ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 194

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

48e jaargang
26 juli 2005


Inhoud

 

I   Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

Bladzijde

 

 

Verordening (EG) nr. 1191/2005 van de Commissie van 25 juli 2005 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

1

 

*

Verordening (EG) nr. 1192/2005 van de Commissie van 25 juli 2005 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1915/83 houdende enige uitvoeringsbepalingen inzake de boekhoudingen voor de constatering van de inkomens in de landbouwbedrijven

3

 

*

Verordening (EG) nr. 1193/2005 van de Commissie van 25 juli 2005 tot wijziging van de lijst van landen en gebieden in Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 )

4

 

*

Verordening (EG) nr. 1194/2005 van de Commissie van 25 juli 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2799/1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad ten aanzien van de toekenning van steun voor ondermelk en mageremelkpoeder voor voederdoeleinden en de verkoop van voornoemd mageremelkpoeder

7

 

*

Verordening (EG) nr. 1195/2005 van de Commissie van 25 juli 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 214/2001 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad ten aanzien van de interventiemaatregelen op de markt voor mageremelkpoeder

8

 

*

Verordening (EG) nr. 1196/2005 van de Commissie van 22 juli 2005 betreffende de indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

9

 

 

Verordening (EG) nr. 1197/2005 van de Commissie van 25 juli 2005 betreffende de afgifte van uitvoercertificaten van het B-stelsel in de sector groenten en fruit (sinaasappelen)

11

 

*

Richtlijn 2005/49/EG van de Commissie van 25 juli 2005 tot wijziging van Richtlijn 72/245/EEG van de Raad betreffende door voertuigen veroorzaakte radiostoring (elektromagnetische compatibiliteit) en van Richtlijn 70/156/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, met het oog op hun aanpassing aan de technische vooruitgang ( 1 )

12

 

 

Besluiten aangenomen krachtens titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie

 

*

Gemeenschappelijk Optreden 2005/575/EVDA van de Raad van 18 juli 2005 tot oprichting van een Europese veiligheids- en defensieacademie (EVDA)

15

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

26.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 194/1


VERORDENING (EG) Nr. 1191/2005 VAN DE COMMISSIE

van 25 juli 2005

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 26 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 juli 2005.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1947/2002 (PB L 299 van 1.11.2002, blz. 17).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 25 juli 2005 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

052

101,8

999

101,8

0707 00 05

052

72,3

999

72,3

0709 90 70

052

66,4

999

66,4

0805 50 10

388

62,9

508

58,8

524

73,5

528

64,5

999

64,9

0806 10 10

052

111,0

204

79,7

220

156,7

508

134,4

624

165,2

999

129,4

0808 10 80

388

85,0

400

84,0

404

86,2

508

82,4

512

69,7

524

52,1

528

58,0

720

57,5

804

80,7

999

72,8

0808 20 50

052

105,4

388

72,6

512

38,7

528

52,5

999

67,3

0809 10 00

052

132,2

094

100,2

999

116,2

0809 20 95

052

293,6

400

307,1

404

385,7

999

328,8

0809 30 10, 0809 30 90

052

101,2

999

101,2

0809 40 05

624

86,7

999

86,7


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 750/2005 van de Commissie (PB L 126 van 19.5.2005, blz. 12). De code „999” staat voor „andere oorsprong”.


26.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 194/3


VERORDENING (EG) Nr. 1192/2005 VAN DE COMMISSIE

van 25 juli 2005

tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1915/83 houdende enige uitvoeringsbepalingen inzake de boekhoudingen voor de constatering van de inkomens in de landbouwbedrijven

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening nr. 79/65/EEG van de Raad van 15 juni 1965 tot oprichting van een boekhoudkundig informatienet betreffende de inkomens en de bedrijfseconomische positie van de landbouwbedrijven in de Europese Economische Gemeenschap (1), en met name op artikel 6, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 1915/83 van de Commissie (2) is bepaald dat alle bedrijfsformulieren uiterlijk negen maanden na het einde van het boekjaar waarop ze betrekking hebben, door het verbindingsorgaan aan de Commissie moeten worden toegezonden. Gezien de in dit verband opgedane ervaring, moet de periode van negen maanden worden verlengd.

(2)

Bij wijze van overgangsmaatregel voor het boekjaar 2004 moet voor Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije een langere periode voor de toezending van de gegevens worden vastgesteld, om deze landen de kans te bieden vlot over te schakelen op het — voor hen nieuwe — boekhoudingssysteem voor de constatering van de inkomens in de landbouwbedrijven.

(3)

Verordening (EEG) nr. 1915/83 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Gemeenschappelijk Comité van het informatienet inzake landbouwbedrijfsboekhoudingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 3, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 1915/83 wordt vervangen door:

„Het verbindingsorgaan zendt alle bedrijfsformulieren in de in bijlage III bij Verordening (EEG) nr. 2237/77 voorgeschreven vorm aan de Commissie.

Voor het boekjaar 2004 worden de bedrijfsformulieren uiterlijk 13 maanden na het einde van dat boekjaar toegezonden. Het verbindingsorgaan in Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije zendt de bedrijfsformulieren uiterlijk 18 maanden na het einde van dat boekjaar toe.

Vanaf het boekjaar 2005 worden de bedrijfsformulieren uiterlijk 12 maanden na het einde van het boekjaar waarop ze betrekking hebben, toegezonden.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 juli 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB 109 van 23.6.1965, blz. 1859/65. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 660/2004 van de Commissie (PB L 104 van 8.4.2004, blz. 97).

(2)  PB L 190 van 14.7.1983, blz. 25. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2204/2004 (PB L 374 van 22.12.2004, blz. 40).


26.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 194/4


VERORDENING (EG) Nr. 1193/2005 VAN DE COMMISSIE

van 25 juli 2005

tot wijziging van de lijst van landen en gebieden in Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en houdende wijziging van Richtlijn 92/65/EEG van de Raad (1), en met name op de artikelen 10 en 21,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 998/2003 stelt een lijst van derde landen en gebieden vast waaruit gezelschapsdieren in de Gemeenschap mogen worden binnengebracht, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan.

(2)

Bij Verordening (EG) nr. 998/2003, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 592/2004 van de Commissie (2), is een voorlopige lijst van derde landen vastgesteld. Op deze lijst zijn landen en gebieden opgenomen die vrij van rabiës zijn, en landen waarvan is vastgesteld dat het risico dat rabiës door verkeer uit hun grondgebied de Gemeenschap binnenkomt, niet groter is dan het risico bij verkeer tussen lidstaten.

(3)

Argentinië heeft informatie verstrekt waaruit blijkt dat het risico dat rabiës door het verkeer van gezelschapsdieren uit Argentinië de Gemeenschap binnenkomt, niet groter is dan het risico bij verkeer tussen lidstaten of uit reeds in Verordening (EG) nr. 998/2003 vermelde derde landen. Daarom moet Argentinië worden opgenomen in de lijst van landen en gebieden van Verordening (EG) nr. 998/2003.

(4)

Voor de duidelijkheid moet deze lijst van landen en gebieden volledig worden vervangen.

(5)

Verordening (EG) nr. 998/2003 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage II bij Verordening (EG) nr. 998/2003 wordt vervangen door de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 juli 2005.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 146 van 13.6.2003, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 425/2005 van de Commissie (PB L 69 van 16.3.2005, blz. 3).

(2)  PB L 94 van 31.3.2004, blz. 7.


BIJLAGE

„BIJLAGE II

LIJST VAN LANDEN EN GEBIEDEN

DEEL A

 

IE — Ierland

 

MT — Malta

 

SE — Zweden

 

UK — Verenigd Koninkrijk

DEEL B

Afdeling 1

a)

DK — Denemarken, inclusief GL — Groenland en FO — Faeröereilanden;

b)

ES — Spanje, inclusief het continentale grondgebied, de Balearen, de Canarische Eilanden, Ceuta en Melilla;

c)

FR — Frankrijk, inclusief GF — Frans Guyana, GP — Guadeloupe, MQ — Martinique en RE — Réunion;

d)

GI — Gibraltar;

e)

PT — Portugal, inclusief het continentale grondgebied, de Azoren en Madeira;

f)

andere dan de onder deel A en de punten a), b), c) en e) van deze afdeling genoemde lidstaten.

Afdeling 2

 

AD — Andorra

 

CH — Zwitserland

 

IS — IJsland

 

LI — Liechtenstein

 

MC — Monaco

 

NO — Noorwegen

 

SM — San Marino

 

VA — Vaticaanstad

DEEL C

 

AC — Ascension

 

AE — Verenigde Arabische Emiraten

 

AG — Antigua en Barbuda

 

AN — Nederlandse Antillen

 

AR — Argentinië

 

AU — Australië

 

AW — Aruba

 

BB — Barbados

 

BH — Bahrein

 

BM — Bermuda

 

CA — Canada

 

CL — Chili

 

FJ — Fiji

 

FK — Falklandeilanden

 

HK — Hongkong

 

HR — Kroatië

 

JM — Jamaica

 

JP — Japan

 

KN — Saint Kitts en Nevis

 

KY — Caymaneilanden

 

MS — Montserrat

 

MU — Mauritius

 

NC — Nieuw-Caledonië

 

NZ — Nieuw-Zeeland

 

PF — Frans-Polynesië

 

PM — Saint-Pierre en Miquelon

 

RU — Russische Federatie

 

SG — Singapore

 

SH — Sint-Helena

 

TW — Taiwan

 

US — Verenigde Staten van Amerika

 

VC — Saint Vincent en de Grenadines

 

VU — Vanuatu

 

WF — Wallis en Futuna

 

YT — Mayotte”


26.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 194/7


VERORDENING (EG) Nr. 1194/2005 VAN DE COMMISSIE

van 25 juli 2005

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2799/1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad ten aanzien van de toekenning van steun voor ondermelk en mageremelkpoeder voor voederdoeleinden en de verkoop van voornoemd mageremelkpoeder

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (1), en met name op artikel 10,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 26 van Verordening (EG) nr. 2799/1999 van de Commissie (2), hebben de interventiebureaus een permanente openbare inschrijving geopend voor mageremelkpoeder die vóór 1 september 2004 is ingeslagen.

(2)

Rekening houdend met de nog resterende hoeveelheid en met de marktsituatie, moet die datum worden vervangen door 1 juli 2005.

(3)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor melk en zuivelproducten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In artikel 26, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2799/1999 wordt „1 september 2004” vervangen door „1 juli 2005”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 juli 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 186/2004 van de Commissie (PB L 29 van 3.2.2004, blz. 6).

(2)  PB L 340 van 31.12.1999, blz. 3. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1009/2005 (PB L 170 van 1.7.2005, blz. 31).


26.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 194/8


VERORDENING (EG) Nr. 1195/2005 VAN DE COMMISSIE

van 25 juli 2005

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 214/2001 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad ten aanzien van de interventiemaatregelen op de markt voor mageremelkpoeder

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (1), en met name op artikel 10,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 21 van Verordening (EG) nr. 214/2001 van de Commissie (2) is de door de interventiebureaus van de lidstaten verkochte hoeveelheid mageremelkpoeder beperkt tot de vóór 1 september 2004 ingeslagen hoeveelheid.

(2)

Rekening houdend met de nog resterende hoeveelheid en met de marktsituatie, moet die datum worden vervangen door 1 juli 2005.

(3)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor melk en zuivelproducten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel1

In artikel 21 van Verordening (EG) nr. 214/2001 wordt „1 september 2004” vervangen door „1 juli 2005”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 juli 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 186/2004 van de Commissie (PB L 29 van 3.2.2004, blz. 6).

(2)  PB L 37 van 7.2.2001, blz. 100. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2250/2004 (PB L 381 van 28.12.2004, blz. 25).


26.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 194/9


VERORDENING (EG) Nr. 1196/2005 VAN DE COMMISSIE

van 22 juli 2005

betreffende de indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (1), en met name op artikel 9, lid 1, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om de uniforme toepassing te waarborgen van de gecombineerde nomenclatuur die als bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 is gevoegd, dienen bepalingen te worden vastgesteld voor de indeling van het in de bijlage bij de onderhavige verordening opgenomen goed.

(2)

Bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 zijn de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur vastgesteld. Deze regels zijn ook van toepassing op iedere andere nomenclatuur die, geheel of gedeeltelijk of met toevoeging van onderverdelingen, de gecombineerde nomenclatuur overneemt en die bij specifieke communautaire voorschriften is vastgesteld voor de toepassing van tarief- of andere maatregelen in het kader van het goederenverkeer.

(3)

Met toepassing van genoemde algemene regels, dient het in kolom 1 van de tabel omschreven goed dat is opgenomen in de bijlage bij deze verordening te worden ingedeeld onder de daarmee corresponderende GN-code die is vermeld in kolom 2, op grond van de motiveringen die zijn opgenomen in kolom 3.

(4)

Het is wenselijk dat, onder voorbehoud van de in de Gemeenschap van kracht zijnde maatregelen inzake dubbele controle en communautair toezicht, vooraf en achteraf, op de invoer van textielproducten in de Gemeenschap, door de rechthebbende op een door de douaneautoriteiten van de lidstaten verstrekte bindende tariefinlichting betreffende de indeling van goederen in de gecombineerde nomenclatuur die niet in overeenstemming is met de bepalingen van onderhavige verordening, een beroep kan worden gedaan, gedurende 60 dagen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (2).

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het goed omschreven in kolom 1 van de in de bijlage opgenomen tabel wordt in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder de corresponderende GN-code vermeld in kolom 2 van voornoemde tabel.

Artikel 2

Onder voorbehoud van de in de Gemeenschap van kracht zijnde maatregelen inzake dubbele controle en communautair toezicht, vooraf en achteraf, op de invoer van textielproducten in de Gemeenschap, kan op de door de douaneautoriteiten van de lidstaten verstrekte bindende tariefinlichting die niet in overeenstemming is met de bepalingen van onderhavige verordening, gedurende 60 dagen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92, een beroep worden gedaan.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 juli 2005.

Voor de Commissie

László KOVÁCS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 493/2005 van de Raad (PB L 82 van 31.3.2005, blz. 1).

(2)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 117 van 4.5.2005, blz. 13).


BIJLAGE

Omschrijving

Indeling

GN-code

Motivering

(1)

(2)

(3)

Een handschoen, hoofdzakelijk vervaardigd van weefsel. Het grootste deel van de buitenkant van de handschoen, dat de rugzijde van de hand (met uitzondering van de rugzijde van de vingers), de pols, het gedeelte tussen de vingers, een deel van de duim en de zijkanten van de hand omvat, bestaat uit weefsel dat aan de binnenkant is bekleed met een laag kunststof zonder celstructuur.

De handpalm, de handpalmzijde van de duim en van de vingers alsook de vier vingertoppen zijn van breiwerk dat aan de buitenkant is bekleed met kunststof zonder celstructuur.

De rugzijde van de vingers en van de duim is vervaardigd van kunststof met celstructuur, aan beide zijden voorzien van breiwerk. Aan de rugzijde van de vingers en van de duim bij de knokkels zijn stukjes rubber aangebracht en aan de buitenzijde van de wijsvinger is een dunne strook rubber aangebracht.

Ter hoogte van de pols bevindt zich een elastische band en een klittenbandsluiting, aan het uiteinde van de handschoen bevindt zich een aantrekkoordje.

(Zie de foto’s nr. 635 A + B) (1)

6216 00 00

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1, 3, onder b, en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur alsmede de tekst van de GN-code 6216 00 00.

Zie eveneens de GS-toelichtingen op algemene regel 3, onder b, en op post 6216.

De handschoen wordt hoofdzakelijk gebruikt om de handen warm te houden. Het weefsel vormt het grootste deel van de buitenkant en houdt de warmte vast waardoor dit artikel het wezenlijk karakter in de zin van de algemene regel 3, onder b, ontleent aan het weefsel.

Image

Image


(1)  De foto is louter ter informatie.


26.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 194/11


VERORDENING (EG) Nr. 1197/2005 VAN DE COMMISSIE

van 25 juli 2005

betreffende de afgifte van uitvoercertificaten van het B-stelsel in de sector groenten en fruit (sinaasappelen)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1961/2001 van de Commissie van 8 oktober 2001 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad wat de toekenning van uitvoerrestituties in de sector groenten en fruit betreft (2), en met name op artikel 6, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 951/2005 van de Commissie (3) zijn de indicatieve hoeveelheden bepaald waarvoor uitvoercertificaten van het B-stelsel kunnen worden afgegeven.

(2)

Volgens de informatie waarover de Commissie op dit ogenblik beschikt, zouden de voor de lopende uitvoerperiode vastgestelde indicatieve hoeveelheden voor sinaasappelen binnenkort kunnen worden overschreden. Deze overschrijding zou nadelig zijn voor de goede werking van de uitvoerrestitutieregeling in de sector groenten en fruit.

(3)

Om deze situatie te verhelpen, moeten de certificaataanvragen van het B-stelsel worden afgewezen voor na 26 juli 2005 uitgevoerde sinaasappelen, zulks tot het einde van de lopende uitvoerperiode,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De aanvragen voor uitvoercertificaten van het B-stelsel voor sinaasappelen, die zijn ingediend op grond van artikel 1 van Verordening (EG) nr. 951/2005 en waarvoor de aangifte ten uitvoer van de producten na 26 juli en vóór 16 september 2005 is aanvaard, moeten worden afgewezen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 26 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 juli 2005.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 297 van 21.11.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 47/2003 van de Commissie (PB L 7 van 11.1.2003, blz. 64).

(2)  PB L 268 van 9.10.2001, blz. 8. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 386/2005 (PB L 62 van 9.3.2005, blz. 3).

(3)  PB L 160 van 23.6.2005, blz. 19. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1078/2005 (PB L 177 van 9.7.2005, blz. 3).


26.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 194/12


RICHTLIJN 2005/49/EG VAN DE COMMISSIE

van 25 juli 2005

tot wijziging van Richtlijn 72/245/EEG van de Raad betreffende door voertuigen veroorzaakte radiostoring (elektromagnetische compatibiliteit) en van Richtlijn 70/156/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, met het oog op hun aanpassing aan de technische vooruitgang

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (1), en met name op artikel 13, lid 2,

Gelet op Richtlijn 72/245/EEG van de Raad betreffende radiostoringen (elektromagnetische compatibiliteit) door voertuigen (2), en met name op artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 72/245/EEG is een van de bijzondere richtlijnen van de bij Richtlijn 70/156/EEG vastgestelde typegoedkeuringsprocedure.

(2)

Teneinde de veiligheid van voertuigen te verbeteren door de ontwikkeling en introductie van technologieën die gebruik maken van kortbereikradarapparatuur voor motorvoertuigen te stimuleren, heeft de Commissie bij Beschikking 2004/545/EG van de Commissie van 8 juli 2004 inzake de harmonisatie van het radiospectrum in de 79 GHz-band voor gebruik door kortbereikradarapparatuur voor motorvoertuigen in de Gemeenschap (3) en Beschikking 2005/50/EG van de Commissie van 17 januari 2005 inzake de harmonisatie van de 24 GHz-radiospectrumband voor in de tijd beperkt gebruik door kortbereikradarapparatuur voor motorvoertuigen in de Gemeenschap (4) het gebruik van twee frequentiebanden van het radiospectrum geharmoniseerd.

(3)

De 79 GHz-radiospectrumband blijkt op lange termijn de meest geschikte band voor de ontwikkeling en introductie van kortbereikradarapparatuur voor motorvoertuigen te zijn. Derhalve werd deze band bij Beschikking 2004/545/EG op interferentievrije en onbeschermde basis aangewezen en beschikbaar gesteld voor kortbereikradarapparatuur voor motorvoertuigen. De technologie op het gebied van de 79 GHz-band is evenwel nog in ontwikkeling en op kosteneffectieve basis niet onmiddellijk beschikbaar.

(4)

Beschikking 2005/50/EG staat het in de tijd beperkte gebruik van de 24 GHz-radiospectrumband voor kortbereikradarapparatuur voor motorvoertuigen toe. De technologie die van deze frequentieband gebruikmaakt, is op korte termijn tegen een redelijke prijs beschikbaar, zodat snel kan worden nagegaan of de introductie van kortbereikradarapparatuur voor motorvoertuigen de verkeersveiligheid ten goede zal komen. Het gebruik van radars met die technologie moet echter worden beperkt om interferentie met andere toepassingen die gebruikmaken van de 24 GHz-band te vermijden.

(5)

Beschikking 2005/50/EG staat het gebruik van 24 GHz-radarapparatuur alleen toe wanneer deze origineel in nieuwe voertuigen is geïnstalleerd of origineel geïnstalleerde radarapparatuur vervangt, en bepaalt dat deze mogelijkheid uiterlijk op 30 juni 2013 afloopt. Volgens artikel 5 van Beschikking 2005/50/EG kan deze datum evenwel worden vervroegd.

(6)

Ingevolge Beschikking 2005/50/EG moeten de lidstaten een controlesysteem inrichten om het aantal met 24 GHz-kortbereikradar uitgeruste voertuigen op hun grondgebied vast te stellen. Daarom moeten de lidstaten passende middelen krijgen om deze controle uit te voeren.

(7)

Richtlijn 72/245/EEG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

De wijzigingen van Richtlijn 72/245/EEG zijn van invloed op Richtlijn 70/156/EEG. Deze richtlijn moet dan ook dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 13 van Richtlijn 70/156/EEG ingestelde Comité voor de aanpassing aan de technische vooruitgang,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Richtlijn 72/245/EEG

Richtlijn 72/245/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1)

In bijlage I worden na punt 2.1.12.2 de volgende punten ingevoegd:

„2.1.13.

„24 GHz-kortbereikradarapparatuur”, een radar als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Beschikking 2005/50/EG van de Commissie (5), die voldoet aan de prestatie-eisen van artikel 4 van die beschikking;

2.1.14.

„79 GHz-kortbereikradarapparatuur”, een radar als gedefinieerd in artikel 2, onder b), van Beschikking 2004/545/EG van de Commissie (6), die voldoet aan de prestatie-eisen van artikel 3 van die beschikking.

2)

In bijlage IIA worden na punt 12.2.7 de volgende punten ingevoegd:

„12.7.1.

voertuig uitgerust met 24 GHz-kortbereikradarapparatuur: ja/nee (doorhalen wat niet van toepassing is)

12.7.2.

voertuig uitgerust met 79 GHz-kortbereikradarapparatuur: ja/nee (doorhalen wat niet van toepassing is)”.

3)

In het aanhangsel van bijlage IIIA worden na punt 1.3 de volgende punten ingevoegd:

„1.3.1.

voertuig uitgerust met 24 GHz-kortbereikradarapparatuur: ja/nee (doorhalen wat niet van toepassing is)

1.3.2.

voertuig uitgerust met 79 GHz-kortbereikradarapparatuur: ja/nee (doorhalen wat niet van toepassing is)”.

Artikel 2

Wijziging van Richtlijn 70/156/EEG

Richtlijn 70/156/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1)

In de bijlagen I en III worden na punt 12.6.4 de volgende punten ingevoegd:

„12.7.1.

voertuig uitgerust met 24 GHz-kortbereikradarapparatuur: ja/nee (doorhalen wat niet van toepassing is)

12.7.2.

voertuig uitgerust met 79 GHz-kortbereikradarapparatuur: ja/nee (doorhalen wat niet van toepassing is)”.

2)

In bijlage IX wordt op bladzijde 2 van alle modellen van het certificaat van overeenstemming punt 50 vervangen door:

„50.   Opmerkingen

50.1.

Voertuig uitgerust met 24 GHz-kortbereikradarapparatuur: ja/nee (doorhalen wat niet van toepassing is)

50.2.

Voertuig uitgerust met 79 GHz-kortbereikradarapparatuur: ja/nee (doorhalen wat niet van toepassing is)

50.3.

Andere opmerkingen …”.

Artikel 3

Overgangsbepalingen

1.   Indien niet aan de voorschriften van Richtlijn 72/245/EEG, als gewijzigd bij deze richtlijn, is voldaan,

a)

merken de lidstaten certificaten van overeenstemming waarvan nieuwe voertuigen overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 70/156/EEG vergezeld gaan, met ingang van 1 juli 2006, om redenen die verband houden met de elektromagnetische compatibiliteit, niet langer als geldig in de zin van artikel 7, lid 1, van die richtlijn, aan;

b)

kunnen de lidstaten de registratie, de verkoop en de inbedrijfstelling van nieuwe voertuigen om redenen die verband houden met de elektromagnetische compatibiliteit met ingang van 1 juli 2006 weigeren.

Bestaande goedkeuringen voor voertuigen die niet met 24 GHz of 79 GHz kortbereikradarapparatuur uitgerust zijn, blijven ongewijzigd.

2.   Met ingang van 1 juli 2013 verbieden de lidstaten de registratie, de verkoop en de inbedrijfstelling van voertuigen die met 24 GHz-kortbereikradarapparatuur uitgerust zijn.

3.   Wanneer de in artikel 2, punt 5, van Beschikking 2005/50/EG genoemde referentiedatum ingevolge artikel 5 van die beschikking wordt gewijzigd, verbieden de lidstaten de registratie, de verkoop of de inbedrijfstelling van voertuigen die met 24 GHz-kortbereikradarapparatuur uitgerust zijn, met ingang van de gewijzigde referentiedatum.

Artikel 4

Omzetting

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 30 juni 2006 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 juli 2006.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 5

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 6

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 25 juli 2005.

Voor de Commissie

Günter VERHEUGEN

Vice-voorzitter


(1)  PB L 42 van 23.2.1970, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/104/EG van de Commissie (PB L 337 van 13.11.2004, blz. 13).

(2)  PB L 152 van 6.7.1972, blz. 15. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/104/EG.

(3)  PB L 241 van 13.7.2004, blz. 66.

(4)  PB L 21 van 25.1.2005, blz. 15.

(5)  PB L 21 van 25.1.2005, blz. 15.

(6)  PB L 241 van 13.7.2004, blz. 66.”


Besluiten aangenomen krachtens titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie

26.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 194/15


GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN 2005/575/EVDA VAN DE RAAD

van 18 juli 2005

tot oprichting van een Europese veiligheids- en defensieacademie (EVDA)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name op artikel 14,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Raad heeft tijdens zijn bijeenkomst van 19 en 20 juni 2003 te Thessaloniki zijn goedkeuring gehecht aan de ontwikkeling van een gecoördineerd EU-opleidingsbeleid op het gebied van het Europees Veiligheids- en Defensiebeleid (EVDB) dat zowel civiele als militaire aspecten omvat.

(2)

De Raad heeft op 17 november 2003 zijn goedkeuring gehecht aan het EU-opleidingsbeleid op EVDB-gebied, en op 13 september 2004 aan het EU-opleidingsconcept op EVDB-gebied waarin de beginselen voor de oprichting van de Europese veiligheids- en defensieacademie (EVDA) zijn omschreven.

(3)

De Europese Raad heeft er op 16 en 17 december 2004 mee ingestemd dat wordt begonnen met het vaststellen van de nadere regelingen voor de werking van de EVDA.

(4)

Het Politiek en Veiligheidscomité heeft op 31 mei 2005 ingestemd met de nadere regelingen voor de werking van de EVDA, inclusief de instelling van het bestuur, de uitvoerende academische raad en het vaste secretariaat, die hun taken uitvoeren conform die nadere regelingen.

(5)

De EVDA moet als belangrijke opleidingsinstantie opleidingen op EVDB-gebied verstrekken, met bijzondere aandacht voor EVDB-opleidingscursussen op strategisch niveau. Als zodanig moet de EVDA een actieve partner zijn in het algemene opleidingsbeheer van de Europese Unie,

HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN VASTGESTELD:

Artikel 1

Oprichting

1.   Hierbij wordt een Europese veiligheids- en defensieacademie (EVDA) opgericht.

2.   De EVDA wordt georganiseerd als een netwerk van nationale instituten, hogescholen, academies en instellingen in de Europese Unie die zich bezighouden met vraagstukken inzake veiligheids- en defensiebeleid, en het Instituut voor veiligheidsstudies van de Europese Unie (hierna „instituten” genoemd).

3.   Zij zal nauwe banden onderhouden met de EU-instellingen.

Artikel 2

Opdracht

De EVDA verstrekt opleidingen op strategisch niveau in het kader van het Europees Veiligheids- en Defensiebeleid (EVDB), teneinde bij militair personeel en burgerpersoneel een gemeenschappelijke visie op het EVDB te ontwikkelen en te bevorderen, alsmede om door middel van haar opleidingsactiviteiten beste praktijken voor diverse EVDB-onderdelen te inventariseren en uit te dragen.

Artikel 3

Doelstellingen

De doelstellingen van de EVDA zijn:

a)

de Europese veiligheidscultuur in het kader van het EVDB verder versterken;

b)

een beter inzicht in het EVDB als essentieel onderdeel van het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) bevorderen;

c)

de EU-instanties de beschikking geven over deskundig personeel dat efficiënt kan werken op alle EVDB-gebieden;

d)

de administraties en de staven van de EU-lidstaten de beschikking geven over deskundig personeel dat vertrouwd is met het beleid, de instellingen en de procedures van de Europese Unie, en

e)

professionele contacten en contacten tussen deelnemers aan de opleidingen helpen bevorderen.

Artikel 4

Taken van de EVDA

1.   Overeenkomstig de opdracht en de doelstellingen bestaan de voornaamste taken van de EVDA in het organiseren en uitvoeren van opleidingsactiviteiten op EVDB-gebied.

2.   De opleidingsactiviteiten op EVDB-gebied bestaan uit twee soorten opleidingsactiviteiten:

a)

de EVDB-cursus op hoog niveau, en

b)

de EVDB-oriënteringscursus.

Andere opleidingsactiviteiten vinden plaats telkens als het in artikel 5 bedoelde bestuur daartoe besluit.

3.   Voorts doet de EDVA met name het volgende:

a)

ondersteuning van de betrekkingen die tussen de nationale instituten moeten worden aangeknoopt;

b)

opzetten en beheren van het internetgebaseerd systeem voor geavanceerd afstandsonderwijs (IDL) ter ondersteuning van de opleidingsactiviteiten van de EVDA;

c)

ontwikkelen en vervaardigen van opleidingsmateriaal voor de opleidingen van de Europese Unie op EVDB-gebied;

d)

bijdragen leveren aan het jaarlijkse programma van de Europese Unie van EVDB-opleidingen, en

e)

instellen van een Alumni-netwerk tussen voormalige deelnemers aan de opleidingen.

4.   De EVDA-opleidingsactiviteiten worden uitgevoerd door de instituten die het EVDA-netwerk vormen.

5.   Het Instituut voor veiligheidsstudies van de Europese Unie (IVSEU) ondersteunt, als onderdeel van het EVDA-netwerk, de EVDA-opleidingsactiviteiten, met name via publicaties van de IVSEU, door lezingen van IVSEU-onderzoekers en door haar website ter beschikking te stellen in het kader en ten behoeve van het internetgebaseerd systeem voor geavanceerd afstandsonderwijs (IDL).

Artikel 5

Organisatie

1.   De volgende organen worden in het kader van de EVDA ingesteld:

a)

een bestuur dat is belast met de algemene coördinatie en de leiding van de opleidingsactiviteiten van de EVDA;

b)

een uitvoerende academische raad die zorg draagt voor de kwaliteit en de samenhang van de opleidingsactiviteiten;

c)

een permanent secretariaat voor de EVDA (hierna „secretariaat” genoemd), dat met name het bestuur en de uitvoerende academische raad bijstaat.

2.   Het bestuur, de uitvoerende academische raad en het secretariaat voeren de taken uit die respectievelijk in de artikelen 6, 7 en 8 zijn beschreven.

Artikel 6

Het bestuur

1.   Het bestuur is samengesteld uit één vertegenwoordiger per lidstaat. Elk lid van het bestuur mag door een plaatsvervanger vertegenwoordigd of vergezeld worden. De aanstellingsbrieven, waarin de lidstaat machtiging verleent, worden aan de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger (SG/HV) toegezonden.

Vertegenwoordigers van toetredende staten kunnen de vergaderingen van het bestuur als actief waarnemer bijwonen.

2.   Het bestuur wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de lidstaat die het voorzitterschap van de Raad bekleedt en komt ten minste eenmaal per jaar samen.

3.   Vertegenwoordigers van de SG/HV en van de Commissie worden op de vergaderingen van het bestuur uitgenodigd.

4.   Het bestuur heeft tot taak:

a)

het academisch jaarprogramma van de EVDA op te stellen;

b)

de lidstaten te selecteren die als gastland voor de EVDA-opleidingsactiviteiten optreden, alsook de instituten die deze activiteiten uitvoeren;

c)

het academisch jaarprogramma en de algemene curricula voor alle EVDA-opleidingsactiviteiten op te stellen en overeen te komen;

d)

evaluatieverslagen en een algemeen jaarverslag over de EVDA-opleidingsactiviteiten aan te nemen en deze toe te zenden aan de betrokken Raadsinstanties, en

e)

voor elk academisch jaar de voorzitter van de uitvoerende academische raad aan te stellen.

5.   Het bestuur stelt zijn reglement van orde vast.

6.   Besluiten van het bestuur worden met gekwalificeerde meerderheid aangenomen. De stemmen van de lidstaten worden gewogen overeenkomstig artikel 205, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Besluiten komen tot stand wanneer zij het in artikel 23, lid 2, derde alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie het vereiste aantal stemmen vóór hebben gekregen.

Artikel 7

De uitvoerende academische raad

1.   De uitvoerende academische raad is samengesteld uit hoge vertegenwoordigers van de instituten die in het betrokken academisch jaar bij opleidingsactiviteiten zijn betrokken.

2.   De voorzitter van de raad wordt uit de leden van de raad aangesteld door het bestuur.

3.   Vertegenwoordigers van instituten die in het vorige en het volgende academisch jaar bij EVDA-opleidingsactiviteiten zijn betrokken, alsook vertegenwoordigers van de SG/HR en van de Commissie, worden uitgenodigd op de vergaderingen van de raad. Academische deskundigen en hoge functionarissen van nationale en Europese instellingen kunnen op de vergaderingen van de raad worden uitgenodigd.

4.   De raad heeft tot taak:

a)

het overeengekomen academisch jaarprogramma uit te voeren via de instituten die het EVDA-netwerk vormen;

b)

toe te zien op het internetgebaseerd systeem voor geavanceerd afstandsonderwijs (IDL);

c)

gedetailleerde curricula voor alle EVDA-opleidingsactiviteiten op te stellen op basis van de overeengekomen algemene curricula;

d)

te zorgen voor de algemene coördinatie van EVDA-opleidingsactiviteiten tussen alle instituten;

e)

het niveau te evalueren van de opleidingsactiviteiten van het vorige academisch jaar;

f)

voorstellen voor opleidingsactiviteiten in het volgende academisch jaar bij het bestuur in te dienen, en

g)

ontwerp-evaluatieverslagen over elke EVDA-opleidingscursus, alsmede een ontwerp van een algemeen jaarverslag over EVDA-activiteiten, op te stellen en aan het bestuur toe te zenden.

5.   Het bestuur stelt het reglement van orde van de raad vast.

Artikel 8

Het secretariaat

1.   Het secretariaat-generaal van de Raad treedt op als secretariaat van de EVDA.

Het personeel wordt ter beschikking gesteld door het secretariaat-generaal van de Raad, de lidstaten en de instituten die het EVDA-netwerk vormen.

2.   Het secretariaat helpt het bestuur en de uitvoerende academische raad, verricht administratieve taken ter ondersteuning van hun activiteiten en verleent bijstand voor de organisatie van de EVDA-opleidingsactiviteiten die in Brussel plaatsvinden.

3.   Het secretariaat werkt nauw samen met de Commissie.

Elk instituut van het EVDA-netwerk wijst een contactpunt met het secretariaat aan voor de organisatorische en administratieve aangelegenheden in verband met de organisatie van de EVDA-opleidingsactiviteiten.

Artikel 9

Deelname aan de EVDA-opleidingsactiviteiten

1.   Alle EVDA-opleidingsactiviteiten staan open voor deelname door onderdanen van alle lidstaten en toetredende staten. De instituten die de opleiding organiseren en verzorgen zien erop toe dat dit beginsel onverkort wordt toegepast.

De EVDA-opleidingsactiviteiten staan in beginsel open voor deelname door onderdanen van kandidaat-lidstaten en, in voorkomend geval, derde landen.

2.   De deelnemers zijn militair personeel en burgerpersoneel dat zich bezighoudt met strategische aspecten op EVDB-gebied.

Vertegenwoordigers van onder meer niet-gouvernementele organisaties, academische instellingen en de media, alsook mensen uit het bedrijfsleven, kunnen worden uitgenodigd om deel te nemen aan EVDA-opleidingsactiviteiten.

3.   Aan deelnemers die een EVDA-cursus hebben gevolgd, wordt een door de SG/HV ondertekend getuigschrift afgegeven. De nadere regelingen voor het certificaat worden door het bestuur vastgesteld. Het getuigschrift wordt door de lidstaten en de instellingen van de Europese Unie erkend.

Artikel 10

Samenwerking

De EVDA werkt samen met internationale organisaties en andere betrokken actoren, zoals nationale opleidingsinstituten van derde landen, en maakt gebruik van hun deskundigheid.

Artikel 11

Financiering

1.   De lidstaten, EU-instellingen, EU-instanties en instituten die het EVDA-netwerk vormen, dragen zelf alle kosten verbonden aan hun deelname aan EVDA-activiteiten, met inbegrip van salarissen, vergoedingen, reiskosten en kosten in verband met de organisatorische en administratieve ondersteuning van de EVDA-opleidingsactiviteiten.

2.   De lidstaten en de instituten die het EVDA-netwerk vormen, dragen de kosten voor het personeel dat zij ter beschikking stellen van het secretariaat, met inbegrip van salarissen, vergoedingen en reiskosten.

3.   Het secretariaat-generaal van de Raad draagt de kosten in verband met zijn taken als vermeld in artikel 8, ook die voor het personeel dat hij ter beschikking stelt.

4.   Deelnemers aan EVDA-opleidingsactiviteiten dragen alle kosten verbonden aan hun deelname.

5.   Voor de financiering van specifieke activiteiten, met name de ontwikkeling, het opzetten en het beheren van informatienetwerken en -toepassingen voor de EVDA, als bedoeld in artikel 4, lid 3, worden vrijwillige bijdragen van de lidstaten, EU-instellingen, EU-agentschappen en instituten die het EVDA-netwerk vormen, door het secretariaat-generaal van de Raad als gereserveerde inkomsten beheerd.

6.   Het bestuur besluit over de praktische regelingen voor de in lid 5 bedoelde bijdragen.

Artikel 12

Beveiligingsvoorschriften

De beveiligingsvoorschriften van de Raad als vervat in Besluit 2001/264/EG van de Raad van 19 maart 2001 tot vaststelling van beveiligingsvoorschriften van de Raad (1) zijn van toepassing op de EVDA-activiteiten.

Artikel 13

Tussenbalans

Het bestuur neemt met gekwalificeerde meerderheid een verslag aan over de activiteiten en vooruitzichten van de EVDA, ook met betrekking tot de financiële regelingen en het secretariaat, en dient het uiterlijk op 31 december 2007 bij de Raad in, met het oog op herziening van dit gemeenschappelijk optreden.

Artikel 14

Inwerkingtreding

Dit gemeenschappelijk optreden treedt in werking op de dag waarop het wordt aangenomen.

Artikel 15

Bekendmaking

Dit gemeenschappelijk optreden wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 18 juli 2005.

Voor de Raad

De voorzitter

J. STRAW


(1)  PB L 101 van 11.4.2001, blz. 1. Besluit gewijzigd bij Besluit 2004/194/EG (PB L 63 van 28.2.2004, blz. 48).