kennis te bevorderen en het menselijke potentieel te verbeteren

5.3.1.1.1   Acties op het gebied van beroepsopleiding en voorlichting,met inbegrip van de verspreiding van wetenschappelijke kennis en innovatieve werkwijzen, ten behoeve van in de sectoren landbouw, voeding en bosbouw werkzame personen

beschrijving van de concrete acties (inclusief de typen van opleiding) en het type van begunstigden,

bijzonderheden over het bereik van de steun.

5.3.1.1.2   Vestiging van jonge landbouwers

de door de lidstaat/regio gebruikte definitie van „vestiging”,

een samenvatting van de aan het bedrijfsplan gestelde eisen, met inbegrip van de eisen betreffende eventuele investeringen om binnen een extra termijn van 36 maanden aan bestaande normen te voldoen, en nadere gegevens over de frequentie waarmee de uitvoering van het bedrijfsplan wordt beoordeeld, en over de behandeling van die beoordelingen,

gebruik van de mogelijkheid te laten profiteren van de extra termijn om de vereiste vakbekwaamheid en deskundigheid te verwerven,

gebruik van de mogelijkheid verschillende maatregelen te laten combineren door middel van het bedrijfsplan, dat de jonge landbouwer dan toegang tot die maatregelen geeft,

steunbedrag en keuze wat de betaling daarvan betreft (eenmalige premie in ten hoogste vijf tranches, een rentesubsidie of een combinatie van deze twee vormen van betaling).

5.3.1.1.3   Vervroegde uittreding van landbouwers en werknemers in de landbouw

beschrijving van het verband met de nationale pensioenregelingen,

beschrijving van het verband met de maatregel inzake de vestiging van jonge landbouwers (in het geval dat ervoor is gekozen die maatregel in het programma op te nemen),

duur van de steunverlening,

gebruik van de mogelijkheid vrijgekomen grond te laten overnemen door een instantie die zich ertoe verbindt die grond op een later tijdstip door te geven,

bedragen van de betalingen.

5.3.1.1.4   Gebruik van op landbouwbedrijven of de bosbouw gerichte adviesdiensten

beschrijving van de op landbouwbedrijven/de bosbouw gerichte adviseringssystemen die door de lidstaat zijn opgezet, met inbegrip van de procedure voor de selectie van de instanties die met de verlening van de betrokken adviesdiensten aan landbouwers/bosbezitters worden belast,

steunbedrag en steunpercentage.

5.3.1.1.5   Oprichting van diensten ter ondersteuning van het bedrijfsbeheer, bedrijfsverzorgingsdiensten en bedrijfsadviesdiensten

beschrijving van de procedures voor de oprichting, de status van de dienstverleners en de aard van de te verlenen diensten,

beschrijving van de soorten van subsidiabele uitgaven en vermelding van het steunniveau, met inbegrip van de degressiviteit daarvan.

5.3.1.2   Maatregelen om het fysieke potentieel te herstructureren en te ontwikkelen en innovatie te bevorderen

5.3.1.2.1   Modernisering van landbouwbedrijven

beschrijving van de eisen en streefwaarden wat de verbetering van de algehele prestatie van de landbouwbedrijven betreft,

soorten van investeringen (materieel-immaterieel),

typen van begunstigden,

aanwijzing van de pas ingevoerde communautaire normen (en van de bestaande communautaire normen in het geval van jonge landbouwers die vestigingssteun ontvangen) waarvoor steun kan worden toegekend, motivering aan de hand van de specifieke problemen die bij het voldoen aan die normen worden ondervonden, en duur en motivering van de extra termijn per betrokken norm,

aard van de steun en steunintensiteit.

5.3.1.2.2   Verbetering van de economische waarde van bossen

soorten van investeringen en betrokken typen van begunstigden,

aard van de steun en steunintensiteit.

5.3.1.2.3   Verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten

beschrijving van de eisen en streefwaarden wat de verbetering van de algehele prestatie van de ondernemingen betreft,

sectoren van de primaire productie en soorten van investeringen (materieel-immaterieel),

typen en omvang van de begunstigde ondernemingen,

aanwijzing van de normen waarvoor micro-ondernemingen een extra termijn kan worden toegestaan om aan een pas ingevoerde communautaire norm te voldoen,

aard van de steun en steunintensiteit.

5.3.1.2.4   Samenwerking voor de ontwikkeling van nieuwe producten, procédés en technologieën in de landbouw-, de voedings- en de bosbouwsector

betrokken sectoren en typen van bij de samenwerkingsprojecten betrokken partners,

beschrijving van eventuele verschillen tussen samenwerkingsprojecten op het gebied van nieuwe producten/nieuwe procédés/nieuwe technologieën,

typen van subsidiabele kosten en steunniveaus.

5.3.1.2.5   Infrastructuur voor de ontwikkeling en aanpassing van de land- en de bosbouw

beschrijving van de aard van de concrete acties.

5.3.1.2.6   Herstel van door een natuurramp beschadigd agrarisch productiepotentieel en het treffen van passende preventieve maatregelen

de verzekering dat, als een dergelijke gebeurtenis zich voordoet, alleen investeringsuitgaven in aanmerking worden genomen.

5.3.1.3   Maatregelen om de kwaliteit van de landbouwproductie en van de landbouwproducten te verbeteren

5.3.1.3.1   Voldoen aan op communautaire regelgeving gebaseerde normen

lijst van de op communautaire regelgeving gebaseerde normen waarvoor steun kan worden verleend op grond van artikel 31, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1698/2005, datum vanaf welke elke norm in overeenstemming met de communautaire regelgeving een dwingende norm wordt, en motivering van de keuze,

beschrijving van het belangrijke effect dat de door de nieuwe norm opgelegde verplichtingen of beperkingen hebben op de exploitatiekosten van landbouwbedrijven,

steunbedrag per subsidiabele norm en voor de bepaling van dat bedrag gebruikte methodologie.

5.3.1.3.2   Deelname door landbouwers aan voedselkwaliteitsregelingen

lijst van de communautaire en nationale kwaliteitsregelingen waarvoor steun kan worden verleend, met inbegrip van de lijst van de voor steun in aanmerking komende producten die onder de gekozen kwaliteitsregelingen vallen. Voor nationale regelingen, beschrijving van de regeling in het licht van de bij artikel 22, lid 2, vastgestelde criteria,

vermelding van de officiële autoriteit of autoriteiten die is of zijn belast met het toezicht op het functioneren van de kwaliteitsregeling, en beschrijving van de organisatorische regelingen voor het toezicht,

steunbedrag per type van subsidiabele regeling en motivering van de vaste kosten.

5.3.1.3.3   Activiteiten op het gebied van voorlichting en afzetbevordering

lijst van de voor steun in aanmerking komende producten die vallen onder een kwaliteitsregeling die is gekozen bij de maatregel „deelname door landbouwers aan voedselkwaliteitsregelingen”,

procedure om ervoor te zorgen dat acties waarvoor steun voor plattelandsontwikkeling wordt verleend, niet tevens worden ondersteund in het kader van Verordening (EG) nr. 2826/2000,

procedure voor de voorafgaande controles van het voorlichtings-, afzetbevorderings- en reclamemateriaal (artikel 23, lid 6, van de onderhavige verordening),

beknopte beschrijving van het type van subsidiabele kosten en vermelding van de steunpercentages.

5.3.1.4   Overgangsmaatregelen voor Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije

5.3.1.4.1   Steun aan semi-zelfvoorzieningsbedrijven die worden geherstructureerd

definitie van een semi-zelfvoorzieningsbedrijf aan de hand van de minimale en/of de maximale bedrijfsomvang, het in de handel gebrachte deel van de productie en/of het inkomensniveau van een subsidiabel bedrijf;

definitie van de toekomstige economische levensvatbaarheid;

een samenvatting van de aan het bedrijfsplan gestelde eisen;

het steunbedrag en de duur van de steunverlening.

5.3.1.4.2   Oprichting van producentengroeperingen

beschrijving van de officiële procedure voor de erkenning van producentengroeperingen, met inbegrip van de selectiecriteria;

de betrokken sectoren;

alleen voor Malta, vermelding van de sector of sectoren waarvoor de afwijking geldt, waarbij dit moet worden gemotiveerd aan de hand van de uiterst geringe totale productie, en vermelding van de voorwaarden om voor de afwijking in aanmerking te komen: percentage van de totale productie in de sector dat minimaal afkomstig moet zijn van de groepering, en minimumaantal producenten in de sector dat lid moet zijn van de groepering;

alleen voor Malta, motivering van de jaarlijkse bedragen.

5.3.2   As 2: Verbetering van het milieu en het platteland

5.3.2.1   Maatregelen om een duurzaam gebruik van landbouwgrond te bevorderen

Voor bepaalde maatregelen gemeenschappelijke eisen

Gedetailleerde beschrijving van de nationale uitvoering van de betrokken maatregelen:

specifiek voor de toepassing van artikel 39, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1698/2005, de minimumeisen inzake het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen en de andere relevante dwingende eisen; de minimumeisen voor meststoffen moeten onder meer omvatten de codes van goede landbouwmethoden die op grond van Richtlijn 91/676/EEG zijn ingevoerd voor de landbouwbedrijven buiten de kwetsbare zones in de zin van die richtlijn, en eisen betreffende de vervuiling met fosfor; de minimumeisen voor gewasbeschermingsmiddelen moeten onder meer omvatten de eis in het bezit te zijn van een vergunning voor het gebruik van dergelijke producten, de eis de opleidingsverplichtingen na te komen, eisen betreffende een veilige opslag, eisen betreffende het controleren van de machines voor toediening van dergelijke producten en regels betreffende het gebruik van bestrijdingsmiddelen dicht bij water en op andere gevoelige locaties, zoals vastgeled bij nationale wetgeving;

specifiek voor de toepassing van artikel 40, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1698/2005, de andere relevante dwingende eisen die in nationale wetgeving zijn vastgesteld.

5.3.2.1.1   Betalingen voor natuurlijke handicaps aan landbouwers in berggebieden

Het bepaalde in deel A, punt 1, en deel B, eerste streepje, punten 1, 2 en 3, en tweede streepje, van paragraaf 9, onderdeel 3, hoofdstuk V, van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 817/2004 is van toepassing tot en met 31 december 2009. Het onderscheid tussen de delen A en B, die respectievelijk hoofdkenmerken en andere elementen betreffen, komt evenwel te vervallen.

5.3.2.1.2   Betalingen aan landbouwers in andere gebieden met handicaps dan berggebieden

Punt 5.3.2.1.1 is van toepassing.

5.3.2.1.3   Natura 2000-betalingen en betalingen in verband met Richtlijn 2000/60/EG

de ter uitvoering van de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG aangewezen zones en de verplichtingen die voor de landbouwers voortvloeien uit de desbetreffende nationale/regionale beheersbepalingen;

beschrijving van de methodologie en de als referentiepunt gebruikte agronomische veronderstellingen die worden toegepast bij de berekeningen om de extra kosten en de gederfde inkomsten aan te tonen die het gevolg zijn van de nadelen die in de betrokken zone verband houden met de uitvoering van de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG (5);

de steunbedragen.

5.3.2.1.4   Agromilieubetalingen

beschrijving en motivering van de verschillende typen van verbintenissen, uitgaande van de verwachte milieu-impact ervan in het licht van de behoeften en prioriteiten op milieugebied,

beschrijving van de methodologie en de als referentiepunt gebruikte agronomische veronderstellingen en parameters (inclusief een beschrijving van de voor elk specifiek type van verbintenis relevante basiseisen zoals bedoeld in artikel 39, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1698/2005) die worden toegepast bij de berekeningen om aan te tonen: a) de extra kosten en b) de gederfde inkomsten die het gevolg zijn van de aangegane verbintenis, en c) de hoogte van de transactiekosten; waar dat relevant is, moet in het kader van die methodologie rekening worden gehouden met de overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1782/2003 toegekende steun; in voorkomend geval, de omrekeningsmethode die overeenkomstig artikel 27, lid 9, van de onderhavige verordening voor andere eenheden wordt gebruikt,

de steunbedragen,

de maatregelen, doelstellingen en criteria die worden toegepast in het geval dat de begunstigden overeenkomstig artikel 39, lid 4, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 worden geselecteerd door middel van een inschrijving,

de lijst van de lokale rassen die voor de veehouderij verloren dreigen te gaan, en het betrokken aantal vrouwelijke fokdieren. Dit aantal moet worden gecertificeerd door een naar behoren erkende technische instantie (of organisatie/vereniging van fokkers), die het stamboek voor het betrokken ras moet registreren en bijhouden. Het bewijs dat de betrokken instantie over de nodige vaardigheden en kennis beschikt om dieren van de rassen die verloren dreigen te gaan, te kunnen identificeren,

voor plantaardige genetische hulpbronnen die door genetische erosie worden bedreigd, het bewijs van de genetische erosie op basis van wetenschappelijke resultaten en indicatoren betreffende het voorkomen van inheemse/oorspronkelijke (lokale) rassen, de diversiteit van de betrokken populaties en de op plaatselijk niveau overheersende landbouwmethoden,

wat de instandhouding van genetische hulpbronnen in de landbouw (artikel 39, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1698/2005) betreft: de typen van begunstigden en van concrete acties en bijzonderheden over de subsidiabele kosten.

5.3.2.1.5   Dierenwelzijnsbetalingen

beschrijving en motivering van de verschillende typen van verbintenissen op ten minste één van de in artikel 27, lid 7, van de onderhavige verordening genoemde gebieden, uitgaande van de verwachte impact ervan,

beschrijving van de methodologie en de als referentiepunt gebruikte agronomische/zoötechnische veronderstellingen en parameters (inclusief een beschrijving van de voor elk specifiek type van verbintenis relevante basiseisen zoals bedoeld in artikel 40, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1698/2005) die worden toegepast bij de berekeningen om aan te tonen: a) de extra kosten en de gederfde inkomsten die het gevolg zijn van de aangegane verbintenis, en b) de hoogte van de transactiekosten,

de steunbedragen.

5.3.2.1.6   Steun voor niet-productieve investeringen

bepaling van de te steunen concrete acties,

beschrijving van het verband met verbintenissen in het kader van de in artikel 36, onder a), punt iv), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde maatregel of met andere agromilieudoelstellingen,

beschrijving van de te vergroten maatschappelijke belevingswaarde van een Natura 2000-zone of van een ander gebied met een hoge natuurwaarde.

5.3.2.2   Maatregelen om een duurzaam gebruik van bosgrond te bevorderen

Voor alle maatregelen gemeenschappelijke eisen:

het verband van de voorgestelde acties met het nationale/subnationale bosplan of een gelijkwaardig instrument en met de bosbouwstrategie van de Gemeenschap,

een verwijzing naar de bosbeschermingsplannen voor de gebieden die zijn ingedeeld in de klasse zeer brandgevaarlijk of de klasse middelmatig brandgevaarlijk, en de elementen die ervoor zorgen dat de voorgestelde acties in overeenstemming zijn met die bosbeschermingsplannen.

5.3.2.2.1   Eerste bebossing van landbouwgrond

definitie van „landbouwgrond”,

definitie van „landbouwer”,

de voor de selectie van de te bebossen oppervlakten geldende voorschriften en criteria die ervoor moeten zorgen dat de geplande acties zijn aangepast aan de plaatselijke omstandigheden en dat zij verenigbaar zijn met de milieueisen, in het bijzonder op het gebied van de biodiversiteit, overeenkomstig artikel 50, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 en artikel 34, lid 2, van de onderhavige verordening,

beschrijving van de methodologie voor de berekening van de aanleg- en de onderhoudskosten en van de te compenseren gederfde inkomsten. Waar dat relevant is voor de gederfde inkomsten, moet bij die methodologie rekening worden gehouden met de op grond van Verordening (EG) nr. 1782/2003 toegekende steun,

de intensiteit van de steun voor de aanlegkosten, de bedragen van de jaarlijkse premies om bij te dragen in de dekking van de onderhoudskosten en van de gederfde inkomsten en de duur van de periode waarin die jaarlijkse premies worden verleend.

5.3.2.2.2   Eerste totstandbrenging van boslandbouwsystemen op landbouwgrond

definitie van de te steunen boslandbouwsystemen,

gebruik voor bosbouw,

gebruik voor landbouw,

de plantdichtheden,

beschrijving van de methodologie voor de berekening van de aanlegkosten,

intensiteit van de steun voor de aanlegkosten.

5.3.2.2.3   Eerste bebossing van andere grond dan landbouwgrond

voorschriften en criteria voor de aanwijzing van de te bebossen oppervlakten,

voorschriften die ervoor moeten zorgen dat de geplande acties zijn aangepast aan de plaatselijke omstandigheden en dat zij verenigbaar zijn met de milieueisen, in het bijzonder op het gebied van de biodiversiteit,

beschrijving van de methodologie voor de berekening van de aanleg- en de onderhoudskosten,

intensiteit van de steun voor de aanlegkosten.

5.3.2.2.4   Natura 2000-betalingen

de ter uitvoering van de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG aangewezen zones en de verplichtingen die voor boseigenaren voortvloeien uit de desbetreffende nationale/regionale beheersbepalingen,

beschrijving van de methodologie voor de berekeningen om de gemaakte kosten en de gederfde inkomsten aan te tonen die voortvloeien uit de beperkingen op het gebruik van bossen en andere beboste grond als gevolg van de toepassing van de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG in de betrokken zone,

steunbedrag.

5.3.2.2.5   Bosmilieubetalingen

motivering van de verbintenissen, uitgaande van de verwachte milieu-impact ervan in het licht van de behoeften en prioriteiten op milieugebied,

beschrijving van de methodologie en de als referentiepunt gebruikte veronderstellingen en parameters die worden toegepast bij de berekeningen om de extra kosten en de gederfde inkomsten aan te tonen die het gevolg zijn van de aangegane verbintenis,

steunbedrag.

5.3.2.2.6   Herstel van bosbouwpotentieel en het treffen van preventieve maatregelen

aard van de uit te voeren acties en de preventieplannen.

5.3.2.2.7   Steun voor niet-productieve investeringen

bepaling van de te steunen concrete acties,

beschrijving van het verband met verbintenissen in het kader van de in artikel 36, onder b), punt v), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde maatregel of met een andere milieudoelstelling,

beschrijving van de te vergroten recreatieve waarde voor het publiek.

5.3.3   As 3: Leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie

5.3.3.1   Maatregelen om de plattelandseconomie te diversifiëren

5.3.3.1.1   Diversificatie naar niet-agrarische activiteiten

activiteitengebieden waarnaar kan worden gediversifieerd,

steunintensiteit.

5.3.3.1.2   Steun voor de oprichting en ontwikkeling van micro-ondernemingen

typen van begunstigde ondernemingen,

beschrijving van de aard van de concrete acties,

steunintensiteit.

5.3.3.1.3   Bevordering van toeristische activiteiten

beschrijving van de aard van de in aanmerking komende concrete acties zoals bedoeld in artikel 55 van Verordening (EG) nr. 1698/2005,

steunintensiteit.

5.3.3.2   Maatregelen om de leefkwaliteit op het platteland te verbeteren

5.3.3.2.1   Basisvoorzieningen voor de economie en de plattelandsbevolking

typen van gesteunde voorzieningen,

soorten in aanmerking komende kosten.

5.3.3.2.2   Dorpsvernieuwing en -ontwikkeling

typen van gesteunde acties,

soorten in aanmerking komende kosten.

5.3.3.2.3   Instandhouding en opwaardering van het landelijke erfgoed

beschrijving van de aard van de in aanmerking komende concrete acties zoals bedoeld in artikel 57 van Verordening (EG) nr. 1698/2005.

5.3.3.3   Opleiding en voorlichting

terrein(en) waarop de opleiding en voorlichting betrekking hebben,

aard van de economische actoren die van de beoogde acties kunnen profiteren.

5.3.3.4   Verwerving van vakkundigheid, dynamisering en uitvoering

verwerving van vakkundigheid en dynamisering: beschrijving van de aard van de in aanmerking komende concrete acties,

publiek-private partnerschappen zoals bedoeld in artikel 59, onder e), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 die niet onder artikel 62, lid 1, onder b), van die verordening vallen en plaatselijke ontwikkelingsstrategieën zullen uitvoeren: beschrijving van de aard van die partnerschappen (vertegenwoordigde partners, percentage vertegenwoordigde partners uit de privésector, beslissingsbevoegdheid), indicatieve schatting van het aantal publiek-private partnerschappen en van hun geografische werkgebied en de door hen bestreken bevolking; indicatieve informatie over de tot as 3 behorende maatregelen die door deze publiek-private partnerschappen zullen worden uitgevoerd; voorschriften die ervoor moeten zorgen dat de beheerskosten van die partnerschappen niet hoger zijn dan 15% van de overheidsuitgaven voor hun plaatselijke ontwikkelingsstrategie.

5.3.4   As 4: Uitvoering van de Leader-aanpak

5.3.4.1   Plaatselijke ontwikkelingsstrategieën

procedure en tijdschema voor de selectie van de plaatselijke groepen, met vermelding van onder meer de objectieve selectiecriteria, het geplande indicatieve aantal plaatselijke groepen en het geplande percentage door een plaatselijke ontwikkelingsstrategie bestreken plattelandsgebieden,

motivering voor de selectie van gebieden waarvan het inwonertal niet binnen de in artikel 37, lid 3, bepaalde grenzen valt,

procedure voor de selectie van concrete acties door de plaatselijke groepen,

beschrijving van de kanalen voor de financiering van de plaatselijke groepen.

5.3.4.2   Interterritoriale en transnationale samenwerking

procedure, tijdschema en objectieve criteria voor de selectie van projecten op het gebied van interterritoriale en transnationale samenwerking.

5.3.4.3   Beheer van de plaatselijke groep, verwerving van vakkundigheid en dynamisering van het gebied

deel van de begroting van de plaatselijke groepen dat maximaal mag worden gebruikt voor het beheer van die groepen,

indicatieve raming van de uitgaven zoals bedoeld in artikel 59, onder a) tot en met d), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 die zullen worden gedaan voor de verwerving van vakkundigheid en dynamisering in het kader van de as Leader.

6.   Een financieringsplan dat twee tabellen omvat

(Artikel 16, onder d), van Verordening (EG) nr. 1698/2005)

6.1   Jaarlijkse bijdrage uit het ELFPO (in EUR)

Jaar

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Totaal ELFPO

 

 

 

 

 

 

 

Convergentieregio’s (6)

 

 

 

 

 

 

 

6.2.   Financieringsplan per as (in EUR, gehele periode) (7)

As

Overheidsbijdragen

Totaal

Procentuele ELFPO-bijdrage

(%)

Bedrag van de ELFPO-bijdrage

As 1

 

 

 

As 2

 

 

 

As 3

 

 

 

As 4

 

 

 

Technische bijstand

 

 

 

Totaal

 

 

 

N.B.: Overgangsuitgaven zoals bedoeld in punt 5.2, eerste streepje, van deze bijlage worden geïntegreerd in de tabellen in de punten 6.1, 6.2 en 7. Voor de identificatie van dergelijke uitgaven gebruiken de lidstaten de overeenstemmingstabel die is opgenomen in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1320/2006 .

7.   Indicatieve verdeling over de maatregelen voor plattelandsontwikkeling (in EUR, gehele periode)

Maatregel/as

Overheidsuitgaven

Uitgaven privésector

Totale kosten

Maatregel 111

 

 

 

Maatregel 112

 

 

 

Maatregel 121

 

 

 

Maatregel 1 …

 

 

 

Totaal as 1

 

 

 

Maatregel 211

 

 

 

Maatregel 212

 

 

 

Maatregel 221

 

 

 

Maatregel 2 …

 

 

 

Totaal as 2

 

 

 

Maatregel 311

 

 

 

Maatregel 312

 

 

 

Maatregel 321

 

 

 

Maatregel 3 …

 

 

 

Totaal as 3

 

 

 

41

Plaatselijke ontwikkelingsstrategieën:

411

Concurrentievermogen

412

Milieu/landbeheer

413

Leefkwaliteit/diversificatie

 

 

 

421

Samenwerking

 

 

 

431

Beheerskosten, verwerving van vakkundigheid, dynamisering

 

 

 

Totaal as 4 (8)

 

 

 

Totaal assen 1, 2, 3 en 4

 

 

 

511

Technische bijstand

waarvan bedrag voor het nationaal netwerk voor het platteland (indien relevant):

a)

beheerskosten

b)

actieplan

 

 

 

TOTAAL-GENERAAL

 

 

 

In de geconsolideerde financiële tabel en in de indicatieve initiële tabel met de verdeling over de maatregelen worden de structuur van de tabellen in de punten 6.1, 6.2 en 7 en de volgorde van de onderstaande lijst gevolgd:

De verschillende maatregelen worden als volgt gecodeerd:

(111)

acties op het gebied van beroepsopleiding en voorlichting, met inbegrip van de verspreiding van wetenschappelijke kennis en innovatieve werkwijzen, ten behoeve van in de sectoren landbouw, voeding en bosbouw werkzame personen;

(112)

vestiging van jonge landbouwers;

(113)

vervroegde uittreding van landbouwers en werknemers in de landbouw;

(114)

gebruik van adviesdiensten door landbouwers en bosbezitters;

(115)

oprichting van diensten ter ondersteuning van het bedrijfsbeheer, bedrijfsverzorgingsdiensten en bedrijfsadviesdiensten voor de landbouw en van bedrijfsadviesdiensten voor de bosbouw;

(121)

modernisering van landbouwbedrijven;

(122)

verbetering van de economische waarde van bossen;

(123)

verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten;

(124)

samenwerking voor de ontwikkeling van nieuwe producten, procédés en technologieën in de landbouw-, de voedings- en de bosbouwsector;

(125)

verbetering en ontwikkeling van infrastructuur die verband houdt met de ontwikkeling en aanpassing van de land- en de bosbouw;

(126)

herstel van door een natuurramp beschadigd agrarisch productiepotentieel en het treffen van passende preventieve maatregelen;

(131)

landbouwers helpen zich aan te passen aan veeleisende normen die zijn gebaseerd op communautaire regelgeving;

(132)

steun verlenen aan landbouwers die deelnemen aan voedselkwaliteitsregelingen;

(133)

steun verlenen aan producentengroeperingen voor activiteiten op het gebied van voorlichting over en afzetbevordering voor producten die onder een voedselkwaliteitsregeling vallen;

(141)

steun aan semi-zelfvoorzieningsbedrijven die worden geherstructureerd;

(142)

steun voor de oprichting van producentengroeperingen;

(211)

betalingen voor natuurlijke handicaps aan landbouwers in berggebieden;

(212)

betalingen aan landbouwers in andere gebieden met handicaps dan berggebieden;

(213)

Natura 2000-betalingen en betalingen in verband met Richtlijn 2000/60/EG;

(214)

agromilieubetalingen;

(215)

dierenwelzijnsbetalingen;

(216)

steun voor niet-productieve investeringen;

(221)

eerste bebossing van landbouwgrond;

(222)

eerste totstandbrenging van boslandbouwsystemen op landbouwgrond;

(223)

eerste bebossing van andere grond dan landbouwgrond;

(224)

Natura 2000-betalingen;

(225)

bosmilieubetalingen;

(226)

herstel van bosbouwpotentieel en het treffen van preventieve maatregelen;

(227)

steun voor niet-productieve investeringen;

(311)

diversificatie naar niet-agrarische activiteiten;

(312)

steun voor de oprichting en ontwikkeling van micro-ondernemingen;

(313)

bevordering van toeristische activiteiten;

(321)

basisvoorzieningen voor de economie en de plattelandsbevolking;

(322)

dorpsvernieuwing en -ontwikkeling;

(323)

instandhouding en opwaardering van het landelijke erfgoed;

(331)

opleiding en voorlichting voor economische actoren die werkzaam zijn op de onder as 3 vallende terreinen;

(341)

verwerving van vakkundigheid en dynamisering met het oog op de opstelling en de uitvoering van een plaatselijke ontwikkelingsstrategie;

(410)

plaatselijke ontwikkelingsstrategieën;

(411)

concurrentievermogen;

(412)

milieu/landbeheer;

(413)

leefkwaliteit/diversificatie;

(421)

transnationale en interterritoriale samenwerking;

(431)

beheer van de plaatselijke groep, verwerving van vakkundigheid en dynamisering van het gebied;

(511)

technische bijstand.

8.   In voorkomend geval, een tabel met de aanvullende nationale financiering per as, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de betrokken maatregelen zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1698/2005

Tabel

Aanvullende nationale financiering (artikel 16, onder f), van Verordening (EG) nr. 1698/2005)

(In EUR, gehele periode)

As 1

 

Maatregel 111

 

 

Totaal as 1

 

As 2

 

Maatregel 211

 

 

Totaal as 2

 

As 3

 

Maatregel 311

 

 

Totaal as 3

 

As 4

 

Maatregel 411

 

 

Totaal as 4

 

Totaal as 1, as 2, as 3 en as 4

 

9.   De voor de toetsing aan de mededingingsregels benodigde gegevens en, in voorkomend geval, de lijst van de op grond van de artikelen 87, 88 en 89 van het Verdrag toegestane steunregelingen die voor de uitvoering van het programma zullen worden gebruikt

(Artikel 16, onder g), van Verordening (EG) nr. 1698/2005)

De elementen die worden meegedeeld in het kader van de navolgende punten A en B betreffende de toepassing van de voorschriften en procedures inzake staatssteun, moeten geldig zijn gedurende de hele looptijd van het programma, d.w.z. niet alleen bij de oorspronkelijke indiening van het programma, maar ook bij latere veranderingen daarvan.

A.   Voor maatregelen en concrete acties die binnen de werkingssfeer van artikel 36 van het Verdrag vallen, een van de volgende mogelijkheden gebruiken:

hetzij aangeven dat de steun zal worden verleend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 860/2004 van de Commissie (9) betreffende de-minimissteun in de landbouwsector;

hetzij verwijzen naar de overeenkomstig Verordening (EG) nr. 994/98 van de Raad (10) vastgestelde vrijstellingsverordening van de Commissie op grond waarvan de maatregel is genomen, en het desbetreffende registratienummer vermelden;

hetzij het zaaknummer van de staatssteun en het referentienummer (briefkenmerk) vermelden waaronder de maatregel door de Commissie verenigbaar met het Verdrag is verklaard;

hetzij het relevante informatieformulier dat is opgenomen in een bijlage bij Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie (11), indienen.

B.   Voor de in de artikelen 25, 27 (bij dit laatste artikel alleen voor aanvullende nationale financiering zoals bedoeld in artikel 89 van Verordening (EG) nr. 1698/2005) en artikel 52 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde maatregelen en voor de buiten de werkingssfeer van artikel 36 van het Verdrag vallende concrete acties in het kader van de in de artikelen 28 en 29 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde maatregelen, een van de volgende mogelijkheden gebruiken:

hetzij aangeven dat de steun zal worden verleend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie (12) betreffende de-minimissteun;

hetzij verwijzen naar de overeenkomstig Verordening (EG) nr. 994/98 vastgestelde vrijstellingsverordening van de Commissie op grond waarvan de maatregel is genomen, en het desbetreffende registratienummer vermelden;

hetzij het zaaknummer van de staatssteun en het referentienummer (briefkenmerk) vermelden waaronder de maatregel door de Commissie verenigbaar met het Verdrag is verklaard;

hetzij aangeven om welke andere redenen de betrokken steunregeling moet worden aangemerkt als bestaande steun in de zin van artikel 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 659/1999, met inbegrip van bestaande steunmaatregelen in de zin van de Toetredingsverdragen.

De gegevens over de bovenbedoelde maatregelen moeten worden verstrekt aan de hand van de onderstaande tabel betreffende staatssteun.

C.   Formaat van de tabel betreffende staatssteun die in elk programma voor plattelandsontwikkeling moet worden opgenomen

Code van de maatregel

Benaming van de steunregeling

Vermelding inzake de rechtmatigheid van de regeling (13)

Looptijd van de steunregeling

 

 

 

 

De tabel betreffende staatssteun gaat vergezeld van een verbintenis van de lidstaat dat alle gevallen van toepassing van regelingen zoals bedoeld in punt B waarvoor op grond van de voorschriften inzake staatssteun of op grond van voorwaarden en verplichtingen die zijn vastgesteld in het desbetreffende besluit tot goedkeuring van staatssteun, een individuele melding nodig is, individueel zullen worden gemeld overeenkomstig artikel 88, lid 3, van het Verdrag.

10.   Informatie over de complementariteit met de maatregelen die worden gefinancierd uit de andere instrumenten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, in het kader van het cohesiebeleid en uit het Europees Visserijfonds

(Artikel 5, artikel 16, onder h), en artikel 60 van Verordening (EG) nr. 1698/2005)

10.1   Beoordeling en middelen ter bewerkstelliging van de complementariteit met:

de activiteiten, beleidstakken en prioriteiten van de Gemeenschap, in het bijzonder de doelstellingen op het gebied van economische en sociale cohesie en de doelstellingen van het Europees Visserijfonds,

de maatregelen die uit het ELGF of andere instrumenten worden gefinancierd in de in bijlage I bij de onderhavige verordening vermelde sectoren.

10.2   Voor maatregelen van de assen 1, 2 en 3:

De afbakeningscriteria voor de maatregelen die zijn gericht op concrete acties die ook subsidiabel zijn in het kader van een ander communautair steuninstrument, in het bijzonder de structuurfondsen en het Europees Visserijfonds.

10.3   Voor maatregelen van as 4:

De afbakeningscriteria voor de onder as 4 vallende plaatselijke ontwikkelingsstrategieën ten opzichte van de plaatselijke ontwikkelingsstrategieën die in het kader van het Europees Visserijfonds worden uitgevoerd door groepen, en voor de onder as 4 vallende samenwerkingsprojecten ten opzichte van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” in het kader van de structuurfondsen.

10.4   Waar dat relevant is, moet informatie worden verstrekt over de complementariteit met andere communautaire financieringsinstrumenten.

11.   Aanwijzing van de bevoegde autoriteiten en de verantwoordelijke instanties

(Artikel 16, onder i), punt i), van Verordening (EG) nr. 1698/2005)

De aanwijzing door de lidstaat van alle in artikel 74, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 genoemde instanties en ter informatie een beknopte beschrijving van de beheers- en controlestructuur.

12.   Een beschrijving van de toezicht- en evaluatiesystemen en de beoogde samenstelling van het toezichtcomité

(Artikel 16, onder i), punt ii), en artikel 77 van Verordening (EG) nr. 1698/2005)

12.1   Een beschrijving van de toezicht- en evaluatiesystemen

Deze systemen worden opgezet op basis van de voor het GTEK te gebruiken gemeenschappelijke lijst van output-, resultaat-, uitgangssituatie- en impactindicatoren voor programma's voor plattelandsontwikkeling die is opgenomen in bijlage VIII, en de andere elementen zoals bedoeld in artikel 62, lid 3. In elk programma voor plattelandsontwikkeling worden aanvullende indicatoren opgenomen die betrekking hebben op nationale en/of regionale behoeften, omstandigheden en doelstellingen die specifiek zijn voor het programmagebied. Met betrekking tot de voor de indicatoren te verzamelen gegevens zou inspiratie kunnen worden geput uit de normen die worden ontwikkeld in het kader van het wereldwijde overkoepelende aardobservatiesysteem (Global Earth Observation System of Systems — GEOSS), of uit communautaire projecten zoals het initiatief betreffende wereldwijde monitoring voor milieu en veiligheid (Global Monitoring for Environment and Security — GMES).

12.2   De beoogde samenstelling van het toezichtcomité

13.   Maatregelen om ervoor te zorgen dat bekendheid aan het programma wordt gegeven

(Artikel 76 van Verordening (EG) nr. 1698/2005)

Beschrijf het communicatieplan, met inbegrip van de elementen zoals bedoeld in artikel 58 van en bijlage VI bij de onderhavige verordening:

13.1   Voorgenomen acties om de potentiële begunstigden, de beroepsorganisaties, de partners op economisch, sociaal en milieugebied, de organisaties voor de bevordering van gelijke kansen voor mannen en vrouwen en de niet-gouvernementele organisaties te informeren over de door het programma geboden mogelijkheden en over de regels voor het verkrijgen van toegang tot financiering in het kader van het programma.

13.2   Voorgenomen acties om de begunstigden te informeren over de communautaire bijdrage.

13.3   Voorgenomen acties om het grote publiek te informeren over de rol die de Gemeenschap in de programma’s speelt, en over de resultaten van de programma’s.

14.   De partners waarmee overleg is gepleegd, en de resultaten van het overleg

(Artikel 6 en artikel 16, onder j), van Verordening (EG) nr. 1698/2005)

14.1   Partners waarmee overleg is gepleegd

Lijst van de geraadpleegde bevoegde regionale en plaatselijke en andere overheden, economische en sociale partners, andere geschikte instanties die representatief zijn voor het maatschappelijk middenveld, niet-gouvernementele organisaties, waaronder milieuorganisaties, en instanties die tot taak hebben de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen.

14.2   Resultaten van het overleg

Vat de resultaten van het overleg samen, vermeld daarbij ook op welke data het overleg heeft plaatsgevonden en hoeveel tijd is besteed aan het maken van opmerkingen over en het leveren van bijdragen aan de voorbereiding van het programma, en geef aan in hoeverre met de meegedeelde standpunten en adviezen rekening is gehouden.

15.   Gelijkheid van mannen en vrouwen en non-discriminatie

(Artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1698/2005)

15.1   Beschrijf hoe in de verschillende stadia van de uitvoering van het programma (ontwerp, uitvoering, toezicht en evaluatie) de gelijkheid van mannen en vrouwen zal worden bevorderd.

15.2   Beschrijf hoe in de verschillende stadia van de uitvoering van het programma elke discriminatie op basis van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid zal worden voorkomen.

16.   Uit de middelen voor technische bijstand gefinancierde acties

(Artikel 66, lid 2, en artikel 68 van Verordening (EG) nr. 1698/2005)

16.1   Beschrijf de uit de middelen voor technische bijstand gefinancierde acties op het gebied van voorbereiding, beheer, toezicht, evaluatie, voorlichting en controle met betrekking tot de op grond van het programma verleende steun.

16.2   Nationaal netwerk voor het platteland

lijst van de bij plattelandsontwikkeling betrokken organisaties en overheidsdiensten die deel zullen uitmaken van het nationaal netwerk voor het platteland;

procedure en tijdschema voor de oprichting van het nationaal netwerk voor het platteland;

beknopte beschrijving van de belangrijkste categorieën van door het nationaal netwerk voor het platteland te verrichten activiteiten. Deze activiteiten zullen de basis vormen voor het door de beheersautoriteit op te stellen en op grond van artikel 68, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 te steunen actieplan;

bedrag dat wordt gereserveerd voor het opzetten en het functioneren van het nationaal netwerk voor het platteland en de uitvoering van het actieplan zoals bedoeld in artikel 68, lid 2, onder a) en b), van Verordening (EG) nr. 1698/2005. Binnen dit bedrag moet onderscheid worden gemaakt tussen het deel dat wordt gebruikt voor de structuur die nodig is om het netwerk te beheren, en het deel dat wordt gebruikt voor het actieplan. Het programma moet bepalingen bevatten die ervoor zullen zorgen dat het overeenkomstig het genoemde punt a) te besteden deel van het bedrag in de loop van de tijd niet op ongepaste wijze toeneemt.

B.   SPECIFIEKE PROGRAMMA’S VOOR HET NATIONAAL NETWERK VOOR HET PLATTELAND (ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 41, LEDEN 3 EN 5)

In het geval dat een lidstaat met regionale programma’s overeenkomstig artikel 66, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 een specifiek programma voor het opzetten en het functioneren van zijn nationaal netwerk voor het platteland ter goedkeuring voorlegt, moet dat programma de volgende elementen bevatten:

a)

een lijst van de bij plattelandsontwikkeling betrokken organisaties en overheidsdiensten die deel zullen uitmaken van het nationaal netwerk voor het platteland;

b)

de procedure en het tijdschema voor de oprichting van het nationaal netwerk voor het platteland;

c)

een beknopte beschrijving van de belangrijkste categorieën van door het nationaal netwerk voor het platteland te verrichten activiteiten. Deze activiteiten zullen de basis vormen voor het door de beheersautoriteit op te stellen en op grond van artikel 68, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 te steunen actieplan;

d)

het bedrag dat wordt gereserveerd voor het opzetten en het functioneren van het nationaal netwerk voor het platteland en de uitvoering van het actieplan zoals bedoeld in artikel 68, lid 2, onder a) en b), van Verordening (EG) nr. 1698/2005, en de verdeling over de jaren van de bijdrage uit het ELFPO, die verenigbaar moet zijn met het overeenkomstig artikel 69, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 genomen besluit;

e)

een financiële tabel voor de gehele programmeringsperiode volgens het onderstaande formaat (EUR, lopende prijzen):

Aard van de uitgaven voor het nationaal netwerk voor het platteland

Totale overheidsuitgaven

Bijdrage uit het ELFPO

(a)

voor het beheer van de structuur van het nationaal netwerk voor het platteland

 

 

(b)

voor de uitvoering van het actieplan van het nationaal netwerk voor het platteland, inclusief de evaluatie ervan

 

 

Totaal

 

 

f)

de aanwijzing van de bevoegde autoriteiten en de verantwoordelijke instanties;

e)

een beschrijving van het toezicht- en evaluatiesysteem en de beoogde samenstelling van het toezichtcomité.


(1)  PB L 55 van 25.2.2006, blz. 20.

(2)  PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1.

(3)  PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30.

(4)  PB L 243 van 6.9.2006, blz. 6.

(5)  Nadere bepalingen voor Richtlijn 2000/60/EG zullen later worden vastgesteld.

(6)  Voor lidstaten met convergentieregio’s en andere regio’s.

(7)  In het geval dat het programma voor plattelandsontwikkeling betrekking heeft op verscheidene categorieën van regio’s en het ELFPO-medefinancieringspercentage wordt gedifferentieerd, is een afzonderlijke tabel 6.2 nodig voor elke categorie van regio’s: onder de convergentiedoelstelling vallende regio’s, ultraperifere gebieden en kleinere eilanden in de Egeïsche Zee, overige regio’s.

(8)  Om na te gaan of artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 wordt nageleefd, wordt de verdeelsleutel die overeenkomt met de verdeling over de assen bij de plaatselijke ontwikkelingsstrategieën, toegepast op de totale toewijzing voor as 4.

(9)  PB L 325 van 28.10.2004, blz. 4.

(10)  PB L 142 van 14.5.1998, blz. 1.

(11)  PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1.

(12)  PB L 10 van 13.1.2001, blz. 30.

(13)  Respectievelijk vermelden:

voor maatregelen die onder een de-minimisverordening vallen: „Alle in het kader van deze maatregel toegekende steun zal in overeenstemming zijn met de de-minimisregeling zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nr. …”,

voor goedgekeurde steunregelingen: verwijzing naar het besluit van de Commissie tot goedkeuring van de staatssteun, met inbegrip van het zaaknummer van de staatssteun en het kenmerk van de goedkeuringsbrief,

voor onder een blokvrijstelling vallende steun: verwijzing naar de individuele verordening betreffende de blokvrijstelling en vermelding van het registratienummer,

voor andere bestaande steunmaatregelen:

(a)

in het geval van de lidstaten die op 1 mei 2004 en 1 januari 2007 tot de Gemeenschap zijn toegetreden („de nieuwe lidstaten”): (1) „geen referentiegegevens” voor steunmaatregelen die dateren van vóór 1995, (2) het nummer van de maatregel in de aan het Toetredingsverdrag gehechte lijst of (3) het kenmerk van de brief van geen bezwaar in het kader van de „interimprocedure”,

(b)

voor andere gevallen van bestaande steun: de relevante rechtvaardigingsgronden die van toepassing zijn.


BIJLAGE III

STEUN AAN PRODUCENTENGROEPERINGEN IN MALTA

Steun voor de oprichting van een producentengroepering (in artikel 25, lid 2, bedoeld minimumbedrag)

EUR

Jaar

63 000

Voor het eerste jaar

63 000

Voor het tweede jaar

63 000

Voor het derde jaar

60 000

Voor het vierde jaar

50 000

Voor het vijfde jaar


BIJLAGE IV

DREMPELS VOOR RASSEN DIE VERLOREN DREIGEN TE GAAN (ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 7, LID 4)

In aanmerking komende soorten landbouwhuisdieren

Drempel waaronder wordt aangenomen dat een lokaal ras voor de veehouderij verloren dreigt te gaan (aantal vrouwelijke fokdieren (1))

Runderen

7 500

Schapen

10 000

Geiten

10 000

Paardachtigen

5 000

Varkens

15 000

Pluimvee

25 000


(1)  Voor alle lidstaten samen bepaald aantal vrouwelijke fokdieren van hetzelfde ras die beschikbaar zijn voor de productie van raszuivere dieren en zijn ingeschreven in een stamboek dat wordt bijgehouden door een fokorganisatie die overeenkomstig de communautaire zoötechnische regelgeving door de lidstaat is erkend.


BIJLAGE V

TABEL VOOR DE OMREKENING VAN DIEREN IN GROOTVEE-EENHEDEN (ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 27, LID 13)

Stieren, koeien en andere runderen ouder dan twee jaar, paardachtigen ouder dan zes maanden

1,0 GVE

Runderen vanaf zes maanden maar niet ouder dan twee jaar

0,6 GVE

Runderen jonger dan zes maanden

0,4 GVE

Schapen

0,15 GVE

Geiten

0,15 GVE

Fokzeugen > 50 kg

0,5 GVE

Andere varkens

0,3 GVE

Leghennen

0,014 GVE

Overig pluimvee

0,003 GVE


BIJLAGE VI

VOORLICHTING EN PUBLICITEIT OVER DE STEUN UIT HET ELFPO (ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 58, LID 3)

1.   Voorlichtingsmaatregelen gericht op potentiële begunstigden en op begunstigden

1.1.   Voorlichtingsmaatregelen gericht op potentiële begunstigden

Met het oog op doorzichtigheid verspreidt de beheersautoriteit zo volledig mogelijke informatie over de financieringsmogelijkheden die worden geboden door de gezamenlijke steun van de Gemeenschap en de lidstaat in het kader van het programma voor plattelandsontwikkeling.

Daartoe zorgt de beheersautoriteit ervoor dat het programma voor plattelandsontwikkeling, inclusief bijzonderheden over de financiële bijdragen uit het ELFPO, op ruime schaal bekend wordt gemaakt en wordt bezorgd aan alle belangstellenden die erom verzoeken.

De beheersautoriteit verstrekt potentiële begunstigden duidelijke, gedetailleerde en actuele informatie met betrekking tot:

a)

de administratieve procedures die moeten worden gevolgd om in aanmerking te komen voor financiering in het kader van het programma voor plattelandsontwikkeling;

b)

de procedures voor het onderzoek van financieringsaanvragen;

c)

de subsidiabiliteitsvoorwaarden en/of de criteria voor de selectie van de te financieren projecten en voor de evaluatie ervan;

d)

de personen of contactpunten op nationaal, regionaal of plaatselijk niveau bij wie of waar uitleg kan worden verkregen over de wijze waarop het programma voor plattelandsontwikkeling functioneert, en over de criteria voor de selectie en de evaluatie van concrete acties.

De beheersautoriteit zorgt ervoor dat bij de op potentiële begunstigden gerichte voorlichtingsmaatregelen instanties worden betrokken die als doorgeefluik kunnen fungeren, en met name:

a)

plaatselijke en regionale overheden;

b)

beroepsorganisaties;

c)

economische en sociale partners;

d)

niet-gouvernementele organisaties, in het bijzonder organisaties die de gelijkheid van mannen en vrouwen bevorderen, en milieubeschermingsorganisaties;

e)

informatiecentra over Europa;

f)

de vertegenwoordiging van de Commissie in de lidstaat.

De beheersautoriteit informeert potentiële begunstigden over de in punt 2.1 voorgeschreven bekendmaking.

1.2.   Voorlichtingsmaatregelen gericht op begunstigden

De beheersautoriteit zorgt ervoor dat de begunstigden in de kennisgeving van de toekenning van de steun wordt meegedeeld dat de actie wordt gefinancierd in het kader van een door het ELFPO medegefinancierd programma voor plattelandsontwikkeling en om welke prioritaire as van dat programma het gaat.

2.   Voorlichtings- en publiciteitsmaatregelen gericht op het grote publiek

De beheersautoriteit van het programma voor plattelandsontwikkeling en de begunstigden doen al het nodige om in overeenstemming met deze verordening te zorgen voor op het grote publiek gerichte voorlichting en publiciteit met betrekking tot de maatregelen die in het kader van het programma voor plattelandsontwikkeling worden gefinancierd.

2.1.   Verantwoordelijkheden van de beheersautoriteit

De beheersautoriteit informeert het grote publiek over de goedkeuring van het programma voor plattelandsontwikkeling door de Commissie, over de bijwerkingen van het programma, over de belangrijkste resultaten die bij de uitvoering van het programma worden geboekt, en over de afsluiting van het programma.

Vanaf 2008 wordt door de beheersautoriteit ten minste jaarlijks, elektronisch of anderszins, bekendgemaakt een lijst van de begunstigden die steun ontvangen in het kader van het programma voor plattelandsontwikkeling, de namen van de betrokken concrete acties en de voor die acties toegekende bedragen aan overheidssteun.

De voorlichtingsmaatregelen worden door de beheersautoriteit uitgevoerd met gebruikmaking van alle media op het passende territoriale niveau. Zij omvatten onder meer communicatiecampagnes, publicaties op papier en in elektronische vorm en het gebruik van enig ander als geschikt beschouwd medium.

Van de maatregelen om het grote publiek voor te lichten maken de in punt 3.1 genoemde elementen deel uit.

2.2.   Verantwoordelijkheden van de begunstigden

Wanneer een concrete actie in het kader van het programma voor plattelandsontwikkeling leidt tot een investering (bv. in een landbouw- of voedingsmiddelenbedrijf) waarvan de totale kosten meer dan 50 000 EUR bedragen, brengt de begunstigde een informatieplaquette aan.

Bij infrastructuurvoorzieningen waarvan de totale kosten meer dan 500 000 EUR bedragen, wordt een informatiebord opgericht.

Ook bij de lokalen van een in het kader van as 4 gefinancierde plaatselijke groep wordt een informatieplaquette aangebracht.

Op de informatieborden en informatieplaquettes komen een beschrijving van het project/de concrete actie en de in punt 3.1 genoemde elementen voor. Die elementen beslaan ten minste 25 % van het oppervlak van het informatiebord of de informatieplaquette.

3.   Technische kenmerken van voorlichtings- en publiciteitsacties

3.1.   Slagzin en logo

Van elke voorlichtings- en publiciteitsactie maken de volgende elementen deel uit:

De Europese vlag volgens de in punt 4 vermelde grafische normen samen met de volgende tekst om de rol van de Gemeenschap uit te leggen:

„Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling: Europa investeert in zijn platteland”.

Voor in het kader van de as Leader gefinancierde acties en maatregelen, tevens het Leader-logo.

3.2.   Voorlichtings- en communicatiemateriaal

Op de titelpagina van publicaties (zoals brochures, folders en nieuwsbrieven) en op aanplakbiljetten over maatregelen en acties die worden medegefinancierd door het ELFPO, moet de deelneming door de Gemeenschap duidelijk zijn vermeld en moet het embleem van de Gemeenschap zijn aangebracht als ook het nationale of regionale embleem is gebruikt. Publicaties moeten verwijzingen bevatten naar de instantie die verantwoordelijk is voor de informatie-inhoud, en naar de beheersautoriteit die is aangewezen voor de uitvoering van het betrokken programma.

Voor informatie die beschikbaar wordt gesteld met elektronische middelen (websites, databases voor potentiële begunstigden) of in de vorm van audiovisueel materiaal, is het eerste streepje van overeenkomstige toepassing. Bij de opstelling van het communicatieplan moet terdege aandacht worden geschonken aan nieuwe technologieën die een snelle en doelmatige verspreiding van informatie mogelijk maken en een dialoog met het grote publiek vergemakkelijken.

Websites over het ELFPO moeten:

ten minste op de thuispagina melding maken van de bijdrage van het ELFPO;

een hyperlink naar de website over het ELFPO van de Commissie bevatten.

4.   Grondregels voor de opbouw van het embleem en aanwijzingen voor de genormaliseerde kleuren

4.1.   Europese vlag

Symboolbeschrijving

Tegen een azuurblauwe achtergrond vormen twaalf gouden sterren een cirkel, die de eenheid van de Europese volkeren voorstelt. Het aantal sterren is onveranderlijk vastgesteld op 12, omdat dit getal het symbool is van volmaaktheid en volledigheid.

Bij projecten die worden gefinancierd uit het ELFPO, moet onder de Europese vlag de naam van dit Fonds staan.

Heraldische beschrijving

Een cirkel van twaalf vijfpuntige gouden sterren, waarvan de punten elkaar niet raken, tegen een azuurblauwe achtergrond.

Geometrische beschrijving

Image

Het embleem heeft de vorm van een rechthoek waarvan de lange zijde gelijk is aan anderhalve keer de korte zijde (verhouding 3:2). Twaalf gouden sterren, op regelmatige afstanden geplaatst, vormen een onzichtbare cirkel waarvan het middelpunt op het snijpunt van de diagonalen van de rechthoek ligt. De straal van de cirkel is gelijk aan een derde van de korte zijde van de rechthoek. Elk van de vijfpuntige sterren is in een onzichtbare cirkel gevat, waarvan de straal gelijk is aan 1/18e van de korte zijde van de rechthoek. Alle sterren zijn verticaal geplaatst, d.w.z. dat één punt naar boven is gericht en de twee onderste punten op een onzichtbare lijn rusten die loodrecht op de korte zijde van de rechthoek staat. De sterren bevinden zich op de cirkel zoals de cijfers op de wijzerplaat van een horloge. Het aantal sterren blijft onveranderlijk.

Kleurenregel

Image

Het embleem is samengesteld uit de volgende kleuren:

PANTONE REFLEX BLUE voor het oppervlak van de rechthoek en PANTONE YELLOW voor de sterren. Het internationale kleurensysteem van PANTONE is overal beschikbaar en gemakkelijk te gebruiken door niet-professionals.

Image

Vierkleurendruk:

Een combinatie van de twee standaardkleuren van de vierkleurendruk is niet mogelijk. De vereiste kleuren moeten op basis van de vier beschikbare kleuren worden aangemaakt. Voor PANTONE YELLOW kan 100 % „Process Yellow” worden gebruikt. Door 100 % „Process Cyan” te mengen met 80 % „Process Magenta” wordt een blauwe kleur verkregen die PANTONE REFLEX BLUE zeer dicht benadert.

Internet:

PANTONE REFLEX BLUE komt in het webpalet overeen met de kleur RGB:0/0/153 (hexadecimaal: 000099) en PANTONE YELLOW met de kleur RGB:255/204/0 (hexadecimaal: FFCC00).


Afdruk in één kleur

Wanneer alleen met zwart kan worden gewerkt, worden zwarte sterren tegen een witte achtergrond in een zwart omlijnde rechthoek gezet.

Image

Wanneer geen geel beschikbaar is, maar wel blauw (Reflex Blue uiteraard), worden de sterren in negatief wit op een achtergrond van 100% Reflex Blue geplaatst.

Image

Afdruk op gekleurde achtergrond

Het embleem wordt bij voorkeur tegen een witte achtergrond afgedrukt. Achtergronden met verschillende kleuren of met kleuren die niet bij het blauw passen, moeten worden vermeden. Wanneer een gekleurde achtergrond onvermijdelijk is, moet de rechthoek met een wit kader worden omgeven waarvan de breedte gelijk is aan 1/25e van de korte zijde van de rechthoek.

Image

4.2.   Leader-logo

Image


BIJLAGE VII

A.   OPBOUW EN INHOUD VAN DE JAARVERSLAGEN OVER DE UITVOERING VAN DE PROGRAMMA’S VOOR PLATTELANDSONTWIKKELING (ARTIKEL 60)

1.   Veranderingen van de algemene omstandigheden (artikel 82, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 1698/2005)

Veranderingen van de algemene omstandigheden die een rechtstreekse invloed hebben op de voorwaarden voor de uitvoering van het programma (d.w.z. veranderingen van de wetgeving of onverwachte sociaal-economische ontwikkelingen)

Veranderingen van communautair of nationaal beleid die gevolgen hebben voor de coherentie tussen de steunverlening uit het ELFPO en die uit andere financieringsinstrumenten

2.   De aan de hand van output- en resultaatindicatoren aangegeven vorderingen met het programma in het licht van de vastgestelde doelstellingen (artikel 82, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 1698/2005)

De geleverde prestaties zoals gemeten aan de hand van toezichtindicatoren moeten worden geanalyseerd, waarbij ook een kwalitatieve analyse moet worden verricht van de vorderingen die in vergelijking met de oorspronkelijke streefwaarden zijn gemaakt. De in bijlage VIII bij de onderhavige verordening opgenomen lijst van output- en resultaatindicatoren moet worden gebruikt. Naast die tot het GTEK behorende indicatoren moeten ook aanvullende indicatoren worden opgenomen die specifiek voor het programma zijn ontworpen met het oog op een doeltreffend toezicht op de vorderingen in de richting van de doelstellingen van het programma.

3.   De financiële uitvoering van het programma, waarbij per maatregel een overzicht van de uitgaven voor betalingen aan begunstigden wordt gegeven; indien het programma geldt voor regio’s die onder de convergentiedoelstelling vallen, moeten de uitgaven voor die regio's afzonderlijk worden vermeld (artikel 82, lid 2, onder c), van Verordening (EG) nr. 1698/2005)

De tabel waarin de financiële uitvoering van het programma wordt samengevat, moet ten minste de volgende informatie bevatten:

In euro’s

As/maatregel

Betalingen in het jaar N

Gecumuleerde betalingen in de periode 2007-jaar N

As 1

Maatregel 111

waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006

 

 

Maatregel …

waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006

 

 

Totaal as 1

waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006

 

 

As 2

Maatregel 211

waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006

 

 

Maatregel …

waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006

 

 

Totaal as 2

waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006

 

 

As 3

Maatregel 311

waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006

 

 

Maatregel…

waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006

 

 

Totaal as 3

waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006

 

 

As 4

Maatregel 411

waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006

 

 

Maatregel 4…

waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006

 

 

Totaal as 4

waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006

 

 

Technische bijstand

waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006

 

 

Totaal programma

waarvan overgangsuitgaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1320/2006

 

 

Voor programma’s waaronder convergentieregio’s en andere regio’s vallen, moet naast een op programmaniveau geconsolideerde tabel een afzonderlijke tabel voor de onder de convergentiedoelstelling vallende regio’s worden opgesteld die minstens dezelfde informatie bevat.

4.   Een beknopt overzicht van de werkzaamheden op het gebied van de evaluatie tijdens de uitvoering overeenkomstig artikel 86, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 (artikel 82, lid 2, onder d), van Verordening (EG) nr. 1698/2005)

Een beknopt overzicht van de werkzaamheden op het gebied van de evaluatie tijdens de uitvoering dat is opgesteld op basis van de verslaglegging aan het toezichtcomité overeenkomstig artikel 86, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1698/2005, met inbegrip van gegevens over de toepassing van het bepaalde in met name artikel 84, lid 5, en artikel 86, leden 1 en 2, van die verordening.

5.   De maatregelen die de beheersautoriteit en het toezichtcomité hebben genomen om de kwaliteit en de doeltreffendheid van de uitvoering van het programma te waarborgen (artikel 82, lid 2, onder e), van Verordening (EG) nr. 1698/2005), en met name:

i)

de activiteiten op het gebied van toezicht en evaluatie

ii)

een samenvatting van de grote problemen die bij het beheer van het programma zijn ondervonden, en de maatregelen die eventueel, al dan niet naar aanleiding van overeenkomstig artikel 83 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 gemaakte opmerkingen, zijn genomen

iii)

het gebruik van technische bijstand

In het geval dat het opzetten en het functioneren van het nationaal netwerk voor het platteland behoort tot het onderdeel technische bijstand van het programma, moeten de procedures voor de oprichting en het beheer van het netwerk en de stand van zaken bij de uitvoering van het actieplan in het jaarverslag over de uitvoering worden beschreven. Tevens dient in dat verslag te worden vermeld welke uitgaven op dit gebied zijn gedaan (waarbij onderscheid moet worden gemaakt tussen de elementen zoals bedoeld in respectievelijk punt a) en punt b) van artikel 68, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1698/2005).

iv)

de maatregelen die zijn genomen om overeenkomstig artikel 76 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bekendheid aan het programma te geven

In het verslag moeten beknopte beschrijvingen worden opgenomen van de voorlichtings- en publiciteitsmaatregelen die zijn genomen om overeenkomstig artikel 58 van en bijlage VI bij de onderhavige verordening informatie over het programma voor plattelandsontwikkeling te verschaffen.

6.   Een verklaring over de inachtneming van het communautaire beleid in het kader van de steun, inclusief informatie over de ondervonden problemen en over de maatregelen die zijn genomen om deze aan te pakken (artikel 82, lid 2, onder f), van Verordening (EG) nr. 1698/2005)

Wat die inachtneming van de communautaire regelgeving betreft, gaat het met name om de naleving van de voorschriften op het gebied van de mededinging, de plaatsing van overheidsopdrachten, milieubescherming en -verbetering en de bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen en van non-discriminatie.

7.   In voorkomend geval, het hergebruik van steun die overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EG) nr. 1290/2005 is teruggevorderd (artikel 82, lid 2, onder g), van Verordening (EG) nr. 1698/2005).

B.   FORMAAT VAN HET JAARVERSLAG OVER DE UITVOERING IN HET GEVAL VAN EEN SPECIFIEK PROGRAMMA BETREFFENDE HET NATIONAAL NETWERK VOOR HET PLATTELAND (ARTIKEL 60)

Wanneer de lidstaat gebruik maakt van de mogelijkheid die wordt geboden bij artikel 66, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1698/2005, bevat het jaarverslag over de uitvoering van het specifiek programma:

a)

een beschrijving van de procedures voor de oprichting en het beheer van het netwerk,

b)

informatie over de stand van zaken bij de uitvoering van het actieplan,

c)

een financiële tabel inzake de financiële uitvoering van het programma waarin onderscheid wordt gemaakt tussen de elementen zoals bedoeld in respectievelijk punt a) en punt b) van artikel 68, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1698/2005:

Aard van de uitgaven voor het nationaal netwerk voor het platteland

Betalingen in het jaar N

Gecumuleerde betalingen in de periode 2007-jaar N

a)

voor het beheer van de structuur van het nationaal netwerk voor het platteland

 

 

b)

voor de uitvoering van het actieplan van het nationaal netwerk voor het platteland

 

 

Totaal

 

 

d)

voor zover dat dienstig is, de informatie zoals bedoeld in de punten 4 tot en met 7 van deel A van deze bijlage.


BIJLAGE VIII

LIJST VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE UITGANGSSITUATIE-, OUTPUT-, RESULTAAT- EN IMPACTINDICATOREN

I.   GEMEENSCHAPPELIJKE UITGANGSSITUATIE-INDICATOREN

1.   Uitgangssituatie-indicatoren met betrekking tot de doelstellingen

AS

 

Indicator

Horizontaal

 (1) 1

Economische ontwikkeling

 (1) 2

Nettoarbeidsparticipatie

 (1) 3

Werkloosheid

AS 1,

Verbetering van het concurrentievermogen van de land- en de bosbouwsector

 (1) 4

Opleiding en onderwijs in de landbouw

5

Leeftijdsopbouw in de landbouw

 (1) 6

Arbeidsproductiviteit in de landbouw

7

Bruto-investeringen in vaste activa in de landbouw

8

Ontwikkeling van de werkgelegenheid in de primaire sector

9

Economische ontwikkeling in de primaire sector

 (1) 10

Arbeidsproductiviteit in de voedingsmiddelenindustrie

11

Bruto-investeringen in vaste activa in de voedingsmiddelenindustrie

12

Ontwikkeling van de werkgelegenheid in de voedingsmiddelenindustrie

13

Economische ontwikkeling in de voedingsmiddelenindustrie

 (1) 14

Arbeidsproductiviteit in de bosbouw

15

Bruto-investeringen in vaste activa in de bosbouw

16

Belangrijkheid van de semi-zelfvoorzieningsbedrijven in de nieuwe lidstaten

AS 2,

Verbetering van het milieu en het platteland door landbeheer

 (1) 17

Biodiversiteit: populatie van akker- en weidevogels

 (1) 18

Biodiversiteit: landbouwgrond en bos met een hoge natuurwaarde

19

Biodiversiteit: boomsoortensamenstelling

 (1) 20

Waterkwaliteit: brutovoedingsstofsaldi

21

Waterkwaliteit: vervuiling door nitraten en bestrijdingsmiddelen

22

Bodem: erosiegevoelige gronden

23

Bodem: biologische landbouw

 (1) 24

Klimaatverandering: productie van hernieuwbare energie door de land- en bosbouw

25

Klimaatverandering: voor hernieuwbare energie gebruikte oppervlakte cultuurgrond

26

Klimaatverandering/luchtkwaliteit: uitstoot van gassen door de landbouw

AS 3,

Verbetering van de leefkwaliteit op het platteland en bevordering van diversificatie van de economische bedrijvigheid

 (1) 27

Landbouwers met een andere winstgevende activiteit

 (1) 28

Ontwikkeling van de werkgelegenheid buiten de landbouw

 (1) 29

Economische ontwikkeling buiten de landbouw

 (1) 30

Ontwikkeling van het werken als zelfstandige

31

Toeristische infrastructuur op het platteland

 (1) 32

Internetpenetratie op het platteland

 (1) 33

Ontwikkeling van de dienstensector

34

Nettomigratie

 (1) 35

Levenslang leren op het platteland

Leader

 (1) 36

Ontwikkeling van plaatselijke groepen


2.   Uitgangssituatie-indicatoren met betrekking tot de context

AS

 

Indicator

Horizontaal

1

Aanwijzing van de plattelandsgebieden

2

Belangrijkheid van de plattelandsgebieden

AS 1,

Verbetering van het concurrentievermogen van de land- en de bosbouwsector

3

Grondgebruik in de landbouw

4

Structuur van de landbouwbedrijven

5

Bosbouwstructuur

6

Productiviteit van de bossen

AS 2,

Verbetering van het milieu en het platteland door landbeheer

7

Landbedekking

8

Probleemgebieden

9

Arealen met extensieve landbouw

10

Natura 2000-zones

11

Biodiversiteit: beschermde bossen

12

Ontwikkeling van het bosareaal

13

Gezondheid van de bosecosystemen

14

Waterkwaliteit

15

Watergebruik

16

Beschermende bossen waarvan de functie hoofdzakelijk betrekking heeft op bodem en water

AS 3,

Verbetering van de leefkwaliteit op het platteland en bevordering van diversificatie van de economische

17

Bevolkingsdichtheid

18

Leeftijdsopbouw

19

Structuur van de economie

20

Structuur van de werkgelegenheid

21

Langdurige werkloosheid

22

Onderwijsniveau

23

Internetinfrastructuur

II.   GEMEENSCHAPPELIJKE OUTPUTINDICATOREN

AS 1   VERBETERING VAN HET CONCURRENTIEVERMOGEN VAN DE LAND- EN DE BOSBOUWSECTOR

Code

Maatregel

Outputindicatoren (2)

111

Acties op het gebied van beroepsopleiding en voorlichting

Aantal deelnemers aan een opleiding

Aantal ontvangen opleidingsdagen

112

Vestiging van jonge landbouwers

Aantal gesteunde jonge landbouwers

Totaal investeringsvolume

113

Vervroegde uittreding

Aantal vervroegd uitgetreden landbouwers

Aantal vervroegd uitgetreden werknemers in de landbouw

Aantal vrijgemaakte hectaren

114

Gebruik van adviesdiensten

Aantal gesteunde landbouwers

Aantal gesteunde bosbezitters

115

Oprichting van diensten ter ondersteuning van het bedrijfsbeheer, bedrijfsverzorgingsdiensten en bedrijfsadviesdiensten

Aantal nieuw opgerichte bedrijfsbeheers-, bedrijfsverzorgings- of bedrijfsadviesdiensten

121

Modernisering van landbouwbedrijven

Aantal landbouwbedrijven die investeringssteun hebben ontvangen

Totaal investeringsvolume

122

Verbetering van de economische waarde van bossen

Aantal bosbouwbedrijven die investeringssteun hebben ontvangen

Totaal investeringsvolume

123

Verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten

Aantal gesteunde ondernemingen

Totaal investeringsvolume

124

Samenwerking voor de ontwikkeling van nieuwe producten, procédés en technologieën in de landbouw-, de voedings- en de bosbouwsector

Aantal gesteunde samenwerkingsinitiatieven

125

Infrastructuur voor de ontwikkeling en aanpassing van de land- en de bosbouw

Aantal gesteunde concrete acties

Totaal investeringsvolume

126

Herstel van door een natuurramp beschadigd agrarisch productiepotentieel en het treffen van passende preventieve maatregelen

Gesteunde oppervlakte beschadigde landbouwgrond

Totaal investeringsvolume

131

Voldoen aan op communautaire regelgeving gebaseerde normen

Aantal begunstigden

132

Deelname door landbouwers aan voedselkwaliteitsregelingen

Aantal gesteunde landbouwbedrijven die deelnemen aan een kwaliteitsregeling

133

Activiteiten op het gebied van voorlichting en afzetbevordering

Aantal gesteunde acties

141

Semi-zelfvoorzieningsbedrijven

Aantal gesteunde semi-zelfvoorzieningsbedrijven

142

Producentengroeperingen

Aantal gesteunde producentengroeperingen

Omzet van de gesteunde producentengroeperingen


AS 2   VERBETERING VAN HET MILIEU EN HET PLATTELAND DOOR LANDBEHEER

Code

Maatregel

Outputindicatoren (3)

211

Betalingen voor natuurlijke handicaps aan landbouwers in berggebieden

Aantal gesteunde bedrijven in berggebieden

Gesteund landbouwareaal in berggebieden

212

Betalingen aan landbouwers in andere gebieden met handicaps dan berggebieden

Aantal gesteunde bedrijven in andere gebieden met handicaps dan berggebieden

Gesteund landbouwareaal in andere gebieden met handicaps dan berggebieden

213

Natura 2000-betalingen en betalingen in verband met Richtlijn 2000/60/EG

Aantal gesteunde bedrijven in Natura 2000-zones/stroomgebieden waarvoor overeenkomstig de kaderrichtlijn water een beheersplan geldt

Gesteund landbouwareaal in Natura 2000-zones/stroomgebieden waarvoor overeenkomstig de kaderrichtlijn water een beheersplan geldt

214

Agromilieubetalingen

Aantal landbouwbedrijven en bedrijven van andere grondbeheerders die steun ontvangen

Totale oppervlakte waarvoor agromilieusteun wordt verleend

Fysieke oppervlakte waarvoor agromilieusteun wordt verleend

Totaal aantal contracten

Aantal acties inzake genetische hulpbronnen

215

Dierenwelzijnsbetalingen

Aantal landbouwbedrijven die steun ontvangen

Aantal dierenwelzijnscontracten

216

Niet-productieve investeringen

Aantal landbouwbedrijven en bedrijven van andere grondbeheerders die steun ontvangen

Totaal investeringsvolume

221

Eerste bebossing van landbouwgrond

Aantal begunstigden die bebossingssteun ontvangen

Aantal hectaren beboste grond

222

Eerste totstandbrenging van boslandbouwsystemen op landbouwgrond

Aantal begunstigden

Aantal hectaren met een nieuw boslandbouwsysteem

223

Eerste bebossing van andere grond dan landbouwgrond

Aantal begunstigden die bebossingssteun ontvangen

Aantal hectaren beboste grond

224

Natura 2000-betalingen

Aantal bosbouwbedrijven die steun ontvangen voor bos in een Natura 2000-zone

Gesteunde bosoppervlakte in Natura 2000-zones (ha)

225

Bosmilieubetalingen

Aantal bosbouwbedrijven die steun ontvangen

Totale bosoppervlakte waarvoor bosmilieusteun wordt verleend

Fysieke bosoppervlakte waarvoor bosmilieusteun wordt verleend

Aantal contracten

226

Herstel van bosbouwpotentieel en het treffen van preventieve maatregelen

Aantal preventieve/op herstel gerichte acties

Gesteunde oppervlakte beschadigd bos

Totaal investeringsvolume

227

Niet-productieve investeringen

Aantal gesteunde bosbezitters

Totaal investeringsvolume


AS 3   VERBETERING VAN DE LEEFKWALITEIT OP HET PLATTELAND EN BEVORDERING VAN DIVERSIFICATIE VAN DE ECONOMISCHE BEDRIJVIGHEID

Code

Maatregel

Outputindicatoren (4)

311

Diversificatie naar niet-agrarische activiteiten

Aantal begunstigden

Totaal investeringsvolume

312

Oprichting en ontwikkeling van micro-ondernemingen

Aantal gesteunde/opgerichte micro-ondernemingen

313

Bevordering van toeristische activiteiten

Aantal gesteunde nieuwe acties op toeristisch gebied

Totaal investeringsvolume

321

Basisvoorzieningen voor de economie en de plattelandsbevolking

Aantal gesteunde acties

Totaal investeringsvolume

322

Dorpsvernieuwing en -ontwikkeling

Aantal dorpen waar acties zijn uitgevoerd

Totaal investeringsvolume

323

Instandhouding en opwaardering van het landelijke erfgoed

Aantal gesteunde acties op het gebied van het landelijke erfgoed

Totaal investeringsvolume

331

Opleiding en voorlichting

Aantal economische actoren die hebben deelgenomen aan gesteunde activiteiten

Aantal door de deelnemers ontvangen opleidingsdagen

341

Verwerving van vakkundigheid, dynamisering en uitvoering van een plaatselijke ontwikkelingsstrategie

Aantal acties op het gebied van de verwerving van vakkundigheid en dynamisering

Aantal deelnemers aan de acties

Aantal gesteunde publiek-private partnerschappen


AS 4   LEADER

Code

Maatregel

Outputindicatoren (5)

41

Uitvoering van plaatselijke ontwikkelingsstrategieën

411

concurrentievermogen

412

milieu/landbeheer

413

leefkwaliteit/diversificatie

Aantal plaatselijke groepen

Totale oppervlakte van de werkgebieden van de plaatselijke groepen (km2)

Totaal inwonertal van de werkgebieden van de plaatselijke groepen

Aantal door de plaatselijke groepen gefinancierde projecten

Aantal gesteunde begunstigden

421

Uitvoering van samenwerkingsprojecten

Aantal samenwerkingsprojecten

Aantal samenwerkende plaatselijke groepen

431

Beheer van de plaatselijke groep, verwerving van vakkundigheid en dynamisering van het gebied zoals bedoeld in artikel 59

Aantal gesteunde acties

III.   GEMEENSCHAPPELIJKE RESULTAATINDICATOREN

As/doelstelling

Indicator

Verbetering van het concurrentievermogen van de land- en de bosbouwsector

(1)

Aantal deelnemers die een opleidingsactiviteit op het gebied van land- en/of bosbouw met succes hebben beëindigd

(2)

Stijging van de bruto toegevoegde waarde bij de gesteunde bedrijven/ondernemingen

(3)

Aantal bedrijven/ondernemingen die nieuwe producten en/of nieuwe technieken hebben geïntroduceerd

(4)

Waarde van de landbouwproductie waarvoor een erkend kwaliteitskeurmerk wordt gevoerd/erkende kwaliteitsnormen worden toegepast

(5)

Aantal landbouwbedrijven die de markt hebben betreden

Verbetering van het milieu en het platteland door landbeheer

(6)

Oppervlakte waarop een succesvol landbeheer wordt toegepast dat bijdraagt tot:

(a)

de biodiversiteit en op een hoge natuurwaarde gerichte landbouw/bosbouw

(b)

de waterkwaliteit

(c)

het tegengaan van klimaatverandering

(d)

de bodemkwaliteit

(e)

de voorkoming van marginalisering en van het verlaten van land

Verbetering van de leefkwaliteit op het platteland en bevordering van diversificatie van de economische bedrijvigheid

(7)

Stijging van de niet-agrarische bruto toegevoegde waarde bij de gesteunde ondernemingen

(8)

Brutoaantal geschapen banen

(9)

Extra aantal toeristen

(10)

Inwonertal van de plattelandsgebieden die profiteren van verbeterde voorzieningen

(11)

Stijging van de internetpenetratie op het platteland

(12)

Aantal deelnemers die een opleidingsactiviteit met succes hebben beëindigd

IV.   GEMEENSCHAPPELIJKE IMPACTINDICATOREN

 

Indicator

1

Economische groei

2

Schepping van werkgelegenheid

3

Arbeidsproductiviteit

4

Ombuiging van de achteruitgang van de biodiversiteit

5

Instandhouding van landbouwgrond en bos met een hoge natuurwaarde

6

Verbetering van de waterkwaliteit

7

Bijdrage tot het tegengaan van klimaatverandering


(1)  De met een (*) aangeduide indicatoren zijn de hoofdindicatoren in het kader van de nationale strategie en het strategische toezicht zoals bedoeld in artikel 11, lid 3, onder c), en artikel 13, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 1698/2005.

(2)  Voor elke maatregel moeten worden vermeld het aantal ontvangen aanvragen en het aantal goedgekeurde aanvragen.

(3)  Voor elke maatregel moeten worden vermeld het aantal ontvangen aanvragen en het aantal goedgekeurde aanvragen.

(4)  Voor elke maatregel moeten worden vermeld het aantal ontvangen aanvragen en het aantal goedgekeurde aanvragen.

(5)  Voor elke maatregel moeten worden vermeld het aantal ontvangen aanvragen en het aantal goedgekeurde aanvragen.


23.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 368/74


VERORDENING (EG) Nr. 1975/2006 VAN DE COMMISSIE

van 7 december 2006

houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad met betrekking tot de toepassing van controleprocedures en van de randvoorwaarden in het kader van de steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (1), en met name op artikel 51, lid 4, artikel 74, lid 4, en artikel 91,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Blijkens de ervaring is het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (hierna „GBCS” genoemd) dat is vastgesteld bij titel II, hoofdstuk 4, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (2), een doeltreffend en doelmatig middel voor de tenuitvoerlegging van regelingen inzake rechtstreekse betalingen. Daarom dienen voor de oppervlakte- en diergebonden maatregelen van as 2 zoals vastgesteld bij titel IV, hoofdstuk I, afdeling 2, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 de beheers- en controlevoorschriften en de bepalingen betreffende kortingen en uitsluitingen in geval van valse verklaringen in overeenstemming te zijn met de GBCS-beginselen zoals meer in het bijzonder vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (3).

(2)

De beheers- en controlevoorschriften voor bepaalde steunregelingen van as 2 zoals vastgesteld bij titel IV, hoofdstuk I, afdeling 2, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 en voor de soortgelijke steun in het kader van as 4 moeten echter worden aangepast aan de bijzondere kenmerken van die regelingen en steun. Hetzelfde geldt voor de steunregelingen van de assen 1 en 3 zoals vastgesteld bij afdeling 1, respectievelijk afdeling 3 van dat hoofdstuk I en voor de soortgelijke steun in het kader van as 4. Daarom moeten voor die steunregelingen bijzondere bepalingen worden vastgesteld.

(3)

Om alle nationale overheidsinstanties in staat te stellen een doelmatige geïntegreerde controle te organiseren van alle oppervlakten waarvoor steun wordt aangevraagd enerzijds in het kader van as 2, en anderzijds in het kader van de onder Verordening (EG) nr. 796/2004 vallende oppervlaktegebonden steunregelingen, dient te worden bepaald dat de betalingsaanvragen voor oppervlaktegebonden maatregelen in het kader van as 2 binnen dezelfde termijn moeten worden ingediend als de verzamelaanvraag zoals bedoeld in deel II, titel II, hoofdstuk I, van die verordening. Evenwel dient, opdat de nodige administratieve regelingen kunnen worden getroffen, een overgangsperiode te worden toegestaan.

(4)

Om het afschrikkingseffect van de controles te waarborgen dient in de regel geen steun te worden betaald voordat de controles van de steunaanvragen zijn afgerond. Toegestaan dient echter te worden dat tot een bepaald percentage van de steun wordt betaald nadat de administratieve controles zijn voltooid. Bij de vaststelling van dat percentage dient rekening te worden gehouden met het risico dat te veel wordt betaald.

(5)

De controlevoorschriften in deze verordening moeten op de bijzondere kenmerken van de betrokken maatregelen van as 2 zijn afgestemd. Daarom dienen specifieke voorschriften te worden vastgesteld.

(6)

Bij artikel 51 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 zijn de betalingen in het kader van sommige van de bij die verordening vastgestelde maatregelen afhankelijk gesteld van de naleving van de in titel II, hoofdstuk 1, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde randvoorwaarden. Daarom dienen voorschriften betreffende de randvoorwaarden te worden vastgesteld die in de lijn liggen van die in de Verordeningen (EG) nr. 1782/2003 en (EG) nr. 796/2004.

(7)

De investeringsacties moeten aan controles achteraf op de naleving van artikel 72, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 worden onderworpen om zich ervan te vergewissen of die acties naar behoren zijn uitgevoerd en of dezelfde investering niet op onregelmatige wijze uit verschillende nationale of communautaire bronnen is gefinancierd. De basis voor die controles en de inhoud ervan moeten worden bepaald.

(8)

In bijzondere bepalingen moeten de verantwoordelijkheden op controlegebied worden omschreven van de plaatselijke groepen zoals bedoeld in artikel 62 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 die door de lidstaat zijn erkend.

(9)

Om het de Commissie mogelijk te maken aan haar verplichtingen inzake het beheer van de maatregelen te voldoen, dienen de lidstaten haar verslag uit te brengen over het aantal verrichte controles en de resultaten daarvan.

(10)

Voor alle in communautaire of nationale regelgeving of in de programma’s voor plattelandsontwikkeling vastgestelde subsidiabiliteitscriteria moet aan de hand van een stel verifieerbare indicatoren kunnen worden gecontroleerd of eraan is voldaan.

(11)

Om na te gaan of aan de subsidiabiliteitscriteria is voldaan, mogen de lidstaten gebruikmaken van bewijsmateriaal dat van andere diensten of organisaties is ontvangen. Zij moeten echter de zekerheid hebben dat die diensten of organisaties werken volgens normen die voldoende zijn om te kunnen controleren of de subsidiabiliteitscriteria in acht zijn genomen.

(12)

Enige algemene controlebeginselen dienen te worden vastgesteld met betrekking tot het recht van de Commissie controles te verrichten.

(13)

De lidstaten moeten erop toezien dat de betaalorganen zoals bedoeld in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (4) voldoende gegevens over de door andere diensten of instanties verrichte controles ontvangen om hun taken zoals bij die verordening vastgesteld te kunnen vervullen.

(14)

De in deze verordening vervatte maategelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor plattelandsontwikkeling,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

DEEL I

Reikwijdte en algemene bepalingen

Artikel 1

Reikwijdte

Bij de onderhavige verordening worden de uitvoeringsbepalingen vastgesteld met betrekking tot de toepassing van controleprocedures en van de randvoorwaarden in het kader van de medegefinancierde steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling die worden genomen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1698/2005.

Artikel 2

Toepassing van Verordening (EG) nr. 796/2004

Onverminderd de specifieke bepalingen van de onderhavige verordening, zijn de artikelen 5, 22, 23, 69 en 73 van Verordening (EG) nr. 796/2004 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3

Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)

„steunaanvraag”: het verzoek in aanmerking te worden genomen voor steunverlening of te mogen toetreden tot een regeling;

b)

„betalingsaanvraag”: een door een begunstigde ingediend verzoek te worden betaald door de nationale autoriteiten.

Artikel 4

Steun- en betalingsaanvragen

1.   Onverminderd de specifieke bepalingen van deze verordening, stellen de lidstaten passende procedures voor de indiening van steunaanvragen vast.

2.   Voor maatregelen die meerjarige verbintenissen inhouden, dient de begunstigde een jaarlijke betalingsaanvraag in.

De lidstaten kunnen echter zonder jaarlijkse fysieke betalingsaanvragen werken als zij doeltreffende alternatieve procedures invoeren voor de administratieve controles zoals bedoeld in artikel 11 of 26 naar gelang van het geval.

3.   Steun- en betalingsaanvragen kunnen te allen tijde na de indiening ervan worden gecorrigeerd in geval van een kennelijke fout die door de bevoegde autoriteit als zodanig wordt erkend.

Artikel 5

Algemene controlebeginselen

1.   Onverminderd de specifieke bepalingen van deze verordening, zorgen de lidstaten ervoor dat voor alle in communautaire of nationale regelgeving of in de programma’s voor plattelandsontwikkeling vastgestelde subsidiabiliteitscriteria aan de hand van een stel door de lidstaten vast te stellen verifieerbare indicatoren kan worden gecontroleerd of aan die criteria is voldaan.

2.   Waar dat mogelijk is, worden de in de artikelen 12, 20 en 27 bedoelde controles ter plaatse en andere controles waarin communautaire voorschriften betreffende landbouwsubsidies voorzien, tegelijkertijd uitgevoerd.

3.   Onverminderd specifieke bepalingen, worden geen betalingen gedaan aan begunstigden van wie vaststaat dat zij de voorwaarden voor die betalingen kunstmatig hebben geschapen om een voordeel te verkrijgen dat indruist tegen de doelstellingen van de steunregeling.

DEEL II

Beheers- en controlevoorschriften

TITEL I

Plattelandsontwikkelingssteun voor bepaalde maatregelen van as 2 en van as 4

HOOFDSTUK I

Algemene bepalingen

Artikel 6

Reikwijdte en begripsomschrijvingen

1.   Tenzij in de onderhavige verordening anders is bepaald, geldt deze titel voor:

a)

de overeenkomstig artikel 36 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 toegekende steun;

b)

de overeenkomstig artikel 63, onder a), van die verordening toegekende steun voor concrete acties die overeenstemmen met maatregelen van as 2.

Deze titel geldt evenwel niet voor de in artikel 36, onder a), vi), en onder b), vi) en vii), en in artikel 39, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde maatregelen, en evenmin voor de in artikel 36, onder b), i) en iii), van die verordening bedoelde maatregelen voor zover het de aanlegkosten betreft.

2.   Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:

a)

„oppervlaktegebonden maatregel”: een maatregel of submaatregel waarbij de steun is gebaseerd op de grootte van de aangegeven oppervlakte;

b)

„diergebonden maatregel”: een maatregel of submaatregel waarbij de steun is gebaseerd op het aantal aangegeven dieren.

Artikel 7

Toepassing van Verordening (EG) nr. 796/2004

In het kader van deze titel zijn artikel 2, punten 10, 22 en 23, de artikelen 9, 18 en 21 en artikel 25, lid 1, van Verordening (EG) nr. 796/2004 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 796/2004 is eveneens van overeenkomstige toepassing. Voor de in artikel 36, onder b), iii), iv) en v), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde maatregelen kunnen de lidstaten evenwel passende alternatieve systemen vaststellen voor de unieke identificatie van de grond waarop de steun betrekking heeft.

Artikel 8

Betalingsaanvragen

1.   Voor alle contracten die na 1 januari 2007 ingaan, worden de betalingsaanvragen in het kader van de oppervlaktegebonden maatregelen ingediend overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 796/2004. De lidstaten kunnen evenwel besluiten deze bepaling eerst vanaf het aanvraagjaar 2008 toe te passen.

2.   Indien de lidstaat het bepaalde in artikel 4, lid 2, tweede alinea, van de onderhavige verordening toepast, wordt de betalingsaanvraag geacht overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 796/2004 te zijn ingediend.

3.   Artikel 11, lid 3, en de artikelen 12 en 15 van Verordening (EG) nr. 796/2004 zijn van overeenkomstige toepassing voor de betalingsaanvragen in het kader van de onderhavige titel. De betalingsaanvraag bevat de in artikel 12, lid 1, onder d), van die verordening bedoelde gegevens ook voor geen landbouwgrond zijnde grond waarvoor steun wordt aangevraagd.

Artikel 9

Betalingen

1.   Om het afschrikkingseffect van de controles te waarborgen wordt voor geen enkele onder deze titel vallende maatregel of groep van concrete acties een betalingen gedaan voordat de in hoofdstuk II, afdeling I, bedoelde controles op de inachtneming van de subsidiabiliteitscriteria in het kader van die maatregel of groep van concrete acties zijn afgerond.

Rekening houdend met het risico dat te veel wordt betaald, kunnen de lidstaten evenwel besluiten om tot 70 % van de steun te betalen nadat de in artikel 11 bedoelde administratieve controles zijn afgerond. Het betalingspercentage is voor alle begunstigden van de maatregel of groep van concrete acties hetzelfde.

2.   Wanneer de in hoofdstuk II, afdeling II, bedoelde controles op de naleving van de randvoorwaarden niet kunnen worden afgerond voordat wordt betaald, worden eventuele onverschuldigd betaalde bedragen teruggevorderd overeenkomstig artikel 73 van Verordening (EG) nr. 796/2004.

HOOFDSTUK II

Controles, kortingen en uitsluitingen

Artikel 10

Algemene beginselen

1.   De steunaanvragen en de latere betalingsaanvragen worden gecontroleerd op een wijze die garandeert dat doeltreffend wordt nagegaan of is voldaan aan de voorwaarden voor de toekenning van de steun.

2.   De lidstaten bepalen passende methoden en middelen om voor elke steunmaatregel na te gaan of aan de voorwaarden voor de toekenning van de steun is voldaan.

3.   De lidstaten maken gebruik van het in titel II, hoofdstuk 4, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde geïntegreerd beheers- en controlesysteem (hierna „GBCS” genoemd).

4.   Om na te gaan of aan de subsidiabiliteitscriteria is voldaan, worden administratieve controles en controles ter plaatse verricht.

5.   Om na te gaan of de randvoorwaarden worden nageleefd, worden controles ter plaatse en, waar dat dienstig is, administratieve controles verricht.

6.   Gedurende de periode waarop een verbintenis betrekking heeft, mogen de percelen waarvoor de steun wordt verleend, niet door andere worden vervangen tenzij het programma voor plattelandsontwikkeling specifiek daarin voorziet.

AFDELING I

Inachtneming van de subsidiabiliteitscriteria

ONDERAFDELING I

Controles

Artikel 11

Administratieve controles

1.   Alle steun- en betalingsaanvragen worden onderworpen aan administratieve controles die alle elementen betreffen waarvoor het mogelijk en passend is deze met administratieve middelen te controleren. De procedures waarborgen dat de verrichte controlewerkzaamheden, de verificatieresultaten en de ten aanzien van afwijkingen genomen maatregelen worden geregistreerd.

2.   Telkens wanneer dat mogelijk en passend is, worden als onderdeel van de administratieve controles kruiscontroles verricht waarbij onder meer met GBCS-gegevens wordt vergeleken. Deze kruiscontroles betreffen ten minste de onder de betrokken steunmaatregel vallende percelen en dieren om elke onverschuldigde betaling van steun te voorkomen.

3.   De nakoming van verbintenissen op lange termijn wordt gecontroleerd.

4.   Uit de kruiscontroles voortvloeiende indicaties omtrent onregelmatigheden geven aanleiding tot een vervolgactie in de vorm van enige andere passende administratieve procedure en, zo nodig, een controle ter plaatse.

5.   In voorkomend geval wordt bij de administratieve subsidiabiliteitscontroles rekening gehouden met de resultaten van verificaties die zijn verricht door andere bij controles inzake landbouwsubsidies betrokken diensten, instanties of organisaties.

Artikel 12

Controles ter plaatse

1.   Het totale aantal controles ter plaatse dat elk jaar wordt verricht, betreft ten minste 5 % van alle begunstigden die een verbintenis moeten nakomen in het kader van één of meer van de onder deze titel vallende maatregelen.

Aanvragers van wie de aanvraag blijkens de administratieve controles niet aan de subsidiabiliteitscriteria voldoet, maken echter geen deel uit van het totale aantal begunstigden zoals bedoeld in de eerste alinea.

2.   Artikel 26, leden 3 en 4, van Verordening (EG) nr. 796/2004 is van toepassing op de in het onderhavige artikel bedoelde controles ter plaatse.

3.   De in lid 1, eerste alinea, van het onderhavige artikel bedoelde steekproef voor controles wordt geselecteerd aan de hand van de in artikel 27 van Verordening (EG) nr. 796/2004 bepaalde criteria.

4.   Voor de meerjarige maatregelen waarmee betalingen over een periode van meer dan vijf jaar zijn gemoeid, kunnen de lidstaten besluiten dat voor een begunstigde het in lid 1 vastgestelde controlepercentage na het vijfde betalingsjaar wordt gehalveerd.

De begunstigden voor wie de lidstaat gebruikmaakt van de in de eerste alinea van het onderhavige lid geboden mogelijkheid, maken geen deel uit van het totale aantal begunstigden zoals bedoeld in lid 1, eerste alinea.

Artikel 13

Controleverslag

Over de controles ter plaatse in het kader van deze onderafdeling wordt een controleverslag opgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 28 van Verordening (EG) nr. 796/2004.

Artikel 14

Algemene beginselen betreffende de controles ter plaatse

1.   De controles ter plaatse worden over het jaar gespreid op basis van een analyse van de risico’s die bij de verschillende verbintenissen in het kader van elke maatregel voor plattelandsontwikkeling bestaan.

2.   De controles ter plaatse betreffen alle verbintenissen en verplichtingen van de begunstigde die ten tijde van het bezoek kunnen worden gecontroleerd.

Artikel 15

Elementen van de controles ter plaatse en constatering van de oppervlakten

1.   De lidstaten bepalen criteria en controlemethoden die het mogelijk maken dat de controles inzake de verschillende verbintenissen en verplichtingen van de begunstigde voldoen aan de in artikel 48, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1974/2006 van de Commissie (5) gestelde eisen.

2.   Wat de controles voor oppervlaktegebonden maatregelen betreft, worden de controles ter plaatse verricht overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 29, 30 en 32 van Verordening (EG) nr. 796/2004.

Voor de in artikel 36, onder b), iii), iv) en v), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde maatregelen kunnen de lidstaten evenwel passende toleranties vaststellen die in geen geval meer dan het dubbele van de bij artikel 30, lid 1, van Verordening (EG) nr. 796/2004 vastgestelde toleranties bedragen.

3.   Wat de controles voor diergebonden maatregelen betreft, worden de controles ter plaatse verricht overeenkomstig het bepaalde in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 796/2004.

ONDERAFDELING II

Kortingen en uitsluitingen

Artikel 16

Oppervlaktegebonden maatregelen

1.   De grondslag voor de berekening van de steun in het kader van de oppervlaktegebonden maatregelen wordt vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 50, leden 1, 3 en 7, van Verordening (EG) nr. 796/2004. Voor de toepassing van het onderhavige artikel worden de door een begunstigde aangegeven oppervlakten waarvoor de hoogte van de ontvangen steun dezelfde is, als één gewasgroep beschouwd.

2.   Indien de met het oog op betaling in het kader van een oppervlaktegebonden maatregel aangegeven oppervlakte groter is dan de overeenkomstig artikel 50, lid 3, van Verordening (EG) nr. 796/2004 geconstateerde oppervlakte, wordt de steun berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil indien dat verschil meer dan 3 % van de geconstateerde oppervlakte of meer dan twee hectare, maar niet meer dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte bedraagt.

Bedraagt het verschil meer dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte, dan wordt voor de betrokken oppervlaktegebonden maatregel geen steun toegekend.

3.   Indien de aangegeven oppervlakte meer dan 30 % groter is dan de overeenkomstig artikel 50, lid 3, van Verordening (EG) nr. 796/2004 geconstateerde oppervlakte, wordt de begunstigde uitgesloten van het ontvangen van de steun waarop hij overeenkomstig dat lid 3 voor het betrokken kalenderjaar in het kader van de betrokken maatregelen aanspraak had kunnen maken.

Bedraagt het verschil meer dan 50 %, dan wordt de begunstigde bovendien uitgesloten van het ontvangen van steun voor een bedrag gelijk aan het bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de overeenkomstig artikel 50, lid 3, van Verordening (EG) nr. 796/2004 geconstateerde oppervlakte.

4.   In afwijking van lid 2 en lid 3, eerste alinea, van het onderhavige artikel worden voor begunstigden in de lidstaten die de bij artikel 143 ter van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde regeling inzake één enkele areaalbetaling toepassen, de toe te passen kortingen en uitsluitingen berekend overeenkomstig artikel 138, lid 1, eerste en tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1973/2004 van de Commissie (6).

5.   Indien verschillen tussen de aangegeven oppervlakte en de overeenkomstig artikel 50, lid 3, van Verordening (EG) nr. 796/2004 geconstateerde oppervlakte het gevolg zijn van opzettelijk begane onregelmatigheden, wordt de begunstigde uitgesloten van de steun waarop hij overeenkomstig dat lid 3 voor het betrokken ELFPO-jaar in het kader van de betrokken oppervlaktegebonden maatregel aanspraak had kunnen maken.

6.   Het bedrag dat voortvloeit uit de in lid 3, tweede alinea, en lid 5 bedoelde uitsluitingen wordt verrekend met de steunbetalingen in het kader van welke van de onder Verordening (EG) nr. 1698/2005 of Verordening (EG) nr. 1782/2003 vallende steunmaatregelen dan ook waarop de betrokken begunstigde aanspraak kan maken op grond van de aanvragen die hij indient in de drie kalenderjaren volgende op het kalenderjaar van de betrokken bevinding. Kan het bedrag met die steunbetalingen niet volledig worden verrekend, dan komt het nog uitstaande saldo te vervallen.

Artikel 17

Diergebonden maatregelen

1.   De grondslag voor de berekening van de steun in het kader van de diergebonden maatregelen wordt vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 57, leden 2, 3 en 4, van Verordening (EG) nr. 796/2004.

2.   De in geval van een te hoge aangifte van runderen, respectievelijk schapen en geiten toe te passen kortingen of uitsluitingen worden berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 59 van Verordening (EG) nr. 796/2004.

De steunmaatregelen inzake runderen en de steunmaatregelen inzake schapen en geiten worden afzonderlijk behandeld.

3.   In afwijking van artikel 59, lid 2, tweede alinea, en lid 4, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 796/2004 wordt het uit de uitsluiting voortvloeiende bedrag verrekend met de steunbetalingen in het kader van welke van de onder Verordening (EG) nr. 1698/2005 vallende steunmaatregelen dan ook waarop de betrokken begunstigde aanspraak kan maken op grond van de aanvragen die hij indient in de drie kalenderjaren volgende op het kalenderjaar van de betrokken bevinding. Kan het bedrag met die steunbetalingen niet volledig worden verrekend, dan komt het nog uitstaande saldo te vervallen.

4.   Voor te hoge aangiften betreffende dieren van andere dan de in lid 2 genoemde soorten stelt de lidstaat een passend systeem van kortingen en uitsluitingen vast.

Artikel 18

Kortingen en uitsluitingen in geval van niet-inachtneming van subsidiabiliteitscriteria

1.   Indien een van de andere met de toekenning van de steun verband houdende verbintenissen dan die welke betrekking hebben op de aangegeven oppervlakte of het aangegeven aantal dieren, niet wordt nagekomen, wordt de aangevraagde steun verlaagd of geweigerd.

2.   De lidstaat bepaalt het bedrag waarmee de steun wordt verlaagd, met name op basis van de ernst, de omvang en het permanente karakter van de vastgestelde niet-nakoming.

De ernst van een niet-nakoming hangt met name af van het belang van de gevolgen van de niet-nakoming, gelet op de doelstellingen die met de niet-nagekomen criteria worden nagestreefd.

De omvang van een niet-nakoming hangt met name af van het effect van de niet-nakoming op de concrete actie als geheel.

Of een niet-nakoming een permanent karakter draagt, hangt met name af van de duur van de periode waarin de effecten blijven bestaan, of van de mogelijkheden om die effecten met redelijke middelen te beëindigen.

3.   In het geval dat de niet-nakoming het gevolg is van opzettelijk begane onregelmatigheden, wordt de begunstigde voor het betrokken ELFPO-jaar en het daaropvolgende ELFPO-jaar van de betrokken maatregel uitgesloten.

4.   De in dit artikel bedoelde kortingen en uitsluitingen gelden onverminderd de verdere straffen waarin nationale voorschriften eventueel voorzien.

AFDELING II

Naleving van de randvoorwaarden

ONDERAFDELING I

Controles

Artikel 19

Algemene beginselen

1.   Onverminderd artikel 51, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1698/2005, wordt onder „randvoorwaarden” verstaan de in artikel 51, lid 1, eerste alinea, van die verordening bedoelde dwingende eisen en de in de tweede alinea van dat lid 1 bedoelde minimumeisen inzake het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen.

2.   Artikel 3, lid 2, en artikel 25 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en artikel 2, punten 2, 2 bis en 31 tot en met 36, en de artikelen 9, 41, 42, 43, 46, 47 en 48 van Verordening (EG) nr. 796/2004 zijn van toepassing met betrekking tot de controles op de naleving van de randvoorwaarden.

Artikel 20

Controles ter plaatse

1.   De bevoegde controleautoriteit voert ten aanzien van de eisen of normen waarvoor zij verantwoordelijk is, controles ter plaatse uit bij ten minste 1 % van alle begunstigden die betalingsaanvragen in het kader van artikel 36, onder a), i) tot en met v), en onder b), i), iv) en v), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 hebben ingediend.

2.   Het bepaalde in artikel 44, lid 1, tweede alinea, en lid 2, van Verordening (EG) nr. 796/2004 is van toepassing.

Artikel 21

Selectie van de steekproef voor controles

1.   Artikel 45, lid 1, van Verordening (EG) nr. 796/2004 is van toepassing voor de selectie van de in artikel 20 van de onderhavige verordening bedoelde steekproef voor controles.

2.   De bevoegde controleautoriteit selecteert voor de eisen of normen waarvoor zij verantwoordelijk is, de op grond van artikel 20 te controleren begunstigden door die steekproef te selecteren uit de steekproef van de reeds overeenkomstig artikel 12 geselecteerde begunstigden voor wie de betrokken eisen of normen gelden.

3.   In afwijking van lid 2 van het onderhavige artikel kan de bevoegde controleautoriteit voor de eisen of normen waarvoor zij verantwoordelijk is, een steekproef voor controles selecteren die 1 % omvat van alle begunstigden die betalingsaanvragen in het kader van artikel 36, onder a), i) tot en met v), en onder b), i), iv) en v), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 hebben ingediend en verplicht zijn ten minste één van die eisen of normen na te leven.

ONDERAFDELING II

Kortingen en uitsluitingen

Artikel 22

Algemeen

1.   Artikel 25 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en artikel 2, punten 2, 2 bis en 31 tot en met 36, artikel 41 en artikel 65, lid 2, van Verordening (EG) nr. 796/2004 zijn van toepassing ten aanzien van de na de constatering van niet-nalevingen toe te passen kortingen of uitsluitingen.

2.   In het geval dat meer dan één betaalorgaan verantwoordelijkheid draagt in het kader van het beheer van de verschillende steunmaatregelen zoals bedoeld in artikel 36, onder a), i) tot en met v), en onder b), i), iv) en v), van Verordening (EG) nr. 1698/2005, neemt de lidstaat de dienstige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze onderafdeling op adequate wijze wordt toegepast, en met name dat één enkel kortingspercentage wordt toegepast op het totaal van de door de begunstigde op grond van die steunmaatregelen aangevraagde betalingen.

Artikel 23

Berekening van de kortingen en uitsluitingen

Onverminderd artikel 51, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 wordt, wanneer een niet-naleving wordt geconstateerd, een korting toegepast op het totale bedrag aan steun in het kader van artikel 36, onder a), i) tot en met v), en onder b), iv) en v), van die verordening dat aan de betrokken begunstigde is of moet worden toegekend op grond van de betalingsaanvragen die hij in de loop van het kalenderjaar van de betrokken bevinding heeft ingediend of nog zal indienen.

Wanneer de niet-naleving het gevolg is van nalatigheid van de begunstigde, wordt de korting berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 66 van Verordening (EG) nr. 796/2004.

In geval van een opzettelijke niet-naleving wordt de korting berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 67 van Verordening (EG) nr. 796/2004.

Artikel 24

Cumulatie van kortingen

In geval van een cumulatie van kortingen worden eerst kortingen wegens te late indiening van de aanvraag overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EG) nr. 796/2004 toegepast, worden vervolgens kortingen overeenkomstig artikel 16 of 17 van de onderhavige verordening toegepast, worden vervolgens kortingen overeenkomstig artikel 18 van de onderhavige verordening toegepast en worden ten slotte kortingen overeenkomstig de artikelen 22 en 23 van de onderhavige verordening toegepast.

TITEL II

Plattelandsontwikkelingssteun voor as 1 en as 3 en voor bepaalde maatregelen van as 2 en van as 4

HOOFDSTUK I

Algemene bepalingen

Artikel 25

Reikwijdte

Deze titel geldt voor:

a)

de in de artikelen 20 en 52 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde steunmaatregelen,

b)

de in artikel 36, onder a), vi), en onder b), vi) en vii), en artikel 39, lid 5, van die verordening bedoelde steunmaatregelen, en de in artikel 36, onder b), i) en iii), van die verordening bedoelde steunmaatregelen voor zover het de aanlegkosten betreft,

c)

de overeenkomstig artikel 63, onder a) en b), van die verordening toegekende steun voor concrete acties die overeenstemmen met maatregelen zoals bedoeld in de punten a) en b) van het onderhavige artikel.

AFDELING I

Controles

Artikel 26

Administratieve controles

1.   Alle steun- of betalingsaanvragen worden onderworpen aan administratieve controles die alle elementen betreffen waarvoor het mogelijk en passend is deze met administratieve middelen te controleren. De procedures schrijven voor dat de verrichte controlewerkzaamheden, de verificatieresultaten en de ten aanzien van afwijkingen genomen maatregelen worden geregistreerd.

2.   Bij de administratieve controles van steunaanvragen worden met name geverifieerd:

a)

de subsidiabiliteit van de concrete actie waarvoor steun wordt aangevraagd;

b)

de inachtneming van de in het programma voor plattelandsontwikkeling bepaalde selectiecriteria;

c)

de overeenstemming van de concrete actie waarvoor steun wordt aangevraagd, met de geldende nationale en communautaire voorschriften betreffende in het bijzonder, en voor zover relevant, overheidsopdrachten, staatssteun en de andere toepasselijke dwingende normen die in nationale wetgeving of in het programma voor plattelandsontwikkeling zijn vastgesteld;

d)

de redelijkheid van de in de aanvraag vermelde kosten, die worden geëvalueerd met behulp van een geschikt evaluatiesysteem zoals referentiekosten, een vergelijking van verschillende offertes of een evaluatiecomité;

e)

de betrouwbaarheid van de aanvrager in het licht van eventuele eerdere medegefinancierde in of na 2000 ondernomen concrete acties (verrichtingen).

3.   Bij de administratieve controles van de betalingsaanvragen worden met name, en voor zover dat voor de betrokken aanvraag dienstig is, geverifieerd:

a)

de levering van de medegefinancierde producten en diensten;

b)

het reële karakter van de in de aanvraag vermelde uitgaven;

c)

de voltooide concrete actie vergeleken met de concrete actie waarvoor de steunaanvraag was ingediend en de steun was toegekend.

4.   Als onderdeel van de administratieve controles betreffende investeringsacties wordt ten minste één bezoek gebracht aan de gesteunde concrete actie of de locatie van de investering om de uitvoering van de investering te controleren.

De lidstaat kan echter besluiten van een dergelijk bezoek af te zien voor kleinere investeringen of in de gevallen waarin hij van mening is dat er slechts een klein risico bestaat dat de voorwaarden voor het ontvangen van steun niet zijn vervuld of niet is voldaan aan de eis dat de investering een reëel karakter moet dragen. Dit besluit en de motivering ervan worden geregistreerd.

5.   De door de begunstigden verrichte betalingen worden gestaafd door facturen en bewijsstukken van de betaling. Waar dit niet mogelijk is, worden de betalingen gestaafd door stukken met vergelijkbare bewijskracht.

6.   Van de administratieve controles maken procedures deel uit om een onregelmatige dubbele financiering waarbij ook in het kader van andere communautaire of nationale regelingen of andere programmeringsperioden een financiering wordt verkregen, te voorkomen. In de gevallen waarin een financiering uit andere bronnen bestaat, wordt er bij die controles op toegezien dat de in totaal ontvangen steun niet hoger is dan de toegestane steunmaxima.

7.   Voor de steun in het kader van door de lidstaten erkende voedselkwaliteitsregelingen zoals bedoeld in artikel 32 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 kunnen de betaalorganen in voorkomend geval van andere diensten, instanties of organisaties ontvangen bewijsmateriaal gebruiken om na te gaan of aan de subsidiabiliteitscriteria is voldaan. Zij moeten echter de zekerheid hebben dat de dienst, instantie of organisatie werkt volgens normen die voldoende zijn om te kunnen controleren of de subsidiabiliteitscriteria in acht zijn genomen.

Artikel 27

Controles ter plaatse

1.   De lidstaten organiseren controles ter plaatse van goedgekeurde concrete acties op basis van een passende steekproeftrekking. Deze controles worden zoveel mogelijk uitgevoerd vóór de eindbetaling voor het project.

2.   De gecontroleerde uitgaven maken ten minste 4 % uit van de overheidsuitgaven die elk jaar aan de Commissie zijn gedeclareerd, en maken ten minste 5 % uit van de in de hele programmeringsperiode aan de Commissie gedeclareerde overheidsuitgaven.

3.   Bij de trekking van de overeenkomstig lid 1 te controleren steekproef van goedgekeurde concrete acties wordt met name rekening gehouden met:

a)

de noodzaak een passende variatie naar aard en omvang van de concrete acties te controleren;

b)

de eventueel bij nationale of communautaire controles geconstateerde risicofactoren;

c)

de noodzaak van een evenwichtige spreiding over de assen en maatregelen.

4.   De resultaten van de controles ter plaatse worden geëvalueerd om na te gaan of eventuele vastgestelde problemen een systemisch karakter dragen waardoor ook bij andere, vergelijkbare concrete acties en begunstigden of bij andere instanties sprake is van een risico. Tevens moet de evaluatie duidelijkheid verschaffen over de oorzaken van dergelijke situaties, over eventueel vereist nader onderzoek en over het noodzakelijke corrigerende en preventieve optreden.

5.   De controles ter plaatse mogen worden aangekondigd, mits het doel van de controle daardoor niet in gevaar wordt gebracht. Bedraagt de termijn tussen de aankondiging en de controle meer dan 48 uur, dan moet die termijn beperkt worden tot het noodzakelijke minimum, afhankelijk van de aard van de maatregel en de medegefinancierde concrete actie.

Artikel 28

Inhoud van de controles ter plaatse

1.   De lidstaten streven ernaar om door middel van de controles ter plaatse te verifiëren:

a)

of voor de betalingen aan de begunstigde steun kan worden gevonden in boekhoudkundige of andere stukken die in het bezit zijn van de instanties of ondernemingen die de gesteunde concrete acties uitvoeren;

b)

voor een voldoende aantal uitgavenposten, of de aard en het tijdstip van de betrokken uitgaven aan de communautaire bepalingen voldoen en in overeenstemming zijn met de goedgekeurde specificaties voor de concrete actie en met de feitelijk uitgevoerde werkzaamheden of geleverde diensten;

c)

of het gebruik of beoogde gebruik van de concrete actie strookt met het in de aanvraag voor communautaire steun beschreven gebruik;

d)

of de door de overheid gefinancierde concrete acties zijn uitgevoerd in overeenstemming met de communautaire voorschriften en beleidsvormen, in het bijzonder de voorschriften inzake openbare aanbesteding, en met de relevante dwingende normen die in nationale wetgeving of in het programma voor plattelandsontwikkeling zijn vastgesteld.

2.   De controles ter plaatse betreffen alle verbintenissen en verplichtingen van de begunstigde die ten tijde van het bezoek kunnen worden gecontroleerd.

3.   Behoudens uitzonderlijke omstandigheden die door de nationale autoriteiten naar behoren worden geregistreerd en toegelicht, wordt als onderdeel van de controles ter plaatse een bezoek gebracht aan de concrete actie of, indien de concrete actie van immateriële aard is, aan de initiatiefnemer van de concrete actie.

4.   Alleen de controles die aan alle eisen van het onderhavige artikel voldoen, mogen worden meegerekend om te bepalen of het bij artikel 27, lid 2, vastgestelde controlepercentage is bereikt.

Artikel 29

Controle betreffende de maatregelen op het gebied van vervroegde uittreding en voor semi-zelfvoorzieningsbedrijven

1.   Voor steunaanvragen op grond van artikel 23 of 34 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 omvatten de administratieve controles bovendien de in artikel 11, lid 2, van de onderhavige verordening bedoelde controles.

2.   Wat de in artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde maatregel betreft, kunnen de lidstaten afzien van controles ter plaatse na de eerste betaling van de steun, mits administratieve controles, met inbegrip van onder meer passende kruiscontroles waarbij in het bijzonder wordt vergeleken met de gegevens in de in artikel 19 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde elektronische databank, de nodige zekerheid omtrent de wettigheid en regelmatigheid van de betalingen verschaffen.

Artikel 30

Controles achteraf

1.   Investeringsacties waarvoor op grond van artikel 72, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 of het bepaalde in het programma voor plattelandsontwikkeling nog steeds verbintenissen gelden, worden onderworpen aan controles achteraf.

2.   De controles achteraf hebben tot doel:

a)

na te gaan of artikel 72, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 in acht wordt genomen;

b)

het reële en definitieve karakter van de door de begunstigde gedane betalingen na te gaan behalve in het geval van bijdragen in natura of van normbedragen voor kosten;

c)

te garanderen dat dezelfde investering niet op onregelmatige wijze uit verschillende nationale of communautaire bronnen is gefinancierd.

3.   De controles achteraf betreffen elk jaar ten minste 1 % van de subsidiabele uitgaven voor de concrete acties zoals bedoeld in lid 1 waarvoor de eindbetaling is verricht. Zij worden uitgevoerd binnen twaalf maanden na afloop van het relevante ELFPO-jaar.

4.   De controles achteraf worden gebaseerd op een analyse van de risico’s bij en de financiële impact van de verschillende concrete acties, groepen van concrete acties of maatregelen.

De met de controles achteraf belaste controleurs mogen niet betrokken zijn geweest bij de controles waaraan dezelfde investeringsactie vóór de betalingen is onderworpen.

AFDELING II

Kortingen en uitsluitingen

Artikel 31

Kortingen en uitsluitingen

1.   De betalingen worden berekend op basis van wat subsidiabel blijkt te zijn.

De lidstaat onderzoekt de van de begunstigde ontvangen betalingsaanvraag en bepaalt de subsidiabele bedragen. Hij bepaalt:

a)

welk bedrag op basis van uitsluitend de betalingsaanvraag aan de begunstigde moet worden betaald;

b)

welk bedrag na een onderzoek naar de subsidiabiliteit van de betalingsaanvraag aan de begunstigde moet worden betaald.

Indien het overeenkomstig punt a) bepaalde bedrag meer dan 3 % hoger is dan het overeenkomstig punt b) bepaalde bedrag, wordt op het overeenkomstig punt b) bepaalde bedrag een korting toegepast. Het bedrag van de korting is gelijk aan het verschil tussen die twee bedragen.

Geen korting wordt evenwel toegepast indien de begunstigde kan aantonen geen schuld te hebben aan de opneming van het niet-subsidiabele bedrag in de aanvraag. De kortingen zijn van overeenkomstige toepassing in het geval van niet-subsidiabele uitgaven die worden ontdekt bij de controles overeenkomstig de artikelen 28 en 30.

2.   Indien blijkt dat een begunstigde opzettelijk een valse verklaring heeft afgelegd, wordt de betrokken concrete actie uitgesloten van steun uit het ELFPO en worden alle eventueel reeds voor die concrete actie betaalde bedragen teruggevorderd. Bovendien wordt de begunstigde voor het betrokken ELFPO-jaar en het daaropvolgende ELFPO-jaar uitgesloten van het ontvangen van steun in het kader van dezelfde maatregel.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde straffen gelden onverminderd de verdere straffen waarin nationale voorschriften voorzien.

HOOFDSTUK II

Specifieke bepalingen voor as 4 (Leader)

Artikel 32

Controles

Voor de op grond van artikel 63, onder c), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 gedane uitgaven organiseert de lidstaat controles overeenkomstig het bepaalde in deze titel. Die controles worden verricht door personen die onafhankelijk zijn van de betrokken plaatselijke groep.

Artikel 33

Verantwoordelijkheid voor de controle

1.   Voor de op grond van artikel 63, onder a) en b), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 gedane uitgaven kunnen de in artikel 26 van de onderhavige verordening bedoelde administratieve controles worden uitgevoerd door plaatselijke groepen in het kader van een formele delegatie. De lidstaat blijft er echter verantwoordelijk voor dat wordt nagegaan of die plaatselijke groepen beschikken over de voor dat werk benodigde beheers- en controlecapaciteit.

2.   De lidstaat legt een passend systeem van toezicht op de plaatselijke groepen ten uitvoer. Daartoe behoren regelmatige controles van de verrichtingen van de plaatselijke groepen, met inbegrip van boekhoudkundige controles en het steekproefsgewijs nogmaals uitvoeren van administratieve controles.

DEEL III

Slotbepalingen

Artikel 34

Mededelingen

Uiterlijk op 15 juli van elk jaar en voor het eerst uiterlijk op 15 juli 2008 doen de lidstaten de Commissie een verslag over het afgelopen ELFPO-begrotingsjaar toekomen dat met name betrekking heeft op de volgende punten:

a)

het aantal betalingsaanvragen in het kader van elke maatregel voor plattelandsontwikkeling, het gecontroleerde totale bedrag en, in voorkomend geval, de totale oppervlakte en het totale aantal dieren waarop de in de artikelen 12, 20 en 27 bedoelde controles ter plaatse betrekking hadden;

b)

voor de oppervlaktegebonden steun, de totale oppervlakte, uitgesplitst per afzonderlijke steunregeling;

c)

voor de diergebonden maatregelen, het totale aantal dieren, uitgesplitst per afzonderlijke steunregeling;

d)

de resultaten van de verrichte controles met vermelding van de overeenkomstig de artikelen 16, 17, 18, 22 en 23 toegepaste kortingen en uitsluitingen;

e)

het aantal overeenkomstig artikel 30 verrichte controles achteraf, het bedrag van de geverifieerde uitgaven en de resultaten van de controles met vermelding van de overeenkomstig artikel 31 toegepaste kortingen en uitsluitingen.

Artikel 35

Controle door de Commissie

Artikel 27, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 is van toepassing voor de op grond van Verordening (EG) nr. 1698/2005 betaalde steun.

Artikel 36

Verslaglegging over de controles aan het betaalorgaan

1.   In het geval dat controles niet door het betaalorgaan worden uitgevoerd, zorgt de lidstaat ervoor dat het betaalorgaan voldoende informatie over de verrichte controles ontvangt. Het betaalorgaan bepaalt zijn behoeften aan informatie.

Een toereikend controlespoor wordt in stand gehouden. De bijlage bevat een indicatieve beschrijving van de eisen die aan een bevredigend controlespoor worden gesteld.

2.   De in lid 1, eerste alinea, bedoelde informatie kan een verslag over elke verrichte controle zijn of kan, als dat passend is, worden verstrekt in de vorm van een samenvattend verslag.

3.   Het betaalorgaan heeft het recht de kwaliteit van de door andere instanties verrichte controles te verifiëren en alle andere informatie te ontvangen die het voor de vervulling van zijn functies nodig heeft.

Artikel 37

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing voor de communautaire steun betreffende de programmeringsperiode die op 1 januari 2007 begint.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 december 2006.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1.

(2)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzgd bij Verordening (EG) nr. 1405/2006 (PB L 265 van 26.9.2006, blz. 1).

(3)  PB L 141 van 30.4.2004, blz. 18. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 659/2006 (PB L 116 van 29.4.2006, blz. 20).

(4)  PB L 209 van 11.8.2005, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 320/2006 (PB L 58 van 28.2.2006, blz. 42).

(5)  Zie bladzijde 15 van dit Publicatieblad.

(6)  PB L 345 van 20.11.2004, blz. 1.


BIJLAGE

INDICATIEVE BESCHRIJVING VAN DE VOOR EEN TOEREIKEND CONTROLESPOOR BENODIGDE INFORMATIE

Van een toereikend controlespoor zoals bedoeld in artikel 36, lid 1, is sprake wanneer dat controlespoor voor de betrokken steun aan de volgende voorwaarden voldoet:

a)

het maakt voor alle door het ELFPO gesteunde concrete acties een controle mogelijk op de aansluiting tussen de aan de Commissie gedeclareerde totale bedragen en de facturen, boekhoudkundige stukken en andere bewijsstukken die in het bezit zijn van het betaalorgaan of van een andere dienst;

b)

het maakt het mogelijk de betaling van de overheidsuitgaven aan de begunstigde te verifiëren;

c)

het maakt het mogelijk de toepassing van de selectiecriteria op de door het ELFPO gefinancierde concrete acties te verifiëren;

d)

het bevat, voor zover dat dienstig is, het financieringsplan, de activiteitenverslagen, de stukken over de toekenning van de steun, de stukken over de procedures van openbare aanbesteding en de verslagen over de verrichte controles.


23.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 368/85


VERORDENING (EG) Nr. 1976/2006 VAN DE COMMISSIE

van 20 december 2006

tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2204/2002, (EG) nr. 70/2001 en (EG) nr. 68/2001, wat de verlenging van de geldigheidsduur betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 994/98 van de Raad van 7 mei 1998 betreffende de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op bepaalde soorten van horizontale steunmaatregelen (1), en met name op artikel 1, lid 1, onder a), i), ii), iv), en onder b),

Na bekendmaking van de ontwerp-verordening,

Na raadpleging van het Adviescomité inzake overheidssteun,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 2204/2002 van de Commissie van 12 december 2002 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op werkgelegenheidssteun (2), Verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (3) en Verordening (EG) nr. 68/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op opleidingssteun (4) verstrijken op 31 december 2006. In haar Actieplan staatssteun (5) heeft de Commissie voorgesteld deze verordeningen te bundelen in één groepsvrijstellingsverordening en daar ook eventueel andere gebieden zoals vermeld in de artikelen 1 en 2 van Verordening (EG) nr. 994/98 in te integreren.

(2)

De inhoud van de toekomstige groepsvrijstellingsverordening hangt in het bijzonder af van de resultaten van de openbare raadplegingen die werden opgezet in het kader van het Actieplan staatssteun — Minder en beter gerichte staatssteun: een routekaart voor de hervorming van het staatssteunbeleid (2005-2009) en Raadplegingsdocument inzake staatssteun voor innovatie (6). Besprekingen met de vertegenwoordigers van de lidstaten zijn eveneens noodzakelijk om de steuncategorieën vast te stellen die als verenigbaar met het Verdrag kunnen worden beschouwd. Teneinde de lopende raadplegingen voort te zetten en de resultaten daarvan te kunnen analyseren, dient de geldigheidsduur van de Verordeningen (EG) nr. 2204/2002, (EG) nr. 70/2001 en (EG) nr. 68/2001 te worden verlengd tot 30 juni 2008.

(3)

Verordeningen (EG) nr. 2204/2002, (EG) nr. 70/2001 en (EG) nr. 68/2001 dienen derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(4)

Voorts dient van de lidstaten niet te worden verlangd dat zij een nieuwe samenvatting van de informatie toezenden voor maatregelen die krachtens deze verordening worden verlengd zonder dat de inhoud ervan wordt gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 11, lid 1, tweede volzin, van Verordening (EG) nr. 2204/2002 komt als volgt te luiden:

„Zij blijft van kracht tot en met 30 juni 2008”.

Artikel 2

Artikel 10, lid 1, tweede volzin, van Verordening (EG) nr. 70/2001 komt als volgt te luiden:

„Zij blijft van kracht tot en met 30 juni 2008”.

Artikel 3

Artikel 8, lid 1, tweede volzin, van Verordening (EG) nr. 68/2001 komt als volgt te luiden:

„Zij blijft van kracht tot en met 30 juni 2008”.

Artikel 4

De verplichting om overeenkomstig artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 68/2001, artikel 9, lid 1, van Verordening (EG) nr. 70/2001 en artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2204/2002, een samenvatting van de informatie betreffende de ten uitvoer gelegde maatregelen toe te zenden, geldt niet voor staatssteunmaatregelen waarbij bestaande maatregelen krachtens onderhavige verordening worden verlengd, op voorwaarde dat deze maatregelen niet aanzienlijk werden gewijzigd en dat bij de tenuitvoerlegging van deze maatregelen naar behoren een samenvatting van de informatie werd overgelegd.

Artikel 5

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 december 2006.

Voor de Commissie

Neelie KROES

Lid van de Commissie


(1)  PB L 142 van 14.5.1998, blz. 1.

(2)  PB L 337 van 13.12.2002, blz. 3. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1040/2006 (PB L 187 van 8.7.2006, blz. 8).

(3)  PB L 10 van 13.1.2001, blz. 33. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1040/2006.

(4)  PB L 10 van 13.1.2001, blz. 20. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1040/2006.

(5)  COM(2005) 107 definitief.

(6)  COM(2005) 436 definitief.


23.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 368/87


VERORDENING (EG) Nr. 1977/2006 VAN DE COMMISSIE

van 21 december 2006

houdende aanpassing van Verordening (EG) nr. 1201/2006 tot vaststelling van de wegingscoëfficiënten voor de berekening van de gemeenschappelijke marktprijs voor geslachte varkens voor het verkoopseizoen 2006/2007

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag betreffende de toetreding van Bulgarije en Roemenië, en met name op artikel 4, lid 3,

Gelet op de Akte betreffende de toetreding van Bulgarije en Roemenië, en met name op artikel 56,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De gemeenschappelijke marktprijs voor geslachte varkens als bedoeld in artikel 4, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2759/75 moet worden berekend door de in elke lidstaat geconstateerde prijzen te wegen met de coëfficiënten die het relatieve gewicht van de varkensstapel van elke lidstaat aangeven.

(2)

Met het oog op de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie moeten de genoemde coëfficiënten worden aangepast door de gegevens van de nieuwe lidstaten toe te voegen.

(3)

Verordening (EG) nr. 1201/2006 van de Commissie (1) dient derhalve te worden gewijzigd.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor varkensvlees,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Verordening (EG) nr. 1201/2006 wordt vervangen door de tekst die is opgenomen in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking onder voorbehoud en op de datum van de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de toetreding van Bulgarije en Roemenië.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 december 2006.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 218 van 9.8.2006, blz. 10.


BIJLAGE

„BIJLAGE

Met ingang van 1 januari 2007 geldende wegingscoëfficiënten voor de berekening van de gemeenschappelijke marktprijs voor geslachte varkens voor het verkoopseizoen 2006/2007

Artikel 4, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2759/75

België

3,9

Bulgarije

0,6

Tsjechië

1,7

Denemarken

7,9

Duitsland

16,9

Estland

0,2

Griekenland

0,7

Spanje

15,5

Frankrijk

9,5

Ierland

1,1

Italië

5,8

Cyprus

0,3

Letland

0,3

Litouwen

0,7

Luxemburg

0,1

Hongarije

2,4

Malta

0,1

Nederland

6,9

Oostenrijk

2,0

Polen

11,8

Portugal

1,5

Roemenië

4,1

Slovenië

0,3

Slowakije

0,7

Finland

0,9

Zweden

1,1

Verenigd Koninkrijk

3,0”.


23.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 368/89


VERORDENING (EG) Nr. 1978/2006 VAN DE COMMISSIE

van 22 december 2006

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 448/2001 wat de verslaglegging over de intrekkingsprocedures en het hergebruik van de ingetrokken bijdragen betreft

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de structuurfondsen (1), en met name op artikel 53, lid 2,

Na raadpleging van het bij artikel 147 van het Verdrag ingestelde comité,

Na raadpleging van het Comité voor de landbouwstructuur en de plattelandsontwikkeling,

Na raadpleging van het Comité voor de structuur van de visserij en de aquacultuur,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 2, lid 3, en artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 448/2001 van de Commissie van 2 maart 2001 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de procedure inzake financiële correcties betreffende uit de structuurfondsen toegekende bijstand (2) moeten de lidstaten de Commissie verslag uitbrengen over de intrekkingsprocedures en de reeds genomen of te nemen maatregelen om de beheers- en controlesystemen aan te passen, en haar informeren over het hergebruik van de ingetrokken bijdragen en de wijzigingen van het financieringsplan van het bijstandspakket.

(2)

Uit de bij de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 448/2001 opgedane ervaring is gebleken dat deze eisen moeten worden verduidelijkt en vereenvoudigd.

(3)

Met name de aan de Commissie te verstrekken informatie moet worden beperkt tot het totaalbedrag aan overheidsfinanciering, per maatregel, dat uit het betrokken programma wordt geschrapt als gevolg van de gehele of gedeeltelijke intrekking van de bijdrage van de Gemeenschap aan verrichtingen, en tot informatie over het daadwerkelijke hergebruik van de bijdragen die na de schrapping van de financiering zijn vrijgekomen. De informatie over aanpassingen van de beheers- en controlesystemen wordt door de lidstaten verstrekt in de jaarverslagen die moeten worden ingediend overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 438/2001 van de Commissie van 2 maart 2001 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de beheers- en controlesystemen voor uit de structuurfondsen toegekende bijstand (3).

(4)

Verordening (EG) nr. 448/2001 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de ontwikkeling en omschakeling van de regio’s,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 448/2001 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2, lid 3, komt als volgt te luiden:

„3.   Onverminderd de krachtens artikel 8 van Verordening (EG) nr. 438/2001 van de Commissie (4) vereiste informatie over terugvorderingen, zenden de lidstaten de Commissie als bijlage bij het laatste kwartaalverslag van elk jaar dat in het kader van Verordening (EG) nr. 1681/94 van de Commissie (5) wordt verstrekt, een verklaring toe waarin per maatregel het totaalbedrag aan overheidsfinanciering wordt aangegeven dat als gevolg van de gehele of gedeeltelijke intrekking van de bijdrage van de Gemeenschap aan verrichtingen uit de in het voorgaande jaar voor het betrokken programma ingediende uitgavenstaten is geschrapt.

2)

In artikel 3, lid 2, komt de tweede zin als volgt te luiden:

„De lidstaten stellen de Commissie in het in artikel 2, lid 3, bedoelde verslag in kennis van de wijze waarop de als gevolg van de schrapping van de financiering uit het programma vrijgekomen bijdragen van de Gemeenschap zijn hergebruikt.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 december 2006.

Voor de Commissie

Danuta HÜBNER

Lid van de Commissie


(1)  PB L 161 van 26.6.1999, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 173/2005 (PB L 29 van 2.2.2005, blz. 3) en vervangen door Verordening (EG) nr. 1083/2006 (PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25) met ingang van 1 januari 2007.

(2)  PB L 64 van 6.3.2001, blz. 13.

(3)  PB L 63 van 3.3.2001, blz. 21. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2355/2002 (PB L 351 van 28.12.2002, blz. 42).

(4)  PB L 63 van 3.3.2001, blz. 21.

(5)  PB L 178 van 12.7.1994, blz. 43.”.


23.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 368/91


VERORDENING (EG) Nr. 1979/2006 VAN DE COMMISSIE

van 22 december 2006

betreffende de opening en de wijze van beheer van tariefcontingenten voor uit derde landen ingevoerde conserven van paddenstoelen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op het Verdrag betreffende de toetreding van Bulgarije en Roemenië, en met name op artikel 4, lid 3,

Gelet op de Akte van toetreding van Bulgarije en Roemenië, en met name op artikel 41,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2201/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector verwerkte producten op basis van groenten en fruit (1), en met name op artikel 15, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van de Overeenkomst inzake de landbouw (2), die is gesloten tijdens de Uruguayronde van multilaterale handelsbesprekingen, heeft de Gemeenschap zich ertoe verbonden om met ingang van 1 juli 1995 onder bepaalde voorwaarden communautaire tariefcontingenten voor bepaalde conserven van paddenstoelen van het geslacht Agaricus spp. te openen.

(2)

De voorschriften voor het beheer van deze contingenten zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1864/2004 van de Commissie van 26 oktober 2004 betreffende de opening en de wijze van beheer van tariefcontingenten voor uit derde landen ingevoerde conserven van paddenstoelen (3). Voor de duidelijkheid moet deze verordening worden ingetrokken en door een nieuwe verordening worden vervangen met ingang van 1 januari 2007.

(3)

In de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en de Volksrepubliek China uit hoofde van artikel XXIV, lid 6, en artikel XXVIII van de GATT 1994, die is goedgekeurd bij Besluit 2006/398/EG van de Raad (4), is bepaald dat het tariefcontingent voor conserven van paddenstoelen van het geslacht Agaricus spp. van de GN-codes 0711 51 00, 2003 10 20 en 2003 10 30, van oorsprong uit China, met 5 200 t moet worden verhoogd.

(4)

Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (5) is van toepassing voor de invoercertificaten voor de invoertariefcontingentsperioden die op of na 1 januari 2007 beginnen. Bij Verordening (EG) nr. 1301/2006 zijn met name uitvoeringsbepalingen vastgesteld inzake de invoercertificaataanvragen, de status van de aanvragers en het afgeven van certificaten. In de verordening is bepaald dat de geldigheidsduur van een invoercertificaat eindigt op de laatste dag van de betrokken invoertariefcontingentsperiode. Verordening (EG) nr. 1301/2006 is van toepassing op de op grond van de onderhavige verordening afgegeven invoercertificaten, onverminderd de bij de onderhavige verordening vastgestelde aanvullende voorschriften en afwijkingen met betrekking tot de aanvragers.

(5)

Gedetailleerde voorschriften moeten worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat voor de hoeveelheden boven de tariefcontingenten het volle recht wordt geheven dat in het gemeenschappelijk douanetarief is vastgesteld. De certificaten moeten derhalve worden afgegeven na afloop van een termijn waarin de hoeveelheden worden gecontroleerd en de lidstaten de nodige gegevens meedelen. Zij vormen een aanvulling op of wijken af van het bepaalde in Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie van 9 juni 2000 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (6).

(6)

De markt van de Gemeenschap moet verder in toereikende mate en tegen stabiele prijzen van de betrokken producten worden voorzien, terwijl onnodige marktverstoringen in de vorm van hevige prijsschommelingen en negatieve gevolgen voor de communautaire producenten moeten worden voorkomen. Daartoe dient de concurrentie tussen importeurs steeds meer te worden bevorderd en dient de administratieve last voor importeurs te worden beperkt.

(7)

In het belang van de bestaande importeurs, die normaliter aanzienlijke hoeveelheden van de betrokken producten invoeren, en ook in het belang van nieuwe importeurs, die zich op de markt begeven en eveneens een eerlijke kans moeten hebben om certificaten voor een hoeveelheid conserven van paddenstoelen in het kader van de tariefcontingenten aan te vragen, dient onderscheid te worden gemaakt tussen traditionele importeurs en nieuwe importeurs. Deze twee categorieën van importeurs dienen duidelijk te worden gedefinieerd en bepaalde criteria met betrekking tot de status van de aanvragers en het gebruik van de toegewezen certificaten dienen te worden vastgesteld.

(8)

Het is passend de verdeling over de twee categorieën van importeurs vast te stellen op basis van de werkelijk ingevoerde hoeveelheden en niet op basis van de afgegeven certificaten.

(9)

In het belang van de bestaande importeurs moet voor de berekening van de referentiehoeveelheden ook rekening worden gehouden met de hoeveelheden conserven van paddenstoelen die onder de in het kader van deze verordening beheerde tariefcontingenten vallen en wegens overmacht niet in de loop van een invoertariefcontingentsperiode konden worden ingevoerd, teneinde te vermijden dat zij later op de referentiehoeveelheid in mindering worden gebracht.

(10)

Voor de door de verschillende categorieën importeurs ingediende certificaataanvragen voor de invoer van conserven van paddenstoelen uit derde landen moeten bepaalde beperkingen gelden. Deze beperkingen zijn nodig om ervoor te zorgen dat niet alleen de importeurs met elkaar blijven concurreren, maar ook dat elke importeur die op de markt voor groenten en fruit een echte commerciële activiteit ontplooit, de kans krijgt om zijn legitieme handelspositie ten opzichte van andere importeurs te verdedigen en dat geen enkele importeur de markt kan beheersen.

(11)

Om het beheer van de tariefcontingenten voor conserven van paddenstoelen te verbeteren en te vereenvoudigen, dient een duidelijke regeling te worden getroffen met betrekking tot de termijnen en de procedures voor de indiening van de certificaataanvragen en voor de afgifte van de certificaten door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten.

(12)

Maatregelen zijn ook nodig om speculatieve certificaataanvragen die ertoe kunnen leiden dat de tariefcontingenten niet volledig worden benut, tot een minimum te beperken. Wegens de aard en de waarde van het betrokken product dient een zekerheid te worden gesteld per ton uitgelekt nettogewicht van het product waarvoor een aanvraag om een invoercertificaat wordt ingediend. De zekerheid moet hoog genoeg zijn om speculatieve aanvragen te ontmoedigen, maar niet zo hoog dat ook diegenen worden ontmoedigd die een echte commerciële activiteit ontplooien met betrekking tot op basis van groenten en fruit verwerkte producten. Het meest geschikte objectieve criterium voor de vaststelling van de hoogte van de zekerheid is om deze te begrenzen op 2 % van het gemiddelde aanvullende douanerecht dat van toepassing is bij invoer in de Gemeenschap van conserven van paddenstoelen van het geslacht Agaricus spp. die momenteel onder de GN-codes 0711 51 00, 2003 10 20 en 2003 10 30 vallen.

(13)

Op 1 januari 2007 worden Bulgarije en Roemenië lid van de Europese Unie. De momenteel aan deze landen toegewezen GATT-contingenten meten derhalve over andere leveranciers worden verdeeld.

(14)

Er moeten overgangsmaatregelen worden vastgesteld om deze verordening ook te kunnen toepassen voor importeurs uit Bulgarije en Roemenië.

(15)

Voor de jaren 2007 en 2008 dient een regeling te worden getroffen om ervoor te zorgen dat onderscheid wordt gemaakt tussen, enerzijds, traditionele importeurs en nieuwe importeurs uit de Gemeenschap in haar samenstelling op 31 december 2006 en, anderzijds, traditionele importeurs en nieuwe importeurs uit Bulgarije en Roemenië.

(16)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor op basis van groenten en fruit verwerkte producten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Opening van de tariefcontingenten en toe te passen douanerechten

1.   Overeenkomstig het bepaalde in deze verordening worden tariefcontingenten geopend voor de invoer in de Gemeenschap van conserven van paddenstoelen van het geslacht Agaricus van de GN-codes 0711 51 00, 2003 10 20 en 2003 10 30 (hierna „conserven van paddenstoelen” genoemd). De omvang van elk tariefcontingent, het volgnummer en de periode waarvoor dit geldt, worden vastgesteld in bijlage I.

2.   Het toe te passen douanetarief is een ad-valoremrecht van 12 % voor producten van GN-code 0711 51 00 en van 23 % voor producten van de GN-codes 2003 10 20 en 2003 10 30.

Artikel 2

Toepassing van de Verordeningen (EG) nr. 1291/2000 en (EG) nr. 1301/2006

De Verordeningen (EG) nr. 1291/2000 en (EG) nr. 1301/2006 zijn van toepassing, tenzij dit in de onderhavige verordening anders is bepaald.

Artikel 3

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „bevoegde autoriteiten” verstaan, de instantie of instanties die de lidstaat voor de tenuitvoerlegging van deze verordening heeft aangewezen.

2.   Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „referentiehoeveelheid” verstaan, de grootste hoeveelheid (uitgedrukt in uitgelekt nettogewicht) conserven van paddenstoelen die een traditionele importeur per kalenderjaar heeft ingevoerd in de voorgaande drie kalenderjaren.

De invoer van conserven van paddenstoelen van oorsprong uit de lidstaten van de Gemeenschap in haar samenstelling op 31 december 2006 of uit Bulgarije en Roemenië wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van de referentiehoeveelheid.

Voor de berekening van de referentiehoeveelheid dient ook rekening te worden gehouden met de hoeveelheden conserven van paddenstoelen die onder de in artikel 1, lid 1, bedoelde tariefcontingenten vallen en die wegens overmacht niet gedurende een invoertariefcontingentsperiode konden worden ingevoerd.

Artikel 4

Categorieën van importeurs

1.   In afwijking van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1301/2006, wordt onder „traditionele importeurs” verstaan, importeurs die kunnen aantonen dat zij:

a)

in ten minste twee van de voorgaande drie kalenderjaren conserven van paddenstoelen in de Gemeenschap hebben ingevoerd;

b)

in het jaar dat voorafgaat aan hun aanvraag ten minste 100 t op basis van groenten en fruit verwerkte producten zoals bedoeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2201/96, in de Gemeenschap hebben ingevoerd.

2.   In afwijking van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1301/2006 wordt onder „nieuwe importeurs” verstaan, andere dan de in lid 1 van het onderhavige artikel bedoelde importeurs, die in elk van de voorgaande twee kalenderjaren ten minste 50 t op basis van groenten en fruit verwerkte producten zoals bedoeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2201/96, in de Gemeenschap hebben ingevoerd.

3.   Traditionele en nieuwe importeurs dienen, bij het indienen van hun eerste aanvraag voor een bepaalde invoertariefcontingentsperiode, bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarin zij zijn gevestigd en waarin zij zijn geregistreerd in het kader van de BTW-regeling, het bewijs te leveren dat aan de in de leden 1 en 2 vastgestelde criteria is voldaan.

Als bewijs van handel met derde landen geldt uitsluitend het douanedocument waarmee de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, dat naar behoren is geviseerd door de douaneautoriteiten en waarin naar de betrokken aanvrager wordt verwezen als geadresseerde.

Artikel 5

Certificaataanvragen en certificaten

1.   De invoercertificaten (hierna „de certificaten” genoemd) zijn geldig vanaf de datum van de feitelijke afgifte in de zin van artikel 23, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1291/2000.

2.   De zekerheid bedraagt 40 EUR per ton uitgelekt nettogewicht.

3.   In vak 8 van de certificaataanvraag en het certificaat wordt het land van oorsprong ingevuld en wordt het woord „ja” aangekruist. Het certificaat geldt uitsluitend voor invoer van oorsprong uit het vermelde land.

4.   In afwijking van artikel 9, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1291/2000 kunnen de uit de invoercertificaten voortvloeiende rechten niet worden overgedragen.

Artikel 6

Verdeling van de totale hoeveelheden over de traditionele en de nieuwe importeurs

1.   De totale hoeveelheid die overeenkomstig bijlage I aan China en aan andere derde landen wordt toegewezen, wordt als volgt verdeeld:

a)

95 % onder de traditionele importeurs;

b)

5 % onder de nieuwe importeurs.

2.   Indien de aan China en aan andere derde landen toegewezen hoeveelheid niet geheel door de desbetreffende categorie importeurs worden benut, mag de resterende hoeveelheid aan importeurs van de andere categorie worden toegewezen.

3.   In vak 20 van de certificaataanvraag wordt de vermelding „traditionele importeur” respectievelijk „nieuwe importeur” aangebracht.

Artikel 7

Voor de aanvragen geldende beperkingen

1.   De door een traditionele importeur ingediende certificaataanvragen voor de invoer in de Gemeenschap van conserven van paddenstoelen mogen in totaal ten hoogste betrekking hebben op een hoeveelheid (uitgedrukt in uitgelekt nettogewicht) die gelijk is aan 150 % van de referentiehoeveelheid.

2.   De door een nieuwe importeur ingediende certificaataanvragen voor de invoer in de Gemeenschap van conserven van paddenstoelen van een bepaalde oorsprong mogen in totaal ten hoogste betrekking hebben op een hoeveelheid (uitgedrukt in uitgelekt nettogewicht) die gelijk is aan 1 % van de in bijlage I voor die oorsprong vastgestelde totale hoeveelheid.

Artikel 8

Indiening van certificaataanvragen door de importeurs

1.   De importeurs dienen hun certificaataanvragen in gedurende de eerste vijf werkdagen van januari.

2.   Nieuwe importeurs die in het voorgaande kalenderjaar op grond van Verordening (EG) nr. 1864/2004 of de onderhavige verordening certificaten hebben ontvangen, leveren ook het bewijs dat ten minste 50 % van de aan hen toegewezen hoeveelheid daadwerkelijk in de Gemeenschap in het vrije verkeer is gebracht.

Artikel 9

Mededelingen over de certificaataanvragen

Uiterlijk op de tiende werkdag van januari delen de lidstaten de Commissie mee voor welke hoeveelheden (in kg) certificaataanvragen zijn ingediend.

De mededelingen worden uitgesplitst naar GN-code en naar oorsprong en in de mededelingen wordt ook afzonderlijk aangegeven welke hoeveelheden van elk product door traditionele, respectievelijk nieuwe importeurs zijn aangevraagd.

Artikel 10

Afgifte van de certificaten

De certificaten worden door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten afgegeven op de zevende werkdag na afloop van de in artikel 9, eerste alinea, vastgestelde mededelingstermijn.

Artikel 11

Voor invoer uit China toe te passen internationale verbintenissen

1.   Conserven van paddenstoelen van oorsprong uit China worden in de Gemeenschap in het vrije verkeer gebracht overeenkomstig de artikelen 55 tot en met 65 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie (7).

2.   De autoriteiten die bevoegd zijn om het certificaat van oorsprong voor conserven van paddenstoelen van oorsprong uit China af te geven, zijn vermeld in bijlage II.

Artikel 12

Administratieve samenwerking tussen de lidstaten

De lidstaten nemen de voor wederzijdse administratieve samenwerking benodigde maatregelen, met het doel ervoor te zorgen dat deze verordening naar behoren wordt toegepast.

Artikel 13

Overgangsmaatregelen voor de jaren 2007 en 2008

In afwijking van artikel 4, leden 1 en 2, gelden uitsluitend in Bulgarije en Roemenië voor de jaren 2007 en 2008 de volgende begripsomschrijvingen:

1)

onder „traditionele importeurs” wordt verstaan, importeurs die kunnen aantonen dat:

a)

zij in ten minste twee van de voorgaande drie kalenderjaren conserven van paddenstoelen hebben ingevoerd;

b)

zij in het voorgaande kalenderjaar ten minste 100 t op basis van groenten en fruit verwerkte producten zoals bedoeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2201/96, hebben ingevoerd;

c)

de onder a) en b) bedoelde invoer heeft plaatsgevonden in Bulgarije of Roemenië, waar de betrokken importeur zijn hoofdkantoor heeft;

2)

onder „nieuwe importeurs” wordt verstaan, andere dan de in punt 1 bedoelde importeurs, die in elk van de voorgaande twee kalenderjaren ten minste 50 t op basis van groenten en fruit verwerkte producten zoals bedoeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2201/96, in de Gemeenschap hebben ingevoerd

Artikel 14

Intrekking

Verordening (EG) nr. 1864/2004 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2007.

Artikel 15

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2007.

Artikel 13 is van toepassing onder voorbehoud en met ingang van de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de toetreding van Bulgarije en Roemenië.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 december 2006.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 297 van 21.11.1996, blz. 29. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 386/2004 van de Commissie (PB L 64 van 2.3.2004, blz. 25).

(2)  PB L 336 van 23.12.1994, blz. 22.

(3)  PB L 325 van 28.10.2004, blz. 30. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1995/2005 (PB L 320 van 8.12.2005, blz. 34).

(4)  PB L 154 van 8.6.2006, blz. 22.

(5)  PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13.

(6)  PB L 152 van 24.6.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1713/2006 (PB L 321 van 21.11.2006, blz. 11).

(7)  PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1.


BIJLAGE I

Omvang (in ton uitgelekt nettogewicht), volgnummer en periode van toepassing van de in artikel 1, lid 1, bedoelde tariefcontingenten

Land van oorsprong

Volgnummer

Van 1 januari tot en met 31 december van elk jaar

China

Traditionele importeurs: 09.4157

Nieuwe importeurs: 09.4193

28 950

Andere derde landen

Traditionele importeurs: 09.4158

Nieuwe importeurs: 09.4194

5 030


BIJLAGE II

Lijst van de Chinese autoriteiten die bevoegd zijn om de in artikel 10, lid 2, bedoelde certificaten van oorsprong af te geven:

Algemene Dienst Kwaliteitscontrole

Bureau Inspectie invoer en uitvoer en quarantaine van de Volksrepubliek China in:

Beijing

Jiangxi

Shenzhen

Shanxi

Zhuhai

Ningxia

Binnen-Mongolië

Sichuan

Tianjin

Hebei

Chongqing

Shanghai

Liaoning

Yunnan

Ningbo

Jilin

Guizhou

Jiangsu

Shandong

Shaanxi

Guangxi

Zhejiang

Gansu

Heilongjiang

Anhui

Qinghai

Hainan

Hubei

Tibet

Henan

Guangdong

Fujian

Xinjiang

Xiamen

Hunan


23.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 368/96


VERORDENING (EG) Nr. 1980/2006 VAN DE COMMISSIE

van 20 december 2006

tot vaststelling van overgangsmaatregelen tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2076/2002 en de Beschikkingen 2001/245/EG, 2002/928/EG en 2006/797/EG met betrekking tot het voortgezette gebruik van bepaalde werkzame stoffen die niet zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG, wegens de toetreding van Bulgarije

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag betreffende de toetreding van Bulgarije en Roemenië, en met name op artikel 4, lid 3,

Gelet op de Akte van toetreding van Bulgarije en Roemenië, en met name op artikel 42,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 2076/2002 van de Commissie (1) en de Beschikkingen 2001/245/EG