ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 177

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

49e jaargang
30 juni 2006


Inhoud

 

I   Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

Bladzijde

 

*

Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking)  ( 1 )

1

 

*

Richtlijn 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (herschikking)

201

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

30.6.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 177/1


RICHTLIJN 2006/48/EGVAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 14 juni 2006

betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 47, lid 2, eerste en derde zin,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (4) is diverse malen ingrijpend gewijzigd. Aangezien er nieuwe wijzigingen in die richtlijn zijn aangebracht, is het, ter wille van de duidelijkheid, wenselijk tot herschikking van deze richtlijn over te gaan.

(2)

Teneinde de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen te vergemakkelijken, is het noodzakelijk de hinderlijkste verschillen tussen de wetgevingen der lidstaten inzake de regeling waaraan deze instellingen zijn onderworpen, op te heffen.

(3)

De onderhavige richtlijn vormt met betrekking tot de sector kredietinstellingen, ten aanzien van zowel de vrijheid van vestiging als het vrij verrichten van diensten, het essentiële instrument voor de totstandbrenging van de interne markt.

(4)

In de mededeling van de Commissie van 11 mei 1999, getiteld „Omzetting van het kader voor de financiële markt: actieplan” worden verschillende doelstellingen genoemd die ter voltooiing van de interne markt voor financiële diensten moeten worden verwezenlijkt. De Europese Raad van 23 en 24 maart 2000 in Lissabon heeft het doel vastgesteld het actieplan vóór 2005 om te zetten. De herschikking van de bepalingen inzake het eigen vermogen is een wezenlijk element van het actieplan.

(5)

De coördinatiewerkzaamheden inzake kredietinstellingen, zowel voor de bescherming van de spaargelden als ter bewerkstelliging van gelijke concurrentievoorwaarden voor de kredietinstellingen, moeten van toepassing zijn op alle kredietinstellingen. Hierbij dient echter rekening te worden gehouden met de objectieve verschillen in hun status en hun bij de nationale wetgevingen vastgestelde specifieke taken.

(6)

Het toepassingsgebied van de coördinatiewerkzaamheden moet derhalve zo ruim mogelijk zijn en moet alle instellingen bestrijken die terugbetaalbare gelden van het publiek in ontvangst nemen, in de vorm van deposito's of in andere vormen, zoals de permanente uitgifte van obligaties en andere vergelijkbare stukken, en voor eigen rekening kredieten verlenen. Uitzonderingen moeten echter worden gemaakt voor bepaalde kredietinstellingen waarop deze richtlijn niet van toepassing kan zijn. Deze richtlijn laat de toepassing van de nationale wetgevingen onverlet wanneer hierin de mogelijkheid wordt geboden van aanvullende speciale vergunningen op grond waarvan de kredietinstellingen specifieke werkzaamheden kunnen verrichten of specifieke soorten transacties kunnen uitvoeren.

(7)

Het is aangewezen een wezenlijke, noodzakelijke en voldoende harmonisatie tot stand te brengen om te komen tot een wederzijdse erkenning van de vergunningen en van de stelsels van bedrijfseconomisch toezicht, waardoor één en dezelfde vergunning voor de gehele Gemeenschap geldig is en waarbij het beginsel geldt dat het bedrijfseconomisch toezicht wordt uitgeoefend door de lidstaat van herkomst. De eis dat een programma van werkzaamheden wordt ingediend mag in dit opzicht slechts worden beschouwd als een factor die de bevoegde autoriteiten in staat stelt te besluiten op grond van een nauwkeuriger informatie binnen het kader van objectieve criteria. Een zekere versoepeling van de regels is niettemin mogelijk met betrekking tot de vereisten die worden gesteld aangaande de rechtsvormen van de kredietinstellingen met betrekking tot de bescherming van de bankbenamingen.

(8)

Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, te weten de vaststelling van voorschriften voor de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen en voor het bedrijfseconomisch toezicht daarop, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang en de gevolgen van het vooropgestelde optreden beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag vastgelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in ditzelfde artikel genoemde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(9)

Voor de kredietinstellingen moeten gelijkwaardige financiële eisen gelden in het belang van gelijke waarborgen voor spaarders en eerlijke concurrentieverhoudingen tussen vergelijkbare groepen kredietinstellingen. In afwachting van een betere coördinatie dienen geëigende, de structuur betreffende verhoudingsgetallen te worden ontwikkeld waardoor het mogelijk wordt om in het kader van de samenwerking tussen nationale autoriteiten volgens standaardmethoden de positie van vergelijkbare categorieën kredietinstellingen in het oog te houden. Deze procedure kan de geleidelijke onderlinge aanpassing van door de lidstaten vastgestelde en toegepaste coëfficiënten vergemakkelijken. Het is evenwel noodzakelijk een onderscheid te maken tussen de coëfficiënten welke ten doel hebben een degelijk beheer van de kredietinstellingen te waarborgen en die welke oogmerken van economische en monetaire politiek dienen.

(10)

De beginselen van wederzijdse erkenning en van toezicht door de lidstaat van herkomst vereisen dat de bevoegde autoriteiten van elke lidstaat een vergunning weigeren of intrekken, wanneer uit bepaalde gegevens, zoals de inhoud van het programma van werkzaamheden, de lokalisatie van de werkzaamheden of de werkelijk uitgeoefende werkzaamheden, op ondubbelzinnige wijze blijkt dat de kredietinstelling het rechtsstelsel van een lidstaat heeft gekozen om zich te onttrekken aan de strengere voorschriften van een andere lidstaat, waar zij het grootste deel van haar werkzaamheden uitoefent of voornemens is uit te oefenen. Wanneer dit niet ondubbelzinnig blijkt, maar de totale activa van de entiteiten in een bankgroep grotendeels gelokaliseerd zijn in een andere lidstaat waarvan de bevoegde autoriteiten belast zijn met het toezicht op geconsolideerde basis, zou, in het kader van de artikelen 125 en 126, de verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis enkel met toestemming van die bevoegde autoriteiten veranderd mogen worden. Aan een kredietinstelling die een rechtspersoon is, moet vergunning worden verleend in de lidstaat waar haar statutaire zetel is gelegen. Een kredietinstelling die geen rechtspersoon is, moet zijn hoofdkantoor hebben in de lidstaat waar haar vergunning is verleend. De lidstaten moeten tevens eisen dat het hoofdkantoor van een kredietinstelling zich steeds in haar lidstaat van herkomst bevindt en daar feitelijk ook werkzaam is.

(11)

De bevoegde autoriteiten zouden geen vergunning aan een kredietinstelling mogen verlenen of handhaven, wanneer de nauwe banden die tussen deze instelling en andere natuurlijke of rechtspersonen bestaan, van dien aard zijn dat zij een belemmering vormen voor de juiste uitoefening van hun toezichthoudende taken. Kredietinstellingen waaraan reeds vergunning is verleend, moeten de bevoegde autoriteiten in dat opzicht eveneens voldoening schenken.

(12)

Met „juiste uitoefening van de toezichthoudende taken door de autoriteiten”, wordt ook gedoeld op het toezicht op geconsolideerde basis, dat op een kredietinstelling dient te worden uitgeoefend wanneer de communautaire rechtsregels een dergelijk toezicht voorschrijven. In zulke gevallen moeten de autoriteiten waaraan om een vergunning is gevraagd, de autoriteiten kunnen identificeren die bevoegd zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis op deze kredietinstelling.

(13)

Door deze richtlijn worden lidstaten en/of bevoegde autoriteiten in staat gesteld kapitaaleisen op individuele en geconsolideerde basis toe te passen en deze eisen op individuele basis niet toe te passen indien zij dat nodig achten. Individueel, geconsolideerd en grensoverschrijdend geconsolideerd toezicht zijn waardevolle instrumenten bij het toezicht op kredietinstellingen. Door deze richtlijn worden de bevoegde autoriteiten in staat gesteld grensoverschrijdende instellingen te steunen door de onderlinge samenwerking tussen hen te vergemakkelijken. Met name moeten zij gebruik blijven maken van de artikelen 42, 131 en 141 om hun werkzaamheden en verzoeken om informatie te coördineren.

(14)

Het moet kredietinstellingen waaraan in een lidstaat van herkomst vergunning is verleend, worden toegestaan alle werkzaamheden die in de in bijlage I opgenomen lijst zijn vermeld, of een deel daarvan, door vestiging van een bijkantoor of het verrichten van diensten overal in de Gemeenschap uit te oefenen.

(15)

Voor de door hun bevoegde autoriteiten erkende kredietinstellingen kunnen de lidstaten eveneens striktere regels vaststellen dan die in artikel 9, lid 1, eerste alinea, artikel 9, lid 2, en artikelen 12, 19 tot 21, 44 tot 52, 75 en 120 tot 122. De lidstaten kunnen eveneens verzoeken om naleving van artikel 123 op individuele of andere grondslag, en om toepassing van de sub-consolidatie beschreven in artikel 73, lid 2 op andere niveaus binnen een groep.

(16)

Het is dienstig de wederzijdse erkenning ook te laten gelden voor de werkzaamheden die in voornoemde lijst zijn opgenomen wanneer zij worden verricht door een financiële instelling die dochteronderneming is van een kredietinstelling, mits deze dochteronderneming is opgenomen onder het toezicht op geconsolideerde basis waaraan haar moederonderneming is onderworpen, en aan strenge voorwaarden voldoet.

(17)

De lidstaat van ontvangst moet voor de uitoefening van het recht van vestiging en van het vrij verrichten van diensten kunnen eisen dat de specifieke voorschriften van zijn wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen worden nageleefd door instellingen die geen vergunning als kredietinstelling hebben ontvangen in de lidstaat van herkomst, dan wel ten aanzien van werkzaamheden die niet in voornoemde lijst voorkomen, voorzover deze voorschriften verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht en worden ingegeven door het algemeen belang, en deze instellingen, respectievelijk werkzaamheden niet op grond van de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaat van herkomst aan gelijkwaardige regels onderworpen zijn.

(18)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat er geen enkele belemmering is voor de uitoefening, op dezelfde wijze als in de lidstaat van herkomst, van de werkzaamheden die onder de wederzijdse erkenning vallen, voorzover zij niet in strijd zijn met de vigerende wettelijke bepalingen van algemeen belang van de lidstaat van ontvangst.

(19)

De regeling voor bijkantoren van kredietinstellingen met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap zou in alle lidstaten analoog moeten zijn. Er moet worden bepaald dat deze regeling niet gunstiger mag zijn dan voor bijkantoren van instellingen uit een andere lidstaat. De Gemeenschap moet met derde landen overeenkomsten kunnen sluiten die voorzien in de toepassing van bepalingen krachtens welke voor deze bijkantoren op haar gehele grondgebied een gelijke behandeling geldt. De bijkantoren met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap mogen niet in aanmerking komen voor het vrij verrichten van diensten uit hoofde van artikel 49, tweede alinea, van het Verdrag, noch voor de vrijheid van vestiging in andere lidstaten dan die waarin zij gevestigd zijn.

(20)

Tussen de Gemeenschap en derde landen dienen overeenkomsten op basis van wederkerigheid te worden gesloten om de concrete toepassing van geconsolideerd toezicht op een zo breed mogelijke geografische basis mogelijk te maken.

(21)

De verantwoordelijkheid inzake het toezicht op de financiële soliditeit en met name de solvabiliteit van een kredietinstelling dient voortaan te berusten bij de lidstaat van herkomst van de instelling. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst dienen verantwoordelijk te zijn voor het toezicht op de liquiditeit van de bijkantoren en voor het monetair beleid. Met betrekking tot het toezicht op het marktrisico moet er een nauwere samenwerking zijn tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en die van de lidstaat van ontvangst.

(22)

De harmonische werking van de interne bankmarkt, vereist naast rechtsnormen, nauwe en regelmatige samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en een veel grotere convergentie van hun regelgevings- en toezichtpraktijken. Met name moeten de individuele behandeling van problemen betreffende een bepaalde kredietinstelling, en de onderlinge uitwisseling van informatie derhalve geschieden in het Comité van Europese bankentoezichthouders dat is ingesteld bij Besluit 2004/5/EG (5) van de Commissie. Deze procedure voor de uitwisseling van gegevens mag in geen geval in de plaats treden van de bilaterale samenwerking. Onverminderd haar eigen toezichtsbevoegdheden, moet de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst op eigen initiatief of op initiatief van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, in dringende gevallen kunnen nagaan of de werkzaamheden van een instelling op haar grondgebied in overeenstemming zijn met de wet, en met de beginselen van een goede administratieve en boekhoudkundige procedures en van een adequate interne controlemaatregelen.

(23)

Het is dienstig de mogelijkheid toe te staan van uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten en autoriteiten of organen die uit hoofde van hun functie bijdragen tot de stabiliteit van het financiële stelsel. Teneinde het vertrouwelijke karakter van de doorgegeven informatie te bewaren, moet de lijst van geadresseerden daarvan strikt beperkt blijven.

(24)

Bepaalde praktijken zoals fraude en voorkennisdelicten, ook al hebben zij betrekking op andere dan kredietinstellingen, tasten toch de stabiliteit van het financiële stelsel alsmede de integriteit ervan aan. Bepaald moet worden onder welke voorwaarden de uitwisseling van informatie in dergelijke gevallen is toegestaan.

(25)

Wanneer bepaald is dat informatie alleen met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten mag worden doorgegeven, mogen deze autoriteiten in voorkomend geval aan hun instemming strikte voorwaarden verbinden.

(26)

Ook uitwisseling van informatie dient te worden toegestaan tussen enerzijds de bevoegde autoriteiten en anderzijds de centrale banken en andere instellingen met een soortgelijke taak in hun hoedanigheid van monetaire autoriteit, en in voorkomend geval aan andere overheidsinstanties die belast zijn met het toezicht op de betalingssystemen.

(27)

Ter versterking van het bedrijfseconomische toezicht op kredietinstellingen en ter bescherming van de cliënten van kredietinstellingen moeten met de wettelijke controle van de jaarrekeningen belaste personen de bevoegde autoriteiten snel in kennis stellen wanneer zij in de uitvoering van hun taken kennis krijgen van bepaalde feiten die van dien aard zijn dat zij de financiële positie of de administratieve en boekhoudkundige organisatie van een kredietinstelling ernstig kunnen aantasten. Om dezelfde reden moeten de lidstaten ook bepalen dat deze verplichting in alle gevallen geldt wanneer dergelijke feiten door een met de wettelijke controle van de jaarrekening belast persoon worden geconstateerd in de uitvoering van zijn taken bij een onderneming die met een kredietinstelling nauwe banden heeft. De aan de met de wettelijke controle van de jaarrekening belaste personen opgelegde verplichting om in voorkomend geval aan de bevoegde autoriteiten mededeling te doen van bepaalde feiten en besluiten met betrekking tot een kredietinstelling, welke zij in de uitvoering van hun taken bij een niet-financiële onderneming constateren, mag op zich geen wijziging inhouden van de aard van hun taken bij deze onderneming, noch van de wijze waarop zij zich van hun taak bij die onderneming dienen te kwijten.

(28)

Ingevolge deze richtlijn moeten criteria worden vastgesteld waaraan bepaalde bestanddelen van het eigen vermogen moeten voldoen. Daarbij behouden de lidstaten de vrijheid stringentere voorwaarden toe te passen.

(29)

In deze richtlijn wordt volgens de kwaliteit van de bestanddelen van het eigen vermogen een onderscheid gemaakt tussen bestanddelen die het oorspronkelijk eigen vermogen en bestanddelen die het aanvullend vermogen vormen.

(30)

De bestanddelen die het aanvullend vermogen vormen mogen, vanwege het feit dat zij niet dezelfde kwaliteit hebben als die welke het oorspronkelijk eigen vermogen vormen, niet ten belope van meer dan 100 % van het oorspronkelijk eigen vermogen tot het eigen vermogen worden gerekend. De meetelling van bepaalde bestanddelen van het aanvullend vermogen moet bovendien beperkt worden tot 50 % van het oorspronkelijk eigen vermogen.

(31)

Openbare kredietinstellingen mogen, teneinde verstoring van de mededingingsvoorwaarden te voorkomen, bij de berekening van hun eigen vermogen niet de garanties meetellen die hun door de lidstaten of door lagere overheden zijn verstrekt.

(32)

Wanneer het ten behoeve van het toezicht nodig is de omvang van het geconsolideerde eigen vermogen van een groep van kredietinstellingen te bepalen, dient deze berekening te geschieden overeenkomstig deze richtlijn.

(33)

Ten aanzien van de bij de berekening van het eigen vermogen en van de toereikendheid ervan voor het risico waaraan een kredietinstelling is blootgesteld en ten aanzien van de bij de risicobepaling te gebruiken boekhoudkundige techniek dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen (6) waarin enkele aanpassingen van de bepalingen van Zevende Richtlijn 83/349/EEG van de Raad van 13 juni 1983 betreffende de geconsolideerde jaarrekening (7) zijn vervat, of met Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (8), mocht deze van toepassing zijn op de boekhouding van kredietinstellingen in het kader van de nationale wetgeving.

(34)

De minimumkapitaalvereisten spelen een centrale rol bij het toezicht op kredietinstellingen en bij de wederzijdse erkenning van toezichthoudende technieken. De bepalingen met betrekking tot de minimumkapitaalvereisten moeten derhalve worden gezien in samenhang met andere specifieke instrumenten tot harmonisatie van de basistechnieken van het toezicht op kredietinstellingen.

(35)

Teneinde verstoring van de mededingingsvoorwaarden te voorkomen en het bankwezen in de interne markt te versterken, is het aangewezen gemeenschappelijke minimumkapitaalvereisten vast te stellen.

(36)

Omwille van een toereikende solvabiliteit moeten minimumkapitaalvereisten worden vastgesteld waarbij actiefposten en posten buiten de balanstelling naar risicograad worden gewogen.

(37)

Terzake heeft het Comité van Basel voor het banktoezicht op 26 juni 2004 een kaderovereenkomst aangenomen over de internationale convergentie van kapitaalmeting en kapitaalvereisten. De bepalingen in deze richtlijn over minimumkapitaalvereisten van kredietinstellingen en de bepalingen inzake minimumkapitaal in Richtlijn 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (9), vormen een equivalent van de bepalingen van de kaderovereenkomst van Bazel.

(38)

Het is van essentieel belang dat rekening wordt gehouden met de diversiteit van de kredietinstellingen in de Gemeenschap; daartoe moeten zij kunnen kiezen uit verschillende berekeningsmethoden voor de minimumkapitaalvereisten ten aanzien van het kredietrisico, waarin de risicogevoeligheidsniveaus en de mate van verfijning variëren. Dankzij het gebruik van externe ratings en van door de kredietinstellingen zelf opgestelde ramingen van individuele kredietrisicoparameters verbeteren de risicogevoeligheid en de soliditeit van de kredietrisicovoorschriften in aanzienlijke mate. Kredietinstellingen moeten voldoende worden geprikkeld om over te stappen op de risicogevoeligere methoden. Bij de opstelling van de ramingen die nodig zijn voor de toepassing van de in deze richtlijn vervatte kredietrisicobenaderingen zullen de kredietinstellingen hun gegevensverwerkingsbehoeften moeten aanpassen aan het rechtmatig belang dat hun cliënten met betrekking tot gegevensbescherming aan de bestaande communautaire wetgeving inzake gegevensbescherming ontlenen en tegelijkertijd de door de kredietinstellingen gehanteerde processen voor beheer en meting van het kredietrisico moeten verbeteren om over methoden ter bepaling van de voor kredietinstellingen geldende wettelijke vereisten inzake eigen vermogen te kunnen beschikken die de graad van verfijning van de processen van de afzonderlijke kredietinstellingen weergeven. De gegevensverwerking geschiedt overeenkomstig de voorschriften betreffende de overdracht van persoonsgegevens van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (10). In dit opzicht dient gegevensverwerking in verband met het innemen en het beheer van posities ten opzichte van cliënten te worden beschouwd als omvattende de ontwikkeling en validatie van systemen voor beheer en meting van kredietrisico. Dit dient niet alleen het rechtmatig belang van kredietinstellingen, maar eveneens het doel van deze richtlijn verbeterde methoden tot meting en beheer van risico's toe te passen en deze eveneens te gebruiken voor de wettelijke vereisten inzake eigen vermogen.

(39)

Zowel bij het gebruik van externe ramingen als van eigen ramingen van een instelling, dan wel van interne ratings, moet rekening worden gehouden met het feit dat momenteel slechts de laatstgenoemde worden opgesteld door een entiteit — de financiële instelling zelf — die zich moet houden aan een communautaire vergunningsprocedure. Bij de externe ratings wordt teruggegrepen op de producten van zogenoemde erkende ratingagentschappen, waarvoor in de Gemeenschap thans geen vergunningenprocedure bestaat. Gezien de betekenis van externe ratings voor de berekening van de kapitaalvereisten in het kader van deze richtlijn, moeten de toekomstige vergunnings- en toezichtprocedures voor ratingagentschappen verder onderzocht worden.

(40)

De minimumkapitaalvereisten moeten evenredig zijn aan de gelopen risico's. Met name moet daarin het risicoverlagende effect van een groot aantal relatief beperkte vorderingen tot uiting komen.

(41)

De bepalingen van deze richtlijn eerbiedigen het evenredigheidsbeginsel, daar zij in het bijzonder rekening houden met de verschillen in de omvang en schaal van de transacties en in het scala van de werkzaamheden van kredietinstellingen. Eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel houdt eveneens in dat voor vorderingen op particulieren en kleine partijen zo eenvoudig mogelijke ratingprocedures worden erkend, ook in het kader van de interne-ratingbenadering („IRB”).

(42)

Door de „evolutionaire aard” van deze richtlijn kunnen instellingen kiezen uit drie benaderingen van uiteenlopende complexiteit. Ten einde met name kleine kredietinstellingen de mogelijkheid te geven voor de meer risicogevoelige IRB te kiezen, passen de bevoegde autoriteiten in voorkomende gevallen de bepalingen van artikel 89, lid 1, onder a) en b), toe. Die bepalingen dienen zodanig te worden opgevat dat de in artikel 86, lid 1, onder a) en b), bedoelde categorieën alle vorderingen omvatten die direct of indirect in deze richtlijn daarmee gelijkgesteld worden. Bij wijze van algemene regel maken de bevoegde autoriteiten geen onderscheid tussen de drie benaderingen ten aanzien van het proces van bedrijfseconomisch toezicht, d.w.z. dat banken die de standaardbenadering aanwenden niet louter en alleen daarom aan een strikter toezicht worden onderworpen.

(43)

Met technieken om het kredietrisico te limiteren, moet meer rekening worden gehouden. Daarbij moet het regelgevingskader ervoor zorgen dat de solventie niet wordt ondermijnd doordat een techniek ten onrechte wordt geaccepteerd. Voorzover mogelijk moeten de huidige in de lidstaten in de banksector gebruikelijke zekerheden ter vermindering van kredietrisico's in de standaardbenadering, maar ook in de andere benaderingen, worden erkend.

(44)

Om ervoor te zorgen dat de risico's en risicobeperkingen als gevolg van securitisatieactiviteiten en investeringen van kredietinstellingen tot uiting komen in hun minimumkapitaalvereisten, zijn er regels nodig die een risicogevoelige en vanuit prudentieel oogpunt deugdelijke behandeling van dergelijke activiteiten en investeringen garanderen.

(45)

Kredietinstellingen staan bloot aan een groot operationeel risico, dat met eigen vermogen moet worden opgevangen. Het is van essentieel belang dat rekening wordt gehouden met de diversiteit van de kredietinstellingen in de Gemeenschap; daartoe moeten zij kunnen kiezen uit verschillende berekeningsmethoden voor de vereisten ten aanzien van het operationeel risico, waarin de risicogevoeligheidsniveaus en de mate van verfijning variëren. Kredietinstellingen moeten voldoende worden geprikkeld om over te stappen op de risicogevoeligere methoden. Omdat de technieken voor de meting en het beheer van het operationele risico nog niet helemaal zijn uitgerijpt, moeten deze regelmatig worden geëvalueerd en zo nodig worden bijgewerkt; dit geldt ook voor de vereisten ten aanzien van de verschillende bedrijfsactiviteiten en de inaanmerkingneming van risicolimiteringstechnieken. Bijzondere aandacht dient hierbij uit te gaan naar het in aanmerking nemen van verzekeringen in de eenvoudige benaderingen ter berekening van de kapitaalvereisten voor het operationele risico.

(46)

Om de solvabiliteit van kredietinstellingen binnen een groep te waarborgen, is het van essentieel belang dat bij de minimumkapitaalvereisten wordt uitgegaan van de geconsolideerde financiële positie van de groep. Om te waarborgen dat het eigen vermogen op de juiste wijze binnen de groep wordt verdeeld en waar nodig kan worden ingezet voor de bescherming van spaargelden, dienen de minimumkapitaalvereisten te gelden voor de afzonderlijke kredietinstellingen binnen een groep, tenzij dit doel op een andere, effectieve wijze kan worden gerealiseerd.

(47)

De fundamentele regels voor de bewaking van grote posities van kredietinstellingen dienen te worden geharmoniseerd. De lidstaten dienen over de mogelijkheid te beschikken om stringentere regels vast te stellen dan in deze richtlijn zijn voorgeschreven.

(48)

De bewaking en beheersing van de posten van kredietinstellingen dient een integrerend deel van het bedrijfseconomisch toezicht op deze instellingen te vormen. Een overmatige concentratie van risico's bij één cliënt of groep van verbonden cliënten kan derhalve tot een onaanvaardbaar verlies leiden. Een dergelijke situatie kan worden geacht nadelig te zijn voor de solvabiliteit van een kredietinstelling.

(49)

Aangezien de kredietinstellingen op de interne markt rechtstreeks met elkaar concurreren, moeten de eisen inzake de bewaking in de gehele Gemeenschap gelijkwaardig zijn.

(50)

Het is weliswaar aangewezen om in het kader van de beperking van grote posities de definitie van „positie” te baseren op die welke wordt gebruikt in het kader van de minimumkapitaalvereisten voor het kredietrisico, maar past het niet te verwijzen naar de wegingsfactoren of naar de risicograden. Deze wegingsfactoren en risicograden zijn immers opgezet met het oog op de vaststelling van een algemeen solvabiliteitsvereiste ter dekking van het kredietrisico van kredietinstellingen. Om het maximumverlies te beperken dat een kredietinstelling op een cliënt of een groep van verbonden cliënten mag lijden, moeten regels voor de bepaling van grote posities worden vastgesteld waarbij de posities tegen hun nominale waarde worden opgenomen, zonder toepassing van wegingsfactoren of risicograden.

(51)

Het is weliswaar wenselijk om, in afwachting van een verdere aanpassing van de bepalingen inzake grote posities, de effecten van kredietrisicolimitering op vergelijkbare wijze in aanmerking te nemen als in het kader van de minimumkapitaalvereisten en zo de berekeningsvereisten te beperken, maar daarbij moet worden bedacht dat de voorschriften voor kredietrisicolimitering bedoeld zijn voor een algemeen gespreid kredietrisico dat voortvloeit uit vorderingen op een groot aantal tegenpartijen. Derhalve zouden in het kader van de beperking van grote posities met de bedoeling het maximumverlies te beperken dat een kredietinstelling op een cliënt of een groep van verbonden cliënten mag lijden, de effecten van dergelijke technieken alleen in aanmerking mogen worden genomen als ze onderworpen zijn aan prudentiële voorzorgsmaatregelen.

(52)

Wanneer een kredietinstelling posities inneemt ten opzichte van haar eigen moederonderneming of andere dochterondernemingen van deze moederonderneming, is bijzondere voorzichtigheid geboden. Het beheer van de door de kredietinstellingen ingenomen posities moet volledig zelfstandig worden gevoerd, met inachtneming van de beginselen van een gezonde bedrijfsvoering in het bankbedrijf, en los van elke andere overweging. Ingeval de invloed die wordt uitgeoefend door de personen die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling hebben, een gezonde en voorzichtige bedrijfsvoering van de instelling kan belemmeren, dienen de bevoegde autoriteiten de passende maatregelen te treffen om aan deze toestand een einde te maken. Op het gebied van grote posities dient tevens in specifieke, eventueel strengere voorschriften te worden voorzien ten aanzien van de door een kredietinstelling ingenomen posities ten opzichte van ondernemingen van de eigen groep. Dergelijke normen behoeven echter niet te worden toegepast wanneer de moederonderneming een financiële holding of een kredietinstelling is, of de andere dochterondernemingen kredietinstellingen, financiële instellingen, of ondernemingen die nevenactiviteiten verrichten, zijn, mits al deze ondernemingen onder het toezicht op geconsolideerde basis op de kredietinstelling vallen.

(53)

Kredietinstellingen moeten ervoor zorgen dat ze een eigen vermogen hebben dat wat hoeveelheid, kwaliteit en verdeling betreft is afgestemd op de risico's waaraan ze blootgesteld zijn of kunnen worden. Derhalve moeten ze beschikken over strategieën en procedures om de toereikendheid van hun eigen vermogen te beoordelen en dit vermogen op peil te houden.

(54)

De bevoegde autoriteiten moeten zich ervan overtuigen dat de organisatie en het eigen vermogen van kredietinstellingen zijn afgestemd op de risico's waaraan deze blootgesteld zijn of kunnen worden.

(55)

Met het oog op een effectieve werking van de interne bankmarkt moet het Comité van Europese bankentoezichthouders er mede zorgen dat de onderhavige richtlijn in de gehele Gemeenschap consistent wordt toegepast en dat op dit niveau de toezichtpraktijken naar elkaar toegroeien, en jaarlijks aan de instellingen van de Gemeenschap verslag uitbrengen over de geboekte vooruitgang.

(56)

Om diezelfde reden en ook om ervoor te zorgen dat de communautaire kredietinstellingen die in meer dan een lidstaat actief zijn, niet onevenredig zwaar worden belast doordat de autoriteiten die belast zijn met de verlening van vergunningen en met de uitoefening van toezicht, hun taken op nationaal niveau blijven uitvoeren, is het van essentieel belang dat de samenwerking tussen deze autoriteiten sterk wordt geïntensiveerd. In dit verband moet de rol van de consoliderende toezichthouder worden versterkt. Het Comité van Europese bankentoezichthouders moet ervoor zorgen dat een dergelijke samenwerking duidelijker gestalte krijgt.

(57)

Het toezicht op de kredietinstellingen op geconsolideerde basis heeft met name de belangen van de inleggers van kredietinstellingen te beschermen en de stabiliteit van het financiële stelsel te waarborgen.

(58)

Het toezicht op geconsolideerde basis moet, om doeltreffend te zijn, kunnen worden toegepast op alle bankgroepen, met inbegrip van die waarvan de moederonderneming geen kredietinstelling is. De bevoegde autoriteiten moeten de nodige juridische instrumenten krijgen om een dergelijk toezicht te kunnen uitoefenen.

(59)

Voor groepen met gespreide activiteiten waarvan de moederonderneming de zeggenschap heeft over ten minste één dochteronderneming die een kredietinstelling is, moeten de bevoegde autoriteiten in staat zijn de financiële situatie van de kredietinstelling in het groepsverband te beoordelen. De bevoegde autoriteiten moeten ten minste beschikken over middelen om van alle ondernemingen van de groep de gegevens te verkrijgen die nodig zijn om hun taak te kunnen uitoefenen. Voor groepen van ondernemingen die uiteenlopende financiële activiteiten uitoefenen, moet tussen de voor het toezicht op de verschillende financiële sectoren verantwoordelijke autoriteiten een vorm van samenwerking worden ingesteld. De lidstaten moeten, tot een latere coördinatie, de nodige consolidatiemethoden kunnen voorschrijven met het oog op verwezenlijking van de doelstelling van de onderhavige richtlijn.

(60)

De lidstaten moeten een bankvergunning kunnen weigeren of intrekken in het geval van bepaalde groepsstructuren die zij voor het uitoefenen van bankactiviteiten ongeschikt achten, met name omdat op deze activiteiten onvoldoende toezicht kan worden uitgeoefend. De bevoegde autoriteiten moeten ten dezen over de nodige bevoegdheden beschikken om een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de kredietinstellingen te waarborgen.

(61)

Om de effectiviteit van de interne bankmarkt te vergroten en de burgers van de Gemeenschap voldoende transparantie te bieden, is het noodzakelijk dat de bevoegde autoriteiten publiekelijk bekendmaken hoe zij deze richtlijn ten uitvoer hebben gelegd. Dit dient zodanig te geschieden dat een zinvolle vergelijking mogelijk wordt.

(62)

Om de marktdiscipline te versterken en kredietinstellingen aan te moedigen hun marktstrategie en de organisatie van hun risicobeheersing en interne beheer te verbeteren, is het tevens aangewezen dat in een adequate informatieverstrekking door de kredietinstellingen wordt voorzien.

(63)

Het onderzoek van de problemen die zich voordoen op de gebieden die door de onderhavige richtlijn en door andere, eveneens de werkzaamheden van kredietinstellingen betreffende richtlijnen worden bestreken, in het bijzonder met het oog op een nadere coördinatie, vereist de samenwerking van de bevoegde autoriteiten en van de Commissie.

(64)

De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (11).

(65)

Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie van 5 februari 2002 over de tenuitvoerlegging van de financiële-dienstenwetgeving (12) de wens uitgesproken dat de Raad en het Europees Parlement in gelijke mate worden betrokken bij de controle op de wijze waarop de Commissie zich van haar uitvoerende bevoegdheden kwijt, teneinde de wetgevingsbevoegdheden van het Europees Parlement uit hoofde van artikel 251 van het Verdrag tot gelding te laten komen. De voorzitter van de Commissie heeft dit verzoek gesteund in een plechtige verklaring die hij op dezelfde dag ten overstaan van het Parlement heeft afgelegd. Op 11 december 2002 heeft de Commissie amendementen voorgesteld op Besluit 1999/468/EG, en vervolgens een geamendeerd voorstel ingediend op 22 april 2004. Het Europees Parlement is van mening dat zijn wetgevingsprerogatieven in dit voorstel niet worden gegarandeerd. Het Europees Parlement is van opvatting dat het Europees Parlement en de Raad de kans zouden moeten hebben de toekenning van uitvoerende bevoegdheden aan de Commissie binnen een bepaalde termijn te evalueren. Derhalve is het wenselijk de termijn te beperken gedurende welke de Commissie uitvoeringsmaatregelen kan aannemen.

(66)

Het Parlement dient vanaf de datum van de eerste indiening van ontwerpamendementen en -uitvoeringsmaatregelen drie maanden de tijd te krijgen om deze te bestuderen en advies uit te brengen. In dringende en naar behoren gemotiveerde gevallen moet deze termijn echter ingekort kunnen worden. Indien het Europees Parlement binnen die termijn een resolutie aanneemt, moet de Commissie de ontwerpamendementen of -maatregelen opnieuw onderzoeken.

(67)

Om marktverstoring te voorkomen en ervoor te zorgen dat het totale eigen vermogen op peil blijft, moeten specifieke overgangsregelingen worden getroffen.

(68)

Gezien de risicogevoeligheid van de voorschriften voor de minimumkapitaalvereisten moet regelmatig worden nagegaan of deze van grote invloed zijn op de conjuncturele cyclus. De Commissie dient, rekening houdende met het standpunt van de Europese Centrale Bank, over deze aspecten verslag uit te brengen aan het Europees Parlement en de Raad.

(69)

Eveneens dient de harmonisatie van de nodige instrumenten voor het toezicht op liquiditeitsrisico's ter hand te worden genomen.

(70)

Deze richtlijn is opgesteld met inachtneming van de grondrechten en van de beginselen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie als algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht zijn erkend.

(71)

De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt tot de bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijnen materieel zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit de vorige richtlijnen.

(72)

Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage XIII, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

INHOUDSOPGAVE

TITEL I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

TITEL II

VOORWAARDEN VOOR DE TOEGANG TOT EN DE UITOEFENING VAN DE WERKZAAMHEDEN VAN KREDIETINSTELLINGEN

TITEL III

BEPALINGEN BETREFFENDE DE VRIJHEID VAN VESTIGING EN HET VRIJ VERRICHTEN VAN DIENSTEN

Afdeling 1

Kredietinstellingen

Afdeling 2

Financiële instellingen

Afdeling 3

Uitoefening van het recht tot vestiging

Afdeling 4

Uitoefening van het recht tot het vrij verrichten van diensten

Afdeling 5

Bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst

TITEL IV

BETREKKINGEN MET DERDE LANDEN

Afdeling 1

Kennisgeving van ondernemingen uit derde landen en van de markttoegangsvoorwaarden in deze landen

Afdeling 2

Samenwerking inzake toezicht op geconsolideerde basis met de bevoegde autoriteiten van derde landen

TITEL V

BEGINSELEN VAN EN TECHNISCHE INSTRUMENTEN VOOR BEDRIJFSECONOMISCH TOEZICHT EN OPENBAARMAKING

HOOFDSTUK 1

GRONDREGELS VOOR BEDRIJFSECONOMISCH TOEZICHT

Afdeling 1

Bevoegdheden van de lidstaten van herkomst en van ontvangst

Afdeling 2

Uitwisseling van informatie en beroepsgeheim

Afdeling 3

Verplichtingen van de personen belast met de wettelijke controle van de jaarrekening en de geconsolideerde rekening

Afdeling 4

Sanctiebevoegdheid en beroepsrecht

HOOFDSTUK 2

TECHNISCHE INSTRUMENTEN VOOR BEDRIJFSECONOMISCH TOEZICHT

Afdeling 1

Eigen vermogen

Afdeling 2

Risicovoorziening

Onderafdeling 1

Toepassingsniveau

Onderafdeling 2

Berekening van de vereisten

Onderafdeling 3

Minimumniveau van het eigen vermogen

Afdeling 3

Minimumvereisten inzake het eigen vermogen voor kredietrisico

Onderafdeling 1

Standaardbenadering

Onderafdeling 2

Interne-ratingbenadering

Onderafdeling 3

Kredietrisicolimitering

Onderafdeling 4

Securitisatie

Afdeling 4

Minimumvereisten inzake het eigen vermogen voor het operationeel risico

Afdeling 5

Grote posities

Afdeling 6

Gekwalificeerde deelnemingen buiten het financiële gebied

HOOFDSTUK 3

BEOORDELINGSPROCES VAN KREDIETINSTELLINGEN

HOOFDSTUK 4

TOEZICHT VAN EN VERSTREKKING VAN INFORMATIE DOOR DE BEVOEGDE AUTORITEITEN

Afdeling 1

Toezicht

Afdeling 2

Openbaarmaking van informatie door de bevoegde autoriteiten

HOOFDSTUK 5

OPENBAARMAKING VAN INFORMATIE DOOR DE KREDIETINSTELLINGEN

TITEL VI

BEVOEGDHEDEN INZAKE UITVOERING

TITEL VII

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK 1

OVERGANGSBEPALINGEN

HOOFDSTUK 2

SLOTBEPALINGEN

BIJLAGE I

LIJST VAN WERKZAAMHEDEN DIE ONDER DE WEDERZIJDSE ERKENNING VALLEN

BIJLAGE II

INDELING VAN POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING

BIJLAGE III

BEHANDELING VAN HET TEGENPARTIJKREDIETRISICO VAN AFGELEIDE INSTRUMENTEN, REPO'S, OPGENOMEN OF VERSTREKTE EFFECTEN- OF GRONDSTOFFENLENINGEN, TRANSACTIES MET AFWIKKELING OP LANGE TERMIJN EN MARGELENINGSTRANSACTIES

Deel 1

Definities

Deel 2

Keuze van de methode

Deel 3

Methode gebaseerd op de waardering tegen marktwaarde

Deel 4

Oorspronkelijke vorderingsmethode

Deel 5

Gestandaardiseerde methode

Deel 6

Interne-modellenmethode

Deel 7

Contractuele verrekening

BIJLAGE IV

CATEGORIEËN DERIVATEN

BIJLAGE V

TECHNISCHE CRITERIA VOOR DE ORGANISATIE EN BEHANDELING VAN RISICO'S

BIJLAGE VI

STANDAARDBENADERING

Deel 1

Risicogewichten

Deel 2

Erkenning van EKBI's en koppeling van hun kredietbeoordelingen aan risicogewichten („mapping”)

Deel 3

Gebruik van kredietbeoordelingen van EKBI's voor de bepaling van risicogewichten

BIJLAGE VII

INTERNE-RATINGBENADERING

Deel 1

Risicogewogen posten en verwachte verliesposten

Deel 2

PD, LGD en looptijd

Deel 3

Waarde van de posten

Deel 4

Minimumvereisten voor de interne-ratingbenadering

BIJLAGE VIII

KREDIETRISICOLIMITERING

Deel 1

Toelaatbaarheid

Deel 2

Minimumvereisten

Deel 3

Berekening van het effect van kredietrisicolimitering

Deel 4

Looptijdverschil

Deel 5

Combinaties van kredietrisicolimitering in de standaardbenadering

Deel 6

Basket technieken inzake kredietrisicolimitering

BIJLAGE IX

SECURITISATIE

Deel 1

Definities met het oog op de toepassing van bijlage IX

Deel 2

Minimumvereisten voor de erkenning van de overdracht van een aanzienlijk deel van het kredietrisico en de berekening van risicogewogen posten en verwachte verliesposten voor gesecuritiseerde vorderingen

Deel 3

Externe kredietbeoordelingen

Deel 4

Berekening

BIJLAGE X

OPERATIONEEL RISICO

Deel 1

Basisindicatorbenadering

Deel 2

Standaardbenadering

Deel 3

Geavanceerde meetbenaderingen

Deel 4

Gecombineerde toepassing van verschillende methodologieën

Deel 5

Indeling van verliesgebeurtenissen

BIJLAGE XI

TECHNISCHE CRITERIA INZAKE DE EVALUATIE DOOR DE BEVOEGDE AUTORITEITEN

BIJLAGE XII

TECHNISCHE CRITERIA INZAKE OPENBAARMAKING

Deel 1

Algemene criteria

Deel 2

Algemene vereisten

Deel 3

Te vervullen vereiste voor het gebruik van bijzondere instrumenten of methodologieën

BIJLAGE XIII, deel A

INGETROKKEN RICHTLIJNEN MET DE ACHTEREENVOLGENDE WIJZIGINGEN OP DIE RICHTLIJNEN (bedoeld in artikel 158)

BIJLAGE XIII, deel B

TERMIJNEN VOOR OMZETTING IN NATIONAAL RECHT (bedoeld in artikel 158)

BIJLAGE XIV

CONCORDANTIETABEL

TITEL I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

1.   Bij deze richtlijn worden voorschriften vastgesteld voor de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen en voor het bedrijfseconomisch toezicht daarop.

2.   Artikel 39 en titel V, hoofdstuk 4, afdeling 1 zijn van toepassing op financiële en op gemengde holdings die hun zetel in de Gemeenschap hebben.

3.   Met uitzondering van de centrale banken van de lidstaten worden de instellingen die bij artikel 2 permanent zijn uitgesloten, voor de toepassing van artikel 39 en titel V, hoofdstuk 4, afdeling 1 als financiële instellingen behandeld.

Artikel 2

Deze richtlijn heeft geen betrekking op de werkzaamheden van:

de centrale banken der lidstaten;

de postcheque- en girodiensten;

in België, het „Herdiscontering- en Waarborginstituut/Institut de Réescompte et de Garantie”;

in Denemarken, het „Dansk Eksportfinansieringsfond”, het „Danmarks Skibskreditfond”, het „Dansk Landbrugs Realkreditfond” en het KommuneKredit;

in Duitsland, de „Kreditanstalt für Wiederaufbau”, instellingen die op grond van de „Wohnungsgemeinnützigkeitsgesetz” erkend zijn als organen ter uitvoering van het woningbouwbeleid van de centrale overheid en niet overwegend banktransacties verrichten, alsmede instellingen die op grond van deze wet erkend zijn als woningbouwverenigingen van algemeen nut;

in Griekenland, de „Ταμείο Παρακαταθηκών και Δανείων” (Tamio Parakatathikon kai Danion);

in Spanje, het „Instituto de Crédito Oficial”;

in Frankrijk, de „Caisse des dépôts et consignations”;

in Ierland, de „credit unions” en de „friendly societies”;

in Italië, de „Cassa Depositi e Prestiti”;

in Letland, de „krājaizdevu sabiedrības”, ondernemingen die op grond van de „krājaizdevu sabiedrības likums” erkend zijn als coöperatieve ondernemingen die alleen aan hun leden financiële diensten verlenen;

in Litouwen, de „kredito unijos”, behalve de „Centrinė kredito uniją”;

in Hongarije, de „Magyar Fejlesztési Bank Rt.” en de „Magyar Export-Import Bank Rt.”;

in Nederland, de „Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden NV”, de „NV Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij”, de „NV Industriebank Limburgs Instituut voor Ontwikkeling en Financiering” en de „Overijsselse Ontwikkelingsmaatschappij NV”;

in Oostenrijk, ondernemingen die zijn erkend als bouwvereniging van algemeen nut en de „Österreichische Kontrollbank AG”;

in Polen, de „Spółdzielcze Kasy Oszczędnościowo- Kreditowe” en de „Bank Gospodarstwa Krajowego”;

in Portugal, de op 1 januari 1986 bestaande „Caixas Económicas” met uitzondering van die gedeelten die naamloze vennootschap zijn en de „Caixa Económica Montepio Geral”;

in Finland, „Teollisen yhteistyön rahasto Oy/Fonden för industriellt samarbete Ab” en „Finnvera Oyi/Finnvera Abp”;

in Zweden, de „Svenska Skeppshypotekskassan”;

in het Verenigd Koninkrijk, de „National Savings Bank”, de „Commonwealth Development Finance Company Ltd”, de „Agricultural Mortgage Corporation Ltd”, de „Scottish Agricultural Securities Corporation Ltd”, de „Crown Agents for overseas governments and administrations”, de „credit unions” en de „municipal banks”.

Artikel 3

1.   Een of meer op 15 december 1977 in eenzelfde lidstaat bestaande kredietinstellingen die op dat tijdstip blijvend waren aangesloten bij een in diezelfde lidstaat gevestigd centraal orgaan dat op die kredietinstellingen toezicht uitoefent, kunnen van de vereisten in artikel 7 en in artikel 11, lid 1, worden vrijgesteld, mits uiterlijk op 15 december 1979 de nationale wetgeving erin heeft voorzien dat:

a)

de verplichtingen van het centrale orgaan en die van de aangesloten instellingen solidaire verplichtingen zijn, of dat de verplichtingen van de aangesloten instellingen volledig door het centrale orgaan worden gewaarborgd;

b)

de solvabiliteit en de liquiditeit van het centrale orgaan en van alle aangesloten instellingen op basis van geconsolideerde rekeningen globaal worden bewaakt; en

c)

de leiding van het centrale orgaan bevoegd is instructies te geven aan de leiding van de aangesloten instellingen.

Bij een centraal orgaan als bedoeld in de eerste alinea na 15 december 1977 blijvend aangesloten kredietinstellingen met een plaatselijk werkterrein kunnen onder de in de eerste alinea gestelde voorwaarden vallen als zij een normale uitbreiding vormen van het net dat onder dit centrale orgaan ressorteert.

Voorzover het gaat om andere kredietinstellingen dan die welke worden opgericht in nieuw ingepolderde gebieden, respectievelijk zijn voortgekomen uit fusie of afsplitsing van bestaande, onder het centrale orgaan ressorterende instellingen, kan de Commissie volgens de procedure van artikel 151, lid 2, aanvullende regels vaststellen voor de toepassing van het bepaalde in de tweede alinea, zulks met inbegrip van de opheffing van de in de eerste alinea bedoelde vrijstellingen, wanneer zij oordeelt dat aansluiting van nieuwe instellingen volgens de in de tweede alinea vermelde regeling de concurrentie negatief kan beïnvloeden.

2.   Kredietinstellingen als bedoeld in lid 1, eerste alinea, kunnen van toepassing van de artikelen 9 en 10 en van titel V, hoofdstuk 2, afdelingen 2, 3, 4, 5 en 6, en hoofdstuk 3 worden vrijgesteld, mits, onverminderd de toepassing van deze richtlijn op het centraal orgaan, het geheel dat door het centraal orgaan en de aangesloten instellingen wordt gevormd, op geconsolideerde basis aan genoemde voorschriften is onderworpen.

In geval van vrijstelling zijn op het geheel dat door het centraal orgaan en de aangesloten instellingen wordt gevormd, de artikelen 16, 23, 24 en 25, artikel 26, leden 1 tot en met 3 en de artikelen 28 tot en met 37 van toepassing.

Artikel 4

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

(1)

„kredietinstelling”:

a)

een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van deposito's of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening; of

b)

een instelling voor elektronisch geld in de zin van Richtlijn 2000/46/EG (13);

(2)

„vergunning”: een door de overheid afgegeven akte, ongeacht haar vorm, waaruit de bevoegdheid voortvloeit om de werkzaamheden van een kredietinstelling uit te oefenen;

(3)

„bijkantoor”: een bedrijfszetel welke een deel zonder juridische zelfstandigheid vormt van een kredietinstelling en welke rechtstreeks, geheel of gedeeltelijk de handelingen verricht die eigen zijn aan de werkzaamheden van een kredietinstelling;

(4)

„bevoegde autoriteiten”: de nationale autoriteiten die op grond van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen bevoegd zijn om op kredietinstellingen toezicht uit te oefenen;

(5)

„financiële instelling”: een onderneming die geen kredietinstelling is en waarvan de hoofdwerkzaamheid bestaat in het verwerven van deelnemingen of in het uitoefenen van een of meer van de onder de punten 2 tot en met 12 van de lijst in bijlage I opgenomen werkzaamheden;

(6)

„instellingen”, voor de toepassing van de afdelingen 2 en 3 van titel V, hoofdstuk 2: instellingen in de zin van artikel 3, lid 1, onder c), van Richtlijn 2006/49/EG;

(7)

„lidstaat van herkomst”: de lidstaat waarin aan een kredietinstelling de vergunning werd verleend overeenkomstig de artikelen 6 tot en met 9 en 11 tot en met 14;

(8)

„lidstaat van ontvangst”: de lidstaat waarin een kredietinstelling een bijkantoor heeft of diensten verricht;

(9)

„zeggenschap”: het verband dat bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming zoals bepaald in artikel 1 van Richtlijn 83/349/EEG of een verband van dezelfde aard tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming;

(10)

„deelneming” voor de toepassing van artikel 57, onder o) en p), van de artikelen 71 tot en met 73 en van titel V, hoofdstuk 4: een deelneming in de zin van artikel 17, eerste zin, van de Vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (14) of de rechtstreekse of middellijke eigendom van 20 % of meer van de stemrechten of van het kapitaal van een onderneming;

(11)

„gekwalificeerde deelneming”: het in een onderneming, rechtstreeks of onrechtstreeks, bezitten van ten minste 10 % van het kapitaal of van de stemrechten, dan wel een deelneming die de mogelijkheid inhoudt een invloed van betekenis uit te oefenen op de bedrijfsvoering van deze onderneming;

(12)

„moederonderneming”:

a)

een moederonderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG; of

b)

voor de toepassing van de artikelen 71 tot en met 73 en van titel V, hoofdstuk 2, afdeling 5 en hoofdstuk 4: een moederonderneming in de zin van artikel 1, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG, alsmede iedere onderneming die naar de mening van de bevoegde autoriteiten feitelijk een overheersende invloed op een andere onderneming uitoefent;

(13)

„dochteronderneming”:

a)

een dochteronderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG; of

b)

voor de toepassing van de artikelen 71 tot en met 73 en van titel V, hoofdstuk 2, afdeling 5 en hoofdstuk 4: een dochteronderneming in de zin van artikel 1, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG, alsmede iedere onderneming die naar de mening van de bevoegde autoriteiten feitelijk een overheersende invloed op een andere onderneming uitoefent.

Elke dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat;

(14)

„moederkredietinstelling in een lidstaat”: een kredietinstelling die een kredietinstelling of een financiële instelling als dochteronderneming heeft of die een deelneming heeft in zo'n instelling en zelf geen dochteronderneming is van een andere kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat vergunning is verleend, of van een in dezelfde lidstaat opgerichte financiële holding;

(15)

„financiële moederholding in een lidstaat”: een financiële holding die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat vergunning is verleend, of van een in dezelfde lidstaat opgerichte financiële holding;

(16)

„EU-moederkredietinstelling”: een moederkredietinstelling in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een andere kredietinstelling waaraan in een van de lidstaten vergunning is verleend, of van een in een van de lidstaten opgerichte financiële holding;

(17)

„financiële EU-moederholding”: een financiële holding in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een van lidstaten vergunning is verleend, of van een andere in een lidstaat opgerichte financiële holding;

(18)

„publiekrechtelijke lichamen”: administratieve organen zonder winstoogmerk die verantwoording moeten afleggen aan de centrale, regionale of lagere overheid of aan overheden die naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten dezelfde verantwoordelijkheden dragen als de regionale en lagere overheden, of niet-commerciële ondernemingen die in het bezit zijn van centrale regeringen en uitdrukkelijke waarborgregelingen hebben, en met inbegrip van bij wet geregelde autonome organen met zelfbestuur die onder openbaar toezicht staan;

(19)

„financiële holding”: een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk kredietinstellingen of financiële instellingen zijn, van welke dochterondernemingen er ten minste één een kredietinstelling is, en die geen gemengde financiële holding is in de zin van artikel 2, lid 15, van Richtlijn 2002/87/EG (15);

(20)

„gemengde holding”: een moederonderneming die geen financiële holding, kredietinstelling of gemengde financiële holding in de zin van artikel 2, lid 15, van Richtlijn 2002/87/EG is en die onder haar dochterondernemingen ten minste één kredietinstelling telt;

(21)

„onderneming die nevendiensten verricht”: een onderneming waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het bezit of het beheer van onroerend goed, het beheer van gegevensverwerkingsdiensten of een andere soortgelijke activiteit welke ten opzichte van de hoofdactiviteit van een of meer kredietinstellingen het karakter van een ondersteunende activiteit heeft;

(22)

„operationeel risico”: het risico van verliezen als gevolg van tekortschietende of falende interne procedures en systemen of als gevolg van externe gebeurtenissen. Juridische risico's worden er ook toe gerekend;

(23)

„centrale banken”: daartoe wordt, tenzij anders aangegeven ook de Europese Centrale Bank gerekend;

(24)

„verwateringsrisico”: het risico dat een kortlopende vordering afneemt door geldelijke of niet-geldelijke kredieten aan de debiteur;

(25)

„kans op wanbetaling (PD)”: de kans dat een tegenpartij over een periode van een jaar in gebreke blijft;

(26)

„verlies”, met het oog op de toepassing van Titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3: economisch verlies, met inbegrip van de gevolgen van aanzienlijke kortingen, en omvangrijke directe en indirecte incassokosten;

(27)

„verlies bij wanbetaling (LGD)”: de verhouding tussen het verlies op een vordering als gevolg van wanbetaling door een tegenpartij en het uitstaande bedrag bij wanbetaling;

(28)

„omrekeningsfactor”: de verhouding tussen het momenteel onbenutte bedrag van een kredietlijn dat opgenomen wordt en open staat bij wanbetaling, en het momenteel onbenutte bedrag van de kredietlijn, waarbij de omvang van de kredietlijn wordt bepaald door de toegestane limiet, tenzij de niet-toegestane limiet hoger ligt;

(29)

„verwacht verlies (EL)”, met het oog op de toepassing van titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3: de verhouding tussen het verlies op een vordering dat bij een eventuele wanbetaling van een tegenpartij of bij verwatering over een periode van een jaar te verwachten is, en het uitstaande bedrag bij wanbetaling;

(30)

„kredietrisicolimitering”: een door een kredietinstelling gehanteerde techniek ter beperking van het kredietrisico dat verbonden is aan een vordering of aan vorderingen die de kredietinstelling blijft houden;

(31)

„volgestorte kredietprotectie”: een techniek van kredietrisicolimitering waarbij het kredietrisico dat verbonden is aan de vordering van een kredietinstelling, wordt beperkt dankzij het recht van de kredietinstelling om bij wanbetaling van de tegenpartij of bij andere specifieke, kredietgebeurtenissen („credit events”) in verband met de tegenpartij bepaalde activa of posten te liquideren, over te nemen, daarvan het eigendom te verwerven of te behouden dan wel de post te verlagen tot of deze te vervangen door het verschil tussen de post zelf en een vordering op de kredietinstelling;

(32)

„niet-volgestorte kredietprotectie”: een techniek van kredietrisicolimitering waarbij het kredietrisico dat verbonden is aan de vordering van een kredietinstelling wordt beperkt dankzij de garantie van een derde partij om een bepaald bedrag uit te keren bij wanbetaling van de leningnemer of bij andere specifieke kredietgebeurtenissen;

(33)

„repo”: een transactie in het kader van een contract dat valt onder de definitie van „retrocessieovereenkomst” of „omgekeerde retrocessieovereenkomst” in artikel 3, lid 1, onder m), van Richtlijn 2006/49/EG;

(34)

„transactie inzake opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen”: alle transacties die vallen onder de definitie van „opgenomen effecten- of grondstoffenlening” of „verstrekte effecten- of grondstoffenlening” in artikel 3, lid 1, onder n), van Richtlijn 2006/49/EG;

(35)

„met contanten vergelijkbaar instrument”: een certificaat van deposito of soortgelijk papier dat door een leningverstrekkende kredietinstelling wordt uitgegeven;

(36)

„securitisatie”: transactie of regeling waarbij het kredietrisico van een vordering of pool van vorderingen wordt onderverdeeld. De kenmerken ervan zijn:

a)

de in het kader van de transactie of regeling verrichte betalingen hangen af van de performance van de vordering of pool van vorderingen; en

b)

de rangorde van de tranches is bepalend voor de verdeling van de verliezen tijdens de looptijd van de transactie of regeling;

(37)

„traditionele securitisatie”: securitisatie waarbij de gesecuritiseerde vorderingen in economische zin worden overgedragen aan een special purpose entity voor securitisatiedoeleinden die effecten uitgeeft. Daartoe wordt het eigendom van de gesecuritiseerde vorderingen door de initiërende kredietinstelling of via subdeelneming overgedragen. De uitgegeven effecten vormen voor de initiërende kredietinstelling geen betalingsverplichting;

(38)

„synthetische securitisatie”: securitisatie waarbij de onderverdeling in tranches geschiedt door middel van kredietderivaten of garanties. De pool van vorderingen verdwijnt niet uit de balans van de initiërende kredietinstelling;

(39)

„tranche”: een contractueel vastgesteld segment van het kredietrisico van een vordering of van een aantal vorderingen, waarbij een positie in dit segment een groter of kleiner verliesrisico meebrengt dan een positie van dezelfde omvang in elk ander segment, als tenminste geen rekening wordt gehouden met de kredietprotectie die door derden rechtstreeks aan de houders van de posities in dit segment of in andere segmenten wordt geboden;

(40)

„securitisatiepositie”: een vordering in het kader van een securitisatie;

(41)

„initiator”:

a)

een onderneming die zelf of via verwante ondernemingen direct of indirect betrokken is geweest bij de oorspronkelijke overeenkomst waarmee de verplichtingen of de potentiële verplichtingen van de debiteur of potentiële debiteur zijn ontstaan die tot securitisatie van vorderingen hebben geleid; of

b)

een onderneming die de vorderingen van een derde koopt, in haar balans opneemt en daarna securitiseert;

(42)

„sponsor”: een niet-initiërende kredietinstelling die een door activa gedekt commercieel-papierprogramma of een andere securitisatieregeling waarbij vorderingen van derden worden gekocht, uitgeeft en beheert;

(43)

„kredietverbetering”: een contractuele regeling waarbij de kredietkwaliteit van een securitisatiepositie verbetert ten opzichte van een situatie waarin van een dergelijke regeling geen sprake zou zijn geweest; daartoe worden ook verbeteringen gerekend die worden gerealiseerd door meer achtergestelde tranches in de securitisatie en door andere soorten kredietprotectie;

(44)

„special purpose entity voor securitisatiedoeleinden (securitisation special purpose entity — SSPE)”: een vennootschap, trust of een ander soort onderneming die geen kredietinstelling is, die is opgericht voor een of meer securitisaties, waarvan de activiteiten beperkt blijven tot hetgeen noodzakelijk is voor de realisatie van dit doel, waarvan de constructie bedoeld is om de SSPE-verplichtingen te scheiden van die van de initiërende kredietinstelling, en waarvan de economische eigenaars hun deelneming mogen in pand geven of verkopen zonder dat daar voorwaarden aan verbonden zijn;

(45)

„groep van verbonden cliënten”:

a)

hetzij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen die, behoudens bewijs van het tegendeel, uit een oogpunt van risico een geheel vormen omdat een van hen rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap heeft over de andere persoon of personen; of

b)

hetzij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen tussen wie geen zeggenschapsrelatie als bedoeld in letter a) bestaat, maar die uit een oogpunt van risico als een geheel moeten worden beschouwd omdat zij zodanig onderling verbonden zijn dat, indien een van hen financiële problemen zou ondervinden, de andere of alle anderen waarschijnlijk in betalingsmoeilijkheden zouden komen;

(46)

„nauwe banden”: een situatie waarbij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen op een van de volgende wijzen zijn verbonden:

a)

een deelneming in de vorm van het eigendom, rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsband, van ten minste 20 % van de stemrechten of het kapitaal van een onderneming ;

b)

een zeggenschapsband; of

c)

het feit dat beide of allen via een zeggenschapsband duurzaam verbonden zijn met een en dezelfde, derde persoon;

(47)

„erkende beurzen”: beurzen die door de bevoegde autoriteiten als zodanig zijn erkend en die aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

ze werken regelmatig;

b)

ze zijn onderworpen aan door de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst van de beurs opgestelde of goedgekeurde bepalingen waarin de voorwaarden voor de werking van en de toegang tot de beurs zijn vastgelegd, alsmede de voorwaarden waaraan contracten moeten voldoen om daadwerkelijk op de beurs verhandeld te kunnen worden; en

c)

ze beschikken over een clearingregeling waarbij de in bijlage IV vermelde contracten onderworpen zijn aan dagelijkse margeverplichtingen die naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten een adequate bescherming bieden.

Artikel 5

De lidstaten verbieden personen of ondernemingen die geen kredietinstelling zijn, bedrijfsmatig van het publiek deposito's of andere terugbetaalbare gelden in ontvangst te nemen.

Dit geldt niet voor het in ontvangst nemen van deposito's of van andere terugbetaalbare gelden door een lidstaat, door de regionale of lagere overheden van een lidstaat of door internationale openbare instellingen waarvan een of meer lidstaten lid zijn en voor de uitdrukkelijk in de nationale of communautaire wetgeving bedoelde gevallen, mits deze werkzaamheden onderworpen zijn aan reglementering en controle ter bescherming van inleggers en beleggers die op deze gevallen van toepassing zijn.

TITEL II

VOORWAARDEN VOOR DE TOEGANG TOT EN DE UITOEFENING VAN DE WERKZAAMHEDEN VAN KREDIETINSTELLINGEN

Artikel 6

De lidstaten schrijven voor dat de onder deze richtlijn vallende kredietinstellingen een vergunning moeten hebben verkregen alvorens hun werkzaamheden aan te vangen. Zij stellen daarvoor de voorwaarden vast, onverminderd de artikelen 7 tot en met 12 en brengen deze ter kennis van de Commissie.

Artikel 7

De lidstaten bepalen dat de vergunningaanvraag vergezeld moet gaan van een programma van werkzaamheden waarin onder meer de aard van de beoogde verrichtingen alsmede de organisatiestructuur van de kredietinstelling moeten worden vermeld.

Artikel 8

De lidstaten kunnen niet bepalen dat de vergunningaanvraag wordt onderzocht aan de hand van de economische behoeften van de markt.

Artikel 9

1.   Onverminderd andere bij de nationale regelingen vastgestelde algemene voorwaarden verlenen de bevoegde autoriteiten geen vergunning wanneer de kredietinstelling geen afgescheiden eigen vermogen heeft of wanneer het aanvangskapitaal minder bedraagt dan 5 miljoen EUR.

Onder aanvangskapitaal wordt verstaan: het kapitaal en de reserves als bedoeld in artikel 57, onder a) en b).

De lidstaten mogen voortzetting toestaan van de werkzaamheden van kredietinstellingen die niet voldoen aan de voorwaarde betreffende het afgescheiden eigen vermogen, en die op 15 december 1979 bestonden. Zij mogen deze ondernemingen vrijstellen van de in artikel 11, lid 1, eerste alinea, bedoelde voorwaarde.

2.   De lidstaten mogen een vergunning verlenen aan bijzondere categorieën kredietinstellingen met een aanvangskapitaal dat minder bedraagt dan wat in lid 1 is voorgeschreven, mits:

a)

het aanvangskapitaal niet geringer is dan 1 miljoen EUR;

b)

de betrokken lidstaten de Commissie in kennis stellen van de redenen waarom zij van deze mogelijkheid gebruikmaken; en

c)

in de in artikel 14 bedoelde lijst bij de naam van de kredietinstelling wordt vermeld dat deze niet het in lid 1 bepaalde minimumaanvangskapitaal heeft bereikt.

Artikel 10

1.   Het eigen vermogen van een kredietinstelling mag niet kleiner worden dan het bij het verlenen van de vergunning krachtens artikel 9 vereiste niveau van aanvangskapitaal.

2.   De lidstaten kunnen besluiten dat de kredietinstellingen die op 1 januari 1993 bestonden en waarvan het eigen vermogen de in artikel 9 vastgestelde niveaus voor het aanvangskapitaal niet bereikte, hun werkzaamheden mogen blijven uitoefenen. In dat geval mag het eigen vermogen niet kleiner worden dan het hoogste bedrag dat het sinds 22 december 1989 had bereikt.

3.   Indien de zeggenschap over een kredietinstelling die tot de in lid 2 bedoelde categorie behoort, wordt overgenomen door een andere natuurlijke of rechtspersoon dan die welke voordien de zeggenschap over deze instelling uitoefende, dient het eigen vermogen van deze kredietinstelling ten minste gelijk te zijn aan het in artikel 9 vastgestelde niveau voor het aanvangskapitaal.

4.   In welbepaalde omstandigheden en met instemming van de bevoegde autoriteiten mag bij fusie tussen twee of meer tot de in lid 2 bedoelde categorie behorende kredietinstellingen het eigen vermogen van de kredietinstelling die het resultaat van de fusie is, niet minder bedragen dan het totaal van de eigen vermogens van de gefuseerde kredietinstellingen op de datum van de fusie, zolang de passende niveaus zoals vastgesteld in artikel 9, niet zijn bereikt.

5.   Indien het eigen vermogen in de in de leden 1, 2 en 4 bedoelde gevallen vermindert, kunnen de bevoegde autoriteiten, indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen, de kredietinstelling een beperkte termijn toestaan om aan dit voorschrift te voldoen dan wel haar werkzaamheden te beëindigen.

Artikel 11

1.   De bevoegde autoriteiten verlenen de vergunning aan de kredietinstelling slechts wanneer ten minste twee personen daadwerkelijk het beleid van de kredietinstelling bepalen.

De autoriteiten verlenen de vergunning niet wanneer deze personen niet de noodzakelijke betrouwbaarheid of de vereiste ervaring bezitten om deze functies uit te oefenen.

2.   De lidstaten eisen:

a)

dat het hoofdkantoor van kredietinstellingen die rechtspersonen zijn en overeenkomstig hun nationale wetgeving een statutaire zetel hebben, zich bevindt in de lidstaat waar de statutaire zetel is gevestigd; en

b)

dat het hoofdkantoor van andere kredietinstellingen zich bevindt in de lidstaat waar de vergunning is afgegeven en waar zij feitelijk werkzaam zijn.

Artikel 12

1.   De bevoegde autoriteiten verlenen geen vergunning tot het uitoefenen van de werkzaamheden van een kredietinstelling tenzij zij in kennis zijn gesteld van de identiteit van de directe of indirecte aandeelhouders of vennoten, natuurlijke of rechtspersonen, die daarin een gekwalificeerde deelneming bezitten, alsmede van het bedrag van die deelneming.

Voor de vaststelling van „gekwalificeerde deelneming” in het onderhavige artikel worden de stemrechten, vermeld in artikel 92 van Richtlijn 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 mei 2001 betreffende de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs en de informatie die over deze effecten moet worden gepubliceerd (16) in aanmerking genomen.

2.   De bevoegde autoriteiten verlenen geen vergunning indien zij, gelet op de noodzaak een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de kredietinstelling te garanderen, niet overtuigd zijn van de geschiktheid van de aandeelhouders of vennoten.

3.   Wanneer er nauwe banden bestaan tussen de kredietinstelling en andere natuurlijke of rechtspersonen, verlenen de bevoegde autoriteiten de vergunning slechts indien deze banden de juiste uitoefening van hun toezichthoudende taken niet belemmeren.

De bevoegde autoriteiten verlenen de vergunning ook niet indien de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een derde land die van toepassing zijn op één of meer natuurlijke of rechtspersonen met wie de kredietinstelling nauwe banden heeft, of moeilijkheden in verband met de toepassing van die wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, een belemmering vormen voor de juiste uitoefening van hun toezichthoudende taken.

De bevoegde autoriteiten verlangen van kredietinstellingen dat zij hen de informatie verstrekken die zij nodig hebben om zich ervan te vergewissen dat doorlopend aan de in dit lid gestelde voorwaarden wordt voldaan.

Artikel 13

Indien een vergunning niet verleend wordt, wordt deze beslissing met redenen omkleed aan de aanvrager medegedeeld binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag, of, indien de aanvraag onvolledig is, binnen zes maanden na de toezending door de aanvrager van de voor de beslissing nodige gegevens. In elk geval wordt binnen twaalf maanden na de aanvraag een beslissing genomen.

Artikel 14

Elke toekenning van een vergunning wordt ter kennis van de Commissie gebracht.

De namen van alle kredietinstellingen waaraan een vergunning is verleend worden vermeld op een lijst. De Commissie maakt deze lijst in het Publicatieblad van de Europese Unie bekend en houdt haar bij.

Artikel 15

1.   Vóór de verlening van een vergunning aan een kredietinstelling raadpleegt de bevoegde autoriteit de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaat in de volgende gevallen:

a)

de desbetreffende kredietinstelling is een dochteronderneming van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend;

b)

de desbetreffende kredietinstelling is een dochteronderneming van de moederonderneming van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend; of

c)

de desbetreffende kredietinstelling staat onder de zeggenschap van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen die de zeggenschap hebben over een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend.

2.   Vóór de verlening van een vergunning aan een kredietinstelling raadpleegt de bevoegde autoriteit de bevoegde autoriteit van een betrokken lidstaat die verantwoordelijk is voor het toezicht op verzekeringsondernemingen of beleggingsondernemingen in de volgende gevallen:

a)

de desbetreffende kredietinstelling is een dochteronderneming van een verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming waaraan in de Gemeenschap vergunning is verleend;

b)

de desbetreffende kredietinstelling is een dochteronderneming van de moederonderneming van een verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming waaraan in de Gemeenschap vergunning is verleend; of

c)

de desbetreffende kredietinstelling staat onder de zeggenschap van dezelfde natuurlijke persoon of rechtspersoon die zeggenschap uitoefent over een verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming waaraan in de Gemeenschap vergunning is verleend.

3.   De onder de leden 1 en 2 bedoelde relevante bevoegde autoriteiten raadplegen elkaar in het bijzonder indien de geschiktheid van de aandeelhouders en de reputatie en ervaring van de bij de leiding van een andere entiteit van dezelfde groep betrokken bestuurders worden beoordeeld. Zij wisselen alle informatie uit betreffende de geschiktheid van de aandeelhouders en de reputatie en ervaring van bestuurders welke van belang is voor het verlenen van een vergunning, alsook voor de doorlopende toetsing van de naleving van de voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening.

Artikel 16

De lidstaten van ontvangst mogen noch een vergunning noch dotatiekapitaal eisen voor bijkantoren van kredietinstellingen waaraan in andere lidstaten vergunning is verleend. Voor de vestiging van en het toezicht op deze bijkantoren gelden de voorschriften van de artikelen 22 en 25, artikel 26, leden 1 tot en met 3, de artikelen 29 tot en met 37 en artikel 40.

Artikel 17

1.   De bevoegde autoriteiten kunnen de vergunning die is verleend aan een kredietinstelling alleen dan intrekken wanneer de instelling:

a)

binnen een termijn van twaalf maanden geen gebruikmaakt van de vergunning, uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven geen gebruik van de vergunning te zullen maken of de werkzaamheden gedurende een periode van meer dan zes maanden heeft gestaakt, tenzij de betrokken lidstaat heeft bepaald dat in die gevallen de vergunning vervalt;

b)

de vergunning heeft verworven door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze;

c)

niet meer voldoet aan de voorwaarden waarop de vergunning is verleend;

d)

geen voldoende eigen vermogen meer bezit of geen garantie meer biedt voor de nakoming van de verplichtingen tegenover schuldeisers en in het bijzonder niet meer de veiligheid van de toevertrouwde gelden waarborgt; of

e)

wanneer een van de overige gevallen van intrekking waarin de nationale voorschriften voorzien, zich voordoet.

2.   Iedere intrekking van een vergunning wordt, met redenen omkleed, medegedeeld aan de betrokkenen. De intrekking wordt ter kennis van de Commissie gebracht.

Artikel 18

De kredietinstellingen mogen voor de uitoefening van hun werkzaamheden op het grondgebied van de Gemeenschap dezelfde benaming gebruiken als in de lidstaat van hun hoofdkantoor, niettegenstaande de voorschriften in de lidstaat van ontvangst betreffende het gebruik van de woorden „bank”, „spaarbank” of andere soortgelijke benamingen. Ingeval gevaar voor verwarring bestaat, kunnen de lidstaten van ontvangst ter verduidelijking eisen dat er aan de benaming een verklarende vermelding wordt toegevoegd.

Artikel 19

1.   De lidstaten bepalen dat iedere natuurlijke of rechtspersoon die het voornemen heeft om rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling aan te houden, de bevoegde autoriteiten daarvan vooraf in kennis moet stellen onder vermelding van het bedrag van die deelneming. Tot kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten is eveneens gehouden iedere natuurlijke of rechtspersoon die het voornemen heeft de omvang van zijn gekwalificeerde deelneming zodanig te vergroten dat het percentage van de door hem gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal 20 %, 33 % of 50 % bereikt of overschrijdt of dat de kredietinstelling zijn dochteronderneming zou worden.

Onverminderd het bepaalde in lid 2 beschikken de bevoegde autoriteiten over een termijn van ten hoogste drie maanden, te rekenen vanaf de datum van de in de eerste en tweede alinea bedoelde kennisgeving, om zich tegen het voornemen te verzetten indien zij, gelet op de noodzaak een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de kredietinstelling te garanderen, niet overtuigd zijn van de geschiktheid van de desbetreffende persoon. Indien er geen bezwaar is, kunnen de autoriteiten een maximumtermijn vaststellen voor de uitvoering van het voornemen.

2.   Indien de persoon die het voornemen heeft de in lid 1 bedoelde deelnemingen te verwerven, een kredietinstelling, verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming is waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, of een moederonderneming van een kredietinstelling, verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, of een natuurlijke persoon of rechtspersoon die zeggenschap uitoefent over een kredietinstelling, verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, en indien de kredietinstelling waarin de verwerver een deelneming beoogt te houden, daardoor een dochteronderneming van de verwerver wordt of onder zijn zeggenschap komt, wordt zijn acquisitie beoordeeld volgens de procedure van voorafgaande raadpleging waarin artikel 15 voorziet.

Artikel 20

De lidstaten bepalen dat iedere natuurlijke of rechtspersoon die het voornemen heeft zijn rechtstreekse of onrechtstreekse gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling af te stoten, de bevoegde autoriteiten daarvan vooraf in kennis moet stellen onder vermelding van het bedrag van zijn voorgenomen deelneming. Tot kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten is eveneens gehouden iedere natuurlijke of rechtspersoon die het voornemen heeft de omvang van zijn gekwalificeerde deelneming zodanig te verkleinen dat het percentage van de door hem gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal onder 20 %, 33 % of 50 % daalt of dat de kredietinstelling ophoudt zijn dochteronderneming te zijn.

Artikel 21

1.   De kredietinstellingen stellen, zodra zij kennis hebben van verwervingen of afstotingen van deelnemingen in hun kapitaal, waardoor stijging boven of daling onder één van de percentages als bedoeld in artikel 19, lid 1, en artikel 20 optreedt, de bevoegde autoriteiten van deze verwervingen of afstotingen in kennis.

Tevens stellen zij de bevoegde autoriteiten ten minste eens per jaar in kennis van de identiteit van de aandeelhouders of vennoten die gekwalificeerde deelnemingen bezitten, alsmede van de omvang van de deelnemingen zoals deze met name blijken uit de gegevens die worden vastgelegd bij de jaarlijkse algemene vergadering van aandeelhouders of vennoten, of uit de informatie die is ontvangen uit hoofde van de verplichtingen van ter beurze genoteerde vennootschappen.

2.   De lidstaten bepalen dat, indien de door de in artikel 19, lid 1, bedoelde personen uitgeoefende invloed een prudente en gezonde bedrijfsvoering van de instelling zou kunnen belemmeren, de bevoegde autoriteiten de passende maatregelen treffen om aan deze toestand een einde te maken. Die maatregelen kunnen bestaan uit bindende aanwijzingen, sancties tegen bestuurders en schorsing van de uitoefening van de stemrechten die verbonden zijn aan de aandelen welke door de betrokken aandeelhouders of vennoten worden gehouden.

Soortgelijke maatregelen zijn van toepassing op natuurlijke of rechtspersonen die de in artikel 19, lid 1, bedoelde verplichting inzake voorafgaande kennisgeving niet naleven.

Wanneer een deelneming wordt verworven ondanks het bezwaar van de bevoegde autoriteiten, bepalen de lidstaten, onverminderd andere te treffen sancties, dat de uitoefening van de betrokken stemrechten wordt geschorst of dat de uitgebrachte stemmen nietig zijn of nietig verklaard kunnen worden.

3.   Voor de vaststelling van een in het onderhavige artikel bedoelde „gekwalificeerde deelneming” en van de daarin bedoelde andere deelnemingspercentages worden de stemrechten, vermeld in artikel 92 van Richtlijn 2001/34/EG, in aanmerking genomen.

Artikel 22

1.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst eisen dat er in elke kredietinstelling solide governancesystemen bestaan, waaronder een duidelijke organisatorische structuur met duidelijk omschreven, transparante en samenhangende verantwoordelijkheden, effectieve procedures voor de detectie, het beheer, de bewaking en verslaglegging van de risico's waaraan zij blootstaat of bloot kan komen te staan, en adequate internecontroleprocedures, zoals een goede administratieve en boekhoudkundige organisatie.

2.   De in lid 1 bedoelde systemen en procedures zijn gedetailleerd uitgewerkt en staan in verhouding tot de aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden van de kredietinstelling. Er wordt rekening gehouden met de technische criteria van bijlage V.

TITEL III

BEPALINGEN BETREFFENDE DE VRIJHEID VAN VESTIGING EN HET VRIJ VERRICHTEN VAN DIENSTEN

Afdeling 1

Kredietinstellingen

Artikel 23

De lidstaten bepalen dat de werkzaamheden die in de lijst in bijlage I zijn genoemd op hun grondgebied kunnen worden uitgeoefend overeenkomstig het bepaalde in artikel 25, artikel 26, leden 1 tot en met 3, artikel 28, leden 1 en 2, en de artikelen 29 tot en met 37, zowel door middel van het vestigen van een bijkantoor als door middel van het verrichten van diensten, door iedere kredietinstelling waaraan door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat vergunning is verleend en waarop door hen toezicht wordt gehouden, mits deze werkzaamheden onder de vergunning vallen.

Afdeling 2

Financiële instellingen

Artikel 24

1.

a)

aan de moederonderneming of -ondernemingen is vergunning verleend als kredietinstelling in de lidstaat van het recht waaronder de financiële instelling valt;

b)

de betrokken werkzaamheden worden daadwerkelijk uitgeoefend op het grondgebied van dezelfde lidstaat;

c)

de moederonderneming of -ondernemingen is, respectievelijk zijn in het bezit van 90 % of meer van de aan de aandelen van de financiële instelling verbonden stemrechten;

d)

de moederonderneming of -ondernemingen moet, respectievelijk moeten ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aantonen dat de financiële instelling op een prudente wijze wordt beheerd en zich, met instemming van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, hoofdelijk borg hebben gesteld voor de verplichtingen van de financiële instelling; en

e)

de financiële instelling is, in het bijzonder voor de betrokken werkzaamheden, daadwerkelijk opgenomen in het toezicht op geconsolideerde basis waaraan de moederonderneming, of elk van de moederondernemingen, overeenkomstig titel V, hoofdstuk 4, afdeling 1, is onderworpen, met name met het oog op de vereisten ten aanzien van een minimaal eigen vermogen overeenkomstig artikel 75, voor het toezicht op de grote posities en de in de artikelen 120 tot en met 122 gestelde beperking van de deelnemingen.

De vervulling van deze voorwaarden wordt geverifieerd door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, die vervolgens een attest aan de financiële instelling afgeven dat dient te worden gevoegd bij de in de artikelen 25 en 28, bedoelde kennisgevingen.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst dragen zorg voor het toezicht op de financiële instelling overeenkomstig het bepaalde in artikel 10, lid 1, de artikelen 19 tot en met 22, artikel 40, de artikelen 42 tot en met 52 en artikel 54.

2.   Indien de financiële instelling als bedoeld in lid 1, eerste alinea, niet langer aan één van de gestelde voorwaarden voldoet, stelt de lidstaat van herkomst de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst daarvan in kennis, en vallen de door die financiële instelling in de lidstaat van ontvangst uitgeoefende werkzaamheden onder de wetgeving van de lidstaat van ontvangst.

3.   De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op dochterondernemingen van een financiële instelling als bedoeld in lid 1, eerste alinea.

Afdeling 3

Uitoefening van het recht tot vestiging

Artikel 25

1.   Iedere kredietinstelling die op het grondgebied van een andere lidstaat een bijkantoor wenst te vestigen, stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis.

2.   De lidstaten verlangen dat de kredietinstelling die een bijkantoor in een andere lidstaat wenst te vestigen, de in lid 1 bedoelde kennisgeving vergezeld doet gaan van de volgende gegevens:

a)

de lidstaat op het grondgebied waarvan zij voornemens is een bijkantoor te vestigen;

b)

een programma van werkzaamheden waarin onder meer de aard van de voorgenomen activiteiten en de organisatiestructuur van het bijkantoor worden vermeld;

c)

het adres in de lidstaat van ontvangst waar documenten kunnen worden opgevraagd; en

d)

de naam van de degenen die het bijkantoor gaan beheren.

3.   Tenzij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst, gelet op het betrokken project, redenen heeft om te twijfelen aan de deugdelijkheid van de administratieve structuur of van de financiële positie van de kredietinstelling, doet zij binnen drie maanden na ontvangst van alle in lid 2 bedoelde gegevens, mededeling van deze gegevens aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst en stelt zij de betrokken kredietinstelling hiervan in kennis.

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst doet tevens mededeling van het bedrag van het eigen vermogen en de som van de kapitaalvereiste krachtens artikel 75 van de kredietinstelling.

In afwijking van de tweede alinea doet de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst in het in artikel 24 genoemde geval mededeling van het bedrag van het eigen vermogen van de financiële instelling en van de som van de geconsolideerde eigenvermogens- en kapitaalvereisten krachtens artikel 75 van de kredietinstelling die haar moederonderneming is.

4.   Wanneer de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst weigert de in lid 2 bedoelde gegevens mede te delen aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, deelt zij de redenen van deze weigering binnen drie maanden na ontvangst van alle gegevens mede aan de betrokken kredietinstelling.

Tegen deze weigering of het uitblijven van een antwoord staat beroep open bij de rechter in de lidstaat van herkomst.

Artikel 26

1.   Voordat het bijkantoor van de kredietinstelling met zijn werkzaamheden aanvangt, beschikt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst over twee maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van de in artikel 25 bedoelde mededeling, om het in afdeling 5 bedoelde toezicht op de kredietinstelling voor te bereiden en om, in voorkomend geval, de voorwaarden aan te geven waaronder deze werkzaamheden om redenen van algemeen belang in de lidstaat van ontvangst moeten worden uitgeoefend.

2.   Zodra een mededeling van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst is binnengekomen of, wanneer deze niet reageert, zodra de in lid 1 bedoelde termijn is verstreken, kan het bijkantoor gevestigd worden en met zijn werkzaamheden aanvangen.

3.   In geval van wijziging van de inhoud van een van de overeenkomstig artikel 25, lid 2, onder b), c) of d), verstrekte gegevens stelt de kredietinstelling de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en van de lidstaat van ontvangst schriftelijk van de betreffende wijziging in kennis, zulks ten minste één maand voor de toepassing van de wijziging, opdat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst zich overeenkomstig artikel 25, en de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst zich overeenkomstig lid 1 van dit artikel kunnen uitspreken.

4.   De bijkantoren die, overeenkomstig de bepalingen van de lidstaat van ontvangst, hun werkzaamheden hebben aangevangen vóór 1 januari 1993, worden geacht onderworpen te zijn geweest aan de procedure van artikel 25 en van de leden 1 en 2 van het onderhavige artikel. Zij vallen vanaf 1 januari 1993 onder het bepaalde in lid 3 van het onderhavige artikel en onder artikelen 23 en 43, alsmede onder afdelingen 2 en 5.

Artikel 27

Verscheidene bedrijfszetels in eenzelfde lidstaat van een kredietinstelling met hoofdkantoor in een andere lidstaat worden beschouwd als één enkel bijkantoor.

Afdeling 4

Uitoefening van het recht tot het vrij verrichten van diensten

Artikel 28

1.   Elke kredietinstelling die voor de eerste maal in het kader van het vrij verrichten van diensten haar werkzaamheden wil uitoefenen op het grondgebied van een andere lidstaat, stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst in kennis van de in de lijst in bijlage I voorkomende werkzaamheden die zij wenst uit te oefenen.

2.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst doet aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst mededeling van de in lid 1 bedoelde kennisgeving, zulks binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de ontvangst van de kennisgeving.

3.   Dit artikel doet geen afbreuk aan de rechten die verkregen zijn door kredietinstellingen welke vóór 1 januari 1993 werkzaam waren bij wege van het verrichten van diensten.

Afdeling 5

Bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst

Artikel 29

De lidstaat van ontvangst kan, voor statistische doeleinden, verlangen dat elke kredietinstelling die een bijkantoor op zijn grondgebied heeft, aan de bevoegde autoriteiten van deze lidstaat een periodiek verslag over de werkzaamheden op zijn grondgebied zendt.

Voor de uitoefening van de krachtens artikel 41 op hem rustende verantwoordelijkheden kan de lidstaat van ontvangst van de bijkantoren van kredietinstellingen dezelfde gegevens verlangen als hij voor dat doel van de nationale kredietinstellingen verlangt.

Artikel 30

1.   Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst constateren dat een kredietinstelling die op hun grondgebied een bijkantoor heeft of werkzaam is in het kader van het verrichten van diensten, niet de wettelijke bepalingen naleeft welke deze lidstaat heeft vastgesteld ter uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn die een bevoegdheid van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst inhouden, eisen zij dat de betrokken kredietinstelling een eind maakt aan deze onregelmatige situatie.

2.   Indien de betrokken kredietinstelling niet het nodige doet, stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst die van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis.

Deze laatsten treffen zo spoedig mogelijk alle passende maatregelen om te bewerkstelligen dat de betrokken kredietinstelling een eind maakt aan deze onregelmatige situatie. De aard van deze maatregelen wordt medegedeeld aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst.

3.   Indien de kredietinstelling, in weerwil van de aldus door de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen, of omdat deze maatregelen ontoereikend zijn of die lidstaat geen maatregelen treft, inbreuk blijft maken op de in lid 1 bedoelde, in de lidstaat van ontvangst geldende wettelijke bepalingen, kan de lidstaat van ontvangst, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen treffen om verdere onregelmatigheden te voorkomen of te bestraffen en, voorzover zulks noodzakelijk is, kan hij deze kredietinstelling beletten nieuwe transacties op zijn grondgebied aan te vangen. De lidstaten dragen er zorg voor dat de voor die maatregelen vereiste stukken op hun grondgebied aan de kredietinstellingen kunnen worden betekend.

Artikel 31

De artikelen 29 en 30 laten de bevoegdheid van de lidstaat van ontvangst onverlet om passende maatregelen te treffen ter voorkoming of bestraffing van onregelmatigheden op zijn grondgebied die in strijd zijn met de wettelijke bepalingen die deze om redenen van algemeen belang heeft vastgesteld. Met name kan de lidstaat van ontvangst de in overtreding zijnde kredietinstelling beletten nieuwe transacties op zijn grondgebied aan te vangen.

Artikel 32

Elke ter uitvoering van artikel 30, leden 2 en 3, of artikel 31 genomen maatregel die sancties of een beperking van de uitoefening van het verrichten van diensten behelst, moet naar behoren met redenen worden omkleed en aan de betrokken kredietinstelling worden medegedeeld. Tegen elke maatregel van die aard staat in de lidstaat waar hij is genomen, beroep open bij de rechter.

Artikel 33

Alvorens de in artikel 30 bedoelde procedure toe te passen kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst in spoedeisende gevallen de conservatoire maatregelen treffen die onontbeerlijk zijn voor de bescherming van de belangen van inleggers, beleggers of andere personen voor wie diensten worden verricht. De Commissie en de bevoegde autoriteiten van de overige betrokken lidstaten moeten zo spoedig mogelijk van die maatregelen op de hoogte worden gebracht.

De Commissie kan, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, besluiten dat de betrokken lidstaat deze maatregelen moet wijzigen of intrekken.

Artikel 34

De lidstaat van ontvangst kan in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden die hem bij deze richtlijn worden toegekend passende maatregelen treffen om onregelmatigheden op zijn grondgebied te voorkomen of te bestraffen. Met name kan de lidstaat van ontvangst de in overtreding zijnde kredietinstelling beletten nieuwe transacties op zijn grondgebied aan te vangen.

Artikel 35

Ingeval de vergunning wordt ingetrokken, worden de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst daarvan in kennis gesteld en nemen zij passende maatregelen teneinde de betrokken kredietinstelling te beletten om op hun grondgebied nieuwe transacties aan te vangen en teneinde de belangen van de inleggers te vrijwaren.

Artikel 36

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van het aantal en de aard van de gevallen waarin overeenkomstig de artikelen 25 en 26, leden 1 tot en met 3 een weigering is uitgesproken of waarin overeenkomstig artikel 30, lid 3, maatregelen zijn genomen.

Artikel 37

Deze afdeling belet kredietinstellingen die hun hoofdkantoor in een andere lidstaat hebben, niet hun diensten met alle beschikbare communicatiemiddelen te adverteren in de lidstaat van ontvangst, mits zij alle eventuele voorschriften inzake de vorm en de inhoud van dit adverteren in acht nemen die zijn vastgesteld om redenen van algemeen belang.

TITEL IV

BETREKKINGEN MET DERDE LANDEN

Afdeling 1

Kennisgeving van ondernemingen uit derde landen en van de markttoegangsvoorwaarden in deze landen

Artikel 38

1.   De lidstaten passen op bijkantoren van kredietinstellingen met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap voor wat betreft de toegang tot de werkzaamheden dan wel de uitoefening ervan geen bepalingen toe die leiden tot een gunstiger behandeling dan die welke geldt voor bijkantoren van kredietinstellingen die hun hoofdkantoor binnen de Gemeenschap hebben.

2.   De bevoegde autoriteiten geven de Commissie en het Europees Comité voor het bankwezen kennis van de vergunningen voor bijkantoren die aan de kredietinstellingen met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap zijn verleend.

3.   Onverminderd lid 1 kan de Gemeenschap, bij met één of meer derde landen gesloten overeenkomsten, regelingen treffen inzake de toepassing van bepalingen die de bijkantoren van een kredietinstelling met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap eenzelfde behandeling op het gehele grondgebied van de Gemeenschap verzekeren.

Afdeling 2

Samenwerking inzake toezicht op geconsolideerde basis met de bevoegde autoriteiten van derde landen

Artikel 39

1.   De Commissie kan op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief aan de Raad voorstellen doen voor onderhandelingen over overeenkomsten met één of meer derde landen met het oog op afspraken over de toepassing van toezicht op geconsolideerde basis op:

a)

kredietinstellingen waarvan de moederonderneming haar hoofdkantoor in een derde land heeft; of

b)

kredietinstellingen die in een derde land gelegen zijn en waarvan de moederonderneming een kredietinstelling of financiële holding met hoofdkantoor in de Gemeenschap is.

2.   De in lid 1 bedoelde overeenkomsten hebben met name ten doel te waarborgen dat:

a)

de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de inlichtingen verkrijgen die nodig zijn voor het toezicht, op grond van de geconsolideerde financiële positie, op een kredietinstelling of op een financiële holding die in de Gemeenschap gelegen is en die als dochteronderneming een kredietinstelling of een financiële instelling heeft die buiten de Gemeenschap gelegen is, of die in zulke instellingen een deelneming heeft; en

b)

de bevoegde autoriteiten van derde landen de inlichtingen verkrijgen die nodig zijn voor het toezicht op moederondernemingen met zetel op hun grondgebied die als dochteronderneming een kredietinstelling of een financiële instelling hebben die gelegen is in één of meer lidstaten, of die in zulke instellingen deelnemingen hebben.

3.   Onverminderd artikel 300, leden 1 en 2, van het Verdrag, onderzoekt de Commissie met het Europees Comité voor het bankwezen het resultaat van de in lid 1 bedoelde onderhandelingen en de daaruit voortvloeiende situatie.

TITEL V

BEGINSELEN VAN EN TECHNISCHE INSTRUMENTEN VOOR BEDRIJFSECONOMISCH TOEZICHT EN OPENBAARMAKING

HOOFDSTUK 1

Grondregels voor bedrijfseconomisch toezicht

Afdeling 1

Bevoegdheden van de lidstaten van herkomst en van ontvangst

Artikel 40

1.   Het bedrijfseconomisch toezicht op een kredietinstelling, met inbegrip van het bedrijfseconomisch toezicht op de werkzaamheden die deze instelling overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 23 en 24 uitoefent, berust bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, onverminderd de bepalingen van de onderhavige richtlijn welke een bevoegdheid van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst inhouden.

2.   Lid 1 laat het toezicht op geconsolideerde basis op grond van de onderhavige richtlijn onverlet.

Artikel 41

Tot aan een latere coördinatie blijft de lidstaat van ontvangst, in samenwerking met de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst, belast met het toezicht op de liquiditeit van de bijkantoren van een kredietinstelling.

Onverminderd de maatregelen die noodzakelijk zijn ter versterking van het Europees Monetair Stelsel, blijft de lidstaat van ontvangst volledig verantwoordelijk voor de maatregelen die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van zijn monetair beleid.

Deze maatregelen mogen geen discriminerende of restrictieve behandeling inhouden uit hoofde van het feit dat aan de kredietinstelling in een andere lidstaat vergunning is verleend.

Artikel 42

Teneinde toezicht te houden op de werkzaamheden van de kredietinstellingen waarvan het werkterrein zich tot één of meer andere lidstaten uitstrekt dan de lidstaat van hun hoofdkantoor, met name door middel van een bijkantoor, werken de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten nauw samen. Zij verstrekken elkaar alle gegevens betreffende de leiding, het beheer en de eigenaars van de betrokken kredietinstellingen, waardoor het toezicht op die kredietinstellingen en het onderzoek van de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning aan die instellingen kan worden vergemakkelijkt, alsmede alle gegevens die het toezicht op deze instellingen, met name op het gebied van de liquiditeit, de solvabiliteit, de depositogarantie, de beperking van grote posities, de administratieve en boekhoudkundige procedures en de interne controle kunnen vergemakkelijken.

Artikel 43

1.   De lidstaten van ontvangst bepalen dat, wanneer een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, haar werkzaamheden uitoefent door middel van een bijkantoor, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst daarvan vooraf in kennis te hebben gesteld, zelf of met inschakeling van door de eerstgenoemde autoriteiten daartoe gemachtigden ter plaatse de in artikel 42 bedoelde gegevens kunnen verifiëren.

2.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst kunnen voor de verificatie van de bijkantoren ook gebruikmaken van een van de andere in artikel 141 genoemde procedures.

3.   De leden 1 en 2 laten het recht onverlet van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst om op hun grondgebied gevestigde bijkantoren ter plaatse te verifiëren teneinde de verantwoordelijkheden uit te oefenen die uit hoofde van deze richtlijn op hen rusten.

Afdeling 2

Uitwisseling van informatie en beroepsgeheim

Artikel 44

1.   De lidstaten bepalen dat alle personen die werkzaam zijn of zijn geweest voor de bevoegde autoriteiten, alsmede accountants of deskundigen die in opdracht van de bevoegde autoriteiten handelen, aan het beroepsgeheim gebonden zijn.

De vertrouwelijke gegevens waarvan zij beroepshalve kennis krijgen, mogen aan geen enkele persoon of autoriteit bekend worden gemaakt, behalve in een samengevatte of geaggregeerde vorm, zodat individuele kredietinstellingen niet kunnen worden geïdentificeerd, zulks onverminderd de gevallen die onder het strafrecht vallen.

Indien een kredietinstelling failliet is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak moet worden geliquideerd, mogen echter vertrouwelijke gegevens die geen betrekking hebben op derden welke betrokken zijn bij pogingen om de kredietinstellingen te redden, in het kader van civiele of handelsrechtelijke procedures openbaar worden gemaakt.

2.   Lid 1 belet niet dat tussen de bevoegde autoriteiten van de verschillende lidstaten uitwisseling van gegevens plaatsvindt als bedoeld in onderhavige richtlijn alsmede in andere richtlijnen die van toepassing zijn op kredietinstellingen. Deze gegevens vallen onder het in lid 1 bedoelde beroepsgeheim.

Artikel 45

De bevoegde autoriteit die uit hoofde van artikel 44 vertrouwelijke gegevens ontvangt, mag deze alleen gebruiken voor de uitoefening van haar taken en alleen voor de volgende doeleinden:

a)

voor het onderzoek van de voorwaarden voor de toegang tot de werkzaamheden van kredietinstellingen en voor het vergemakkelijken van de bewaking, op individuele en op geconsolideerde basis, van die werkzaamheden worden uitgeoefend, in het bijzonder ten aanzien van het toezicht op de liquiditeit, de solvabiliteit, de grote posities, de administratieve en boekhoudkundige procedures en de interne controle;

b)

voor het opleggen van straffen;

c)

in het kader van een administratief beroep tegen een besluit van de bevoegde autoriteit; of

d)

bij rechtszaken die aanhangig zijn gemaakt overeenkomstig artikel 55 of overeenkomstig bijzondere bepalingen van zowel de onderhavige richtlijn als andere richtlijnen betreffende kredietinstellingen.

Artikel 46

De lidstaten mogen met de bevoegde autoriteiten van derde landen of met de autoriteiten of instanties van derde landen, zoals gedefinieerd in artikel 47 en artikel 48, lid 1, alleen dan samenwerkingsovereenkomsten voor de uitwisseling van gegevens sluiten, als met betrekking tot de meegedeelde gegevens ten minste gelijkwaardige waarborgen inzake het beroepsgeheim gelden als de in artikel 44, lid 1, bedoelde. De uitwisseling van gegevens moet geschieden ten behoeve van het uitoefenen van de toezichthoudende taak van de genoemde autoriteiten of instanties.

Gegevens die afkomstig zijn van een andere lidstaat mogen alleen worden doorgegeven met de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben meegedeeld en in voorkomend geval alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmee deze autoriteiten ingestemd hebben.

Artikel 47

Artikel 44, lid 1, en artikel 45 vormen geen belemmering voor de uitwisseling van gegevens binnen eenzelfde lidstaat, wanneer er verscheidene bevoegde autoriteiten zijn of, tussen lidstaten, tussen de bevoegde autoriteiten en:

a)

de autoriteiten aan wie van overheidswege het toezicht op de andere financiële instellingen en de verzekeringsmaatschappijen is opgedragen, alsmede de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de financiële markten;

b)

en de instanties die betrokken zijn bij de liquidatie en het faillissement van kredietinstellingen en andere soortgelijke procedures; en

c)

en de met de wettelijke controle van de rekeningen van kredietinstellingen en andere financiële instellingen belaste personen,

voor de vervulling van hun toezichthoudende taak.

Artikel 44, lid 1, en artikel 45 vormen geen belemmering voor de toezending aan de organen die belast zijn met de uitvoering van de depositogarantiestelsels, van de gegevens die nodig zijn voor de vervulling van hun taak.

In beide gevallen vallen de ontvangen gegevens onder het in artikel 44, lid 1 bedoelde beroepsgeheim.

Artikel 48

1.   Onverminderd de artikelen 44 tot en met 46 kunnen de lidstaten toestaan dat uitwisseling van informatie plaatsvindt tussen de bevoegde autoriteiten en:

a)

de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de instanties die betrokken zijn bij de liquidatie en het faillissement van kredietinstellingen en andere soortgelijke procedures; en

b)

de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op personen die belast zijn met de wettelijke controle van de rekeningen van verzekeringsondernemingen, kredietinstellingen, beleggingsondernemingen en andere financiële instellingen.

In dergelijke gevallen eisen de lidstaten dat minimaal aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de informatie moet bestemd zijn voor de uitoefening van de in de eerste alinea bedoelde toezichthoudende taken;

b)

de in dit verband ontvangen informatie dient onder het in artikel 44, lid 1, bedoelde beroepsgeheim te vallen; en

c)

gegevens die afkomstig zijn van een andere lidstaat mogen alleen worden doorgegeven met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben medegedeeld, en in voorkomend geval alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmede deze autoriteiten ingestemd hebben.

De lidstaten delen de Commissie en de overige lidstaten de identiteit mede van de autoriteiten die op grond van dit lid informatie mogen ontvangen.

2.   Onverminderd de artikelen 44 tot en met 46 kunnen de lidstaten, ter versterking van de stabiliteit van het financiële stelsel alsmede de integriteit ervan, toestaan dat uitwisseling van informatie plaatsvindt tussen de bevoegde autoriteiten en de autoriteiten of instanties die wettelijk belast zijn met de opsporing en het onderzoek van inbreuken op het vennootschapsrecht.

In dergelijke gevallen eisen de lidstaten dat minimaal aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de informatie is bestemd voor de uitoefening van de in de eerste alinea bedoelde taken;

b)

de in dit verband ontvangen informatie valt onder het in artikel 44, lid 1, bedoelde beroepsgeheim; en

c)

gegevens die afkomstig zijn van een andere lidstaat mogen alleen worden doorgegeven met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben medegedeeld, en in voorkomend geval alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmede deze autoriteiten ingestemd hebben.

Indien de in de eerste alinea bedoelde autoriteiten of instanties die in een lidstaat bij de uitoefening van hun opsporings- of onderzoekstaken een beroep doen op personen die op grond van hun specifieke deskundigheid met een opdracht worden belast en die geen openbaar ambt bekleden, kan de in de eerste alinea bedoelde mogelijkheid tot uitwisseling van informatie tot deze personen worden verruimd op de in de tweede alinea genoemde voorwaarden.

Voor de toepassing van de derde alinea delen de in de eerste alinea bedoelde autoriteiten of instanties aan de bevoegde autoriteiten die de informatie hebben medegedeeld, de identiteit en de juiste opdracht mede van de personen aan wie deze informatie zal worden doorgegeven.

De lidstaten delen de Commissie en de overige lidstaten de identiteit mede van de autoriteiten of instanties die op grond van het onderhavige artikel informatie mogen ontvangen.

De Commissie stelt een verslag op over de toepassing van de bepalingen van het onderhavige artikel.

Artikel 49

De bepalingen van deze afdeling houden geen belemmering voor een bevoegde autoriteit in om voor de uitoefening van hun taak dienstige gegevens mede te delen aan:

a)

de centrale banken en andere instanties met een soortgelijke taak in hun hoedanigheid van monetaire autoriteit; en

b)

in voorkomend geval, andere overheidsinstanties die belast zijn met het toezicht op de betalingssystemen.

Deze afdeling houdt voor deze autoriteiten of instanties geen belemmering in om aan de bevoegde autoriteiten de gegevens toe te zenden die deze nodig hebben ter uitvoering van artikel 45.

De in dit verband ontvangen gegevens vallen onder het in artikel 44, lid 1, bedoelde beroepsgeheim.

Artikel 50

Niettegenstaande artikel 44, lid 1, en artikel 45, mogen de lidstaten, op grond van wettelijke bepalingen de mededeling van bepaalde gegevens toestaan aan andere centrale overheidsdiensten die bevoegd zijn voor de wetgeving inzake het toezicht op kredietinstellingen, financiële instellingen, beleggingsdiensten en verzekeringsmaatschappijen, alsmede aan de inspecteurs die in opdracht van deze overheidsdiensten optreden.

Deze gegevens mogen echter alleen worden verstrekt wanneer zulks ter wille van het bedrijfseconomisch toezicht nodig blijkt.

Artikel 51

De lidstaten bepalen dat de gegevens die op grond van artikel 44, lid 2, en artikel 47 zijn ontvangen, en die welke zijn verkregen naar aanleiding van in artikel 43, leden 1 en 2, bedoelde verificaties ter plaatse, in geen enkel geval op grond van artikel 50 mogen worden medegedeeld, tenzij met de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteit die de gegevens heeft verstrekt of van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de verificatie ter plaatse is verricht.

Artikel 52

De bepalingen van deze afdeling vormen geen belemmering voor de bevoegde autoriteiten van een lidstaat om de in de artikelen 44 tot en met 46 bedoelde gegevens mede te delen aan een clearinginstelling of een ander, soortgelijk orgaan dat bij de nationale wetgeving is erkend voor het verstrekken van clearing- en afwikkelingsdiensten op één van hun nationale markten, indien zij van oordeel zijn dat dit nodig is om de regelmatige werking van deze organen te garanderen in verband met het, zelfs potentiële, in gebreke blijven van een marktdeelnemer. De in dit verband ontvangen gegevens vallen onder het in artikel 44, lid 1, genoemde beroepsgeheim.

De lidstaten zien er evenwel op toe dat uit hoofde van artikel 44, lid 2, ontvangen gegevens in het in dit artikel bedoelde geval niet kunnen worden doorgegeven, tenzij met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben verstrekt.

Afdeling 3

Verplichtingen van de personen belast met de wettelijke controle van de jaarrekening en de geconsolideerde rekening

Artikel 53

1.   De lidstaten bepalen minimaal dat iedere persoon die is toegelaten in de zin van Richtlijn 84/253/EEG (17), en die bij een kredietinstelling de taken verricht zoals bedoeld in artikel 51 van Richtlijn 78/660/EEG, artikel 37 van Richtlijn 83/349/EEG of artikel 31 van Richtlijn 85/611/EEG (18), dan wel een andere wettelijke taak, de verplichting heeft aan de bevoegde autoriteiten snel melding te doen van elk feit of besluit met betrekking tot deze kredietinstelling, waarvan hij bij de uitvoering van die taken kennis heeft gekregen en dat van dien aard is:

a)

dat het een inbreuk ten gronde inhoudt op de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen tot vaststelling van de voorwaarden voor vergunning of van specifieke voorschriften betreffende de uitoefening van de werkzaamheden van de kredietinstelling;

b)

dat het de bedrijfscontinuïteit van de kredietinstelling aantast; of

c)

dat het leidt tot weigering van de goedkeuring van de jaarrekening of tot het uiten van voorbehouden.

De lidstaten bepalen minimaal dat dezelfde verplichting rust op deze persoon ten aanzien van feiten of besluiten waarvan hij kennis zou hebben gekregen bij de uitvoering van taken als beschreven in de eerste alinea, bij een onderneming die uit een zeggenschapsband voortvloeiende nauwe banden heeft met de kredietinstelling waar deze persoon de desbetreffende taken uitvoert.

2.   Melding te goeder trouw aan de bevoegde autoriteiten door de personen die zijn toegelaten in de zin van Richtlijn 84/253/EEG van in lid 1 bedoelde feiten of besluiten vormt geen inbreuk op ongeacht welke op grond van een contract of van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling opgelegde beperking inzake de openbaarmaking van informatie, en leidt voor de betrokken personen tot geen enkele vorm van aansprakelijkheid.

Afdeling 4

Sanctiebevoegdheid en beroepsrecht

Artikel 54

Onverminderd de voor de intrekking van de vergunning geldende procedures en de bepalingen van het strafrecht, bepalen de lidstaten dat hun respectieve bevoegde autoriteiten tegen kredietinstellingen of hun verantwoordelijke bestuurders, die de wettelijke of bestuursrechtelijke voorschriften inzake het toezicht op of de uitoefening van de werkzaamheden overtreden, sancties kunnen uitspreken dan wel maatregelen treffen die beogen een eind te maken aan de geconstateerde overtredingen of de oorzaken daarvan weg te nemen.

Artikel 55

De lidstaten bepalen dat tegen besluiten die jegens een kredietinstelling worden genomen uit hoofde van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn zijn vastgesteld, beroep bij de rechter mogelijk is; dit geldt eveneens voor het geval er binnen zes maanden na indiening geen beslissing is genomen aangaande een vergunningaanvraag die alle krachtens de geldende bepalingen vereiste gegevens bevat.

HOOFDSTUK 2

Technische instrumenten voor bedrijfseconomisch toezicht

Afdeling 1

Eigen vermogen

Artikel 56

Indien een lidstaat door wettelijk of bestuursrechtelijk optreden, ter uitvoering van de communautaire wetgeving inzake bedrijfseconomisch toezicht op actieve kredietinstellingen, een bepaling vaststelt waarin de term „eigen vermogen” wordt gebruikt of wordt gerefereerd aan dat begrip, ziet hij erop toe dat deze term of dit begrip in overeenstemming is met de definitie in de artikelen 57 tot en met 61 en 63 tot en met 66.

Artikel 57

Onverminderd de in artikel 66 vastgestelde limieten bestaat het niet-geconsolideerde eigen vermogen van kredietinstellingen uit de hierna genoemde bestanddelen:

a)

gestort kapitaal in de zin van artikel 22 van Richtlijn 86/635/EEG plus agiorekening, maar zonder de cumulatief preferente aandelen;

b)

reserves in de zin van artikel 23 van Richtlijn 86/635/EEG en de resultaten van het voorgaande jaar die zijn overgedragen door bestemming van het definitieve resultaat;

c)

de fondsen voor algemene bankrisico's in de zin van artikel 38 van Richtlijn 86/635/EEG;

d)

herwaarderingsreserves in de zin van artikel 33 van Richtlijn 78/660/EEG;

e)

waardecorrecties in de zin van artikel 37, lid 2, van Richtlijn 86/635/EEG;

f)

andere bestanddelen in de zin van artikel 63;

g)

de in artikel 64, lid 1, bedoelde aansprakelijkheidsverplichtingen van leden van kredietinstellingen met de rechtsvorm van coöperatieve verenigingen en de hoofdelijke verplichtingen van de leningnemers van bepaalde, in de vorm van een fonds georganiseerde instellingen; en

h)

cumulatief preferente aandelen met een vaste looptijd alsmede achtergestelde leningen in de zin van artikel 64, lid 3.

Zoals bepaald in artikel 66 worden de volgende bestanddelen afgetrokken:

i)

het bezit aan eigen aandelen van de kredietinstelling, tegen boekwaarde;

j)

immateriële activa in de zin van artikel 4 („Activa”), punt 9, van Richtlijn 86/635/EEG;

k)

negatieve resultaten van enige betekenis van het lopende boekjaar;

l)

deelnemingen in andere kredietinstellingen en in financiële instellingen ten belope van meer dan 10 % van het kapitaal van die instellingen;

m)

achtergestelde schuldvorderingen en de in artikel 63 en artikel 64, lid 3, bedoelde, in het bezit van de kredietinstelling zijnde schuldtitels uitgegeven door kredietinstellingen en financiële instellingen waarin zij voor meer dan 10 % van hun kapitaal deelneemt;

n)

deelnemingen in andere kredietinstellingen en andere financiële instellingen ten belope van 10 % of minder van het kapitaal van die instellingen, alsook achtergestelde schuldvorderingen en de in artikel 63 en artikel 64, lid 3, bedoelde, in het bezit van de kredietinstelling zijnde schuldtitels, uitgegeven door andere dan de onder l) en m) bedoelde kredietinstellingen en andere financiële instellingen, voor het bedrag van het totaal van deze deelnemingen, achtergestelde schuldvorderingen en schuldtitels dat 10 % van het eigen vermogen van de kredietinstelling, berekend vóór de aftrek van de bestanddelen genoemd onder l) tot en met p) te boven gaat;

o)

deelnemingen in de zin van artikel 4, punt 10, die een kredietinstelling houdt in:

i)

verzekeringsondernemingen in de zin van artikel 6 van Richtlijn 73/239/EEG (19), artikel 4 van Richtlijn 2002/83/EG (20) of artikel 1, onder b), van Richtlijn 98/78/EG (21);

ii)

herverzekeringsondernemingen in de zin van artikel 1, onder c), van Richtlijn 98/78/EG; of

iii)

herverzekeringsondernemingen in de zin van artikel 1, onder i), van Richtlijn 98/78/EG;

p)

elk van de volgende bestanddelen die de kredietinstelling houdt jegens de onder o) omschreven entiteiten waarin zij een deelneming heeft:

i)

de in artikel 16, lid 3, van Richtlijn 73/239/EEG bedoelde instrumenten; en

ii)

de in artikel 27, lid 3, van Richtlijn 2002/83/EG bedoelde instrumenten;

q)

bij kredietinstellingen die de risicogewogen posten op basis van afdeling 3, onderafdeling 2, berekenen, de negatieve bedragen die de uitkomst zijn van de berekening op basis van bijlage VII, deel 1, punt 36, en de verwachte verliesposten zoals berekend op basis van bijlage VII, deel 1, punten 32 en 33; en

r)

het bedrag aan vorderingen bij securitisatieposities die overeenkomstig bijlage IX, deel 4, een risicogewicht van 1250 % krijgen, zoals berekend op de aldaar aangegeven wijze.

Voor de toepassing van punt b) kunnen de lidstaten alleen toestaan dat tussentijdse positieve resultaten worden meegeteld voordat een formeel besluit is genomen, wanneer zij zijn geverifieerd door met de controle van de rekeningen belaste personen en wanneer ten genoegen van de bevoegde autoriteiten is aangetoond dat het bedrag daarvan is geraamd overeenkomstig de beginselen, neergelegd in Richtlijn 86/635/EEG, en netto is, na aftrek van alle te verwachten lasten en van voorzieningen voor dividenden.

Bij een kredietinstelling die een initiator van een securitisatie is, worden de nettowinsten die het resultaat zijn van de kapitalisatie van toekomstige inkomsten uit de gesecuritiseerde activa en die als kredietverbetering voor de securitisatieposities dienen, niet als bestanddeel als bedoeld onder b) beschouwd.

Artikel 58

Indien aandelen in een andere kredietinstelling, beleggingsonderneming, financiële instelling, verzekeringsonderneming, herverzekeringsonderneming of verzekeringsholding tijdelijk worden gehouden met het oog op een financiële bijstandsoperatie, bedoeld om die entiteit te saneren en te redden, kan de bevoegde autoriteit ontheffing van de bepalingen inzake aftrek als bedoeld in artikel 57, onder l) tot en met p), verlenen.

Artikel 59

Als alternatief voor de aftrek van de in artikel 57, onder o) en p), genoemde bestanddelen mogen de lidstaten hun kredietinstellingen toestaan mutatis mutandis de methoden 1, 2 of 3 van bijlage I bij Richtlijn 2002/87/EG toe te passen. Methode 1 („Consolidatie van jaarrekeningen”) mag alleen worden toegepast indien de bevoegde autoriteit overtuigd is van het niveau van geïntegreerd beheer en interne-controlemaatregelen van de entiteiten die onder de consolidatie zouden vallen. De gekozen methode wordt in de loop van de tijd consequent toegepast.

Artikel 60

Voor de berekening van het eigen vermogen op individuele basis, kunnen de lidstaten bepalen dat kredietinstellingen die onderworpen zijn aan toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig hoofdstuk 4, afdeling 1 of aan het aanvullende toezicht overeenkomstig Richtlijn 2002/87/EG, de onder l) tot en met p) van artikel 57 bedoelde bestanddelen die worden gehouden in kredietinstellingen, financiële instellingen, verzekeringsondernemingen, verzekeringsholdings of herverzekeringsondernemingen die onder het toepassingsgebied van het toezicht op geconsolideerde basis of van het aanvullende toezicht vallen, niet hoeven af te trekken.

Deze bepalingen zijn van toepassing op alle prudentiële regels die door Gemeenschapsbesluiten zijn geharmoniseerd.

Artikel 61

Het begrip „eigen vermogen” als gedefinieerd in artikel 57, onder a) tot en met h), houdt een maximum aan bestanddelen en bedragen in. Het gebruik van deze bestanddelen of de vaststelling van lagere plafonds alsmede de aftrek van andere bestanddelen dan die welke vermeld zijn in artikel 57, onder i) tot en met r), worden overgelaten aan het oordeel van de lidstaten.

De kredietinstelling moet onmiddellijk en zonder beperking kunnen beschikken over de in artikel 57, onder a) tot en met e), vermelde bestanddelen om risico's of verliezen te dekken zodra deze zich voordoen. Het bedrag van deze bestanddelen moet ten tijde van hun berekening vrij zijn van elke voorzienbare belasting of daarvoor gecorrigeerd zijn voorzover deze belastingen het bedrag verlagen ten belope waarvan deze bestanddelen aangewend kunnen worden voor het dekken van risico's of verliezen.

Artikel 62

De lidstaten mogen aan de Commissie verslag uitbrengen over de geboekte vooruitgang op convergentiegebied met het oog op een gemeenschappelijke definitie van het begrip „eigen vermogen”. Op basis van deze verslagen dient de Commissie eventueel uiterlijk op 1 januari 2009 bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel in voor wijziging van deze afdeling.

Artikel 63

1.   Het door een lidstaat gebruikte begrip „eigen vermogen” kan andere bestanddelen inhouden, mits deze, ongeacht hun wettelijke of boekhoudkundige benamingen, de volgende kenmerken bezitten:

a)

zij staan ter vrije beschikking van de kredietinstelling ter dekking van de normale risico's van het bankbedrijf, indien de verliezen of de waardeverminderingen nog niet zijn vastgesteld;

b)

het bestaan ervan blijkt uit de interne rekeningen; en

c)

het betrokken bedrag wordt vastgesteld door de directie van de kredietinstelling, gecontroleerd door onafhankelijke accountants, ter kennis gebracht aan de bevoegde autoriteiten en aan hun toezicht onderworpen.

2.   Als andere bestanddelen kunnen ook worden aanvaard schuldtitels met een onbepaalde looptijd en andere financieringsinstrumenten die aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

zij kunnen niet worden terugbetaald op initiatief van de houder of zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit;

b)

de schuldovereenkomst moet bepalen dat de kredietinstelling de betaling van rente over de schuld mag uitstellen;

c)

de vorderingen van de leninggever op de leningnemende kredietinstelling moeten volledig achtergesteld zijn bij die van alle niet-achtergestelde crediteuren:

d)

de documenten inzake de uitgifte van de schuldtitels moeten bepalen, dat schuld en niet-betaalde rente gebruikt kunnen worden om verliezen op te vangen, terwijl de kredietinstelling haar werkzaamheden kan voortzetten; en

e)

alleen de daadwerkelijk gestorte bedragen worden in aanmerking genomen.

Bij deze schuldtitels en andere financieringsinstrumenten komen nog andere cumulatief preferente aandelen dan die bedoeld in artikel 57, onder h).

3.   Bij kredietinstellingen die de risicogewogen posten op basis van afdeling 3, onderafdeling 2, berekenen, kunnen de positieve bedragen die de uitkomst zijn van de berekening op basis van bijlage VII, deel 1, punt 36, tot maximaal 0,6 % van de risicogewogen posten zoals berekend op basis van onderafdeling 2, worden aanvaard als andere bestanddelen. Bij deze kredietinstellingen worden waardecorrecties en voorzieningen in de berekening als bedoeld in bijlage VII, afdeling 3, deel 1, punt 36, en waardecorrecties en voorzieningen voor vorderingen als bedoeld in artikel 57, onder e), alleen op basis van dit lid opgenomen in het eigen vermogen. Daartoe worden bij de risicogewogen posten niet de posten meegeteld die zijn berekend voor securitisatieposities met een risicogewicht van 1 250 %.

Artikel 64

1.   De aansprakelijkheidsverplichtingen van de leden van de in artikel 57, onder g), bedoelde kredietinstellingen met de rechtsvorm van coöperatieve vereniging, omvatten het niet-gestorte kapitaal van deze verenigingen en de statutaire verplichting van de leden van deze coöperatieve verenigingen tot het doen van aanvullende niet-terugbetaalbare stortingen wanneer de kredietinstelling verlies lijdt. In dat geval dienen de stortingen onmiddellijk gevorderd te kunnen worden.

Met de hiervoor bedoelde bestanddelen worden gelijkgesteld de hoofdelijke verplichtingen van de leningnemers in het geval van als fonds georganiseerde kredietinstellingen.

Al deze bestanddelen kunnen in het eigen vermogen worden opgenomen, voorzover zij overeenkomstig de nationale wetgeving tot het eigen vermogen van dit soort instellingen worden gerekend.

2.   De lidstaten mogen garanties die zij of hun autoriteiten aan openbare kredietinstellingen verlenen, niet tot het eigen vermogen van deze kredietinstellingen rekenen.

3.   De lidstaten of de bevoegde autoriteiten mogen de in artikel 57, onder h), bedoelde cumulatief preferente aandelen met een vaste looptijd, alsmede de aldaar bedoelde achtergestelde leningen in het eigen vermogen opnemen, indien er bindende overeenkomsten bestaan volgens welke deze leningen in geval van faillissement of liquidatie van de kredietinstelling worden achtergesteld bij de vorderingen van alle andere crediteuren en eerst worden terugbetaald nadat alle andere op dat tijdstip opeisbare schulden zijn voldaan.

De achtergestelde leningen moeten aan de volgende aanvullende criteria voldoen:

a)

alleen de daadwerkelijk gestorte middelen worden in aanmerking genomen;

b)

de betrokken middelen hebben een oorspronkelijke looptijd van ten minste vijf jaar, waarna terugbetaling mogelijk is;

c)

de hoogte tot welke zij kunnen worden gerekend tot het eigen vermogen zal geleidelijk worden verlaagd gedurende ten minste de vijf jaar die voorafgaan aan de datum van de terugbetaling; en

d)

de leningovereenkomst bevat geen bepalingen krachtens welke de lening in bepaalde omstandigheden, andere dan de liquidatie van de kredietinstelling, vóór de overeengekomen datum moet worden terugbetaald.

Voor de toepassing van lid 2, onder b), zijn, indien de looptijd van de schuld onbepaald is, de betrokken leningen slechts terugbetaalbaar mits opzeggingstermijn van vijf jaar, tenzij zij niet langer als eigen vermogen worden beschouwd, of tenzij voor vervroegde terugbetaling uitdrukkelijk voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten is vereist. De bevoegde autoriteiten kunnen toestemming verlenen voor vervroegde terugbetaling van dergelijke leningen, mits het initiatief hiertoe uitgaat van de kredietnemer en de solvabiliteit van de kredietinstelling onaangetast blijft.

4.   Kredietinstellingen nemen niet in hun eigen vermogen op: de reserves voor de waarde in het economisch verkeer („reële waarde”) in verband met winsten of verliezen op kasstroomafdekkingstransacties van financiële instrumenten gewaardeerd tegen de aanschaffingswaarde verminderd met de afschrijvingen, alsmede in verband met de door veranderingen in hun eigen kredietwaardigheid ontstane winsten of verliezen op de tegen de reële waarde gewaardeerde verplichtingen.

Artikel 65

1.   Wanneer de berekening op geconsolideerde grondslag dient te geschieden, worden de in artikel 57 genoemde bestanddelen voor hun geconsolideerde bedragen in aanmerking genomen overeenkomstig de in hoofdstuk 4, afdeling 1 vastgestelde regels. Bovendien mogen de volgende creditbestanddelen („negatieve bestanddelen”) voor de berekening van het eigen vermogen met de geconsolideerde reserves worden gelijkgesteld:

a)

minderheidsbelangen in de zin van artikel 21 van Richtlijn 83/349/EEG als de integrale consolidatiemethode wordt toegepast;

b)

het eerste consolidatieverschil in de zin van de artikelen 19, 30 en 31 van Richtlijn 83/349/EEG;

c)

de omrekeningsverschillen die overeenkomstig artikel 39, lid 6, van Richtlijn 86/635/EEG in de geconsolideerde reserves worden opgenomen; en

d)

het verschil dat voortvloeit uit de vermelding van bepaalde deelnemingen overeenkomstig de in artikel 33 van Richtlijn 83/349/EEG beschreven methode.

2.   Wanneer de in lid 1, onder a) tot en met d), bedoelde bestanddelen debetbestanddelen („positieve bestanddelen”) zijn, worden zij bij de berekening van het geconsolideerde eigen vermogen in mindering gebracht.

Artikel 66

1.   Voor de in artikel 57, onder d) tot en met h), bedoelde bestanddelen gelden de volgende limieten:

a)

de som van de bestanddelen genoemd onder d) tot en met h) mag niet meer bedragen dan 100 % van de som van de bestanddelen genoemd onder a) tot en met c), verminderd met de som van de bestanddelen genoemd onder i) tot en met k); en

b)

de som van de bestanddelen genoemd onder g) en h) mag niet meer bedragen dan 50 % van de som van de bestanddelen genoemd onder a) tot en met c), verminderd met de som van de bestanddelen genoemd onder i) tot en met k).

2.   De som van de bestanddelen genoemd in artikel 57, onder l) tot en met r), wordt voor de helft in mindering gebracht op de som van de bestanddelen a) tot en met c), verminderd met i) tot en met k), en voor de helft op de som van de bestanddelen d) tot en met h) van dat artikel 57, na toepassing van de in lid 1 van dit artikel bepaalde limieten. Ingeval de helft van de som van de bestanddelen l) tot en met r) meer bedraagt dan de som van de bestanddelen d) tot en met h) van artikel 57, wordt het meerbedrag in mindering gebracht op de som van de bestanddelen a) tot en met c) verminderd met i) tot en met k) van artikel 57. Bestanddelen onder punt r) van artikel 57, worden niet in mindering gebracht indien zij voor de toepassing van artikel 75 zijn meegeteld in de berekening van de risicogewogen posten zoals aangegeven in bijlage IX, deel 4.

3.   Voor de toepassing van de afdelingen 5 en 6 worden de bepalingen van de onderhavige afdeling gelezen zonder inaanmerkingneming van de bestanddelen genoemd onder q) en r) van artikel 57 en in artikel 63, lid 3.

4.   De bevoegde autoriteiten kunnen kredietinstellingen toestemming geven om in tijdelijke en uitzonderlijke omstandigheden de in lid 1 genoemde limieten te overschrijden.

Artikel 67

Ten genoegen van de bevoegde autoriteiten moet worden aangetoond dat aan de voorwaarden van deze afdeling is voldaan.

Afdeling 2

Risicovoorziening

Onderafdeling 1

Toepassingsniveau

Artikel 68

1.   Alle kredietinstellingen voldoen op individuele basis aan het bepaalde in de artikelen 22 en 75 en in afdeling 5.

2.   Als een kredietinstelling geen dochterneming is in de lidstaat waar zij een vergunning heeft gekregen en onder toezicht staat, en evenmin een moederonderneming is, of als een kredietinstelling ingevolge artikel 73 niet in de consolidatie wordt opgenomen, voldoet zij op individuele basis aan het bepaalde in de artikelen 120 en 123.

3.   Als een kredietinstelling geen moederonderneming en ook geen dochteronderneming is, of als een kredietinstelling ingevolge artikel 73 niet in de consolidatie wordt opgenomen, voldoet zij op individuele basis aan het bepaalde in hoofdstuk 5.

Artikel 69

1.   De lidstaten mogen ervoor kiezen om artikel 68, lid 1, niet op een dochteronderneming van een kredietinstelling toe te passen als de desbetreffende lidstaat een vergunning heeft verleend aan en toezicht houdt op zowel de dochteronderneming als de kredietinstelling, de dochteronderneming betrokken is bij het toezicht op geconsolideerde basis van de kredietinstelling die de moederonderneming is, en met het oog op een adequate verdeling van het eigen vermogen tussen de moederonderneming en de dochterondernemingen voldaan is aan de volgende voorwaarden:

a)

er is geen feitelijke of juridische belemmering aanwezig of te voorzien die een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van passiva door de moederonderneming kan verhinderen;

b)

de moederonderneming verstrekt de bevoegde instantie waarborgen ten aanzien van het zorgvuldige beheer van de dochteronderneming en verklaart, met instemming van de bevoegde instantie, dat zij garant staat voor de door de dochtermaatschappij aangegane verplichtingen, of de risico's ten aanzien van de dochteronderneming zijn nauwelijks van betekenis;

c)

de risicobeoordeling, meet- en controleprocedures van de moederonderneming omvatten ook de dochteronderneming; en

d)

de moederonderneming bezit meer dan 50 % van de stemrechten die verbonden zijn aan aandelen in het kapitaal van de dochteronderneming en/of heeft het recht om het grootste deel van de leden van het leidinggevend orgaan van de in artikel 11 omschreven dochteronderneming aan te stellen of te ontslaan.

2.   De lidstaten mogen van de in lid 1 genoemde mogelijkheid gebruikmaken als het bij de moederonderneming om een financiële holding gaat die in dezelfde lidstaat is opgericht als de kredietinstelling en aan hetzelfde toezicht onderworpen is als dat welke op kredietinstellingen wordt uitgeoefend. Dit geldt met name voor de in artikel 71, lid 1, vastgelegde normen.

3.   De lidstaten kunnen ervoor kiezen om artikel 68, lid 1 niet op een moederkredietinstelling in een lidstaat toe te passen als de desbetreffende kredietinstelling is onderworpen aan de vergunning van en het toezicht door de betrokken lidstaat en betrokken is bij het toezicht op geconsolideerde basis, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan, met het oog op een adequate verdeling van het eigen vermogen onder de moederonderneming en de dochterondernemingen:

a)

er zijn geen feitelijke of juridische belemmeringen aanwezig of te voorzien die een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van passiva aan de moederkredietinstelling in een lidstaat kunnen verhinderen; en

b)

de risicobeoordeling, meet- en controleprocedures die relevant zijn voor het geconsolideerde toezicht omvatten de moederkredietinstelling in een lidstaat.

De bevoegde autoriteit die gebruik maakt van dit lid stelt de bevoegde autoriteiten van alle andere lidstaten op de hoogte.

4.   Onverminderd de algemene bepaling van artikel 144, maken de bevoegde autoriteiten van de lidstaten die de keuzemogelijkheid van lid 3 uitoefenen, op de wijze zoals aangegeven in artikel 144, openbaar:

a)

de gehanteerde criteria om vast te stellen of er geen feitelijke, praktische of juridische belemmeringen aanwezig of te voorzien zijn die een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van passiva kunnen verhinderen;

b)

het aantal moederkredietinstellingen dat genieten van de uitoefening van de keuzemogelijkheid van lid 3 en het aantal daarvan die beschikken over dochterondernemingen in een derde land; en

c)

op geaggregeerde basis voor de lidstaat:

i)

het totale bedrag aan eigen vermogen op geconsolideerde basis van de moederkredietinstelling in een lidstaat, die geniet van de uitoefening van de keuzemogelijkheid van lid 3, die worden aangehouden in dochterondernemingen in een derde land;

ii)

het percentage van het totale eigen vermogen op geconsolideerde basis van moederkredietinstellingen in een lidstaat, die geniet van de uitoefening van de keuzemogelijkheid van lid 3, vertegenwoordigd door eigen vermogen dat wordt aangehouden in dochterondernemingen in een derde land; en

iii)

het percentage van dergelijk totaal minimaal eigen vermogen zoals vereist op grond van artikel 75 op geconsolideerde basis van moederkredietinstellingen in een lidstaat, die geniet van de uitoefening van de keuzemogelijkheid van lid 3, vertegenwoordigd door eigen vermogen dat wordt aangehouden in dochterondernemingen in een derde land.

Artikel 70

1.   Afhankelijk van leden 1 en 2 van dit artikel mogen de bevoegde autoriteiten aan moederkredietinstellingen op ad-hocbasis toestaan om bij de berekening van hun vereisten in het kader van artikel 68, lid 1, dochterondernemingen in aanmerking te nemen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 69, lid 1, onder c) en d), en die aanzienlijke vorderingen hebben op of aanzienlijke verplichtingen hebben jegens deze moederkredietinstelling.

2.   De behandeling in lid 1 is alleen toegestaan indien de moederkredietinstelling, met opgaaf van alle omstandigheden en regelingen, ook de wettelijke regelingen, tot genoegen van de bevoegde autoriteiten aantoont dat er geen feitelijke, praktische of juridische belemmeringen aanwezig of te voorzien zijn die, wanneer deze verschuldigd zijn, een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van passiva op de vervaldag door de dochteronderneming aan haar moederonderneming, kunnen verhinderen.

3.   Wanneer een bevoegde autoriteit de keuzemogelijkheid van lid 1 uitoefent, brengt zij regelmatig en ten minste eenmaal per jaar aan de bevoegde autoriteiten van de overige lidstaten verslag uit over het gebruik van lid 1 en over de in lid 2 bedoelde omstandigheden en regelingen. Wanneer de dochteronderneming in een derde land is gelegen, verstrekken de bevoegde autoriteiten dezelfde informatie aan de bevoegde autoriteiten van dat derde land.

4.   Onverminderd de algemene strekking van artikel 144 maken de bevoegde autoriteiten die de keuzemogelijkheid van lid 1 uitoefenen, op de in artikel 144 aangegeven wijze, de volgende informatie openbaar:

a)

de criteria aan de hand waarvan zij vaststellen dat er geen feitelijke, praktische of juridische belemmeringen aanwezig of te voorzien zijn die een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van passiva kunnen verhinderen;

b)

hoeveel moederkredietinstellingen genieten van de uitoefening van de keuzemogelijkheid van lid 1 en hoeveel daarvan dochterondernemingen in een derde land hebben; en

c)

op geaggregeerde basis voor de lidstaat:

i)

het totale bedrag aan eigen vermogen van moederkredietinstellingen die genieten van de uitoefening van de keuzemogelijkheid van lid 1, dat in dochterondernemingen in een derde land wordt aangehouden;

ii)

het percentage van het totale bedrag aan eigen vermogen van moederkredietinstellingen die genieten van de uitoefening van de keuzemogelijkheid van lid 1, dat gevormd wordt door eigen vermogen dat in dochterondernemingen in een derde land wordt aangehouden; en

iii)

het percentage van het totale bedrag dat moederkredietinstellingen die genieten van de uitoefening van de keuzemogelijkheid van lid 1, minimaal aan eigen vermogen moeten hebben krachtens artikel 75, dat gevormd wordt door eigen vermogen dat in dochterondernemingen in een derde land wordt aangehouden.

Artikel 71

1.   Onverminderd de artikelen 68 tot en met 70 voldoen moederkredietinstellingen in een lidstaat in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 133 aan de verplichtingen bepaald in de artikelen 75, 120, en 123 en in afdeling 5 op basis van hun geconsolideerde financiële positie.

2.   Onverminderd de artikelen 68 tot en met 70 voldoen kredietinstellingen die onder de zeggenschap staan van een financiële moederholding in een lidstaat, in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 133 aan de verplichtingen van de artikelen 75, 120, en 123 en van afdeling 5 op basis van de geconsolideerde financiële positie van de holding.

Als meerdere kredietinstellingen onder de zeggenschap staan van een financiële moederholding in een lidstaat, is lid 1 alleen van toepassing op de kredietinstelling die ingevolge de artikelen 125 en 126 onderworpen is aan toezicht op geconsolideerde basis.

Artikel 72

1.   EU-moederkredietinstellingen voldoen op basis van hun geconsolideerde financiële positie aan het bepaalde in hoofdstuk 5.

Belangrijke dochterondernemingen van EU-moederkredietinstellingen maken de in bijlage XII, deel 1, punt 5, genoemde informatie openbaar op individuele of gesubconsolideerde basis.

2.   Kredietinstellingen die onder de zeggenschap staan van een financiële EU-moederholding, voldoen op basis van de geconsolideerde financiële positie van deze holding aan het bepaalde in hoofdstuk 5.

Belangrijke dochterondernemingen van financiële EU-moederholdings maken de in bijlage XII, deel 1, punt 5, genoemde informatie openbaar op individuele of gesubconsolideerde basis.

3.   De bevoegde autoriteiten die ingevolge de artikelen 125 en 126 verantwoordelijk zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis, mogen beslissen de leden 1 en 2 geheel of gedeeltelijk niet toe te passen op de kredietinstellingen waarvan de moederonderneming in een derde land gevestigd is, mits zij op geconsolideerde basis vergelijkbare informatie over deze kredietinstellingen openbaar maakt.

Artikel 73

1.   De lidstaten of de bevoegde autoriteiten die overeenkomstig de artikelen 125 en 126 verantwoordelijk zijn voor met het toezicht op geconsolideerde basis belaste bevoegde autoriteiten mogen in individuele gevallen kredietinstellingen, financiële instellingen of nevendiensten van het bankbedrijf verrichtende ondernemingen die dochterondernemingen zijn of waarin een deelneming wordt gehouden, buiten de consolidatie houden indien:

a)

de desbetreffende onderneming gevestigd is in een derde land waar juridische belemmeringen voor de mededeling van de nodige inlichtingen bestaan;

b)

de desbetreffende onderneming volgens de bevoegde autoriteiten in het licht van de doelstellingen van het toezicht op de kredietinstellingen te verwaarlozen is, en in ieder geval indien het balanstotaal van de desbetreffende onderneming lager is dan het laagste van de twee volgende bedragen:

i)

10 miljoen EUR; of

ii)

1 % van het balanstotaal van de moederonderneming, of van de onderneming die de deelneming houdt;

c)

de consolidatie van de financiële positie van de desbetreffende onderneming, naar de mening van de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis, in het licht van de doelstellingen van het toezicht op kredietinstellingen misplaatst of misleidend zou zijn.

Indien in de in lid 1, onder b), bedoelde gevallen verscheidene ondernemingen aan de daar genoemde voorwaarden voldoen, dienen zij toch in de consolidatie te worden opgenomen indien het geheel van deze ondernemingen in het licht van de vermelde doelstellingen, een niet te verwaarlozen belang heeft.

2.   De bevoegde autoriteiten verplichten kredietinstellingen die een dochteronderneming zijn, de eisen van de artikelen 75, 120 en 123 en van afdeling 5 op gesubconsolideerde basis toe te passen als deze kredietinstellingen of de moederonderneming als deze een financiële holding is, een kredietinstelling, financiële instelling of een vermogensbeheerder in de zin van artikel 2, punt 5, van Richtlijn 2002/87/EG als dochteronderneming in een derde land hebben of een deelneming in een dergelijke onderneming hebben.

3.   De bevoegde autoriteiten verplichten de moeder- en dochterondernemingen die onder deze richtlijn vallen, op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis te voldoen aan het bepaalde in artikel 22, zodat hun regels, procedures en mechanismen samenhang vertonen en goed geïntegreerd zijn en alle gegevens en informatie die voor het toezicht van belang zijn, kunnen worden verkregen.

Onderafdeling 2

Berekening van de vereisten

Artikel 74

1.   Tenzij anders bepaald, worden de actiefposten en de posten buiten de balanstelling gewaardeerd op basis van het boekhoudkundig kader dat krachtens Verordening (EG) nr. 1606/2002 en Richtlijn 86/635/EEG op de kredietinstelling van toepassing is.

2.   Niettegenstaande het bepaalde in de artikelen 68 tot en met 72 wordt ten minste twee keer per jaar berekend of de kredietinstellingen nog voldoen aan artikel 75.

De kredietinstellingen delen de resultaten en alle gevraagde desbetreffende gegevens mee aan de bevoegde autoriteiten.

Onderafdeling 3

Minimumniveau van het eigen vermogen

Artikel 75

Onverminderd artikel 136 verplichten de lidstaten de kredietinstellingen om eigen vermogen te verschaffen dat te allen tijde ten minste de som van de volgende kapitaalvereisten bedraagt:

a)

acht procent van het totaal van de risicogewogen posten, zoals berekend op basis van afdeling 3, voor kredietrisico's en verwateringsrisico's in hun gehele bedrijf, met uitzondering van de handelsportefeuille en de niet-liquide activa indien deze op basis van artikel 13, lid 2, onder d), van Richtlijn 2006/49/EG in mindering worden gebracht op het eigen vermogen;

b)

met betrekking tot de handelsportefeuille: de kapitaalvereisten die zijn vastgesteld op basis van artikel 18 en hoofdstuk V, afdeling 4, van Richtlijn 2006/49/EG voor de positie-, afwikkelings- en tegenpartijrisico's en — voorzover de in de artikelen 111 tot en met 117 vastgestelde limieten mogen worden overschreden — voor grote posities waarbij deze limieten worden overschreden;

c)

met betrekking tot hun gehele bedrijf: de kapitaalvereisten die zijn vastgesteld bij artikel 18 van 2006/49/EEG, voor het valutarisico en voor het grondstoffenrisico;

d)

met betrekking tot hun gehele bedrijf: de kapitaalvereisten die zijn vastgesteld bij afdeling 4, voor het operationele risico.

Afdeling 3

Minimumvereisten inzake het eigen vermogen voor het kredietrisico

Artikel 76

Voor de berekening van de risicogewogen posten met het oog op de toepassing van artikel 75, onder a), volgen kredietinstellingen ofwel de standaardbenadering als beschreven in de artikelen 78 tot en met 83, ofwel — mits de bevoegde autoriteiten daarvoor in het kader van artikel 84 toestemming hebben verleend — de interne-ratingbenadering als beschreven in de artikelen 84 tot en met 89.

Artikel 77

In deze afdeling wordt onder „vordering” verstaan: een actief of een post buiten de balanstelling.

Onderafdeling 1

Standaardbenadering

Artikel 78

1.   Onverminderd lid 2 is de vorderingswaarde van een actief de balanswaarde ervan en is de vorderingswaarde van een in bijlage II vermelde post buiten de balanstelling het volgende percentage van de waarde ervan: 100 % bij een post met een volledig risico, 50 % bij een post met een middelgroot risico, 20 % bij een post met een middelgroot/laag risico en 0 % bij een post met een laag risico. De in de eerste zin genoemde posten buiten de balanstelling worden ondergebracht in de risicocategorieën zoals aangegeven in bijlage II. Als een kredietinstelling krachtens bijlage VIII, deel 3, de uitgebreide benadering van financiële zekerheden (financial collateral comprehensive method) hanteert, wordt wanneer de vorderingen de vorm nemen van effecten of grondstoffen die in het kader van een repo, een transactie inzake opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen of een margeleningstransactie worden verkocht, gedeponeerd of verstrekt, de vorderingswaarde verhoogd met de volatiliteitsaanpassing die op deze effecten of grondstoffen is afgestemd overeenkomstig bijlage VIII, deel 3, punten 34 tot en met 59.

2.   Voor de bepaling van de vorderingswaarde van een in bijlage IV vermeld afgeleid instrument wordt bijlage III gehanteerd, waarbij voor de toepassing van deze methoden op basis van bijlage III rekening wordt gehouden met de gevolgen van schuldvernieuwingsovereenkomsten en andere verrekeningsovereenkomsten. De vorderingswaarde van repo's, transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen, transacties met afwikkeling op lange termijn en margeleningstransacties kan worden bepaald overeenkomstig bijlage III of bijlage VIII.

3.   Als een vordering door een volgestorte kredietprotectie is gegarandeerd, mag de waarde van deze post op basis van onderafdeling 3 worden aangepast.

4.   Onverminderd lid 2 wordt de vorderingswaarde van uitstaande kredietrisico's, zoals bepaald door de bevoegde autoriteiten, met een centrale tegenpartij bepaald overeenkomstig bijlage III, deel 2, punt 6, op voorwaarde dat het tegenpartijkredietrisico van de centrale tegenpartij ten aanzien van alle deelnemers in haar regelingen dagelijks volledig door zekerheden wordt gedekt.

Artikel 79

1.   Elke vordering wordt ondergebracht in een van de volgende categorieën:

a)

vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op centrale overheden of centrale banken;

b)

vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op regionale of lagere overheden;

c)

vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op administratieve organen en niet-commerciële ondernemingen;

d)

vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op multilaterale ontwikkelingsbanken;

e)

vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op internationale organisaties;

f)

vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op instellingen;

g)

vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op ondernemingen;

h)

vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op particulieren en kleine partijen;

i)

vorderingen of voorwaardelijke vorderingen die zijn gegarandeerd door onroerend goed;

j)

posten waarvoor sprake is van een betalingsachterstand;

k)

posten met een hoog risico;

l)

vorderingen in de vorm van obligaties met zekerheidsstelling;

m)

securitisatieposities;

n)

kortlopende vorderingen op instellingen en ondernemingen;

o)

vorderingen in de vorm van rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging; of

p)

overige posten.

2.   Om in de categorie vorderingen op particulieren en kleine partijen, als bedoeld in lid 1, onder h), ondergebracht te kunnen worden, voldoet een vordering aan de volgende voorwaarden:

a)

zij moet betrekking hebben op een individuele persoon of individuele personen dan wel op een kleine of middelgrote onderneming;

b)

zij moet deel uitmaken van een groot pakket vorderingen met ongeveer dezelfde kenmerken zodat het risico dat aan dergelijke leningen verbonden is, aanzienlijk wordt beperkt; en

c)

het totale bedrag dat de debiteur of groep van verbonden cliënten aan de kredietinstelling en moederondernemingen en haar dochterondernemingen verschuldigd is, maar exclusief schuldvorderingen of voorwaardelijke vorderingen gedekt door zekerheden in de vorm van niet-zakelijk onroerend goed, mag met inbegrip van de achterstallige posten voor zover de kredietinstelling weet, niet meer dan 1 miljoen EUR bedragen. De kredietinstelling moet stappen zetten om zich te overtuigen van de juistheid van deze informatie.

Effecten kunnen niet worden ondergebracht in de categorie vorderingen op particulieren en kleine partijen.

3.   De actuele waarde van de minimale leasebetalingen in verband met consumptieve leasing kan worden ingedeeld bij de categorie vorderingen op particulieren en kleine partijen.

Artikel 80

1.   Voor de berekening van de risicogewogen posten worden risicogewichten toegepast op alle vorderingen, tenzij deze op basis van bijlage VI, deel 1, in mindering worden gebracht op het eigen vermogen. Het risicogewicht dat wordt toegepast, hangt af van de categorie waarin de vordering is ondergebracht, en (in de mate als bepaald in bijlage VI, deel 1) van de kredietkwaliteit ervan. Voor de bepaling van de kredietkwaliteit mogen de kredietbeoordelingen van externe kredietbeoordelingsinstellingen (EKBI's), mits de artikelen 81 tot en met 83 in acht worden genomen, of de kredietbeoordelingen van exportkredietverzekeringsmaatschappijen, zoals beschreven in bijlage VI, deel 1, worden gebruikt.

2.   Voor de toepassing van een risicogewicht als bedoeld in lid 1, wordt de waarde van de post vermenigvuldigd met het risicogewicht dat op basis van deze onderafdeling is voorgeschreven of vastgesteld.

3.   Bij vorderingen op instellingen beslissen de lidstaten of bij de berekening van de risicogewogen posten wordt uitgegaan van de kredietkwaliteit van de centrale overheid van het rechtsgebied waarin de instelling haar statutaire zetel heeft, of — overeenkomstig bijlage VI — van de kredietkwaliteit van de instelling van de tegenpartij.

4.   Niettegenstaande lid 1 mag het risicogewicht van een vordering die door kredietprotectie is gegarandeerd, op basis van onderafdeling 3 worden aangepast.

5.   Bij gesecuritiseerde vorderingen worden de risicogewogen posten berekend op basis van onderafdeling 4.

6.   Vorderingen waarvoor in deze afdeling geen voorschriften voor de berekening van de risicogewogen posten zijn vastgesteld, krijgen een risicogewicht van 100 %.

7.   Met uitzondering van vorderingen waardoor verplichtingen ontstaan in de vorm van de in artikel 57, punten a) tot h), genoemde bestanddelen, mogen de bevoegde autoriteiten de vorderingen van een kredietinstelling op een tegenpartij die haar moederonderneming, dochteronderneming of een dochteronderneming van haar moederonderneming, dan wel een onderneming die is verbonden door een relatie zoals bedoeld in artikel 12, lid 1 van Richtlijn 83/349/EEG is, vrijstellen van het bepaalde in lid 1 van het onderhavige artikel, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de tegenpartij is een instelling of een financiële holding, financiële instelling, vermogensbeheerder of een nevendiensten verrichtende onderneming waarop prudentiële voorschriften van toepassing zijn;

b)

de tegenpartij en de kredietinstelling zijn opgenomen in dezelfde volledige consolidatie;

c)

de tegenpartij is onderworpen aan dezelfde risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures als de kredietinstelling;

d)

de tegenpartij is gevestigd in dezelfde lidstaat als de kredietinstelling; en

e)

er is geen feitelijke of juridische belemmering aanwezig of te voorzien die een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van passiva door de tegenpartij aan de kredietinstelling kan verhinderen.

In een dergelijk geval wordt een risicogewicht van 0 % toegepast.

8.   Met uitzondering van vorderingen waardoor verplichtingen ontstaan in de vorm van de in artikel 57, punten a) to h), genoemde bestanddelen, mogen de bevoegde autoriteiten de vorderingen van een kredietinstelling op een tegenpartij die behoort tot hetzelfde institutioneel protectiestelsel als de kredietinstelling die de lening verstrekt, vrijstellen van de eisen in lid 1 van het onderhavige artikel, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de vereisten zoals bedoeld in de punten a), d) en e) van lid 7;

b)

de kredietinstelling en de debiteuren zijn een contractuele of verplichte aansprakelijkheidsregeling aangegaan waardoor deze instellingen beschermd worden en waardoor, zo nodig, met name hun liquiditeit en solventie beschermd worden om faillissement te voorkomen (hierna institutioneel protectiestelsel genoemd);

c)

door de regelingen wordt gewaarborgd dat het institutioneel protectiestelsel in staat is uit fondsen waarover het vrijelijk kan beschikken, de steun te verlenen die noodzakelijk is in het kader van zijn toezegging;

d)

het in punt b) bedoelde institutioneel protectiestelsel beschikt over geschikte en in uniforme regels voorgeschreven systemen voor het toezicht op en de classificering van risico's (die een compleet overzicht bieden van de risicosituatie van de individuele leden en van het institutioneel protectiestelsel als geheel) met dienovereenkomstige mogelijkheden tot ingrijpen; via deze systemen worden overeenkomstig bijlage VII, deel 4, punt 44 vorderingen met een betalingsachterstand bewaakt;

e)

het institutioneel protectiestelsel voert zijn eigen risico-onderzoek uit waarvan de resultaten aan de individuele leden worden medegedeeld;

f)

het institutioneel protectiestelsel formuleert en publiceert ten minste één maal per jaar een geconsolideerd verslag met de balans, de winst- en verliesrekening, het verslag over de situatie en het risicoverslag van het institutioneel protectiestelsel als geheel, dan wel een verslag met de geaggregeerde balans, de geaggregeerde winst- en verliesrekening, het verslag over de situatie en het risicoverslag van het institutioneel protectiestelsel als geheel;

g)

indien de deelnemers aan het institutioneel protectiestelsel voornemens zijn de regeling te beëindigen, moeten zij dit ten minste 24 maanden van tevoren kenbaar maken;

h)

het meervoudige gebruik van elementen die in aanmerking komen voor de berekening van het eigen vermogen („multiple gearing”), alsook het op enigerlei wijze creëren van eigen vermogen tussen de leden van het institutioneel protectiestelsel, wordt afgeschaft;

i)

het institutioneel protectiestelsel is gebaseerd op breed lidmaatschap van kredietinstellingen met een voornamelijk homogeen bedrijfsprofiel, en

j)

de toereikendheid van de in punt d) bedoelde systemen moet worden goedgekeurd en regelmatig gecontroleerd door de ter zake bevoegde autoriteiten.

In dergelijke gevallen wordt een risicogewicht van 0 % toegepast.

Artikel 81

1.   Een externe kredietbeoordeling mag voor de bepaling van het risicogewicht van een vordering op basis van artikel 80 alleen worden gebruikt als de EKBI die de beoordeling afgeeft, door de bevoegde autoriteiten is erkend als zijnde in aanmerking komende voor deze doeleinden. Met het oog op de toepassing van deze onderafdeling wordt een dergelijke instelling als „erkende EKBI” aangeduid.

2.   De bevoegde autoriteiten erkennen een EKBI als zijnde in aanmerking komende voor de doeleinden van artikel 80 alleen als ze zich ervan hebben overtuigd dat de beoordelingsmethodiek van de instelling voldoet aan de criteria objectiviteit, onafhankelijkheid, doorlopende toetsing en transparantie en dat de ontwikkelde kredietbeoordelingen betrouwbaar en transparant zijn. Daartoe houden de bevoegde autoriteiten rekening met de technische criteria in bijlage VI, deel 2.

3.   Als de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een EKBI hebben erkend, mogen de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten deze erkenning overnemen en hoeven ze niet zelf een evaluatie te verrichten.

4.   De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat een toelichting op de erkenningsprocedure en een lijst van erkende EKBI's voor het publiek toegankelijk zijn.

Artikel 82

1.   De bevoegde autoriteiten bepalen op basis van de technische criteria in bijlage VI, deel 2, in welke in deel 1 van deze bijlage genoemde kredietkwaliteitscategorie de desbetreffende kredietbeoordelingen van een erkende EKBI moeten worden ondergebracht. Daarbij moeten ze objectief en consequent te werk gaan.

2.   Als de bevoegde autoriteiten van een lidstaat de onderbrenging op basis van lid 1 hebben bepaald, mogen de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten deze overnemen en hoeven ze niet zelf een onderbrenging te bepalen.

Artikel 83

1.   Als voor de berekening van de risicogewogen posten van een kredietinstelling kredietbeoordelingen van EKBI's worden gebruikt, wordt consistent en op basis van bijlage VI, deel 3, te werk gegaan. Kredietbeoordelingen worden niet selectief gebruikt.

2.   Een kredietinstelling maakt alleen gebruik van gevraagde kredietbeoordelingen. Met toestemming van de relevante bevoegde autoriteit mag ze echter ook gebruikmaken van ongevraagde beoordelingen.

Onderafdeling 2

Interne-ratingbenadering

Artikel 84

1.   De bevoegde autoriteiten mogen met inachtneming van het bepaalde in deze onderafdeling een kredietinstelling toestemming verlenen om haar risicogewogen posten te berekenen aan de hand van de interne-ratingbenadering (IRB). Voor elke kredietinstelling is uitdrukkelijke toestemming vereist.

2.   Er wordt alleen toestemming verleend als de bevoegde autoriteit zich ervan heeft overtuigd dat de in de kredietinstelling gehanteerde systemen voor het beheer en de rating van kredietrisico's solide zijn, zorgvuldig worden toegepast en met name aan de volgende normen van bijlage VII, deel 4 voldoen:

a)

de ratingsystemen van de kredietinstelling maken een bruikbare beoordeling van de debiteuren- en transactiekenmerken, een bruikbare risicodifferentiatie en precieze en samenhangende kwantitatieve risicoramingen mogelijk;

b)

de voor de berekening van de kapitaalvereisten gehanteerde interne ratings en ramingen van de omvang van het kredietverzuim en de verliezen, alsmede de daarmee samenhangende systemen en procedures spelen een essentiële rol bij het risicobeheer en de besluitvorming en bij de kredietacceptatie, interne kapitaalallocatie en corporate governance van de kredietinstelling;

c)

de kredietinstelling heeft een voor haar ratingsystemen verantwoordelijke eenheid kredietrisicobeheersing die voldoende onafhankelijk kan opereren en niet al te sterk kan worden beïnvloed;

d)

de kredietinstelling verzamelt alle gegevens aan de hand waarvan de kredietrisico's effectief kunnen worden gemeten en beheerd, en slaat deze gegevens op; en

e)

de kredietinstelling legt haar ratingsystemen schriftelijk vast, geeft aan waarom ze zo zijn opgezet en valideert ze.

Als een EU-moederkredietinstelling en haar dochterondernemingen of een financiële EU-moederholding en haar dochterondernemingen de IRB centraal toepassen, kunnen de bevoegde autoriteiten ermee akkoord gaan dat de moeder- en dochteronderneming samen voldoen aan de in bijlage VII, deel 4, vermelde minimumvereisten.

3.   Een kredietinstelling die een aanvraag indient om de IRB te mogen toepassen, legt bewijsstukken over waaruit blijkt dat zij al ten minste drie jaar voordat zij daartoe het recht krijgt, voor de desbetreffende IRB-categorieën van vorderingen ratingsystemen hanteert die in grote lijnen in overeenstemming zijn met de in bijlage VII, deel 4 vermelde minimumvereisten voor de meting en het beheer van interne risico's.

4.   Een kredietinstelling die een aanvraag indient om gebruik te mogen maken van eigen ramingen van LGD's en/of omrekeningsfactoren, legt bewijsstukken over waaruit blijkt dat zij al ten minste drie jaar voordat zij daartoe het recht krijgt, eigen ramingen van LGD's en/of omrekeningsfactoren samenstelt en daarvan gebruikmaakt, en wel op een wijze die in grote lijnen in overeenstemming is met de in bijlage VII, deel 4 vermelde minimumvereisten voor het gebruik van eigen ramingen van de desbetreffende parameters.

5.   Als een kredietinstelling niet meer voldoet aan de in deze onderafdeling vermelde vereisten, wordt door haar ofwel bij de bevoegde autoriteit een plan ingediend om tijdig terug te keren naar de oude situatie, ofwel aangetoond dat de afwijkende situatie geen noemenswaardige gevolgen heeft.

6.   Als de EU-moederkredietinstelling en haar dochterondernemingen of de financiële EU-moederholding en haar dochteronderneming de IRB willen toepassen, werken de voor de verschillende rechtspersonen bevoegde autoriteiten nauw samen, en wel op basis van de voorschriften van de artikelen 129 tot en met 132.

Artikel 85

1.   Onverminderd artikel 89 passen kredietinstellingen en alle moederondernemingen met hun dochterondernemingen de IRB op alle vorderingen toe.

Als de bevoegde autoriteiten daarvoor toestemming verlenen, is per categorie vorderingen, als bedoeld in artikel 86, binnen dezelfde bedrijfsactiviteit, per bedrijfsactiviteit binnen dezelfde groep of voor het gebruik van eigen ramingen van LGD's of omrekeningsfactoren voor de berekening van risicogewichten voor vorderingen op bedrijven, instellingen en centrale overheden en centrale banken een stapsgewijze invoering toegestaan.

Bij de categorie vorderingen op particulieren en kleine partijen als bedoeld in artikel 86, is een stapsgewijze invoering toegestaan voor de categorieën vorderingen volgens de verschillende correlaties in de punten 10 tot en met 13, van deel 4 van bijlage VII.

2.   De in lid 1 bedoelde invoering vindt binnen een redelijke termijn plaats. Daarover moet met de bevoegde autoriteiten overeenstemming worden bereikt. Invoering vindt plaats op strikte voorwaarden, die door de bevoegde autoriteiten worden vastgesteld. Deze voorwaarden moeten ervoor zorgen dat de in lid 1 geboden flexibiliteit niet selectief wordt gebruikt met als doel voor categorieën vorderingen of voor bedrijfsactiviteiten die nog niet onder de IRB vallen, of bij het gebruik van eigen ramingen van LGD's en/of omrekeningsfactoren lagere minimumkapitaalvereisten te verkrijgen.

3.   Kredietinstellingen die voor alle categorieën vorderingen de IRB hanteren, passen deze benadering ook toe op de categorie positie in aandelen.

4.   Behoudens de leden 1 tot en met 3 van dit artikel en artikel 89 vallen kredietinstellingen die in het kader van artikel 84 toestemming hebben gekregen voor het gebruik van de IRB, voor de berekening van risicogewogen posten niet terug op onderafdeling 1, tenzij daarvoor goede redenen worden aangevoerd en de bevoegde autoriteiten daarmee akkoord gaan.

5.   Behoudens de leden 1 en 2 van dit artikel en artikel 89 vallen kredietinstellingen die in het kader van artikel 87, lid 9, toestemming hebben gekregen voor het gebruik van eigen ramingen van LGD's en omrekeningsfactoren niet terug op de in artikel 87, lid 8, genoemde LGD-waarden en omrekeningsfactoren, tenzij daarvoor goede redenen worden aangevoerd en de bevoegde autoriteiten daarmee akkoord gaan.

Artikel 86

1.   Elke vordering wordt ondergebracht in een van de volgende categorieën:

a)

vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op centrale overheden en centrale banken;

b)

vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op instellingen;

c)

vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op ondernemingen;

d)

vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op particulieren en op kleine partijen;

e)

posities in aandelen;

f)

securitisatieposities; of

g)

andere activa die geen kredietverplichting vertegenwoordigen.

2.   De volgende vorderingen worden behandeld als vorderingen op centrale overheden en centrale banken:

a)

vorderingen op regionale, lagere overheden of publiekrechtelijke lichamen die in het kader van onderafdeling 1 worden behandeld als vorderingen op centrale overheden; en

b)

vorderingen op multilaterale ontwikkelingsbanken en internationale organisaties die in het kader van onderafdeling 1 een risicogewicht van 0 % krijgen.

3.   De volgende vorderingen worden behandeld als vorderingen op instellingen:

a)

vorderingen op regionale en lagere overheden die in het kader van onderafdeling 1 niet worden behandeld als vorderingen op centrale overheden;

b)

vorderingen op publiekrechtelijke lichamen die in het kader van onderafdeling 1 worden behandeld als vorderingen op instellingen; en

c)

vorderingen op multilaterale ontwikkelingsbanken die in het kader van onderafdeling 1 geen risicogewicht van 0 % krijgen.

4.   Om in de categorie vorderingen op particulieren en op kleine partijen, als bedoeld in lid 1, onder d), ondergebracht te kunnen worden, voldoen de vorderingen aan de volgende voorwaarden:

a)

zij moeten betrekking hebben op een individuele persoon of individuele personen dan wel op een kleine of middelgrote onderneming. In het laatste geval bedraagt het totale bedrag dat de debiteur of de groep van verbonden cliënten verschuldigd is aan de kredietinstelling en aan moederondernemingen en hun dochterondernemingen, met inbegrip van de achterstallige posten, maar exclusief schuldvorderingen of voorwaardelijke vorderingen gedekt door zekerheden in de vorm van niet-zakelijk onroerend goed, voorzover de kredietinstelling weet, niet meer dan 1 miljoen EUR. De kredietinstelling moet wel stappen hebben gezet om zich te overtuigen van de juistheid van deze informatie;

b)

ze worden in het interne risicobeheer van de kredietinstelling in de tijd gezien consistent en op dezelfde wijze behandeld;

c)

ze worden niet zo exact op individuele basis beheerd, zoals in de categorie vorderingen op ondernemingen wel gebeurt; en

d)

ze maken elk deel uit van een groot aantal op vergelijkbare wijze beheerde vorderingen.

De actuele waarde van de minimale leasebetalingen in verband met leasing aan particulieren en kleine partijen kan worden ingedeeld bij de categorie vorderingen op particulieren en op kleine partijen.

5.   De volgende vorderingen worden als posities in aandelen geclassificeerd:

a)

andere posities dan schulden die een achtergestelde restvordering op de activa of het vermogen van de uitgevende instelling vormen; en

b)

schuldvorderingen waarvan de belangrijkste economische kenmerken overeenkomen met die van de vorderingen die onder a) zijn genoemd.

6.   Vorderingen in de categorie vorderingen op ondernemingen worden door de kredietinstellingen apart geregistreerd als vorderingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening als ze de volgende kenmerken bezitten:

a)

de vordering heeft betrekking op een entiteit die speciaal is opgericht om materiële activa te financieren en/of te beheren;

b)

in het contract is geregeld dat de kredietverlener een grote zeggenschap heeft over de activa en de inkomsten die daarmee worden gegenereerd; en

c)

de afbetaling van de verplichting is vooral gerelateerd aan de inkomsten die met de gefinancierde activa worden gegenereerd, en niet zozeer aan de algemene capaciteit van een in breder verband opererende commerciële onderneming.

7.   Kredietverplichtingen die niet zijn ondergebracht in een onder a), b) of d) tot en met f) van lid 1, genoemde categorie, vallen onder de in dat lid, onder c), genoemde categorie.

8.   De onder g) van lid 1 genoemde categorie van vorderingen omvat ook de restwaarde van geleasd onroerend goed, wanneer dit niet onder vorderingen uit hoofde van een lease-overeenkomst zoals bedoeld in bijlage VII, deel 3, punt 4, valt.

9.   Voor de onderbrenging van de vorderingen in de verschillende categorieën past de kredietinstelling een geschikte, in de tijd gezien consistente methodiek toe.

Artikel 87

1.   De voor het kredietrisico gewogen posten die verband houden met vorderingen die onder een van de in artikel 86, lid 1, onder a) tot en met e) en g), genoemde categorieën vallen, worden, als ze niet op het eigen vermogen in mindering worden gebracht, berekend op basis van bijlage VII, deel 1, punt 1 tot en met 27.

2.   De voor het verwateringsrisico gewogen posten die verband houden met gekochte kortlopende vorderingen, worden berekend op basis van bijlage VII, deel 1, punt 28. Indien een kredietinstelling ten aanzien van gekochte kortlopende vorderingen wegens het wanbetalingsrisico en verwateringsrisico volledig verhaal kan vorderen op de verkoper van de gekochte kortlopende vorderingen, hoeven de bepalingen van de artikelen 87 en 88 betreffende gekochte kortlopende vorderingen niet te worden toegepast. De vordering kan in plaats daarvan worden behandeld als een door zekerheden afgedekte vordering.

3.   Bij de berekening van voor het krediet- en het verwateringsrisico gewogen posten wordt uitgegaan van de parameters voor de desbetreffende vordering. Daaronder vallen de kans op wanbetaling (PD), LGD, de looptijd (M) en de waarde van de post. Overeenkomstig bijlage VII, deel 2, mogen de PD en het LGD apart of gezamenlijk in aanmerking worden genomen.

4.   Onverminderd lid 3 worden de voor het kredietrisico gewogen posten die verband houden met alle posities die onder de in artikel 86, lid 1, onder e), genoemde categorie vallen, berekend op basis van bijlage VII, deel 1, punten 17 tot en met 26, mits de bevoegde autoriteiten daarmee akkoord gaan. De bevoegde autoriteiten verlenen een kredietinstelling alleen toestemming om de benadering zoals uiteengezet in bijlage VII, deel 1, punten 25 en 26, toe te passen als de kredietinstelling voldoet aan de in bijlage VII, deel 4, punten 115 tot en met 123 vermelde minimumvereisten.

5.   Onverminderd lid 3 mogen voor het kredietrisico gewogen posten die verband houden met vorderingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening, worden berekend op basis van bijlage VII, deel 1, punt 6. De bevoegde autoriteiten maken richtsnoeren bekend voor de wijze waarop de kredietinstellingen in het kader van bijlage VII, deel 1, punt 6, risicogewichten dienen toe te kennen aan vorderingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening, en verlenen hun goedkeuring aan de door de kredietinstellingen daarvoor gebruikte methodieken.

6.   Voor vorderingen die onder een van de in artikel 86, lid 1, onder a) tot en met d), genoemde categorieën vallen, stellen kredietinstellingen eigen ramingen van PD's op basis van artikel 84 en bijlage VII, deel 4.

7.   Voor vorderingen die onder de in artikel 86, lid 1, onder d), genoemde categorie vallen, stellen kredietinstellingen eigen ramingen van LGD's en omrekeningsfactoren op op basis van artikel 84 en bijlage VII, deel 4.

8.   Op vorderingen die onder een van de in artikel 86, lid 1, onder a) tot en met c), genoemde categorieën vallen, passen de kredietinstellingen de LGD-waarden van bijlage VII, deel 2, punt 8, en de omrekeningsfactoren van bijlage VII, deel 3, punt 9, onder a) tot en met d), toe.

9.   Onverminderd lid 8 mogen de bevoegde autoriteiten aan de kredietinstellingen toestemming verlenen om voor alle vorderingen die onder een van de in artikel 86, lid 1, onder a) tot en met c), genoemde categorieën vallen, gebruik te maken van eigen ramingen van LGD's en omrekeningsfactoren op basis van artikel 84 en bijlage VII, deel 4.

10.   De risicogewogen posten voor gesecuritiseerde vorderingen en voor vorderingen die onder de in artikel 86, lid 1, onder f), genoemde categorie vallen, worden berekend op basis van onderafdeling 4.

11.   Als vorderingen in de vorm van een instelling voor collectieve belegging (ICB) voldoen aan de criteria van bijlage VI, deel 1, punten 77 en 78, en de kredietinstelling op de hoogte is van alle onderliggende vorderingen van de ICB, controleert de kredietinstelling deze vorderingen en berekent zij de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten op basis van de methodieken die in deze onderafdeling worden beschreven.

Als de kredietinstelling niet voldoet aan de voorwaarden om de in deze onderafdeling beschreven methodieken te mogen gebruiken, worden de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten als volgt berekend:

a)

bij vorderingen die onder de in artikel 86, lid 1, onder e), genoemde categorie vallen, wordt de benadering van bijlage VII, deel 1, punten 19 tot en met 21, gehanteerd. Als de kredietinstelling niet in staat is een onderscheid te maken tussen posities in niet ter beurze verhandelde, ter beurze verhandelde en overige aandelen, behandelt zij de desbetreffende vorderingen als posities in overige aandelen;

b)

bij alle overige onderliggende vorderingen wordt de in onderafdeling 1 beschreven benadering gehanteerd. Deze wijkt echter op de volgende punten af:

i)

de vorderingen worden in de geschikte categorie ondergebracht en krijgen het risicogewicht van de kredietkwaliteitscategorie boven de kredietkwaliteitscategorie waarin de vordering normaal gesproken zou zijn ondergebracht;

ii)

vorderingen die worden ondergebracht in een hogere kredietkwaliteitscategorie en normaal gesproken een risicogewicht van 150 % zouden krijgen, krijgen een risicogewicht van 200 %.

12.   Als vorderingen in de vorm van een ICB niet voldoen aan de criteria van bijlage VI, deel 1, punten 77 en 78, of de kredietinstelling niet op de hoogte is van alle onderliggende vorderingen van de ICB, controleert de kredietinstelling de onderliggende vorderingen en berekent zij de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten op basis van de benadering die is beschreven in bijlage VII, deel 1, punten 19 tot en met 21. Als de kredietinstelling niet in staat is een onderscheid te maken tussen posities in niet ter beurze verhandelde, ter beurze verhandelde en overige aandelen, behandelt zij de desbetreffende vorderingen als posities in overige aandelen. Daartoe worden vorderingen waarbij het niet om posities in aandelen gaat, ondergebracht in een van de in bijlage VII, deel 1, punt 19, genoemde categorieën (posities in niet ter beurze verhandelde, ter beurze verhandelde en overige aandelen).

Als alternatief voor de bovenbeschreven methodiek kunnen kredietinstellingen aan een derde opdracht geven de gemiddelde risicogewogen posten op basis van de onderliggende vorderingen op de ICB te berekenen en hen van de resultaten op de hoogte te brengen, of zij kunnen deze posten zelf berekenen. Wel moet voldoende gewaarborgd zijn dat de berekening en de rapportage volgens de regels plaatsvinden. Voor de berekeningen worden de volgende benaderingen gevolgd:

a)

bij vorderingen die onder de in artikel 86, lid 1, onder e), genoemde categorie vallen, de benadering van bijlage VII, deel 1, punten 19 tot en met 21. Als de kredietinstelling niet in staat is een onderscheid te maken tussen posities in niet ter beurze verhandelde, ter beurze verhandelde en overige aandelen, behandelt zij de desbetreffende vorderingen als posities in overige aandelen; of

b)

bij alle overige onderliggende vorderingen de in onderafdeling 1 beschreven benadering, die echter op de volgende punten afwijkt:

i)

de vorderingen worden in de geschikte categorie ondergebracht en krijgen het risicogewicht van de kredietkwaliteitscategorie boven de kredietkwaliteitscategorie waarin de vordering normaal gesproken zou zijn ondergebracht; en

ii)

vorderingen die worden ondergebracht in een hogere kredietkwaliteitscategorie en normaal gesproken een risicogewicht van 150 % zouden krijgen, krijgen een risicogewicht van 200 %.

Artikel 88

1.   Bij vorderingen die vallen onder een van de in artikel 86, lid 1, onder a) tot en met e), genoemde categorieën, worden de verwachte verliesposten berekend op basis van de methodieken die in bijlage VII, deel 1, punten 29 tot en met 35, staan beschreven.

2.   Als de verwachte verliesposten op basis van bijlage VII, deel 1, punten 29 tot en met 35, worden berekend, wordt bij elke vordering uitgegaan van dezelfde inputparameters voor PD, LGD en de waarde van de post als die welke worden gebruikt voor de berekening van risicogewogen posten op basis van artikel 87. Wanneer kredietinstellingen bij vorderingen met een betalingsachterstand gebruik maken van eigen LGD-ramingen wordt verwacht verlies („EL”) opgevat als de beste raming van de kredietinstelling van het verwachte verlies („ELBE,”)voor de vorderingen met een betalingsachterstand, overeenkomstig bijlage VII, deel 4, punt 80.

3.   Bij gesecuritiseerde vorderingen worden de verwachte verliesposten berekend op basis van onderafdeling 4.

4.   Bij vorderingen die onder de in artikel 86, lid 1, onder g), genoemde categorie vallen, is de verwachte verliespost gelijk nul.

5.   De verwachte verliesposten in verband met het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen worden berekend op basis van de methodieken van bijlage VII, deel 1, punt 35.

6.   De verwachte verliesposten bij de in artikel 87, leden 11 en 12, genoemde vorderingen worden berekend op basis van de methodieken die beschreven staan in bijlage VII, deel 1, punten 29 tot en met 35.

Artikel 89

1.   Kredietinstellingen die bij de berekening van risicogewogen posten en verwachte verliesposten voor een of meer categorieën vorderingen de IRB mogen hanteren, mogen, mits de bevoegde autoriteiten daarmee akkoord gaan, onderafdeling 1 toepassen op:

a)

de in artikel 86, lid 1, onder a), genoemde categorie, als het aantal grote tegenpartijen beperkt is en het voor de kredietinstelling te belastend zou zijn om voor deze tegenpartijen een ratingsysteem in te voeren;

b)

de in artikel 86, lid 1, onder b), genoemde categorie, als het aantal grote tegenpartijen beperkt is en het voor de kredietinstelling te belastend zou zijn om voor deze tegenpartijen een ratingsysteem in te voeren;

c)

vorderingen in verband met niet-belangrijke bedrijfsactiviteiten en in categorieën die geen noemenswaardige omvang hebben en waarvan het risicoprofiel als laag wordt aangemerkt;

d)

vorderingen op de centrale overheid, regionale overheden, lagere overheden en administratieve organen in de lidstaat van herkomst, mits:

i)

er op grond van bepaalde publiekrechtelijke regelingen geen verschil in risico bestaat tussen de vorderingen op de centrale overheid en de andere vorderingen; en

ii)

vorderingen op de centrale overheid ingevolge onderafdeling 1 vergezeld gaan van een risicogewicht van 0 %;

e)

vorderingen van een kredietinstelling op een tegenpartij die haar moederonderneming, dochteronderneming of een dochteronderneming van haar moederonderneming is, mits het bij deze tegenpartij om een instelling of een financiële holding, een financiële instelling, een vermogensbeheerder of een nevendiensten verrichtende onderneming gaat waarop prudentiële voorschriften van toepassing zijn of een onderneming waarmee een betrekking bestaat zoals bedoeld in artikel 12, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG en vorderingen tussen kredietinstellingen die voldoen aan de eisen bepaald in artikel 80, lid 8;

f)

posities in aandelen van entiteiten waarvan de kredietverplichtingen ingevolge onderafdeling 1 voor een risicogewicht van 0 % in aanmerking komen (daartoe behoren ook met overheidsgeld gefinancierde entiteiten waarvoor een risicogewicht van 0 % geldt);

g)

posities in aandelen die zijn ingenomen in het kader van wetgevingsprogramma's waarmee steun wordt verleend aan bepaalde economische sectoren en waarbij de kredietinstelling omvangrijke subsidies ontvangt voor haar belegging en de beleggingen op de een of andere wijze onderworpen zijn aan overheidstoezicht en restricties. In totaal mag hiermee niet meer dan in totaal 10 % van het oorspronkelijke eigen vermogen plus het aanvullende eigen vermogen gemoeid zijn;

h)

de in bijlage VI, deel 1, punt 40 vermelde vorderingen die aan de daarin gestelde voorwaarden voldoen; of

i)

overheidsgaranties en door de overheid herverzekerde garanties overeenkomstig bijlage VIII, deel 2, punt 19.

De bevoegde autoriteiten van andere lidstaten mogen op grond van het bepaalde in dit lid niet weigeren akkoord te gaan met de toepassing van de regels van onderafdeling op posities in aandelen als deze posities in andere lidstaten al zo behandeld mogen worden.

2.   Voor de toepassing van lid 1 worden posities in aandelen van een kredietinstelling als omvangrijk beschouwd als de totale waarde ervan exclusief de onder lid 1, onder g), genoemde posities in aandelen die zijn ingenomen in het kader van wetgevingsprogramma's in het voorgaande jaar gemiddeld meer dan 10 % van het eigen vermogen van de kredietinstelling bedraagt. Als in minder dan tien individuele bedrijven een positie in aandelen is opgebouwd, bedraagt de drempel 5 % van het eigen vermogen van de kredietinstelling.

Onderafdeling 3

Kredietrisicolimitering

Artikel 90

Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt onder „leningverstrekkende kredietinstelling” verstaan: de kredietinstelling die de vordering in kwestie heeft, ongeacht of daaraan een lening ten grondslag ligt.

Artikel 91

Kredietinstellingen die de standaardbenadering op basis van de artikelen 78 tot en met 83 of de IRB op basis van de artikelen 84 tot en met 89 hanteren, maar niet gebruikmaken van eigen ramingen van LGD's en omrekeningsfactoren op basis van de artikelen 87 en 88, mogen conform deze onderafdeling kredietrisicolimitering in aanmerking nemen bij de berekening van de risicogewogen posten voor de toepassing van artikel 75, onder a), of — indien van toepassing — bij de berekening van de verwachte verliesposten met het oog op de in artikel 57, onder q), en artikel 63, lid 3, bedoelde berekening.

Artikel 92

1.   De voor de kredietprotectie gehanteerde techniek in combinatie met de maatregelen, stappen, procedures en gedragslijnen van de leningverstrekkende kredietinstelling leiden tot kredietproctieregelingen die in alle desbetreffende rechtsgebieden rechtsgeldig en afdwingbaar zijn.

2.   De leningverstrekkende kredietinstelling neemt alle vereiste maatregelen om de effectiviteit van de kredietproctieregeling te waarborgen en de daaraan verbonden risico's te beperken.

3.   Bij volgestorte kredietprotectie mogen alleen activa in aanmerking worden genomen waarvan de liquiditeit niet te wensen overlaat en waarvan de waarde in de tijd gezien zo stabiel is dat ze gelet op de benadering die gehanteerd wordt voor de berekening van risicogewogen posten en gelet op de toegestane mate van erkenning voldoende zekerheid bieden wat de protectie van het krediet betreft. Alleen de in bijlage VIII, deel 1, genoemde activa komen voor deze doeleinden in aanmerking.

4.   Bij volgestorte kredietprotectie heeft de leningverstrekkende kredietinstelling het recht om bij in gebreke blijven, insolventie of faillissement van de debiteur of indien van toepassing, van de bewaarnemer van de zekerheid of bij een andere credit event die in het desbetreffende contract wordt vermeld, de activa die als protectie dienen, bijtijds te liquideren of te behouden. De waarde van de activa die als protectie worden gebruikt, mag niet te nauw gekoppeld zijn aan de kredietkwaliteit van de debiteur.

5.   Bij niet-volgestorte kredietprotectie mag de partij van wie de garanties afkomstig zijn, alleen voor erkenning in aanmerking komen als deze betrouwbaar genoeg is en de kredietprotectieovereenkomst in de desbetreffende rechtsgebieden rechtsgeldig en afdwingbaar is; pas dan is er, gelet op de benadering die gehanteerd wordt voor de berekening van risicogewogen posten en gelet op de toegestane mate van erkenning, sprake van voldoende zekerheid wat de protectie van het krediet betreft. Alleen de in bijlage VIII, deel 1, genoemde protectiegevers en soorten kredietprotectieovereenkomsten komen in aanmerking.

6.   Er wordt voldaan aan de in bijlage VIII, deel 2, vermelde minimumeisen.

Artikel 93

1.   Als aan artikel 92 wordt voldaan, mogen de berekening van risicogewogen post en — indien van toepassing — de berekening van de verwachte verliesposten overeenkomstig bijlage VIII, delen 3 tot en met 6, worden gewijzigd.

2.   Een vordering waarbij het kredietrisico wordt gelimiteerd, levert in geen geval een hogere risicogewogen post of verwachte verliespost op dan een vordering zonder kredietrisicolimitering die in alle overige opzichten identiek is.

3.   Als bij de risicogewogen post in het kader van de artikelen 78 tot en met 83 of de artikelen 84 tot en met 89 al rekening wordt gehouden met kredietprotectie, wordt kredietprotectie in het kader van deze onderafdeling niet meer als zodanig erkend.

Onderafdeling 4

Securitisatie

Artikel 94

Als een kredietinstelling de standaardbenadering van de artikelen 78 tot en met 83 hanteert voor de berekening van risicogewogen posten voor de categorie vorderingen waarin de gesecuritiseerde posten op basis van artikel 79 zouden zijn ondergebracht, berekent zij de risicogewogen post voor een securitisatiepositie op basis van bijlage IX, deel 4, punten 1 tot en met 36.

In alle overige gevallen berekent zij de risicogewogen post op basis van bijlage IX, deel 4, punten 1 tot en met 5 en 37 tot en met 76.

Artikel 95

1.   Als een aanzienlijk deel van het aan de gesecuritiseerde posities verbonden kredietrisico door de initiërende kredietinstelling overeenkomstig de voorwaarden van bijlage IX, deel 2, is overgedragen, mag deze kredietinstelling

a)

in geval van een traditionele securitisatie de door haar gesecuritiseerde posten buiten de berekening van risicogewogen posten en — indien van toepassing — van de verwachte verliesposten laten; en

b)

in geval van een synthetische securitisatie de risicogewogen posten en — indien van toepassing — de verwachte verliesposten voor de gesecuritiseerde posities op basis van bijlage IX, deel 2, berekenen.

2.   Als lid 1 van toepassing is, berekent de initiërende kredietinstelling de risicogewogen posten die in bijlage IX voor de securitisatieposities zijn voorgeschreven.

Slaagt de initiërende kredietinstelling er niet in een aanzienlijk deel van het kredietrisico overeenkomstig het bepaalde in lid 1 over te dragen, hoeft zij voor geen enkele van de desbetreffende securitisatieposities risicogewogen posten te berekenen.

Artikel 96

1.   De risicogewogen post van een securitisatiepositie wordt berekend door op basis van bijlage IX risicogewichten toe te passen op de waarde van de post en daarbij uit te gaan van de kredietkwaliteit van de positie, die ingevolge bijlage IX aan de hand van een kredietbeoordeling van een EKBI of op andere wijze kan worden vastgesteld.

2.   Als een securitisatiepositie verschillende tranches telt wordt elke tranche van de positie als een afgescheiden securitisatiepositie beschouwd. De kredietprotectiegevers bij securitisatieposities worden beschouwd als houders van posities in deze securitisatie. Securitisatieposities omvatten ook posities die ontstaan als gevolg van rente- of valutaderivaten.

3.   Als op een securitisatiepositie een al dan niet volgestorte kredietprotectie van toepassing is, mag het risicogewicht dat voor die positie geldt, op basis van de artikelen 90 tot en met 93, gelezen in combinatie met bijlage IX, worden gewijzigd.

4.   Behoudens artikel 57, onder r), en artikel 66, lid 2, wordt de risicogewogen post voor de toepassing van artikel 75, onder a), opgenomen in het totaal van de risicogewogen posten van de kredietinstelling.

Artikel 97

1.   Een kredietbeoordeling van een EKBI mag voor de bepaling van het risicogewicht van een securitisatiepositie op basis van artikel 96 alleen worden gebruikt als de EKBI door de bevoegde autoriteiten is erkend als in aanmerking komend voor dit doel. Hieronder wordt deze EKBI als „erkende EKBI” aangeduid.

2.   De bevoegde autoriteiten erkennen een voor de toepassing van lid 1 alleen als in aanmerking komend als ze, rekening houdende met de technische criteria van bijlage VI, deel 2, ervan overtuigd zijn dat het voldoet aan de eisen van artikel 81 en met bijvoorbeeld een grote marktacceptatie zijn bekwaamheid op securitisatiegebied heeft aangetoond.

3.   Als de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een EKBI voor de toepassing van lid 1 hebben erkend, mogen de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten de erkenning voor deze doeleinden overnemen en hoeven ze niet een eigen evaluatie te verrichten.

4.   De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat een toelichting op de erkenningsprocedure en een lijst van erkende EKBI's voor het publiek toegankelijk zijn.

5.   Een kredietbeoordeling van een erkende EKBI wordt voor de toepassing van lid 1 gebruikt als deze voldoet aan de beginselen van geloofwaardigheid en transparantie, zoals uitgewerkt in bijlage IX, deel 3.

Artikel 98

1.   Met het oog op de toepassing van risicogewichten op securitisatieposities bepalen de bevoegde autoriteiten in welke kredietkwaliteitscategorie van bijlage IX de desbetreffende kredietbeoordeling van een erkende EKBI wordt ondergebracht. Daarbij gaan ze objectief en consequent te werk.

2.   Als de bevoegde autoriteiten van een lidstaat in het kader van lid 1 de onderbrenging hebben bepaald, mogen de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten deze overnemen en hoeven ze geen eigen onderbrenging meer te vast te stellen.

Artikel 99

Bij het gebruik van EKBI-kredietbeoordelingen voor de berekening van de risicogewogen posten van een kredietinstelling op basis van artikel 96 wordt consequent en op basis van bijlage IX, deel 3, te werk gegaan. Kredietbeoordelingen worden niet selectief gebruikt.

Artikel 100

1.   Als op een securitisatie van revolverende posities een vervroegde-aflossingsbepaling van toepassing is, berekent de initiërende kredietinstelling, op basis van bijlage IX, voor het gevaar dat hun kredietrisico toeneemt ingeval van de vervroegde-aflossingsbepaling gebruik wordt gemaakt, een extra risicogewogen post.

2.   In dit verband wordt onder een revolverende positie verstaan: een vordering waarbij de openstaande saldi van cliënten al naar gelang hun beslissingen om te lenen en terug te betalen mogen schommelen tot een van tevoren afgesproken limiet, en onder een vervroegde-aflossingsbepaling: een contractuele clausule op grond waarvan de posities van de beleggers vóór de oorspronkelijke vervaldatum van de uitgegeven effecten moeten worden afgelost.

Artikel 101

1.   Als een initiërende kredietinstelling die met betrekking tot een securitisatie bij de berekening van de risicogewogen posten gebruik heeft gemaakt van artikel 95, of een sponsor steunt verleent aan een securitisatie, overschrijdt zij niet de grenzen van haar contractuele verplichtingen teneinde de mogelijke of feitelijke verliezen van de beleggers te beperken.

2.   Als een initiërende kredietinstelling of een sponsor zich bij een securitisatie niet houdt aan lid 1, legt de bevoegde autoriteit in ieder geval deze in ieder geval de verplichting op dat zij voor alle gesecuritiseerde vorderingen evenveel eigen vermogen aanhouden als noodzakelijk was geweest als deze vorderingen niet waren gesecuritiseerd. De kredietinstelling maakt publiekelijk bekend dat zij niet-contractuele steun heeft verleend en welke gevolgen dit heeft voor haar reglementair eigen vermogen.

Afdeling 4

Minimumvereisten inzake eigen vermogen voor het operationeel risico

Artikel 102

1.   De bevoegde autoriteiten leggen de kredietinstellingen de verplichting op om voor het operationeel risico eigen vermogen aan te houden conform de in de artikelen 103, 104 en 105 omschreven benaderingen.

2.   Onverminderd lid 4 vallen kredietinstellingen die de in artikel 104 genoemde benadering hanteren niet terug op de in artikel 103 genoemde benadering, tenzij daarvoor goede redenen worden aangevoerd en de bevoegde autoriteiten daarmee akkoord gaan.

3.   Onverminderd lid 4 vallen kredietinstellingen die de in artikel 105 genoemde benadering hanteren niet terug op de in artikel 103 of 104 genoemde benaderingen, tenzij daarvoor goede redenen worden aangevoerd en de bevoegde autoriteiten daarmee akkoord gaan.

4.   De bevoegde autoriteiten mogen de kredietinstellingen toestemming verlenen om benaderingen te combineren op basis van bijlage X, deel 4.

Artikel 103

In de basisindicatorbenadering bedraagt het kapitaalvereiste voor het operationeel risico een bepaald percentage van een relevante indicator die berust op de in bijlage X, deel 1, genoemde parameters.

Artikel 104

1.   In de standaardbenadering splitsen de kredietinstellingen hun activiteiten in een aantal business lines zoals beschreven in bijlage X, deel 2.

2.   Voor elke business line berekenen de kredietinstellingen voor het operationeel risico een kapitaalvereiste dat bestaat uit een bepaald percentage van een relevante indicator die berust op de in bijlage X, deel 2, genoemde parameters.

3.   Voor bepaalde business lines mogen de bevoegde autoriteiten aan een kredietinstelling vergunning verlenen om voor de vaststelling van haar kapitaalvereiste voor het operationeel risico, overeenkomstig bijlage X, deel 2, punten 5 tot en met 11, een alternatieve relevante indicator te gebruiken.

4.   In de standaardbenadering bedraagt het kapitaalvereiste voor het operationeel risico de som van de kapitaalvereisten voor het operationeel risico in de afzonderlijke business lines.

5.   De parameters voor de standaardbenadering staan in bijlage X, deel 2, vermeld.

6.   Om in aanmerking te komen voor de standaardbenadering voldoen de kredietinstellingen aan de criteria van bijlage X, deel 2.

Artikel 105

1.   De kredietinstellingen mogen alleen geavanceerde meetbenaderingen toepassen die berusten op hun eigen systemen voor de meting van het operationele risico, als de bevoegde autoriteiten uitdrukkelijk instemmen met het gebruik van de modellen voor de berekening van de kapitaalvereisten.

2.   De kredietinstellingen moeten de bevoegde autoriteiten ervan overtuigen dat ze voldoen aan de criteria van bijlage X, deel 3.

3.   Als een EU-moederkredietinstelling en haar dochterondernemingen of de dochterondernemingen van een financiële EU-moederholding een geavanceerde meetbenadering willen toepassen, werken de voor de verschillende rechtspersonen bevoegde autoriteiten nauw samen, en wel op basis van de voorschriften van de artikelen 129 tot en met 132. Daarbij wordt rekening gehouden met de in bijlage X, deel 3, genoemde punten.

4.   Als een EU-moederkredietinstelling en haar dochterondernemingen of de dochterondernemingen van een financiële EU-moederholding een geavanceerde meetbenadering centraal toepassen, mogen de bevoegde autoriteiten ermee instemmen dat moeder- en dochteronderneming samen voldoen aan de criteria die in bijlage X, deel 3, worden genoemd.

Afdeling 5

Grote posities

Artikel 106

1.   Onder „posities” wordt voor de toepassing van deze onderafdeling verstaan: alle actiefposten en posten buiten de balanstelling, als bedoeld in afdeling 3, onderafdeling 1, zonder toepassing van de in deze bepalingen vastgestelde risicogewichten of risicograden.

De posities die betrekking hebben op de met betrekking tot de in bijlage IV genoemde posten worden berekend op basis van een van de in bijlage III beschreven methoden. Voor de toepassing van deze afdeling, geldt ook bijlage III, deel 2, punt 2.

Van de definitie van de posities kunnen met goedkeuring van de bevoegde autoriteiten worden uitgesloten alle bestanddelen die voor 100 % door eigen vermogen zijn gedekt voorzover met dit deel van het eigen vermogen geen rekening wordt gehouden bij de berekening van het eigen vermogen van de kredietinstelling voor de toepassing van artikel 75 en van de andere bewakingsratio's die bij de onderhavige richtlijn en bij andere communautaire besluiten worden vastgesteld.

2.   Onder posities vallen niet:

a)

in het geval van valutatransacties, de posities die tijdens de normale afwikkeling worden ingenomen in de periode van 48 uur nadat betaling heeft plaatsgevonden; of

b)

in het geval van transacties betreffende de verkoop of aankoop van effecten, de posities die tijdens de normale afwikkeling worden ingenomen in de periode van vijf werkdagen nadat betaling heeft plaatsgevonden of nadat de effecten geleverd zijn indien deze levering eerder plaatsvindt.

Artikel 107

Voor de toepassing van deze afdeling heeft de term „kredietinstelling” betrekking op:

a)

een kredietinstelling, met inbegrip van haar bijkantoren in derde landen; en

b)

iedere particuliere of openbare onderneming die aan de definitie van „kredietinstelling” voldoet en waaraan in een derde land vergunning is verleend.

Artikel 108

Een positie van een kredietinstelling jegens een cliënt of een groep van verbonden cliënten wordt als groot beschouwd indien de waarde ervan 10 % of meer van haar eigen vermogen bedraagt.

Artikel 109

De bevoegde autoriteiten eisen dat er in elke kredietinstelling een goede administratieve en boekhoudkundige procedures en adequate interne controleprocedures bestaan voor het vaststellen en vastleggen van alle grote posities en daarin optredende wijzigingen op basis van deze richtlijn, alsmede voor het toezicht op deze posities aan het terzake gevoerde beleid van de kredietinstelling.

Artikel 110

1.   De grote posities worden door de kredietinstelling aan de bevoegde autoriteiten gemeld.

De lidstaten bepalen dat deze melding, naar hun keuze, plaatsvindt volgens een van de volgende twee formules:

a)

melding van alle grote posities ten minste eenmaal per jaar, gecombineerd met mededeling in de loop van het jaar van alle nieuwe grote posities en van een toeneming van bestaande grote posities met ten minste 20 % ten opzichte van de laatste mededeling; of

b)

melding van alle grote posities ten minste viermaal per jaar.

2.   Behalve bij kredietinstellingen die gebruikmaken van artikel 114 wat betreft de inaanmerkingneming van zekerheden bij de berekening van de waarde van de posities voor de toepassing van de leden 1, 2, en 3 van artikel 111, behoeft melding in de zin van lid 1 van dit artikel niet plaats te vinden voor posities die op grond van artikel 113, lid 3, onder a) tot d) en f) tot h), zijn vrijgesteld. Voor de posities die in artikel 113, lid 3, onder e) en i) in de artikelen 115 en 116 worden bedoeld, hoeft de in lid 1, onder b), van dit artikel bedoelde melding slechts tweemaal per jaar plaats te vinden.

Wanneer een kredietinstelling gebruikmaakt van dit lid, dient zij de gegevens omtrent de beweegredenen daarvoor gedurende een jaar na het tot ontheffing aanleiding gevende feit te bewaren, teneinde de bevoegde autoriteiten in staat te stellen de rechtmatigheid daarvan te verifiëren.

3.   De lidstaten mogen de eis opleggen dat kredietinstellingen hun posities jegens uitgevers van zekerheden analyseren op eventuele concentraties en zo nodig ingrijpen of bevindingen van betekenis doorgeven aan hun bevoegde instantie.

Artikel 111

1.   Een kredietinstelling mag ten opzichte van één cliënt of een groep van verbonden cliënten geen positie innemen met een totale waarde van meer dan 25 % van haar eigen vermogen.

2.   Indien de cliënt of groep van verbonden cliënten de moederonderneming of dochteronderneming van de kredietinstelling en/of een of meer van de dochterondernemingen van deze moederonderneming is, wordt het in lid 1 genoemde percentage verlaagd tot 20 %. De lidstaten behoeven deze grenswaarde van 20 % echter niet op de posities ten opzichte van deze cliënten toe te passen indien zij die posities via andere maatregelen of procedures aan bijzonder toezicht onderwerpen. Zij stellen de Commissie en het Europees Comité voor het bankwezen in kennis van de strekking van deze maatregelen of procedures.

3.   Een kredietinstelling mag geen grote posities innemen waarvan de totale waarde meer dan 800 % van haar eigen vermogen bedraagt.

4.   Een kredietinstelling moet met betrekking tot de door haar ingenomen posities doorlopend de in de leden 1, 2 en 3 bepaalde grenswaarden in acht nemen. Indien de ingenomen posities in een uitzonderlijk geval de genoemde grenswaarden toch overschrijden, moet dit onverwijld worden gemeld aan de bevoegde autoriteiten, die, indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen, de kredietinstelling een beperkte termijn kunnen toestaan om alsnog aan de grenswaarden te voldoen.

Artikel 112

1.   Voor de toepassing van de artikelen 113 tot en met 117 omvat het begrip „garantie” ook de in het kader van de artikelen 90 tot en met 93 in aanmerking genomen kredietderivaten, behalve credit linked notes.

2.   Als op grond van de artikelen 113 tot en met 117 al dan niet volgestorte kredietprotectie in aanmerking mag worden genomen, wordt behoudens lid 3 voldaan aan de voorwaarden van in aanmerkingneming en andere minimumeisen die in de artikelen 90 tot en met 93 ten aanzien van de berekening van risicogewogen posten op basis van de artikelen 78 tot en met 83 worden genoemd.

3.   Als een kredietinstelling gebruikmaakt van artikel 114, lid 2, wordt volgestorte kredietprotectie alleen in aanmerking genomen als voldaan is aan de desbetreffende voorschriften van de artikelen 84 tot en met 89.

Artikel 113

1.   De lidstaten mogen striktere grenswaarden vaststellen dan de in artikel 111 vermelde grenswaarden.

2.   De lidstaten mogen van de toepassing van artikel 111, leden 1, 2 en 3, geheel of gedeeltelijk vrijstellen de posities die door een kredietinstelling zijn ingenomen ten opzichte van haar moederonderneming, de andere dochterondernemingen van de moederonderneming en haar eigen dochterondernemingen, voorzover deze ondernemingen opgenomen zijn in het toezicht op geconsolideerde basis waaraan de kredietinstelling zelf onderworpen is, overeenkomstig de onderhavige richtlijn of overeenkomstig de in een derde land geldende gelijkwaardige normen.

3.   De lidstaten mogen de volgende posities geheel of gedeeltelijk vrijstellen van de toepassing van artikel 111:

a)

activa die vorderingen vertegenwoordigen op centrale overheden of centrale banken die als ze niet gegarandeerd waren, ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0 % zouden krijgen;

b)

activa die vorderingen vertegenwoordigen op internationale organisaties of multilaterale ontwikkelingsbanken die als ze niet gegarandeerd waren, ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0 % zouden krijgen;

c)

activa die vorderingen vertegenwoordigen welke uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door centrale overheden, centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of publiekrechtelijke lichamen; voorwaarde is wel dat niet gegarandeerde vorderingen op de entiteit die de garantie verstrekt, ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0 % zouden krijgen;

d)

andere vorderingen op of gegarandeerd door centrale overheden, centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of publiekrechtelijke lichamen; voorwaarde is wel dat niet-gegarandeerde vorderingen op de entiteit die de debiteur dan wel de garantiegever is, ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0 % zouden krijgen;

e)

niet onder a) bedoelde activa die vorderingen op en andere posities jegens centrale overheden of centrale banken vertegenwoordigen, luidende en in voorkomend geval gefinancierd in de nationale valuta van de leningnemer;

f)

activa en andere posities die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door zekerheden in de vorm van schuldtitels die door de centrale overheden of de centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of door de regionale of lagere overheden dan wel publiekrechtelijke lichamen van een lidstaat zijn uitgegeven en een vordering vertegenwoordigen op de uitgevende instellingen ervan, mits deze vordering ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0 % zou krijgen;

g)

activa en andere posities die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door zekerheden in de vorm van deposito's in contanten bij de leningverstrekkende kredietinstelling, of bij een kredietinstelling die de moederonderneming of een dochteronderneming van de leningverstrekkende instelling is;

h)

activa en andere posities die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door zekerheden in de vorm van depositocertificaten die zijn uitgegeven door de leningverstrekkende kredietinstelling of door een kredietinstelling die de moederonderneming of een dochteronderneming van de leningverstrekkende kredietinstelling is, en die bij een van deze zijn gedeponeerd;

i)

activa die vorderingen op en andere posities jegens instellingen vertegenwoordigen, met een looptijd van ten hoogste één jaar en die geen eigen vermogen van die instellingen vormen;

j)

activa die vorderingen op en andere posities jegens instellingen die geen kredietinstelling zijn, maar voldoen aan de voorwaarden van bijlage VI, deel 1, punt 85, met een looptijd van ten hoogste één jaar vertegenwoordigen welke gegarandeerd zijn overeenkomstig het voornoemd punt;

k)

wissels en promessen met een looptijd van ten hoogste één jaar die de handtekening van een andere kredietinstelling dragen;

l)

gedekte obligaties in de zin van bijlage VI, deel 1, punten 68 tot en met 70;

m)

tot aan een latere coördinatie, deelnemingen in verzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 122, lid 1 tot een maximum van 40 % van het eigen vermogen van de kredietinstelling die de deelneming houdt;

n)

activa die vorderingen vertegenwoordigen op regionale of centrale kredietinstellingen waarmede de leningverstrekkende kredietinstelling krachtens wettelijke of statutaire bepalingen in het kader van een netwerk is verbonden en die op grond van deze bepalingen belast zijn met de verevening van onderlinge geldposities binnen het netwerk;

o)

posities die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door zekerheden in de vorm van andere effecten dan die bedoeld onder f);

p)

leningen die, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten, zijn gegarandeerd door een hypotheek op woningen of door aandelen in Finse bedrijven voor de bouw van woningen, die werkzaam zijn volgens de Finse wet op de woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving, en transacties inzake financieringshuur (leasing) voor woningen krachtens welke de lessor de volledige eigendom van de verhuurde woning behoudt zolang de huurder (lessee) zijn koopoptie niet heeft uitgeoefend, in alle gevallen tot 50 % van de waarde van de betrokken woning;

q)

posities die ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 50 % zouden krijgen; voorwaarde is wel dat tot 50 % van de waarde van het desbetreffende onroerend goed in aanmerking wordt genomen en:

i)

de posities gegarandeerd zijn door een hypotheek op kantoren of andere panden voor handelsdoeleinden of door aandelen in Finse bedrijven voor de bouw van woningen, die werkzaam zijn volgens de Finse wet op de woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving die betrekking heeft op kantoren of andere panden voor handelsdoeleinden; en

ii)

de posities verband houden met transacties inzake onroerende financieringshuur (leasing) van kantoren of andere panden voor handelsdoeleinden.

Voor de toepassing van punt ii) mogen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten kredietinstellingen tot en met 31 december 2011 toestemming verlenen om 100 % van de waarde van het desbetreffende onroerend goed in aanmerking te nemen. Na afloop van deze termijn wordt deze afwijking aan een evaluatie onderworpen. De lidstaten delen de Commissie mede of zij van deze mogelijkheid gebruikmaken.

r)

50 % van de posten buiten balanstelling met middelgroot/laag risico, bedoeld in bijlage II;

s)

mits de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen, garanties die geen garanties op verstrekte kredieten zijn, die een wettelijke of reglementaire basis hebben en die verstrekt worden aan aangesloten cliënten door onderlinge borgtochtmaatschappijen met de status van kredietinstelling onder voorbehoud dat een gewicht van 20 % op het bedrag daarvan wordt toegepast; en

t)

posten buiten de balanstelling met een laag risico, bedoeld in bijlage II, voorzover met de cliënt of groep van verbonden cliënten een overeenkomst is gesloten op grond waarvan de positie alleen mag worden ingenomen indien vastgesteld is dat de volgens artikel 111, leden 1 tot en met 3, geldende grenswaarden niet worden overschreden.

Punt g) omvat ook contanten die ontvangen worden in het kader van een door de kredietinstelling uitgegeven credit linked note, alsmede leningen en deposito's van een tegenpartij aan, respectievelijk bij de kredietinstelling die onder een ingevolge de artikelen 90 tot en met 93 erkende overeenkomst tot verrekening van balansposten vallen.

Voor de toepassing van punt o) moeten de als zekerheid gegeven effecten tegen marktprijs worden gewaardeerd en een overwaarde ten opzichte van de gegarandeerde posities bezitten en moeten ze op een effectenbeurs genoteerd zijn, dan wel daadwerkelijk verhandelbaar en regelmatig genoteerd zijn op een markt die via erkende professionele marktdeelnemers functioneert, en die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de kredietinstelling de mogelijkheid garandeert om een objectieve koers te bepalen aan de hand waarvan te allen tijde de overwaarde van deze effecten kan worden geverifieerd. De vereiste overwaarde bedraagt 100 %. Zij bedraagt evenwel 150 % in het geval van aandelen en 50 % in het geval van obligaties die zijn uitgegeven door instellingen, regionale of lagere overheden van de lidstaten andere dan die bedoeld onder f), en in het geval van obligaties die zijn uitgegeven door multilaterale ontwikkelingsbanken andere dan die welke krachtens artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0 % krijgen. Als er sprake is van een verschil tussen de looptijd van de positie en de looptijd van de kredietprotectie, wordt de zekerheid niet in aanmerking genomen. De als zekerheid gegeven effecten mogen niet tot het eigen vermogen van kredietinstellingen worden gerekend.

Voor de toepassing van punt p) wordt de waarde van het goed ten genoegen van de bevoegde autoriteiten berekend op basis van strikte, in wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vastgelegde waarderingsnormen. De waardering vindt ten minste éénmaal per jaar plaats. Voor de toepassing van punt p) wordt onder woning verstaan: de woning die bewoond of verhuurd wordt/zal worden door de leningnemer.

De lidstaten delen de Commissie mede of zij in het kader van punt s) een afwijking hebben toegestaan, dit om te voorkomen dat zich concurrentieverstoringen voordoen.

Artikel 114

1.   Behoudens lid 3 mogen de lidstaten besluiten geen volledige of gedeeltelijke afwijking te verlenen die in het kader van artikel 113, lid 3, onder f), g), h) en o) is toegestaan, en mogen ze in plaats daarvan een kredietinstelling die voor de toepassing van artikel 111, leden 1 tot en met 3, de waarde van posities berekent en daarvoor de uitgebreide benadering van financiële zekerheden op basis van de artikelen 90 tot en met 93 hanteert, toestaan een lagere waarde dan de waarde van de posities te hanteren, mits deze niet lager uitvalt dan de totale volledig aangepaste waarde van haar posities jegens de cliënt of groep van verbonden cliënten.

In dit verband houdt „volledig aangepaste waarde van de positie” in dat de waarde is berekend op basis van artikel 90 tot en met 93 en dat daarbij rekening is gehouden met kredietrisicolimitering, volatiliteitsaanpassingen en eventuele looptijdverschillen (E*).

Als dit lid wordt toegepast op een bepaalde kredietinstelling, is artikel 113, lid 3, onder f), g), h) en o), niet van toepassing op deze kredietinstelling.

2.   Behoudens lid 3 kan een kredietinstelling die voor een categorie vorderingen gebruik mag maken van eigen LGD-ramingen en omrekeningsfactoren op basis van de artikelen 84 tot en met 89 en die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten het effect van financiële zekerheden op haar posities kan inschatten, los van andere LGD-relevante aspecten, toestemming worden verleend om deze effecten in aanmerking te nemen bij de berekening van de waarde van posities voor de toepassing van artikel 111, leden 1 tot 3.

Ten genoegen van de bevoegde autoriteiten wordt aangetoond dat de ramingen van de kredietinstelling geschikt zijn om de waarde van de posities voor de toepassing van artikel 111 te verlagen.

Als een kredietinstelling haar eigen ramingen van de effecten van financiële zekerheden mag gebruiken, dan dient zij dat te doen op een grondslag die aansluit op de benadering die is toegepast bij de berekening van de kapitaaleisen.

Een kredietinstelling die voor een categorie vorderingen haar eigen LGD-ramingen en omrekeningsfactoren op basis van de artikelen 84 tot en met 89 mag gebruiken en voor de berekening van de waarde van haar posities niet gebruikmaakt van de in de eerste alinea genoemde methode, mag deze waarde berekenen aan de hand van de benadering van lid 1, dan wel de vrijstelling van artikel 113, lid 3, onder o). Zij past evenwel slechts een van beide methoden toe.

3.   Een kredietinstelling die voor de berekening van de waarde van posities voor de toepassing van artikel 111, leden 1 tot en met 3, de in de leden 1 en 2 genoemde methoden mag toepassen, voert op gezette tijden een stresstest op hun kredietconcentraties uit die ook de realiseerbare waarde van de zekerheden omvat.

In zo'n test wordt gekeken naar de risico's die ontstaan als zich eventueel veranderingen in de marktsituatie voordoen die een ongunstige invloed uitoefenen op de toereikendheid van het eigen vermogen van de kredietinstelling, en naar de risico's die ontstaan als zekerheden in crisissituaties worden gerealiseerd.

De kredietinstelling toont ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aan dat zij in staat is om dergelijke risico's met haar stresstests te beoordelen.

Mocht uit een dergelijke test blijken dat de realiseerbare waarde van een zekerheid lager is dan die waarvan op grond van de leden 1 of 2 eigenlijk uit mag worden gegaan, wordt de waarde van de zekerheid die bij de berekening van de waarde van de posities voor de toepassing van artikel 111, leden 1 tot en met 3, in aanmerking mag worden genomen, dienovereenkomstig verlaagd.

De strategieën van deze kredietinstellingen om het concentratierisico te verminderen, omvatten ook:

a)

gedragslijnen en procedures om de risico's tegen te gaan die ontstaan als er sprake is van een mismatch tussen de looptijd van enerzijds de posities en anderzijds de kredietprotectie in verband met deze posities;

b)

gedragslijnen en procedures voor het geval dat bij een stresstest blijkt dat de realiseerbare waarde van een zekerheid lager is dan die waarvan op grond van de leden 1 en 2 mocht worden uitgegaan; en

c)

gedragslijnen en procedures inzake het concentratierisico dat ontstaat door kredietrisicolimitering, met name bij grote indirecte kredietrisico's (waarvan bijvoorbeeld sprake is als de effecten die als zekerheid worden aanvaard, slechts één organisatie als uitgevende instelling hebben).

4.   Als het effect van zekerheden ingevolge de leden 1 of 2 in aanmerking wordt genomen, mogen de lidstaten elk deel van de positie dat is gedekt, behandelen als zijnde ingenomen jegens de uitgevende instelling van de zekerheid en niet jegens de cliënt.

Artikel 115

1.   De lidstaten mogen voor de toepassing van artikel 111, leden 1 tot en met 3 een weging van 20 % toekennen op de activa die vorderingen vertegenwoordigen op regionale en lagere overheden van de lidstaten als deze vorderingen ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 20 % zouden krijgen, alsmede op andere vorderingen op of gegarandeerd door deze overheden als deze vorderingen ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 20 % zouden krijgen. De lidstaten mogen deze factor tot 0 % verlagen voor activa die vorderingen vertegenwoordigen op regionale en lagere overheden als deze vorderingen ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0 % zouden krijgen, alsmede voor andere vorderingen op of gegarandeerd door deze overheden als deze vorderingen ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0 % zouden krijgen.

2.   De lidstaten mogen voor de toepassing van artikel 111, leden 1 tot en met 3, een weging van 20 % toekennenop de activa die vorderingen op alsmede andere posities jegens instellingen vertegenwoordigen, met een looptijd van meer dan één tot ten hoogste drie jaar, en een weging van 50 % op de activa die vorderingen op instellingen vertegenwoordigen met een looptijd van meer dan drie jaar, mits deze vorderingen bestaan uit schuldbewijzen die zijn uitgegeven door een kredietinstelling en mits deze schuldbewijzen naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten effectief op een markt voor professionele marktdeelnemers verhandelbaar zijn en op deze markt dagelijks worden genoteerd of waarvan de uitgifte door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de uitgevende instelling is goedgekeurd. In alle gevallen mogen deze posten niet behoren tot het eigen vermogen.

Artikel 116

In afwijking van artikel 113, lid 3, onder i), en artikel 115, lid 2, mogen de lidstaten een weging van 20 % toepassen op de activa die vorderingen en andere posities jegens instellingen vertegenwoordigen, ongeacht de looptijd.

Artikel 117

1.   Wanneer een positie jegens een cliënt is gegarandeerd door een derde partij, dan wel door een zekerheid in de vorm van effecten die onder de in artikel 113, lid 3, onder o), beschreven voorwaarden zijn uitgegeven door een derde partij, mogen de lidstaten:

a)

de positie beschouwen als een positie jegens de garantiegever en niet jegens de cliënt; of

b)

de positie beschouwen als een positie jegens de derde partij en niet jegens de cliënt, indien het in artikel 113, lid 3, onder o), beschreven risico is gegarandeerd door een zekerheid onder de daarin genoemde voorwaarden.

2.   Als de lidstaten lid 1, onder a), toepassen, dan geldt het volgende:

a)

Als de garantie luidt in een andere valuta luidt dan de positie wordt de waarde van de positie die als gedekt geldt, berekend aan de hand van de in bijlage VIII vervatte voorschriften voor de behandeling van valutamismatches bij niet-volgestorte kredietprotectie;

b)

bij een verschil tussen de looptijd van de positie en de looptijd van de kredietprotectie worden de in bijlage VIII vervatte voorschriften voor de behandeling van looptijdverschillen gevolgd; en

c)

een gedeeltelijke dekking mag in aanmerking worden genomen, maar alleen als het bepaalde in bijlage VIII in acht wordt genomen.

Artikel 118

Als een kredietinstelling ingevolge artikel 69, lid 1, op niet geconsolideerde of gesubconsolideerde basis mag afwijken van het bepaalde in deze afdeling of als artikel 70 op een moederkredietinstelling wordt toegepast, moeten er maatregelen worden genomen om te zorgen voor een bevredigende spreiding van de risico's binnen de groep.

Artikel 119

Uiterlijk 31 december 2007 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de wijze waarop de voorschriften van deze afdeling in de praktijk werken. Het verslag gaat zo nodig vergezeld van passende voorstellen.

Afdeling 6

Gekwalificeerde deelnemingen buiten het financiële gebied

Artikel 120

1.   Een kredietinstelling mag geen gekwalificeerde deelneming hebben waarvan het bedrag meer dan 15 % van haar eigen vermogen bedraagt in een onderneming die geen kredietinstelling, financiële instelling of onderneming is met werkzaamheden die rechtstreeks in het verlengde van het bankbedrijf liggen of bestaan uit nevendiensten van het bankbedrijf, zoals leasing, factoring, beheer van beleggingsfondsen, beheer van diensten op het gebied van de gegevensverwerking, of andere, soortgelijke werkzaamheden.

2.   Het totale bedrag van de gekwalificeerde deelnemingen in andere ondernemingen dan kredietinstellingen, financiële instellingen of ondernemingen met werkzaamheden die rechtstreeks in het verlengde van het bankbedrijf liggen of bestaan uit nevendiensten van het bankbedrijf, zoals leasing, factoring, beheer van beleggingsfondsen, beheer van diensten op het gebied van de gegevensverwerking, of andere, soortgelijke werkzaamheden, mag niet meer bedragen dan 60 % van het eigen vermogen van de kredietinstelling.

3.   De in de leden 1 en 2 vastgestelde limieten mogen alleen in uitzonderlijke omstandigheden worden overschreden. In dat geval eisen de bevoegde autoriteiten echter dat de kredietinstelling haar eigen vermogen verhoogt of andere maatregelen van gelijke werking treft.

Artikel 121

Aandelen die wegens een financiële bijstandsoperatie ter sanering of redding van een onderneming, of wegens de overneming van een effectenemissie voor de normale duur van die overneming, of in eigen naam maar voor rekening van derden, tijdelijk worden gehouden, worden voor de berekening van de in artikel 120, leden 1 en 2 vastgestelde limieten niet meegeteld in de gekwalificeerde deelnemingen. Aandelen die niet het karakter van financiële vaste activa in de zin van artikel 35, lid 2, van Richtlijn 86/635/EEG hebben, worden niet meegeteld.

Artikel 122

1.   De lidstaten hebben de mogelijkheid de in artikel 120, leden 1 en 2 vastgestelde limieten niet toe te passen op deelnemingen in verzekeringsondernemingen in de zin van Richtlijnen 73/239/EEG en 2002/83/EG of in herverzekeringsondernemingen in de zin van Richtlijn 98/78/EG.

2.   De lidstaten kunnen bepalen dat de bevoegde autoriteiten de in artikel 120, leden 1 en 2, vastgestelde limieten niet toepassen indien zij voorschrijven dat het gedeelte van de gekwalificeerde deelneming dat deze limieten te boven gaat, voor 100 % door eigen vermogen moet zijn gedekt en dat dit gedeelte niet in aanmerking wordt genomen voor de berekening die vereist is krachtens artikel 75. In geval van overschrijding van zowel de in lid 1 als de in lid 2 van artikel 120 gestelde limiet, dient het grootste van de overschrijdende gedeelten door eigen vermogen te worden gedekt.

HOOFDSTUK 3

Beoordelingsproces van de kredietinstelling

Artikel 123

De kredietinstellingen beschikken over solide, doeltreffende en alomvattende strategieën en procedures aan de hand waarvan zij doorlopend kunnen nagaan of en ervoor kunnen zorgen dat de hoogte, samenstelling en verdeling van het interne kapitaal nog aansluiten op de omvang en de aard van hun huidige en mogelijke toekomstige risico's.

Deze strategieën en procedures worden op gezette tijden intern tegen het licht gehouden; daarbij wordt ervoor gezorgd dat eventuele hiaten worden aangevuld en dat ze in verhouding blijven staan tot de aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden van de desbetreffende kredietinstelling.

HOOFDSTUK 4

Toezicht van en verstrekking van informatie door de bevoegde autoriteiten

Afdeling 1

Toezicht

Artikel 124

1.   Aan de hand van de technische criteria van bijlage XI onderwerpen de bevoegde autoriteiten de regelingen, strategieën, procedures en mechanismen die de kredietinstellingen met het oog op deze richtlijn hebben ingevoerd, alsmede hun huidige en mogelijke toekomstige risico's aan een evaluatie.

2.   De reikwijdte van de in lid 1 bedoelde evaluatie is in overeenstemming met de voorschriften van de onderhavige richtlijn.

3.   Op basis van de in lid 1 bedoelde evaluatie bepalen de bevoegde autoriteiten of de door de kredietinstellingen ingevoerde regelingen, strategieën, procedures en mechanismen en het eigen vermogen dat door deze instellingen wordt aangehouden, een degelijk beheer en een solide dekking van hun risico's waarborgen.

4.   De bevoegde autoriteiten stellen de frequentie en de omvang van de in lid 1 bedoelde evaluatie vast en houden daarbij rekening met de omvang , het belang van de werkzaamheden van de desbetreffende kredietinstelling voor het financiële stelsel en met de aard, schaal en complexiteit ervan alsmede met het evenredigheidsbeginsel. De evaluatie wordt minimaal eenmaal per jaar bijgewerkt.

5.   De evaluatie van de bevoegde autoriteiten omvat ook het renterisico dat een kredietinstelling bij activiteiten buiten handelsportefeuille loopt. Indien de economische waarde van een kredietinstelling met meer dan twintig procent van het eigen vermogen afneemt door een plotselinge en onverwachte verandering in de rentetarieven moeten maatregelen worden getroffen. De omvang van de verandering in de rentetarieven zal worden voorgeschreven door de bevoegde autoriteiten en mag niet van kredietinstelling tot kredietinstelling verschillen.

Artikel 125

1.   Indien de moederonderneming een moederkredietinstelling in een lidstaat of een EU-moederkredietinstelling is, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteiten die aan deze kredietinstelling de in artikel 6 bedoelde vergunning hebben verleend.

2.   Indien de moederonderneming van een kredietinstelling een financiële moederholding in een lidstaat of een financiële EU-moederholding is, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteiten die aan deze kredietinstelling de in artikel 6 bedoelde vergunning hebben verleend.

Artikel 126

1.   Indien kredietinstellingen waaraan in meer dan één lidstaat vergunning is verleend, dezelfde financiële moederholding in een lidstaat of dezelfde financiële EU-moederholding als moederonderneming hebben, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de autoriteiten die bevoegd zijn voor de kredietinstelling waaraan vergunning is verleend in de lidstaat waar de financiële holding is opgericht.

Indien moederondernemingen van kredietinstellingen waaraan in meer dan één lidstaat vergunning is verleend meer dan één financiële holding met hoofdkantoor in diverse lidstaten hebben en zich in elk van deze lidstaten een kredietinstelling bevindt, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de voor de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal bevoegde autoriteit.

2.   Indien meer dan één kredietinstelling waaraan in de Gemeenschap vergunning is verleend, dezelfde financiële holding als moederonderneming hebben en aan geen van deze kredietinstellingen in de lidstaat waar de financiële holding is opgericht, vergunning is verleend, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteit die de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal vergunning heeft verleend; voor de toepassing van deze richtlijn wordt deze kredietinstelling als de instelling beschouwd die onder de zeggenschap staat van een financiële EU-moederholding.

3.   In bijzondere gevallen mogen de bevoegde autoriteiten onderling overeenkomen af te wijken van de criteria in de leden 1 en 2, en wel als de toepassing ervan, gelet op het relatieve belang van de werkzaamheden van de kredietinstellingen in de verschillende lidstaten, ongepast zou zijn; ze mogen dan een andere bevoegde autoriteit aanwijzen die op geconsolideerde basis toezicht zal houden. In die gevallen bieden de bevoegde autoriteiten, alvorens een besluit te nemen, de EU-moederkredietinstelling, de financiële EU-moederholding dan wel de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal de gelegenheid haar mening ten aanzien van dit besluit kenbaar te maken.

4.   Als de bevoegde autoriteiten in het kader van lid 3 onderling afspraken hebben gemaakt, brengen zij de Commissie daarvan op de hoogte.

Artikel 127

1.   De lidstaten stellen in voorkomend geval de maatregelen vast die nodig zouden blijken om financiële holdings in het geconsolideerde toezicht te kunnen betrekken. Onverminderd artikel 135 houdt de consolidatie van de financiële positie van de financiële holding voor de bevoegde autoriteiten geenszins de verplichting in de financiële holding te onderwerpen aan toezicht op individuele basis.

2.   Indien de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een dochterkredietinstelling niet in het toezicht op geconsolideerde basis betrekken op grond van een van de in artikel 73, lid 1, onder b) en c), bedoelde gevallen, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar deze dochterkredietinstelling gelegen is, van de moederonderneming inlichtingen verlangen om de uitoefening van het toezicht op deze kredietinstelling te vergemakkelijken.

3.   De lidstaten bepalen dat hun met het toezicht op geconsolideerde basis belaste bevoegde autoriteiten van de dochteronderneming van een kredietinstelling of een financiële holding die niet onder het toezicht op geconsolideerde basis vallen, de in artikel 137 bedoelde inlichtingen mogen verlangen. In dat geval zijn de in dat artikel bedoelde procedures voor toezending en verificatie van de inlichtingen van toepassing.

Artikel 128

Indien er in de lidstaten meer dan één bevoegde autoriteit is voor het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en financiële instellingen, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om de onderlinge coördinatie te organiseren.

Artikel 129

1.   De bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis op EU-moederkredietinstellingen en kredietinstellingen die onder de zeggenschap staan van een financiële EU-moederholding, neemt, naast de verplichtingen die krachtens de bepalingen van deze richtlijn op haar rusten, de volgende taken op zich:

a)

ze coördineert de vergaring en verspreiding van informatie die relevant of essentieel is in normale omstandigheden en in noodsituaties; en

b)

ze plant en coördineert toezichtactiviteiten in normale omstandigheden en in noodsituaties. Daaronder vallen ook de in artikel 124 genoemde activiteiten, waarbij wordt samengewerkt met de andere bevoegde autoriteiten.

2.   Als een EU-moederkredietinstelling met haar dochterondernemingen of de gezamenlijke dochterondernemingen van een financiële EU-moederholding een aanvraag indienen voor de in artikel 84, lid 1, artikel 87, lid 9, artikel 105, of in bijlage III, deel 6, bedoelde vergunning, beslissen de bevoegde autoriteiten in onderling overleg of de aanvraag wordt ingewilligd en welke voorwaarden eventueel aan zo'n vergunning moeten worden verbonden.

Een aanvraag als bedoeld in de eerste alinea, wordt alleen ingediend bij de in lid 1 genoemde bevoegde autoriteit.

De bevoegde autoriteiten stellen alles in het werk om binnen zes maanden een gezamenlijk besluit over de aanvraag te nemen. De in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteit doet dit gezamenlijk besluit schriftelijk, met volledige opgaaf van redenen, aan de aanvrager toekomen.

De in de derde alinea bedoelde termijn vangt aan op de datum waarop de volledige aanvraag door de in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteit is ontvangen. De in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteit zendt de volledige aanvraag onverwijld toe aan de andere bevoegde autoriteiten.

Als er binnen zes maanden geen gezamenlijk besluit is, bepaalt de in lid 1 genoemde autoriteit op eigen gezag of de aanvraag wordt ingewilligd. Het besluit wordt op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen en met inaanmerkingneming van de gedurende de zes maanden door de andere bevoegde autoriteiten geuite standpunten en voorbehouden. De in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteit doet het besluit aan de aanvrager en aan de andere bevoegde autoriteiten toekomen.

De in de derde en vijfde alinea bedoelde besluiten worden door de bevoegde autoriteiten in de betrokken lidstaten als definitief erkend en toegepast.

Artikel 130

1.   Als zich in een bankgroep een noodsituatie voordoet die de stabiliteit van het financiële stelsel in een van lidstaten waar aan entiteiten van de groep vergunning is verleend, kan ondermijnen, waarschuwt de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis, de in artikel 49, onder a), en artikel 50 genoemde autoriteiten zo snel mogelijk, maar daarbij nemen ze wel de voorschriften van titel V, hoofdstuk 1, afdeling 2, in acht. Dit geldt voor alle bevoegde autoriteiten die in de artikelen 125 en 126 voor een bepaalde groep worden genoemd, alsmede voor de bevoegde autoriteit die in lid 1 van artikel 129 wordt genoemd. Indien mogelijk gebruikt de bevoegde autoriteit de bestaande gedefinieerde communicatiekanalen.

2.   De bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis, treedt als zij informatie nodig heeft die al aan een andere bevoegde autoriteit is verstrekt, zo mogelijk met deze autoriteit in contact zodat de andere toezichthoudende autoriteiten niet tweemaal worden geïnformeerd.

Artikel 131

Om het toezicht doeltreffend en gemakkelijker uit te kunnen oefenen, kan de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis en kunnen de andere bevoegde autoriteiten beschikken over documenten waarin de coördinatie- en samenwerkingsafspraken schriftelijk zijn vastgelegd.

Daarin kan zijn geregeld dat de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis extra taken krijgt, en kunnen de procedures voor de besluitvorming en voor de samenwerking met andere bevoegde autoriteiten zijn vastgelegd.

De bevoegde autoriteiten die vergunning hebben verleend aan de dochteronderneming van een moederonderneming die een kredietinstelling is, mogen bij overeenkomst hun toezichthoudende verantwoordelijkheden overdragen aan de bevoegde autoriteiten die vergunning hebben verleend aan en toezicht uitoefenen op de moederonderneming, opdat deze autoriteiten het toezicht op de dochteronderneming op zich nemen overeenkomstig deze richtlijn. De Commissie wordt over het afsluiten en de strekking van dergelijke overeenkomsten ingelicht. Zij licht de bevoegde autoriteiten van de overige lidstaten en het Europees Comité voor het bankwezen hierover in.

Artikel 132

1.   De bevoegde autoriteiten werken nauw samen. Zij verstrekken elkaar informatie die van essentieel belang of relevant is voor de uitoefening van de toezichthoudende taken waarmee zij in het kader van de onderhavige richtlijn zijn belast. Daartoe geven zij op verzoek alle relevante informatie en komen ze zelf met alle essentiële informatie.

De in de eerste alinea bedoelde informatie wordt als essentieel beschouwd als die de beoordeling van de financiële soliditeit van een kredietinstelling of een financiële instelling in een andere lidstaat in wezenlijke mate zou kunnen beïnvloeden.

Met name verstrekken de bevoegde autoriteiten die belast zijn met het geconsolideerde toezicht op EU-moederkredietinstellingen en kredietinstellingen die onder de zeggenschap staan van een financiële EU-moederholding, aan de bevoegde autoriteiten in andere lidstaten die toezicht houden op dochterondernemingen van deze moederondernemingen alle toepasselijke informatie. Wel wordt als het gaat om de hoeveelheid toe te zenden informatie rekening gehouden met het belang van deze dochterondernemingen in het financiële stelsel.

De in de eerste alinea genoemde essentiële informatie omvat met name gegevens over:

a)

de structuur van de groep, alle belangrijke kredietinstellingen van een groep, alsmede de voor de kredietinstellingen van de groep bevoegde autoriteiten;

b)

procedures voor de verzameling van informatie bij de kredietinstellingen van een groep, alsmede de toetsing van deze informatie;

c)

ongunstige ontwikkelingen bij kredietinstellingen of andere entiteiten van een groep die ernstige nadelige gevolgen voor de kredietinstellingen zouden kunnen hebben; en

d)

belangrijke sancties en buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten in overeenstemming met deze richtlijn hebben getroffen; zo kan in het kader van artikel 136 een extra kapitaalvereiste zijn opgelegd of kunnen restricties zijn opgelegd aan de toepassing van de geavanceerde meetbenadering voor de berekening van de kapitaalvereisten op basis van artikel 105.

2.   De bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op kredietinstellingen die onder de zeggenschap staan van een EU-moederkredietinstelling, treden wanneer dit enigszins mogelijk is in contact met de in artikel 129, lid 1, genoemde bevoegde autoriteit als zij informatie nodig hebben over de invoering van benaderingen en methodieken zoals beschreven in de onderhavige richtlijn, en deze bevoegde autoriteit eventueel al beschikt over de desbetreffende informatie.

3.   Voordat ze een besluit nemen dat van belang is voor de toezichthoudende taken van andere bevoegde autoriteiten, raadplegen de desbetreffende bevoegde autoriteiten elkaar over:

a)

veranderingen in het aandeelhouderschap, de organisatie of de bestuursstructuur van kredietinstellingen in een groep die goedkeuring of machtiging door de bevoegde autoriteiten vereisen; en

b)

belangrijke sancties of buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten hebben getroffen; zo kan in het kader van artikel 136 een extra kapitaalvereiste zijn opgelegd of kunnen restricties zijn opgelegd aan de toepassing van de geavanceerde meetbenadering voor de berekening van de kapitaalvereisten op basis van artikel 105.

Voor de toepassing van punt b) wordt in ieder geval het advies ingewonnen van de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis.

Een bevoegde autoriteit mag evenwel besluiten om geen advies in te winnen, maar alleen als er sprake is van een noodsituatie of als de besluiten daardoor hun doel kunnen missen. In dat geval brengt de bevoegde autoriteiten de andere bevoegde autoriteiten daarvan onverwijld op de hoogte.

Artikel 133

1.   De met het toezicht op geconsolideerde basis belaste bevoegde autoriteiten verlangen met het oog op het toezicht de volledige consolidatie van kredietinstellingen en financiële instellingen die dochterondernemingen van de moederonderneming zijn.

De bevoegde autoriteiten mogen evenwel slechts een proportionele consolidatie verlangen in geval de aansprakelijkheid van de moederonderneming die een deel van het kapitaal houdt, naar hun oordeel beperkt is tot dat deel van het kapitaal, op grond van de aansprakelijkheid van de overige aandeelhouders of vennoten en van de toereikende solvabiliteit van deze laatsten. De aansprakelijkheid van de overige aandeelhouders en vennoten moet duidelijk worden aangetoond, zo nodig aan de hand van uitdrukkelijk aangegane verbintenissen.

Indien ondernemingen verbonden zijn door een betrekking in de zin van artikel 12, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG, bepalen de bevoegde autoriteiten hoe de consolidatie moet worden uitgevoerd.

2.   De met het toezicht op geconsolideerde basis belaste bevoegde autoriteiten verlangen de proportionele consolidatie van de deelnemingen in kredietinstellingen of financiële instellingen welke gezamenlijk door een bij de consolidatie betrokken onderneming en een of meer daarin niet opgenomen ondernemingen worden geleid, wanneer daaruit een beperking van de aansprakelijkheid van deze ondernemingen voortvloeit die afhangt van het door hen gehouden aandeel van het kapitaal.

3.   In het geval van deelnemingen of van andere vormen van kapitaalbinding dan bedoeld in de leden 1 en 2, bepalen de bevoegde autoriteiten of en in welke vorm consolidatie moet plaatsvinden. Zij kunnen met name de toepassing van de vermogensmutatiemethode toestaan of voorschrijven. Deze methode houdt evenwel niet in dat de betrokken ondernemingen in het toezicht op geconsolideerde basis worden opgenomen.

Artikel 134

1.   Onverminderd artikel 133 bepalen de bevoegde autoriteiten in de volgende gevallen of en in welke vorm consolidatie moet plaatsvinden:

a)

een kredietinstelling oefent naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten een invloed van betekenis uit op een of meer kredietinstellingen of financiële instellingen, zonder daarin evenwel een deelneming te houden of daarmee andere vormen van kapitaalbinding te hebben; en

b)

twee of meer kredietinstellingen of financiële instellingen staan onder centrale leiding zonder dat dit in een overeenkomst of statutaire bepalingen vastgelegd hoeft te zijn.

De bevoegde autoriteiten mogen in het bijzonder het gebruik van de in artikel 12 van Richtlijn 83/349/EEG bedoelde methode toestaan of voorschrijven. Deze methode houdt evenwel niet in dat de betrokken ondernemingen in het toezicht op geconsolideerde basis worden opgenomen.

2.   Wanneer het toezicht op geconsolideerde basis op grond van de artikelen 125 en 126 is voorgeschreven, worden de ondernemingen die nevendiensten verrichten, alsmede vermogensbeheerders in de zin van Richtlijn 2002/87/EG in de consolidatie betrokken in de gevallen en volgens de methoden die in artikel 133 en lid 1 van het onderhavige artikel zijn omschreven.

Artikel 135

De lidstaten eisen dat personen die het bedrijf van een financiële holding feitelijk leiden, voldoende betrouwbaarheid en voldoende ervaring bezitten om deze functies uit te oefenen.

Artikel 136

1.   De bevoegde autoriteiten eisen van een kredietinstelling die niet aan deze richtlijn voldoet, dat deze vroegtijdig de noodzakelijke maatregelen neemt om iets aan deze situatie te doen.

Daartoe kunnen de bevoegde autoriteiten onder meer:

a)

kredietinstellingen verplichten een groter eigen vermogen aan te houden dan dat welk ingevolge artikel 75 minimaal vereist is;

b)

verlangen dat de met het oog op de artikelen 22 en 123 ingevoerde regelingen, procedures, mechanismen en strategieën worden aangescherpt;

c)

kredietinstellingen verplichten in verband met de kapitaalvereisten een specifiek voorzieningenbeleid te voeren of de activa op een specifieke wijze te behandelen;

d)

restricties opleggen aan de bedrijfsactiviteiten en transacties van of netwerkrelaties tussen kredietinstellingen; en

e)

verlangen dat het aan de werkzaamheden, producten en systemen van kredietinstellingen verbonden risico wordt beperkt.

Bij de vaststelling van maatregelen worden wel de voorschriften van hoofdstuk 1, afdeling 2 in acht genomen.

2.   De bevoegde autoriteiten leggen in ieder geval kredietinstellingen die niet voldoen aan de vereisten van de artikelen 22, 109 en 123 of ten aanzien waarvan een negatieve beslissing is genomen betreffende de kwestie beschreven in artikel 124, lid 3, strengere kapitaalvereisten op dan die welke zijn vastgelegd in artikel 75, als andere maatregelen, naar alle waarschijnlijkheid op zich niet zullen volstaan om binnen een redelijk tijdsbestek een verbetering van deze regelingen, procedures, mechanismen en strategieën te bewerkstelligen.

Artikel 137

1.   Tot een latere coördinatie van de consolidatiemethoden bepalen de lidstaten dat, indien de moederonderneming van één of meer kredietinstellingen een gemengde holding is, de voor vergunning aan en toezicht op deze kredietinstellingen verantwoordelijke bevoegde autoriteiten van de gemengde holding en de dochterondernemingen daarvan, hetzij rechtstreeks, hetzij door toedoen van de dochterkredietinstellingen, de mededeling verlangen van alle dienstige inlichtingen en gegevens voor de uitoefening van het toezicht op de dochterkredietinstellingen.

2.   De lidstaten bepalen dat hun bevoegde autoriteiten de van de gemengde holdings en dochterondernemingen daarvan ontvangen inlichtingen ter plaatse kunnen verifiëren, of door externe controleurs kunnen doen verifiëren. Indien de gemengde holding of een van de dochterondernemingen daarvan een verzekeringsonderneming is, kan ook de procedure van artikel 140, lid 1, worden gevolgd. Indien de gemengde holding of een van de dochterondernemingen daarvan in een andere lidstaat is gelegen dan die waar de dochterkredietinstelling is gelegen, geschiedt de verificatie ter plaatse volgens de procedure van artikel 141.

Artikel 138

1.   Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 2, afdeling 5, van deze richtlijn bepalen de lidstaten dat, indien de moederonderneming van één of meer kredietinstellingen een gemengde holding is, de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op deze kredietinstellingen algemeen toezicht uitoefenen op de transacties tussen de kredietinstellingen en de gemengde holding en haar dochterondernemingen.

2.   De bevoegde autoriteiten verlangen dat de kredietinstellingen beschikken over adequate risicobeheer- en internecontroleprocedures, met inbegrip van gedegen rapportage- en jaarrekeningsystemen, met het oog op een juiste herkenning, meting, bewaking en controle van de transacties met de gemengde moederholding en haar dochterondernemingen. De bevoegde autoriteiten verlangen tevens dat de kredietinstellingen alle andere significante transacties met deze entiteiten rapporteren, naast de transacties bedoeld in artikel 110. Deze procedures en significante transacties worden gecontroleerd door de bevoegde autoriteiten.

Indien de bovengenoemde intragroeptransacties een bedreiging voor de financiële positie van een kredietinstelling vormen, neemt de voor het toezicht op de instelling bevoegde autoriteit passende maatregelen.

Artikel 139

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat geen juridische belemmeringen de onder het toezicht op geconsolideerde basis vallende ondernemingen, of gemengde holdings en dochterondernemingen daarvan, of de in artikel 127, lid 3, bedoelde dochterondernemingen verhinderen om onderling de inlichtingen uit te wisselen die voor de uitoefening van het toezicht overeenkomstig de artikelen 124 tot en met 138 en het onderhavige artikel dienstig zijn.

2.   Indien de moederonderneming en de één of meer kredietinstellingen die dochterondernemingen daarvan zijn, in verschillende lidstaten zijn gelegen, verstrekken de bevoegde autoriteiten van iedere lidstaat elkaar alle dienstige inlichtingen die voor het toezicht op geconsolideerde basis nodig zijn of die dat toezicht kunnen vergemakkelijken.

Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de moederonderneming is gelegen, niet zelf op grond van de artikelen 125 en 126 het toezicht op geconsolideerde basis uitoefenen, mag hun door de met dit toezicht belaste bevoegde autoriteiten worden gevraagd om van de moederonderneming de inlichtingen te verlangen die voor het toezicht op geconsolideerde basis dienstig zijn, en om die inlichtingen aan deze autoriteiten door te geven.

3.   De lidstaten staan toe dat hun bevoegde autoriteiten de in lid 2 bedoelde inlichtingen uitwisselen, met dien verstande dat, met betrekking tot financiële holdings, financiële instellingen of ondernemingen die nevendiensten verrichten, het inwinnen of bezitten van inlichtingen geenszins betekent dat de bevoegde autoriteiten op de instellingen of ondernemingen afzonderlijk toezicht moeten houden.

De lidstaten staan eveneens toe dat hun bevoegde autoriteiten de in artikel 137 bedoelde inlichtingen uitwisselen, met dien verstande dat het inwinnen of bezitten van inlichtingen geenszins betekent dat de bevoegde autoriteiten op de gemengde holding en dochterondernemingen daarvan die geen kredietinstelling zijn, of op de in artikel 127, lid 3, bedoelde dochterondernemingen toezicht houden.

Artikel 140

1.   Indien een kredietinstelling, een financiële holding of een gemengde holding zeggenschap heeft over één of meer dochterondernemingen die verzekeringsondernemingen zijn of andere ondernemingen die beleggingsdiensten verrichten waarvoor een vergunningsstelsel geldt, werken de bevoegde autoriteiten nauw samen met de autoriteiten die van overheidswege belast zijn met het toezicht op de verzekeringsondernemingen of op de genoemde andere instellingen die beleggingsdiensten verrichten. Onverminderd hun respectieve bevoegdheden delen deze autoriteiten elkaar alle inlichtingen mee waardoor de vervulling van hun taak kan worden vergemakkelijkt en controle op de activiteit en de financiële positie van alle aan hun toezicht onderworpen ondernemingen kan worden uitgeoefend.

2.   De op grond van het toezicht op geconsolideerde basis ontvangen inlichtingen, en met name de in deze richtlijn bedoelde uitwisseling van inlichtingen tussen bevoegde autoriteiten, vallen onder het beroepsgeheim als bepaald in titel V, hoofdstuk 1, afdeling 2.

3.   De met het toezicht op geconsolideerde basis belaste bevoegde autoriteiten stellen een lijst op van de in artikel 71, lid 2, bedoelde financiële holdings. Deze lijst wordt aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en aan de Commissie gezonden.

Artikel 141

Indien de bevoegde autoriteiten van een lidstaat bij de toepassing van deze richtlijn in welbepaalde gevallen inlichtingen betreffende een in een andere lidstaat gelegen kredietinstelling, financiële holding, financiële instelling, onderneming die nevendiensten verricht, gemengde holding, dochteronderneming als bedoeld in artikel 137, of dochteronderneming als bedoeld in artikel 127, lid 3, wensen te verifiëren, verzoeken zij de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaat om deze verificatie. De autoriteiten die het verzoek hebben ontvangen, moeten hieraan in het kader van hun bevoegdheden gevolg geven door de verificatie zelf te verrichten, door de verzoekende autoriteiten toestemming te verlenen om de verificatie te verrichten, dan wel door toe te staan dat de verificatie door een registeraccountant of een deskundige wordt verricht. De verzoekende bevoegde autoriteit kan indien zij dat wenst aan de verificatie deelnemen indien zij deze niet zelf verricht.

Artikel 142

De lidstaten bepalen dat, onverminderd gevallen die onder de strafwet vallen, jegens financiële holdings en gemengde holdings, of verantwoordelijke bestuurders daarvan, die wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen overtreden welke ter uitvoering van de artikelen 124 tot en met 141 en van het onderhavige artikel zijn vastgesteld, sancties of maatregelen kunnen worden opgelegd om aan de vastgestelde overtredingen een einde te maken of de oorzaken daarvan weg te nemen. De bevoegde autoriteiten werken nauw samen opdat deze sancties of maatregelen de beoogde uitwerking hebben, inzonderheid als de zetel van een financiële holding of van een gemengde holding zich elders dan zijn hoofdbestuur of zijn hoofdvestiging bevindt.

Artikel 143

1.   Indien de moederonderneming van een kredietinstelling een kredietinstelling of een financiële holding met hoofdkantoor in een derde land is en er op de kredietinstelling geen toezicht op geconsolideerde basis wordt uitgeoefend overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 125 en 126, verifiëren de bevoegde autoriteiten of de kredietinstelling onderworpen is aan door de bevoegde autoriteit van een derde land uitgeoefend toezicht op geconsolideerde basis dat gelijkwaardig is met dat van de in de onderhavige richtlijn neergelegde beginselen.

De verificatie geschiedt door de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk zou zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis indien lid 3 van toepassing was, op verzoek van de moederonderneming of van een van de gereglementeerde entiteiten die in de Gemeenschap een vergunning hebben verkregen, dan wel op haar eigen initiatief. Die bevoegde autoriteit raadpleegt de andere betrokken bevoegde autoriteiten.

2.   De Europese Commissie kan het Europees Comité voor het bankwezen verzoeken algemene richtsnoeren te verstrekken over de vraag of de regelingen inzake geconsolideerd toezicht van de bevoegde autoriteiten in derde landen waarschijnlijk de doeleinden van het toezicht op geconsolideerde basis zullen verwezenlijken zoals die in dit hoofdstuk zijn bepaald, voor de kredietinstellingen waarvan de moederonderneming haar hoofdkantoor in een derde land heeft. Het Comité werkt die richtsnoeren bij en houdt rekening met alle wijzigingen in de regelingen inzake geconsolideerd toezicht die door die bevoegde autoriteiten worden toegepast.

De bevoegde autoriteit die de in de eerste alinea van lid 1 bedoelde verificatie uitvoert, neemt die richtsnoeren in aanmerking. De bevoegde autoriteit raadpleegt te dien einde het comité voordat zij haar besluit neemt.

3.   Indien een dergelijk gelijkwaardig toezicht ontbreekt, passen de lidstaten naar analogie op de kredietinstelling het bepaalde in deze richtlijn toe of staan ze hun bevoegde autoriteiten toe andere passende toezichtmethoden toe te passen waarmee de doeleinden van het toezicht op geconsolideerde basis op kredietinstellingen worden gerealiseerd.

Over deze toezichtmethoden moet overeenstemming worden bereikt door de betrokken bevoegde autoriteit die verantwoordelijk zou zijn voor het geconsolideerde toezicht, zulks na overleg met de andere betrokken bevoegde autoriteiten.

De bevoegde autoriteiten kunnen meer bepaald verlangen dat een financiële holding met hoofdkantoor in de Gemeenschap wordt opgericht en op de geconsolideerde positie van deze financiële holding de bepalingen inzake het toezicht op geconsolideerde basis toepassen.

De toezichtmethoden moeten de mogelijkheid bieden de doeleinden van het toezicht op geconsolideerde basis als omschreven in dit hoofdstuk te verwezenlijken, en moeten aan de overige betrokken bevoegde autoriteiten en de Commissie worden medegedeeld.

Afdeling 2

Openbaarmaking van informatie door de bevoegde autoriteiten

Artikel 144

De bevoegde autoriteiten maken de volgende informatie openbaar:

a)

de bewoordingen van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en algemene richtsnoeren die in hun lidstaat op prudentieel gebied zijn vastgesteld;

b)

de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van de keuzemogelijkheden en speelruimte die de Gemeenschapswetgeving biedt;

c)

de algemene criteria en methodieken op basis waarvan zij de in artikel 124 genoemde evaluatie verrichten; en

d)

onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1, afdeling 2, geaggregeerde statistische gegevens over de voornaamste aspecten van de tenuitvoerlegging van de prudentiële kadervoorschriften in elke lidstaat.

Er wordt genoeg informatie als bedoeld in de eerste alinea, openbaar gemaakt om een zinvolle vergelijking te kunnen maken tussen de handelwijzen van de bevoegde autoriteiten in de verschillende lidstaten. De verstrekte informatie wordt volgens een gemeenschappelijk model openbaar gemaakt en regelmatig bijgewerkt. De openbaar gemaakte informatie wordt op één elektronische locatie toegankelijk gemaakt.

HOOFDSTUK 5

Openbaarmaking van informatie door de kredietinstellingen

Artikel 145

1.   Onverminderd het bepaalde in artikel 146 maken de kredietinstellingen voor de toepassing van deze richtlijn de informatie als bedoeld in bijlage XII, deel 2, openbaar.

2.   De bevoegde autoriteiten nemen in het kader van hoofdstuk 2, afdeling 3, onderafdelingen 2 en 3, en artikel 105 de in bijlage XII, deel 3, bedoelde instrumenten en methodieken alleen in aanmerking als de kredietinstellingen de daarin genoemde informatie openbaar maken.

3.   De kredietinstellingen leggen formeel vast hoe ze willen voldoen aan de informatie-eisen van de leden 1 en 2; ook hebben ze vastgelegd op welke wijze ze de door henzelf openbaar gemaakte informatie evalueren en dus ook op juistheid controleren en hoe vaak dit dient te gebeuren.

4.   Kredietinstellingen moeten op verzoek hun ratingbeslissingen tegenover kleine en middelgrote ondernemingen en andere bedrijven die een krediet aanvragen schriftelijk toelichten. Er moeten nationale wettelijke maatregelen worden genomen indien van een vrijwillige verplichting van de sector slechts een ontoereikend effect zou uitgaan. De administratieve kosten voor de kredietinstellingen in dit verband moeten in een redelijke verhouding tot de omvang van het krediet staan.

Artikel 146

1.   Onverminderd artikel 145 mag een kredietinstelling de openbaarmaking van informatie over een of meer van de in bijlage XII, deel 2, genoemde onderdelen achterwege laten als deze informatie op grond van het criterium dat in bijlage XII, deel 1, punt 1, wordt genoemd, niet van wezenlijk belang wordt geacht.

2.   Onverminderd artikel 145 mag een kredietinstelling de openbaarmaking van informatie over een of meer onderdelen die genoemd worden in bijlage XII, delen 2 en 3, achterwege laten als deze informatie op grond van de criteria die bijlage XX, deel 1, punten 2 en 3, als eigendom of vertrouwelijk wordt beschouwd.

3.   In de in lid 2 genoemde uitzonderingsgevallen geeft de desbetreffende kredietinstelling in haar informatie aan dat bepaalde onderdelen ontbreken en waarom deze ontbreken; wel publiceert zij meer algemene informatie over het desbetreffende onderdeel, tenzij deze, gelet op de in bijlage XII, deel 1, nummers 2 en 3 genoemde criteria, als eigendom of vertrouwelijk moet worden geklasseerd.

Artikel 147

1.   Een kredietinstelling publiceert minimaal eenmaal per jaar de op grond van artikel 145 vereiste informatie. De informatie wordt zo snel mogelijk gepubliceerd.

2.   Ook bepaalt een kredietinstelling of het op grond van de criteria in bijlage XII, deel 1, punt 4, nodig is om vaker met informatie te komen dan ingevolge lid 1 vereist is.

Artikel 148

1.   Een kredietinstelling mag zelf bepalen in welk medium en op welke locatie zij wil voldoen aan de informatie-eisen van artikel 145 en hoe ze de in dat artikel voorgeschreven juistheid van hun informatie wil controleren. Voorzover mogelijk wordt alle informatie in één medium of op één locatie verstrekt.

2.   Als dezelfde informatie al in het kader van boekhoudkundige, beurs- of andere voorschriften is gepubliceerd, kan artikel 145 worden beschouwd als zijnde nageleefd. Als de informatie niet in de jaarrekening wordt opgenomen, dan geven de kredietinstellingen aan waar deze informatie wel kan worden gevonden.

Artikel 149

Onverminderd de artikelen 146 tot en met 148 worden de bevoegde autoriteiten door de lidstaten gemachtigd om de kredietinstellingen de volgende verplichtingen op te leggen:

a)

ze verstrekken informatie over een of meer onderdelen die in bijlage XII, delen 2 en 3 worden genoemd;

b)

ze publiceren de informatie vaker dan eenmaal per jaar informatie en ze krijgen een termijn opgelegd voor de publicatie van informatie;

c)

ze verstrekken de informatie niet in de financiële rapporten, maar in bepaalde media of op bepaalde locaties; en

d)

ze controleren de juistheid van informatie waarvoor geen wettelijke controle vereist is, en gebruiken daarvoor bepaalde middelen.

TITEL VI

BEVOEGDHEDEN INZAKE UITVOERING

Artikel 150

1.   Onverminderd het voorstel dat de Commissie ingevolge artikel 62 zal indienen, worden wat betreft het eigen vermogen de op de onderstaande gebieden aan te brengen technische aanpassingen vastgesteld volgens de procedure van artikel 151, lid 2:

a)

verduidelijking van de definities om bij de toepassing van de onderhavige richtlijn rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten;

b)

verduidelijking van de definities teneinde een eenvormige toepassing van deze richtlijn te waarborgen;

c)

aanpassing van de terminologie en van de verwoording van de definities aan latere richtlijnen inzake kredietinstellingen en aanverwante onderwerpen;

d)

technische aanpassingen aan de lijst van artikel 2;

e)

wijziging van het bedrag van het in artikel 9 vereiste aanvangskapitaal om rekening te houden met de economische en monetaire ontwikkelingen;

f)

uitbreiding van de in de artikelen 23 en 24 bedoelde lijst in bijlage I of aanpassing van de terminologie van de lijst om rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten;

g)

de in artikel 42 genoemde gebieden waarop de bevoegde autoriteiten gegevens moeten uitwisselen;

h)

technische aanpassingen in de artikelen 56 tot en met 67 en in artikel 74 als gevolg van ontwikkelingen op het gebied van standaarden voor of eisen aan jaarrekeningen die rekening houden met de Gemeenschapswetgeving, of met het oog op de convergentie van toezichtspraktijken;

i)

wijziging van de lijst van categorieën vorderingen in de artikelen 79 en 86 om rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten;

j)

het in artikel 79, lid 2, onder c), artikel 86, lid 4, onder a), bijlage VII, deel 1, punt 5 en bijlage VII, deel 2, lid 15 bedoelde bedrag om rekening te houden met de gevolgen van inflatie;

k)

de lijst en de indeling van de posten buiten de balanstelling in de bijlagen II en IV en hun behandeling bij de vaststelling van de waarde van de posten voor de toepassing van titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3; of

l)

aanpassing van de bijlagen V tot en met VII om rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten (met name nieuwe financiële producten) en op het gebied van standaarden voor of eisen aan jaarrekeningen die rekening houden met de Gemeenschapswetgeving, of met het oog op de convergentie van toezichtspraktijken.

2.   De Commissie kan volgens de procedure van artikel 151, lid 2, de volgende uitvoeringsmaatregelen vaststellen:

a)

zij kan een nadere invulling geven aan de omvang van plotselinge, onverwachte veranderingen in de rentetarieven als bedoeld in artikel 124, lid 5;

b)

een tijdelijke verlaging van het in artikel 75 vastgestelde minimum niveau van het eigen vermogen en/of van de in titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3, vastgestelde risicogewichten om rekening te houden met specifieke omstandigheden;

c)

onverminderd het in artikel 119 bedoelde verslag, verduidelijking van de vrijstellingen genoemd in artikel 111, lid 4, en de artikelen 113, 115 en 116;

d)

een nadere invulling van de voornaamste aspecten waarover ingevolge artikel 144, lid 1, onder d), geaggregeerde statistische gegevens dienen te worden geleverd; of

e)

een nadere invulling van het formaat, de structuur, de inhoud en de jaarlijkse publicatiedatum van de in artikel 144 bedoelde informatie.

3.   Geen enkele vastgestelde uitvoeringsmaatregel mag verandering brengen in de essentiële bepalingen van deze richtlijn.

4.   Onverminderd de reeds vastgestelde uitvoeringsmaatregelen, wordt de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn die overeenkomstig lid 2 de vaststelling vereisen van technische voorschriften, wijzigingen en besluiten opgeschort na afloop van een periode van twee jaar volgend op de aanneming van deze richtlijn en uiterlijk op 1 april 2008. Het Europees Parlement en de Raad kunnen, op voorstel van de Commissie, de desbetreffende bepalingen verlengen volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag, en hiervoor dienen zij deze bepalingen opnieuw te bezien voordat de bovengenoemde periode verstrijkt en uiterlijk op de bovenvermelde datum.

Artikel 151

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij Besluit 2004/10/EG van de Commissie (22) ingestelde Europees comité voor het bankwezen.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen is de procedure van artikel 5 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 7, lid 3 en artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

TITEL VII

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK 1

Overgangsbepalingen

Artikel 152

1.   Een kredietinstelling die de risicogewogen posten op basis van de artikelen 84 tot en met 89 berekent, houdt in de eerste, tweede en derde periode van twaalf maanden na 1 januari 2007 een eigen vermogen aan dat te allen tijde gelijk is aan of hoger is dan de in de leden 3, 4 en 5 genoemde bedragen.

2.   Een kredietinstelling die voor de berekening van de vereisten ten aanzien van haar eigen kapitaal voor het operationeel risico de in artikel 105 bedoelde geavanceerde meetbenaderingen hanteert, houdt in de tweede en derde periode van twaalf maanden na 1 januari 2007 een eigen vermogen aan dat te allen tijde gelijk is aan of hoger is dan de in de leden 4 en 5 genoemde bedragen.

3.   Voor de eerste periode van twaalf maanden als bedoeld in lid 1 komt dit bedrag aan eigen vermogen overeen met 95 % van het bedrag dat de kredietinstelling ingevolge artikel 4 van Richtlijn 93/6/EEG van de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (23) minimaal aan eigen vermogen tijdens deze periode zou moeten aanhouden; met artikel 4 van Richtlijn 93/6/EEG moet rekening worden gehouden, zoals die richtlijn en Richtlijn 2000/12/EG luidde vóór 1 januari 2007.

4.   Voor de tweede periode van twaalf maanden als bedoeld in lid 1 komt dit bedrag aan eigen vermogen overeen met 90 % van het bedrag dat de kredietinstelling ingevolge artikel 4 van Richtlijn 93/6/EEG minimaal aan eigen vermogen tijdens deze periode zou moeten aanhouden; met artikel 4 van Richtlijn 93/6/EEG moet rekening worden gehouden, zoals die richtlijn en Richtlijn 2000/12/EG luidde vóór 1 januari 2007.

5.   Voor de derde periode van twaalf maanden als bedoeld in lid 1 komt dit bedrag aan eigen vermogen overeen met 80 % van het bedrag dat de kredietinstelling ingevolge artikel 4 van Richtlijn 93/6/EEG minimaal aan eigen vermogen tijdens deze periode zou moeten aanhouden; met artikel 4 van Richtlijn 93/6/EEG moet rekening worden gehouden, zoals die richtlijn en Richtlijn 2000/12/EG luidde vóór 1 januari 2007.

6.   Om te voldoen aan de leden 1 tot en met 5 wordt uitgegaan van bedragen aan eigen vermogen die volledig zijn aangepast, dit om rekening te houden met verschillen in de berekening van het eigen vermogen op basis van Richtlijn 2000/12/EG en op basis van Richtlijn 93/6/EEG, zoals deze luidden vóór 1 januari 2007 en de berekening op basis van de onderhavige richtlijn, waarin de verwachte en de niet-verwachte verliezen in het kader van de artikelen 84 tot en met 89 afzonderlijk worden behandeld.

7.   Op de leden 1 tot en met 6 zijn de artikelen 68 tot en met 73 van toepassing.

8.   Tot 1 januari 2008 mogen de kredietinstellingen in plaats van de artikelen van titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3, onderafdeling 1, over de standaardbenadering de artikelen 42 tot en met 46 van Richtlijn 2000/12/EG toepassen, zoals deze luidden vóór 1 januari 2007.

9.   Als gebruik wordt gemaakt van de in lid 8 genoemde mogelijkheid, geldt wat Richtlijn 2000/12/EG betreft het volgende:

a)

de artikelen 42 tot en met 46 van die richtlijn zijn van toepassing zoals deze luidden vóór 1 januari 2007;

b)

onder de term „naar risico gewogen waarde” in artikel 42, lid 1, van die richtlijn wordt verstaan: „risicogewogen post”;

c)

de op basis van artikel 42, lid 2, van die richtlijn berekende bedragen worden beschouwd als risicogewogen posten;

d)

kredietderivaten worden onder „Volledig risico” opgenomen in de lijst van posten in bijlage II van die richtlijn; en

e)

de in artikel 43, lid 3, van die richtlijn bedoelde methoden gelden voor alle in bijlage IV van die richtlijn genoemde afgeleide instrumenten, ongeacht of het daarbij om balansposten of om posten buiten de balanstelling gaat; de op basis van bijlage III berekende bedragen worden beschouwd als risicogewogen posten.

10.   Als gebruik wordt gemaakt van de in lid 8 geboden mogelijkheid, geldt wat betreft de vorderingen waarvoor de standaardbenadering wordt gevolgd, het volgende:

a)

titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3, onderafdeling 2, over de inaanmerkingneming van kredietrisicolimitering is niet van toepassing;

b)

de bevoegde autoriteiten mogen titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3, onderafdeling 4, over de behandeling van securitisaties buiten beschouwing laten.

11.   Als gebruik wordt gemaakt van de in lid 8 geboden mogelijkheid, wordt het kapitaalvereiste voor het operationele risico dat in artikel 75, onder d), is vastgelegd, verlaagd met een bepaald percentage, dat wordt verkregen door de waarde van de vorderingen van een kredietinstelling waarvoor op basis van deze mogelijkheid risicogewogen posten worden berekend overeenkomstig de in lid 8 geboden mogelijkheid, te delen door de totale waarde van haar vorderingen.

12.   Als een kredietinstelling gebruikmaakt van de in lid 8 geboden mogelijkheid en voor al haar vorderingen risicogewogen posten berekent, mogen de artikelen 48 tot en met 50 van Richtlijn 2000/12/EG over grote risico's worden toegepast, zoals deze luidden vóór 1 januari 2007.

13.   Als gebruik wordt gemaakt van de in lid 8 geboden mogelijkheid, worden verwijzingen naar de artikelen 78 tot en met 83 van de onderhavige richtlijn gelezen als verwijzingen naar de artikelen 42 tot en met 46 van Richtlijn 2000/12/EG, zoals deze luidden vóór 1 januari 2007.

14.   Indien gebruik wordt gemaakt van de in lid 8 genoemde mogelijkheid, zijn de artikelen 123, 124, 145 en 149 vóór de aldaar genoemde datum niet van toepassing.

Artikel 153

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten mogen tot 31 december 2012 ermee akkoord gaan dat aan posities die verband houden met transacties inzake onroerende financieringshuur (leasing) van kantoren of andere panden voor handelsdoeleinden op hun grondgebied en die voldoen aan de criteria van bijlage VI, deel 1, punt 54, bij de berekening van risicogewogen posten een risicogewicht van 50 % wordt toegekend en de punten 55 en 56 van bijlage VI, deel 1, niet in aanmerking worden genomen.

Tot 31 december 2010 mogen de bevoegde autoriteiten, als voor de toepassing van bijlage VI het gegarandeerde gedeelte van een achterstallige lening moet worden bepaald, andere zekerheden in aanmerking nemen dan die welke op grond van de artikelen 90 tot en met 93 aanvaard mogen worden.

Bij de berekening van risicogewogen posten voor de toepassing van bijlage VI, deel 1, punt 4 wordt tot 31 december 2012 aan vorderingen op de centrale regeringen of centrale banken van de lidstaten luidende en gefinancierd in de binnenlandse munteenheid van een lidstaat hetzelfde risicogewicht toegepast als zou worden toegekend op dergelijke vorderingen luidende en gefinancierd in hun nationale munteenheid.

Artikel 154

1.   Tot 31 december 2011 kunnen de bevoegde autoriteiten van elke lidstaat voor de toepassing van bijlage VI, deel 1, punt 61 het aantal achterstallige dagen vastleggen, en dit tot een maximum van 180 dagen, voor de in bijlage VI, deel 1, punten 12 tot 17 en 41 tot 43 bedoelde vorderingen op op hun grondgebied gevestigde tegenpartijen, indien een dergelijke aanpassing op grond van de plaatselijke voorwaarden passend is. Het specifieke aantal kan variëren naar gelang de aard van het product.

Bevoegde autoriteiten die geen gebruik maken van de in de eerste alinea geboden keuzemogelijkheid voor vorderingen op tegenpartijen die op hun eigen grondgebied gevestigd zijn, kunnen een hoger aantal dagen vastleggen ten aanzien van vorderingen op tegenpartijen die gevestigd zijn op het grondgebied van andere lidstaten waarvan de bevoegde autoriteiten wel van deze keuzemogelijkheid gebruik hebben gemaakt. De termijn moet liggen tussen 90 dagen en het aantal dagen dat de andere bevoegde autoriteiten hebben vastgesteld voor vorderingen op tegenpartijen die op het eigen grondgebied gevestigd zijn.

2.   De termijn van drie jaar zoals vereist in artikel 84, lid 3, kan voor kredietinstellingen die hantering van de IRB vóór 2010 aanvragen, behoudens goedkeuring van de bevoegde autoriteiten, worden verminderd tot een termijn niet korter dan één jaar tot 31 december 2009.

3.   De eis inzake een gebruik gedurende drie jaar zoals bedoeld in artikel 84, lid 4 kan voor kredietinstellingen die het gebruik van eigen ramingen of van LGD's en/of omrekeningsfactoren aanvragen, worden verminderd tot twee jaar tot 31 december 2008.

4.   Tot 31 december 2012 kunnen de bevoegde autoriteiten van iedere lidstaat kredietinstellingen toestaan om ten aanzien van deelnemingen van het soort zoals bedoeld in artikel 57(o) die zijn verworven vóór 20 juli 2006, de behandeling te blijven toepassen bedoeld in artikel 38 van Richtlijn 2000/12/EG zoals dit artikel voor 1 januari 2007 luidde.

5.   Tot 31 december 2010 ligt het risicogewogen gemiddelde LGD van alle vorderingen op particulieren en kleine partijen waarvoor een woning in zekerheid is gegeven en de centrale overheid geen garantie heeft afgegeven, niet onder de 10 %.

6.   Tot 31 december 2017 mogen de bevoegde autoriteiten ermee akkoord gaan dat voor bepaalde posities in aandelen die op 31 december 2007 door kredietinstellingen en EU-dochterondernemingen van kredietinstellingen in deze lidstaat worden gehouden, worden vrijgesteld van de IRB.

De vrijgestelde positie wordt gemeten door het aantal aandelen op 31 december 2007 te nemen en daarbij een aantal aandelen op te tellen, waarvan het aanhouden een rechtstreeks gevolg is van het bezit van deelnemingen, mits door deze bijkomende aandelen niet het belang in een portefeuillemaatschappij is uitgebreid.

Als met een acquisitie het belang in een bepaalde onderneming toeneemt, geldt de vrijstelling niet voor het deel dat uitstijgt boven het oorspronkelijke belang. Evenmin geldt de vrijstelling voor belangen waarvoor oorspronkelijk een vrijstelling gold, maar die verkocht en daarna weer teruggekocht zijn.

De kapitaalvereisten voor posities in aandelen die onder deze overgangsbepaling vallen, worden berekend op basis van titel V, deel 2, afdeling 3, onderafdeling 1.

7.   Tot 31 december 2011 mogen de bevoegde autoriteiten van een lidstaat voor vorderingen op ondernemingen het aantal achterstallige dagen vaststellen opdat er sprake is van wanbetaling; alle kredietinstellingen gevestigd in de desbetreffende lidstaat hanteren in het kader van de definitie van wanbetaling in bijlage VII, deel 4, punt 44, dit aantal voor vorderingen op dergelijke tegenpartijen die in dit land gevestigd zijn. Dit aantal bedraagt minimaal 90 dagen en kan afhankelijk van de lokale omstandigheden oplopen tot 180 dagen. Voor vorderingen op dergelijke tegenpartijen die gevestigd zijn in een andere lidstaat, ligt het aantal door de bevoegde autoriteiten vastgestelde achterstallige dagen niet hoger dan het door de bevoegde autoriteit van die andere lidstaat vastgestelde aantal.

Artikel 155

Tot 31 december 2012 mogen de lidstaten bij kredietinstellingen waarin de indicator voor de business line handel en verkoop („trading and sales”) alleen al goed is voor ten minste 50 % van de som van alle indicatoren die op basis van bijlage X, deel 2, punten 1 tot en met 4, voor de verschillende business lines worden berekend, een percentage van 15 % toepassen op de business line „handel en verkoop”.

HOOFDSTUK 2

Slotbepalingen

Artikel 156

De Commissie onderzoekt in samenwerking met de lidstaten en rekening houdende met de bijdrage van de Europese Centrale Bank op gezette tijden of de onderhavige richtlijn als zodanig in combinatie met Richtlijn 2006/49/EG, van grote invloed is op de conjuncturele cyclus, en gaat in het licht van dat onderzoek na of maatregelen om dit te verhelpen gerechtvaardigd zijn.

Op basis van deze analyse en rekening houdende met de bijdrage van de Europese Centrale Bank stelt zij om de twee jaar een verslag op, dat zo nodig vergezeld van passende voorstellen wordt ingediend bij het Europees Parlement en de Raad. Aan bijdragen van de zijde van kredietnemers en -gevers moet bij de opstelling van het verslag voldoende aandacht worden besteed.

De Commissie voert uiterlijk op 1 januari 2012 een onderzoek uit en legt een verslag voor over de toepassing van deze richtlijn, met speciale aandacht voor alle aspecten van de artikelen 68 tot en met 73, artikel 80, lid 7, artikel 80, lid 8 en artikel 129, en legt dit verslag voor aan het Europees Parlement en de Raad, samen met eventuele passende voorstellen.

Artikel 157

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 31 december 2006 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 4, 22, 57, 61 tot en met 64, 66, 68 tot en met 106, 108, 110 tot en met 115, 117 tot en met 119, 123 tot en met 127, 129 tot en met 132, 133, 136, 144 tot en met 149, en 152 tot en met 155 en de bijlagen II, III, en V tot en met XII. Zij delen de Commissie die bepalingen onverwijld mede, alsmede een concordantietabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn toe.

Onverminderd lid 3 passen de lidstaten die bepalingen vanaf 1 januari 2007 toe.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. In de bepalingen wordt tevens vermeld dat verwijzingen in bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijn(en), gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn. De regels voor deze verwijzing en de formulering van deze vermelding worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

3.   De lidstaten passen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die nodig zijn om te voldoen aan artikel 87, lid 9, en artikel 105 vanaf 1 januari 2008 (een eerdere datum is niet toegestaan) toe.

Artikel 158

1.   Richtlijn 2000/12/EG, zoals gewijzigd bij de in bijlage XIII, deel A, genoemde richtlijnen, wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten wat betreft de in bijlage XIII, deel B, opgenomen termijnen voor de omzetting van de richtlijnen in nationaal recht.

2.   Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de in bijlage XIV opgenomen concordantietabel.

Artikel 159

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 160

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 14 juni 2006.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES

Voor de Raad

De voorzitter

H. WINKLER


(1)  PB C 234 van 22.9.2005, blz. 8.

(2)  PB C 52 van 2.3.2005, blz. 37 .

(3)  Advies van het Europees Parlement van 28 september 2005 (nog niet gepubliceerd in het PB) en besluit van de Raad van 7 juni 2006.

(4)  PB L 126 van 26.5.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/29/EG (PB L 70 van 9.3.2006, blz. 50).

(5)  PB L 3 van 7.1.2004, blz. 28.

(6)  PB L 372 van 31.12.1986, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/51/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 178 van 17.7.2003, blz. 16).

(7)  PB L 193 van 18.7.1983, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/51/EG.

(8)  PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1.

(9)  Zie bladzijde 201 van dit Publicatieblad.

(10)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(11)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(12)  PB C 284 E van 21.11.2002, blz. 115.

(13)  Richtlijn 2000/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het bedrijfseconomisch toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld (PB L 275 van 27.10.2000, blz. 39).

(14)  PB L 222 van 14.8.1978, blz. 11. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/51/EG.

(15)  Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat (PB L 35 van 11.2.2003, blz. 1). Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2005/1/EG.

(16)  PB L 184 van 6.7.2001, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2005/1/EG.

(17)  Achtste Richtlijn 84/253/EEG van de Raad van 10 april 1984 inzake de toelating van personen, belast met de wettelijke controle van boekhoudbescheiden (PB L 126 van 12.5.1984, blz. 20).

(18)  Richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (ICBE'S) (PB L 375 van 31.12.1985, blz. 3). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2005/1/EG.

(19)  Eerste Richtlijn 73/239/EEG van de Raad van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan (PB L 228 van 16.8.1973, blz. 3). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2005/1/EG.

(20)  Richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering (PB L 345, van 19.12.2002, blz. 1). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2005/1/EG.

(21)  Richtlijn 98/78/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 1998 betreffende het aanvullend toezicht op verzekeringsondernemingen in een verzekeringsgroep (PB L 330 van 5.12.1998, blz. 1). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2005/1/EG.

(22)  PB L 3 van 7.1.2004, blz. 36 .

(23)  PB L 141 van 11.6.1993, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2005/1/EG.


BIJLAGE I

LIJST VAN WERKZAAMHEDEN DIE ONDER DE WEDERZIJDSE ERKENNING VALLEN

1.

In ontvangst nemen van deposito's en andere terugbetaalbare gelden

2.

Verstrekken van leningen, waaronder consumptieve kredieten, hypotheekleningen, factoring (met of zonder regres), financiering van commerciële transacties (voorschotten hierbij inbegrepen)

3.

Leasing

4.

Betalingsverrichtingen

5.

Uitgifte en beheer van betaalmiddelen (bijvoorbeeld creditcards, reischeques en kredietbrieven)

6.

Verlenen van garanties en het stellen van borgtochten

7.

Handelingen voor eigen rekening van de instelling of voor rekening van de cliënten, met betrekking tot:

a)

geldmarktinstrumenten (cheques, wissels, depositocertificaten enz.),

b)

valuta's,

c)

financiële futures en opties,

d)

swaps en soortgelijke financieringsinstrumenten, of

e)

effecten

8.

Deelneming aan effectenemissies en dienstverrichting in verband daarmee

9.

Advisering aan ondernemingen inzake kapitaalstructuur, bedrijfsstrategie en daarmee samenhangende aangelegenheden, alsmede advisering en dienstverrichtingen op het gebied van fusie en overname van ondernemingen

10.

Bemiddeling op interbankmarkten

11.

Vermogensbeheer en -advisering

12.

Bewaarneming en beheer van effecten

13.

Commerciële inlichtingen

14.

Verhuur van safes

Wanneer wordt verwezen naar de financiële instrumenten genoemd in Deel C van Bijlage I van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten (1) vallen de diensten en activiteiten genoemd in Deel A en Deel B van Bijlage I van die richtlijn onder de wederzijdse erkenning overeenkomstig die richtlijn.


(1)  PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2006/31/EG (PB L 114 van 27.4.2006, blz. 60).


BIJLAGE II

INDELING VAN POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING

Volledig risico:

Garanties met het karakter van kredietvervangingen

Kredietderivaten

Accepten

Endossementen van wissels die niet de handtekening van andere kredietinstellingen dragen

Transacties met regres

Onherroepelijke „stand by”-accreditieven met het karakter van kredietvervangingen

Activa aangekocht onder overeenkomsten betreffende koop op termijn zonder rugdekking

Deposito's in de vorm van tussenswaps („forward forward deposits”)

Onbetaald deel van niet volgestorte aandelen en effecten

Overeenkomsten inzake cessie en retrocessie van activa in de zin van artikel 12, leden 3 en 5, van Richtlijn 86/635/EEG, en

Overige posten met een volledig risico

Middelgroot risico:

Verstrekte en geconfirmeerde documentaire kredieten (zie ook „Middelgroot/laag risico”)

Garanties en borgtochten (met inbegrip van inschrijvings- en uitvoeringsgaranties alsmede douane- en belastinggaranties) en garanties die niet het karakter van kredietvervangingen hebben

Onherroepelijke „stand by”-accreditieven die niet het karakter van kredietvervangingen hebben

Niet opgenomen kredietfaciliteiten (overeenkomsten tot het verstrekken van leningen, het aankopen van effecten, het verschaffen van garanties of acceptfaciliteiten) met een oorspronkelijke looptijd van meer dan een jaar

Note issuance facilities (NIF's) en Revolving underwriting facilities (RUF's), en

Overige posten met een middelgroot risico waarvan de Commissie in kennis is gesteld

Middelgroot/laag risico:

Documentaire kredieten met de onderliggende zendingen als zekerheid en andere zelfliquiderende transacties

Niet opgenomen kredietfaciliteiten (overeenkomsten tot het verstrekken van leningen, het aankopen van effecten, het verschaffen van garanties of acceptfaciliteiten) met een oorspronkelijke looptijd van een jaar of korter die niet te allen tijde onvoorwaardelijk zonder opzegtermijn kunnen worden opgezegd of waarvoor niet expliciet is bepaald dat zij te allen tijde automatisch kunnen worden opgezegd op grond van de verminderde kredietwaardigheid van de debiteur, en

Overige posten met een middelgroot/laag risico waarvan de Commissie in kennis is gesteld

Laag risico:

Niet opgenomen kredietfaciliteiten (overeenkomsten tot het verstrekken van leningen, het aankopen van effecten, het verschaffen van garanties of acceptfaciliteiten) die te allen tijde onvoorwaardelijk zonder opzegtermijn kunnen worden opgezegd of waarvoor expliciet is bepaald dat zij te allen tijde automatisch kunnen worden opgezegd op grond van de verminderde kredietwaardigheid van de debiteur Aan particulieren en kleine partijen toegekende kredietlijnen kunnen als onvoorwaardelijk opzegbaar worden beschouwd als de kredietinstelling deze op grond van de voorwaarden, maar wel met volledige inachtneming van hetgeen in het kader van de consumentenbeschermings- en daarmee samenhangende wetgeving is toegestaan, mag opzeggen, en

Overige posten met een laag risico waarvan de Commissie in kennis is gesteld.


BIJLAGE III

BEHANDELING VAN HET TEGENPARTIJKREDIETRISICO VAN AFGELEIDE INSTRUMENTEN, REPO'S, OPGENOMEN OF VERSTREKTE EFFECTEN- OF GRONDSTOFFENLENINGEN, TRANSACTIES MET AFWIKKELING OP LANGE TERMIJN EN MARGELENINGSTRANSACTIES

DEEL 1

Definities

Voor de toepassing van deze bijlage gelden de onderstaande definities.

Algemene termen

1.

Tegenpartijkredietrisico (Counterparty Credit Risk — CCR) is het risico dat de tegenpartij bij een transactie in gebreke blijft voordat de definitieve afwikkeling van de met de transactie samenhangende kasstromen heeft plaatsgevonden.

2.

Een centrale tegenpartij is een entiteit die wettelijk als een tussenpartij fungeert tussen tegenpartijen bij contracten op een of meer financiële markten en koper van elke verkoper en verkoper van elke koper wordt.

Transactietypen

3.

Transacties met afwikkeling op lange termijn zijn transacties waarbij een tegenpartij toezegt een hoeveelheid effecten, grondstoffen of deviezen te leveren tegen contanten, andere financiële instrumenten of grondstoffen, of vice versa, op een afwikkelings- of leveringsdatum waarvoor contractueel is vastgesteld dat deze datum later is dan de marktstandaard voor de betreffende transactie en dan vijf werkdagen na de datum waarop de kredietinsteling de transactie verricht.

4.

Margeleningstransacties zijn transacties waarbij een kredietinstelling krediet verleent voor de aan- of verkoop, het aanhouden of het verhandelen van effecten. Andere leningen die door effecten gedekt zijn, vallen niet onder margeleningstransacties.

Samenstel van verrekenbare transacties, samenstel van afdekkingsinstrumenten en daarmee verband houdende termen

5.

Een samenstel van verrekenbare transacties (netting set) is een groep met een en dezelfde tegenpartij gesloten transacties die onderworpen zijn aan een in rechte afdwingbare bilaterale verrekeningsovereenkomst en waarvan de verrekening in het kader van deel 7 van deze bijlage en de artikelen 90 tot en met 93 in aanmerking wordt genomen. Elke transactie die niet onderworpen is aan een in rechte afdwingbare bilaterale verrekeningsovereenkomst en waarvan de verrekening in het kader van deel 7 van deze bijlage in aanmerking wordt genomen, wordt voor de toepassing van deze bijlage als een apart samenstel van verrekenbare transacties beschouwd.

6.

Een risicopositie is een risicowaarde die volgens de in deel 5 beschreven standaardmethode aan een transactie wordt toegekend op basis van een vooraf bepaald algoritme.

7.

Een samenstel van afdekkingsinstrumenten is een groep risicoposities uit hoofde van transacties die tot eenzelfde samenstel van verrekenbare transacties behoren en waarvan alleen het saldo relevant is voor de bepaling van de waarde van de post volgens de in deel 5 beschreven standaardmethode.

8.

Een margeovereenkomst is een contractuele overeenkomst of een aantal clausules in een overeenkomst op grond waarvan een tegenpartij een zekerheid aan een tweede tegenpartij moet verstrekken wanneer een vordering van deze tweede tegenpartij op de eerste tegenpartij een bepaalde hoogte overschrijdt.

9.

Een margedrempel is het hoogste bedrag dat een uitstaande vordering mag bereiken voordat een partij het recht heeft een zekerheid te eisen.

10.

De marge-risicoperiode (margin period of risk) is de periode vanaf de laatste ruil van zekerheden ter dekking van een samenstel van verrekenbare transacties met een in gebreke blijvende tegenpartij totdat de betrokken tegenpartij is geliquideerd en het resulterende marktrisico opnieuw is afgedekt.

11.

De effectieve looptijd volgens de op een intern model berustende methode, voor een samenstel van verrekenbare transacties met een looptijd van meer dan een jaar is het verhoudingsgetal tussen de som van de verwachte positie over de looptijd van de transacties van een samenstel van verrekenbare transacties gedisconteerd tegen het risicovrije rendement, gedeeld door de som van de verwachte positie over een jaar van een samenstel van verrekenbare transacties gedisconteerd tegen het risicovrije rendement. Deze effectieve looptijd mag worden aangepast voor het doorrolrisico door de verwachte positie te vervangen door de effectief verwachte positie over een prognosehorizon van minder dan een jaar.

12.

Productoverschrijdende verrekening is de opneming van transacties met betrekking tot verschillende productcategorieën in hetzelfde samenstel van verrekenbare transacties overeenkomstig de in deze bijlage vervatte regels voor productoverschrijdende verrekening.

13.

Voor de toepassing van deel 5 is de actuele marktwaarde (current market value — CMV) de netto marktwaarde van de portefeuille van transacties binnen het samenstel van verrekenbare transacties met de tegenpartij. Bij de berekening van de CMV worden zowel positieve als negatieve marktwaarden gebruikt.

Verdelingen

14.

De verdeling van marktwaarden is de prognose van de waarschijnlijkheidsverdeling van netto marktwaarden van transacties binnen een samenstel van verrekenbare transacties voor een datum in de toekomst (de prognosehorizon) in het licht van de gerealiseerde marktwaarde van die transacties tot op heden.

15.

De verdeling van posities is de prognose van de waarschijnlijkheidsverdeling van marktwaarden waarbij de verwachte negatieve netto marktwaarden door nul worden vervangen.

16.

Een risiconeutrale verdeling is een verdeling van marktwaarden of posities tijdens een periode in de toekomst waarbij de verdeling wordt berekend aan de hand van impliciete marktwaarden, zoals impliciete volatiliteiten.

17.

Een werkelijke verdeling is een verdeling van marktwaarden of posities tijdens een periode in de toekomst waarbij de verdeling wordt berekend aan de hand van historische of gerealiseerde waarden, zoals volatiliteiten die zijn berekend op basis van prijs- of koerswijzigingen die zich in het verleden hebben voorgedaan.

Metingen van posities en aanpassingen

18.

Een actuele positie is gelijk aan nul of, indien deze groter is, de marktwaarde van een transactie of een portefeuille van transacties binnen een samenstel van verrekenbare transacties met een tegenpartij welke verloren zou gaan indien de tegenpartij in gebreke blijft, ervan uitgaande dat bij een faillissement niets van de waarde van die transacties kan worden teruggevorderd.

19.

Een maximumpositie is een hoog percentiel van de verdeling van posities op een bepaalde datum in de toekomst vóór de vervaldatum van de langstlopende transactie van het samenstel van verrekenbare transacties.

20.

Een verwachte positie (expected exposure — EE) is het gemiddelde van de verdeling van posities op een bepaalde datum in de toekomst vóór de vervaldatum van de langstlopende transactie van het samenstel van verrekenbare transacties.

21.

Een effectieve verwachte positie (effectieve EE) op een specifieke datum is de hoogste verwachte positie die zich voordoet op die datum of op een eerdere datum. Bij wijze van alternatief kan een dergelijke positie voor een specifieke datum ook worden gedefinieerd als de verwachte positie op die datum of de effectieve positie op de eerdere datum, al naargelang welke waarde het grootst is.

22.

Een verwachte positieve positie (expected positive exposure — EPE) is het gewogen gemiddelde in de tijd van de verwachte posities, waarbij de gewichten het proportionele aandeel van een afzonderlijke verwachte positie in het volledige tijdsinterval vertegenwoordigen. Bij de berekening van het minimumkapitaalvereiste wordt het gemiddelde genomen over het eerste jaar of over de duur van het langstlopende contract van het samenstel van verrekenbare transacties, als alle contracten binnen het samenstel van verrekenbare transacties over minder dan een jaar vervallen.

23.

Een effectieve verwachte positieve positie (effectieve EPE) is het gewogen gemiddelde in de tijd van de effectieve verwachte posities over het eerste jaar of, als alle contracten binnen het samenstel van verrekenbare transacties over minder dan een jaar vervallen, over de duur van het langstlopende contract van het samenstel van verrekenbare transacties, waarbij de gewichten het proportionele aandeel van een afzonderlijke verwachte positie in het volledige tijdsinterval vertegenwoordigen.

24.

Een aanpassing van de kredietwaardering (credit valuation adjustment — CVA) is een aanpassing van de gemiddelde marktwaardering van een portefeuille van transacties met een tegenpartij. Deze aanpassing weerspiegelt de marktwaarde van het kredietrisico dat voortvloeit uit niet-nakoming van contractuele overeenkomsten met een tegenpartij. Deze aanpassing kan een afspiegeling vormen van de marktwaarde van het tegenpartijkredietrisico of van de marktwaarde van het kredietrisico van zowel de kredietinstelling als de tegenpartij.

25.

Een eenzijdige aanpassing van de kredietwaardering is een aanpassing van de kredietwaardering die de marktwaarde van het kredietrisico van de tegenpartij voor de kredietinstelling weerspiegelt, maar niet de marktwaarde van het kredietrisico van de kredietinstelling voor de tegenpartij.

Met het CCR samenhangende risico's

26.

Het doorrolrisico is het bedrag waarmee de verwachte positieve positie is onderschat wanneer wordt verwacht dat toekomstige transacties met een tegenpartij een permanent karakter krijgen. De extra positie die uit deze toekomstige transacties voortvloeit, wordt niet meegenomen in de berekening van de EPE.

27.

Algemeen wrong-way risk ontstaat wanneer de PD van de tegenpartijen een positieve correlatie vertoont met algemene marktrisicofactoren.

28.

Specifiek wrong-way risk ontstaat wanneer de positie op een bepaalde tegenpartij vanwege de aard van de transacties met die tegenpartij een positieve correlatie vertoont met de PD van de betrokken tegenpartij. Een kredietinstelling wordt geacht een specifiek wrong-way risk te lopen als verwacht wordt dat de toekomstige positie op een bepaalde tegenpartij hoog zal zijn omdat de PD van de tegenpartij, ook groot is.

DEEL 2

Keuze van de methode

1.

De leden 2 tot 7 in acht nemend, bepalen de kredietinstellingen de positiewaarde die voortvloeit uit de in bijlage IV vermelde contracten aan de hand van een van de in de delen 3 tot en met 6 beschreven methoden. Kredietinstellingen die niet in aanmerking komen voor de behandeling overeenkomstig artikel 18, lid 2, van Richtlijn 2006/49/EG, mogen de in deel 4 beschreven methode niet toepassen. Kredietinstellingen mogen de in deel 4 beschreven methode niet gebruiken voor de bepaling van de waarde van de vorderingen voor contracten die worden vermeld in bijlage IV, punt 3.

Het gecombineerde gebruik van de in de delen 3 tot en met 6 beschreven methoden is toegestaan op permanente basis binnen eenzelfde groep maar niet binnen eenzelfde rechtspersoon. Het gecombineerde gebruik van de in delen 3 en 5 beschreven methoden binnen een rechtspersoon is toegestaan indien één van deze methoden wordt gebruikt voor de in deel 5, punt 19 beschreven gevallen.

2.

Mits de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen, mogen kredietinstellingen voor de bepaling van de positiewaarde voor:

(i)

de in bijlage IV vermelde contracten;

(ii)

repo's;

(iii)

opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen;

(iv)

margeleningstransacties; en

(v)

transacties met afwikkeling op lange termijn

gebruik maken van de in deel 6 beschreven interne-modellenmethode.

3.

Wanneer een kredietinstelling protectie in de vorm van een kredietderivaat koopt ter afdekking van een positie in de niet-handelsportefeuille of van een CCR-vordering, mag zij haar kapitaalvereiste voor het afgedekte activum berekenen overeenkomstig bijlage VIII, deel 3, punten 83 tot en met 92, of, mits de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen, overeenkomstig bijlage VII, deel 1, punt 4 dan wel bijlage VII, deel 4, punten 96 tot en met 104. In deze gevallen wordt de positiewaarde voor het CCR voor dergelijke kredietderivaten op nul bepaald.

4.

De positiewaarde van CCR afkomstig uit de verkochte kredietverzuimswaps in de niet-handelsportefeuille wordt, indien deze worden behandeld als door de kredietinstelling verleende kredietprotectie en een kapitaaleis voor kredietrisico geldt voor het volle nominale bedrag, bepaald op nul.

5.

Volgens alle in de delen 3 tot en met 6 uiteengezette methoden is de positiewaarde voor een bepaalde tegenpartij gelijk aan de som van de positiewaarden die worden berekend voor ieder samenstel van verrekenbare transacties met die tegenpartij.

6.

Een positiewaarde van nul voor CCR kan worden toegekend aan derivatieve contracten of repo's, opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen, transacties met afwikkeling op lange termijn, margeleningstransacties die uitstaan bij een centrale tegenpartij en die door deze centrale tegenpartij niet zijn verworpen. Voorts kan een positiewaarde van nul worden toegekend aan kredietrisicovorderingen ten aanzien van centrale tegenpartijen die voortkomen uit derivatieve contracten, repo's, opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen, transacties met afwikkeling op lange termijn en margeleningstransacties of andere vorderingen, zoals bepaald door de bevoegde autoriteiten, die de kredietinstelling heeft uitstaan bij de centrale tegenpartij. Voor de CCR-vorderingen van de centrale tegenpartij met alle deelnemers aan haar regelingen worden op dagelijkse basis volledig zekerheden gesteld.

7.

Vorderingen die voortkomen uit transacties met afwikkeling op lange termijn kunnen worden berekend met gebruikmaking van de methoden die worden uiteengezet in de delen 3 tot en met 6, ongeacht de methode die is gekozen voor de behandeling van OTC-derivaten en repo's, opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen en margeleningstransacties. Bij de berekening van kapitaaleisen voor transacties met afwikkeling op lange termijn kunnen kredietinstellingen die de benadering overeenkomstig de artikelen 84 tot 89 toepassen, op permanente basis en ongeacht het belang van dergelijke posities, de risicoweging volgens de benadering overeenkomstig de artikelen 78 tot 83 gebruiken.

8.

Voor de methoden vermeld in delen 3 en 4 geldt dat de toezichthoudende autoriteiten ervoor moeten zorgen dat de in aanmerking te nemen nominale waarde een geschikte maatstaf is voor het risico dat aan het contract verbonden is. Indien bijvoorbeeld in het contract een vermenigvuldiging van de kasstromen bepaald is, moet de nominale waarde worden aangepast om rekening te houden met de gevolgen van deze vermenigvuldiging voor de risicostructuur van het betrokken contract.

DEEL 3

Methode gebaseerd op de waardering tegen marktwaarde

Stap a):

voor het toekennen van de actuele marktwaarde aan de contracten („market to market”) wordt de actuele vervangingswaarde van alle contracten met een positieve waarde verkregen.

Stap b):

teneinde een waarde te bepalen voor de potentiële toekomstige kredietvordering, wordt, met uitzondering van op één valuta betrekking hebbende „floating floating-renteswaps” waarvoor alleen de vervangingskosten worden berekend, het totaal van de theoretische hoofdsommen of de onderliggende waarden vermenigvuldigd met de in tabel 1 genoemde percentages:

Tabel 1  (1)  (2)

Resterende looptijd (3)

Rentecon-tracten

Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen of goud

Contracten die betrekking hebben op aandelen

Contracten die betrekking hebben op andere edele metalen dan goud

Contracten die betrekking hebben op andere grondstoffen dan edele metalen

Eén jaar of korter

0 %

1 %

6 %

7 %

10 %

Langer dan één jaar doch niet langer dan vijf jaar

0,5 %

5 %

8 %

7 %

12 %

Langer dan vijf jaar

1,5 %

7,5 %

10 %

8 %

15 %

Om de potentiële toekomstige kredietpositie volgens stap b) te berekenen, kunnen de bevoegde autoriteiten kredietinstellingen toestaan dat de percentages van tabel 2 worden toegepast in plaats van die van tabel 1, op voorwaarde dat de instellingen voor contracten betreffende andere grondstoffen dan goud in de zin van bijlage IV, punt 3, van deze richtlijn gebruikmaken van de mogelijkheid van bijlage VI, punt 21, van Richtlijn 2006/49/EG:

Tabel 2

Resterende looptijd

Edele metalen (behalve goud)

Onedele metalen

Niet-duurzame (landbouw)producten („softs”)

Overige, inclusief energieproducten

Eén jaar of korter

2 %

2,5 %

3 %

4 %

Langer dan één jaar doch niet langer dan vijf jaar

5 %

4 %

5 %

6 %

Langer dan vijf jaar

7,5 %

8 %

9 %

10 %

Stap c):

de som van de actuele vervangingswaarde en de potentiële toekomstige kredietvordering is de waarde van de post.

DEEL 4

Oorspronkelijke vorderingsmethode

Stap a):

de theoretische hoofdsommen van ieder instrument worden vermenigvuldigd met de in tabel 3 genoemde percentages:

Tabel 3

Oorspronkelijke looptijd (4)

Rentecontracten

Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen of goud

Eén jaar of korter

0,5 %

2 %

Langer dan één jaar doch niet langer dan twee jaar

1 %

5 %

Verhoging voor ieder jaar extra

1 %

3 %

Stap b):

de aldus verkregen oorspronkelijke vordering is de waarde van de post.

DEEL 5

Gestandaardiseerde methode

1.

De gestandaardiseerde methode (SM) mag uitsluitend worden gebruikt voor OTC-derivaten en transacties met afwikkeling op lange termijn. De waarde van de post wordt afzonderlijk berekend voor elk samenstel van verrekenbare transacties. Zij wordt als volgt bepaald, zonder inaanmerkingneming van zekerheden:

waarde van de post =

Formula

waarbij:

CMV = de actuele marktwaarde van de portefeuille van transacties binnen het samenstel van verrekenbare transacties met de tegenpartij, d.i. waarbij

Formula

waarbij:

CMVi = aan de actuele marktwaarde van transactie i;

CMC = de actuele marktwaarde van de zekerheid die aan het samenstel van verrekenbare transacties is toegewezen. Dat is waarbij

Formula

waarbij

CMCl = de actuele marktwaarde van zekerheid l;

i = de index die verwijst naar de transactie;

l = de index die verwijst naar de zekerheid;

j = de index die verwijst naar de categorie waartoe het samenstel van afdekkingsinstrumenten behoort. Deze samenstellen van afdekkingsinstrumenten stemmen overeen met risicofactoren waarvoor de risicoposities met een tegengesteld teken kunnen worden gesaldeerd zodat een netto risicopositie wordt verkregen waarop vervolgens de meting van de positie wordt gebaseerd;

RPTij = de uit transactie i voortvloeiende risicopositie met betrekking tot samenstel van afdekkingsinstrumenten j;

RPClj = de uit zekerheid l voortvloeiende risicopositie met betrekking tot samenstel van afdekkingsinstrumenten j;

CCRMj = de CCR-vermenigvuldigingsfactor van tabel 5 met betrekking tot het samenstel van afdekkingsinstrumenten j;

β = 1.4

Zekerheden die van een tegenpartij worden ontvangen, hebben een positief teken; zekerheden die een tegenpartij worden verleend, hebben een negatief teken.

Zekerheden die voor deze methode worden erkend, vallen onder de zekerheden die gegeven kunnen worden in het kader van bijlage VIII, deel 1, punt 11 van deze richtlijn en bijlage II, punt 9 van Richtlijn 2006/49/EG.

2.

Wanneer een transactie met een lineair risicoprofiel die op een OTC-derivaat betrekking heeft, voorziet in de levering van een financieel instrument tegen betaling, dan wordt de betaling het betalingsgedeelte (payment leg) genoemd. Transacties die voorzien in de ruil van twee betalingen bestaan uit twee betalingsgedeelten. De betalingsgedeelten bestaan uit contractueel overeengekomen brutobetalingen, met inbegrip van het nominale bedrag van de transactie. Kredietinstellingen mogen voorbijgaan aan het renterisico van betalingsgedeelten met een resterende looptijd van minder dan één jaar ten behoeve van de volgende berekeningen. Kredietinstellingen mogen transacties die bestaan uit twee betalingsgedeelten die luiden in dezelfde valuta, zoals renteswaps, als een enkele transactie beschouwen. De procedure voor betalingsgedeelten geldt voor de transactie.

3.

Transacties met een lineair risicoprofiel waarbij aandelen (met inbegrip van aandelenindexen), goud, andere edele metalen of andere grondstoffen als onderliggend financieel instrument fungeren, worden gekoppeld aan een risicopositie in het desbetreffende aandeel (of de desbetreffende aandelenindex) of de desbetreffende grondstof (met inbegrip van goud en andere edele metalen) en een renterisicopositie voor het betalingsgedeelte. Indien het betalingsgedeelte in een buitenlandse valuta luidt, wordt dit bovendien gekoppeld aan een risicopositie in de desbetreffende valuta.

4.

Transacties met een lineair risicoprofiel waarbij een schuldinstrument als het onderliggende instrument fungeert, worden gekoppeld aan een renterisicopositie voor het schuldinstrument en aan een andere renterisicopositie voor het betalingsgedeelte. Bij transacties met een lineair risicoprofiel die voorzien in de ruil van twee betalingen (met inbegrip van valutatermijntransacties), wordt elk van beide betalingsgedeelten aan een renterisicopositie gekoppeld. Indien het onderliggende schuldinstrument in een buitenlandse valuta luidt, wordt het schuldinstrument gekoppeld aan een risicopositie in de desbetreffende valuta. Indien een betalingsgedeelte in een buitenlandse valuta luidt, wordt ook dit aan een risicopositie in de desbetreffende valuta gekoppeld. Aan de post die uit een valutabasisswap voortvloeit, wordt een waarde van nul toegekend.

5.

Behalve voor schuldinstrumenten is de omvang van een risicopositie die voortvloeit uit een transactie met een lineair risicoprofiel gelijk aan de effectieve nominale waarde (marktprijs maal hoeveelheid) van de onderliggende financiële instrumenten (met inbegrip van grondstoffen) omgerekend in de nationale munteenheid van de kredietinstelling.

6.

Voor schuldinstrumenten en betalingsgedeelten is de omvang van de risicopositie gelijk aan de effectieve nominale waarde van de uitstaande brutobetalingen (inclusief het nominale bedrag) omgerekend in de nationale munteenheid van de kredietinstelling, vermenigvuldigd met de gewijzigde duur van respectievelijk het schuldinstrument of het betalingsgedeelte.

7.

De omvang van een risicopositie die voortvloeit uit een kredietverzuimswap is de nominale waarde van het als referentie fungerende schuldinstrument vermenigvuldigd met de resterende looptijd van de kredietverzuimswap.

8.

De omvang van een risicopositie die voortvloeit uit een OTC-derivaat met een niet-lineair risicoprofiel (met inbegrip van opties en swaptions), is gelijk aan het delta-equivalent van de effectieve nominale waarde van het onderliggende financiële instrument van de transactie, behalve indien het gaat om een onderliggend schuldinstrument.

9.

De omvang van een risicopositie die voortvloeit uit een OTC-derivaat met een niet-lineair risicoprofiel (met inbegrip van opties en swaptions) waarvan de onderliggende waarde een schuldinstrument of een betalingsgedeelte is, is gelijk aan het delta-equivalent van de effectieve nominale waarde van het financiële instrument of het betalingsgedeelte vermenigvuldigd met de gewijzigde looptijd van respectievelijk het schuldinstrument of het betalingsgedeelte.

10.

Voor de vaststelling van risicoposities worden van een tegenpartij ontvangen zekerheden behandeld als een claim op de tegenpartij krachtens een derivatencontract (lange afwikkelingsduur) die vandaag vervalt, terwijl uitgegeven zekerheden behandeld worden als een verplichting aan de tegenpartij (kortlopende afwikkelingsduur), die vandaag komt te vervallen.

11.

Kredietinstellingen mogen de volgende formules gebruiken om de omvang en het teken van een risicopositie te bepalen:

voor alle andere instrumenten dan schuldinstrumenten:

effectieve nominale waarde, of

Formula

waarbij

Pref = waarde van het onderliggend instrument uitgedrukt in de referentievaluta;

V = waarde van het financieel instrument (in het geval van een optie: prijs van de optie; in het geval van een transactie met een lineair risicoprofiel: waarde van het onderliggend instrument zelf);

p = waarde van het onderliggend instrument, uitgedrukt in dezelfde valuta als V;

voor schuldinstrumenten en de betalingsgedeelden van alle transacties:

effectieve nominale waarde vermenigvuldigd met de aangepaste duur, of

deltaequivalent in theoretische waarde, vermenigvuldigd met de aangepaste duur

Formula

waarbij:

V = waarde van het financieel instrument (in het geval van een optie: prijs van de optie; in het geval van een transactie met een lineair risicoprofiel: respectievelijk waarde van het onderliggend instrument zelf of van het betalingsgedeelte);

r = renteniveau.

Als V wordt uitgedrukt in een andere valuta dan de referentievaluta, moet het derivaat worden omgezet in de referentievaluta door vermenigvuldiging met de relevante wisselkoers.

12.

De risicoposities worden gegroepeerd in samenstellen van afdekkingsinstrumenten. Voor elk samenstel van afdekkingsinstrumenten wordt de netto risicopositie (d.i. het absolute bedrag van de som van de resulterende risicoposities) berekend, en weergegeven door:

Formula

in de formules zoals bedoeld in punt 1.

13.

Voor rentetariefrisicoposities die voortvloeien uit gelddeposito's die van een tegenpartij als zekerheid zijn ontvangen, uit betalingsgedeelten en onderliggende schuldinstrumenten, waarop volgens tabel 1 van bijlage I bij Richtlijn 2006/49/EG een kapitaalvereiste van ten hoogste 1,60 % van toepassing is, zijn er zes samenstellen van afdekkingsinstrumenten voor elke valuta, zoals geschetst in tabel 4 hieronder. Samenstellen van afdekkingsinstrumenten worden gedefinieerd door middel van een combinatie van de criteria „looptijd” en „referentierentetarieven”.

Tabel 4

 

Rentetarieven waarvoor rente op overheidspapier als referentierentetarief fungeert

Rentetarieven waarvoor rente op niet-overheidspapier als referentierentetarief fungeert

Looptijd

Looptijd

Looptijd

← 1 jaar

>1 — ← 5 jaar

> 5 jaar

← 1 jaar

>1 — ← 5 jaar

> 5 jaar

14.

Voor rentetariefrisicoposities die voortvloeien uit onderliggende schuldinstrumenten of betalingsgedeelten en waarvan het rentetarief gekoppeld is aan een referentierentetarief dat een algemeen marktrenteniveau weerspiegelt, is de resterende looptijd gelijk aan de duur van het tijdsinterval tot de volgende aanpassing van het rentetarief. In alle overige gevallen is hij gelijk aan de resterende looptijd van het onderliggende schuldinstrument of, in het geval van een betalingsgedeelte, de resterende looptijd van de transactie.

15.

Er is één samenstel van afdekkingsinstrumenten voor elke uitgevende instelling van een referentieschuldinstrument dat als onderliggende waarde van een kredietverzuimswap fungeert.

16.

Voor rentetariefrisicoposities die voortvloeien uit gelddeposito's die bij een tegenpartij als zekerheid worden ondergebracht, wanneer deze tegenpartij geen schuldverplichtingen van een laag specifiek risico en uit onderliggende schuldinstrumenten heeft, waarop volgens tabel 1 van bijlage I bij Richtlijn 2006/49/EG een kapitaalvereiste van meer dan 1,60 % van toepassing is, is er een samenstel van afdekkingsinstrumenten voor elke uitgevende instelling. Wanneer een betalingsgedeelte is geënt op zulk een schuldinstrument, is er eveneens één samenstel van afdekkingsinstrumenten voor elke uitgevende instelling van het referentieschuldinstrument. Kredietinstellingen mogen risicoposities die voortvloeien uit schuldinstrumenten van een bepaalde uitgevende instelling of uit referentieschuldinstrumenten van dezelfde uitgevende instelling waarop betalingsgedeelten zijn geënt of welke als onderliggende waarde van een kredietverzuimswap fungeren, in hetzelfde samenstel van afdekkingsinstrumenten onderbrengen.

17.

Andere onderliggende financiële instrumenten dan schuldinstrumenten worden alleen in dezelfde respectieve samenstellen van afdekkingsinstrumenten ondergebracht indien het identieke of vergelijkbare instrumenten betreft. In alle andere gevallen worden zij in afzonderlijke samenstellen van afdekkingsinstrumenten ondergebracht. De vergelijkbaarheid van de instrumenten wordt als volgt vastgesteld:

wat aandelen betreft, zijn vergelijkbare instrumenten instrumenten van dezelfde uitgevende instelling. Een aandelenindex wordt als een afzonderlijke uitgevende instelling behandeld;

wat edele metalen betreft, zijn vergelijkbare instrumenten instrumenten van hetzelfde metaal. Een index voor edele metalen wordt als een afzonderlijk edel metaal behandeld;

wat elektrische energie betreft, zijn vergelijkbare instrumenten de leveringsrechten en ‐verplichtingen die verwijzen naar dezelfde piek- of dallaadtijdinterval binnen een periode van 24 uur; en

wat grondstoffen betreft, zijn vergelijkbare instrumenten instrumenten van dezelfde grondstof. Een grondstoffenindex wordt als een afzonderlijke grondstof behandeld.

18.

De CCR-vermenigvuldigingsfactoren (CCR multipliers — CCRM) voor de verschillende categorieën van samenstellen van afdekkingsinstrumenten worden in tabel 5 aangegeven:

Tabel 5

 

Categorieën van samenstellen van afdekkingsinstrumenten

CCRM

1.

Rentetarieven

0,2 %

2.

Rentetarieven voor risicoposities die voortvloeien uit een referentieschuldinstrument dat als onderliggende waarde van een kredietverzuimswap fungeert en waarop volgens tabel 1 van bijlage I bij Richtlijn 2006/49/EG een kapitaalvereiste van ten hoogste 1,60 % van toepassing is

0,3 %

3.

Rentetarieven voor risicoposities die voortvloeien uit een schuldinstrument of een referentieschuldinstrument waarop volgens tabel 1 van bijlage I bij Richtlijn 2006/49/EG een kapitaalvereiste van meer dan 1,60 % van toepassing is

0,6 %

4.

Wisselkoersen

2,5 %

5.

Elektrische energie

4 %

6.

Goud

5 %

7.

Aandelen

7 %

8.

Edele metalen (met uitzondering van goud)

8,5 %

9.

Andere grondstoffen (exclusief edele metalen en elektrische energie)

10 %

10.

Tot geen enkele van de bovengenoemde categorieën behorende onderliggende instrumenten van OTC-derivaten

10 %

Onderliggende instrumenten van OTC-derivaten als bedoeld in punt 10 van tabel 5 worden in afzonderlijke samenstellen van afdekkingsinstrumenten ondergebracht, waarbij elk verschillend onderliggend financieel instrument in een apart samenstel wordt ondergebracht.

19.

Er kunnen transacties met een niet-lineair risicoprofiel voorkomen waarvoor de kredietinstelling geen delta of, in het geval waarin schuldinstrumenten of betalingsgedeelten als onderliggende waarde fungeren, geen gewijzigde duur kan bepalen met behulp van een instrumentmodel dat door de bevoegde autoriteiten is goedgekeurd voor de bepaling van de minimumkapitaalvereisten voor het marktrisico. In dergelijke gevallen worden de omvang van de risicoposities en de toe te passen CCRMj's op conservatieve wijze door de bevoegde autoriteiten bepaald. In andere gevallen kunnen de bevoegde autoriteiten het gebruik van de methode van deel 3 vereisen. Verrekening wordt niet in aanmerking genomen, d.w.z. de waarde van de positie wordt bepaald alsof er een verrekening bestaat die uitsluitend de individuele transactie behelst.

20.

Een kredietinstelling beschikt over interne procedures om te verifiëren of een transactie valt onder in rechte afdwingbare verrekeningsovereenkomst die aan de toepasselijke vereisten van deel 7 voldoet, voordat zij de desbetreffende transactie in het samenstel van verrekenbare transacties opneemt.

21.

Een kredietinstelling die gebruik maakt van zekerheden om haar CCR te verminderen, beschikt over interne procedures om te verifiëren of een zekerheid aan de rechtszekerheidsnormen van bijlage VIII voldoet voordat zij het effect van de desbetreffende zekerheid in haar berekeningen meeneemt.

DEEL 6

Interne-modellenmethode

1.

Als de bevoegde autoriteiten daarvoor toestemming verlenen, mag een kredietinstelling interne-modelmethoden (IMM) gebruiken om de waarde van de post te berekenen voor de in deel 2, punt 2, onder (i) bedoelde transacties, of voor de in deel 2, punt 2, onder (ii), (iii) en (iv), bedoelde transacties of voor de in deel 2, punt 2, onder (i) tot en met (iv), bedoelde transacties. In elk van deze gevallen mogen ook de in deel 2, punt 2, onder (v) bedoelde transacties worden opgenomen. In afwijking van het bepaalde in deel 2, punt 1, tweede alinea, mogen kredietinstellingen besluiten deze methode niet toe te passen op posten die in omvang en risico te verwaarlozen zijn. Om de IMM toe te passen voldoet een kredietinstelling aan de in dit deel vermelde vereisten.

2.

Als de bevoegde autoriteiten daarvoor toestemming verlenen, mogen de IMM stapsgewijze voor verschillende soorten transacties worden toegepast en gedurende deze periode mag een kredietinstelling de in deel 3 of deel 5 bedoelde methoden gebruiken. In afwijking van het bepaalde in de rest van dit deel hoeven kredietinstellingen geen gebruik te maken van een bepaald soort model.

3.

Voor alle afgeleide OTC-transacties en lange settlementstransacties waarvoor een kredietinstelling geen toestemming heeft ontvangen om de IMM te gebruiken, gebruikt zij de in deel 3 of deel 5 bedoelde methoden. Het gecombineerde gebruik van beide methoden is toegestaan op permanente basis binnen een groep. Het gecombineerde gebruik van beide methoden binnen een rechtspersoon is slechts toegestaan wanneer een van de methoden wordt gebruikt voor de in deel 5, punt 19 uiteengezette gevallen.

4.

Kredietinstellingen die toestmming hebben gekregen om de IMM te gebruiken, keren niet terug tot het gebruik van de in deel 3 of deel 5 bedoelde methoden behalve voor een aangetoonde goede zaak en afhankelijk van toestemming van de bevoegde autoriteiten. Wanneer een kredietinstelling niet langer voldoet aan de in dit deel vastgestelde vereisten, dient zij hetzij bij de bevoegde autoriteit een plan in voor de tijdige hernieuwde naleving of toont zij aan dat de gevolgen van niet-naleving te verwaarlozen zijn.

Waarde van de post

5.

De waarde van de post wordt gemeten op het niveau van het samenstel van verrekenbare transacties. Het model specificeert de prognoseverdeling voor veranderingen in de marktwaarde van het samenstel van verrekenbare transacties welke toe te schrijven zijn aan veranderingen in marktvariabelen zoals rentetarieven, wisselkoersen enz. Vervolgens berekent het model de waarde van de uit het samenstel van verrekenbare transacties voortvloeiende post in het licht van de veranderingen in de marktvariabelen op elke datum in de toekomst. In het geval van tegenpartijen met margeverplichtingen kan het model ook met toekomstige overdrachten van zekerheden rekening houden.

6.

Kredietinstellingen mogen een erkende financiële zekerheid, zoals bedoeld in bijlage VIII, deel 1, punt 11 van deze richtlijn en bijlage II, punt 9 van Richtlijn 2006/49/EG opnemen in hun prognoseverdeling voor veranderingen in de marktwaarde van het samenstel van verrekenbare transacties, indien wordt voldaan aan de kwantitatieve, kwalitatieve en gegevensvereisten voor de IMM voor wat betreft de zekerheid.

7.

De waarde van de post wordt berekend als het product van alfa en de effectieve verwachte positieve positie (effectieve EPE):

Waarde van de post = α × effectieve EPE

waarbij:

alfa (α) gelijk is aan 1,4, al kunnen toezichthouders een hogere α verlangen, en de effectieve EPE wordt berekend door de verwachte positie (EEt) te ramen als de gemiddelde positie op een toekomstige datum t, waarbij het gemiddelde wordt genomen van mogelijke toekomstige waarden van relevante marktrisicofactoren. Het interne model raamt EE op een reeks toekomstige data t1, t2, t3…

8.

De effectieve EE's worden recursief berekend op de volgende wijze:

Effectieve EEtk = max(effectieve EEtk-1; EEtk)

waarbij:

de actuele datum aangeduid wordt als t0 en de effectieve EEt0 gelijk is aan de actuele positie.

9.

Hierbij is de effectieve EPE gelijk aan de gemiddelde effectieve EE tijdens de eerste vijf jaar van de toekomstige positie. Indien alle contracten binnen het samenstel van verrekenbare transacties over minder dan een jaar vervallen, is de EPE het gemiddelde van de EE totdat alle contracten vervallen die tot het samenstel van verrekenbare transacties behoren. De effectieve EPE wordt berekend als het gewogen gemiddelde van de effectieve EE's:

Formula

waarbij:

de gewichten Δtk = tk — tk-1 het mogelijk maken om rekening te houden met het geval waarin de toekomstige positie wordt berekend op data die niet gelijk verdeeld zijn in de tijd.

10.

De verwachte positie of de maximumpositie wordt berekend op basis van een verdeling van posities welke met de mogelijke abnormaliteit van de verdeling van de posities rekening houdt.

11.

Kredietinstellingen mogen een berekening gebruiken die conservatiever is dan het product van α en de effectieve EPE voor elke tegenpartij dat wordt berekend volgens bovenstaande vergelijking.

12.

In afwijking van punt 7 mogen de bevoegde autoriteiten kredietinstellingen toestaan eigen ramingen van α te hanteren, waarbij α ten minste 1,2 bedraagt en gelijk is aan de verhouding tussen het economische kapitaal dat wordt verkregen na uitvoering van een volledige simulatie aan de hand van de posities op alle tegenpartijen (teller) en het op basis van de EPE berekende economische kapitaal (noemer). In de noemer wordt de EPE gebruikt alsof het een vast uitstaand leningsbedrag betreft. Kredietinstellingen tonen aan dat bij hun interne ramingen van α in de teller rekening wordt gehouden met materiële bronnen van stochastische afhankelijkheid na de verdeling van de marktwaarden van de transacties of van de portefeuilles van transacties over de tegenpartijen. Bij de interne ramingen van α wordt rekening gehouden met de granulariteit van de portefeuilles.

13.

Een kredietinstelling zorgt ervoor dat de teller en de noemer van α op consequente wijze worden berekend wat de modelleringsmethode, de parameterspecificaties en de portefeuillesamenstelling betreft. De gevolgde benadering berust op de door de kredietinstelling gevolgde interne benadering ten aanzien van het kapitaal, is goed gedocumenteerd en is tevens aan onafhankelijke validatie onderworpen. Voorts onderwerpen kredietinstellingen hun ramingen ten minste om de drie maanden aan een nieuw onderzoek. Dit onderzoek vindt veelvuldiger plaats wanneer de samenstelling van de portefeuille varieert in de tijd. Kredietinstellingen evalueren tevens het modelrisico.

14.

Indien van toepassing, moeten de volatiliteiten en correlaties van de marktrisicofactoren die bij de gezamenlijke simulatie van het markt- en kredietrisico worden gebruikt, worden bepaald aan de hand van de kredietrisicofactor om de mogelijke toename van de volatiliteit of de correlatie in een economische baisse tot uiting te laten komen.

15.

Indien het samenstel van verrekenbare transacties aan een margeovereenkomst onderworpen is, maken kredietinstellingen gebruik van een van de volgende EPE-metingen:

(a)

de effectieve EPE zonder met de margeovereenkomst rekening te houden;

(b)

de in de margeovereenkomst vastgelegde drempel, indien deze positief is, vermeerderd met een opslagfactor die de potentiële stijging van de positie over de margin period of risk weerspiegelt. De opslagfactor wordt berekend als de verwachte stijging over de margin period of risk van de uit het samenstel van verrekenbare transacties voortvloeiende positie, uitgaande van een actuele positie van nul. Bij het verrichten van deze berekening wordt een margin period of risk van ten minste vijf werkdagen gehanteerd voor samenstellen van verrekenbare transacties die slechts bestaan uit repo-achtige transacties welke onderworpen zijn aan dagelijkse bijkomende dekking en dagelijkse marktwaarde, en tien werkdagen voor alle andere samenstellen van verrekenbare transacties; of

(c)

indien het model bij de raming van EE met de gevolgen van margestortingen rekening houdt, mag de EE van het model direct in de vergelijking van punt 8 worden gebruikt, mits de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen.

Minimumvereisten voor EPE-modellen

16.

Het EPE-model van een kredietinstelling voldoet aan de operationele vereisten, zoals bedoeld in de punten 17 tot en met 41.

CCR-beheersing

17.

De kredietinstelling heeft een controleafdeling die belast is met het ontwerpen en implementeren van haar CCR-beheersysteem, met inbegrip van de initiële en doorlopende validatie van het model. Deze afdeling controleert de integriteit van de inputgegevens. Tevens dient zij rapporten op te stellen en te analyseren die betrekking hebben op de uitkomsten van het risicometingsmodel en waarin onder meer de relatie tussen risicometingen en krediet- en transactielimieten wordt beoordeeld. Deze afdeling is onafhankelijk van de afdelingen die verantwoordelijk zijn voor de uitwerking, de vernieuwing en het verhandelen van vorderingen, staat niet bloot aan ongewenste invloeden, beschikt over voldoende en geschikt personeel en rapporteert rechtstreeks aan de hoogste leiding van de kredietinstelling. De werkzaamheden van deze afdeling zijn in hoge mate in het dagelijkse kredietrisicobeheerproces van de kredietinstelling geïntegreerd. De output ervan moet dan ook een geïntegreerd onderdeel vormen van het proces van de planning, bewaking en beheersing van het krediet- en algemene risicoprofiel van de kredietinstelling.

18.

De gedragslijnen, procedures en systemen van de kredietinstelling voor het CCR-beheer zijn solide qua concept en worden op integere wijze toegepast. Een solide CCR-managementkader omvat de vaststelling, de meting, het beheer, de goedkeuring en de interne rapportage van het CCR.

19.

De gedragslijnen van de kredietinstelling op het gebied van het risicobeheer houden rekening met de markt, de liquiditeit en het juridische en operationele risico dat aan het CCR verbonden kan zijn. De kredietinstelling doet geen zaken met een tegenpartij zonder de kredietwaardigheid ervan te toetsen en houdt naar behoren rekening met het afwikkelings- en pre-settlementkredietrisico. Deze risico's worden zo veel mogelijk op het niveau van de tegenpartij (CCR-vorderingen worden geaggregeerd met andere kredietvorderingen) en ondernemingsbreed beheerd.

20.

De raad van bestuur en de directie van de kredietinstelling zijn actief betrokken bij het CCR-beheersingsproces en beschouwen dit als een essentieel onderdeel van de activiteiten waaraan een aanzienlijke hoeveelheid middelen moet worden gewijd. De directie is zich bewust van de beperkingen en aannames van het gebruikte model en van het mogelijke effect ervan op de betrouwbaarheid van de uitkomsten. De directie houdt tevens rekening met de onzekerheden van het marktklimaat en operationele kwesties, en is op de hoogte van de wijze waarop deze in het model zijn weerspiegeld.

21.

In dit verband worden de dagelijkse rapporten over de CCR-posities van de kredietinstelling beoordeeld door een management-echelon dat hoog genoeg geplaatst is en voldoende bevoegdheden heeft om een vermindering van de door afzonderlijke kredietbeheerders of handelaren ingenomen posities of van de totale CCR-positie van de instelling op te leggen.

22.

Het CCR-beheersysteem van de kredietinstelling wordt gehanteerd in combinatie met interne krediet- en transactielimieten. In dit verband zijn de krediet- en transactielimieten aan het risicometingsmodel van de kredietinstelling gerelateerd op een wijze die consistent is in de tijd en die goed wordt begrepen door kredietbeheerders, handelaren en de directie.

23.

De CCR-meting van de kredietinstelling behelst de meting van het dagelijkse en intra-day gebruik van kredietlijnen. De kredietinstelling meet de actuele positie met en zonder inaanmerkingneming van gestelde zekerheden. Op het niveau van de portefeuille en de tegenpartij berekent en bewaakt de kredietinstelling de maximumpositie of de PFE voor het door haar gekozen betrouwbaarheidsinterval. De kredietinstelling houdt rekening met grote of geconcentreerde posities, met inbegrip van die per groep van verbonden tegenpartijen, per sector, per markt enz.

24.

Ter aanvulling van de CCR-analyse beschikt de kredietinstelling over een ordelijk en strikt programma van stresstests dat gebaseerd is op de dagelijkse uitkomsten van haar risicometingsmodel. De resultaten van deze stresstests worden periodiek beoordeeld door de directie en worden verwerkt in de CCR-gedragslijnen en -limieten die door het management en de raad van bestuur worden bepaald. Wanneer uit de stresstests blijkt dat er sprake is van bijzondere kwetsbaarheid voor een bepaalde samenloop van omstandigheden, worden terstond maatregelen genomen om deze risico's op passende wijze te beheren.

25.

De kredietinstelling beschikt over een procedure voor het doen naleven van een schriftelijk vastgelegde reeks van interne gedragslijnen, controlevoorschriften en procedures die betrekking hebben op de werking van het CCR-beheersysteem. Het CCR-beheersysteem van de kredietinstelling is goed gedocumenteerd en voorziet in een beschrijving van de empirische technieken die voor de meting van het CCR worden gehanteerd.

26.

Als onderdeel van haar interne-controleproces laat de kredietinstelling periodiek een onafhankelijk onderzoek van het CCR-beheersysteem uitvoeren. Dit onderzoek heeft betrekking op de activiteiten van zowel de zakelijke afdelingen bedoeld in punt 17 als de onafhankelijke afdeling CCR-beheersing. Het algehele CCR-beheerproces wordt periodiek onderworpen aan een onderzoek. Dit onderzoek heeft ten minste betrekking op de volgende specifieke punten:

(a)

de toereikendheid van de documentatie over het CCR-beheersysteem en -proces;

(b)

de organisatie van de afdeling CCR-beheersing;

(c)

de integratie van de CCR-metingen in het dagelijkse risicobeheer;

(d)

het proces voor de fiattering van risicowaarderingsmodellen en waarderingssystemen die door het personeel in back‐ en front‐office-afdelingen worden gebruikt;

(e)

de validatie van significante wijzigingen in het CCR-metingsproces;

(f)

de omvang van de CCR's die in het risicometingsmodel verwerkt zijn;

(g)

de deugdelijkheid van het systeem voor informatie van het management;

(h)

de nauwkeurigheid en volledigheid van CCR-gegevens;

(i)

de verificatie van de consistentie, tijdigheid en betrouwbaarheid van de gegevensbronnen die voor de interne modellen worden gebruikt, alsmede van de onafhankelijkheid van deze gegevensbronnen;

(j)

de nauwkeurigheid en correctheid van de aannames inzake volatiliteit en correlatie;

(k)

de nauwkeurigheid van de waarderings- en risicotransformatieberekeningen;

(l)

de verificatie of het model accuraat is door veelvuldig tests achteraf uit te voeren.

Gebruikstest

27.

De verdeling van de posities welke resulteert uit het model dat wordt gebruikt om de effectieve EPE te berekenen, wordt in hoge mate in het dagelijkse CCR-beheerproces van de kredietinstelling geïntegreerd. De uitkomsten van het model spelen derhalve een essentiële rol in de kredietacceptatie, het CCR-beheer, de interne allocatie van kapitaal en de corporate governance van de kredietinstelling.

28.

De kredietinstelling heeft bewezen ervaring met het gebruik van modellen waaruit een verdeling van CCR-posities resulteert. De kredietinstelling moet derhalve kunnen aantonen dat zij voor de berekening van de verdeling van posities waarop de EPE-berekening is gebaseerd, gedurende ten minste één jaar voordat de bevoegde autoriteiten hun toestemming verlenen, gebruik heeft gemaakt van een model dat in grote lijnen aan de minimumvereisten vermeld in dit deel voldoet.

29.

Het gehanteerde model waaruit de verdeling van de CCR-posities resulteert, maakt deel uit van een kader voor het beheer van het CCR dat de vaststelling, de meting, het beheer, de goedkeuring en de interne rapportage van het CCR omvat. Dit kader behelst tevens de meting van het gebruik van kredietlijnen (waarbij CCR-vorderingen met andere kredietvorderingen worden geaggregeerd) en de allocatie van economisch kapitaal. Benevens de EPE (een meting van de toekomstige positie), meet en beheert de kredietinstelling ook actuele posities. Indien nodig, meet de kredietinstelling de actuele positie met en zonder inaanmerkingneming van gestelde zekerheden. Aan de gebruikstest is voldaan indien de kredietinstelling gebruik maakt van andere CCR-metingen, zoals de maximumpositie of de PFE op basis van de verdeling van de posities welke resulteert uit hetzelfde model voor de berekening van de EPE.

30.

De kredietinstelling is in staat de EE dagelijks te ramen, tenzij zij aan haar bevoegde autoriteiten kan aantonen dat haar CCR-posities een minder frequente berekening rechtvaardigen. Zij berekent de EE langs het tijdsprofiel van prognosehorizonten waarin adequaat de tijdsstructuur van de toekomstige kasstromen en de looptijd van de contracten tot uiting komen, en op een wijze die consistent is met het belang en de samenstelling van de positie.

31.

Een positie wordt gemeten, bewaakt en beheerst over de duur van alle contracten van het samenstel van verrekenbare transacties (en niet alleen over een tijdshorizon van een jaar). Wanneer de looptijd van de positie de tijdshorizon van een jaar overtreft, beschikt de kredietinstelling over procedures voor het onderkennen en beheersen van de tegenpartijrisico's. De voorspelde toename van de positie is een input in het door de kredietinstelling gebruikte interne model voor het economisch kapitaal.

Stresstests

32.

De kredietinstelling beschikt over deugdelijke procedures voor het verrichten van stresstests bij de beoordeling van de CCR-kapitaaltoereikendheid. Deze stressmetingen worden vergeleken met de EPE-meting en door de kredietinstelling als een onderdeel van de in artikel 123 bedoelde procedure beschouwd. Bij het verrichten van stresstests wordt tevens nagegaan welke mogelijke gebeurtenissen of toekomstige veranderingen in economische omstandigheden ongunstige gevolgen kunnen hebben voor de kredietvorderingen van de kredietinstelling en beoordeeld in hoeverre de kredietinstelling tegen dergelijke veranderingen bestand is.

33.

De kredietinstelling verricht stresstests die betrekking hebben op haar CCR-posities en die tegelijk op markt- en kredietrisicofactoren slaan. In de stresstests met betrekking tot het tegenpartijrisico wordt rekening gehouden met het concentratierisico (ten aanzien van een enkele tegenpartij of groepen van tegenpartijen), het correlatierisico tussen markt- en kredietrisico en het risico dat de liquidatie van de posities op de tegenpartij een marktbeweging kan veroorzaken. Deze stresstests houden ook rekening met het effect van dergelijke marktbewegingen op de eigen posities van de kredietinstelling en nemen dat effect mee in de beoordeling van het CCR.

Wrong-way risk

34.

De kredietinstelling houdt terdege rekening met posities die aanleiding geven tot het ontstaan van een significante mate van algemeen wrong-way risk.

35.

De kredietinstelling beschikt over procedures om gevallen van specifiek wrong way risk te onderkennen, te bewaken en te beheersen van zodra een begin wordt gemaakt met een transactie en tijdens de gehele duur van de transactie.

Deugdelijkheid van de modelprocedure

36.

Het model weerspiegelt de voorwaarden en specificaties van een transactie op passende, volledige en conservatieve wijze. Deze voorwaarden omvatten onder meer maar zijn niet beperkt tot contractuele nominale bedragen, looptijd, referentieactiva, margeovereenkomsten, verrekeningsovereenkomsten. De voorwaarden en specificaties worden opgeslagen in een beveiligde gegevensbank die onderworpen is aan een formele en periodieke audit. De voorwaarden en specificaties voor het erkennen van verrekeningsovereenkomsten vereisen de aftekening door juridisch personeel om de afdwingbaarheid in rechte van de verrekenbare transacties te verifiëren, alsmede het invoeren in de gegevensbank door een onafhankelijke afdeling. Ook de transmissie van de gegevens over de transactievoorwaarden en -specificaties naar het model wordt aan een interne audit onderworpen en er bestaan formele afstemmingsprocessen tussen het model en de brongegevenssystemen om voortdurend te verifiëren of de transactievoorwaarden en -specificaties op correcte of althans conservatieve wijze in de EPE worden weerspiegeld.

37.

Het interne model maakt gebruik van actuele marktgegevens om actuele posities te berekenen. Wanneer historische gegevens worden gehanteerd om de volatiliteit en de correlaties te ramen, moeten historische gegevens over een periode van ten minste drie jaar worden gebruikt en dienen deze elk kwartaal te worden geactualiseerd of vaker indien de marktomstandigheden dit vereisen. De gegevens bestrijken het gehele spectrum van economische omstandigheden, zoals een volledige conjunctuurcyclus. De door de zakelijke afdeling verstrekte prijs wordt gevalideerd door een afdeling die onafhankelijk is van de zakelijke afdeling. De gegevens worden onafhankelijk van de business lines verkregen, tijdig en volledig in het model ingevoerd en bewaard in een beveiligde gegevensbank die aan een formele en periodieke audit onderworpen is. De kredietinstelling beschikt tevens over een goed ontwikkelde procedure tot waarborging van de gegevensintegriteit om de gegevens te schonen voor fouten en/of anomalieën. Indien in het model van vervangende marktgegevens gebruik wordt gemaakt, ook voor nieuwe producten waarvoor geen gegevens van ouder dan drie jaar beschikbaar zijn, wordt in de interne gedragslijnen aangegeven welke geschikte vervangende gegevens zijn en toont de kredietinstelling op empirische wijze aan dat de vervangende gegevens een conservatief beeld geven van het onderliggende risico onder ongunstige marktomstandigheden. Indien het model het effect van een zekerheid op de veranderingen van de marktwaarde van het samenstel van verrekenbare transacties omvat, beschikt de kredietinstelling over genoeg historische gegevens om de volatiliteit van de zekerheid in een model te vatten.

38.

Het model is onderworpen aan een proces voor de validatie van interne modellen. Het proces wordt duidelijk omschreven in de gedragslijnen en procedures van de kredietinstelling. In het kader van het validatieproces wordt gespecificeerd welke tests nodig zijn om de deugdelijkheid van het model te waarborgen en welke omstandigheden leiden tot afwijkingen van de aannames en kunnen resulteren in een onderschatting van de EPE. In het kader van het validatieproces wordt nagegaan of het model veelomvattend is.

39.

De kredietinstelling bewaakt de desbetreffende risico's en beschikt over procedures om haar EPE-raming aan te passen wanneer deze risico's significant worden. Dit omvat onder meer het volgende:

(a)

de kredietinstelling onderkent en beheert haar specifieke wrong-way risks;

(b)

in het geval van posities met een stijgend risicoprofiel na een jaar vergelijkt de kredietinstelling regelmatig de EPE-raming over een jaar met de EPE over de looptijd van de positie; en

(c)

in het geval van posities met een korte restlooptijd (minder dan een jaar) vergelijkt de kredietinstelling regelmatig de vervangingskosten (actuele positie) en het gerealiseerde positieprofiel en/of slaat zij gegevens op die een dergelijke vergelijking mogelijk maken.

40.

Een kredietinstelling beschikt over interne procedures om te verifiëren of een transactie valt onder een in rechte afdwingbare verrekeningsovereenkomst die aan de toepasselijke vereisten van deel 7 voldoet voordat zij de desbetreffende transactie in een samenstel van verrekenbare transacties opneemt.

41.

Een kredietinstelling die gebruik maakt van zekerheden om haar CCR te verminderen, beschikt over interne procedures om te verifiëren of een zekerheid aan de rechtszekerheidseisen van bijlage VIII voldoet voordat zij het effect van de desbetreffende zekerheid in haar berekeningen meeneemt.

Validatievereisten voor EPE-modellen

42.

Het EPE-model van een kredietinstelling voldoet aan de onderstaande validatievereisten:

a)

de kwalitatieve validatievereisten van bijlage V bij Richtlijn 2006/49/EG;

b)

rentetarieven, wisselkoersen, aandelenkoersen, grondstoffen en andere marktrisicofactoren worden over lange tijdshorizonten gepronosticeerd voor de meting van de CCR-positie. De prestatie van het prognosemodel voor de marktrisicofactoren wordt over een lange tijdshorizon gevalideerd;

c)

de prijsmodellen voor de berekening van de CCR-positie in een bepaald scenario waarbij marktrisicofactoren toekomstige schokken ondergaan, worden getest in het kader van het validatieproces van het model. In prijsmodellen voor opties wordt rekening gehouden met de niet-lineariteit van de optiewaarde ten opzichte van marktrisicofactoren;

d)

in het EPE-model wordt transactiespecifieke informatie verwerkt om posities te aggregeren op het niveau van het samenstel van verrekenbare transacties. De kredietinstelling verifieert of de transacties in het model in het passende samenstel van verrekenbare transacties zijn ondergebracht;

e)

het EPE-model bevat ook transactiespecifieke informatie om het effect van margeovereenkomsten in aanmerking te nemen. Het houdt rekening met zowel het actuele bedrag van de marge als met toekomstige margestortingen tussen tegenpartijen. Dit model houdt tevens rekening met de aard van de margeovereenkomsten (unilateraal of bilateraal), de frequentie van de margevorderingen, de margin period of risk, de minimumomvang van een niet door margestortingen gedekte positie die de kredietinstelling bereid is te accepteren en het minimumbedrag van de overdracht. Een dergelijk model modelleert de verandering in de marktwaarde van de gestelde zekerheden of past de regels toe van bijlage VIII; en

f)

in het kader van het validatieproces van het model worden statische, historische tests achteraf uitgevoerd op basis van representatieve tegenpartijportefeuilles. De kredietinstelling verricht deze tests achteraf op een aantal regelmatige representatieve tegenpartijportefeuilles (feitelijke of hypothetische). Deze representatieve portefeuilles worden gekozen op grond van hun gevoeligheid voor de wezenlijke risicofactoren en -correlaties waaraan de kredietinstelling is blootgesteld;

Indien bij de test achteraf blijkt dat het model niet precies genoeg is, trekken de bevoegde autoriteiten de modelgoedkeuring in of leggen zij passende maatregelen op om ervoor te zorgen dat het model onmiddellijk wordt verbeterd. Zij kunnen tevens eisen dat voldoende eigen vermogen wordt aangehouden overeenkomstig artikel 136.

DEEL 7

Contractuele verrekening (schuldvernieuwingscontracten en andere verrekeningsovereenkomsten)

a)

Vormen van verrekening die door de bevoegde autoriteiten in aanmerking mogen worden genomen

Voor de toepassing van dit deel wordt onder „tegenpartij” verstaan: elk lichaam (met inbegrip van natuurlijke personen) dat bekwaam is een overeenkomst inzake contractuele verrekening te sluiten en onder „contractuele cross-product verrekeningsovereenkomst”: een schriftelijke bilaterale overeenkomst tussen een kredietinstelling en een wederpartij waarbij een enkele juridische verbintenis tot stand komt die alle daarin opgenomen en tot verschillende productsoorten behorende bilaterale raamovereenkomsten en transacties dekt. Contractuele cross-product verrekeningsovereenkomsten gelden niet voor andere vormen van verrekening dan op bilaterale basis.

Met het oog op cross-product-verrekening worden de volgende producten geacht tot verschillende categorieën te behoren:

i)

repos, omgekeerde repos, transacties inzake opgenomen of verstrekte effecten of grondstoffenleningen;

ii)

margin lending transacties; en

iii)

de in bijlage IV genoemde overeenkomsten.

De bevoegde autoriteiten mogen de volgende vormen van contractuele verrekening als risicoverminderend in aanmerking nemen:

i)

bilaterale schuldvernieuwingscontracten tussen een kredietinstelling en haar tegenpartij, krachtens welke wederzijdse vorderingen en verplichtingen automatisch worden verrekend, zodat deze schuldvernieuwing telkens wanneer schuldvernieuwing van toepassing is, leidt tot de vaststelling van één nettobedrag, waardoor één rechtens bindend nieuw contract ontstaat dat in de plaats van de vroegere contracten treedt;

ii)

andere bilaterale verrekeningsovereenkomsten tussen een kredietinstelling en haar tegenpartij; en

iii)

contractuele cross-product verrekeningsovereenkomsten voor kredietinstellingen die van de bevoegde autoriteiten toestemming hebben gekregen voor gebruik van de in deel 6 beschreven methode, voor onder die methode begrepen transacties. Onderlinge verrekeningstransacties tussen leden van een groep worden niet erkend voor de berekening van kapitaalvereisten.

b)

Voorwaarden voor de inaanmerkingneming

De bevoegde autoriteiten mogen contractuele verrekening slechts onder de volgende voorwaarden als risicoverminderend in aanmerking nemen:

i)

de kredietinstelling heeft een overeenkomst inzake contractuele verrekening met haar tegenpartij, waaruit één enkele juridische verplichting ontstaat die alle onder die overeenkomst vallende transacties bestrijkt, zodat als een tegenpartij ingevolge in gebreke blijven, faillissement of liquidatie, dan wel andere soortgelijke omstandigheden niet aan haar verplichtingen voldoet, de kredietinstelling slechts een vordering tot ontvangst of een verplichting tot betaling heeft van het nettobedrag van de tegen marktwaarde gewaardeerde positieve en negatieve waarden van de afzonderlijke onder de overeenkomst vallende transacties;

ii)

de kredietinstelling heeft aan de bevoegde autoriteiten schriftelijke en met redenen omklede juridische adviezen ter beschikking gesteld, volgens welke de bevoegde rechterlijke en bestuurlijke autoriteiten, in geval van een geschil, zouden oordelen dat in de onder i) beschreven gevallen de vorderingen en verplichtingen van de kredietinstelling beperkt zijn tot het nettobedrag als omschreven onder i), krachtens:

het recht van het rechtsgebied waarin de tegenpartij haar statutaire zetel heeft en, indien het een buitenlands bijkantoor van een onderneming betreft, tevens het recht van het rechtsgebied waarin het bijkantoor is gevestigd;

het recht dat van toepassing is op de afzonderlijke onder de overeenkomst vallende transacties; en

het recht dat van toepassing is op de eventuele contracten of overeenkomsten die noodzakelijk zijn ter uitvoering van de contractuele verrekening;

iii)

de kredietinstelling beschikt over procedures die garanderen dat de rechtsgeldigheid van de door haar verrichte contractuele verrekening voortdurend getoetst wordt aan eventuele wijzigingen in het toepasselijke recht;

iv)

de kredietinstelling bewaart alle vereiste documentatie in haar dossiers;

v)

de effecten van de verrekening worden als factor meegewogen in de raming van de kredietinstelling van de totale kredietrisicoposities van elke tegenpartij en de kredietinstelling beheert haar tegenpartijkredietrisico op die basis; en

vi)

het kredietrisico voor elke tegenpartij wordt samengevoegd om te komen tot een enkel juridisch risico over alle transacties. Deze optelling wordt als factor meegewogen in de procedures inzake kredietlimieten en het interne kapitaal.

De bevoegde autoriteiten moeten, indien nodig na overleg met andere betrokken bevoegde autoriteiten, ervan overtuigd zijn dat de contractuele verrekening krachtens het recht van alle betrokken rechtsgebieden rechtsgeldig is. Indien een van deze bevoegde autoriteiten te dien aanzien niet overtuigd is, zal de overeenkomst inzake contractuele verrekening voor geen van beide tegenpartijen als risicoverminderend in aanmerking worden genomen.

De bevoegde autoriteiten mogen met redenen omklede juridische adviezen aanvaarden die per type contractuele verrekening zijn opgesteld.

Overeenkomsten welke een beding bevatten op grond waarvan een niet in gebreke zijnde tegenpartij slechts beperkte betalingen of in het geheel geen betalingen aan de boedel van de in gebreke zijnde partij kan verrichten, zelfs wanneer deze laatste partij een nettocrediteur is („afhaak”-beding („walkaway clause”)), worden niet als risicoverminderend in aanmerking genomen.

Daarnaast moeten contractuele cross-product verrekeningsovereenkomsten beantwoorden aan de volgende criteria:

a)

het in punt b), onder i) van dit deel bedoelde nettobedrag is het nettobedrag van de positieve en negatieve uitverkoopwaarden (close out values) van de eventuele opgenomen afzonderlijke bilaterale raamovereenkomst en van de tegen marktwaarde gewaardeerde positieve en negatieve waarden van de afzonderlijke transacties (het „Cross-Product Netto Bedrag”);

b)

het in punt b), onder ii) van dit deel bedoelde schriftelijke en met redenen omklede juridische adviezen behelst de geldigheid en juridische afdwingbaarheid van de gehele contractuele cross-product verrekeningsovereenkomst, en het effect van de verrekeningsregeling op de essentiële bepalingen van een eventueel opgenomen individuele bilaterale raamovereenkomst. Een juridisch advies wordt als zodanig erkend door de juridische gemeenschap in de lidstaat die de kredietinstelling vergunning heeft verleend of door een ’memorandum of law’ waarin alle relevante aspecten op gemotiveerde wijze worden geanalyseerd;

c)

de kredietinstelling beschikt over de in punt b), onder iii) van dit deel bedoelde procedures om te verifiëren dat elke transactie die in de verrekeningsregeling moet worden opgenomen, wordt gedekt door een juridisch advies; en

d)

bij het in aanmerking nemen van de contractuele cross-product-verrekeningsovereenkomst blijft de kredietinstelling de vereisten naleven voor de erkenning van bilaterale verrekening en de vereisten van artikelen 90 tot en met 93 voor de erkenning van kredietrisicolimitering, zoals van toepassing, met betrekking tot elke opgenomen afzonderlijke bilaterale raamovereenkomst en transactie.

c)

Gevolgen van de inaanmerkingneming

Met het oog op de toepassing van deel 5 en 6 wordt netting erkend zoals daarin omschreven.

i)

Schuldvernieuwingscontracten

In plaats van de betreffende brutobedragen mogen de nettobedragen die uit schuldvernieuwingscontracten resulteren, worden gewogen. Op deze wijze kunnen bij toepassing van deel 3

voor stap a): de actuele vervangingswaarde, en

voor stap b): de theoretische hoofdsommen of de onderliggende waarden

worden berekend met inachtneming van het schuldvernieuwingscontract. Bij toepassing van deel 4 kan voor stap a) de theoretische hoofdsom worden berekend met inachtneming van het schuldvernieuwingscontract; de percentages van tabel 3 zijn van toepassing.

ii)

Overige verrekeningsovereenkomsten

Bij toepassing van deel 3:

mag voor stap a) de actuele vervangingswaarde voor contracten die onder een verrekeningsovereenkomst vallen, worden berekend door de actuele hypothetische nettovervangingswaarde die uit de overeenkomst resulteert in aanmerking te nemen; indien de verrekening ertoe leidt dat de kredietinstelling die de nettovervangingswaarde berekent, een nettobetalingsverplichting heeft, wordt de actuele vervangingswaarde op nul gesteld, en

mag voor stap b) het bedrag van de potentiële toekomstige kredietpositie, voor alle contracten die onder een verrekeningsovereenkomst vallen, worden verlaagd volgens de onderstaande vergelijking:

PKRverlaagd = 0,4 * PKRbruto + 0,6 * NBR * PKRbruto

waarin:

PKRverlaagd =

het verlaagde bedrag van de potentiële toekomstige kredietpositie van alle contracten met eenzelfde tegenpartij die onder een rechtsgeldige bilaterale verrekeningsovereenkomst vallen

PKRbruto =

de som van de bedragen van de potentiële toekomstige kredietposities van alle contracten met eenzelfde tegenpartij die onder een rechtsgeldige bilaterale verrekeningsovereenkomst vallen en worden berekend door de theoretische hoofdsommen ervan te vermenigvuldigen met de in tabel 1 vermelde percentages

NBR =

„netto/bruto-ratio”: naar keuze van de toezichthoudende autoriteiten:

i)

afzonderlijke berekening: het quotiënt van de nettovervangingswaarde van alle contracten die onder een rechtsgeldige bilaterale verrekenings-overeenkomst met een bepaalde tegenpartij vallen (teller), en de brutovervangings-waarde van alle contracten die onder een rechtsgeldige bilaterale verrekeningsovereenkomst met dezelfde tegenpartij vallen (noemer); ofwel

ii)

geaggregeerde berekening: het quotiënt van de som van de op bilaterale basis berekende nettovervangingswaarde met betrekking tot alle tegenpartijen, rekening houdend met de contracten die onder rechtsgeldige verrekeningsovereenkomsten vallen (teller), en de brutovervangingswaarde van alle contracten die onder rechtsgeldige verrekeningsovereenkomsten vallen (noemer).

Indien de lidstaten kredietinstellingen toestaan tussen de methoden te kiezen, moet de gekozen methode consistent gebruikt worden.

Voor de berekening van de potentiële toekomstige kredietpositie volgens bovenstaande formule mogen onder de verrekeningsovereenkomst vallende perfect matchende contracten worden beschouwd als één enkel contract waarvan de theoretische hoofdsom gelijk is aan de netto-opbrengsten. Perfect matchende contracten zijn valutatermijncontracten of soortgelijke contracten waarvan de theoretische hoofdsom gelijk is aan de kasstromen, indien de kasstromen op dezelfde datum vervallen en geheel of gedeeltelijk in dezelfde valuta luiden.

Bij toepassing van deel 4 mogen voor stap a):

onder de verrekeningsovereenkomst vallende perfect matchende contracten worden beschouwd als één enkel contract waarvan de theoretische hoofdsom gelijk is aan de netto-opbrengsten; de theoretische hoofdsommen worden vermenigvuldigd met de in tabel 3 vermelde percentages; en

voor alle overige contracten die onder een verrekeningsovereenkomst vallen, de toe te passen percentages worden verlaagd overeenkomstig tabel 6:

Tabel 6

Oorspronkelijke looptijd (5)

Rentecontracten

Valutacontracten

Eén jaar of korter

0,35 %

1,50 %

Langer dan één jaar doch niet langer dan twee jaar

0,75 %

3,75 %

Verhoging voor ieder jaar extra

0,75 %

2,25 %


(1)  Contracten die niet tot een van de in de tabel vermelde vijf categorieën behoren, moeten worden behandeld als contracten die betrekking hebben op andere goederen dan edele metalen.

(2)  Voor contracten waarbij de hoofdsom meer dan eens wordt betaald, moeten de percentages worden vermenigvuldigd met het resterende aantal betalingen dat volgens het contract nog moet worden verricht.

(3)  Voor contracten die gestructureerd zijn om na gespecificeerde betalingsdata de risicopositie af te wikkelen en waarvan de voorwaarden zodanig herzien worden dat de marktwaarde van het contract op deze gespecificeerde data nihil is, is de resterende looptijd gelijk aan de periode tot de volgende herzieningsdatum. In het geval van rentecontracten die aan deze criteria voldoen en een resterende looptijd van meer dan één jaar hebben, mag het percentage niet lager zijn dan 0,5 %.

(4)  In het geval van rentecontracten kunnen kredietinstellingen, behoudens goedkeuring van de bevoegde autoriteiten, voor de oorspronkelijke of voor de resterende looptijd kiezen.

(5)  In het geval van rentecontracten kunnen kredietinstellingen, behoudens goedkeuring van de bevoegde autoriteiten, voor de oorspronkelijke of voor de resterende looptijd kiezen.


BIJLAGE IV

CATEGORIEËN DERIVATEN

1.

Rentecontracten:

a)

Renteswaps die betrekking hebben op één valuta

b)

Basisswaps

c)

Rentetermijncontracten

d)

Rentefutures

e)

Gekochte renteopties, en

f)

Andere contracten van gelijke aard

2.

Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen of goud:

a)

Cross-currency renteswaps

b)

Valutatermijncontracten

c)

Valutafutures

d)

Gekochte valutaopties

e)

Andere contracten van gelijke aard, en

f)

Contracten die betrekking hebben op goud en van gelijke aard zijn als de contracten onder a) tot en met e)

3.

Contracten die van gelijke aard zijn als die in punt 1, onder a) tot en met e), en punt 2, onder a) tot en met d), die betrekking hebben op andere onderliggende waarden of indices. Hiertoe behoren minimaal alle instrumenten die nader worden genoemd in de punten 4 tot en met 7, 9 en 10 in deel C van bijlage I van Richtlijn 2004/39/EG en die niet in de punten 1 of 2 zijn opgenomen.


BIJLAGE V

TECHNISCHE CRITERIA VOOR DE ORGANISATIE EN BEHANDELING VAN RISICO’S

1.   GOVERNANCE

1.

Het in artikel 11 bedoelde leidinggevende orgaan treft regelingen met het oog op de scheiding van taken in de organisatie en de voorkoming van belangenconflicten.

2.   BEHANDELING VAN RISICO’S

2.

Het in artikel 11 bedoelde leidinggevende orgaan hecht zijn goedkeuring aan en gaat periodiek over tot de evaluatie van de strategieën en gedragslijnen voor het aangaan, beheren, bewaken en verminderen van de risico's waaraan de kredietinstelling blootgesteld is of eventueel kan zijn, met inbegrip van de risico's die voortvloeien uit de macro-economische omgeving waarin de instelling actief is en die verband houden met de stand van de conjunctuurcyclus.

3.   KREDIET- EN TEGENPARTIJRISICO

3.

De kredietverlening geschiedt op basis van gedegen en welomschreven criteria. De procedure voor de acceptatie, aanpassing, vernieuwing en herfinanciering van kredieten wordt duidelijk vastgelegd.

4.

Voor de lopende administratie en bewaking van de diverse portefeuilles en vorderingen waaraan een kredietrisico verbonden is, met inbegrip van de detectie en het beheer van probleemkredieten, het verrichten van adequate waardeaanpassingen en de vorming van voorzieningen, wordt van doeltreffende systemen gebruik gemaakt.

5.

De spreiding van de kredietportefeuilles sluit aan bij de doelmarkten en bij de algemene kredietstrategie van de kredietinstelling.

4.   RESTRISICO

6.

Het risico dat door de kredietinstelling toegepaste, erkende technieken voor de vermindering van het kredietrisico minder doeltreffend blijken dan verwacht, wordt aangepakt en beheerst door middel van schriftelijk vastgelegde gedragslijnen en procedures.

5.   CONCENTRATIERISICO

7.

Het concentratierisico dat voortvloeit uit vorderingen op tegenpartijen, groepen van verbonden tegenpartijen en tegenpartijen van dezelfde economische sector of geografische regio, dan wel uit dezelfde activiteit of grondstof, de toepassing van technieken voor de vermindering van het kredietrisico, en met name grote indirecte kredietrisico's (bv. jegens één enkele uitgevende instelling van zekerheden), wordt aangepakt en beheerst door middel van schriftelijk vastgelegde gedragslijnen en procedures.

6.   SECURITISATIERISICO'S

8.

De risico’s die voortvloeien uit securitisatietransacties waarbij de kredietinstellingen als initiator of sponsor optreden, worden beoordeeld en aangepakt aan de hand van passende gedragslijnen en procedures om er met name voor te zorgen dat bij het nemen van beslissingen op het gebied van de risicobeoordeling en het risicobeheer ten volle met het economische belang van de transactie rekening wordt gehouden.

9.

Kredietinstellingen die optreden als initiator van revolverende securitisatietransacties waarbij er sprake is van vervroegde-aflossingsbepalingen, stellen een liquiditeitsplan vast om de gevolgen van zowel geplande als vervroegde aflossingen op te vangen.

7.   MARKTRISICO'S

10.

Er worden voorschriften en procedures voor het meten en beheren van alle wezenlijke bronnen en effecten van marktrisico's ingevoerd.

8.   UIT ACTIVITEITEN BUITEN HANDELSPORTEFEUILLE VOORTVLOEIEND RENTERISICO

11.

Er worden systemen toegepast voor de beoordeling en het beheer van het risico dat uit potentiële veranderingen in rentetarieven voortvloeit, voorzover deze veranderingen van invloed zijn op de activiteiten buiten handelsportefeuillevan een kredietinstelling.

9.   OPERATIONEEL RISICO

12.

Er worden gedragslijnen en procedures toegepast om de blootstelling aan operationeel risico, met inbegrip van zelden voorkomende, zeer ernstige gebeurtenissen, te beoordelen en te beheren. Onverminderd de in artikel 4, punt (22), vervatte definitie wordt door de kredietinstellingen nader omschreven wat voor de toepassing van deze gedragslijnen en procedures onder operationeel risico moet worden verstaan.

13.

Er bestaan calamiteiten- en bedrijfscontinuïteitsplannen om ervoor te zorgen dat de continuïteit van de bedrijfsvoering van kredietinstellingen is verzekerd en dat de verliezen kunnen worden beperkt ingeval de bedrijfsactiviteiten ernstig worden verstoord.

10.   LIQUIDITEITSRISICO

14.

Er bestaan gedragslijnen en procedures voor de meting en het beheer van de actuele en toekomstige netto financiële positie en behoeften. Er worden alternatieve scenario's in overweging genomen en de hypothesen die aan beslissingen betreffende de netto financiële positie ten grondslag liggen, worden regelmatig aan een nieuw onderzoek onderworpen.

15.

Er bestaan calamiteitenplannen om aan liquiditeitscrises het hoofd te kunnen bieden.


BIJLAGE VI

STANDAARDBENADERING

DEEL 1

Risicogewichten

1.   VORDERINGEN OP CENTRALE OVERHEDEN EN CENTRALE BANKEN

1.1   Behandeling

1.

Onverminderd de punten 2 tot en met 7 wordt aan vorderingen op centrale overheden en centrale banken een risicogewicht van 100 % toegekend.

2.

Onder voorbehoud van punt 3 wordt aan vorderingen op centrale overheden en centrale banken waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen externe kredietbeoordelingsinstelling (EKBI) beschikbaar is, conform tabel 1 een risicogewicht toegekend in overeenstemming met de onderbrenging door de bevoegde autoriteiten van de kredietbeoordelingen van erkende EKBI's in zes categorieën van een kredietkwaliteitbeoordelingsschaal.

Tabel 1

Krediet-kwaliteits-categorie

1

2

3

4

5

6

Risico-gewicht

0 %

20 %

50 %

100 %

100 %

150 %

3.

Aan vorderingen op de Europese Centrale Bank wordt een risicogewicht van 0 % toegekend.

1.2.   Vorderingen luidend in de nationale valuta van de leningnemer

4.

Aan vorderingen op de centrale overheden en de centrale banken van de lidstaten die luiden in de nationale valuta en die gefinancierd zijn in de nationale valuta van die centrale overheid en centrale bank wordt een risicogewicht van 0 % toegekend.

5.

Wanneer de bevoegde autoriteiten van een derde land met een toezicht- en regelgevingsstelsel dat ten minste gelijkwaardig is aan de stelsels die in de Gemeenschap worden toegepast, aan in de nationale valuta luidende en gefinancierde vorderingen op hun centrale overheid en centrale bank een lager risicogewicht toekennen dan in de punten 1 en 2 is aangegeven, kunnen de lidstaten hun kredietinstellingen toestaan het risicogewicht van dergelijke vorderingen op dezelfde wijze vast te stellen.

1.3.   Gebruik van kredietbeoordelingen van exportkredietverzekeringsmaatschappijen

6.

De kredietbeoordelingen van een exportkredietverzekeringsmaatschappij worden erkend door de bevoegde autoriteiten als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

het is een via een consensus tot stand gekomen risicoscore van exportkredietverzekeringsmaatschappijendie deelnemen aan de OESO-regeling inzake richtsnoeren op het gebied van door de overheid gesteunde exportkredieten; of

b)

de exportkredietverzekeringsmaatschappij publiceert haar kredietbeoordelingen en houdt zich aan de OESO-methodologie; de kredietbeoordeling is gekoppeld aan een van de acht minimumexportverzekeringspremies (MEVP's) waarin de OESO-methodologie voorziet.

7.

Aan vorderingen waarvoor een kredietbeoordeling van een exportkredietverzekeringsmaatschappij voor risicowegingsdoeleinden wordt erkend, wordt conform tabel 2 een risicogewicht toegekend.

Tabel 2

MEVP

0

1

2

3

4

5

6

7

Risico-gewicht

0 %

0 %

20 %

50 %

100 %

100 %

100 %

150 %

2.   VORDERINGEN OP REGIONALE EN LAGERE OVERHEDEN

8.

Onverminderd de punten 9 tot en met 11 wordt aan vorderingen op regionale en lagere overheden hetzelfde risicogewicht toegekend als aan vorderingen op instellingen. Deze behandeling staat los van de gebruikmaking van de in artikel 80, lid 3, gespecificeerde keuzemogelijkheid. De preferentiële behandeling van de in de punten 31, 32 en 37 gespecificeerde kortlopende vorderingen wordt niet toegepast.

9.

Vorderingen op regionale en lagere overheden worden behandeld als vorderingen op de centrale overheid in wier rechtsgebied deze gevestigd zijn, indien er tussen deze vorderingen geen verschil in risico bestaat vanwege de specifieke bevoegdheden van de regionale en lagere overheden om inkomsten te verkrijgen en het bestaan van specifieke institutionele regels waardoor de kans dat genoemde overheden in gebreke blijven, wordt verminderd.

De bevoegde autoriteiten stellen de lijst op van de regionale en lagere overheden die hetzelfde risicogewicht krijgen als centrale overheden.

10.

Vorderingen op kerken en godsdienstige gemeenschappen die een rechtspersoon van publiek recht zijn, worden, voorzover deze instellingen belastingen heffen overeenkomstig de wetgeving die hun daartoe het recht verleent, behandeld als vorderingen op regionale en lagere overheden, met dien verstande dat punt 9 niet van toepassing is. In dit geval wordt voor de toepassing van artikel 89, lid 1, onder a) de toestemming tot toepassing van titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3, onderafdeling 1 niet uitgesloten.

11.

Wanneer de bevoegde autoriteiten van een derde land met een toezicht- en regelgevingsstelsel dat ten minste gelijkwaardig is aan de stelsels die in de Gemeenschap worden toegepast, vorderingen op regionale en lagere overheden behandelen als vorderingen op hun centrale overheid, kunnen de lidstaten hun kredietinstellingen toestaan het risicogewicht van de betrokken regionale en lagere overheden op dezelfde wijze vast te stellen.

3.   VORDERINGEN OP ADMINISTRATIEVE ORGANEN EN NIET-COMMERCIËLE ONDERNEMINGEN

3.1.   Behandeling

12.

Onverminderd de punten 13 tot en met 17 wordt aan vorderingen op administratieve organen en niet-commerciële ondernemingen een risicogewicht van 100 % toegekend.

3.2.   Publiekrechtelijke lichamen

13.

Onverminderd de punten 14 tot en met 17 wordt aan vorderingen op publiekrechtelijke lichamen een risicogewicht van 100 % toegekend.

14.

De bevoegde autoriteiten beschikken over de mogelijkheid om vorderingen op publiekrechtelijke lichamen te behandelen als vorderingen op instellingen. De gebruikmaking door de bevoegde autoriteiten van deze keuzemogelijkheid staat los van de gebruikmaking van de in artikel 80, lid 3, gespecificeerde keuzemogelijkheid. De preferentiële behandeling van de in de punten 31, 32 en 37 gespecificeerde kortlopende vorderingen wordt niet toegepast.

15.

In uitzonderlijke omstandigheden kunnen vorderingen op publiekrechtelijke lichamen worden behandeld als vorderingen op de centrale overheid in wier rechtsgebied deze gevestigd zijn, indien er, naar de mening van de bevoegde autoriteiten, tussen deze vorderingen geen verschil in risico bestaat wegens het bestaan van een passende garantie van de centrale overheid.

16.

Wanneer de bevoegde autoriteiten van een lidstaat gebruik maken van de mogelijkheid om vorderingen op publiekrechtelijke lichamen als vorderingen op instellingen of als vorderingen op de centrale overheid op wier grondgebied deze gevestigd zijn, te behandelen, staan de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat hun kredietinstellingen toe het risicogewicht van de vorderingen op de betrokken publiekrechtelijke lichamen op dezelfde wijze vast te stellen.

17.

Wanneer de bevoegde autoriteiten van een derde land met een toezicht- en regelgevingsstelsel dat ten minste gelijkwaardig is aan de stelsels die in de Gemeenschap worden toegepast, vorderingen op publiekrechtelijke lichamen behandelen als vorderingen op instellingen, kunnen de lidstaten hun kredietinstellingen toestaan het risicogewicht van de betrokken publiekrechtelijke lichamen op dezelfde wijze vast te stellen.

4.   VORDERINGEN OP MULTILATERALE ONTWIKKELINGSBANKEN

4.1.   Toepassingsgebied

18.

Voor de toepassing van de artikelen 78 tot en met 83 worden de Inter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij, de Zwarte Zee-Handels- en ontwikkelingsbank en de Midden-Amerikaanse Bank voor economische integratie als een multilaterale ontwikkelingsbank aangemerkt.

4.2.   Behandeling

19.

Onverminderd de punten 20 en 21 worden vorderingen op multilaterale ontwikkelingsbanken op dezelfde wijze behandeld als vorderingen op instellingen, dat wil zeggen conform de punten 29 tot en met 32. De preferentiële behandeling van de in de punten 31, 32 en 37 gespecificeerde kortlopende vorderingen is niet van toepassing.

20.

Aan vorderingen op de volgende multilaterale ontwikkelingsbanken wordt een risicogewicht van 0 % toegekend:

a)

de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling;

b)

de Internationale Financieringsmaatschappij;

c)

de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank;

d)

de Aziatische Ontwikkelingsbank;

e)

de Afrikaanse Ontwikkelingsbank;

f)

het Vestigingsfonds van de Raad van Europa;

g)

de Nordic Investment Bank;

h)

de Caraïbische Ontwikkelingsbank;

i)

de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling;

j)

de Europese Investeringsbank;

k)

het Europees Investeringsfonds; en

l)

het Multilateraal Agentschap voor Investeringsgaranties.

21.

Aan het niet-gestorte gedeelte van het geplaatst kapitaal van het Europees Investeringsfonds wordt een risicogewicht van 20 % toegekend.

5.   VORDERINGEN OP INTERNATIONALE ORGANISATIES

22.

Aan vorderingen op de volgende internationale organisaties wordt een risicogewicht van 0 % toegekend:

a)

de Europese Gemeenschap;

b)

het Internationaal Monetair Fonds;

c)

de Bank voor Internationale Betalingen.

6.   VORDERINGEN OP INSTELLINGEN

6.1.   Behandeling

23.

Bij de vaststelling van de risicogewichten van vorderingen op instellingen wordt een van de beide methoden toegepast die in respectievelijk de punten 26 en 27 en de punten 29 tot en met 32 worden beschreven.

24.

Onverminderd de overige bepalingen van de punten 23 tot en met 39 wordt aan vorderingen op financiële instellingen waaraan vergunning is verleend en waarop toezicht wordt uitgeoefend door de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de vergunningverlening aan en het toezicht op kredietinstellingen, en die onderworpen zijn aan prudentiële eisen die gelijkwaardig zijn aan die welke voor kredietinstellingen gelden, hetzelfde risicogewicht toegekend als aan vorderingen op instellingen.

6.2.   Minimumrisicogewicht van vorderingen op instellingen zonder externe rating

25.

Het risicogewicht van vorderingen op een instelling zonder externe rating mag niet lager zijn dan het risicogewicht dat aan vorderingen op haar centrale overheid wordt toegekend.

6.3.   Op het risicogewicht van de centrale overheid gebaseerde methode

26.

Aan vorderingen op een instelling wordt conform tabel 3 een risicogewicht toegekend op basis van de kredietkwaliteitscategorie waarin vorderingen op de centrale overheid in wier rechtsgebied de statutaire zetel van de betrokken instelling gelegen is, zijn ondergebracht.

Tabel 3

Kredietkwaliteits-categorie waarin de centrale overheid is ondergebracht

1

2

3

4

5

6

Risicogewicht van de vordering

20 %

50 %

100 %

100 %

100 %

150 %

27.

Het risicogewicht van vorderingen op instellingen waarvan de statutaire zetel gelegen is in landen waarvan de centrale overheid geen externe rating heeft, bedraagt ten hoogste 100 %.

28.

Aan vorderingen op instellingen met een oorspronkelijke effectieve looptijd van drie maanden of minder moet een gewicht van 20 % worden toegekend.

6.4.   Op een kredietbeoordeling gebaseerde methode

29.

Aan vorderingen op instellingen met een oorspronkelijke effectieve looptijd van meer dan drie maanden waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt conform tabel 4 een risicogewicht toegekend in overeenstemming met de onderbrenging door de bevoegde autoriteiten van de kredietbeoordelingen van erkende EKBI's in zes categorieën van een kredietkwaliteitbeoordelingsschaal.

Tabel 4

Kredietkwaliteits-categorie

1

2

3

4

5

6

Risicogewicht

20 %

50 %

50 %

100 %

100 %

150 %

30.

Aan vorderingen op instellingen zonder externe rating wordt een risicogewicht van 50 % toegekend.

31.

Aan vorderingen op instellingen met een oorspronkelijke effectieve looptijd van ten hoogste drie maanden waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt conform tabel 5 een risicogewicht toegekend in overeenstemming met de onderbrenging door de bevoegde autoriteiten van de kredietbeoordelingen van erkende EKBI's in zes categorieën van een kredietkwaliteitbeoordelingsschaal.

Tabel 5

Kredietkwaliteits-categorie

1

2

3

4

5

6

Risicogewicht

20 %

20 %

20 %

50 %

50 %

150 %

32.

Aan vorderingen op instellingen zonder externe rating met een oorspronkelijke effectieve looptijd van ten hoogste drie maanden wordt een risicogewicht van 20 % toegekend.

6.5.   Interactie met kredietbeoordelingen voor de korte termijn

33.

Indien de in de punten 29 tot en met 32 gespecificeerde methode op vorderingen op instellingen wordt toegepast, dan is de interactie met specifieke kredietbeoordelingen voor de korte termijn als volgt.

34.

Indien er voor de vordering geen kredietbeoordeling voor de korte termijn bestaat, dan is de in punt 31 gespecificeerde algemene preferentiële behandeling van kortlopende vorderingen van toepassing op alle vorderingen op instellingen met een resterende looptijd van ten hoogste drie maanden.

35.

Indien er een kredietbeoordeling voor de korte termijn bestaat en indien deze leidt tot de toepassing van een risicogewicht dat gunstiger is dan of gelijk aan het risicogewicht dat voortvloeit uit de toepassing van de in punt 31 gespecificeerde algemene preferentiële behandeling van kortlopende vorderingen, dan wordt uitsluitend voor deze specifieke vordering van deze kredietbeoordeling gebruik gemaakt. Voor andere kortlopende vorderingen wordt de in punt 31 gespecificeerde algemene preferentiële behandeling toegepast.

36.

Indien er een kredietbeoordeling voor de korte termijn bestaat en indien deze leidt tot de toepassing van een risicogewicht dat minder gunstig is dan het risicogewicht dat voortvloeit uit de toepassing van de in punt 31 gespecificeerde algemene preferentiële behandeling van kortlopende vorderingen, dan wordt geen gebruik gemaakt van de algemene preferentiële behandeling van kortlopende vorderingen en wordt aan alle kortlopende schuldvorderingen zonder externe rating hetzelfde risicogewicht toegekend als het risicogewicht dat voortvloeit uit de toepassing van de desbetreffende kredietbeoordeling voor de korte termijn.

6.6.   Kortlopende vorderingen luidend in de nationale valuta van de leningnemer

37.

Aan in de nationale valuta luidende en gefinancierde vorderingen op instellingen met een resterende looptijd van ten hoogste drie maanden kan, naar keuze van de bevoegde autoriteit, volgens zowel de in de punten 26 en 27 als de in de punten 29 tot en met 32 beschreven methode een risicogewicht worden toegekend dat één klasse slechter is dan het in de punten 4 en 5 beschreven preferentiële risicogewicht dat aan vorderingen op de centrale overheid wordt toegekend.

38.

Het risicogewicht van in de nationale valuta van de leningnemer luidende en gefinancierde vorderingen met een resterende looptijd van ten hoogste drie maanden bedraagt ten minste 20 %.

6.7.   Beleggingen in eigenvermogensinstrumenten

39.

Aan beleggingen in door instellingen uitgegeven aandelen of eigenvermogensinstrumenten wordt een risicogewicht van 100 % toegekend, tenzij deze instrumenten in mindering zijn gebracht op het eigen vermogen.

6.8.   Door de ECB voorgeschreven minimumreserves

40.

Wanneer een vordering op een instelling de vorm heeft van door de ECB of door de centrale bank van een lidstaat voorgeschreven door de kredietinstelling aan te houden minimumreserves, mogen de lidstaten toestaan dat het risicogewicht wordt toegekend dat zou worden toegekend aan vorderingen op de centrale bank van de lidstaat in kwestie, mits:

a)

de reserves worden aangehouden overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1745/2003 van de Europese Centrale Bank van 12 september 2003 inzake de toepassing van reserveverplichtingen (1) of een latere vervangende verordening, of overeenkomstig nationale voorschriften die in alle wezenlijke opzichten gelijkwaardig zijn met de voorschriften van die verordening; en

b)

de reserves in geval van faillissement of insolventie van de instelling waar ze worden aangehouden tijdig en volledig aan de kredietinstelling worden terugbetaald en niet beschikbaar zijn om aan andere verplichtingen van de instelling te voldoen.

7.   VORDERINGEN OP ONDERNEMINGEN

7.1.   Behandeling

41.

Aan vorderingen waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt conform tabel 6 een risicogewicht toegekend in overeenstemming met de onderbrenging door de bevoegde autoriteiten van de kredietbeoordelingen van erkende EKBI's in zes categorieën van een kredietkwaliteitbeoordelingsschaal.

Tabel 6

Kredietkwaliteits-categorie

1

2

3

4

5

6

Risicogewicht

20 %

50 %

100 %

100 %

150 %

150 %

42.

Aan vorderingen waarvoor een dergelijke kredietbeoordeling niet beschikbaar is, wordt een risicogewicht van 100 % of het risicogewicht van de centrale overheid van het bedrijf toegekend, al naar gelang welk risicogewicht het hoogste is.

8.   VORDERINGEN OP PARTICULIEREN EN KLEINE PARTIJEN

43.

Aan vorderingen die aan de in artikel 79, lid 2, opgesomde criteria voldoen, wordt een risicogewicht van 75 % toegekend.

9.   DOOR ONROEREND GOED GEDEKTE VORDERINGEN

44.

Onverminderd de punten 45 tot en met 60 wordt aan vorderingen die volledig door onroerend goed zijn gedekt, een risicogewicht van 100 % toegekend.

9.1.   Door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed gedekte vorderingen

45.

Aan vorderingen of delen van vorderingen waarvoor ten behoeve van de bevoegde autoriteiten naar behoren is aangetoond dat zij geheel en volledig zijn gedekt door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed dat wordt of zal worden bewoond of verhuurd door de eigenaar of de economische rechthebbende in het geval van een particuliere beleggingsmaatschappij, wordt een risicogewicht van 35 % toegekend.

46.

Aan vorderingen waarvoor ten behoeve van de bevoegde autoriteiten naar behoren is aangetoond dat zij geheel en volledig zijn gedekt door aandelen in Finse ondernemingen voor de bouw van woningen, welke werkzaam zijn volgens de Finse wet op woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving ten aanzien van niet-zakelijk onroerend goed dat wordt of zal worden bewoond of verhuurd door de eigenaar, wordt een risicogewicht van 35 % toegekend.

47.

Aan vorderingen op een huurder in het kader van transacties inzake leasing met betrekking tot een niet-zakelijk onroerend goed, volgens welke de kredietinstelling de lessor is en de huurder een koopoptie heeft, wordt een risicogewicht van 35 % toegekend, mits de vordering van de kredietinstelling geheel en volledig is gedekt door de eigendom van het onroerend goed.

48.

De bevoegde autoriteiten spreken voor de toepassing van de punten 45 tot en met 47 pas een gunstig oordeel uit indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de waarde van het onroerend goed hangt niet in wezenlijke mate af van de kredietkwaliteit van de debiteur. Dit vereiste sluit geen situaties uit waarin louter macro-economische factoren een negatief effect hebben op zowel de waarde van het onroerend goed als het betalingsgedrag van de leningnemer;

b)

het risico van de leningnemer hangt niet in wezenlijke mate af van het rendement van het onderliggend onroerend goed of project, maar veeleer van de onderliggende capaciteit van de leningnemer om de schuld uit andere bronnen terug te betalen. De terugbetaling van de faciliteit als zodanig hangt niet in wezenlijke mate af van enigerlei kasstroom die wordt gegenereerd door het onderliggend onroerend goed dat als zekerheid fungeert;

c)

de minimumvereisten van bijlage VIII, deel 2, punt 8, en de waarderingsregels van bijlage VIII, deel 3, punten 62 tot en met 65, zijn in acht genomen; en

d)

de waarde van het onroerend goed is aanzienlijk hoger dan het bedrag van de vorderingen.

49.

Voor vorderingen die geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed dat zich op hun grondgebied bevindt, kunnen de bevoegde autoriteiten ontheffing verlenen van de in punt 48, onder b) gestelde voorwaarde, mits zij over het bewijs beschikken dat er op hun grondgebied sprake is van een goed ontwikkelde en reeds geruime tijd bestaande markt voor niet-zakelijk onroerend goed met verliescijfers die voldoende laag zijn om een dergelijke behandeling van deze vorderingen te wettigen.

50.

Wanneer de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van de in punt 49 geboden mogelijkheid gebruik maken, kunnen de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat hun kredietinstellingen toestaan een risicogewicht van 35 % toe te kennen aan de desbetreffende vorderingen die geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed.

9.2.   Door hypotheken op zakelijk onroerend goed gedekte vorderingen

51.

De bevoegde autoriteiten beschikken over de mogelijkheid om aan vorderingen of delen van vorderingen waarvoor volgens hen naar behoren is aangetoond dat zij geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op kantoorgebouwen of andere bedrijfsruimten die zich op hun grondgebied bevinden, een risicogewicht van 50 % toe te kennen.

52.

De bevoegde autoriteiten beschikken over de mogelijkheid om aan vorderingen waarvoor volgens hen naar behoren is aangetoond dat zij geheel en volledig gedekt zijn door aandelen in Finse ondernemingen voor de bouw van woningen welke werkzaam zijn volgens de Finse wet op woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving ten aanzien van kantoorgebouwen of andere bedrijfsruimten, een risicogewicht van 50 % toe te kennen.

53.

De bevoegde autoriteiten beschikken over de mogelijkheid om aan vorderingen die verband houden met transacties inzake financieringshuur van onroerende goederen welke betrekking hebben op kantoorgebouwen of andere bedrijfsruimten die zich op hun grondgebied bevinden, en krachtens welke de kredietinstelling de verhuurder is en de huurder een koopoptie heeft, een risicogewicht van 50 % toe te kennen, mits de vordering van de kredietinstelling geheel en volledig is gedekt ten genoege van de bevoegde autoriteit door de eigendom van het onroerend goed.

54.

De toepassing van de punten 51 tot en met 53 is onderworpen aan de volgende voorwaarden:

a)

de waarde van het onroerend goed hangt niet in wezenlijke mate af van de kredietkwaliteit van de debiteur. Dit vereiste sluit geen situaties uit waarin louter macro-economische factoren een negatief effect hebben op zowel de waarde van het onroerend goed als het betalingsgedrag van de leningnemer;

b)

het risico van de leningnemer hangt niet in wezenlijke mate af van het rendement van het onderliggend onroerend goed of project, maar veeleer van de onderliggende capaciteit van de leningnemer om de schuld uit andere bronnen terug te betalen. De terugbetaling van de faciliteit als zodanig hangt niet in wezenlijke mate af van enigerlei kasstroom die wordt gegenereerd door het onderliggend onroerend goed dat als zekerheid fungeert; en

c)

de minimumvereiste van bijlage VIII, deel 2, punt 8 en de waarderingsregels van bijlage VIII, deel 3, punten 62 tot en met 65, zijn in acht genomen.

55.

Het risicogewicht van 50 % wordt toegekend aan het gedeelte van de lening dat niet hoger ligt dan het op een van de volgende wijzen berekende maximum:

a)

50 % van de marktwaarde van het onroerend goed in kwestie;

b)

50 % van de marktwaarde van het onroerend goed of, indien dit bedrag lager uitvalt, 60 % van de hypotheekwaarde in lidstaten die bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen strikte criteria voor de berekening van de hypotheekwaarden hebben vastgesteld.

56.

Aan het gedeelte van de lening dat boven de in punt 55 bedoelde maxima ligt, wordt een risicogewicht van 100 % toegekend.

57.

Wanneer de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van een in de punten 51 tot en met 53 geboden mogelijkheid gebruik maken, kunnen de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat hun kredietinstellingen toestaan een risicogewicht van 50 % toe te passen op dergelijke vorderingen die geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op zakelijk onroerend goed.

58.

Voor vorderingen die geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op zakelijk onroerend goed dat zich op hun grondgebied bevindt, kunnen de bevoegde autoriteiten ontheffing verlenen van de in punt 54, onder b), gestelde voorwaarde, mits zij over het bewijs beschikken dat er op hun grondgebied sprake is van een goed ontwikkelde en reeds geruime tijd bestaande markt voor zakelijk onroerend goed met verliescijfers die de volgende maxima niet overtreffen:

a)

verliezen die voortvloeien uit leningen die gegarandeerd worden door zakelijk onroerend goed tot 50 % van de marktwaarde (of, in voorkomend geval en indien dit bedrag lager uitvalt, 60 % van de hypotheekwaarde) mogen niet meer zijn dan 0,3 % van de in een gegeven jaar uitstaande leningen, die gegarandeerd worden door niet-zakelijk onroerend goed; en

b)

de totale verliezen die voortvloeien uit leningen die gegarandeerd worden door zakelijk onroerend goed, mogen niet hoger liggen dan 0,5 % van de in een gegeven jaar uitstaande leningen, die gegarandeerd worden door niet-zakelijk onroerend goed.

59.

Indien in een gegeven jaar niet aan één van beide in punt 58 genoemde maxima is voldaan, kan niet langer gebruik worden gemaakt van punt 58 en is de in punt 54, onder b), gestelde voorwaarde van toepassing totdat in een volgend jaar aan de in punt 58 gestelde voorwaarden wordt voldaan.

60.

Wanneer de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van de in punt 58 geboden mogelijkheid gebruik maken, kunnen de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat hun kredietinstellingen toestaan een risicogewicht van 50 % toe te kennen aan dergelijke vorderingen die geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op zakelijk onroerend goed.

10.   ACHTERSTALLIGE POSTEN

61.

Onverminderd het bepaalde in de punten 62 tot en met 65 wordt aan het niet-gedekte gedeelte van een post die meer dan 90 dagen achterstallig is, die zich boven een drempelwaarde bevindt bepaald door de bevoegde autoriteiten en die een redelijk risiconiveau inhoudt, een risicogewicht toegekend van:

a)

150 % indien de waardeaanpassingen minder dan 20 % van het niet-gedekte gedeelte van de vordering vóór waardeaanpassingen bedragen; en

b)

100 % indien de waardeaanpassingen niet minder dan 20 % van het niet-gedekte gedeelte van de vordering vóór waardeaanpassingen bedragen;

62.

Voor de bepaling van het gedekte gedeelte van de achterstallige post zijn de toelaatbare zekerheden en garanties die welke toelaatbaar zijn voor de kredietrisicolimitering.

63.

Ingeval een achterstallige post volledig wordt gedekt door andere vormen van zekerheden dan die welke toelaatbaar zijn voor de kredietrisicolimitering, beschikken de bevoegde autoriteiten niettemin over de mogelijkheid een risicogewicht van 100 % toe te kennen wanneer de waardeaanpassingen 15 % van de vordering vóór waardeaanpassingen bedragen, mits zij strikte operationele criteria vaststellen om de goede kwaliteit van de zekerheden te waarborgen.

64.

Aan de in de punten 45 tot en met 50 bedoelde vorderingen die meer dan 90 dagen achterstallig zijn, wordt een risicogewicht toegekend van 100 % exclusief waardeaanpassingen. Indien de waardeaanpassingen niet minder dan 20 % van de vorderingen vóór waardeaanpassingen bedragen, beschikken de bevoegde autoriteiten over de mogelijkheid het op de rest van de vordering toepasselijke risicogewicht tot 50 % te verlagen.

65.

Aan de in de punten 51 tot en met 60 bedoelde vorderingen die meer dan 90 dagen achterstallig zijn, wordt een risicogewicht van 100 % toegekend.

11.   POSTEN MET VERHOOGD RISICO

66.

De bevoegde autoriteiten beschikken over de mogelijkheid om aan bijzonder risicovolle vorderingen, zoals investeringen in durfkapitaalfondsen en risicokapitaalinvesteringen, een risicogewicht van 150 % toe te kennen.

67.

De bevoegde autoriteiten kunnen toestaan dat aan niet-achterstallige posten waaraan overeenkomstig het bepaalde in dit deel een risicogewicht van 150 % wordt toegekend en waarvoor waardeaanpassingen zijn vastgesteld, een risicogewicht wordt toegekend van:

a)

100 % indien de waardeaanpassingen niet minder dan 20 % van de vordering vóór waardeaanpassingen bedragen; en

b)

50 % indien de waardeaanpassingen niet minder dan 50 % van de vordering vóór waardeaanpassingen bedragen.

12.   POSITIES IN GEDEKTE OBLIGATIES

68.

Onder „gedekte obligaties” wordt het volgende verstaan: obligaties als omschreven in artikel 22, lid 4, van Richtlijn 85/611/EEG en afgedekt door middel van de volgende in aanmerking komende activa:

a)

vorderingen op of gegarandeerd door centrale overheden, centrale banken, publiekrechtelijke lichamen, regionale overheden en lagere overheden in de EU;

b)

vorderingen op of gegarandeerd door centrale overheden van niet-EU-landen, centrale banken van niet-EU-landen, multilaterale ontwikkelingsbanken, internationale organisaties welke in aanmerking komen voor kredietkwaliteitscategorie 1 als vastgelegd in deze bijlage, en vorderingen op of gegarandeerd door publiekrechtelijke lichamen van niet-EU-landen, regionale overheden van niet-EU-landen en lagere overheden van niet-EU-landen, welke overeenkomstig respectievelijk de punten 8, 9, 14 of 15 eenzelfde risicogewicht hebben als vorderingen op instellingen of centrale overheden en centrale banken en welke in aanmerking komen voor kredietkwaliteitscategorie 1 als vastgelegd in deze bijlage, en vorderingen in de zin van dit punt welke ten minste in aanmerking komen voor kredietkwaliteitscategorie 2 als vastgelegd in deze bijlage, mits zij niet hoger liggen dan 20 % van het nominale bedrag van de uitstaande gedekte obligaties van uitgevende kredietinstellingen;

c)

vorderingen op instellingen welke in aanmerking komen voor kredietkwaliteitscategorie 1 als vastgelegd in deze bijlage. Het totaalbedrag van dergelijke vorderingen mag niet hoger liggen dan 15 % van het nominale bedrag van de uitstaande gedekte obligaties van de uitgevende kredietinstelling. Vorderingen die het gevolg zijn van overdrachten en beheer van betalingen van debiteuren, of liquidatieopbrengsten, uit hoofde van door onroerend goed gedekte leningen aan houders van gedekte obligaties, worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van de grenswaarde van 15 %. Vorderingen op instellingen in de EU met een looptijd van maximaal 100 dagen vallen niet onder de vereiste van categorie 1, maar deze instellingen moeten ten minste in aanmerking komen voor kredietkwaliteitscategorie 2 als vastgelegd in deze bijlage;

d)

leningen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed of aandelen in de in punt 46 bedoelde Finse ondernemingen voor de bouw van woningen, tot aan een waarde die de laagste is van de hoofdsom van de pandrechten in combinatie met eerder verleende pandrechten, en 80 % van de waarde van de in pand gegeven goederen blijven, of leningen die gedekt zijn door bevoorrechte aandelen die worden uitgegeven door Franse „Fonds Communs de Créances” of door equivalente effectiseringsinstellingen die onder de wetgeving van een lidstaat ressorteren en die door residentieel onroerend goed gedekte vorderingen effectiseren, op voorwaarde dat minstens 90 % van de activa van deze „Fonds Communs de Créances” of equivalente effectiseringsinstellingen die onder de wetgeving van een lidstaat ressorteren, bestaan uit hypotheken die gecombineerd zijn met eventueel eerder verleende pandrechten tot aan een waarde die de laagste is van de hoofdsommen die krachtens de bevoorrechte aandelen verschuldigd zijn, de hoofdsommen van de pandrechten en 80 % van de waarde van het in pand gegeven goederen, en dat de aandelen in aanmerking voor de kredietkwaliteitscategorie 1 als vastgelegd in deze bijlage, voor zover deze aandelen niet meer bedragen dan 20 % van het nominale bedrag van de uitstaande uitgifte; Vorderingen die het gevolg zijn van de overdracht en het beheer van betalingen van de debiteur van, of liquidatie-opbrengsten uit hoofde van, leningen die gedekt zijn door in pand gegeven goederen, preferente aandelen dan wel zekerheden van terugbetaling van de schuld, worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van de grenswaarde van 90 %;

e)

leningen die gedekt zijn door zakelijk onroerend goed of aandelen in de in punt 52 bedoelde Finse ondernemingen voor de bouw van woningen tot aan een waarde die de laagste is van de hoofdsom van de pandrechten die gecombineerd zijn met eerder verleende pandrechten en 60 % van de waarde van de in pand gegeven goederen, of door preferente aandelen die worden uitgegeven door de Franse „Fonds Communs de Créances” of door equivalente effectiseringsinstellingen die onder de wetgeving van een lidstaat ressorteren en die door zakelijk onroerend goed gedekte vorderingen effectiseren, op voorwaarde dat minstens 90 % van de activa van deze „Fonds Communs de Créances” of equivalente effectiseringsinstellingen die onder de wetgeving van een lidstaat ressorteren, bestaan uit hypotheken die gecombineerd zijn met eventueel eerder verleende pandrechten, tot aan een waarde die de laagste is van de volgende bedragen: de hoofdsom die verschuldigd is uit hoofde van de aandelen, de hoofdsom van de pandrechten, en 60 % van de waarde van de in pand gegeven goederen, en mits de aandelen in aanmerking komen voor de kredietkwaliteitscategorie 1 als vastgelegd in deze bijlage, voor zover deze aandelen niet meer bedragen dan 20 % van de waarde van de uitstaande uitgifte. De bevoegde autoriteiten kunnen door zakelijk onroerend goed gedekte leningen ook als toelaatbaar aanmerken wanneer de ratio van de lening ten opzichte van de waarde meer dan 60 % maar minder dan 70 % bedraagt, op voorwaarde dat de totale waarde van de als zekerheid voor de gedekte obligaties verschafte activa het nominale bedrag van de gedekte obligatie met ten minste 10 % overtreft en de rechten van de obligatiehouders voldoen aan de in bijlage VIII gestelde rechtszekerheidseisen. De rechten van de obligatiehouders hebben voorrang op alle andere zekerheidsrechten; Vorderingen die het gevolg zijn van de overdracht en het beheer van betalingen of liquidatie-opbrengsten van de debiteur van leningen die gedekt zijn door in pand gegeven goederen, preferente aandelen dan wel zekerheden van terugbetaling van de schuld, worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van de grenswaarde van 90 %; of

f)

leningen die gedekt zijn door schepen, maar alleen ingeval de pandrechten in combinatie met eerder verleende pandrechten onder de 60 % van de waarde van het in pand gegeven schip blijven.

Voor toepassing van deze bepaling wordt onder „afgedekt” mede verstaan de omstandigheden waarin de activa als omschreven in de letters a) tot en met f) wettelijk zijn bestemd om de houders van de obligaties tegen verliezen te beschermen.

Tot 31 december 2010 is de in de letters d) en e) vermelde limiet van 20 % voor bevoorrechte aandelen welke zijn uitgegeven door Franse „fonds communs de créances”, of door gelijkwaardige effectiseringsinstellingen, niet van toepassing voor zover voor die bevoorrechte aandelen een kredietbeoordelingscategorie van een aangewezen EKBI beschikbaar is die de gunstigste is welke de EKBI voor gedekte obligaties toekent. Voordat die termijn verstrijkt, wordt deze uitzondering opnieuw onderzocht en afhankelijk van de uitkomst van dat onderzoek kan de Commissie de termijn volgens de in artikel 151, lid 2, bedoelde procedure verlengen en in voorkomend geval opnieuw van een onderzoeksbepaling voorzien.

Tot en met 31 december 2010 kan de limiet van 60 % onder letter f) door een limiet van 70 % worden vervangen. Voordat die termijn verstrijkt, wordt deze uitzondering ondezocht en afhankelijk van de uitkomst van dat onderzoek kan de Commissie de termijn volgens de in artikel 151, lid 2 bedoelde procedure verlengen en in voorkomend geval opnieuw van een onderzoeksbepaling voorzien.

69.

Met betrekking tot als zekerheid voor gedekte obligaties verschaft onroerend goed nemen de kredietinstellingen de minimumvereisten van bijlage VIII, deel 2, punt 8, en de waarderingsregels van bijlage VIII, deel 3, punten 62 tot en met 65, in acht.

70.

In afwijking van de punten 68 en 69 komen ook gedekte obligaties die aan de definitie van artikel 22, punt 4, van Richtlijn 85/611/EEG voldoen en die vóór 31 december 2007 zijn uitgegeven, tot op hun eindvervaldag voor de preferentiële behandeling in aanmerking.

71.

Bij de toekenning van een risicogewicht aan gedekte obligaties wordt uitgegaan van het risicogewicht dat is toegekend aan preferente niet-gedekte vorderingen op de kredietinstelling die deze obligaties uitgeeft, waarbij tussen de desbetreffende risicogewichten het volgende verband geldt:

a)

indien aan de vorderingen op de instelling een risicogewicht van 20 % wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 10 % toegekend;

b)

indien aan de vorderingen op de instelling een risicogewicht van 50 % wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 20 % toegekend;

c)

indien aan de vorderingen op de instelling een risicogewicht van 100 % wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 50 % toegekend; en

d)

indien aan de vorderingen op de instelling een risicogewicht van 150 % wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 100 % toegekend.

13.   POSTEN DIE SECURITISATIEPOSITIES VERTEGENWOORDIGEN

72.

De risicogewichten van posten die securitisatieposities vertegenwoordigen, worden vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 94 tot en met 101.

14.   KORTLOPENDE VORDERINGEN OP INSTELLINGEN EN ONDERNEMINGEN

73.

Aan kortlopende vorderingen op een instelling of bedrijf waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt conform tabel 7 een risicogewicht toegekend in overeenstemming met de onderbrenging door de bevoegde autoriteiten van de kredietbeoordelingen van erkende EKBI's in zes categorieën van een kredietkwaliteitbeoordelingsschaal.

Tabel 7

Kredietkwaliteits-categorie

1

2

3

4

5

6

Risicogewicht

20 %

50 %

100 %

150 %

150 %

150 %

15.   POSITIES IN INSTELLINGEN VOOR COLLECTIEVE BELEGGING (ICB'S)

74.

Onverminderd het bepaalde in de punten 75 tot en met 81 wordt aan posities in instellingen voor collectieve belegging (ICB's) een risicogewicht van 100 % toegekend.

75.

Aan posities in ICB's waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt conform tabel 8 een risicogewicht toegekend in overeenstemming met de onderbrenging door de bevoegde autoriteiten van de kredietbeoordelingen van erkende EKBI's in zes categorieën van een kredietkwaliteitbeoordelingsschaal.

Tabel 8

Kredietkwaliteits-categorie

1

2

3

4

5

6

Risicogewicht

20 %

50 %

100 %

100 %

150 %

150 %

76.

Indien de bevoegde autoriteiten van oordeel zijn dat aan een positie in een ICB bijzonder grote risico's verbonden zijn, verlangen zij dat aan deze positie een risicogewicht van 150 % wordt toegekend.

77.

Het risicogewicht van een ICB mag door een kredietinstelling op de in de punten 79 tot en met 81 beschreven wijze worden vastgesteld, indien aan de volgende criteria is voldaan:

a)

de ICB wordt beheerd door een maatschappij waarop in een lidstaat toezicht wordt uitgeoefend of, mits de voor de kredietinstelling bevoegde autoriteit daarmee instemt:

i)

de ICB wordt beheerd door een maatschappij die onderworpen is aan toezicht dat gelijkwaardig wordt geacht aan het toezicht waarin het Gemeenschapsrecht voorziet; en

ii)

de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten is genoegzaam gewaarborgd;

b)

het prospectus of daarmee gelijk te stellen document van de ICB bevat:

i)

de categorieën activa waarin de ICB mag beleggen, en

ii)

de relatieve beleggingsgrenzen en de methoden om deze te berekenen, indien dergelijke grenzen van toepassing zijn; en

c)

over de bedrijfsactiviteiten van de ICB wordt ten minste jaarlijks op zodanige wijze verslag uitgebracht dat de activa en passiva, alsmede de inkomsten en transacties over de verslagperiode kunnen worden beoordeeld.

78.

Indien een ICB uit een derde land overeenkomstig punt 77, onder a), door een bevoegde autoriteit als aanvaardbaar wordt erkend, dan kan een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van deze erkenning gebruik maken zonder zelf een beoordeling te verrichten.

79.

Wanneer de kredietinstelling op de hoogte is van de onderliggende posities van een ICB, mag zij zich op deze onderliggende posities baseren om een gemiddeld risicogewicht voor de ICB te berekenen overeenkomstig de in de artikelen 78 tot en met 83 beschreven methoden.

80.

Wanneer de kredietinstelling niet op de hoogte is van de onderliggende posities van een ICB, mag zij een gemiddeld risicogewicht voor de ICB berekenen overeenkomstig de in de artikelen 78 tot en met 83 beschreven methoden, mits zij zich houdt aan de volgende regel: er wordt aangenomen dat de ICB eerst tot de toegestane grens belegt in de categorieën posities waarvoor het hoogste kapitaalvereiste geldt, en vervolgens belegt in posities waarvoor een steeds verder afnemend kapitaalvereiste geldt totdat de maximale totale beleggingsgrens is bereikt.

81.

Kredietinstellingen mogen een beroep doen op een derde om overeenkomstig de in de punten 79 en 80 beschreven methoden een risicogewicht voor de ICB te berekenen en te rapporteren, mits de juistheid van de berekening en de rapportage op adequate wijze is gewaarborgd.

16.   ANDERE POSTEN

16.1.   Behandeling

82.

Aan fysieke activa in de zin van artikel 4, punt 10, van Richtlijn 86/635/EEG wordt een risicogewicht van 100 % toegekend.

83.

Aan overlopende posten waarvoor de instelling niet in staat is om overeenkomstig Richtlijn 86/635/EEG uit te maken wie de tegenpartij is, wordt een risicogewicht van 100 % toegekend.

84.

Aan liquide middelen in de inningsfase wordt een risicogewicht van 20 % toegekend. Aan kasmiddelen en gelijkwaardige posten wordt een risicogewicht van 0 % toegekend.

85.

De lidstaten kunnen toestaan dat een risicogewicht van 10 % wordt toegekend aan vorderingen op instellingen die in hun lidstaat van herkomst gespecialiseerd zijn op het gebied van de interbancaire markt en de markt voor overheidsschuld en die aan een streng toezicht van de bevoegde autoriteiten zijn onderworpen, mits voor deze activa ten behoeve van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst naar behoren is aangetoond dat zij geheel en volledig zijn gedekt door activa waaraan een risicogewicht van 0 % of 20 % is toegekend en deze activa door deze autoriteiten als een passende zekerheid worden aangemerkt.

86.

Aan aandelen en andere deelnemingen wordt een risicogewicht van ten minste 100 % toegekend, tenzij in mindering gebracht op het eigen vermogen.

87.

Aan het goud dat in eigen kluizen wordt bewaard of is toegewezen voorzover daar verplichtingen in de vorm van goud tegenover staan, wordt een risicogewicht van 0 % toegekend.

88.

Bij overeenkomsten inzake cessie en retrocessie van activa en bij koop op termijn zonder rugdekking, zijn de risicogewichten die welke toegekend zijn aan de desbetreffende activa en niet die welke gelden voor de tegenpartijen bij de transacties.

89.

Wanneer een kredietinstelling voor een reeks vorderingen kredietprotectie biedt onder voorwaarde dat de n-de wanbetaling op de vorderingen aanleiding geeft tot betaling en dat deze kredietgebeurtenis de beëindiging van het contract met zich brengt, worden de in de artikelen 94 tot en met 101 voorgeschreven risicogewichten toegekend indien voor het product een externe kredietbeoordeling van een erkende EKBI beschikbaar is. Indien er voor het product geen externe kredietbeoordeling van een erkende EKBI beschikbaar is, worden de risicogewichten van alle beschermde vorderingen, op n-1 vorderingen na, geaggregeerd tot een maximum van 1250 % en vermenigvuldigd met het nominale bedrag van de door het kredietderivaat geboden protectie om de risicogewogen actiefpost te verkrijgen. De n-1 vorderingen die bij de aggregatie buiten beschouwing worden gelaten, worden op de volgende wijze geselecteerd: het betreft elke vordering waarvan het risicogewogen bedrag lager is dan het risicogewogen bedrag van alle vorderingen die in de aggregatie zijn opgenomen.

DEEL 2

Erkenning van EKBI's en koppeling van hun kredietbeoordelingen aan risicogewichten („mapping”)

1.   METHODOLOGIE

1.1.   Objectiviteit

1.

De bevoegde autoriteiten verifiëren of de methodologie voor de toekenning van kredietbeoordelingen wordt gekenmerkt door zorgvuldigheid, systematiek en continuïteit, en tevens op basis van historische ervaring wordt gevalideerd.

1.2.   Onafhankelijkheid

2.

De bevoegde autoriteiten verifiëren of de methodologie vrij is van externe politieke invloeden of beperkingen en van economische spanningen die de kredietbeoordeling kunnen beïnvloeden.

3.

De onafhankelijkheid van de door een EKBI gehanteerde methodologie wordt door de bevoegde autoriteiten beoordeeld op grond van onder meer de volgende factoren:

a)

eigendoms- en organisatiestructuur van de EKBI;

b)

financiële positie van de EKBI;

c)

personeel en deskundigheid van de EKBI; en

d)

corporate governance van de EKBI.

1.3.   Doorlopende controle

4.

De bevoegde autoriteiten verifiëren of de kredietbeoordelingen van de EKBI doorlopend worden gecontroleerd en zijn alert op wijzigingen in de financiële positie. Een dergelijke controle vindt na elke significante gebeurtenis en ten minste eenmaal per jaar plaats.

5.

Voordat tot erkenning wordt overgegaan, verifiëren de bevoegde autoriteiten of de beoordelingsmethodologie voor elk marktsegment is opgesteld conform onder meer de volgende normen:

a)

de empirische validatie is voor ten minste een jaar vastgelegd;

b)

de bevoegde autoriteiten moeten toezien op de regelmatigheid van het controleproces van de EKBI; en

c)

de bevoegde autoriteiten zijn in staat om van de EKBI informatie te verlangen over de reikwijdte van haar contacten met de directie van de entiteiten die worden beoordeeld.

6.

De bevoegde autoriteiten nemen de nodige maatregelen opdat de EKBI's hen onmiddellijk in kennis kunnen stellen van eventuele wijzigingen van betekenis in hun methodologie voor de toekenning van kredietbeoordelingen.

1.4.   Transparantie en openbaarmaking

7.

De bevoegde autoriteiten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de beginselen van de door de EKBI voor de opstelling van haar kredietbeoordelingen toegepaste methodologie publiek bekend zijn, zodat potentiële gebruikers kunnen oordelen of deze kredietbeoordelingen op redelijke wijze zijn verkregen.

2.   INDIVIDUELE KREDIETBEOORDELINGEN

2.1.   Geloofwaardigheid en marktacceptatie

8.

De bevoegde autoriteiten verifiëren of de individuele kredietbeoordelingen van een EKBI op de markt als geloofwaardig en betrouwbaar worden beschouwd door de gebruikers van dergelijke kredietbeoordelingen.

9.

De bevoegde autoriteiten toetsen de geloofwaardigheid aan onder meer de volgende factoren:

a)

het marktaandeel van de EKBI;

b)

de inkomsten die de EKBI genereert, en meer in het algemeen haar financiële positie;

c)

of er prijszetting op basis van de rating plaatsvindt; en

d)

het geval waarin ten minste twee kredietinstellingen de individuele kredietbeoordeling van de EKBI gebruiken voor de uitgifte van obligaties en/of ter beoordeling van de kredietrisico's.

2.2.   Transparantie en openbaarmaking

10.

De bevoegde autoriteiten verifiëren of de individuele kredietbeoordelingen onder gelijkwaardige voorwaarden beschikbaar zijn voor ten minste alle kredietinstellingen die een rechtmatig belang bij deze individuele kredietbeoordelingen hebben.

11.

De bevoegde autoriteiten verifiëren in het bijzonder of de voorwaarden waaronder de individuele kredietbeoordelingen voor buitenlandse kredietinstellingen beschikbaar zijn, gelijkwaardig zijn aan die welke gelden voor binnenlandse partijen die een rechtmatig belang bij deze individuele kredietbeoordelingen hebben.

3.   KOPPELING VAN KREDIETBEOORDELINGEN AAN RISICOGEWICHTEN („MAPPING”)

12.

Om onderscheid te maken tussen de relatieve risicograden waaraan door elke kredietbeoordeling uitdrukking wordt gegeven, gaan de bevoegde autoriteiten uit van kwantitatieve factoren zoals de wanbetalingsgraad op lange termijn die overeenkomt met alle posten met dezelfde kredietbeoordeling. Voor recentelijk opgerichte EKBI's en voor EKBI's die over nog maar weinig wanbetalingsgegevens beschikken, vragen de bevoegde autoriteiten de betrokken EKBI welke wanbetalingsgraad op lange termijn volgens haar overeenkomt met alle posten waaraan dezelfde kredietbeoordeling is toegekend.

13.

Om onderscheid te maken tussen de relatieve risicograden waaraan door elke kredietbeoordeling uitdrukking wordt gegeven, gaan de bevoegde autoriteiten uit van kwalitatieve factoren zoals de groep uitgevende instellingen die door de EKBI wordt bestreken, het spectrum van kredietbeoordelingen die door de EKBI worden toegekend, de betekenis van elke kredietbeoordeling en de door de EKBI gehanteerde definitie van wanbetaling.

14.

De bevoegde autoriteiten vergelijken de voor elke kredietbeoordeling van een specifieke EKBI geconstateerde wanbetalingsgraden en vergelijken deze met een referentiewaarde die is opgesteld op basis van de wanbetalingsgraden die door andere EKBI's zijn geconstateerd bij een populatie van uitgevende instellingen waaraan volgens de bevoegde autoriteiten een gelijkwaardig kredietrisico verbonden is.

15.

Wanneer de bevoegde autoriteiten van oordeel zijn dat de voor de kredietbeoordeling van een specifieke EKBI geconstateerde wanbetalingsgraden systematisch wezenlijk hoger zijn dan de referentiewaarde, brengen zij de kredietbeoordeling van de betrokken EKBI onder in een hogere kredietkwaliteitscategorie van de kredietkwaliteitbeoordelingsschaal.

16.

Wanneer de bevoegde autoriteiten het met een specifieke kredietbeoordeling van een EKBI overeenkomende risicogewicht hebben verhoogd en indien de betrokken EKBI aantoont dat de voor haar kredietbeoordeling geconstateerde wanbetalingsgraden niet langer systematisch wezenlijk hoger zijn dan de referentiewaarde, kunnen de bevoegde autoriteiten besluiten de kredietbeoordeling van de EKBI wederom in de oorspronkelijke kredietkwaliteitscategorie van de kredietkwaliteitbeoordelingsschaal onder te brengen.

DEEL 3

Gebruik van kredietbeoordelingen van EKBI's voor de bepaling van risicogewichten

1.   BEHANDELING

1.

Een kredietinstelling kan een of meer erkende EKBI's aanwijzen als de EKBI's waarvan zij de kredietbeoordelingen zal gebruiken voor de bepaling van de risicogewichten die aan de actiefposten en posten buiten de balanstelling worden toegekend.

2.

Een kredietinstelling die besluit om voor een bepaalde categorie posten van de kredietbeoordelingen van een erkende EKBI gebruik te maken, hanteert deze kredietbeoordelingen consequent voor alle vorderingen die tot deze categorie behoren.

3.

Een kredietinstelling die besluit om van de kredietbeoordelingen van een erkende EKBI gebruik te maken, past deze kredietbeoordelingen continu en consequent in de tijd toe.

4.

Een kredietinstelling mag alleen gebruik maken van EKBI-kredietbeoordelingen die rekening houden met alle haar zowel in hoofdsom als in rente verschuldigde bedragen.

5.

Indien voor een post met een externe rating slechts één kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt van die kredietbeoordeling gebruik gemaakt voor de bepaling van het risicogewicht van de desbetreffende post.

6.

Indien voor een post met een externe rating twee kredietbeoordelingen van aangewezen EKBI's beschikbaar zijn en elk van beide kredietbeoordelingen met een verschillend risicogewicht overeenkomt, dan wordt het hoogste risicogewicht toegepast.

7.

Indien voor een post met een externe rating meer dan twee kredietbeoordelingen van aangewezen EKBI's beschikbaar zijn, wordt verwezen naar de twee kredietbeoordelingen die met de laagste risicogewichten overeenkomen. Indien de laagste twee risicogewichten verschillend zijn, wordt het hoogste risicogewicht toegepast. Indien de laagste twee risicogewichten gelijk zijn, wordt dat risicogewicht toegepast.

2.   KREDIETBEOORDELING VAN UITGEVENDE INSTELLINGEN EN UITGIFTEN

8.

Wanneer een kredietbeoordeling bestaat voor een specifiek uitgifteprogramma of een specifieke uitgiftefaciliteit waarvan de met de post overeenkomende vordering deel uitmaakt, wordt van deze kredietbeoordeling gebruik gemaakt voor de bepaling van het op die post toepasselijke risicogewicht.

9.

Wanneer er voor een bepaalde post geen rechtstreeks toepasselijke kredietbeoordeling beschikbaar is, maar er een kredietbeoordeling bestaat voor een specifiek uitgifteprogramma of een specifieke uitgiftefaciliteit waarvan de met de post overeenkomende vordering geen deel uitmaakt, dan wel een algemene kredietbeoordeling voorhanden is voor de uitgevende instelling, dan wordt van die kredietbeoordeling gebruik gemaakt indien deze een hoger risicogewicht oplevert dan anderszins het geval zou zijn, of indien deze een lager risicogewicht oplevert en de vordering in kwestie in alle opzichten van gelijke of hogere rang is dan ofwel het specifieke uitgifteprogramma of de specifieke uitgiftefaciliteit, ofwel niet door zekerheden gedekte vorderingen van een hogere rangorde van die uitgevende instelling, al naar gelang het geval.

10.

De punten 8 en 9 mogen de toepassing van de punten 68 tot en met 71 van deel 1 niet beletten.

11.

Kredietbeoordelingen van uitgevende instellingen die tot een concern behoren, mogen niet worden gebruikt als kredietbeoordeling voor een andere uitgevende instelling van hetzelfde concern.

3.   KREDIETBEOORDELINGEN VOOR DE KORTE EN DE LANGE TERMIJN

12.

Kredietbeoordelingen voor de korte termijn mogen alleen worden gebruikt voor actiefposten en posten buiten de balanstelling op korte termijn die vorderingen op instellingen en ondernemingen vertegenwoordigen.

13.

Een kredietbeoordeling voor de korte termijn is uitsluitend van toepassing op de post waarop deze kredietbeoordeling betrekking heeft en mag niet worden gebruikt voor de bepaling van risicogewichten voor andere posten.

14.

Indien aan een faciliteit met een korte-termijnrating een risicogewicht van 150 % wordt toegekend, dan wordt in afwijking van punt 13 aan alle niet-gedekte vorderingen zonder rating op de betrokken debiteur, ongeacht of deze kortlopend dan wel langlopend zijn, eveneens een risicogewicht van 150 % toegekend.

15.

Indien aan een faciliteit met een korte-termijnrating een risicogewicht van 50 % wordt toegekend, dan wordt in afwijking van punt 13 aan geen enkele kortlopende vordering zonder rating een risicogewicht van minder dan 100 % toegekend.

4.   POSTEN LUIDEND IN NATIONALE EN BUITENLANDSE VALUTA

16.

Een kredietbeoordeling die betrekking heeft op een post die in de nationale valuta van de debiteur luidt, mag niet worden gebruikt voor de bepaling van een risicogewicht van een andere vordering op dezelfde debiteur welke in een buitenlandse valuta luidt.

17.

Wanneer er een vordering ontstaat als gevolg van de deelneming van een kredietinstelling in een lening die is verstrekt door een multilaterale ontwikkelingsbank waarvan de status van preferente crediteur in de markt wordt erkend, kunnen de bevoegde autoriteiten in afwijking van punt 16 toestaan dat voor de bepaling van het risicogewicht de kredietbeoordeling wordt gebruikt van de post die in de nationale valuta van de debiteur luidt.


(1)  PB L 250 van 2.10.2003, blz. 10.


BIJLAGE VII

INTERNE-RATINGBENADERING

DEEL 1

Risicogewogen posten en verwachte verliesposten

1.   BEREKENING VAN RISICOGEWOGEN POSTEN VOOR HET KREDIETRISICO

1.

Tenzij anders is aangegeven, worden de inputparameters kans op wanbetaling (probability of default — PD), verlies bij wanbetaling (loss given default — LGD) en looptijdwaarde (maturity value — M) bepaald op de in deel 2 beschreven wijze en de waarde van de post op de in deel 3 beschreven wijze.

2.

De risicogewogen post voor elke vordering wordt berekend volgens de onderstaande formules.

1.1.   Risicogewogen posten voor vorderingen op ondernemingen, instellingen en centrale overheden en centrale banken.

3.

Behoudens de punten 5 tot en met 9 worden de risicogewogen posten voor vorderingen op ondernemingen, instellingen en centrale overheden en centrale banken berekend volgens de onderstaande formules:

Formula

Formula

Formula

N(x) staat voor de cumulatieve verdelingsfunctie van een standaardnormale willekeurige variabele (d.w.z. de kans dat een normale willekeurige variabele met een gemiddelde van nul en een variantie van één kleiner is dan of gelijk aan x). G(z) staat voor de inverse cumulatieve verdelingsfunctie van een standaardnormale willekeurige variabele (d.w.z. x heeft een zodanige waarde dat N(x) = z).

Als PD = 0, wordt RW opgevat als: 0

Als PD = 1, dan geldt:

wanneer kredietinstellingen bij vorderingen met een betalingsachterstand de in deel 2, punt 8 beschreven LGD-waarden hanteren, wordt RW opgevat als: 0;

wanneer kredietinstellingen bij vorderingen met een betalingsachterstand gebruik maken van eigen LGD-ramingen wordt RW opgevat als: Max{0, 12.5 * (LGD-ELBE)};

wanneer ELBE wordt opgevat als de beste raming van de kredietinstelling van het verwachte verlies voor de vordering met een betalingsachterstand overeenkomstig deel 4, punt 80.

Risicogewogen post = RW * waarde van de post

4.

De risicogewogen posten voor vorderingen die voldoen aan de vereisten van bijlage VIII, deel 1, punt 29, en bijlage VIII, deel 2, punt 22, mogen worden aangepast volgens de volgende formule:

Risicogewogen post = RW * waarde van de post * (0,15 + 160*PDpp)

PDpp = PD van de protectiegever

RW wordt berekend aan de hand van de in punt 3 vervatte formule voor de berekening van risicogewichten voor vorderingen, de PD van de debiteur en de LGD van een vergelijkbare rechtstreekse vordering op de protectiegever. De looptijdfactor (b) wordt berekend met behulp van de PD van de protectiegever of de PD van de debiteur, al naargelang welke PD de laagste waarde heeft.

5.

Voor vorderingen op ondernemingen waarbij de totale jaaromzet van de geconsolideerde groep waarvan het bedrijf deel uitmaakt minder is dan 50 miljoen EUR, mogen kredietinstellingen gebruik maken van de onderstaande correlatieformule om de risicogewichten van vorderingen op ondernemingen te berekenen. In deze formule staat S voor de totale jaaromzet in miljoen EUR, waarbij 5 miljoen EUR <= S <= 50 miljoen EUR. Een opgegeven omzet van minder dan 5 miljoen EUR wordt behandeld als een omzet van 5 miljoen EUR. Voor gekochte kortlopende vorderingen is de totale jaaromzet het gewogen gemiddelde van de individuele vorderingen die tot de pool behoren.

Formula

De kredietinstellingen vervangen de totale jaaromzet door de totale activa van de geconsolideerde groep wanneer de totale jaaromzet geen relevante indicator is van de omvang van het bedrijf en de totale activa een meer relevante indicator vormen dan de totale jaaromzet.

6.

Aan vorderingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening waarvoor een kredietinstelling niet kan aantonen dat haar PD-ramingen voldoen aan de in deel 4 vastgestelde minimumvereisten, kent zij risicogewichten toe conform tabe 1.

Tabel 1

Resterende looptijd

categorie 1

categorie 2

categorie 3

categorie 4

categorie 5

Minder dan 2,5 jaar

50 %

70 %

115 %

250 %

0 %

Ten minste 2,5 jaar

70 %

90 %

115 %

250 %

0 %

De bevoegde autoriteiten kunnen een kredietinstelling toestaan aan alle vorderingen van categorie 1 een preferentieel risicogewicht van 50 % en aan alle vorderingen van categorie 2 een risicogewicht van 70 % toe te kennen, mits de overnemings- en andere risicokenmerken van de kredietinstelling voor de desbetreffende categorie in wezen deugdelijk zijn.

Bij de toekenning van risicogewichten aan vorderingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening houden kredietinstellingen rekening met de volgende factoren: financiële draagkracht, politieke en juridische omgeving, kenmerken van de transactie en/of activa, draagkracht van de sponsor en ontwikkelaar, met inbegrip van enigerlei inkomstenstroom uit hoofde van een publiek-privaat partnerschap of garantiepakket.

7.

Kredietinstellingen moeten ten aanzien van hun gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen voldoen aan de minimumvereisten van deel 4, punten 105 tot en met 109. Voor gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen welke tevens aan de in punt 14 gestelde voorwaarden voldoen en waarvoor het voor kredietinstellingen te belastend zou zijn om de in deel 4 vervatte normen voor risicokwantificering van vorderingen op ondernemingen toe te passen, mag gebruik worden gemaakt van de eveneens in deel 4 vervatte normen voor de risicokwantificering van vorderingen op particulieren en kleine partijen.