|
ISSN 1725-2598 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 189 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
49e jaargang |
|
|
|
II Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing |
|
|
|
|
Raad |
|
|
|
* |
||
|
|
|
Commissie |
|
|
|
* |
Beschikking van de Commissie van 10 juli 2006 tot wijziging van aanhangsel A van bijlage VIII bij de Toetredingsakte van 2003 wat bepaalde inrichtingen in de melksector in Letland betreft (Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 3084) ( 1 ) |
|
|
|
* |
Beschikking van de Commissie van 11 juli 2006 tot wijziging van aanhangsel B bij bijlage IX bij de Toetredingsakte van 2003 wat bepaalde inrichtingen in de vleessector in Litouwen betreft (Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 3115) ( 1 ) |
|
|
|
|
Conferentie van de Vertegenwoordigers van de Regeringen van de Lid-Staten |
|
|
|
* |
|
|
|
Besluiten aangenomen krachtens titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing
|
12.7.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 189/1 |
VERORDENING (EG) Nr. 1051/2006 VAN DE COMMISSIE
van 11 juli 2006
tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt. |
|
(2) |
Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 12 juli 2006.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 11 juli 2006.
Voor de Commissie
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 386/2005 (PB L 62 van 9.3.2005, blz. 3).
BIJLAGE
bij de verordening van de Commissie van 11 juli 2006 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
052 |
93,3 |
|
999 |
93,3 |
|
|
0707 00 05 |
052 |
124,8 |
|
999 |
124,8 |
|
|
0709 90 70 |
052 |
87,1 |
|
999 |
87,1 |
|
|
0805 50 10 |
388 |
58,9 |
|
524 |
54,3 |
|
|
528 |
58,5 |
|
|
999 |
57,2 |
|
|
0808 10 80 |
388 |
88,1 |
|
400 |
106,1 |
|
|
404 |
94,7 |
|
|
508 |
85,1 |
|
|
512 |
74,5 |
|
|
524 |
48,2 |
|
|
528 |
62,0 |
|
|
720 |
106,9 |
|
|
800 |
162,7 |
|
|
804 |
97,3 |
|
|
999 |
92,6 |
|
|
0808 20 50 |
388 |
101,5 |
|
512 |
97,4 |
|
|
528 |
90,5 |
|
|
720 |
32,6 |
|
|
999 |
80,5 |
|
|
0809 10 00 |
052 |
176,2 |
|
999 |
176,2 |
|
|
0809 20 95 |
052 |
305,3 |
|
068 |
95,0 |
|
|
400 |
425,1 |
|
|
999 |
275,1 |
|
|
0809 30 10 , 0809 30 90 |
052 |
124,8 |
|
999 |
124,8 |
|
|
0809 40 05 |
624 |
140,2 |
|
999 |
140,2 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 750/2005 van de Commissie (PB L 126 van 19.5.2005, blz. 12). De code „ 999 ” staat voor „andere oorsprong”.
|
12.7.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 189/3 |
VERORDENING (EG) Nr. 1052/2006 VAN DE COMMISSIE
van 11 juli 2006
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2222/2000 houdende financiële uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1268/1999 van de Raad inzake steunverlening door de Gemeenschap voor pretoetredingsmaatregelen op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling in de kandidaat-lidstaten in Midden- en Oost-Europa gedurende de pretoetredingsperiode (Sapard)
(Voor de EER relevante tekst)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1268/1999 van de Raad van 21 juni 1999 inzake steunverlening door de Gemeenschap voor pretoetredingsmaatregelen op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling in de kandidaat-lidstaten in Midden- en Oost-Europa gedurende de pretoetredingsperiode (1), en met name op artikel 12, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2222/2000 van de Commissie (2) zijn bepalingen opgenomen betreffende het ambtshalve annuleren van niet-gebruikte kredieten en wordt, in de zin van artikel 31, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen (3), bepaald dat dit voor 2004 en 2005 zal plaatsvinden op 31 december van het tweede jaar na het jaar waarin de betrokken financiële verplichting is aangegaan (de „n+2-regel” voor het ambtshalve annuleren). |
|
(2) |
In 2005 hebben ernstige overstromingen in Bulgarije en vooral in Roemenië de toepassing van het instrument extra bemoeilijkt; dit zal waarschijnlijk gevolgen hebben voor het gebruik van de kredieten voor 2004 en 2005. |
|
(3) |
Derhalve is het gerechtvaardigd om voor 2004 en 2005 met betrekking tot Bulgarije en Roemenië voor het ambtshalve annuleren een „n+3-regel” toe te passen. |
|
(4) |
Verordening (EG) nr. 2222/2000 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(5) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van het Europees Oriëntatie en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2222/2000 wordt vervangen door:
„3. Rekening houdend met de bepalingen van artikel 10 annuleert de Commissie het gedeelte van een aangegane betalingsverplichting dat niet door de betaling van het voorschot is nagekomen of waarvoor geen ontvankelijke betalingsaanvraag bij de Commissie is ingediend, op de volgende data:
|
a) |
voor de kredieten in het kader van de jaarlijkse toewijzing voor 2000: 31 december 2004; |
|
b) |
voor de kredieten in het kader van de jaarlijkse toewijzing voor 2001: 31 december 2005; |
|
c) |
voor de kredieten in het kader van de jaarlijkse toewijzing voor 2002: 31 december 2006; |
|
d) |
voor de kredieten in het kader van de jaarlijkse toewijzing voor 2003: 31 december 2006; |
|
e) |
voor de kredieten in het kader van de jaarlijkse toewijzing voor 2004: 31 december 2007; |
|
f) |
voor de kredieten in het kader van de jaarlijkse toewijzing voor 2005: 31 december 2008; |
|
g) |
voor de kredieten in het kader van de jaarlijkse toewijzing voor 2006: 31 december 2008.”. |
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 11 juli 2006.
Voor de Commissie
Mariann FISCHER BOEL
Lid van de Commissie
(1) PB L 161 van 26.6.1999, blz. 87. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2112/2005 (PB L 344 van 27.12.2005, blz. 23).
(2) PB L 253 van 7.10.2000, blz. 5. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 188/2003 (PB L 27 van 1.2.2003, blz. 14).
(3) PB L 161 van 26.6.1999, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 173/2005 (PB L 29 van 2.2.2005, blz. 3).
|
12.7.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 189/5 |
VERORDENING (EG) Nr. 1053/2006 VAN DE COMMISSIE
van 11 juli 2006
houdende tiende wijziging van Verordening (EG) nr. 1763/2004 van de Raad tot vaststelling van bepaalde beperkende maatregelen ter ondersteuning van de daadwerkelijke uitvoering van het mandaat van het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië (ICTY)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1763/2004 van de Raad van 11 oktober 2004 tot vaststelling van bepaalde beperkende maatregelen ter ondersteuning van de daadwerkelijke uitvoering van het mandaat van het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië (ICTY) (1), en met name op artikel 10, onder a),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1763/2004 worden de personen opgesomd wier tegoeden en economische middelen krachtens die verordening worden bevroren. |
|
(2) |
De Commissie is gemachtigd deze bijlage te actualiseren, rekening houdend met de besluiten van de Raad tot uitvoering van Gemeenschappelijk Standpunt 2004/694/GBVB van de Raad van 11 oktober 2004 inzake verdere maatregelen ter ondersteuning van de daadwerkelijke uitvoering van het mandaat van het ICTY (2). Besluit 2006/484/GBVB van de Raad legt dat gemeenschappelijk standpunt ten uitvoer. Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1763/2004 dient bijgevolg dienovereenkomstig te worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1763/2004 wordt hierbij gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 11 juli 2006.
Voor de Commissie
Eneko LANDÁBURU
Directeur-generaal Buitenlandse betrekkingen
(1) PB L 315 van 14.10.2004, blz. 14. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 416/2006 van de Commissie (PB L 72 van 11.3.2006, blz. 7).
(2) PB L 315 van 14.10.2004, blz. 52. Gemeenschappelijk Standpunt laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2006/484/GBVB (zie bladzijde 25 van dit Publicatieblad).
BIJLAGE
De volgende persoon wordt uit de lijst van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1763/2004 geschrapt:
Zelenovic, Dragan. Geboortedatum: 12.2.1961. Geboorteplaats: Foca, Bosnië en Herzegovina. Nationaliteit: Bosnië en Herzegovina.
II Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing
Raad
|
12.7.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 189/7 |
BESLUIT VAN DE RAAD
van 19 juni 2006
tot benoeming van de helft van de leden van de raad van bestuur van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid
(2006/478/EG)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (1), en met name op artikel 25, lid 1,
Gezien de lijst van kandidaten die de Commissie van de Europese Gemeenschappen bij de Raad heeft ingediend,
Gezien de standpunten van het Europees Parlement,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het is essentieel dat onafhankelijkheid, een hoog wetenschappelijk niveau, doorzichtigheid en efficiëntie voor de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (hierna „de Autoriteit” genoemd) gewaarborgd zijn. Ook samenwerking met de lidstaten is onontbeerlijk. |
|
(2) |
Van de helft van de leden van de raad van bestuur van de Autoriteit zal de ambtstermijn op 30 juni 2006 verstrijken. |
|
(3) |
Met het oog op de benoeming van zeven nieuwe leden van de raad van bestuur zijn de kandidaturen op basis van de door de Commissie verstrekte gegevens en in het licht van de standpunten van het Europees Parlement in beraad genomen, teneinde ervoor te zorgen dat de hoogste graad van bekwaamheid, een uitgebreide relevante deskundigheid, bijvoorbeeld op het gebied van management en overheidsadministratie, en een zo breed mogelijke geografische spreiding in de Unie verzekerd zijn. |
|
(4) |
Een van deze leden moet banden hebben met organisaties die de consumenten en andere belangengroepen met betrekking tot de voedselketen vertegenwoordigen, |
BESLUIT:
Artikel 1
Voor de periode van 1 juli 2006 tot en met 30 juni 2010 worden benoemd tot lid van de raad van bestuur van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid:
|
— |
BÁNÁTI Diána, |
|
— |
ELVANDER Marianne, |
|
— |
GÆMELKE Peter (2), |
|
— |
GUILLOU Marion, |
|
— |
SANGSTER Bart, |
|
— |
VAXELAIRE Roland, |
|
— |
YAZITZOGLOU Konstantinos. |
Artikel 2
Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Luxemburg, 19 juni 2006.
Voor de Raad
De voorzitter
J. PRÖLL
(1) PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 575/2006 (PB L 100 van 8.4.2006, blz. 3).
(2) Lid dat banden heeft met organisaties die de consumenten en andere belangengroepen met betrekking tot de voedselketen vertegenwoordigen.
Commissie
|
12.7.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 189/9 |
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 10 juli 2006
tot wijziging van aanhangsel A van bijlage VIII bij de Toetredingsakte van 2003 wat bepaalde inrichtingen in de melksector in Letland betreft
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 3084)
(Voor de EER relevante tekst)
(2006/479/EG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op de Akte betreffende de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, en met name op bijlage VIII, hoofdstuk 4, afdeling B, onderafdeling I, punt 1, onder d),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Aan Letland is voor bepaalde in aanhangsel A (1) van bijlage VIII bij de Toetredingsakte van 2003 vermelde inrichtingen een overgangsperiode toegestaan. Dat aanhangsel is gewijzigd bij de Beschikkingen 2004/460/EG (2), 2004/472/EG (3) en 2005/420/EG (4) van de Commissie. |
|
(2) |
Letland heeft schriftelijk verklaard dat alle negen overblijvende inrichtingen op de lijst van inrichtingen in de melksector waarvoor een overgangsregeling geldt, hetzij hun moderniseringsproces hebben voltooid en nu volledig aan de communautaire wetgeving voldoen, hetzij hun activiteiten hebben gestaakt. Die inrichtingen moeten daarom worden geschrapt uit de lijst van inrichtingen waarvoor een overgangsregeling geldt. |
|
(3) |
Aanhangsel A van bijlage VIII bij de Toetredingsakte van 2003 dient derhalve te worden gewijzigd. |
|
(4) |
Het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is van de in deze beschikking vastgestelde maatregelen op de hoogte gebracht, |
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
De in de bijlage bij deze beschikking vermelde inrichtingen worden geschrapt uit aanhangsel A van bijlage VIII bij de Toetredingsakte van 2003.
Artikel 2
Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 10 juli 2006.
Voor de Commissie
Markos KYPRIANOU
Lid van de Commissie
(1) PB C 227 E, 23.9.2003 van 104.
(2) PB L 156 van 30.4.2004, blz. 78, gerectificeerd in PB L 202 van 7.6.2004, blz. 58.
(3) PB L 160 van 30.4.2004, blz. 61, gerectificeerd in PB L 212 van 12.6.2004, blz. 34.
BIJLAGE
Lijst van inrichtingen die moeten worden geschrapt uit aanhangsel A van bijlage VIII bij de Toetredingsakte van 2003
VLEESINRICHTINGEN
|
Nr. |
Vet. Nr. |
Naam van de inrichting |
Tekortkomingen |
Datum van volledige toepassing |
||||||||||||||||||||||||||||||
|
1 |
|
“Talsu gaļa”, Akciju sabiedrība |
Richtlijn 64/433/EEG van de Raad:
Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:
Richtlijn 94/65/EG van de Raad:
|
31.12.2005 |
||||||||||||||||||||||||||||||
|
2 |
|
“Tukuma gaļas pārstrādes sabiedrība”, Akciju sabiedrība |
Richtlijn 64/433/EEG van de Raad:
Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:
Richtlijn 94/65/EG van de Raad:
|
31.12.2005 |
||||||||||||||||||||||||||||||
|
3 |
|
“Triāls” filiāle “Valmieras gaļas kombināts”, Sabiedrība ar ierobežotu atbildību |
Richtlijn 64/433/EEG van de Raad:
Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:
Richtlijn 94/65/EG van de Raad:
|
31.12.2005 |
||||||||||||||||||||||||||||||
|
4 |
|
Gravendāle, Sabiedrība ar ierobežotu atbildību |
Richtlijn 64/433/EEG van de Raad:
Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:
Richtlijn 94/65/EG van de Raad:
|
31.12.2005 |
||||||||||||||||||||||||||||||
|
5 |
|
Putnu fabrika “Kękava”, Akciju sabiedrība |
Richtlijn 71/118/EEG van de Raad:
Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:
Richtlijn 94/65/EG van de Raad: Bijlage I, hoofdstuk III, punt 1, onder a) |
31.12.2005 |
||||||||||||||||||||||||||||||
|
6 |
|
“Erso7”, Sabiedrība ar ierobežotu atbildību |
Richtlijn 64/433/EEG van de Raad:
Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:
|
31.12.2005 |
||||||||||||||||||||||||||||||
|
7 |
|
“Strautmaļi”, Zemnieku saimniecība |
Richtlijn 64/433/EEG van de Raad:
Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:
|
31.12.2005 |
||||||||||||||||||||||||||||||
|
8 |
|
“Bērzlejas”, Zemnieku saimniecība |
Richtlijn 64/433/EEG van de Raad:
Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:
|
31.12.2005 |
||||||||||||||||||||||||||||||
|
9 |
|
GPC “Smārde”, Sabiedrība ar ierobežotu atbildību |
Richtlijn 64/433/EEG van de Raad:
Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:
|
31.12.2005 |
|
12.7.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 189/12 |
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 11 juli 2006
tot wijziging van aanhangsel B bij bijlage IX bij de Toetredingsakte van 2003 wat bepaalde inrichtingen in de vleessector in Litouwen betreft
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 3115)
(Voor de EER relevante tekst)
(2006/480/EG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op de Akte van toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, en met name op bijlage IX, hoofdstuk 5, afdeling B, onderafdeling I, onder d),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Aan Litouwen is een overgangsperiode toegestaan voor bepaalde inrichtingen die zijn opgenomen in aanhangsel B (1) bij bijlage IX bij de Toetredingsakte van 2003. |
|
(2) |
Aanhangsel B bij bijlage IX bij de Toetredingsakte van 2003 is gewijzigd bij Beschikking 2004/472/EG (2), Beschikking 2004/473/EG (3), Beschikking 2005/421/EG (4) en Beschikking 2005/657/EG (5) van de Commissie. |
|
(3) |
Uit een officiële verklaring van de bevoegde Litouwse autoriteit blijkt dat bepaalde inrichtingen in de vleessector hun moderniseringsproces hebben voltooid en nu volledig aan de communautaire wetgeving voldoen. Eén inrichting heeft haar activiteiten gestaakt. Die inrichtingen moeten daarom worden geschrapt uit de lijst van inrichtingen waarvoor een overgangsregeling geldt. |
|
(4) |
Aanhangsel B bij bijlage IX bij de Toetredingsakte van 2003 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. Ter wille van de duidelijkheid moet het worden vervangen. |
|
(5) |
Het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is van de in deze beschikking vastgestelde maatregelen op de hoogte gebracht, |
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
Aanhangsel B bij bijlage IX bij de Toetredingsakte van 2003 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze beschikking.
Artikel 2
Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 11 juli 2006.
Voor de Commissie
Markos KYPRIANOU
Lid van de Commissie
(1) PB C 227 E van 23.9.2003, blz. 438.
(2) PB L 160 van 30.4.2004, blz. 62, gerectificeerd in PB L 212 van 12.6.2004, blz. 34.
(3) PB L 160 van 30.4.2004, blz. 67, gerectificeerd in PB L 212 van 12.6.2004, blz. 39.
BIJLAGE
„Aanhangsel B
bedoeld in hoofdstuk 5, afdeling B, onderafdeling I, van bijlage IX (1)
Lijst van inrichtingen, met de tekortkomingen en de uiterste data voor het verhelpen van de tekortkomingen
VLEESINRICHTINGEN
Initiële lijst
|
Nr. |
Vet. Nr. |
Naam van de inrichting |
Tekortkomingen |
Datum waarop aan alle voorwaarden moet zijn voldaan |
||||||||||||||||||||||||
|
1 |
77-23 |
Z.Gerulio II |
Richtlijn 64/433/EEG van de Raad:
Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:
|
1.11.2006 |
||||||||||||||||||||||||
|
2 |
77-02 |
UAB „Stragutės mėsa” |
Richtlijn 64/433/EEG van de Raad:
Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:
|
1.11.2006 |
||||||||||||||||||||||||
|
3 |
88-01 |
AB „Grabupėliai” |
Richtlijn 64/433/EEG van de Raad:
Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:
|
1.11.2006 |
||||||||||||||||||||||||
|
Vleesproducteninrichtingen met hoge capaciteit |
||||||||||||||||||||||||||||
|
4 |
41-20 |
UAB „Rukesa ir ko” |
Richtlijn 64/433/EEG van de Raad:
Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:
|
1.5.2006 |
||||||||||||||||||||||||
VISSERIJINRICHTINGEN
Initiële lijst
|
Nr. |
Vet. Nr. |
Naam van de inrichting |
Tekortkomingen |
Datum waarop aan alle voorwaarden moet zijn voldaan |
||||||||||
|
1 |
55-27 |
UAB „Myxum” |
Richtlijn 91/493/EEG van de Raad:
|
1.11.2006 |
MELKINRICHTINGEN
Initiële lijst
|
Nr. |
Vet. Nr. |
Naam van de inrichting |
Tekortkomingen |
Datum waarop aan alle voorwaarden moet zijn voldaan |
||||
|
1 |
54-01P |
UAB „Kelmės pieninė” |
Richtlijn 92/46/EEG van de Raad:
|
1.11.2006” |
(1) Voor de tekst van bijlage IX zie PB L 236 van 23.9.2003, blz. 836.
Conferentie van de Vertegenwoordigers van de Regeringen van de Lid-Staten
|
12.7.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 189/15 |
BESLUIT VAN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN VAN DE LIDSTATEN
van 22 juni 2006
houdende benoeming van een rechter bij het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen
(2006/481/EG, Euratom)
DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN VAN DE LIDSTATEN VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 224,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name op artikel 140,
Overwegende hetgeen volgt:
Krachtens de artikelen 5 en 7 in samenhang met artikel 47 van het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie, en ten gevolge van het ontslag van mevrouw Pernilla LINDH, dient een rechter bij het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen te worden benoemd voor het resterende gedeelte van haar mandaat, d.w.z. tot en met 31 augustus 2007,
BESLUIT:
Artikel 1
De heer Nils WAHL wordt benoemd tot rechter bij het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen met ingang van de datum van zijn eedaflegging tot en met 31 augustus 2007.
Artikel 2
Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 22 juni 2006.
Voor de Raad
De voorzitter
G. WOSCHNAGG
Besluiten aangenomen krachtens titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie
|
12.7.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 189/16 |
BESLUIT 2006/482/GBVB VAN DE RAAD
van 10 april 2006
betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Turkije tot vaststelling van een kader voor de deelname van de Republiek Turkije aan de crisisbeheersingsoperatie van de Europese Unie
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 24,
Gezien de aanbeveling van het voorzitterschap,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De voorwaarden voor de deelname van derde staten aan EU-crisisbeheersingsoperaties dienen te worden vastgelegd in een overeenkomst tot vaststelling van een kader voor de mogelijke deelname in de toekomst, in plaats van per geval voor elke desbetreffende operatie te worden bepaald. |
|
(2) |
Hiertoe op 23 februari 2004 door de Raad gemachtigd, heeft het voorzitterschap, bijgestaan door de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger, onderhandeld over een overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Turkije tot vaststelling van een kader voor de deelname van de Republiek Turkije aan de crisisbeheersingsoperaties van de Europese Unie. |
|
(3) |
De overeenkomst dient te worden goedgekeurd, |
BESLUIT:
Artikel 1
De overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Turkije tot vaststelling van een kader voor de deelname van de Republiek Turkije aan de crisisbeheersingsoperaties van de Europese Unie wordt namens de Europese Unie goedgekeurd.
De tekst van de overeenkomst is aan dit besluit gehecht.
Artikel 2
De voorzitter van de Raad is gemachtigd de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) de overeenkomst te ondertekenen teneinde daardoor de Europese Unie te binden.
Artikel 3
Dit besluit wordt van kracht op de dag van zijn aanneming.
Artikel 4
Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Luxemburg, 10 april 2006.
Voor de Raad
De voorzitster
U. PLASSNIK
VERTALING
OVEREENKOMST
tussen de Europese Unie en de Republiek Turkije waarbij een kader wordt vastgesteld voor de deelname van de Republiek Turkije aan de crisisbeheersingsoperaties van de Europese Unie
DE EUROPESE UNIE,
enerzijds, en
DE REPUBLIEK TURKIJE
anderzijds,
hierna te noemen „de partijen”,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Europese Unie (EU) kan besluiten over te gaan tot actie op het gebied van crisisbeheersing. |
|
(2) |
De Europese Unie zal besluiten of derde landen worden uitgenodigd deel te nemen aan een crisisbeheersingsoperatie van de EU. De Republiek Turkije kan deze uitnodiging van de Europese Unie aannemen en haar bijdrage aanbieden. De Europese Unie zal dan een besluit nemen over het aanvaarden van de voorgestelde bijdrage van de Republiek Turkije. |
|
(3) |
Wanneer de Europese Unie besluit een militaire crisisbeheersingsoperatie uit te voeren met gebruikmaking van NAVO-middelen en -vermogens, kan de Republiek Turkije haar principiële voornemen kenbaar maken om aan de operatie deel te nemen. |
|
(4) |
De Europese Raad van Brussel van 24 en 25 oktober 2002 heeft overeenstemming bereikt over de regels voor de uitvoering van de door de Europese Raad van Nice op 7-9 december 2000 overeengekomen bepalingen met betrekking tot de betrokkenheid van de niet tot de EU behorende Europese NAVO-leden bij door de EU geleide operaties. |
|
(5) |
De voorwaarden voor deelname van de Republiek Turkije aan crisisbeheersingsoperaties van de EU moeten worden vastgelegd in een overeenkomst waarbij een kader voor een dergelijke mogelijke toekomstige deelname wordt vastgesteld, en moeten bij voorkeur niet per operatie afzonderlijk worden bepaald. |
|
(6) |
Een dergelijke overeenkomst mag geen afbreuk doen aan de autonome besluitvorming van de Europese Unie en mag niet vooruitlopen op de per geval te nemen besluiten van de Republiek Turkije om deel te nemen aan een crisisbeheersingsoperatie van de EU. |
|
(7) |
Een dergelijke overeenkomst moet alleen betrekking hebben op toekomstige crisisbeheersingsoperaties van de EU en mag geen afbreuk doen aan eventuele bestaande overeenkomsten waarbij de deelname van de Republiek Turkije aan een reeds ondernomen crisisbeheersingsoperatie van de EU wordt geregeld, |
BESLUITEN:
DEEL I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Besluiten in verband met deelname
1. Wanneer de Europese Unie besluit de Republiek Turkije uit te nodigen deel te nemen aan een crisisbeheersingsoperatie van de EU en wanneer de Republiek Turkije besluit deel te nemen, verstrekt de Republiek Turkije informatie over de bijdrage die zij aan de Europese Unie wil voorstellen.
2. Wanneer de Europese Unie besluit een militaire crisisbeheersingsoperatie uit te voeren met gebruikmaking van NAVO-middelen en -vermogens, stelt de Republiek Turkije de Europese Unie ervan in kennis of zij voornemens is aan de operatie deel te nemen, en verstrekt zij vervolgens informatie over een eventuele voorgestelde bijdrage.
3. De evaluatie door de Europese Unie van de bijdrage van de Republiek Turkije wordt in overleg met de Republiek Turkije verricht.
4. De Europese Unie verstrekt de Republiek Turkije zo spoedig mogelijk een eerste indicatie van de vermoedelijke bijdrage in de gemeenschappelijke kosten van de operatie teneinde de Republiek Turkije bij te staan bij de formulering van haar aanbod.
5. De Europese Unie deelt het resultaat van de evaluatie per brief aan de Republiek Turkije mee teneinde de deelname van de Republiek Turkije te garanderen overeenkomstig het bepaalde in deze overeenkomst.
Artikel 2
Kader
1. De Republiek Turkije sluit zich aan bij het gemeenschappelijk optreden waarbij de Raad van de Europese Unie besluit dat de EU de crisisbeheersingsoperatie zal uitvoeren, en bij ieder gemeenschappelijk optreden of besluit waarbij de Raad van de Europese Unie besluit de crisisbeheersingsoperatie van de EU te verlengen overeenkomstig de bepalingen van deze overeenkomst en eventuele vereiste uitvoeringsregelingen.
2. De deelname van de Republiek Turkije aan een crisisbeheersingsoperatie van de EU doet geen afbreuk aan de autonome besluitvorming van de Europese Unie.
Artikel 3
Status van het personeel en de troepen
1. De status van personeel dat door de Republiek Turkije wordt uitgezonden naar een civiele crisisbeheersingsoperatie van de EU en/of van de troepen die door de Republiek Turkije worden geleverd voor een militaire crisisbeheersingsoperatie van de EU wordt geregeld door de overeenkomst over de status van de troepen/missie, indien beschikbaar, die wordt gesloten door de Europese Unie en het land/de landen waar de operatie wordt uitgevoerd.
2. De status van personeel dat is uitgezonden naar het hoofdkwartier of de commando-onderdelen buiten het land/de landen waar de crisisbeheersingsoperatie van de EU wordt uitgevoerd, wordt bepaald middels regelingen tussen het betrokken hoofdkwartier en de betrokken commando-onderdelen en de Republiek Turkije.
3. Onverminderd de in lid 1 bedoelde overeenkomst over de status van de troepen/missie oefent de Republiek Turkije bevoegdheid uit ten aanzien van haar aan de crisisbeheersingsoperatie van de EU deelnemend personeel.
4. De Republiek Turkije is verantwoordelijk voor de afhandeling van schadevorderingen van of aangaande leden van haar personeel, met betrekking tot de deelname aan een crisisbeheersingsoperatie van de EU. De Republiek Turkije stelt in voorkomend geval een, inzonderheid juridische of disciplinaire, vordering in tegen leden van haar personeel.
5. De Republiek Turkije zegt toe bij de ondertekening van deze overeenkomst een verklaring af te leggen inzake het afzien van schadevorderingen tegen een aan een crisisbeheersingsoperatie van de EU deelnemend land. Een model voor die verklaring is aan deze overeenkomst gehecht.
6. De Europese Unie zegt toe er zorg voor te dragen dat haar lidstaten bij de ondertekening van deze overeenkomst een verklaring afleggen inzake het afzien van schadevorderingen tegen de Republiek Turkije wanneer die staat deelneemt aan een crisisbeheersingsoperatie van de EU. Een model voor die verklaring is aan deze overeenkomst gehecht.
Artikel 4
Gerubriceerde informatie
1. De Republiek Turkije neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat gerubriceerde EU-informatie wordt beschermd overeenkomstig de beveiligingsvoorschriften van de Raad van de Europese Unie, vervat in Besluit 2001/264/EG van de Raad van 19 maart 2001 (1), en overeenkomstig verdere richtsnoeren van de bevoegde autoriteiten, waaronder de operationele commandant van de EU in het geval van een militaire crisisbeheersingsoperatie van de EU, en het hoofd van de missie van de EU in het geval van een civiele crisisbeheersingsoperatie van de EU.
2. Indien de EU gerubriceerde informatie van de Republiek Turkije ontvangt, krijgt die informatie een mate van bescherming die past bij de rubricering ervan en in overeenstemming is met de normen die zijn vastgelegd in de voorschriften voor gerubriceerde informatie van de EU.
3. Indien de EU en de Republiek Turkije een overeenkomst over beveiligingsvoorschriften voor de uitwisseling van gerubriceerde informatie zijn aangegaan, gelden de bepalingen daarvan ook voor een crisisbeheersingsoperatie van de EU.
DEEL II
BEPALINGEN OVER DE DEELNAME AAN CIVIELE CRISISBEHEERSINGSOPERATIES
Artikel 5
Personeel dat gedetacheerd wordt naar een civiele crisisbeheersingsoperatie van de EU
1. De Republiek Turkije draagt er zorg voor dat het door haar naar de civiele crisisbeheersingsoperatie van de EU gedetacheerde personeel zijn taak uitoefent overeenkomstig:
|
— |
het gezamenlijk optreden en latere wijzigingen als bedoeld in artikel 2, lid 1, van deze overeenkomst, |
|
— |
het operatieplan, |
|
— |
de uitvoeringsmaatregelen. |
2. De Republiek Turkije informeert te gelegener tijd het hoofd van de missie van de civiele crisisbeheersingsoperatie van de EU en het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie over elke wijziging in haar bijdrage aan de civiele crisisbeheersingsoperatie van de EU.
3. Naar de civiele crisisbeheersingsoperatie van de EU gedetacheerd personeel wordt door een bevoegde autoriteit van de Republiek Turkije medisch gekeurd, ingeënt en medisch geschikt verklaard voor het werk. Naar de civiele crisisbeheersingsoperatie van de EU gedetacheerd personeel verstrekt een afschrift van deze verklaring.
Artikel 6
Commandostructuur
1. Het door de Republiek Turkije gedetacheerd personeel laat zich bij de uitvoering van zijn taken en in zijn gedrag uitsluitend leiden door het belang van de civiele crisisbeheersingsoperatie van de EU.
2. Al het personeel blijft volledig onder het bevel van de autoriteiten van zijn land.
3. De nationale autoriteiten dragen de operationele controle over aan het hoofd van de missie van de civiele crisisbeheersingsoperatie van de EU, dat het bevel voert via een hiërarchische commando- en controlestructuur.
4. Het hoofd van de missie leidt de civiele crisisbeheersingsoperatie van de EU en draagt zorg voor de dagelijkse leiding ervan.
5. Overeenkomstig de in artikel 2, lid 1, van deze overeenkomst bedoelde rechtsinstrumenten heeft de Republiek Turkije bij de dagelijkse leiding van de operatie dezelfde rechten en verplichtingen als de aan de operatie deelnemende EU-lidstaten.
6. Het hoofd van de missie van de civiele crisisbeheersingsoperatie van de EU is verantwoordelijk voor het tuchtrechtelijk toezicht op het personeel van de civiele crisisbeheersingsoperatie van de EU. Zo nodig neemt de betrokken nationale autoriteit tuchtrechtelijke maatregelen.
7. Een contactpersoon voor het nationaal contingent (NPC) wordt door de Republiek Turkije aangesteld om haar nationaal contingent in de operatie te vertegenwoordigen. De NPC rapporteert over nationale aangelegenheden aan het hoofd van de missie van de civiele crisisbeheersingsoperatie van de EU en is verantwoordelijk voor de dagelijkse discipline van het contingent.
8. Het besluit om de operatie te beëindigen wordt door de Europese Unie genomen na overleg met de Republiek Turkije, voorzover de Republiek Turkije nog deelneemt aan de civiele crisisbeheersingsoperatie van de EU op het ogenblik dat de operatie wordt beëindigd.
Artikel 7
Financiële aspecten
1. De Republiek Turkije draagt alle kosten in verband met haar deelname aan de operatie, afgezien van de kosten die vallen onder de gemeenschappelijke financiering omschreven in de operationele begroting van de operatie. Dit geldt onverminderd artikel 8.
2. In geval van overlijden, lichamelijk letsel, verlies of schade geleden door natuurlijke of rechtspersonen van het land/de landen waar de operatie plaatsvindt, betaalt de Republiek Turkije, wanneer haar aansprakelijkheid is vastgesteld, schadevergoeding onder de voorwaarden, genoemd in de overeenkomst over de status van de missie, indien beschikbaar, bedoeld in artikel 3, lid 1, van deze overeenkomst.
Artikel 8
Bijdragen in de operationele begroting
1. De Republiek Turkije draagt bij aan de financiering van de operationele begroting van de civiele crisisbeheersingsoperatie van de EU.
2. De financiële bijdrage van de Republiek Turkije aan de operationele begroting is het laagste bedrag van de volgende twee alternatieven:
|
a) |
dat gedeelte van het referentiebedrag dat evenredig is met de verhouding tussen haar BNI en het totaal van de BNIs van alle landen die bijdragen aan de operationele begroting van de operatie; of |
|
b) |
dat gedeelte van het referentiebedrag voor de operationele begroting dat evenredig is met de verhouding tussen het aantal van haar personeelsleden dat aan de operatie deelneemt en het totale aantal personeelsleden van alle landen die aan de operatie deelnemen. |
3. Niettegenstaande het bepaalde in de leden 1 en 2 levert de Republiek Turkije geen bijdrage aan de financiering van de dagvergoedingen die worden uitbetaald aan het personeel uit de lidstaten van de Europese Unie.
4. Niettegenstaande het bepaalde in lid 1 stelt de Europese Unie in beginsel derde landen vrij van financiële bijdragen aan een bepaalde civiele crisisbeheersingsoperatie van de EU wanneer:
|
a) |
de Europese Unie besluit dat het aan de operatie deelnemend derde land een aanzienlijke bijdrage levert die essentieel is voor deze operatie; of |
|
b) |
het aan de operatie deelnemend derde land een BNI per hoofd van de bevolking heeft dat niet groter is dan dat van welke lidstaat van de Europese Unie ook. |
5. Het hoofd van de missie van de civiele crisisbeheersingsoperatie van de EU en de bevoegde bestuurlijke diensten van de Republiek Turkije sluiten een overeenkomst over de bijdragen van de Republiek Turkije aan de operationele begroting van de civiele crisisbeheersingsoperatie van de EU. De overeenkomst bevat ondermeer onderstaande bepalingen:
|
a) |
het betrokken bedrag; |
|
b) |
de regelingen voor de betaling van de financiële bijdrage; |
|
c) |
de auditprocedure. |
DEEL III
BEPALINGEN INZAKE DEELNAME AAN MILITAIRE CRISISBEHEERSINGSOPERATIES
Artikel 9
Deelname aan de militaire crisisbeheersingsoperatie van de EU
1. De Republiek Turkije zorgt ervoor dat haar troepen en personeel die deelnemen aan de militaire crisisbeheersingsoperatie van de EU hun taak uitoefenen overeenkomstig:
|
— |
het gezamenlijk optreden en latere wijzigingen bedoeld in artikel 2, lid 1, van deze overeenkomst, |
|
— |
het operatieplan, |
|
— |
de uitvoeringsmaatregelen. |
2. Het door de Republiek Turkije gedetacheerd personeel laat zich bij de uitvoering van zijn taken en in zijn gedrag uitsluitend leiden door het belang van de militaire crisisbeheersingsoperatie van de EU.
3. De Republiek Turkije informeert de operationeel commandant van de EU te gelegener tijd over elke wijziging in haar bijdrage aan de operatie.
Artikel 10
Commandostructuur
1. Alle aan de militaire crisisbeheersingsoperatie van de EU deelnemende troepen en personeelsleden blijven volledig onder bevel van hun nationale autoriteiten.
2. De nationale autoriteiten dragen het operationeel en tactisch bevel, dan wel het operationeel en tactische toezicht over hun troepen en personeelsleden over aan de operationeel commandant van de EU. De operationeel commandant van de EU heeft het recht zijn gezag te delegeren.
3. De Republiek Turkije heeft bij de dagelijkse leiding van de operatie dezelfde rechten en verplichtingen als de deelnemende lidstaten van de Europese Unie.
4. De operationeel commandant van de EU kan te allen tijde, na overleg met de Republiek Turkije, om de terugtrekking van de bijdrage van de Republiek Turkije verzoeken.
5. Een hoge militaire vertegenwoordiger (HMV) wordt door de Republiek Turkije benoemd om haar nationale contingent in de militaire crisisbeheersingsoperatie van de EU te vertegenwoordigen. De HMV overlegt met de commandant van de EU-strijdkrachten over alle aangelegenheden die van invloed zijn op de operatie, en is verantwoordelijk voor de dagelijkse discipline van het contingent.
Artikel 11
Financiële aspecten
1. Onverminderd artikel 12 draagt de Republiek Turkije alle kosten in verband met haar deelname aan de operatie, tenzij de kosten vallen onder de gemeenschappelijke financiering omschreven in de in artikel 2, lid 1, van deze overeenkomst bedoelde rechtsinstrumenten en in Besluit 2004/197/GBVB van de Raad van 23 februari 2004 tot instelling van een mechanisme voor het beheer van de financiering van de gemeenschappelijke kosten van de operaties van de Europese Unie die gevolgen hebben op militair of defensiegebied (2).
2. In geval van overlijden, lichamelijk letsel, verlies of schade geleden door natuurlijke of rechtspersonen van het land/de landen waar de operatie plaatsvindt, betaalt de Republiek Turkije, wanneer haar aansprakelijkheid is vastgesteld, schadevergoeding onder de voorwaarden genoemd in de overeenkomst over de status van de troepen, indien beschikbaar, bedoeld in artikel 3, lid 1, van deze overeenkomst.
Artikel 12
Bijdragen aan de gemeenschappelijke kosten
1. De Republiek Turkije draagt bij aan de financiering van de gemeenschappelijke kosten van de militaire crisisbeheersingsoperatie van de EU.
2. De financiële bijdrage van de Republiek Turkije in de gemeenschappelijke kosten is het laagste bedrag van de volgende twee alternatieven:
|
a) |
dat gedeelte van het referentiebedrag voor de gemeenschappelijke kosten dat evenredig is met de verhouding tussen haar BNI en het totaal van de BNIs van alle landen die bijdragen in de gemeenschappelijke kosten van de operatie; of |
|
b) |
dat gedeelte van het referentiebedrag voor de gemeenschappelijke kosten dat evenredig is met de verhouding tussen het aantal van haar personeelsleden dat aan de operatie deelneemt en het totale aantal personeelsleden van alle landen die aan de operatie deelnemen. |
Bij de berekening volgens lid 2, onder b), wordt, wanneer de Republiek Turkije alleen personeel bijdraagt aan het operationeel hoofdkwartier of alleen aan het hoofdkwartier van de troepenmacht, uitgegaan van de verhouding tussen haar personeel en het totale personeel van het hoofdkwartier. In de andere gevallen is de verhouding die tussen het totale door de Republiek Turkije bijgedragen personeel en het totale personeel van de operatie.
3. Niettegenstaande het bepaalde in lid 1 stelt de Europese Unie in beginsel derde landen vrij van financiële bijdragen in de gemeenschappelijke kosten van een bepaalde militaire crisisbeheersingsoperatie van de EU wanneer:
|
a) |
de Europese Unie besluit dat het aan de operatie deelnemend derde land een beduidende bijdrage levert in middelen en/of vermogens die essentieel is voor deze operatie; of |
|
b) |
het aan de operatie deelnemend derde land een BNI per hoofd van de bevolking heeft dat niet groter is dan dat van welke lidstaat van de Europese Unie ook. |
4. De beheerder, genoemd in Besluit 2004/197/GBVB van de Raad en de bevoegde bestuurlijke diensten van de Republiek Turkije sluiten een overeenkomst. De overeenkomst bevat onder meer bepalingen over:
|
a) |
het betrokken bedrag; |
|
b) |
de regelingen voor de betaling van de financiële bijdrage; |
|
c) |
de auditprocedure. |
DEEL IV
SLOTBEPALINGEN
Artikel 13
Regelingen voor de uitvoering van de overeenkomst
Onverminderd het bepaalde in artikel 8, lid 5), en artikel 12, lid 4), worden de voor de uitvoering van deze overeenkomst noodzakelijke technische en administratieve regelingen getroffen door de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie, hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, en de bevoegde autoriteiten van de Republiek Turkije.
Artikel 14
Niet-naleving
Indien een van de partijen de in voorgaande artikelen neergelegde verplichtingen niet nakomt, heeft de andere partij het recht om deze overeenkomst te beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn van één maand.
Artikel 15
Geschillenbeslechting
Geschillen met betrekking tot de uitlegging of de toepassing van deze overeenkomst worden langs diplomatieke weg tussen de partijen opgelost.
Artikel 16
Inwerkingtreding
1. Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op de wederzijdse kennisgeving van de partijen dat de voor dit doel noodzakelijke procedures zijn afgerond.
2. Deze overeenkomst wordt uiterlijk op 1 juni 2008, en vervolgens ten minste om de drie jaar geëvalueerd.
3. Deze overeenkomst kan worden gewijzigd op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de partijen.
4. Deze overeenkomst kan door één partij worden opgezegd door schriftelijke kennisgeving van opzegging aan de andere partij. De opzegging treedt in werking zes maanden na de ontvangst van de kennisgeving door de andere partij.
Gedaan te Brussel, de negenentwintigste juni tweeduizend zes, in viervoud in de Engelse taal.
Voor de Europese Unie
Voor de Republiek Turkije
(1) PB L 101 van 11.4.2001, blz. 1. Besluit laatstelijk gewijzigd bij Besluit 2005/952/EG (PB L 346 van 29.12.2005, blz. 18).
(2) PB L 63 van 28.2.2004, blz. 68. Besluit laatstelijk gewijzigd bij Besluit 2005/68/GBVB (PB L 27 van 29.1.2005, blz. 59).
VERKLARINGEN
Verklaring van de lidstaten van de EU:
„De lidstaten van de EU die een gemeenschappelijk optreden van de EU inzake een crisisbeheersingsoperatie van de EU uitvoeren, waaraan de Republiek Turkije deelneemt, zullen ernaar streven, voorzover hun nationale rechtsstelsel dit toelaat, zoveel mogelijk af te zien van schadevorderingen tegen de Republiek Turkije wegens lichamelijk letsel aan of dood van hun personeel, c.q. schade aan of verlies van de middelen die hun eigendom zijn en die door de crisisbeheersingsoperatie van de EU zijn gebruikt, wanneer het letsel, het overlijden, de schade of het verlies:
|
— |
door uit de Republiek Turkije afkomstig personeel werd veroorzaakt bij de uitvoering van zijn taken in het kader van de crisisbeheersingsoperatie van de EU, behalve in geval van grove nalatigheid of opzettelijk wangedrag; of |
|
— |
voortvloeide uit het gebruik van middelen van de Republiek Turkije, mits die middelen gebruikt werden in het kader van de operatie en er bij het gebruik van die middelen geen sprake was van grove nalatigheid of opzettelijk wangedrag van uit de Republiek Turkije afkomstig personeel van de crisisbeheersingsoperatie van de EU.”. |
Verklaring van de Republiek Turkije:
„De Republiek Turkije, die zich aansluit bij een gemeenschappelijk optreden van de EU inzake een crisisbeheersingsoperatie van de EU, zal ernaar streven, voorzover haar nationale rechtsstelsel dit toelaat, zoveel mogelijk af te zien van schadevorderingen tegen een andere aan de door de EU geleide crisisbeheersingsoperatie deelnemende staat wegens lichamelijk letsel aan of dood van zijn personeel, c.q. schade aan of verlies van de middelen die zijn eigendom zijn en die door de crisisbeheersingsoperatie van de EU zijn gebruikt, wanneer het letsel, het overlijden, de schade of het verlies:
|
— |
door personeel werd veroorzaakt bij de uitvoering van zijn taken in het kader van de crisisbeheersingsoperatie van de EU, behalve in geval van grove nalatigheid of opzettelijk wangedrag; of |
|
— |
voortvloeide uit het gebruik van middelen van aan de door de EU geleide crisisbeheersingsoperatie deelnemende staten, mits die middelen gebruikt werden in het kader van de operatie en er bij het gebruik van die middelen geen sprake was van grove nalatigheid of opzettelijk wangedrag van personeel van de crisisbeheersingsoperatie van de EU.”. |
|
12.7.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 189/23 |
BESLUIT 2006/483/GBVB VAN DE RAAD
van 11 juli 2006
houdende uitvoering van Gemeenschappelijk Standpunt 2004/852/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Ivoorkust
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op Gemeenschappelijk Standpunt 2004/852/GBVB van de Raad van 13 december 2004 betreffende beperkende maatregelen tegen Ivoorkust (1), en met name op artikel 6, juncto artikel 23, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Raad heeft op 13 december 2004 Gemeenschappelijk Standpunt 2004/852/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Ivoorkust vastgesteld teneinde de maatregelen uit te voeren die bij Resolutie 1572 (2004) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties tegen genoemd land zijn getroffen. |
|
(2) |
De Raad heeft op 27 februari 2006 Besluit 2006/172/GBVB vastgesteld met de lijst van personen die vallen onder de maatregelen welke zijn opgelegd bij de punten 9 en 11 van Resolutie 1572 (2004) en welke zijn verlengd bij punt 1 van Resolutie 1643 (2005) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. |
|
(3) |
Op 1 mei 2006 heeft de EU bijkomende informatie voor identificatie toegezonden aan het Comité van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties dat is ingesteld bij Resolutie 1572 (2004). |
|
(4) |
Het Comité van de Veiligheidsraad heeft op 30 mei 2006 een bijgewerkte geconsolideerde lijst van personen die vallen onder de maatregelen welke zijn opgelegd bij de punten 9 en 11 van Resolutie 1572 (2004) en welke zijn verlengd bij punt 1 van Resolutie 1643 (2005), goedgekeurd. |
|
(5) |
De lijst in de bijlage bij Gemeenschappelijk Standpunt 2004/852/GBVB moet dienovereenkomstig worden aangepast, |
BESLUIT:
Artikel 1
De lijst in de Bijlage bij Gemeenschappelijk Standpunt 2004/852/GBVB wordt vervangen door de lijst in de bijlage bij dit besluit.
Artikel 2
Dit besluit wordt van kracht op de datum van zijn aanneming.
Artikel 3
Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 11 juli 2006.
Voor de Raad
De voorzitter
E. HEINÄLUOMA
(1) PB L 368 van 15.12.2004, blz. 50, laatstelijk gewijzigd bij Besluit 2006/172/GBVB (PB L 61 van 2.3.2006, blz. 21).
BIJLAGE
Lijst van de in artikel 4 bedoelde personen
|
„1. |
Naam, voornamen: BLÉ, Charles Goudé Alias: Général; Génie de kpo; Gbapé Zadi In 2001 bekend adres: Yopougon Selmer, Bloc P 170; ook in Hotel Ivoire Geboortedatum: 1.1.1972 Geboorteplaats: Guibéroua (Gagnoa) Paspoort nr./identiteitskaart nr.: PD. AE/088 DH 12 Nationaliteit: Ivoriaan Overige informatie: leider van COJEP („Jeunes Patriotes” — „Jonge Patriotten”) |
|
2. |
Naam, voornamen: KOUADIO, Djué Ngoran Eugène Geboortedatum: 20.12.1969 of 1.1.1966 Paspoort nr./identiteitskaart nr.: 04 LE 017521 afgegeven op 10 februari 2005 en geldig tot en met 10 februari 2008 Nationaliteit: Ivoriaan Overige informatie: Leider van de Union des Patriotes pour la Libération Totale de la Côte d'Ivoire (UPLTCI) (Unie van patriotten voor de totale bevrijding van Ivoorkust) |
|
3. |
Naam, voornaam: FOFIE, Martin Kouakou Geboortedatum: 1.1.1968 Nationaliteit: Ivoriaan Overige informatie: Korporaal-chef „Forces Nouvelles”, commandant sector Korhogo.” |
|
12.7.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 189/25 |
BESLUIT 2006/484/GBVB VAN DE RAAD
van 11 juli 2006
tot uitvoering van Gemeenschappelijk Standpunt 2004/694/GBVB betreffende aanvullende maatregelen ter ondersteuning van de daadwerkelijke uitvoering van het mandaat van het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië (ICTY)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op Gemeenschappelijk Standpunt 2004/694/GBVB van de Raad van 11 oktober 2004 betreffende aanvullende maatregelen ter ondersteuning van de daadwerkelijke uitvoering van het mandaat van het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië (ICTY) (1), en met name op artikel 2, in samenhang met artikel 23, lid 2, tweede streepje, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Raad heeft krachtens Gemeenschappelijk Standpunt 2004/694/GBVB maatregelen vastgesteld om alle geldmiddelen en tegoeden te bevriezen die toebehoren aan de natuurlijke personen die door het ICTY in staat van beschuldiging zijn gesteld. |
|
(2) |
Op 10 maart 2006 heeft de Raad Besluit 2006/205/GBVB aangenomen, waarbij de in de bijlage bij Gemeenschappelijk Standpunt 2004/694/GBVB opgenomen lijst van personen wordt gewijzigd. |
|
(3) |
Ingevolge de overdracht op 10 juni 2006 van de heer Dragan ZELENOVIC aan het ICTY dient de betrokkene van de lijst te worden afgevoerd. |
|
(4) |
De lijst in de bijlage bij Gemeenschappelijk Standpunt 2004/694/GBVB moet daarom worden gewijzigd, |
BESLUIT:
Artikel 1
De lijst van personen in de bijlage bij Gemeenschappelijk Standpunt 2004/694/GBVB wordt vervangen door de lijst in de bijlage bij dit besluit.
Artikel 2
Dit besluit wordt van kracht op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Artikel 3
Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 11 juli 2006.
Voor de Raad
De voorzitter
E. HEINÄLUOMA
(1) PB L 315 van 14.10.2004, blz. 52. Gemeenschappelijk standpunt laatstelijk verlengd bij Gemeenschappelijk Standpunt 2005/689/GBVB (PB L 261 van 7.10.2005, blz. 29) en gewijzigd bij Besluit 2006/205/GBVB (PB L 72 van 11.3.2006, blz. 16).
BIJLAGE
De in artikel 1 bedoelde lijst van personen
|
„1. |
Naam: DJORDJEVIC Vlastimir Geboortejaar: 1948 Geboorteplaats: Vladicin Han, Servië Nationaliteit: Servië |
|
2. |
Naam: HADZIC Goran Geboortedatum: 7.9.1958 Geboorteplaats: Vinkovci, Republiek Kroatië Nationaliteit: Servië |
|
3. |
Naam: KARADZIC Radovan Geboortedatum: 19.6.1945 Geboorteplaats: Petnjica, Savnik, Montenegro, Servië en Montenegro Nationaliteit: Bosnië en Herzegovina |
|
4. |
Naam: MLADIC Ratko Geboortedatum: 12.3.1942 Geboorteplaats: Bozanovici, gemeente Kalinovik, Bosnië en Herzegovina Nationaliteit: Bosnië en Herzegovina |
|
5. |
Naam: TOLIMIR Zdravko Geboortedatum: 27.11.1948 Geboorteplaats: Nationaliteit: Bosnië en Herzegovina |
|
6. |
Naam: ZUPLJANIN Stojan Geboortedatum: 22.9.1951 Geboorteplaats: Kotor Varos, Bosnië en Herzegovina Nationaliteit: Bosnië en Herzegovina” |