ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 65

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

49e jaargang
7 maart 2006


Inhoud

 

I   Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

Bladzijde

 

*

Verordening (EG) nr. 388/2006 van de Raad van 23 februari 2006 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de duurzame exploitatie van het tongbestand in de Golf van Biskaje

1

 

*

Verordening (EG) nr. 389/2006 van de Raad van 27 februari 2006 tot instelling van een instrument voor financiële steun ter bevordering van de economische ontwikkeling van de Turks-Cypriotische gemeenschap en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2667/2000 betreffende het Europees Bureau voor wederopbouw

5

 

 

Verordening (EG) nr. 390/2006 van de Commissie van 6 maart 2006 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

9

 

 

Verordening (EG) nr. 391/2006 van de Commissie van 6 maart 2006 houdende opening van openbare inschrijving nr. 56/2006 EG voor de verkoop van alcohol uit wijnbouwproducten voor nieuwe vormen van industrieel gebruik

11

 

*

Verordening (EG) nr. 392/2006 van de Commissie van 6 maart 2006 betreffende de opening en de wijze van beheer van een autonoom tariefcontingent voor conserven van paddenstoelen met ingang van 1 april 2006

14

 

*

Verordening (EG) nr. 393/2006 van de Commissie van 6 maart 2006 betreffende de opening en de wijze van beheer van een autonoom tariefcontingent voor knoflook met ingang van 1 april 2006

18

 

*

Richtlijn 2006/26/EG van de Commissie van 2 maart 2006 tot wijziging van de Richtlijnen 74/151/EEG, 77/311/EEG, 78/933/EEG en 89/173/EEG van de Raad betreffende landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen, met het oog op hun aanpassing aan de technische vooruitgang ( 1 )

22

 

*

Richtlijn 2006/28/EG van de Commissie van 6 maart 2006 tot wijziging van Richtlijn 72/245/EEG van de Raad betreffende door voertuigen veroorzaakte radiostoring (elektromagnetische compatibiliteit) en van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, met het oog op hun aanpassing aan de technische vooruitgang ( 1 )

27

 

 

II   Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

 

 

Raad

 

*

Besluit van de Raad van 27 februari 2006 houdende het standpunt van de Gemeenschap in de Associatieraad EU-Chili betreffende de wijziging van bijlage I bij de Overeenkomst tot oprichting van een associatie tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds, met het oog op de integratie van de krachtens het communautaire schema van algemene tariefpreferenties (SAP) aan Chili toegekende tariefpreferenties

30

 

*

Beschikking van de Raad van 27 februari 2006 waarbij het Koninkrijk der Nederlanden wordt gemachtigd tot toepassing van een maatregel die afwijkt van artikel 11 van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting

45

 

 

Commissie

 

*

Besluit nr. 33/2005 van de Gemengde Commissie ingesteld bij de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika van 16 februari 2006 tot opneming van een overeenstemmingsbeoordelingsorgaan in de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit (EMC)

47

 

*

Beschikking van de Commissie van 28 februari 2006 tot wijziging van Beschikking 2006/7/EG wat betreft de uitbreiding van de landenlijst en de verlenging van de toepassingsperiode daarvan (Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 619)  ( 1 )

49

 

 

Besluiten aangenomen krachtens titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie

 

*

Gemeenschappelijk Optreden 2006/184/GBVB van de Raad van 27 februari 2006 betreffende de ondersteuning van het BTWC in het kader van de strategie van de EU tegen de verspreiding van massavernietigingswapens

51

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

7.3.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 65/1


VERORDENING (EG) Nr. 388/2006 VAN DE RAAD

van 23 februari 2006

tot vaststelling van een meerjarenplan voor de duurzame exploitatie van het tongbestand in de Golf van Biskaje

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Volgens recent wetenschappelijk advies van de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee (ICES) zijn de tongbestanden in de ICES-sectoren VIIIa en VIIIb als gevolg van visserijsterfte zodanig uitgedund dat het normale herstel van deze bestanden door voortplanting in het gedrang komt en dat de betrokken bestanden bijgevolg dreigen in te storten.

(2)

Overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van 20 december 2002 van de Raad inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid moeten tevens maatregelen worden getroffen om een meerjarenplan voor het beheer van de tongbestanden in de Golf van Biskaje vast te stellen (2).

(3)

Het doel van het plan is om ervoor te zorgen dat tong in de Golf van Biskaje op een in economisch, ecologisch en sociaal opzicht duurzame manier wordt geëxploiteerd.

(4)

Verordening (EG) nr. 2371/2002 vereist onder meer dat de Gemeenschap om dit doel te verwezenlijken de voorzorgsaanpak toepast door maatregelen te nemen om de bestanden te beschermen en in stand te houden, voor een duurzame exploitatie van die bestanden te zorgen en het effect van visserijactiviteiten op mariene ecosystemen zo gering mogelijk te houden. De Gemeenschap streeft naar een geleidelijke tenuitvoerlegging van een op het ecosysteem gebaseerde aanpak van het visserijbeheer en draagt bij tot doelmatige visserijactiviteiten binnen een economisch levensvatbare en concurrerende visserijsector, daarbij zorgend voor een redelijke levensstandaard voor degenen die van de tongvisserij in de Golf van Biskaje afhankelijk zijn, en rekening houdend met de belangen van de consumenten.

(5)

Om dit doel te bereiken is het nodig de visserijsterfte zodanig te beheersen dat het zeer waarschijnlijk is dat deze sterfte jaar na jaar kleiner zal worden.

(6)

Een dergelijke beheersing van de visserijsterfte kan worden bereikt door middel van een adequate methode om de hoogte van de totaal toegestane vangsten (TAC's) voor de betrokken bestanden te bepalen en een systeem waarmee de op dit bestand uitgeoefende visserij-inspanningen zodanig worden beperkt dat het onwaarschijnlijk is dat de TAC wordt overschreden.

(7)

Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij heeft in zijn advies gesteld dat het voorzorgniveau voor de biomassa voor het tongbestand in de Golf van Biskaje 13 000 ton moet zijn.

(8)

Het tongbestand in de Golf van Biskaje heeft het voorzorgsniveau van de biomassa bijna bereikt, en voor het bereiken van dit niveau is het niet nodig een volledige regeling voor het beheer van de visserij-inspanning toe te passen. Het is echter aangewezen maatregelen te treffen om de totale capaciteit van de belangrijkste vloten die op deze bestanden vissen, te beperken, teneinde de capaciteit op den duur te verminderen, het herstel van het bestand te waarborgen en een toename van de visserij-inspanning in de toekomst te voorkomen.

(9)

Er zijn, in aanvulling op de maatregelen vervat in Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (3), controlemaatregelen nodig om de naleving van de in deze verordening vervatte maatregelen te garanderen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP EN DOEL

Artikel 1

Onderwerp

1.   Bij deze verordening wordt een meerjarenplan vastgesteld voor de duurzame exploitatie van het tongbestand van de Golf van Biskaje (hierna „tong uit de Golf van Biskaje” te noemen).

2.   In deze verordening wordt onder „Golf van Biskaje” verstaan het zeegebied dat als de sectoren VIIIa en VIIIb is afgebakend door de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee (ICES).

Artikel 2

Doel van het beheersplan

1.   Doel van het plan is de paaibiomassa van tong uit de Golf van Biskaje in 2008 of eerder boven het voorzorgsniveau van 13 000 ton te brengen, en vervolgens te zorgen voor de duurzame exploitatie van die bestanden.

2.   Dat doel moet worden bereikt door de visserijsterfte voor dit bestand geleidelijk te reduceren.

Artikel 3

Wettelijke maatregelen en jaarlijkse vaststelling van de TAC's

1.   Wanneer de paaibiomassa volgens de evaluatie van de ICES op of boven het voorzorgsniveau van 13 000 ton is gebracht, neemt de Raad op basis van een Commissievoorstel met gekwalificeerde meerderheid een besluit over

a)

een streefniveau voor de visserijsterfte voor de lange termijn; en

b)

een percentage voor de vermindering van de visserijsterfte dat moet worden toegepast totdat het onder a) vastgestelde niveau van visserijsterfte is bereikt.

2.   De Raad stelt ieder jaar met gekwalificeerde meerderheid van stemmen — op voorstel van de Commissie — een TAC voor tong uit de Golf van Biskaje voor het volgende jaar vast.

HOOFDSTUK II

TOTAAL TOEGESTANE VANGST

Artikel 4

Procedure voor de vaststelling van de TAC

1.   Wanneer de paaibiomassa van tong uit de Golf van Biskaje door het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij (WTECV) op grond van het meest recente verslag van de ICES wordt geraamd op minder dan 13 000 ton, stelt de Raad een TAC vast die, volgens de WTECV-raming, niet groter mag zijn dan een vangstniveau waarmee de visserijsterfte met 10 % wordt gereduceerd ten opzichte van de geraamde visserijsterfte voor het voorgaande jaar.

2.   Wanneer de paaibiomassa van tong uit de Golf van Biskaje door het WTECV op grond van het meest recente verslag van de ICES wordt geraamd op 13 000 ton of meer, stelt de Raad een TAC vast op een vangstniveau dat, volgens de WTECV-raming, overeenkomt met de hoogste waarde bij vergelijking tussen:

a)

de TAC waarvan de toepassing strookt met de door de Raad overeenkomstig artikel 3, lid 1, punt b), vastgestelde vermindering van de visserijsterfte;

b)

de TAC waarvan de toepassing resulteert in het door de Raad overeenkomstig artikel 3, lid 1, punt a), bepaalde streefniveau voor de visserijsterfte.

3.   Indien de toepassing van lid 1 of lid 2 zou leiden tot een TAC die de TAC van het voorafgaande jaar met meer dan 15 % overschrijdt, stelt de Raad een TAC vast die 15 % hoger is dan de TAC van dat jaar.

4.   Indien de toepassing van lid 1 of lid 2 zou leiden tot een TAC die meer dan 15 % lager is dan de TAC van het voorafgaande jaar, stelt de Raad een TAC vast die 15 % lager is dan de TAC van dat jaar.

HOOFDSTUK III

BEPERKING VAN DE VISSERIJ-INSPANNING

Artikel 5

Speciaal visdocument voor tong uit de Golf van Biskaje

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat vaartuigen die hun vlag voeren en die op hun grondgebied zijn geregistreerd, visserijactiviteiten die leiden tot de vangst en het aan boord houden van meer dan 2 000 kg tong in ICES-sectoren VIIIa en VIIIb per kalenderjaar slechts mogen verrichten als ze in het bezit zijn van een visdocument voor tong uit de Golf van Biskaje. Dat document is een speciaal visdocument dat is afgegeven overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1627/94 van de Raad van 27 juni 1994 tot vaststelling van algemene bepalingen inzake speciale visdocumenten (4).

2.   Binnen ICES-sectoren VIIIa en VIIIb is het verboden per visreis meer dan 100 kg tong te vangen, aan boord te houden, over te laden of aan te landen, tenzij het betreffende vaartuig een visdocument voor tong uit de Golf van Biskaje heeft.

3.   Elke lidstaat berekent de totale capaciteit in brutoton van zijn vaartuigen die in 2002, 2003 of 2004 meer dan 2 000 kg tong uit de Golf van Biskaje hebben aangeland. Deze waarde wordt aan de Commissie meegedeeld.

4.   Op schriftelijk verzoek van de Commissie stellen de lidstaten binnen dertig dagen documentatie beschikbaar over de vangstgegevens van vaartuigen waarvoor visdocumenten voor tong uit de Golf van Biskaje zijn afgegeven.

5.   De lidstaten berekenen jaarlijks de totale capaciteit in brutoton van de vaartuigen die een visdocument voor tong uit de Golf van Biskaje hebben en sinds de inwerkingtreding van onderhavige verordening hun visserijactiviteit definitief hebben beeindigd met overheidssteun overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 2792/1999 van de Raad van 17 december 1999 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen en voorwaarden voor de structurele acties van de Gemeenschap in de visserijsector (5).

6.   De lidstaten geven voor hun vaartuigen alleen visdocumenten voor tong uit de Golf van Biskaje af indien de totale capaciteit van die vaartuigen niet groter is dan het verschil tussen de overeenkomstig lid 3 vastgestelde totale capaciteit en de overeenkomstig lid 5 van dit artikel vastgestelde capaciteit van de vaartuigen die hun visserijactiviteiten definitief hebben beëindigd.

7.   In afwijking van lid 6, en slechts in die gevallen waarin de Commissie op basis van wetenschappelijke rapporten van het WTECV heeft besloten dat het streefniveau van de visserijsterfte als omschreven in artikel 3, lid 1, is bereikt, geven de lidstaten voor hun vaartuigen alleen visdocumenten voor tong uit de Golf van Biskaje af indien de totale capaciteit van die vaartuigen niet groter is dan de totale capaciteit van de vaartuigen die in het voorgaande jaar visdocumenten voor tong uit de Golf van Biskaje hadden.

8.   Visdocumenten voor tong uit de Golf van Biskaje zijn een kalenderjaar geldig en in de loop van het visseizoen worden geen nieuwe visdocumenten afgegeven.

9.   In afwijking van lid 8 van dit artikel kunnen nieuwe visdocumenten worden afgegeven, op voorwaarde dat tegelijkertijd visdocumenten worden ingetrokken van een of meer vaartuigen met hetzelfde totale brutotonnage als het vaartuig of de vaartuigen waarvoor de nieuwe visdocumenten worden afgegeven.

Artikel 6

Alternatieve procedure voor het beheer van de visserij-inspanning

1.   In afwijking van artikel 5 mag een lidstaat waarvan het quotum voor tong uit de Golf van Biskaje minder dan 10 % van de TAC bedraagt, een andere methode voor het beheer van de visserij-inspanning toepassen. Voor die methode moet een referentieniveau voor de visserij-inspanning worden vastgesteld dat gelijk is aan de visserij-inspanning in het jaar 2005. De betrokken lidstaten zorgen ervoor dat de visserij-inspanning in 2006 en de daarop volgende jaren het referentieniveau niet overstijgt.

2.   Een lidstaat die gebruik maakt van de afwijking van lid 1 van dit artikel kan door de Commissie worden verzocht een verslag op te stellen over de toepassing van afwijkende beheersmethoden. De Commissie geeft dit verslag door aan de andere lidstaten.

3.   Voor de toepassing van lid 1 wordt de visserij-inspanning gemeten als de som, per kalenderjaar, van het product van het totale geïnstalleerde motorvermogen van elk betrokken vaartuig in kW en het aantal dagen dat zij in het gebied hebben gevist.

4.   In 2009 en vervolgens om de drie jaar neemt de Raad met gekwalificeerde meerderheid op voorstel van de Commissie een besluit over de aanpassing van de overeenkomstig lid 1 vastgestelde referentieniveaus. Deze aanpassingen worden gedaan met het oog op een passende toewijzing van de vangstmogelijkheden.

5.   Op verzoek van een lidstaat kan de overeenkomstig lid 1 vastgestelde maximale jaarlijkse visserij-inspanning door de Commissie worden aangepast om die lidstaat in staat te stellen zijn vangstmogelijkheden voor tong uit de Golf van Biskaje volledig te benutten. Het verzoek in kwestie gaat vergezeld van informatie over de beschikbare quota en over de inspanningen. De Commissie neemt binnen zes weken na ontvangst van het verzoek een besluit volgens de procedure van artikel 30, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2371/2002.

HOOFDSTUK IV

CONTROLE, INSPECTIE EN BEWAKING

Artikel 7

Tolerantie

In afwijking van artikel 5, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2807/83 van de Commissie van 22 september 1983 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de registratie van gegevens over de visvangst van de lidstaten (6) geldt voor ramingen inzake de in kilogram levend gewicht uitgedrukte hoeveelheden aan boord gehouden tong uit de Golf van Biskaje een marge van 8 % ten opzichte van het in het logboek vermelde cijfer. De omrekeningsfactor die gebruikt wordt is die van de lidstaat waarvan het vaartuig de vlag voert.

Artikel 8

Weging van de aanvoer

De bevoegde autoriteiten van een lidstaat zien erop toe dat elke hoeveelheid tong van meer dan 300 kg die is gevangen in de Golf van Biskaje, vóór de verkoop met een veilingweegschaal wordt gewogen.

Artikel 9

Voorafgaande kennisgeving

De kapitein van een communautair vissersvaartuig dat in de Golf van Biskaje is geweest die een aan boord gehouden hoeveelheid tong wil overladen op zee of wil aanlanden in een haven of op een plaats van aanlanding in een derde land, deelt tenminste 24 uur van tevoren aan de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat de volgende gegevens mee:

a)

de naam van de haven of de plaats van aanlanding;

b)

het vermoedelijke tijdstip van aankomst in die haven of op die plaats;

c)

de hoeveelheden aan boord, in kilogram levend gewicht, per soort waarvan meer dan 50 kg aan boord is.

Deze gegevens mogen ook door een vertegenwoordiger van de kapitein van het vissersvaartuig worden meegedeeld.

Artikel 10

Gescheiden opslag van tong

1.   Het is voor communautaire vissersvaartuigen verboden om containers aan boord te hebben waarin hoeveelheden tong met andere soorten mariene organismen vermengd zijn.

2.   De kapitein van een communautair vissersvaartuig verleent de inspecteurs van de lidstaten de nodige bijstand om deze in staat te stellen de in het logboek vermelde hoeveelheden te toetsen aan de aan boord gehouden vangsten van tong.

Artikel 11

Vervoer van tong

1.   De bevoegde autoriteiten van een lidstaat kunnen eisen dat een hoeveelheid tong van meer dan 300 kg, gevangen in één van de in artikel 1 bedoelde geografische gebieden, die voor het eerst wordt aangeland in die lidstaat, wordt gewogen voordat ze van de haven van eerste aanvoer naar elders wordt vervoerd.

2.   In afwijking van artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 2847/93 moeten alle hoeveelheden tong van meer dan 300 kg, die naar een andere plaats dan die van eerste aanvoer of invoer worden vervoerd, vergezeld gaan van een afschrift van één van de in artikel 8, lid 1, van die verordening bedoelde aangiften voor de hoeveelheden tong die worden vervoerd. De vrijstelling van artikel 13, lid 4, onder b), van die verordening is niet van toepassing.

HOOFDSTUK V

VERVOLG

Artikel 12

Evaluatie van de beheersmaatregelen

De Commissie wint in het derde jaar van toepassing van deze verordening en vervolgens om de drie jaar zolang deze verordening van toepassing is, wetenschappelijk advies in van het WTECV over de vorderingen bij de verwezenlijking van het beheersplan. Indien nodig stelt de Commissie passende maatregelen voor en besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid over alternatieve maatregelen om de in artikel 2 omschreven doelstelling te verwezenlijken.

Artikel 13

Speciale omstandigheden

Indien uit het advies van het WTECV blijkt dat de paaibiomassa van tong uit de Golf van Biskaje een verminderde reproductiecapaciteit heeft, stelt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie een TAC vast die kleiner is dan die welke omschreven is in artikel 4.

HOOFDSTUK VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 14

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 februari 2006.

Voor de Raad

De voorzitster

E. GEHRER


(1)  Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.

(2)  PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.

(3)  PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 768/2005 (PB L 128 van 21.5.2005, blz. 1).

(4)  PB L 171 van 6.7.1994, blz. 7.

(5)  PB L 337 van 30.12.1999, blz. 10. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 485/2005 (PB L 81 van 30.3.2005, blz. 1).

(6)  PB L 276 van 10.10.1983, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1804/2005 (PB L 290 van 4.11.2005, blz. 10).


7.3.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 65/5


VERORDENING (EG) Nr. 389/2006 VAN DE RAAD

van 27 februari 2006

tot instelling van een instrument voor financiële steun ter bevordering van de economische ontwikkeling van de Turks-Cypriotische gemeenschap en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2667/2000 betreffende het Europees Bureau voor wederopbouw

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 308,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Raad heeft herhaaldelijk gewezen op zijn sterke voorkeur voor toetreding van een herenigd Cyprus. Tot dusver is nog geen algehele regeling tot stand gekomen.

(2)

De Raad heeft op 26 april 2004 aanbevolen dat, aangezien de Turks-Cypriotische gemeenschap op duidelijke wijze uitdrukking had gegeven aan haar wens om tot de Europese Unie te behoren, de middelen die in het geval van een regeling waren gereserveerd voor het noordelijke deel van Cyprus, gebruikt dienen te worden om een eind te maken aan het isolement van die gemeenschap en de hereniging van Cyprus te vergemakkelijken door de economische ontwikkeling van de Turks-Cypriotische gemeenschap te stimuleren, met bijzondere nadruk op de economische integratie van het eiland en de verbetering van de contacten tussen beide gemeenschappen onderling en met de EU.

(3)

Na de toetreding van Cyprus wordt de toepassing van het acquis overeenkomstig artikel 1, lid 1, van protocol nr. 10 van de Toetredingsakte 2003 geschorst in de gebieden van de Republiek Cyprus waarover de regering van de Republiek Cyprus niet feitelijk het gezag uitoefent (hierna „de zones” genoemd).

(4)

Overeenkomstig artikel 3, lid 1, van protocol nr. 10, vormt dit protocol in geen enkel opzicht een beletsel voor maatregelen die worden getroffen ter bevordering van de economische ontwikkeling van de zones.

(5)

De in het kader van deze verordening gefinancierde maatregelen zijn buitengewoon en tijdelijk van aard en in het bijzonder bedoeld om, nadat er een oplossing voor het vraagstuk Cyprus is gevonden, de volledige toepassing van het communautaire acquis in de zones, indien mogelijk, voor te bereiden en te vergemakkelijken.

(6)

Met het oog op een efficiënte en snelle toewijzing van de financiële steun, dient de bijstand direct aan de begunstigden te worden verleend.

(7)

Teneinde bijstand te verlenen overeenkomstig de beginselen van goed financieel beheer, moet de Commissie de uitvoering van bijstand op grond van deze verordening kunnen delegeren aan het Europees Bureau voor wederopbouw. Verordening (EG) nr. 2667/2000 (1) moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

Bij de ontwikkeling en herstructurering van de infrastructuur, met name inzake energie, vervoer, milieu, telecommunicatie en watervoorziening, moet, waar nodig, worden uitgegaan van een planning die het gehele eiland omvat.

(9)

Bij de uitvoering van de in het kader van deze verordening gefinancierde maatregelen moeten de rechten van natuurlijke personen en rechtspersonen, inclusief het recht op bezit en eigendom, worden geëerbiedigd.

(10)

Niets in deze verordening mag zodanig worden geïnterpreteerd dat het de erkenning inhoudt van een andere overheid in de zones dan de regering van de Republiek Cyprus.

(11)

Overeenkomstig artikel 2 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (2), dienen de maatregelen voor de implementatie van deze verordening volgens de in artikel 4 van dat besluit bepaalde beheersprocedure te worden vastgesteld.

(12)

De uitvoering van deze verordening draagt, als hierboven uiteengezet, bij tot verwezenlijking van de doelstellingen van de Gemeenschap, maar het Verdrag biedt, voor de goedkeuring van deze verordening, geen andere bevoegdheden dan die welke worden bedoeld in artikel 308,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Algemene doelstelling en begunstigden

1.   De Gemeenschap verleent bijstand om de eenmaking van Cyprus te vergemakkelijken door de economische ontwikkeling van de Turks-Cypriotische gemeenschap te bevorderen. De nadruk ligt daarbij in het bijzonder op de economische integratie van het eiland, de verbetering van de contacten tussen beide gemeenschappen onderling en met de EU, en de voorbereiding voor het communautaire acquis.

2.   De bijstand is onder meer bestemd voor lokale organen, coöperaties en vertegenwoordigers van de civiele samenleving, met name organisaties van de sociale partners, organisaties voor ondersteuning van het bedrijfsleven, organen die taken van algemeen belang in de zones verrichten, lokale of traditionele gemeenschappen, verenigingen, stichtingen, non-profitorganisaties, niet-gouvernementele organisaties, en natuurlijke personen en rechtspersonen.

3.   Het verlenen van deze bijstand houdt geen erkenning in van een andere overheid in de zones dan de regering van de Republiek Cyprus.

Artikel 2

Doelstellingen

De bijstand wordt onder meer gebruikt ter ondersteuning van:

de bevordering van de sociale en economische ontwikkeling, inclusief herstructurering, met name wat betreft plattelandsontwikkeling, ontwikkeling van human resources en regionale ontwikkeling,

de ontwikkeling en herstructurering van infrastructuur, met name op het gebied van energie, vervoer, milieu, telecommunicatie en watervoorziening,

maatregelen voor verzoening en het opbouwen van vertrouwen, en steun voor de civiele samenleving,

maatregelen om de Turks-Cypriotische gemeenschap dichter bij de Unie te brengen, onder meer door voorlichting over de politieke en rechtsstelsels van de Europese Unie, bevordering van contacten tussen mensen, en toekenning van communautaire beurzen,

de opstelling van wetteksten die aangepast zijn aan het communautaire acquis zodat ze onmiddellijk van toepassing zijn zodra de algehele regeling van de kwestie Cyprus in werking treedt,

de voorbereiding van de uitvoering van het communautaire acquis met het oog op de opheffing van de schorsing ervan overeenkomstig artikel 1 van protocol nr. 10 van de Toetredingsakte.

Artikel 3

Beheer van de bijstand

1.   De Commissie is verantwoordelijk voor het beheer van de bijstand.

2.   De Commissie wordt bijgestaan door het comité bedoeld in artikel 9, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3906/89 (3), dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten en wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie.

3.   Het comité brengt advies uit over ontwerpen voor financieringsbesluiten wanneer deze een groter bedrag betreffen dan 5 miljoen EUR. De Commissie mag, zonder het comité om advies te vragen, haar goedkeuring verlenen aan financieringsbesluiten voor de ondersteuning van activiteiten vallende onder artikel 4, lid 3, van deze verordening, alsmede aan wijzigingen van financieringsbesluiten die in overeenstemming zijn met de doelstelling van het programma en die niet meer bedragen dan 15 % van de financiële middelen van dergelijke financieringsbesluiten.

4.   Indien het comité, overeenkomstig lid 3, voor bepaalde financieringsbesluiten niet wordt geraadpleegd, stelt de Commissie het comité daarvan ten laatste één week nadat het besluit is genomen op de hoogte.

5.   Voor de doeleinden van deze verordening is de beheersprocedure van toepassing die is vastgelegd in artikel 4 van Besluit 1999/468/EG, overeenkomstig artikel 7, lid 3, van dat besluit.

Artikel 4

Soorten bijstand

1.   De bijstand in het kader van deze verordening kan onder meer worden gebruikt voor de financiering van aanbestedingsovereenkomsten, subsidies, met inbegrip van rentesubsidies, speciale leningen, leningsgaranties en financiële bijstand.

2.   De bijstand kan volledig worden gefinancierd door de begroting, voor zover dat gerechtvaardigd en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening.

3.   De bijstand kan ook worden gebruikt om de kosten te financieren van ondersteunende activiteiten, zoals voorlopige en vergelijkende studies, opleiding, activiteiten in verband met het voorbereiden, ramen, beheren, implementeren, volgen, controleren en evalueren van bijstand, activiteiten in verband met voorlichting en verhoging van de zichtbaarheid, en ter financiering van de kosten van ondersteunend personeel, huur van gebouwen en levering van apparatuur.

Artikel 5

Uitvoering van de bijstand

1.   Maatregelen in het kader van deze verordening dienen te worden uitgevoerd overeenkomstig de regels die zijn vastgelegd in titel IV van deel II van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (4). Juridische verbintenissen met betrekking tot de bijstand in het kader van deze verordening dienen te worden aangegaan binnen een termijn van drie jaar volgend op de datum van de vastlegging in de begroting.

2.   Onverminderd het besluit dat wordt genomen overeenkomstig artikel 2, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2667/2000 van de Raad, mag de Commissie, binnen de beperkingen die zijn vastgelegd in artikel 54 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002, overheidstaken, en met name taken tot uitvoering van de begroting, toevertrouwen aan de in artikel 54, lid 2, van die verordening genoemde organen. De selectiecriteria voor de in artikel 54, lid 2, onder c), genoemde organen zijn:

internationaal erkende reputatie,

hanteren van internationaal erkende systemen voor beheer en controle, en

toezicht door een overheidsorgaan van een lidstaat of door een internationale organisatie/instelling.

3.   Maatregelen in het kader van deze verordening kunnen worden uitgevoerd in gezamenlijk beheer, overeenkomstig de regels die zijn vastgelegd in de titels I en II van deel II van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002.

Artikel 6

Aan artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2667/2000 wordt het volgende lid toegevoegd:

„5.   De Commissie kan het Bureau belasten met de uitvoering van de bijstand ter bevordering van de economische ontwikkeling van de Turks-Cypriotische gemeenschap in het kader van Verordening (EG) nr. 389/2006 van de Raad van 27 februari 2006 tot instelling van een instrument voor financiële steun ter bevordering van de economische ontwikkeling van de Turks-Cypriotische gemeenschap in het kader van Verordening (EG) nr. 2667/2000 betreffende het Europees Bureau voor wederopbouw (5).

Artikel 7

Bescherming van de rechten van natuurlijke personen en rechtspersonen

1.   De Commissie ziet erop toe dat de rechten van natuurlijke personen en rechtspersonen, inclusief het recht op bezit en eigendom, bij de uitvoering van de in het kader van deze verordening gefinancierde maatregelen worden geëerbiedigd. In dit verband handelt de Commissie overeenkomstig de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens.

2.   Om de lidstaten in staat te stellen om informatie over mogelijke schendingen van de eigendomsrechten aan de Commissie te doen toekomen, legt de Commissie elk ontwerp-financieringsbesluit dat gevolgen kan hebben voor de eigendomsrechten, twee maanden voor het financieringsbesluit moet worden genomen aan het in artikel 3, lid 2, bedoelde comité voor.

Artikel 8

Bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap

1.   De Commissie ziet erop toe dat, wanneer in het kader van deze verordening gefinancierde maatregelen ten uitvoer worden gelegd, de financiële belangen van de Gemeenschap worden beschermd tegen fraude, corruptie en alle andere onregelmatigheden, overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (6) en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (7) en Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (8).

2.   Voor de in het kader van deze verordening gefinancierde maatregelen wordt onder het in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 bedoelde begrip onregelmatigheid verstaan elke inbreuk op het Gemeenschapsrecht of contractuele verplichting, die bestaat in een handeling of een nalaten van een marktdeelnemer waardoor de algemene begroting van de Gemeenschappen of de door de Gemeenschappen beheerde begrotingen door een onverschuldigde uitgave worden of zouden kunnen worden benadeeld.

3.   Overeenkomsten met de begunstigden dienen te voorzien in de bevoegdheid van de Commissie en de Rekenkamer om, op basis van documenten en ter plaatse, audits te verrichten, met betrekking tot alle contractanten en subcontractanten die communautaire middelen ontvangen. De overeenkomsten dienen de Commissie tevens expliciet te machtigen ter plaatse controles en inspecties te verrichten, overeenkomstig de procedurele bepalingen van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96.

4.   Alle contracten in verband met de uitvoering van de bijstand dienen gedurende en na de uitvoering van de contracten het in lid 3 bedoelde recht van de Commissie en de Rekenkamer te waarborgen.

Artikel 9

Deelname aan aanbestedingen

1.   Voor de in het kader van deze verordening gefinancierde aanbestedingen en subsidies komen in aanmerking:

natuurlijke personen en rechtspersonen van de lidstaten van de Europese Unie,

natuurlijke personen en rechtspersonen die onderdaan zijn van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of legaal op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd,

natuurlijke personen en rechtspersonen die onderdaan zijn van een kandidaat-lidstaat van de Europese Unie of legaal op het grondgebied van een kandidaat-lidstaat van de Europese Unie zijn gevestigd.

2.   Voor de in het kader van deze verordening gefinancierde aanbestedingen en subsidies komen natuurlijke personen en rechtspersonen in aanmerking die onderdaan zijn van een ander land dan bedoeld in lid 1, of legaal zijn gevestigd op het grondgebied van een ander land dan bedoeld in lid 1, indien er sprake is van wederkerigheid bij de toegang tot externe bijstand.

3.   Voor de in het kader van deze verordening gefinancierde aanbestedingen en subsidies komen tevens internationale organisaties in aanmerking.

4.   Alle leveringen en materialen die zijn aangeschaft in het kader van een overeenkomstig deze verordening gefinancierde opdracht, dienen van oorsprong te zijn uit het douanegebied van de Gemeenschap, de zones of een land dat in aanmerking komt overeenkomstig de leden 1 en 2.

5.   In terdege gemotiveerde gevallen mag de Commissie per geval toestemming verlenen voor de deelname van natuurlijke personen en rechtspersonen uit andere landen of het gebruik van leveringen en materialen van een andere oorsprong.

Artikel 10

Rapportage

De Commissie brengt over de uitvoering van de communautaire bijstand in het kader van dit instrument jaarlijks verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad. Dat verslag bevat informatie over de maatregelen die gedurende het jaar zijn gefinancierd en over de bevindingen van de controles. Ook worden de resultaten van de uitvoering van de bijstand geëvalueerd.

Artikel 11

Mogelijke regeling

Indien er een algehele regeling van de kwestie-Cyprus tot stand komt, neemt de Raad, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen een besluit over de noodzakelijke aanpassingen van deze verordening.

Artikel 12

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 februari 2006.

Voor de Raad

De voorzitster

U. PLASSNIK


(1)  PB L 306 van 7.12.2000, blz. 7. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2068/2004 (PB L 358 van 3.12.2004, blz. 2).

(2)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(3)  Verordening (EEG) nr. 3906/89 van de Raad van 18 december 1989 betreffende economische hulp ten gunste van sommige landen in Midden- en Oost-Europa (PB L 375 van 23.12.1989, blz. 11). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2257/2004 (PB L 389 van 30.12.2004, blz. 1).

(4)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(5)  PB L 65 van 7.3.2006, blz. 5.”

(6)  PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1.

(7)  PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2.

(8)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.


7.3.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 65/9


VERORDENING (EG) Nr. 390/2006 VAN DE COMMISSIE

van 6 maart 2006

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 7 maart 2006.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 maart 2006.

Voor de Commissie

J. L. DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 386/2005 (PB L 62 van 9.3.2005, blz. 3).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 6 maart 2006 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

052

83,0

204

45,5

212

139,7

624

92,6

999

90,2

0707 00 05

052

129,2

068

138,2

204

48,2

628

155,5

999

117,8

0709 10 00

220

57,6

624

102,5

999

80,1

0709 90 70

052

132,6

204

74,1

999

103,4

0805 10 20

052

65,8

204

43,3

212

43,3

220

39,5

400

61,8

448

41,1

512

33,1

624

63,9

999

49,0

0805 50 10

052

38,8

624

67,6

999

53,2

0808 10 80

400

133,1

404

106,0

528

75,0

720

83,3

999

99,4

0808 20 50

388

80,5

400

104,9

512

65,6

528

65,5

720

45,0

999

72,3


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 750/2005 van de Commissie (PB L 126 van 19.5.2005, blz. 12). De code „999” staat voor „andere oorsprong”.


7.3.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 65/11


VERORDENING (EG) Nr. 391/2006 VAN DE COMMISSIE

van 6 maart 2006

houdende opening van openbare inschrijving nr. 56/2006 EG voor de verkoop van alcohol uit wijnbouwproducten voor nieuwe vormen van industrieel gebruik

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (1), en met name op artikel 33,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1623/2000 van de Commissie van 25 juli 2000 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de marktmechanismen als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (2) zijn onder meer de uitvoeringsbepalingen vastgesteld voor de afzet van de door distillatie zoals bedoeld in de artikelen 27, 28 en 30 van Verordening (EG) nr. 1493/1999, ontstane alcoholvoorraden die in het bezit zijn van de interventiebureaus.

(2)

Overeenkomstig artikel 80 van Verordening (EG) nr. 1623/2000 moeten openbare inschrijvingen voor de verkoop van alcohol uit wijnbouwproducten voor nieuwe vormen van industrieel gebruik worden gehouden om de voorraden communautaire alcohol uit wijnbouwproducten te verkleinen en om het mogelijk te maken dat in de Gemeenschap kleinschalige industriële projecten worden uitgevoerd of dat alcohol wordt verwerkt tot goederen die bestemd zijn voor uitvoer voor industriële doeleinden. De door de lidstaten opgeslagen communautaire alcohol uit wijnbouwproducten bestaat uit hoeveelheden die zijn verkregen bij distillatie zoals bedoeld in de artikelen 27, 28 en 30 van Verordening (EG) nr. 1493/1999.

(3)

Sinds 1 januari 1999 en op grond van Verordening (EG) nr. 2799/98 van de Raad van 15 december 1998 tot vaststelling van het agromonetaire stelsel voor de euro (3) moeten de geboden prijzen en de zekerheden in euro worden uitgedrukt en moeten de betalingen plaatsvinden in euro.

(4)

Het is wenselijk om voor de biedingen minimumprijzen vast te stellen die naar categorie van eindbestemming zijn gedifferentieerd.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor wijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bij openbare inschrijving nr. 56/2006 EG wordt alcohol uit wijnbouwproducten verkocht voor nieuwe vormen van industrieel gebruik. De alcohol is verkregen bij distillatie zoals bedoeld in de artikelen 27 en 28 van Verordening (EG) nr. 1493/1999 en is in het bezit van het Franse interventiebureau.

De te koop aangeboden hoeveelheid bedraagt 109 970 hl alcohol 100 % vol. De nummers van de opslagtanks, de plaatsen van opslag en de hoeveelheid alcohol 100 % vol in elk van die opslagtanks zijn vermeld in de bijlage.

Artikel 2

De verkoop vindt plaats overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 79, 81, 82, 83, 84, 85, 95, 96, 97, 100 en 101 van Verordening (EG) nr. 1623/2000 en in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2799/98.

Artikel 3

1.   De biedingen moeten worden afgegeven bij het interventiebureau dat in het bezit is van de betrokken alcohol, namelijk:

Onivins-Libourne, délégation nationale

17, avenue de la Ballastière, boîte postale 231

F-33505 Libourne Cedex

Tel. (33-5) 57 55 20 00

Fax (33-5) 57 55 20 59

Telex: 57 20 25,

of bij aangetekend schrijven aan het adres van dit interventiebureau worden toegezonden.

2.   De biedingen moeten zich bevinden in een verzegelde enveloppe met de vermelding „Bod — openbare inschrijving voor nieuwe vormen van industrieel gebruik nr. 56/2006 EG”, welke enveloppe zelf in de enveloppe met het adres van het betrokken interventiebureau moet zijn gedaan.

3.   De biedingen moeten het betrokken interventiebureau uiterlijk op 24 maart 2006 om 12.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) bereiken.

4.   Elk bod moet vergezeld gaan van het bewijs dat bij het interventiebureau dat de betrokken alcohol in zijn bezit heeft, een inschrijvingszekerheid ten bedrage van 4 EUR per hl alcohol 100 % vol is gesteld.

Artikel 4

De laagste prijs die kan worden geboden, bedraagt 11 EUR per hl alcohol 100 % vol die bestemd is voor de vervaardiging van bakkersgist, 31 EUR per hl alcohol 100 % vol die bestemd is voor de vervaardiging van scheikundige producten van het type aminen en chloraal voor uitvoer, 37 EUR per hl alcohol 100 % vol die bestemd is voor de vervaardiging van eau de cologne voor uitvoer, en 11,5 EUR per hl alcohol 100 % vol die bestemd is voor andere vormen van industrieel gebruik.

Artikel 5

De regeling inzake de bemonstering is vastgesteld bij artikel 98 van Verordening (EG) nr. 1623/2000. De prijs van de monsters bedraagt 10 EUR per liter.

Het interventiebureau verstrekt alle nuttige inlichtingen over de kenmerken van de te koop aangeboden alcohol.

Artikel 6

De uitvoeringszekerheid bedraagt 30 EUR per hectoliter alcohol à 100 % vol.

Artikel 7

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 maart 2006.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 179 van 14.7.1999, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2165/2005 (PB L 345 van 28.12.2005, blz. 1).

(2)  PB L 194 van 31.7.2000, blz. 45. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1820/2005 (PB L 293 van 9.11.2005, blz. 8).

(3)  PB L 349 van 24.12.1998, blz. 1.


BIJLAGE

OPENBARE INSCHRIJVING Nr. 56/2006 EG VOOR DE VERKOOP VAN ALCOHOL VOOR NIEUWE VORMEN VAN INDUSTRIEEL GEBRUIK

Plaats van opslag, hoeveelheid en kenmerken van de te koop aangeboden alcohol

Lidstaat

Plaats

Nummer van de opslagtank

Hoeveelheid zuivere alcohol in hl 100 % vol

Verwijzing naar Verordening (EG) nr. 1493/1999, artikel

Type alcohol

Alcoholvolumegehalte

(% vol)

FRANKRIJK

Onivins-Longuefuye

F-53200 Longuefuye

6

22 535

27

Ruw

+92

11

22 560

27

Ruw

+92

15

22 480

28

Ruw

+92

16

22 395

28

Ruw

+92

Onivins-Port-La-Nouvelle

Entrepôt d’alcool

Av. Adolphe-Turrel, BP 62

F-11210 Port-La-Nouvelle

5

20 000

27

Ruw

+92

Totaal

 

109 970

 

 

 


7.3.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 65/14


VERORDENING (EG) Nr. 392/2006 VAN DE COMMISSIE

van 6 maart 2006

betreffende de opening en de wijze van beheer van een autonoom tariefcontingent voor conserven van paddenstoelen met ingang van 1 april 2006

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op het Verdrag betreffende de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije,

Gelet op de Akte van toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, en met name op artikel 41, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1864/2004 van de Commissie (1) zijn tariefcontingenten voor de invoer van conserven van paddenstoelen uit derde landen geopend en is de wijze van beheer daarvan vastgesteld.

(2)

Bij Verordening (EG) nr. 1864/2004 zijn overgangsbepalingen vastgesteld om de importeurs uit Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije (hierna „de nieuwe lidstaten” genoemd) in staat te stellen gebruik te maken van deze contingenten. Met deze bepalingen wordt beoogd onderscheid te maken tussen traditionele en nieuwe importeurs uit de nieuwe lidstaten, en de hoeveelheden waarvoor traditionele importeurs uit de nieuwe lidstaten certificaataanvragen kunnen indienen, zo aan te passen dat ook die importeurs gebruik kunnen maken van het betrokken systeem.

(3)

Om de continuïteit van de marktvoorziening in de uitgebreide Gemeenschap te waarborgen met inachtneming van de economische voorzieningsvoorwaarden die in de nieuwe lidstaten bestonden vóór hun toetreding tot de Europese Unie, dient een tijdelijk en autonoom tariefcontingent voor de invoer van conserven van paddenstoelen van het geslacht Agaricus van de GN-codes 0711 51 00, 2003 10 20 en 2003 10 30 te worden geopend.

(4)

Het nieuwe tariefcontingent moet op een tijdelijke basis worden geopend en met de opening ervan mag niet worden vooruitgelopen op het resultaat van de onderhandelingen die in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) aan de gang zijn ten gevolge van de toetreding van de nieuwe lidstaten.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor op basis van groenten en fruit verwerkte producten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Met ingang van 1 april 2006 wordt een autonoom tariefcontingent van 1 200 t (uitgelekt gewicht) met volgnummer 09.4075 (hierna „autonoom contingent” genoemd) geopend voor de invoer in de Gemeenschap van conserven van paddenstoelen van het geslacht Agaricus spp. van de GN-codes 0711 51 00, 2003 10 20 en 2003 10 30.

2.   Het ad-valoremrecht voor de in het kader van het autonome contingent ingevoerde producten bedraagt 12 % voor de producten van GN-code 0711 51 00 en 23 % voor de producten van de GN-codes 2003 10 20 en 2003 10 30.

Artikel 2

Verordening (EG) nr. 1864/2004 is van toepassing voor het beheer van het autonome contingent onder voorbehoud van het bepaalde in de onderhavige verordening.

Artikel 1, artikel 5, leden 2 en 5, artikel 6, leden 2, 3 en 4, artikel 7, artikel 8, lid 2, artikel 9 en artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1864/2004 zijn evenwel niet van toepassing voor het beheer van het autonome contingent.

Artikel 3

De in het kader van het autonome contingent afgegeven invoercertificaten, hierna „certificaten” genoemd, zijn slechts geldig tot en met 30 juni 2006.

In vak 24 van de certificaten wordt een van de in bijlage I opgenomen vermeldingen aangebracht.

Artikel 4

1.   De importeurs kunnen bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaten certificaataanvragen indienen gedurende vijf werkdagen na de datum van inwerkingtreding van de onderhavige verordening.

In vak 20 van de certificaataanvragen moet een van de in bijlage II opgenomen vermeldingen worden aangebracht.

2.   De door één traditionele importeur ingediende certificaataanvragen mogen betrekking hebben op ten hoogste 9 % van het autonome contingent.

3.   De door één nieuwe importeur ingediende certificaataanvragen mogen betrekking hebben op ten hoogste 1 % van het autonome contingent.

Artikel 5

Het autonome contingent wordt als volgt verdeeld:

95 % voor traditionele importeurs;

5 % voor nieuwe importeurs.

Indien de aan een categorie importeurs toegewezen hoeveelheid door deze categorie niet volledig wordt gebruikt, kan het saldo aan de andere categorie worden toegewezen.

Artikel 6

1.   De lidstaten delen de Commissie op de zevende werkdag na de inwerkingtreding van deze verordening mee voor welke hoeveelheden certificaten zijn aangevraagd.

2.   De certificaten worden afgegeven op de twaalfde werkdag na de inwerkingtreding van deze verordening voorzover de Commissie geen bijzondere maatregelen als bedoeld in lid 3 heeft genomen.

3.   Wanneer de Commissie op basis van de overeenkomstig lid 1 aan haar meegedeelde gegevens constateert dat de certificaataanvragen de overeenkomstig artikel 5 voor een categorie importeurs beschikbare hoeveelheden overschrijden, stelt zij bij verordening een uniform verlagingspercentage voor de betrokken aanvragen vast.

Artikel 7

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 maart 2006.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 325 van 28.10.2004, blz. 30. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1995/2005 (PB L 320 van 8.12.2005, blz. 34).


BIJLAGE I

In artikel 3 bedoelde vermeldingen

:

in het Spaans

:

Certificado expedido en virtud del Reglamento (CE) no 392/2006 y válido únicamente desde el 1 abril de 2006 hasta el 30 de junio de 2006.

:

in het Tsjechisch

:

Licence vydaná na základě nařízení (ES) č. 392/2006 a platná pouze od 1. dubna 2006 do 30. června 2006.

:

in het Deens

:

licens udstedt i henhold til forordning (EF) nr. 392/2006 og kun gyldig fra 1. april 2006 til den 30. juni 2006.

:

in het Duits

:

Lizenz gemäß der Verordnung (EG) Nr. 392/2006 erteilt und nur vom 1. April 2006 bis zum 30. Juni 2006 gültig.

:

in het Ests

:

määruse (EÜ) nr 392/2006 kohaselt väljastatud litsents, alates 1. aprillist 2006 mis kehtib 30. juunini 2006.

:

in het Grieks

:

Το πιστοποιητικό εκδόθηκε βάσει του κανονισμού (ΕΚ) αριθ. 392/2006 και ισχύει μόνο από την 1η Απριλίου 2006 έως τις 30 Ιουνίου 2006.

:

in het Engels

:

licence issued under Regulation (EC) No 392/2006 and valid only from 1 April 2006 until 30 June 2006.

:

in het Frans

:

certificat émis au titre du règlement (CE) no 392/2006 et valable seulement du 1er avril 2006 au 30 juin 2006.

:

in het Italiaans

:

domanda di titolo presentata ai sensi del regolamento (CE) n. 392/2006 e valida soltanto dal 1o aprile 2006 al 30 giugno 2006.

:

in het Lets

:

atļauja, kas izdota saskaņā ar Regulu (EK) Nr. 392/2006 un ir derīga tikai no 2006. gada 1. aprīļa līdz 2006. gada 30. jūnijam.

:

in het Litouws

:

Licencija, išduota pagal Reglamento (EB) Nr. 392/2006 nuostatas, galiojanti tik nuo 2006 m. balandžio 1 d. iki 2006 m. birželio 30 d.

:

in het Hongaars

:

a 392/2006/EK rendelet szerint kibocsátott engedély, csak 2006. április 1-től2006. június 30-ig érvényes.

:

in het Maltees

:

liċenzja maħruġa taħt ir-Regolament (KE) Nru 392/2006 u valida biss mill-1 ta’ April 2006 sat-30 ta' Ġunju 2006.

:

in het Nederlands

:

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 392/2006 afgegeven certificaat dat slechts vanaf 1 april tot en met 30 juni 2006 geldig is.

:

in het Pools

:

pozwolenie wydane zgodnie z rozporządzeniem (WE) nr 392/2006 i ważne wyłącznie od dnia 1 kwietnia 2006 do dnia 30 czerwca 2006 r.

:

in het Portugees

:

certificado emitido a título do Regulamento (CE) n.o 392/2006 e eficaz somente de 1 de Abril de 2006 até 30 de Junho de 2006.

:

in het Slowaaks

:

Licencia vydaná na základe nariadenia (ES) č. 392/2006 a platná len od 1. apríla 2006 do 30. júna 2006.

:

in het Sloveens

:

dovoljenje, izdano v skladu z Uredbo (ES) št. 392/2006 in veljavno samo od 1. aprila 2006 do 30. junija 2006.

:

in het Fins

:

asetuksen (EY) N:o 392/2006 mukaisesti annettu todistus, joka on voimassa ainoastaan 1 päivästä huhtikuuta 200630 päivään kesäkuuta 2006.

:

in het Zweeds

:

Licens utfärdad i enlighet med förordning (EG) nr 392/2006, giltig endast från och med den 1 april 2006 till och med den 30 juni 2006.


BIJLAGE II

In artikel 4, lid 1, bedoelde vermeldingen

:

in het Spaans

:

Solicitud de certificado presentada al amparo del Reglamento (CE) no 392/2006

:

in het Tsjechisch

:

žádost o licenci podaná na základě nařízení (ES) č. 392/2006

:

in het Deens

:

licensansøgning i henhold til forordning (EF) nr. 392/2006

:

in het Duits

:

Lizenzantrag gemäß der Verordnung (EG) Nr. 392/2006

:

in het Ests

:

määruse (EÜ) nr 392/2006 kohaselt esitatud litsentsitaotlus

:

in het Grieks

:

αίτηση χορήγησης πιστοποιητικού κατ’ εφαρμογήν του κανονισμού (ΕΚ) αριθ. 392/2006

:

in het Engels

:

licence application under Regulation (EC) No 392/2006

:

in het Frans

:

demande de certificat faite au titre du règlement (CE) no 392/2006

:

in het Italiaans

:

domanda di titolo presentata ai sensi del regolamento (CE) n. 392/2006

:

in het Lets

:

licence pieprasīta saskaņā ar Regulu (EK) Nr. 392/2006

:

in het Litouws

:

Prašymas išduoti licenciją pagal Reglamentą (EB) Nr. 392/2006

:

in het Hongaars

:

a 392/2006/EK rendelet szerinti engedélykérelem

:

in het Maltees

:

applikazzjoni għal liċenzja taħt ir-Regolament (KE) Nru 392/2006

:

in het Nederlands

:

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 392/2006 ingediende certificaataanvraag

:

in het Pools

:

wniosek o pozwolenie przedłożony zgodnie z rozporządzeniem (WE) nr 392/2006

:

in het Portugees

:

pedido de certificado apresentado a título do Regulamento (CE) n.o 392/2006

:

in het Slowaaks

:

žiadosť o licenciu na základe nariadenia (ES) č. 392/2006

:

in het Sloveens

:

dovoljenje, izdano v skladu z Uredbo (ES) št. 392/2006

:

in het Fins

:

asetuksen (EY) N:o 392/2006 mukainen todistushakemus

:

in het Zweeds

:

Licensansökan enligt förordning (EG) nr 392/2006.


7.3.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 65/18


VERORDENING (EG) Nr. 393/2006 VAN DE COMMISSIE

van 6 maart 2006

betreffende de opening en de wijze van beheer van een autonoom tariefcontingent voor knoflook met ingang van 1 april 2006

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op het Verdrag betreffende de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije,

Gelet op de Akte van toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, en met name op artikel 41, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1870/2005 van de Commissie (1) voorziet in de opening en de wijze van beheer van tariefcontingenten, alsmede in de invoering van een stelsel van oorsprongscertificaten voor uit derde landen ingevoerde knoflook.

(2)

Krachtens de overgangsmaatregelen die bij Verordening (EG) nr. 1870/2005 zijn vastgesteld, krijgen importeurs uit Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije (hier „de nieuwe lidstaten” genoemd) toegang tot de contingenten. Het doel van die maatregelen is om een onderscheid te maken tussen traditionele en nieuwe importeurs uit de nieuwe lidstaten en om het concept van de referentiehoeveelheid zo aan te passen dat die importeurs van het systeem kunnen profiteren.

(3)

Om de continuïteit van de marktvoorziening in de uitgebreide Gemeenschap te waarborgen met inachtneming van de economische voorzieningsvoorwaarden die in de nieuwe lidstaten bestonden vóór hun toetreding tot de Europese Unie, dient een tijdelijk en autonoom tariefcontingent voor de invoer van verse of gekoelde knoflook van GN-code 0703 20 00 te worden geopend.

(4)

Het nieuwe tariefcontingent moet op een tijdelijke basis worden geopend en met de opening ervan mag niet worden vooruitgelopen op het resultaat van de onderhandelingen die in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) aan de gang zijn ten gevolge van de toetreding van de nieuwe lidstaten.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor verse groenten en fruit,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Met ingang van 1 april 2006 wordt een autonoom tariefcontingent van 4 400 t met volgnummer 09.4066 (hierna „autonoom contingent” genoemd) geopend voor de communautaire invoer van verse of gekoelde knoflook van GN-code 0703 20 00.

2.   Het ad-valoremrecht voor de in het kader van het autonome contingent ingevoerde producten bedraagt 9,6 %.

Artikel 2

Onverminderd de bepalingen van de onderhavige verordening vindt het beheer van het autonome contingent plaats overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1870/2005.

Artikel 1, artikel 4, lid 2, artikel 6, artikel 7, lid 2, artikel 8, leden 3 en 6, artikel 9, eerste alinea, en artikel 10, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 1870/2005 zijn evenwel niet van toepassing voor het beheer van het autonome contingent.

Artikel 3

De in het kader van het autonome contingent afgegeven invoercertificaten (hierna „certificaten” genoemd) zijn slechts geldig tot en met 30 juni 2006.

Voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1870/2005 worden de certificaten behandeld als A-certificaten.

In vak 24 van de certificaten wordt een van de in bijlage I opgenomen vermeldingen aangebracht.

Artikel 4

1.   De importeurs kunnen bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaten certificaataanvragen indienen gedurende vijf werkdagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

In vak 20 van de certificaataanvragen moet een van de in bijlage II opgenomen vermeldingen worden aangebracht.

2.   De door één importeur ingediende certificaataanvragen mogen betrekking hebben op ten hoogste 10 % van het autonome contingent.

Artikel 5

Het autonome contingent wordt als volgt verdeeld:

70 % voor de traditionele importeurs,

30 % voor nieuwe importeurs.

Indien de aan een categorie importeurs toegewezen hoeveelheid door deze categorie niet volledig wordt gebruikt, kan het saldo aan de andere categorie worden toegewezen.

Artikel 6

1.   De lidstaten delen de Commissie op de zevende werkdag na de inwerkingtreding van de onderhavige verordening mee voor welke hoeveelheden certificaten zijn aangevraagd.

2.   De certificaten worden afgegeven op de twaalfde werkdag na de inwerkingtreding van deze verordening, tenzij de Commissie bijzondere maatregelen als bedoeld in lid 3 heeft genomen.

3.   Wanneer de Commissie op basis van de overeenkomstig lid 1 aan haar meegedeelde gegevens constateert dat de certificaataanvragen de overeenkomstig artikel 5 voor een categorie importeurs beschikbare hoeveelheden overschrijden, stelt zij bij verordening een uniform verlagingspercentage voor de betrokken aanvragen vast.

In dat geval worden de vergunningen door de bevoegde nationale autoriteiten afgegeven op de derde werkdag na de inwerkingtreding van de in de eerste alinea bedoelde verordening. Artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1870/2005 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 maart 2006.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 300 van 17.11.2005, blz. 19.


BIJLAGE I

In artikel 3 bedoelde vermeldingen

:

in het Spaans

:

Certificado expedido en virtud del Reglamento (CE) no 393/2006 y válido únicamente desde el 1 abril de 2006 hasta el 30 de junio de 2006.

:

in het Tsjechisch

:

Licence vydaná na základě nařízení (ES) č. 393/2006 a platná pouze od 1. dubna 2006 do 30. června 2006.

:

in het Deens

:

licens udstedt i henhold til forordning (EF) nr. 393/2006 og kun gyldig fra 1. april 2006 til den 30. juni 2006.

:

in het Duits

:

Lizenz gemäß der Verordnung (EG) Nr. 393/2006 erteilt und nur vom 1. April 2006 bis zum 30. Juni 2006 gültig.

:

in het Ests

:

määruse (EÜ) nr 393/2006 kohaselt väljastatud litsents, alates 1. aprillist 2006 mis kehtib 30. juunini 2006.

:

in het Grieks

:

Το πιστοποιητικό εκδόθηκε βάσει του κανονισμού (ΕΚ) αριθ. 393/2006 και ισχύει μόνο από την 1η Απριλίου 2006 έως τις 30 Ιουνίου 2006.

:

in het Engels

:

licence issued under Regulation (EC) No 393/2006 and valid only from 1 April 2006 until 30 June 2006.

:

in het Frans

:

certificat émis au titre du règlement (CE) no 393/2006 et valable seulement du 1er avril 2006 au 30 juin 2006.

:

in het Italiaans

:

domanda di titolo presentata ai sensi del regolamento (CE) n. 393/2006 e valida soltanto dal 1o aprile 2006 al 30 giugno 2006.

:

in het Lets

:

atļauja, kas izdota saskaņā ar Regulu (EK) Nr. 393/2006 un ir derīga tikai no 2006. gada 1. aprīļa līdz 2006. gada 30. jūnijam.

:

in het Litouws

:

Licencija, išduota pagal Reglamento (EB) Nr. 393/2006 nuostatas, galiojanti tik nuo 2006 m. balandžio 1 d. iki 2006 m. birželio 30 d.

:

in het Hongaars

:

a 393/2006/EK rendelet szerint kibocsátott engedély, csak 2006. április 1-től2006. június 30-ig érvényes.

:

in het Maltees

:

liċenzja maħruġa taħt ir-Regolament (KE) Nru 393/2006 u valida biss mill-1 ta’ April 2006 sat-30 ta' Ġunju 2006.

:

in het Nederlands

:

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 393/2006 afgegeven certificaat dat slechts vanaf 1 april tot en met 30 juni 2006 geldig is.

:

in het Pools

:

pozwolenie wydane zgodnie z rozporządzeniem (WE) nr 393/2006 i ważne wyłącznie od dnia 1 kwietnia 2006 do dnia 30 czerwca 2006 r.

:

in het Portugees

:

certificado emitido a título do Regulamento (CE) n.o 393/2006 e eficaz somente de 1 de Abril de 2006 até 30 de Junho de 2006.

:

in het Slowaaks

:

Licencia vydaná na základe nariadenia (ES) č. 393/2006 a platná len od 1. apríla 2006 do 30. júna 2006.

:

in het Sloveens

:

dovoljenje, izdano v skladu z Uredbo (ES) št. 393/2006 in veljavno samo od 1. aprila 2006 do 30. junija 2006.

:

in het Fins

:

asetuksen (EY) N:o 393/2006 mukaisesti annettu todistus, joka on voimassa ainoastaan 1 päivästä huhtikuuta 200630 päivään kesäkuuta 2006.

:

in het Zweeds

:

Licens utfärdad i enlighet med förordning (EG) nr 393/2006, giltig endast från och med den 1 april 2006 till och med den 30 juni 2006.


BIJLAGE II

In artikel 4, lid 1, bedoelde vermeldingen

:

in het Spaans

:

Solicitud de certificado presentada al amparo del Reglamento (CE) no 393/2006

:

in het Tsjechisch

:

žádost o licenci podaná na základě nařízení (ES) č. 393/2006

:

in het Deens

:

licensansøgning i henhold til forordning (EF) nr. 393/2006

:

in het Duits

:

Lizenzantrag gemäß der Verordnung (EG) Nr. 393/2006

:

in het Ests

:

määruse (EÜ) nr 393/2006 kohaselt esitatud litsentsitaotlus

:

in het Grieks

:

αίτηση χορήγησης πιστοποιητικού κατ’ εφαρμογήν του κανονισμού (ΕΚ) αριθ. 393/2006

:

in het Engels

:

licence application under Regulation (EC) No 393/2006

:

in het Frans

:

demande de certificat faite au titre du règlement (CE) no 393/2006

:

in het Italiaans

:

domanda di titolo presentata ai sensi del regolamento (CE) n. 393/2006

:

in het Lets

:

licence pieprasīta saskaņā ar Regulu (EK) Nr. 393/2006

:

in het Litouws

:

Prašymas išduoti licenciją pagal Reglamentą (EB) Nr. 393/2006

:

in het Hongaars

:

a 393/2006/EK rendelet szerinti engedélykérelem

:

in het Maltees

:

applikazzjoni għal liċenzja taħt ir-Regolament (KE) Nru 393/2006

:

in het Nederlands

:

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 393/2006 ingediende certificaataanvraag

:

in het Pools

:

wniosek o pozwolenie przedłożony zgodnie z rozporządzeniem (WE) nr 393/2006

:

in het Portugees

:

pedido de certificado apresentado a título do Regulamento (CE) n.o 393/2006

:

in het Slowaaks

:

žiadosť o licenciu na základe nariadenia (ES) č. 393/2006

:

in het Sloveens

:

dovoljenje, izdano v skladu z Uredbo (ES) št. 393/2006

:

in het Fins

:

asetuksen (EY) N:o 393/2006 mukainen todistushakemus

:

in het Zweeds

:

Licensansökan enligt förordning (EG) nr 393/2006.


7.3.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 65/22


RICHTLIJN 2006/26/EG VAN DE COMMISSIE

van 2 maart 2006

tot wijziging van de Richtlijnen 74/151/EEG, 77/311/EEG, 78/933/EEG en 89/173/EEG van de Raad betreffende landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen, met het oog op hun aanpassing aan de technische vooruitgang

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan en tot intrekking van Richtlijn 74/150/EEG van de Raad (1), en met name op artikel 19, lid 1,

Gelet op Richtlijn 74/151/EEG van de Raad van 4 maart 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende bepaalde onderdelen en eigenschappen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (2), en met name op artikel 4,

Gelet op Richtlijn 77/311/EEG van de Raad van 29 maart 1977 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het geluidsniveau op oorhoogte van bestuurders van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (3), en met name op artikel 5,

Gelet op Richtlijn 78/933/EEG van de Raad van 17 oktober 1978 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (4), en met name op artikel 5,

Gelet op Richtlijn 89/173/EEG van de Raad van 21 december 1988 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende bepaalde onderdelen en kenmerken van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (5), en met name op artikel 9,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De voorschriften van Richtlijn 74/151/EEG voor het toegestane totaalgewicht in volbelaste toestand en de asbelasting van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen moeten in verband met de verbeterde trekkertechnologie wat productiviteitsvergroting en veiligheid op het werk betreft, voor moderne trekkers worden aangepast.

(2)

Teneinde de mondiale activiteiten van de communautaire producenten te vergemakkelijken moeten de technische voorschriften en normen van de Gemeenschap worden aangepast aan de overeenkomstige mondiale technische voorschriften en normen. De proefsnelheid die is vastgesteld in de bijlagen I en II bij Richtlijn 77/311/EEG in verband met de in die richtlijn vastgestelde maximumwaarden voor het geluidsniveau op oorhoogte van bestuurders van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen, moet derhalve worden gelijkgetrokken met de proefsnelheid die in mondiale technische voorschriften of normen, zoals Code 5 van de OESO en ISO-norm 5131:1996 (6), wordt voorgeschreven.

(3)

Vanwege de huidige behoefte aan eenvoudiger ontwerpen en betere verlichting is het wenselijk dat de voorschriften van Richtlijn 78/933/EEG betreffende de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen, worden aangepast.

(4)

De voorschriften van Richtlijn 89/173/EEG voor de ruiten en koppelingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen moeten worden aangepast aan recente technologische ontwikkelingen. In het bijzonder moeten kunststofruiten van polycarbonaat worden toegestaan voor voorzieningen, met uitzondering van de voorruit, die dienen om de inzittenden beter te beschermen tegen voorwerpen die de stuurcabine binnendringen. De voorschriften voor mechanische koppelingen moeten in overeenstemming worden gebracht met ISO-norm 6489-1. Teneinde het aantal ongevallen en de ernst daarvan te beperken en de veiligheid op het werk te bevorderen, moeten bovendien niet alleen specifieke voorschriften met betrekking tot hete oppervlakken, maar ook maatregelen ter bescherming van accuaansluitingen en ter voorkoming van onbedoelde ontkoppeling worden vastgesteld.

(5)

De Richtlijnen 74/151/EEG, 77/311/EEG, 78/933/EEG en 89/173/EEG moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het krachtens artikel 20, lid 1, van Richtlijn 2003/37/EG ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Richtlijn 74/151/EEG

Richtlijn 74/151/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze richtlijn.

Artikel 2

Wijziging van Richtlijn 77/311/EEG

Richtlijn 77/311/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze richtlijn.

Artikel 3

Wijziging van Richtlijn 78/933/EEG

Richtlijn 78/933/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage III bij deze richtlijn.

Artikel 4

Wijziging van Richtlijn 89/173/EEG

Richtlijn 89/173/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage IV bij deze richtlijn.

Artikel 5

Overgangsbepalingen

1.   Met ingang van 1 januari 2007 geldt ten aanzien van voertuigen die voldoen aan de Richtlijnen 74/151/EEG, 78/933/EEG, 77/311/EEG en 89/173/EEG, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, dat de lidstaten om redenen die verband houden met het onderwerp van de desbetreffende richtlijn:

a)

niet de EG-typegoedkeuring of de nationale typegoedkeuring mogen weigeren, en

b)

niet de registratie, de verkoop of het in het verkeer brengen van dergelijke voertuigen mogen verbieden.

2.   Met ingang van 1 juli 2007 geldt ten aanzien van voertuigen die niet voldoen aan de Richtlijnen 74/151/EEG, 78/933/EEG, 77/311/EEG en 89/173/EEG, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, dat de lidstaten om redenen die verband houden met het onderwerp van de desbetreffende richtlijn:

a)

niet langer de EG-typegoedkeuring mogen verlenen, en

b)

de nationale typegoedkeuring mogen weigeren.

3.   Met ingang van 1 juli 2009 geldt ten aanzien van voertuigen die niet voldoen aan de Richtlijnen 74/151/EEG, 78/933/EEG, 77/311/EEG en 89/173/EEG, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, dat de lidstaten om redenen die verband houden met het onderwerp van de desbetreffende richtlijn:

a)

de certificaten van overeenstemming waarvan nieuwe voertuigen overeenkomstig Richtlijn 2003/37/EG vergezeld gaan, als niet langer geldig moeten beschouwen voor de toepassing van artikel 7, lid 1, van die richtlijn, en

b)

de registratie, de verkoop of het in het verkeer brengen van deze nieuwe voertuigen mogen weigeren.

Artikel 6

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 2006 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 7

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 8

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 2 maart 2006.

Voor de Commissie

Günter VERHEUGEN

Vice-voorzitter


(1)  PB L 171 van 9.7.2003, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2005/67/EG van de Commissie (PB L 273 van 19.10.2005, blz. 17).

(2)  PB L 84 van 28.3.1974, blz. 25. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 1998/38/EG van de Commissie (PB L 170 van 16.6.1998, blz. 13).

(3)  PB L 105 van 28.4.1977, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/54/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 277 van 10.10.1997, blz. 24).

(4)  PB L 325 van 20.11.1978, blz. 16. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 1999/56/EG van de Commissie (PB L 146 van 11.6.1999, blz. 31).

(5)  PB L 67 van 10.3.1989, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.

(6)  Respectievelijk te vinden op http://www.oecd.org/dataoecd/35/19/34733683.PDF en http://www.iso.org/iso/en/CatalogueDetailPage.CatalogueDetail?CSNUMBER=20842&ICS1=17&ICS2=140&ICS3=20.


BIJLAGE I

Richtlijn 74/151/EEG, bijlage I, punt 1.2, komt als volgt te luiden:

„1.2.

de toegestane massa in volbelaste toestand en de toegestane massa op elk der assen, afhankelijk van de voertuigcategorie, niet hoger zijn dan de in tabel 1 vermelde waarden.

Tabel 1

Toegestane massa in volbelaste toestand en toegestane massa op elk der assen, afhankelijk van de voertuigcategorie

Voertuigcategorie

Aantal assen

Toegestane massa

(ton)

Toegestane massa op elk der assen

Aangedreven as

(ton)

Niet-aangedreven as

(ton)

T1, T2, T4.1,

2

18 (volbelast)

11,5

10

3

24 (volbelast)

11,5

10

T3

2, 3

0,6 (onbelast)

 (1)

 (1)

T4.3

2, 3, 4

10 (volbelast)

 (1)

 (1)


(1)  Voor de voertuigcategorieën T3 en T4.3 hoeft geen grenswaarde voor de asbelasting te worden vastgesteld omdat de toegestane massa in volbelaste en/of onbelaste toestand voor die categorieën per definitie beperkt is.”.


BIJLAGE II

Richtlijn 77/311/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

i)

in punt 3.2.2 wordt „7,25 km/h” vervangen door „7,5 km/h”;

ii)

in punt 3.3.1 wordt „7,25 km/h” vervangen door „7,5 km/h”.

2)

In bijlage II, punt 3.2.3, wordt „7,25 km/h” vervangen door „7,5 km/h”.


BIJLAGE III

Richtlijn 78/933/EEG, bijlage I, wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan punt 4.5.1 wordt de volgende zin toegevoegd:

„Aanvullende richtingaanwijzers zijn facultatief.”.

2)

Punt 4.5.4.2 komt als volgt te luiden:

„4.5.4.2.

In de hoogterichting:

Boven het wegdek:

minimaal 500 mm voor richtingaanwijzers van categorie 5;

minimaal 400 mm voor richtingaanwijzers van de categorieën 1 en 2;

maximaal 1 900 mm voor alle categorieën;

Indien het in verband met de constructie van de trekker niet mogelijk is deze maximale grens aan te houden, mag het hoogste punt van het lichtdoorlatende gedeelte zich op een hoogte van 2 300 mm bevinden voor de richtingaanwijzers van categorie 5, voor die van de categorieën 1 en 2 van schema A, voor die van de categorieën 1 en 2 van schema B en voor die van de categorieën 1 en 2 van schema D en op een hoogte van 2 100 mm voor die van de categorieën 1 en 2 van de andere schema’s.

maximaal 4 000 mm voor facultatieve richtingaanwijzers.”.

3)

In punt 4.7.4.2 wordt „2 100 mm” vervangen door „2 300 mm”.

4)

In punt 4.10.4.2 wordt „2 100 mm” vervangen door „2 300 mm”.

5)

In punt 4.14.5.2.2 wordt „2 100 mm” vervangen door „2 300 mm”.

6)

Punt 4.15.7 komt als volgt te luiden:

„4.15.7.

Mag „gegroepeerd” zijn”.


BIJLAGE IV

Richtlijn 89/173/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:

a)

aan punt 2.2 worden de volgende punten toegevoegd:

„2.2.6.

Onder „normaal gebruik” wordt verstaan het gebruik van de trekker voor het door de fabrikant beoogde doel door een bestuurder die de eigenschappen van de trekker kent, overeenkomstig de gebruiks-, onderhouds- en veiligheidsaanwijzingen die de fabrikant in de gebruikershandleiding en op de trekker heeft vermeld.

2.2.7.

Onder „onverwacht contact” wordt verstaan onbedoeld contact tussen een persoon en een gevaarlijke zone als gevolg van de handelingen van een persoon bij het normale gebruik en onderhoud van de trekker.”;

b)

aan punt 2.3.2 worden de volgende punten toegevoegd:

„2.3.2.16.

Hete oppervlakken

Hete oppervlakken die de bestuurder bij normaal gebruik van de trekker kan bereiken, moeten zijn bedekt of geïsoleerd. Dit geldt voor hete oppervlakken die zich bevinden in de nabijheid van treden, leuningen, handgrepen en integrerende delen van de trekker die worden gebruikt om op de trekker te komen en die onverwacht kunnen worden aangeraakt.

2.3.2.17.

Bescherming van de accuaansluitingen

Niet-geaarde aansluitingen moeten worden beschermd tegen onbedoelde kortsluiting.”.

2)

Aan bijlage III-A, punt 1, wordt het volgende punt toegevoegd:

„1.1.3.

Ruiten van harde kunststof zijn toegestaan voor voorzieningen, met uitzondering van de voorruit, zoals goedgekeurd bij Richtlijn 92/22/EEG van de Raad (1) of bij VN-ECE-reglement nr. 43, bijlage 14.

3)

Bijlage IV wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 1.1, tweede streepje, komt als volgt te luiden:

„—

trekhaak (zie ISO 6489-1:2001, figuur 1, afmetingen van de trekhaak);”;

b)

aan afdeling 2 wordt het volgende punt 2.9 toegevoegd:

„2.9

Om onbedoelde ontkoppeling van de bevestigingsring te voorkomen, mag de afstand tussen de punt van de trekhaak en de koppeling (klem) bij de toegestane belading niet groter zijn dan 10 mm.”;

c)

in aanhangsel 1 worden figuur 3 en de bijbehorende tekst geschrapt.


(1)  PB L 129 van 14.5.1992, blz. 11.”.


7.3.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 65/27


RICHTLIJN 2006/28/EG VAN DE COMMISSIE

van 6 maart 2006

tot wijziging van Richtlijn 72/245/EEG van de Raad betreffende door voertuigen veroorzaakte radiostoring (elektromagnetische compatibiliteit) en van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, met het oog op hun aanpassing aan de technische vooruitgang

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (1), en met name op artikel 13, lid 2,

Gelet op Richtlijn 72/245/EEG van de Raad van 20 juni 1972 betreffende door voertuigen veroorzaakte radiostoring (elektromagnetische compatibiliteit) (2), en met name op artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 72/245/EEG is een van de bijzondere richtlijnen van de bij Richtlijn 70/156/EEG vastgestelde typegoedkeuringsprocedure.

(2)

Teneinde de veiligheid van voertuigen te verbeteren door de ontwikkeling en introductie van technologieën die gebruikmaken van kortbereikradarapparatuur voor motorvoertuigen te stimuleren, heeft de Commissie het gebruik van twee frequentiebanden van het radiospectrum geharmoniseerd bij Beschikking 2004/545/EG van de Commissie van 8 juli 2004 inzake de harmonisatie van het radiospectrum in de 79 GHz-band voor gebruik door kortbereikradarapparatuur voor motorvoertuigen in de Gemeenschap (3) en Beschikking 2005/50/EG van de Commissie van 17 januari 2005 inzake de harmonisatie van de 24 GHz-radiospectrumband voor in de tijd beperkt gebruik door kortbereikradarapparatuur voor motorvoertuigen in de Gemeenschap (4).

(3)

Ingevolge Beschikking 2005/50/EG is het gebruik van 24 GHz-kortbereikradarapparatuur voor motorvoertuigen in de tijd beperkt en moeten de lidstaten een controlesysteem inrichten om het aantal met 24 GHz-kortbereikradarapparatuur uitgeruste voertuigen op hun grondgebied vast te stellen.

(4)

Richtlijn 72/245/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2005/49/EG van de Commissie (5), gaf de lidstaten de nodige middelen om deze controle uit te voeren. Richtlijn 70/156/EEG is bij die richtlijn dienovereenkomstig gewijzigd.

(5)

Sindsdien is duidelijk geworden dat deze gegevens wat 24 GHz-kortbereikradarapparatuur betreft eenvoudiger kunnen worden verstrekt en dat het voor controledoeleinden niet nodig is om in het certificaat van overeenstemming, naast de informatie over 24 GHz-kortbereikradarapparatuur, informatie over het gebruik van 79 GHz-kortbereikradarapparatuur te vragen, aangezien de 79 GHz-band geen interferentie met andere apparatuur veroorzaakt en het gebruik ervan niet beperkt is. Daarom moeten in Richtlijn 72/245/EEG de voorschriften voor het gebruik van 24 GHz-kortbereikradarapparatuur worden gewijzigd en de voorschriften voor het gebruik van 79 GHz-kortbereikradarapparatuur worden geschrapt. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de geldigheid van bestaande goedkeuringen voor voertuigen die niet met 24 GHz-kortbereikradarapparatuur uitgerust zijn.

(6)

Verklaringen overeenkomstig het model in bijlage III C bij Richtlijn 72/245/EEG worden alleen door technische diensten afgegeven. Er zijn geen andere instanties of overheidsdiensten bij betrokken. Daarom is de momenteel vereiste extra stempel op de verklaring overbodig en moet deze worden geschrapt.

(7)

Richtlijn 72/245/EEG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

De wijzigingen van Richtlijn 72/245/EEG zijn van invloed op Richtlijn 70/156/EEG. Richtlijn 70/156/EEG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 13 van Richtlijn 70/156/EEG ingestelde Comité voor de aanpassing aan de technische vooruitgang,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Richtlijn 72/245/EEG

Richtlijn 72/245/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1)

In bijlage I wordt punt 2.1.14 geschrapt.

2)

Bijlage II A wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 12.7.1 komt als volgt te luiden:

„12.7.1.

Voertuig uitgerust met 24 GHz-kortbereikradarapparatuur: ja/neen/optioneel (doorhalen wat niet van toepassing is)”;

b)

punt 12.7.2 wordt geschrapt.

3)

Aanhangsel 1 van bijlage III A wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 1.3.1 komt als volgt te luiden:

„1.3.1.

Voertuig uitgerust met 24 GHz-kortbereikradarapparatuur: ja/neen/optioneel (doorhalen wat niet van toepassing is)”;

b)

punt 1.3.2 wordt geschrapt.

4)

In bijlage III C wordt het kader met de woorden „Stempel van de instantie” geschrapt.

Artikel 2

Wijziging van Richtlijn 70/156/EEG

Richtlijn 70/156/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 12.7.1 komt als volgt te luiden:

„12.7.1.

Voertuig uitgerust met 24 GHz-kortbereikradarapparatuur: ja/neen/optioneel (doorhalen wat niet van toepassing is)”;

b)

punt 12.7.2 wordt geschrapt.

2)

Bijlage III, deel 1, onder A, wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 12.7.1 komt als volgt te luiden:

„12.7.1.

Voertuig uitgerust met 24 GHz-kortbereikradarapparatuur: ja/neen/optioneel (doorhalen wat niet van toepassing is)”;

b)

punt 12.7.2 wordt geschrapt.

3)

In bijlage IX wordt bladzijde 2 van alle modellen van het certificaat van overeenstemming als volgt gewijzigd:

a)

punt 50 komt als volgt te luiden en de volgende voetnoot wordt ingevoegd:

„50.

Opmerkingen (6)

b)

de punten 50.1, 50.2 en 50.3 worden geschrapt.

Artikel 3

Omzetting

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 30 juni 2006 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 juli 2006.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 4

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 5

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 6 maart 2006.

Voor de Commissie

Günter VERHEUGEN

Vice-voorzitter


(1)  PB L 42 van 23.2.1970, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2005/64/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 310 van 25.11.2005, blz. 10).

(2)  PB L 152 van 6.7.1972, blz. 15. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2005/83/EG van de Commissie (PB L 305 van 24.11.2005, blz. 32).

(3)  PB L 241 van 13.7.2004, blz. 66.

(4)  PB L 21 van 25.1.2005, blz. 15.

(5)  PB L 194 van 26.7.2005, blz. 12.

(6)  Als het voertuig is uitgerust met 24 GHz-kortbereikradarapparatuur overeenkomstig Beschikking 2005/50/EG, moet de fabrikant hier vermelden: „Voertuig uitgerust met 24 GHz-kortbereikradarapparatuur”.”;


II Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

Raad

7.3.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 65/30


BESLUIT VAN DE RAAD

van 27 februari 2006

houdende het standpunt van de Gemeenschap in de Associatieraad EU-Chili betreffende de wijziging van bijlage I bij de Overeenkomst tot oprichting van een associatie tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds, met het oog op de integratie van de krachtens het communautaire schema van algemene tariefpreferenties (SAP) aan Chili toegekende tariefpreferenties

(2006/180/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 133,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Teneinde bedrijven duidelijkheid, economische voorspelbaarheid op lange termijn en rechtszekerheid te garanderen, wordt het dienstig geacht de nog resterende tariefpreferenties die uit hoofde van het communautaire schema van algemene tariefpreferenties aan Chili zijn verleend maar nog niet in de in bijlage I bij de Overeenkomst tot oprichting van een associatie tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds (1), ondertekend in Brussel op 18 november 2002, genoemde tariefconcessies van de Gemeenschap zijn opgenomen, in de bilaterale vrijhandelsovereenkomst te integreren.

(2)

Chili, thans een begunstigd land van het communautaire schema van algemene tariefpreferenties, zal door middel van bijgaand voorstel voor een besluit van de Associatieraad in aanmerking komen voor een handelsovereenkomst met een preferentiële behandeling die alle preferenties omvat waarin het in Verordening (EG) nr. 980/2005 van de Raad van 27 juni 2005 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties (2) vastgestelde schema voorziet,

BESLUIT:

Enig artikel

Het standpunt dat de Gemeenschap in de Associatieraad met betrekking tot de wijziging van bijlage I bij de Overeenkomst tot oprichting van een associatie tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds, moet innemen met het oog op de integratie van de krachtens het communautaire schema van algemene tariefpreferenties (SAP) aan Chili toegekende tariefpreferenties, is gebaseerd op het ontwerp-besluit van de Associatieraad gehecht aan dit besluit.

Gedaan te Brussel, 27 februari 2006.

Voor de Raad

De voorzitster

U. PLASSNIK


(1)  PB L 352 van 30.12.2002, blz. 3.

(2)  PB L 169 van 30.6.2005, blz. 1.


BIJLAGE

ONTWERP-BESLUIT Nr. …/2006 VAN DE ASSOCIATIERAAD EU-CHILI

van

betreffende de wijziging van bijlage I bij de Overeenkomst tot oprichting van een associatie tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds, met het oog op de integratie van de krachtens het communautaire schema van algemene tariefpreferenties (SAP) aan Chili toegekende tariefpreferenties

DE ASSOCIATIERAAD,

Gelet op de Overeenkomst tot oprichting van een associatie tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds, ondertekend in Brussel op 18 november 2002 (hierna „de Associatieovereenkomst” genoemd), en met name op artikel 60, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Teneinde bedrijven duidelijkheid, economische voorspelbaarheid op lange termijn en rechtszekerheid te garanderen, zijn de partijen overeengekomen de nog resterende tariefpreferenties die uit hoofde van het communautaire schema van algemene tariefpreferenties (SAP) aan Chili zijn verleend maar nog niet in de in bijlage I bij de Associatieovereenkomst genoemde tariefconcessies van de Gemeenschap zijn opgenomen, in hun bilaterale vrijhandelsovereenkomst te integreren.

(2)

Krachtens artikel 60, lid 5, van de Associatieovereenkomst kan de Associatieraad besluiten nemen om de douanerechten sneller te verlagen dan het tempo waarin de artikelen 65, 68 en 71 voorzien, of anderszins de markttoegangsvoorwaarden krachtens deze artikelen te verbeteren.

(3)

Een dergelijk besluit heeft voor de betrokken producten voorrang boven de bepalingen van de artikelen 65, 68 en 71.

(4)

Teneinde een vlotte overgang te garanderen van het SAP naar de bilaterale preferentiële handelsregeling die is ingesteld bij de Associatieovereenkomst, is het wenselijk dat SAP-oorsprongsbewijzen (certificaat van oorsprong formulier A of factuurverklaring) nog gedurende een bepaalde periode kunnen worden ingediend,

BESLUIT:

Artikel 1

Bijlage I bij de Associatieovereenkomst wordt gewijzigd overeenkomstig de in de bijlage bij dit besluit opgenomen bepalingen.

Artikel 2

Dit besluit heeft voorrang boven de bepalingen van de artikelen 65, 68 en 71 van de Associatieovereenkomst met betrekking tot de invoer in de Gemeenschap van de betrokken producten.

Artikel 3

In Chili in het kader van het communautaire schema van algemene tariefpreferenties (SAP) correct afgegeven oorsprongsbewijzen worden in de Europese Gemeenschap aanvaard als geldige oorsprongsbewijzen in het kader van de bilaterale preferentiële handelsregeling die is ingesteld bij de Associatieovereenkomst, op voorwaarde dat:

i)

het oorsprongsbewijs binnen vier maanden na de datum van inwerkingtreding van dit besluit wordt ingediend;

ii)

het oorsprongsbewijs en de vervoersdocumenten uiterlijk de dag vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn opgesteld;

iii)

het oorsprongsbewijs wordt overgelegd bij invoer in de Europese Gemeenschap om in aanmerking te komen voor tariefpreferenties die vroeger uit hoofde van het SAP werden verleend en bij dit besluit zijn geïntegreerd.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2006 of, indien het na die datum wordt aangenomen, op de dag waarop het wordt aangenomen.

Gedaan te …., …….

Voor de Associatieraad

De voorzitter

BIJLAGE

COMMUNAUTAIR SCHEMA VOOR DE AFSCHAFFING VAN RECHTEN

(bedoeld in de artikelen 60, 65 en 71 van de Associatieovereenkomst)

(I)

Toegepast douanerecht op de invoer in de Gemeenschap van producten van oorsprong uit Chili. Dit recht vloeit voort uit de consolidatie in de Associatieovereenkomst van het op Chili toegepaste SAP-recht.

(II)

Dit recht is alleen van toepassing op producten waarvoor geen contingent geldt.


HS heading

Description

Base

Category

0302

Fish, fresh or chilled, excluding fish fillets and other fish meat of heading 0304

 

 

 

– Salmonidae, excluding livers and roes

 

 

0302 69

– – Other

 

 

 

– – – Saltwater fish

 

 

 

– – – – Hake (Merluccius spp., Urophycis spp.)

 

 

 

– – – – – Hake of the genus Merluccius

 

 

0302 69 66

– – – – – – Cape hake (shallow-water hake) (Merluccius capensis) and deepwater hake (deepwater Cape hake) (Merluccius paradoxus)

11,50 % (I) (II)

TQ (4a)

0302 69 67

– – – – – – Southern hake (Merluccius australis)

11,50 % (I) (II)

TQ (4a)

0302 69 68

– – – – – – Other

11,50 % (I) (II)

TQ (4a)

0302 69 69

– – – – – Hake of the genus Urophycis

11,50 % (I) (II)

TQ (4a)

0305

Fish, dried, salted or in brine; smoked fish, whether or not cooked before or during the smoking process; flours, meals and pellets of fish, fit for human consumption

 

 

0305 30

– Fish fillets, dried, salted or in brine, but not smoked

 

 

0305 30 30

– – Of Pacific salmon (Oncorhynchus nerka, Oncorhynchus gorbuscha, Oncorhynchus keta, Oncorhynchus tschawytscha, Oncorhynchus kisutch, Oncorhynchus masou and Oncorhynchus rhodurus), Atlantic salmon (Salmo salar), and Danube salmon (Hucho hucho), salted or in brine

11,50 % (I) (II)

TQ (4b)

 

– Smoked fish, including fillets

 

 

0305 41 00

– – Pacific salmon (Oncorhynchus nerka, Oncorhynchus gorbuscha, Oncorhynchus keta, Oncorhynchus tschawytscha, Oncorhynchus kisutch, Oncorhynchus masou and Oncorhynchus rhodurus), Atlantic salmon (Salmo salar) and Danube salmon (Hucho hucho)

9,50 % (I) (II)

TQ (4b)

0704

Cabbages, cauliflowers, kohlrabi, kale and similar edible brassicas, fresh or chilled

 

 

ex ex 0704 10 00

– Cauliflowers and headed broccoli (1/12 to 14/4)

6,1 % (I)

 

ex ex 0704 10 00

– Cauliflowers and headed broccoli (15/4 to 30/11)

10,1 % (I)

 

0704 90

– Other

 

 

0704 90 10

– – White cabbages and red cabbages

8,5 % (I)

 

0705

Lettuce (Lactuca sativa) and chicory (Cichorium spp.), fresh or chilled

 

 

 

– Lettuce

 

 

ex ex 0705 11 00

– – Cabbage lettuce (head lettuce) (01/12 to 31/03)

6,9 % (I)

 

ex ex 0705 11 00

– – Cabbage lettuce (head lettuce) (01/04 to 30/11)

8,5 % (I)

 

0708

Leguminous vegetables, shelled or unshelled, fresh or chilled

 

 

ex ex 0708 20 00

– Beans (Vigna spp., Phaseolus spp.) (1/10 to 30/06)

6,9 % (I)

 

ex ex 0708 20 00

– Beans (Vigna spp., Phaseolus spp.) (1/07 to 30/09)

10,1 % (I)

 

0710

Vegetables (uncooked or cooked by steaming or boiling in water), frozen

 

 

0710 40 00

– Sweetcorn

1,6 % + 9,4 EUR/100 kg/net eda (I)

 

0711

Vegetables provisionally preserved (for example, by sulphur dioxide gas, in brine, in sulphur water or in other preservative solutions), but unsuitable in that state for immediate consumption

 

 

 

– Mushrooms and truffles

 

 

0711 51 00

– – Mushrooms of the genus Agaricus

6,1 % + 191 EUR/100 kg/net eda (I)

 

0711 90

– Other vegetables; mixtures of vegetables

 

 

 

– – Vegetables

 

 

0711 90 30

– – – Sweetcorn

1,6 % + 9,4 EUR/100 kg/net eda (I)

 

0714

Manioc, arrowroot, salep, Jerusalem artichokes, sweet potatoes and similar roots and tubers with high starch or inulin content, fresh, chilled, frozen or dried, whether or not sliced or in the form of pellets; sago pith

 

 

0714 20

– Sweet potatoes

 

 

0714 20 90

– – Other

4,4 EUR/100 kg/net (I)

 

0811

– Fruit and nuts, uncooked or cooked by steaming or boiling in water, frozen, whether or not containing added sugar or other sweetening matter

 

 

0811 20

– Raspberries, blackberries, mulberries, loganberries, black-, white- or redcurrants and gooseberries

 

 

 

– – Containing added sugar or other sweetening matter

 

 

0811 20 11

– – – With a sugar content exceeding 13 % by weight

17,3 % + 8,4 EUR/100 kg (I)

 

0811 90

– Other

 

 

 

– – Containing added sugar or other sweetening matter

 

 

 

– – – With a sugar content exceeding 13 % by weight

 

 

0811 90 11

– – – – Tropical fruit and tropical nuts

9,5 % + 5,3 EUR/100 kg

 

0811 90 19

– – – – Other

17,3 % + 8,4 EUR/100 kg (I) (II)

 

1008

Buckwheat, millet and canary seed; other cereals

 

 

1008 90

– Other cereals

 

 

ex ex 1008 90 90

– – Quinoa

25,9 EUR/1 000 kg (I)

 

1604

Prepared or preserved fish; caviar and caviar substitutes prepared from fish eggs

 

 

 

– Fish, whole or in pieces, but not minced

 

 

1604 14

– – Tunas, skipjack and bonito (Sarda spp.)

 

 

 

– – – Tunas and skipjack

 

 

1604 14 11

– – – – In vegetable oil

20,5 % (I) (II)

TQ(5)

 

– – – – Other

 

 

1604 14 16

– – – – – Fillets known as „loins”

20,5 % (I)

 

1604 14 18

– – – – – Other

20,5 % (I) (II)

TQ(5)

1604 19

– – Other:

 

 

 

– – – Fish of the genus Euthynnus, other than skipjack (Euthynnus (Katsuwonus) pelamis)

 

 

1604 19 31

– – – – Fillets known as „loins”

20,5 % (I)

1604 19 39

– – – – Other

20,5 % (I) (II)

TQ(5)

1604 20

– Other prepared or preserved fish

 

 

 

– – Other

 

 

1604 20 70

– – – Of tunas, skipjack or other fish of the genus Euthynnus

20,5 % (I) (II)

TQ(5)

1702

Other sugars, including chemically pure lactose, maltose, glucose and fructose, in solid form; sugar syrups not containing added flavouring or colouring matter; artificial honey, whether or not mixed with natural honey; caramel

 

 

1702 50 00

– Chemically pure fructose

12,5 % + 50,7 EUR/100 kg/net mas (I)

 

1702 90

– Other, including invert sugar and other sugar and sugar syrup blends containing in the dry state 50 % by weight of fructose

 

 

1702 90 10

– – Chemically pure maltose

8,9 % (I)

 

1902

Pasta, whether or not cooked or stuffed (with meat or other substances) or otherwise prepared, such as spaghetti, macaroni, noodles, lasagne, gnocchi, ravioli, cannelloni; couscous, whether or not prepared

 

 

1902 20

– Stuffed pasta, whether or not cooked or otherwise prepared

 

 

1902 20 30

– – Containing more than 20 % by weight of sausages and the like, of meat and meat offal of any kind, including fats of any kind or origin

38 EUR/100 kg (I)

 

2001

Vegetables, fruit, nuts and other edible parts of plants, prepared or preserved by vinegar or acetic acid

 

 

2001 90

– Other

 

 

2001 90 30

– – Sweetcorn (Zea mays var. saccharata)

1,6 % + 9,4 EUR/100 kg/net eda (I)

 

2003

Mushrooms and truffles, prepared or preserved otherwise than by vinegar or acetic acid

 

 

2003 10

– Mushrooms of the genus Agaricus

 

 

2003 10 20

– – Provisionally preserved, completely cooked

14,9 % + 191 EUR/100 kg/net eda (I) (II)

TQ (2d)

2003 10 30

– – Other

14,9 % + 222 EUR/100 kg/net eda (I) (II)

TQ (2d)

2004

Other vegetables prepared or preserved otherwise than by vinegar or acetic acid, frozen, other than products of heading 2006

 

 

2004 90

– Other vegetables and mixtures of vegetables

 

 

2004 90 10

– – Sweetcorn (Zea mays var. saccharata)

1,6 % + 9,4 EUR/100 kg/net eda (I)

 

2006 00

Vegetables, fruit, nuts, fruit-peel and other parts of plants, preserved by sugar (drained, glacé or crystallised)

 

 

 

– Other

 

 

 

– – With a sugar content exceeding 13 % by weight

 

 

2006 00 31

– – – Cherries

16,5 % + 23,9 EUR/100 kg (I)

 

2006 00 35

– – – Tropical fruit and tropical nuts

9 % + 15 EUR/100 kg (I)

 

2006 00 38

– – – Other

16,5 % + 23,9 EUR/100 kg (I)

 

2007

Jams, fruit jellies, marmalades, fruit or nut purée and fruit or nut pastes, obtained by cooking, whether or not containing added sugar or other sweetening matter

 

 

2007 10

– Homogenised preparations

 

 

2007 10 10

– – With a sugar content exceeding 13 % by weight

20,4 % + 4,2 EUR/100 kg (I)

 

 

– Other

 

 

2007 91

– – Citrus fruit

 

 

2007 91 10

– – – With a sugar content exceeding 30 % by weight

16,5 % + 23 EUR/100 kg (I)

 

2007 91 30

– – – With a sugar content exceeding 13 % but not exceeding 30 % by weight

16,5 % + 4,2 EUR/100 kg (I)

 

2007 99

– – Other

 

 

 

– – – With a sugar content exceeding 30 % by weight

 

 

2007 99 20

– – – – Chestnut purée and paste

20,5 % + 19,7 EUR/100 kg (I)

 

 

– – – – Other

 

 

2007 99 31

– – – – – Of cherries

20,5 % + 23 EUR/100 kg (I)

 

2007 99 33

– – – – – Of strawberries

20,5 % + 23 EUR/100 kg (I)

 

2007 99 35

– – – – – Of raspberries

20,5 % + 23 EUR/100 kg (I)

 

2007 99 39

– – – – – Other

20,5 % + 23 EUR/100 kg (I)

 

 

– – – With a sugar content exceeding 13 % but not exceeding 30 % by weight

 

 

2007 99 55

– – – – Apple purée, including compotes

20,5 % + 4,2 EUR/100 kg (I)

 

2007 99 57

– – – – Other

20,5 % + 4,2 EUR/100 kg (I)

 

2008

Fruit, nuts and other edible parts of plants, otherwise prepared or preserved, whether or not containing added sugar or other sweetening matter or spirit, not elsewhere specified or included

 

 

2008 20

– Pineapples

 

 

 

– – Containing added spirit

 

 

 

– – – In immediate packings of a net content exceeding 1 kg

 

 

2008 20 11

– – – – With a sugar content exceeding 17 % by weight

22,1 % + 2,5 EUR/100 kg (I)

 

 

– – – In immediate packings of a net content not exceeding 1 kg

 

 

2008 20 31

– – – – With a sugar content exceeding 19 % by weight

22,1 % + 2,5 EUR/100 kg (I)

 

2008 30

– Citrus fruit

 

 

 

– – Containing added spirit

 

 

 

– – – With a sugar content exceeding 9 % by weight

 

 

2008 30 19

– – – – Other

22,1 % + 4,2 EUR/100 kg (I)

 

2008 50

– Apricots

 

 

 

– – Containing added spirit

 

 

 

– – – In immediate packings of a net content exceeding 1 kg

 

 

 

– – – – With a sugar content exceeding 13 % by weight

 

 

2008 50 19

– – – – – Other

22,1 % + 4,2 EUR/100 kg (I)

 

 

– – – In immediate packings of a net content not exceeding 1 kg

 

 

2008 50 51

– – – – With a sugar content exceeding 15 % by weight

22,1 % + 4,2 EUR/100 kg (I)

 

2008 60

– Cherries

 

 

 

– – Containing added spirit

 

 

 

– – – With a sugar content exceeding 9 % by weight

 

 

2008 60 19

– – – – Other

22,1 % + 4,2 EUR/100 kg (I) (II)

TQ (2e)

2008 80

– Strawberries

 

 

 

– – Containing added spirit

 

 

 

– – – With a sugar content exceeding 9 % by weight

 

 

2008 80 19

– – – – Other

22,1 % + 4,2 EUR/100 kg (I)

 

2008 92

– Other, including mixtures other than those of subheading 2008 19

 

 

 

– – Mixtures

 

 

 

– – – Containing added spirit

 

 

 

– – – – With a sugar content exceeding 9 % by weight

 

 

 

– – – – – Other

 

 

2008 92 16

– – – – – – Of tropical fruit (including mixtures containing 50 % or more by weight of tropical nuts and tropical fruit)

12,5 % + 2,6 EUR/100 kg (I)

 

2008 92 18

– – – – – – Other

22,1 % + 4,2 EUR/100 kg (I)

 

2008 99

– – Other

 

 

 

– – – Containing added spirit

 

 

 

– – – – Grapes

 

 

2008 99 21

– – – – – With a sugar content exceeding 13 % by weight

22,1 % + 3,8 EUR/100 kg (I)

 

 

– – – – Other:

 

 

 

– – – – – With a sugar content exceeding 9 % by weight:

 

 

 

– – – – – – Other:

 

 

2008 99 32

– – – – – – – Passion fruit and guavas

12,5 % + 2,6 EUR/100 kg (I)

 

2008 99 33

– – – – – – – Mangoes, mangosteens, papaws (papayas), tamarinds, cashew apples, lychees, jackfruit, sapodillo plums, carambola and pitahaya

12,5 % + 2,6 EUR/100 kg (I)

 

2008 99 34

– – – – – – – Other

22,1 % + 4,2 EUR/100 kg (I)

 

2009

Fruit juices (including grape must) and vegetable juices, unfermented and not containing added spirit, whether or not containing added sugar or other sweetening matter

 

 

 

– Orange juice

 

 

2009 11

– – Frozen

 

 

 

– – – Of a Brix value exceeding 67

 

 

2009 11 11

– – – – Of a value not exceeding EUR 30 per 100 kg net weight

30,1 % + 20,6 EUR/100 kg (I)

 

 

– – – Of a Brix value not exceeding 67

 

 

2009 11 91

– – – – Of a value not exceeding EUR 30 per 100 kg net weight and with an added sugar content exceeding 30 % by weight

11,7 % + 20,6 EUR/100 kg (I)

 

2009 19

– – Other

 

 

 

– – – Of a Brix value exceeding 67

 

 

2009 19 11

– – – – Of a value not exceeding EUR 30 per 100 kg net weight

30,1 % + 20,6 EUR/100 kg (I)

 

 

– – – Of a Brix value exceeding 20 but not exceeding 67

 

 

2009 19 91

– – – – Of a value not exceeding EUR 30 per 100 kg net weight and with an added sugar content exceeding 30 % by weight

11,7 % + 20,6 EUR/100 kg (I)

 

2009 29

– – Other:

 

 

 

– – – Of a Brix value exceeding 67

 

 

2009 29 11

– – – – Of a value not exceeding EUR 30 per 100 kg net weight

30,1 % + 20,6 EUR/100 kg (I)

 

 

– – – Of a Brix value exceeding 20 but not exceeding 67

 

 

2009 29 91

– – – – Of a value not exceeding EUR 30 per 100 kg net weight and with an added sugar content exceeding 30 % by weight

8,5 % + 20,6 EUR/100 kg (I)

 

2009 39

– – Other:

 

 

 

– – – Of a Brix value exceeding 67

 

 

2009 39 11

– – – – Of a value not exceeding EUR 30 per 100 kg net weight

30,1 % + 20,6 EUR/100 kg (I)

 

 

– – – Of a Brix value exceeding 20 but not exceeding 67

 

 

 

– – – – Of a value not exceeding EUR 30 per 100 kg net weight

 

 

 

– – – – – Lemon juice

 

 

2009 39 51

– – – – – – With an added sugar content exceeding 30 % by weight

10,9 % + 20,6 EUR/100 kg (I)

 

 

– – – – – Other citrus fruit juices

 

 

2009 39 91

– – – – – – With an added sugar content exceeding 30 % by weight

10,9 % + 20,6 EUR/100 kg (I)

 

 

– Pineapple juice

 

 

2009 49

– – Other

 

 

 

– – – Of a Brix value exceeding 67

 

 

2009 49 11

– – – – Of a value not exceeding EUR 30 per 100 kg net weight

30,1 % + 20,6 EUR/100 kg (I)

 

 

– – – Of a Brix value exceeding 20 but not exceeding 67

 

 

 

– – – – Other:

 

 

2009 49 91

– – – – – With an added sugar content exceeding 30 % by weight

11,7 % + 20,6 EUR/100 kg (I)

 

 

– Grape juice (including grape must)

 

 

2009 61

– – Of a Brix value not exceeding 30

 

 

2009 61 90

– – – Of a value not exceeding EUR 18 per 100 kg net weight

18,9 % + 27 EUR/hl (I)

 

2009 69

– – Other:

 

 

 

– – – Of a Brix value exceeding 67:

 

 

2009 69 11

– – – – Of a value not exceeding EUR 22 per 100 kg net weight

36,5 % + 121 EUR/hl + 20,6 EUR/100 kg (I)

 

 

– – – Of a Brix value exceeding 30 but not exceeding 67

 

 

 

– – – – Of a value not exceeding EUR 18 per 100 kg net weight

 

 

 

– – – – – With an added sugar content exceeding 30 % by weight

 

 

2009 69 71

– – – – – – Concentrated

18,9 % + 131 EUR/hl + 20,6 EUR/100 kg (I)

 

2009 69 79

– – – – – – Other

18,9 % + 27 EUR/hl + 20,6 EUR/100 kg (I)

 

2009 69 90

– – – – – Other

18,9 % + 27 EUR/hl (I)

 

2009 79

– – Other

 

 

 

– – – Of a Brix value exceeding 67

 

 

2009 79 11

– – – – Of a value not exceeding EUR 22 per 100 kg net weight

26,5 % + 18,4 EUR/100 kg (I)

 

 

– – Of a Brix value exceeding 20 but not exceeding 67

 

 

 

– – – – Other

 

 

2009 79 91

– – – – – With an added sugar content exceeding 30 % by weight

14,5 % + 19,3 EUR/100 kg (I)

 

2009 80

– Juice of any other single fruit or vegetable

 

 

 

– – Of a Brix value exceeding 67

 

 

 

– – – Pear juice

 

 

2009 80 11

– – – – Of a value not exceeding EUR 22 per 100 kg net weight

30,1 % + 20,6 EUR/100 kg (I)

 

 

– – – Other

 

 

 

– – – – Of a value not exceeding EUR 30 per 100 kg net weight

 

 

2009 80 32

– – – – – Juices of passion fruit and guavas

17,5 % + 12,9 EUR/100 kg (I)

 

2009 80 33

– – – – – Juices of mangoes, mangosteens, papaws (papayas), tamarinds, cashew apples, lychees, jackfruit, sapodillo plums, carambola and pitahaya

17,5 % + 12,9 EUR/100 kg (I)

 

2009 80 35

– – – – – Other

30,1 % + 20,6 EUR/100 kg (I)

 

 

– – Of a Brix value not exceeding 67:

 

 

 

– – – Pear juice:

 

 

 

– – – – Other

 

 

2009 80 61

– – – – – With an added sugar content exceeding 30 % by weight

15,7 % + 20,6 EUR/100 kg (I)

 

 

– – – Other

 

 

 

– – – – Other

 

 

 

– – – – – With an added sugar content exceeding 30 % by weight

 

 

2009 80 83

– – – – – – Juices of passion fruit and guavas

7 % + 12,9 EUR/100 kg (I)

 

2009 80 84

– – – – – – Juices of mangoes, mangosteens, papaws (papayas), tamarinds, cashew apples, lychees, jackfruit, sapodillo plums, carambola and pitahaya

7 % + 12,9 EUR/100 kg (I)

 

2009 80 86

– – – – – – Other

13,3 % + 20,6 EUR/100 kg

 

2009 90

– Mixtures of juices

 

 

 

– – Of a Brix value exceeding 67

 

 

 

– – – Mixtures of apple and pear juice

 

 

2009 90 11

– – – – Of a value not exceeding EUR 22 per 100 kg net weight

30,1 % + 20,6 EUR/100 kg (I)

 

 

– – – Other

 

 

2009 90 21

– – – – Of a value not exceeding EUR 30 per 100 kg net weight

30,1 % + 20,6 EUR/100 kg (I)

 

 

– – Of a Brix value not exceeding 67

 

 

 

– – – Mixtures of apple and pear juice

 

 

2009 90 31

– – – – Of a value not exceeding EUR 18 per 100 kg net weight and with an added sugar content exceeding 30 % by weight

16,5 % + 20,6 EUR/100 kg (I)

 

 

– – – Other

 

 

 

– – – – Of a value not exceeding EUR 30 per 100 kg net weight

 

 

 

– – – – – Mixtures of citrus fruit juices and pineapple juice

 

 

2009 90 71

– – – – – – With an added sugar content exceeding 30 % by weight

11,7 % + 20,6 EUR/100 kg (I)

 

 

– – – – – Other

 

 

 

– – – – – – With an added sugar content exceeding 30 % by weight:

 

 

2009 90 92

– – – – – – – Mixtures of juices of tropical fruit

7 % + 12,9 EUR/100 kg (I)

 

2009 90 94

– – – – – – – Other

13,3 % + 20,6 EUR/100 kg (I)

 

2102

Yeasts (active or inactive); other single-cell micro-organisms, dead (but not including vaccines of heading 3002); prepared baking powders

 

 

2102 10

– Active yeasts

 

 

2102 10 10

– – Culture yeast

7,4 % (I)

 

 

– – Bakers' yeast

 

 

2102 10 31

– – – Dried

8,5 % (I)

 

2106

Food preparations not elsewhere specified or included

 

 

2106 90

– Other

 

 

2106 90 10

– – Cheese fondues

24,5 EUR/100 kg (I)

 

2106 90 20

– – Compound alcoholic preparations, other than those based on odoriferous substances, of a kind used for the manufacture of beverages

12,1 % (I)

 

 

– – Other

 

 

2106 90 92

– – – Containing no milkfats, sucrose, isoglucose, glucose or starch or containing, by weight, less than 1,5 % milkfat, 5 % sucrose or isoglucose, 5 % glucose or starch

8,9 % (I)

 

2106 90 98

– – – Other

5,5 % + EA (I)

 

2205

Vermouth and other wine of fresh grapes flavoured with plants or aromatic substances

 

 

2205 10

– In containers holding 2 litres or less:

 

 

2205 10 10

– – Of an actual alcoholic strength by volume of 18 % vol or less

7,6 EUR/hl (I)

 

2205 10 90

– – Of an actual alcoholic strength by volume exceeding 18 % vol

0 EUR/% vol/hl + 4,4 EUR/hl (I)

 

2205 90

– Other

 

 

2205 90 10

– – Of an actual alcoholic strength by volume of 18 % vol or less

6,3 EUR/hl (I)

 

2205 90 90

– – Of an actual alcoholic strength by volume exceeding 18 % vol

0 EUR/% vol/hl (I)

 

2206 00

Other fermented beverages (for example, cider, perry, mead); mixtures of fermented beverages and mixtures of fermented beverages and non-alcoholic beverages, not elsewhere specified or included

 

 

2206 00 10

– Piquette

0 % (I)

 

 

– Other

 

 

 

– – Sparkling

 

 

2206 00 31

– – – Cider and perry

13,4 EUR/hl (I)

 

2206 00 39

– – – Other

13,4 EUR/hl (I)

 

 

– – Still, in containers holding

 

 

 

– – – 2 litres or less

 

 

2206 00 51

– – – – Cider and perry

5,3 EUR/hl (I)

 

2206 00 59

– – – – Other

5,3 EUR/hl (I)

 

 

– – – More than 2 litres

 

 

2206 00 81

– – – – Cider and perry

4 EUR/hl (I)

 

2206 00 89

– – – – Other

4 EUR/hl (I)

 

2208

Undenatured ethyl alcohol of an alcoholic strength by volume of less than 80% vol; spirits, liqueurs and other spirituous beverages

 

 

2208 90

– Other

 

 

 

– – Undenatured ethyl alcohol of an alcoholic strength by volume of less than 80 % vol, in containers holding

 

 

2208 90 91

– – – 2 litres or less

0,7 EUR/% vol/hl + 4,4 EUR/hl (I)

 

2208 90 99

– – – More than 2 litres

0,7 EUR/% vol/hl (I)

 

2209 00

Vinegar and substitutes for vinegar obtained from acetic acid

 

 

 

– Wine vinegar, in containers holding

 

 

2209 00 11

– – 2 litres or less

4,4 EUR/hl (I)

 

2209 00 19

– – More than 2 litres

3,3 EUR/hl (I)

 

 

– Other, in containers holding

 

 

2209 00 91

– – 2 litres or less

3,5 EUR/hl (I)

 

2209 00 99

– – More than 2 litres

2,6 EUR/hl (I)

 

2307 00

Wine lees; argol

 

 

 

– Wine lees

 

 

2307 00 19

– – Other

0,0 % (I)

 

2308 00

Vegetable materials and vegetable waste, vegetable residues and by-products, whether or not in the form of pellets, of a kind used in animal feeding, not elsewhere specified or included

 

 

 

– Grape marc

 

 

2308 00 19

– – Other

0,0 % (I)

 

2401

Unmanufactured tobacco; tobacco refuse

 

 

2401 10

– Tobacco, not stemmed/stripped

 

 

 

– – Flue-cured Virginia type and light air-cured Burley type tobacco (including Burley hybrids); light air-cured Maryland type and fire-cured tobacco

 

 

2401 10 10

– – – Flue-cured Virginia type

14,9 % MAX 24 EUR/100 kg (I)

 

2401 10 20

– – – Light air-cured Burley type (including Burley hybrids)

14,9 % MAX 24 EUR/100 kg (I)

 

2401 10 30

– – – Light air-cured Maryland type

6,4 % MAX 24 EUR/100 kg (I)

 

 

– – – Fire-cured tobacco

 

 

2401 10 41

– – – – Kentucky type

14,9 % MAX 24 EUR/100 kg (I)

 

2401 10 49

– – – – Other

6,4 % MAX 24 EUR/100 kg (I)

 

 

– – Other

 

 

2401 10 50

– – – Light air-cured tobacco

3,9 % MAX 56 EUR/100 kg (I)

 

2401 10 60

– – – Sun-cured Oriental type tobacco

7,7 % MAX 56 EUR/100 kg (I)

 

2401 10 70

– – – Dark air-cured tobacco

7,7 % MAX 56 EUR/100 kg (I)

 

2401 10 80

– – – Flue-cured tobacco

3,9 % MAX 56 EUR/100 kg (I)

 

2401 10 90

– – – Other tobacco

3,9 % MAX 56 EUR/100 kg (I)

 

2401 20

– Tobacco, partly or wholly stemmed/stripped

 

 

 

– – Flue-cured Virginia type and light air-cured Burley type tobacco (including Burley hybrids); light air-cured Maryland type and fire-cured tobacco

 

 

2401 20 10

– – – Flue-cured Virginia type

14,9 % MAX 24 EUR/100 kg (I)

 

2401 20 20

– – – Light air-cured Burley type (including Burley hybrids)

14,9 % MAX 24 EUR/100 kg (I)

 

2401 20 30

– – – Light air-cured Maryland type

6,4 % MAX 24 EUR/100 kg (I)

 

 

– – – Fire-cured tobacco

 

 

2401 20 41

– – – – Kentucky type

14,9 % MAX 24 EUR/100 kg (I)

 

2401 20 49

– – – – Other

6,4 % MAX 24 EUR/100 kg (I)

 

 

– – Other

 

 

2401 20 50

– – – Light air-cured tobacco

3,9 % MAX 56 EUR/100 kg (I)

 

2401 20 60

– – – Sun-cured Oriental type tobacco

7,7 % MAX 56 EUR/100 kg (I)

 

2401 20 70

– – – Dark air-cured tobacco

7,7 % MAX 56 EUR/100 kg (I)

 

2401 20 80

– – – Flue-cured tobacco

3,9 % MAX 56 EUR/100 kg (I)

 

2401 20 90

– – – Other tobacco

3,9 % MAX 56 EUR/100 kg (I)

 

2401 30 00

– Tobacco refuse

3,9 % MAX 56 EUR/100 kg (I)

 

3823

Industrial monocarboxylic fatty acids; acid oils from refining; industrial fatty alcohols

 

 

3823 70 00

– Industrial fatty alcohols

0 % (I)

 


7.3.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 65/45


BESCHIKKING VAN DE RAAD

van 27 februari 2006

waarbij het Koninkrijk der Nederlanden wordt gemachtigd tot toepassing van een maatregel die afwijkt van artikel 11 van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting

(Slechts de tekst in de Nederlandse taal is authentiek)

(2006/181/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (1), en met name op artikel 27,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij brief, ingekomen bij het secretariaat-generaal van de Commissie op 4 oktober 2004, heeft het Koninkrijk der Nederlanden verzocht om machtiging tot toepassing van een bijzondere maatregel die afwijkt van artikel 11, A, lid 1, onder a), van Richtlijn 77/388/EEG.

(2)

Overeenkomstig artikel 27, lid 2, van Richtlijn 77/388/EEG heeft de Commissie de overige lidstaten bij brief van 1 december 2004 van het verzoek van het Koninkrijk der Nederlanden in kennis gesteld. Bij brief van 2 december 2004 heeft de Commissie het Koninkrijk der Nederlanden meegedeeld dat zij over alle gegevens beschikte die zij nodig achtte voor de beoordeling van het verzoek.

(3)

De derogatie moet voorkomen dat btw wordt ontweken door de onderwaardering van transacties tussen verbonden partijen waarbij de ontvanger de btw niet volledig of bijna volledig kan aftrekken. Zij moet misbruiken tegengaan bij de levering van investeringsgoederen of daarmee samenhangende diensten, zoals huur of lease of enige andere regeling waarbij de goederen ter beschikking worden gesteld van de ontvanger. Ingevolge de relatie tussen de partijen wordt de vergoeding vaak niet op de normale waarde vastgesteld, wat tot fors lagere btw-inkomsten leidt.

(4)

De bijzondere maatregel dient uitsluitend te gelden voor de gevallen waarin de overheid kan vaststellen dat de maatstaf van heffing zoals bepaald overeenkomstig artikel 11, A, lid 1, onder a), werd beïnvloed door de relatie tussen de betrokken partijen. Deze bevinding mag niet berusten op vermoedens, maar moet telkens worden gestaafd door harde feiten.

(5)

Het is derhalve passend en niet onevenredig het Koninkrijk der Nederlanden toe te staan de normale waarde van deze transacties als de maatstaf van heffing aan te merken.

(6)

De derogaties uit hoofde van artikel 27 van Richtlijn 77/388/EEG ter bestrijding van btw-ontwijking die verband houdt met de maatstaf van heffing van transacties tussen verbonden partijen, zijn opgenomen in een voorstel voor een richtlijn waarbij een aantal derogaties uit hoofde van genoemd artikel wordt gerationaliseerd. Daarom dient de geldigheidsduur van deze derogatie te worden beperkt tot de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.

(7)

De derogatie heeft geen negatieve gevolgen voor de eigen middelen van de Gemeenschappen uit de BTW,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:

Artikel 1

In afwijking van artikel 11, A, lid 1, onder a), van Richtlijn 77/388/EEG wordt het Koninkrijk der Nederlanden gemachtigd om de normale waarde, als omschreven in artikel 11, A, lid 1, onder d), van Richtlijn 77/388/EEG aan te merken als de maatstaf van heffing ter zake van de levering van investeringsgoederen of enige andere levering van diensten waarbij het investeringsgoed ter beschikking wordt gesteld van de ontvanger, voorzover aan de volgende voorwaarden is voldaan:

1)

de ontvanger heeft geen volledig of bijna volledig recht op aftrek;

2)

de leverancier/dienstverrichter en de ontvanger zijn direct of indirect verbonden personen overeenkomstig de nationale wetgeving;

3)

op grond van een aantal feiten kan uit de omstandigheden worden geconcludeerd dat de relatie tussen deze verbonden personen van invloed is geweest op de maatstaf van heffing, zoals bepaald overeenkomstig artikel 11, A, lid 1, onder a), van Richtlijn 77/388/EEG.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „investeringsgoederen” verstaan investeringsgoederen zoals omschreven door het Koninkrijk der Nederlanden overeenkomstig artikel 20, lid 4, van Richtlijn 77/388/EEG alsook, voorzover zij niet onder deze definitie vallen, diensten van aanzienlijke waarde waarop kan worden afgeschreven.

Artikel 2

De in artikel 1 verleende machtiging vervalt op de datum van inwerkingtreding van de richtlijn tot rationalisering van de derogaties uit hoofde van artikel 27 van Richtlijn 77/388/EEG ter bestrijding van btw-ontwijking met betrekking tot de maatstaf van heffing, maar uiterlijk op 31 december 2009.

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk der Nederlanden.

Gedaan te Brussel, 27 februari 2006.

Voor de Raad

De voorzitster

U. PLASSNIK


(1)  PB L 145 van 13.6.1977, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2005/92/EG (PB L 345 van 28.12.2005, blz. 19).


Commissie

7.3.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 65/47


BESLUIT Nr. 33/2005 VAN DE GEMENGDE COMMISSIE INGESTELD BIJ DE OVEREENKOMST INZAKE WEDERZIJDSE ERKENNING TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP EN DE VERENIGDE STATEN VAN AMERIKA

van 16 februari 2006

tot opneming van een overeenstemmingsbeoordelingsorgaan in de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit (EMC)

(2006/182/EG)

DE GEMENGDE COMMISSIE,

Gelet op de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika, en met name op de artikelen 7 en 14,

Overwegende dat de Gemengde Commissie een besluit moet nemen over de opneming van een of meer overeenstemmingsbeoordelingsorganen in een sectorbijlage,

BESLUIT:

1.

Het in aanhangsel A vermelde overeenstemmingsbeoordelingsorgaan wordt toegevoegd aan de lijst van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in afdeling V van de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit.

2.

De specifieke reikwijdte van de opneming in de lijst, wat de producten en overeenstemmingsbeoordelingsprocedures betreft, van het in aanhangsel A vermelde overeenstemmingsbeoordelingsorgaan is door de partijen overeengekomen en zal door hen worden gehandhaafd.

Dit besluit, opgemaakt in twee exemplaren, wordt ondertekend door vertegenwoordigers van de Gemengde Commissie die gemachtigd zijn de overeenkomst namens de partijen te wijzigen. Dit besluit treedt in werking op de datum waarop de laatste van deze handtekeningen is aangebracht.

Namens de Verenigde Staten van Amerika

James C. SANFORD

Ondertekend te Washington, 6 februari 2006.

Namens de Europese Gemeenschap

Andra KOKE

Ondertekend te Brussel, 16 februari 2006.


Aanhangsel A

Het hierna vermelde EG-overeenstemmingsbeoordelingsorgaan wordt toegevoegd aan de lijst van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in afdeling V van de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit

IMQ — Istituto Italiano del Marchio di Qualità

Via Quintiliano, 43

I-20138 MILANO

Tel. (+39) 02 5073 392

Fax (+39) 02 5099 1509


7.3.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 65/49


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 28 februari 2006

tot wijziging van Beschikking 2006/7/EG wat betreft de uitbreiding van de landenlijst en de verlenging van de toepassingsperiode daarvan

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 619)

(Voor de EER relevante tekst)

(2006/183/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (1), en met name op artikel 22, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Aviaire influenza is een besmettelijke virale ziekte bij pluimvee en andere vogels, die leidt tot sterfte en anomalieën die snel de vorm van een epizoötie kunnen aannemen en daardoor een ernstige bedreiging vormen voor de dier- en de volksgezondheid en voor de rentabiliteit van de pluimveehouderij. Het gevaar bestaat dat de ziekteverwekker via de internationale handel in levend pluimvee en pluimveeproducten, waaronder onbewerkte veren, wordt binnengebracht.

(2)

Naar aanleiding van het uitbreken van een bijzonder ernstige epidemie van aviaire influenza, veroorzaakt door een hoogpathogene influenzavirusstam van subtype H5N1, in vele landen in Zuidoost-Azië in december 2003 heeft de Commissie een aantal beschermende maatregelen met betrekking tot aviaire influenza vastgesteld, rekening houdend met het feit dat deze ziekte ook een groot risico voor de volksgezondheid vormt.

(3)

Overeenkomstig Beschikking 2006/7/EG van de Commissie van 9 januari 2006 tot vaststelling van bepaalde beschermende maatregelen betreffende de invoer van veren uit bepaalde derde landen (2) is de invoer van onbewerkte veren en delen daarvan uit verscheidene derde landen opgeschort. Die derde landen zijn opgenomen in de lijst in de bijlage bij Beschikking 2006/7/EG. Die beschikking is van toepassing tot en met 30 april 2006.

(4)

Het aantal derde landen met uitbraken of vermoedelijke uitbraken van aviaire influenza is onlangs toegenomen. Het blijkt dat de ziekte door trekvogels naar die landen is overgebracht.

(5)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar op 13-14 september 2005 goedgekeurde Scientific Opinion on Animal health and welfare aspects of avian influenza geconcludeerd dat om het mogelijke risico van verspreiding van zowel laag- als hoogpathogene aviaire influenza door veren te beperken, zij naar behoren moeten worden bewerkt voordat zij in de handel worden gebracht. Dit advies is uitgebracht voordat de hoogpathogene aviaire-influenzavirusstam van subtype H5N1 de neiging vertoonde om zich op wereldschaal te verspreiden.

(6)

In het licht van het advies van de EFSA en de huidige noodsituatie is de Commissie voornemens de bestaande permanente communautaire maatregelen betreffende de invoer van veren te herzien, met name de desbetreffende bepalingen van Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (3), waarin de voorschriften worden vastgesteld waaronder dierlijke bijproducten uit derde landen mogen worden ingevoerd zonder dat zij daarbij een risico voor de volks- en de diergezondheid in de Gemeenschap opleveren. In hoofdstuk VIII van bijlage VIII bij die verordening worden de eisen vastgesteld voor het in de handel brengen van veren of delen van veren. Om een volledige harmonisatie op dit gebied op communautair niveau tot stand te brengen moet echter worden voorzien in de vaststelling van gezondheidscertificaten voor de invoer van veren en delen van veren, en de lijst van derde landen waaruit de lidstaten de invoer van deze dierlijke bijproducten toestaan.

(7)

Wegens de snelle verspreiding van hoogpathogene aviaire influenza van subtype H5N1 tijdens de laatste maanden, in het licht van de insleep van aviaire influenza in de Gemeenschap door onbewerkte veren, voor de betere bescherming van de gezondheid van de personen die ingevoerde zendingen van onbewerkte veren hanteren en in afwachting van de herziening van hoofdstuk VIII van bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 1774/2003 moet Beschikking 2006/7/EG van toepassing zijn tot en met 31 juli 2006. Het is ook dienstig dat de invoer van onbewerkte veren en delen daarvan uit alle derde landen tijdelijk wordt opgeschort, onverminderd andere reeds bestaande communautaire invoerbeperkingen wegens hoogpathogene aviaire influenza.

(8)

Beschikking 2006/7/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Beschikking 2006/7/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 4 wordt de datum „30 april 2006” vervangen door „31 juli 2006”.

2)

De bijlage wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze beschikking.

Artikel 2

De lidstaten nemen onmiddellijk de nodige maatregelen om aan deze beschikking te voldoen en zij maken die maatregelen bekend. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 28 februari 2006.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 24 van 30.1.1998, blz. 9. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1; gerectificeerd in PB L 191 van 28.5.2004, blz. 1).

(2)  PB L 5 van 10.1.2006, blz. 17.

(3)  PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 208/2006 van de Commissie (PB L 36 van 8.2.2006, blz. 25).


BIJLAGE

De bijlage bij Beschikking 2006/7/EG wordt vervangen door:

„BIJLAGE

In de artikelen 1 en 2 bedoelde landen:

 

Alle derde landen.”.


Besluiten aangenomen krachtens titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie

7.3.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 65/51


GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN 2006/184/GBVB VAN DE RAAD

van 27 februari 2006

betreffende de ondersteuning van het BTWC in het kader van de strategie van de EU tegen de verspreiding van massavernietigingswapens

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, inzonderheid artikel 14,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 12 december 2003 heeft de Europese Raad de strategie van de Europese Unie ter bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens aangenomen, waarvan hoofdstuk III een lijst van daartoe te treffen maatregelen bevat.

(2)

De Europese Unie geeft momenteel actief uitvoering aan deze EU-strategie en aan de in hoofdstuk III ervan genoemde maatregelen, met name die welke verband houden met het versterken van het Verdrag inzake biologische en toxinewapens (BTWC), met inbegrip van de ondersteuning van de nationale implementatie van het BTWC en gaat voort zich te beraden op het toetsingsmechanisme.

(3)

De voorlegging van vertrouwenwekkende maatregelen (CBM's) draagt in aanzienlijke mate bij tot een transparantere implementatie van het BTWC en er is een EU-actieplan overeengekomen om het aantal door de lidstaten voorgelegde CBM's te vergroten en alle lidstaten aan te moedigen lijsten van geschikte deskundigen en laboratoria in te dienen bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties (SGVN); de resultaten kunnen als uitgangspunt dienen voor de vaststelling van de inhoud van verdere gemeenschappelijke optredens op dit gebied.

(4)

De conferentie ter toetsing van het BTWC in 2006 biedt een goede gelegenheid om tot overeenstemming te komen over specifieke, praktische en realistische maatregelen ter versterking van zowel het BTWC als de naleving ervan. In dit verband blijft de EU zich inzetten voor het ontwikkelen van maatregelen ter toetsing van de naleving van het BTWC. Nu onderhandelingen over een dergelijk toetsingsmechanisme uitblijven, moet er evenwel nog veel nuttig werk worden verricht binnen het bestek van het intersessionele werkprogramma van het BTWC.

(5)

De Commissie wordt belast met het toezicht op een deugdelijke implementatie van de financiële bijdrage van de EU,

HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Om onverwijld praktische uitvoering te geven aan enkele onderdelen van de EU-strategie ter bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens, steunt de EU het BTWC met betrekking tot de volgende doelstellingen:

bevorderen dat het BTWC een universeel karakter krijgt;

de verdragsluitende staten steunen bij de uitvoering van het BTWC.

2.   Projecten sluiten aan bij de maatregelen van de EU-strategie wanneer zij gericht zijn op:

de versterking van het universele karakter van het BTWC door middel van activiteiten, waaronder regionale en subregionale workshops en seminars, die tot doel hebben meer staten tot het BTWC te doen toetreden;

bijstand aan staten die partij zijn bij het verdrag, met het oog op de nationale uitvoering van het BTWC opdat zij de uit het BTWC voortvloeiende internationale verplichtingen omzetten in hun nationale wetgeving en bestuursmaatregelen.

In de bijlage gaat een nadere omschrijving van de bovenbedoelde projecten.

Artikel 2

1.   Het voorzitterschap is verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk optreden, waarbij de Commissie volledig betrokken wordt. De Commissie oefent toezicht uit op de correcte implementatie van de financiële bijdrage als bepaald in artikel 3.

2.   Voor het verwezenlijken van de in artikel 1, lid 1, omschreven doelstellingen wordt het voorzitterschap bijgestaan door de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger voor het GBVB (SG/HV), die verantwoordelijk is voor de politieke coördinatie van de uitvoering van de in artikel 1, lid 2, bedoelde projecten.

3.   De technische uitvoering van de in artikel 1, lid 2, bedoelde projecten wordt toevertrouwd aan het Graduate Institute for International Studies te Genève, dat zijn taken verricht onder verantwoordelijkheid van het voorzitterschap en onder het toezicht van de SG/HV.

Artikel 3

1.   Het financiële referentiebedrag voor de uitvoering van de twee in artikel 1, lid 2, bedoelde projecten bedraagt 867 000 EUR.

2.   De met het in lid 1 genoemde bedrag gefinancierde uitgaven worden beheerd met inachtneming van de procedures en voorschriften van de Gemeenschap die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Europese Unie, met dien verstande dat eventuele voorfinanciering niet het eigendom van de Europese Gemeenschap blijft.

3.   Voor de uitvoering van de in artikel 1, lid 2, bedoelde projecten sluit de Commissie een financieringsovereenkomst met het in artikel 2, lid 3, genoemde Graduate Institute for International Studies te Genève.

Artikel 4

Het voorzitterschap, bijgestaan door de SG/HV, brengt aan de Raad verslag uit over de uitvoering van dit gemeenschappelijk optreden op basis van de verslagen die het Graduate Institute for International Studies te Genève op gezette tijden zal opstellen. De Commissie wordt hierbij volledig betrokken en verstrekt in het bijzonder informatie over de financiële uitvoering van de in artikel 1, lid 2, bedoelde projecten.

Artikel 5

Dit gemeenschappelijk optreden treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Het verstrijkt 18 maanden na de aanneming.

Artikel 6

Dit gemeenschappelijk optreden wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 27 februari 2006.

Voor de Raad

De voorzitster

U. PLASSNIK


BIJLAGE

1.   Doel

Algemene doelstelling: ondersteuning van het universeel maken van het BTWC en in het bijzonder bevordering van de toetreding tot het BTWC van staten die nog geen partij zijn (staten die het verdrag wél en staten die het verdrag niet hebben ondertekend) en ondersteuning van de uitvoering van het BTWC door de staten die reeds partij zijn.

Omschrijving: de bijstand van de EU aan het BTWC is gericht op de volgende gebieden, die de Europese BTWC-staten hebben aangemerkt als gebieden waarop met spoed actie moet worden ondernomen:

i)

bevordering van het universele karakter van het BTWC;

ii)

steun voor de uitvoering van het BTWC door de staten die partij zijn bij dat verdrag.

De hieronder omschreven projecten ontvangen uitsluitend EU-steun.

2.   Omschrijving van de projecten:

2.1.   Project 1: bevordering van het universele karakter van het BTWC

 

Doel van het project:

Bevorderen van toetreding tot het BTWC door middel van regionale en subregionale workshops. Het doel van de workshops is toetreding aan te moedigen en daardoor de implementatie van het BTWC in de betrokken regio's te bevorderen, informatie te geven over de voordelen en gevolgen van toetreding tot het BTWC, alsook het verkrijgen van inzicht in de behoeften van de staten die geen partij zijn teneinde hun toetreding te vergemakkelijken, en technische en redactionele EU-bijstand aan te bieden aan staten die daaraan behoefte hebben.

 

Projectresultaten:

i)

Toetreding van meer landen tot het BTWC in verschillende regio's (West- en Centraal-Afrika, oostelijk en zuidelijk Afrika, het Midden-Oosten, Centraal-Azië en de Kaukasus, Azië en de eilanden in de Stille Oceaan, Latijns-Amerika en het Caribisch gebied).

ii)

Versterkte regionale netwerken (waarbij relevante subregionale organisaties en netwerken op diverse voor het BTWC belangrijke terreinen zijn betrokken).

 

Omschrijving van het project:

Het project voorziet in de organisatie van vijf regionale workshops in 2006-2007, in drie opeenvolgende fasen. De eerste voorbereidende fase bestaat in het leggen van contacten met relevante actoren (diplomaten en deskundigen), het houden van voorbereidende vergaderingen en het samenstellen van informatiepaketten, het verrichten van onderzoek en van de toetsing van de stand van uitvoering in doellanden, alsmede het instellen van een op het internet gebaseerd systeem voor het beheer van informatie en van gegevens over samenwerking in het kader van het project. Doel van de tweede fase is de diplomatieke wereld en, ruimer gezien, de nationale overheden van de geselecteerde landen bewust te maken van het belang van het BTWC en de grondslag te leggen voor de effectieve deelname van de betrokken landen aan de derde fase van het project. Daartoe zal een reeks vergaderingen met diplomaten van de geselecteerde landen worden georganiseerd in Brussel, Genève, Den Haag en New York, waar de diplomatieke activiteiten in verband met het BTWC gewoonlijk plaatsvinden. In de derde fase van het project zijn vijf regionale workshops gepland:

a)

Een workshop over het BTWC voor in West- en Centraal-Afrika gelegen staten die het verdrag hebben ondertekend en staten die geen partij zijn, om deelname van beleidsvormers en regionale organisaties, bijvoorbeeld de Afrikaanse Unie, mogelijk te maken. Er zullen vertegenwoordigers worden uitgenodigd van onder andere Kameroen, de Centraal-Afrikaanse Republiek, Tsjaad, Ivoorkust, Gabon, Guinea, Liberia en Mauritanië. Verscheidene sprekers van de EU zullen de deelnemers informeren over het belang en de voordelen van toetreding tot het BTWC, alsook over EU-initiatieven inzake non-proliferatie en ontwapening. Tevens zal een staat in de regio die partij is bij het verdrag, worden uitgenodigd voor deelname aan de workshop.

b)

Een workshop over het BTWC voor in oostelijk en zuidelijk Afrika gelegen staten die het verdrag hebben ondertekend en staten die geen partij zijn, om deelname van beleidsvormers en regionale organisaties, bijvoorbeeld de Afrikaanse Unie mogelijk te maken. Er zullen vertegenwoordigers worden uitgenodigd van onder andere Angola, Burundi, Comoren, Djibouti, Eritrea, Madagaskar, Malawi, Mozambique, Namibië, Somalië, de Verenigde Republiek van Tanzania en Zambia. Verscheidene sprekers van de EU zullen de deelnemers informeren over het belang en de voordelen van toetreding tot het BTWC, alsook over EU-initiatieven inzake non-proliferatie en ontwapening. Tevens zal een staat in de regio die partij is bij het verdrag, worden uitgenodigd voor deelname aan de workshop.

c)

Een workshop over het BTWC voor in het Midden-Oosten gelegen staten die het verdrag hebben ondertekend en staten die geen partij zijn. Er zullen vertegenwoordigers worden uitgenodigd van onder andere Egypte, Israël, de Arabische Republiek Syrië en de Verenigde Arabische Emiraten. Verscheidene sprekers van de EU zullen de deelnemers informeren over het belang en de voordelen van toetreding tot het BTWC, alsook over EU-initiatieven inzake non-proliferatie en ontwapening. Tevens zal een staat in de regio die partij is bij het verdrag, worden uitgenodigd voor deelname aan de workshop.

d)

Een workshop over het BTWC voor Aziatische en tot de eilanden van de Stille Oceaan behorende staten die hebben ondertekend en staten die geen partij zijn. Er zullen vertegenwoordigers worden uitgenodigd van onder andere de Cookeilanden, Kiribati, de Marshalleilanden, Micronesia, Myanmar, Nauru, Nepal, Niue, Samoa en Tuvalu. Verscheidene sprekers van de EU zullen de deelnemers informeren over het belang en de voordelen van toetreding tot het BTWC, alsook over EU-initiatieven inzake non-proliferatie en ontwapening. Tevens zal een staat in de regio die partij is bij het verdrag, worden uitgenodigd voor deelname aan de workshop.

e)

Workshop over het BTWC voor in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied gelegen staten die het verdrag hebben ondertekend en staten die geen partij zijn. Er zullen vertegenwoordigers worden uitgenodigd van onder andere Haïti, Guyana en Trinidad en Tobago. Verscheidene sprekers van de EU zullen de deelnemers informeren over het belang en de voordelen van toetreding tot het BTWC, alsook over EU-initiatieven inzake non-proliferatie en ontwapening. Tevens zal een staat in de regio die partij is bij het verdrag, worden uitgenodigd voor deelname aan de workshop.

 

Geraamde totale kosten: 509 661 EUR

2.2.   Project 2: Bijstand aan staten die partij zijn bij het verdrag ten behoeve van de nationale uitvoering van het BTWC

 

Doel van het project:

Ervoor zorgen dat staten die partij zijn bij het verdrag de internationale verplichtingen van het BTWC omzetten in hun nationale wetgeving en bestuursmaatregelen.

 

Projectresultaten:

Overeenkomstig de door hen in het „BTWC intersessional Process” gemaakte keuzen moet de nationale implementatie door de afzonderlijke staten die partij zijn bij het verdrag drie elementen bevatten:

i)

Aanneming van nationale wetgeving, met inbegrip van strafwetgeving, die alle verbodsbepalingen van het verdrag omvat;

ii)

Effectieve regelgeving of wetgeving om controle en toezicht uit te oefenen op overdrachten van relevante technologieën voor tweeërlei gebruik;

iii)

Effectieve uitvoering en handhaving om overtredingen te voorkomen respectievelijk te bestraffen.

 

Omschrijving van het project:

Het project strekt ertoe lacunes in de implementatie van het BTWC op te vullen, zoals het ontbreken van een netwerk voor juridisch advies en van een actieplan voor de implementatie, het ontbreken van nationale contactpunten voor de implementatie van het BTWC, en de onzekerheid over de minimumnormen voor de nationale implementatie van het BTWC. Teneinde deze tekortkomingen te verhelpen, voorziet het project in een voorbereidingsfase, waarin onder meer een groep van juridische deskundigen van de EU wordt ingesteld en onderzoeks- en overlegactiviteiten worden verricht. De hierna genoemde maatregelen voor bijstand bij de implementatie zullen in de volgende fase worden genomen:

a)

Er wordt een conferentie georganiseerd in het kader van de voorbereiding van de BTWC-toetsingsconferentie van 2006 om kennis te nemen van de specifieke behoeften van daarom verzoekende staten die partij zijn bij het verdrag maar die hun verplichtingen ingevolge het BTWC nog dienen na te komen.

b)

Er worden bezoeken met het oog op bijstand inzake wetgevings- en technische aspecten georganiseerd, teneinde in te gaan op specifieke behoeften van daarom verzoekende staten. Tijdens de bezoeken zal aandacht worden besteed aan het opstellen van nationale wetgeving om ervoor te zorgen dat de verplichtingen ingevolge het BTWC effectief worden omgezet in een reeks nationale wetten en maatregelen, met inbegrip van passende strafrechtelijke bepalingen. De EU zal de staten tevens bijstaan bij het vaststellen van maatregelen met het oog op een passende fysieke bescherming tegen biologische agentia en toxinen, alsmede bij de keuze van de daarmee verband houdende materialen en uitrusting. Ieder bezoek zal ongeveer vijf dagen duren. Er zullen telkens niet meer dan drie deskundigen aan deelnemen. Deskundigen uit EU-lidstaten zullen worden uitgenodigd om aan de bezoeken deel te nemen.

c)

De projecten zullen, voorzover opportuun, vertalingen van het BTWC verstrekken en deze vervolgens beschikbaar stellen op internet.

 

Geraamde totale kosten: 277 431 EUR

3.   Duur

De totale duur van de uitvoering van dit gemeenschappelijk optreden wordt op 18 maanden geraamd.

4.   Begunstigden

De begunstigden van de activiteiten die gericht zijn op het universeel maken van het verdrag zijn staten die geen partij bij het BTWC zijn (zowel staten die het verdrag wél als staten die het verdrag niet hebben ondertekend). De begunstigden van de op uitvoering gerichte activiteiten zijn staten die partij zijn bij het BTWC.

5.   Uitvoeringsorgaan

Aan het Graduate Institute for International Studies te Genève wordt (via het door dit instituut georganiseerde Bioweapons Prevention Project, BWPP, directeur: Dr. Zanders) de technische uitvoering van de twee projecten toevertrouwd, waarbij de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger via zijn persoonlijke vertegenwoordiger voor de non-proliferatie van massavernietigingswapens voor de nodige politieke coördinatie zorgt. De geplande regionale workshops en raadplegingen zullen worden georganiseerd met ondersteuning door het Instituut voor veiligheidsstudies van de EU. Bij de uitvoering van zijn activiteiten zal het BWP-project, waar dit van pas komt, samenwerken met plaatselijke missies van lidstaten en van de Commissie.

6.   Raming van de benodigde middelen

De bijdrage van de EU dekt de volledige uitvoering van de in deze bijlage omschreven projecten. De kosten worden als volgt geraamd:

Project 1

509 661 EUR

Project 2

277 431 EUR

Administratieve uitgaven (7 % van de directe kosten)

55 096 EUR

TOTALE KOSTEN (exclusief onvoorziene kosten):

842 188 EUR

Verder bestaat er voor onvoorziene kosten een reserve ten belope van ongeveer 3 % (24 812 EUR) van de voorziene kosten.

TOTALE KOSTEN (inclusief onvoorziene kosten):

867 000 EUR

7.   Financieel referentiebedrag voor de kosten van de projecten

De totale kosten van de projecten bedragen 867 000 EUR.