ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 302

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

49e jaargang
1 november 2006


Inhoud

 

I   Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

Bladzijde

 

*

Verordening (EG) nr. 1623/2006 van de Raad van 17 oktober 2006 tot intrekking van Verordening (EG) nr. 7/2005 van de Raad tot vaststelling van autonome overgangsmaatregelen voor de opening van een tariefcontingent voor bepaalde landbouwproducten uit Zwitserland

1

 

 

Verordening (EG) nr. 1624/2006 van de Commissie van 31 oktober 2006 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

3

 

 

Verordening (EG) nr. 1625/2006 van de Commissie van 31 oktober 2006 tot wijziging van de bij Verordening (EG) nr. 1002/2006 voor het verkoopseizoen 2006/2007 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten van de sector suiker

5

 

 

Verordening (EG) nr. 1626/2006 van de Commissie van 31 oktober 2006 tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 1 november 2006

7

 

*

Verordening (EG) nr. 1627/2006 van de Commissie van 24 oktober 2006 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 794/2004 wat betreft de standaardformulieren voor de aanmelding van staatssteun

10

 

*

Verordening (EG) nr. 1628/2006 van de Commissie van 24 oktober 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op nationale regionale investeringssteun ( 1 )

29

 

*

Verordening (EG) nr. 1629/2006 van de Commissie van 31 oktober 2006 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1010/2006 betreffende enige buitengewone maatregelen ter ondersteuning van de markt in de sector eieren en slachtpluimvee in sommige lidstaten

41

 

*

Verordening (EG) nr. 1630/2006 van de Commissie van 31 oktober 2006 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 933/2002 betreffende de opening en de wijze van beheer van tariefcontingenten voor bepaalde landbouwproducten van oorsprong uit Zwitserland en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 851/95

43

 

*

Verordening (EG) nr. 1631/2006 van de Commissie van 31 oktober 2006 tot vaststelling van een verbod op de visserij op tong in ICES-zone IIIa, IIIb,c,d (EG-wateren) door vaartuigen die de vlag van Zweden voeren

45

 

 

II   Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

 

 

Commissie

 

*

Beschikking van de Commissie van 31 oktober 2006 tot wijziging van Beschikking 2004/4/EG houdende machtiging van de lidstaten om ten aanzien van Egypte tijdelijk aanvullende maatregelen te nemen tegen de verspreiding van Pseudomonas solanacearum (Smith) Smith (Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 5109)

47

 

*

Beschikking van de Commissie van 31 oktober 2006 tot wijziging van Beschikking 2005/359/EG wat betreft de loshavens voor stammen van eikenhout (Quercus L.), met bast, van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 5142)

49

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

1.11.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 302/1


VERORDENING (EG) Nr. 1623/2006 VAN DE RAAD

van 17 oktober 2006

tot intrekking van Verordening (EG) nr. 7/2005 van de Raad tot vaststelling van autonome overgangsmaatregelen voor de opening van een tariefcontingent voor bepaalde landbouwproducten uit Zwitserland

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name op artikel 133,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Naar aanleiding van de uitbreiding van de Europese Unie op 1 mei 2004 kwamen de Gemeenschap en Zwitserland overeen de tariefconcessies aan te passen die op 21 juni 1999 waren vastgesteld bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten (1), hierna de Overeenkomst genoemd, die op 1 juni 2002 in werking trad. Zij kwamen met name overeen wijzigingen aan te brengen in de bijlagen 1 en 2 bij de Overeenkomst, waarin de lijsten van concessies zijn opgenomen, om een bestaand rechtenvrij tariefcontingent van de Gemeenschap uit te breiden met een nieuw product, namelijk witloof van GN-code 0705 21 00.

(2)

In afwachting van de formele wijziging kwamen de Gemeenschap en Zwitserland overeen om de aangepaste concessies autonoom en bij wijze van overgangsregeling met ingang van 1 mei 2004 toe te passen.

(3)

Om ervoor te zorgen dat het contingent voor de producten van GN-code 0705 21 00 met ingang van 1 mei 2004 beschikbaar zou zijn, werd een nieuw autonoom communautair tariefcontingent geopend dat gedurende een overgangsperiode beperkt was tot die producten, en wel bij Verordening (EG) nr. 7/2005 van de Raad van 13 december 2004 tot vaststelling van autonome overgangsmaatregelen voor de opening van een tariefcontingent voor bepaalde landbouwproducten uit Zwitserland (2).

(4)

In bijlage 2 bij de Overeenkomst, zoals aangepast bij Besluit 3/2005 van 19 december 2005 van het Gemengd Landbouwcomité, opgericht bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten, betreffende de aanpassing van de bijlagen 1 en 2 (3) in verband met de uitbreiding van de Europese Unie, zijn de tariefcontingenten vermeld die zijn uitgebreid met de producten van GN-code 0705 21 00.

(5)

Bijlage 2 bij de Overeenkomst wordt uitgevoerd bij Verordening (EG) nr. 1630/2006 van 31 oktober 2006 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 933/2002 van de Commissie van 31 mei 2002 betreffende de opening en de wijze van beheer van tariefcontingenten voor bepaalde landbouwproducten van oorsprong uit Zwitserland en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 851/95 (4) die op 1 september 2006 in werking treedt.

(6)

Verordening (EG) nr. 7/2005 moet derhalve op dezelfde datum worden ingetrokken,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 7/2005 wordt ingetrokken.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf 1 september 2006.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 17 oktober 2006.

Voor de Raad

De voorzitter

E. TUOMIOJA


(1)  PB L 114 van 30.4.2002, blz. 132.

(2)  PB L 4 van 6.1.2005, blz. 1.

(3)  PB L 346 van 29.12.2005, blz. 33.

(4)  PB L 302 van 1.11.2006, blz. 43.


1.11.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 302/3


VERORDENING (EG) Nr. 1624/2006 VAN DE COMMISSIE

van 31 oktober 2006

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 november 2006.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 31 oktober 2006.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 386/2005 (PB L 62 van 9.3.2005, blz. 3).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 31 oktober 2006 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

052

51,1

096

27,3

204

46,3

999

41,6

0707 00 05

052

109,1

096

81,8

204

36,5

999

75,8

0709 90 70

052

98,0

204

39,5

999

68,8

0805 50 10

052

67,9

388

48,3

524

56,1

528

46,3

999

54,7

0806 10 10

052

84,0

400

206,2

508

274,1

999

223,8

0808 10 80

096

29,0

388

89,1

400

101,9

404

100,4

800

159,5

804

153,2

999

105,5

0808 20 50

052

113,5

720

55,5

999

84,5


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 750/2005 van de Commissie (PB L 126 van 19.5.2005, blz. 12). De code „999” staat voor „andere oorsprong”.


1.11.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 302/5


VERORDENING (EG) Nr. 1625/2006 VAN DE COMMISSIE

van 31 oktober 2006

tot wijziging van de bij Verordening (EG) nr. 1002/2006 voor het verkoopseizoen 2006/2007 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten van de sector suiker

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad, wat betreft de handel met derde landen in de sector suiker (2), en met name op artikel 36,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De representatieve prijzen en de aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en bepaalde stropen voor het verkoopseizoen 2006/2007 zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1002/2006 van de Commissie (3). Deze prijzen en rechten zijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1571/2006 van de Commissie (4).

(2)

De bovenbedoelde prijzen en invoerrechten moeten op grond van de gegevens waarover de Commissie nu beschikt, overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EG) nr. 951/2006 worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bij Verordening (EG) nr. 1002/2006 voor het verkoopseizoen 2006/2007 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor de in artikel 36 van Verordening (EG) nr. 951/2006 bedoelde producten worden gewijzigd zoals aangegeven in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 november 2006.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 31 oktober 2006.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 55 van 28.2.2006, blz. 1.

(2)  PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24.

(3)  PB L 179 van 1.7.2006, blz. 36.

(4)  PB L 290 van 20.10.2006, blz. 27.


BIJLAGE

Met ingang van 1 november 2006 geldende gewijzigde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en de producten van GN-code 1702 90 99

(EUR)

GN-code

Representatieve prijs per 100 kg nettogewicht van het betrokken product

Aanvullend invoerrecht per 100 kg nettogewicht van het betrokken product

1701 11 10 (1)

23,66

4,47

1701 11 90 (1)

23,66

9,70

1701 12 10 (1)

23,66

4,28

1701 12 90 (1)

23,66

9,27

1701 91 00 (2)

31,27

9,60

1701 99 10 (2)

31,27

5,08

1701 99 90 (2)

31,27

5,08

1702 90 99 (3)

0,31

0,34


(1)  Vastgesteld voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage I, punt III, bij Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad (PB L 58 van 28.2.2006, blz. 1).

(2)  Vastgesteld voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage I, punt II, bij Verordening (EG) nr. 318/2006.

(3)  Vastgesteld per procentpunt sacharosegehalte.


1.11.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 302/7


VERORDENING (EG) Nr. 1626/2006 VAN DE COMMISSIE

van 31 oktober 2006

tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 1 november 2006

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1249/96 van de Commissie van 28 juni 1996 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad ten aanzien van de invoerrechten in de sector granen (2), en met name op artikel 2, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1784/2003 is bepaald dat bij de invoer van de in artikel 1 van die verordening bedoelde producten de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief worden geheven. Voor de producten als bedoeld in lid 2 van dat artikel is het invoerrecht echter gelijk aan de interventieprijs voor deze producten bij de invoer, verhoogd met 55 % en verminderd met de cif-invoerprijs van de betrokken zending. Dit invoerrecht mag echter niet hoger zijn dan het recht van het gemeenschappelijk douanetarief.

(2)

In artikel 10, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 is bepaald dat de cif-invoerprijzen worden berekend aan de hand van de representatieve prijzen voor het betrokken product op de wereldmarkt.

(3)

Bij Verordening (EG) nr. 1249/96 zijn bepalingen vastgesteld voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1784/2003 ten aanzien van de invoerrechten in de sector granen.

(4)

De vastgestelde invoerrechten zijn van toepassing totdat een nieuwe vaststelling in werking treedt.

(5)

Voor het normaal functioneren van het stelsel van invoerrechten moeten deze rechten worden berekend aan de hand van de in een referentieperiode geconstateerde representatieve marktkoersen.

(6)

De toepassing van Verordening (EG) nr. 1249/96 leidt ertoe de invoerrechten vast te stellen zoals vermeld in bijlage I bij deze verordening,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde invoerrechten in de sector granen worden vastgesteld in bijlage I bij deze verordening en zijn bepaald aan de hand van de in bijlage II vermelde elementen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 november 2006.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 31 oktober 2006.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1154/2005 van de Commissie (PB L 187 van 19.7.2005, blz. 11).

(2)  PB L 161 van 29.6.1996, blz. 125. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1110/2003 (PB L 158 van 27.6.2003, blz. 12).


BIJLAGE I

Vanaf 1 november 2006 geldende invoerrechten voor de in artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde producten

GN-code

Omschrijving

Invoerrecht (1)

(in EUR/ton)

1001 10 00

Harde tarwe van hoge kwaliteit

0,00

van gemiddelde kwaliteit

0,00

van lage kwaliteit

0,00

1001 90 91

Zachte tarwe, zaaigoed

0,00

ex 1001 90 99

Zachte tarwe van hoge kwaliteit, andere dan voor zaaidoeleinden

0,00

1002 00 00

Rogge

0,00

1005 10 90

Maïs, zaaigoed, andere dan hybriden

15,13

1005 90 00

Maïs, andere dan zaaigoed (2)

15,13

1007 00 90

Graansorgho, andere dan hybriden bestemd voor zaaidoeleinden

0,00


(1)  Voor producten die via de Atlantische Oceaan of het Suezkanaal in de Gemeenschap worden aangevoerd (artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1249/96) komt de importeur in aanmerking voor een verlaging van het invoerrecht met:

3 EUR/t, als de loshaven aan de Middellandse Zee ligt, of

2 EUR/t, als de loshaven in Ierland, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Estland, Letland, Litouwen, Polen, Finland, Zweden of aan de Atlantische kust van het Iberisch Schiereiland ligt.

(2)  De importeur komt in aanmerking voor een forfaitaire verlaging van het invoerrecht met 24 EUR/t, als aan de in artikel 2, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1249/96 vastgestelde voorwaarden is voldaan.


BIJLAGE II

Berekeningselementen

(17.10.2006-30.10.2006)

1)

Gemiddelden over de referentieperiode bepaald in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96:

Beursnotering

Minneapolis

Chicago

Minneapolis

Minneapolis

Minneapolis

Minneapolis

Product (eiwitgehalte bij 12 % vocht)

HRS2

YC3

HAD2

Van gemiddelde kwaliteit (1)

Van lage kwaliteit (2)

US barley 2

Notering (EUR/t)

163,35 (3)

100,75

174,96

164,96

144,96

155,86

Golfpremie (EUR/t)

18,98

 

 

Grote-Merenpremie (EUR/t)

10,81

 

 

2)

Gemiddelden over de referentieperiode bepaald in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96:

Vrachttarieven/kosten: Golf van Mexico–Rotterdam: 22,88 EUR/t; Grote Meren–Rotterdam: 32,69 EUR/t.

3)

Subsidies bedoeld in artikel 4, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1249/96:

0,00 EUR/t (HRW2)

0,00 EUR/t (SRW2).


(1)  Een korting van 10 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).

(2)  Een korting van 30 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).

(3)  Premie van 14 EUR/t inbegrepen (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).


1.11.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 302/10


VERORDENING (EG) Nr. 1627/2006 VAN DE COMMISSIE

van 24 oktober 2006

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 794/2004 wat betreft de standaardformulieren voor de aanmelding van staatssteun

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (1), en met name op artikel 27,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité inzake overheidssteun,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (2) stelt een verplicht te gebruiken alomvattend formulier voor de aanmelding van staatssteun vast.

(2)

Nu de Commissie nieuwe richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen heeft goedgekeurd voor de periode 2007-2013 (3), dienen delen van het aanmeldingsformulier te worden aangepast.

(3)

Verordening (EG) nr. 794/2004 dient daarom ook in die zin gewijzigd te worden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 794/2004 wordt gewijzigd in overeenstemming met de Bijlage van deze Verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 oktober 2006.

Voor de Commissie

Neelie KROES

Lid van de Commissie


(1)  PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1. Verordening zoals gewijzigd door de Toetredingsakte van 2003.

(2)  PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1.

(3)  PB C 54 van 4.3.2006, blz. 13.


BIJLAGE

In deel III van Bijlage I van de Verordening (EG) No 794/2004 worden de aanvullende informatieformulieren 4 en 5 vervangen door de volgende:

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image


1.11.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 302/29


VERORDENING (EG) Nr. 1628/2006 VAN DE COMMISSIE

van 24 oktober 2006

betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op nationale regionale investeringssteun

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 994/98 van de Raad van 7 mei 1998 betreffende de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op bepaalde soorten van horizontale steunmaatregelen (1), en met name op artikel 1, lid 1, onder a), i), en onder b),

Na bekendmaking van de ontwerp-verordening (2),

Na raadpleging van het Raadgevend Comité inzake overheidssteun,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 994/98 geeft de Commissie de bevoegdheid, overeenkomstig artikel 87 van het Verdrag, vast te stellen dat, onder bepaalde voorwaarden, steunmaatregelen waarbij de kaart die de Commissie met het oog op de toekenning van regionale steun voor elke lidstaat goedgekeurd heeft, in acht wordt genomen, verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt en niet onderworpen zijn aan de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag.

(2)

De Commissie heeft de artikelen 87 en 88 van het Verdrag in talrijke beschikkingen en besluiten toegepast op regionale-investeringssteunregelingen in steungebieden en heeft ook haar beleid uiteengezet, met name in de richtsnoeren inzake regionalesteunmaatregelen 2007-2013 (3) en in Verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (4). Gelet op de ruime ervaring van de Commissie met de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op regionale investeringssteun en gelet op de richtsnoeren inzake nationale regionalesteunmaatregelen welke de Commissie op grond van die bepalingen heeft vastgesteld, is het passend, dat de Commissie, ter verzekering van een doelmatige controle en ter vereenvoudiging van het beheer, zonder evenwel het toezicht door de Commissie te verzwakken, de haar bij Verordening (EG) nr. 994/98 verleende bevoegdheden gebruikt.

(3)

Doordat hiermee de handicaps van achterstandsgebieden worden aangepakt, bevordert nationale regionale steun de economische, sociale en territoriale samenhang van de lidstaten en van de Gemeenschap als geheel. Nationale regionale investeringssteun is bedoeld om de ontwikkeling van gebieden met de grootste achterstand te stimuleren door binnen een duurzame context investeringen en het scheppen van arbeidsplaatsen te ondersteunen. Deze steun stimuleert de expansie, de rationalisering, de modernisering en de diversificatie van de economische activiteiten van in achterstandsgebieden gevestigde ondernemingen, met name door ondernemingen aan te moedigen daar nieuwe vestigingen op te richten.

(4)

Ter bepaling of steun overeenkomstig deze verordening al dan niet met de gemeenschappelijke markt verenigbaar is, moeten de steunintensiteit en dus het steunbedrag, uitgedrukt als subsidie-equivalent, in aanmerking worden genomen. Bij de berekening van het subsidie-equivalent van steun die in termijnen wordt uitgekeerd, moet de marktrente die op het tijdstip van de steunverlening van toepassing is, worden gehanteerd. Met het oog op een eenvormige, doorzichtige en eenvoudige toepassing van de staatssteunregels dienen voor de toepassing van deze verordening de marktrentevoeten als de referentierentevoeten te gelden, die op geregelde tijdstippen door de Commissie op grond van objectieve criteria moeten worden vastgesteld en in het Publicatieblad van de Europese Unie en op het internet moeten worden bekendgemaakt.

(5)

Ter verzekering van de doorzichtigheid en een doeltreffend toezicht, dient deze verordening alleen te gelden voor regionale-investeringssteunregelingen die doorzichtig zijn. Dit zijn steunregelingen waarvoor het brutosubsidie-equivalent, uitgedrukt als percentage van de in aanmerking komende uitgaven, vooraf precies kan worden berekend zonder dat een risicoanalyse behoeft te worden uitgevoerd (zoals subsidies, rentesubsidies en fiscale maatregelen waarvoor een plafond geldt). Door de overheid verstrekte leningen moeten als doorzichtig worden beschouwd, mits daarvoor de gebruikelijke zekerheden zijn gesteld en er geen abnormaal risico aan is verbonden en zij dus niet worden geacht een element van staatsgarantie te bevatten. In beginsel moeten steunregelingen waarbij een staatsgarantie is betrokken of overheidsleningen die een element van staatsgarantie bevatten, niet als doorzichtig worden beschouwd Toch moeten deze steunregelingen als doorzichtig worden beschouwd indien, vóór de tenuitvoerlegging van deze regelingen, de gebruikte methode om de steunintensiteit van de staatsgarantie te berekenen, door de Commissie is geaccepteerd na aanmelding bij de Commissie, na de vaststelling van de onderhavige verordening. Deze methode zal door de Commissie worden beoordeeld overeenkomstig de mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van garanties (5). Overheidsdeelnemingen en steun in de vorm van risicokapitaalmaatregelen dienen niet als doorzichtige steun te worden beschouwd. Regionalesteunregelingen die niet doorzichtig zijn, moeten altijd bij de Commissie worden aangemeld. De aanmeldingen van niet-doorzichtige regionalesteunregelingen worden door de Commissie met name in het licht van de criteria van de richtsnoeren inzake regionalesteunmaatregelen 2007-2013 beoordeeld.

(6)

Deze verordening dient ook op ad-hocsteun te worden toegepast, dat wil zeggen individuele steun die niet wordt toegekend op grond van een steunregeling, indien de ad-hocsteun wordt gebruikt ter aanvulling van steun die wordt toegekend op grond van een doorzichtige regionale-investeringssteunregeling, en de ad-hoccomponent 50 % van de totale ten behoeve van de investering toe te kennen steun niet overschrijdt. Er zij op gewezen, dat individuele steun die, buiten steunregelingen om, overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 70/2001, aan kleine en middelgrote ondernemingen wordt toegekend, met de gemeenschappelijke markt verenigbaar is in de zin van artikel 87, lid 3, van het Verdrag en van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag is vrijgesteld.

(7)

Steun die aan alle vereisten van deze verordening voldoet, dient van de aanmeldingsverplichting te worden vrijgesteld. In regionalesteunregelingen die op grond van deze verordening worden vrijgesteld, dient uitdrukkelijk naar deze verordening te worden verwezen.

(8)

Deze verordening dient niet te gelden voor bepaalde sectoren waarvoor bijzondere regels van toepassing zijn. Voor in deze sectoren toegekende steun blijft de verplichting tot voorafgaande aanmelding bij de Commissie overeenkomstig artikel 88, lid 3, van het Verdrag gelden. Dit is het geval voor de kolenindustrie, de ijzer- en staalindustrie, de synthetischevezelindustrie, de scheepsbouwsector en de visserij en aquacultuur. In de landbouwsector dient deze verordening niet te gelden voor werkzaamheden die met de primaire productie van de in bijlage I bij het Verdrag opgenomen landbouwproducten verband houden. Zij dient echter te gelden voor de verwerking en afzet van landbouwproducten, met uitzondering van de productie en het in de handel brengen van producten die melk en zuivelproducten imiteren of vervangen, zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1898/87 van de Raad van 2 juli 1987 betreffende de bescherming van de benaming van melk en zuivelproducten bij het in de handel brengen (6). Activiteiten op landbouwbedrijven die nodig zijn om een product voor de eerste verkoop voor te bereiden alsmede voor de eerste verkoop aan wederverkopers of verwerkende bedrijven dienen in dit verband niet te worden beschouwd als verwerking en afzet. De onderhavige verordening dient ervoor te zorgen, dat de steunintensiteiten voor ondernemingen die actief zijn in de verwerking en afzet van landbouwproducten, als bedoeld in artikel 28, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (7), steeds kunnen worden bereikt.

(9)

De Commissie neemt consequent een minder gunstige houding aan ten aanzien van steun die op specifieke sectoren is gericht. Investeringssteunregelingen die op specifieke economische sectoren in de be- en verwerkende industrie of de dienstensector zijn gericht, dienen bijgevolg niet in aanmerking te komen voor de vrijstelling van aanmelding die in deze verordening is bepaald. De regionale-investeringssteunregelingen ten behoeve van toeristische activiteiten moeten echter niet worden beschouwd als gericht op specifieke sectoren, en moeten van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag worden vrijgesteld, mits de steun aan alle voorwaarden van deze verordening voldoet.

(10)

Steun die ten behoeve van adviesdiensten en andere diensten aan kleine en middelgrote ondernemingen („KMO's”), overeenkomstig artikel 5, onder a), van Verordening (EG) nr. 70/2001, is toegekend, is met de gemeenschappelijke markt verenigbaar in de zin van artikel 87, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld. Deze steun dient derhalve niet binnen de werkingssfeer van deze verordening te vallen.

(11)

Overeenkomstig de vaste praktijk van de Commissie, en om ervoor te zorgen dat de steun evenredig is en tot het noodzakelijke steunbedrag beperkt blijft, dienen de plafonds te worden uitgedrukt als steunintensiteiten in verhouding tot een reeks in aanmerking komende kosten, in plaats van als maximale steunbedragen.

(12)

Het is passend, verdere voorwaarden vast te stellen waaraan de krachtens deze verordening vrijgestelde steunregelingen of individuele steunmaatregelen dienen te voldoen. Gelet op artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag, mag deze steun doorgaans niet als enig gevolg hebben, dat de exploitatiekosten die de begunstigde onderneming normaal had moeten dragen, duurzaam of tijdelijk worden verminderd, en dient hij evenredig te zijn met de handicaps welke moeten worden overwonnen om de sociaal-economische voordelen te verkrijgen die van gemeenschappelijk belang worden geacht. Het toepassingsgebied van deze verordening moet derhalve worden beperkt tot regionale steun die in verband met initiële investeringen in de zin van deze verordening wordt toegekend. Voor regionalesteunregelingen die in exploitatiesteun voorzien, blijft de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag gelden. Voor andere steun aan nieuw opgerichte kleine ondernemingen dan investeringssteun of steun voor adviesdiensten, blijft de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag eveneens gelden.

(13)

Daar de Commissie ervoor moet zorgen, dat goedgekeurde steun de handelsvoorwaarden niet zodanig verandert dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad, dient investeringssteun voor een begunstigde ten aanzien van wie er, ingevolge een eerdere beschikking van de Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard, een uitstaand bevel tot terugvordering bestaat, van het toepassingsgebied van deze verordening te worden uitgesloten. Voor deze steun blijft derhalve de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag gelden.

(14)

Om ervoor te zorgen dat bij investeringen de factor kapitaal niet ten koste van de factor arbeid wordt begunstigd, dient in de mogelijkheid te worden voorzien de omvang van investeringssteun te bepalen hetzij op grond van de investeringskosten, hetzij op grond van de kosten van de nieuwe arbeidsplaatsen die met de uitvoering van het investeringsproject rechtstreeks verband houden.

(15)

Grote steunbedragen moeten onderworpen blijven aan een individuele beoordeling door de Commissie, voordat zij ten uitvoer worden gelegd. Steunbedragen die in het kader van een bestaande steunregeling aan één onderneming of vestiging worden toegekend en die over een bepaalde periode een bepaald plafondbedrag overschrijden, moeten derhalve van de door deze verordening verleende vrijstelling worden uitgesloten en moeten aan de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag onderworpen blijven. Om te voorkomen dat grote investeringsprojecten kunstmatig worden opgesplitst in onderprojecten, moet een groot investeringsproject als één investeringsproject worden aangemerkt indien de initiële investering door één of meer ondernemingen wordt uitgevoerd over een periode van drie jaar en bestaat in vaste activa die economisch ondeelbaar met elkaar zijn verbonden. Ter bepaling of een initiële investering economisch ondeelbaar is verbonden, neemt de Commissie de technische, functionele en strategische banden en de onmiddellijke geografische nabijheid in aanmerking. De economische ondeelbaarheid wordt beoordeeld, onafhankelijk van de eigendomsverhoudingen. Dit betekent dat, ter bepaling of een groot investeringsproject één investeringsproject vormt, de beoordeling dezelfde is, ongeacht of het project wordt uitgevoerd door één onderneming, door meer ondernemingen die de investeringskosten delen, of door meer ondernemingen die de kosten van de afzonderlijke investeringen binnen hetzelfde investeringsproject dragen (bijvoorbeeld in het geval van een gemeenschappelijke onderneming).

(16)

Er dient voor te worden gezorgd, dat regionale steun daadwerkelijk een stimulerend effect heeft en aanmoedigt investeringen te doen, die anders niet in de steungebieden zouden hebben plaatsgevonden, en dat daarmee tot de ontwikkeling van nieuwe activiteiten wordt aangezet. De bevoegde autoriteiten dienen daarom, voor de aanvang van de werkzaamheden aan het gesteunde project, schriftelijk te bevestigen dat het project op het eerste gezicht aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voldoet. Als schriftelijke bevestiging wordt ook aangemerkt een mededeling via telefax of e-mail.

(17)

Gelet op de specifieke kenmerken van regionale steun, mag deze verordening geen vrijstelling verlenen voor steun die wordt gecumuleerd met andere staatssteun, met inbegrip van steun verleend door nationale, regionale of plaatselijke autoriteiten, of met bijstand van de Gemeenschap, voor dezelfde in aanmerking komende kosten, indien de cumulering tot gevolg heeft dat de bij deze verordening vastgestelde plafonds worden overschreden. Regionale investeringssteun die krachtens deze verordening is vrijgesteld, dient niet te worden gecumuleerd met de-minimissteun in de zin van Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 houdende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun (8), met betrekking tot dezelfde kosten, indien een dergelijke cumulering zou resulteren in een steunintensiteit die hoger is dan die welke bij de onderhevige verordening is vastgesteld.

(18)

Deze verordening dient niet van toepassing te zijn op steun voor werkzaamheden die verband houden met de uitvoer naar derde landen of lidstaten, dat wil zeggen steun die rechtstreeks aan de uitgevoerde hoeveelheden is gerelateerd, voor de oprichting en de exploitatie van een distributienet of voor andere lopende uitgaven in verband met werkzaamheden op het gebied van de uitvoer alsmede steun die afhangt van het gebruik van binnenlandse in plaats van ingevoerde goederen.

(19)

Om overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 994/98 voor doorzichtigheid en een doeltreffend toezicht te zorgen, dient een standaardformulier te worden vastgesteld, dat de lidstaten moeten gebruiken, wanneer zij de Commissie de beknopte inlichtingen verstrekken die vereist zijn telkens wanneer overeenkomstig deze verordening een steunregeling ten uitvoer wordt gelegd of ad-hocsteun wordt toegekend, zulks met het oog op de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. Om dezelfde redenen dienen regels te worden vastgesteld betreffende de dossiers die de lidstaten aangaande de krachtens deze verordening vrijgestelde steunregeling moeten bewaren. Ter vergemakkelijking van de administratieve behandeling en gelet op de algemene beschikbaarheid van de vereiste technologie, dienen de beknopte inlichtingen in elektronische vorm te worden verstrekt. Ter verbetering van de doorzichtigheid van regionale steun in een uitgebreide Gemeenschap, dienen de lidstaten de volledige tekst van de steunregeling te publiceren en de Commissie het internetadres van deze publicatie mede te delen.

(20)

Gelet op de ervaring van de Commissie op dit gebied, en met name de regelmaat waarmee het doorgaans noodzakelijk is het staatssteunbeleid te herzien, dient de geldigheidsduur van deze verordening te worden beperkt.

(21)

Deze verordening doet geen afbreuk aan de verplichtingen van de lidstaten, individuele steunmaatregelen aan te melden uit hoofde van verplichtingen die zijn aangegaan in het kader van andere instrumenten op het gebied van staatssteun, inzonderheid de verplichting tot aanmelding, of tot kennisgeving aan de Commissie, van steun aan ondernemingen die reddings- en herstructureringssteun ontvangen in de zin van de communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (9),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op doorzichtige regionale-investeringssteunregelingen die staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het Verdrag vormen.

Zij kan ook worden toegepast op ad-hocsteun die staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het Verdrag vormt, indien de ad-hocsteun wordt gebruikt ter aanvulling van steun die wordt toegekend op grond van een doorzichtige regionale-investeringssteunregeling, en de ad-hoccomponent 50 % van de totale ten behoeve van de investering toe te kennen steun niet overschrijdt.

2.   Deze verordening is niet van toepassing op steun in de volgende sectoren:

a)

de visserij- en acquacultuursector,

b)

de scheepsbouwsector,

c)

de kolenindustrie,

d)

de ijzer- en staalindustrie,

e)

de synthetische-vezelindustrie.

Deze verordening is niet van toepassing op werkzaamheden die verband houden met de primaire productie van de in bijlage I bij het Verdrag opgenomen landbouwproducten. Zij geldt voor de verwerking en afzet van landbouwproducten, met uitzondering van de productie en het in de handel brengen van producten bedoeld om melk en zuivelproducten te imiteren of te vervangen, zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1898/87.

3.   Deze verordening is niet van toepassing op de volgende soorten steun:

a)

steun voor werkzaamheden die verband houden met de uitvoer naar derde landen of lidstaten, met name steun die rechtstreeks aan de uitgevoerde hoeveelheden is gerelateerd, voor de oprichting en de exploitatie van een distributienet of voor andere lopende uitgaven in verband met werkzaamheden op het gebied van de uitvoer;

b)

steun die afhangt van het gebruik van binnenlandse in plaats van ingevoerde goederen.

Artikel 2

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)

„steun” of „steunmaatregel”: elke maatregel die aan alle criteria van artikel 87, lid 1, van het Verdrag voldoet;

b)

„kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's)”: een kleine en middelgrote onderneming, zoals gedefinieerd in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 70/2001;

c)

„initiële investering”:

i)

een investering in materiële en immateriële activa ten behoeve van de oprichting van een nieuwe vestiging, de uitbreiding van een bestaande vestiging, de diversificatie van de productie van een bestaande vestiging naar nieuwe, bijkomende producten, of een fundamentele wijziging in het volledige productieproces van een bestaande vestiging; of

ii)

de verwerving van kapitaalgoederen die rechtstreeks met een vestiging verband houden, mits de vestiging is gesloten of zou zijn gesloten indien zij niet was overgenomen en mits zij door een onafhankelijke investeerder worden verworven.

De enkele verwerving van de aandelen van een onderneming vormt geen initiële investering;

d)

„ad-hocsteun”: individuele steun die niet op basis van een steunregeling wordt toegekend;

e)

„materiële activa”: activa met betrekking tot gronden, gebouwen en installaties/uitrusting;

f)

„immateriële activa”: activa die technologieoverdracht door de verwerving van octrooirechten, licenties, knowhow of niet-geoctrooieerde technische kennis inhouden;

g)

„groot investeringsproject”: een initiële investering in kapitaalgoederen waarbij de in aanmerking komende uitgaven meer dan 50 miljoen EUR bedragen, berekend in prijzen en wisselkoersen die gelden op het tijdstip dat de steun wordt toegekend; een groot investeringsproject wordt aangemerkt als één investeringsproject indien de initiële investering, wordt uitgevoerd door één of meer ondernemingen over een periode van drie jaar en bestaat in vaste activa die economisch ondeelbaar met elkaar zijn verbonden.

h)

„steunintensiteit uitgedrukt als brutosubsidie-equivalent (BSE)”: de contante waarde van de steun, uitgedrukt als een percentage van de contante waarde van de in aanmerking komende kosten;

i)

„doorzichtige regionale-investeringssteunregelingen”: regionale-investeringssteunregelingen waarbij het brutosubsidie-equivalent, uitgedrukt als percentage van de in aanmerking komende uitgaven, vooraf precies kan worden berekend zonder dat een risicoanalyse behoeft te worden uitgevoerd (zoals subsidies, rentesubsidies, fiscale maatregelen waarvoor een plafond geldt);

j)

„aanvang van de werkzaamheden”: hetzij de aanvang van de bouwwerkzaamheden, hetzij de eerste rechtens bindende toezegging om uitrusting te bestellen, met uitsluiting van verkennende haalbaarheidsstudies, afhankelijk van welke van deze twee de eerste is;

k)

„schepping van arbeidsplaatsen”: een nettoverhoging van het aantal jaarlijkse arbeidseenheden (JAE's) die rechtstreeks werkzaam zijn in een bepaalde vestiging ten opzichte van het gemiddelde over de twaalf voorgaande maanden; JAE's zijn het aantal in een jaar voltijds werkzame personen; deeltijdwerk en seizoenarbeid zijn aan te merken als breuken van JAE's;

l)

„loonkosten”: het totale bedrag dat daadwerkelijk door de begunstigde van de steun ten aanzien van de desbetreffende werkgelegenheid moet worden betaald en dat het brutoloon vóór belastingen en de verplichte bijdragen, zoals socialezekerheidsbijdragen, omvat;

m)

„rechtsreeks door een investeringsproject geschapen arbeidsplaatsen”: arbeidsplaatsen die verband houden met de activiteit waarop de investering betrekking heeft, en die in de eerste drie jaar na de voltooiing van de investering tot stand komen, met inbegrip van arbeidsplaatsen die zijn geschapendank zij een verhoging van de bezettingsgraad van de door de investering gecreëerde capaciteit;

n)

„landbouwproducten”:

i)

de in bijlage I bij het Verdrag opgenomen producten, met uitzondering van visserijproducten en producten van de aquacultuur die onder Verordening (EG) van de Raad nr. 104/2001 (10) vallen;

ii)

producten van de GN-codes 4502, 4503 en 4504 (kurkproducten);

iii)

producten die zijn bedoeld om melk en zuivelproducten te imiteren of te vervangen, zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1898/87;

o)

„producten bedoeld om melk en zuivelproducten te imiteren of te vervangen”: producten die met melk en/of zuivelproducten zouden kunnen worden verward, maar in samenstelling van dergelijke producten verschillen doordat zij niet van melk afkomstig vet en/of eiwit bevatten, al dan niet samen met melkeiwit („andere producten dan zuivelproducten” in de zin van artikel 3, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1898/87);

p)

„de verwerking van landbouwproducten”: elke bewerking van een landbouwproduct die een product oplevert dat nog steeds een landbouwproduct is met uitzondering van activiteiten op landbouwbedrijven die noodzakelijk zijn om een dierlijk of plantaardig product voor de eerste verkoop voor te bereiden;

q)

„afzet van landbouwproducten”: het in voorraad hebben of uitstellen met het oog op verkoop, te koop aanbieden, leveren of op enige andere wijze verhandelen met uitzondering van de eerste verkoop door een primaire producent aan wederverkopers of verwerkingsbedrijven en alle activiteiten waarmee een product voor een dergelijke eerste verkoop wordt voorbereid. De verkoop door een primaire producent aan eindgebruikers geldt als afzet indien deze plaatsvindt in speciaal daartoe voorziene afzonderlijke ruimten;

r)

„toeristische activiteiten”: de volgende activiteiten in NACE Rev. 1.1 (11);

i)

NACE 55: Hotels en restaurants,

ii)

NACE 63.3: Reisbureaus en reisorganisatoren; hulp aan toeristen,

iii)

NACE 92: Cultuur, sport en recreatie.

2.   Regelingen waarin wordt gebruikgemaakt van door de overheid verstrekte leningen, worden als doorzichtige regionale-investeringssteunregelingen in de zin van lid 1, onder i), beschouwd indien daarvoor de gebruikelijke zekerheden zijn gesteld en er geen abnormaal risico aan is verbonden en zij daarom niet worden geacht een element van staatsgarantie te bevatten. Regelingen waarin wordt gebruikgemaakt van staatsgaranties of van overheidsleningen die een element van staatsgarantie bevatten, kunnen alleen als doorzichtig worden beschouwd indien, vóór de tenuitvoerlegging van de regeling, de gebruikte methode om de steunintensiteit van de staatsgarantie te berekenen, is geaccepteerd na aanmelding bij de Commissie, na de vaststelling van de onderhavige verordening. Overheidsdeelnemingen en steun in de vorm van risicokapitaalmaatregelen worden niet als doorzichtige steun beschouwd.

Artikel 3

Voorwaarden voor vrijstelling

1.   Doorzichtige regionale-investeringssteunregelingen die aan alle voorwaarden van deze verordening voldoen, zijn verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, indien:

a)

alle steun die op grond van deze regeling is toegekend, aan alle voorwaarden van deze verordening voldoet;

b)

de regeling een uitdrukkelijke verwijzing naar deze verordening bevat, onder vermelding van de titel ervan en de vindplaats in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Steun die op grond van de in lid 1 van dit artikel bedoelde regelingen is toegekend, is tot het overeenkomstig artikel 7, onder e), bepaalde bedrag verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de toegekende steun rechtstreeks aan alle voorwaarden van deze verordening voldoet.

3.   Ad-hocsteun die alleen wordt gebruikt ter aanvulling van steun die is toegekend op basis van een doorzichtige regionale-investeringssteunregeling, en die 50 % van de totale ten behoeve van de investering toe te kennen steun niet overschrijdt, is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting uit hoofde van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de toegekende ad-hocsteun rechtstreeks aan alle voorwaarden van deze verordening voldoet.

Artikel 4

Steun voor initiële investeringen

1.   Steun voor initiële investeringen is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, indien:

a)

de steun wordt verleend in voor regionale steun in aanmerking komende gebieden, zoals die zijn vastgesteld op de voor de betrokken lidstaat goedgekeurde regionalesteunkaart voor de periode 2007-2013, en;

b)

de steunintensiteit uitgedrukt als brutosubsidie-equivalent het regionalesteunplafond niet overschrijdt, dat geldt op het tijdstip dat de steun wordt toegekend, voor het gebied waarin de investering plaatsvindt, zoals dat is vastgesteld op de voor de betrokken lidstaat goedgekeurde regionalesteunkaart voor de periode 2007-2013.

Behalve voor steun ten behoeve van grote investeringsprojecten en steun voor de vervoerssector, mogen de onder b) bedoelde plafonds worden verhoogd met 20 procentpunt voor steun aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunt voor steun aan middelgrote ondernemingen.

2.   Naast de in de onderhavige verordening vastgestelde algemene voorwaarden voor vrijstelling, dient steun voor initiële investeringen aan de volgende specifieke voorwaarden te voldoen:

a)

de investering wordt, nadat de volledige investering is voltooid, gedurende ten minste vijf jaar, of drie jaar in het geval van KMO's, in het ontvangende gebied gehandhaafd;

b)

om in aanmerking te komen, moeten de immateriële activa:

i)

uitsluitend in de vestiging die de regionale steun ontvangt, worden geëxploiteerd;

ii)

als afschrijfbare activa worden beschouwd;

iii)

van derden tegen marktvoorwaarden worden verworven;

iv)

deel uitmaken van de activa van de onderneming en gedurende ten minste vijf jaar of, in het geval van KMO's, drie jaar, in de regionale steun genietende vestiging behouden blijven;

c)

wanneer de steun op de grondslag van materiële of immateriële investeringskosten wordt berekend, of van verwervingskosten in het geval van overnamen, verstrekt de begunstigde een financiële bijdrage van tenminste 25 % van de in aanmerking komende kosten hetzij uit eigen vermogen, hetzij door externe financiering, in een vorm die vrij is van alle overheidssteun. Wanneer de op grond van de nationale regionalesteunkaart voor de betrokken lidstaat goedgekeurde maximum steunintensiteit, eventueel verhoogd overeenkomstig lid 1, tweede alinea, echter meer dan 75 % bedraagt, wordt de financiële bijdrage van de begunstigde dienovereenkomstig verlaagd.

De in de eerste alinea, onder a), vastgestelde voorwaarde staat niet eraan in de weg, dat de installaties of uitrustingen die gedurende de in dat punt genoemde periode door snelle technologische veranderingen zijn verouderd, worden vervangen, op voorwaarde dat de economische activiteiten gedurende de minimumperiode in het betrokken gebied worden gehandhaafd.

3.   De in lid 1 vastgestelde plafonds zijn van toepassing op de steunintensiteit, berekend hetzij als een percentage van de in aanmerking komende materiële en immateriële kosten van de investering, hetzij als een percentage van de geraamde loonkosten van de in dienst genomen personen, berekend over een periode van twee jaar, voor arbeidsplaatsen die rechtstreeks door het investeringsproject worden geschapen, hetzij als een combinatie daarvan, mits de steun niet hoger is dan het gunstigste van de bedragen die beide berekeningen opleveren.

4.   De in aanmerking komende investeringskosten worden gedisconteerd tot hun waarde op het tijdstip dat de steun wordt toegekend. Van in termijnen uitgekeerde steun wordt door discontering de waarde op het tijdstip van de steunverlening berekend. De bij de discontering gehanteerde rentevoet is het referentiepercentage dat op het tijdstip van de steunverlening geldt. Wanneer steun in de vorm van belastingvrijstellingen of verlagingen van in de toekomst verschuldigde belastingen wordt toegekend, geschiedt de discontering van de steuntranches op basis van de referentiepercentages die gelden op de diverse tijdstippen waarop de belastingvoordelen van toepassing zijn, mits een bepaalde in BSE uitgedrukte steunintensiteit in acht wordt genomen.

5.   Bij de verwerving van een vestiging, worden alleen de kosten voor de verwerving van activa van derden in aanmerking genomen, mits de transactie op marktvoorwaarden geschiedt. Gaat de verwerving met andere initiële investeringen gepaard, dan worden de uitgaven die hierop betrekking hebben, bij de overnamekosten opgeteld.

6.   De kosten voor de verwerving van gehuurde activa, niet zijnde gronden en gebouwen, worden alleen in aanmerking genomen indien de huur in de vorm van een financiële leasing plaatsvindt en de verplichting inhoudt, de activa na afloop van de huurovereenkomst te kopen. Voor de huur van gronden en gebouwen moet de huurovereenkomst na het verwachte tijdstip van de voltooiing van het investeringsproject tenminste vijf jaar blijven lopen in het geval van grote ondernemingen, of drie jaar in het geval van KMO's.

7.   In de vervoerssector komen uitgaven voor de aanschaf van vervoersuitrusting (roerende activa) niet voor steun ten behoeve van initiële investeringen in aanmerking.

8.   Behalve voor KMO's en bij overnamen, dienen de verworven activa nieuw te zijn. Bij overnamen worden de activa waarvoor reeds vóór de overname steun ten behoeve van de verwerving ervan is toegekend, in mindering gebracht. Voor KMO's kunnen ook de volledige kosten voor investeringen in immateriële activa in aanmerking worden genomen. Voor grote ondernemingen komen die kosten alleen in aanmerking tot een maximum van 50 % van de totale in aanmerking komende investeringsuitgaven voor het project.

9.   Wanneer de steun op basis van de loonkosten wordt berekend, moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

a)

de arbeidsplaatsen moeten rechtstreeks door een investeringsproject worden geschapen;

b)

de schepping van arbeidsplaatsen moet binnen drie jaar na de voltooiing van de investering gebeuren en iedere arbeidsplaats moet gedurende een periode van ten minste vijf jaar of, in het geval van KMO's, drie jaar behouden blijven.

10.   In afwijking van lid 1 mogen de maximale steunintensiteiten voor investeringen in de verwerking en afzet van landbouwproducten worden verhoogd tot:

a)

50 % van de in aanmerking komende investeringen in gebieden die op grond van artikel 87, lid 3, onder a), van het Verdrag in aanmerking komen, en tot 40 % van de in aanmerking komende investeringen in de andere voor steun in aanmerking komende gebieden, zoals die zijn vastgesteld op de voor de betrokken lidstaat goedgekeurde regionalesteunkaart voor de periode 2007-2013, indien de begunstigde een kleine of middelgrote onderneming is;

b)

25 % van de in aanmerking komende investeringen in gebieden die op grond van artikel 87, lid 3, onder a), van het Verdrag in aanmerking komen, en tot 20 % van de in aanmerking komende investeringen in de andere voor steun in aanmerking komende gebieden, zoals die zijn vastgesteld op de voor de betrokken lidstaat goedgekeurde regionalesteunkaart voor de periode 2007-2013, indien de begunstigde minder dan 750 werknemers heeft en/of een omzet van minder dan 200 miljoen EUR, berekend overeenkomstig Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie (12), en indien deze begunstigde aan alle andere voorwaarden van die aanbeveling voldoet.

Artikel 5

Noodzaak voor de steun

1.   Deze verordening stelt alleen steun vrij, die op grond van regionale-investeringssteunregelingen is toegekend indien, vóór de aanvang van de werkzaamheden aan het project, de begunstigde bij de nationale of regionale autoriteiten een steunaanvraag heeft ingediend en, met betrekking tot na 1 januari 2007 ingediende aanvragen, de voor het beheer van de regeling verantwoordelijke autoriteit schriftelijk heeft bevestigd dat, onder voorbehoud van de uiteindelijke uitkomst van een gedetailleerd onderzoek, het project aan de in de regeling vastgestelde voorwaarden voldoet om in aanmerking te komen. In de steunregeling moet een uitdrukkelijke verwijzing naar deze beide voorwaarden zijn opgenomen. Wanneer de werkzaamheden aanvangen voordat aan de in dit artikel gestelde voorwaarden is voldaan, komt het gehele project niet voor regionale steun in aanmerking.

2.   Lid 1 is niet van toepassing in het geval van steunregelingen waarbij een belastingvrijstelling of belastingvermindering automatisch zonder enige beoordelingsvrijheid voor de autoriteiten, wordt toegekend voor de in aanmerking komende uitgaven.

Artikel 6

Cumulering

1.   De in artikel 4 vastgestelde steunplafonds gelden voor het totale bedrag aan overheidssteun voor het gesteunde project, ongeacht of de steun uit plaatselijke, regionale, nationale of communautaire bronnen afkomstig is.

2.   De in deze verordening vrijgestelde steun mag niet worden gecumuleerd met andere staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het Verdrag, noch met een andere communautaire of nationale financiering, met betrekking tot dezelfde in aanmerking komende kosten, indien deze cumulering zou resulteren in een steunintensiteit die hoger is dan die welke in deze verordening is vastgesteld.

3.   De in deze verordening vrijgestelde regionale investeringssteun mag niet worden gecumuleerd met de-minimissteun in de zin van Verordening (EG) nr. 69/2001 met betrekking tot dezelfde in aanmerking komende kosten, indien deze cumulering zou resulteren in een steunintensiteit die hoger is dan die welke in deze verordening is vastgesteld.

Artikel 7

Steun die vooraf bij de Commissie moet worden aangemeld

De volgende steun kan uit hoofde van deze verordening niet van aanmelding worden vrijgesteld en blijft aan de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag onderworpen:

a)

niet-doorzichtige regionale-investeringssteunregelingen;

b)

regionalesteunregelingen die op specifieke economische sectoren in de be- en verwerkende industrie of de dienstensector zijn gericht. Regionale-investeringssteunregelingen die op toeristische activiteiten zijn gericht, worden niet beschouwd als gericht op specifieke sectoren;

c)

regionalesteunregelingen die voorzien in exploitatiesteun;

d)

regionalesteunregelingen die voor nieuw opgerichte kleine ondernemingen in andere steun voorzien dan investeringssteun en steun voor adviesdiensten;

e)

regionale steun voor grote investeringsprojecten die wordt toegekend op grond van bestaande steunregelingen, indien het totale steunbedrag uit alle bronnen meer dan 75 % bedraagt van het maximale steunbedrag dat een investering met in aanmerking komende uitgaven van 100 miljoen EUR zou kunnen ontvangen, met toepassing van het standaardsteunplafond dat op het tijdstip waarop de steun wordt toegekend, op de goedgekeurde regionalesteunkaart voor grote ondernemingen geldt;

f)

andere ad hoc regionale steun dan die welke op grond van artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 70/2001 en artikel 3, lid 3, van de onderhavige verordening is vrijgesteld, tenzij de ad-hocsteun alleen wordt gebruikt ter aanvulling van steun die wordt toegekend op grond van een doorzichtige regionale-investeringssteunregeling, waarbij de ad-hoccomponent is beperkt tot maximaal 50 % van de totale steun die ten behoeve van de investering wordt toegekend;

g)

investeringssteun voor een begunstigde ten aanzien van wie er een uitstaand bevel tot terugvordering is ingevolge een eerdere beschikking van de Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard.

Artikel 8

Doorzichtigheid en toezicht

1.   Bij de tenuitvoerlegging van een steunregeling of de toekenning van een ad-hocsteunmaatregel die in deze verordening zijn vrijgesteld, zendt de betrokken lidstaat de Commissie binnen 20 werkdagen een samenvatting van de inlichtingen betreffende deze steun in de in bijlage I vastgestelde vorm ter bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze inlichtingen worden in elektronische vorm verstrekt.

2.   Wanneer regionale steun op grond van een bestaande steunregeling wordt toegekend voor grote investeringsprojecten die de in artikel 7, onder e), vastgestelde drempel voor individuele aanmelding niet overschrijden, verstrekken de lidstaten binnen 20 werkdagen vanaf de dag waarop de steun door de bevoegde autoriteit wordt toegekend, de Commissie de vereiste inlichtingen, in elektronische vorm, door middel van het in bijlage II vastgestelde standaardformulier. De Commissie zal deze beknopte inlichtingen op haar website (http://ec.europa.eu/comm/competition/) aan het publiek beschikbaar stellen.

3.   De lidstaten leggen gedetailleerde dossiers aan, van de in deze verordening vrijgestelde steunregelingen en de op grond van die regelingen verleende individuele steun. Deze dossiers bevatten alle gegevens die noodzakelijk zijn om te kunnen nagaan of aan de in deze verordening vastgestelde voorwaarden voor vrijstelling is voldaan, met inbegrip van gegevens over de status van alle ondernemingen waarvan het recht op steun afhangt van hun status van kleine of middelgrote onderneming. De lidstaten bewaren een dossier betreffende een steunregeling gedurende tien jaar vanaf de datum waarop de laatste individuele steun op grond van deze regeling is toegekend. De betrokken lidstaat verstrekt de Commissie op haar schriftelijk verzoek binnen 20 werkdagen, of binnen de langere termijn die de Commissie in haar verzoek vaststelt, alle inlichtingen die de Commissie nodig acht ter beoordeling of aan de voorwaarden van deze verordening is voldaan.

4.   De lidstaten dienen voor elk kalenderjaar of gedeelte van een kalenderjaar waarin de onderhavige verordening van toepassing is, bij de Commissie een verslag in over de toepassing van deze verordening in de in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 794/2004 (13) vastgestelde vorm.

5.   De lidstaten maken de volledige tekst van de binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallende steunregelingen bekend en delen de Commissie het internetadres van deze bekendmaking mede. Deze gegevens worden ook opgenomen in het overeenkomstig lid 4 in te dienen jaarlijkse verslag. De projecten waarvoor, vóór het tijdstip van de bekendmaking van de regeling, uitgaven zijn gemaakt, komen niet voor regionale steun in aanmerking.

Artikel 9

Inwerkingtreding en geldigheidsduur

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij zal worden toegepast op steunregelingen die in werking treden of ten uitvoer worden gelegd na 31 december 2006.

Zij blijft in werking tot en met 31 december 2013.

2.   De aanmeldingen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog in behandeling zijn, worden overeenkomstig deze verordening beoordeeld. De steunregelingen die vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening ten uitvoer zijn gelegd en steun die op grond van deze regelingen is toegekend, zonder de goedkeuring van de Commissie en met inbreuk op de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag, zijn verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, van het Verdrag en zijn op grond van deze verordening vrijgesteld, indien aan alle voorwaarden van deze verordening is voldaan.

Bij het verstrijken van de geldigheidsduur van deze verordening vervalt de vrijstelling voor de op grond van deze verordening vrijgestelde steunregelingen op de datum waarop de goedgekeurde regionalesteunkaarten vervallen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 oktober 2006.

Voor de Commissie

Neelie KROES

Lid van de Commissie


(1)  PB L 142 van 14.5.1998, blz. 1.

(2)  PB C 120 van 20.5.2006, blz. 2.

(3)  PB C 54 van 4.3.2006, blz. 13.

(4)  PB L 10 van 13.1.2001, blz. 33. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1040/2006 (PB L 187 van 8.7.2006, blz. 8).

(5)  PB C 71 van 11.3.2000, blz. 14.

(6)  PB L 182 van 3.7.1987, blz. 36. Verordening laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1994.

(7)  PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1.

(8)  PB L 10 van 13.1.2001, blz. 30.

(9)  PB C 244 van 1.10.2004, blz. 2.

(10)  PB L 17 van 21.1.2000, blz. 22.

(11)  Statistische nomenclatuur van de economische activiteiten in de Europese Gemeenschap.

(12)  PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36.

(13)  PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1.


BIJLAGE I

Door de lidstaten medegedeelde inlichtingen betreffende staatssteun die wordt toegekend op grond van Verordening (EG) nr. 1628/2006 van de Commissie van 24.10.2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op nationale regionale investeringssteun

(In elektronische vorm via elektronische post te verstrekken aan: stateaidgreffe@ec.europa.eu)

Image

Image


BIJLAGE II

Formulier voor het verstrekken van beknopte inlichtingen betreffende steun voor grote investeringsprojecten waarbij de steun de drempels van artikel 7, onder e), niet overschrijdt

1.

Steun ten gunste van (naam van de steun ontvangende onderneming of ondernemingen):

2.

Referentie van de steunregeling (door de Commissie gebruikte referentie van de bestaande steunregeling(en) op grond waarvan de steun wordt toegekend):

3.

Steunverlenende autoriteit of autoriteiten (benaming en contactgegevens):

4.

Lidstaat waar de investering plaatsvindt:

5.

Gebied (NUTS-III-niveau) waar de investering plaats vindt:

6.

Gemeente (voorheen NUTS-V-niveau, thans LAU 2) waar de investering plaatsvindt:

7.

Aard van het project (nieuwe vestiging; uitbreiding van een bestaande vestiging; diversificatie van de productie van een bestaande vestiging naar nieuwe, bijkomende producten, of een fundamentele wijziging in het volledige productieproces van een bestaande vestiging):

8.

Product vervaardigd of diensten verricht op grond van het investeringsproject (met Prodcom/NACE-nomenclatuur of CPA-nomenclatuur voor projecten in de dienstensector):

9.

Korte beschrijving van het investeringsproject:

10.

Contante waarde van de in aanmerking komende kosten van het investeringsproject (in EUR):

11.

Contante waarde van het steunbedrag (bruto) in EUR:

12.

Steunintensiteit (in % BSE):

13.

Eventuele aan de betaling van de voorgenomen steun verbonden voorwaarden:

14.

Geplande aanvangs- en einddatum van het project:

15.

Datum toekenning van de steun:


1.11.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 302/41


VERORDENING (EG) Nr. 1629/2006 VAN DE COMMISSIE

van 31 oktober 2006

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1010/2006 betreffende enige buitengewone maatregelen ter ondersteuning van de markt in de sector eieren en slachtpluimvee in sommige lidstaten

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2771/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector eieren (1), en met name op artikel 14, lid 1, eerste alinea, onder b),

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2777/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee (2), en met name op artikel 14, lid 1, eerste alinea, onder b),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Richtlijn 93/119/EG van de Raad (3), die betrekking heeft op de bescherming van dieren bij het slachten of doden, zijn de begrippen „slachten” en „doden” gedefinieerd.

(2)

In de artikelen 4 en 7 van Verordening (EG) nr. 1010/2006 van de Commissie (4) is niet gepreciseerd dat ook het doden van dieren, net als het slachten ervan, moet worden beschouwd als een buitengewone maatregel ter ondersteuning van de markt.

(3)

Enerzijds doordat de lidstaten in hun nationale wet- en regelgeving niet tijdig rekening hebben kunnen houden met de precisering betreffende het doden van dieren, en anderzijds doordat Verordening (EG) nr. 1010/2006 onlangs nog is gewijzigd, is het mogelijk dat sommige lidstaten zich moeilijk zullen kunnen houden aan de in artikel 10 van die verordening bepaalde termijn voor de betalingen aan de begunstigden van de buitengewone maatregelen ter ondersteuning van de markt, namelijk vóór 31 december 2006. Daarom moet die betalingstermijn met enkele maanden worden verlengd.

(4)

Verordening (EG) nr. 1010/2006 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

De bepalingen van artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 2771/75 en artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 2777/75, die in de vaststelling van de betrokken maatregelen voorzien, zijn in werking sinds 11 mei 2006. Derhalve dient te worden bepaald dat de onderhavige verordening ook met ingang van die datum van toepassing is.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor slachtpluimvee en eieren,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1010/2006 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a)

Lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Het zes weken vroeger slachten of doden van ten minste een deel van de moederdieren van de GN-codes 0105 92 00, 0105 93 00, 0105 99 10, 0105 99 20, 0105 99 30 en 0105 99 50 om de productie van broedeieren te verlagen, wordt beschouwd als een buitengewone maatregel ter ondersteuning van de markt op grond van artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 2777/75, op voorwaarde evenwel dat gedurende die periode op de betrokken plaatsen geen enkel nieuw dier in productie wordt genomen.”.

b)

In lid 2 wordt de eerste alinea vervangen door:

„Voor het in lid 1 bedoelde vervroegd slachten of doden wordt voor elke betrokken lidstaat een compensatie verleend binnen de grenzen van het in bijlage IV vermelde maximumaantal dieren en voor de in die bijlage bepaalde periode.”.

2)

Artikel 7 wordt vervangen door:

„Artikel 7

1.   Het vervroegd slachten of doden van legrijpe jonge kippen wordt beschouwd als een buitengewone maatregel ter ondersteuning van de markt op grond van artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 2777/75.

2.   Voor het in lid 1 bedoelde vervroegd slachten of doden wordt voor elke betrokken lidstaat een compensatie verleend binnen de grenzen van het in bijlage VII vermelde maximumaantal dieren en voor de in die bijlage bepaalde periode.

Het maximumniveau van de compensatie wordt forfaitair vastgesteld op 3,2 EUR/legrijpe jonge kip.”.

3)

In artikel 10 wordt de datum „31 december 2006” vervangen door de datum „31 maart 2007”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 11 mei 2006.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 31 oktober 2006.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 282 van 1.11.1975, blz. 49. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 679/2006 (PB L 119 van 4.5.2006, blz. 1).

(2)  PB L 282 van 1.11.1975, blz. 77. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 679/2006.

(3)  PB L 340 van 31.12.1993, blz. 21.

(4)  PB L 180 van 4.7.2006, blz. 3. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1256/2006 (PB L 228 van 22.8.2006, blz. 9).


1.11.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 302/43


VERORDENING (EG) Nr. 1630/2006 VAN DE COMMISSIE

van 31 oktober 2006

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 933/2002 betreffende de opening en de wijze van beheer van tariefcontingenten voor bepaalde landbouwproducten van oorsprong uit Zwitserland en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 851/95

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Besluit 2002/309/EG, Euratom van de Raad en, wat betreft de overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking, van de Commissie van 4 april 2002 betreffende de sluiting van zeven overeenkomsten met de Zwitserse Bondsstaat (1), en met name op artikel 5, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Naar aanleiding van de uitbreiding van de Europese Unie op 1 mei 2004 kwamen de Gemeenschap en Zwitserland overeen de tariefconcessies aan te passen die op 21 juni 1999 waren vastgesteld bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten (2), hierna „de overeenkomst” genoemd, die op 1 juni 2002 in werking trad. Zij kwamen met name overeen wijzigingen aan te brengen in de bijlagen 1 en 2 bij de overeenkomst, waarin de lijsten van concessies zijn opgenomen, om een bestaand rechtenvrij tariefcontingent van de Gemeenschap uit te breiden met een nieuw product, namelijk witloof van GN-code 0705 21 00.

(2)

In afwachting van de formele wijziging kwamen de Gemeenschap en Zwitserland overeen om autonoom en bij wijze van overgangsregeling de aangepaste concessies met ingang van 1 mei 2004 toe te passen.

(3)

Om ervoor te zorgen dat het contingent voor de producten van GN-code 0705 21 00 met ingang van 1 mei 2004 beschikbaar zou zijn, werd een autonoom communautair tariefcontingent geopend dat gedurende een overgangsperiode beperkt was tot die producten, en wel bij Verordening (EG) nr. 7/2005 van de Raad van 13 december 2004 tot vaststelling van autonome overgangsmaatregelen voor de opening van een tariefcontingent voor bepaalde landbouwproducten uit Zwitserland (3).

(4)

In bijlage 2 bij de overeenkomst, gewijzigd bij Besluit nr. 3/2005 van het Gemengd Landbouwcomité, opgericht bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten van 19 december 2005 betreffende de aanpassing van de bijlagen 1 en 2 (4) in verband met de uitbreiding van de Europese Unie, zijn de tariefcontingenten vermeld die zijn uitgebreid met de producten van GN-code 0705 21 00. De dienovereenkomstige uitvoeringsbepalingen moeten daarom worden aangepast.

(5)

Verordening (EG) nr. 933/2002 van de Commissie (5) moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

Verordening (EG) nr. 7/2005 wordt ingetrokken met ingang van 1 september 2006 bij Verordening (EG) nr. 1623/2006 (6). Deze verordening dient daarom op dezelfde datum van toepassing te zijn.

(7)

De bepalingen van deze verordening zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In de bijlage bij Verordening (EG) nr. 933/2002 worden de regels betreffende volgnummer 09.0925 vervangen door de volgende tekst:

Volgnummer

GN-code

Taric-code

Omschrijving

Recht

Jaarlijkse omvang van het contingent

(ton nettogewicht)

„09.0925

0705 11 00

0705 19 00

0705 21 00

0705 29 00

 

Sla (Lactuca sativa), andijvie, witloof en andere cichoreigroenten (Cichorium spp.), met inbegrip van witloof (Cichorium intybus var. foliosum), vers of gekoeld

vrij

3 000”

Artikel 2

Voor het jaar 2006 wordt de omvang van het communautair tariefcontingent nr. 09.0925 verlaagd met de hoeveelheid die voor de in artikel 3 vermelde datum werd benut uit hoofde van communautair tariefcontingent nr. 09.0947 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 7/2005.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 september 2006.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 31 oktober 2006.

Voor de Commissie

László KOVÁCS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 114 van 30.4.2002, blz. 1.

(2)  PB L 114 van 30.4.2002, blz. 132.

(3)  PB L 4 van 6.1.2005, blz. 1.

(4)  PB L 346 van 29.12.2005, blz.33.

(5)  PB L 144 van 1.6.2002, blz. 22.

(6)  Zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad.


1.11.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 302/45


VERORDENING (EG) Nr. 1631/2006 VAN DE COMMISSIE

van 31 oktober 2006

tot vaststelling van een verbod op de visserij op tong in ICES-zone IIIa, IIIb,c,d (EG-wateren) door vaartuigen die de vlag van Zweden voeren

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1), en met name op artikel 26, lid 4,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (2), en met name op artikel 21, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 51/2006 van de Raad van 22 december 2005 tot vaststelling, voor 2006, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften (3), zijn quota voor 2006 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2006 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Derhalve moet het worden verboden op dit bestand te vissen en vis uit dit bestand aan boord te houden, over te laden en aan te voeren.

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2006 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbod

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het verboden vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 31 oktober 2006.

Voor de Commissie

Jörgen HOLMQUIST

Directeur-generaal Visserij en maritieme zaken


(1)  PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.

(2)  PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 768/2005 (PB L 128 van 21.5.2005, blz. 1).

(3)  PB L 16 van 20.1.2006, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1262/2006 van de Commissie (PB L 230 van 24.8.2006, blz. 4).


BIJLAGE

Nr.

44

Lidstaat

Zweden

Bestand

SOL/3A/BCD

Soort

Tong (Solea Solea)

Zone

IIIa, IIIb,c,d (EG-wateren)

Datum

6 oktober 2006


II Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

Commissie

1.11.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 302/47


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 31 oktober 2006

tot wijziging van Beschikking 2004/4/EG houdende machtiging van de lidstaten om ten aanzien van Egypte tijdelijk aanvullende maatregelen te nemen tegen de verspreiding van Pseudomonas solanacearum (Smith) Smith

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 5109)

(2006/749/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (1), en met name op artikel 16, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Beschikking 2004/4/EG van de Commissie (2) mogen knollen van Solanum tuberosum L., van oorsprong uit Egypte, in principe niet in de Gemeenschap worden binnengebracht. Voor het invoerseizoen 2005/2006 mochten dergelijke knollen echter in de Gemeenschap worden binnengebracht indien zij uit „ziektevrije gebieden” kwamen en bepaalde voorwaarden in acht werden genomen.

(2)

Tijdens het invoerseizoen 2005/2006 is een paar maal Pseudomonas solanacearum (Smith) Smith aangetroffen.

(3)

Egypte heeft een verslag ingediend over de oorzaken daarvan. In dat verslag wordt een nauwkeurige beschrijving gegeven van nieuwe strengere maatregelen die Egypte heeft genomen ten aanzien van de „ziektevrije gebieden” en exporteurs van wie zendingen zijn onderschept. Bepaalde gebieden zijn voor het invoerseizoen 2006/2007 van de lijst van „ziektevrije gebieden” geschrapt. Twee van de betrokken exporteurs zijn formeel gewaarschuwd en één exporteur heeft voor het seizoen 2006/2007 een exportverbod gekregen.

(4)

In het licht van de door Egypte verstrekte informatie heeft de Commissie geconstateerd dat er geen gevaar bestaat voor de verspreiding van Pseudomonas solanacearum (Smith) Smith als gevolg van het binnenbrengen in de Gemeenschap van knollen van Solanum tuberosum L. uit ziektevrije gebieden van Egypte, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.

(5)

Het moet derhalve voor het invoerseizoen 2006/2007 worden toegestaan knollen van Solanum tuberosum L., van oorsprong uit „ziektevrije gebieden” van Egypte, in de Gemeenschap binnen te brengen.

(6)

Beschikking 2004/4/EG moet dan ook dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Plantenziektekundig Comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Beschikking 2004/4/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt „2005/2006” vervangen door „2006/2007”;

b)

in lid 2 wordt „het invoerseizoen 2005/2006” vervangen door „het in lid 1 bedoelde invoerseizoen”;

2)

In artikel 3 wordt „het invoerseizoen 2005/2006” vervangen door „het in artikel 2, lid 1, bedoelde invoerseizoen”;

3)

In artikel 4 wordt „30 augustus 2006” vervangen door „31 augustus 2007”.

4)

In artikel 7 wordt „30 september 2006” vervangen door „30 september 2007”.

5)

De bijlage wordt als volgt gewijzigd:

a)

in punt 1, onder b), punt iii), wordt „2005/2006” vervangen door „2006/2007”;

b)

in punt 1, onder b), punt iii), tweede streepje, wordt „1 januari 2006” vervangen door „1 januari 2007”;

c)

in punt 1, onder b), punt xii), wordt „1 januari 2006” vervangen door „1 januari 2007”;

d)

in punt 5, tweede alinea, wordt „het invoerseizoen 2005/2006” vervangen door „het in artikel 2, lid 1, bedoelde invoerseizoen”;

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 31 oktober 2006.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/35/EG van de Commissie (PB L 88 van 25.3.2006, blz. 9).

(2)  PB L 2 van 6.1.2004, blz. 50. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2005/840/EG (PB L 312 van 29.11.2005, blz. 63).


1.11.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 302/49


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 31 oktober 2006

tot wijziging van Beschikking 2005/359/EG wat betreft de loshavens voor stammen van eikenhout (Quercus L.), met bast, van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 5142)

(2006/750/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (1), en met name op artikel 15, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van Richtlijn 2000/29/EG mogen stammen van eikenhout (Quercus L.), met bast, van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika, in beginsel niet in de Gemeenschap worden binnengebracht vanwege het gevaar voor insleep van de eikenverwelking veroorzakende schimmel Ceratocystis fagacearum (Bretz) Hunt.

(2)

Beschikking 2005/359/EG van de Commissie van 29 april 2005 houdende afwijking van bepaalde bepalingen van Richtlijn 2000/29/EG van de Raad ten aanzien van stammen van eikenhout (Quercus L.), met bast, van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (2) staat de invoer van dergelijke stammen van oorsprong uit de Verenigde Staten onder bepaalde voorwaarden toe.

(3)

Artikel 3, lid 1, van Beschikking 2005/359/EG bepaalt dat de stammen alleen in de in bijlage II bij die beschikking genoemde havens mogen worden gelost. Gezien de verzoeken van respectievelijk Letland, Slovenië en Frankrijk is het, na raadpleging van de andere lidstaten zoals bepaald in artikel 3, lid 2, van de bovenstaande beschikking, dienstig de havens van Riga en Koper aan de lijst van havens in bijlage II toe te voegen, en de haven van Lauterborg te schrappen.

(4)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Plantenziektekundig Comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Bijlage II bij Beschikking 2005/359/EG wordt vervangen door de bijlage bij deze beschikking.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 31 oktober 2006.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/35/EG van de Commissie (PB L 88 van 25.3.2006, blz. 9).

(2)  PB L 114 van 4.5.2005, blz. 14.


BIJLAGE

„BIJLAGE II

LOSHAVENS

1.

Amsterdam

2.

Antwerpen

3.

Århus

4.

Bilbao

5.

Bremen

6.

Bremerhaven

7.

Kopenhagen

8.

Hamburg

9.

Klaipeda

10.

Koper

11.

Larnaka

12.

Leghorn

13.

Le Havre

14.

Lemesos

15.

Lissabon

16.

Marseille

17.

Marsaxlokk

18.

Muuga

19.

Napels

20.

Nordenham

21.

Porto

22.

Piraeus

23.

Ravenna

24.

Riga

25.

Rostock

26.

Rotterdam

27.

Salerno

28.

Sines

29.

Stralsund

30.

Valencia

31.

Valletta

32.

Venetië

33.

Vigo

34.

Wismar

35.

Zeebrugge”