ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 88

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

49e jaargang
25 maart 2006


Inhoud

 

I   Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

Bladzijde

 

*

Verordening (EG) nr. 486/2006 van de Raad van 20 maart 2006 betreffende de uitvoering van de Overeenkomst over de rechtenvrije behandeling van geïntegreerde multichipschakelingen (MCP's) door wijziging van Bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief

1

 

 

Verordening (EG) nr. 487/2006 van de Commissie van 24 maart 2006 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

3

 

*

Verordening (EG) nr. 488/2006 van de Commissie van 24 maart 2006 tot vaststelling van de in 2006 voor bepaalde structuur- of milieumaatregelen toe te passen wisselkoersen

5

 

*

Verordening (EG) nr. 489/2006 van de Commissie van 24 maart 2006 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 796/2004 ten aanzien van de vezelhenneprassen die in aanmerking komen voor rechtstreekse betalingen

7

 

*

Richtlijn 2006/35/EG van de Commissie van 24 maart 2006 tot wijziging van de bijlagen I tot en met IV bij Richtlijn 2000/29/EG van de Raad betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen

9

 

*

Richtlijn 2006/36/EG van de Commissie van 24 maart 2006 tot wijziging van Richtlijn 2001/32/EG tot erkenning van beschermde gebieden in de Gemeenschap waar bijzondere plantenziekterisico's bestaan, en tot intrekking van Richtlijn 92/76/EEG

13

 

 

II   Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

 

 

Commissie

 

*

Beschikking van de Commissie van 13 mei 2003 betreffende staatssteun van Duitsland ten gunste van Kahla Porzellan GmbH en Kahla/Thüringen Porzellan GmbH (Kennisgeving geschied onder nummer C(2003) 1520)  ( 1 )

16

 

*

Beschikking van de Commissie van 16 november 2004 betreffende een steunregeling van Duitsland ten gunste van Kornbrandstokerijen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 3953)  ( 1 )

50

 

*

Beschikking van de Commissie van 24 maart 2006 houdende beschermende maatregelen ten aanzien van producten van dierlijke oorsprong, visserijproducten uitgezonderd, van oorsprong uit Madagaskar (Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 888)  ( 1 )

63

 

 

Besluiten aangenomen krachtens titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie

 

*

Gemeenschappelijk Standpunt 2006/242/GBVB van de Raad van 20 maart 2006 betreffende de Conferentie ter toetsing van het Verdrag inzake biologische en toxinewapens (BTWC) in 2006

65

 

*

Gemeenschappelijk Optreden 2006/243/GBVB van de Raad van 20 maart 2006 betreffende de ondersteuning van activiteiten van de Voorbereidende Commissie van de Organisatie van het Alomvattend Kernstopverdrag (CTBTO) op het gebied van opleiding en capaciteitsopbouw voor verificatie en in het kader van de uitvoering van de strategie van de Europese Unie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens

68

 

*

Gemeenschappelijk Standpunt 2006/244/GBVB van de Raad van 20 maart 2006 inzake de deelneming van de Europese Unie aan de Organisatie voor energieontwikkeling op het Koreaanse schiereiland (KEDO)

73

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

25.3.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 88/1


VERORDENING (EG) Nr. 486/2006 VAN DE RAAD

van 20 maart 2006

betreffende de uitvoering van de Overeenkomst over de rechtenvrije behandeling van geïntegreerde multichipschakelingen (MCP's) door wijziging van Bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 133,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (1) is een goederennomenclatuur ingesteld, hierna „gecombineerde nomenclatuur” genoemd, en zijn de conventionele rechten van het gemeenschappelijk douanetarief vastgesteld.

(2)

Bij Besluit 2005/964/EG (2) heeft de Raad namens de Europese Gemeenschap de Overeenkomst over de rechtenvrije behandeling van geïntegreerde multichipschakelingen (MCP's) (hierna „de Overeenkomst” genoemd) gesloten.

(3)

De Overeenkomst verlaagt alle douanerechten en andere rechten en heffingen die op MCP's van toepassing zijn tot nul.

(4)

De Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Unie, die bij de Overeenkomst is aangewezen als depositaris, heeft akten van aanvaarding ontvangen van vier partijen. Overeenkomstig artikel 7, lid a), van de Overeenkomst zijn deze vier partijen overeengekomen dat de overeenkomst op 1 april 2006 in werking zal treden.

(5)

De Overeenkomst moet worden uitgevoerd door Bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad te wijzigen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Aan Bijlage I, Eerste Deel, Titel II „Bijzondere bepalingen” van Verordening (EEG) nr. 2658/87 wordt een punt G „Rechtenvrije behandeling van geïntegreerde multichipschakelingen (MCP's)”, overeenkomstig de bijlage bij deze verordening, toegevoegd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij wordt met ingang van 1 april 2006 van kracht.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 maart 2006.

Voor de Raad

De voorzitster

U. PLASSNIK


(1)  PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1989/2004 (PB L 344 van 20.11.2004, blz. 5).

(2)  PB L 349 van 31.12.2005, blz. 24.


BIJLAGE

„G.   Rechtenvrije behandeling van geïntegreerde multichipschakelingen (MCP's)

1)

Geïntegreerde multichipschakelingen (MCP's) bestaande uit twee of meer onderling verbonden monolitische geïntegreerde schakelingen, nagenoeg geheel ondeelbaar gecombineerd, al dan niet op een of meer isolerende substraten, met of zonder bedradingsframes (lead frames), doch zonder andere actieve of passieve schakelingselementen zijn vrijgesteld van douanerechten.

2)

Goederen die voor deze rechtenvrije behandeling in aanmerking komen, worden onder de volgende posten ingedeeld: 8418, 8422, 8450, 8466, 8473, 8517, 8518, 8522, 8523, 8525, 8528, 8529, 8530, 8531, 8535, 8536, 8537, 8538, 8543, 8548, 8708, 9009, 9026, 9031, 9504.

3)

Bij overlegging aan de douaneautoriteiten van de lidstaten van de douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen van MCP's vermeldt de aangever in vak 44 van het Enig Document het referentienummer C500.”


25.3.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 88/3


VERORDENING (EG) Nr. 487/2006 VAN DE COMMISSIE

van 24 maart 2006

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 25 maart 2006.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 maart 2006.

Voor de Commissie

J. L. DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 386/2005 (PB L 62 van 9.3.2005, blz. 3).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 24 maart 2006 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

052

97,9

204

52,9

212

102,0

624

101,8

999

88,7

0707 00 05

052

121,0

999

121,0

0709 10 00

624

103,6

999

103,6

0709 90 70

052

77,4

204

53,8

999

65,6

0805 10 20

052

40,8

204

43,0

212

54,3

220

43,9

624

59,3

999

48,3

0805 50 10

052

42,2

624

67,2

999

54,7

0808 10 80

388

76,6

400

127,9

404

92,9

508

82,7

512

76,3

524

62,5

528

79,9

720

80,0

999

84,9

0808 20 50

388

82,6

512

76,3

524

58,2

528

57,2

720

122,5

999

79,4


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 750/2005 van de Commissie (PB L 126 van 19.5.2005, blz. 12). De code „999” staat voor „andere oorsprong”.


25.3.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 88/5


VERORDENING (EG) Nr. 488/2006 VAN DE COMMISSIE

van 24 maart 2006

tot vaststelling van de in 2006 voor bepaalde structuur- of milieumaatregelen toe te passen wisselkoersen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2799/98 van de Raad van 15 december 1998 tot vaststelling van het agromonetaire stelsel voor de euro (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 2808/98 van de Commissie van 22 december 1998 houdende bepalingen voor de toepassing van het agromonetaire stelsel voor de euro in de landbouwsector (2), en met name op artikel 4, lid 3, tweede zin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2808/98 vindt het ontstaansfeit voor de bedragen in verband met structuur- of milieumaatregelen plaats op 1 januari van het jaar waarin het besluit tot steunverlening wordt genomen.

(2)

Overeenkomstig artikel 4, lid 3, eerste zin, van Verordening (EG) nr. 2808/98 is de te gebruiken wisselkoers het pro rata temporis berekende gemiddelde van de wisselkoersen in de maand vóór de datum van het ontstaansfeit,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In 2006 moet de in de bijlage vermelde wisselkoers worden toegepast voor de bedragen in verband met structuur- of milieumaatregelen zoals bedoeld in artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2808/98.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 maart 2006.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 349 van 24.12.1998, blz. 1.

(2)  PB L 349 van 24.12.1998, blz. 36. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1044/2005 (PB L 172 van 5.7.2005, blz. 76).


BIJLAGE

In artikel 1 bedoelde wisselkoersen

(1 EUR = gemiddelde in de periode van 1 tot en met 31 december 2005)

0,573458

Cyprisch pond

28,9712

Tsjechische kroon

7,45403

Deense kroon

15,6466

Estlandse kroon

252,791

Hongaarse forint

3,4528

Litouwse litas

0,696729

Letse lats

0,4293

Maltese lire

3,85493

Poolse zloty

37,8743

Slowaakse kroon

239,505

Sloveense tolar

9,43950

Zweedse kroon

0,679103

Pond sterling


25.3.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 88/7


VERORDENING (EG) Nr. 489/2006 VAN DE COMMISSIE

van 24 maart 2006

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 796/2004 ten aanzien van de vezelhenneprassen die in aanmerking komen voor rechtstreekse betalingen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (1), en met name op artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (2) zijn bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgesteld die onder meer de controle op het gehalte aan tetrahydrocannabinol van geteelde hennep betreffen.

(2)

De lidstaten hebben overeenkomstig artikel 33, lid 2, van Verordening (EG) nr. 796/2004 de resultaten meegedeeld van de metingen die zijn uitgevoerd om het gehalte aan tetrahydrocannabinol van de in 2005 ingezaaide henneprassen te bepalen. Met die resultaten moet rekening worden gehouden bij de opstelling van de lijst van de vezelhenneprassen die in de komende verkoopseizoenen in aanmerking komen voor de rechtstreekse betalingen, en van de lijst van de alleen voor het verkoopseizoen 2006/2007 toegestane rassen. Voor sommige van deze laatste rassen moet, met betrekking tot de controle op het gehalte aan tetrahydrocannabinol, toepassing van de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 796/2004 vastgestelde procedure B worden voorgeschreven.

(3)

Verordening (EG) nr. 796/2004 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor rechtstreekse betalingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage II bij Verordening (EG) nr. 796/2004 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van het verkoopseizoen 2006/2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 maart 2006.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 319/2006 (PB L 58 van 28.2.2006, blz. 32).

(2)  PB L 141 van 30.4.2004, blz. 18. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 263/2006 (PB L 46 van 16.2.2006, blz. 24).


BIJLAGE

„BIJLAGE II

VEZELHENNEPRASSEN DIE IN AANMERKING KOMEN VOOR RECHTSTREEKSE BETALINGEN

a)

Vezelhenneprassen

 

Beniko

 

Carmagnola

 

CS

 

Delta-Llosa

 

Delta 405

 

Dioica 88

 

Epsilon 68

 

Fedora 17

 

Felina 32

 

Felina 34 — Félina 34

 

Ferimon — Férimon

 

Fibranova

 

Fibrimon 24

 

Futura 75

 

Juso 14

 

Red Petiole

 

Santhica 23

 

Santhica 27

 

Tiborszállási

 

Uso-31

b)

Voor het verkoopseizoen 2006/2007 toegestane vezelhenneprassen

 

Białobrzeskie

 

Chamaeleon (1)

 

Cannakomp

 

Fasamo

 

Fibriko TC

 

Finola (1)

 

Kompolti hibrid TC

 

Kompolti

 

Lipko

 

Silesia (2)

 

UNIKO-B


(1)  Voor het verkoopseizoen 2006/2007 geldt de in bijlage I vastgestelde procedure B.

(2)  Alleen in Polen zoals toegestaan bij Beschikking 2004/297/EG van de Commissie (PB L 97 van 1.4.2004, blz. 66).”


25.3.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 88/9


RICHTLIJN 2006/35/EG VAN DE COMMISSIE

van 24 maart 2006

tot wijziging van de bijlagen I tot en met IV bij Richtlijn 2000/29/EG van de Raad betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (1), en met name op artikel 14, tweede alinea, onder c),

In overleg met de betrokken lidstaten,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2000/29/EG voorziet in bepaalde maatregelen tegen het binnenbrengen op het grondgebied van de lidstaten van voor planten of plantaardige producten schadelijke organismen uit andere lidstaten of derde landen. Er wordt ook voorzien in de erkenning van bepaalde gebieden als beschermd gebied.

(2)

Uit door Portugal verstrekte informatie blijkt dat Bemisia tabaci Genn. (Europese populaties) is geconstateerd in de regio Alentejo en in sommige gemeenten van de regio Ribatejo e Oeste. Daarom kunnen deze delen van het Portugese grondgebied niet langer als beschermd gebied ten aanzien van dat schadelijke organisme worden erkend.

(3)

Uit door Slovenië verstrekte informatie blijkt dat Erwinia amylovora (Burr.) Winsl. et al. is geconstateerd in de regio’s Gorenjska en Maribor. Deze regio’s kunnen niet langer worden erkend als beschermd gebied ten aanzien van Erwinia amylovora (Burr.) Winsl. et al.

(4)

Uit door Slowakije verstrekte informatie blijkt dat Erwinia amylovora (Burr.) Winsl. et al. is geconstateerd in bepaalde gemeenten van de districten Dunajská Streda, Levice, Topoľčany, Poltár, Rožňava en Trebišov. Deze gemeenten kunnen niet langer worden erkend als beschermd gebied ten aanzien van Erwinia amylovora (Burr.) Winsl. et al.

(5)

Italië heeft informatie verstrekt waaruit blijkt dat Erwinia amylovora (Burr.) Winsl. et al. in sommige delen van zijn grondgebied is geconstateerd. Deze delen van het Italiaanse grondgebied kunnen daarom niet langer worden erkend als beschermd gebied ten aanzien van Erwinia amylovora (Burr.) Winsl. et al.

(6)

Litouwen heeft informatie verstrekt waaruit blijkt dat het „beet necrotic yellow vein virus” op zijn grondgebied is geconstateerd. Daarom kan Litouwen niet langer als beschermd gebied ten aanzien van het „beet necrotic yellow vein virus” worden erkend.

(7)

De desbetreffende bijlagen bij Richtlijn 2000/29/EG moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Plantenziektekundig Comité,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I tot en met IV bij Richtlijn 2000/29/EG worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 30 april 2006 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 mei 2006.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 24 maart 2006.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/14/EG van de Commissie (PB L 34 van 7.2.2006, blz. 24).


BIJLAGE

De bijlagen I tot en met IV bij Richtlijn 2000/29/EG worden als volgt gewijzigd:

1)

In bijlage I wordt deel B als volgt gewijzigd:

a)

onder a), in punt 1, worden de woorden tussen haakjes na „P” vervangen door:

„Azores, Beira Interior, Beira Litoral, Entre Douro e Minho, Madeira, Ribatejo e Oeste (gemeenten Alcobaça, Alenquer, Bombarral, Cadaval, Caldas da Rainha, Lourinhã, Nazaré, Obidos, Peniche en Torres Vedras) en Trás-os-Montes”;

b)

onder b), in punt 1, wordt „LT” geschrapt.

2)

In bijlage II wordt deel B als volgt gewijzigd:

onder b), in de derde kolom van punt 2:

a)

worden de woorden „(met uitzondering van het provinciegebied ten noorden van rijksweg nr. 9 — Via Emilia)” toegevoegd na elk van de woorden „Forli-Cesena” en „Rimini”;

b)

worden de woorden „Trentino-Alto Adige: de autonome provincie Trento;” geschrapt;

c)

worden na het woord „SI” de volgende woorden ingevoegd: „(met uitzondering van de regio’s Gorenjska en Maribor)”;

d)

worden na het woord „SK” de volgende woorden ingevoegd: „(met uitzondering van de gemeenten Blahová, Horné Mýto en Okoč (district Dunajská Streda), Hronovce en Hronské Kľačany (district Levice), Veľké Ripňany (district Topoľčany), Málinec (district Poltár), Hrhov (district Rožňava), Kazimír, Luhyňa, Malý Horeš, Svätuše en Zatín (district Trebišov))”.

3)

In bijlage III wordt deel B als volgt gewijzigd:

in de tweede kolom van de punten 1 en 2:

a)

worden de woorden „(met uitzondering van het provinciegebied ten noorden van rijksweg nr. 9 — Via Emilia)” toegevoegd na elk van de woorden „Forli-Cesena” en „Rimini”;

b)

worden de woorden „Trentino-Alto Adige: de autonome provincie Trento;” geschrapt;

c)

worden na het woord „SI” de volgende woorden ingevoegd: „(met uitzondering van de regio’s Gorenjska en Maribor)”;

d)

worden na het woord „SK” de volgende woorden ingevoegd: „(met uitzondering van de gemeenten Blahová, Horné Mýto en Okoč (district Dunajská Streda), Hronovce en Hronské Kľačany (district Levice), Veľké Ripňany (district Topoľčany), Málinec (district Poltár), Hrhov (district Rožňava), Kazimír, Luhyňa, Malý Horeš, Svätuše en Zatín (district Trebišov))”.

4)

In bijlage IV wordt deel B als volgt gewijzigd:

a)

in de derde kolom van punt 20.1 wordt „LT” geschrapt;

b)

in de derde kolom van punt 20.2 wordt „LT” geschrapt;

c)

in de derde kolom van punt 21 worden de woorden „Trentino-Alto Adige: de autonome provincie Trento;” geschrapt;

d)

in de derde kolom van de punten 21 en 21.3:

1.

worden de woorden „(met uitzondering van het provinciegebied ten noorden van rijksweg nr. 9 — Via Emilia)” toegevoegd na elk van de woorden „Forli-Cesena” en „Rimini”;

2.

worden na het woord „SI” de volgende woorden ingevoegd: „(met uitzondering van de regio’s Gorenjska en Maribor)”;

3.

worden na het woord „SK” de volgende woorden ingevoegd: „(met uitzondering van de gemeenten Blahová, Horné Mýto en Okoč (district Dunajská Streda), Hronovce en Hronské Kľačany (district Levice), Veľké Ripňany (district Topoľčany), Málinec (district Poltár), Hrhov (district Rožňava), Kazimír, Luhyňa, Malý Horeš, Svätuše en Zatín (district Trebišov))”;

e)

in de derde kolom van punt 22 wordt „LT” geschrapt;

f)

in de derde kolom van punt 23 wordt „LT” geschrapt;

g)

in de derde kolom van de punten 24.1, 24.2 en 24.3:

worden de woorden tussen haakjes na „P” vervangen door de volgende woorden: „Azores, Beira Interior, Beira Litoral, Entre Douro e Minho, Madeira, Ribatejo e Oeste (gemeenten Alcobaça, Alenquer, Bombarral, Cadaval, Caldas da Rainha, Lourinhã, Nazaré, Obidos, Peniche en Torres Vedras) en Trás-os-Montes”;

h)

in de derde kolom van punt 25 wordt „LT” geschrapt;

i)

in de derde kolom van punt 26 wordt „LT” geschrapt;

j)

in de derde kolom van punt 27.1 wordt „LT” geschrapt;

k)

in de derde kolom van punt 27.2 wordt „LT” geschrapt;

l)

in de derde kolom van punt 30 wordt „LT” geschrapt.


25.3.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 88/13


RICHTLIJN 2006/36/EG VAN DE COMMISSIE

van 24 maart 2006

tot wijziging van Richtlijn 2001/32/EG tot erkenning van beschermde gebieden in de Gemeenschap waar bijzondere plantenziekterisico's bestaan, en tot intrekking van Richtlijn 92/76/EEG

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (1), en met name op artikel 2, lid 1, onder h), eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Richtlijn 2001/32/EG van de Commissie (2) zijn bepaalde lidstaten of bepaalde gebieden in lidstaten als beschermd gebied ten aanzien van bepaalde schadelijke organismen erkend. In sommige gevallen werd een voorlopige erkenning verleend omdat de informatie die nodig was om aan te tonen dat het desbetreffende schadelijke organisme niet aanwezig was in de betrokken lidstaat of het betrokken gebied niet was verstrekt.

(2)

Voor zover de betrokken lidstaten intussen de nodige informatie hebben verstrekt, dienen de desbetreffende gebieden als permanent beschermd gebied te worden erkend.

(3)

Bepaalde regio's van Portugal werden als beschermd gebied ten aanzien van Bemisia tabaci Genn. (Europese populaties) erkend.

(4)

Portugal heeft informatie verstrekt waaruit blijkt dat Bemisia tabaci Genn. (Europese populaties) in bepaalde delen van zijn grondgebied is geconstateerd. Daarom kunnen deze delen van het Portugese grondgebied niet langer als beschermd gebied ten aanzien van dat schadelijke organisme worden erkend.

(5)

Verscheidene regio's of delen van regio's in Oostenrijk en Italië en het hele grondgebied van Ierland, Litouwen, Slovenië en Slowakije werden tot en met 31 maart 2006 voorlopig als beschermd gebied ten aanzien van Erwinia amylovora (Burr.) Winsl. et al. erkend.

(6)

Uit informatie die Oostenrijk, Italië, Ierland, Litouwen, Slovenië en Slowakije hebben verstrekt, blijkt dat voor deze landen de voorlopige erkenning van de beschermde gebieden ten aanzien van Erwinia amylovora (Burr.) Winsl. et al. bij wijze van uitzondering met twee jaar dient te worden verlengd teneinde deze landen voldoende tijd te gunnen om informatie te verstrekken waaruit blijkt dat Erwinia amylovora (Burr.) Winsl. et al. niet voorkomt of, waar nodig, om hun maatregelen om dat organisme uit te roeien, te voltooien.

(7)

Aangezien Erwinia amylovora (Burr.) Winsl. et al. in bepaalde delen van Italië, in Slovenië in de regio's Gorenjska en Maribor en in Slowakije in bepaalde gemeenten van de districten Dunajská Streda, Levice, Topoľčany, Poltár, Rožňava en Trebišov is geconstateerd, kunnen deze delen van het Italiaanse, Sloveense en het Slowaakse grondgebied niet langer als beschermd gebied ten aanzien van Erwinia amylovora (Burr.) Winsl. et al. worden erkend.

(8)

Litouwen werd tot en met 31 maart 2006 voorlopig als beschermd gebied ten aanzien van het „beet necrotic yellow vein virus” erkend.

(9)

Litouwen heeft informatie verstrekt waaruit blijkt dat het „beet necrotic yellow vein virus” nu in dat land is geconstateerd. Daarom kan Litouwen niet langer als beschermd gebied ten aanzien van dat schadelijke organisme worden erkend.

(10)

Malta werd tot en met 31 maart 2006 voorlopig als beschermd gebied ten aanzien van het citrus tristeza virus (Europese stammen) erkend..

(11)

Uit informatie die Malta heeft verstrekt, blijkt dat voor dat land de voorlopige erkenning van het beschermde gebied ten aanzien van het citrus tristeza virus (Europese stammen) bij wijze van uitzondering met twee jaar dient te worden verlengd teneinde dat land voldoende tijd te gunnen om informatie te verstrekken waaruit blijkt dat het citrus tristeza virus (Europese stammen) niet voorkomt of, waar nodig, om zijn maatregelen om dat organisme uit te roeien, te voltooien.

(12)

Cyprus werd tot en met 31 maart 2006 voorlopig als beschermd gebied ten aanzien van Daktulosphaira vitifoliae (Fitch), Ips sexdentatus Börner en Leptinotarsa decemlineata Say erkend.

(13)

Uit informatie die Cyprus heeft verstrekt, blijkt dat voor dat land de voorlopige erkenning van het beschermde gebied ten aanzien van Daktulosphaira vitifoliae (Fitch), Ips sexdentatus Börner en Leptinotarsa decemlineata Say met twee jaar dient te worden verlengd teneinde dat land voldoende tijd te gunnen om informatie te verstrekken waaruit blijkt dat deze schadelijke organismen niet voorkomen of, waar nodig, om zijn maatregelen om deze uit te roeien, te voltooien.

(14)

Richtlijn 2001/32/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(15)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Plantenziektekundig Comité,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 2001/32/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 komt als volgt te luiden:

„Artikel 1

De in de bijlage opgenomen gebieden van de Gemeenschap worden erkend als beschermd gebied in de zin van artikel 2, lid 1, onder h), eerste alinea, van Richtlijn 2000/29/EG voor het (de) naast hun naam in de bijlage vermelde schadelijke organisme(n).”.

2)

Artikel 2 wordt geschrapt.

3)

De bijlage wordt als volgt gewijzigd:

a)

onder a), in punt 2, komen de woorden tussen haakjes na „Portugal” als volgt te luiden: „Azoren, Beira Interior, Beira Litoral, Entre Douro e Minho, Madeira, Ribatejo e Oeste (de gemeenten Alcobaça, Alenquer, Bombarral, Cadaval, Caldas da Rainha, Lourinhã, Nazaré, Obidos, Peniche en Torres Vedras) en Trás-os-Montes”;

b)

onder a), in de punten 3.1, 11 en 13, worden na het woord „Cyprus” de woorden „(tot en met 31 maart 2008)” ingevoegd;

c)

onder b), komt punt 2 als volgt te luiden:

„—

Spanje, Estland, Frankrijk (Corsica), Italië (Abruzzen; Basilicata; Calabria; Campania; Friuli-Venezia Giulia; Lazio; Ligurië; Marche; Molise; Piemonte; Sardinië; Sicilië; Toscane; Umbrië; Valle d’Aosta), Letland, Portugal, Finland, Verenigd Koninkrijk (Noord-Ierland, eiland Man en de Kanaaleilanden),

en, tot en met 31 maart 2008, Ierland, Italië (Apulië, Emilia-Romagna: de provincies Forlí-Cesena (met uitzondering van het gebied ten noorden van rijksweg nr. 9 — Via Emilia), Parma, Piacenza, Rimini (met uitzondering van het gebied ten noorden van rijksweg nr. 9 — Via Emilia), Lombardije, Veneto: behalve de gemeenten Rovigo, Polesella, Villamarzana, Fratta Polesine, San Bellino, Badia Polesine, Trecenta, Ceneselli, Pontecchio Polesine, Arquà Polesine, Costa di Rovigo, Occhiobello, Lendinara, Canda, Ficarolo, Guarda Veneta, Frassinelle Polesine, Villanova del Ghebbo, Fiesso Umbertiano, Castelguglielmo, Bagnolo di Po, Giacciano con Baruchella, Bosaro, Canaro, Lusia, Pincara, Stienta, Gaiba en Salara in de provincie Rovigo, de gemeenten Castelbaldo, Barbona, Piacenza d’Adige, Vescovana, S. Urbano, Boara Pisani en Masi in de provincie Padua, en de gemeenten Palù, Roverchiara, Legnago, Castagnaro, Ronco all’Adige, Villa Bartolomea, Oppeano, Terrazzo, Isola Rizza en Angiari in de provincie Verona), Litouwen, Oostenrijk (Burgenland, Karinthië, Neder-Oostenrijk, Tirol (administratief district Lienz), Steiermark, Wenen), Slovenië (met uitzondering van de regio's Gorenjska en Maribor), Slowakije (met uitzondering van de gemeenten Blahová, Horné Mýto en Okoč (district Dunajská Streda), Hronovce en Hronské Kľačany (district Levice), Veľké Ripňany (district Topoľčany), Málinec (district Poltár), Hrhov (district Rožňava), Kazimír, Luhyňa, Malý Horeš, Svätuše en Zatín (district Trebišov))”;

d)

onder d), in punt 1, wordt het woord „Litouwen” geschrapt;

e)

onder d), in punt 3, worden na het woord „Malta” de woorden „(tot en met 31 maart 2008)” ingevoegd.

Artikel 2

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 30 april 2006 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een transponeringstabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en de richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 mei 2006.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 24 maart 2006.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/14/EG van de Commissie (PB L 34 van 7.2.2006, blz. 24).

(2)  PB L 127 van 9.5.2001, blz. 38. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2005/18/EG (PB L 57 van 3.3.2005, blz. 25).


II Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

Commissie

25.3.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 88/16


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 13 mei 2003

betreffende staatssteun van Duitsland ten gunste van Kahla Porzellan GmbH en Kahla/Thüringen Porzellan GmbH

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2003) 1520)

(Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2006/239/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 88, lid 2, eerste alinea,

Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name op artikel 62, lid 1, onder a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig de voornoemde artikelen te hebben aangemaand hun opmerkingen kenbaar te maken (1) en gezien deze opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

I.   PROCEDURE

(1)

Op 16 november 1998 en 24 maart 1999 ontving de Commissie klachten van concurrenten over het vermoedelijke misbruik van staatssteun, die de deelstaat Thüringen ten gunste van Kahla Porzellan GmbH (hierna „Kahla I” te noemen) en Kahla/Thüringen Porzellan GmbH (hierna „Kahla II” te noemen), beide gevestigd in Thüringen, Duitsland, zou hebben verleend.

(2)

Na een uitgebreide briefwisseling en ontmoetingen met vertegenwoordigers van Duitsland heeft de Commissie op 15 november 2000 ten aanzien van de aan de onderneming verleende ad-hocstaatssteun de formele onderzoeksprocedure ingeleid. Tegelijkertijd werd Duitsland aangemaand voldoende inlichtingen te verstrekken, opdat kan worden bepaald of enkele steunmaatregelen in overeenstemming zijn met de goedgekeurde steunregelingen op grond waarvan zij zouden zijn verleend.

(3)

Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure werd bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen  (2). De Commissie heeft belanghebbenden uitgenodigd hun opmerkingen over de desbetreffende steunmaatregelen kenbaar te maken. Op 31 juli 2001 ontving de Commissie opmerkingen van Kahla II, die bij schrijven van 7 augustus 2001 ter kennis van Duitsland werden gebracht.

(4)

Op 26 maart 2001 heeft Duitsland op het bevel tot verstrekking van informatie geantwoord, heeft het inlichtingen verstrekt over de steunmaatregelen en de Commissie in kennis gesteld van verdere steunmaatregelen, die niet eerder waren aangemeld. De Commissie verzocht op 28 mei 2001 om aanvullende inlichtingen, die zij op 31 juni 2001 ontving. Verdere aanvullende inlichtingen werden op 9 augustus 2001 verstrekt.

(5)

Bij schrijven van 30 november 2001 heeft de Commissie Duitsland meegedeeld dat zij de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag heeft uitgebreid tot de steunmaatregelen die niet in overeenstemming zijn met goedgekeurde steunregelingen in het kader waarvan zij zouden zijn verleend, alsmede tot steunmaatregelen waarvan de Commissie niet eerder op de hoogte werd gesteld.

(6)

Op 10 december 2001 werd de zaak uitvoerig besproken met vertegenwoordigers van Duitsland en van de onderneming.

(7)

Het besluit van de Commissie tot uitbreiding van de procedure werd bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen  (3). De Commissie heeft belanghebbenden uitgenodigd hun opmerkingen over de desbetreffende steunmaatregelen kenbaar te maken. De Commissie heeft opmerkingen ontvangen van de begunstigde (Kahla II). Deze werden bij schrijven van 6 maart 2002 ter kennis van Duitsland gebracht, dat op zijn beurt in staat werd gesteld zijn standpunt te bepalen.

(8)

Op 30 januari antwoordde Duitsland op het besluit tot uitbreiding van de formele onderzoeksprocedure en verstrekte uitvoerige inlichtingen. Bij schrijven van 30 april 2002 werd verzocht om aanvullende inlichtingen. Duitsland antwoordde bij schrijven van 29 mei 2002, dat op diezelfde dag werd geregistreerd.

(9)

Bij schrijven van 28 februari 2002 ontving de Commissie opmerkingen van Kahla II, die bij schrijven van 6 maart 2002 ter kennis van Duitsland werden gebracht. Op 18 maart 2002 ontving de Commissie een nieuwe klacht over het feit dat Kahla II verdere steunmaatregelen zou hebben ontvangen. Deze informatie werd bij schrijven van 30 april 2002 ter kennis gesteld van Duitsland. Het antwoord van Duitsland op de klacht werd op 29 mei 2002 ontvangen.

(10)

Op 24 juli 2002 werd de zaak opnieuw besproken met vertegenwoordigers van Duitsland. Na deze ontmoeting verstrekte Duitsland op 7 augustus 2002 verdere toelichtingen. Op 30 juli 2002 bleef Kahla II bij haar eerdere argumenten. Bij schrijven van 1 oktober 2002, geregistreerd op dezelfde dag, deed Duitsland nog een standpunt toekomen.

II.   BESCHRIJVING

A.   De onderneming

(11)

Kahla II is de opvolger van Kahla I. Zowel Kahla I als Kahla II produceren serviezen van porselein en fijne keramiek. Zij zijn gevestigd in een regio die op grond van artikel 87, lid 3, onder a), van het EG-Verdrag voor steun in aanmerking komt.

(12)

In overeenstemming met de Duitse Verordnung zur Umwandlung von volkseigenen Kombinaten, Betrieben und Einrichtungen in Kapitalgesellschaften (Verordening voor de omzetting van staatsbedrijfscomplexen, -bedrijven en -instellingen in kapitaalvennootschappen) werd de onderneming op 1 maart 1990 opgericht door omzetting van de VEB Vereinigte Porzellanwerke Kahla in twee besloten vennootschappen. Eén van deze vennootschappen was KAHLA I. Op 23 april 1991 werd Kahla I door de Treuhandanstalt (hierna „THA” te noemen) geprivatiseerd door middel van de verkoop aan de heer Hoffmann (75,1 % van het stamkapitaal) en aan de heer Ueing (24,9 % van het stamkapitaal) tegen betaling van een aankoopsom van 2 DEM. Het geprivatiseerde bedrijf werd toegewezen aan de enige bieders, nadat de THA de voorgenomen verkoop had bekendgemaakt in de lijst van de door haar te koop aangeboden bedrijven (Hoppenstedt) en aanvragen had gericht tot de verenigingen van de keramische industrie en de kamers van koophandel en industrie. Volgens de verklaringen van Duitsland zou de liquidatie van de onderneming de THA meer hebben gekost. De privatiseringsovereenkomst werd volgens de verklaringen van Duitsland pas op 11 december 1992 van kracht.

(13)

Duitsland verstrekte de volgende bedrijfsgegevens (omzet en bedrijfsresultaat in miljoen DEM):

Tabel 1

 

1991

1992

1993

Werknemers

1 561

827

696

Omzet

25,4

29,3

27,9

Bedrijfsresultaat

-29,5

-25,8

-13,4

(14)

Op 9 augustus 1993 meldde de onderneming de Gesamtvollstreckung (faillissement in nieuwe Duitse deelstaten) aan. De Gesamtvollstreckungsprocedure werd op 29 september 1993 ingeleid.

(15)

Volgens de door Duitsland verstrekte informatie heeft de curator sinds de inleiding van de Gesamtvollstreckungsprocedure naar investeerders gezocht voor de overname van de activa. Naar de mening van de curator zou de gunstigste prijs voor de activa worden verkregen door de onderneming te verkopen als een bedrijf dat zijn activiteiten zou voortzetten.

(16)

In november 1993 richtte een particuliere investeerder, de heer G. Raithel, Kahla II op. In januari 1994 verkocht de curator de grond, machines, installaties en voorraden van de in Gesamtvollstreckung verkerende onderneming Kahla I aan de heer G. Raithel. 380 werknemers werden overgenomen.

(17)

De totale koopsom bedroeg oorspronkelijk 7,391 miljoen DEM. Het contract werd op 5 oktober zodanig gewijzigd dat de prijs van 2,05 miljoen DEM voor de installaties, die door middel van een subsidie van 2,5 miljoen DEM moest worden gefinancierd (zie maatregel 15), bij ondertekening van het gewijzigde contract diende te worden voldaan. Wettelijke aanspraken, handelsmerken, officieel geregistreerde modellen en knowhow werden overgedragen voor 1 DEM. Het klanten- en opdrachtenbestand werden kosteloos overgedragen. De prijs voor de voorraadbestanden, die 2,136 miljoen DEM bedroeg, moest vanaf 1 maart 1994 in tien termijnen worden voldaan. Het grondbezit moest belastingvrij worden verkocht voor 3,205 miljoen DEM, te voldoen binnen 14 dagen.

(18)

Volgens de verklaringen van Duitsland vond tot 1996 afbetaling in termijnen plaats. Een bedrag van 1 miljoen DEM werd ten slotte in 1999 betaald, nadat de curator een zekerheidsrecht (Grundschuld) op een deel van het grondbezit had opgeheven. Het totaalbedrag dat uiteindelijk werd betaald, bedroeg 6,727 miljoen DEM. Volgens de door Duitsland verstrekte informatie was de prijsverlaging voor de voorraden van 0,664 miljoen DEM terug te voeren op schade die na de verkoop werd vastgesteld. Uit de beschikbare informatie blijkt dat de verkoop in de eerste plaats werd gefinancierd met staatssteun. De eigen middelen zonder enig steunelement bedroegen slechts 55 000 DEM.

(19)

De verkoop van het grondbezit werd op 18 juli 1994 (4) goedgekeurd door de THA en op 19 oktober 1995 door haar rechtsopvolger, de Bundesanstalt für vereinigungsbedingte Sonderaufgaben (hierna „BvS” te noemen).

(20)

Het koopcontract voorzag er voorts in dat de Thüringer Industriebeteiligungs GmbH & Co. KG (hierna „TIB” te noemen), een staatsbedrijf dat door de deelstaat Thüringen werd opgericht en via een stichting door de deelstaat werd beheerd, een stille participatie van 49 % in Kahla II zou verkrijgen. Dit gebeurde op 5 maart 1994.

(21)

Duitsland heeft de volgende gegevens over de bedrijfsactiviteiten van de onderneming overgelegd (omzet en bedrijfsresultaat in miljoen DEM):

Tabel 2

 

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

Werknemers

380

369

327

323

307

327

322

Omzet

23

29

32

39

34

35,8

41,6

Bedrijfsresultaat[…] (5)

 

 

 

 

 

 

 

B.   Financiële maatregelen

a)   Financiële maatregelen ten gunste van Kahla I

(22)

De volgende financiële maatregelen werden voor Kahla vanaf de oprichting tot het faillissement van het bedrijf door de staat toegekend (in miljoen DEM):

Tabel 3

Maatregelen ten gunste van Kahla I

 

Bedrag

Maatregelen voor de privatisering

1

 

THA

Exportgarantie

4,5

Maatregelen in het kader van de privatisering

2

23.04.1991

THA

Overname van oude verplichtingen

37,7

3

23.04.1991

THA

Overname van oude schulden

31,1

4

23.04.1991

THA

Garanties

24,9

Maatregelen na de privatisering

5

12.1991

Deelstaat

Directe investeringssubsidies

1,825

6

05.10.1992

THA

Lening

4,3

7

01.12.1992

THA

Lening

1,8

8

1993

THA

Opbrengst van de verkoop van het grondbezit

5,676

9

 

Stadtsparkasse Jena

Kredieten

3,9

10

1992 – 1995

Deelstaat

Investeringspremies

0,035

TOTAAL

115,736

(23)

Maatregel 1: een voor de privatisering verleende exportgarantie, waar volgens de door Duitsland verstrekte informatie nooit een beroep op werd gedaan.

(24)

Maatregelen 2 en 3: overname van de schulden door de THA uit de kredieten van de Dresdner Bank AG van vóór 1 juli 1990 en uit door de THA voor de privatisering verstrekte leningen.

(25)

Maatregel 4: Duitsland geeft aan dat deze garanties van de THA werden verstrekt ter zekerheidsstelling van investeringen, de dekking van verliezen en de leningen van de Dresdner Bank AG. Voor deze garanties stelde de onderneming verschillende zekerheden, waarop de THA na inleiding van de Gesamtvollstreckung geen aanspraak heeft gemaakt. Als extra zekerheid kreeg de THA het recht het grondbezit van de onderneming dat niet direct noodzakelijk was voor het bedrijf te verkopen. Dit grondbezit werd getaxeerd op 13,3 miljoen DEM. De te behalen opbrengst zou moeten worden gebruikt voor de aflossing van leningen waarvoor de THA garant stond. Duitsland geeft toe dat de leningen waarvoor de THA garant stond met goedvinden van de THA nooit werden terugbetaald. Op het moment dat er een beroep werd gedaan op de garanties bedroegen deze in totaal 24,9 miljoen DEM inclusief rente.

(26)

Maatregel 5: in december 1991 ontving de onderneming van de deelstaat Thüringen investeringssubsidies ten bedrage van 1,825 miljoen DEM.

(27)

Maatregel 6: op 5 oktober 1992 verstrekte de THA een lening ten bedrage van 4,2 miljoen DEM ter voorkoming van insolventie.

(28)

Maatregel 7: de THA verstrekte op 1 december 1992 nog een lening ten bedrage van 1,8 miljoen DEM, eveneens ter voorkoming van insolventie.

(29)

Maatregel 8: de totale opbrengt uit de in maatregel 3 genoemde verkoop van het grondbezit van het bedrijf bedroeg 5,676 miljoen DEM. In 1993 werd 3,4 miljoen DEM van de totale opbrengst aan Kahla I ter beschikking gesteld en niet gebruikt voor de aflossing van de kredieten waarvoor de Treuhand garant stond. Duitsland geeft aan dat de betaling van dit bedrag aan de THA weliswaar werd verschoven, maar er niet van terugbetaling werd afgezien, omdat het totaalbedrag van 5,676 miljoen DEM in de failliete boedel werd opgenomen. Dientengevolge bedroegen de Treuhand-middelen die aan de onderneming ten goede kwamen en niet voor de aflossing van kredieten werden gebruikt in totaal 5,676 miljoen DEM. Duitsland heeft dit feit niet bestreden.

(30)

Maatregel 9: twee kredieten van de Kreis- und Stadtsparkasse Jena van in totaal 3,9 miljoen DEM. Deze kredieten met een rente van respectievelijk 13,25 % en 17,25 % werden gewaarborgd door zekerheidsrechten op een stuk grond ten bedrage van 10 miljoen DEM.

(31)

Maatregel 10: in de periode van 1992 tot 1995 werden investeringssubsidies uitgekeerd ten bedrage van 0,035 miljoen DEM.

(32)

In totaal heeft Kahla I financiële steun ten bedrage van 115,736 miljoen DEM van de overheid ontvangen. Ondanks deze financiële steun werd op 29 september 1993 de Gesamtvollstreckungsprocedure ingeleid. Duitsland geeft aan dat de THA als onderdeel van de failliete boedel verplichtingen ten bedrage van 41,2 miljoen DEM heeft ingebracht. Onder dit bedrag vallen de maatregelen 3, 6, 7 en 8, inclusief rente.

(33)

Op 27 september 1993 besloot de THA geen aanspraak te maken op de door de onderneming gestelde zekerheden voor de garanties in verband met maatregel 4. Op 18 juli 1994 zag de THA resp. haar opvolger, de BvS, af van haar juridisch vastgelegde overname van de grond. Volgens Duitsland zou dit de betaling van compensatie aan andere schuldeisers en daarmee extra kosten tot gevolg hebben gehad.

b)   Financiële maatregelen ten gunste van KAHLA II

(34)

De volgende financiële maatregelen werden aan Kahla II door de overheid toegekend vanaf haar oprichting tot 1999 (in miljoen DEM):

Tabel 4

Maatregelen ten gunste van Kahla II

 

Bedrag

Maatregelen 1994 – 1996

11

5.4.1994

TIB

Participatie

1,975

12

5.4.1994

TIB

Lening met winstdeelneming

6,0

13

25.3.1994

Deelstaat

Kredietgarantie van 90 % (16, 18-22)

 

14

25.3.1994

Deelstaat

Garantie van 90 % voor een lening ten bedrage van 6,5 miljoen DEM van een particuliere bank

5,85

15

10.5.1994

Deelstaat

Subsidie KMO-investeringswaarborg

2,5

16

4/5.6.1994

DtA-ondersteuning eigen vermogen

Lening

0,2

17

5/6.1994

ERP-oprichting van bedrijven

Lening

1,8

18

3/.4.1995

ERP-opbouw

Lening 1

2,0

19

3/4.1995

KfW-middenstand

Lening

1,0

20

6/26.4.1995

DtA-milieu

Lening

1,73

21

7/26.4.1995

ERP-energiebesparing

Lening

3,45

22

3/25.4.1996

ERP-opbouw

Lening 2

2,0

23

13.2.1996

Deelstaat

Garantie van 90 % voor een lening ten bedrage van 1 miljoen DEM van een particuliere bank

0,9

24

1994-1996/97

Deelstaat

Directe investeringssubsidies

3,36

25

1994-1996

Deelstaat

Investeringspremies

0,838

26

1994-1996

Arbeidsbureau

Subsidies in het kader van het Arbeitsförderungsgesetz (wet ter bevordering van de werkgelegenheid)

1,549

27

1994-1996

 

Verschillende subsidies

0,492

Maatregelen vanaf 1997

28

1997-1999

Deelstaat

Directe investeringssubsidies

1,67

29

1997-1999

Deelstaat

Investeringspremies

0,365

30

3/5.1999

Deelstaat

Garantie van 90 % voor een lening ten bedrage van 2,32 miljoen DEM van een particuliere bank

0,042

31

1997-1999

Arbeidsbureau

Subsidies in het kader van het Arbeitsförderungsgesetz (wet ter bevordering van de werkgelegenheid)

0,851

32

1997-1999

 

Verschillende subsidies

0,352

33

1994-1999

 

Vervroegde afschrijving

0,104

TOTAAL

39,028

(35)

Maatregel 11: in maart 1994 verwierf de TIB tegen betaling van 1,975 miljoen DEM 49 % van de aandelen in Kahla II. Op 31 december 1999 beëindigde de TIB haar participatie in de onderneming en droeg zij haar aandelen in Kahla II over aan de heer G. Raithel en zijn zoon, de heer H. Raithel, die daarvoor […] (6) betaalden.

(36)

Maatregel 12: in maart 1994 verstrekte de TIB een lening met winstdeelneming ten bedrage van 6 miljoen DEM. Duitsland verklaart dat deze lening de TIB geen extra stemrecht geeft. Voor de lening diende 12 % rente te worden betaald, waarbij de hoogte van de rente werd beperkt tot 50 % van de jaarwinst. De Commissie neemt er nota van dat Kahla II pas vanaf 1996 bescheiden winsten behaalde. Er werd geen risicopremie overeengekomen. Duitsland geeft aan dat de lening op 29 december 1999, vermeerderd met een rente van 1,631 miljoen DEM, werd terugbetaald.

(37)

Maatregelen 13 en 23: de deelstaat Thüringen nam in maart 1994 honoreringsgaranties van 90 % op zich voor investeringskredieten tot een bedrag van 13,5 miljoen DEM. Toen de kredieten ten slotte werden ingebracht, dekte de garantie van maatregel 13 de kredieten 18 tot 22. De garantie van maatregel 23 dekte een krediet ten bedrage van 1 miljoen DEM dat een particuliere bank in februari 1996 tegen een rente van 6,1 % had verstrekt.

(38)

Maatregel 14: een andere door de deelstaat Thüringen in maart 1994 verstrekte honoreringsgarantie van 90 % voor kredieten ten behoeve van bedrijfskapitaal ten bedrage van 6,5 miljoen DEM. Het krediet werd daadwerkelijk in september 1995 door een particuliere bank verstrekt tegen een rente van 8,5 %. Deze garantie werd geleidelijk afgebouwd en liep af op 31 december 1999.

(39)

Voor deze garanties betaalde de onderneming een vergoeding van 0,75 % per jaar, die vanaf juni 1995 werd verlaagd tot 0,5 %.

(40)

Maatregel 15: een subsidie voor kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's) van aanvankelijk 2 miljoen DEM, later 2,5 miljoen DEM, die op 10 mei 1994 werd verleend.

(41)

Maatregel 16: een lening ter ondersteuning van het eigen vermogen ten bedrage van 0,2 miljoen DEM, die de heer Raithel, de investeerder, in juni 1994 zou zijn verstrekt in het kader van een steunregeling (7) in verband met de oprichting van Kahla II. Volgens deze regeling diende de investeerder dit bedrag ter beschikking te stellen van de onderneming in de vorm van eigen vermogen. Volgens de door Duitsland verstrekte informatie werd de lening op 30 september 2001 terugbetaald.

(42)

Maatregel 17: in mei 1994 een lening ten bedrage van 1,8 miljoen DEM, die zou zijn verstrekt op grond van het ERP-programma voor de oprichting van bedrijven (8).

(43)

Maatregel 18: een investeringslening ten bedrage van 2 miljoen DEM, die in maart 1995 zou zijn verstrekt op grond van het ERP-opbouwprogramma (9).

(44)

Maatregel 19: een investeringslening ten bedrage van 1 miljoen DEM, die in maart 1993 (10) werd verstrekt door de Kreditanstalt für Wiederaufbau.

(45)

Maatregel 20: een investeringslening ten bedrage van 1,73 miljoen DEM, die in april 1995 werd verstrekt in het kader van het milieuprogramma van de Deutsche Ausgleichsbank (hierna „DtA” te noemen).

(46)

Maatregel 21: een investeringslening ten bedrage van 3,45 miljoen DEM, die in april 1995 (11) zou zijn verstrekt in het kader van het ERP-milieuprogramma.

(47)

Omdat de marktrente daalde, werd op 30 maart 1998 het uitstaande bedrag van de leningen in het kader van de maatregelen 18-21 ten belope van 7,329 miljoen DEM omgezet in een marktlening van de Hypovereinsbank. De rente voor deze nieuwe lening bedroeg 5,9 % en was derhalve hoger dan de geldende referentierente van 5,49 %. De Commissie stelt echter vast dat de garantie van 90 % in het kader van maatregel 13 voor deze nieuwe marktlening ter beschikking werd gesteld.

(48)

Maatregel 22: een investeringslening ten bedrage van 2 miljoen DEM, die in maart 1996 zou zijn verstrekt in het kader van het ERP-opbouwprogramma (12).

(49)

Maatregel 23: zie overweging (37).

(50)

Maatregel 24: in oktober 1994 ontving Kahla II van de deelstaat Thüringen investeringssubsidies ten bedrage van 3,36 miljoen DEM voor investeringen in de periode van 1994 tot 1996 (13).

(51)

Maatregel 25: tussen 1994 en 1996 ontving de onderneming investeringspremies ten bedrage van 0,838 miljoen DEM (14).

(52)

Maatregel 26: subsidies voor de bevordering van de werkgelegenheid ten bedrage van 1,549 miljoen DEM in de jaren 1994 tot 1996.

(53)

Maatregel 27: tussen 1994 en 1996 ontving de onderneming subsidies voor de deelname aan beurzen ten bedrage van 122 414 DEM, subsidies voor reclame ten bedrage van 0,03 miljoen DEM, subsidies voor onderzoek en ontwikkeling ten bedrage van 0,318 miljoen DEM en subsidies voor de integratie van werknemers ten bedrage van 0,021 miljoen DEM.

(54)

Maatregel 28: in december 1996 werden er nog meer investeringssubsidies verleend voor de jaren 1997 tot 1999 ten bedrage van 1,67 miljoen DEM.

(55)

Maatregel 29: de onderneming ontving voor de jaren 1997 tot 1999 investeringspremies ten bedrage van 0,365 miljoen DEM.

(56)

Maatregel 30: een lening ten bedrage van 2,32 miljoen DEM werd in mei 1999 door een particuliere bank verstrekt; deze lening werd eveneens gedekt door de garantie van 90 % die in maart 1994 werd verstrekt door de deelstaat Thüringen voor investeringskredieten tot 13,5 miljoen DEM (zie maatregelen 13 en 23). Deze lening werd verstrekt tegen een rente van 4,6 %.

(57)

Maatregel 31: overige subsidies ter bevordering van de werkgelegenheid ten bedrage van 0,851 miljoen DEM.

(58)

Maatregel 32: volgens de jaarverslagen ontving de onderneming tussen 1997 en 1999 subsidies voor de deelname aan beurzen, voor reclame en voor de integratie van werknemers ten bedrage van 342 910 DEM alsmede subsidies voor personeelskosten in verband met activiteiten op het gebied van onderzoek en ontwikkeling ten bedrage van 8 602 DEM. Daarmee bedroeg het totaalbedrag van de subsidies 0,352 miljoen DEM.

(59)

Voorts verklaarde Duitsland na de uitbreiding van de formele onderzoeksprocedure dat de onderneming gebruik heeft gemaakt van een regeling die het mogelijk maakt om van investeringen eerst een hoger bedrag af te schrijven, waarna dit bedrag in de loop der jaren wordt verminderd (vervroegde afschrijving). Duitsland geeft toe dat deze maatregel inderdaad gunstig was voor de onderneming, omdat deze niet alleen gepaard ging met verliezen in de eerste jaren, maar ook met een lagere belastingafdracht. De lagere belastingopbrengst van de staat door de belastingverminderingen moet eveneens als financieringsmaatregel van de staat ten gunste van Kahla II (hierna „maatregel 33” te noemen) worden beschouwd.

C.   Het plan

(60)

Volgens de door Duitsland verstrekte informatie werd op 25 maart 1994 een plan opgesteld voor de financiering van datgene waaraan Kahla II behoefte had. De werkelijke kosten vielen iets, namelijk ongeveer 2 miljoen DEM, lager uit dan de oorspronkelijk geplande kosten. Een gedetailleerde opsomming wordt gegeven in tabel 5, die werd ontleend aan de door Duitsland verstrekte gegevens (in miljoen DEM):

Tabel 5

Kosten

Gepland

Werkelijk

(1994-1996)

Grondbezit

3,200

3,200

Gebouwen

 

 

Machines/installaties

2,050

2,050

Producten

2,136

1,472

Vernieuwing machines

14,650

14,977

Immateriële activa

 

 

Bedrijfskapitaal

14,854

12,709

TOTAAL

36,890

34,408

(61)

Om deze kosten te dekken, werd in maart 1994 een financieringsplan opgesteld, dat daarna meerdere malen werd gewijzigd. Tabel 6 werd ontleend aan de door Duitsland verstrekte gegevens. De cursief gedrukte maatregelen zouden betrekking hebben op eigen middelen (in miljoen DEM):

Tabel 6

Maatregel

Financieringsplan

25.3.1994

26.4.1995

25.4.1996

Werkelijk

11

TIB-participatie

1,950

1,975

1,975

1,975

12

Lening met winstdeelneming (TIB)

6,000

6,000

6,000

6,000

15

KMO-subsidie

2,000

2,500

2,500

2,500

 

Lening

13,500

 

 

 

18

-

KfW-ERP-opbouwprogramma

 

2,000

2,000

2,000

19

-

KfW-middenstandsprogramma

 

1,000

1,000

1,000

20

-

DtA-milieuprogramma

 

1,730

1,730

1,730

21

-

ERP-energiebesparingsprogramma

 

3,450

3,450

3,450

22

-

KfW-ERP-opbouwprogramma

 

 

2,000

2,000

 

-

Banklening

 

5,320

3,320

1,000

(14)

Bedrijfsmiddelenkrediet van banken

6,500

6,500

6,500

6,500

24

Investeringssubsidies

3,370

3,340

3,340

3,360

25

Investeringspremies

1,020

1,020

1,020

0,838

 

De heer Raithel (eigenaar)

2,550

0,055

0,055

0,055

16

-

DtA-ondersteuning van het eigen vermogen

 

0,200

0,200

0,200

17

-

KfW-ERP-programma voor de oprichting van bedrijven

 

1,800

1,800

1,800

 

TOTAAL

36,890

36,890

36,890

34,408

(62)

Geconstateerd wordt dat de TIB-participatie (maatregel 11) in 1995 ten opzichte van het oorspronkelijk voorziene bedrag met 0,25 miljoen DEM werd verhoogd. Voorts wordt geconstateerd dat het oorspronkelijk plan voorzag in leningen ten bedrage van 3,5 miljoen DEM. Voor deze leningen alsmede voor een bedrijfsmiddelenkrediet van een particuliere bank ten bedrage van 6,5 miljoen DEM verstrekte de deelstaat garanties van 90 % (maatregelen 13 en 14). In 1994 werd het bedrijfsmiddelenkrediet ingebracht. De leningen ten bedrage van in totaal 13,5 miljoen DEM werden in 1995 verstrekt (maatregelen 18-22) en daadwerkelijk gedekt door de garantie van 90 %.

(63)

Wat betreft de middelen die naar verluidt eigen middelen zijn, wordt geconstateerd dat de oorspronkelijk voorziene bijdrage van de investeerder van 2,555 miljoen DEM tot 2,055 miljoen DEM werd verlaagd, d.w.z. met 0,5 miljoen DEM. De „KMO-subsidie” (maatregel 15) werd met 0,5 miljoen DEM verhoogd, dus precies met het bedrag waarmee de bijdrage van de investeerder werd verminderd. Toen de vermeende bijdrage van de particuliere investeerder daadwerkelijk werd ingebracht, bestond deze bovendien uit een geldsom van 0,055 miljoen DEM uit de eigen middelen van de investeerder en twee leningen ten bedrage van 2 miljoen DEM die op grond van goedgekeurde steunregelingen (maatregelen 16 en 17) door overheidsbanken werden verstrekt.

(64)

Geconstateerd wordt dat in tabel 6, zoals deze door Duitsland werd verstrekt, niet wordt verwezen naar de in het kader van de maatregelen 26 en 27 verleende subsidies en de regeling voor vervroegde afschrijving waarop de onderneming volgens de door Duitsland verstrekte informatie aanspraak kon maken (maatregel 33). In een aparte tabel die op 30 januari 2002 werd verstrekt, gaf Duitsland aan dat de in 1994 en 1995 afgeschreven investeringen in totaal 3,603 miljoen DEM bedroegen.

(65)

Duitsland verstrekte eveneens de volgende tabel met verschillende investeringen die de onderneming in 1997 en 1998 heeft gedaan (in miljoen DEM):

Tabel 7

Kosten

Gepland

Werkelijk

Machines/installaties

5,580

 

Immateriële activa

0,150

 

TOTAAL

5,730

6,769

(66)

De financiering van deze kosten is in tabel 8, zoals deze door Duitsland werd verstrekt, in detail weergegeven (in miljoen DEM):

Tabel 8

Maatregel

Financiering

Gepland

Werkelijk

 

Eigen bijdrage

1,318

2,406

28

Investeringssubsidies

1,670

1,670

29

Investeringspremies

0,279

0,292

 

Overige bronnen

2,400

2,400

 

TOTAAL

5,730

6,769

(67)

Geconstateerd wordt dat in tabel 8, die door Duitsland werd verstrekt, niet wordt verwezen naar de subsidies in het kader van de maatregelen 31 en 32. Voor de financiering van de kosten in tabel 7 geeft Duitsland echter aan dat de onderneming in het kader van de regeling voor vervroegde afschrijving (maatregel 33) investeringen tot 0,743 miljoen DEM heeft afgeschreven. Het laatstgenoemde bedrag valt vermoedelijk onder de post „overige bronnen” in tabel 8.

(68)

Duitsland heeft voorts nog een investeringsplan (15) overgelegd waarin de tussen 1994 en 2000 geëffectueerde investeringen alsmede de tussen 2000 en 2003 te effectueren investeringen in detail zijn opgevoerd. Dit plan noemt met name een groot aantal machines en installaties waarin de onderneming heeft geïnvesteerd. De totale kosten voor de periode 1994-2000 zijn weergegeven in tabel 9, zoals deze door Duitsland werd verstrekt (in miljoen DEM):

Tabel 9

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

Totaal

8,504

4,540

1,933

1,846

4,923

1,370

0,790

23,906

(69)

De Commissie constateert dat het laatstgenoemde investeringsplan een overzicht geeft van een deel van de in de tabellen 5 tot 8 beschreven investeringen. In dit verband bedroegen de in de periode 1994-1996 geëffectueerde investeringen in totaal 14,977 miljoen DEM. Dit komt overeen met de in tabel 5 onder de post „vernieuwing van machines” weergegeven, daadwerkelijk geëffectueerde investeringen. Voor 1997 en 1998 komt het totaalbedrag van de investeringen overeen met de volgens tabel 7 geëffectueerde investeringen.

D.   Marktanalyse

(70)

Zowel Kahla I als Kahla II produceert vaatwerk van fijne keramiek en porselein voor de huishoudsector. Kahla II breidde uit en produceert tegenwoordig ook voor de zakelijke sector, met name voor hotels en voor decoratieve doeleinden. De producten worden ook geëxporteerd.

(71)

In de sector tafel- en sierporselein bestaat een intensief handelsverkeer tussen de lidstaten. Terwijl sierporselein in heel Europa wordt geproduceerd, zijn de producenten van tafelporselein sterk regionaal geconcentreerd in Noord-Beieren (Duitsland), in Staffordshire (Verenigd Koninkrijk) en in Limousin (Frankrijk). Naast een groot aantal KMO's, bestaan er ook talrijke grote ondernemingen. Tot de laatste behoren Villeroy&Boch (Duitsland/Luxemburg), Hutschenreuther en Rosenthal (Duitsland) alsmede Royal Doulton en Wedgewood (Verenigd Koninkrijk), die meer dan een derde van de totale productie in de Gemeenschap voor hun rekening nemen. Om te voldoen aan de specifieke behoeften van de horeca, is de „hotelporseleinsector” ontstaan met zijn speciaal ontworpen solide porselein. Het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Italië zijn de belangrijkste producenten en afnemers. De nauwe relatie met de eindverbruiker en de nodige concurrentie op het gebied van design zijn belangrijke kenmerken van deze zeer arbeidsintensieve branche met haar enorme assortiment. De verkoop aan derde landen overtreft nominaal de invoer in de Gemeenschap, maar qua volume is de import groter dan de export, vooral vanwege de extreem goedkope import uit China (16).

(72)

In de porseleinbranche is sprake van overcapaciteit. De productie en consumptie vertoonden tussen 1984 en 1991 een constante groei, waarna in de jaren 1992 en 1993 een terugval volgde. Een voor 1994 verwacht herstel bleef uit. De handelsbalans van de afgelopen jaren was positief, maar het aandeel van de invoer is duidelijk toegenomen, met name bij het vaatwerk voor huishoudelijk gebruik. De groei van de export kan de concurrentiedruk in deze sector niet compenseren. De gespannen concurrentiesituatie en capaciteitsoverschotten zijn integendeel verder aangescherpt door nieuwkomers in de markt uit Zuidoost-Azië en Oost-Europa (vooral uit de Tsjechische Republiek en Hongarije), die profiteren van hun handelsovereenkomsten met de Europese Unie (17).

III.   GRONDEN VOOR HET INLEIDEN EN UITBREIDEN VAN DE FORMELE ONDERZOEKSPROCEDURE

(73)

Bij de inleiding van de formele onderzoeksprocedure heeft de Commissie de financiële maatregelen ten gunste van Kahla I en Kahla II onderzocht in het licht van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag en artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst. De maatregelen behelsden middelen van staatswege en vervalsten de concurrentie tussen de lidstaten of dreigden deze te vervalsen en gaven deze ondernemingen voordelen. In haar voorlopige beoordeling was de Commissie van mening dat Kahla I en Kahla II ondernemingen in moeilijkheden waren. De Commissie betwijfelde voorts of de staat zich als een ondernemer in een markteconomie heeft gedragen, toen deze de ondernemingen financiële middelen verstrekte. In een voorlopige beoordeling werden dergelijke maatregelen als staatssteun beschouwd.

(74)

Aangezien de Commissie er ernstig aan twijfelde of deze steun verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, leidde ze ten aanzien van de ad-hocsteun aan Kahla I en Kahla II de formele onderzoeksprocedure in. Bovendien beweerde Duitsland dat talloze steunmaatregelen zouden zijn toegekend op grond van goedgekeurde steunregelingen. De Commissie was op basis van de informatie die haar ter beschikking stond, niet in staat om te beslissen of deze maatregelen in overeenstemming waren met de goedgekeurde steunregelingen op grond waarvan zij zouden zijn toegekend. Derhalve heeft de Commissie in het kader van de inleiding van de formele onderzoeksprocedure een bevel tot verstrekking van informatie aan Duitsland gericht om dit punt op te helderen.

(75)

De als antwoord op dit bevel tot verstrekking van informatie verstrekte inlichtingen namen bij de Commissie slechts voor enkele naar verluidt op basis van een goedgekeurde steunregeling toegekende maatregelen de twijfel weg dat het gaat om bestaande steun. Ten aanzien van verscheidene maatregelen constateerde de Commissie voorts bijzonderheden waarvan zij niet eerder op de hoogte was gesteld. Bijgevolg breidde de Commissie de formele onderzoeksprocedure uit om de maatregelen te beoordelen die klaarblijkelijk nog steeds niet met goedgekeurde steunregelingen in overeenstemming zijn, alsmede de maatregelen waarvan zij pas na inleiding van de formele onderzoeksprocedure op de hoogte werd gesteld.

IV.   OPMERKINGEN VAN DUITSLAND

(76)

In zijn schrijven van 11 november 1999 stelde Duitsland zich op het standpunt dat geen van de voornoemde financiële maatregelen aangemeld hoefde te worden bij de Commissie. Duitsland voert aan dat Kahla II in februari 1994 als nieuwe firma werd opgericht en dat de bedrijfsactiviteiten van Kahla I niet werden voortgezet. Volgens de Duitse verklaringen verkeert Kahla II niet in moeilijkheden. Tijdens de gehele procedure heeft Duitsland op dit punt voet bij stuk gehouden. Ter onderbouwing van deze argumentatie overlegde Duitsland eerst twee door adviseurs opgestelde rapporten van 29 november 1993 en 11 januari 1994. Na de uitbreiding van de formele onderzoeksprocedure overlegde Duitsland een door een andere adviseur opgesteld rapport van 21 januari 2002.

(77)

Duitsland constateerde aanvankelijk dat het merendeel van de financiële maatregelen van de overheidsinstanties niet als steun moest worden beschouwd omdat de overheidsinstanties zich als een ondernemer in een markteconomie hadden gedragen toen zij Kahla II financiële steun toezegden. De overige financiële maatregelen ten gunste van Kahla II, die niet onder het beginsel van de markteconomisch handelende particuliere investeerder zouden vallen, zijn volgens Duitsland ofwel door goedgekeurde steunregelingen gedekt of moeten worden beschouwd als „de minimis”-steun. Duitsland verstrekte uitgebreide informatie en bescheiden.

(78)

Na de inleiding van de formele onderzoeksprocedure erkende Duitsland dat enkele maatregelen steun konden zijn en enkele niet onder de in de mededeling van de Commissie inzake „de minimis”-steun (18) en Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op „de minimis”-steun (19) beschreven „de minimis”-regels of goedgekeurde steunregelingen zouden kunnen vallen. Duitsland stelde zich echter op het standpunt dat in dit geval de steun als investeringssteun moest worden beschouwd, waarbij de regionale steunplafonds werden aangehouden. Voorts overlegde Duitsland verscheidene investeringsplannen en aanvullende informatie over dit onderwerp, met inbegrip van een schatting van de steunintensiteit van de maatregelen.

(79)

Ten slotte voerde Duitsland aan dat de Commissie, als zij geen van de aangevoerde argumenten zou accepteren, - met name voor maatregel 26 -, zou moeten onderzoeken of de steun als met de gemeenschappelijke markt verenigbare werkgelegenheidssteun zou kunnen worden beschouwd.

(80)

In zijn schrijven van 1 oktober 2002 verklaarde Duitsland, in tegenspraak met alle voorgaande argumenten, dat, indien de Commissie Kahla II als een onderneming in moeilijkheden mocht beschouwen, de betreffende steunregelingen zouden moeten worden beoordeeld als herstructureringssteun op basis van de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (20) (hierna „herstructureringsrichtsnoeren” te noemen).

V.   OPMERKINGEN VAN BELANGHEBBENDEN

(81)

Na de inleiding en uitbreiding van de procedure ontving de Commissie opmerkingen van Kahla II, die aan Duitsland ter kennis werden gebracht bij schrijven van 7 augustus 2001 en 6 maart 2002. De door Kahla II aangevoerde argumenten komen grotendeels met de argumenten van Duitsland overeen.

(82)

Voorts ontving de Commissie een nieuwe klacht over het feit dat Kahla II verdere steun zou hebben ontvangen. Deze informatie werd bij schrijven van 30 april 2002 aan Duitsland ter kennis gebracht. Op 29 mei 2002 antwoordde Duitsland en voerde aan dat de onderneming geen andere subsidies zou hebben ontvangen dan de subsidies waarvan de Commissie op de hoogte was gesteld.

(83)

Op 30 juli 2002 ontving de Commissie van Kahla II nog meer opmerkingen, die geen nieuwe feiten of bewijzen behelsden, maar waarin Duitsland bij zijn eerdere argumenten bleef dat de onderneming nooit in moeilijkheden had verkeerd, dat bepaalde maatregelen niet als steun dienen te worden beschouwd en dat de ad-hocsteun als verenigbare regionale steun zou moeten worden beschouwd.

VI.   BEOORDELING

A.   De onderneming

(84)

Bij de inleiding van de formele onderzoeksprocedure kon de Commissie op basis van de beschikbare informatie niet beslissen of Kahla I en Kahla II onafhankelijke ondernemingen waren en in hoeverre Kahla II als voortzetting van een onderneming of als Auffanglösung (een nieuwe onderneming die de activa overneemt van een onderneming die in staat van faillissement verkeert) moet worden beschouwd. Derhalve werd Duitsland gelast voldoende inlichtingen te verstrekken om dit punt op te helderen.

(85)

Bij de uitbreiding van de formele onderzoeksprocedure kwam de Commissie tot de conclusie dat Kahla I en Kahla II verschillende rechtspersonen zijn. Kahla II werd als Auffanggesellschaft beschouwd, omdat zij door de heer G. Raithel als lege vennootschap werd opgericht om de activiteiten van de in liquidatie verkerende vennootschap Kahla I voort te zetten en haar activa over te nemen. In de beschikbare stukken wordt Kahla vaak als Auffanggesellschaft gekenschetst en de Commissie stelt vast dat een wijziging van de zeggenschap, de eigendomsverhoudingen en de rechtspersoonlijkheid heeft plaatsgevonden. Duitsland heeft deze opvatting niet weersproken.

(86)

De verkoop van de activa aan Kahla II vond niet plaats in een openbare en onvoorwaardelijke inschrijving. Duitsland verklaart dat de marktdeelnemers ervan op de hoogte waren gesteld dat de activa ter verkoop werden aangeboden. Volgens Duitsland werd na onderhandelingen met twee potentiële investeerders de heer G. Raithel door de curator als beste bieder uitgekozen. Volgens de door de curator verstrekte informatie waren de redenen voor deze keuze zowel de ervaring van de bieder op de porseleinmarkt als het feit dat hij een aanzienlijk hoger bod had uitgebracht dan de andere bieder, die volgens Duitsland 1 DEM had geboden. De Commissie stelt echter vast dat de heer G. Raithel weliswaar inderdaad meer dan 1 DEM heeft geboden, maar dat deze geboden prijs uit overheidsmiddelen moest worden gefinancierd. Niettemin blijkt uit de beschikbare informatie dat G. Raithel 55 000 DEM uit eigen middelen en derhalve meer dan 1 DEM heeft ingebracht. Op grond van de beschikbare informatie is de Commissie het met Duitsland eens dat de heer G. Raithel de beste bieder was.

(87)

De Commissie erkent dat de waarde van het grondbezit van Kahla I op een taxatie van een onafhankelijke deskundige berustte. Duitsland verklaarde dat de waarde van installaties en voorraden – in totaal rond de 3,5 miljoen DEM – niet was vastgesteld op basis van een taxatie, omdat er praktische problemen waren en een groot deel van de installaties zich in een slechte toestand bevond en vervangen had moeten worden. Met inachtneming van deze feiten komt de Commissie tot de conclusie dat er geen reden bestaat om te betwijfelen dat de door Kahla I voor de activa betaalde prijs niet overeenkwam met de marktprijs.

(88)

Wat de daaropvolgende verkoop van het aandeel van 49 % van de TIB in Kahla II betreft, wordt in de volgende punten geanalyseerd of deze in overeenstemming is met de handelwijze van een ondernemer in een markteconomie. De Commissie constateert echter dat de verkoop van dit aandeel aan de heer G. Raithel en zijn zoon op 31 december 1999 niet in een openbare, transparante en onbegrensde inschrijving heeft plaatsgevonden.

(89)

De TIB is een financiële instelling van de deelstaat. In overeenstemming met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en het beleid van de Commissie is de Commissie van mening dat de verkoopprijs voor een overheidsparticipatie geen elementen van staatssteun bevat, indien het te verkopen object in het kader van een openbare, niet aan voorwaarden gebonden en niet-discriminerende inschrijvingsprocedure wordt aangeboden. De lidstaten zijn echter niet verplicht om zich bij de verkoop van overheidsparticipaties aan deze procedure te houden.

(90)

Als een dergelijke procedure niet wordt gevolgd, kan de verkoopprijs elementen van staatssteun bevatten. Derhalve kan de Commissie eventueel toetsen of de verkoopprijs naar behoren overeenkomt met de waarde van de overheidsparticipatie. In dit verband stelt de Commissie vast dat de prijs voor de aan de heer G. Raithel en zijn zoon verkochte aandelen hoger was dan de prijs die de TIB zelf zes jaar daarvoor had betaald. Geconstateerd wordt voorts dat het aandeel een minderheidsbelang vormde. Ten slotte dient te worden benadrukt dat er in verband met de inleiding of de uitbreiding van de formele onderzoeksprocedure geen klacht van een belanghebbende werd ontvangen over het feit dat men willekeurig van de verkoop werd uitgesloten en dat geen belanghebbende een bod voor de participatie heeft voorgelegd. Bijgevolg zijn er naar de mening van de Commissie bij de verkoop van deze participatie geen aanwijzingen voor staatssteun.

B.   Steunmaatregelen in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag

(91)

Kahla I en Kahla II ontvingen financiële steun uit overheidsmiddelen, die beide ondernemingen voordelen gaf ten opzichte van hun concurrenten. Uit de feiten die in de stukken te lezen zijn, blijkt dat instellingen die onder overheidscontrole staan leningen verstrekken en dat participaties in particuliere ondernemingen, zoals de TIB in Kahla II, en hun activiteiten duidelijk toe te schrijven zijn aan de staat. In dit verband wordt verwezen naar een rapport van een adviseur van 29 november 1993, volgens welk het gehele herstructureringsplan van Kahla moet worden gezien in het licht van de inspanningen van de regionale regering om bij Kahla arbeidsplaatsen veilig te stellen (21). Omdat de porseleinmarkt een Europese productmarkt is met een intensieve concurrentie en overcapaciteit dreigen financiële voordelen die een onderneming een gunstige positie ten opzichte van haar concurrenten verschaffen, de concurrentie te vervalsen en de handel tussen lidstaten nadelig te beïnvloeden.

(92)

Wat Kahla I betreft, komt de Commissie bij de uitbreiding van de formele onderzoeksprocedure tot de conclusie dat de maatregelen 2, 3 en 9 geen steunmaatregelen vormen. De overige door Duitsland toegekende maatregelen worden nog steeds beschouwd als steunmaatregelen in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag. Duitsland heeft deze opvatting niet bestreden, wat betekent dat deze gehandhaafd wordt.

(93)

Wat Kahla II betreft, blijft Duitsland van mening dat het om een nieuwe onderneming gaat, die de continuïteit van de onderneming Kahla I niet waarborgt en die nooit in moeilijkheden heeft verkeerd. Derhalve hebben de overheidsinstanties bij de toekenning van hun financiële steun gehandeld als een ondernemer in een markteconomie. De Commissie zal eerst toetsen of de overheidsinstanties die Kahla II financiële steun ter beschikking stelden, als ondernemers in een markteconomie hebben gehandeld. Vervolgens zal de Commissie onderzoeken of de onderneming in moeilijkheden verkeerde.

(94)

Duitsland heeft twee door adviseurs opgestelde rapporten overgelegd om zijn stelling te onderbouwen dat de overheidsinstanties die Kahla II financiële steun ter beschikking stelden, als markteconomisch gerichte kapitaalverstrekkers hebben gehandeld.

(95)

Zoals in overweging 91 beschreven, wordt in het eerste rapport van 29 november 1993 een herstructureringsplan voor de Auffanggesellschaft geadviseerd met het oog op de inspanningen van de deelstaatregering om de arbeidsplaatsen bij Kahla te behouden (22). De herstructurering zou moeten plaatsvinden in de periode van 1994 tot 1997 en de totale kosten zouden 18,779 miljoen DEM moeten bedragen. Het break-evenpoint zou in 1996 moeten worden bereikt met een positief resultaat ten bedrage van 0,101 miljoen DEM.

(96)

Het tweede rapport werd op 11 januari 1994 voor de TIB opgesteld, voordat deze haar aandeel van 49 % in de onderneming verwierf. In de studie wordt verklaard dat het doel van de TIB het behoud en de schepping van arbeidsplaatsen in Thüringen is (23). In de studie wordt erop gewezen dat het herstel van de levensvatbaarheid slechts door een herstructurering met steun van de overheidsinstanties kan worden bereikt. Het break-evenpoint zou in 1996 moeten worden bereikt met een positief resultaat ten bedrage van 1,394 miljoen DEM. Bovendien vermeldde de studie dat het overheidsengagement ten gunste van Kahla II grote risico's met zich meebracht en werd volledig uitgesloten dat de onderneming voor 1998 financiële steun kon terugbetalen.

(97)

Gezien deze rapporten komt de Commissie tot de conclusie dat de financiële overheidsinstellingen – in het bijzonder de TIB – niet als een ondernemer in een markteconomie hebben gehandeld toen zij Kahla II financiële steun toezegden. Deze rapporten tonen duidelijk aan dat de deelstaatregering en haar financiële instellingen tot doel hadden arbeidsplaatsen te behouden. Dit is niet de hoofddoelstelling van een ondernemer in een markteconomie. Bovendien voorzien de rapporten dat er ten minste twee jaar lang verliezen zullen zijn en maken zij geen analyse van een mogelijke tegenprestatie voor de participatie van de overheidsinstanties, zoals bij iedere ondernemer in een markteconomie het geval had moeten zijn.

(98)

Met name ten aanzien van de participatie van de TIB kan de Commissie slechts bij het standpunt blijven dat deze niet in overeenstemming is met het beginsel van de markteconomisch handelende particuliere investeerder en bijgevolg als steun moet worden beschouwd. Het feit dat de TIB haar aandeel vijf jaar later aan de bezitter van een meerderheidsbelang, G. Raithel en zijn zoon, heeft verkocht, en wel tegen een hogere prijs dan zij in 1994 zelf had betaald, verandert niets aan deze conclusie. De handelwijze van de TIB moet ex ante worden beoordeeld, waarbij rekening moet worden gehouden met de potentiële risico's en de verwachte inkomsten. Gezien de toen ter beschikking staande rapporten waren deze risico's groot (24), maar werden er geen maatregelen getroffen om deze tegen te gaan. Voorts werd er geen analyse gemaakt van de inkomsten in de toekomst. Bovendien is de door de TIB daadwerkelijk behaalde winst gering.

(99)

In tegenspraak met de verklaringen van Duitsland zijn de voorwaarden van de TIB-participatie niet vergelijkbaar met de voorwaarden van de particuliere kapitaalverstrekker, Raithel. Raithel zou 2,055 miljoen DEM in de onderneming hebben geïnvesteerd. Slechts 0,055 miljoen DEM was echter afkomstig uit zijn eigen middelen. De resterende 2 miljoen DEM was afkomstig uit overheidsmiddelen in de vorm van 2 leningen die aan Raithel werden verstrekt (maatregelen 16 en 17). Bovendien viel één van die leningen (maatregel 16) onder een garantie van de federale overheid voor de Deutsche Ausgleichsbank, die de lening had verstrekt, en was de andere lening (maatregel 17) gedekt door een zekerheidsrecht op een stuk grond van Kahla II in eerste rang (25). De TIB heeft daarentegen 1,975 miljoen DEM uit haar eigen middelen aan de onderneming ter beschikking gesteld in de vorm van een participatie. Dit bedrag bestond uit eigen vermogen dat in geval van insolventie gedekt wordt door een achtergestelde zekerheid. Het risico dat de TIB op zich heeft genomen, is derhalve duidelijk groter dan het risico van de particuliere kapitaalverstrekker. Zoals in overweging 111 zal worden beschreven, had de heer G. Raithel bovendien het recht zich uit het contract terug te trekken als de TIB-participatie en/of andere maatregelen niet werden ingebracht, terwijl de TIB dergelijke rechten niet had. De TIB-participatie is derhalve niet in overeenstemming met het beginsel van de particuliere kapitaalverstrekker.

(100)

Wat de overige door Duitsland getroffen maatregelen betreft, zou een ondernemer in een markteconomie gezien de bijzondere situatie van de onderneming en het feit dat deze actief is in een markt die wordt gekenmerkt door structurele overcapaciteit, slechts financiële steun hebben verleend onder voorwaarden waarbij rekening zou zijn gehouden met deze feiten.

(101)

De Commissie zal eerst de door de TIB en door de overheidsbanken verstrekte kredieten onderzoeken. Een overzicht van deze kredieten is weergegeven in tabel 10:

Tabel 10

Maatregel

Bedrag

(DEM)

Rentevoet

Referentierente

Zekerheden

12

6 miljoen

12 % (26)

6,62 %

-

16

0,2 miljoen

0 % - 5 % (27)

6,62 %

garantie van de federale overheid

17

1,8 miljoen

5,5 %

6,62 %

zekerheidsrecht op een stuk grond in eerste rang van 1,8 miljoen DEM; subsidiair zekerheidsrecht op een stuk grond van 20 miljoen DEM

18

2 miljoen

6,5 %

8,28 %

zekerheidsrecht op een stuk grond in tweede rang van 1,8 miljoen DEM, zekerheidsrecht op een stuk grond in tweede en derde rang van 20 miljoen DEM, overdracht van machines en rechten ten opzichte van derden, overdracht van voorraden, overdracht van vorderingen op klanten, garantie van 90 % van de deelstaat Thüringen

19

1 miljoen

6,75 %

8,28 %

zie maatregel 18

20

1,73 miljoen

6,65 %

8,28 %

zie maatregel 18

21

3,45 miljoen

6,65 %

8,28 %

zie maatregel 18

22

2 miljoen

5 %

7,33 %

zie maatregel 18

(102)

Tabel 10 toont aan dat de financiële overheidsinstellingen niet hebben gehandeld als een ondernemer in een markteconomie. In het bijzonder met betrekking tot de lening met winstdeelneming van de TIB (maatregel 12) wordt geconstateerd dat de overeengekomen rentevoet 12 % bedroeg, maar dat de hoogte van de rente werd beperkt tot 50 % van de jaarwinst. In de rapporten was al benadrukt dat Kahla II ten minste tijdens de eerste twee jaar geen winst zou behalen. Dit is inderdaad het geval geweest. Er is geen verhoogde rentevoet overeengekomen als compensatie voor de jaren dat rentebetalingen onwaarschijnlijk waren. Bijgevolg heeft de TIB bewust een lening met winstdeelneming verstrekt die niet gekoppeld was aan extra stemrecht, zonder enige zekerheid te eisen en tegen een rentevoet van 0 % voor een periode van ten minste twee jaar. Er werd geen risicopremie overeengekomen ter compensatie van de risico's die waren voorzien in de rapporten op basis waarvan de lening met winstdeelneming (en de participatie) werden aangegaan. Wat de resterende leningen betreft, laat de tabel zien dat ze alle werden verstrekt tegen een lagere rentevoet dan de referentierente. Bovendien kwamen zekerheden, voorzover deze werden gesteld, van overheidsinstanties of werden dezelfde activa voor alle leningen herhaalde malen als zekerheidsstelling gebruikt. Deze activa zijn niet op onafhankelijke wijze getaxeerd, zodat de daadwerkelijke waarde ervan twijfelachtig is. Bovendien moet erop worden gewezen dat deze activa uit staatssteun werden gefinancierd.

(103)

In de garantieovereenkomst was geregeld dat een achtergestelde garantie ten bedrage van 0,7 miljoen DEM moest worden verleend door de heer G. Raithel, tenzij kon worden aangetoond dat hij persoonlijk garant stond voor de lening ter ondersteuning van het eigen vermogen (maatregel 16). De leningovereenkomst voor maatregel 16 wijst echter niet op een persoonlijke garantieverlening, maar op een garantie van de federale overheid. De Commissie werd er echter nooit van op de hoogte gesteld dat deze garantie ten bedrage van 0,7 miljoen DEM te eniger tijd werd verleend. Voorzover de Commissie bekend was, werd de lening door een garantie van de federale overheid gedekt, en juist niet door een persoonlijke garantieverlening. Zelfs als zij zou zijn verleend, zou zij lager in rang zijn dan alle andere zekerheden en zou zij slechts een zeer veel kleiner gedeelte van het mogelijk hoge debiteurenrisico dekken. Met het oog hierop kan de Commissie slechts tot de conclusie komen dat de overheidsbanken en -instellingen niet als markteconomisch handelende marktdeelnemers hebben gehandeld. Bovendien omschrijft Duitsland de leningen in het kader van de maatregelen 16-22 zelf als steunmaatregelen (28), zij het als bestaande steunmaatregelen. De Commissie is evenals Duitsland van mening dat het hier om steunmaatregelen gaat. Of deze steunmaatregelen kunnen worden gekenschetst als bestaande steunmaatregelen, wordt in de volgende punten onderzocht.

(104)

Wat de subsidies (maatregelen 15, 24-29, 31-32) betreft, is de Commissie van mening dat geen enkele ondernemer in een markteconomie subsidies zou hebben verleend die niet terugbetaald hoeven te worden. Duitsland heeft dit feit niet bestreden. Ten slotte geeft Duitsland ten aanzien van de 90 %-garanties van de deelstaat (maatregelen 13, 14, 23 en 30) zelf toe dat het hier om steunmaatregelen gaat. Gezien het daarmee verbonden hoge risico en het ontbreken van een adequate risicotoeslag, deelt de Commissie deze mening volledig. Er bestaat dus geen noodzaak om deze kwestie verder te onderzoeken. Volgens Duitsland vallen deze garanties onder de „de minimis”-regeling. Dit wordt in deel D van de beoordeling onderzocht.

(105)

Met het oog hierop kan de Commissie niet tot de conclusie komen dat de financiële overheidsinstellingen Kahla II de steun hebben verleend tegen voorwaarden die vergelijkbaar zijn met die van een ondernemer in een markteconomie. Bijgevolg worden alle maatregelen van Duitsland evenals voorheen beschouwd als steunmaatregelen in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag.

(106)

Kahla II is een Auffanglösung, een nieuwe onderneming die de activa van een in Gesamtvollstreckung verkerende onderneming heeft overgenomen. Hoewel het om nieuwe ondernemingen gaat, kunnen Auffanglösungen, die met name in Oost-Duitsland werden gecreëerd, als ondernemingen in moeilijkheden worden beschouwd. De reden daarvoor is dat deze lege vennootschappen de activa van een in Gesamtvollstreckung verkerende onderneming overnemen en haar activiteiten voortzetten, en wel in de regel zonder vooraf acceptabele herstructureringen uit te voeren. Auffanglösungen„erven” derhalve een reeks structurele gebreken en moeten aanzienlijke wijzigingen aanbrengen om in een markteconomie actief te kunnen zijn. Tot deze wijzigingen behoren investeringen voor de vervanging en modernisering van oude machines en installaties, wijzigingen in de ondernemingsstructuur (van oudsher grote conglomeraten, die actief waren in het kader van een geleide economie), personeelsreductie (Oost-Duitse conglomeraten werkten in de regel met te veel arbeidskrachten), een nieuwe productoriëntatie, marketing etc. Bovendien moet het vertrouwen van klanten, leveranciers en kredietinstellingen weer worden opgebouwd, omdat de Auffanggesellschaft de opvolger is van een mislukte onderneming. In dit opzicht zijn zij niet vergelijkbaar met andere nieuwe ondernemingen.

(107)

De aanpassing vindt in de regel plaats door middel van een herstructurering, waarbij in de meeste gevallen staatssteun betrokken is. Met inachtneming van de bijzondere situatie van de nieuwe deelstaten heeft de Commissie een flexibel en genereus plan goedgekeurd, dat het de Auffanglösungen mogelijk maakt om tot eind 1999 een beroep te doen op herstructureringssteun. Deze handelwijze is in voetnoot 10 van de herstructureringsrichtsnoeren (1999) gecodificeerd (29). Op grond van hun bijzondere situatie vormen Auffanggesellschaften een uitzondering op de regel dat nieuwe ondernemingen overeenkomstig de herstructureringsrichtsnoeren niet voor reddings- en herstructureringssteun in aanmerking komen.

(108)

In het kader van een andere procedure (30) had Duitsland bij schrijven van 5 maart en 6 mei 1999 expliciet vastgesteld dat Kahla II een onderneming in moeilijkheden was. Twee jaar later sprak Duitsland echter bij schrijven van 26 september 2001 zijn vroegere verklaringen tegen en stelde vast dat Kahla II nooit in moeilijkheden zou hebben verkeerd. In het kader van deze procedure neemt Duitsland het standpunt in dat Kahla II niet als een onderneming in moeilijkheden kan worden beschouwd omdat niet aan alle in de herstructureringsrichtsnoeren genoemde voorwaarden is voldaan.

(109)

De Commissie merkt op dat in de herstructureringsrichtsnoeren geen precieze definitie van een onderneming in moeilijkheden wordt gegeven, maar dat daarin typische symptomen worden genoemd. In het geval van Kahla II is voldaan aan het onder punt 2.1 van de herstructureringsrichtsnoeren (1994) genoemde algemene criterium, op grond waarvan wordt bepaald of een onderneming in moeilijkheden verkeert: ondernemingen in moeilijkheden zijn ondernemingen „die zich niet uit eigen kracht of met middelen van de aandeelhouders of met vreemd vermogen kunnen herstellen”. Dit wordt geconstateerd in de ten tijde van de oprichting van Kahla II en ten tijde van de toekenning van de steun (het voor de beoordeling relevante moment) beschikbare rapporten (31); daarin wordt Kahla II als onderneming in moeilijkheden beschouwd en een herstructurering voor het herstel van de levensvatbaarheid beschreven (32). Ex post wordt dit bevestigd door het feit dat de onderneming volgens de ter beschikking staande informatie nooit financiële middelen van banken heeft ontvangen zonder staatssteun (33).

(110)

Inderdaad zijn enkele in de herstructureringsrichtsnoeren beschreven indicatoren niet gericht op Auffanglösungen, omdat zij pas opgerichte bedrijven zijn, waarbij de zakelijke ontwikkeling in het verleden niet kan worden getoetst. Bijgevolg lijden zij ten tijde van hun oprichting niet aan symptomen zoals een dalende levensvatbaarheid of toenemende verliezen, een dalende omzet, groeiende voorraden, een geringere kasstroom, toenemende rentelasten etc. Hierbij wijst de Commissie erop dat Auffanglösungen de uitzonderingen op de regel zijn dat pas opgerichte ondernemingen niet als ondernemingen in moeilijkheden kunnen worden beschouwd en derhalve geen herstructureringssteun kunnen ontvangen.

(111)

Anderzijds zijn andere indicatoren daadwerkelijk van toepassing op Auffanglösungen, in het bijzonder de lage netto boekwaarde. In het geval van Kahla II brengt de Commissie nogmaals onder de aandacht dat deze de opvolger is van een in Gesamtvollstreckung verkerende onderneming en derhalve vermoedelijk het vertrouwen van een reeks klanten, toeleveranciers en financiële instellingen heeft verloren. Zo was zelfs de verwerving van de vermogensbestanddelen afhankelijk van staatssteun. In het koopcontract over de vermogensbestanddelen van Kahla I werd geregeld dat de nieuwe investeerder, de heer G. Raithel, het recht heeft om zich terug te trekken uit het contract als de financiering, die verschillende overheidsmaatregelen behelsde (zoals de TIB-participatie en overheidsleningen), niet gewaarborgd was (34). Voorts heeft Kahla II de activa van Kahla I overgenomen, die nooit een succesvolle herstructurering uitvoerde en daardoor de Gesamtvollstreckung moest aanvragen. Ex post wordt duidelijk dat structurele problemen werden overgedragen, omdat Kahla II zonder staatssteun geen particuliere financiering heeft ontvangen.

(112)

Een andere indicator is het te grote aantal werknemers. Aangezien de voor Auffanglösungen toegekende staatssteun in de regel gekoppeld is aan het behoud van arbeidsplaatsen, brengt ze voor een bepaalde periode de extra moeilijkheid met zich mee dat een bepaald aantal arbeidsplaatsen behouden moet blijven. Zoals uit de in overweging 91 genoemde rapporten blijkt, was de hoofddoelstelling van de deelstaatregering het behoud van arbeidsplaatsen. In de jaren die volgden, verminderde Kahla II het aantal werknemers. Bijgevolg kan daaruit worden afgeleid dat het bedrijf aanvankelijk te veel werknemers had.

(113)

Aangezien Auffanglösungen er bovendien toe gedwongen zijn herstructureringen door te voeren om in een markteconomie actief te kunnen zijn, is er in de eerste jaren sprake van verlies, zal de kasstroom in de eerste jaren niet stijgen en brengen de noodzakelijke investeringen een hoge schulden- en rentelast met zich mee. Dit was ook bij Kahla II het geval. Duitsland heeft het proces dat Kahla II heeft doorgemaakt, weliswaar nooit bestempeld als herstructurering van een onderneming in moeilijkheden, maar de Commissie stelt vast dat in de beide rapporten van november 1993 en januari 1994 een herstructurering wordt geadviseerd die noodzakelijk zou zijn voor het herstel van de levensvatbaarheid van de onderneming. Voorts wordt Kahla II in een rapport van Projekt Management Eschbach (hierna „PME” te noemen), dat door Duitsland werd overgelegd in verband met een andere procedure (35), als een onderneming beschreven die zich in een herstructureringsproces bevindt, dat niet vóór 1996 zou worden beëindigd (36). De Commissie komt tot de conclusie dat een dergelijk proces niet typisch is voor een gezonde onderneming.

(114)

Duitsland is voorts van mening dat de verliezen die Kahla II tijdens de eerste jaren heeft geleden, uitsluitend zijn terug te voeren op de toepassing van een regeling voor vervroegde afschrijving (maatregel 33). De Commissie is echter van mening dat door de toepassing van deze regeling voor vervroegde afschrijving weliswaar mogelijkerwijs grotere verliezen zijn geleden, maar dat de onderneming zonder staatssteun beslist aanzienlijke grotere verliezen zou hebben geleden en vermoedelijk uit de markt was verdwenen. Geconstateerd wordt dat de staatssteun in de door Duitsland overgelegde rapporten uit 1993 en 1994 als bepalend voor het bestaan van de onderneming en het herstel van de levensvatbaarheid wordt beschouwd.

(115)

Ter onderbouwing van zijn argument dat Kahla II nooit in moeilijkheden heeft verkeerd, heeft Duitsland een rapport overgelegd dat op 21 januari 2002 door een adviseur werd opgesteld:

Tabel 11

 

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

Omzet (miljoen DEM)

23,19

28,95

31,46

39,10

34,34

35,81

41,60

Bedrijfsresultaat voor belastingen (miljoen DEM)

[…] (37)

Kasstroom (miljoen DEM)

[…]

Voorraden

[…]

Bezettingsgraad %

[…]

Eigen vermogen %

[…]

Vreemd vermogen %

[…]

(116)

De Commissie constateert dat tabel 11 een ex-post-evaluatie van de ondernemingsgeschiedenis is. Het is nuttig om te kunnen vaststellen dat de belangrijkste prognoses uit de in 1994 beschikbare rapporten correct waren: ten minste in de eerste twee jaar moesten verliezen worden geleden. De Commissie moet echter haar beoordeling ex ante uitvoeren, dat wil zeggen dat zij moet vaststellen of Duitsland sinds 1994 aan zijn verplichting overeenkomstig het EG-Verdrag heeft voldaan en de steun heeft aangemeld. Als Duitsland zijn verplichtingen zou zijn nagekomen, zou de Commissie haar beoordeling hebben uitgevoerd op basis van de op dat moment beschikbare rapporten. Zoals in de overwegingen 95, 96 en 113 reeds is vastgesteld, zijn deze rapporten gebaseerd op de premisse dat de levensvatbaarheid van de onderneming weer moest worden hersteld en kwamen zij tot de conclusie dat voor de verwezenlijking van deze doelstelling staatssteun absoluut bepalend was. Op grond van deze rapporten zou de Commissie Kahla II (een Auffanglösung) overeenkomstig haar vaste praktijk als een onderneming in moeilijkheden hebben beschouwd. Deze conclusie kan niet ex post worden gewijzigd door het feit dat deze moeilijkheden dankzij de toekenning van aanzienlijke steun in een kortere periode werden overwonnen.

(117)

Resumerend komt de Commissie op basis van de op het relevante moment beschikbare rapporten tot de conclusie dat Kahla II niet in staat was om zich op eigen kracht of met financiële middelen tegen marktconforme voorwaarden te herstellen. De Commissie constateert met name dat Duitsland dit feit al in 1999 uitdrukkelijk heeft toegegeven. Bovendien zou de onderneming zonder staatssteun vermoedelijk uit de markt zijn verdwenen. Het feit dat niet iedere in de herstructureringsrichtsnoeren genoemde indicator op Kahla II van toepassing is, is niet van belang: deze richtsnoeren bevatten een niet-volledige lijst van typische symptomen en geen volledige en cumulatieve lijst van criteria.

(118)

Bijgevolg blijft de Commissie bij haar mening dat Kahla II in de periode van 1994 tot eind 1996 een onderneming in moeilijkheden was, totdat, hoogstwaarschijnlijk dankzij de verleende steun, voor het eerst een licht positief resultaat werd behaald en het aandeel van het eigen vermogen begon toe te nemen. De Commissie is van mening dat het ontbreken van particuliere financiering zonder staatssteun en de beschikbare gegevens dit standpunt onderbouwen.

C.   Steunmaatregelen die zouden zijn gedekt door goedgekeurde steunregelingen

(119)

Een deel van de steunmaatregelen ten gunste van Kahla I en Kahla II zou zijn toegekend op grond van goedgekeurde steunregelingen. Omdat de Commissie ernstig betwijfelde of deze steunmaatregelen in overeenstemming zijn met de steunregelingen op basis waarvan ze zouden zijn toegekend, gelastte zij Duitsland door middel van een bevel tot verstrekking van informatie overeenkomstig artikel 10, lid 3, van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (38) haar alle voor de beoordeling noodzakelijke bescheiden, inlichtingen en gegevens te overleggen. Voorzover de door Duitsland verstrekte informatie onvoldoende is om te kunnen concluderen dat deze maatregelen worden gedekt door het relevante programma, is de Commissie derhalve bevoegd tot het nemen van een besluit op basis van de beschikbare informatie.

(120)

Bij de uitbreiding van de formele onderzoeksprocedure kwam de Commissie tot de conclusie dat de maatregelen 1, 4, 5, 6, 7 en 10 ten gunste van Kahla I bestaande steunmaatregelen zijn, die niet nogmaals dienen te worden beoordeeld. De Commissie blijft bij haar mening dat maatregel 8 niet werd toegekend in het kader van een goedgekeurde steunregeling en als ad-hocsteun dient te worden beoordeeld.

(121)

Wat Kahla II betreft, komt de Commissie bij de uitbreiding van de formele onderzoeksprocedure tot de conclusie dat de maatregelen 28 en 29 ten gunste van Kahla II bestaande steunmaatregelen zijn, die niet nogmaals door de Commissie dienen te worden beoordeeld. De Commissie blijft bij haar mening dat de maatregelen 11, 12 en 20 niet werden toegekend in het kader van een door de Commissie goedgekeurde regeling. Wat de resterende maatregelen betreft die zouden zijn toegekend in het kader van een goedgekeurde steunregeling, zal de Commissie de bij de inleiding en uitbreiding van de formele onderzoeksprocedure uitgevoerde voorlopige beoordelingen gedeeltelijk opnieuw in overweging nemen.

(122)

Maatregelen 13, 14, 23 en 30: deze overheidsgaranties van 90 % zijn gebaseerd op een regeling die nooit bij de Commissie is aangemeld. De regeling werd geregistreerd onder nummer NN 46/97 en is nooit goedgekeurd door de Commissie. Zoals vastgesteld bij de uitbreiding van de formele onderzoeksprocedure, dienen deze garanties derhalve als ad-hocsteun te worden beoordeeld. Voorts stelde de Commissie in haar beschikking inzake de garantierichtsnoeren van de deelstaat Thüringen (39) vast dat Thüringen verplicht is deze niet-aangemelde regeling niet langer toe te passen.

(123)

Ten aanzien van het steunelement van deze garanties beweert Duitsland dat volgens een overeenkomst tussen Duitsland en de Commissie het steunelement van de garantie 0,5 % van het door de garantie gedekte bedrag moet bedragen. De Commissie constateert echter dat deze overeenkomst betrekking heeft op overheidsgaranties van 80 % die in overeenstemming zijn met goedgekeurde steunregelingen. De onderhavige garanties overschrijden deze grens met 10 % en werden niet verleend in het kader van een goedgekeurde steunregeling, maar in het kader van een niet-aangemelde regeling die nooit door de Commissie is goedgekeurd. Voorts vermeldt de overeenkomst dat ondernemingen in moeilijkheden buiten de werkingssfeer van de overeenkomst vallen. Bijgevolg kan het percentage van 0,5 % in tegenspraak met de beweringen van Duitsland niet worden toegepast op deze garanties.

(124)

Met betrekking tot de garanties in het kader van de maatregelen 13, 14 en 23. Op grond van de mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van garanties (40) geldt het volgende: „Wanneer, op het tijdstip waarop de lening wordt toegekend, de waarschijnlijkheid dat de kredietnemer in gebreke zal blijven, groot is omdat hij bijvoorbeeld in financiële moeilijkheden verkeert, kan het subsidie-equivalent van de garantie zelfs even hoog zijn als het daadwerkelijk door die garantie gedekte bedrag”. Zoals in deel B van de beoordeling (overwegingen 106-118) staat vermeld, was Kahla II op het tijdstip van de toekenning van deze maatregelen een onderneming in moeilijkheden. Dat betekent dat bij garanties die tot 1996 werden verleend, het steunelement van deze garanties mogelijkerwijs 90 % van de desbetreffende kredieten bedraagt.

(125)

Wat maatregel 30 betreft, die werd toegekend op een tijdstip dat de onderneming niet meer in moeilijkheden verkeerde, is Duitsland opnieuw van mening dat op basis van de in overweging 123 genoemde overeenkomst met de Commissie het steunequivalent op 0,5 % zou moeten worden gesteld. De Commissie wijst er echter op dat deze overeenkomst betrekking heeft op overheidsgaranties van 80 % die werden toegekend in het kader van goedgekeurde steunregelingen. In het onderhavige geval overschreed de garantie de 80 %-grens met 10 % en werd zij niet verleend in het kader van een goedgekeurde steunregeling. Bijgevolg kan het steunequivalent van 0,5 % hier niet worden toegepast. Op het tijdstip van de toekenning van deze garantie had de deelstaat Thüringen ermee ingestemd om de garanties te verlenen overeenkomstig de beschikking van de Commissie inzake de garantierichtsnoeren van de deelstaat Thüringen (41), volgens welke het steunelement bij garanties van 80 % die worden verleend in het kader van goedgekeurde steunregelingen, op tussen de 0,5 % en 2 % moet worden gesteld. Hoewel ook deze beschikking betrekking heeft op garanties van 80 % die in het kader van goedgekeurde steunregelingen worden verleend, is het naar de mening van de Commissie redelijk om deze regeling hier op overeenkomstige wijze toe te passen. Gezien het feit echter dat de garantie het grootste gedeelte van de met de leningen verbonden risico's dekt, wat blijkt uit de lage rentevoet die is vastgesteld door de particuliere bank, zal de Commissie het in deze regeling toegestane maximumpercentage van 2 % voor garanties toepassen.

(126)

Dienovereenkomstig acht de Commissie het redelijk om een steunelement van 2 % te hanteren voor de garantie van 90 % in het kader van maatregel 13, en wel vanaf 30 maart 1998, toen de leningen in het kader van de maatregelen 18-21 in marktleningen werden omgezet. De rentevoet van de marktlening bedroeg 5,90 %. Voordat de leningen in het kader van de maatregelen 18 tot 21 werden omgezet, bedroeg de rentevoet van deze leningen tussen 6,5 % en 6,75 %. De uit overheidsmiddelen ontvangen leningen werden dus in een particuliere lening omgezet precies op het moment dat het voor de onderneming mogelijk was om op de markt een lagere rentevoet te krijgen voor een particuliere lening dan zij voor de uit overheidsmiddelen ontvangen leningen zou moeten betalen. In dit verband wordt er nogmaals op gewezen dat deze omzetting slechts mogelijk was omdat voor deze nieuwe lening een overheidsgarantie van 90 % werd verleend.

(127)

Volgens Duitsland vallen deze garanties onder de „de minimis”-regeling. De toepassing van de „de minimis”-regeling wordt in onderdeel D van de beoordeling getoetst.

(128)

Maatregel 15: een subsidie ten bedrage van 2,5 miljoen DEM zou zijn verleend in het kader van een goedgekeurde steunregeling (42). Bij de uitbreiding van de formele onderzoeksprocedure stelde de Commissie abusievelijk vast dat deze regeling slechts voor KMO's zou gelden. Duitsland heeft er terecht op gewezen dat ook grote ondernemingen onder bepaalde voorwaarden voor steun in het kader van deze regeling in aanmerking komen. De regeling vermeldt echter expliciet dat ondernemingen in moeilijkheden buiten de werkingssfeer van de regeling vallen.

(129)

De Commissie heeft onlangs een negatieve beschikking gegeven wegens misbruik van deze regeling, omdat deze onder andere werd gebruikt voor ondernemingen in moeilijkheden (43). In haar beschikking stelde de Commissie uitdrukkelijk vast dat Duitsland Kahla II tot de ondernemingen in moeilijkheden had gerekend, die in strijd met de door de Commissie goedgekeurde bijzondere bepalingen een beroep hadden gedaan op deze regeling. In haar beschikking met betrekking tot de genoemde regeling stelde de Commissie vast dat haar beschikking over de regeling niet samenhing met haar beschikking in de onderhavige zaak, in het kader waarvan de individuele toepassing werd getoetst. In de onderhavige beschikking neemt de Commissie het standpunt in dat Kahla II ten tijde van de toekenning van deze steunmaatregel een onderneming in moeilijkheden was. Derhalve blijft de Commissie bij haar standpunt dat deze steunmaatregel als nieuwe steunmaatregel moet worden beschouwd.

(130)

Maatregel 16: een lening ten bedrage van 0,2 miljoen DEM zou zijn verstrekt in het kader van een goedgekeurd programma ter ondersteuning van het eigen vermogen (44). Dit programma was uitsluitend voor KMO's bestemd. Aangezien Kahla II echter meer dan 250 werknemers had en derhalve ten tijde van de toekenning van deze maatregel niet als KMO werd aangemerkt, is de steun duidelijk niet in overeenstemming met de regeling. Duitsland wees er onlangs op dat de lening niet aan de onderneming werd verstrekt, maar aan de heer G. Raithel. In de goedkeuring van de regeling in het kader waarvan de lening werd verstrekt, heeft de Commissie bepaald dat de investeerders een dergelijke steun slechts ontvangen op voorwaarde dat zij deze als vermogen in de onderneming inbrengen. Dit heeft de heer G. Raithel gedaan. Bijgevolg was het doel van deze lening de steun aan een onderneming, hoewel zij rechtstreeks aan een privé-persoon werd verstrekt. Derhalve dient de lening te worden beoordeeld als nieuwe steunmaatregel ten gunste van Kahla II.

(131)

Maatregelen 17, 18, 19 en 22: de Commissie is bij de toetsing tot de conclusie gekomen dat in het onderhavige geval is voldaan aan de in de regeling, op basis waarvan deze leningen werden verstrekt (45), beschreven voorwaarden. Derhalve zijn deze kredieten bestaande steunmaatregelen, die niet nogmaals door de Commissie dienen te worden beoordeeld.

(132)

Maatregel 21: deze lening zou zijn verstrekt in het kader van een goedgekeurde steunregeling (46). De regeling voorzag echter in leningen ten bedrage van maximaal 2 miljoen DEM voor ondernemingen in de nieuwe deelstaten. De onderhavige lening overschrijdt deze grens. Derhalve kan de Commissie niet tot de conclusie komen dat is voldaan aan de in de relevante regeling beschreven voorwaarden. Gezien de gunstige rente, de verminderde waarde van de gestelde zekerheden en de verlening van een garantie van 90 % die bijna het gehele debiteurenrisico dekt, is de Commissie van mening dat deze lening ten tijde van haar verstrekking mogelijkerwijs in haar geheel steun betrof.

(133)

De maatregelen 24 en 25 werden toegekend in het kader van goedgekeurde steunregelingen, en wel ten behoeve van de in tabel 5 in detail weergegeven investeringen. Bovendien blijkt uit de door Duitsland verstrekte informatie dat een deel van de in het kader van de regeling voor vervroegde afschrijving (maatregel 33) toegekende investeringssteun eveneens diende voor de dekking van deze investeringen. Duitsland heeft aangetoond dat al deze maatregelen in overeenstemming zijn met de regelingen op basis waarvan zij zouden zijn toegekend. Derhalve zijn de maatregelen 24, 25 en 33 bestaande steunmaatregelen, die niet nogmaals door de Commissie dienen te worden beoordeeld.

(134)

Maatregel 26: subsidies ter bevordering van de werkgelegenheid in verband met milieu-investeringen die zouden zijn verleend op basis van een goedgekeurde regeling, gelden niet als steun (47). Zoals echter bij de uitbreiding van de formele onderzoeksprocedure werd vastgesteld, was de regeling – wat haar milieuelementen betreft – bedoeld voor het wegnemen van milieurisico's in overheidsondernemingen. De subsidies zijn derhalve duidelijk niet in overeenstemming met het programma op basis waarvan zij zouden zijn verleend. Bij schrijven van 29 juli 1994 (48) maakte Duitsland de Commissie duidelijk hoe dit voorschrift moet worden uitgelegd. Duitsland stelde duidelijk vast dat dergelijke maatregelen slechts in gemeenten, steden etc. zouden kunnen worden uitgevoerd. Treuhand-ondernemingen zouden vóór hun privatisering eveneens voor deze steun in aanmerking komen, omdat zij tot die tijd als staatsondernemingen zouden moeten worden beschouwd (49). De Commissie stelde zich op het standpunt dat deze maatregelen geen steunmaatregelen zijn, omdat zij geen voordeel boden aan een onderneming (50).

(135)

Kahla II was echter ten tijde van de toekenning van de maatregelen een particuliere onderneming en kwam derhalve niet in aanmerking voor de steun. Bovendien brengt de Commissie in herinnering dat een deel van deze subsidies werd verleend door de deelstaat Thüringen, terwijl daarentegen volgens de desbetreffende regeling slechts de Bundesanstalt für Arbeit (Duits federaal arbeidsbureau) ertoe gerechtigd was dergelijke subsidies te verlenen. Derhalve kan de Commissie niet tot de conclusie komen dat deze maatregelen bestaande steunmaatregelen zijn (51).

(136)

Na de uitbreiding van de formele onderzoeksprocedure wijzigde Duitsland zijn argumentatie en beweerde dat deze maatregelen de onderneming geen voordeel zouden hebben gegeven. Aanvankelijk gaf Duitsland aan dat de maatregelen bedoeld zouden zijn voor de verwijdering van oude installaties, wat van belang geweest zou zijn voor het milieu. De Commissie kan echter niet accepteren dat de verwijdering van oude installaties geen voordeel zou hebben gevormd voor de onderneming. Dergelijke werkzaamheden leidden onvermijdelijk tot een vergroting van de beschikbare oppervlakte en een stijging van de waarde van de onderneming.

(137)

Duitsland beweerde onlangs dat de maatregelen bedoeld zouden zijn voor het wegnemen van in juli 1990 ontstane milieurisico's. Op grond van de door de Commissie gevolgde praktijk zijn dergelijke maatregelen geen steun. Duitsland heeft echter geen bewijzen geleverd voor het feit dat er risico's bestonden die vóór juli 1990 zijn ontstaan. Bovendien werden dergelijke risico's blijkbaar door Kahla I weggenomen, die al in 1991 (maatregel 2) een beroep had gedaan op deze steun ten belope van het voor het wegnemen van de risico's noodzakelijke bedrag. Duitsland heeft nooit een bewijs geleverd voor het feit dat de milieurisico's nog steeds niet waren weggenomen toen de vermogensbestanddelen van Kahla I werden verkocht. Zelfs als dit het geval was, had de koper op adequate wijze moeten nagaan of de vermogensbestanddelen vrij waren van dergelijke risico's. Als hij dit niet heeft gedaan, heeft hij geen gepaste zorgvuldigheid betracht en is het derhalve niet acceptabel dat later een beroep wordt gedaan op overheidssteun voor dit doeleinde. Als een adequate controle had plaatsgevonden, zou er in de koopprijs rekening zijn gehouden met de aanwezigheid van dergelijke risico's en de noodzaak om middelen vrij te maken voor het wegnemen ervan, maar was er niet later een beroep gedaan op overheidssteun.

(138)

Duitsland betoogde eveneens dat, als de onderneming had geweten dat deze maatregelen steunmaatregelen zijn, zij de betreffende werkzaamheden misschien niet zou hebben uitgevoerd of haar eigen personeel, minder personeel of ander personeel zou hebben ingezet. Duitsland beweert dat het feit dat de Commissie de regeling niet als steunmaatregel heeft aangemerkt en deze heeft goedgekeurd, aanleiding genoeg was voor de gerechtvaardigde verwachting dat de maatregelen geen steunmaatregelen waren. De Commissie kan dit argument niet accepteren, omdat haar goedkeuring van de regeling plaatsvond op basis van de aanmelding en de door Duitsland verstrekte aanvullende informatie. Derhalve kan Duitsland niet bewust in strijd met de aanmelding handelen en zich beroepen op het niet-waarmaken van gerechtvaardigde verwachtingen. Ook de begunstigde kan zich niet beroepen op dergelijke verwachtingen als in de Duitse regeling uitdrukkelijk is bepaald dat deze maatregelen niet in het belang van een afzonderlijke onderneming ten uitvoer kunnen worden gelegd en dat uitsluitend de Bundesanstalt für Arbeit gerechtigd was dergelijke subsidies toe te kennen, terwijl in dit geval een deel van de steun werd verleend door de deelstaat Thüringen.

(139)

Duitsland voerde ten slotte aan dat deze subsidies een algemene maatregel vormen, waarvan alle ondernemingen in Duitsland zonder onderscheid kunnen profiteren. De Commissie stelt echter vast dat deze bewering in strijd is met alle informatie die eerder werd verstrekt. Uit het bepaalde in de Duitse wet (§ 249h Arbeitsförderungsgesetz) en alle aan de Commissie verstrekte documenten die de Commissie in staat stelden het programma niet als steunmaatregel aan te merken en goed te keuren, blijkt ondubbelzinnig dat niet alle ondernemingen van dergelijke maatregelen kunnen profiteren. Integendeel: de Duitse wet en alle door Duitsland overgelegde documenten, die de Commissie in staat moesten stellen de bepalingen te beoordelen, hebben betrekking op publiekrechtelijke rechtspersonen en sluiten uitdrukkelijk maatregelen uit die bedoeld zijn voor één enkele onderneming. Deze bepaling draagt een duidelijk selectieve component in zich, die impliceert dat de maatregel niet als een algemene maatregel kan worden beoordeeld.

(140)

Maatregel 27: subsidies voor verschillende doeleinden die in 1995 en 1996 zijn verleend. Omdat er geen rechtsgrond werd aangevoerd, beoordeelde de Commissie de subsidies voorlopig als nieuwe steunmaatregelen. Duitsland beweerde vervolgens dat subsidies voor onderzoek en ontwikkeling ten bedrage van 0,318 miljoen DEM in het kader van een goedgekeurde steunregeling (52) werden verleend. Op grond van de beschikbare informatie is de Commissie van mening dat deze steunmaatregelen in overeenstemming zijn met deze regeling en derhalve bestaande steunmaatregelen zijn, die niet nogmaals dienen te worden beoordeeld.

(141)

Wat de subsidies voor de integratie van werknemers ten bedrage van 0,021 miljoen DEM betreft, stelt Duitsland zich op het standpunt dat dit geen steunmaatregelen in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag zijn, omdat zij slechts waren bedoeld voor de bevordering van de werkgelegenheid van mensen met een handicap. De Commissie stelt echter vast dat uitsluitend maatregelen die overeenkomstig de richtsnoeren betreffende werkgelegenheidssteun (53) (hierna „werkgelegenheidsrichtsnoeren” te noemen) op basis van objectieve criteria voor individuele personen gelden, zonder bepaalde ondernemingen of branches te bevoordelen, geen steunmaatregelen zijn. Ondanks het bevel tot verstrekking van informatie, in het bijzonder met betrekking tot dit punt, heeft Duitsland geen bewijzen in dit opzicht overgelegd. Derhalve komt de Commissie op basis van de verstrekte informatie tot de conclusie dat deze maatregelen staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag waren.

(142)

De resterende subsidies voor de deelname aan beurzen ten bedrage van 0,122 miljoen DEM alsmede de subsidies voor reclame ten bedrage van 0,030 miljoen DEM zouden onder de „de minimis”-regeling vallen. Hieronder wordt onderzocht of zij in overeenstemming zijn met de „de minimis”-regeling.

(143)

Maatregelen 28 en 29: zoals vermeld in de uitbreiding van de formele onderzoeksprocedure, worden deze maatregelen op basis van de beschikbare informatie als bestaande steunmaatregelen beoordeeld. Bovendien blijkt uit de door Duitsland verstrekte informatie dat een deel van de in het kader van de regeling voor vervroegde afschrijving (maatregel 33) verleende investeringssteun eveneens diende voor de dekking van deze investeringen. Duitsland heeft aangetoond dat al deze maatregelen in overeenstemming zijn met de regelingen op basis waarvan ze zouden zijn toegekend. Ze zijn derhalve bestaande steunmaatregelen, die niet nogmaals door de Commissie dienen te worden beoordeeld.

(144)

Maatregel 31: overige subsidies ter bevordering van de werkgelegenheid die werden verleend op grond van een goedgekeurde steunregeling (54). Op basis van de door Duitsland verstrekte gegevens is de Commissie van mening dat deze subsidies in overeenstemming zijn met de regeling op grond waarvan ze zijn verleend. Derhalve zijn zij bestaande steunmaatregelen, die niet nogmaals door de Commissie dienen te worden beoordeeld.

(145)

Maatregel 32: subsidies voor verschillende doeleinden. Omdat er geen rechtsgrond werd aangevoerd, heeft de Commissie de subsidies voorlopig als nieuwe steunmaatregelen beoordeeld. Duitsland beweert echter dat de subsidies voor onderzoek en ontwikkeling ten bedrage van 0,009 miljoen DEM zouden zijn verleend in het kader van een goedgekeurde steunregeling (55). Dit programma is echter slechts bestemd voor KMO's. Volgens de beschikbare informatie was Kahla II tussen 1997 en 1999 op geen enkel moment aan te merken als KMO, met name omdat Kahla II nooit onder het plafond van 250 werknemers bleef, ook niet na aftrek van het aantal leerlingen. Derhalve vallen de steunmaatregelen duidelijk niet onder de regeling op basis waarvan ze zouden zijn toegekend en dienen zij als nieuwe steunmaatregelen te worden beoordeeld.

(146)

Wat de subsidies voor de integratie van werknemers betreft, verklaarde Duitsland opnieuw dat dit geen steunmaatregelen in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag zijn, omdat zij bedoeld waren voor de bevordering van de werkgelegenheid van mensen met een handicap. Evenals bij de in het kader van maatregel 27 genoemde subsidies heeft Duitsland echter ook hier, ondanks het bevel tot verstrekking van informatie in het bijzonder met betrekking tot dit punt, geen bewijs in dit opzicht overgelegd. Volgens de jaarverslagen van de onderneming (56) belopen de subsidies voor integratie 0,119 miljoen DEM voor de jaren 1997 en 1998 en voor 1999 een onbekend deel van de in het jaarverslag 1999 opgevoerde subsidies voor beurzen en inwerken ten bedrage van 0,121 miljoen DEM. Derhalve komt de Commissie op basis van de beschikbare informatie tot de conclusie dat deze maatregelen staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag waren.

(147)

De resterende subsidies voor de deelname aan beurzen en subsidies voor reclame ten bedrage van 0,103 miljoen DEM voor 1997 en 1998 en een onbekend deel van de in het jaarverslag 1999 opgevoerde subsidies voor beurzen en inwerken ten bedrage van 0,121 miljoen DEM voor 1999 zouden vallen onder de „de minimis”-regeling. In onderdeel D van de beoordeling wordt onderzocht of zij in overeenstemming zijn met de „de minimis”-regeling.

(148)

Gezien het bovenstaande betoog zijn de maatregelen 17, 18, 19, 22, 24, 25, een deel van maatregel 27, de maatregelen 28, 29, 31 alsmede maatregel 33 bestaande steunmaatregelen, die niet nogmaals door de Commissie dienen te worden beoordeeld.

D.   Vermeende „de minimis”-maatregelen

(149)

De maatregelen 13, 14, 23, een deel van maatregel 27, maatregel 30 en een deel van maatregel 32 zouden onder de „de minimis”-regeling (57) vallen. Volgens deze regeling bedraagt het maximale totaalbedrag van de „de minimis”-steun 100 000 EUR binnen drie jaar vanaf het tijdstip van de eerste „de minimis”-steun. Dit bedrag omvat alle soorten overheidssteun die als „de minimis”-steun worden toegekend en staat los van de mogelijkheid dat de ontvanger op basis van door de Commissie goedgekeurde regelingen andere steun ontvangt. De relevante periodes zijn 25 maart 1994 tot 25 maart 1997 en 25 maart 1997 tot 25 maart 2000.

(150)

In de eerste periode van 1994 tot 1997 zouden de maatregelen 13, 14, 23 en een deel van maatregel 27 onder de „de minimis”-regeling vallen.

(151)

Hoewel het deel van de in het kader van maatregel 27 toegekende subsidies dat onder de „de minimis”-regeling zou vallen, te weten subsidies voor de deelname aan beurzen ten bedrage van 122 000 DEM en subsidies voor reclame ten bedrage van 30 000 DEM, in totaal 152 000 DEM (77 716 EUR) bedraagt, moet dit bedrag worden gecumuleerd met de steunequivalent van de in het kader van de maatregelen 13, 14 en 23 verleende garanties. Zoals in overweging 124 is geconstateerd, kan de waarde van de garantie even hoog zijn als het bedrag dat daadwerkelijk door de garantie is gedekt (58). Dit betekent dat het steunelement van deze garanties ten tijde van hun toekenning mogelijkerwijs 90 % van de betreffende kredieten bedraagt, wat de grens van de „de minimis”-regeling verre overschrijdt. Derhalve kan niet worden aanvaard dat al deze maatregelen onder de „de minimis”-regeling vallen.

(152)

Voor de periode 1997 tot 2000 zouden de garantie in het kader van maatregel 30 en een deel van maatregel 32 onder de „de minimis”-regeling vallen.

(153)

Wat de in het kader van maatregel 30 verleende garantie betreft, kan het steunelement op 41 760 DEM worden gesteld, wanneer, zoals in overweging 125 is toegelicht, een steunequivalent van 2 % wordt gehanteerd. Het deel van maatregel 32 dat onder de „de minimis”-regeling zou vallen, behelst subsidies voor de deelname aan beurzen ten bedrage van 294 000 DEM en subsidies voor kostenverlagingen ten bedrage van 114 000 DEM. Voorts zou de nieuwe waarde van de garantie in het kader van maatregel 13 vanaf het moment waarop zij de marktlening dekte, meegerekend moeten worden. Zoals in overweging 47 is toegelicht, bedroegen deze leningen in totaal 7,329 miljoen DEM. Als ook hiervoor een steunequivalent van 2 % wordt toegepast op het bedrag van de door de garantie gedekte leningen, resulteert dit in een steunelement van 131 922 DEM. Derhalve bedragen de maatregelen die onder de „de minimis”-regeling zouden vallen, in de periode 1997-1999 in totaal 581 682 DEM. Dit bedrag ligt ver boven de grens van de „de minimis”-regeling.

(154)

Met het oog hierop kan de Commissie niet aanvaarden dat al deze maatregelen onder de „de minimis”-regeling vallen. Derhalve zijn zij steun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag.

E.   Nieuwe steunmaatregelen

(155)

Met het oog op het bovenstaande betoog worden maatregel 8 ten gunste van Kahla I en de maatregelen 11, 12, 13, 14, 15, 16, 20, 21, 23, 26, 27, 30 en 32 ten gunste van Kahla II als nieuwe steunmaatregelen beoordeeld. Op basis van de beschikbare gegevens kan de Commissie niet tot de conclusie komen dat zij in overeenstemming zijn met goedgekeurde steunregelingen.

F.   Verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt

(156)

In het EG-Verdrag is voorzien in enkele uitzonderingen op het beginsel van de algemene onverenigbaarheid van staatssteun met de gemeenschappelijke markt. De in artikel 87, lid 2, van het EG-Verdrag opgevoerde uitzonderingsbepalingen zijn niet van toepassing op het onderhavige geval, omdat de steunmaatregelen noch betrekking hebben op steunmaatregelen van sociale aard aan individuele verbruikers, noch op steunmaatregelen tot herstel van de schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen, noch op steunmaatregelen aan de economie van bepaalde streken van de Bondsrepubliek Duitsland die nadeel ondervinden van de deling van Duitsland. De mogelijkheden tot vrijstelling van de principiële onverenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt zijn geregeld in artikel 87, lid 3, onder a) en c), van het EG-Verdrag. Artikel 87, lid 3, onder a), maakt het de Commissie mogelijk steunmaatregelen voor de economische ontwikkeling van bepaalde streken goed te keuren. Artikel 87, lid 3, onder c), voorziet in de goedkeuring van steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. De Commissie heeft verschillende richtsnoeren gepubliceerd, waarin exact is beschreven wat de voorwaarden zijn op basis waarvan steunmaatregelen op grond van deze bepaling kunnen worden goedgekeurd.

(157)

Hoewel de betrokken onderneming zich in een gebied bevindt waar regionale steunmaatregelen in overeenstemming met artikel 87, lid 3, onder a), van het EG-Verdrag kunnen worden toegekend, betwist Duitsland niet dat de steunmaatregelen ten gunste van Kahla I dienen te worden beoordeeld in het kader van de herstructureringsrichtsnoeren (1994), omdat het belangrijkste doel van de steunmaatregelen niet van regionale aard was, maar betrekking had op het herstel van de levensvatbaarheid van een onderneming in moeilijkheden op de lange termijn. De Commissie brengt op deze plaats in herinnering dat slechts de in het kader van maatregel 8 toegekende steunmaatregel dient te worden beoordeeld.

(158)

Ten aanzien van Kahla II beweert Duitsland dat het doel van de maatregelen die werden beoordeeld als steunmaatregelen die niet door goedgekeurde steunregelingen zijn gedekt of niet onder de „de minimis”-regeling vallen, van regionale aard was. De Commissie wil er op deze plaats aan herinneren, dat de te beoordelen ad-hocsteunmaatregelen de maatregelen 11, 12, 13, 14, 15, 16, 20, 21, 23, 26, 27, 30 en 32 omvatten.

(159)

De Commissie is van mening dat de Richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen (59) (hierna „regionale richtsnoeren” te noemen) niet van toepassing zijn op de beoordeling van de verenigbaarheid van de tussen 1994 en 1996 toegekende steunmaatregelen met de gemeenschappelijke markt. In voetnoot 10 van deze richtsnoeren wordt vastgesteld: „Ad hoc-steunmaatregelen ten behoeve van in moeilijkheden verkerende ondernemingen zijn aan specifieke regels onderworpen en worden niet als regionale steunmaatregelen beschouwd.” Deze specifieke regels zijn de herstructureringsrichtsnoeren.

(160)

De Commissie stelt vast dat de huidige regionale richtsnoeren op het moment dat de steunmaatregel werd toegekend, niet van toepassing waren. In de ten tijde van de toekenning geldende regelingen, die worden genoemd in voetnoot 2 van deze richtsnoeren, is echter eveneens duidelijk vastgelegd dat een dergelijke steun niet mag worden toegekend als daarmee de specifieke regels voor steunmaatregelen ten gunste van ondernemingen in moeilijkheden worden overtreden. Zoals in het voorafgaande onderdeel B van de beoordeling (overwegingen 106-118) is toegelicht, is de Commissie tot de conclusie gekomen dat Kahla II tot 1996 een onderneming in moeilijkheden was. Derhalve kunnen de ad-hocsteunmaatregelen niet worden beoordeeld op grond van deze regels. Dit wordt ook duidelijk uit de aard van de kosten die door de steunmaatregelen werden gedekt. De Commissie brengt tabel 5 in herinnering, waaruit blijkt dat 80 % van de uitgaven werd gebruikt voor de vernieuwing van machines en bedrijfskapitaal, typische uitgaven in het kader van een herstructurering, maar niet in het kader van een investeringsproject.

(161)

Met het oog hierop kan de Commissie niet tot de conclusie komen dat alle tot 1996 ten gunste van Kahla II toegekende ad-hocsteunmaatregelen kunnen worden beschouwd als met de gemeenschappelijke markt verenigbare regionale steunmaatregelen.

(162)

Duitsland voerde onlangs aan dat de steunmaatregelen in het kader van maatregel 26 zouden moeten worden beschouwd als werkgelegenheidssteun. De werkgelegenheidsrichtsnoeren (60) voorzien in steun voor het scheppen van nieuwe arbeidsplaatsen. Volgens de door Duitsland verstrekte informatie werden de subsidies gebruikt voor de verwijdering van een deel van de installaties van Kahla II. Deze werkzaamheden werden verricht door werklozen en leidden derhalve tot tijdelijke werkgelegenheid voor werklozen. Zij hadden echter geen duurzame werkgelegenheid tot gevolg. Ook kan deze steun niet worden beschouwd als steun voor het behoud van arbeidsplaatsen, omdat in de onderneming een aanzienlijke personeelsreductie plaatsvond (van 380 in 1994 naar 327 in 1996). Bovendien zijn de verklaringen van Duitsland over het gebruik van de steun, namelijk tijdelijke werkgelegenheid voor werklozen, een duidelijk bewijs voor de opvatting dat bij Kahla II geen arbeidsplaatsen werden behouden. [Derhalve is de Commissie van mening dat maatregel 26 op basis van de richtsnoeren inzake werkgelegenheidssteun niet kan worden goedgekeurd als werkgelegenheidssteun. Dit standpunt van de Commissie geldt ook voor de steunmaatregelen die werden toegekend voor de inwerkingtreding van de richtsnoeren, omdat de werkgelegenheidsrichtsnoeren slechts een reeds bestaande praktijk vastleggen en werkgelegenheidssteun in ieder geval niet kan worden goedgekeurd als arbeidsplaatsen noch geschapen noch behouden worden.]

(163)

Aangezien de onderneming ten tijde van de toekenning van de ad-hocsteun in moeilijkheden verkeerde, dient nu onderzocht te worden of de steun ten gunste van Kahla II tot 1996 en de steun ten gunste van Kahla I volgens de herstructureringsrichtsnoeren als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kan worden beschouwd. De Commissie is van mening dat geen van de andere communautaire richtsnoeren, zoals bijvoorbeeld de richtsnoeren voor steunmaatregelen ter bevordering van onderzoek en ontwikkeling, milieubescherming, kleine en middelgrote ondernemingen of opleiding van toepassing zijn. Aangezien alle steunmaatregelen werden toegekend voordat de herziene versie van de herstructureringsrichtsnoeren van kracht werd, dienen de richtsnoeren van 23 december 1994 te worden toegepast (61). Of er wordt voldaan aan de belangrijkste van de in deze richtsnoeren vastgelegde voorwaarden, wordt achtereenvolgens beoordeeld.

(164)

Herstructureringssteun is in de regel een combinatie van bedrijfssteun voor de dekking van verliezen, sociale kosten, bedrijfskapitaal etc. tezamen met materiële investeringen. Dit kan zonder meer worden onderzocht aan de hand van de beoogde bestemming van de steunmaatregelen ten gunste van Kahla I en de maatregelen die tot 1996 werden toegekend ten gunste van Kahla II (62).

(165)

Wat de steunmaatregelen ten gunste van Kahla I betreft, is aan de Commissie, zoals bij de inleiding en uitbreiding van de formele onderzoeksprocedure werd benadrukt, nooit een herstructureringsplan overgelegd. Bij ontstentenis van een herstructureringsplan is niet voldaan aan de voorwaarden waaraan moet worden voldaan voor een goedkeuring van de herstructurering overeenkomstig de herstructureringsrichtsnoeren, met name aan de aanwezigheid van een gefundeerd herstructureringsplan bij de toekenning van de steun (63). Derhalve moet de in het kader van maatregel 8 toegekende steun worden beoordeeld als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.

(166)

Ten aanzien van de steunmaatregelen die tussen 1994 en 1996 ten gunste van Kahla II werden toegekend, stelde de Commissie bij de inleiding en de uitbreiding van de formele onderzoeksprocedure vast dat er aanwijzingen waren dat de onderneming een herstructurering had doorgevoerd. De door Duitsland overgelegde rapporten beschrijven maatregelen voor het herstel van de levensvatbaarheid: nieuwe productoriëntatie, personeelsreductie, vervanging van oude machines en installaties, sluiting van productie-eenheden, investeringen om te kunnen voldoen aan technische en milieunormen en de opbouw van een distributienetwerk. Tijdens de formele onderzoeksprocedure gaf Duitsland aan dat deze maatregelen deel uitmaakten van het eerste ondernemingsplan dat later verder werd ontwikkeld en wilde het deze maatregelen niet als herstructureringsplan aanmerken. In zijn schrijven van 1 oktober 2002 verklaarde Duitsland ten slotte dat, indien de Commissie Kahla II als een onderneming in moeilijkheden beschouwde, deze maatregelen dienden te worden gezien als een herstructureringsplan.

(167)

Het is echter niet duidelijk welke van de overgelegde documenten als het relevante herstructureringsplan moet worden beschouwd. De Commissie neemt er nota van dat het eerste rapport werd opgesteld vóór de verkoop van de vermogensbestanddelen en bovendien uitsluitend bestemd was voor de TIB om een beslissing te kunnen nemen over de doelmatigheid van de overname van een participatie in de onderneming. Hoewel in beide rapporten een reeks maatregelen werd voorgesteld die noodzakelijk was voor de levensvatbaarheid van de onderneming, werden deze maatregelen volgens Duitsland door de investeerder verder ontwikkeld. Als deze rapporten als herstructureringsplan zouden worden beschouwd, wordt het feit dat de voorgestelde maatregelen niet de definitieve versie van het plan vormen, vooral duidelijk bij het onderzoek naar de kosten van de voorgestelde maatregelen. Het eerste rapport berekende de totale kosten op 30,945 miljoen DEM, wat uit investeringen, de aankoop van vermogensbestanddelen, verliesdekking en rentebetalingen voor leningen bestond. Het tweede rapport stelde herstructureringsmaatregelen ten bedrage van in totaal 27,727 miljoen DEM voor, bestaande uit investeringen (met inbegrip van de overname van vermogensbestanddelen), verliesdekking en bedrijfskapitaal. Noch de in het eerste rapport voorziene kosten, noch de kosten die in het tweede rapport werden voorzien, komen overeen met de door Duitsland in het „investeringsplan” beschreven en in tabel 5 gedetailleerd weergegeven kosten, op basis waarvan de steun zou zijn toegekend. In beide rapporten ontbreken aan de lijst van de ter financiering van deze kosten voorziene maatregelen talloze steunmaatregelen die daadwerkelijk aan de onderneming werden toegekend (vgl. tabel 4), hetgeen eveneens voor het „investeringsplan” geldt (tabel 5). Als één van deze documenten als het herstructureringsplan zou worden beschouwd, kan de Commissie derhalve slechts tot de conclusie komen dat het plan ofwel niet het definitieve plan was of dat de onderneming te veel steun heeft ontvangen.

(168)

Zelfs wanneer deze documenten zouden kunnen worden gezien als herstructureringsplan, kunnen zij dus niet als de definitieve versie van een dergelijk plan worden beschouwd. Bovendien is niet duidelijk in hoeverre de voorgestelde stappen daadwerkelijk in de praktijk werden gebracht.

(169)

Om te kunnen vaststellen of er is voldaan aan de in de herstructureringsrichtsnoeren vastgelegde criteria, heeft de Commissie enerzijds exacte gegevens nodig over de herstructureringsstappen die werden ondernomen om de levensvatbaarheid van de onderneming op de lange termijn te herstellen (64). Ondanks herhaalde aanmaningen daartoe van de Commissie heeft Duitsland nooit de definitieve versie van een herstructureringsplan voor Kahla II overgelegd of verklaringen afgelegd over welke herstructureringsmaatregelen daadwerkelijk in de praktijk werden gebracht. Omdat er geen herstructureringsplan beschikbaar is, kunnen de criteria van deze richtsnoeren niet worden getoetst.

(170)

Anderzijds stelt de Commissie vast dat de particuliere bijdrage aan de totale kosten niet als aanzienlijk kan worden beschouwd. Zij brengt in herinnering dat de Commissie Duitsland formeel heeft aangemaand informatie over iedere door een particuliere investeerder geleverde of te leveren bijdrage te verstrekken. In zijn schrijven van 1 oktober 2002 geeft Duitsland een opsomming van de vermeende particuliere financiering volgens het rapport van 29 november 1993. Deze bestaat uit een participatie van de heer G. Raithel ten bedrage van 2,055 miljoen DEM, 0,986 miljoen DEM rentebetalingen uit de leningen aan de heer G. Raithel, kasstroom ten bedrage van 2,217 miljoen DEM en de kapitaalbijdrage van de TIB ten bedrage van 7,975 miljoen DEM.

(171)

De vermeende bijdrage van de investeerder bestond uit twee leningen van de overheid tegen een gunstige rente (maatregelen 16 en 17) van in totaal 2 miljoen DEM en 0,055 miljoen DEM, die de investeerder uit eigen middelen als eigen vermogen heeft ingebracht in de onderneming. Slechts de laatstgenoemde bijdrage was van puur particuliere aard. De lening ten bedrage van 0,2 miljoen DEM in het kader van maatregel 16 was gedekt door een garantie van de federale overheid. De lening ten bedrage van 1,8 miljoen DEM in het kader van maatregel 17 was gedekt door een zekerheidsrecht op de bedrijfsgrond van Kahla II. De aankoop van deze vermogensbestanddelen werd uit staatssteun gefinancierd. Met het oog op het feit dat deze leningen uit overheidsmiddelen werden verstrekt en gezien de gestelde zekerheden, kunnen de leningen in het kader van de maatregelen 16 en 17 duidelijk niet als de bijdrage van een particuliere investeerder worden beschouwd. Met betrekking tot de nieuwe vermeende rentebetalingen ten bedrage van 0,986 miljoen DEM heeft de Commissie nooit enige informatie ontvangen. Vermoedelijk heeft de rentebetaling betrekking op de rentebetaling van de heer G. Raithel voor de twee leningen in het kader van de maatregelen 16 en 17. Met deze rentebetalingen worden echter geen herstructureringskosten gefinancierd. Ten aanzien van de kasstroom stelt de Commissie vast dat een geplande winst die door de onderneming moet worden behaald, niet kan worden beschouwd als een belangrijke bijdrage in de zin van de herstructureringsrichtsnoeren. De Commissie is er bovendien niet van op de hoogte gesteld of deze kasstroom daadwerkelijk werd verwezenlijkt of dat deze werd gebruikt voor de dekking van herstructureringskosten.

(172)

Aangezien de onderneming een bepaalde winst begon te behalen, zette de investeerder op 30 maart 1998 een deel van de overheidsleningen in particuliere leningen om. Deze bijdrage was echter ongewis ten tijde van de steuntoekenning en werd pas na de herstructurering ingebracht. Er kan derhalve van worden uitgegaan dat de latere bijdrage slechts mogelijk was dankzij de verbetering van de financiële situatie van de onderneming als gevolg van de staatssteun. De Commissie constateert bovendien dat de bijdrage slechts mogelijk was dankzij een garantie van 90 %, die werd verleend ter dekking van deze leningen (65). Bovendien heeft ook dit plaatsgevonden, nadat de herstructurering was voltooid. Het was ten tijde van de toekenning van de steunmaatregelen en is nog steeds onduidelijk welke middelen voor dit doeleinde werden gebruikt. Ten slotte kan bij ontstentenis van een totaaloverzicht van de herstructureringskosten niet worden geconcludeerd dat de particuliere bijdrage aanzienlijk was.

(173)

Herstructureringssteun kan slechts worden toegekend op basis van een sluitend herstructureringsplan dat ook maatregelen behelst ter compensatie van mogelijk negatieve effecten van de steun en een belangrijke bijdrage uit particuliere middelen. Aangezien er, ondanks het bevel tot verstrekking van informatie, geen aanwijzing is dat de steun werd verleend tegen deze voorwaarden, is er derhalve inderdaad een aanwijzing dat niet aan deze voorwaarden is voldaan. Derhalve is de ad-hocsteun die tot 1996 aan Kahla II werd verleend, herstructureringssteun die onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.

(174)

Met het oog hierop kan de Commissie niet tot de conclusie komen dat de ad-hocsteun die tot 1996 aan Kahla II werd toegekend, als met de gemeenschappelijke markt verenigbaar kan worden beschouwd.

(175)

Gezien de behaalde bescheiden positieve bedrijfsresultaten is de Commissie van mening dat Kahla II vanaf 1997 niet meer als een onderneming in moeilijkheden kan worden beschouwd. Overeenkomstig het voorstel van Duitsland beoordeelt de Commissie de ten gunste van Kahla II toegekende steunmaatregelen in het kader van de regionale richtsnoeren. De Commissie brengt in herinnering dat dit uitsluitend de maatregelen 30 en 32 betreft, die als ad-hocsteun dienen te worden beoordeeld, omdat de resterende maatregelen bestaande steunmaatregelen zijn.

(176)

Volgens de regionale richtsnoeren kan een individuele ad-hocsteunmaatregel ten gunste van één enkele onderneming op de mededinging in de betrokken markt een aanzienlijke invloed hebben, terwijl het gevaar bestaat dat het effect ervan voor de regionale ontwikkeling te beperkt blijft. Dergelijke steunmaatregelen passen over het algemeen in een gericht of in een sectoraal industriebeleid en wijken dikwijls af van de geest van het regionale steunbeleid als zodanig. Derhalve voldoen deze steunmaatregelen, tenzij het tegendeel wordt bewezen, niet aan de in de regionale richtsnoeren genoemde voorwaarden. De Commissie stelt vast dat de porseleinmarkt verzadigd is en dat de porseleinbranche aan overcapaciteit lijdt. Dit versterkt de negatieve veronderstellingen met betrekking tot de ad-hocsteun, omdat iedere investeringssteun waarschijnlijk een negatieve invloed op de sector zou hebben.

(177)

Regionale steun heeft ofwel productieve investeringen (initiële investeringen), ofwel de schepping van werkgelegenheid die met de investering verband houdt, ten doel. Onder initiële investering wordt verstaan een investering in vast kapitaal ten behoeve van de oprichting van een nieuwe vestiging, de uitbreiding van een bestaande vestiging, of het starten van een activiteit die een fundamentele wijziging in het product of in het productieproces van een bestaande vestiging met zich meebrengt (door rationalisering, herstructurering of modernisering).

(178)

De Commissie stelt allereerst vast dat een deel van de desbetreffende steunmaatregelen (maatregel 32) uit subsidies bestaat die zouden zijn verleend voor onderzoek en ontwikkeling, integratie van werknemers, deelname aan beurzen en kostenverlagingen. Dergelijke uitgaven zijn geen investeringen. Anderzijds is maatregel 30 een garantie voor een lening die voor investeringen had kunnen worden gebruikt, hoewel dit punt door Duitsland nooit kenbaar is gemaakt.

(179)

De Commissie heeft Duitsland uitdrukkelijk en formeel aangemaand een beschrijving te verstrekken van de verrichte of nog te verrichten investeringen. Voor het onderzoek naar de vraag of het gaat om een initiële investering, heeft Duitsland uitsluitend de in de tabellen 7 en 9 weergegeven investeringsplannen overgelegd. Duitsland heeft geen enkele beschrijving van het vermeende investeringsplan verstrekt. Volgens deze plannen werden er machines gekocht en investeringen verricht in bestaande installaties. Omdat er geen verdere verklaring werd gegeven, kan de Commissie niet tot de conclusie komen dat deze investeringen verband houden met een uitbreiding van de vestiging of het starten van een activiteit die een fundamentele wijziging in het product of in het productieproces met zich meebrengt.

(180)

Zelfs wanneer dit het geval zou zijn, kan de Commissie zich in dit opzicht bovendien op geen enkele inlichting baseren. Bijgevolg kunnen de totale subsidiabele kosten niet worden bepaald. Derhalve is het onmogelijk om vast te stellen of de maximaal toelaatbare steunintensiteit van 35 % met het oog op de cumulatie met de overige door goedgekeurde steunregelingen gedekte investeringssteun (maatregelen 28, 29 en een deel van maatregel 33) in acht wordt genomen.

(181)

Voorts moet volgens punt 4.2 van de regionale richtsnoeren het aandeel van de begunstigde in de financiering ervan ten minste 25 % bedragen om ervoor te zorgen dat de gesteunde productieve investeringen levensvatbaar en gezond zijn. Met deze minimale inbreng van 25 % mag geen enkele vorm van steun zijn gemoeid. Dit is niet het geval bij, bijvoorbeeld, een lening met rentesubsidie of met een overheidsgarantie die steunelementen inhoudt.

(182)

De Commissie heeft Duitsland uitdrukkelijk en formeel aangemaand haar van iedere door de investeerder geleverde of te leveren bijdrage op de hoogte te stellen. Volgens de beschikbare gegevens heeft de investeerder de overheidsleningen op 30 maart 1998 in marktleningen omgezet. Het valt echter te betwijfelen of deze leningen kunnen worden beoordeeld als particuliere bijdrage zonder enige steun, omdat ze samenhangen met eerder toegekende steunmaatregelen. Voorts werden ook deze marktleningen gedekt door een overheidsgarantie van 90 %. Volgens tabel 8 bedroeg de eigen bijdrage aan de naar verluidt tussen 1997 en 1998 verrichte investeringen in totaal 2,406 miljoen DEM. Er werd echter geen verklaring afgelegd over de herkomst van deze bijdrage. Bij ontstentenis van een dergelijke verklaring kan de Commissie niet tot de conclusie komen dat het aandeel van de begunstigde ten minste 25 % van de totale investeringskosten bedroeg.

(183)

Deze maatregelen kunnen ook niet als met de gemeenschappelijke markt verenigbare bedrijfssteun worden beschouwd, omdat niet is voldaan aan de in de regionale richtsnoeren vastgelegde voorwaarden. Op basis van deze voorwaarden kan dergelijke steun worden toegestaan, mits hij door de bijdrage aan de regionale ontwikkeling en de aard ervan gerechtvaardigd is en de hoogte ervan in verhouding staat tot de te verhelpen handicaps. Duitsland heeft voor geen van deze punten bewijzen geleverd. Duitsland heeft voorts niet aangetoond dat de steun van tijdelijke aard is en geleidelijk afneemt.

(184)

Resumerend kan de Commissie niet tot de conclusie komen dat de vanaf 1997 door Kahla II naar verluidt verrichte investeringen subsidiabele investeringen zijn in de zin van de Richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen. Bovendien is er geen bewijs dat 25 % van de totale kosten geen steun waren en door de begunstigde werden gedekt. Ten slotte kan de Commissie niet tot de conclusie komen dat de steun een positieve invloed op de regio of de markt had. Derhalve kan de Commissie niet vaststellen dat de steunmaatregelen in de zin van de regionale richtsnoeren als met de gemeenschappelijke markt verenigbaar kunnen worden beoordeeld.

(185)

De Commissie stelt vast dat Duitsland de steun heeft toegekend in strijd met artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag. Op grond van de beschikbare informatie kan de Commissie niet tot de conclusie komen dat de ad-hocsteun ten gunste van Kahla I en Kahla II als met de gemeenschappelijke markt verenigbaar kan worden beschouwd.

(186)

Overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EG) nr. 659/1999 (66) moeten steunmaatregelen die onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt, worden teruggevorderd, tenzij de terugvordering in strijd is met een beginsel van het Gemeenschapsrecht. Dit is volgens de Commissie hier niet het geval. In het bijzonder blijkt niet uit de feiten in deze zaak dat de begunstigde een beroep zou kunnen doen op gerechtvaardigde verwachtingen.

(187)

Derhalve moeten alle illegale en onverenigbare steunmaatregelen die aan Kahla I en Kahla II werden toegekend, worden teruggevorderd. Wat steunmaatregelen betreft die reeds werden terugbetaald, moet desalniettemin een terugvordering plaatsvinden, voorzover het terugbetaalde bedrag lager is dan het verschuldigde bedrag inclusief rentevergoeding tegen de geldende referentierente voor regionale steunmaatregelen.

(188)

Over de terug te vorderen steun is rente verschuldigd vanaf het tijdstip waarop de steun de ontvanger ter beschikking is gesteld tot het tijdstip van terugvordering. De rente wordt berekend op grond van de referentierentevoet welke wordt gehanteerd voor de berekening van het subsidie-equivalent in het kader van regionale steunregelingen,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

1.   De staatssteun van Duitsland ten gunste van Kahla Porzellan GmbH met betrekking tot maatregel 8: De opbrengsten uit de verkoop van het grondbezit van de onderneming, die hadden moeten worden aangewend voor de aflossing van de kredieten waarvoor de Treuhand garant stond, is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.

2.   De volgende staatssteun van Duitsland ten gunste van Kahla/Thüringen Porzellan GmbH is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt:

a)

Maatregel 11: een deelneming van de TIB in het aandelenkapitaal;

b)

Maatregel 12: een lening met winstdeelneming van de TIB;

c)

Maatregel 13, 14, 23 en 30: garanties van 90 % van de deelstaat Thüringen;

d)

Maatregel 15: een subsidie van de deelstaat Thüringen;

e)

Maatregel 16: een lening ter ondersteuning van het eigen vermogen van een overheidsbank;

f)

Maatregel 21: een lening van een overheidsbank;

g)

Maatregel 26: subsidies ter bevordering van de werkgelegenheid;

h)

Maatregel 27: maatregelen ter integratie van werknemers, voor de deelname aan beurzen en voor reclame;

i)

Maatregel 32: maatregelen voor onderzoek en ontwikkeling, voor de integratie van werknemers, de deelname aan beurzen en kostenverlagingen.

Artikel 2

1.   Duitsland neemt alle noodzakelijke maatregelen om de in artikel 1 genoemde onrechtmatig ter beschikking gestelde steun van de ontvanger terug te vorderen. Indien deze maatregelen reeds werden terugbetaald, vindt een terugvordering plaats voorzover het terugbetaalde bedrag lager is dan het verschuldigde bedrag inclusief rentevergoeding tegen de ten tijde van de toekenning van de steun geldende referentierente voor regionale steunmaatregelen.

2.   De terugvordering dient met inachtneming van de nationale procedures onverwijld te geschieden, voorzover deze procedures de onmiddellijke feitelijke tenuitvoerlegging van de beschikking toestaan. Over de terug te vorderen steun is rente verschuldigd vanaf de datum waarop de onrechtmatige steun de ontvanger ter beschikking is gesteld, tot de datum van de daadwerkelijke terugbetaling ervan. De rente wordt berekend op grond van de referentierentevoet welke wordt gehanteerd voor de berekening van het subsidie-equivalent in het kader van regionale steunregelingen.

Artikel 3

Duitsland deelt de Commissie binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van deze beschikking mee welke maatregelen het heeft genomen om aan de beschikking te voldoen.

Artikel 4

Deze beschikking is gericht tot de Bondsrepubliek Duitsland.

Gedaan te Brussel, 13 mei 2003.

Voor de Commissie

Mario MONTI

Lid van de Commissie


(1)  PB C 185 van 30.6.2001, blz. 45, en PB C 26 van 30.1.2002, blz. 19.

(2)  PB C 185 van 30.6.2001, blz. 45.

(3)  PB C 26 van 30.1.2002, blz. 19.

(4)  In geval van faillissement van vroegere Treuhandondernemingen werd het grondbezit teruggegeven aan de THA, die van haar kant de waarde van het grondbezit in de failliete boedel moest inbrengen.

(5)  Vertrouwelijke informatie. Geïndiceerd (met betrekking tot 1994):

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

- 100

- 181

3

70

78

11

186

(6)  Vertrouwelijke informatie, 30-40 % hoger dan de prijs in eerste instantie betaald door TIB.

(7)  N 213/93, PB C 302 van 9.11.1993, blz. 6.

(8)  N 108c/1994, SG(94) D/17293 van 1.12.1994, PB C 390 van 31.12.1994, blz. 14.

(9)  N 108b/1994, SG(94) D/17293 van 1.12.1994, PB C 390 van 31.12.1994, blz. 13.

(10)  KfW-middenstandsprogramma, NN 109/93, SG (94), D/372 van 14.01.1994, PB C 373 van 29.12.1994, blz. 3.

(11)  ERP-milieuprogramma, N 563d/94, SG(94), D/17530 van 5.12.1994, PB C 390 van 31.12.1994, blz. 16.

(12)  Vgl. voetnoot 7.

(13)  23e kaderplan van het gemeenschappelijk actieprogramma ter verbetering van de economische structuur, N 157/94, SG (94) D/ 11038, 1.8.1994.

(14)  N 561/92, SG (92) D/16623 van 24.11.1992 en N 494/A/1995, SG (95) D/17154, 27.12.1995.

(15)  Verstrekt als bijlage 17 bij het schrijven van 15 maart 2001, door de Commissie geregistreerd op 26 maart 2001 (A/32477).

(16)  Informatie van de website van de Cerame-Unie (http://www.cerameunie.org).

(17)  Panorama van de EU-industrie 1997, 9-20; NACE (herziening 1). Zie ook Beschikking 1999/157/EG van de Commissie in zaak C 35/97, Triptis Porzellan GmbH (PB L 52 van 27.2.1999, blz. 48).

(18)  PB C 68 van 6.3.1996, blz. 9.

(19)  PB L 10 van 13.1.2001, blz. 30.

(20)  PB C 368 van 23.12.1994, blz. 12, en PB C 288 van 9.10.1999, blz. 2.

(21)  „Het plan van de Auffanggesellschaft Kahla moet worden gezien in het licht van de speciale situatie op het gebied van het structuurbeleid van de deelstaat Thüringen, met name in het licht van de inspanningen van de deelstaatregering om in het kader van steunmogelijkheden bestaande arbeidsplaatsen te behouden”, rapport van Röls Bühler Stüpges Hauck & Partner, overgelegd als bijlage 1 bij het schrijven van 31 januari 2000, geregistreerd op 3 april 2000 onder nummer A/32839.

(22)  Vgl. voetnoot 19.

(23)  „Het doel van de TIB is het behoud en de schepping van industriële arbeidsplaatsen in de deelstaat Thüringen”, rapport van Arthur Andersen, overgelegd als bijlage 2 bij het schrijven van 31 maart 2000, geregistreerd op 3 april 2000 onder nummer A732839.

(24)  „Er bestaat echter een groot aantal risico's dat kan leiden tot het mislukken van het plan” en „Een beslissing voor een participatie in Kahla/Thüringen Porzellan GmbH kan derhalve in principe worden ondersteund, als men zich van het resterende, grote risico bewust is. Het betekent echter tegelijkertijd een afwijzing van andere porseleinproducenten in Thüringen om het succes van het plan niet verder in gevaar te brengen”, rapport van Arthur Andersen (zie voetnoot 23).

(25)  Er dient nota te worden genomen van het feit dat de verwerving van de activa van Kahla II overwegend uit steunmaatregelen werd gefinancierd.

(26)  De lening werd afgesloten tegen een rentevoet van 12 %. De rentebetalingen waren echter gelimiteerd tot 50 % van de jaarwinst.

(27)  Tijdens de eerste drie jaar nam de bondsregering de rente op zich. De rentevoet bedroeg in het vierde jaar 2 %, in het vijfde jaar 3 % en in het zesde jaar 5 %.

(28)  Na de uitbreiding van de procedure veranderde Duitsland van mening en beschouwde het de leningen in het kader van de maatregelen 16 en 17 niet als staatssteun omdat deze, hoewel zij zouden zijn verstrekt in het kader van een goedgekeurd steunprogramma, direct aan de heer G. Raithel werden uitbetaald.

(29)  Hoewel deze richtsnoeren, zoals in overweging 163 wordt toegelicht, niet van toepassing zijn op de steunmaatregelen die in de periode tussen 1994 en 1996 werden toegekend. Voetnoot 10 van de herstructureringsrichtsnoeren (1999) codificeert de handelwijze van de Commissie doordat daarin het volgende wordt vastgesteld: De enige uitzondering op de regel dat nieuwe ondernemingen niet voor reddings- en herstructureringssteun in aanmerking komen „vormen de eventuele gevallen die door de Bundesanstalt für vereinigungsbedingte Sonderaufgaben worden behandeld in het kader van zijn privatiseringsopdracht en andere soortgelijke gevallen in de nieuwe deelstaten, en wel met betrekking tot ondernemingen die na een liquidatie of een overname van activa die vóór 31 december 1999 zijn geschied, zijn opgericht.”

(30)  C 69/98, SG (98) D/ 11285 van 4.12.1998.

(31)  „Uit de berekeningen in het ondernemingsplan blijkt dat de Auffanggesellschaft (…) niet in staat (is) om de in verhouding tot de geplande omzet enorme financieringskosten van het herstructureringsproces alleen te dragen”. Rapport van Röls Bühler Stüpges Hauck & Partner (zie voetnoot 21).

(32)  „Het doel van onze werkzaamheden moet zijn de mogelijkheden en de zin van een sanering van de in de Auffanggesellschaft voortgezette onderneming te beoordelen met speciale aandacht voor het duurzame behoud van arbeidsplaatsen en de financiële middelen die door de TIB als potentiële aandeelhouder ter beschikking worden gesteld”, rapport van Arthur Andersen (zie voetnoot 23).

(33)  Alle leningen van particuliere banken, waarvan de Commissie op de hoogte werd gesteld, werden gedekt door overheidsgaranties van 90 %.

(34)  „De koper heeft het recht om zich zondere verdere kosten (…) uit het gehele contract terug te trekken wanneer (…) de onderstaande financiering niet uiterlijk op 31.12.1994 is toegezegd; dit is ook van toepassing wanneer de financiering slechts gedeeltelijk tot stand komt”. De financiële maatregelen in dit contract hebben betrekking op ERP- en KfW-leningen ten bedrage van 2,5 miljoen DEM, een TIB-participatie ten bedrage van 7,95 miljoen DEM, leningen afkomstig van banken ten bedrage van 13,35 miljoen DEM en een garantie van 90 % van de deelstaat ten bedrage van 20 miljoen DEM (koopcontract tussen de curator van Kahla I en Günter Raithel, afgesloten op 26.1.1994).

(35)  C 36/2000, Graf von Henneberg Porzellan GmbH.

(36)  „Aangezien ook Kahla zich op dit moment in een periode van herstel bevindt en voor haar consolidatie zeker nog het gehele jaar 1996 nodig heeft, valt er nauwelijks te denken aan een eerdere verschuiving van productiehoeveelheden”. Rapport van PME van 24.8.1995.

(37)  Vertrouwelijke informatie. Zie tabel in paragraaf (21).

(38)  PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.

(39)  NN 25/95, SG (96) D/ 11031 van 16.12.1996.

(40)  PB C 71 van 11.3.2000, blz. 14, punt 3.2.

(41)  NN25/95, SG (96) D/11031 van 16.12.1996.

(42)  N 408/93, SG (93) D/ 19245, 26.11.1993 (PB C 213 van 19.8.1992, blz. 2).

(43)  C 69/98, SG (2002) D/34461 van 19.6.2002 (tot op heden niet gepubliceerd).

(44)  ERP-programma ter ondersteuning van het eigen vermogen, N 213/93, SG (93) D/16665 van 13.10.1993.

(45)  ERP-programma voor de oprichting van nieuwe bedrijven, N 108c/1994, (zie voetnoot 6).

ERP-opbouwprogramma, N 108b/1994, (zie voetnoot 7).

KfW-middenstandsprogramma, NN 109/93, SG (94), (zie voetnoot 8).

(46)  ERP-milieuprogramma N 563d/94, (zie voetnoot 9).

(47)  NN 117/92, SG (95) D/ 341 van 13.1.1995.

(48)  Geregistreerd op 29.7.1994 onder nummer A/33865.

(49)  „Dragers van de maatregelen op grond van § 124 h Arbeitsförderungsgesetz op het gebied van milieusanering en milieuverbetering zijn publiekrechtelijke rechtspersonen, met name de regionale publiekrechtelijke lichamen (steden, districten, gemeenten e.a.), alsmede bedrijven die vallen onder de Threuhandanstalt”. Schrijven van 29.7.1994, (zie voetnoot 52).

(50)  „Dat betekent dat maatregelen die in het belang zijn van een onderneming, niet subsidiabel zijn”. Schrijven van 29.7.1994, geciteerd in voetnoot 52.

(51)  Vgl. ook de beschikking in de zaak C 36/2000, SG (2001) D/292014.

(52)  N 660/93, SG D/21632 van 31.12.1993 en N 477/91, SG (91) D/22704 van 25.11.1991.

(53)  PB C 334 van 12.12.1995, blz. 4.

(54)  NN 107/97, van kracht sinds 1 april 1997, goedgekeurd bij schrijven SG (98) 1049 van 6.2.1993.

(55)  NN 331/96, SG (97) D/ 482 van 23.1.1997.

(56)  Auditverslagen over de jaarrekeningen van Kahla/Thüringen Porzellan GmbH voor de jaren 1997, 1998 en 1999.

(57)  Zie voetnoot 16 en 17.

(58)  Ibidem, zie voetnoot 37.

(59)  PB C 74 van 10.3.1998, blz. 9.

(60)  Zie voetnoot 50.

(61)  Onder punt 7.5 van de herstructureringsrichtsnoeren (1999) wordt vermeld: „De Commissie zal de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt van alle reddings- en herstructureringssteun die zonder toestemming van de Commissie en derhalve in strijd met artikel 88, lid 3, van het Verdrag, wordt toegekend, onderzoeken”, en wel „op de grondslag van de ten tijde van de toekenning van de steun geldende richtsnoeren ”.

(62)  Vgl. in het bijzonder tabel 5.

(63)  Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 22 maart 2000 in zaak C-17/99, Frankrijk/ Commissie, Jurispr. 2001, blz. I-2481, r.o. 27.

(64)  Zie voetnoot 59.

(65)  De leningovereenkomst vermeldde als zekerheden subsidiair dezelfde zekerheidsrechten op grondbezit als in tabel 10 weergegeven en subsidiair de overdracht van de risico-levensverzekering van de heer G. Raithel ten bedrage van 1,8 miljoen DEM.

(66)  PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.


25.3.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 88/50


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 16 november 2004

betreffende een steunregeling van Duitsland ten gunste van Kornbrandstokerijen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 3953)

(Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2006/240/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 88, lid 2, eerste alinea,

Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name op artikel 62, lid 1, onder a),

Na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken overeenkomstig voornoemde artikelen (1) en gezien hun opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

I.   PROCEDURE

(1)

Bij brief van 22 november 2000 hebben zes Duitse industriële productiebedrijven die deel uitmaken van de Arbeitsgemeinschaft gewerblicher Kornbrennereien ingevolge de wijziging van het Branntweinmonopolgesetz (wet op het monopolie voor gedistilleerde dranken) van 2 mei 1976 door het Haushaltssanierungsgesetz (HsanG) (wet op de sanering van de begroting) van 22 december 1999 bij de Commissie een klacht ingediend (2).

(2)

De klagers wilden doen vaststellen dat de Duitse wetgever door de wijziging van het Branntweinmonopolgesetz (3) een regeling heeft ingevoerd die indruist tegen artikel 87 van het EG-Verdrag, omdat deze regeling industriële en agrarische Kornbrandstokerijen (Kornbranntweinbrennereien), die tot dan zonder onderscheid recht hadden op steun, in zover ongelijk behandelt dat alleen nog de landbouwproducenten recht hebben op steun. Zij beweren dat de nieuwe regeling de agrarische Kornbrandstokerijen een onbetwistbaar voordeel biedt dat wordt beschouwd als steun die met de communautaire mededingingsvoorschriften onverenigbaar is.

(3)

De Commissie heeft Duitsland voor het eerst op 3 januari 2001 om nadere informatie over de aangevochten wijzigingen gevraagd. Duitsland heeft hierop bij brief van 14 februari geantwoord en erop gewezen dat de desbetreffende steunmaatregelen al in 1976 bij de Commissie waren aangemeld en dat de nieuwe wet alleen bedoeld was om het bestaande mechanisme te verbeteren. Op 16 maart 2001 heeft de Commissie een aantal bijkomende vragen aan Duitsland gesteld. Duitsland heeft vervolgens om meer tijd gevraagd en de Commissie heeft dit bij brief van 9 april 2001 toegestaan.

(4)

Op 24 april 2001 heeft Duitsland antwoord gegeven aan de Commissie, die dan op 19 november haar eerste conclusies en opmerkingen heeft medegedeeld. Bij brief van 19 december 2001 heeft Duitsland zijn verklaringen van 14 februari 2001 bevestigd en nogmaals verzekerd dat de steunmaatregelen in kwestie in overeenstemming zijn met het Gemeenschapsrecht.

(5)

Bij brief van 22 februari 2002 heeft de Commissie Duitsland overeenkomstig artikel 17, lid 2, van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (4) gevraagd een standpunt in te nemen en dienstige voorstellen in te dienen over de manier waarop de wetgeving inzake steun aan Kornbrandstokerijen in overeenstemming kan worden gebracht met artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag. Op 19 maart 2002 heeft Duitsland de Commissie schriftelijk medegedeeld dat het dergelijke maatregelen niet nodig achtte, aangezien het niet met de conclusies van de Commissie kon instemmen. Dit geldt met name voor de conclusie dat Kornbranntwein (Kornbrand) een industrieel en geen landbouwproduct is.

(6)

Bij beschikking van 19 juni 2002 heeft de Commissie Duitsland voorgesteld een aantal dienstige maatregelen te nemen tot wijziging van de Duitse wet inzake steun aan Kornbrandstokerijen. Bij brieven van 19 en 23 juli 2002 heeft Duitsland de Commissie medegedeeld dat het dit voorstel niet kon aanvaarden en bijgevolg niet bereid was de dienstige maatregelen binnen de gestelde termijn te nemen.

(7)

De Commissie heeft derhalve overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EG) nr. 659/1999 op 16 oktober 2002 besloten om wegens de steunmaatregelen in kwestie een formele onderzoeksprocedure in te leiden. Het besluit werd op 11 december 2002 in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt (5). Hierbij werd alle betrokkenen om hun standpunt ten aanzien van de betrokken maatregelen gevraagd.

(8)

Duitsland gaf op 12 november 2002 zijn mening over de inleiding van de procedure te kennen.

(9)

Van derden ontving de Commissie in totaal 54 opmerkingen, waaronder een standpunt met ongeveer 2 000 handtekeningen. De opmerkingen werden op 7 februari 2003 aan Duitsland toegezonden met het verzoek een standpunt in te nemen. Op 26 februari 2003 vroeg Duitsland de Commissie om verlenging van de antwoordtermijn, wat op 27 februari werd toegestaan. De Commissie ontving het antwoord van Duitsland ten slotte bij brief van 19 maart 2003.

(10)

Op 5 juni 2003 vond op verzoek van Duitsland een gesprek plaats, waartoe Duitsland op 4 juni 2003 een voorbereidende brief stuurde; op 2 juli 2003 volgde nogmaals een brief.

(11)

De klagers deelden de Commissie op 13 augustus 2003 schriftelijk hun mening mede ter voorbereiding van een vergadering die op hun verzoek op 29 augustus 2003 plaatsvond.

(12)

Op 5 maart 2004 stuurde de Commissie aan Duitsland de brief van de klagers van 13 augustus 2003. Duitsland heeft hierop bij brief van 5 april 2004 geantwoord.

II.   BESCHRIJVING VAN DE REGELING IN KWESTIE

A.   Het Duitse Branntweinmonopol en de ontwikkeling daarvan

(13)

Het Duitse Branntweinmonopol (monopolie voor gedistilleerde dranken) werd bij wet van 8 april 1922 (6) ingesteld en ingevolge de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, o.a. het arrest van 17 februari 1976 in zaak 45/75 (Rewe-Zentrale) (7) - door de wet van 2 mei 1976 (8) hervormd. De nieuwe wet van 2 mei 1976 inzake het Branntweinmonopol heeft het uit de territoriale beschermende maatregelen voortvloeiende prijsondersteuningsbeleid, dat in strijd was met artikel 31 van het EG-Verdrag (ex-artikel 37) opgeheven en door een prijscompensatiemechanisme vervangen.

(14)

Op 9 april 1976 heeft Duitsland de Commissie op de hoogte gebracht van het gewijzigde Branntweinmonopolgesetz  (9) overeenkomstig artikel 88 (ex artikel 93), lid 3, van het EG-Verdrag in samenhang met artikel 4 van Verordening nr. 26 van de Raad van 4 april 1962 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten (10). Artikel 4 van deze verordening bepaalt: „Artikel 93, lid 1 en lid 3, eerste zin, van het Verdrag is van toepassing op de steunmaatregelen ten gunste van de voortbrenging van of de handel in de in bijlage II van het Verdrag [nu en hieronder in bijlage I bij het EG-Verdrag; noot van de Commissie] vermelde producten (11). Voor de lidstaten is een eenvoudige kennisgeving dan ook voldoende en toestemming van de Commissie is niet vereist.

(15)

In zijn kennisgeving heeft Duitsland de Commissie erop gewezen dat het zijn wettelijke verplichting om de producten van binnenlandse producenten van gedistilleerde dranken tegen een kostendekkende prijs op te kopen, ook in de toekomst zal nakomen.

(16)

Bij de kennisgeving in 1976 werd geen onderscheid gemaakt naar het soort producten, met andere woorden tussen neutrale alcohol en gearomatiseerde alcohol, zoals bijvoorbeeld Kornbrand. De Commissie heeft toen over de inhoud van de kennisgeving geen opmerkingen gemaakt.

(17)

Na de wetswijziging van 1976 bestond het monopolie in de aankoop en het in de handel brengen van alcohol door de onder het ministerie van Financiën ressorterende Bundesmonopolverwaltung für Branntwein („BfB”). De BfB koopt de alcohol tegen wettelijk gegarandeerde prijzen en rectificeert (12) en verkoopt hem tegen marktprijzen. Kornbrand is hiervan uitgezonderd.

(18)

Voor Kornbrand werd aan de op 14 juni 1930 gestichte Deutsche Kornbranntwein-Vermarktung GmbH (DKV) (13) bij wet van 2 mei 1976 een soortgelijke taak als de BfB opgedragen, evenwel uitsluitend voor de aankoop en het in de handel brengen van Kornbrand. Door de wet van 1976 verwierf de DKV het exclusieve recht tot afname van het grootste gedeelte van de binnenlandse Kornbrandproductie tegen wettelijk gegarandeerde prijzen, die de kosten van de producent, zowel voor industriële als voor landbouwproducenten, dekken (14), en tevens tot het in de handel brengen van de Kornbrand tegen marktprijzen, eventueel na verwerking en/of rectificatie. Tot het jaar 2000 werd meer dan 80 % van de in Duitsland geproduceerde Kornbrand door de DKV en de overige 20 % door de stokerijen zelf in de handel gebracht (15).

(19)

De DKV ontvangt als tegenprestatie voor het vervullen van de in § 82 van het Branntweinmonopolgesetz wettelijk opgelegde opdracht een vergoeding die, bij gebrek aan een marktprijs, wordt berekend volgens de Leitsätze für die Preisermittlung bei öffentlichen Aufträgen aufgrund von Selbstkosten (LSP) (beginselen voor de prijsbepaling bij opdrachten van de overheid op grond van de kostprijs).

(20)

Voor de Duitse Kornbrandproducenten die recht op steun hebben, geldt een leveringsplicht aan de DKV ter hoogte van hun distillatierechten, die door de nationale instanties jaarlijks worden vastgesteld. Zij kunnen ook een grotere hoeveelheid alcohol produceren, maar daarvoor geldt dan geen prijsgarantie. De agrarische stokerijen zijn (anders dan de industriële stokerijen om voor de hand liggende redenen) wettelijk verplicht de zelf geproduceerde grondstoffen (graan) te verwerken en de nevenproducten die bij de distillatie ontstaan in hun landbouwbedrijf te gebruiken. Dat betekent bijvoorbeeld dat de spoeling die bij de distillatie ontstaat als veevoer en de gier als meststof wordt gebruikt.

(21)

Enkele stokerijen/producenten verwerken en commercialiseren hun productie geheel of gedeeltelijk ook zelf zonder de DKV daarbij te betrekken. In dit geval ontvangen zij in het kader van hun distillatierechten van de DKV de tegenwaarde van de kosten voor de rectificatie, opslag en commercialisering, die de DKV heeft uitgespaard. Deze producenten zijn bijgevolg gelijkgesteld met diegene die hun productie aan de DKV verkopen.

(22)

Met de HSanG werd het monopolie hervormd teneinde op de steun te besparen. In de eerste plaats werd het aantal steunontvangers beperkt en werd het distributiemechanisme voor de steun gedeeltelijk nieuw geregeld. Sinds de inwerkingtreding van de HSanG kunnen alleen de agrarische stokerijen ten volle van de oude regeling profiteren, aangezien overeenkomstig § 40, lid 5, van het gewijzigde Branntweinmonopolgesetz de distillatierechten voor de industriële stokerijen voor de bedrijfsjaren 2000/2001 tot 2005/2006 op 50 % van de regelmatige distillatierechten werden vastgesteld (16). Na de wettelijk voorgeschreven overgangstermijn die tot 2005/2006 loopt, hebben alleen nog de agrarische stokerijen recht op steun.

(23)

De industriële stokerijen, die overeenkomstig § 58a van het door de HSanG gewijzigde Branntweinmonopolgesetz na het productiejaar 2006/2007, d.w.z. vanaf 30 september 2006, helemaal niet meer aan het monopolie mogen deelnemen, kunnen echter sinds 2001 het monopolie vrijwillig verlaten. Om de onvermijdelijke verliezen van de industriële stokerijen te compenseren, heeft de wetgever bepaald dat wie zich voortijdig uit het monopolie terugtrekt recht heeft op een compensatievergoeding. Daarom hebben de meeste industriële stokerijen ervoor gekozen het monopolie voortijdig te verlaten.

(24)

Om redenen van gelijke behandeling kunnen volgens de wet ook agrarische stokerijen op verzoek het monopolie verlaten. Ze ontvangen dan dezelfde compensatievergoeding als de industriële stokerijen.

(25)

De DKV moet tot 30 september 2006 haar bij wet van 2 mei 1976 opgelegde opdracht vervullen, waarna de BfB deze zou kunnen overnemen.

B.   Beschrijving van de steunmaatregelen in kwestie

(26)

De geleidelijke opheffing van het Branntweinmonopol in de tweede helft van de jaren zeventig en de opening van de markt hebben onmiddellijk tot een aanzienlijke stijging van de invoer in Duitsland van gedistilleerde dranken en tot een aanzienlijke daling van de verkoopprijs van gedistilleerde dranken geleid, zonder dat deze prijsdaling bij de producent merkbaar was.

(27)

Het monopolie heeft zich (door middel van de DKV en de BfB) aan de nieuwe marktvoorwaarden aangepast en zijn eigen verkoopprijzen tot een concurrerend niveau verlaagd. Zo is de verkoopprijs van alcohol van gemiddeld 333 DEM/hl in 1976 gedaald tot 115 DEM/hl in de periode 1999/2000.

(28)

Voor 1999/2000 bedroeg de wettelijke afnameprijs die de DKV aan de Kornbrandstokerijen moest betalen 263 DEM/hl alcohol (tegenover 296 DEM/hl, die de BfG aan de producenten van andere gedistilleerde dranken betaalt). Deze afnameprijs is zo berekend dat de kosten van de producenten gedekt zijn. De referentiekosten zijn de gemiddelde productiekosten van een gewetensvolle producent voor een hectoliter alcohol. In dezelfde periode bedroeg de verkoopprijs voor Kornbrand door de DKV 157 DEM/hl alcohol (tegenover 93 DEM/hl voor neutrale alcohol).

(29)

Het compensatiesysteem is derhalve duidelijk bedoeld om de gevolgen te milderen van een tekort waarmee het verkoopmonopolie voor gedistilleerde dranken en daarmee ook de DKV te kampen hebben. Volgens gegevens van Duitsland bedroegen de subsidies die aan de Kornbrandstokerijen voor de periode van oktober 1999 tot 30 september 2000 werden verleend 36,6 miljoen DEM (18,7 miljoen euro).

(30)

Het verschil tussen de afnameprijs en de verkoopprijs op de markt (marktprijs) vormt duidelijk steun. Duitsland bestrijdt dit niet.

(31)

Het bij § 58a van het Branntweinmonopolgesetz ingevoerde systeem zou het de Kornbrandstokerijen gemakkelijker moeten maken het monopolie te verlaten. Zoals hierboven (zie punt 23) gezegd, ontvangen stokerijen die bereid zijn uit vrije wil het monopolie voortijdig te verlaten als tegenprestatie voor hun uittreding en in plaats van exploitatiesteun, ter compensatie van de productiekosten tot september 2006 degressieve compensatievergoedingen, die telkens in de eerste vier maanden van een productiejaar worden uitbetaald. Dankzij de compensatievergoedingen wordt producenten die dat willen de mogelijkheid geboden om ondanks hun uittreding uit het monopolie verder op de zogenaamde „vrije” Kornbrandmarkt actief te zijn (17). Het gaat bijgevolg om een verschuiving van reeds eerder bestaande steun die door de producenten naar eigen goeddunken kan worden gebruikt.

(32)

Er zij aan herinnerd dat bijna alle industriële en ook enkele agrarische stokerijen voor dit alternatief hebben gekozen.

(33)

Het tekort als gevolg van het verschil tussen de afnameprijs en de marktprijs bij de verkoop van de producten in Duitsland werd uit middelen van de Duitse begroting betaald. Daartegenover werden de alcoholaccijnzen verhoogd. Het gaat om een consumentenbelasting die zowel op binnenlandse als op ingevoerde alcohol wordt geheven.

(34)

Aan het eind van het productiejaar 1999/2000 (vóór de invoering van de wet) waren er 68 industriële en 409 agrarische stokerijen die in totaal 253 000 hectoliter Kornbrand produceerden. Op 1 oktober 2001 waren er als gevolg van de hervorming nog slechts 11 industriële stokerijen met een totale productie van 5 000 hectoliter op de markt actief. Het aantal agrarische stokerijen daalde tot 340 met een totale productie van 142 000 hectoliter.

(35)

De 57 industriële stokerijen die het monopolie voortijdig hebben verlaten, hadden aan het eind van het productiejaar 2001/2002 compensatievergoedingen ten bedrage van in totaal 5,9 miljoen euro ontvangen en de zes agrarische stokerijen 0,6 miljoen euro. De 47 stokerijen die hun productie (in totaal 5 400 hectoliter Kornbrand) zelf in de handel brengen, hebben hiervoor 315 000 euro steun ontvangen. De DKV ten slotte ontving in het productiejaar 2001/2002 6,6 miljoen euro aan subsidies.

C.   Opmerkingen van derden

(36)

Na de publicatie van het besluit betreffende de inleiding van een procedure ontving de Commissie 54 opmerkingen van derden, daaronder natuurlijke personen, bedrijven, verenigingen en beroepsorganisaties. De overgrote meerderheid (47) wijst de door de Commissie voorgestelde maatregelen die aan deze procedure ten grondslag liggen af; drie opmerkingen waren voor een deel en vier geheel positief.

(37)

De vier positieve opmerkingen zijn afkomstig van vertegenwoordigers van de gedistilleerde-drankensector. Hierin wordt zelfs geoordeeld dat de Commissie bij haar besluit betreffende de inleiding van een procedure nog niet ver genoeg is gegaan en dat het Duitse Branntweinmonopol grondig moet worden hervormd.

(38)

Alle 35 agrarische stokerijen nemen een negatieve houding aan tegenover het standpunt van de Commissie. Het gaat hier meestal om kleine agrarische gezinsbedrijven. In het algemeen wordt de opvatting van de Commissie bestreden dat het bij Kornbrand om een industrieel product gaat. Volgens hen is hier duidelijk sprake van een landbouwproduct. Ook wordt het door de Commissie gebruikte begrip Kornbranntwein (Kornbrand) bekritiseerd; juister voor het bij de DKV afgeleverde product zou de benaming „ruwe alcohol” („Rohalkohol”) of ook „ruwe graanalcohol” („Kornrohalkohol”) zijn. De bij de DKV afgeleverde alcohol is geen product dat klaar is voor consumptie, maar moet nog verder worden verwerkt of gerectificeerd. Voor een deel wordt geargumenteerd dat de situatie van de landbouwproducenten niet vergelijkbaar is met de situatie van industriële producenten omdat ze niet aan dezelfde voorwaarden onderworpen zijn. In dit verband wordt uitvoerig ingegaan op de verschillende fasen van het productieproces van Kornbrand die voortkomt uit een systeem van kringloopeconomie (aanbouw van graan, stoken, gebruik van de spoeling als veevoer en gebruik van de gier als meststof voor het graan) dat een zuiver ecologische werkwijze vereist. De agrarische stokerijen zijn derhalve van mening dat in hun geval de voor landbouwproducten geldende voorschriften van het EG-Verdrag verder van toepassing zouden moeten zijn en dat ze onvermijdelijk benadeeld zouden zijn tegenover landbouwbedrijven die hun alcohol aan de BfB leveren, wanneer in plaats daarvan de strengere mededingingsvoorschriften van het EG-Verdrag op hen van toepassing zouden zijn. Het wegvallen van het monopolie vanaf 1 januari 2004 zou voor hen zeker de ondergang betekenen daar vele onder hen investeringen hebben gedaan die ze dan niet meer zouden kunnen terugverdienen. Bovendien is de stokerij in enkele gevallen de kern van het landbouwbedrijf, zodat de ondergang daarvan tot het einde van het hele bedrijf zou leiden. Een beroepsorganisatie die de agrarische stokerijen die de Kornbrand zelf in de handel brengen vertegenwoordigt, bestempelt de Kornbrand eveneens als landbouwproduct en meent dat de Commissie hieraan niet mag tornen. Talrijke opmerkingen komen er ten slotte op neer dat de steunmaatregelen de concurrentie niet kunnen verstoren en de handel tussen lidstaten niet kunnen beperken daar Kornbranntwein een alcohol is die alleen in het Duitse taalgebied kan worden geproduceerd.

(39)

De Arbeitsgemeinschaft gewerblicher Kornbrennereien bekritiseert de inleiding van een procedure omdat daarin de afschaffing van alle steun, zowel voor agrarische als voor industriële stokerijen wordt voorgesteld. Zij heeft de procedure weliswaar op gang gebracht, maar betreurt dat de Commissie de compensatievergoedingen voor industriële stokerijen, die waren bedoeld als stimulans voor het voortijdig verlaten van het monopolie, op de helling zet. De compensatievergoedingen vormden volgens de klager geen staatssteun in de zin van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag. Het gaat veeleer om de tegenwaarde van de destillatierechten, waarvan zij in tegenstelling tot de agrarische stokerijen, zouden moeten afzien. Alleen al om redenen van de bescherming van het gewettigd vertrouwen is de toekenning van de compensatievergoedingen waarin de HSanG voorziet vereist en bovendien onontbeerlijk om de betrokken stokerijen tegen het eind van de overgangsperiode in de gelegenheid te stellen hun activiteit onder economisch aanvaardbare voorwaarden om te schakelen, te meer daar de bedragen op verre na niet zo hoog zijn als de verliezen die als gevolg van de nieuwe wet ontstaan. Bovendien komt de handel tussen de lidstaten door de betalingen niet in het gedrang. Er is namelijk geen sprake van concurrentievervalsing daar alle leden van de beroepsorganisatie de productie van Kornbrand hebben stopgezet, omdat het onmogelijk is zich op een gesubsidieerde markt te handhaven, zonder zelf subsidies te ontvangen. Daarentegen blijft de klager bij zijn standpunt dat de subsidies voor de agrarische stokerijen op grond van de ongelijke behandeling onrechtmatig zijn. Drie industriële stokerijen hebben meteen laten weten dat zij de bepalingen van de HSanG over de betaling van compensatievergoedingen voor het voortijdig verlaten van het monopolie worden gehandhaafd willen zien.

(40)

De overige opmerkingen, waaronder die van een deskundige die zegt te hebben deelgenomen aan de voorbereidende werkzaamheden voor Verordening (EEG) nr. 1576/89 van de Raad van 29 mei 1989 tot vaststelling van de algemene voorschriften betreffende de definitie, de aanduiding en de aanbiedingsvorm van gedistilleerde dranken (18), of die van een consumentenorganisatie die 2 000 handtekeningen heeft verzameld, keuren het standpunt dat de Commissie bij de inleiding van een procedure inneemt strikt af, waarbij zij meestal dezelfde argumenten hanteren als de agrarische Kornbrandstokerijen en er met name op wijzen dat Kornbrand een product is dat ook in de toekomst als landbouwproduct moet worden beschouwd en dat de Commissie de traditionele productiemethoden van dit product niet in twijfel mag trekken. De DKV wijst erop dat de Commissie, mocht zij in haar definitieve beschikking de door haar voorgestelde dienstige maatregelen handhaven, bij de vaststelling van de termijn voor de omzetting ervan het evenredigheidsbeginsel in acht moet nemen en de overgangstermijn tot na 1 januari 2004 moet verlengen om de betrokken ondernemingen de gelegenheid te bieden hun activiteiten om te schakelen.

D.   Opmerkingen van Duitsland

(41)

Duitsland betwist niet dat het bij het systeem voor vergoeding van de productiekosten door de DKV om exploitatiesteun gaat. Wel wordt het standpunt verdedigd dat Kornbrand ook verder onder de voor landbouwproducten geldende bepalingen van het EG-Verdrag moet vallen en door de Commissie niet als een industrieel product mag worden behandeld. Duitsland deelt geenszins de opvatting van de Commissie dat de in het kader van het monopolie geproduceerde, uit graan gedistilleerde dranken geen onder het overkoepelende begrip ethylalcohol vallend landbouwproduct, maar een Branntwein genoemde gedestilleerde drank en bijgevolg een industrieel product is. Het motiveert zijn standpunt door te stellen dat de tekst van bijlage I bij het EG-Verdrag ondubbelzinnig is en aan de inhoud van een tekst van het EG-Verdrag niet kan worden getornd door middel van een voorschrift van secundair recht, zoals in dit geval Verordening (EEG) nr. 1576/89.

(42)

Ter ondersteuning van zijn argumentering brengt Duitsland naar voren dat het Hof van Justitie, door het niet-discriminerend karakter van de alcoholaccijnzen in meerdere arresten te bevestigen (o.a. in het arrest van 13 maart 1979 in zaak 91/78, Hansen GmbH & Co/Hauptzollamt Flensburg (19)) en van 15 januari 1985 in zaak 253/83, Sektkellerei C.A Kupferberg & Cie KG a.A/Hauptzollamt Mainz (20), heeft erkend dat deze accijnzen in overeenstemming zijn met de bepalingen van de artikelen 31 en 90 (ex artikelen 37 en 95) (21) en daarmee indirect ook met de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag.

(43)

Inzake de compensatievergoedingen voor stokerijen die hebben besloten het monopolie voortijdig te verlaten, voert Duitsland aan dat het, gezien het jarenlange lidmaatschap van de stokerijen in het Branntweinmonopol, om noodzakelijke stimulansen gaat, nadat het duidelijk heeft gemaakt dat het bij de distillatierechten in tegenstelling tot wat de klager beweert, niet om een activum gaat. Bovendien hebben de agrarische stokerijen om redenen van gelijke behandeling eveneens de mogelijkheid om het monopolie te verlaten, en weliswaar onder dezelfde voorwaarden als de industriële stokerijen.

(44)

Duitsland wijst erop dat – mocht de Commissie bij haar oordeel blijven – zowel wat de exploitatiesteun voor de in het monopolie blijvende stokerijen als wat de compensatievergoedingen als tegenprestatie voor het voortijdig verlaten van het monopolie betreft, een meerjarige overgangstermijn wegens het traditionele lidmaatschap van de Kornbrandproducenten in het Branntweinmonopol en de daarmee gepaard gaande bescherming van het gewettigd vertrouwen, absoluut noodzakelijk is. De stokerijen, zowel industriële stokerijen als stokerijen die deel uitmaken van een landbouwbedrijf, hebben deze tijd nodig om hun productiestructuren aan de vrije markt aan te passen of hun onderneming op andere productieactiviteiten om te schakelen. Duitsland heeft derhalve een overgangstermijn tot 30 september 2006 voorgesteld. Het heeft bij de Commissie concrete redenen aangevoerd waarom het door de Commissie in het kader van de dienstige maatregelen oorspronkelijk voor 1 januari 2004 geplande einde van de overgangstermijn ten minste tot het productiejaar 2005/2006 moet worden verlengd. Elke andere beslissing zou de sluiting van talrijke industriële en agrarische stokerijen en het verlies van talrijke arbeidsplaatsen tot gevolg hebben.

(45)

Duitsland bestrijdt de bewering van de klager dat de HSanG van 22 december 1999 tot een discriminatie van de industriële Kornbrandstokerijen heeft geleid, daar het zich beperkte tot de omvorming van het monopolie met een minimale vermindering van het aantal steunontvangers en met een overgangsperiode van zes jaar en een redelijke financiële compensatie, die zowel aan industriële als aan agrarische stokerijen wordt betaald.

III.   JURIDISCHE BEOORDELING

A.   Toepasselijkheid van de mededingingsvoorschriften:

(46)

Hierboven werd uiteengezet dat de verwerking van Kornbrand uit organisatorisch oogpunt verschilt van de overige alcoholproducten van landbouwoorsprong die onder het monopolie vallen (zie punten 17-25). In 1930 werd speciaal voor dit product in het kader van het Branntweinmonopol een organisatie met eigen rechtspersoonlijkheid, de DKV, opgericht. Met de wet van 2 mei 1976 heeft Duitsland de speciale behandeling van Kornbrand door twee verschillende marktordeningsorganisaties – BfB en DKV – naast elkaar te laten bestaan, opnieuw bevestigd.

(47)

Het grootste gedeelte van de aan de BfB geleverde basisalcoholproducten (gedistilleerde dranken) zijn blijkbaar bedoeld voor de productie van neutrale, niet voor consumptie geschikte alcohol, terwijl de aan de DKV overgelaten gedistilleerde producten (door Duitsland Kornfeindestillat genoemd) gekenmerkt worden door hun aromatische eigenschappen, zodat zij geschikt zijn voor menselijke consumptie.

(48)

Dit verschil kan hoofdzakelijk worden verklaard door de toestand waarin de basisproductie van de stokerijen aan de beide verkooporganisaties wordt geleverd en door de kwaliteit van het verkochte product na verwerking en/of rectificatie door beide organisaties.

(49)

De BfB neemt overwegend ruwe alcohol af (o.a. op basis van fruit, aardappelen, melasse en graan) en verkoopt deze in het algemeen na rectificatie en/of verwerking als neutrale alcohol.

(50)

De DKV neemt een gedistilleerd product af – Kornfeindestillat – dat al als gedistilleerde drank in de zin van Verordening (EEG) Nr. 1576/89 wordt beschouwd. De door de DKV uitgevoerde rectificatie van het gedistilleerde product bestaat met name in een standaardisering van het alcoholgehalte in het eindproduct (32 % voor Korn en 37,5 % voor Kornbrand).

(51)

In bijlage I bij het EG-Verdrag in de versie van Verordening nr. 7 bis van de Raad van 18 december 1959 houdende opneming van bepaalde producten in de lijst van bijlage I van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (22) gaat het om „ethylalcohol, al dan niet gedenatureerd, ongeacht de sterkte, verkregen uit landbouwproducten vermeld in bijlage I van het Verdrag; met uitzondering van gedistilleerde dranken, likeuren en andere alcoholhoudende dranken; samengestelde alcoholische preparaten („geconcentreerde extracten”) voor de vervaardiging van dranken)”. Deze tekst kan worden geïnterpreteerd aan de hand van de posten ex ex 22.08 en 22.09 (nu 22.07 en 22.08) van de tariefnomenclatuur, waar gedistilleerde dranken, likeuren en andere alcoholische dranken worden gedefinieerd.

(52)

In de toelichting bij de tariefnomenclatuur worden gedistilleerde dranken, die dus niet onder bijlage I vallen, als volgt gedefinieerd: „(...) verkregen door distillatie (zonder toevoeging van aromatische stoffen) van spontaan gegiste natuurlijke vloeistoffen, zoals wijn en appeldrank, of van gegiste vruchten, droesem, granen of andere plantaardige producten. Bedoelde dranken hebben een kenmerkend bouquet (geur en smaak) toe te schrijven aan bepaalde secundaire aromatische bestanddelen (esters, aldehyden, zuren, hogere alcoholen, enzovoort) die eigen zijn aan de gebruikte grondstoffen).

(53)

Deze post omvat ook „ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcoholvolumegehalte van minder dan 80 % vol […]”. In de toelichting wordt over dit product gezegd: „... zowel bedoeld voor menselijke consumptie als voor industrieel gebruik. Bedoelde ethylalcohol kan worden onderkend van de producten bedoeld onder A [bv. gedistilleerde drank], ook indien hij bestemd is voor menselijke consumptie, doordat hij geen aromatische bestanddelen bevat.”

(54)

Kornbrand is dus een gedistilleerde drank die door de aanwezigheid van aromatische bestanddelen gekenmerkt is en bijgevolg niet als ethylalcohol kan worden beschouwd. Dit wordt overigens bevestigd door letter C, punt 4, van de toelichting bij post ex ex 22.09 (nu 22.08, letter C, punt 2), waarin erop wordt gewezen dat onder deze post, behalve ethylalcohol, ook „whisky en andere gedistilleerde dranken verkregen door distillatie van een gegist beslag van granen (gerst, haver, rogge, tarwe, maïs, enzovoort)” vallen.

(55)

In zijn antwoorden aan de Commissie verwart Duitsland graanalcohol (Kornalkohol), die onder de bovengenoemde voorwaarden (zie punt 54) als ethylalcohol kan worden beschouwd, met de gedistilleerde drank Kornbranntwein. Volgens het Branntweinmonopolgesetz in de versie van de HSanG van 22 december 1999 heeft de Duitse wetgever inderdaad Kornalkohol en Kornbranntwein verschillend behandeld, precies omdat het om verschillende producten gaat.

(56)

De Commissie blijft bijgevolg bij haar standpunt dat het hier om verschillende producten gaat; het eerste is bedoeld voor de productie van neutrale alcohol, terwijl het tweede, waar het in deze procedure om gaat, bestanddelen bevat die geur en smaak geven.

(57)

In artikel 1, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 1576/89 wordt gespecificeerd dat deze verordening betrekking heeft op de definitie, de aanduiding en de aanbiedingsvorm van gedistilleerde dranken.

(58)

In artikel 1, lid 4, van deze verordening zijn de diverse categorieën gedistilleerde dranken opgesomd. Onder c) wordt „gedistilleerde drank van granen” als volgt gedefinieerd:

„1.

Gedistilleerde drank die wordt verkregen door distillatie van een gegist beslag van granen en die organoleptische kenmerken vertoont die van de gebruikte grondstoffen afkomstig zijn.

De benaming „gedistilleerde drank van granen” mag worden vervangen door Korn of door Kornbrand voor de drank die wordt voortgebracht in Duitsland en in de regio's van de Gemeenschap waar Duits één van de officiële talen is, op voorwaarde dat deze drank van oudsher in deze regio's wordt geproduceerd en indien de gedistilleerde drank van granen daar zonder enig additief is verkregen:

hetzij door distillatie van uitsluitend een gegist beslag van gehele korrels tarwe, gerst, haver, rogge of boekweit met al hun bestanddelen;

hetzij door herdistillatie van een overeenkomstig de eerste alinea verkregen distillaat.

2.

Opdat de gedistilleerde drank van granen „granen-eau-de-vie” mag worden genoemd, moet hij verkregen zijn door distillatie tot minder dan 95 % vol van een gegist beslag van granen en organoleptische kenmerken vertonen die van de gebruikte grondstoffen afkomstig zijn.

(59)

In dit geval leveren de Kornbrandproducenten bij de DKV een overeenkomstig het in Verordening (EEG) nr. 1576/89 beschreven procédé gewonnen product af (Kornfeindestillat) dat vervolgens door de DKV eventueel wordt gerectificeerd en/of verwerkt om het dan in de handel te brengen.

(60)

Duitsland is van oordeel dat de Commissie zich niet op deze tekst mag baseren omdat daarin alleen regels voor de distributie van gedistilleerde dranken ten behoeve van de consumentenbescherming worden voorgeschreven. De Commissie bestrijdt niet dat dit het doel van de verordening is, maar dit sluit geenszins uit dat de tekst ook voor de beschrijving en definitie van Kornbrand als gedistilleerde drank kan worden gebruikt, die als zodanig direct aan de mededingingsvoorschriften onderworpen is. De Commissie is derhalve van mening dat, zonder hierover een definitief oordeel te willen vellen, deze tekst uit het secundair recht haar standpunt in de kwestie van de indeling van het betrokken product ondersteunt.

(61)

Duitsland wijst er in een van zijn mededelingen aan de Commissie op dat de tekst van bijlage I bij het EG-Verdrag per taalversie verschilt. Zo ontbreekt het woord Branntwein in de Engelse en in de Nederlandse versie; waar alleen over „likeuren” en „gedistilleerde dranken” wordt gesproken. De Commissie merkt terzake op dat de Duitse versie en andere taalversies op dit punt duidelijk zijn en Branntwein daar ondubbelzinnig wordt genoemd. De taalversies, zoals de Engelse en de Nederlandse, die Branntwein niet uitdrukkelijk uitzonderen, moeten met inachtneming van de overige taalversies worden geïnterpreteerd en toegepast en kunnen alleen zo worden verstaan dat Branntwein onder „andere alcoholhoudende dranken” valt, die eveneens van het toepassingsgebied van bijlage I uitgezonderd zijn.

(62)

In het kader van het beheer en de verdere ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt voor landbouwproducten heeft de Raad op 8 april 2003 Verordening (EG) nr. 670/2003 tot vaststelling van specifieke maatregelen betreffende de markt voor ethylalcohol uit landbouwproducten uitgevaardigd (23). Het is de bedoeling dat met deze verordening voor het eerst een gemeenschappelijke marktordening voor alcohol van landbouwoorsprong wordt gecreëerd.

(63)

In haar besluit tot inleiding van de procedure heeft de Commissie enkele punten van deze verordening, die op dat moment nog in het overlegstadium verkeerde, ter ondersteuning van haar argumentering aangevoerd. Het kan nog steeds interessant zijn de voorbereidende werkzaamheden voor deze verordening en de definitieve tekst ervan te raadplegen, omdat zij ter ondersteuning kunnen dienen van het standpunt van de Commissie dat inhoudt dat Kornbrand een industrieel product is. Zo werden in een eerste ontwerp in artikel 1 gedistilleerde dranken in de zin van Verordening (EEG) nr. 1576/89 uitdrukkelijk van het toepassingsgebied van de verordening uitgezonderd. In de definitieve versie van de verordening worden de desbetreffende landbouwproducten onder verwijzing naar bijlage I bij het EG-Verdrag gedefinieerd. In de in artikel 1 bedoelde posten van de tariefnomenclatuur, waarvoor de verordening geldt, is gedistilleerde drank (Branntwein) in de vorm van gedistilleerde drank van granen (Kornbranntwein) niet genoemd, maar alleen niet-gedenatureerde en gedenatureerde ethylalcohol en gedenatureerde gedistilleerde dranken.

(64)

De Commissie komt dan ook tot de conclusie dat Kornbrand een gedistilleerde drank is die is uitgesloten van het toepassingsgebied van bijlage I bij het EG-Verdrag en derhalve onder de mededingingsvoorschriften van de EG valt.

B.   De maatregelen in kwestie moeten als steun in de zin artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag worden beschouwd

(65)

De Commissie heeft bewezen dat Kornbrand een industrieel product is waarop de bepalingen van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag van toepassing zijn.

(66)

Overeenkomstig artikel 87, lid 1, van het Verdrag zijn „behoudens de afwijkingen […], steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producten vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voorzover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt”.

(67)

De maatregelen in kwestie leveren de Kornbrandproducenten een voordeel op omdat zij hun de dekking van hun productiekosten in het kader van hun distillatierechten garanderen, onafhankelijk van de prijs waartegen het product uiteindelijk op de Duitse markt wordt gebracht. Ter herinnering werd Kornbrand in de periode 1999/2000 voor 263 DEM/hl door de DKV opgekocht en vervolgens voor 157 DEM/hl in de handel gebracht, wat in de desbetreffende periode overeenkomt met subsidies ten bedrage van 36,6 miljoen DEM (18,7 miljoen euro). Op die manier kunnen de Duitse Kornbrandproducenten hun productie verkopen tegen financiële voorwaarden die in vergelijking met die welke zouden gelden wanneer zij hun productie rechtstreeks onder normale marktvoorwaarden – dat wil zeggen zonder de aanzienlijke subsidies van het monopolie – zouden moeten verkopen, veel gunstiger zijn.

(68)

In die gevallen waar de DKV bij het productieproces van Kornbrand zelf geen rol speelt, ontvangen de betrokken producenten naar mate van hun distillatierechten een vergoeding ten bedrage van de kosten die de DKV voor de rectificatie, het in de handel brengen, de opslag enz. van de Kornbrand gespaard heeft.

(69)

Dankzij deze subsidies kunnen de Duitse producenten het niet onder de distillatierechten vallende gedeelte van de Kronbrandproductie dat zij rechtstreeks in de handel mogen brengen, verkopen tegen prijzen die zij niet zouden kunnen vragen wanneer zij niet dankzij het monopolie een hogere prijs zouden krijgen voor de overige aan de DKV geleverde productie.

(70)

Deze begunstiging heeft gevolgen voor de lopende productie- en commercialiseringskosten, met andere woorden voor de bedrijfskosten van de betrokken ondernemingen.

(71)

Een voordeel voor de producenten vormen ook de zogenoemde compensatievergoedingen die de producenten in plaats van de vergoeding van de productiekosten ontvangen wanneer zij voortijdig het monopolie verlaten om zich eventueel op de „vrije” Kornbrandmarkt te kunnen handhaven. De verstrekte middelen vervangen de subsidies om een bepaald product te produceren en in de handel te brengen, maar komen in wezen wel neer op subsidies. Daarbij is het niet van belang dat de compensatievergoedingen ook voor andere doeleinden worden gebruikt als om zich op de „vrije” Kornbrandmarkt te kunnen handhaven, bijvoorbeeld voor de sluiting of herstructurering van de stokerijen.

(72)

De HSanG, waarmee de omvang van de subsidies in het kader van het Kornbrandmonopolie in totaal zou worden verminderd, wil blijkbaar een evenwichtige overgangsregeling invoeren die tegemoet komt aan de behoeften van alle producenten, rekening houdend met hun respectieve bijzonderheden en doelstellingen. In dit verband zij eraan herinnerd dat niet alle producenten aan dezelfde verplichtingen onderworpen zijn; zo zijn de landbouwproducenten bijvoorbeeld wettelijk verplicht bij de productie volgens het ecologische principe van de kringloopeconomie te werk te gaan.

(73)

De compensatievergoedingen zijn niet aan investeringen gebonden en hebben dan ook betrekking op de lopende activiteiten van de begunstigde stokerijen.

(74)

De maatregelen worden gefinancierd uit staatsmiddelen, ongeacht of het om subsidies voor de productiekosten of om compensatievergoedingen gaat. Het tekort als gevolg van het verschil tussen de afnameprijs en de marktprijs bij de verkoop van de producten in Duitsland wordt uit middelen van de Duitse begroting betaald; dit geldt ook voor de compensatievergoedingen voor de producenten die het monopolie voortijdig verlaten.

(75)

Doel van de maatregelen is de ondersteuning van de Kornbrandproductie. Zij hebben bijgevolg een selectief karakter.

(76)

De maatregelen vervalsen duidelijk de concurrentie op de gemeenschappelijke markt en belemmeren de handel tussen de lidstaten, aangezien de Duitse producenten concurreren met producenten uit andere lidstaten, die wellicht dezelfde alcohol op de Duitse markt zouden willen verkopen. Zoals door derden meermaals werd opgemerkt, mag de benaming Kornbranntwein (Kornbrand) volgens de eerder geciteerde Verordening (EEG) nr. 1576/89 uitsluitend worden gebruikt „voor de drank die wordt voortgebracht in Duitsland en in de regio's van de Gemeenschap waar Duits één van de officiële talen is op voorwaarde dat deze drank van oudsher in deze regio's wordt geproduceerd...” (24). Bovendien concurreert Kornbrand met andere gedistilleerde dranken uit andere lidstaten. Het feit dat het Hof van Justitie in de zaken Hansen en Sektkellerei C.A. Kupferberg heeft besloten dat de artikelen 95 en 37 van het EEG-Verdrag in die zin moeten worden uitgelegd dat zij de feitelijke verlaging van de verkoopprijs van de door het monopolie verkochte Kornbrand niet in de weg staan wanneer ook op ingevoerde producten in werkelijkheid geen hoger belastingtarief dan op overeenkomstige binnenlandse producten wordt toegepast, staat de beoordeling van de staatssubsidies door de Commissie niet in de weg.

(77)

Er bestaat bijgevolg geen twijfel over dat de maatregelen in kwestie van die aard zijn dat zij de handel tussen de lidstaten belemmeren.

(78)

Bijgevolg gaat het bij de maatregelen in kwestie om staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag. Daar zij de kosten voor de lopende activiteiten van de betrokken ondernemingen moeten dekken, gaat het om exploitatiesteun.

(79)

Na de door Duitsland, de klagers en betrokken derden ingediende documenten te hebben bestudeerd, stelt de Commissie vast dat met de HSanG van 22 december 1999 een nieuwe regeling van het Branntweinmonopol volgens de wet van 2 mei 1976 werd beoogd, teneinde de subsidies voor de Kornbrandproductie in het algemeen af te bouwen. De Commissie constateert verder dat Duitsland in april 1976 de Commissie in kennis heeft gesteld van de uit de wet van 1976 voortvloeiende maatregelen op basis van de voor landbouwproducten geldende bepalingen en dat de kennisgeving toen niet tot verdere opmerkingen heeft geleid.

(80)

Overeenkomstig artikel 88, lid 1 van het EG-Verdrag en artikel 18 van Verordening (EG) nr. 659/1999 heeft de Commissie Duitsland bij beschikking van 19 juni 2002 aanbevolen dienstige maatregelen te nemen, nadat zij tot de conclusie was gekomen dat Kornbrand als industrieel product moet worden beschouwd en dat de desbetreffende maatregelen de vorm van bestaande steun aannemen die niet meer verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt, waartegen Duitsland evenwel bezwaar aantekende.

(81)

De uit het Branntweinmonopolgesetz voortvloeiende staatssubsidies voor Kornbrand, met inbegrip van de steunmaatregelen op grond van de wet van 2 mei 1976, waren door Duitsland volgens de regels aangemeld, zonder dat de Commissie toen voorbehoud had gemaakt wat de onverenigbaarheid ervan met de mededingingsvoorschriften van de Gemeenschap betreft. Duitsland deelde de Commissie toen mede dat het voornemens was die maatregelen toe te passen. Het gaat bijgevolg om bestaande staatssteun in de zin van artikel 1, onder b), punt iii), van Verordening (EG) nr. 659/1999.

(82)

In haar beschikking van 19 juni 2002 betreffende dienstige maatregelen heeft de Commissie de uit de wet van 22 december 1999 voortvloeiende maatregelen dan ook niet als nieuwe steun aangemerkt.

(83)

Het eigenlijke doel van de HSanG van 22 december 1999 is het aantal steunontvangers te reduceren en het bedrag van de verleende steun te verlagen. Dit verandert niets aan de kern van het bij wet van 2 mei 1976 ingevoerde systeem, dat erop neerkomt dat de kosten van de producenten los van de marktprijs van Kornbrand worden gedekt. Dit geldt ook voor de compensatievergoedingen die voor het voortijdig verlaten van het monopolie worden betaald en voor bepaalde tijd in de plaats van de steun komen.

(84)

Daarom hoefde de Commissie ook niet in kennis te worden gesteld van de HSanG uit 1999 voordat deze in werking is getreden.

(85)

Deze opvatting is in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn arrest van 9 augustus 1994 in zaak C 44/03 („Namur-Les assurances du crédit SA”) (25). In dit geval had een overheidsinstelling besloten haar activiteiten uit te breiden, waardoor de overheidssteun die haar krachtens een vóór de inwerkingtreding van het Verdrag ingevoerde wetgeving was toegestaan, ook voor het uitgebreide werkingsgebied had moeten worden verleend. Het Hof oordeelde dat er in een dergelijk geval niet van kan worden uitgegaan dat het hier gaat om de invoering of wijziging van steunmaatregelen in de zin van artikel 88 (ex artikel 93), lid 3, van het EG-Verdrag, aangezien deze beslissing van toepassing wordt zonder dat de bij wet ingevoerde steunregeling werd gewijzigd.

(86)

Derhalve bestaat er noch een verplichting om vooraf kennis te geven van steunmaatregelen die op grond van een vóór de inwerkingtreding van het Verdrag bestaande steunregeling werden verleend, noch een verbod om de matregelen tot uitvoering te brengen overeenkomstig artikel 88, lid 3, van het Verdrag, maar moeten deze maatregelen overeenkomstig lid 1 van ditzelfde artikel aan een voortdurend onderzoek worden onderworpen.

„Men kan de lidstaten immers niet zonder gevaar voor de rechtszekerheid verplichten om niet enkel nieuwe steunmaatregelen of echte wijzigingen van de steun aan een onder een bestaande steunregeling vallende onderneming bij de Commissie aan te melden en aan voorafgaande controle te onderwerpen, maar ook alle maatregelen die de activiteiten van die onderneming raken en een weerslag kunnen hebben op de werking van de gemeenschappelijke markt of op de mededinging

(87)

De Commissie schaart zich achter deze zienswijze.

(88)

In deze context heeft de Commissie de procedure ingeleid waarin Verordening (EG) nr. 659/1999 voorziet.

a)   Voorafgaande maatregelen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 659/1999

(89)

In artikel 17 van Verordening (EG) nr. 659/1999 staat onder de titel „Samenwerking op grond van artikel 88 (ex artikel 93), lid 1, van het Verdrag”:

„1.   De Commissie ontvangt van de betrokken lidstaat alle nodige informatie om in samenspraak met deze lidstaat krachtens artikel 88, lid 1, van het Verdrag de bestaande steunregelingen te kunnen onderzoeken.

2.   Indien de Commissie van mening is dat een steunregeling niet of niet langer verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, stelt zij de betrokken lidstaat van haar eerste oordeel in kennis en geeft zij de betrokken lidstaat de gelegenheid om binnen een termijn van één maand zijn opmerkingen in te dienen. …”

(90)

Bij brief van 22 februari 2002 heeft de Commissie Duitsland er volgens de regels op gewezen dat zij na onderzoek van zijn antwoorden en van de door de klagers medegedeelde feiten tot de conclusie is gekomen dat de EG-mededingingsvoorschriften op de steunmaatregelen in kwestie van toepassing zijn en dat de voor landbouwproducten geldende bijzondere bepalingen niet kunnen worden aangewend omdat Kornbrand een industrieel product is dat als zodanig niet onder bijlage I bij het EG-Verdrag valt.

(91)

Nadat de Commissie had vastgesteld dat de maatregelen van Duitsland ten gunste van de Kornbrandstokerijen steun vormen, waarvan de verenigbaarheid met de bepalingen van het EG-Verdrag twijfelachtig is, vroeg zij Duitsland overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EG) nr. 659/1999 hierover binnen een maand na ontvangst van de brief van 22 februari 2002 opmerkingen te doen toekomen. Bovendien werd Duitsland verzocht dienstige maatregelen voor te stellen om zijn monopoliewetgeving zodanig te wijzigen dat zij in overeenstemming is met artikel 87 van het EG-Verdrag.

(92)

Bij brief van 19 maart 2002 heeft Duitsland de zienswijze van de Commissie betwist en opnieuw naar voren gebracht dat Kornbrand onder de voor landbouwproducten geldende bepalingen moet vallen.

b)   Voorstel voor dienstige maatregelen

(93)

Artikel 18 van Verordening (EG) nr. 659/1999 bepaalt inzake dienstige maatregelen:

Indien de Commissie, in het licht van de door een lidstaat overeenkomstig artikel 17 verstrekte informatie, tot de gevolgtrekking komt dat de bestaande steunregeling niet of niet langer verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, geeft zij een aanbeveling waarbij de betrokken lidstaat dienstige maatregelen worden voorgesteld. Die aanbeveling kan met name voorstellen inhouden om: a) de betrokken steunregeling inhoudelijk te wijzigen, of b) procedurele vereisten in te voeren, of c) de steunregeling of te schaffen”.

(94)

Overeenkomstig artikel 88, lid 1 van het EG-Verdrag in samenhang met artikel 18 van Verordening (EG) nr. 659/1999 heeft de Commissie Duitsland bij beschikking van 19 juni 2002 dienstige maatregelen aanbevolen om de desbetreffende bepalingen van de Duitse wetgeving inzake Kornbrand (wet van 2 mei 1976 en wet van 22 december 1999) als volgt te wijzigen:

a)

agrarische en industriële Kornbrandstokerijen mogen niet langer exploitatiesteun ontvangen die bestaat in subsidies die worden toegekend voor de handhaving van wettelijk gegarandeerde prijzen;

b)

zij zullen niet langer enigerlei steun mogen ontvangen ter compensatie, bijvoorbeeld voor het voortijdig verlaten van het stelsel;

c)

de wetswijzigingen moeten vanaf het productiejaar 2002/2003 zo snel mogelijk ter hand worden genomen, en uiterlijk op 1 januari 2004 van kracht zijn geworden;

d)

Duitsland moet de Commissie informeren over de genomen dienstige maatregelen door haar uiterlijk aan het eind van het eerste kwartaal 2003 een verslag te zenden. Een tweede verslag over de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van genoemde maatregelen moet de Commissie vóór eind november 2003 worden toegezonden.

C.   Beoordeling van de door Duitsland ter rechtvaardiging van de steunmaatregelen aangevoerde rechtspraak

(95)

Het Hof van justitie van de Europese Gemeenschappen heeft zich meermaals over de verenigbaarheid van de wettelijke bepalingen betreffende het Branntweinmonopol met bepaalde voorschriften van het EG-Verdrag uitgesproken (zie met name de arresten in de zaken Hansen en Sektkellerei C.A. Kupferberg, overweging 42).

(96)

Duitsland beroept zich in zijn antwoorden aan de Commissie op deze rechtspraak en leidt daaruit af dat de bepalingen van het Branntweinmonopolgesetz van 2 mei 1976 al door het Hof zijn onderzocht en bevestigd. Dientengevolge zou het Branntweinmonopolgesetz (in de versie van de wet van 22 december 1999) door de Commissie niet in twijfel worden getrokken, aangezien het Hof terzake geen aanmerkingen heeft gemaakt.

(97)

Het is dan ook aangewezen om nader in te gaan op de inhoud van deze rechtszaken.

(98)

In de in dit verband aangehaalde rechtszaken werd het Hof van Justitie verzocht een prejudiciële beslissing te nemen over de rechtsgeldigheid van de door het Duitse Branntweinmonopol ingevoerde fiscale bepalingen in het licht van de artikelen 31 en 90) (ex artikelen 37 en 95) van het EG-Verdrag. Het Hof heeft zich bij deze gelegenheid uitgesproken over de verenigbaarheid van de uit het Branntweinmonopolgesetz voortvloeiende maatregelen met de bepalingen van het EG-Verdrag.

(99)

In zijn arrest heeft het zich ertoe beperkt erop te wijzen dat „de artikelen 92 en 93 veel plaats inruimen aan het ingrijpen van de Commissie, terwijl artikel 37 rechtstreeks toepassing dient te vinden”, wat betekent dat het Hof heeft bevestigd dat de Commissie op grond van het EG-Verdrag bevoegd is de maatregelen in kwestie in het licht van het recht inzake steunmaatregelen te beoordelen.

(100)

Het Hof wijst er bovendien op dat de artikelen 92 en 93 enerzijds en artikel 37 anderzijds weliswaar het gemeenschappelijke doel nastreven te verhinderen dat de lidstaten door „het optreden van een overheidsmonopolie dan wel toekenning van steun” leiden tot een vervalsing van de mededingingsvoorwaarden op de gemeenschappelijke markt of tot discriminatie van de producenten of handelaren van andere lidstaten, maar dat het bepalingen betreft waarvoor „verschillende toepassingsvoorwaarden [gelden], die specifiek zijn voor elk der beide vormen van overheidsmaatregelen waarop zij betrekking hebben”. Ten slotte voerde het Hof aan dat in dit specifieke geval niet onderzocht hoefde te worden in hoever de bepalingen van de artikelen 92 en 93 op de productie van de desbetreffende landbouwproducten en de handel in deze producten, van toepassing zijn.

(101)

Uit dit argument kan niet worden afgeleid dat het Hof het standpunt verdedigde dat de wettelijke bepalingen inzake steunmaatregelen in het EG-Verdrag op de in het kader van het Kornbranntweinmonopol verleende subsidies niet van toepassing zijn.

(102)

Duitsland erkent weliswaar dat het Hof zich niet rechtstreeks over de verenigbaarheid van het monopolie met de artikelen 92 en 93 heeft geuit, maar voert aan dat er geen twijfel over bestaat dat het Hof het product in kwestie als landbouwproduct heeft beschouwd dat het voorwerp van een gemeenschappelijke marktordening kan zijn.

(103)

De Commissie stelt vast dat het Hof zich niet over de staatssteun in kwestie heeft uitgesproken. Zij verdedigt dan ook het standpunt dat de arresten van het Hof waarop Duitsland zich in deze zaak beroept geen definitieve uitspraak doen, noch wat de indeling van de producten in kwestie noch wat een beoordeling van de steun ten gunste van Duitse Kornbrandstokerijen uit het oogpunt van de wetgeving inzake steunmaatregelen betreft. De aangehaalde rechtspraak is bijgevolg in dit geval niet relevant.

D.   Verenigbaarheid van de steunmaatregelen met het EG-Verdrag

(104)

In artikel 87, lid 2, van het EG-Verdrag zijn bepaalde soorten steunmaatregelen genoemd die met het EG-Verdrag verenigbaar zijn. Gezien de aard en de hoedanigheid van de steun is echter duidelijk dat de in artikel 87, lid 2, onder a), b) en c), genoemde uitzonderingsregelingen in dit geval niet van toepassing zijn.

(105)

In artikel 87, lid 3, worden die soorten steunmaatregelen genoemd die als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd. Het is duidelijk dat de regeling in kwestie noch bedoeld is om belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen, noch om een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat op te heffen, noch om de cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed te bevorderen in de zin van artikel 87, lid 3 onder b) en d).

(106)

Met betrekking tot de uitzonderingsregelingen ter bevordering van de regionale ontwikkeling waarin artikel 87, lid 3, onder a) en c), voorziet, kan worden gesteld dat de steunmaatregelen in kwestie zonder uitzondering voor alle streken in Duitsland gelden. Er bestaat evenmin twijfel over dat de steun ook niet bedoeld kan zijn ter bevordering van maatregelen in de zin van de uitzonderingsregeling om de ontwikkeling te vergemakkelijken van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid (artikel 87, lid 3, onder c)) op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, werkgelegenheid of opleiding overeenkomstig het desbetreffende gemeenschappelijke kader of de richtsnoeren van de Gemeenschap. Daar evenmin een ander argument in verband met de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid kan worden aangevoerd, moeten de steunmaatregelen in kwestie bijgevolg als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd.

(107)

De Commissie is niettemin van oordeel dat er zeer specifieke redenen zijn om toe te staan dat het in Duitsland gehanteerde systeem nog gedurende een bepaalde overgangsperiode blijft voortbestaan.

(108)

Zo hebben na de inleiding van de procedure, met uitzondering van de vertegenwoordigers van de sector gedistilleerde dranken, alle betrokken kringen tegen de door de Commissie voorgestelde termijn geprotesteerd. Duitsland voerde tegenover de Commissie aan dat een termijn van meerdere jaren absoluut noodzakelijk is om de afbouw van de steunmaatregelen in kwestie onder aannemelijke voorwaarden te laten verlopen, zonder de betrokken producenten, die tot dusver in het genot zijn geweest van het volgens de regels aangemelde en door de Commissie decennialang niet bekritiseerde subsidiesysteem, in hun bestaan te bedreigen.

(109)

In de eerste plaats heeft de Commissie er kennis van genomen dat het exploitatiejaar in de Kornbrandproductie elk jaar op 1 oktober begint en op 30 september van het jaar daarop eindigt. Zij zal daarmee rekening houden bij de vaststelling van de datum waarop Duitsland de wetswijziging moet hebben voltooid.

(110)

Duitsland heeft tegenover de Commissie overtuigend duidelijk gemaakt dat de industriële en agrarische stokerijen die tot dusver de in het kader van het monopolie geproduceerde gedistilleerde dranken aan de DKV hebben geleverd en deze in de toekomst in het kader van het nieuwe systeem zelf in de handel willen brengen, grote investeringen moeten doen, bijvoorbeeld voor de aankoop van nieuwe distillatie-inrichtingen of het optrekken van nieuwe gebouwen en opslagplaatsen (stalen kuipen, houten vaten, laboratoriumapparatuur, installatie voor het vullen van flessen, opslagruimte voor de verpakte waren, aanvragen van bouwvergunningen enz.). Duitsland schat dat een stokerij met een jaarlijkse productie van 1 000 hl graanalcohol jaarlijks ten minste 400 000 euro moet investeren om deze hoeveelheid alcohol in de handel te brengen.

(111)

Blijkbaar zijn de vereiste herstructureringen onmogelijk wanneer geen termijnverlenging wordt toegestaan tijdens dewelke de bestaande financiële steun, zij het in de vorm van de vergoeding van de productiekosten, zij het in de vorm van compensatievergoedingen, gehandhaafd blijft. Dit geldt in het bijzonder voor de kleine stokerijen die de overgrote meerderheid van de betrokken ondernemingen en/of landbouwbedrijven uitmaken.

(112)

De Commissie erkent dat het verzoek van Duitsland gerechtvaardigd is, daar kon worden bewezen dat een plotselinge stopzetting van decennialang verleende steun het bestaan van een groot gedeelte van de door de maatregelen getroffen bedrijven, vooral van de agrarische stokerijen, in gevaar zou brengen. Daarom moet worden voorzien in een overgangsperiode die de stokerijen in staat stelt hun productie in deze periode aan de nieuwe situatie aan te passen.

(113)

De Commissie neemt eveneens ter kennis dat Kornbrand concurreert met andere producten die onder bijlage I van het EG-Verdrag vallen en waarvoor steun wordt verleend. Daar het in dit geval echter om exploitatiesteun gaat, moet deze binnen een passende termijn worden beëindigd; op grond van de bovengenoemde uiteenzetting lijkt het passend de regeling nog ongeveer tweeëneenhalf jaar (tot 30 september 2006) te laten voortbestaan. Daarna moet Duitsland de regeling met al haar consequenties afschaffen.

(114)

De Commissie constateert derhalve:

a)

agrarische en industriële Kornbrandstokerijen hebben niet langer recht op exploitatiesteun die bestaat in subsidies die worden toegekend voor de handhaving van wettelijk gegarandeerde prijzen;

b)

zij kunnen evenmin verder aanspraak maken op enigerlei steun ter compensatie, bijvoorbeeld voor het voortijdig verlaten van het stelsel;

c)

de wetswijzigingen moeten vanaf het productiejaar 2005/2006 zo snel mogelijk ter hand worden genomen, en uiterlijk op 30 september 2006 in werking treden;

d)

Duitsland moet de Commissie informeren over de genomen dienstige maatregelen door haar uiterlijk aan het eind van het tweede kwartaal 2005 een verslag te zenden. Een tweede verslag over de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van genoemde maatregelen moet de Commissie vóór eind 2006 worden toegezonden,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De steunregeling ten gunste van de Kornbrandproducenten waarin het Duitse Branntweinmonopolgesetz voorziet, is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.

Artikel 2

Duitsland neemt alle nodige maatregelen om de in artikel 1 genoemde steunregeling vanaf 30 september 2006 af te schaffen.

Artikel 3

Uiterlijk 30 juni 2005 brengt Duitsland de Commissie op de hoogte van de maatregelen die het voor de afschaffing van de steunregeling voornemens is te nemen.

Uiterlijk op 31 december 2006 brengt Duitsland de Commissie op de hoogte van de feitelijke toepassing van de genomen maatregelen.

Artikel 4

Deze beschikking is gericht tot de Bondsrepubliek Duitsland.

Gedaan te Brussel, 16 november 2004.

Voor de Commissie

Mario MONTI

Lid van de Commissie


(1)  PB C 269 van 8.11.2003, blz. 2.

(2)  Bundesgesetzblatt jaargang 1999, deel I, nr. 58, gepubliceerd te Bonn op 28 december 1999. Het Haushaltssanierungsgesetz had een algemene hervorming van het Duitse monopolie voor gedistilleerde dranken tot gevolg. De wet is op 1 oktober 2000 in werking getreden.

(3)  Branntweinmonopolgesetz van 2 mei 1976.

(4)  PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1; verordening laatstelijk gewijzigd bij de Akte van Toetreding van 2003.

(5)  PB C 308 van 11.12.2002, blz. 6.

(6)  Reichsgesetzblatt I, blz. 335, 405.

(7)  Jurispr. 1976, blz. 181 (overweging 27). Met dit arrest heeft het Hof van Justitie met name geoordeeld dat in strijd met artikel 31 (ex artikel 37) wordt gehandeld „wanneer de op het ingevoerde product gelegde last verschilt van die op het - al dan niet rechtstreeks onder het monopolie vallend - gelijksoortig binnenlands product”.

(8)  Wet tot wijziging van de wet op het monopolie voor gedistilleerde dranken, Bundesgesetzblatt I N 50 van 7 mei 1976, blz. 1145.

(9)  De kennisgeving had betrekking op alle onder het monopolie vallende producten, met inbegrip van Kornbrand.

(10)  PB 30 van 20.4.1962, blz. 993, zoals gewijzigd bij Verordening nr. 49 (PB. 53 van 1.7.1962, blz. 1571).

(11)  Bijlage II bij het Verdrag werd bijlage I na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam. De inhoud is echter onveranderd gebleven.

(12)  Rectificatie: verwerking van de alcohol door distilleren, filteren of een ander procédé.

(13)  De bij een verordening van het Reichsmonopolamt (nu Bundesmonopolbehörde) in 1930 opgerichte en nu onder het ministerie van Financiën ressorterende Gesellschaft des bürgerlichen Rechts DKV (GmbH) bezit de exclusieve verkooprechten voor Kornbrand.

(14)  Tot de inwerkingtreding van de wet van 28 december 1999.

(15)  Volgens de DKV werden in het productiejaar 2000/2001, m.a.w. een jaar na de inwerkingtreding van de HSanG, 24 % en in het productiejaar 2001/2002 40,6 % van de Kornbrandproductie op de vrije markt geproduceerd.

(16)  Een productiejaar begint telkens op 1 oktober van een jaar en eindigt op 30 september van het jaar daarop.

(17)  De „vrije” Kornbrandmarkt nam in het productiejaar 2001/2002 40,8% van de markt voor haar rekening.

(18)  PB L 60 van 12.6.1989, blz. 1; verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(19)  Jurispr. 1979, blz. 935.

(20)  Jurispr. 1985, blz. 157.

(21)  Artikel 90 (ex artikel 95) bepaalt: „De lidstaten heffen op producten van de overige lidstaten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven. Bovendien heffen de lidstaten op de producten van de overige lidstaten geen zodanige binnenlandse belastingen, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd.”

(22)  PB 7 van 30.1.1961, blz. 71.

(23)  PB L 97 van 15.04.2003, blz. 9.

(24)  Onderstreping van de Commissie.

(25)  Jurispr. 1994, I-3829.


25.3.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 88/63


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 24 maart 2006

houdende beschermende maatregelen ten aanzien van producten van dierlijke oorsprong, visserijproducten uitgezonderd, van oorsprong uit Madagaskar

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 888)

(Voor de EER relevante tekst)

(2006/241/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (1), en met name op artikel 22,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Beschikking 97/517/EG van de Commissie van 1 augustus 1997 houdende beschermende maatregelen ten aanzien van producten van dierlijke oorsprong, visserijproducten uitgezonderd, van oorsprong uit Madagaskar (2) is ingrijpend gewijzigd (3). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze beschikking te worden overgegaan.

(2)

Bij door de Gemeenschap verrichte inspecties in Madagaskar zijn in vleesverwerkende bedrijven ernstige tekortkomingen in de infrastructuur en een gebrekkige hygiëne vastgesteld en er zijn onvoldoende garanties geboden met betrekking tot de doeltreffendheid van de door de bevoegde autoriteiten verrichte controle. Het beleid inzake diergezondheid in Madagaskar vertoont grote gebreken en de desbetreffende communautaire voorschriften worden er niet in acht genomen. De productie en verwerking van producten van dierlijke oorsprong, visserijproducten uitgezonderd, levert een potentieel risico op voor de volksgezondheid.

(3)

Daarom dient de invoer van producten van dierlijke oorsprong, visserijproducten uitgezonderd, uit Madagaskar niet meer te worden toegestaan totdat kan worden gegarandeerd dat er geen risico meer bestaat.

(4)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Deze beschikking heeft betrekking op producten van dierlijke oorsprong, visserijproducten uitgezonderd, van oorsprong uit Madagaskar.

Artikel 2

De lidstaten verbieden de invoer van de in artikel 1 bedoelde producten.

Artikel 3

Beschikking 97/517/EG wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken beschikking gelden als verwijzingen naar de onderhavige beschikking en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.

Artikel 4

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 24 maart 2006.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 24 van 30.1.1998, blz. 9. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1).

(2)  PB L 214 van 6.8.1997, blz. 54. Beschikking gewijzigd bij Beschikking 97/553/EC (PB L 228 van 19.8.1997, blz. 31).

(3)  Zie bijlage I.


BIJLAGE I

Ingetrokken beschikking met de wijziging ervan

Beschikking 97/517/EG van de Commissie (PB L 214 van 6.8.1997, blz. 54)

 

Beschikking 97/553/EG van de Commissie (PB L 228 van 19.8.1997, blz. 31)

Uitsluitend wat betreft de verwijzing in artikel 1 naar Beschikking 97/517/EG


BIJLAGE II

Concordantietabel

Beschikking 97/517/EG

De onderhavige beschikking

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2, eerste lid

Artikel 2

Artikel 2, tweede lid

Artikel 3

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 4

Bijlage I

Bijlage II


Besluiten aangenomen krachtens titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie

25.3.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 88/65


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT 2006/242/GBVB VAN DE RAAD

van 20 maart 2006

betreffende de Conferentie ter toetsing van het Verdrag inzake biologische en toxinewapens (BTWC) in 2006

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 15,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Unie beschouwt het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de productie en de aanleg van voorraden van bacteriologische (biologische) en toxinewapens en inzake de vernietiging van deze wapens (BTWC) als een cruciaal onderdeel van het internationale kader voor non-proliferatie en ontwapening en als de hoeksteen van de inspanningen ter voorkoming dat biologische agentia en toxinen ooit als wapens worden ontwikkeld en gebruikt. Voorts blijft de Europese Unie zich inzetten voor de ontwikkeling van maatregelen om de naleving van het BTWC op langere termijn te verifiëren.

(2)

De Raad heeft op 17 mei 1999 Gemeenschappelijk Standpunt 1999/346/GBVB (1) vastgesteld teneinde vooruitgang te boeken op het gebied van een juridisch bindend protocol bij het Verdrag, en hij heeft op 25 juni 1996 Gemeenschappelijk Standpunt 96/408/GBVB (2) vastgesteld in verband met de voorbereiding van de Vierde Conferentie tot herziening van het BTWC.

(3)

De Raad heeft op 17 november 2003 Gemeenschappelijk Standpunt 2003/805/GBVB betreffende de universalisering en versterking van multilaterale overeenkomsten op het gebied van de non-proliferatie van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor (3) vastgesteld. Het BTWC is één van deze multilaterale overeenkomsten die door dat gemeenschappelijk standpunt worden bestreken.

(4)

De Europese Raad heeft op 12 december 2003 een strategie ter bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens aangenomen die er onder meer op is gericht het BTWC te versterken, verder na te denken over de verificatie ervan, de nationale uitvoering van dit Verdrag te ondersteunen, onder andere via strafwetgeving, en de naleving te verbeteren.

(5)

De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties heeft op 28 april 2004 met eenparigheid van stemmen Resolutie 1540 (2004) aangenomen, waarin de verspreiding van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor als een bedreiging voor de internationale vrede en veiligheid wordt aangemerkt. Met de uitvoering van de bepalingen van deze resolutie wordt een bijdrage geleverd aan de uitvoering van het BTWC.

(6)

De Raad heeft op 1 juni 2004 een verklaring aangenomen ter ondersteuning van het Veiligheidsinitiatief tegen de verspreiding van massavernietigingswapens.

(7)

Op 14 november 2002 hebben de staten die partij zijn bij het BTWC bij consensus besloten om vanaf 2003 tot en met de Zesde Toetsingsconferentie die uiterlijk eind 2006 moet plaatsvinden, jaarlijks drie bijeenkomsten van de staten die partij zijn van telkens een week te beleggen. Zij hebben tevens besloten dat elke bijeenkomst van de staten die partij zijn wordt voorbereid in een twee weken durende bijeenkomst van deskundigen, alsmede dat de Zesde Toetsingsconferentie zich op de werkzaamheden van deze bijeenkomsten beraadt en een beslissing neemt over verdere maatregelen. De staten die partij zijn hebben besloten dat de Zesde Toetsingsconferentie in 2006 te Genève zal worden gehouden en zal worden voorafgegaan door een Voorbereidende Commissie.

(8)

De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties heeft op 13 december 1982 Resolutie A/RES/37/98 inzake chemische en bacteriologische (biologische) wapens aangenomen; hierin wordt de secretaris-generaal van de Verenigde Naties verzocht om te zijner kennis gebrachte informatie over activiteiten die eventueel een inbreuk vormen op het Protocol van Genève van 1925, nader te onderzoeken. Tevens heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 26 augustus 1988 Resolutie 620 aangenomen waarin de secretaris-generaal er onder meer toe wordt aangemoedigd onverwijld een onderzoek in te stellen naar beschuldigingen betreffende het eventuele gebruik van chemische en bacteriologische (biologische) wapens of toxinewapens waardoor het Protocol van Genève van 1925 zou worden geschonden.

(9)

De Europese Unie heeft op 27 februari 2006 overeenstemming bereikt over een gemeenschappelijk optreden inzake het BTWC, teneinde het universele karakter van het BTWC te bevorderen en de uitvoering ervan door de staten die partij zijn te ondersteunen, opdat deze de internationale verplichtingen van het BTWC omzetten in hun nationale wetgeving en bestuursmaatregelen.

(10)

Parallel met het gemeenschappelijk optreden heeft de Europese Unie overeenstemming bereikt over een actieplan inzake het BTWC waarin de lidstaten hebben toegezegd de resultaten van vertrouwenwekkende maatregelen in april 2006 aan de Verenigde Naties voor te leggen en lijsten van geschikte deskundigen en laboratoria bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties in te dienen, teneinde onderzoeken naar het vermeende gebruik van chemische en biologische wapens te vergemakkelijken.

(11)

In het licht van de komende conferentie ter toetsing van het BTWC van 20 november tot en met 8 december 2006 en de Voorbereidende Commissie van 26 tot en met 28 april 2006 dient het standpunt van de Europese Unie te worden geactualiseerd,

HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT VASTGESTELD:

Artikel 1

De Europese Unie stelt zich ten doel het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de productie en de aanleg van voorraden van bacteriologische (biologische) en toxinewapens en inzake de vernietiging van deze wapens (BTWC) verder te versterken. De Europese Unie blijft ijveren voor de vaststelling van effectieve mechanismen om de naleving van het BTWC te verbeteren en te controleren. De Europese Unie zal derhalve bijdragen aan een positieve uitkomst van de Zesde Toetsingsconferentie in 2006.

Artikel 2

Ter verwezenlijking van de in artikel 1 vervatte doelstelling moet de Europese Unie:

a)

bijdragen aan een volledige evaluatie van de werking van het BTWC tijdens de Zesde Toetsingsconferentie, onder andere met betrekking tot de uitvoering van toezeggingen van staten die partij zijn bij het BTWC;

b)

steun verlenen aan een programma ter voortzetting van de werkzaamheden in de periode tussen de Zesde en de Zevende Toetsingsconferentie en specifieke gebieden en modaliteiten aanwijzen voor verdere vooruitgang in het kader van dit programma;

c)

steun verlenen aan een Zevende Toetsingsconferentie van het BTWC, die uiterlijk in 2011 moet worden gehouden;

d)

bijdragen tot een consensus voor het welslagen van de Zesde Toetsingsconferentie op basis van het kader dat tijdens voorgaande toetsingsconferenties is vastgesteld, en onder meer de volgende essentiële punten bevorderen:

i)

de universele toetreding van alle staten tot het BTWC, waarbij alle staten die nog geen partij zijn bij het BTWC worden opgeroepen onverwijld tot het BTWC toe te treden en zich wettelijk te verbinden tot de ontwapening en non-proliferatie van biologische en toxinewapens en, in afwachting van hun toetreding tot het BTWC, ertoe worden aangespoord als waarnemers deel te nemen aan de bijeenkomsten van de staten die partij zijn bij het BTWC en op vrijwillige basis de bepalingen van het BTWC uit te voeren; ervoor ijveren dat de bepalingen betreffende het verbod op biologische en toxinewapens tot wereldwijd bindende internationale rechtsregels worden verklaard, onder meer door de universele toepassing van het BTWC;

ii)

de volledige nakoming van alle verplichtingen krachtens het BTWC en de daadwerkelijke uitvoering door alle staten die partij zijn bij het BTWC;

iii)

met betrekking tot de volledige naleving van alle bepalingen van het BTWC door alle staten die partij zijn, de versterking, waar nodig, van nationale uitvoeringsmaatregelen, waaronder strafwetgeving, en van de controle op ziekteverwekkers en toxinen in het kader van het BTWC; ijveren voor de vaststelling van effectieve mechanismen om de naleving van het BTWC te verbeteren en te controleren;

iv)

inspanningen ter verhoging van de transparantie door een intensievere uitwisseling van gegevens tussen staten die partij zijn bij het verdrag, onder meer in het kader van de jaarlijkse informatie-uitwisseling tussen deze staten (vertrouwenwekkende maatregelen (CBM's)), waarbij maatregelen worden vastgesteld om de landendekking en het nut van het CBM-mechanisme te beoordelen en te versterken, en wordt nagegaan of het aangewezen is het toepassingsgebied van het mechanisme eventueel uit te breiden;

v)

de naleving van de verplichtingen uit hoofde van Resolutie 1540 (2004) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, met name ter voorkoming van het risico dat biologische of toxinewapens worden aangeschaft of gebruikt voor terroristische doeleinden en dat terroristen toegang krijgen tot materialen, apparatuur en kennis die kunnen worden gebruikt bij de ontwikkeling en de productie van biologische en toxinewapens;

vi)

de programma's in het kader van het wereldpartnerschap van de G8 die zijn toegespitst op steun voor ontwapening, controle en beveiliging van gevoelig materiaal, gevoelige installaties en deskundigheid;

vii)

bespreking van, en beslissingen over, verdere maatregelen met betrekking tot de werkzaamheden die tot op heden in het kader van het tussentijdse programma voor de periode 2003-2005 zijn ondernomen, alsmede de inspanningen voor de bespreking en bevordering van een gemeenschappelijke visie en een effectief optreden ten aanzien van de aanneming van noodzakelijke nationale maatregelen tot uitvoering van de verbodsbepalingen in het BTWC, waaronder de inwerkingtreding van strafwetgeving; nationale mechanismen voor de totstandbrenging en handhaving van de beveiliging en de bewaking in verband met ziekteverwekkers en toxinen; een verhoogde internationale capaciteit om gevallen van vermeend gebruik van biologische of toxinewapens of verdachte uitbraken van ziekten aan te pakken, te onderzoeken en de gevolgen ervan te verminderen; de versterking en verruiming van nationale en internationale institutionele inspanningen en bestaande mechanismen voor de bewaking, opsporing, diagnosestelling en bestrijding van besmettelijke ziekten die mensen, dieren en planten treffen; de inhoud, bevordering en aanneming van gedragscodes voor wetenschappers. De Europese Unie wijst erop dat alle staten die partij zijn zich met betrekking tot het voorgaande moeten blijven inspannen om de uitvoering van het BTWC te verbeteren.

Artikel 3

Het optreden van de Europese Unie voor de toepassing van artikel 2 omvat:

a)

overeenstemming tussen de lidstaten over specifieke, praktische en haalbare voorstellen voor een daadwerkelijk betere uitvoering van het BTWC, die tijdens de Zesde Toetsingsconferentie namens de Europese Unie ter bestudering worden voorgelegd aan de staten die partij zijn bij het Verdrag;

b)

voorzover passend, demarches van het voorzitterschap overeenkomstig artikel 18 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, teneinde:

i)

de universele toetreding tot het BTWC te stimuleren;

ii)

de nationale uitvoering van het BTWC door de staten die partij zijn te bevorderen;

iii)

de staten die partij zijn aan te sporen een daadwerkelijke en volledige toetsing van het BTWC te steunen en hieraan deel te nemen en zodoende hun inzet voor deze fundamentele internationale norm ter bestrijding van biologische wapens te bevestigen;

iv)

de bovengenoemde voorstellen te promoten die de Europese Unie ter bestudering aan de staten die partij zijn zal voorleggen en waarmee een verdere versterking van het BTWC wordt beoogd;

c)

verklaringen die het voorzitterschap namens de Europese Unie vóór en tijdens de Toetsingsconferentie zal afleggen.

Artikel 4

Dit gemeenschappelijk standpunt wordt van kracht op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Artikel 5

Dit gemeenschappelijk standpunt wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 20 maart 2006.

Voor de Raad

De voorzitster

U. PLASSNIK


(1)  PB L 133 van 28.5.1999, blz. 3.

(2)  PB L 168 van 6.7.1996, blz. 3.

(3)  PB L 302 van 20.11.2003, blz. 34.


25.3.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 88/68


GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN 2006/243/GBVB VAN DE RAAD

van 20 maart 2006

betreffende de ondersteuning van activiteiten van de Voorbereidende Commissie van de Organisatie van het Alomvattend Kernstopverdrag (CTBTO) op het gebied van opleiding en capaciteitsopbouw voor verificatie en in het kader van de uitvoering van de strategie van de Europese Unie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 14,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 12 december 2003 heeft de Europese Raad de strategie van de Europese Unie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens aangenomen, waarvan hoofdstuk III een lijst van maatregelen bevat ter bestrijding van deze verspreiding die zowel binnen de Europese Unie als in derde landen dienen te worden genomen.

(2)

De Europese Unie geeft momenteel actief uitvoering aan de strategie van de Unie en aan de in hoofdstuk III ervan genoemde maatregelen, met name door het verlenen van financiële steun aan specifieke projecten die worden uitgevoerd door multilaterale instellingen.

(3)

De staten die het door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 10 september 1996 goedgekeurde Alomvattend Kernstopverdrag (CTBT) hebben ondertekend, hebben besloten een Voorbereidende Commissie — met handelingsbekwaamheid — op te richten om, in afwachting van de oprichting van de Organisatie van het CTBT (CTBTO), voor de daadwerkelijke uitvoering van het CTBT te zorgen.

(4)

Op 17 november 2003 heeft de Raad Gemeenschappelijk Standpunt 2003/805/GBVB betreffende de universalisering en versterking van multilaterale overeenkomsten op het gebied van de non-proliferatie van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor (1) vastgesteld.

(5)

Een spoedige inwerkingtreding en universalisering van het CTBT en de versterking van het systeem voor toezicht en verificatie van de Voorbereidende Commissie van de CTBTO zijn belangrijke doelstellingen van de strategie van de Europese Unie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens.

(6)

De doelstellingen welke in de overwegingen 4 en 5 zijn genoemd, worden ook door de Voorbereidende Commissie van de CTBTO nagestreefd; deze commissie gaat reeds na hoe zij haar verificatiesysteem het best kan versterken door tijdig deskundigheid en opleiding te verstrekken aan personeel van de ondertekenende staten dat betrokken is bij de uitvoering van de verificatieregeling. Het is derhalve passend de Voorbereidende Commissie van de CTBTO met de technische uitvoering van dit gemeenschappelijk optreden te belasten,

HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Om onverwijld een praktische uitvoering te geven aan enkele onderdelen van de EU-strategie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens steunt de Europese Unie de activiteiten van de Voorbereidende Commissie van de CTBTO op het gebied van opleiding en capaciteitsopbouw voor verificatie met betrekking tot de volgende doelstellingen:

verbetering van de operationele prestaties van het verificatiesysteem van de Voorbereidende Commissie van de CTBTO;

vergroting van de capaciteit van de staten die het CTBT hebben ondertekend om hun verificatietaken in het kader van het CTBT te kunnen vervullen en om volledig profijt te kunnen trekken van de deelname aan de regelingen uit hoofde van het verdrag en mogelijke civiele en wetenschappelijke toepassingen.

2.   Het project van de Voorbereidende Commissie van de CTBTO, dat bij de maatregelen van de EU-strategie aansluit, is gericht op:

het verstrekken van opleidingen met het oog op capaciteitsopbouw ten behoeve van het verificatiesysteem van de Voorbereidende Commissie van de CTBTO;

het verstrekken van interactieve elektronische toegang tot opleidingscursussen en technische workshops alsook permanente toegang tot opleidingsmodules.

Alle staten die het CTBT hebben ondertekend, komen voor dit project in aanmerking.

De bijlage bevat een nadere omschrijving van het project.

Artikel 2

1.   Het voorzitterschap draagt, bijgestaan door de secretaris-generaal van de Raad/hoge vertegenwoordiger (SG/HV) voor het GBVB, de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van dit gemeenschappelijk optreden, waarbij de Commissie van de Europese Gemeenschappen volledig betrokken wordt.

2.   De Commissie oefent toezicht uit op de correcte implementatie van de in artikel 3 genoemde financiële bijdrage.

3.   De technische uitvoering van het in artikel 1, lid 2, bedoelde project wordt toevertrouwd aan de Voorbereidende Commissie van de CTBTO, die deze taak verricht onder verantwoordelijkheid van het voorzitterschap en onder toezicht van de SG/HV. De SG/HV treft daartoe met de Voorbereidende Commissie van de CTBTO de nodige regelingen.

Artikel 3

1.   Het financiële referentiebedrag voor de uitvoering van het in artikel 1, lid 2, bedoelde project bedraagt 1 133 000 EUR.

2.   De in lid 1 genoemde uitgaven die gefinancierd worden uit de algemene begroting van de Europese Unie, worden beheerd met inachtneming van de procedures en voorschriften van de Gemeenschap die van toepassing zijn op de begroting, met dien verstande dat eventuele voorfinanciering niet het eigendom van de Gemeenschap blijft.

3.   Voor de uitvoering van de in lid 1 bedoelde uitgaven sluit de Commissie een specifieke financieringsovereenkomst met de Voorbereidende Commissie van de CTBTO overeenkomstig de voorschriften en regels van de CTBTO. In die financieringsovereenkomst wordt bepaald dat de Voorbereidende Commissie van de CTBTO er zorg voor draagt dat de bijdrage van de Europese Unie zichtbaar is in een mate die overeenstemt met haar omvang.

Artikel 4

Het voorzitterschap brengt, bijgestaan door de SG/HV, aan de Raad verslag uit over de uitvoering van dit gemeenschappelijk optreden, op basis van de geregelde verslagen die worden opgesteld door de Voorbereidende Commissie van de CTBTO. De Commissie wordt hier volledig bij betrokken en verstrekt informatie over de financiële aspecten van de uitvoering van het in artikel 1, lid 2, bedoelde project.

Artikel 5

Dit gemeenschappelijk optreden treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Het verstrijkt 15 maanden na de vaststelling.

Artikel 6

Dit gemeenschappelijk optreden wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 20 maart 2006.

Voor de Raad

De voorzitster

U. PLASSNIK


(1)  PB L 302 van 20.11.2003, blz. 34.


BIJLAGE

Ondersteuning door de Europese Unie van activiteiten van de Voorbereidende Commissie van de Organisatie van het Alomvattend Kernstopverdrag (CTBTO) op het gebied van opleiding en capaciteitsopbouw voor verificatie en in het kader van de uitvoering van de strategie van de Europese Unie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens

1.   Omschrijving

De Voorbereidende Commissie van de CTBTO is bezig met de invoering van een wereldwijd verificatiesysteem dat zal bestaan uit 321 meetstations, 16 referentielaboratoria, het Internationale Datacentrum (IDC) en een capaciteit voor inspectie ter plaatse (on-site inspection, OSI). Een essentieel kenmerk van het systeem is de gedecentraliseerde aard ervan, waarbij door de meetstations verzamelde gegevens tezamen met producten van het IDC voor de uiteindelijke analyse aan de ondertekenende staten worden doorgegeven en OSI-teams voor inspectie ter plaatse worden samengesteld volgens een internationaal roulatieschema. Het systeem berust derhalve op de beschikbaarheid van deskundigen in de ondertekenende staten, die de stations moeten doen functioneren en die via hun nationale gegevenscentra (NDC's) gebruikmaken van de gegevens van het Internationaal Toezichtsysteem en van de producten van het IDC, alsook op de beschikbaarheid van capaciteit voor de OSI-teams.

Om de staten die het CTBT hebben ondertekend, te helpen hun capaciteit voor de uitvoering van de hun in het verdrag toegewezen verificatietaken te vergroten en volledig profijt te trekken van hun deelname aan de regeling uit hoofde van het CTBT, heeft de Voorbereidende Commissie van de CTBTO sinds haar oprichting gewezen op het belang van opleiding en capaciteitsopbouw. In aanvulling op de traditionele opleidingsmethoden bieden de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën een scala aan mogelijkheden om de capaciteitsopbouw in de toekomst te intensiveren en uit te breiden.

Het e-onderwijsproject is wereldomspannend. Het staat open voor alle ondertekende staten van het CTBT en biedt, voor daartoe gemachtigde gebruikers, elektronische, interactieve toegang tot opleidingscursussen en technische workshops alsmede permanente toegang tot opleidingsmodules via het Expert Communication System van de Voorbereidende Commissie van de CTBTO.

2.   Beschrijving van het project

In november 2005 is met daartoe geselecteerde ondertekenende staten uit alle regio's een proefproject van start gegaan ter verkenning van de technologische mogelijkheden voor webcasting, internetconferenties en computerondersteund leren. De methodologie en de technische infrastructuur, alsook de inhoud van de activiteiten ten behoeve van de capaciteitsopbouw, zullen worden ontwikkeld aan de hand van de resultaten van deze proeffase, waarin in het bijzonder aandacht zal worden geschonken aan de verschillende technologische omgevingen waarin de diverse methoden van e-opleiding moeten worden toegepast.

Het project betreft ontwikkeling en uitvoering van capaciteitsopbouw op basis van het volgende concept:

Computerondersteund leren (CBT)/zelfstudie

Computerondersteund leren/zelfstudie (CBT) biedt de gemachtigde gebruiker enige interactiviteit en voorts de permanente beschikbaarheid van de opleidingsmodules. Voor CBT is een lange ontwikkelingstijd nodig, aangezien de hoofdlijn van de cursus („story board”), alvorens deze voor de eerste maal aan studenten wordt aangeboden, moet worden ontwikkeld, besproken en getest en vele malen moet worden herzien. Indien de lesstof slechts weinig verandert, kan dit een doeltreffende methode zijn om opleidingsmateriaal op samenhangende wijze aan grote groepen studenten aan te bieden. Het personeel van de NDC's moet bijvoorbeeld vertrouwd worden gemaakt met de voornaamste concepten en instrumenten die het voorlopige technische secretariaat van de Voorbereidende Commissie van de CTBTO gebruikt. Er moet een groot aantal deelnemers aan OSI-activiteiten (geïntegreerde oefening op het terrein 2008) worden opgeleid.

Na de proeffase, die uit bilaterale vrijwillige bijdragen wordt gefinancierd, wordt het project in twee fasen uitgevoerd:

Fase 1: Ontwikkeling van een prototype van e-leersysteem en introductie van educatieve software

Op basis van de resultaten van de proeffase moet een concept worden opgesteld dat zowel in technische termen als inhoudelijk aan de uiteenlopende eisen van de mogelijke gebruikers beantwoordt.

Prototypes van cursusmodules voor computerondersteund leren zullen worden ontwikkeld en getest.

Onder meer de volgende zaken zouden bij het leren op afstand aan de orde kunnen komen:

e-onderwijsmodules ten behoeve van onderdelen van het systeem

onderwijspakketten en lezingen waarin statische informatie of volledig ontwikkelde processen worden aangeboden;

beschikbaarstellen, via een website, van opleidingsmateriaal, met inbegrip van documentatie op technisch en politiek gebied;

testsystemen waarop medewerkers van meetstations sessies inzake routinematige bedrijfs- en onderhoudsprocedures kunnen simuleren;

praktische opleiding in Geotool aan de hand van de inleidende gids. Dit zou een onderdeel kunnen vormen van een cursus ter voorbereiding op een meer gespecialiseerde opleiding;

modules van de opleidingscyclus voor de deelnemers aan de geïntegreerde oefening op het terrein van de OSI.

Fase 2: Volledige uitvoering van de educatieve software

In de tweede fase worden alle overige modules voor het computerondersteund leren ontwikkeld en uitgevoerd. De ontwikkeling van de inhoud van bepaalde modules zal worden uitbesteed aan partnerinstellingen in de ondertekenende staten van het CTBT die een essentiële rol hebben gespeeld in de ontwikkeling van de in de Voorbereidende Commissie van de CTBTO gebruikte technieken en procedures. De in fase 2 ontwikkelde modules zullen profiteren van de ervaring die in fase 1 met de ontwikkeling van het prototype is opgedaan.

Het is de bedoeling dat de ontwikkelings- en uitvoeringsfase gepaard gaat met een uitvoerige evaluatie teneinde de toegepaste methoden en technieken nauwkeurig op de diverse behoeften van de potentiële ontvangers af te stemmen. Hiertoe zal er, naast de lopende evaluatie van de door de Voorbereidende Commissie van de CTBTO georganiseerde opleidings- en capaciteitsopbouwactiviteiten, een specifiek evaluatiemechanisme worden ingesteld. Enkele ondertekenende staten van het CTBT uit alle regio's zullen worden uitgenodigd om gedurende het gehele project nauw met de Voorbereidende Commissie van de CTBTO samen te werken en hun ervaringen inzake de bruikbaarheid van de voor capaciteitsopbouw bestemde producten aan de Voorbereidende Commissie terug te spelen. In het bijzonder het onderdeel computerondersteund leren van het project moet diverse malen getest en geëvalueerd worden alvorens een eindproduct kan worden geïmplementeerd.

Projectresultaten

Er komen meer opgeleide deskundigen die het verificatiestelsel van het CTBT kunnen testen, evalueren en voorlopig doen functioneren.

De deelnemers aan technische workshops worden beter voorbereid.

Het aantal deelnemers aan technische workshops wordt vergroot en de resultaten daarvan worden beter verspreid en uitgevoerd.

De opleidingsmodules worden makkelijker toegankelijk, onafhankelijk van tijdszones en de technologische ontwikkeling van de ontvangende staat.

Opleiding en capaciteitsopbouw worden via elektronische middelen aan alle ondertekenende staten van het CTBT verstrekt.

3.   Duur

De totale duur van de twee achtereenvolgende fasen van het project zal 15 maanden bedragen.

4.   Begunstigden

De begunstigden van de e-opleidingen zijn alle ondertekenende staten van het CTBT. De capaciteit van deze staten om het CTBT en het verificatiesysteem van dit verdrag uit te voeren en ten volle de vruchten van hun deelname aan de werkzaamheden van de Voorbereidende Commissie van de CTBTO te plukken, is van wezenlijk belang voor de goede werking van het CTBT. Er zal de nodige aandacht worden besteed aan de taalkundige verscheidenheid van de begunstigden, onder meer, indien nodig, door opleidingsmodules in verschillende talen te ontwikkelen.

5.   Uitvoeringsorgaan

De uitvoering van het project zal in handen zijn van de Voorbereidende Commissie van de CTBTO. De uitvoering van het project geschiedt rechtstreeks door het personeel van het voorlopige technische secretariaat van de Voorbereidende Commissie van de CTBTO, door deskundigen uit de ondertekenende staten van de Voorbereidende Commissie van de CTBTO of door contractanten. In het geval van contractanten moet de levering van goederen, werken of diensten door de Voorbereidende Commissie van de CTBTO in het kader van dit gemeenschappelijk optreden geschieden volgens de desbetreffende regels en procedures van de Voorbereidende Commissie van de CTBTO, zoals omschreven in de bijdrageovereenkomst tussen de Europese Unie en de Voorbereidende Commissie van de CTBTO.

6.   Deelneming door derde partijen

Het project wordt voor 100 % uit dit gemeenschappelijk optreden gefinancierd. Deskundigen uit ondertekenende staten van de Voorbereidende Commissie van de CTBTO mogen als deelnemende derde partijen worden beschouwd. Zij zullen hun werkzaamheden verrichten volgens de standaardwerkwijze van deskundigen van de Voorbereidende Commissie van de CTBTO.

7.   Raming van de benodigde middelen

De bijdrage van de Europese Unie zal de volledige uitvoering dekken van de twee in deze bijlage beschreven fasen van het project. De geraamde kosten zijn:

Fase 1 (opstelling van de eisen, ontwikkeling van een prototype, met inbegrip van het testen van de eerste modules):

519 400 EUR

Fase 2 (ontwikkeling van de resterende modules, testen en evalueren van modules met geselecteerde begunstigden):

580 600 EUR

Voorts is er een noodreserve voor onvoorziene uitgaven opgenomen ten belope van ongeveer 3 % van de in aanmerking komende kosten (in totaal 33 000 EUR).

8.   Financieel referentiebedrag voor de kosten van het project

De totale kosten van het project bedragen 1 133 000 EUR.


25.3.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 88/73


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT 2006/244/GBVB VAN DE RAAD

van 20 maart 2006

inzake de deelneming van de Europese Unie aan de Organisatie voor energieontwikkeling op het Koreaanse schiereiland (KEDO)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 15,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Unie heeft op basis van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/869/GBVB (1) deelgenomen aan de Organisatie voor energieontwikkeling op het Koreaanse schiereiland (KEDO) teneinde bij te dragen tot het vinden van een algemene oplossing voor het vraagstuk van de nucleaire non-proliferatie op het Koreaanse schiereiland.

(2)

In de strategie van de Europese Unie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens die de Europese Raad op 12 december 2003 heeft aangenomen, wordt groot belang gehecht aan de naleving van het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens door alle partijen.

(3)

Door haar participatie in de KEDO heeft de Europese Unie bijgedragen tot de door haar beoogde doelstelling, te weten het vinden van een algemene oplossing voor het vraagstuk van de nucleaire proliferatie op het Koreaanse schiereiland in overeenstemming met de doelstellingen van de zespartijengesprekken.

(4)

Onder de leden van het dagelijks bestuur van de KEDO bestaat er een consensus om het lichtwaterreactorproject (LWR-project) van de KEDO zo spoedig mogelijk te beeindigen en de KEDO vóór eind 2006 op een ordelijke wijze te ontbinden.

(5)

Te dien einde heeft de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EGA) onderhandeld over de vernieuwing van haar toetreding tot de KEDO met het specifieke oogmerk om de voorgenomen beëindiging van het LWR-project en de ontbinding van de KEDO te steunen.

(6)

De huidige regeling voor de vertegenwoordiging van de Europese Unie in het dagelijks bestuur van de KEDO moet worden gehandhaafd. De Raad en de Commissie zijn in dit verband overeengekomen dat, indien het dagelijks bestuur van de KEDO een onderwerp behandelt dat niet onder de EGA-bevoegdheden valt, het voorzitterschap van de Raad het woord voert en een standpunt terzake vertolkt.

(7)

Gemeenschappelijk Standpunt 2001/869/GBVB is op 31 december 2005 verstreken en moet door een nieuw gemeenschappelijk standpunt worden vervangen,

HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT VASTGESTELD:

Artikel 1

Dit gemeenschappelijk standpunt heeft tot doel de Europese Unie in staat te stellen deel te nemen aan het proces om het LWR-project zo snel mogelijk te beëindigen en de KEDO vóór eind 2006 op een ordelijke wijze te ontbinden.

Artikel 2

1.   Met betrekking tot aangelegenheden die niet onder de EGA-bevoegdheden vallen, wordt het standpunt in het dagelijks bestuur van de KEDO bepaald door de Raad en vertolkt door het voorzitterschap.

2.   Bijgevolg wordt het voorzitterschap nauw betrokken bij de werkzaamheden van het dagelijks bestuur van de KEDO en onmiddellijk in kennis gesteld van GBVB-aangelegenheden die in vergaderingen van dit dagelijks bestuur zullen worden besproken.

3.   De Commissie brengt aan de Raad regelmatig en wanneer nodig verslag uit, onder het gezag van het voorzitterschap, dat wordt bijgestaan door de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger voor het GBVB.

Artikel 3

Dit gemeenschappelijk standpunt wordt van kracht op de dag waarop het wordt aangenomen. Het is van toepassing met ingang van 1 januari 2006 totdat de KEDO is ontbonden ofwel tot uiterlijk 31 december 2006.

Artikel 4

Dit gemeenschappelijk standpunt wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 20 maart 2006.

Voor de Raad

De voorzitster

U. PLASSNIK


(1)  PB L 325 van 8.12.2001, blz. 1.