ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 291

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

49e jaargang
21 oktober 2006


Inhoud

 

I   Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

Bladzijde

 

 

Verordening (EG) nr. 1577/2006 van de Commissie van 20 oktober 2006 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

1

 

*

Verordening (EG) nr. 1578/2006 van de Commissie van 19 oktober 2006 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

3

 

 

Verordening (EG) nr. 1579/2006 van de Commissie van 20 oktober 2006 betreffende de opening van een inschrijving voor de toekenning van uitvoercertificaten van het A3-stelsel in de sector groenten en fruit (tomaten, sinaasappelen, citroenen, druiven voor tafelgebruik en appelen)

5

 

*

Verordening (EG) nr. 1580/2006 van de Commissie van 20 oktober 2006 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1043/2005 houdende tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad met betrekking tot de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer van bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen, en de criteria voor de vaststelling van de restitutiebedragen

8

 

 

II   Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

 

 

Raad

 

*

Beschikking van de Raad van 6 oktober 2006 betreffende communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie

11

 

*

Besluit van de Raad van 16 oktober 2006 tot benoeming van de Deense leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité

33

 

 

Commissie

 

*

Beschikking van de Commissie van 20 oktober 2006 betreffende de beperkte publicatie van de referentie van norm EN 848-3:1999 Veiligheid van houtbewerkingsmachines — Freesmachines voor éénzijdige bewerking met draaiend gereedschap — Deel 3: Numeriek bestuurde boor- en freesmachines overeenkomstig Richtlijn 98/37/EG van het Europees Parlement en de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 4901)  ( 1 )

35

 

*

Beschikking van de Commissie van 20 oktober 2006 tot goedkeuring van het door Duitsland krachtens Richtlijn 2005/94/EG van de Raad ingediende programma voor preventieve vaccinatie tegen aviaire influenza van subtype H5 in bepaalde bedrijven in Noord-Rijnland-Westfalen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 4906)

38

 

*

Beschikking van de Commissie van 20 oktober 2006 tot wijziging van Beschikking 92/452/EEG wat betreft bepaalde embryoteams en embryoproductieteams in de Verenigde Staten van Amerika (Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 4907)  ( 1 )

40

 

*

Besluit nr. 06/EG/2006 van de Gezamenlijke Commissie opgericht bij de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en Japan van 12 juni 2006 wat de registratie van een overeenstemmingsbeoordelingsinstantie in het kader van de sectorbijlage betreffende eindapparatuur voor telecommunicatie en radioapparatuur betreft

42

 

 

Besluiten aangenomen krachtens titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie

 

*

Gemeenschappelijk Optreden 2006/708/GBVB van de Raad van 17 oktober 2006 houdende wijziging en verlenging van Gemeenschappelijk Optreden 2005/190/GBVB inzake de geïntegreerde rechtsstaatmissie van de Europese Unie voor Irak, EUJUST LEX

43

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van rectificatie van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PB L 226 van 25.6.2004)

44

 

*

Rectificatie van Verordening (EG) nr. 2111/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2005 betreffende de vaststelling van een communautaire lijst van luchtvaartmaatschappijen waaraan een exploitatieverbod binnen de Gemeenschap is opgelegd en het informeren van luchtreizigers over de identiteit van de exploiterende luchtvaartmaatschappij, en tot intrekking van artikel 9 van Richtlijn 2004/36/EG (PB L 344 van 27.12.2005)

44

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

21.10.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 291/1


VERORDENING (EG) Nr. 1577/2006 VAN DE COMMISSIE

van 20 oktober 2006

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 21 oktober 2006.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 oktober 2006.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 386/2005 (PB L 62 van 9.3.2005, blz. 3).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 20 oktober 2006 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

052

63,6

096

29,2

204

41,1

999

44,6

0707 00 05

052

110,8

096

30,8

999

70,8

0709 90 70

052

100,0

204

51,8

999

75,9

0805 50 10

052

62,9

388

64,7

524

66,9

528

58,3

999

63,2

0806 10 10

052

88,6

066

54,3

400

172,2

999

105,0

0808 10 80

388

79,6

400

115,6

404

100,0

800

129,5

804

140,2

999

113,0

0808 20 50

052

96,6

388

102,9

720

57,0

999

85,5


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 750/2005 van de Commissie (PB L 126 van 19.5.2005, blz. 12). De code „999” staat voor „andere oorsprong”.


21.10.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 291/3


VERORDENING (EG) Nr. 1578/2006 VAN DE COMMISSIE

van 19 oktober 2006

tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (1), en met name op artikel 9, lid 1, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om de uniforme toepassing te waarborgen van de gecombineerde nomenclatuur die als bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 is gevoegd, dienen bepalingen te worden vastgesteld voor de indeling van de in de bijlage bij de onderhavige verordening opgenomen goederen.

(2)

Bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 zijn de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur vastgesteld. Deze regels zijn ook van toepassing op iedere andere nomenclatuur die, geheel of gedeeltelijk of met toevoeging van onderverdelingen, de gecombineerde nomenclatuur overneemt en die bij specifieke communautaire voorschriften is vastgesteld voor de toepassing van tarief- of andere maatregelen in het kader van het goederenverkeer.

(3)

Met toepassing van genoemde algemene regels, dienen de in kolom 1 van de tabel omschreven goederen die zijn opgenomen in de bijlage bij deze verordening te worden ingedeeld onder de daarmee corresponderende GN-codes die zijn vermeld in kolom 2, op grond van de motiveringen die zijn opgenomen in kolom 3 van voornoemde tabel.

(4)

Het is wenselijk dat een beroep kan worden gedaan op een door de douaneautoriteiten van de lidstaten verstrekte bindende tariefinlichting betreffende de indeling van goederen in de gecombineerde nomenclatuur die niet in overeenstemming is met de bepalingen van onderhavige verordening, door de rechthebbende, gedurende drie maanden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (2).

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek.

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De goederen omschreven in kolom 1 van de in de bijlage opgenomen tabel worden in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder de corresponderende GN-codes vermeld in kolom 2 van voornoemde tabel.

Artikel 2

Op de door de douaneautoriteiten van de lidstaten verstrekte bindende tariefinlichting die niet in overeenstemming is met de bepalingen van de onderhavige verordening, kan gedurende drie maanden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92, een beroep worden gedaan.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 oktober 2006.

Voor de Commissie

László KOVÁCS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 996/2006 van de Commissie (PB L 179 van 1.7.2006, blz. 26).

(2)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 117 van 4.5.2005, blz. 13).


BIJLAGE

Omschrijving

Indeling

(GN-code)

Motivering

(1)

(2)

(3)

1.

Toetsenbordmembraan (afmetingen van ongeveer 65 × 40 × 1 mm), gemaakt van polycarbonaat, zonder elektrisch geleidende elementen. Het product heeft gegoten toetsen aan de ene kant en niet-geleidende contactpennen aan de andere kant.

Het product heeft bedrukte toetsdoppen die samen een alfanumeriek toetsenbord, de functietoetsen en andere eigenschappen vormen die typisch zijn voor zaktelefoons.

8529 90 40

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, aantekening 2 b) op Afdeling XVI, en de bewoordingen van de GN-codes 8529, 8529 90 en 8529 90 40.

De bouw van het toetsenbord, in het bijzonder de vorm, evenals de plaatsing, de opmaak en de bedrukking van de toetsdoppen, leiden tot indeling van het toetsenbord onder GN-code 8529 90 40 als onderdeel waarvan kan worden onderkend dat het uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd is voor de toestellen bedoeld bij post 8525.

2.

Een paar opblaasbare gordels van kunststof, elk met twee luchtkamers.

Zij zijn ontworpen om door kinderen om de armen te worden gedragen zodat ze in ondiep water blijven drijven.

Deze constructie biedt onvoldoende bescherming voor reddings- of veiligheidsdoeleinden.

9506 29 00

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, en op basis van de bewoordingen van de GN-codes 9506 en 9506 29 00.

Door zijn constructie biedt het product niet de bescherming die van een veiligheids- of reddingsgordel of van een zwemvest voor reddingsdoeleinden wordt vereist (aard en samenstelling).

Het product is meer dan een stuk speelgoed en is daarom uitgesloten van post 9503.

Aangezien het product veilig genoeg is om een kind boven water te houden, dient het te worden ingedeeld onder GN-code 9506 29 00.


21.10.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 291/5


VERORDENING (EG) Nr. 1579/2006 VAN DE COMMISSIE

van 20 oktober 2006

betreffende de opening van een inschrijving voor de toekenning van uitvoercertificaten van het A3-stelsel in de sector groenten en fruit (tomaten, sinaasappelen, citroenen, druiven voor tafelgebruik en appelen)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit (1), en met name op artikel 35, lid 3, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1961/2001 van de Commissie (2) zijn de uitvoeringsbepalingen voor de uitvoerrestituties in de sector groenten en fruit vastgesteld.

(2)

Op grond van artikel 35, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2200/96 kan, voor zover dit nodig is om een economisch significante uitvoer mogelijk te maken en binnen de grenzen die voortvloeien uit de overeenkomsten gesloten in overeenstemming met artikel 300 van het Verdrag, een uitvoerrestitutie worden betaald voor de door de Gemeenschap uitgevoerde producten.

(3)

Overeenkomstig artikel 35, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2200/96 is het dienstig erop toe te zien dat de eerder door de restitutieregeling op gang gebrachte handelsstromen niet worden verstoord. Daarom, en wegens de seizoengebondenheid van de uitvoer van groenten en fruit, moeten contingenten per product worden vastgesteld, op basis van de landbouwproductennomenclatuur voor de uitvoerrestituties zoals vastgesteld bij Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (3). Deze hoeveelheden moeten worden verdeeld met inachtneming van de bederfelijkheid van de betrokken producten.

(4)

Krachtens artikel 35, lid 4, van Verordening (EG) nr. 2200/96 wordt bij de vaststelling van de restituties rekening gehouden met de situatie en de verwachte ontwikkeling met betrekking tot de prijzen van groenten en fruit op de markt van de Gemeenschap en de beschikbare hoeveelheden enerzijds, en de prijzen in de internationale handel anderzijds. Voorts moeten ook de afzet- en vervoerskosten en het economische aspect van de beoogde uitvoer in aanmerking worden genomen.

(5)

Overeenkomstig artikel 35, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2200/96 wordt bij het bepalen van de marktprijzen van de Gemeenschap rekening gehouden met de prijzen die met het oog op de uitvoer het gunstigst blijken te zijn.

(6)

Wegens de omstandigheden in de internationale handel of specifieke vereisten van bepaalde markten, kan het nodig zijn de restitutie voor een bepaald product te differentiëren naar gelang van de bestemming van dat product.

(7)

Voor tomaten, sinaasappelen, citroenen, druiven voor tafelgebruik en appelen van de kwaliteitsklassen Extra, I en II van de gemeenschappelijke handelsnormen kan de uitvoer economisch significant zijn.

(8)

Met het oog op een optimaal gebruik van de beschikbare middelen en gelet op de structuur van de uitvoer van de Gemeenschap is het dienstig een inschrijving te houden, en het indicatieve restitutiebedrag en de verwachte hoeveelheden voor de betrokken periode vast te stellen.

(9)

Het Comité van beheer voor verse groenten en fruit heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een inschrijving geopend voor de toekenning van uitvoercertificaten van het A3-stelsel. In de bijlage worden de betrokken producten, de periode voor de indiening van de offertes, de indicatieve eenheidsbedragen van de restitutie en de verwachte hoeveelheden vastgesteld.

2.   Certificaten die in het kader van de voedselhulp worden afgegeven, zoals bedoeld in artikel 16 van Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie (4), worden niet afgeboekt op de in de bijlage bij deze verordening bedoelde hoeveelheden.

3.   Onverminderd het bepaalde in artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1961/2001 bedraagt de geldigheidsduur van de certificaten van het A3-stelsel vier maanden.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 2 november 2006.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 oktober 2006.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 297 van 21.11.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 47/2003 van de Commissie (PB L 7 van 11.1.2003, blz. 64).

(2)  PB L 268 van 9.10.2001, blz. 8. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 386/2005 (PB L 62 van 9.3.2005, blz. 3).

(3)  PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2091/2005 (PB L 343 van 24.12.2005, blz. 1).

(4)  PB L 152 van 24.6.2000, blz. 1.


BIJLAGE

TOEKENNING VAN UITVOERCERTIFICATEN VAN HET A3-STELSEL IN DE SECTOR GROENTEN EN FRUIT (TOMATEN, SINAASAPPELEN, CITROENEN, DRUIVEN VOOR TAFELGEBRUIK EN APPELEN)

Periode voor de indiening van de offertes: 2 en 3 november 2006

Productcode (1)

Bestemming (2)

Indicatief restitutiebedrag

(EUR/ton netto)

Verwachte hoeveelheden

(ton)

0702 00 00 9100

F08

30

12 000

0805 10 20 9100

F08

39

113 333

0805 50 10 9100

F08

60

30 000

0806 10 10 9100

F08

23

5 333

0808 10 80 9100

F04, F09

33

83 333


(1)  De codes van de producten zijn vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1).

(2)  De codes van de bestemmingen serie „A” zijn vastgesteld in bijlage II bij Verordening (EEG) nr. 3846/87. De numerieke codes voor de bestemmingen zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2081/2003 van de Commissie (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11). De andere bestemmingen worden als volgt vastgesteld:

F04

:

Hongkong, Singapore, Maleisië, Sri Lanka, Indonesië, Thailand, Taiwan, Papoea-Nieuw-Guinea, Laos, Cambodja, Vietnam, Japan, Uruguay, Paraguay, Argentinië, Mexico en Costa Rica.

F08

:

Alle bestemmingen met uitzondering van Roemenië en Bulgarije.

F09

:

De volgende bestemmingen: Noorwegen, IJsland, Groenland, Faeröer, Albanië, Bosnië en Herzegovina, Kroatië, voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Servië en Montenegro, Armenië, Azerbeidzjan, Wit-Rusland, Georgië, Kazachstan, Kirgizië, Moldavië, Rusland, Tadzjikistan, Turkmenistan, Oezbekistan, Oekraïne, Saoedi-Arabië, Bahrein, Qatar, Oman, Verenigde Arabische Emiraten (Abu Dhabi, Dubai, Sharjah, Ajman, Umm al-Qaiwayn, Ras al-Khaimah en Fujairah), Koeweit, Jemen, Syrië, Iran, Jordanië, Bolivia, Brazilië, Venezuela, Peru, Panama, Ecuador en Colombia, landen en gebieden van Afrika, met uitzondering van Zuid-Afrika, bestemmingen in de zin van artikel 36 van Verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie (PB L 102 van 17.4.1999, blz. 11).


21.10.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 291/8


VERORDENING (EG) Nr. 1580/2006 VAN DE COMMISSIE

van 20 oktober 2006

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1043/2005 houdende tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad met betrekking tot de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer van bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen, en de criteria voor de vaststelling van de restitutiebedragen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad van 6 december 1993 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen (1), en met name op artikel 8, lid 3, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Ingevolge artikel 4 juncto artikel 1, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1043/2005 van de Commissie (2) is Verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (3) van toepassing op producten die worden uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen.

(2)

Volgens artikel 3, tweede streepje, van Verordening (EG) nr. 800/1999 ontstaat het recht op een uitvoerrestitutie bij invoer in een bepaald derde land, wanneer voor dat derde land een gedifferentieerde restitutievoet van toepassing is.

(3)

De artikelen 14, 15 en 16 van Verordening (EG) nr. 800/1999 noemen de voorwaarden voor betaling van de gedifferentieerde restitutie; met name betreft dit de documenten die moeten worden verstrekt als bewijs voor de aankomst van de goederen in het land van bestemming.

(4)

Ingevolge artikel 17 van Verordening (EG) nr. 800/1999 kunnen de lidstaten de exporteur onder bepaalde voorwaarden ontslaan van de verplichting de andere in artikel 16 bedoelde bewijsstukken dan het vervoersdocument over te leggen.

(5)

Het aantal specifieke aanvragen op grond waarvan uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1043/2005 restituties worden toegekend, is hoog. De meeste goederen waarvoor die aanvragen worden gedaan, worden in welomschreven technische omstandigheden geproduceerd, bezitten constante kenmerken en een constante kwaliteit en worden regelmatig uitgevoerd, terwijl hun vervaardigingswijze door de bevoegde instanties geregistreerd en bevestigd is.

(6)

Gezien deze speciale omstandigheden is het, ter vereenvoudiging van de administratieve werkzaamheden in verband met de toekenning van uitvoerrestituties in het kader van Verordening (EG) nr. 1043/2005, dienstig speciale bepalingen vast te stellen die de lidstaten meer flexibiliteit bieden dan die van artikel 17 van Verordening (EG) nr. 800/1999, voor zover zij betrekking hebben op de maxima waaronder de lidstaten de marktdeelnemers kunnen vrijstellen van het verstrekken van het ingevolge artikel 16 van die verordening vereiste bewijs.

(7)

Het is daarom dienstig om de lidstaten in gevallen waarin de goederen zijn verpakt voor de verkoop in het klein of waarin goederen die onder dezelfde GN-code vallen volgens een vast, regelmatig patroon door dezelfde exporteur naar dezelfde ontvanger worden uitgevoerd, de mogelijkheid te bieden naar eigen goeddunken exporteurs vrij te stellen van het verstrekken van het ingevolge artikel 16 van Verordening (EG) nr. 800/1999 vereiste bewijs, mits zij de exporteurs steekproefsgewijs verplichten een dergelijk bewijs te leveren.

(8)

Er moet voor worden gezorgd dat enerzijds de lidstaten kunnen vaststellen dat voornoemde vrijstellingen beperkt zijn tot de transacties waarvoor zij zijn bedoeld, terwijl anderzijds individuele exporteurs vooraf weten voor welke goederen en transacties een lidstaat bereid is hen toe te staan gebruik te maken van deze flexibelere regeling. Daarom is het dienstig ervoor te zorgen dat de lidstaten een vergunningenstelsel beheren dat hun de mogelijkheid biedt toezicht uit te oefenen op de goederen en de transacties waarvoor zij bereid zijn deze flexibelere regeling toe te staan.

(9)

Het is dienstig te bepalen dat krachtens dergelijke bepalingen toegestane vrijstellingen risicofactoren vormen waarmee rekening moet worden gehouden in het kader van artikel 2, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 4045/89 van de Raad (4), dat betrekking heeft op de controle door de lidstaten op verrichtingen die plaatsvinden in het kader van het financieringssysteem van de afdeling Garantie van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw. Bovendien moeten lidstaten die op basis van risicofactoren bepaalde documentatie zoeken, de beginselen toepassen die zijn neergelegd in Verordening (EG) nr. 3122/94 van de Commissie van 20 december 1994 tot vaststelling van de criteria voor de risicoanalyse inzake landbouwproducten waarvoor restituties worden toegekend (5).

(10)

Onverminderd de in deze verordening opgenomen bepalingen over vrijstellingen moeten de ingevolge artikel 16 van Verordening (EG) nr. 800/1999 vereiste bewijzen onder bepaalde omstandigheden verplicht zijn. Het feit dat voor de uitbetaling van de restituties aan die eisen moet worden voldaan, heeft administratieve gevolgen en brengt een belangrijke financiële last met zich mee omdat het zowel voor de nationale autoriteiten als voor de exporteurs een ingrijpende verandering van de administratieve procedures betekent. Het verkrijgen van het in artikel 16 van Verordening (EG) nr. 800/1999 bedoelde bewijs kan in sommige landen gepaard gaan met aanzienlijke administratieve problemen. Ter verlichting van enkele van de administratieve en financiële problemen waarmee de exporteurs te maken krijgen en om de autoriteiten en exporteurs in staat te stellen de nieuwe regelingen voor de betrokken goederen uit te werken en de procedures in te voeren die nodig zijn om ervoor te zorgen dat alle formaliteiten waaraan moet worden voldaan, soepel verlopen, is het dienstig te zorgen voor een overgangsperiode waarbinnen het bewijs dat aan de douaneformaliteiten voor invoer is voldaan, gemakkelijker wordt gemaakt.

(11)

Verordening (EG) nr. 1043/2005 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(12)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor horizontale vraagstukken inzake het handelsverkeer in verwerkte landbouwproducten die niet onder bijlage I vallen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Aan artikel 54 van Verordening (EG) nr. 1043/2005 worden de volgende leden 3 tot en met 6 toegevoegd:

„3.   Voor de in bijlage II bij deze verordening opgenomen goederen geldt in afwijking van artikel 17 van Verordening (EG) nr. 800/1999 het in de eerste alinea, onder b), van dat artikel bedoelde bedrag ongeacht het land of grondgebied van bestemming waarnaar de goederen worden uitgevoerd:

a)

voor goederen die voor de verkoop in het klein zijn verpakt in verpakkingen met een netto-inhoud van niet meer dan 2,5 kg per onmiddellijke verpakking of in bergingsmiddelen met een inhoud van niet meer dan 2 liter, met een etikettering in de zin van artikel 1, lid 3, onder a), van Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad (6), waarop hetzij de importeur in het land van bestemming is vermeld, hetzij de tekst luidt in een officiële taal van het land van bestemming of in een taal die in dat land gemakkelijk kan worden begrepen;

b)

in gevallen waarin een bepaalde exporteur gedurende de twee jaar voorafgaande aan de datum van het verzoek om een vergunning als bedoeld in lid 4 ten minste twaalf keer naar dezelfde ontvanger(s) goederen heeft uitgevoerd die niet meer dan 90 gewichtspercenten bevatten van een van de basisproducten die voor restitutie in aanmerking komen en dezelfde GN-code met acht cijfers hebben.

4.   In de in lid 3 bedoelde gevallen kunnen de lidstaten op verzoek een officiële vergunning verlenen waarbij de betrokken exporteur wordt vrijgesteld van het verschaffen van de ingevolge artikel 16 van Verordening (EG) nr. 800/1999 vereiste documenten, met uitzondering van het vervoersdocument.

De in de eerste alinea bedoelde vergunning is, behoudens intrekking, gedurende maximaal twee jaar geldig, maar kan worden verlengd. De lidstaten kunnen de vergunning naar eigen goeddunken intrekken; zij doen dit onverwijld wanneer zij redelijke gronden hebben te vermoeden dat de exporteur de vergunningsvoorwaarden niet in acht neemt.

Ingevolge de eerste alinea verleende vrijstellingen worden beschouwd als risicofactoren waarmee rekening moet worden gehouden in het kader van artikel 2, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 4045/89.

Exporteurs die gebruik maken van de vrijstelling vermelden het nummer van de vergunning op het enig document en op de specifieke aanvraag tot betaling als bedoeld in artikel 32 van deze verordening.

5.   Niettegenstaande lid 4 kunnen de lidstaten de betrokken exporteur in de in lid 3, onder b), bedoelde gevallen vrijstellen van het verstrekken van de vervoersdocumenten voor alle uitvoer waarvoor een vergunning is afgegeven, mits van de betrokken exporteur wordt verlangd dat hij voor ten minste 10 % van de bedoelde aangiften ten uitvoer of, indien dit meer is, voor één aangifte ten uitvoer per jaar vervoersdocumenten verstrekt, die door de lidstaten worden geselecteerd aan de hand van de criteria in Verordening (EG) nr. 3122/94.

6.   De in bijlage II bij deze verordening opgenomen goederen waarvoor de exporteur het in artikel 16, lid 1, van Verordening (EG) nr. 800/1999 bedoelde bewijs niet kan leveren, worden, wanneer de aangifte ten uitvoer uiterlijk op 30 september 2007 was goedgekeurd, geacht in een derde land te zijn ingevoerd wanneer zowel een kopie van het vervoersdocument wordt overgelegd als hetzij een van de in artikel 16, lid 2, van Verordening (EG) nr. 800/1999 genoemde documenten hetzij een door een in de Gemeenschap gevestigde erkende tussenpersoon afgegeven bankdocument waaruit blijkt dat op de rekening die de exporteur bij hem heeft lopen het bedrag voor de betrokken uitvoer is gecrediteerd, of een bewijs van betaling.

Bij de toepassing van artikel 20 van Verordening (EG) nr. 800/1999 houden de lidstaten rekening met het bepaalde in de eerste alinea.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 oktober 2006.

Voor de Commissie

Günter VERHEUGEN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 318 van 20.12.1993, blz. 18. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2580/2000 (PB L 298 van 25.11.2000, blz. 5).

(2)  PB L 172 van 5.7.2005, blz. 24. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 544/2006 (PB L 94 van 1.4.2006, blz. 24).

(3)  PB L 102 van 17.4.1999, blz. 11. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 671/2004 (PB L 105 van 14.4.2004, blz. 5).

(4)  PB L 388 van 30.12.1989, blz. 18. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2154/2002 (PB L 328 van 5.12.2002, blz. 4).

(5)  PB L 330 van 21.12.1994, blz. 31. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2655/1999 (PB L 325 van 17.12.1999, blz. 12).

(6)  PB L 109 van 6.5.2000, blz. 29.”.


II Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

Raad

21.10.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 291/11


BESCHIKKING VAN DE RAAD

van 6 oktober 2006

betreffende communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie

(2006/702/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999 (1), en met name op artikel 25, eerste alinea,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien de instemming van het Europees Parlement,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 158 van het EG-Verdrag stelt de Gemeenschap zich ten doel de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's of eilanden, met inbegrip van de plattelandsgebieden, te verkleinen teneinde de economische en sociale samenhang te versterken.

(2)

Overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EG) nr. 1083/2006 moeten strategische richtsnoeren inzake economische, sociale en territoriale cohesie worden vastgesteld, die een indicatief kader vormen voor de bijstandsverlening van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds (hierna „de Fondsen” genoemd), rekening houdend met ander relevant communautair beleid, teneinde een evenwichtige, harmonieuze en duurzame ontwikkeling van de Gemeenschap te bevorderen.

(3)

De regionale verschillen in de Gemeenschap nemen met de uitbreiding aanzienlijk toe, hoewel sommige van de armste delen van de nieuwe lidstaten groeipercentages kennen die tot de hoogste in de EU behoren. Daarom biedt de uitbreiding een ongekende kans voor meer groei en concurrentievermogen in de Gemeenschap als geheel, wat in deze strategische richtsnoeren tot uiting moet komen.

(4)

De Europese Voorjaarsraad van 2005 verklaarde dat de Gemeenschap alle passende nationale en communautaire middelen — inclusief het cohesiebeleid — moet aanwenden ter verwezenlijking van de doelstellingen van de hernieuwde Lissabonagenda, die bestaat uit geïntegreerde richtsnoeren, waaronder de door de Raad vastgestelde globale richtsnoeren voor het economische beleid en richtsnoeren voor de werkgelegenheid.

(5)

Om de doelstellingen van het Verdrag te verwezenlijken, met name het streven naar reële economische convergentie, moeten de maatregelen die met de beperkte, voor het cohesiebeleid beschikbare middelen worden ondersteund, worden geconcentreerd op het bevorderen van duurzame groei, het concurrentievermogen en de werkgelegenheid, gelet op de hernieuwde Lissabonagenda.

(6)

Het doel van deze strategische richtsnoeren moet daarom zijn de strategische inhoud van het cohesiebeleid te vergroten teneinde de synergieën met de doelstellingen van de hernieuwde Lissabonagenda te versterken en die doelstellingen te helpen realiseren.

(7)

De Europese Voorjaarsraad van 2005 concludeerde dat grotere betrokkenheid bij de Lissabondoelstellingen nodig is, evenals de participatie van regionale en lokale partijen en de sociale partners, met name in gebieden waar een grotere nabijheid essentieel is, zoals bij innovatie en de kenniseconomie en de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën, werkgelegenheid, menselijk kapitaal, ondernemerschap, steun voor het midden- en kleinbedrijf (MKB) en toegang tot risicokapitaalfinanciering. In de strategische richtsnoeren wordt het belang van deze betrokkenheid erkend.

(8)

De strategische richtsnoeren moeten ook erkennen dat de succesvolle tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid afhankelijk is van macro-economische stabiliteit en structurele hervormingen op nationaal niveau, evenals van een gunstig investeringsklimaat, waaronder effectieve implementatie van de interne markt, bestuurlijke hervormingen, goed bestuur, een goed ondernemingsklimaat en een goed geschoolde beroepsbevolking.

(9)

De lidstaten hebben nationale hervormingsprogramma's opgesteld om de voorwaarden voor groei en werkgelegenheid te verbeteren, rekening houdend met de geïntegreerde richtsnoeren. Deze strategische richtsnoeren dienen voor alle lidstaten en regio's prioriteit te geven aan die investeringsgebieden die de nationale hervormingsprogramma's helpen verwezenlijken, rekening houdend met nationale en regionale behoeften en omstandigheden: investeringen in innovatie, de kenniseconomie en de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën, werkgelegenheid, menselijk kapitaal, ondernemerschap, steun voor het MKB en toegang tot risicokapitaalfinanciering.

(10)

In de strategische richtsnoeren moet rekening worden gehouden met de rol van het cohesiebeleid in de uitvoering van ander communautair beleid dat aansluit bij de hernieuwde Lissabonagenda.

(11)

Voor de regio's en lidstaten die in aanmerking komen voor steun in het kader van de convergentiedoelstelling, moet het doel zijn het groeipotentieel te stimuleren om hoge groeicijfers te verwezenlijken en te behouden, waaronder het aanpakken van de tekortkomingen in de basisinfrastructuurnetwerken en het versterken van de institutionele en bestuurlijke capaciteit.

(12)

De territoriale dimensie van het cohesiebeleid is belangrijk en alle gebieden van de Gemeenschap moeten de mogelijkheid krijgen bij te dragen aan de groei en werkgelegenheid. Derhalve moet in de strategische richtsnoeren rekening worden gehouden met de investeringsbehoeften in zowel stedelijke als plattelandsgebieden gezien hun respectieve rol in de regionale ontwikkeling en om een evenwichtige ontwikkeling, duurzame gemeenschappen en sociale integratie te bevorderen.

(13)

De doelstelling Europese territoriale samenwerking is van groot belang om te zorgen voor een evenwichtige en duurzame ontwikkeling van het grondgebied van de Gemeenschap. De strategische richtsnoeren moeten bijdragen tot het welslagen van de Europese territoriale doelstelling, dat afhankelijk is van gezamenlijke ontwikkelingsstrategieën voor de betrokken gebieden op nationaal, regionaal en lokaal niveau, en van netwerken, die met name moeten zorgen voor de overdracht van ideeën naar de voornaamste nationale en regionale cohesieprogramma's.

(14)

Teneinde duurzame ontwikkeling te bevorderen, moet in de strategische richtsnoeren tot uiting komen dat bij de opstelling van de nationale strategieën rekening moet worden gehouden met de bescherming en verbetering van het milieu.

(15)

De gelijkheid van vrouwen en mannen en de preventie van discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, geloof of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid zijn grondbeginselen van het cohesiebeleid en moeten in alle niveaus van de strategische benadering van cohesie worden geïntegreerd.

(16)

Een goed bestuur is op alle niveaus van fundamenteel belang voor de succesvolle implementatie van het cohesiebeleid. De strategische richtsnoeren moeten rekening houden met de rol van een breed opgezet partnerschap bij de opstelling en uitvoering van ontwikkelingsstrategieën, dat nodig is om ervoor te zorgen dat complexe cohesiestrategieën met succes kunnen worden beheerd, en met de noodzaak van kwaliteit en doeltreffendheid in de publieke sector.

(17)

Deze strategische richtsnoeren vormen een indicatief kader dat de lidstaten en de regio's kunnen gebruiken bij de ontwikkeling van hun nationale en regionale programma's, met name om te kunnen beoordelen in welke mate deze bijdragen aan de doelstellingen van de Gemeenschap met betrekking tot cohesie, groei en werkgelegenheid. Rekening houdend met deze strategische richtsnoeren dient elke lidstaat zijn nationaal strategisch referentiekader en de daaruit voortvloeiende operationele programma's op te stellen,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage opgenomen communautaire strategische richtsnoeren inzake economische, sociale en territoriale cohesie (hierna „de strategische richtsnoeren” genoemd) worden goedgekeurd als een indicatief kader voor de lidstaten voor de voorbereiding van de nationale strategische referentiekaders en de operationele programma's voor de periode 2007-2013.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Luxemburg, 6 oktober 2006.

Voor de Raad

De voorzitter

K. RAJAMÄKI


(1)  PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25.


BIJLAGE

Communautaire strategische richtsnoeren inzake economische, sociale en territoriale cohesie, 2007-2013

1.   INLEIDING: RICHTSNOEREN VOOR HET COHESIEBELEID 2007-2013

Overeenkomstig de geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid van de hernieuwde Lissabonagenda moeten de middelen voor in het kader van het cohesiebeleid ondersteunde programma's aan de volgende drie prioriteiten worden besteed (1):

lidstaten, regio's en steden aantrekkelijker maken door de toegankelijkheid te vergroten, een hoge kwaliteit en adequaat niveau van dienstverlening te garanderen en het milieu te beschermen;

innovaties, ondernemerschap en de groei van de kenniseconomie aanmoedigen door onderzoeks- en innovatiecapaciteit, waaronder nieuwe informatie- en communicatietechnologieën; en

meer en betere banen scheppen door meer mensen aan het werk te helpen of tot het ondernemerschap te bewegen, het aanpassingsvermogen van werknemers en bedrijven te vergroten en meer te investeren in menselijk kapitaal.

Bij het in aanmerking nemen van de hernieuwde Lissabonagenda in de nieuwe programma's wordt de aandacht gevestigd op de volgende beginselen:

 

Om te beginnen moet, in aansluiting op de nieuwe start van de Lissabonagenda zelf, het cohesiebeleid zich duidelijker richten op kennis, onderzoek en innovatie, en menselijk kapitaal. Daarom moet de totale financiële steun voor maatregelen op deze terreinen aanzienlijk worden verhoogd, zoals vereist door de nieuwe oormerkingsbepalingen (2). Daarnaast moeten de lidstaten en de regio's zich laten inspireren door goede praktijken waar deze zichtbaar positieve resultaten hebben opgeleverd wat betreft groei en werkgelegenheid.

 

Ten tweede zouden de lidstaten en de regio's moeten streven naar duurzame ontwikkeling en de synergieën tussen de economische, sociale en milieudimensie moeten stimuleren. De hernieuwde Lissabonstrategie voor groei en werkgelegenheid en de nationale hervormingsprogramma's benadrukken de rol van het milieu op het gebied van groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid. Bij de opstelling van programma's en projecten moet rekening worden gehouden met het milieubeschermingsaspect teneinde duurzame ontwikkeling te bevorderen.

 

Ten derde zouden de lidstaten en de regio's gedurende alle fasen van de opzet en uitvoering van programma's en projecten moeten streven naar gelijke kansen voor vrouwen en mannen. Dit kan geschieden door middel van specifieke maatregelen om gelijke kansen te bevorderen, maar ook door zorgvuldig na te gaan welke gevolgen andere projecten en het beheer van de Fondsen hebben voor vrouwen en mannen.

 

Ten vierde zouden de lidstaten de nodige stappen moeten nemen om in de verschillende uitvoeringsfasen van de Fondsen elke discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te voorkomen. Met name de toegankelijkheid voor gehandicapten is een van de criteria waarmee bij de vaststelling van door de Fondsen gecofinancierde projecten en tijdens de verschillende uitvoeringsstadia rekening moet worden gehouden.

Hieronder worden verschillende aspecten van elk van deze brede terreinen beschreven, met specifieke richtsnoeren voor elk terrein. Deze meer gedetailleerde richtsnoeren zullen niet relevant zijn voor alle regio's. Wat de beste investeringsmix is, hangt uiteindelijk af van de analyse van de sterke en zwakke punten van elke lidstaat en regio en van de specifieke nationale en regionale omstandigheden. De richtsnoeren vormen een kader dat de lidstaten en de regio's kunnen gebruiken bij de ontwikkeling van hun nationale, regionale en lokale programma's, met name om te kunnen beoordelen in welke mate deze bijdragen aan de doelstellingen van de Gemeenschap met betrekking tot cohesie, groei en werkgelegenheid.

1.1.   Richtsnoer: Europa en de regio's aantrekkelijker maken om te investeren en te werken

Een van de voorwaarden voor groei en werkgelegenheid is dat bedrijven kunnen beschikken over de noodzakelijke infrastructuur (vervoer, milieu, energie). Moderne en veilige infrastructuur is een belangrijke factor voor de resultaten van veel bedrijven, die bepaalt of een regio of stad in economische en sociale zin aantrekkelijk is. Investeringen in infrastructuur in regio's die achterlopen, met name in de nieuwe lidstaten, zullen de groei stimuleren en dus leiden tot grotere convergentie met de rest van de Europese Unie en tot een betere levenskwaliteit. De middelen moeten niet alleen uit subsidies komen maar, waar mogelijk, ook uit de particuliere sector en uit leningen, bijvoorbeeld van de Europese Investeringsbank (EIB). Voor de komende periode krijgen de programma-autoriteiten in de lidstaten bij de voorbereiding van geschikte projecten voor communautaire financiering in het kader van het JASPERS-initiatief de mogelijkheid om vaker een beroep te doen op de kennis van de EIB.

1.1.1.   Uitbreiding en verbetering van de vervoersinfrastructuur

Het bestaan van efficiënte, flexibele, veilige en schone vervoersinfrastructuur kan worden beschouwd als een noodzakelijke voorwaarde voor economische ontwikkeling, want het verhoogt de productie en daarmee het ontwikkelingspotentieel van de betrokken regio's door het verkeer van personen en goederen gemakkelijker te maken. Vervoersnetwerken geven een impuls aan de handel en maken deze efficiënter. Daarnaast is de ontwikkeling van vervoersinfrastructuur op Europese schaal (met name de relevante delen van de 30 prioriteitsprojecten voor de trans-Europese vervoersnetwerken), met speciale aandacht voor grensoverschrijdende projecten, essentieel voor het bewerkstelligen van meer integratie van de nationale markten, vooral binnen de uitgebreide EU.

Investeringen in infrastructuur moeten worden afgestemd op de specifieke behoeften en de mate van economische ontwikkeling in de betrokken regio's en landen. Deze behoeften zijn over het algemeen het grootst in de convergentieregio's en in landen die onder het Cohesiefonds vallen. In het algemeen daalt boven een bepaald bedrag het rendement van investeringen in infrastructuur (net als andere investeringen). Het economische rendement van dergelijke investeringen is hoog wanneer infrastructuur schaars is en de basisnetwerken nog niet zijn voltooid, maar neemt af zodra een bepaald niveau is bereikt.

Er moet dus ook rekening worden gehouden met de mate van economische ontwikkeling en de omvang van de bestaande infrastructuur. In de minst ontwikkelde regio's en landen, kunnen internationale en interregionale verbindingen op lange termijn een hoger rendement opleveren als gevolg van het toegenomen concurrentievermogen van het bedrijfsleven en daarnaast de arbeidsmobiliteit vergroten. Aan de andere kant kan de aanleg van regionale vervoersinfrastructuur de beste oplossing zijn voor regio's met verspreide, kleinschalige economische activiteiten en kleine steden. In regio's waar het wegennet onvoldoende ontwikkeld is, zou ook financiering beschikbaar moeten worden gesteld voor de aanleg van wegen die economisch gezien cruciaal zijn. De mobiliteits- en toegankelijkheidsproblemen in stedelijke gebieden moeten ook worden aangepakt door middel van geïntegreerde beheerssystemen en schone vervoersoplossingen.

Om de investeringen in vervoer optimaal te benutten moet de steun uit hoofde van de Fondsen worden gebaseerd op een aantal beginselen.

Ten eerste moeten de aard en de omvang van de vervoersinvesteringen worden vastgesteld op basis van objectieve criteria. Het potentiële rendement moet bijvoorbeeld worden gemeten aan de hand van de economische ontwikkeling, de aard van de economische activiteiten in de betrokken regio's, de dichtheid en kwaliteit van de bestaande infrastructuur en de verkeersproblemen. Bij het bepalen van het sociale rendement moet ook rekening worden gehouden met de ecologische en maatschappelijke gevolgen van de geplande infrastructuurprojecten.

Ten tweede moet het beginsel van ecologische duurzaamheid zo veel mogelijk worden gerespecteerd, overeenkomstig het Witboek (3). Verschuivingen naar milieuvriendelijkere vervoerswijzen moeten verder worden bevorderd. De milieu- en algemene prestaties van elke vervoerswijze moeten echter worden geoptimaliseerd, met name wat het gebruik van de infrastructuur binnen en tussen de verschillende vervoerswijzen betreft (4).

Ten derde moet in de convergentieregio's en in landen die onder het Cohesiefonds vallen bijzondere aandacht worden besteed aan de modernisering van het spoorwegvervoer door zorgvuldig de prioritaire trajecten te selecteren en de interoperabiliteit binnen het European Rail Transport Management System (ERTMS) te garanderen.

Ten vierde zouden investeringen in vervoersinfrastructuur moeten worden gecombineerd met adequaat verkeersbeheer, met bijzondere aandacht voor veiligheid, overeenkomstig nationale en Europese normen. In nationale of regionale strategieën zou rekening moeten worden gehouden met de noodzaak om tot een evenwichtige vervoersverdeling te komen, waarmee aan zowel economische als ecologische behoeften wordt tegemoetgekomen. Deze strategieën zouden bijvoorbeeld betrekking moeten hebben op intelligente vervoerssystemen, multimodale platforms, en met name technologie voor bovengenoemd ERTMS en voor het Single European Sky ATM Research Programme (SESAR — voor uniformisering van het luchtverkeersbeheer in Europa).

Uitgaande van deze beginselen luiden de richtsnoeren voor maatregelen als volgt:

De lidstaten en regio's die in het kader van de convergentiedoelstelling (5) of het Cohesiefonds voor financiering in aanmerking komen, zouden bij de 30 projecten van Europees belang passende prioriteit moeten geven aan die projecten die binnen hun grondgebied vallen. Binnen deze groep projecten verdienen grensoverschrijdende verbindingen bijzondere aandacht. Overige TEN-T-projecten en strategische verkeersverbindingen moeten worden ondersteund wanneer zij van groot belang zijn voor meer groei en een groter concurrentievermogen.

Aanvullende investeringen in secundaire verbindingen zijn eveneens van belang in het kader van een geïntegreerde regionale vervoers- en communicatiestrategie voor steden en het platteland, om ervoor te zorgen dat de regio's profiteren van de mogelijkheden die de grote netwerken bieden.

De steun voor spoorweginfrastructuur zou zich moeten richten op het verbeteren van de toegankelijkheid. Door middel van trajectlicenties zouden onafhankelijke operatoren gemakkelijker toegang moeten krijgen en zou ook een interoperabel netwerk op Europese schaal tot stand moeten worden gebracht. Naleving en toepassing van de interoperabiliteit en de installatie van ERTMS in treinen en aan de rails zouden in voorkomend geval deel moeten uitmaken van alle gefinancierde projecten.

Milieuvriendelijke vervoersnetwerken moeten worden gestimuleerd, met name in stedelijke gebieden. Dit omvat openbaar vervoer (waaronder park & ride-voorzieningen), mobiliteitsplannen, ringwegen, veiligere kruispunten, voorzieningen voor kwetsbare weggebruikers (fiets- en voetpaden). Het gaat hierbij ook om maatregelen met betrekking tot de toegankelijkheid tot openbaar vervoer voor bepaalde groepen (ouderen, mensen met een handicap) en distributienetwerken voor alternatieve motorbrandstoffen. Binnenvaartwegen kunnen ook bijdragen tot de duurzaamheid van netwerken.

Om optimale efficiëntie van de vervoersinfrastructuur met het oog op regionale ontwikkeling te garanderen, moet aandacht worden besteed aan de verbetering van de aansluiting van geïsoleerde, insulaire of perifere gebieden op het trans-Europese netwerk (TEN-vervoer). In dit verband zal de ontwikkeling van secundaire verbindingen helpen, met de nadruk op intermodaliteit en duurzaam vervoer. In het bijzonder moeten verbindingen tot stand worden gebracht tussen havens en vliegvelden en het achterland.

Er moet meer aandacht worden besteed aan de ontwikkeling van „snelwegen op zee” en de korte vaart als een realistisch alternatief voor vervoer over de weg en per spoor over lange afstanden.

Wanneer lidstaten steun ontvangen uit zowel het Cohesiefonds als de Structuurfondsen moet in de programma's onderscheid worden gemaakt tussen de maatregelen die uit elk fonds worden gefinancierd, waarbij het Cohesiefonds een centrale rol speelt bij de steun voor trans-Europese vervoersnetwerken.

De Structuurfondsen zouden zich daarentegen meer moeten richten op de ontwikkeling van infrastructuur in verband met maatregelen ter bevordering van de economische groei (zoals ontwikkeling van toerisme, het aantrekkelijker maken van bedrijfsterreinen, enz.). Bij investeringen in wegen moet ook worden voldaan aan de algemene doelstelling met betrekking tot verkeersveiligheid.

Cofinanciering door de Fondsen moet dienen ter aanvulling van subsidies uit de begroting voor trans-Europese netwerken en vermeden moet worden dat er steun uit twee communautaire bronnen tegelijk wordt verstrekt. De lidstaten moeten elk voor zich vooraf bepalen welk instrument het beste past bij de geplande projecten. Steun uit het Cohesiefonds kan worden gecombineerd met leninggaranties in het kader van de TEN-T-instrumenten.

1.1.2.   Versterking van de wisselwerking tussen milieubescherming en groei

Milieu-investeringen kunnen op drie manieren aan de economie bijdragen: ze kunnen de duurzaamheid van de economische groei op lange termijn waarborgen, ze verkleinen de externe milieukosten voor de economie (bijvoorbeeld wat betreft de volksgezondheid, sanering of herstel van schade) en ze stimuleren innovaties en nieuwe banen. Toekomstige cohesieprogramma's zouden moeten streven naar een versterking van de wisselwerking tussen milieubescherming en groei. In dit verband moet hoge prioriteit worden gegeven aan milieudiensten zoals de levering van zuiver drinkwater, infrastructuur voor afvalverwerking en afvalwaterbehandeling, het beheer van natuurlijke hulpbronnen, bodemsanering ter voorbereiding op nieuwe economische activiteiten en bescherming tegen bepaalde milieurisico's (zoals woestijnvorming, droogte, brand en overstromingen).

Om de economische baten zo hoog mogelijk en de kosten zo laag mogelijk te houden, moet voorrang worden gegeven aan de aanpak van milieuvervuiling aan de bron. Wat betreft afvalbeheer houdt dit in dat er vooral aandacht moet worden besteed aan afvalpreventie, recycling en biologische afbraak van afval, die kosteneffectiever zijn en werkgelegenheid helpen creëren.

De ontwikkelingsstrategieën zouden moeten worden gebaseerd op de evaluatie van de behoeften en specifieke omstandigheden van de regio's, waarbij zo veel mogelijk moet worden gebruikgemaakt van passende indicatoren. Externe milieukosten zouden eigenlijk standaard in programma's moeten worden verwerkt en er zou steun moeten worden verleend voor de opzet en ontwikkeling van marktgerichte instrumenten (zie bijvoorbeeld de instrumenten die zijn voorgesteld in het kader van het Europees Actieplan voor Milieutechnologie (ETAP). In dit verband wordt gewezen op het initiatief Wereldwijde monitoring van milieu en veiligheid, dat vanaf 2008 voor heel Europa actuele informatie zal verschaffen over bodembedekking/landgebruik en oceaaneigenschappen, alsook incidentkaarten in het geval van rampen en ongevallen.

De aanbevolen richtsnoeren voor maatregelen luiden als volgt:

Aanpak van de grote behoeften aan investeringen in infrastructuur, met name in de convergentieregio's en vooral in de nieuwe lidstaten, om te voldoen aan de milieuwetgeving op het gebied van water, afval, lucht, natuur- en soortenbescherming en biodiversiteit.

Zorgen voor aantrekkelijke voorwaarden voor bedrijven en hoogopgeleid personeel, door middel van ruimtelijke ordening waarmee stedelijke wildgroei wordt verminderd en door de fysieke omgeving, met inbegrip van de ontwikkeling van natuurlijk en cultureel erfgoed, in stand te houden. Investeringen op dit gebied zouden duidelijk moeten worden gekoppeld aan de ontwikkeling van innovatieve, werkgelegenheid genererende bedrijven in de betrokken gebieden.

Bevordering van investeringen die bijdragen aan de verbintenissen die de EU is aangegaan met betrekking tot Kyoto, naast de investeringen in duurzame energie en duurzaam vervoer die onder andere maatregelen vallen.

Risicopreventiemaatregelen door middel van beter beheer van natuurlijke hulpbronnen, gerichter onderzoek en beter gebruik van ICT en innovatiever overheidsbeheer, waaronder bijvoorbeeld preventieve controle.

Wanneer lidstaten steun ontvangen uit zowel het Cohesiefonds als de Structuurfondsen, moet in de programma's duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de maatregelen die uit elk fonds worden gefinancierd.

1.1.3.   Aanpak van het grote verbruik van traditionele energiebronnen

Een verwante prioriteit is de noodzaak om het gebruik van energie uit traditionele bronnen te verlagen door verbetering van het energierendement en duurzame energie. Investeringen op deze terreinen dragen bij aan de continuïteit van de energievoorziening voor groei op lange termijn en vormt tevens een bron van innovatie, die exportmogelijkheden biedt, en zijn kosteneffectief, vooral als de energieprijzen hoog blijven.

Ook investeringen in traditionele energie zijn noodzakelijk, om ervoor te zorgen dat de continuïteit van de energievoorziening is gewaarborgd. Wanneer er sprake is van een falende markt en wanneer de maatregelen niet in strijd zijn met de liberalisering van de markt, zouden de fondsen zich moeten richten op de voltooiing van de onderlinge verbindingen, vooral met betrekking tot de trans-Europese netwerken, de verbetering van het elektriciteitsnet en de voltooiing en verbetering van de gasleidingen en –distributienetwerken, zo nodig ook in insulaire en perifere regio's.

De richtsnoeren voor maatregelen luiden als volgt:

Ondersteuning van projecten ter verbetering van het energierendement, bijvoorbeeld van gebouwen, en verspreiding van ontwikkelingsmodellen die uitgaan van een laag energieverbruik.

Steun voor de ontwikkeling en het gebruik van hernieuwbare energie en alternatieve technologieën (wind, zon, biomassa), ook voor verwarming en koeling, waarin de EU een leidende rol kan spelen en haar concurrentiepositie kan versterken. Dergelijke investeringen dragen ook bij aan de Lissabondoelstelling om in 2010 21 % van de gebruikte energie uit hernieuwbare bronnen te winnen.

Concentratie van de investeringen in traditionele energiebronnen op de ontwikkeling van netwerken waar sprake is van een falende markt, vooral in de convergentieregio's.

1.2.   Richtsnoer: Meer kennis en innovatie voor groei

De doelstellingen van de Gemeenschap met betrekking tot groei en werkgelegenheid vereisten een economische verschuiving naar op kennis gebaseerde activiteiten. Hiervoor is actie op vele terreinen nodig: aanpak van de lage uitgaven aan onderzoek en technologische ontwikkeling (OTO), met name in de particuliere sector; bevordering van innovatie door middel van nieuwe of verbeterde producten, processen en diensten, die de internationale concurrentie aankunnen; vergroting van de regionale en lokale capaciteit om nieuwe technologieën (met name ICT) te genereren en op te nemen, en meer durfkapitaal.

De OTO-uitgaven als percentage van het BBP zijn toegenomen, maar slechts marginaal; ze bedragen nu 1,9 % van het BBP, wat nog ver onder de Lissabondoelstelling van 3 % is (6). De investeringen van het bedrijfsleven in OTO blijven aanzienlijk achter, maar er zijn tekenen dat ook de overheidsinvesteringen op dit vlak onder druk komen te staan. De kloof in OTO en innovatie binnen en tussen landen, met name wat betreft de uitgaven van het bedrijfsleven aan OTO, is veel groter dan de kloof in inkomen. Hoewel zowel nationale als communautaire initiatieven zijn ondernomen, moet meer worden gedaan om de behoeften van het bedrijfsleven in overeenstemming te brengen met het aanbod vanuit publieke en particuliere OTO-instellingen. De innovatiekloof tussen Europa en andere leidende economieën wordt breder. Ook binnen Europa blijft de kloof bestaan, omdat de EU er te vaak niet in slaagt kennis en technologische ontwikkeling om te zetten in commerciële producten en processen. Het cohesiebeleid kan helpen de grote problemen achter de slechte Europese prestaties op innovatiegebied aan te pakken, waaronder ondoelmatige innovatiesystemen, onvoldoende dynamisch ondernemerschap en trage toepassing van ICT in het bedrijfsleven.

In dit verband is het noodzakelijk de nationale en regionale OTO-capaciteit te vergroten, investeringen in ICT-infrastructuur te ondersteunen en technologie en kennis te verspreiden door middel van passende mechanismen voor technologieoverdracht en kennisuitwisseling. Bewustmaking om een betere benutting van het bestaande OTO-potentieel te bevorderen, zou kunnen worden aangemoedigd door op regionaal niveau vooruit te plannen en andere methoden voor regionale strategische planning, waaronder regelmatig en systematisch overleg met de belangrijkste betrokkenen. Ook moet de OTO-absorptiecapaciteit van het bedrijfsleven, met name van het mkb, worden vergroot door maatregelen om vaardigheden en competenties te ontwikkelen, moet Europees onderzoekstalent van grote kwaliteit bij elkaar worden gebracht en worden ingezet, moeten de particuliere en private investeringen in OTO en innovatie worden verhoogd en moeten OTO-partnerschappen tussen verschillende regio's van de EU worden aangemoedigd. Europese technologieplatforms bijvoorbeeld bieden de mogelijkheid onderzoekprogramma's beter toe te snijden op de behoeften van het bedrijfsleven; het cohesiebeleid kan een belangrijke rol spelen in de ondersteuning van de implementatie van hun strategische onderzoeksagenda's in de hele Unie, ook in minder ontwikkelde regio's.

Rechtstreekse subsidies blijven belangrijk, met name in convergentieregio's, maar er moet ook aandacht worden besteed aan collectieve zakelijke en technologische voorzieningen voor groepen bedrijven om hun activiteiten met betrekking tot innovatie te verbeteren. Rechtstreekse subsidies aan individuele bedrijven moeten gericht zijn op het vergroten van de OTO- en innovatiecapaciteit van het bedrijf, en niet op een tijdelijke verlaging van de productiekosten die grote deadweighteffecten hebben. Dit is met name van belang in traditionele sectoren, vooral de sectoren die mondiaal moeten concurreren, waar aanvullende inspanningen noodzakelijk zijn om een goede concurrentiepositie te kunnen behouden, en het mkb, dat vaak de grootste bron van werkgelegenheid op regionaal niveau vormt. Het is vooral belangrijk dat deze beleidslijnen aan de specifieke omstandigheden van elke regio, en vooral aan de behoeften van het mkb, worden aangepast. Nationale, regionale en lokale strategieën moeten worden gebaseerd op een grondige analyse van de mogelijkheden voor OTO-investeringen.

Kennis en innovatie vormen het hart van de inspanningen van de Gemeenschap om snellere groei en meer werkgelegenheid tot stand te brengen. Op Gemeenschapsniveau worden twee verwante kaderprogramma's voorgesteld: het Zevende Kaderprogramma voor OTO en het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (CIP). De wisselwerking tussen het cohesiebeleid en deze instrumenten is cruciaal zodat het onderzoeks- en cohesiebeleid elkaar op regionaal niveau versterken, en in de nationale en regionale ontwikkelingsstrategieën moet worden beschreven hoe dit zal worden bewerkstelligd. Het cohesiebeleid kan alle regio's helpen onderzoeks- en innovatiecapaciteit op te bouwen, waarmee wordt bijgedragen aan de effectieve participatie van die regio's in de Europese onderzoeksruimte en de onderzoeks- en innovatieactiviteiten van de Gemeenschap in het algemeen. Het cohesiebeleid moet met name op twee gebieden een belangrijke rol vervullen. Ten eerste moeten de regio's worden geholpen bij de implementatie van regionale innovatiestrategieën en actieplannen die van grote invloed kunnen zijn op het concurrentievermogen, zowel op regionaal als op Europees niveau; ten tweede moet de onderzoeks- en innovatiecapaciteit in de regio worden vergroot tot een niveau waarop de regio kan deelnemen aan internationale onderzoeksprojecten.

Regionale strategieën zouden zich daarom moeten concentreren op investeringen in OTO, innovatie en ondernemerschap, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat deze investeringen aansluiten op de economische ontwikkelingsbehoeften van de regio en dat de capaciteit aanwezig is om onderzoek om te zetten in verkoopbare producten, processen en diensten, dat technologieoverdracht en kennisuitwisseling plaatsvinden, dat ICT binnen het bedrijfsleven wordt ontwikkeld, verspreid en toegepast en dat ondernemingen die bereid zijn te investeren in goederen en diensten met een grote toegevoegde waarde toegang hebben tot financiering. Dergelijke strategieën moeten speciaal voorzien in experimenten, teneinde de capaciteit van beleidsmaatregelen en intermediaire organisaties om regionale en lokale actoren, met name het mkb, aan te zetten tot innoveren, te vergroten.

1.2.1.   Meer en gerichter investeren in OTO

Het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven hangt voor een groot deel af van de mate waarin ondernemingen in staat zijn nieuwe kennis zo snel mogelijk commercieel toe te passen. Overheidssteun voor OTO kan gerechtvaardigd zijn bij geconstateerde tekortkomingen op de markt en door het publieke karakter van sommige OTO-investeringen. Daarnaast is overheidssteun voor OTO gerechtvaardigd in verband met de vraag wie eigenaar is van de onderzoeksresultaten en vanwege de noodzaak om een kritische massa te bereiken op bepaalde onderzoeksgebieden.

De specifieke aard van OTO moet in overweging worden genomen bij de implementatie van regionaal beleid. OTO vereist met name nauwe samenwerking tussen de betrokkenen om ervoor te zorgen dat expertisecentra tot stand komen, die nodig zijn voor het bereiken van een kritische massa. Geografische nabijheid door middel van mkb-clusters en innovatiecentra rond publieke onderzoeksinstellingen bijvoorbeeld kan hierin een centrale rol spelen. OTO-activiteiten moeten daarom in ruimtelijke zin worden geconcentreerd terwijl tegelijkertijd de absorptiecapaciteit van extensieve OTO-gebieden wordt vergroot.

In de minder ontwikkelde lidstaten en regio's moet OTO worden ontwikkeld met behulp van bestaande expertisecentra en moet worden voorkomen dat de middelen te zeer versnipperd raken. Ook hier kunnen de Europese technologieplatforms helpen bij het gerichter investeren in prioritaire onderzoeksgebieden. Investeringen moeten ook een aanvulling vormen op de Europese prioriteiten zoals beschreven in het Zevende Kaderprogramma en bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de hernieuwde Lissabonagenda. Prioriteit moet worden gegeven aan de ontwikkeling van nieuwe, commercieel interessante producten, diensten en vaardigheden.

OTO-maatregelen moeten ook worden afgestemd op het gemeenschappelijk OTO-beleid en de behoeften van de betrokken regio's. Qua methode moet bij OTO-maatregelen worden uitgegaan van een degelijke analytische aanpak (zoals vooruitplannen), indicatoren (bijvoorbeeld octrooien), OTO-personeel, de locatie van particuliere en publieke onderzoeksinstellingen en het bestaan van clusters van innovatieve bedrijven.

De richtsnoeren voor OTO-maatregelen luiden als volgt:

Versterking van de samenwerking tussen bedrijven en tussen het bedrijfsleven en publieke onderzoeksinstellingen/instellingen voor tertiair onderwijs, bijvoorbeeld door de opzet van regionale en transregionale expertisecentra te ondersteunen.

Ondersteuning van OTO-activiteiten in het mkb en overdracht van technologieën (waardoor het mkb toegang krijgt tot OTO-diensten van publieke onderzoeksinstellingen).

Steun voor regionale grensoverschrijdende en transnationale initiatieven die gericht zijn op de versterking van de samenwerking op onderzoeksgebied en capaciteitsopbouw op prioritaire gebieden van het gemeenschappelijk onderzoeksbeleid.

Meer capaciteitsopbouw op het gebied van O&O, waaronder ICT, onderzoeksinfrastructuur en menselijk kapitaal, op gebieden waar veel groeimogelijkheden zijn.

De programma's — met name voor regio's die voor steun in aanmerking komen uit hoofde van de convergentiedoelstelling — kunnen worden gebruikt voor het ontwikkelen van OTO-infrastructuur (waaronder regionale snelle datanetwerken tussen en binnen onderzoeksinstellingen), onderwijsinfrastructuur (in regio's die voor steun in aanmerking komen uit hoofde van de convergentiedoelstelling), apparatuur en instrumenten voor zowel publieke onderzoeksinstellingen als bedrijven, mits deze investeringen rechtstreeks gekoppeld zijn aan regionale economische ontwikkelingsdoelstellingen. Dit kan onderzoeksinfrastructuur omvatten waarvoor haalbaarheidsstudies zijn gefinancierd uit hoofde van eerdere kaderprogramma's. Met steun voor prioriteiten uit het Zevende Kaderprogramma moet ernaar worden gestreefd het potentieel van nieuwe en bestaande expertisecentra optimaal te benutten en de investeringen in menselijk kapitaal te vergroten, met name door onderzoekers op nationaal niveau op te leiden en door een aantrekkelijk klimaat te scheppen om in het buitenland geschoolde onderzoekers aan te trekken.

1.2.2.   Bevordering van innovatie en ondernemerschap

Innovatie is het resultaat van complexe en interactieve processen, waaronder het vermogen van bedrijven om aanvullende middelen van andere marktpartijen, organisaties en instellingen aan elkaar te koppelen.

Investeringen in innovatie vormen zowel in het kader van het programma Convergentie als in dat van het programma Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid een overkoepelende prioriteit voor het cohesiebeleid. De cofinanciering daarvan zou een belangrijke prioriteit moeten zijn in de regio's waarop dit laatste van toepassing is. De beperkte financiële middelen moeten worden geconcentreerd zodat een kritische massa en een hefboomeffect kunnen worden bewerkstelligd.

De belangrijkste doelstelling is het bevorderen van een ondernemingsklimaat waarin de verwerving, verspreiding en toepassing van nieuwe kennis door bedrijven worden gestimuleerd. Om efficiënte regionale innovatiesystemen tot stand te brengen, moeten economische, sociale en politieke betrokkenen in contact worden gebracht met partijen die, meer dan slechts op lokaal of nationaal niveau, op technologisch en ondernemersvlak tot de wereldtop behoren. In dit verband moet ook samenwerking worden gezocht met de Innovation Relay Centers en de Euro Info Centers, die in het kader van het CIP-programma worden gefinancierd, met name wat betreft internationale technologieoverdracht en verspreiding van informatie.

Startende ondernemingen, met name in de OTO-sector, moeten worden gestimuleerd om te gaan samenwerken met onderzoeksinstellingen, uitgaande van een marktgerichte langetermijnvisie. Het cohesiebeleid zou ernaar moeten streven een falende markt, die innovatie en ondernemerschap belemmert, te compenseren. De maatregelen moeten voortbouwen op bestaande activiteitencentra om het regionale OTO-potentieel te benutten en netwerken en technologische samenwerking tussen en binnen regio's bevorderen.

De overheid moet ervoor zorgen dat onderzoeksinstellingen, de particuliere sector en de publieke sector de mogelijkheden tot wisselwerking optimaal benutten.

Qua methode zouden de strategieën voor economische ontwikkeling kunnen worden verbeterd door gegevens te verzamelen over bestaande innovatieactiviteiten in de betrokken regio's, bijvoorbeeld over particuliere octrooien of over de aard, de toepassing en het ontwikkelingspotentieel van bestaande clusters van innovatieactiviteiten, waaronder de activiteiten waarbij zowel particuliere als publieke onderzoeksinstellingen zijn betrokken. De communautaire innovatie-enquêtes en het Europese Innovatiescorebord kunnen ook nuttig zijn in dit verband.

De richtsnoeren voor maatregelen luiden als volgt:

Ervoor zorgen dat OTO-innovaties en onderwijs efficiënter worden en toegankelijk voor het bedrijfsleven, met name het mkb, bijvoorbeeld door de opzet van expertisecentra, waarbij hoogtechnologische kleine en middelgrote ondernemingen in contact worden gebracht met onderzoeksinstellingen en technologische instituten, of door regionale clusters op te zetten en te ontwikkelen rondom grote bedrijven.

Zakelijke ondersteuning bieden om bedrijven, met name het mkb, in staat te stellen hun concurrentievermogen te vergroten en te internationaliseren, met name door de mogelijkheden van de interne markt te benutten. Bij deze zakelijke dienstverlening moet voorrang worden gegeven aan het benutten van wisselwerkingen (bijvoorbeeld met betrekking tot technologieoverdracht, wetenschapsparken, ICT-centra, kweekkamers en aanverwante diensten, samenwerking met clusters) en meer traditionele steun op het gebied van beheer, marketing, technische ondersteuning, aanwerving en andere beroepsmatige en commerciële diensten.

Ervoor zorgen dat de Europese kracht op het gebied van ecologische innovaties optimaal wordt benut. Ecologische innovaties moeten worden gestimuleerd, evenals de verbetering van de praktijken van het mkb door middel van de invoering van systemen voor milieubeheer. Door nu op dit terrein te investeren zullen Europese bedrijven in de toekomst een sterke positie innemen wanneer andere regio's de noodzaak van dergelijke technologieën zullen beseffen. Dit terrein hangt sterk samen met het Kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie.

Het ondernemerschap bevorderen, de opzet en ontwikkeling van nieuwe bedrijven gemakkelijker maken en spin-out- en spin-offondernemingen uit onderzoeksinstellingen of bedrijven op allerlei manieren gemakkelijker maken (bijvoorbeeld voorlichting, prototypen, begeleiding van toekomstige ondernemers en ondersteuning op het gebied van management en technologie).

Het is belangrijk ervoor te zorgen dat ondernemingen, ook het mkb, onderzoeksresultaten commercieel kunnen aanwenden.

Zakelijke diensten moeten bij voorkeur worden verleend door de particuliere sector of door gemengd publiek-private organisaties. De diensten moeten van de allerhoogste kwaliteit zijn, gemakkelijk beschikbaar en toegankelijk en inspelen op de behoeften van het mkb. De kwaliteit van de diensten zou moeten worden vastgesteld en gecontroleerd en er zou samenhang moeten bestaan tussen de dienstverleners, bijvoorbeeld door het opzetten van publiek-private samenwerking en centrale loketten.

Vaak zijn de administratieve procedures te ingewikkeld. Informatie en eerste steun zouden beschikbaar moeten zijn via een netwerk van centrale loketten, die de verbinding zouden kunnen vormen tussen de overheid en de subsidieaanvrager, onder meer voor de verschillende maatregelen die in het kader van het cohesiebeleid worden gecofinancierd. Deze centrale loketten zouden bevoegd moeten zijn voor alle vormen van staatssteun, onafhankelijk van nationale of regionale bevoegdheden; er zouden prestatiedoelen moeten worden geformuleerd die regelmatig worden gecontroleerd.

Telkens wanneer de omstandigheden het toelaten zou steun op maat beschikbaar moeten zijn voor specifieke categorieën ondernemingen (bijvoorbeeld startende ondernemingen of pas verhuisde bedrijven) of ondernemers (bijvoorbeeld jongeren, vrouwen, ouderen of etnische minderheden). Ook op scholen zou les in ondernemerschap moeten worden aangemoedigd.

1.2.3.   Bevordering van de informatiemaatschappij voor iedereen

Dankzij de toepassing van ICT in de hele Europese economie zouden zowel de productiviteit als het concurrentievermogen in de regio's kunnen toenemen. De verspreiding van ICT vormt ook een stimulans voor de reorganisatie van de productiemethoden en de opkomst van nieuwe ondernemingen en nieuwe vormen van particuliere dienstverlening. Efficiënte en effectieve dienstverlening door de overheid — met name e-bestuur en e-gezondheidszorg — kan leiden tot aanzienlijke economische groei en nieuwe diensten. De verspreiding van technologie kan bijdragen aan regionale ontwikkeling door de opzet en groei van expertisecentra voor ICT-activiteiten en de ontwikkeling van aansluitingen en netwerken tussen ondernemingen in het algemeen en het mkb in het bijzonder. De maatregelen zouden de ontwikkeling van producten en diensten moeten aanmoedigen die de particuliere investeringen in ICT vergemakkelijken en stimuleren terwijl tegelijkertijd de concurrentie in de ICT-sector wordt gewaarborgd.

De beleidsmaatregelen zouden zich daarom moeten concentreren op connectiviteit. Dit omvat het verbeteren van de diensten ter ondersteuning van de innovatieactiviteiten van het mkb, in het bijzonder het stimuleren van de technologieoverdracht tussen onderzoeksinstellingen en bedrijven. Het vereist ook de ontwikkeling van de vaardigheden die nodig zijn in de kenniseconomie, en van onlinetoepassingen en -diensten (met betrekking tot de overheid, het bedrijfsleven, het onderwijs en de gezondheidszorg) die interessante alternatieven bieden voor andere, vaak duurdere, vormen van dienstverlening. Dit is met name relevant voor verafgelegen, dunbevolkte gebieden, alsook voor perifere regio's, eilanden en gebieden met natuurlijke handicaps. De toepassing en ontwikkeling van dergelijke producten en diensten kan natuurlijk alleen werken als de juiste infrastructuur aanwezig is en kan gebruikmaken van breedbanddiensten. Daarom is het van belang dat overal in de EU goede breedbandcommunicatie-infrastructuur beschikbaar is tegen een redelijke prijs.

In het algemeen zou bij investeringen in ICT-infrastructuur ook rekening moeten worden gehouden met de snelle technologische ontwikkelingen en de beginselen van technologische neutraliteit en vrije toegang moeten worden geëerbiedigd. Het is cruciaal dat wordt voldaan aan de mededingingsregels en dat de regelgeving inzake elektronische communicatie ten uitvoer wordt gelegd.

De maatregelen moeten worden gebaseerd op contextindicatoren met betrekking tot de bestaande economische structuur (waaronder industriële specialisatie, mate van economische ontwikkeling, kwaliteit van de ICT-aansluitingen en potentiële samenwerking tussen de regionale polen van economische activiteit). Bij de vaststelling van de regionale behoeften zou ook rekening moeten worden gehouden met de bestaande communautaire initiatieven op het gebied van ICT, met name i2010 — een Europese informatiemaatschappij voor groei en werkgelegenheid (7).

Omdat ICT te maken heeft met alle sectoren van de economie en de maatschappij moeten de lidstaten en de regio's strategieën voor de informatiemaatschappij ontwikkelen die op elkaar aansluiten en waarmee samenhang en integratie tussen de sectoren worden gegarandeerd, door vraag en aanbod op elkaar af te stemmen op basis van de lokale behoeften, de participatie van de betrokkenen en duidelijke politieke steun.

De richtsnoeren voor maatregelen luiden als volgt:

Ervoor zorgen dat ICT wordt toegepast door bedrijven en particulieren en de ontwikkeling ervan bevorderen door evenwichtige steun voor vraag en aanbod van ICT-producten en zowel publieke als particuliere diensten en door meer investeringen in menselijk kapitaal. Deze maatregelen zouden moeten leiden tot meer productiviteit, een open digitale economie met een goede concurrentiepositie en een samenleving waarin plaats is voor iedereen (bijvoorbeeld door betere toegang voor gehandicapten en ouderen), waardoor groei en werkgelegenheid toenemen.

Ervoor zorgen dat ICT-infrastructuur en aanverwante diensten beschikbaar zijn wanneer de markt er niet in slaagt deze infrastructuur te verschaffen tegen redelijke kosten of op het niveau dat noodzakelijk is voor de noodzakelijke dienstverlening, met name in afgelegen en plattelandsgebieden en in de nieuwe lidstaten.

1.2.4.   Betere toegang tot financiering

Een ander belangrijk middel om kennis en innovatie te stimuleren is het vergemakkelijken van de toegang tot financiering. Om groei en werkgelegenheid te stimuleren, moet het voor ondernemers en ondernemingen voldoende interessant worden gemaakt om te investeren in de ontwikkeling en productie van goederen en diensten in plaats van zich bijvoorbeeld te concentreren op speculatieactiviteiten.

De toegang tot financiering is vaak moeilijk, wat een obstakel vormt voor groei en werkgelegenheid. De toegang tot kapitaal voor OTO-activiteiten en voor startende ondernemingen moet verbeterd worden. Risicokapitaalmarkten in verband met innovatie moeten worden ontwikkeld in combinatie met betere regelgeving waardoor het ondernemerschap wordt vergemakkelijkt.

Deze programma's zouden kunnen worden uitgevoerd in nauwe samenwerking met het Europese Investeringsfonds (EIF) in het kader van het JEREMIE-initiatief om financiële middelen vrij te maken voor terreinen waar het ondernemerschap wordt belemmerd door tekortkomingen van de markt als gevolg van de hoge risico's die worden geassocieerd met OTO-activiteiten. Er moet ook rekening worden gehouden met het effect van staatssteun voor de opzet van ondernemingen om de verdringing van particuliere investeringen en concurrentieverstorende maatregelen te voorkomen. De coördinatie tussen de fondsen moet eveneens worden verbeterd.

Particuliere aandelen, risicodragend kapitaal en roterende fondsen voor innovatieve startende ondernemingen zouden als motor moeten fungeren voor ondernemerschap, innovatie en werkgelegenheid; instellingen in de publieke sector zijn niet altijd goed toegerust om risico's te nemen. Er moet vooral worden gewerkt aan de opzet of uitbreiding van gespecialiseerde aanbieders van risicokapitaal en bankgaranties voor situaties waarin de markt tekortschiet. Deze zullen doorgaans meer effect sorteren wanneer zij een geïntegreerd steunpakket aanbieden, te beginnen met opleiding voorafgaand aan de opzet of uitbreiding van een bedrijf.

Uitgaande van het bovenstaande luiden de richtsnoeren voor maatregelen als volgt:

Steun voor instrumenten anders dan subsidies, bijvoorbeeld leningen, financieringsgaranties voor achtergestelde leningen, convertibele instrumenten (mezzanine debt) en risicokapitaal (bijvoorbeeld zaai- en risicodragend kapitaal). Subsidies moeten worden gebruikt om infrastructuur op te bouwen en te onderhouden waarmee de toegang tot financiering gemakkelijker wordt (bijvoorbeeld centra voor technologieoverdracht, kweekkamers, netwerken van „business angels”, programma's ter vergroting van de investeringsbereidheid). Er kan ook steun worden verleend voor garanties en wederzijdse garantiemechanismen om de toegang tot microkredieten voor het mkb te vergemakkelijken. De EIB en het EIF zouden in dit verband een waardevolle bijdrage kunnen leveren.

Ontwikkeling van een geïntegreerde aanpak die tegelijk innovatie, de overdracht ervan naar nieuwe commerciële activiteiten en de beschikbaarheid van risicokapitaal ondersteunt.

Programma's voor bepaalde specifieke groepen, zoals jonge of vrouwelijke ondernemers of kansarme groepen.

Vanwege de deskundigheid die het EIF in de loop der tijd heeft opgebouwd, is het met name van belang nauw samen te werken met het EIF, zodat de nodige steun kan worden verleend aan het mkb en tegelijkertijd de Europese markt voor risicokapitaal wordt ontwikkeld. Hiervoor kan het JEREMIE-initiatief worden ingeschakeld.

1.3.   Richtsnoer: Meer en betere banen

Bij de nieuwe start van de Lissabonstrategie hechtte de Raad zijn goedkeuring aan één pakket richtsnoeren waarin de globale richtsnoeren voor het economische beleid (8) worden gecombineerd met de Werkgelegenheidsrichtsnoeren; aldus werden de beleidslijnen op macro-economisch en micro-economisch vlak en op het gebied van werkgelegenheid samengebracht. Overeenkomstig de verordeningen voor de fondsen (9) zijn de prioriteiten van de communautaire strategische richtsnoeren met betrekking tot werkgelegenheid en menselijke hulpbronnen dezelfde als die van de Europese werkgelegenheidsstrategie (10), aangevuld met de Europese aanbevelingen inzake werkgelegenheid, die landspecifieke prioriteiten bevatten.

Het streven naar volledige werkgelegenheid en een hogere productiviteit hangt samen met een breed pakket maatregelen, waaronder de maatregelen die hiervoor werden beschreven. Investeringen in infrastructuur, ontwikkeling van het bedrijfsleven en onderzoek leiden tot meer werkgelegenheid, zowel rechtstreeks op korte termijn als op langere termijn als gevolg van het toegenomen concurrentievermogen. Om zoveel mogelijk werkgelegenheid en hoogwaardige vaste banen te genereren uit deze investeringen, moet het menselijk kapitaal verder worden ontwikkeld en bevorderd.

In dit verband worden in de Werkgelegenheidsrichtsnoeren drie prioriteiten genoemd voor het beleid van de lidstaten:

meer mensen op de arbeidsmarkt krijgen en houden en de socialezekerheidsstelsels moderniseren;

vergroting van het aanpassingsvermogen van werknemers en bedrijven en van de flexibiliteit van de arbeidsmarkten;

meer investeringen in menselijk kapitaal door middel van beter onderwijs en betere vaardigheden.

Naast deze prioriteiten moet voldoende aandacht worden besteed aan investeringen ter verbetering van de efficiëntie van het openbare bestuur, alsmede investeringen in onderwijs, sociale voorzieningen, gezondheidszorg en cultuur.

Het cohesiebeleid moet zich richten op de specifieke problemen met betrekking tot de Europese werkgelegenheidsstrategie in iedere lidstaat, door maatregelen te ondersteunen in het kader van de doelstellingen op het gebied van „convergentie” en „regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid”, rekening houdend met de inhoud van de in het wetgevingskader vastgestelde activiteiten. Voor de eerste doelstelling zijn meer instrumenten en financiële middelen beschikbaar. Voor de tweede doelstelling moeten de communautaire middelen beter worden geconcentreerd om een aanzienlijk effect te sorteren.

In programma's voor de ontwikkeling van werkgelegenheid en het arbeidspotentieel moet ook rekening worden gehouden met de specifieke nationale problemen en prioriteiten, zoals beschreven in de aanbevelingen inzake werkgelegenheid en de nationale hervormingsprogramma's. De op nationaal of regionaal niveau beheerde programma's moeten de regionale verschillen effectief aanpakken en worden afgestemd op de behoeften in verschillende gebieden.

Ten slotte was een van de meest zichtbare aspecten van de Europese meerwaarde in de periode 2000-2006 van de Structuurfondsen de steun aan lidstaten en regio's om ervaringen uit te wisselen en netwerken op te zetten, en aldus de innovatie te bevorderen. In dit verband moet uit de via het communautaire initiatief EQUAL opgedane ervaring munt worden geslagen door de beginselen waarop het was gebaseerd — innovatie, transnationaliteit, partnerschap en gendermainstreaming — over te nemen.

1.3.1.   Meer mensen op de arbeidsmarkt krijgen en houden en de socialezekerheidsstelsels moderniseren

Het verbreden van de basis van de economische activiteit, het vergroten van de werkgelegenheid en het terugdringen van de werkloosheid zijn cruciaal voor economische groei, samenlevingen waarin plaats is voor iedereen en de bestrijding van armoede. Het vergroten van de arbeidsparticipatie is des te noodzakelijker gezien de verwachte daling van de beroepsbevolking. In het kader van de Werkgelegenheidsrichtsnoeren luiden de richtsnoeren voor maatregelen als volgt:

Werkgelegenheidsbeleid ten uitvoer leggen dat gericht is op het bereiken van volledige werkgelegenheid, het verbeteren van de kwaliteit van werk en de arbeidsproductiviteit, en het versterken van sociale en territoriale samenhang.

Een „levenscyclusaanpak” stimuleren met betrekking tot werk.

Arbeidsmarkten toegankelijker, werken aantrekkelijker en arbeid lonend maken voor werkzoekenden, inclusief mensen met een achterstandspositie en inactieven.

Vraag en aanbod op de arbeidsmarkt beter op elkaar afstemmen.

Maatregelen moeten uitgaan van eerdere behoefteanalysen, bijvoorbeeld door het gebruik van relevante nationale en/of regionale indicatoren zoals de werkloosheids- en participatiepercentages, het percentage langdurig werklozen, het percentage mensen dat het risico loopt in armoede te vervallen en het inkomensniveau. Er moet aandacht worden besteed aan het lokale niveau, waar acute verschillen mogelijk niet terug te vinden zijn in de regionale statistieken.

Om goede dienstverlening voor werkzoekenden, werklozen en kansarmen te garanderen, zijn efficiënte en effectieve arbeidsmarktorganisaties nodig, met name arbeidsbureaus die kunnen inspelen op de gevolgen van snelle economische en sociale veranderingen en de vergrijzing; dergelijke organisaties kunnen steun ontvangen uit de Structuurfondsen. Die organisaties spelen een centrale rol bij de tenuitvoerlegging van een actief arbeidsmarktbeleid en individuele dienstverlening, met het oog op de vergroting van de beroeps- en geografische mobiliteit en het op elkaar afstemmen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, onder meer op lokaal niveau. Zij moeten anticiperen op tekorten en knelpunten op de arbeidsmarkt en op de behoeften aan kennis en vaardigheden. Als gevolg daarvan zou ook de economische migratie beter worden beheerd. De diensten moeten toegankelijk en transparant zijn. Het EURES-netwerk speelt een centrale rol in het vergroten van de beroeps- en geografische mobiliteit, zowel op Europees als op nationaal niveau (11).

Er moet veel aandacht worden besteed aan de versterking van actieve en preventieve arbeidsmarktmaatregelen waardoor werkzoekenden, werklozen en niet-actieven, oudere werknemers en mensen die het risico lopen werkloos te worden de obstakels kunnen overwinnen voor het vinden of behouden van een baan, met speciale aandacht voor laaggeschoolden. De maatregelen moeten zich concentreren op dienstverlening op maat, waaronder hulp bij het zoeken van een baan, opleiding en arbeidsbemiddeling teneinde de vaardigheden van werkzoekenden en werknemers af te stemmen op de behoeften van de lokale arbeidsmarkten. Hierbij moet rekening worden gehouden met de mogelijkheden om zelfstandig ondernemer te worden en een bedrijf op te zetten, ICT-vaardigheden en computervaardigheden. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan:

de implementatie van het Europees pact voor de jeugd door werk beter toegankelijk te maken voor jongeren, door de overgang van school naar werk gemakkelijker te maken, onder meer door middel van beroepskeuzevoorlichting, hulp bij het voltooien van een opleiding en toegang tot passende opleiding en stages;

de implementatie van het Europees pact voor gendergelijkheid door mainstreaming en specifieke maatregelen om de arbeidsparticipatie van vrouwen te vergroten, beroepssegregatie en genderstereotypen te verminderen, salarisverschillen tussen vrouwen en mannen te verkleinen, een gezinsvriendelijke werkomgeving bevorderen en het gemakkelijker te maken om werk en privéleven te combineren. Kinderopvang en zorg voor hulpbehoevende familieleden is cruciaal, alsmede horizontale integratie van gelijke kansen voor vrouwen en mannen in beleid en maatregelen, voorlichting en dialoog tussen de belanghebbenden;

specifieke maatregelen om de toegang van migranten tot de arbeidsmarkt te vergroten en hun maatschappelijke integratie te bevorderen, door middel van opleiding en de erkenning van in het buitenland verworven kwalificaties, persoonlijke begeleiding, taalonderwijs, steun bij het opzetten van een bedrijf, voorlichting aan werkgevers en migranten over hun rechten en verplichtingen en betere naleving van de antidiscriminatieregels.

Een andere belangrijke prioriteit is ervoor te zorgen dat de arbeidsmarkt ook toegankelijk is voor kansarmen of mensen die het risico lopen buiten de boot te vallen, zoals vroegtijdige schoolverlaters, langdurig werklozen, minderheden en gehandicapten. Hiervoor is een nog breder scala aan maatregelen nodig om integratie te bevorderen en discriminatie te bestrijden. Het doel moet zijn:

hun inzetbaarheid op de arbeidsmarkt vergroten door deelname aan het beroepsonderwijs en -opleiding te stimuleren, reïntegratie en passende premies en werkafspraken, alsmede de noodzakelijke maatschappelijke dienstverlening en zorg, onder meer door de ontwikkeling van de sociale economie;

discriminatie tegengaan en ervoor zorgen dat diversiteit op de werkplek beter wordt geaccepteerd door middel van training en voorlichting, waarbij de lokale gemeenschappen en ondernemingen ten volle moeten worden betrokken.

1.3.2.   Verbetering van het aanpassingsvermogen van werknemers en bedrijven en van de flexibiliteit van de arbeidsmarkt

In het licht van de toenemende druk van de mondialisering, met inbegrip van plotselinge en onverwachte handelsschokken, en de doorlopende invoering van nieuwe technologieën moet Europa zijn vermogen versterken om economische en sociale wijzigingen te voorzien, te initiëren en te absorberen. In het kader van de Werkgelegenheidsrichtsnoeren luiden de richtsnoeren voor maatregelen als volgt:

Bevordering van de flexibiliteit gecombineerd met zekerheid van de werkgelegenheid en terugdringen van de compartimentering van de arbeidsmarkt, rekening houdend met de rol van de sociale partners.

Ervoor zorgen dat de ontwikkeling van de arbeidskosten en de loonvormingsmechanismen de werkgelegenheid niet in gevaar brengen.

Het hoofdaccent moet komen te liggen op maatregelen ter bevordering van investeringen van ondernemingen en met name het mkb in menselijke hulpbronnen en werknemers via het creëren van strategieën en systemen voor levenslang leren, waardoor werknemers en in het bijzonder laaggeschoolde en oudere arbeidskrachten de nodige vaardigheden verwerven om zich aan de kenniseconomie aan te passen en hun beroepsleven te verlengen. Er moet in het bijzonder aandacht worden besteed aan de volgende aspecten:

ontwikkeling van strategieën en systemen voor levenslang leren, met inbegrip van mechanismen zoals regionale en sectorale fondsen, teneinde bedrijfsinvesteringen en participatie van werknemers aan opleiding uit te breiden;

tenuitvoerlegging van die strategieën door bij te dragen tot de financiering van programma's en opleidingsactiviteiten. Er moet prioriteit worden verleend aan het mkb, met inbegrip van het bevorderen van de toegang tot externe bronnen van deskundigheid, financiële engineering, zoals het JEREMIE-instrument, en opleidingsinitiatieven, waarbij de nadruk ligt op ICT- en managementvaardigheden, en het versterken van de participatie van laaggeschoolde en oudere werknemers aan opleiding en bijscholing.

Een betere anticipatie op en een positief beheer van economische herstructureringen, in het bijzonder als gevolg van wijzigingen in verband met de openstelling van het handelsverkeer, zijn van bijzonder belang. Er moet worden nagedacht over de mogelijkheid van het creëren van controlesystemen met medewerking van de sociale partners, het bedrijfsleven en de plaatselijke gemeenschappen, het nauwgezet volgen van sociaaleconomische verschuivingen op nationaal, regionaal en lokaal niveau en het beoordelen van de toekomstige tendensen op het gebied van economie en de arbeidsmarkt. Er moet worden voorzien in steun voor programma's die zijn gericht op de modernisering van de arbeidsmarkten, en worden geanticipeerd op geleidelijke wijzigingen in de EU, met name in sectoren zoals landbouw, textiel, de auto-industrie en de mijnbouw; daarnaast zijn actieve maatregelen nodig om de welvaart van regio's te versterken. Er is ook een rol weggelegd voor specifieke werkgelegenheids-, opleidings- en ondersteuningsdiensten voor werknemers in het kader van bedrijfs- en sectorale herstructureringen, zoals systemen om snel op collectieve ontslagen te reageren.

Voorts dient aandacht te worden besteed aan het ontwikkelen en verspreiden van kennis van innoverende en flexibele vormen van arbeidsorganisatie teneinde te profiteren van nieuwe technologieën met inbegrip van telewerken, het verbeteren van gezondheid en veiligheid op de werkplek (bv. industriële veiligheid), het verhogen van de productiviteit en het bevorderen van een betere combinatie van arbeids- en gezinsleven. Daaronder kunnen ook maatregelen vallen om bedrijven bewust te maken van hun sociale verantwoordelijkheid en van de arbeidsrechten, initiatieven om de arbeidswetgeving na te leven en de grijze economie terug te dringen, en van middelen om zwartwerk in reguliere arbeid om te zetten.

Voor de sociale partners is een belangrijke rol weggelegd bij het uitwerken van mechanismen die de flexibiliteit van de arbeidsmarkt garanderen. Daarom moeten de lidstaten de deelname van de sociale partners aan activiteiten op dit prioritaire terrein aanmoedigen. Verder zal in het kader van de convergentiedoelstelling een passend bedrag uit de middelen van het Europees Sociaal Fonds (ESF) worden uitgetrokken voor capaciteitsopbouw, waaronder opleidingsprojecten, netwerkvorming, intensivering van de sociale dialoog en voor activiteiten die door de sociale partners gezamenlijk worden ondernomen.

1.3.3.   Versterken van investeringen in menselijk kapitaal door verbetering van onderwijs en vaardigheden

Europa moet meer investeren in menselijk kapitaal. Te veel mensen vinden geen plaats op de arbeidsmarkt of vallen na een tijd buiten de boot als gevolg van onvoldoende kwalificaties, inclusief basisvaardigheden, of omdat hun kwalificaties niet op de vraag aansluiten. Om de toegang tot werkgelegenheid voor alle leeftijdsgroepen te verbeteren en de productiviteit en kwaliteit op de werkplek te verhogen, is het nodig de investeringen in menselijk kapitaal te versterken en ten behoeve van individuen, bedrijven, de economie en de samenleving doeltreffende nationale strategieën voor levenslang leren uit te werken en te implementeren. In het kader van de Werkgelegenheidsrichtsnoeren luiden de richtsnoeren voor maatregelen als volgt:

Investeringen in menselijk kapitaal opvoeren en verbeteren.

Onderwijs- en opleidingsstelsels aanpassen aan nieuwe vaardigheidsvereisten.

De hervormingen van een arbeidsmarktgeoriënteerde opleiding teneinde meer mensen werk te verschaffen en het aanpassingsvermogen van werknemers en bedrijven te verhogen moeten hand in hand gaan met hervormingen van de onderwijs- en opleidingssystemen. Tijdens eerdere programmaperiodes hebben de Structuurfondsen substantieel geïnvesteerd in onderwijs- en opleidingssystemen. In de komende programmaperiode moeten de investeringen in menselijk kapitaal worden versterkt door de klemtoon te leggen op de Lissabondoelstellingen in overeenstemming met de geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid. De volgende algemene prioritaire doelstellingen moeten worden nagestreefd:

uitbreiding en versterking van investeringen in menselijk kapitaal, met inbegrip van het ontwikkelen van passende stimulansen en mechanismen voor kostendeling ten behoeve van bedrijven, overheidsinstanties en individuen;

steun voor coherente en omvattende strategieën voor levenslang leren met bijzondere aandacht voor de kwalificatie-eisen van de kenniseconomie, met inbegrip van steun voor samenwerking en het creëren van onderwijs- en opleidingspartnerschappen tussen de lidstaten, regio's en steden teneinde de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken te bevorderen, waaronder innovatieve projecten. Bijzondere aandacht moet gaan naar de behoeften van achtergestelde groepen;

ondersteuning van de planning en invoering van hervormingen in de onderwijs- en opleidingsstelsels, waarbij zo nodig gemeenschappelijke Europese normen en beginselen worden toegepast, met name om de arbeidsmarktrelevantie van onderwijs en opleiding te verbeteren;

versterking van de banden tussen universiteiten, onderzoek- en technologische centra en bedrijven, in het bijzonder via netwerken en gemeenschappelijke activiteiten.

In het kader van de convergentiedoelstelling worden talrijke lidstaten en regio's geconfronteerd met aanzienlijke onderwijs- en opleidingsproblemen. De financiële middelen moeten worden aangewend voor de tenuitvoerlegging van hervormingen, die op de volgende specifieke prioriteiten moeten worden gericht:

zorgen voor een voldoende aanbod van aantrekkelijke en toegankelijke onderwijs- en opleidingsmogelijkheden van goede kwaliteit op alle niveaus, met inbegrip van de verbetering van de vaardigheden en kwalificaties van het personeel, de bevordering van flexibele leertrajecten en nieuwe benaderingen in het school- en kleuteronderwijs, maatregelen om een significante daling van het aantal vroegtijdige schoolverlaters en stijging van het aantal leerlingen dat het middelbaar onderwijs volledig afmaakt te bereiken, en betere toegang tot het kleuter- en schoolonderwijs;

steun voor de modernisering van hoger onderwijs en de ontwikkeling van het menselijke potentieel voor onderzoek en innovatie, door postuniversitaire opleiding, de voortgezette opleiding van onderzoekers en het aantrekken van meer jongeren naar wetenschappelijk en technisch onderwijs;

bevordering van de kwaliteit en aantrekkelijkheid van beroepsonderwijs en -opleiding, met inbegrip van leercontracten en opleiding tot ondernemerschap;

zorgen, waar van toepassing, voor verbetering van de mobiliteit op regionaal, nationaal of transnationaal niveau en bevordering van raamwerken en systemen ter ondersteuning van de transparantie en erkenning van kwalificaties en de validering van niet-formele en informele leerprogramma's;

investeringen in onderwijs- en opleidingsinfrastructuur, onder meer in ICT, wanneer die investeringen nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van hervormingen en/of wanneer zij een significante bijdrage kunnen leveren tot het verhogen van de kwaliteit en doeltreffendheid van het onderwijs- en opleidingssysteem.

1.3.4.   Bestuurlijke capaciteit

In eerdere programmaperiodes hebben de fondsen bij het implementeren van de verordeningen via technische bijstand bijgedragen tot de versterking van de bestuurlijke capaciteit van de lidstaten en de managementautoriteiten. Hetzelfde geldt voor de periode 2007-2013.

Los van het beheer van de fondsen is een doeltreffend openbaar bestuur en doeltreffende publieke dienstverlening — dit wil zeggen een intelligent bestuur — een fundamentele voorwaarde voor economische groei en werkgelegenheid. In overeenstemming met de herziene Lissabonstrategie die is gericht op de verbetering van wetgeving, beleid en uitvoering teneinde de voorwaarden voor economische groei en werkgelegenheid te creëren, zullen de fondsen dus steun verlenen voor investeringen in het menselijk kapitaal van bestuurs- en openbare diensten en gerelateerde ICT-faciliteiten op alle territoriale niveaus.

In cohesielanden en -regio's die onder de convergentiedoelstelling vallen, is het van essentieel belang de productiviteit en de kwaliteit op de werkplek in de openbare sector op te voeren, met name in de sectoren economie, werkgelegenheid, sociale zaken, onderwijs, gezondheid, milieu en justitie, teneinde hervormingen door te voeren en te versnellen, de productiviteit en de groei van de economie in het algemeen te versterken en de sociale en territoriale cohesie en duurzame ontwikkeling te bevorderen. De Structuurfondsen kunnen daarbij een belangrijke rol spelen door het ondersteunen van de uitstippeling en uitvoering van doeltreffende beleidsmaatregelen op een groot aantal terreinen, waaraan alle betrokkenen deelnemen.

De cohesielanden en –regio's die onder de convergentiedoelstelling vallen, dienen dus hun bestuurlijke instanties en openbare diensten op nationaal, regionaal en lokaal niveau te versterken. Bij de maatregelen op dit gebied dient rekening te worden gehouden met de specifieke situatie in de verschillende lidstaten. In overeenstemming met het concentratiebeginsel worden de lidstaten dus verzocht een omvattende analyse te verrichten teneinde de beleidsterreinen te identificeren waarop de behoefte aan steun voor de bestuurlijke capaciteit het grootst is. De investeringen moeten worden toegespitst op de beleidsterreinen waar de hinderpalen voor sociaaleconomische ontwikkeling het sterkst zijn en op de essentiële elementen van de bestuurlijke hervormingen.

De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat passende maatregelen worden genomen om de efficiëntie en transparantie van de overheid te verbeteren en de openbare diensten te moderniseren. De richtsnoeren voor maatregelen luiden als volgt:

Steun voor de gerichte uitwerking van beleid en programma's, toezicht, evaluatie en effectbeoordeling, aan de hand van studies, statistieken, expertise en prognoses, steun voor coördinatie tussen de verschillende diensten en dialoog tussen openbare en particuliere instanties.

Versterking van de capaciteitsopbouw voor de uitvoering van beleid en programma's, onder meer betreffende de toetsing van de criminaliteitsbestendigheid en de handhaving van wetgeving, met name door de omschrijving van opleidingsbehoeften, toetsing van de loopbaanontwikkeling, evaluatie, sociale auditprocedures, toepassing van de beginselen van een transparant bestuur, opleiding van management en personeel en specifieke ondersteuning van essentiële diensten, inspectiediensten en sociaaleconomische actoren.

1.3.5.   Bescherming van de gezondheid van werknemers

In het licht van de demografische structuur van de EU, de vergrijzing en de waarschijnlijke inkrimping van de beroepsbevolking in de komende jaren is het essentieel dat de EU stappen onderneemt om het aantal gezonde werkjaren van haar arbeidskrachten te verhogen. Investeringen in bevordering van de gezondheid en ziektepreventie zullen ertoe bijdragen dat zoveel mogelijk werknemers actief aan de samenleving blijven deelnemen, waardoor hun bijdrage aan de economie wordt gehandhaafd en het aandeel van de niet-werkende bevolking daalt. Dit werkt direct door in de productiviteit en het concurrentievermogen, en heeft belangrijke positieve spin-offs voor de levenskwaliteit in het algemeen.

Tussen de Europese regio's bestaan grote verschillen inzake gezondheidstoestand en toegang tot de gezondheidszorg. Het is dus van belang dat het cohesiebeleid bijdraagt tot de voorzieningen voor gezondheidszorg, waardoor het aantal gezonde werkjaren, met name in de minder welvarende lidstaten en regio's, wordt verhoogd. Verbetering van de eerstelijnszorg en preventie zijn van groot belang om de ongelijkheden in de gezondheidszorg weg te werken. Een goede gezondheidszorg leidt tot een grotere arbeidsmarktparticipatie, een langer beroepsleven, een hogere productiviteit en een daling van de uitgaven voor gezondheidszorg en de sociale kosten.

Het is belangrijk dat het cohesiebeleid, met name in achtergestelde regio's, bijdraagt tot de verbetering van inrichtingen voor langdurige zorg en investeringen stimuleert in de verbetering van de gezondheidsinfrastructuur, in het bijzonder wanneer het ontbreken of de ontoereikende ontwikkeling daarvan een belangrijke hinderpaal voor de economische ontwikkeling vormt. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat in de behoefte aan een efficiëntere gezondheidszorg wordt voorzien door investeringen in ICT, kennis en innovatie. De richtsnoeren voor maatregelen luiden als volgt:

Preventie van gezondheidsrisico's om de productiviteit te helpen verhogen door voorlichtingscampagnes op gezondheidsgebied en de overdracht van kennis en technologie, en door ervoor te zorgen dat de gezondheidsdiensten beschikken over de nodige vaardigheden, producten en uitrusting om risico's te voorkomen en de potentiële schadelijke gevolgen ervan tot een minimum te beperken.

Opvullen van de lacunes in de gezondheidsinfrastructuur en bevordering van een efficiënte dienstverlening wanneer de economische ontwikkeling van de minder welvarende lidstaten en regio's wordt belemmerd. Deze maatregelen moeten worden gebaseerd op een diepgaande analyse van het optimale dienstverleningspeil en de juiste technologie zoals telegeneeskunde en het kostenbesparingspotentieel van elektronische gezondheidsdiensten.

2.   DE TERRITORIALE DIMENSIE VAN HET COHESIEBELEID

Een van de kenmerken van het cohesiebeleid is dat het — in tegenstelling tot het sectorale beleid — gemakkelijk kan worden afgestemd op de specifieke behoeften en kenmerken die uit bepaalde geografische knelpunten en mogelijkheden voortvloeien. In het cohesiebeleid is de geografie van belang. Bijgevolg dienen de lidstaten en de regio's bij de uitwerking van hun programma's en de concentratie van de middelen op sleutelprioriteiten bijzondere aandacht te besteden aan deze specifieke geografische omstandigheden.

Rekening houden met de territoriale dimensie zal duurzame gemeenschappen helpen ontwikkelen en helpen voorkomen dat een ongelijke regionale ontwikkeling het groeipotentieel zou belemmeren. Een dergelijke benadering vereist ook dat de specifieke problemen en mogelijkheden van stedelijke en plattelandsgebieden worden aangepakt, alsook die van bijzondere gebieden zoals grensoverschrijdende of grotere transnationale gebieden en regio's die met andere handicaps te kampen hebben als gevolg van hun insulaire of afgelegen ligging (zoals de ultraperifere regio's of het hoge Noorden), de geringe bevolkingsdichtheid of hun bergachtig karakter. Mogelijk moeten ook de milieu- en bevolkingsproblemen in kustgebieden worden aangepakt. De succesvolle uitvoering van maatregelen ter bevordering van territoriale cohesie vereist de implementatie van mechanismen die een eerlijke behandeling van alle grondgebieden kunnen helpen garanderen op grond van hun individuele capaciteiten als concurrentiefactor. Goed bestuur is dus van groot belang om de territoriale dimensie met succes aan te pakken.

Bevordering van de territoriale cohesie moet in feite voor de volgende generatie programma's deel uitmaken van de inspanning om ervoor te zorgen dat het hele Europese grondgebied de kans krijgt bij te dragen tot de groei- en banenagenda. Meer in het bijzonder betekent dit dat territoriale cohesie voor elke lidstaat iets anders betekent, afhankelijk van zijn geschiedenis, cultuur of staatsinrichting.

Het is ook van essentieel belang dat er hoogwaardige partnerschappen ontwikkeld worden waarin actoren van alle niveaus: nationaal, regionaal, stedelijk, platteland en lokaal, bijeen worden gebracht. Welslagen op het gebied van de territoriale cohesie is afhankelijk van een omvattende strategie die het kader vormt waarbinnen de specifieke doelstellingen en maatregelen worden geïmplementeerd.

Onder het nieuwe wetgevingskader hebben de lidstaten de mogelijkheid middelen die in de nieuwe programma's voor stadsbeleid bestemd zijn, ook aan de steden over te dragen. Om ten volle van de samenwerking te kunnen profiteren moeten de steden bij het hele proces betrokken worden. Dat zou kunnen betekenen dat zij zelf verantwoordelijk moeten zijn voor de opzet en uitvoering van hun deel van het programma.

Het nieuwe wetgevingskader voorziet ook in speciale bijstand voor de ultraperifere regio's om iets te doen aan de hoge kosten die hun afgelegen ligging met zich meebrengt. Een bijzonder probleem zal zijn ervoor te zorgen dat deze bijstand bijdraagt tot de verwezenlijking van de strategie van het programma als geheel en duurzame groei en werkgelegenheid helpt creëren.

2.1.   Bijdrage van de steden tot groei en werkgelegenheid

Zoals vermeld in de mededeling van de Commissie over het cohesiebeleid en de steden, woont meer dan 60 % van de bevolking in de Europese Unie in stedelijke gebieden van meer van 50 000 inwoners (12). In steden en stedelijke agglomeraties in het algemeen zijn de meeste banen, bedrijven en hogeronderwijsinstellingen te vinden en zij vormen de sleutel tot sociale cohesie. Europese steden en stedelijke agglomeraties trekken hooggeschoolden aan, wat dikwijls een zichzelf versterkend effect creëert: de aanwezigheid van hooggeschoolden is stimulerend voor innovatie en bedrijven, waardoor vervolgens weer nieuw talent wordt aangetrokken.

Steden en stedelijke agglomeraties bieden niet alleen kansen maar worden ook met uitdagingen geconfronteerd. Er moet rekening worden gehouden met de specifieke problemen waarmee stedelijke gebieden te kampen hebben, zoals werkloosheid en sociale uitsluiting (waaronder het probleem van de „werkende armen”), hoge en nog steeds toenemende misdaadcijfers, toegenomen verkeersproblemen en het bestaan van probleemwijken binnen de stadsgrenzen.

Speciaal op stedelijke gebieden gerichte programma's kunnen zeer verschillend zijn. Om te beginnen kan worden gedacht aan het promoten van steden als motor van regionale ontwikkeling. Dergelijke acties moeten gericht zijn op het verbeteren van het concurrentievermogen, bijvoorbeeld door clustervorming. De ondersteunde acties omvatten maatregelen ter bevordering van het ondernemerschap, innovatie en de ontwikkeling van diensten, waaronder producentendiensten. Het is eveneens belangrijk hooggeschoold personeel aan te trekken en vast te houden (via maatregelen betreffende toegankelijkheid, cultuuraanbod, enz.).

Ten tweede zijn er acties om de interne samenhang binnen stedelijke gebieden te bevorderen die de situatie in probleemwijken proberen te verbeteren. Dit komt niet alleen rechtstreeks ten goede aan de wijken zelf, het helpt ook enigszins stedelijke wildgroei tegen te gaan die het gevolg is van het zoeken naar een betere levenskwaliteit.

In dit verband zijn maatregelen belangrijk voor het herstel van het fysieke milieu, het saneren van vervallen industrieterreinen, vooral in oude industriesteden, en het beschermen en ontwikkelen van het historische en culturele erfgoed, met mogelijke spin-offs voor de ontwikkeling van het toerisme om aantrekkelijkere steden te creëren waar mensen graag wonen. Het herstel van bestaande publieke ruimten en industrieterreinen kan een belangrijke rol spelen bij het voorkomen van suburbanisatie en stedelijke wildgroei, en aldus de nodige voorwaarden creëren voor duurzame economische ontwikkeling. Meer in het algemeen kunnen steden, door openbare ruimten beter te plannen, te ontwerpen en te onderhouden, de criminaliteit uitbannen en zo aantrekkelijke straten, parken en open ruimten helpen creëren die veilig zijn en waar men zich ook veilig voelt. In stedelijke gebieden zijn de economische, sociale en milieudimensie nauw verweven. Een stadsmilieu van hoge kwaliteit vormt ook een bijdrage tot het bereiken van de prioriteit van de hernieuwde Lissabonstrategie om van Europa een aantrekkelijker plaats te maken om te werken en te investeren (13).

Ten derde zijn er acties om een meer evenwichtige, polycentrische ontwikkeling te bevorderen door het stedelijke netwerk op nationaal en communautair niveau te ontwikkelen, waaronder verbindingen tussen de economisch sterkste steden en andere stedelijke gebieden, met inbegrip van kleine en middelgrote steden. Hiervoor moeten strategische keuzes worden gemaakt bij de vaststelling en versterking van groeikernen en — net zo belangrijk — de oprichting van de netwerken die de fysieke (infrastructuur, informatietechnologieën, enz.) en menselijke (bevordering van samenwerking, enz.) verbindingen daartussen vormen. Aangezien deze kernen een groter gebied bedienen, inclusief het directe rurale achterland, dragen zij bij tot een duurzame en evenwichtige ontwikkeling van de lidstaat en de Gemeenschap als geheel. Op vergelijkbare wijze leveren ook plattelandsgebieden diensten aan een bredere samenleving, bijvoorbeeld in de vorm van recreatiemogelijkheden en waardevolle landschappen. Daarom moet ook aandacht worden besteed aan de interactie tussen stad en platteland.

Blijkens eerdere ervaringen moeten stedelijke acties aan een aantal beginselen beantwoorden. Ten eerste hebben de belangrijkste partners bij de stedelijke en plaatselijke instanties een significante rol te vervullen bij het verwezenlijken van deze doelstellingen. Zoals hierboven reeds gezegd, kunnen de lidstaten de verantwoordelijkheid voor stadsontwikkeling aan de steden delegeren. Dit is vooral van belang voor gebieden waar de nabijheid een rol speelt om te kunnen inspelen op de problemen met een overwegend plaatselijk karakter, zoals sociale uitsluiting of een gebrekkige toegang tot essentiële diensten.

Ten tweede is de uitwerking van een plan voor duurzame stadsontwikkeling op middellange tot lange termijn in het algemeen een voorwaarde voor succes, aangezien hierdoor de coherentie en de milieukwaliteit van de investeringen worden bevorderd. Ook de inzet en participatie van de particuliere sector aan de stadsvernieuwing kunnen zo worden verzekerd. Over het algemeen is een multidisciplinaire of geïntegreerde aanpak nodig. Voor plaatsgebonden maatregelen, bijvoorbeeld ter bevordering van sociale integratie, vereist dit dat maatregelen die de levenskwaliteit (waaronder milieu en huisvesting) of de dienstverlening aan de burgers beogen te verbeteren, worden gecombineerd met maatregelen voor de bevordering van de ontwikkeling van nieuwe activiteiten en het scheppen van werkgelegenheid teneinde de toekomst van de betrokken gebieden op de lange termijn veilig te stellen. Het nieuwe JESSICA-initiatief is bedoeld om de ontwikkeling van financiële-engineeringproducten ter ondersteuning van projecten in geïntegreerde stadsontwikkelingsplannen te bevorderen en te vergemakkelijken.

Over het algemeen moeten ondersteuningsdiensten en –programma's zich speciaal richten op de groepen die daar het meest behoefte aan hebben, zoals immigranten, jongeren en vrouwen. Alle burgers moeten worden aangemoedigd om deel te nemen aan zowel de planning als de levering van diensten.

2.2.   Steun voor de economische diversificatie van plattelandsgebieden, visserijgebieden en gebieden met natuurlijke handicaps

Het cohesiebeleid kan ook een essentiële rol spelen bij de ondersteuning van het economische herstel van de plattelandsgebieden, in aanvulling op de maatregelen die door het nieuwe Fonds voor plattelandsontwikkeling (Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling — ELFPO) (14) worden gesteund. Via deze complementaire aanpak moeten de herstructurering en diversificatie van de economie in de plattelandsgebieden van Europa worden ondersteund.

De synergie tussen het structuurbeleid, het werkgelegenheidsbeleid en het beleid voor plattelandsontwikkeling moet worden gestimuleerd. In dit kader dienen de lidstaten te zorgen voor synergie en coherentie tussen de maatregelen die het EFRO, het Cohesiefonds, het ESF, het Europees Visserijfonds (EVF) en het ELFPO in een bepaald gebied en in een bepaalde sector financieren. De belangrijkste richtsnoeren inzake de afbakening en de coördinatiemechanismen tussen de maatregelen die uit de verschillende fondsen worden gefinancierd, moeten worden vastgesteld op het niveau van het nationaal strategisch referentiekader/de nationale strategie.

In het kader van het cohesiebeleid dienen de maatregelen ten gunste van plattelandsgebieden of gebieden met natuurlijke handicaps, waaronder veel insulaire regio's, bij te dragen tot het creëren van nieuwe mogelijkheden door middel van diversificatie van de plattelandseconomie. Zo moet onder meer een minimumtoegang tot diensten van algemeen economisch belang gecreëerd worden om ondernemingen en gekwalificeerd personeel aan te trekken en de emigratie te beperken. In dit verband is aansluiting op de belangrijkste nationale en Europese netwerken noodzakelijk. Bovendien moet het cohesiebeleid de endogene capaciteit van plattelandsgebieden ondersteunen door bijvoorbeeld de afzet van producten op nationaal en mondiaal niveau te bevorderen en de innovatie van processen en producten in bestaande economische activiteiten te stimuleren.

Het bereiken van de noodzakelijke kritische massa voor een efficiënte dienstverlening — met inbegrip van de hierboven vermelde gezondheidszorg voor werknemers — vormt een bijzondere uitdaging. Universele toegang tot alle diensten, in het bijzonder in dunbevolkte gebieden, kan worden bereikt door te investeren in ontwikkelingspolen in rurale gebieden (bijvoorbeeld in kleine en middelgrote steden) en door het ontwikkelen van economische clusters gebaseerd op een combinatie van plaatselijke aantrekkingspunten en het gebruik van nieuwe informatietechnologieën.

Talrijke plattelandsgebieden zijn sterk afhankelijk van het toerisme. Deze regio's vereisen een geïntegreerde aanpak gericht op kwaliteit, waarbij de klemtoon valt op de tevredenheid van de consument en wordt uitgegaan van de economische, sociale en ecologische dimensie van duurzame ontwikkeling. Deze maatregelen dienen uit te gaan van het natuurlijke en culturele erfgoed en te zorgen voor de bescherming en ontwikkeling daarvan. Die werkwijze kan aanzienlijke positieve nevenresultaten opleveren door het beschermen van de habitat en de bevordering van investeringen in biodiversiteit. De geïntegreerde aanpak dient een positief effect te hebben op het toerisme, de plaatselijke economie, de werknemers in de toeristische sector, de bezoekers en de plaatselijke bevolking, alsmede op het natuurlijke en culturele erfgoed.

Wat de visserijsector betreft, is de economische herstructurering van visserijafhankelijke kustgebieden en de kleinere eilanden dikwijls een bijzonder probleem om geografische redenen en kan het cohesiebeleid een belangrijke rol spelen in aanvulling op de door het EVF ondersteunde maatregelen.

2.3.   Samenwerking

De drie hierboven beschreven prioriteiten moeten worden aangevuld met maatregelen ter bevordering van grensoverschrijdende, transnationale, interregionale en, waar nodig, ook maritieme samenwerking. Als gevolg daarvan zou de nauwere samenwerking tussen de EU-regio's moeten leiden tot een versnelde economische ontwikkeling en meer groei. De nationale grenzen vormen vaak een hinderpaal voor de ontwikkeling van het Europese grondgebied in zijn geheel en voor het Europese potentieel voor een volledig concurrentievermogen. Binnen de grensoverschrijdende en transnationale context vormen vervoer, waterbeheer en milieubescherming duidelijke voorbeelden van vraagstukken die een gerichte en geïntegreerde aanpak vereisen die verdergaat dan de nationale grenzen. Wat de tenuitvoerlegging betreft, willen de lidstaten misschien de mogelijkheid onderzoeken van de oprichting van een Europese groepering voor territoriale samenwerking, die de rol van beheersautoriteit voor bepaalde samenwerkingsprogramma's op zich kan nemen.

2.4.   Grensoverschrijdende samenwerking

Het doel van de grensoverschrijdende samenwerking in Europa is het integreren van gebieden die door nationale grenzen worden gescheiden, maar worden geconfronteerd met gemeenschappelijke problemen die een gemeenschappelijke oplossing vereisen. Die problemen doen zich voor in alle grensgebieden van de EU als gevolg van de versnippering van de arbeids- en kapitaalmarkten, infrastructuurnetwerken, belastingcapaciteit en instellingen.

Hoewel de samenwerkingsprogramma's moeten worden afgestemd op de specifieke situaties in de verschillende grensgebieden, is het van belang de bijstand te concentreren op de belangrijkste prioriteiten ter ondersteuning van groei en het creëren van werkgelegenheid.

Gezien het sterk uiteenlopende karakter van de verschillende situaties is het niet altijd relevant algemeen toepasbare aanbevelingen voor de toekomstige grensoverschrijdende samenwerking te formuleren. In het licht van de door de grenzen gecreëerde hinderpalen is een vruchtbaar uitgangspunt evenwel het verbeteren van de bestaande vervoers- en communicatie-infrastructuur en waar nodig het ontwikkelen van nieuwe verbindingen. Deze maatregelen vormen een voorwaarde voor het leggen of uitbreiden van grensoverschrijdende contacten.

De grensoverschrijdende samenwerking moet worden toegespitst op het versterken van het concurrentievermogen van de grensgebieden. Bovendien moet ze bijdragen tot de economische en sociale integratie, met name wanneer er aan weerszijden van de grens grote economische verschillen bestaan. De maatregelen omvatten het bevorderen van de overdracht van kennis en deskundigheid, het ontwikkelen van grensoverschrijdende bedrijfsactiviteiten, het benutten van het potentieel inzake grensoverschrijdende voorzieningen voor onderwijs/opleiding en gezondheidszorg, het integreren van de grensoverschrijdende arbeidsmarkt en het gezamenlijk beheer van het milieu en de gezamenlijke aanpak van gemeenschappelijke bedreigingen. Wanneer de basisvoorwaarden voor grensoverschrijdende samenwerking al bestaan, dient het cohesiebeleid te worden toegespitst op bijstand voor maatregelen die een toegevoegde waarde aan grensoverschrijdende activiteiten verlenen zoals versterking van het grensoverschrijdend concurrentievermogen door innovatie en onderzoek en ontwikkeling; de onderlinge aansluiting van immateriële netwerken (diensten) of materiële netwerken (vervoer) teneinde de grensoverschrijdende identiteit als kenmerk van het Europese burgerschap te versterken; het bevorderen van de grensoverschrijdende integratie van de arbeidsmarkt; grensoverschrijdend waterbeheer en bestrijding van overstromingen; gezamenlijk beheer van natuurlijke en technologische risico's.

Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de problemen en mogelijkheden in verband met de veranderende buitengrenzen van de Unie na een uitbreiding. Hier moeten coherente grensoverschrijdende maatregelen worden bevorderd die de economische activiteit aan weerszijden van de grens stimuleren, en moeten belemmeringen voor de ontwikkeling uit de weg worden geruimd. Het cohesiebeleid, het nieuwe Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument en, waar nodig, het nieuwe Pretoetredingsinstrument moeten een coherent kader voor dergelijke maatregelen creëren.

2.5.   Transnationale samenwerking

In transnationale gebieden moet de economische en sociale integratie en cohesie worden versterkt. De transnationale samenwerkingsprogramma's zijn erop gericht de samenwerking tussen de lidstaten bij aangelegenheden van strategisch belang te versterken.

Er dient dus steun te worden verleend voor maatregelen ter verbetering van de materiële onderlinge aansluiting van gebieden (bijvoorbeeld investeringen in duurzaam vervoer) en immateriële verbindingen (netwerken en uitwisseling tussen regio's en tussen de betrokken partijen).

De geplande maatregelen omvatten de aanleg van Europese vervoercorridors (in het bijzonder de grensoverschrijdende delen) voor de preventie van natuurrampen, waterbeheer op het niveau van de stroomgebieden, geïntegreerde maritieme samenwerking en O&O-/innovatienetwerken.

De kaart van de huidige zones van transnationale samenwerking is gewijzigd om ervoor te zorgen dat zij de nodige voorwaarden voor de uitvoering van structurele basisprojecten creëren. Bij de uittekening van de regio's is rekening gehouden met territoriale coherentie en functionele criteria van geografische aard, bijvoorbeeld het feit dat zij een stroomgebied of kustzone delen, deel uitmaken van hetzelfde berggebied of door een belangrijke verkeersader worden doorsneden. Andere relevante criteria zijn geschiedenis of institutionele structuren, bestaande samenwerking of verdragen.

2.6.   Interregionale samenwerking

De interregionale samenwerkingsprogramma's moeten aansluiten bij de agenda voor groei en werkgelegenheid, met als belangrijkste thema's versterking van de innovatie, mkb en ondernemerschap, milieu en risicopreventie. Er zal ook steun worden verleend voor de uitwisseling van ervaringen en beste praktijken in verband met stadsontwikkeling, modernisering van de openbare diensten (onder meer toepassing van ICT in de gezondheidszorg en het bestuur), uitvoering van samenwerkingsprogramma's alsmede studies en gegevensverzameling. Er kan ook steun gaan naar interregionale samenwerking in het kader van programma's voor convergentie en voor regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid. Voorts zullen uitwisselingen van ervaringen en beste praktijken in verband met stadsontwikkeling, sociale integratie, betrekkingen tussen steden en plattelandsgebieden en de uitvoering van samenwerkingsprogramma's worden aangemoedigd.


(1)  Mededeling aan de Europese Voorjaarsraad „Samen werken aan werkgelegenheid en groei — Een nieuwe start voor de Lissabonstrategie”. COM(2005) 24 van 2.2.2005.

(2)  Artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999 (PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25).

(3)  „Het Europese vervoersbeleid tot het jaar 2010: tijd om te kiezen”. COM(2001) 370.

(4)  „Keep Europe moving. Sustainable mobility for the European continent”. COM(2006) 314 van 22.6.2006.

(5)  PB L 167 van 30.4.2004, blz. 1.

(6)  „Investeren in onderzoek: een actieplan voor Europa”. COM(2003) 226 van 30.4.2003.

(7)  COM(2005) 229.

(8)  PB L 205 van 6.8.2005, blz. 21.

(9)  Artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1784/1999. PB L 210 van 31.7.2006, blz. 12.

(10)  COM(2005) 141; 12.4.2005.

(11)  EURES, dat werd opgericht in 1993, is een samenwerkingsnetwerk tussen de Europese Commissie en de openbare diensten voor de arbeidsvoorziening van de EER-landen (EU-lidstaten en Noorwegen, IJsland en Liechtenstein) en andere partnerorganisaties.

(12)  Mededeling van de Raad en het Parlement „Cohesiebeleid en steden: de bijdrage van steden en agglomeraties aan groei en werkgelegenheid in de regio's”. COM(2006) 385 def. van 12.7.2006.

(13)  Thematische strategie voor het stadsmilieu. COM(2005) 718 def.

(14)  Verordening (EG) nr. 1685/2005 van de Raad. PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1.


21.10.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 291/33


BESLUIT VAN DE RAAD

van 16 oktober 2006

tot benoeming van de Deense leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité

(2006/703/EG, Euratom)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 259,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name op artikel 167,

Gezien het advies van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De ambtstermijn van de Deense leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité is op 20 september 2006 verstreken (1). Derhalve dienen de Deense leden van het Comité voor een nieuwe ambtstermijn van vier jaar, aanvangend op 21 september 2006, te worden benoemd.

(2)

Op 11 juli 2006 heeft de Raad de door de regeringen van Tsjechië, Duitsland, Estland, Spanje, Frankrijk, Letland, Litouwen, Luxemburg, Hongarije, Malta, Oostenrijk, Slovenië en Slowakije ingediende lijsten, alsook de door de Italiaanse regering (2) ingediende lijst die 22 kandidaten bevat, aangenomen.

(3)

Op 15 september 2006 heeft de Raad de door de regeringen van België, Griekenland, Ierland, Cyprus, Nederland, Polen, Portugal, Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk ingediende lijsten, alsook de door de Italiaanse regering ingediende lijst die 2 kandidaten bevat (3), aangenomen.

(4)

De Deense regering heeft op 2 oktober 2006 een lijst ingediend met een aantal voordrachten dat gelijk is aan het aantal zetels dat de Deense regering krachtens de Verdragen is toegekend,

BESLUIT:

Artikel 1

Voor de periode van 21 september 2006 tot en met 20 september 2010 worden tot leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité de personen benoemd wier naam voorkomt op de lijst in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag van zijn aanneming.

Dit besluit is van toepassing vanaf 21 september 2006.

Gedaan te Brussel, 16 oktober 2006.

Voor de Raad

De voorzitter

E. TUOMIOJA


(1)  PB L 253 van 21.9.2002, blz. 9.

(2)  PB L 207 van 28.7.2006, blz. 30.

(3)  PB L 269 van 28.9.2006, blz. 13.


BIJLAGE

Denemarken

 

Dorthe ANDERSEN

Chefkonsulent, DA

 

Henrik FALLESEN

Leder af DI’s Bruxelles kontor

 

Benedicte FEDERSPIEL

Chefkonsulent, Forbrugerrådet

 

Peder Munch HANSEN

International konsulent, LO

 

Randi IVERSEN

Forkvinde, Kvinderådet

 

Søren KARGAARD

International konsulent, FTF

 

Marie-Louise KNUPPERT

LO sekretær

 

Poul LÜNEBORG

Konsulent, DSI

 

Leif Erland NIELSEN

Seniorkonsulent, Landbrugsrådet


Commissie

21.10.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 291/35


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 20 oktober 2006

betreffende de beperkte publicatie van de referentie van norm EN 848-3:1999 „Veiligheid van houtbewerkingsmachines — Freesmachines voor éénzijdige bewerking met draaiend gereedschap — Deel 3: Numeriek bestuurde boor- en freesmachines” overeenkomstig Richtlijn 98/37/EG van het Europees Parlement en de Raad

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 4901)

(Voor de EER relevante tekst)

(2006/704/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 98/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende machines (1), en met name op artikel 6, lid 1,

Gezien het advies van het Permanent Comité dat is opgericht bij artikel 5 van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Wanneer een nationale norm die de omzetting is van een geharmoniseerde norm, waarvan de referentie in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt, een of meer van de in bijlage I bij Richtlijn 98/37/EG genoemde fundamentele gezondheids- en veiligheidsvoorschriften omvat, wordt aangenomen dat de volgens deze norm gebouwde machine voldoet aan de desbetreffende fundamentele voorschriften.

(2)

De referentie van norm EN 848-3:1999 betreffende de veiligheid van houtbewerkingsmachines, die op 1 juli 1999 door de Europese Commissie voor Normalisatie (CEN) is aangenomen, is in het Publicatieblad van de Europese Unie  (3) gepubliceerd.

(3)

Naar aanleiding van een formeel bezwaar, ingediend door Zweden, heeft de Commissie bij Beschikking 2002/1002/EG (4) besloten, de referentie van norm EN 848-3:1999 niet van de lijst van in het Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerde normen te schrappen. Daarom bleef er ten aanzien van norm EN 848-3:1999 een vermoeden van overeenstemming met de fundamentele veiligheidsvoorschriften van Richtlijn 98/37/EG bestaan.

(4)

Wat het door Zweden ingediende formele bezwaar betreft, heeft de Commissie de Europese Commissie voor Normalisatie (CEN) gemachtigd om norm EN 848-3:1999 per 1 januari 2005 te wijzigen in verband met het gevaar van wegschietende voorwerpen en met het oog op het aanbrengen van beveiligingsvoorzieningen voor een betere bescherming.

(5)

Duitsland heeft krachtens artikel 6, lid 1, van Richtlijn 98/37/EG formeel bezwaar ingediend tegen norm EN 848-3:1999.

(6)

Na onderzoek van norm EN 848-3:1999 heeft de Commissie vastgesteld dat deze niet voldoet aan de fundamentele veiligheids- en gezondheidsvoorschriften 1.1.2.a (beginselen van geïntegreerde veiligheid), 1.3.2 (gevaar voor breuken tijdens het gebruik), 1.3.3 (gevaar door vallende of wegschietende voorwerpen) en 1.4.1 (algemene eisen voor schermen en beveiligingsinrichtingen) van bijlage I bij Richtlijn 98/37/EG. De specificaties van EN 848-3:1999 in paragraaf 5.2.7.1.2.b, eerste tot en met zesde alinea, betreffende de kenmerken van en de materiaalkeuze voor beschermingsgordijnen, met name lamellengordijnen, zijn niet doeltreffend om het voorzienbare wegschieten van delen van gereedschap te voorkomen.

(7)

De CEN heeft norm EN 848-3:1999 nog niet gewijzigd zoals haar is gevraagd in normalisatiemandaat nr. 311 betreffende Richtlijn 98/37/EG.

(8)

In afwachting van de wijziging van norm EN 848-3:1999 moet de publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie van de referentie van norm EN 848-3:1999 daarom vergezeld gaan van een passende waarschuwing. De lidstaten moeten eenzelfde waarschuwing toevoegen aan hun nationale normen waarin norm EN 848-3:1999 is omgezet.

(9)

De referentie van geharmoniseerde norm EN 848-3:1999 moet dienovereenkomstig opnieuw worden gepubliceerd,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie van de referentie van norm EN 848-3:1999 „Veiligheid van houtbewerkingsmachines — Freesmachines voor éénzijdige bewerking met draaiend gereedschap — Deel 3: Numeriek bestuurde boor- en freesmachines” wordt vervangen door de tekst in de bijlage.

Artikel 2

Wanneer de lidstaten ingevolge artikel 5, lid 2, van Richtlijn 98/37/EG de referentie publiceren van een nationale norm waarin geharmoniseerde norm EN 848-3:1999 is omgezet, voegen zij hieraan een waarschuwing toe die identiek is aan de in de bijlage bij deze beschikking opgenomen tekst.

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 20 oktober 2006.

Voor de Commissie

Günter VERHEUGEN

Vicevoorzitter


(1)  PB L 207 van 23.7.1998, blz. 1. Richtlijn zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/79/EG (PB L 331 van 7.12.1998, blz. 1).

(2)  PB L 204 van 21.7.1998, blz. 37. Richtlijn zoals laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.

(3)  PB C 110 van 15.4.2000, blz. 38.

(4)  PB L 349 van 24.12.2002, blz. 103.


BIJLAGE

„(Publicatie van titels en referentienummers van geharmoniseerde normen in het kader van de richtlijn)

ENO (1)

Referentienummer en titel van de norm

(referentiedocument)

Eerste publicatie in PB

Referentienummer van de vervangen norm

Datum waarop het vermoeden van overeenstemming ten aanzien van de vervangen norm vervalt

Noot 1

CEN

EN 848-3:1999

„Veiligheid van houtbewerkingsmachines — Freesmachines voor éénzijdige bewerking met draaiend gereedschap — Deel 3: Numeriek bestuurde boor- en freesmachines”

15.4.2000

 

Waarschuwing: Wat de kenmerken van en de materiaalkeuze voor beschermingsgordijnen, met name lamellengordijnen, betreft, heeft deze publicatie geen betrekking op de paragrafen 5.2.7.1.2.b, eerste tot en met zesde alinea, van deze norm; de toepassing hiervan geeft geen vermoeden van overeenstemming met de fundamentele veiligheids- en gezondheidsvoorschriften 1.3.2, 1.3.3 en 1.4.1 van bijlage I bij Richtlijn 98/37/EG in samenhang met het fundamenteel veiligheids- en gezondheidsvoorschriften 1.1.2.a van die bijlage.

Noot 1

In het algemeen is de datum waarop het vermoeden van overeenstemming ten aanzien van de vervangen norm vervalt, de door de Europese normalisatieorganisatie vastgestelde datum van intrekking, maar gebruikers van de norm worden erop gewezen dat dit in bepaalde uitzonderlijke gevallen anders kan zijn.

Noot 2.1

De nieuwe (of gewijzigde) norm heeft hetzelfde toepassingsgebied als de vervangen norm. Op genoemde datum eindigt het vermoeden van overeenstemming met de fundamentele voorschriften van de richtlijn.

Noot 3

In het geval van wijzigingsbladen is de norm waarnaar verwezen wordt EN CCCCC:YYYY, zijn voorafgaande wijzigingsbladen, indien die er zijn, en het nieuwe genoemde wijzigingsblad. De vervangen norm (kolom 3) bestaat daarom uit EN CCCCC:YYYY en zijn voorafgaande wijzigingsbladen, indien die er zijn, maar zonder het nieuw genoemde wijzigingsblad. Op genoemde datum eindigt het vermoeden van overeenstemming met de fundamentele voorschriften van de richtlijn.

Noot 4

Een vermoeden van overeenstemming voor een product ontstaat wanneer het voldoet aan de eisen van deel 1 en het relevante deel 2 als dit deel 2 ook in het Publicatieblad krachtens Richtlijn 98/37/EG is vermeld.

Noot:

Informatie over de beschikbaarheid van de normen is verkrijgbaar bij de Europese of de nationale normalisatieorganisaties die vermeld zijn in de bijlagen bij Richtlijn 98/34/EG (2) van het Europees Parlement en de Raad, gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG (3).

De publicatie van de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie houdt niet in dat de normen in alle talen van de Gemeenschap beschikbaar zijn.

Deze lijst vervangt alle vorige lijsten die in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn gepubliceerd. De Commissie draagt er zorg voor dat de huidige lijst regelmatig wordt bijgewerkt.

Voor meer informatie over geharmoniseerde normen: http://europa.eu.int/comm/enterprise/newapproach/standardization/harmstds/


(1)  ENO: Europese normalisatieorganisatie:

CEN: Stassartstraat 36, B-1050 Brussel, tel. (32) (0)2 550 08 11; fax (32) (0)2 550 08 19 (http://www.cenorm.be)

CENELEC: Stassartstraat 35, B-1050 Brussel, tel. (32) (0)2 519 68 71; fax (32) (0)2 519 69 19 (http://www.cenelec.org)

ETSI: 650, route des Lucioles, F-06921 Sophia Antipolis, tel. (33) 492 94 42 00; fax (33) 493 65 47 16 (http://www.etsi.org).

(2)  PB L 204 van 21.7.1998, blz. 37.

(3)  PB L 217 van 5.8.1998, blz. 18.”


21.10.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 291/38


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 20 oktober 2006

tot goedkeuring van het door Duitsland krachtens Richtlijn 2005/94/EG van de Raad ingediende programma voor preventieve vaccinatie tegen aviaire influenza van subtype H5 in bepaalde bedrijven in Noord-Rijnland-Westfalen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 4906)

(Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)

(2006/705/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2005/94/EG van de Raad van 20 december 2005 betreffende communautaire maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza en tot intrekking van Richtlijn 92/40/EEG (1), en met name op artikel 57, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Duitsland is de laatste tijd in een groot aantal gevallen het hoogpathogene aviaire-influenza A-virus van het subtype H5N1 bij wilde vogels geconstateerd. Er hebben zich ook uitbraken van de ziekte voorgedaan in een pluimveebedrijf en in een dierentuin.

(2)

Vaccinatie tegen aviaire influenza van de subtypen H5 en H7 kan een nuttig instrument voor ziektepreventie en –bestrijding zijn. Er is echter nog geen gebruik van gemaakt op pluimveebedrijven in Duitsland.

(3)

Duitsland wil door middel van een grootschalig veldonderzoek verdere gegevens verzamelen over de toepassing van vaccinatie.

(4)

Op 24 augustus 2006 heeft Duitsland een programma voor preventieve vaccinatie ter goedkeuring voorgelegd. Dat programma zal in drie commerciële bedrijven in Noord-Rijnland-Westfalen worden uitgevoerd in het kader van een onderzoek ter beoordeling van de beschermende werking van een aviaire-influenzavaccin van het subtype H5 bij vaccinatie van onder normale veldomstandigheden gehouden pluimvee.

(5)

Het ingediende programma voor preventieve vaccinatie bevat de op grond van artikel 56, lid 2, van Richtlijn 2005/94/EG vereiste informatie en is in overeenstemming met een DIVA-strategie (Differentiating Infected from Vaccinated Animal). In het licht van een beoordeling van het programma en besprekingen met Duitsland lijkt het wenselijk het programma goed te keuren.

(6)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Programma voor preventieve vaccinatie

1.   Het door Duitsland op 24 augustus 2006 ingediende programma voor preventieve vaccinatie tegen hoogpathogene aviaire influenza van het subtype H5, dat tot en met 30 september 2008 zal worden toegepast, wordt goedgekeurd.

De preventieve vaccinatie zal overeenkomstig dat programma in drie geselecteerde pluimveebedrijven in Noord-Rijnland-Westfalen in Duitsland worden uitgevoerd met een geïnactiveerd vaccin van aviaire influenza van het subtype H5N2.

2.   Zoals in het programma voor preventieve vaccinatie wordt beschreven, zal in de in lid 1 genoemde pluimveebedrijven officieel toezicht worden uitgeoefend en zullen tegelijkertijd passende bioveiligheidsmaatregelen worden genomen.

3.   Het programma voor preventieve vaccinatie wordt efficient uitgevoerd.

4.   De Commissie publiceert het programma voor preventieve vaccinatie.

Artikel 2

Maatregelen tot beperking van verplaatsingen

1.   De bevoegde autoriteit draagt er zorg voor dat:

a)

pluimvee, eieren, pluimveekarkassen en vers vlees van pluimvee dat op de in artikel 1, lid 1, genoemde bedrijven wordt gehouden („pluimvee en andere goederen”), niet uit deze bedrijven worden weggebracht;

b)

pluimvee en andere in gevangenschap levende vogels niet in de in artikel 1, lid 1, genoemde bedrijven worden binnengebracht gedurende de uitvoering van het programma voor preventieve vaccinatie.

2.   De bevoegde autoriteit kan in afwijking van lid 1, onder a), en overeenkomstig het programma voor preventieve vaccinatie de volgende verplaatsingen van pluimvee en andere goederen toestaan:

a)

verplaatsing naar het nationale referentielaboratorium voor aviaire influenza in Duitsland;

b)

vervoer voor onmiddellijke verwijdering binnen Duitsland na het verzamelen van passende monsters voor verzending naar dat laboratorium.

Artikel 3

Reinigen en ontsmetten van bedrijven en transportmiddelen

1.   De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat de in artikel 1, lid 1, genoemde pluimveebedrijven na verwijdering van alle pluimvee uit de bedrijven worden gereinigd en ontsmet overeenkomstig de instructies van de bevoegde autoriteit.

2.   De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat alle transportmiddelen die voor verplaatsingen van pluimvee en andere goederen zijn gebruikt, na elk transport worden gereinigd en ontsmet met ontsmettingsmiddelen en overeenkomstig gebruiksvoorschriften die door de bevoegde autoriteit zijn goedgekeurd.

Artikel 4

Verslagen

Duitsland dient binnen een maand na de datum van toepassing van deze beschikking bij de Commissie een verslag in over de uitvoering van het programma voor preventieve vaccinatie.

Duitsland dient vanaf 3 oktober 2006 driemaandelijkse verslagen in bij het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid.

Artikel 5

Adressaten

Deze beschikking is gericht tot de Bondsrepubliek Duitsland.

Gedaan te Brussel, 20 oktober 2006.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 10 van 14.1.2006, blz. 16.


21.10.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 291/40


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 20 oktober 2006

tot wijziging van Beschikking 92/452/EEG wat betreft bepaalde embryoteams en embryoproductieteams in de Verenigde Staten van Amerika

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 4907)

(Voor de EER relevante tekst)

(2006/706/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 89/556/EEG van de Raad van 25 september 1989 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in embryo's van als huisdier gehouden runderen en de invoer daarvan uit derde landen (1), en met name op artikel 8, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Beschikking 92/452/EEG van de Commissie van 30 juli 1992 houdende vaststelling van lijsten van embryoteams en embryoproductieteams die in derde landen zijn erkend met het oog op de uitvoer van runderembryo's naar de Gemeenschap (2) bepaalt dat de lidstaten alleen embryo's uit derde landen mogen invoeren als die embryo's zijn verzameld, behandeld en opgeslagen door in de lijsten van die beschikking vermelde embryoteams.

(2)

De Verenigde Staten van Amerika hebben gevraagd deze lijsten voor hun land te wijzigen wat bepaalde embryoteams en embryoproductieteams betreft.

(3)

De Verenigde Staten van Amerika hebben garanties gegeven betreffende de naleving van de desbetreffende voorschriften van Richtlijn 89/556/EEG en de betrokken embryoteams zijn door de veterinaire diensten van het land officieel erkend voor uitvoer naar de Gemeenschap.

(4)

Beschikking 92/452/EEG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De bijlage bij Beschikking 92/452/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze beschikking.

Artikel 2

Deze beschikking is van toepassing met ingang van de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 20 oktober 2006.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 302 van 19.10.1989, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2006/60/EG van de Commissie (PB L 31 van 3.2.2006, blz. 24).

(2)  PB L 250 van 29.8.1992, blz. 40. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2006/614/EG (PB L 252 van 15.9.2006, blz. 25).


BIJLAGE

De bijlage bij Beschikking 92/452/EEG wordt als volgt gewijzigd:

a)

de volgende rijen voor de Verenigde Staten van Amerika worden ingevoegd:

„US

 

06TX126

E1482

 

Smith Genetics

1316 PR 2231

Giddings, TX 78942

Dr. Gary Moore

US

 

06VA127

E1592

 

Patrick Comyn

110 South Main St

Madison, VA 22727

Dr. Patrick Comyn”

b)

de rij voor embryoteam nr. 04WI109 uit de Verenigde Staten van Amerika wordt vervangen door:

„US

 

04WI109

E1257

 

Cashton Veterinary Clinic

S 448 Nilsestuen Road

Cashton, WI 54619

Dr. Brent Beck”


21.10.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 291/42


BESLUIT Nr. 06/EG/2006 VAN DE GEZAMENLIJKE COMMISSIE OPGERICHT BIJ DE OVEREENKOMST INZAKE WEDERZIJDSE ERKENNING TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP EN JAPAN

van 12 juni 2006

wat de registratie van een overeenstemmingsbeoordelingsinstantie in het kader van de sectorbijlage betreffende eindapparatuur voor telecommunicatie en radioapparatuur betreft

(2006/707/EG)

DE GEZAMENLIJKE COMMISSIE,

Gelet op de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en Japan, en met name op artikel 8, lid 3, onder a), en artikel 9, lid 1, onder b),

Overwegende dat de gezamenlijke commissie een besluit moet nemen over de opname van een of meer overeenstemmingsbeoordelingsinstanties in een sectorbijlage,

BESLUIT:

1)

Onderstaande overeenstemmingsbeoordelingsinstantie wordt opgenomen in de sectorbijlage betreffende eindapparatuur voor telecommunicatie en radioapparatuur van de overeenkomst en is bevoegd voor de volgende producten en overeenstemmingsbeoordelingsprocedures:

Naam, acroniem en contactgegevens van de overeenstemmingsbeoordelingsinstantie:

 

Naam: Phoenix Testlab GmbH

 

Tel. (49) 5235 9500 24

 

Fax (49) 5235 9500 28

 

E-mail: bentje.holger@phoenix-testlab.de

 

Adres: Königswinkel 10, 32825 Blomberg, Duitsland

 

Internet: http://www.phoenix-testlab.de

 

Contactpersoon: Holger Bentje

Producten en overeenstemmingsbeoordelingsprocedures waarvoor de opneming geldt:

Radioapparatuur:

Gespecificeerde radioapparatuur als omschreven in artikel 38-2, lid 1, punten 1, 2 en 3, van de Radioapparatuurwet.

2)

Dit besluit, opgesteld in twee exemplaren, wordt door de medevoorzitters ondertekend. Dit besluit treedt in werking op de datum waarop de laatste van deze handtekeningen wordt aangebracht.

Ondertekend te Tokio, 12 juni 2006.

Namens Japan

Komiko ICHIKAWA

Ondertekend te Brussel, 31 mei 2006.

Namens de Europese Gemeenschap

Andra KOKE


Besluiten aangenomen krachtens titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie

21.10.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 291/43


GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN 2006/708/GBVB VAN DE RAAD

van 17 oktober 2006

houdende wijziging en verlenging van Gemeenschappelijk Optreden 2005/190/GBVB inzake de geïntegreerde rechtsstaatmissie van de Europese Unie voor Irak, EUJUST LEX

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 14,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 12 juni 2006 is de Raad, na een evaluatie van de missie door de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger, overeengekomen EUJUST LEX na het verstrijken van het huidige mandaat, met 18 maanden, dat wil zeggen tot en met 31 december 2007, te verlengen.

(2)

Op dezelfde datum heeft de Raad Gemeenschappelijk Optreden 2006/413/GBVB houdende wijziging en verlenging van Gemeenschappelijk Optreden 2005/190/GBVB inzake de geïntegreerde rechtsstaatmissie van de Europese Unie voor Irak, EUJUST LEX (1), aangenomen. Dat gemeenschappelijk optreden bestrijkt de eerste fase van de verlenging, tot en met 31 oktober 2006.

(3)

Het onderhavige gemeenschappelijk optreden moet de grondslag vormen voor de tweede fase van deze verlenging, tot en met 31 december 2007.

(4)

Gemeenschappelijk Optreden 2005/190/GBVB (2) moet dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN VASTGESTELD:

Artikel 1

Gemeenschappelijk Optreden 2005/190/GBVB wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 11, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   Gelet op de specifieke veiligheidssituatie in Irak worden diensten in Bagdad verstrekt in het kader van de contracten die het Verenigd Koninkrijk heeft gesloten met de bedrijven die deze diensten verstrekken en factureren. De uitgaven hiervoor worden tot ten hoogste 2,4 miljoen EUR uit de middelen van EUJUST LEX betaald. Het Verenigd Koninkrijk doet, in overleg met het hoofd van de missie, aan de Raad een verslag met adequate informatie over deze uitgaven toekomen.”.

2)

In artikel 14 wordt de tweede alinea vervangen door:

„Het verstrijkt op 31 december 2007.”.

Artikel 2

Het financieel referentiebedrag ter dekking van de extra kosten van de missie voor de periode van 1 november 2006 tot en met 31 december 2007 bedraagt maximaal 11,2 miljoen EUR.

Artikel 3

Dit gemeenschappelijk optreden treedt in werking op de datum waarop het wordt aangenomen.

Artikel 4

Dit gemeenschappelijk optreden wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Luxemburg, 17 oktober 2006.

Voor de Raad

De voorzitter

E. TUOMIOJA


(1)  PB L 163 van 15.6.2006, blz. 17.

(2)  PB L 62 van 9.3.2005, blz. 37.


Rectificaties

21.10.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 291/44


Rectificatie van rectificatie van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong

( Publicatieblad van de Europese Unie L 226 van 25 juni 2004 )

Bladzijde 54, bijlage III, sectie V, hoofdstuk III, punt 2, onder c):

in plaats van:

„c)

Onmiddellijk na de productie moet gehakt vlees van een onmiddellijke verpakking en/of een verpakking worden voorzien, (…)”,

te lezen:

„c)

Onmiddellijk na de productie moeten gehakt vlees en vleesbereidingen van een onmiddellijke verpakking en/of een verpakking worden voorzien, (…)”.


21.10.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 291/44


Rectificatie van Verordening (EG) nr. 2111/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2005 betreffende de vaststelling van een communautaire lijst van luchtvaartmaatschappijen waaraan een exploitatieverbod binnen de Gemeenschap is opgelegd en het informeren van luchtreizigers over de identiteit van de exploiterende luchtvaartmaatschappij, en tot intrekking van artikel 9 van Richtlijn 2004/36/EG

( Publicatieblad van de Europese Unie L 344 van 27 december 2005 )

Bladzijde 17, artikel 2, onder a), bladzijde 18, artikel 2, onder f) en g), en bladzijde 22, bijlage, punt 3, tweede streepje, onder b):

in plaats van:

„exploitatievergunning”

te lezen:

„exploitatietoestemming”.