ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 180

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

49e jaargang
4 juli 2006


Inhoud

 

I   Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

Bladzijde

 

 

Verordening (EG) nr. 1009/2006 van de Commissie van 3 juli 2006 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

1

 

*

Verordening (EG) nr. 1010/2006 van de Commissie van 3 juli 2006 betreffende enige buitengewone maatregelen ter ondersteuning van de markt in de sector eieren en slachtpluimvee in sommige lidstaten

3

 

 

Verordening (EG) nr. 1011/2006 van de Commissie van 3 juli 2006 tot rectificatie van Verordening (EG) nr. 1008/2006 tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen

13

 

 

Verordening (EG) nr. 1012/2006 van de Commissie van 3 juli 2006 tot wijziging van de vanaf 4 juli 2006 geldende invoerrechten in de sector granen

16

 

 

II   Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

 

 

Raad

 

*

Nota over de inwerkingtreding van de Europees-mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Libanon, anderzijds

19

 

 

Commissie

 

*

Beschikking van de Commissie van 17 december 2002 inzake een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-overeenkomst tegen SGL Carbon AG, Le Carbone-Lorraine SA, Ibiden Co., Ltd, Tokai Carbon Co., Ltd, Toyo Tanso Co., Ltd, GrafTech International, Ltd, NSCC Techno Carbon Co., Ltd, Nippon Steel Chemical Co., Ltd, Intech EDM BV en Intech EDM AG (Zaak nr. C.37.667 — Speciaal grafiet) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2002) 5083)

20

 

*

Beschikking van de Commissie van 26 juni 2006 betreffende de toewijzing aan het Verenigd Koninkrijk van extra dagen aanwezigheid in ICES-sector VIIe (Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 2438)

25

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

4.7.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 180/1


VERORDENING (EG) Nr. 1009/2006 VAN DE COMMISSIE

van 3 juli 2006

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 4 juli 2006.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 juli 2006.

Voor de Commissie

J. L. DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 386/2005 (PB L 62 van 9.3.2005, blz. 3).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 3 juli 2006 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

052

60,2

204

35,2

999

47,7

0707 00 05

052

84,0

999

84,0

0709 90 70

052

84,5

999

84,5

0805 50 10

388

57,5

528

58,3

999

57,9

0808 10 80

388

85,4

400

112,7

404

102,9

508

82,2

512

87,1

524

54,3

528

86,0

720

113,3

804

105,3

999

92,1

0809 10 00

052

206,7

999

206,7

0809 20 95

052

316,6

068

82,7

608

218,2

999

205,8


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 750/2005 van de Commissie (PB L 126 van 19.5.2005, blz. 12). De code „999” staat voor „andere oorsprong”.


4.7.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 180/3


VERORDENING (EG) Nr. 1010/2006 VAN DE COMMISSIE

van 3 juli 2006

betreffende enige buitengewone maatregelen ter ondersteuning van de markt in de sector eieren en slachtpluimvee in sommige lidstaten

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2771/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector eieren (1), en met name op artikel 14, lid 1, eerste alinea, onder b),

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2777/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee (2), en met name op artikel 14, lid 1, eerste alinea, onder b),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Als gevolg van het verschijnen van hoogpathogene aviaire influenza (H5N1) in gebieden dicht bij het grondgebied van de Gemeenschap sinds het najaar van 2005 en in verscheidene lidstaten sinds de maand februari 2006 is in een aantal lidstaten het verbruik van pluimveevlees, en in beperktere gevallen van eieren, aanzienlijk teruggelopen.

(2)

De sterke en snelle daling van het verbruik van pluimveevlees heeft tot lagere prijzen geleid. De markt voor pluimveevlees is hierdoor ernstig verstoord.

(3)

Omdat deze ernstige marktverstoringen rechtstreeks verband houden met een verlies van vertrouwen bij de consument dat het gevolg is van risico’s voor de diergezondheid, is het derhalve gerechtvaardigd om op verzoek van de betrokken lidstaten buitengewone maatregelen ter ondersteuning van de markt in de zin van artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 2771/75 en artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 2777/75 te nemen en steun toe te kennen die het mogelijk maakt een deel te compenseren van de economische verliezen die worden veroorzaakt door de vernietiging van broedeieren of van kuikens, het vervroegd slachten van een deel van het moederdierenbestand, een tijdelijke verlaging van de productie of ook het slachten van legrijpe jonge kippen gezien de bioveiligheidsmaatregelen die sommige lidstaten bij wijze van preventie verplicht hebben gesteld.

(4)

Voor broedeieren die tot eiproducten worden verwerkt, moet de compensatie lager zijn dan voor vernietigde broedeieren.

(5)

Voor elk van de buitengewone maatregelen ter ondersteuning van de markt worden de maximumhoeveelheden waarvoor een financiële compensatie kan worden verleend, door de Commissie vastgesteld na onderzoek van de verzoeken van de lidstaten.

(6)

De bepalingen van artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 2771/75 en artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 2777/75 die in de vaststelling van de betrokken maatregelen voorzien, zijn in werking sinds 11 mei 2006. Derhalve dient te worden bepaald dat de onderhavige verordening ook met ingang van die datum van toepassing is.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor slachtpluimvee en eieren,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De vernietiging van broedeieren van de GN-codes 0407 00 11 en 0407 00 19 wordt beschouwd als een buitengewone maatregel ter ondersteuning van de markt op grond van artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 2771/75.

2.   Voor de in lid 1 bedoelde vernietiging wordt voor elke betrokken lidstaat een compensatie verleend binnen de grenzen van het in bijlage I vermelde maximumaantal stuks en voor de in die bijlage bepaalde periode.

Het maximumniveau van de compensatie wordt forfaitair vastgesteld op:

a)

0,15 EUR per broedei voor een standaardvleeskuiken van GN-code 0407 00 19;

b)

0,23 EUR per broedei voor een uitloopvleeskuiken („poulet plein air”) van GN-code 0407 00 19;

c)

0,23 EUR per broedei voor een vleesparelhoen van GN-code 0407 00 19;

d)

0,35 EUR per broedei voor een vleeseend van GN-code 0407 00 19;

e)

0,66 EUR per broedei voor een vleeskalkoen van GN-code 0407 00 11;

f)

1,20 EUR per broedei voor een vleesgans van GN-code 0407 00 11.

Artikel 2

1.   De verwerking van broedeieren van GN-code 0407 00 19 wordt beschouwd als een buitengewone maatregel ter ondersteuning van de markt op grond van artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 2771/75.

2.   Voor de in lid 1 bedoelde verwerking wordt voor elke betrokken lidstaat een compensatie verleend binnen de grenzen van het in bijlage II vermelde maximumaantal stuks en voor de in die bijlage bepaalde periode.

Het maximumniveau van de compensatie is gelijk aan het in artikel 1, lid 2, bepaalde maximumniveau, in alle gevallen verlaagd met hetzij 0,03 EUR per broedei, hetzij de verkoopprijs indien deze hoger is dan 0,03 EUR.

Artikel 3

1.   De vernietiging van kuikens van de GN-codes 0105 11, 0105 12 en 0105 19 wordt beschouwd als een buitengewone maatregel ter ondersteuning van de markt op grond van artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 2777/75.

2.   Voor de in lid 1 bedoelde vernietiging wordt voor elke betrokken lidstaat een compensatie verleend binnen de grenzen van het in bijlage III vermelde maximumaantal dieren en voor de in die bijlage bepaalde periode.

Het maximumniveau van de compensatie wordt forfaitair vastgesteld op:

a)

0,24 EUR per kippenkuiken voor vleesproductie;

b)

0,40 EUR per parelhoenkuiken voor vleesproductie;

c)

0,54 EUR per eendenkuiken voor vleesproductie;

d)

0,85 EUR per kalkoenkuiken voor vleesproductie;

e)

1,50 EUR per ganzenkuiken voor vleesproductie.

Artikel 4

1.   Het zes weken vroeger slachten van ten minste een deel van de moederdieren van de GN-codes 0105 92 00, 0105 93 00, 0105 99 10, 0105 99 20, 0105 99 30 en 0105 99 50 om de productie van broedeieren te verlagen, wordt beschouwd als een buitengewone maatregel ter ondersteuning van de markt op grond van artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 2777/75, op voorwaarde evenwel dat gedurende die periode op de betrokken plaatsen geen enkel nieuw dier in productie wordt genomen.

2.   Voor het in lid 1 bedoelde vervroegd slachten wordt voor elke betrokken lidstaat een compensatie verleend binnen de grenzen van het in bijlage IV vermelde maximumaantal dieren en voor de in die bijlage bepaalde periode.

Het maximumniveau van de compensatie wordt forfaitair vastgesteld op:

a)

3,2 EUR per moederdier van vleeskuikens van de GN-codes 0105 92 00 en 0105 93 00;

b)

3,2 EUR per moederdier van vleeseenden van GN-code 0105 99 10;

c)

30 EUR per moederdier van vleesganzen van GN-code 0105 99 20;

d)

15 EUR per moederdier van vleeskalkoenen van GN-code 0105 99 30;

e)

5 EUR per moederdier van vleesparelhoenders van GN-code 0105 99 50.

Artikel 5

1.   De vrijwillige verlenging van de sanitaire leegstand na drie weken wordt beschouwd als een buitengewone maatregel ter ondersteuning van de markt op grond van artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 2777/75, op voorwaarde evenwel dat gedurende die periode geen enkel nieuw dier in productie wordt genomen.

2.   Voor de in lid 1 bedoelde verlenging wordt voor elke betrokken lidstaat per m2 en per week van sanitaire leegstand na drie weken op vleespluimveebedrijven een compensatie verleend binnen de grenzen van de in bijlage V vermelde maximumoppervlakte en voor de in die bijlage bepaalde periode.

Het maximumniveau van de compensatie wordt forfaitair vastgesteld op:

a)

0,46 EUR/m2 per week voor vleeskuikenbedrijven;

b)

0,41 EUR/m2 per week voor vleeskalkoenbedrijven;

c)

0,62 EUR/m2 per week voor vleeseendenbedrijven;

d)

0,41 EUR/m2 per week voor vleesparelhoenderbedrijven.

3.   De lidstaten die reeds bepaalde compensaties voor de betrokken oppervlakten hebben toegekend, zien erop toe dat de reeds op nationaal niveau uitgekeerde bedragen in mindering worden gebracht op de in lid 2 bedoelde compensatie.

Artikel 6

1.   De vrijwillige verlaging van de productie door minder kuikens in opfok te plaatsen om de bezettingsdichtheid te verlagen, wordt beschouwd als een buitengewone maatregel ter ondersteuning van de markt op grond van artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 2777/75.

2.   Voor de in lid 1 bedoelde verlaging van de productie wordt voor elke betrokken lidstaat per dier dat minder wordt geproduceerd vergeleken met een normale productiecyclus op elke specifieke productielocatie, een compensatie verleend binnen de grenzen van het in bijlage VI vermelde maximumaantal dieren en voor de in die bijlage bepaalde periode.

Het maximumniveau van de compensatie wordt forfaitair vastgesteld op:

a)

0,20 EUR/dier voor vleeskuikenbedrijven;

b)

1,24 EUR/dier voor vleeskalkoenbedrijven;

c)

0,75 EUR/dier voor vleeseendenbedrijven;

d)

0,40 EUR/dier voor vleesparelhoenderbedrijven.

Artikel 7

1.   Het vervroegd slachten van legrijpe jonge kippen wordt beschouwd als een buitengewone maatregel ter ondersteuning van de markt op grond van artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 2777/75.

2.   Voor het in lid 1 bedoelde vervroegd slachten wordt voor elke betrokken lidstaat een compensatie verleend binnen de grenzen van het in bijlage VII vermelde maximumaantal dieren en voor de in die bijlage bepaalde periode.

Het maximumniveau van de compensatie wordt forfaitair vastgesteld op 3,2 EUR/legrijpe jonge kip.

Artikel 8

De lidstaten die de Commissie bedragen voor de gedeeltelijke compensaties hebben meegedeeld die lager zijn dan de bij de artikelen 1 tot en met 7 vastgestelde maximumbedragen, moeten zich beperken tot de bedragen die zij hebben meegedeeld.

Artikel 9

Het ontstaansfeit voor de wisselkoers voor de in deze verordening bedoelde steunbedragen heeft plaatsgevonden op de eerste werkdag van de maand mei 2006.

De te gebruiken wisselkoers is de laatste wisselkoers die de Europese Centrale Bank vóór de datum van het ontstaansfeit heeft bepaald.

Artikel 10

De uitgaven van de lidstaten voor de in de artikelen 1 tot en met 7 van de onderhavige verordening bedoelde betalingen komen slechts onder de bij artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 2771/75 en artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 2777/75 bepaalde voorwaarden voor communautaire financiering in aanmerking als de lidstaten de betalingen aan de begunstigden vóór 31 december 2006 verrichten.

Artikel 11

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 11 mei 2006.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 juli 2006.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 282 van 1.11.1975, blz. 49. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 679/2006 (PB L 119 van 4.5.2006, blz. 1).

(2)  PB L 282 van 1.11.1975, blz. 77. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 679/2006.


BIJLAGE I

Maximumaantal broedeieren per lidstaat

 

Standaardvleeskuikens

Vleeskuikens met „label”

Vleesparelhoenders

Vleeskalkoenen

Vleeseenden

Vleesganzen

Periode van toepassing

BE

CZ

19 522 800

126 515

587 034

25 181

2.2006-4.2006

DK

DE

1 500 000

1.2006-4.2006

EE

EL

15 975 000

200 000

10.2005-4.2006

ES

7 800 000

10.2005-4.2006

FR

60 000 000

21 450 000

4 166 000

4 960 000

2 663 000

12.2005-4.2006

IE

400 000

170 000

1.2006-4.2006

IT

5 635 600

413 300

195 600

35 550

17 800

9.2005-4.2006

CY

442 000

10.2005-4.2006

LV

LT

LU

HU

12 705 000

11.2005-4.2006

MT

NL

AT

2 500 000

1.2006-4.2006

PL

2 141 098

621 586

77 029

10.2005-4.2006

PT

6 000 000

10.2005-3.2006

SI

SK

FI

SE

UK


BIJLAGE II

Maximumaantal verwerkte broedeieren per lidstaat

 

Vleeskuikens

Periode van toepassing

BE

CZ

DK

DE

EE

EL

ES

1 800 000

10.2005-4.2006

FR

IE

IT

16 364 500

9.2005-4.2006

CY

LV

LT

LU

HU

8 390 000

11.2005-4.2006

MT

NL

25 000 000

12.2005-4.2006

AT

PL

64 594 006

10.2005-4.2006

PT

SI

SK

1 145 000

10.2005-4.2006

FI

SE

UK


BIJLAGE III

Maximumaantal kuikens per lidstaat

 

Vleeskuikens

Vleesparelhoenders

Vleeskalkoenen

Vleeseenden

Vleesganzen

Periode van toepassing

BE

CZ

DK

DE

EE

EL

4 138 440

10 000

10.2005-4.2006

ES

FR

IE

IT

13 537 800

894 200

147 200

89 000

44 500

9.2005-4.2006

CY

143 725

10.2005-4.2006

LV

LT

LU

HU

2 000 000

11.2005-4.2006

MT

NL

AT

PL

PT

4 000 000

10.2005-3.2006

SI

SK

FI

SE

UK


BIJLAGE IV

Maximumaantal geslachte moederdieren per lidstaat

 

Vleeskuikens

Vleesparelhoenders

Vleeskalkoenen

Vleeseenden

Vleesganzen

Periode van toepassing

BE

CZ

635 000

11 000

10 000

20 000

2.2006-4.2006

DK

DE

40 000

1.2006-4.2006

EE

EL

454 300

16 000

10.2005-4.2006

ES

151 000

10.2005-11.2005

FR

1 400 000

60 000

130 000

60 000

1.2006-4.2006

IE

94 500

9 100

1.2006-4.2006

IT

1 746 000

10 700

41 800

2 200

1 250

9.2005-4.2006

CY

LV

LT

LU

HU

55 000

11.2005-4.2006

MT

NL

1 293 750

12.2005-4.2006

AT

PL

1 060 109

10.2005-4.2006

PT

300 000

10.2005-3.2006

SI

SK

22 000

10.2005-4.2006

FI

SE

UK


BIJLAGE V

Maximumoppervlakte in m2 en maximumaantal weken per lidstaat

 

Vleeskuikens

Vleesparelhoenders

Vleeskalkoenen

Vleeseenden

Periode van toepassing

BE

CZ

DK

DE

EE

EL

2 350 000

 

7 weken tussen 10.2005-4.2006

ES

FR

2 200 000

16 weken tussen 10.2005-4.2006

IE

IT

CY

LV

LT

LU

HU

203 178

30 000

15 000

16 weken tussen 11.2005-4.2006

MT

NL

AT

PL

PT

489 130

4 weken tussen 10.2005-3.2006

SI

SK

FI

SE

UK


BIJLAGE VI

Maximumaantal dieren per lidstaat

 

Vleeskuikens

Vleesparelhoenders

Vleeskalkoenen

Vleeseenden

Periode van toepassing

BE

 

CZ

9 180 000

70 000

300 000

2.2006-4.2006

DK

DE

EE

EL

ES

15 000 000

10.2005-3.2006

FR

IE

2 000 000

439 000

350 000

1.2006-4.2006

IT

CY

2 626 075

11.2005-4.2006

LV

LT

LU

HU

 

 

 

 

 

MT

NL

23 000 000

12.2005-4.2006

AT

4 500 000

10.2005-4.2006

PL

PT

SI

SK

4 734 800

10.2005-4.2006

FI

SE

UK


BIJLAGE VII

Maximumaantal legrijpe jonge kippen per lidstaat

 

Legrijpe jonge kippen

Periode van toepassing

BE

CZ

DK

DE

1 000 000

1.2006-4.2006

EE

EL

ES

FR

IE

IT

CY

LV

LT

LU

HU

 

 

MT

NL

AT

850 000

10.2005-4.2006

PL

PT

SI

SK

FI

SE

UK


4.7.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 180/13


VERORDENING (EG) Nr. 1011/2006 VAN DE COMMISSIE

van 3 juli 2006

tot rectificatie van Verordening (EG) nr. 1008/2006 tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1249/96 van de Commissie van 28 juni 1996 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad ten aanzien van de invoerrechten in de sector granen (2), en met name op artikel 2, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De invoerrechten in de sector granen zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1008/2006 van de Commissie (3).

(2)

Bij verificatie is gebleken dat in de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 1008/2006 een rekenfout is geslopen. De betrokken verordening moet derhalve worden gerectificeerd. Deze correctie moet met terugwerkende kracht gelden.

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I en II bij Verordening (EG) nr. 1008/2006 worden vervangen door de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2006.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 juli 2006.

Voor de Commissie

J. L. DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1154/2005 van de Commissie (PB L 187 van 19.7.2005, blz. 11).

(2)  PB L 161 van 29.6.1996, blz. 125. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1110/2003 (PB L 158 van 27.6.2003, blz. 12).

(3)  PB L 179 van 1.7.2006, blz. 48.


BIJLAGE I

Vanaf 1 juli 2006 geldende invoerrechten voor de in artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde producten

GN-code

Omschrijving

Invoerrecht (1)

(in EUR/ton)

1001 10 00

Harde tarwe van hoge kwaliteit

0,00

van gemiddelde kwaliteit

0,00

van lage kwaliteit

0,00

1001 90 91

Zachte tarwe, zaaigoed

0,00

ex 1001 90 99

Zachte tarwe van hoge kwaliteit, andere dan voor zaaidoeleinden

0,00

1002 00 00

Rogge

32,64

1005 10 90

Maïs, zaaigoed, andere dan hybriden

56,38

1005 90 00

Maïs, andere dan zaaigoed (2)

56,38

1007 00 90

Graansorgho, andere dan hybriden bestemd voor zaaidoeleinden

47,63


(1)  Voor producten die via de Atlantische Oceaan of het Suezkanaal in de Gemeenschap worden aangevoerd (artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1249/96) komt de importeur in aanmerking voor een verlaging van het invoerrecht met:

3 EUR/t, als de loshaven aan de Middellandse Zee ligt, of

2 EUR/t, als de loshaven in Ierland, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Estland, Letland, Litouwen, Polen, Finland, Zweden of aan de Atlantische kust van het Iberisch Schiereiland ligt.

(2)  De importeur komt in aanmerking voor een forfaitaire verlaging van het invoerrecht met 24 EUR/t, als aan de in artikel 2, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1249/96 vastgestelde voorwaarden is voldaan.


BIJLAGE II

Berekeningselementen

(16.6.2006-29.6.2006)

1)

Gemiddelden over de referentieperiode bepaald in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96:

Beursnotering

Minneapolis

Chicago

Minneapolis

Minneapolis

Minneapolis

Minneapolis

Product (eiwitgehalte bij 12 % vocht)

HRS2

YC3

HAD2

Van gemiddelde kwaliteit (1)

Van lage kwaliteit (2)

US barley 2

Notering (EUR/t)

149,09 (3)

71,68

153,25

143,25

123,25

89,83

Golfpremie (EUR/t)

14,42

 

 

Grote-Merenpremie (EUR/t)

26,67

 

 

2)

Gemiddelden over de referentieperiode bepaald in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96:

Vrachttarieven/kosten: Golf van Mexico–Rotterdam: 19,55 EUR/t; Grote Meren–Rotterdam: 24,56 EUR/t.

3)

Subsidies bedoeld in artikel 4, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1249/96:

0,00 EUR/t (HRW2)

0,00 EUR/t (SRW2).


(1)  Een korting van 10 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).

(2)  Een korting van 30 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).

(3)  Premie van 14 EUR/t inbegrepen (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).


4.7.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 180/16


VERORDENING (EG) Nr. 1012/2006 VAN DE COMMISSIE

van 3 juli 2006

tot wijziging van de vanaf 4 juli 2006 geldende invoerrechten in de sector granen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1249/96 van de Commissie van 28 juni 1996 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad ten aanzien van de invoerrechten in de sector granen (2), en met name op artikel 2, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De invoerrechten in de sector granen zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1008/2006 van de Commissie (3).

(2)

In artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1249/96 is bepaald dat, indien in de loop van een toepassingsperiode het berekende gemiddelde van de invoerrechten 5 EUR per ton verschilt van het vastgestelde recht, een overeenkomstige aanpassing wordt uitgevoerd. Dit verschil heeft zich voorgedaan. De in Verordening (EG) nr. 1008/2006 vastgestelde invoerrechten moeten derhalve worden aangepast,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I en II bij de Verordening (EG) nr. 1008/2006 worden vervangen door de bijlagen I en II bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 4 juli 2006.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 juli 2006.

Voor de Commissie

J. L. DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 270 van 29.9.2003, blz. 78. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1154/2005 (PB L 187 van 19.7.2005, blz. 11).

(2)  PB L 161 van 29.6.1996, blz. 125. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1110/2003 (PB L 158 van 27.6.2003, blz. 12).

(3)  PB L 179 van 1.7.2006, blz. 48.


BIJLAGE I

Vanaf 4 juli 2006 geldende invoerrechten voor de in artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde producten

GN-code

Omschrijving

Invoerrecht (1)

(in EUR/ton)

1001 10 00

Harde tarwe van hoge kwaliteit

0,00

van gemiddelde kwaliteit

0,00

van lage kwaliteit

5,95

1001 90 91

Zachte tarwe, zaaigoed

0,00

ex 1001 90 99

Zachte tarwe van hoge kwaliteit, andere dan voor zaaidoeleinden

0,00

1002 00 00

Rogge

34,94

1005 10 90

Maïs, zaaigoed, andere dan hybriden

56,38

1005 90 00

Maïs, andere dan zaaigoed (2)

56,38

1007 00 90

Graansorgho, andere dan hybriden bestemd voor zaaidoeleinden

49,93


(1)  Voor producten die via de Atlantische Oceaan of het Suezkanaal in de Gemeenschap worden aangevoerd (artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1249/96) komt de importeur in aanmerking voor een verlaging van het invoerrecht met:

3 EUR/t, als de loshaven aan de Middellandse Zee ligt, of

2 EUR/t, als de loshaven in Ierland, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Estland, Letland, Litouwen, Polen, Finland, Zweden of aan de Atlantische kust van het Iberisch Schiereiland ligt.

(2)  De importeur komt in aanmerking voor een forfaitaire verlaging van het invoerrecht met 24 EUR/t, als aan de in artikel 2, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1249/96 vastgestelde voorwaarden is voldaan.


BIJLAGE II

Berekeningselementen

(op 30.6.2006)

1)

Gemiddelden over de referentieperiode bepaald in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96:

Beursnotering

Minneapolis

Chicago

Minneapolis

Minneapolis

Minneapolis

Minneapolis

Product (eiwitgehalte bij 12 % vocht)

HRS2

YC3

HAD2

Van gemiddelde kwaliteit (1)

Van lage kwaliteit (2)

US barley 2

Notering (EUR/t)

149,09 (3)

71,68

145,52

135,52

115,52

86,53

Golfpremie (EUR/t)

14,42

 

 

Grote-Merenpremie (EUR/t)

26,67

 

 

2)

Gemiddelden over de referentieperiode bepaald in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96:

Vrachttarieven/kosten: Golf van Mexico–Rotterdam: 19,55 EUR/t; Grote Meren–Rotterdam: 24,56 EUR/t.

3)

Subsidies bedoeld in artikel 4, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1249/96:

0,00 EUR/t (HRW2)

0,00 EUR/t (SRW2).


(1)  Een korting van 10 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).

(2)  Een korting van 30 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).

(3)  Premie van 14 EUR/t inbegrepen (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).


II Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

Raad

4.7.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 180/19


Nota over de inwerkingtreding van de Europees-mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Libanon, anderzijds

Aangezien de akten van kennisgeving van de voltooiing van de procedures die vereist waren voor de inwerkingtreding van de op 17 juni 2002 te Luxemburg ondertekende Europees-mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Libanon, anderzijds (1), op 14 februari 2006 zijn uitgewisseld, is deze overeenkomst overeenkomstig artikel 92 daarvan op 1 april 2006 in werking getreden.


(1)  PB L 143 van 30.5.2006, blz. 2.


Commissie

4.7.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 180/20


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2002

inzake een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-overeenkomst tegen SGL Carbon AG, Le Carbone-Lorraine SA, Ibiden Co., Ltd, Tokai Carbon Co., Ltd, Toyo Tanso Co., Ltd, GrafTech International, Ltd, NSCC Techno Carbon Co., Ltd, Nippon Steel Chemical Co., Ltd, Intech EDM BV en Intech EDM AG

(Zaak nr. C.37.667 — Speciaal grafiet)

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2002) 5083)

(Slechts de teksten in de Duitse, de Engelse, de Franse en de Nederlandse taal zijn authentiek)

(2006/460/EG)

Op 17 december 2002 heeft de Commissie een beschikking gegeven in een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-overeenkomst. Overeenkomstig artikel 30 van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (1) publiceert de Commissie hierbij de namen van de partijen en de belangrijkste punten van de beschikking, rekening houdend met het rechtmatige belang van de ondernemingen dat hun bedrijfsbelangen worden beschermd. Een niet-vertrouwelijke versie van de volledige tekst van de beschikking in de authentieke talen en in de werktalen van de Commissie is te vinden op de website van DG COMP: http://ec.europa.eu/comm/competition/index_en.html

1.   BEKNOPTE BESCHRIJVING VAN DE INBREUK

1.1.   Adressaten

(1)

Deze beschikking is gericht tot de volgende ondernemingen:

 

Wegens het kartel dat de markt voor isostatisch speciaal grafiet betreft:

GrafTech International, Ltd;

SGL Carbon AG;

Le Carbone-Lorraine SA;

Ibiden Co., Ltd;

Tokai Carbon Co., Ltd;

Toyo Tanso Co., Ltd;

Nippon Steel Chemical Co., Ltd/NSCC Techno Carbon Co., Ltd;

Intech EDM BV/Intech EDM AG.

 

Wegens het kartel dat de markt voor geëxtrudeerd speciaal grafiet betreft:

SGL Carbon AG;

GrafTech International, Ltd.

1.2.   Aard van de inbreuk

(2)

De zaak betreft twee hardcore kartels, tussen de producenten van respectievelijk isostatisch en geëxtrudeerd speciaal grafiet. De Commissie heeft bewijzen verzameld dat de karteldeelnemers van juli 1993 tot februari 1998 (isostatisch speciaal grafiet) en van februari 1993 tot november 1996 (geëxtrudeerd speciaal grafiet) afspraken maakten over richtprijzen voor het product, en verkoopvolumes en andere commerciële informatie uitwisselden. De twee kartels bestreken de hele wereld. Deze beschikking heeft betrekking op de inbreuken in de Gemeenschap en in de EER sinds 1 januari 1994.

(3)

Beide inbreuken bestaan uit de deelname van de hierboven vermelde adressaten in voortdurende overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die strijdig zijn met artikel 81, lid 1, van het EG-Verdrag (vanaf februari 1986) en artikel 53 van de EER-overeenkomst (vanaf januari 1994), die de hele EER bestrijken en waarbij zij afspraken maakten over richtprijzen voor het product; afspraken maakten over prijsverhogingen; verkoopvolumes en andere commerciële informatie uitwisselden; toezagen op de uitvoering van hun afspraken en deze afdwongen. De regelingen op de markt voor isostatisch speciaal grafiet hadden ook betrekking op afspraken van handelsvoorwaarden en, met name op lokaal niveau, occasionele verdeling van afnemers.

1.3.   Product

(4)

„Specialty graphites”, speciaal grafiet, is de in de betrokken sector algemeen gangbare benaming voor een groep van grafietproducten voor diverse toepassingen. Producten van speciaal grafiet worden vaak ingedeeld afhankelijk van de wijze waarop het grafiet wordt geproduceerd: isostatisch grafiet (geproduceerd door middel van isostatisch gieten) wordt gebruikt in EDM-elektroden, vormen voor continugieten, matrijzen voor warmpersen, halfgeleidertoepassingen; geëxtrudeerd grafiet (geproduceerd door middel van extrusie) wordt gebruikt in elektrolytische anoden en kathoden, schuitjes, sinterplaten, smeltkroezen. Deze procedure heeft betrekking op isostatisch en geëxtrudeerd speciaal grafiet in blokken en op maat gesneden blokken.

1.4.   Oorsprong en verrichte procedurehandelingen

(5)

Begin juni 1997 stelde de Commissie een onderzoek in naar de markt voor grafietelektroden. De Commissie werd tijdens dit onderzoek door UCAR benaderd met een verzoek op grond van de „clementieregeling”. Het verzoek werd gedaan op 13 april 1999 en betrof vermeende concurrentievervalsende praktijken op een markt — speciaal grafiet — die verband houdt met de markt voor grafietelektroden.

(6)

Op basis van de documenten die werden verstrekt door UCAR, verzond de Commissie verzoeken om inlichtingen overeenkomstig artikel 11 van Verordening nr. 17 (2). In maart 2000 werden verzoeken gezonden aan SGL, Intech, POCO, LCL, Nippon Steel Corporation, Ibiden, Tokai en Toyo Tanso, waarin nadere uitleg werd gevraagd omtrent contacten met concurrenten, ontwikkeling van prijzen en relevante omzet. In juli 2000 werd een tweede reeks brieven verzonden aan Nippon Carbon, NSCC en Schunk. De ondernemingen beantwoordden deze verzoeken om inlichtingen in de periode van mei tot november 2000.

(7)

De Commissie zond in september en oktober 2001 nogmaals een reeks verzoeken om inlichtingen aan de adressaten van de mededeling van punten van bezwaar. De antwoorden werden ontvangen tussen eind oktober en begin december 2001.

(8)

Na ontvangst van deze antwoorden verzond de Commissie een definitief verzoek om inlichtingen aan dezelfde ondernemingen op 22 november 2001, dat zij in december 2001 beantwoordden.

(9)

Op 17 mei 2002 zond de Commissie een mededeling van punten van bezwaar aan de adressaten van deze beschikking. Alle partijen dienden schriftelijke opmerkingen in tegen de mededeling van punten van bezwaar van de Commissie. Nippon Steel Chemical Co., Ltd en NSCC Techno Carbon Co., Ltd dienden een gezamenlijk antwoord in. Ook Intech EDM BV en Intech EDM AG antwoordden gezamenlijk op de bezwaren van de Commissie.

(10)

De antwoorden op de mededeling van punten van bezwaar werden ontvangen tussen 19 en 25 juli 2002. Alle ondernemingen, behalve Intech EDM AG en Intech EDM BV, erkenden de inbreuk. Geen van de ondernemingen betwistte de feiten op wezenlijke punten. Op 10 september 2002 werd een hoorzitting gehouden tijdens welke alle partijen in de gelegenheid werden gesteld te worden gehoord.

2.   GELDBOETEN

2.1.   Basisbedrag

(11)

Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete moet de Commissie rekening houden met alle relevante omstandigheden, en met name met de zwaarte en de duur van de inbreuk, twee criteria die uitdrukkelijk zijn genoemd in artikel 15, lid 2, van Verordening nr. 17.

2.1.1.   Zwaarte van de inbreuk

(12)

Volgens de richtsnoeren inzake geldboeten moet de Commissie rekening houden met: i) de aard van de inbreuk, ii) de daadwerkelijke impact van de inbreuk op de markt en iii) de omvang van de relevante geografische markt.

(13)

De onderhavige inbreuken bestonden voornamelijk uit prijsafspraken en de uitwisseling van commerciële informatie, die per definitie zeer ernstige inbreuken op artikel 81, lid 1, van het EG-Verdrag en artikel 53, lid 1, van de EER-overeenkomst zijn.

(14)

De kartelafspraken werden nauwgezet toegepast door producenten die gedurende de relevante periode het grootste deel van de wereldmarkt voor isostatisch en geëxtrudeerd speciaal grafiet voor hun rekening namen. Deze afspraken moeten derhalve een daadwerkelijke impact op beide markten in de EER hebben gehad.

(15)

De kartels bestreken de gehele gemeenschappelijke markt en, na de oprichting ervan, de gehele EER. Ieder deel van de gemeenschappelijke markt en later van het grondgebied van de EER werd hierdoor beïnvloed.

(16)

Rekening houdend met de aard van de onderzochte gedragingen, de daadwerkelijke gevolgen ervan voor de markten voor isostatisch en geëxtrudeerd speciaal grafiet en het feit dat zij de gehele gemeenschappelijke markt bestreken, alsmede de hele EER sinds de oprichting ervan, is de Commissie van mening dat de adressaten van dit ontwerp van beschikking in beide gevallen een zeer zware inbreuk hebben begaan op artikel 81, lid 1, van het Verdrag en artikel 53, lid 1, van de EER-overeenkomst.

2.1.2.   Gedifferentieerde behandeling

(17)

Binnen de categorie van de zeer zware inbreuken maakt de voorgestelde scala van geldboeten die kunnen worden opgelegd, het mogelijk tussen de betrokken ondernemingen te differentiëren volgens de mate waarin elk van die ondernemingen daadwerkelijk economisch bij machte is de mededinging aanzienlijke schade te berokkenen, en de boeten op een zodanig niveau vast te stellen dat daarvan een voldoende afschrikkende werking uitgaat.

(18)

Gezien de toedracht van deze zaak, waarbij verschillende ondernemingen betrokken zijn, moet bij het vaststellen van het basisbedrag van de geldboeten rekening worden gehouden met het specifieke gewicht van elke onderneming afzonderlijk, en bijgevolg met de daadwerkelijke invloed van haar inbreukmakend gedrag op de mededinging.

(19)

Om de boete wegens het kartel voor isostatisch grafiet te berekenen, wordt voorgesteld de ondernemingen te verdelen in vijf categorieën op basis van hun mondiale productomzet. De eerste categorie omvat SGL; de tweede Toyo Tanso; de derde LCL en Tokai; de vierde Ibiden en NSC/NSCC; de vijfde UCAR en Intech.

(20)

Wat het kartel voor geëxtrudeerd speciaal grafiet betreft, beschikten UCAR en SGL over een evenwaardig aandeel op de mondiale markt voor dit product. Daarom worden zij in één categorie ondergebracht.

2.1.3.   Duur

2.1.3.1.   Isostatisch speciaal grafiet

(21)

SGL, LCL, Ibiden, Tokai, Toyo Tanso en NSC/NSCC hebben inbreuk gemaakt op artikel 81, lid 1, van het Verdrag van juli 1993 tot februari 1998, en van 1 januari 1994 tot februari 1998 op artikel 53, lid 1, van de EER-overeenkomst. UCAR maakte dezelfde inbreuk van februari 1996 tot mei 1997, en Intech van februari 1994 tot mei 1997.

(22)

Derhalve hebben SGL, LCL, Ibiden, Tokai, Toyo Tanso en NSC/NSCC een inbreuk van vier jaar en zes maanden begaan — een inbreuk dus van middellange duur. De basisbedragen van de voor de zwaarte van de inbreuk vastgestelde geldboete worden daarom met 45 % verhoogd.

(23)

Intech heeft met drie jaar en twee maanden een inbreuk van middellange duur begaan. Het basisbedrag van de voor de zwaarte van de inbreuk vastgestelde geldboete wordt daarom met 30 % verhoogd.

(24)

UCAR heeft met één jaar en twee maanden een inbreuk van middellange duur begaan. Het basisbedrag van de voor de zwaarte van de inbreuk vastgestelde geldboete wordt daarom met 10 % verhoogd.

2.1.3.2.   Geëxtrudeerd speciaal grafiet

(25)

SGL en UCAR hebben inbreuk gemaakt op artikel 81, lid 1, van het Verdrag van februari 1993 tot november 1996 en op artikel 53, lid 1, van de EER-overeenkomst van 1 januari 1994 tot november 1996 of gedurende drie jaar en acht maanden. Het gaat dus om een inbreuk van middellange duur. Het basisbedrag van de voor de zwaarte van de inbreuk vastgestelde geldboete wordt bijgevolg voor iedere onderneming verhoogd met 35 %.

2.2.   Verzwarende omstandigheden (Leidinggevende rol bij de inbreuk)

(26)

SGL was de leider en aanzetter van de inbreuk op de markt van isostatisch speciaal grafiet. SGL heeft de bevindingen van de Commissie in dit verband niet betwist. Deze verzwarende omstandigheid rechtvaardigt een verhoging met 50 % van het basisbedrag van de aan SGL op te leggen boete wegens haar inbreuken op de markt voor isostatisch speciaal grafiet.

(27)

Voorts is de Commissie van oordeel dat er geen duidelijk kopstuk kan worden geïdentificeerd voor de inbreuk die de markt voor geëxtrudeerd speciaal grafiet trof.

2.3.   Verzachtende omstandigheden

(28)

De Commissie is van oordeel dat bij het kartel voor isostatisch speciaal grafiet enkel voor Intech een verzachtende omstandigheid kan gelden wegens bepaalde specifieke omstandigheden die enkel betrekking hebben op deze onderneming. Intech had een specifieke rol in het kartel voor isostatisch speciaal grafiet, omdat de onderneming in ruime mate handelde op instructie van Ibiden, om middels haar deelname aan de Europese en lokale bijeenkomsten, als distributeur van Ibiden de principebesluiten ten uitvoer te leggen die waren genomen op een hoger niveau (waaraan Ibiden wel en Intech niet deelnam). De Commissie is van oordeel dat die bijzondere omstandigheden een verlaging rechtvaardigen met 40 % van het basisbedrag van de aan Intech op te leggen boete wegens haar betrokkenheid bij de inbreuk op de markt voor isostatisch speciaal grafiet.

2.4.   Toepassing van de clementieregeling

(29)

De adressaten van de beschikking hebben met de Commissie meegewerkt in de verschillende stadia van het onderzoek om de gunstige behandeling te kunnen krijgen als beschreven in de clementieregeling. In het ontwerp van beschikking wordt voorgesteld de clementieregeling als volgt toe te passen.

2.4.1.   Niet-oplegging of zeer aanzienlijke vermindering van de geldboete („deel B”: vermindering met 75 tot 100 %)

(30)

De Commissie erkent dat UCAR de eerste onderneming was die bewijsmateriaal van doorslaggevend belang heeft aangebracht in verband met het bestaan van een internationaal kartel dat de EER trof in de sectoren isostatisch en geëxtrudeerd speciaal grafiet. De Commissie erkent eveneens dat zij, toen UCAR contact met haar opnam, nog geen inspecties had gelast, noch over voldoende informatie beschikte om het bestaan van de inbreuken te bewijzen. UCAR heeft een eind gemaakt aan zijn betrokkenheid toen het het bestaan van de kartels aan het licht bracht en heeft geen andere onderneming gedwongen aan deze kartels deel te nemen. Derhalve voldoet UCAR voor beide inbreuken aan de voorwaarden uit deel B van de clementieregeling. Daarom verleent de Commissie UCAR een verlaging met 100 % van de geldboete die de onderneming anders zou zijn opgelegd wegens elke inbreuk.

2.4.2.   Aanzienlijke vermindering van de geldboete („deel C”: vermindering met 50 tot 75 %)

(31)

SGL, LCL, Toyo Tanso, Tokai, Ibiden, NSC/NSCC of Intech waren niet de eersten om de Commissie doorslaggevend bewijsmateriaal te verstrekken over de kartels voor isostatisch of geëxtrudeerd speciaal grafiet, zoals vereist volgens deel C, onder a), van de clementieregeling. Bijgevolg voldoet geen van voormelde ondernemingen aan de in dit deel C genoemde voorwaarden.

2.4.3.   Belangrijke vermindering van de geldboete („deel D”: vermindering met 10 tot 50 %)

(32)

Vóór de Commissie haar mededeling van punten van bezwaar vaststelde, hebben SGL, LCL, Ibiden, Tokai, Toyo Tanso en NSC/NSCC de Commissie informatie en bescheiden verstrekt die wezenlijk hebben bijgedragen tot het bewijs van het bestaan van de inbreuken. Geen van hen betwist fundamenteel de feiten waarop de Commissie haar mededeling van punten van bezwaar heeft gebaseerd. De meegedeelde informatie en documenten stelden de Commissie in staat de werking van de kartels en bepaalde elementen ervan te bevestigen en nader te detailleren.

(33)

Aangezien volgens de clementieregeling medewerking steeds vrijwillig moet zijn, en met name los moet staan van de uitoefening van enige onderzoeksbevoegdheden, is de Commissie van oordeel dat de door deze ondernemingen verstrekte informatie in feite voor een belangrijk stuk integrerend deel uitmaakt van hun antwoorden op de formele verzoeken om inlichtingen van de Commissie. De door deze ondernemingen verstrekte informatie wordt bijgevolg slechts beschouwd als vrijwillig verstrekt in de zin van de clementieregeling, mits ze verder reikte dan de informatie waarom op grond van artikel 11 van Verordening nr. 17 was verzocht.

(34)

De Commissie concludeert dat genoemde documenten gedetailleerd bewijsmateriaal bevatten over de organisatiestructuur van de kartelregelingen die de beide markten troffen, en op beslissende wijze hebben bijgedragen tot het vaststellen en/of bevestigen van wezenlijke elementen van deze inbreuken. Samen met de verklaringen van UCAR vormen deze bescheiden het belangrijkste bewijsmateriaal dat de Commissie gebruikte bij de voorbereiding van deze beschikking.

(35)

Voorts is de Commissie van oordeel dat het niet mogelijk is onderscheid te maken ten aanzien van de „toegevoegde waarde” van deze verklaringen voor het onderzoek op de markt voor isostatisch speciaal grafiet, aangezien al deze verklaringen, met beperkte verschillen in tijd, werden afgelegd in reactie op het formele verzoek om inlichtingen van de Commissie, en zij alle bewijsmateriaal van vergelijkbare kwaliteit bevatten. Bovendien was geen van deze verklaringen op zich van essentieel belang voor de Commissie om haar bezwaren ten aanzien van de inbreuk te substantiëren, aangezien zij elkaar grotendeels overlappen wat betreft de verschafte bewijzen.

(36)

In zijn antwoord op het verzoek om inlichtingen van de Commissie heeft Intech geen bewijsmateriaal verstrekt in verband met bijeenkomsten. Wel heeft het de feiten waarop de Commissie haar beschuldigingen in de mededeling van punten van bezwaar baseerde, niet fundamenteel betwist.

(37)

SGL, LCL, Ibiden, Tokai, Toyo Tanso en NSC/NSCC voldoen derhalve aan de voorwaarden van deel D, punt 2, eerste en tweede streepje, van de clementieregeling, en aan deze ondernemingen wordt een vermindering van de boete met 35 % verleend. Intech voldoet aan de voorwaarden van deel D, punt 2, tweede streepje, van de clementieregeling, en aan deze onderneming wordt een vermindering van de boete met 10 % verleend.

2.5.   Punt 5, onder b), van de richtsnoeren inzake geldboeten

(38)

Volgens punt 5, onder b), van de richtsnoeren inzake geldboeten zou de Commissie bij het bepalen van geldboeten rekening moeten houden met bepaalde objectieve factoren die afhangen van de omstandigheden van een zaak.

2.5.1.   Vermogen tot betaling

(39)

SGL en NSC hebben een aantal argumenten gegeven in verband met hun vermogen te betalen. In het bijzonder hebben beide ondernemingen erop gewezen […] (3).

(40)

Om dit argument te onderzoeken heeft de Commissie om uitvoerige inlichtingen verzocht met betrekking tot de financiële positie van de ondernemingen. Na bestudering van het antwoord van de ondernemingen van 20 november 2002 en van de aanvullende verklaring van SGL van 8 november 2002 komt de Commissie tot de slotsom dat het in dit geval niet passend is om het bedrag van de geldboeten te wijzigen. Hoewel uit de door de beide ondernemingen verstrekte financiële gegevens blijkt dat zowel SGL als NSC […], zou rekening houden met het feit dat een onderneming vooral ten gevolge van algemene marktomstandigheden […], neerkomen op het verlenen van een ongerechtvaardigd concurrentievoordeel.

2.5.2.   Andere factoren

(41)

SGL is […].

(42)

Op 18 juli 2001 heeft de Commissie SGL een boete opgelegd van 80,2 miljoen EUR wegens inbreuk op artikel 81 van het Verdrag wegens de betrokkenheid van de onderneming bij het kartel voor grafietelektroden.

(43)

Hieruit blijkt zowel dat SGL […] als dat de Commissie de onderneming vrij kort geleden een aanzienlijke geldboete heeft opgelegd. De Commissie is van oordeel dat het opleggen van het volledige bedrag van de boete in deze bijzondere omstandigheden niet noodzakelijk lijkt om een doeltreffend afschrikkend effect te waarborgen.

(44)

Gelet op deze twee factoren, is de Commissie van oordeel dat de boete in dit specifieke geval met 33 % moet worden verminderd.

3.   BESCHIKKING

(45)

De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 81, lid 1, van het Verdrag en artikel 53, lid 1, van de EER-overeenkomst door in de vermelde perioden deel te nemen aan een geheel van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die de markten voor isostatisch speciaal grafiet in de Gemeenschap en de EER troffen:

1)

GrafTech International, Ltd: van februari 1996 tot mei 1997;

2)

SGL Carbon AG: van juli 1993 tot februari 1998;

3)

Le Carbone-Lorraine SA: van juli 1993 tot februari 1998;

4)

Ibiden Co., Ltd: van juli 1993 tot februari 1998;

5)

Tokai Carbon Co., Ltd: van juli 1993 tot februari 1998;

6)

Toyo Tanso Co., Ltd: van juli 1993 tot februari 1998;

7)

Nippon Steel Chemical Co., Ltd en NSCC Techno Carbon Co., Ltd: hoofdelijk aansprakelijk, van juli 1993 tot februari 1998;

8)

Intech EDM BV en Intech EDM AG: hoofdelijk aansprakelijk, van februari 1994 tot mei 1997.

(46)

De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 81, lid 1, van het Verdrag en artikel 53, lid 1, van de EER-overeenkomst door in de vermelde perioden deel te nemen aan een geheel van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die de markten voor geëxtrudeerd speciaal grafiet in de Gemeenschap en de EER troffen:

1)

SGL Carbon AG: van februari 1993 tot november 1996;

2)

GrafTech International, Ltd: van februari 1993 tot november 1996.

(47)

De hierboven genoemde ondernemingen maken onverwijld een eind aan de bedoelde inbreuken, voor zover zij zulks nog niet gedaan hebben. Zij onthouden zich van herhaling van enige hierboven bedoelde handeling of gedraging, alsmede van enige handeling of gedraging die dezelfde of gelijkaardige doelstellingen of gevolgen heeft.

(48)

Voor de hierboven bedoelde inbreuken worden de volgende geldboeten opgelegd aan de volgende ondernemingen:

a)

GrafTech International, Ltd:

isostatisch speciaal grafiet: 0 EUR,

geëxtrudeerd speciaal grafiet: 0 EUR;

b)

SGL Carbon AG:

isostatisch speciaal grafiet: 18 940 000 EUR,

geëxtrudeerd speciaal grafiet: 8 810 000 EUR;

c)

Le Carbone-Lorraine SA: 6 970 000 EUR;

d)

Ibiden Co., Ltd: 3 580 000 EUR;

e)

Tokai Carbon Co., Ltd: 6 970 000 EUR;

f)

Toyo Tanso Co., Ltd: 10 790 000 EUR;

g)

Nippon Steel Chemical Co., Ltd en NSCC Techno Carbon Co., Ltd, hoofdelijk aansprakelijk: 3 580 000 EUR;

h)

Intech EDM BV en Intech EDM AG, hoofdelijk aansprakelijk: 980 000 EUR.


(1)  PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 411/2004 (PB L 68 van 6.3.2004, blz. 1).

(2)  PB 13 van 21.2.1962, blz. 204/62.

(3)  Om te waarborgen dat geen vertrouwelijke informatie openbaar wordt gemaakt, zijn gedeelten uit deze tekst weggelaten; deze gedeelten zijn aangeduid met vierkante haken.


4.7.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 180/25


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 26 juni 2006

betreffende de toewijzing aan het Verenigd Koninkrijk van extra dagen aanwezigheid in ICES-sector VIIe

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 2438)

(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

(2006/461/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 51/2006 van de Raad van 22 december 2005 tot vaststelling, voor 2006, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften (1), en met name op punt 9 van bijlage IIC,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In punt 7 van bijlage IIC bij Verordening (EG) nr. 51/2006 is het maximale aantal dagen (216) vastgesteld waarop communautaire vaartuigen met een lengte over alles gelijk aan of groter dan 10 meter, die boomkorren met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 80 mm, dan wel staande netten met een maaswijdte van minder dan 220 mm aan boord hebben, aanwezig mogen zijn in ICES-sector VIIe in de periode van 1 februari 2006 tot en met 31 januari 2007.

(2)

Krachtens punt 9 van die bijlage kan de Commissie extra dagen toekennen waarop een vaartuig in dat gebied aanwezig mag zijn terwijl het dergelijke boomkorren of staande netten aan boord heeft, op basis van de definitieve beëindiging van visserijactiviteiten sinds 1 januari 2004.

(3)

Het Verenigd Koninkrijk heeft gegevens meegedeeld waaruit blijkt dat de vlootcapaciteit van de in het gebied aanwezige vaartuigen die boomkorren met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 80 mm aan boord hebben, in 2006 met 5 % is afgenomen.

(4)

Op grond van de meegedeelde gegevens moeten voor de periode van 1 februari 2006 tot en met 31 januari 2007 aan het Verenigd Koninkrijk 12 extra dagen aanwezigheid in het gebied worden toegewezen voor vaartuigen die dergelijke boomkorren aan boord hebben.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de visserij en de aquacultuur,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Het in tabel I van bijlage IIC bij Verordening (EG) nr. 51/2006 vastgestelde maximale aantal dagen per jaar waarop een vissersvaartuig dat de vlag van het Verenigd Koninkrijk voert en dat boomkorren met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 80 mm aan boord heeft, aanwezig mag zijn in ICES-sector VIIe, wordt verhoogd tot 228.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

Gedaan te Brussel, 26 juni 2006.

Voor de Commissie

Joe BORG

Lid van de Commissie


(1)  PB L 16 van 20.1.2006, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 898/2006 van de Commissie (PB L 167 van 20.6.2006, blz. 16).