ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 172

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

48e jaargang
5 juli 2005


Inhoud

 

I   Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

Bladzijde

 

*

Verordening (EG) nr. 1039/2005 van de Raad van 21 juni 2005 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1907/90 betreffende bepaalde handelsnormen voor eieren

1

 

 

Verordening (EG) nr. 1040/2005 van de Commissie van 4 juli 2005 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

2

 

*

Verordening (EG) nr. 1041/2005 van de Commissie van 29 juni 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2868/95 van de Raad tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 40/94 inzake het Gemeenschapsmerk ( 1 )

4

 

*

Verordening (EG) nr. 1042/2005 van de Commissie van 29 juni 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2869/95 inzake de aan het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) te betalen taksen ( 1 )

22

 

*

Verordening (EG) nr. 1043/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 houdende de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad met betrekking tot de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer van bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen, en de criteria voor de vaststelling van de restitutiebedragen

24

 

*

Verordening (EG) nr. 1044/2005 van de Commissie van 4 juli 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2808/98 met betrekking tot de vaststelling van het ontstaansfeit voor de wisselkoers voor de steunbetalingen die onder de werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vallen, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1973/2004

76

 

*

Verordening (EG) nr. 1045/2005 van de Commissie van 4 juli 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2760/98 betreffende de tenuitvoerlegging van een programma voor grensoverschrijdende samenwerking in het kader van het Phare-programma

78

 

*

Verordening (EG) nr. 1046/2005 van de Commissie van 4 juli 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 958/2003 houdende uitvoeringsbepalingen van Besluit 2003/286/EG van de Raad ten aanzien van de concessies in de vorm van communautaire tariefcontingenten voor bepaalde graanproducten uit de Republiek Bulgarije en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2809/2000

79

 

 

Verordening (EG) nr. 1047/2005 van de Commissie van 4 juli 2005 tot vaststelling van de communautaire producentenprijzen en de communautaire invoerprijzen voor anjers en rozen in het kader van de toepassing van de regeling voor de invoer van bepaalde producten van de bloementeelt van oorsprong uit Jordanië

81

 

 

Besluiten aangenomen krachtens titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie

 

*

Besluit 2005/481/GBVB van de Raad van 13 juni 2005 betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Oekraïne inzake beveiligingsprocedures voor de uitwisseling van gerubriceerde gegevens

83

Overeenkomst tussen Oekraïne en de Europese Unie inzake de beveiligingsprocedures voor de uitwisseling van gerubriceerde gegevens

84

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

5.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 172/1


VERORDENING (EG) Nr. 1039/2005 VAN DE RAAD

van 21 juni 2005

tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1907/90 betreffende bepaalde handelsnormen voor eieren

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2771/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening van de markten in de sector eieren (1), en met name op artikel 2, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 1907/90 van de Raad van 26 juni 1990 betreffende bepaalde handelsnormen voor eieren (2) moeten eieren die op een plaatselijke openbare markt worden verkocht, met ingang van 1 juli 2005 worden gestempeld met een code die het registratienummer van de producent aangeeft en aan de hand waarvan het houderijsysteem kan worden vastgesteld. In sommige lidstaten kan deze verplichting problemen opleveren voor kleine bedrijven met een gering inkomen, waar de eierproductie vaak slechts een aanvullende activiteit is. Aangezien de mogelijkheid om eieren te verkopen op de plaatselijke markt voor deze bedrijven uit economisch en sociaal oogpunt zeer belangrijk kan zijn, is het aangewezen de lidstaten toe te staan deze bedrijven vrij te stellen van de stempelplicht. Derhalve moet worden voorzien in een uitzondering terzake voor eierproducenten met een bedrijf met ten hoogste 50 legkippen.

(2)

Gezien de urgentie van deze kwestie moet een uitzondering worden gemaakt op de periode van zes weken, zoals bedoeld in punt I.3 van het aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen gehechte Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie.

(3)

Verordening (EEG) nr. 1907/90 moet derhalve worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In artikel 2, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 1907/90 wordt de laatste alinea vervangen door:

„Op eieren die door de producent worden verkocht op een plaatselijke openbare markt wordt evenwel de in artikel 7, lid 1, onder a), beschreven code gestempeld. De lidstaten kunnen eierproducenten met een bedrijf met ten hoogste 50 legkippen evenwel van deze verplichting vrijstellen op voorwaarde dat de eieren worden verkocht op een plaatselijke openbare markt in het productiegebied in de betrokken lidstaat en dat de naam en het adres van het bedrijf worden aangegeven op de plaats van verkoop.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in al haar onderdelen.

Gedaan te Luxemburg, 21 juni 2005.

Voor de Raad

De voorzitter

F. BODEN


(1)  PB L 282 van 1.11.1975, blz. 49. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 1).

(2)  PB L 173 van 6.7.1990, blz. 5. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2052/2003 (PB L 305 van 22.11.2003, blz. 1).


5.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 172/2


VERORDENING (EG) Nr. 1040/2005 VAN DE COMMISSIE

van 4 juli 2005

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 5 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 juli 2005.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1947/2002 (PB L 299 van 1.11.2002, blz. 17).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 4 juli 2005 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

052

65,0

096

41,8

999

53,4

0707 00 05

052

93,0

999

93,0

0709 90 70

052

85,4

999

85,4

0805 50 10

382

71,1

388

64,6

528

50,5

999

62,1

0808 10 80

388

81,4

400

85,1

508

78,3

512

66,3

524

62,4

528

48,8

720

103,7

804

91,2

999

77,2

0808 20 50

388

87,6

512

60,6

528

69,3

800

55,9

999

68,4

0809 10 00

052

182,7

999

182,7

0809 20 95

052

279,5

068

218,2

400

317,1

999

271,6

0809 40 05

624

121,4

999

121,4


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 750/2005 van de Commissie (PB L 126 van 19.5.2005, blz. 12). De code „999” staat voor „andere oorsprong”.


5.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 172/4


VERORDENING (EG) Nr. 1041/2005 VAN DE COMMISSIE

van 29 juni 2005

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2868/95 van de Raad tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 40/94 inzake het Gemeenschapsmerk

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk (1), en met name op artikel 157,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Volgens Verordening (EG) nr. 40/94 moeten er technische maatregelen genomen worden voor de tenuitvoerlegging van de bepalingen betreffende het standaardformulier voor de rechercheverslagen, de afsplitsing van de aanvrage en van de inschrijving, de herroeping van beslissingen, volmachten en de door één enkel lid van de oppositie- of nietigheidsafdeling genomen beslissingen.

(2)

Na 10 maart 2008 blijft de recherche verplicht voor Gemeenschapsmerken, maar voor recherche in de merkenregisters van de lidstaten die kennis hebben gegeven van hun besluit om een recherche uit te voeren, wordt het systeem facultatief gesteld, mits er een taks wordt betaald. Om de kwaliteit en uniformiteit van de rechercheverslagen te verbeteren, wordt hierbij een standaardformulier vastgesteld met de essentiële elementen die daarin moeten voorkomen.

(3)

De verklaring van afsplitsing van de aanvrage en van de inschrijving moet voldoen aan de voorwaarden van deze verordening. Wanneer het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (hierna „het Bureau” genoemd) voortaan ambtshalve besluit tot herroeping van een beslissing of doorhaling van een inschrijving in het register, moet dit geschieden conform de speciale procedure zoals vastgesteld in deze verordening. De uitzonderingsgevallen waarin een volmacht verplicht is, worden nader omschreven. Er wordt een opsomming gegeven van eenvoudige gevallen waarin een beslissing kan worden genomen door één enkel lid van de oppositie- of nietigheidsafdeling.

(4)

Daarnaast moeten bestaande regels worden gewijzigd om de inschrijvingsprocedure te verbeteren of te verduidelijken. Bovendien moeten enkele procedurele punten gewijzigd worden zonder aan het wezen van het systeem te raken.

(5)

Om rekening te houden met de specifieke kenmerken en mogelijkheden van de elektronische indieningsprocedure, worden de volgende bepalingen gewijzigd: regel 1, lid 1, onder c), regel 3, lid 2, regel 61, regel 72, lid 4, regel 79, regel 82 en regel 89, leden 1 en 2.

(6)

De elektronische indiening en publicatie van aanvragen voor een Gemeenschapsmerk moet de indiening van merken in het algemeen, en in het bijzonder van merken die bestaan uit kleuren als zodanig of uit geluiden, vergemakkelijken en verbeteren door middel van een grafische voorstelling van het merk die duidelijk, nauwkeurig, als zodanig volledig, gemakkelijk toegankelijk, begrijpelijk, duurzaam en objectief is. De technische voorwaarden, met name de gegevensformaten voor geluidsbestanden, moeten door de voorzitter van het Bureau worden vastgesteld. De elektronische aanmelding van merken die uit geluiden bestaan, kan vergezeld gaan van een elektronisch geluidsbestand en dit bestand kan worden opgenomen in de elektronische publicatie van aanvragen voor een Gemeenschapsmerk om de publieke toegang tot het geluid zelf te vergemakkelijken.

(7)

De bepalingen betreffende de oppositieprocedure moeten helemaal opnieuw worden geformuleerd om de ontvankelijkheidsvereisten nader te omschrijven, de rechtsgevolgen van gebreken duidelijk te specificeren en de bepalingen te rangschikken naar de chronologische volgorde van de procedure.

(8)

Op grond van de aanvullende bevoegdheid van het Bureau voor de toetsing van de ontvankelijkheid van een omzetting, kan een verzoek tot omzetting gedeeltelijk worden afgewezen in zoverre de omzetting voor sommige lidstaten wel, maar voor andere niet toelaatbaar kan zijn. Daarnaast moeten enkele criteria worden toegevoegd voor de toetsing op absolute weigeringsgronden in verband met de taal van een lidstaat.

(9)

Met betrekking tot de door de verliezende partij in een oppositie- of doorhalingsprocedure te dragen kosten, dienen de terugvorderbare kosten van vertegenwoordiging beperkt te worden, maar moeten de huidige maximumbedragen iets worden opgetrokken aangezien sinds de goedkeuring van de uitvoeringsverordening enige tijd verstreken is. Voor het oproepen van getuigen of deskundigen moet geen maximumvergoeding gelden, maar omvatten de terugvorderbare kosten de werkelijke kosten waarop die getuigen en deskundigen aanspraak kunnen maken.

(10)

Verordening (EG) nr. 2868/95 (2) moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(11)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor vraagstukken inzake de taksen, de uitvoeringsverordening en de procesvoering voor de kamers van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 1 van Verordening (EG) nr. 2868/95 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Regel 1, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

a)

Punt b) wordt vervangen door:

„b)

naam, adres en nationaliteit van de aanvrager en de staat waar deze zijn woonplaats, zetel of een vestiging heeft. Namen van natuurlijke personen worden vermeld met familienaam en voornaam of -namen. Namen van juridische eenheden en van onder artikel 3 van de verordening vallende lichamen worden aangegeven met de officiële benaming ervan, met vermelding van de rechtsvorm van de eenheid, die op een gebruikelijke wijze mag worden afgekort. Het verdient aanbeveling telefoon- en faxnummers, e-mailadres en nadere gegevens van andere datacommunicatiemogelijkheden waaronder de aanvrager bereikbaar is, te vermelden. Voor iedere aanvrager dient in beginsel slechts één adres te worden vermeld. Indien verscheidene adressen worden opgegeven, wordt slechts het als eerste genoemde adres in aanmerking genomen, tenzij de aanvrager een van die adressen als postadres aanwijst;”.

b)

Aan punt c) wordt de volgende zinsnede toegevoegd:

„, of een verwijzing naar de opgave van de waren of diensten waarvoor eerder een Gemeenschapsmerk werd aangevraagd;”.

c)

Punt k) wordt vervangen door:

„k)

de handtekening van de aanvrager of van diens vertegenwoordiger overeenkomstig regel 79;”.

d)

Een nieuw punt l) wordt toegevoegd:

„l)

in voorkomend geval, het in artikel 39, lid 2, van de verordening bedoelde verzoek om een rechercheverslag.”.

2.

Regel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)

Lid 2 wordt vervangen door:

„2.

In de andere dan de in lid 1 genoemde gevallen en behalve wanneer de aanvrage langs elektronische weg wordt ingediend, wordt het merk op een van het formulier voor de aanvrage gescheiden blad afgebeeld. Het formaat van het blad waarop het merk wordt afgebeeld, mag niet groter zijn dan DIN A4 (lengte 29,7 cm, breedte 21 cm) en het voor de afbeelding gebruikte oppervlak (bladspiegel) niet groter dan 26,2 × 17 cm. De linkermarge bedraagt minimaal 2,5 cm. De juiste positie van het merk wordt op de afbeelding aangeduid door toevoeging van het woord „boven”, voorzover dit niet voor de hand ligt. De afbeelding van het merk dient van zodanige kwaliteit te zijn dat met het oog op de openbaarmaking in het Blad van Gemeenschapsmerken verkleining of vergroting mogelijk is tot een formaat van ten hoogste 8 cm breed en 16 cm lang.”.

b)

De leden 5 en 6 worden vervangen door:

„5.

Indien de aanvrage betrekking heeft op inschrijving in kleur, bestaat de in lid 2 bedoelde afbeelding in een afbeelding van het merk in kleur. Voorts wordt in woorden aangegeven uit welke kleuren het merk bestaat, en mag een verwijzing naar een erkende kleurencode worden toegevoegd.

6.

Indien de aanvrage betrekking heeft op de inschrijving van een geluidsmerk, bestaat de weergave van het merk uit een grafische weergave van het geluid, in het bijzonder in muziekschrift; indien de aanvrage langs elektronische weg wordt ingediend, kan zij vergezeld gaan van een elektronisch bestand met het geluid. De voorzitter van het Bureau stelt de formaten en maximumgrootte van het elektronische bestand vast.”.

3.

Regel 4 wordt vervangen door:

„Regel 4

Bij de aanvrage verschuldigde taksen

Bij de aanvrage dienen de volgende taksen te worden betaald:

a)

de basistaks;

b)

een klassetaks voor elke klasse boven de derde waarin de waren of diensten overeenkomstig regel 2 gerangschikt worden;

c)

in voorkomend geval, de recherchetaks.”.

4.

Regel 5 bis wordt ingevoegd:

„Regel 5 bis

Rechercheverslag

De rechercheverslagen worden opgesteld aan de hand van een standaardformulier, dat ten minste de volgende gegevens bevat:

a)

de naam van de centrale dienst voor de industriële eigendom die de recherche heeft verricht;

b)

het nummer van de in het rechercheverslag genoemde merkaanvragen of -inschrijvingen;

c)

de datum van de aanvrage en, in voorkomend geval, de datum van voorrang van de in het rechercheverslag genoemde merkaanvragen of -inschrijvingen;

d)

in voorkomend geval, de datum van inschrijving van de in het rechercheverslag genoemde merken;

e)

de naam en het contactadres van de houder zoals vermeld in het register van de in het rechercheverslag genoemde merkaanvragen of -inschrijvingen;

f)

een afbeelding van de in het rechercheverslag genoemde aangevraagde of ingeschreven merken;

g)

een opgave van de klassen, volgens de classificatie van Nice, waarvoor de eerdere nationale merken zijn aangevraagd of ingeschreven, of van de waren en diensten waarvoor de in het rechercheverslag genoemde merken zijn aangevraagd of ingeschreven.”.

5.

Aan regel 6, lid 1, wordt de volgende zin toegevoegd:

„Indien de eerdere aanvrage een aanvrage van een Gemeenschapsmerk is, voegt het Bureau ambtshalve een kopie van de eerdere aanvrage in het dossier van de aanvrage voor een Gemeenschapsmerk.”.

6.

In regel 8 wordt lid 2 vervangen door:

„2.

Indien de aanvrager nadat de aanvrage reeds is ingediend, een beroep wenst te doen op de anciënniteit van een of meer eerder ingeschreven merken zoals bedoeld in artikel 34 van de verordening, moet binnen een termijn van twee maanden na indiening van de aanvrage de verklaring van anciënniteit, met vermelding van de lidstaat of de lidstaten waarin of waarvoor het merk is ingeschreven, het nummer en de datum van de desbetreffende inschrijving en de waren en diensten waarvoor het merk is ingeschreven, aan het Bureau worden overgelegd. De uit hoofde van lid 1 vereiste gegevens en bewijsstukken worden het Bureau overgelegd binnen een termijn van drie maanden na ontvangst van de verklaring van anciënniteit.”.

7.

Regel 10 wordt vervangen door:

„Regel 10

Recherches door nationale diensten

1.

Indien in de aanvrage voor een Gemeenschapsmerk geen verzoek om een rechercheverslag zoals bedoeld in artikel 39, lid 2, van de verordening wordt gedaan of indien de in regel 4, onder c), bedoelde recherchetaks niet binnen de termijn voor de betaling van de basistaks wordt voldaan, wordt de aanvrage niet aan een recherche door de centrale diensten voor de industriële eigendom onderworpen.

2.

Een internationale inschrijving waarin de Europese Gemeenschap wordt aangewezen, wordt niet aan een recherche door de centrale diensten voor de industriële eigendom onderworpen indien binnen een maand na de datum waarop het Internationaal Bureau het Bureau in kennis stelt van de internationale inschrijving, geen verzoek om een rechercheverslag zoals bedoeld in artikel 39, lid 2, van de verordening wordt gedaan of indien de recherchetaks niet binnen dezelfde termijn wordt voldaan.”.

8.

In regel 12 wordt punt c) vervangen door:

„c)

de afbeelding van het merk met de in regel 3 bedoelde gegevens en beschrijvingen; indien het merk in kleur is afgebeeld of kleuren bevat, wordt het ook in kleur gepubliceerd onder aanduiding van de kleur of kleuren waaruit het merk is samengesteld, en in voorkomend geval de aangegeven kleurcode;”.

9.

In regel 13 worden lid 1, onder c), en lid 2 geschrapt.

10.

Regel 13 bis wordt ingevoegd:

„Regel 13 bis

Afsplitsing van de aanvrage

1.

De verklaring van afsplitsing van de aanvrage zoals bedoeld in artikel 44 bis van de verordening omvat:

a)

het dossiernummer van de aanvrage;

b)

naam en adres van de aanvrager, overeenkomstig regel 1, lid 1, onder b);

c)

de opgave van de waren en diensten waarvoor afsplitsing wordt aangevraagd, of, als afsplitsing in meer dan één afgesplitste aanvrage wordt gevraagd, de opgave van waren en diensten voor elke afgesplitste aanvrage;

d)

de opgave van de waren en diensten die onder de oorspronkelijke aanvrage blijven vallen.

2.

Indien het Bureau vaststelt dat niet aan de in lid 1 genoemde vereisten is voldaan of dat de opgave van de waren en diensten waarvoor afsplitsing wordt aangevraagd de waren en diensten die onder de oorspronkelijke aanvrage blijven vallen, overlapt, verzoekt het de aanvrager de vastgestelde gebreken binnen een door het Bureau te stellen termijn op te heffen.

Indien de gebreken niet tijdig worden opgeheven, wijst het Bureau de verklaring van afsplitsing af.

3.

De in artikel 44 bis, lid 2, onder b), van de verordening bedoelde perioden gedurende welke een verklaring van afsplitsing van de aanvrage niet-ontvankelijk is, zijn:

a)

de periode voordat een datum van aanvrage is toegekend;

b)

de in artikel 42, lid 1, van de verordening bedoelde periode van drie maanden na de publicatie van de aanvrage;

c)

de periode na de datum van het verzoek tot betaling van de in regel 23, lid 1, bedoelde inschrijvingstaks.

4.

Indien het Bureau vaststelt dat de verklaring van afsplitsing ingevolge artikel 44 bis van de verordening of ingevolge lid 3, onder a) en b), niet-ontvankelijk is, wijst het de verklaring van afsplitsing af.

5.

Het Bureau legt voor de afgesplitste aanvrage een afzonderlijk dossier aan, dat bestaat uit een volledig afschrift van het dossier van de oorspronkelijke aanvrage met inbegrip van de verklaring van afsplitsing en de correspondentie daarover. Het Bureau kent aan de afgesplitste aanvrage een nieuw aanvragenummer toe.

6.

Indien de verklaring van afsplitsing betrekking heeft op een aanvrage die ingevolge artikel 40 van de verordening reeds is gepubliceerd, wordt de afsplitsing gepubliceerd in het Blad van Gemeenschapsmerken. De afgesplitste aanvrage wordt gepubliceerd; de publicatie bevat de in regel 12 bedoelde aanduidingen en gegevens. Met de publicatie gaat geen nieuwe oppositietermijn in.”.

11.

De regels 15 tot en met 20 worden vervangen door:

„Regel 15

Bezwaarschrift van oppositie

1.

Een oppositiebezwaarschrift mag worden ingediend op grond van een of meer oudere merken in de zin van artikel 8, lid 2, van de verordening („oudere merken”) of van een of meer oudere rechten in de zin van artikel 8, lid 4, van de verordening („oudere rechten”), mits de oudere merken of rechten allemaal eigendom zijn van dezelfde eigenaar(s). Indien een ouder merk of ouder recht meer dan één eigenaar heeft (mede-eigendom), mag de oppositie geschieden door één of meer of door alle eigenaren.

2.

Het oppositiebezwaarschrift omvat:

a)

het dossiernummer van de aanvrage waartegen de oppositie is gericht, en de naam van de aanvrager van het Gemeenschapsmerk;

b)

een duidelijke identificatie van het oudere merk of recht waarop de oppositie berust, namelijk:

i)

indien de oppositie berust op een ouder merk in de zin van artikel 8, lid 2, onder a) of b), van de verordening of indien zij berust op artikel 8, lid 3, van de verordening, de vermelding van het dossier- of inschrijvingsnummer van het oudere merk, de vermelding of het oudere merk is ingeschreven, dan wel of het een aanvrage om inschrijving betreft, alsmede een opgave van de lidstaten, met inbegrip, in voorkomend geval, van de Benelux, waar of waarvoor het oudere merk bescherming geniet, of, in voorkomend geval, de vermelding dat het een Gemeenschapsmerk betreft;

ii)

indien de oppositie berust op een algemeen bekend merk in de zin van artikel 8, lid 2, onder c), van de verordening, een opgave van de lidstaat waar het merk algemene bekendheid geniet en de in punt i) bedoelde gegevens of een afbeelding van het merk;

iii)

indien de oppositie berust op een ouder recht in de zin van artikel 8, lid 4, van de verordening, een opgave van de soort en aard ervan, een afbeelding van het oudere recht, een vermelding of dit oudere recht in de gehele Gemeenschap dan wel in een of meer lidstaten bestaat en, zo ja, een opgave van de lidstaten;

c)

de gronden waarop de oppositie berust, namelijk een verklaring dat aan de respectieve vereisten van artikel 8, leden 1, 3, 4 en 5, van de verordening is voldaan;

d)

de datum van indiening en, indien beschikbaar, de datum van inschrijving en de datum van voorrang van het oudere merk, tenzij het een niet-ingeschreven algemeen bekend merk is;

e)

een afbeelding van het oudere merk; indien het een ouder merk in kleur betreft, moet de afbeelding in kleur zijn;

f)

de waren en diensten waarop de oppositie berust;

g)

indien de oppositie berust op een ouder merk dat bekendheid geniet in de zin van artikel 8, lid 5, van de verordening, een opgave van de lidstaat waar, en de waren en diensten waarvoor het merk bekendheid geniet;

h)

met betrekking tot de opposant:

i)

naam en adres van de opposant, overeenkomstig regel 1, lid 1, onder b);

ii)

indien de opposant een vertegenwoordiger heeft aangewezen, diens naam en kantooradres overeenkomstig regel 1, lid 1, onder e);

iii)

indien de oppositie geschiedt door een licentiehouder of een persoon die krachtens het toepasselijke nationale recht gerechtigd is een ouder recht uit te oefenen, een verklaring in die zin en gegevens omtrent de machtiging of het recht om oppositie aan te tekenen.

3.

Het oppositiebezwaarschrift kan het volgende omvatten:

a)

een opgave van de waren en diensten waartegen de oppositie gericht is; bij ontbreken van een dergelijke opgave wordt de oppositie geacht gericht te zijn tegen alle waren en diensten van de aanvrage voor een Gemeenschapsmerk waartegen oppositie ingesteld wordt;

b)

een met redenen omklede verklaring met een uiteenzetting van de voornaamste feiten en argumenten waarop de oppositie berust, en bewijsstukken ter staving van de oppositie.

4.

Indien de oppositie berust op meer dan een ouder merk of recht, zijn de leden 2 en 3 op elk van deze rechten van toepassing.

Regel 16

Taalgebruik in het oppositiebezwaarschrift

1.

De in artikel 115, lid 6, van de verordening bedoelde termijn waarbinnen de opposant een vertaling van zijn oppositiebezwaarschrift dient over te leggen, bedraagt één maand na het verstrijken van de oppositietermijn.

2.

Indien de opposant of de aanvrager het Bureau, vóór de datum waarop de oppositieprocedure overeenkomstig regel 18, lid 1, geacht wordt een aanvang te nemen, ervan in kennis stelt dat de aanvrager en de opposant overeenkomstig artikel 115, lid 7, van de verordening overeen zijn gekomen een andere taal als proceduretaal te gebruiken, dient de opposant, indien het oppositiebezwaarschrift niet in die taal is ingediend, binnen een maand te rekenen vanaf genoemde datum in die taal een vertaling van het oppositiebezwaarschrift in. Indien de vertaling niet of te laat wordt ingediend, blijft de proceduretaal ongewijzigd.

Regel 16 bis

Kennisgeving aan de aanvrager

Elk oppositiebezwaarschrift en alle door de opposant overgelegde documenten, alsook alle voor het verstrijken van de in regel 18 bedoelde termijn door het Bureau aan een van de partijen gerichte mededelingen worden door het Bureau aan de andere partij toegezonden om deze van de indiening van een oppositie in kennis te stellen.

Regel 17

Toetsing van de ontvankelijkheid

1.

Indien de oppositietaks niet binnen de oppositietermijn is voldaan, wordt de oppositie geacht niet te zijn ingediend. Indien de oppositietaks na het verstrijken van de oppositietermijn is betaald, wordt deze de opposant terugbetaald.

2.

Indien het oppositiebezwaarschrift niet binnen de oppositietermijn is ingediend, niet duidelijk aangeeft tegen welke aanvrage de oppositie gericht is of op welk ouder merk of recht de oppositie overeenkomstig regel 15, lid 2, onder a) en b), berust, dan wel geen oppositiegronden overeenkomstig regel 15, lid 2, onder c), bevat en indien deze gebreken voor het verstrijken van de oppositietermijn niet zijn opgeheven, verklaart het Bureau de oppositie niet-ontvankelijk.

3.

Indien de opposant niet de ingevolge regel 16, lid 1, vereiste vertaling overlegt, wordt de oppositie niet-ontvankelijk verklaard. Indien de opposant een onvolledige vertaling overlegt, wordt bij de toetsing van de ontvankelijkheid geen rekening gehouden met het gedeelte van het oppositiebezwaarschrift dat niet vertaald is.

4.

Indien het oppositiebezwaarschrift niet aan de andere bepalingen van regel 15 voldoet, doet het Bureau hiervan mededeling aan de opposant en verzoekt het hem de vastgestelde gebreken binnen twee maanden op te heffen. Indien de gebreken niet tijdig worden opgeheven, verklaart het Bureau de oppositie niet-ontvankelijk.

5.

Iedere vaststelling ingevolge lid 1 dat het oppositie bezwaarschrift geacht wordt niet te zijn ingediend, en iedere beslissing waarbij een oppositie krachtens de leden 2, 3 en 4 niet-ontvankelijk wordt verklaard, wordt meegedeeld aan de aanvrager.

Regel 18

Aanvang van de oppositieprocedure

1.

Wanneer de oppositie overeenkomstig regel 17 ontvankelijk wordt verklaard, stuurt het Bureau de partijen een mededeling om hen te laten weten dat de oppositieprocedure twee maanden na ontvangst van de mededeling geacht wordt een aanvang te nemen. Deze termijn kan tot maximaal 24 maanden worden verlengd indien beide partijen voor het verstrijken van de termijn daarom verzoeken.

2.

Indien de aanvrage binnen de in lid 1 bedoelde termijn wordt ingetrokken of beperkt wordt tot waren en diensten waartegen de oppositie niet gericht is, of indien het Bureau bericht ontvangt van een schikking tussen de partijen, of indien de aanvrage in een parallelle procedure wordt afgewezen, wordt de oppositieprocedure gesloten.

3.

Indien de aanvrager binnen de in lid 1 bedoelde termijn de aanvrage beperkt door sommige van de waren en diensten waartegen de oppositie gericht is, te schrappen, verzoekt het Bureau de opposant binnen een door het Bureau te stellen termijn mee te delen of hij de oppositie handhaaft en, zo ja, voor welke van de resterende waren en diensten. Indien de opposant de oppositie wegens de beperking intrekt, wordt de oppositieprocedure gesloten.

4.

Indien vóór het verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn de oppositieprocedure op grond van lid 2 of 3 gesloten wordt, wordt geen beslissing inzake de kosten genomen.

5.

Indien vóór het verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn de oppositieprocedure na een intrekking of beperking van de aanvrage of op grond van lid 3 gesloten wordt, wordt de oppositietaks terugbetaald.

Regel 19

Substantiëring van de oppositie

1.

Het Bureau stelt de opposant in de gelegenheid feiten, bewijzen en argumenten ter staving van zijn oppositie aan te dragen of ingevolge regel 15, lid 3, reeds aangedragen feiten, bewijzen of argumenten aan te vullen binnen een door het Bureau te stellen termijn die ten minste twee maanden bedraagt en ingaat op de datum waarop de oppositieprocedure overeenkomstig regel 18, lid 1, geacht wordt een aanvang te nemen.

2.

Binnen de in lid 1 bedoelde termijn overlegt de opposant ook bewijzen van het bestaan, de geldigheid en de beschermingsomvang van zijn ouder merk of recht, alsmede bewijsmateriaal waaruit blijkt dat hij gerechtigd is een oppositie in te dienen. De opposant verstrekt met name het volgende bewijsmateriaal:

a)

indien de oppositie berust op een merk dat geen Gemeenschapsmerk is, bewijsmateriaal betreffende de indiening of inschrijving ervan door overlegging:

i)

indien het merk nog niet ingeschreven is, van een kopie van het desbetreffende indieningsbewijs of een ander gelijkwaardig document, afgegeven door de administratie waarbij de aanvrage voor een merk werd ingediend, of

ii)

indien het merk ingeschreven is, van een kopie van het desbetreffende inschrijvingsbewijs en eventueel van het laatste vernieuwingsbewijs, waaruit blijkt dat de beschermingstermijn van het merk langer is dan de in lid 1 bedoelde termijn en de eventuele verlenging daarvan, of gelijkwaardige documenten, afgegeven door de administratie waarbij het merk werd ingeschreven;

b)

indien de oppositie berust op een algemeen bekend merk in de zin van artikel 8, lid 2, onder c), van de verordening, bewijsmateriaal waaruit blijkt dat het merk op het desbetreffende grondgebied algemene bekendheid geniet;

c)

indien de oppositie berust op een bekend merk in de zin de artikel 8, lid 5, van de verordening, naast het onder a) van dit lid bedoelde bewijsmateriaal, bewijsmateriaal waaruit blijkt dat het merk bekendheid geniet, alsmede bewijsmateriaal of argumenten waaruit blijkt dat gebruik van het aangevraagde merk zonder geldige reden ongerechtvaardigd voordeel zou trekken uit of afbreuk zou doen aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het oudere merk;

d)

indien de oppositie berust op een ouder recht in de zin van artikel 8, lid 4, van de verordening, bewijsmateriaal betreffende de verkrijging en het voortbestaan van dat recht en de omvang van de daaraan verbonden bescherming;

e)

indien de oppositie berust op artikel 8, lid 3, van de verordening, bewijsmateriaal betreffende het eigendomsrecht van de opposant en de aard van zijn relatie tot de gemachtigde of vertegenwoordiger.

3.

De informatie en het bewijsmateriaal zoals bedoeld in de leden 1 en 2, moeten gesteld zijn in de proceduretaal of vergezeld gaan van een vertaling. De vertaling wordt overgelegd binnen de voor de indiening van het origineel gestelde termijn.

4.

Het Bureau houdt geen rekening met schriftelijke opmerkingen of documenten, of delen daarvan, die niet binnen de door het Bureau gestelde termijn zijn ingediend of in de proceduretaal zijn vertaald.

Regel 20

Onderzoek van de oppositie

1.

Indien de opposant voor het verstrijken van de in regel 19, lid 1, bedoelde termijn geen bewijsmateriaal heeft verstrekt waaruit het bestaan, de geldigheid en de beschermingsomvang van zijn ouder merk of recht blijken en niet kan aantonen dat hij gerechtigd is de oppositie in te dienen, wordt de oppositie als ongegrond afgewezen.

2.

Indien de oppositie niet op grond van lid 1 wordt afgewezen, deelt het Bureau de opmerkingen van de opposant aan de aanvrager mee en verzoekt het deze binnen een door het Bureau gestelde termijn zijn opmerkingen in te dienen.

3.

Indien de aanvrager geen opmerkingen indient, baseert het Bureau zijn beslissing aangaande de oppositie op de aan het Bureau voorgelegde stukken.

4.

Het Bureau deelt de opmerkingen van de aanvrager aan de opposant mee en verzoekt deze, wanneer het Bureau zulks noodzakelijk acht, daarop binnen een door het Bureau gestelde termijn te antwoorden.

5.

Regel 18, leden 2 en 3, is van overeenkomstige toepassing na de datum waarop de oppositieprocedure geacht wordt een aanvang te nemen.

6.

Waar nodig, kan het Bureau de partijen verzoeken hun opmerkingen tot bepaalde punten te beperken, in welk geval het de partijen in de gelegenheid stelt de andere punten in een later stadium van de procedure aan de orde te stellen. In geen geval is het Bureau verplicht de partijen mee te delen welke feiten of welk bewijsmateriaal kunnen worden of niet zijn overgelegd.

7.

Het Bureau kan de oppositieprocedure opschorten:

a)

indien de oppositie op een inschrijvingsaanvrage in de zin van artikel 8, lid 2, onder b), van de verordening berust, totdat in die procedure een eindbeslissing wordt genomen;

b)

indien de oppositie op een inschrijvingsaanvrage voor een geografische aanduiding of oorsprongsbenaming krachtens Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad (3) berust, totdat in die procedure een eindbeslissing wordt genomen, of

c)

indien een opschorting in de gegeven omstandigheden passend is.

12.

Regel 22 wordt vervangen door:

„Regel 22

Bewijs van gebruik

1.

Een verzoek om een bewijs van gebruik overeenkomstig artikel 43, lid 2 of lid 3, van de verordening is alleen ontvankelijk als de aanvrager een dergelijk verzoek indient binnen de door het Bureau overeenkomstig regel 20, lid 2, gestelde termijn.

2.

Indien de opposant het bewijs moet leveren van gebruik van het merk of van het bestaan van geldige redenen voor het niet gebruiken ervan, verzoekt het Bureau hem het vereiste bewijs binnen een door het Bureau te stellen termijn over te leggen. Het Bureau wijst de oppositie af indien de opposant dit bewijs niet binnen de gestelde termijn overlegt.

3.

De elementen en het bewijsmateriaal voor het leveren van het bewijs van gebruik bestaan uit opgaven van de plaats, tijd, omvang en wijze van gebruik van het opponerende merk voor de waren en diensten waarvoor het wordt ingeschreven en waarop de oppositie berust, en uit bewijsmateriaal ter staving van deze elementen overeenkomstig lid 4.

4.

Het bewijs wordt ingediend overeenkomstig de regels 79 en 79 bis, en bestaat in beginsel alleen uit overlegging van tot staving dienende stukken en voorwerpen, zoals verpakkingen, etiketten, prijslijsten, catalogi, facturen, foto’s, krantenadvertenties en schriftelijke verklaringen zoals bedoeld in artikel 76, lid 1, onder f), van de verordening.

5.

Een verzoek om bewijs van gebruik kan worden gedaan al dan niet onder gelijktijdige indiening van de opmerkingen over de gronden waarop de oppositie berust. Deze opmerkingen kunnen tezamen met de opmerkingen in antwoord op het bewijs van het gebruik worden ingediend.

6.

Indien de door de opposant verstrekte bewijzen niet in de taal van de oppositieprocedure zijn, kan het Bureau eisen dat de opposant binnen een door het Bureau gestelde termijn een vertaling van die bewijzen in de proceduretaal overlegt.”

13.

In regel 24 wordt lid 2 vervangen door:

„2.

Het Bureau verstrekt tegen betaling van een taks al dan niet gewaarmerkte afschriften van het inschrijvingsbewijs.”

14.

In regel 25, lid 1, wordt punt c) geschrapt.

15.

Regel 25 bis wordt ingevoegd:

„Regel 25 bis

Afsplitsing van een inschrijving

1.

De verklaring van afsplitsing van een inschrijving zoals bedoeld in artikel 48 bis van de verordening omvat:

a)

het inschrijvingsnummer;

b)

de naam en het adres van de merkhouder, overeenkomstig regel 1, lid 1, onder b);

c)

de opgave van de waren en diensten die de afgesplitste inschrijving vormen, of, als afsplitsing in meer dan één afgesplitste inschrijving wordt gevraagd, de opgave van de waren en diensten voor elke afgesplitste inschrijving;

d)

de opgave van de waren en diensten die onder de oorspronkelijke inschrijving blijven vallen.

2.

Indien het Bureau vaststelt dat niet aan de in lid 1 genoemde vereisten is voldaan of dat de opgave van de waren en diensten die de afgesplitste inschrijving vormen de waren en diensten die onder de oorspronkelijke inschrijving blijven vallen, overlapt, verzoekt het de aanvrager de vastgestelde gebreken binnen een door het Bureau te stellen termijn op te heffen.

Indien de gebreken niet tijdig worden opgeheven, wijst het Bureau de verklaring van afsplitsing af.

3.

Indien het Bureau vaststelt dat de verklaring van afsplitsing ingevolge artikel 48 bis van de verordening niet-ontvankelijk is, wijst het de verklaring van afsplitsing af.

4.

Het Bureau legt voor de afgesplitste inschrijving een afzonderlijk dossier aan, dat bestaat uit een volledig afschrift van het dossier van de oorspronkelijke inschrijving, met inbegrip van de verklaring van afsplitsing en de correspondentie daarover. Het Bureau kent aan de afgesplitste inschrijving een nieuw nummer toe.”.

16.

In regel 26, lid 2, wordt punt d) geschrapt.

17.

Regel 28, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt c) wordt geschrapt;

b)

punt d) wordt vervangen door:

„d)

een opgave van de lidstaat of lidstaten waar of waarvoor het oudere merk is ingeschreven, het nummer en de datum van indiening van de desbetreffende inschrijving, en de waren en diensten waarvoor het oudere merk is ingeschreven;”.

18.

Regel 30 wordt vervangen door:

„Regel 30

Vernieuwing van de inschrijving

1.

Een aanvrage tot vernieuwing omvat:

a)

de naam van de persoon die om vernieuwing verzoekt;

b)

het inschrijvingsnummer van het te vernieuwen Gemeenschapsmerk;

c)

indien de gevraagde vernieuwing slechts een deel van de waren en diensten betreft waarvoor het merk is ingeschreven, een opgave van de klassen of waren en diensten waarvoor om vernieuwing wordt verzocht en van de klassen of waren en diensten waarvoor niet om vernieuwing wordt verzocht, ingedeeld volgens de klassen van de classificatie van Nice, waarbij elke groep van waren of diensten wordt voorafgegaan door het nummer van de klasse van die classificatie waartoe die groep van waren of diensten behoort, weergegeven in de volgorde van de klassen van die classificatie.

2.

De overeenkomstig artikel 47 van de verordening voor de vernieuwing van een Gemeenschapsmerk verschuldigde taksen bestaan uit:

a)

een basistaks;

b)

een klassetaks voor elke klasse boven de derde waarvoor vernieuwing wordt aangevraagd, en

c)

in voorkomend geval, de toeslag voor te late betaling van de vernieuwingstaks of voor te late indiening van het verzoek om vernieuwing overeenkomstig artikel 47, lid 3, van de verordening, zoals nader geregeld in de taksenverordening.

3.

Er wordt geacht een verzoek om vernieuwing te zijn ingediend als de in lid 2 bedoelde betaling wordt verricht volgens een van de in artikel 5, lid 1, van de taksenverordening genoemde wijzen van betaling, mits de betaling alle in lid 1, onder a) en b), van deze regel en in artikel 7, lid 1, van de taksenverordening vereiste gegevens bevat.

4.

Indien de aanvrage tot vernieuwing binnen de in artikel 47, lid 3, van de verordening genoemde termijnen wordt ingediend, maar niet aan de overige in artikel 47 van de verordening en in deze regels genoemde voorwaarden voor vernieuwing is voldaan, stelt het Bureau de aanvrager in kennis van de vastgestelde gebreken.

5.

Indien de aanvrage om vernieuwing niet of na het verstrijken van de in artikel 47, lid 3, derde volzin, van de verordening bedoelde termijn wordt ingediend, indien de taksen niet of eerst na het verstrijken van die termijn worden betaald of indien de vastgestelde gebreken niet binnen die termijn worden opgeheven, stelt het Bureau vast dat de geldigheidsduur van de inschrijving is verstreken en stelt het de Gemeenschapsmerkhouder hiervan in kennis.

Indien de betaalde taksen ontoereikend zijn om alle klassen van waren en diensten waarvoor de vernieuwing wordt aangevraagd, te bestrijken, geschiedt die vaststelling niet indien duidelijk is welke klasse of klassen daardoor dient, respectievelijk dienen te worden bestreken. Bij gebrek aan andere criteria neemt het Bureau de klassen in de volgorde van de classificatie in aanmerking.

6.

Indien de overeenkomstig lid 5 gedane vaststelling definitief is geworden, haalt het Bureau de inschrijving van het merk in het register door. De doorhaling geldt vanaf de dag volgend op die waarop de bestaande inschrijving verstreek.

7.

Indien in lid 2 bedoelde vernieuwingstaksen zijn betaald doch de inschrijving niet vernieuwd is, worden deze taksen terugbetaald.

8.

Voor twee of meer merken kan tegen betaling van de verschuldigde taksen voor elk van de merken één enkele aanvrage tot vernieuwing worden ingediend, mits de eigenaars of de vertegenwoordigers telkens dezelfde zijn.”.

19.

In regel 31 worden de leden 3 en 4 geschrapt.

20.

In regel 32 wordt lid 4 vervangen door:

„4.

Het Bureau legt voor de nieuwe inschrijving een afzonderlijk dossier aan, dat bestaat uit een volledig afschrift van het dossier van de oorspronkelijke inschrijving, met inbegrip van de aanvrage tot inschrijving van de partiële overgang en de correspondentie daarover. Het Bureau kent aan de nieuwe inschrijving een nieuw inschrijvingsnummer toe.”.

21.

Regel 33 wordt als volgt gewijzigd:

a)

Lid 1 wordt vervangen door:

„1.

Regel 31, leden 1, 2, 5 en 7, is van overeenkomstige toepassing op de inschrijving of overgang van een licentie of een overgang daarvan, een zakelijk recht of een overgang daarvan, een executiemaatregel of een insolventieprocedure, met dien verstande dat:

a)

regel 31, lid 1, onder c), niet van toepassing is op een verzoek om inschrijving van een zakelijk recht, een gedwongen tenuitvoerlegging of een insolventieprocedure;

b)

regel 31, lid 1, onder d), en lid 5, niet van toepassing zijn als het verzoek afkomstig is van de Gemeenschapsmerkhouder.”.

b)

Lid 2 wordt vervangen door:

„2.

Het verzoek tot inschrijving van een licentie, een overgang van een licentie, een zakelijk recht, een overgang van een zakelijk recht of een executiemaatregel wordt geacht niet te zijn ingediend zolang de verschuldigde taks niet is betaald.”.

c)

In lid 3 worden de woorden „artikelen 19, 20 of 22” vervangen door „artikelen 19 tot en met 22” en worden de woorden „in de leden 1 en 2 van de onderhavige regel” vervangen door „in lid 1 van deze regel en in regel 34, lid 2.”.

d)

Lid 4 wordt vervangen door:

„4.

De leden 1 en 3 zijn van overeenkomstige toepassing op aanvragen voor Gemeenschapsmerken. Van de licenties, zakelijke rechten, insolventieprocedures en executiemaatregelen wordt in de dossiers die met betrekking tot de aanvrage voor een Gemeenschapsmerk door het Bureau worden bijgehouden, een aantekening aangebracht.”.

22.

Regel 34 wordt vervangen door:

„Regel 34

Bijzondere bepalingen voor de inschrijving van een licentie

1.

Het verzoek tot inschrijving van een licentie kan een verzoek om inschrijving van de licentie in het register bevatten als:

a)

uitsluitende licentie,

b)

onderlicentie indien de licentie wordt verleend door een licentiehouder wiens licentie in het register is ingeschreven,

c)

licentie die beperkt is tot een deel van de waren of diensten waarvoor het merk ingeschreven is,

d)

licentie die beperkt is tot een deel van de Gemeenschap,

e)

tijdelijke licentie.

2.

Indien een verzoek tot inschrijving van de licentie als licentie overeenkomstig lid 1, onder c), d) en e), wordt ingediend, moeten in de aanvrage tot inschrijving de waren en diensten, het deel van de Gemeenschap en het tijdvak waarvoor de licentie wordt verleend, worden aangegeven.”.

23.

In regel 35 wordt lid 3 vervangen door:

„3.

Het verzoek tot doorhaling van een licentie, een zakelijk recht of een executiemaatregel wordt geacht niet te zijn ingediend zolang de verschuldigde taks niet is betaald.”.

24.

In regel 36, lid 1, wordt punt c) geschrapt.

25.

Regel 38 wordt als volgt gewijzigd:

a)

Lid 1 wordt vervangen door:

„1.

De in artikel 115, lid 6, van de verordening bedoelde termijn waarbinnen de indiener van de vordering tot vervallen- of nietigverklaring een vertaling van zijn vordering dient over te leggen, bedraagt één maand, ingaande op de datum van indiening van zijn vordering; bij gebreke daarvan, wordt de vordering niet-ontvankelijk verklaard.”.

b)

Aan lid 3 wordt de volgende zin toegevoegd:

„Indien de vertaling niet of te laat wordt ingediend, blijft de proceduretaal ongewijzigd.”.

26.

Regel 39 wordt vervangen door:

„Regel 39

Niet-ontvankelijkverklaring van de vordering tot vervallen- of nietigverklaring

1.

Indien het Bureau vaststelt dat de verschuldigde taks niet is betaald, verzoekt het de aanvrager de taks binnen een door het Bureau te stellen termijn alsnog te voldoen. Indien de verschuldigde taks niet binnen de door het Bureau gestelde termijn wordt voldaan, deelt het Bureau de aanvrager mee dat de vordering tot vervallen- of nietigverklaring wordt geacht niet te zijn ingediend. Indien de taks na het verstrijken van de gestelde termijn is betaald, wordt deze de aanvrager terugbetaald.

2.

Indien de in regel 38, lid 1, verlangde vertaling niet binnen de voorgeschreven termijn wordt ingediend, verklaart het Bureau de vordering tot vervallen- of nietigverklaring niet-ontvankelijk.

3.

Indien het Bureau vaststelt dat de vordering niet aan regel 37 beantwoordt, verzoekt het de verzoeker de vastgestelde gebreken binnen een door het Bureau te stellen termijn op te heffen. Indien de gebreken niet vóór het verstrijken van de termijn worden opgeheven, verklaart het Bureau de vordering niet-ontvankelijk.

4.

Wanneer een vordering tot vervallen- of nietigverklaring overeenkomstig lid 2 of 3 niet-ontvankelijk wordt verklaard, wordt dit de verzoeker en de Gemeenschapsmerkhouder meegedeeld.”.

27.

Regel 40 wordt als volgt gewijzigd:

a)

Lid 1 wordt vervangen door:

„1.

Iedere vordering tot vervallen- of nietigverklaring die wordt geacht te zijn ingediend, wordt ter kennis gebracht van de Gemeenschapsmerkhouder. Wanneer het Bureau de vordering ontvankelijk verklaart, verzoekt het de Gemeenschapsmerkhouder binnen een door het Bureau te stellen termijn zijn opmerkingen in te dienen.”.

b)

Lid 4 wordt vervangen door:

„4.

Tenzij regel 69 anders bepaalt of toestaat, worden alle door een der partijen ingediende opmerkingen aan de andere partij meegedeeld.”.

c)

Lid 5 wordt vervangen door:

„5.

In het geval van een vordering tot vervallenverklaring op grond van artikel 50, lid 1, onder a), van de verordening verzoekt het Bureau de eigenaar van het Gemeenschapsmerk binnen een door het Bureau te stellen termijn het bewijs van het normale gebruik van het merk te leveren. Indien het bewijs niet binnen de gestelde termijn wordt geleverd, wordt het Gemeenschapsmerk vervallen verklaard. Regel 22, leden 2, 3 en 4, is van overeenkomstige toepassing.”.

d)

Een nieuw lid 6 wordt toegevoegd:

„6.

Indien de verzoeker overeenkomstig artikel 56, lid 2 of lid 3, van de verordening het bewijs van gebruik of van het bestaan van geldige redenen voor het niet gebruiken moet leveren, verzoekt het Bureau de verzoeker binnen een door het Bureau te stellen termijn het bewijs van het normale gebruik van het merk te leveren. Indien het bewijs niet binnen de gestelde termijn wordt geleverd, wordt het verzoek tot nietigverklaring afgewezen. Regel 22, leden 2, 3 en 4, is van overeenkomstige toepassing.”.

28.

De regels 44 en 45 worden vervangen door:

„Regel 44

Verzoek tot omzetting

1.

Het verzoek tot omzetting van een aanvrage voor een Gemeenschapsmerk of van een ingeschreven Gemeenschapsmerk in een aanvrage voor een nationaal merk overeenkomstig artikel 108 van de verordening omvat:

a)

de naam en het adres van de indiener van het omzettingsverzoek, overeenkomstig regel 1, lid 1, onder b);

b)

het dossiernummer van de aanvrage voor een Gemeenschapsmerk of het inschrijvingsnummer van het Gemeenschapsmerk;

c)

een opgave van de reden voor omzetting overeenkomstig artikel 108, lid 1, onder a) of b), van de verordening;

d)

een opgave van de lidstaat of lidstaten waarvoor de omzetting wordt gevraagd;

e)

indien niet voor alle waren en diensten waarvoor de aanvrage is ingediend of waarvoor het merk is ingeschreven om omzetting wordt verzocht, een opgave van de waren en diensten waarvoor de omzetting wordt verzocht en, indien de omzetting voor meer dan één lidstaat wordt verzocht en de lijst van waren en diensten niet voor alle lidstaten dezelfde is, een opgave van de respectieve waren en diensten voor elke lidstaat;

f)

indien omzetting wordt verzocht overeenkomstig artikel 108, lid 6, van de verordening, een opgave van de datum waarop de beslissing van de nationale rechter in kracht van gewijsde is gegaan, en een afschrift van die beslissing; dat afschrift mag worden overgelegd in de taal van de beslissing.

2.

Het verzoek tot omzetting moet worden ingediend binnen de voorgeschreven termijn overeenkomstig artikel 108, lid 4, 5 of 6, van de verordening. Indien omzetting wordt verzocht na niet-vernieuwing van de inschrijving, gaat de in artikel 108, lid 5, van de verordening bedoelde termijn in op de dag na de laatste dag waarop het verzoek tot vernieuwing overeenkomstig artikel 47, lid 3, van de verordening kon worden ingediend.

Regel 45

Onderzoek van het verzoek tot omzetting

1.

Indien het verzoek tot omzetting niet aan de voorwaarden van artikel 108, lid 1 of lid 2, van de verordening beantwoordt of niet binnen de voorgeschreven termijn van drie maanden werd ingediend of niet beantwoordt aan regel 44 of andere regels, stelt het Bureau de verzoeker daarvan in kennis en stelt het de termijn vast waarbinnen hij zijn aanvrage kan wijzigen of ontbrekende gegevens of aanduidingen kan verstrekken.

2.

Indien de omzettingstaks niet binnen de voorgeschreven termijn van drie maanden is betaald, stelt het Bureau de verzoeker ervan in kennis dat het verzoek tot omzetting wordt geacht niet te zijn ingediend.

3.

Indien de ontbrekende gegevens of aanduidingen niet binnen de door het Bureau gestelde termijn zijn verstrekt, wijst het Bureau het verzoek tot omzetting af.

Indien artikel 108, lid 2, van de verordening van toepassing is, verklaart het Bureau het verzoek tot omzetting alleen niet-ontvankelijk voor de lidstaten waarvoor omzetting krachtens die bepaling uitgesloten is.

4.

Indien het Bureau of een rechtbank voor het Gemeenschapsmerk de aanvrage voor een Gemeenschapsmerk heeft afgewezen of het Gemeenschapsmerk op absolute gronden nietig heeft verklaard in verband met de taal van een lidstaat, wordt omzetting krachtens artikel 108, lid 2, van de verordening uitgesloten voor alle lidstaten waar die taal een van de officiële talen is. Indien het Bureau of een rechtbank voor het Gemeenschapsmerk de aanvrage voor een Gemeenschapsmerk heeft afgewezen of het Gemeenschapsmerk nietig heeft verklaard op absolute gronden die in de hele Gemeenschap van toepassing blijken te zijn, of wegens een ouder Gemeenschapsmerk of ander Gemeenschapsrecht inzake industriële eigendom, wordt omzetting krachtens artikel 108, lid 2, van de verordening voor alle lidstaten uitgesloten.”.

29.

Regel 47 wordt vervangen door:

„Regel 47

Toezending aan de centrale diensten voor de industriële eigendom van de lidstaten

Indien het verzoek tot omzetting aan de vereisten van de verordening en van deze regels beantwoordt, zendt het Bureau het verzoek tot omzetting en de in regel 84, lid 2, bedoelde gegevens aan de centrale diensten voor de industriële eigendom van de lidstaten, met inbegrip van het Benelux-Merkenbureau, waarvoor de aanvrage ontvankelijk is verklaard. Het Bureau stelt de verzoeker in kennis van de datum van toezending.”.

30.

Aan regel 50, lid 1, wordt het volgende toegevoegd:

„Wanneer het beroep wordt ingesteld tegen een beslissing die in een oppositieprocedure is genomen, is artikel 78 bis van de verordening evenwel niet van toepassing op de ingevolge artikel 61, lid 2, van de verordening gestelde termijnen.

Wanneer het beroep wordt ingesteld tegen een beslissing van een oppositieafdeling, beperkt de kamer van beroep het onderzoek van het beroep tot feiten en bewijsstukken die binnen de door de oppositieafdeling vastgestelde termijnen in overeenstemming met de verordening en deze regels zijn voorgelegd, tenzij de kamer van beroep van oordeel is dat ingevolge artikel 74, lid 2, van de verordening rekening moet worden gehouden met aanvullende feiten en bewijsstukken.”.

31.

Regel 51 wordt vervangen door:

„Regel 51

Terugbetaling van de beroepstaks

De beroepstaks wordt alleen terugbetaald op last van:

a)

de dienst waarvan de beslissing werd aangevochten, indien hij ingevolge artikel 60, lid 1, of artikel 60 bis van de verordening herziening verleent, of

b)

de kamer van beroep, indien deze het beroep toewijst en terugbetaling billijk acht uit hoofde van een wezenlijke tekortkoming in de procedure.”.

32.

Regel 53 wordt vervangen door:

„Regel 53

Rechtzetting van vergissingen in beslissingen

Indien het Bureau zelf of op aanwijzing van een partij bij de procedure kennis komt te dragen van een taal- of schrijffout of van een kennelijke vergissing in een beslissing, zorgt het ervoor dat de fout of vergissing door de verantwoordelijke dienst of afdeling wordt rechtgezet.”.

33.

Regel 53 bis wordt ingevoegd:

„Regel 53 bis

Herroeping van een beslissing of doorhaling van een inschrijving in het register

1.

Indien het Bureau zelf of op aanwijzing van de partijen bij de procedure vaststelt dat een beslissing vatbaar is voor herroeping of een inschrijving in het register vatbaar is voor doorhaling overeenkomstig artikel 77 bis van de verordening, stelt het de betrokken partij in kennis van de voorgenomen herroeping of doorhaling.

2.

De betrokken partij kan binnen een door het Bureau te stellen termijn opmerkingen over de voorgenomen herroeping of doorhaling indienen.

3.

Indien de betrokken partij met de voorgenomen herroeping of doorhaling instemt of binnen de gestelde termijn geen opmerkingen indient, herroept het Bureau de beslissing of haalt het de inschrijving door. Indien de betrokken partij niet met de herroeping of doorhaling instemt, neemt het Bureau een beslissing inzake de herroeping of doorhaling.

4.

De leden 1, 2 en 3 zijn van overeenkomstige toepassing indien de herroeping of doorhaling waarschijnlijk meer dan een partij aangaat. In deze gevallen worden de door een van de partijen overeenkomstig lid 3 ingediende opmerkingen altijd aan de andere partij(en) meegedeeld met een verzoek opmerkingen in te dienen.

5.

Indien de herroeping van een beslissing of doorhaling van een inschrijving in het register betrekking heeft op een beslissing of inschrijving die is gepubliceerd, wordt de herroeping of doorhaling ook gepubliceerd.

6.

De in de leden 1 tot en met 4 bedoelde herroeping of doorhaling geschiedt door de dienst of eenheid die de beslissing genomen heeft.”.

34.

In regel 59 wordt lid 4 vervangen door:

„4.

De krachtens de leden 1, 2 en 3 verschuldigde bedragen en voorschotten voor kosten worden vastgesteld door de voorzitter van het Bureau en in het Publicatieblad van het Bureau bekendgemaakt. De bedragen worden berekend op dezelfde grondslag als vastgesteld in het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en bijlage VII daarbij.”.

35.

Regel 60 wordt vervangen door:

„Regel 60

Proces-verbaal van de mondelinge behandeling

1.

Van een mondelinge behandeling of onderzoeksverrichting wordt proces-verbaal opgemaakt, dat het volgende omvat:

a)

de datum van de behandeling;

b)

de namen van de bevoegde ambtenaren van het Bureau, de partijen, hun vertegenwoordigers en de aanwezige getuigen en deskundigen;

c)

de door de partijen gedane aanvragen en verzoeken;

d)

de wijze waarop bewijsmateriaal wordt verstrekt of verkregen;

e)

in voorkomend geval, de uitspraken of de beslissing van het Bureau.

2.

Het proces-verbaal wordt opgenomen in het dossier van de desbetreffende aanvrage voor of inschrijving van een Gemeenschapsmerk. Partijen ontvangen een afschrift van het proces-verbaal.

3.

Indien overeenkomstig artikel 76, lid 1, onder a) of d), van de verordening of regel 59, lid 2, getuigen, deskundigen of partijen worden gehoord, worden hun verklaringen opgetekend.”.

36.

Regel 61 wordt als volgt gewijzigd:

a)

Lid 1 wordt vervangen door:

„1.

Bij procedures voor het Bureau geschieden de door het Bureau te verrichten kennisgevingen in de vorm van het doorzenden van het originele stuk, een ongewaarmerkte kopie daarvan of een computeruitdraai overeenkomstig regel 55, of, indien het gaat om documenten afkomstig van de partijen zelf, duplicaten of ongewaarmerkte kopieën.”.

b)

Het volgende lid 3 wordt toegevoegd:

„3.

Indien de geadresseerde zijn faxnummer of contactgegevens over andere technische communicatiemiddelen heeft opgegeven, heeft het Bureau de keuze tussen een van deze middelen van kennisgeving en kennisgeving per post.”.

37.

Regel 62 wordt als volgt gewijzigd:

a)

Lid 1 wordt vervangen door:

„1.

De kennisgeving van beslissingen waarvoor een termijn voor beroep geldt, van oproepen en van andere door de voorzitter van het Bureau vast te stellen documenten geschiedt per aangetekende brief met ontvangstbevestiging. Alle overige kennisgevingen geschieden per gewone brief.”.

b)

In lid 2 wordt de tweede volzin geschrapt.

c)

Lid 5 wordt vervangen door:

„5.

Kennisgeving per gewone brief wordt geacht te hebben plaatsgevonden op de tiende dag na die van de terpostbezorging.”.

38.

In regel 65, lid 1, wordt de tweede zin vervangen door:

„De kennisgeving wordt geacht te hebben plaatsgevonden op de datum waarop de mededeling door het faxapparaat van de ontvanger werd ontvangen.”.

39.

In regel 66 wordt lid 1 vervangen door:

„1.

Indien het adres van de geadresseerde niet kan worden vastgesteld of indien kennisgeving overeenkomstig regel 62 na ten minste één poging onmogelijk is gebleken, geschiedt de kennisgeving door middel van een openbare bekendmaking.”.

40.

In regel 72 wordt lid 2 vervangen door:

„2.

Eindigt een termijn op een dag waarop de postbestelling in de lidstaat waar het Bureau gevestigd is algemeen onderbroken is of, indien en voorzover de voorzitter van het Bureau toestemming heeft verleend voor het verzenden van mededelingen door middel van elektronische middelen overeenkomstig regel 82, waarop de verbinding van het Bureau met deze elektronische communicatiemiddelen onderbroken is, dan wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende dag na deze onderbreking waarop het Bureau geopend is voor inontvangstneming van stukken en waarop de normale postbestellingen plaatsvinden. De duur van de onderbrekingsperiode wordt door de voorzitter van het Bureau vastgesteld.”.

41.

In regel 72 wordt lid 4 vervangen door:

„4.

Indien de regelmatige communicatie van de partijen bij de procedure met het Bureau of omgekeerd door buitengewone omstandigheden zoals een natuurramp of een staking, wordt onderbroken of gestoord, kan de voorzitter van het Bureau bepalen dat voor partijen bij de procedure die hun woonplaats of zetel in de desbetreffende staat hebben of die een vertegenwoordiger hebben aangewezen die in die staat zijn kantoor heeft, alle termijnen die anders op of na de datum van intreding van een dergelijk door hem vast te stellen voorval zouden verstrijken, worden verlengd tot een door hem vast te stellen datum. Indien het voorval de zetel van het Bureau treft, geschiedt deze vaststelling door de voorzitter met de uitdrukkelijke vermelding dat zij voor alle partijen bij de procedure geldt.”.

42.

Regel 76 wordt als volgt gewijzigd:

a)

De leden 1 tot en met 4 worden vervangen door:

„1.

Advocaten en erkende gemachtigden die op een ingevolge artikel 89, lid 2, van de verordening door het Bureau bij te houden lijst ingeschreven staan, dienen uitsluitend bij het Bureau een bij het dossier te voegen ondertekende volmacht in indien het Bureau daar uitdrukkelijk om verzoekt of, wanneer bij de procedure waarin de gemachtigde voor het Bureau optreedt meer dan een partij betrokken is, indien de andere partij daar uitdrukkelijk om verzoekt.

2.

Werknemers die krachtens artikel 88, lid 3, van de verordening optreden namens natuurlijke of rechtspersonen, dienen bij het Bureau een bij het dossier te voegen ondertekende volmacht in.

3.

De volmacht wordt ingediend in een van de officiële talen van de Gemeenschap. De volmacht kan op een of meer aanvragen of ingeschreven merken betrekking hebben of kan de vorm aannemen van een algemene volmacht waarbij de vertegenwoordiger gemachtigd wordt op te treden in alle procedures voor het Bureau waarbij de volmachtgever als partij betrokken is.

4.

Indien overeenkomstig lid 1 of 2 een ondertekende volmacht moet worden ingediend, specificeert het Bureau binnen welke termijn deze volmacht moet worden ingediend. Indien de volmacht niet binnen deze termijn wordt ingediend, wordt de procedure voortgezet met de vertegenwoordigde persoon. De door de vertegenwoordiger verrichte procedurehandelingen, met uitzondering van de indiening van de aanvrage, worden geacht niet te zijn geschied indien deze door de vertegenwoordigde persoon niet binnen een door het Bureau te stellen termijn worden goedgekeurd. Artikel 88, lid 2, van de verordening blijft onverminderd van toepassing.”.

b)

De leden 8 en 9 worden vervangen door:

„8.

Wanneer het Bureau wordt meegedeeld dat een vertegenwoordiger is aangewezen, worden overeenkomstig regel 1, lid 1, onder e), diens naam en kantooradres opgegeven. Indien voor het Bureau een vertegenwoordiger optreedt die reeds is aangewezen, geeft hij zijn naam en bij voorkeur het hem door het Bureau toegekende identificatienummer op. Indien een partij meerdere vertegenwoordigers aanwijst, mogen deze, ook al is in hun volmachten anders bepaald, zowel gezamenlijk als afzonderlijk handelen.

9.

De aanwijzing of machtiging van een samenwerkingsverband van vertegenwoordigers wordt beschouwd als een aanwijzing of machtiging van elke vertegenwoordiger die binnen dat samenwerkingsverband werkt.”.

43.

Regel 79 wordt als volgt gewijzigd:

a)

De punten a) en b) worden vervangen door:

„a)

door bij het Bureau via de post, door persoonlijke overhandiging of op enigerlei andere wijze een ondertekend origineel van het betrokken document in te dienen;

b)

door overeenkomstig regel 80 een document per fax te verzenden;”.

b)

Punt c) wordt geschrapt.

44.

Regel 79 bis wordt ingevoegd:

„Regel 79 bis

Bijlagen bij schriftelijke mededelingen

Indien een document of een bewijsstuk overeenkomstig regel 79, onder a), wordt ingediend door een partij bij een procedure voor het Bureau waarbij meer dan één partij betrokken is, moet het document of het bewijsstuk, en de eventuele bijlagen daarbij, in even zovele exemplaren worden ingediend als er partijen zijn.”.

45.

Regel 80 wordt als volgt gewijzigd:

a)

Lid 1 wordt vervangen door:

„1.

Indien bij het Bureau een aanvrage voor een Gemeenschapsmerk per fax wordt ingediend en de aanvrage overeenkomstig regel 3, lid 2, een afbeelding van het merk bevat die niet aan de vereisten van die regel voldoet, dient de vereiste voor publicatie geschikte afbeelding bij het Bureau te worden ingediend overeenkomstig regel 79, onder a). Indien het Bureau de afbeelding binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de fax ontvangt, wordt de afbeelding geacht te zijn ontvangen op de datum waarop het Bureau de fax heeft ontvangen.”.

b)

Aan lid 3 wordt de volgende zin toegevoegd:

„Indien de mededeling elektronisch per fax is verstuurd, moet de vermelding van de naam van de afzender identiek zijn aan de handtekening.”.

c)

Lid 4 wordt geschrapt.

46.

Regel 81 wordt geschrapt.

47.

Regel 82 wordt als volgt gewijzigd:

a)

Lid 1 wordt vervangen door:

„1.

De voorzitter van het Bureau bepaalt of, in hoeverre en onder welke technische voorwaarden mededelingen langs elektronische weg aan het Bureau kunnen worden gezonden.”.

b)

Lid 4 wordt geschrapt.

48.

Regel 83 wordt vervangen door:

„Regel 83

Formulieren

1.

Het Bureau stelt het publiek gratis formulieren ter beschikking voor de volgende doeleinden:

a)

de indiening van een aanvrage voor een Gemeenschapsmerk, waar nodig met een verzoek om een rechercheverslag;

b)

de indiening van een oppositiebezwaarschrift;

c)

de vordering tot vervallen- of nietigverklaring;

d)

de aanvrage tot inschrijving van een overgang en ter verkrijging van het in regel 31, lid 5, bedoelde overgangsformulier en overgangsdocument;

e)

de aanvrage tot inschrijving van een licentie;

f)

een aanvrage tot vernieuwing van een Gemeenschapsmerk;

g)

de instelling van beroep;

h)

de machtiging van een vertegenwoordiger, in de vorm van een individuele volmacht of van een algemene volmacht;

i)

de indiening bij het Bureau van een internationale aanvrage of een latere aanwijzing uit hoofde van het Protocol van Madrid.

2.

De partijen bij de procedure voor het Bureau mogen ook gebruik maken van:

a)

de formulieren die zijn vastgesteld in het kader van het Verdrag inzake het merkenrecht of overeenkomstig aanbevelingen van de vergadering van de Unie van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom;

b)

met uitzondering van het in lid 1, onder i), bedoelde formulier, formulieren met dezelfde inhoud en hetzelfde formaat.

3.

Het Bureau stelt de in de leden 1 en 2 genoemde formulieren gratis ter beschikking in alle officiële talen van de Gemeenschap.”.

49.

Regel 84 wordt als volgt gewijzigd:

a)

In lid 2 wordt punt d) vervangen door:

„d)

de naam en het adres van de aanvrager;”.

b)

Lid 3 wordt als volgt gewijzigd:

i)

Punt i) wordt vervangen door:

„i)

maatregelen van gedwongen tenuitvoerlegging zoals bedoeld in artikel 20 van de verordening, alsmede insolventieprocedures zoals bedoeld in artikel 21 ervan;”.

ii)

De volgende punten w) en x) worden toegevoegd:

„w)

de afsplitsing van een inschrijving overeenkomstig artikel 48 bis van de verordening en regel 25 bis, tezamen met de in lid 2 bedoelde gegevens met betrekking tot de afgesplitste inschrijving, alsmede de opgave van waren en diensten van de gewijzigde oorspronkelijke inschrijving;

x)

de herroeping van een beslissing of de doorhaling van een inschrijving in het register overeenkomstig artikel 77 bis van de verordening, indien de herroeping of doorhaling een beslissing of inschrijving betreft die is gepubliceerd.”.

50.

In regel 85 wordt lid 1 vervangen door:

„1.

Het Blad van Gemeenschapsmerken wordt gepubliceerd op de wijze en met een frequentie die door de voorzitter van het Bureau worden vastgesteld.”.

51.

In regel 89 worden de leden 1 en 2 vervangen door:

„1.

Inzage van de dossiers van aangevraagde en van ingeschreven Gemeenschapsmerken geschiedt aan de hand van de originele stukken of van afschriften ervan of aan de hand van technische opslagmedia, indien de gegevens op die wijze worden opgeslagen. De wijze van inzage wordt door de voorzitter van het Bureau bepaald.

Indien inzage geschiedt zoals bedoeld in de leden 3, 4 en 5, wordt een verzoek om inzage geacht niet te zijn gedaan zolang de verschuldigde taks niet is betaald. Er is geen taks verschuldigd als de inzage van technische opslagmedia on line plaatsvindt.

2.

Indien wordt verzocht om inzage van het dossier van een aangevraagd Gemeenschapsmerk dat nog niet overeenkomstig artikel 40 van de verordening is gepubliceerd, wordt in het verzoek melding gemaakt en het bewijs geleverd van het feit dat de aanvrager met de inzage instemt of heeft verklaard dat hij na de inschrijving van het merk tegen de om inzage verzoekende partij zijn rechten op het merk zal doen gelden.”.

52.

Regel 91 wordt vervangen door:

„Regel 91

Bewaring van dossiers

1.

De voorzitter van het Bureau bepaalt in welke vorm de dossiers worden bewaard.

2.

Indien dossiers elektronisch worden bewaard, worden deze elektronische bestanden of reservekopieën daarvan zonder beperking in de tijd bewaard. De door de partijen bij de procedure ingediende originele documenten die de basis vormen van dergelijke elektronische bestanden, worden na een door de voorzitter van het Bureau vast te stellen termijn na ontvangst ervan verwijderd.

3.

Indien en voorzover dossiers of delen daarvan anders dan elektronisch worden bewaard, worden de documenten of bewijsstukken die daarvan deel uitmaken, bewaard gedurende ten minste vijf jaar vanaf het einde van het jaar waarin:

a)

de aanvrage wordt afgewezen, ingetrokken of geacht te zijn ingetrokken;

b)

de geldigheid van de inschrijving van het Gemeenschapsmerk overeenkomstig artikel 47 van de verordening volledig is verstreken;

c)

de volledige afstand van het Gemeenschapsmerk wordt ingeschreven overeenkomstig artikel 49 van de verordening;

d)

het Gemeenschapsmerk uit hoofde van artikel 56, lid 6, of artikel 96, lid 6, van de verordening volledig uit het register wordt verwijderd.”.

53.

Regel 94 wordt als volgt gewijzigd:

a)

Lid 3 wordt vervangen door:

„3.

Indien het bedrag van de kosten niet overeenkomstig artikel 81, lid 6, eerste volzin, van de verordening is vastgesteld, dient het verzoek tot vaststelling van de kosten vergezeld te gaan van een kostenafrekening en de stukken ter staving daarvan. Voor de kosten van vertegenwoordiging zoals bedoeld in lid 7, onder d), van deze regel volstaat een bevestiging van de vertegenwoordiger dat de kosten zijn gemaakt. Voor andere kosten volstaat het dat de aannemelijkheid ervan is vastgesteld. Indien het bedrag van de kosten overeenkomstig artikel 81, lid 6, eerste volzin, van de verordening is vastgesteld, worden de kosten van vertegenwoordiging vastgesteld op het in lid 7, onder d), van deze regel vastgestelde niveau, ongeacht of zij daadwerkelijk zijn gemaakt.”.

b)

In lid 4 worden de woorden „artikel 81, lid 6, tweede volzin” vervangen door artikel 81, lid 6, derde volzin.

c)

Lid 7 wordt vervangen door:

„7.

Behoudens lid 3 van deze regel, worden de door de winnende partij werkelijk gemaakte noodzakelijke procedurekosten overeenkomstig artikel 81, lid 1, van de verordening door de verliezende partij gedragen, ten belope van de volgende maximumbedragen:

a)

indien de partij niet door een vertegenwoordiger vertegenwoordigd is, de reis- en verblijfkosten van één partij voor één persoon, heen en terug, tussen de woonplaats of het zakenadres en de plaats van de mondelinge behandeling overeenkomstig regel 56:

i)

ten bedrage van een treinkaartje eerste klasse met inbegrip van de gebruikelijke vervoerssupplementen, ingeval de totale afstand ten hoogste 800 spoorwegkilometer bedraagt;

ii)

ten bedrage van een vluchtprijs in de toeristenklasse, ingeval de totale afstand meer dan 800 spoorwegkilometer bedraagt of de reisroute mede een zeetraject omvat;

iii)

verblijfkosten overeenkomstig artikel 13 van bijlage VII van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen;

b)

de reiskosten van vertegenwoordigers in de zin van artikel 89, lid 1, van de verordening, overeenkomstig de in punt a), onder i) en ii), van deze regel vastgestelde tarieven;

c)

reis- en verblijfkosten, vergoeding voor inkomstenderving en honoraria waarop getuigen en deskundigen overeenkomstig regel 59, lid 2, 3 of 4, recht hebben voor zover de uiteindelijke aansprakelijkheid overeenkomstig regel 59, lid 5, onder b), bij een partij bij de procedure berust;

d)

kosten van vertegenwoordiging in de zin van artikel 89, lid 1, van de verordening:

i)

van de opposant in een oppositieprocedure:

 

300 EUR;

ii)

van de verweerder in een oppositieprocedure:

 

300 EUR;

iii)

van de eiser in een procedure tot vervallen- of nietigverklaring van het Gemeenschapsmerk:

 

450 EUR;

iv)

van de merkhouder in een procedure tot vervallen- of nietigverklaring van het Gemeenschapsmerk:

 

450 EUR;

v)

van de eiser in een beroepsprocedure:

 

550 EUR;

vi)

van de verweerder in een beroepsprocedure:

 

550 EUR;

vii)

indien er een mondelinge procedure heeft plaatsgevonden waarvoor de partijen overeenkomstig regel 56 zijn opgeroepen, worden de in de punten i) tot en met vi) genoemde bedragen verhoogd met 400 EUR;

e)

indien er meerdere aanvragers of houders van een Gemeenschapsmerk zijn of indien er meerdere opposanten of aanvragers zijn die gezamenlijk een bezwaarschrift of een vordering tot vervallen- of nietigverklaring hebben ingediend, draagt de verliezende partij de onder a) bedoelde kosten voor slechts één van hen;

f)

indien de winnende partij door meerdere vertegenwoordigers in de zin van artikel 89, lid 1, van de verordening werd vertegenwoordigd, draagt de verliezende partij de onder b) en d) van deze regel bedoelde kosten voor slechts één van hen;

g)

de verliezende partij wordt niet verplicht aan de winnende partij andere dan de onder a) tot en met f) bedoelde kosten, uitgaven en honoraria te vergoeden.”.

54.

Regel 98 wordt vervangen door:

„Regel 98

Vertalingen

1.

Indien van een stuk een vertaling moet worden ingediend, wordt daarin aangegeven van welk document het een vertaling is en is de vertaling een getrouwe weergave van de opbouw en inhoud van het origineel. Het Bureau kan eisen dat binnen een door het Bureau te stellen termijn wordt gecertificeerd dat de vertaling met de originele tekst overeenstemt. De voorzitter van het Bureau bepaalt de wijze waarop vertalingen moeten worden gecertificeerd.

2.

Tenzij in de verordening of in deze regels anders is bepaald, wordt een document waarvoor een vertaling moet worden ingediend, geacht niet door het Bureau te zijn ontvangen

a)

indien de vertaling door het Bureau wordt ontvangen na het verstrijken van de termijn voor de indiening van het origineel of de vertaling;

b)

in het geval van lid 1, indien het certificaat niet binnen de gestelde termijn wordt ingediend.”.

55.

Regel 100 wordt vervangen door:

„Regel 100

Door één enkel lid genomen beslissingen

De gevallen waarin overeenkomstig artikel 127, lid 2, of artikel 129, lid 2, van de verordening één enkel lid van een oppositie- of nietigheidsafdeling een beslissing kan nemen, zijn:

a)

beslissingen ten aanzien van de verdeling van de kosten;

b)

beslissingen tot vaststelling van het ingevolge artikel 81, lid 6, eerste volzin, van de verordening te betalen bedrag van de kosten;

c)

beslissingen om het dossier af te sluiten of de procedure te staken;

d)

beslissingen om een oppositie niet-ontvankelijk te verklaren voor het verstrijken van de in regel 18, lid 1, bedoelde termijn;

e)

beslissingen tot opschorting van de procedure;

f)

beslissingen om meerdere opposities overeenkomstig regel 21, lid 1, te voegen of te splitsen.”.

56.

Regel 101, leden 1, 2 en 3 worden vervangen door:

„1.

Indien nodig, verzoekt de voorzitter van het Bureau de Commissie na te gaan of een land dat niet is aangesloten bij het Verdrag van Parijs of bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, behandeling op basis van reciprociteit in de zin van artikel 29, lid 5, van de verordening toekent.

2.

Indien de Commissie vaststelt dat de in lid 1 bedoelde reciprociteit wordt toegekend, publiceert zij een mededeling daaromtrent in het Publicatieblad van de Europese Unie.

3.

Artikel 29, lid 5, van de verordening is van toepassing met ingang van de datum waarop de in lid 2 genoemde mededeling in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt gepubliceerd, tenzij in de mededeling een eerdere toepassingsdatum wordt genoemd. Het is niet langer van toepassing vanaf de datum waarop de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendmaakt dat de reciprociteit niet langer wordt toegekend, tenzij in de mededeling een vroegere datum wordt genoemd.”.

57.

Regel 114 wordt als volgt gewijzigd:

a)

In lid 1 wordt punt d) vervangen door:

„d)

de in regel 15, lid 2, onder b) tot en met h), bedoelde gegevens en bescheiden.”.

b)

In lid 2 wordt het inleidende zinsdeel vervangen door:

„Regel 15, leden 1, 3 en 4, en de regels 16 tot en met 22 zijn van toepassing behoudens het volgende:”.

58.

In regel 122, lid 1, wordt punt c) vervangen door:

„c)

de in regel 44, lid 1, onder a), c), d), e) en f), bedoelde gegevens en bescheiden”.

Artikel 2

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   In artikel 1 zijn punt 1), onder d), en de punten 3), 4) en 7) van toepassing met ingang van 10 maart 2008, evenals het tweede deel, beginnende met de woorden „waar nodig”, van regel 83, lid 1, onder a), zoals vermeld in artikel 1, punt 48, van deze verordening.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 juni 2005.

Voor de Commissie

Charlie McCREEVY

Lid van de Commissie


(1)  PB L 11 van 14.1.1994, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 422/2004 (PB L 70 van 9.3.2004, blz. 1).

(2)  PB L 303 van 15.12.1995, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 782/2004 (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 88).

(3)  PB L 208 van 24.7.1992, blz. 1.”.


5.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 172/22


VERORDENING (EG) Nr. 1042/2005 VAN DE COMMISSIE

van 29 juni 2005

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2869/95 inzake de aan het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) te betalen taksen

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk (1), en met name op artikel 139,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Volgens Verordening (EG) nr. 40/94, zoals ten uitvoer gelegd bij Verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie van 13 december 1995 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het Gemeenschapsmerk (2), moeten aanvullende taksen voor rechercheverslagen, afsplitsing van een aanvraag voor of inschrijving van een merk en voortzetting van de procedure worden vastgesteld. De bedragen van die nieuwe taksen moeten worden vastgesteld.

(2)

De recherche wordt met ingang van 10 maart 2008 facultatief, zoals bepaald in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 422/2004 van de Raad. Vanaf die datum moet de aanvullende taks voor nationale rechercheverslagen gelden.

(3)

Verordening (EG) nr. 2869/95 van de Commissie (3) moet dus dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor vraagstukken inzake de taksen, de uitvoeringsverordening en de procesvoering voor de kamers van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 2869/95 wordt als volgt gewijzigd:

1)

De tabel in artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

Het volgende punt 1a wordt toegevoegd:

„1a.

Recherchetaks

a)

voor een aanvraag om een Gemeenschapsmerk (artikel 39, lid 2, evenals regel 4, onder c)

b)

voor een internationale inschrijving waarin de Europese Gemeenschap wordt aangewezen (artikel 39, lid 2, en artikel 150, lid 2, evenals regel 10, lid 2)

Het bedrag van 12 EUR, vermenigvuldigd met het in artikel 39, lid 2, van de verordening bedoelde aantal centrale diensten voor de industriële eigendom; dit bedrag en de latere wijzigingen ervan worden door het Bureau in het Publicatieblad van het Bureau bekendgemaakt.”.

b)

Punt 6 wordt geschrapt.

c)

In punt 13 worden de woorden „Taks voor elke de derde klasse te boven gaande klasse van waren of diensten voor een individueel merk” vervangen door „Taks voor de vernieuwing van elke de derde klasse te boven gaande klasse van waren of diensten voor een individueel merk”.

d)

In punt 15 worden de woorden „Taks voor elke de derde klasse te boven gaande klasse van waren of diensten voor een collectief merk” vervangen door „Taks voor de vernieuwing van elke de derde klasse te boven gaande klasse van waren of diensten voor een collectief merk”.

e)

In punt 19 worden de woorden „Taks voor het herstel in de vorige toestand” vervangen door „Taks voor de aanvraag tot herstel in de vorige toestand”.

f)

In punt 20 worden de woorden „Taks voor de omzetting” vervangen door „Taks voor de aanvraag tot omzetting”.

g)

De punten 21 en 22 worden vervangen door:

„21.

Taks voor voortzetting van de procedure (artikel 78 bis, lid 1)

400

22.

Taks voor de verklaring van afsplitsing van een ingeschreven Gemeenschapsmerk (artikel 48 bis, lid 4) of een aanvraag om een Gemeenschapsmerk (artikel 44 bis, lid 4)

250”

h)

In punt 23 wordt het inleidende zinsdeel vervangen door: „Taks voor de aanvraag tot inschrijving van een licentie of een ander recht inzake een ingeschreven Gemeenschapsmerk (artikel 157, lid 2, punt 5, evenals regel 33, lid 1) of een aanvraag voor een Gemeenschapsmerk (artikel 157, lid 2, punt 6, evenals regel 33, lid 4):”.

i)

In punt 29 wordt de volgende regel geschrapt:

„voor elk blad meer dan tien bladen

1”

2)

In artikel 13 wordt lid 3 vervangen door:

„3.   De terugbetaling geschiedt zodra de mededeling aan het Internationale Bureau krachtens regel 113, lid 2, onder b) en c), of regel 115, lid 5, onder b) en c), en lid 6, van Verordening (EG) nr. 2868/95 heeft plaatsgevonden”.

Artikel 2

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Artikel 1, punt 1, onder a), is van toepassing met ingang van 10 maart 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 juni 2005.

Voor de Commissie

Charlie McCREEVY

Lid van de Commissie


(1)  PB L 11 van 14.1.1994, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 422/2004 (PB L 70 van 9.3.2004, blz. 1).

(2)  PB L 303 van 15.12.1995, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 782/2004 (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 88).

(3)  PB L 303 van 15.12.1995, blz. 33. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 781/2004 (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 85).


5.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 172/24


VERORDENING (EG) Nr. 1043/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

houdende de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad met betrekking tot de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer van bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen, en de criteria voor de vaststelling van de restitutiebedragen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad van 6 december 1993 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen (1), en met name op artikel 8, lid 3, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EEG) nr. 3615/92 van de Commissie van 15 december 1992 betreffende de vaststelling van de hoeveelheden landbouwproducten die bij de berekening van de restituties bij uitvoer van in Verordening (EEG) nr. 3035/80 van de Raad bedoelde goederen in aanmerking dienen te worden genomen (2), Verordening (EG) nr. 3223/93 van de Commissie van 25 november 1993 betreffende statistische gegevens inzake de restituties die bij de uitvoer van bepaalde landbouwproducten in de vorm van onder Verordening (EEG) nr. 3035/80 van de Raad vallende goederen worden betaald (3), en Verordening (EG) nr. 1520/2000 van de Commissie van 13 juli 2000 tot vaststelling van de gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen voor de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen (4), hebben alle drie betrekking op de uitvoer van bepaalde landbouwproducten in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen. De meeste van die verordeningen zijn herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd. Al die verordeningen moeten worden gewijzigd, en ter wille van de duidelijkheid, eenvoud en administratieve efficiëntie dienen zij door één enkele verordening te worden vervangen.

(2)

De Verordeningen (EEG) nr. 2771/75 (5) en (EG) nr. 1255/1999 (6), 1260/2001 (7), 1784/2003 (8) en 1785/2003 (9) van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sectoren eieren, melk en zuivelproducten, suiker, granen en rijst bepalen dat, voorzover dit nodig is om de uitvoer van de desbetreffende landbouwproducten in de vorm van niet in bijlage I van het Verdrag vermelde goederen mogelijk te maken op basis van de noteringen of de prijzen van eerstgenoemde producten op de wereldmarkt, het verschil tussen deze noteringen of prijzen en de prijzen van de Gemeenschap kan worden overbrugd door een restitutie bij uitvoer. De toekenning van restituties voor alle landbouwproducten die worden uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen, dienen aan gemeenschappelijke regels te worden onderworpen.

(3)

Uitvoerrestituties moeten worden betaald voor goederen die worden verkregen hetzij rechtstreeks uit basisproducten, hetzij uit door de verwerking daarvan verkregen producten, hetzij uit met één van deze categorieën gelijkgestelde producten. De methode ter bepaling van het bedrag van de uitvoerrestitutie moet in elk van die gevallen worden vastgesteld.

(4)

Goederen van herkomst uit derde landen die zijn verwerkt in goederen die worden uitgevoerd na eerst in de Gemeenschap in het vrije verkeer te zijn geweest, moeten van deze restituties worden uitgesloten, teneinde een juiste toepassing van de verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der markten betreffende de toekenning van uitvoerrestituties te waarborgen.

(5)

Bij Verordening (EG) nr. 800/1999 (10) van de Commissie zijn gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten vastgesteld. Bepaald moet echter worden hoe die regeling in de sector van goederen die niet onder bijlage I vallen, moet worden toegepast.

(6)

De naleving van de internationale verbintenissen van de Gemeenschap impliceert dat de restituties die worden toegekend bij de uitvoer van landbouwproducten die zijn verwerkt in goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen, niet hoger mogen zijn dan de restituties die voor die producten zouden moeten worden betaald wanneer zij als zodanig worden uitgevoerd. Daarmee moet rekening worden gehouden bij de vaststelling van de restitutievoeten en bij de opstelling van de regels voor de gelijkstelling.

(7)

Verordening (EEG) nr. 2825/93 van de Commissie van 15 oktober 1993 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad voor wat de vaststelling en de toekenning van aangepaste restituties voor in de vorm van bepaalde alcoholhoudende dranken uitgevoerde granen betreft (11), bepaalt dat de uitvoerrestitutievoet die is welke geldt op de dag waarop de granen onder controle worden geplaatst voor de bereiding van alcoholhoudende dranken. De plaatsing van granen onder douanecontrole voor de bereiding van de in artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 2825/93 bedoelde alcoholhoudende dranken moet derhalve voor de toekenning van uitvoerrestitutie gelijkwaardig aan uitvoer worden geacht.

(8)

Alcoholhoudende dranken worden geacht minder gevoelig dan andere producten te zijn voor de prijs van de landbouwproducten die voor de bereiding ervan worden gebruikt. In protocol 19 van het Verdrag betreffende de toetreding van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken wordt evenwel bepaald, dat de noodzakelijke maatregelen moeten worden vastgesteld om het gebruik van granen uit de Gemeenschap voor de bereiding van alcoholhoudende dranken uit granen te vergemakkelijken.

(9)

Aardappelzetmeel moet voor de vaststelling van de uitvoerrestituties met maïszetmeel worden gelijkgesteld. De mogelijkheid moet evenwel bestaan voor aardappelzetmeel een specifieke restitutievoet vast te stellen in marktsituaties waarin de prijs voor dat zetmeel aanzienlijk lager is dan de prijs van maïszetmeel.

(10)

Om voor een restitutie in aanmerking te komen, moeten de gebruikte landbouwproducten en vooral de uit die producten verkregen goederen worden uitgevoerd. Uitzonderingen op deze regel moeten beperkt worden uitgelegd. Tijdens de vervaardiging van de goederen kunnen de fabrikanten echter verliezen van grondstoffen lijden waarvoor niettemin communautaire prijzen zijn betaald, terwijl de verliezen van buiten de Gemeenschap gevestigde fabrikanten beperkt blijven tot de wereldmarktprijzen. Bovendien worden tijdens de vervaardiging van bepaalde goederen bijproducten verkregen die in waarde duidelijk verschillen van de hoofdproducten. In sommige gevallen kunnen deze bijproducten alleen als veevoer worden gebruikt. Derhalve moeten voor het bepalen van het begrip hoeveelheid producten die bij de vervaardiging van de uitgevoerde goederen werkelijk is gebruikt, gemeenschappelijke regels worden vastgesteld.

(11)

Tal van goederen die door een bepaalde onderneming in welomschreven technische omstandigheden worden geproduceerd en die constante kenmerken en een constante hoedanigheid bezitten, worden regelmatig uitgevoerd. Teneinde het verzwaren van de uitvoerformaliteiten te vermijden, is het nodig voor de betrokken goederen de instelling van een vereenvoudigde procedure te bevorderen, die berust op de mededeling door de fabrikant aan de bevoegde instanties van de gegevens betreffende de fabricagevoorwaarden van genoemde goederen die deze instanties nodig achten. Indien de hoeveelheden landbouwproducten die bij de vervaardiging van de uitgevoerde goederen werkelijk zijn gebruikt, bij de bevoegde instanties worden geregistreerd, is het dienstig te voorzien in een jaarlijkse bevestiging van deze registratie, teneinde de risico's te verminderen die resulteren uit niet-mededeling van een wijziging van deze hoeveelheden.

(12)

Vele landbouwproducten zijn aan natuurlijke en seizoenschommelingen onderhevig, waardoor de samenstelling uit landbouwproducten van uitgevoerde goederen kan variëren. Het restitutiebedrag moet derhalve worden bepaald naar gelang van de hoeveelheden landbouwproducten die bij de vervaardiging van de uitgevoerde goederen werkelijk zijn gebruikt. Wat bepaalde goederen van eenvoudige en betrekkelijk constante samenstelling betreft, dient dit bedrag echter met het oog op een vereenvoudiging van de administratie te worden bepaald op basis van forfaitair vastgestelde hoeveelheden landbouwproducten.

(13)

Bij de vaststelling van de restitutievoet voor basisproducten of daarmee gelijkgestelde producten moet rekening worden gehouden met restituties bij de productie, steunmaatregelen of andere maatregelen van gelijke werking die overeenkomstig de verordening inzake de gemeenschappelijke ordening van de markt voor het betrokken product van toepassing zijn.

(14)

Sommige goederen die vergelijkbare kenmerken hebben, kunnen door middel van diverse technieken uit verschillende basismaterialen verkregen zijn. De exporteurs moeten worden verplicht de aard van de basismaterialen te specificeren en bepaalde aangiften te doen met betrekking tot het fabricageproces indien dergelijke informatie nodig is om het recht op restitutie vast te stellen of de juiste restitutievoet te bepalen die moet worden toegepast.

(15)

Het is dienstig bij de berekening van de werkelijk gebruikte hoeveelheden landbouwproducten rekening te houden met het droge-stofgehalte in het geval van zetmeel en bepaalde glucose- en maltodextrinestropen.

(16)

Wanneer de situatie op de wereldmarkt, de specifieke eisen van bepaalde markten of internationale handelsovereenkomsten dit noodzakelijk maken, moet de mogelijkheid bestaan de restitutie voor bepaalde goederen te differentiëren naar gelang van de bestemming.

(17)

Het beheer van de restitutiebedragen die in de loop van een begrotingsjaar kunnen worden toegekend voor de uitvoer van bepaalde landbouwproducten in de vorm van niet onder bijlage I van het Verdrag vallende goederen, kan ertoe leiden dat er op basis van de verwachte ontwikkeling van de marktsituatie in de Gemeenschap en in de wereld verschillende restitutievoeten voor de uitvoer moeten worden vastgesteld met of zonder vaststelling vooraf van de restitutievoet.

(18)

Het bedrag aan restituties dat in een begrotingsjaar kan worden toegekend, is ingevolge de internationale verbintenissen van de Gemeenschap beperkt. Het moet mogelijk worden gemaakt niet onder bijlage I van het Verdrag vallende goederen uit te voeren onder voorwaarden die vooraf bekend zijn. Met name moet het mogelijk zijn de garantie te verkrijgen dat deze uitvoer in aanmerking komt voor een restitutie die in overeenstemming is met de verplichtingen van de Gemeenschap. Wanneer dit niet meer het geval kan zijn, moeten de uitvoerders daarvan voldoende tijdig vooraf in kennis worden gesteld. De afgifte van restitutiecertificaten maakt het mogelijk de restitutieaanvragen te volgen en de houders te garanderen dat zij een restitutie zullen kunnen ontvangen tot het bedrag waarvoor het certificaat wordt afgegeven, mits zij voldoen aan de andere in communautaire voorschriften vastgestelde voorwaarden voor de toekenning van restituties. Beheersmaatregelen moeten worden vastgesteld voor het systeem van restitutiecertificaten. Met name moet in een verlagingscoëfficiënt worden voorzien die moet worden toegepast wanneer de aanvragen om restitutiecertificaten de beschikbare bedragen overschrijden. In bepaalde omstandigheden moet worden voorzien in de schorsing van de afgifte van restitutiecertificaten.

(19)

Restitutiecertificaten dienen ertoe, de naleving van de internationale verbintenissen van de Gemeenschap te waarborgen. Zij maken het ook mogelijk van tevoren de restitutie te bepalen die kan worden toegekend voor landbouwproducten die worden gebruikt bij de vervaardiging van goederen die naar derde landen worden uitgevoerd. Dit doel verschilt in bepaalde opzichten van het doel van de uitvoercertificaten die worden afgegeven voor basisproducten die in ongewijzigde staat worden uitgevoerd en die onderworpen zijn aan internationale verplichtingen die kwantitatieve beperkingen impliceren. Derhalve moet worden gepreciseerd welke algemene bepalingen die van toepassing zijn op certificaten in de landbouwsector, welke thans zijn neergelegd in Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie van 9 juni 2000 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (12), niet van toepassing zijn ten aanzien van restitutiecertificaten.

(20)

Voorts moet worden bepaald hoe sommige bepalingen van Verordening (EG) nr. 1291/2000 betreffende certificaten waarin de uitvoerrestitutie vooraf wordt vastgesteld en die worden aangevraagd in verband met een inschrijving die in een invoerend derde land is uitgeschreven, op restitutiecertificaten moeten worden toegepast. De meeste restitutiecertificaten worden ’s donderdags vastgesteld of gewijzigd. Ter verkleining van het risico dat aanvragen tot vaststelling vooraf voor producten om speculatieve redenen worden ingediend, moet, indien een aanvraag tot vaststelling vooraf ’s donderdags wordt ingediend, de aanvraag worden geacht op de daaropvolgende werkdag te zijn ingediend.

(21)

De voorwaarden voor het vrijgeven van de zekerheid van certificaten die vallen onder Verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie van 22 juli 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake de regeling voor het stellen van zekerheden voor landbouwproducten (13), moeten worden vastgesteld. De verplichtingen die als primaire eisen worden beschouwd en waarvoor een zekerheid wordt gesteld, moeten worden bepaald, tezamen met de stukken die tot staving van de nakoming van de verplichtingen moeten worden overgelegd en op grond waarvan de desbetreffende zekerheid kan worden vrijgegeven.

(22)

Het is zeer waarschijnlijk dat certificaataanvragen zullen worden ontvangen voor grotere bedragen dan kunnen worden toegekend. Het begrotingsjaar moet daarom worden verdeeld in perioden, zodat zowel aan betrokkenen die tegen het einde van het begrotingsjaar als aan betrokkenen die in het begin van het begrotingsjaar uitvoeren, de mogelijkheid kan worden gegeven certificaten te verkrijgen. In voorkomend geval moet tevens worden voorzien in de vaststelling van een coëfficiënt ter verlaging van het totaal van de gedurende een bepaalde periode aangevraagde bedragen.

(23)

Voor bepaalde typen uitvoer gelden uit hoofde van de internationale verbintenissen van de Gemeenschap met betrekking tot restituties geen beperkingen. Deze uitvoer moet van de verplichting tot het overleggen van een restitutiecertificaat worden uitgesloten.

(24)

De meeste exporteurs ontvangen per jaar voor minder dan 75 000 euro aan restituties. Al deze exporten vormen slechts een klein deel van de restitutiebedragen die worden toegekend voor in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen uitgevoerde landbouwproducten. Deze uitvoer moet kunnen worden vrijgesteld van de verplichting tot het overleggen van een certificaat. Ter voorkoming dat hiervan misbruik wordt gemaakt, is het echter noodzakelijk de toepassing van deze vrijstelling te beperken tot de lidstaat waar de exporteur is gevestigd.

(25)

Er dient een controlesysteem te worden vastgesteld dat gebaseerd is op het beginsel dat de exporteur bij iedere uitvoer bij de bevoegde instanties aangifte doet van de hoeveelheden producten die bij de vervaardiging van de uit te voeren goederen zijn verwerkt. De bevoegde instanties dienen alle door hen nodig geachte maatregelen te nemen om de juistheid van deze aangiften te verifiëren.

(26)

Het kan voorkomen, dat de bevoegde instanties die met de controle op de uitvoeraangifte belast zijn, niet over voldoende bewijsstukken beschikken om de aangifte van de gebruikte hoeveelheden te aanvaarden, zelfs als deze gebaseerd is op een scheikundige analyse. Deze situaties dreigen zich vooral voor te doen wanneer de uit te voeren goederen zijn vervaardigd in een andere lidstaat dan de uitvoerende lidstaat. De bevoegde instanties van de uitvoerende lidstaat dienen, zo nodig rechtstreeks van de bevoegde instanties van de andere lidstaten alle bij deze laatste instanties beschikbare gegevens over de vervaardiging van bedoelde goederen te kunnen verkrijgen.

(27)

In overleg met de bevoegde instanties van de lidstaat waar de goederen worden vervaardigd, moet worden toegestaan dat een vereenvoudigde aangifte van de gebruikte producten wordt ingediend in de vorm van de gecumuleerde hoeveelheden van die producten, op voorwaarde dat de betrokken fabrikanten de gebruikte producten gedetailleerd vastleggen en deze gegevens ter beschikking van de genoemde instanties houden.

(28)

De exporteur van de goederen kan niet altijd de precieze hoeveelheid gebruikte landbouwproducten kennen waarvoor hij restitutie kan vragen, met name wanneer hij niet de fabrikant is. De exporteurs zijn hierdoor niet altijd in staat de hoeveelheden aan te geven. Daarom moet een alternatieve regeling voor de berekening van de restitutie worden ingevoerd, waarvoor de belanghebbende kan vragen in aanmerking te komen, die slechts geldt voor bepaalde goederen, uitgaat van een scheikundige analyse van deze goederen en gebruik maakt van een voor dat doel opgestelde tabel.

(29)

Verordening (EG) nr. 2571/97 van de Commissie van 15 december 1997 betreffende de verkoop van boter tegen verlaagde prijs en de toekenning van steun voor room, boter en boterconcentraat voor de vervaardiging van banketbakkerswerk, consumptie-ijs en andere voedingsmiddelen (14) bepaalt dat boter en room tegen verlaagde prijs beschikbaar mogen worden gesteld aan bedrijven die bepaalde goederen vervaardigen. Daarmee moet rekening worden gehouden wanneer restituties worden berekend op basis van een scheikundige analyse.

(30)

Artikel 21 van Verordening (EG) nr. 800/1999 bepaalt dat geen restituties worden verleend indien de producten op de dag waarop de aangifte ten uitvoer wordt aanvaard, niet van gezonde handelskwaliteit zijn. Om ervoor te zorgen dat dit voorschrift op eenvormige wijze wordt toegepast, moet worden verduidelijkt dat het voor de toekenning van een restitutie voor de producten die zijn vermeld in artikel 1 van Richtlijn 92/46/EEG van de Raad van 16 juni 1992 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van rauwe melk, warmtebehandelde melk en producten op basis van melk (15), of artikel 1 van Richtlijn 89/437/EEG van de Raad van 20 juni 1989 inzake hygiëne- en gezondheidsvraagstukken bij de bereiding en het in de handel brengen van eiproducten (16), en die voorkomen in bijlage II bij de onderhavige verordening, vereist is dat die producten bereid zijn overeenkomstig de voorschriften van die richtlijnen en van het vereiste keurmerk zijn voorzien.

(31)

Artikel 31, lid 10, van Verordening (EG) nr. 1255/1999, gelezen in combinatie met artikel 31, lid 12, van die verordening, beperkt het vereiste dat zuivelproducten waarvoor een uitvoerrestitutie wordt betaald, van oorsprong uit de Gemeenschap moeten zijn, tot bepaalde goederen met een hoog melkgehalte. Derhalve dienen maatregelen te worden vastgesteld om dat voorschrift ten uitvoer te leggen en toezicht op de uitvoering ervan te houden.

(32)

Artikel 28 van Verordening (EG) nr. 800/1999 beperkt de termijn gedurende welke landbouwbasisproducten of goederen onder de regeling voorfinanciering van de restitutie kunnen blijven, tot de resterende geldigheidsduur van het uitvoercertificaat. Restitutiecertificaten die tegen het einde van de begrotingsperiode zijn afgegeven, hebben echter een kortere geldigheidsduur die, op grond van de internationale verplichtingen van de Gemeenschap, uiterlijk tot 30 september loopt. Teneinde te zorgen voor voldoende flexibiliteit zodat de exporteurs van die restitutiecertificaten van korte duur ten volle gebruik kunnen maken, dienen specifieke bepalingen met betrekking tot die certificaten te worden vastgesteld, voorzover zij de termijn gedurende welke basislandbouwproducten of goederen onder de regeling voorfinanciering van de restitutie kunnen blijven, beperken tot de resterende geldigheidsduur van het uitvoercertificaat.

(33)

Er dient te worden gezorgd voor eenvormige toepassing in de gehele Gemeenschap van de bepalingen met betrekking tot het toekennen van restituties in de sector van de goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen. Hiertoe moet elke lidstaat de andere lidstaten door tussenkomst van de Commissie mededeling doen van de controlemiddelen waarvan hij voor de verschillende soorten uitgevoerde goederen op zijn grondgebied gebruik maakt.

(34)

Het is van wezenlijk belang de Commissie in staat te stellen in voldoende mate toezicht te houden op de vastgestelde maatregelen betreffende de toegekende uitvoerrestituties. Daarom moet de Commissie de beschikking krijgen over bepaalde statistische gegevens, die haar door de bevoegde instanties van de lidstaten moeten worden toegezonden. Het formaat en de omvang van deze gegevens moeten worden vastgelegd.

(35)

Er moet voldoende tijd worden gegeven voor de omschakeling van de administratieve regeling voor restitutiecertificaten van Verordening (EG) nr. 1520/2000 naar de administratieve regeling van de onderhavige verordening. De onderhavige verordening dient daarom te gelden voor aanvragen die vanaf 8 juli 2005 worden ingediend voor certificaten die vanaf 1 oktober 2005 worden gebruikt.

(36)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor horizontale vraagstukken inzake het handelsverkeer in verwerkte landbouwproducten die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP EN DEFINITIES

Artikel 1

1.   In deze verordening worden de uitvoeringsbepalingen vastgesteld van Verordening (EG) nr. 3448/93 met betrekking tot de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer krachtens Verordening (EEG) nr. 2771/75, Verordening (EG) nr. 1255/1999, Verordening (EG) nr. 1260/2001, Verordening (EG) nr. 1784/2003 en Verordening (EG) nr. 1785/2003.

Zij is van toepassing op de uitvoer van de in bijlage I bij deze verordening opgenomen basisproducten, hierna „basisproducten” genoemd, van door de verwerking daarvan verkregen producten, of van overeenkomstig artikel 3 van deze verordening met één van deze twee categorieën gelijkgestelde producten die, wanneer deze producten worden uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen, maar in een van de volgende bijlagen zijn opgenomen:

a)

bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2771/75;

b)

bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1255/1999;

c)

bijlage V bij Verordening (EG) nr. 1260/2001;

d)

bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1784/2003;

e)

bijlage IV bijVerordening (EG) nr. 1785/2003.

Deze goederen, hierna „goederen” genoemd, zijn vermeld in bijlage II bij de onderhavige verordening.

2.   De in lid 1 bedoelde uitvoerrestitutie wordt niet verleend voor goederen die overeenkomstig artikel 24 van het Verdrag in het vrije verkeer zijn gebracht en die opnieuw zijn uitgevoerd.

Er wordt geen restitutie toegekend met betrekking tot deze goederen wanneer zij worden uitgevoerd na verwerking of wanneer zij in andere goederen zijn verwerkt.

3.   Behalve voor granen worden geen restituties toegekend voor producten die worden gebruikt bij de vervaardiging van de alcohol die aanwezig is in de in bijlage II onder GN-code 2208 bedoelde alcoholhoudende dranken.

Artikel 2

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

„begrotingsperiode”: de periode van 1 oktober van een bepaald jaar tot en met 30 september van het daaropvolgende jaar;

2)

„begrotingsjaar”: de periode van 16 oktober van een bepaald jaar tot en met 15 oktober van het daaropvolgende jaar;

3)

„voedselhulp”: voedselhulptransacties die voldoen aan de voorwaarden van artikel 10, lid 4, van de Overeenkomst inzake de landbouw die tijdens de Uruguay-Ronde van multilaterale handelsbesprekingen is gesloten, hierna „Overeenkomst” genoemd;

4)

„reststoffen”: de producten van het betrokken fabricageproces die een duidelijk andere samenstelling hebben dan de werkelijk uitgevoerde goederen en die niet in de handel kunnen worden gebracht;

5)

„bijproducten”: de tijdens het betrokken fabricageproces verkregen producten of goederen die een andere samenstelling of andere kenmerken hebben dan de werkelijk uitgevoerde goederen en die in de handel kunnen worden gebracht;

6)

„verliezen”: de hoeveelheden producten of goederen die het betrokken fabricageproces oplevert in de fase waarin landbouwproducten onverwerkt bij de fabricage worden gebruikt, behalve de hoeveelheden goederen die werkelijk worden uitgevoerd, en behalve reststoffen en bijproducten, en die niet in de handel kunnen worden gebracht.

2.   Voor de toepassing van lid 1, punten 4, 5 en 6, worden de tijdens het betrokken fabricageproces verkregen producten met een andere samenstelling dan de werkelijk uitgevoerde goederen, die worden verkocht tegen een vergoeding die uitsluitend de voor de verwijdering ervan gemaakte kosten vertegenwoordigt, niet beschouwd als in de handel gebracht.

Voor de toepassing van lid 1, punt 6, worden producten of goederen die het betrokken fabricageproces oplevert en die, al of niet tegen vergoeding, alleen als veevoer kunnen worden verwijderd, met verliezen gelijkgesteld.

Artikel 3

1.   Aardappelzetmeel van GN-code 1108 13 00 dat rechtstreeks is verkregen uit aardappelen met uitsluiting van bijproducten, wordt gelijkgesteld met een verwerkingsproduct van maïs.

2.   Melkwei van de GN-codes 0404 10 48 tot en met 0404 10 62, niet ingedikt, ook indien bevroren, wordt gelijkgesteld met wei in poeder bedoeld in bijlage I, hierna „productgroep 1” genoemd.

3.   De volgende producten worden gelijkgesteld met melk in poeder met een vetgehalte van ten hoogste 1,5 % bedoeld in bijlage I, hierna „productgroep 2” genoemd:

a)

melk en zuivelproducten van de GN-codes 0403 10 11, 0403 90 51 en 0404 90 21, niet ingedikt, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, al dan niet bevroren, met een gehalte aan vet uit melk van ten hoogste 0,1 gewichtspercent;

b)

melk en zuivelproducten van de GN-codes 0403 10 11, 0403 90 11 en 0404 90 21, in poeder, in korrels of in andere vaste vorm, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, met een gehalte aan vet uit melk van ten hoogste 1,5 gewichtspercent.

4.   De volgende producten worden gelijkgesteld met melk in poeder met een vetgehalte van 26 % bedoeld in bijlage I, hierna „productgroep 3” genoemd:

a)

melk, room en zuivelproducten van de GN-codes 0403 10 11, 0403 10 13, 0403 90 51, 0403 90 53, 0404 90 21 en 0404 90 23, niet ingedikt, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, ook indien bevroren, met een gehalte aan vet uit melk van meer dan 0,1 en niet meer dan 6 gewichtspercenten;

b)

melk, room en zuivelproducten van de GN-codes 0403 10 11, 0403 10 13, 0403 10 19, 0403 90 13, 0403 90 19, 0404 90 23 en 0404 90 29, in poeder, in korrels of in andere vaste vorm, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, met een gehalte aan vet uit melk van meer dan 1,5 maar minder dan 45 gewichtspercenten.

Indien de belanghebbende daarom echter verzoekt, worden de in de eerste alinea, punten a) en b), genoemde producten met de instemming van de bevoegde instantie gelijkgesteld met:

a)

productgroep 2 wat het niet-vette gedeelte van de droge stof van het product betreft;

b)

boter genoemd in bijlage I, hierna „productgroep 6” genoemd, wat het gedeelte melkvet van het product betreft.

5.   De volgende producten worden gelijkgesteld met productgroep 6:

a)

melk, room en zuivelproducten van de GN-codes 0403 10 19, 0403 90 59, 0404 90 23 en 0404 90 29, niet ingedikt, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, met een gehalte aan vet uit melk van meer dan 6 gewichtspercenten;

b)

melk, room en zuivelproducten van de GN-codes 0403 10 19, 0403 90 19 en 0404 90 29, in poeder, in korrels of in andere vaste vorm, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, met een gehalte aan vet uit melk van niet minder dan 45 gewichtspercenten;

c)

boter en andere melkvetten, met een gehalte aan vet uit melk van ten minste 62 gewichtspercenten, maar niet gelijk aan 82 gewichtspercenten, van GN-codes 0405 10, 0405 20 90, 0405 90 10 en 0405 90 90.

6.   Melk, room en zuivelproducten van de GN-codes 0403 10 11 tot en met 0403 10 19, 0403 90 51 tot en met 0403 90 59 en 0404 90 21 tot en met 0404 90 29, ingedikt, niet in poeder, in korrels of in andere vaste vorm, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, worden, wat het niet-vette gedeelte van de droge stof van het product betreft, gelijkgesteld met productgroep 2. Het melkvetgedeelde van het product wordt gelijkgesteld met productgroep 6.

De eerste alinea geldt ook voor kaas en wrongel.

7.   Gedopte rijst van GN-code 1006 20 en halfwitte rijst van de GN-codes 1006 30 21 tot en met 1006 30 48 worden gelijkgesteld met volwitte rijst van de GN-codes 1006 30 61 tot en met 1006 30 98.

8.   De volgende producten worden, indien zij voldoen aan de bij Verordening (EG) nr. 1260/2001 en Verordening (EG) nr. 2135/95 van de Commissie (17) vastgestelde voorwaarden om een restitutie te kunnen krijgen, wanneer zij in onverwerkte staat worden uitgevoerd, gelijkgesteld met witte suiker van GN-code 1701 99 10.

a)

beetwortelsuiker of rietsuiker van GN-code 1701 11 90 of GN-code 1701 12 90 die in droge toestand 92 of meer gewichtspercenten sacharose bevat, bepaald met behulp van de polarimeter;

b)

suiker van de GN-codes 1701 91 00 of 1701 99 90;

c)

de in artikel 1, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 1260/2001 bedoelde producten, met uitsluiting van de mengsels die gedeeltelijk zijn verkregen uit producten die onder Verordening (EG) nr. 1784/2003 vallen;

d)

de in artikel 1, lid 1, onder f) en g), van Verordening (EG) nr. 1260/2001 bedoelde producten, met uitsluiting van de mengsels die gedeeltelijk zijn verkregen uit producten die onder Verordening (EG) nr. 1784/2003 vallen.

Artikel 4

Verordening (EG) nr. 800/1999 is in aanvulling op de onderhavige verordening van toepassing.

HOOFDSTUK II

UITVOERRESTITUTIES

AFDELING 1

Wijze van berekening

Artikel 5

1.   Het bedrag van de restitutie, toegekend voor de overeenkomstig afdeling 2 bepaalde hoeveelheid van elk der basisproducten die, in de vorm van een zelfde goed, worden uitgevoerd, wordt verkregen door deze hoeveelheid te vermenigvuldigen met de restitutievoet voor het desbetreffende basisproduct die overeenkomstig afdeling 3 per gewichtseenheid is berekend.

2.   Wanneer overeenkomstig artikel 15, lid 2, verschillende restitutievoeten worden toegepast ten aanzien van eenzelfde basisproduct, wordt een afzonderlijk bedrag berekend voor elke hoeveelheid van dit basisproduct waarop een afzonderlijke restitutievoet van toepassing is.

3.   Wanneer een goed in uitgevoerde goederen is verwerkt, is de restitutievoet voor de berekening van het bedrag voor elk der basisproducten, voor uit de verwerking daarvan verkregen producten of voor producten die ingevolge artikel 3 met een van deze twee categorieën worden gelijkgesteld, welke bij de vervaardiging van de uitgevoerde goederen zijn verwerkt, dezelfde als in geval van uitvoer van het eerstgenoemde goed in onverwerkte staat.

AFDELING 2

Referentiehoeveelheid

Artikel 6

Met betrekking tot goederen wordt de voor de berekening van het restitutiebedrag in aanmerking te nemen hoeveelheid van elk der basisproducten, hierna „referentiehoeveelheid” genoemd, bepaald overeenkomstig de artikelen 7, 8 en 9, behalve wanneer wordt verwezen naar bijlage III of wanneer artikel 51, tweede alinea, van toepassing is.

Artikel 7

Bij gebruikmaking van een basisproduct in onverwerkte staat of van een daarmee gelijkgesteld product is de referentiehoeveelheid de voor de vervaardiging van de uitgevoerde goederen werkelijk gebruikte hoeveelheid, met inachtneming van de in bijlage VII opgenomen omrekeningsnormen.

Artikel 8

Bij gebruikmaking van een product dat onder artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1784/2003 of Verordening (EG) nr. 1785/2003 valt, is de referentiehoeveelheid de voor de vervaardiging van de uitgevoerde goederen werkelijk gebruikte hoeveelheid, herleid tot een hoeveelheid van het basisproduct door toepassing van de in bijlage V bij de onderhavige verordening opgenomen coëfficiënten, indien voor het betrokken product een van de volgende gevallen geldt:

a)

het betrokken product wordt verkregen door verwerking van een basisproduct of van een daarmee gelijkgesteld product;

b)

het betrokken product wordt gelijkgesteld met een product dat wordt verkregen door verwerking van een basisproduct; of

c)

het betrokken product wordt verkregen door verwerking van een product dat wordt gelijkgesteld met een product dat wordt verkregen door verwerking van een basisproduct.

Voor alcohol uit granen die is verwerkt in alcoholhoudende dranken van GN-code 2208 bedraagt de referentiehoeveelheid 3,4 kg gerst per volumeprocent alcohol uit granen, per hectoliter uitgevoerde alcoholhoudende drank.

Artikel 9

Behoudens artikel 11, is bij gebruikmaking van een van de volgende producten de referentiehoeveelheid voor elk van de betrokken basisproducten gelijk aan de hoeveelheid die door de bevoegde instanties overeenkomstig artikel 49 is vastgesteld:

a)

een niet onder bijlage I van het Verdrag vallend product dat wordt verkregen door verwerking van een in de artikelen 7 of 8 van deze verordening bedoeld product;

b)

een product verkregen door menging of verwerking van verscheidene in de artikelen 7 of 8 bedoelde producten, of van in deze alinea, onder a), bedoelde producten.

De referentiehoeveelheid wordt bepaald op basis van de hoeveelheid product die bij de vervaardiging van de uitgevoerde goederen werkelijk wordt gebruikt. Voor de berekening van deze hoeveelheid zijn de in bijlage VII vastgestelde omrekeningsnormen of, naar gelang van het geval, de in artikel 8 vastgestelde bijzondere berekeningsregels, gelijkwaardigheidsverhoudingen en coëfficiënten van toepassing.

Voor alcoholhoudende dranken op basis van granen, die zijn verwerkt in alcoholhoudende dranken van GN-code 2208, bedraagt de referentiehoeveelheid 3,4 kg gerst per volumeprocent alcohol uit granen, per hectoliter uitgevoerde alcoholhoudende drank.

Artikel 10

Voor de toepassing van de artikelen 6 tot en met 9 worden als werkelijk gebruikt beschouwd, de producten die in onverwerkte staat in het productieproces van het uitgevoerde goed zijn gebruikt. Indien in een fase van het productieproces van dit goed een basisproduct zelf wordt verwerkt tot een ander verder verwerkt basisproduct dat in een volgende fase wordt gebruikt, wordt alleen dit laatste basisproduct beschouwd als werkelijk gebruikt.

De werkelijk gebruikte hoeveelheden producten, in de zin van de eerste alinea, worden bepaald voor elk van de uitgevoerde goederen.

In geval van regelmatig plaatsvindende uitvoer van door een bepaalde onderneming in duidelijk omschreven technische omstandigheden vervaardigde goederen die constante kenmerken en een constante hoedanigheid bezitten, kunnen deze hoeveelheden met instemming van de bevoegde instantie worden bepaald, hetzij op basis van de vervaardigingswijze van genoemde goederen, hetzij op basis van de gemiddelde hoeveelheden van de producten die over een bepaalde periode voor de vervaardiging van een gegeven hoeveelheid van deze goederen zijn gebruikt. De aldus bepaalde hoeveelheden producten worden in aanmerking genomen zolang er geen wijziging optreedt in de fabricageomstandigheden van de desbetreffende goederen.

De aldus bepaalde hoeveelheden producten moeten ten minste eenmaal per jaar worden bevestigd, tenzij de bevoegde instantie officieel toestemming heeft gegeven.

Artikel 11

Voor de in bijlage III genoemde goederen is de referentiehoeveelheid in kilogram basisproduct per 100 kg goederen de hoeveelheid die in die bijlage naast elk van die goederen is vermeld.

Voor verse deegwaren echter worden de in bijlage III vermelde hoeveelheden basisproducten omgerekend in een daarmee overeenkomende hoeveelheid droge deegwaren door deze hoeveelheden te vermenigvuldigen met het in procent uitgedrukte gehalte aan droge stof van de deegwaren en het resultaat te delen door 88.

Wanneer de betrokken goederen gedeeltelijk zijn vervaardigd van producten waarvoor de betaling van uitvoerrestitutie onder de in artikel 1, lid 1, bedoelde verordeningen valt, en gedeeltelijk van andere producten, wordt de referentiehoeveelheid voor de eerstgenoemde producten bepaald overeenkomstig de artikelen 6 tot en met 10.

Artikel 12

1.   Voor het bepalen van de werkelijk gebruikte hoeveelheden landbouwproducten zijn de leden 2 en 3 van toepassing.

2.   Alle landbouwproducten die worden gebruikt in de zin van artikel 10 en die recht geven op een restitutie, maar die tijdens het normale verloop van het productieproces verdwijnen in de vorm van damp of rook of door omzetting in poeder of as die niet terugwinbaar zijn, komen in aanmerking voor die restitutie voor alle gebruikte hoeveelheden.

3.   De hoeveelheden goederen die niet werkelijk worden uitgevoerd, komen niet in aanmerking voor restituties voor de werkelijk gebruikte hoeveelheden landbouwproducten, onverminderd artikel 13, lid 1.

Wanneer deze goederen dezelfde samenstelling hebben als de werkelijk uitgevoerde goederen, kunnen de hoeveelheden landbouwproducten die bij de vervaardiging van de laatstgenoemde werkelijk zijn gebruikt, naar evenredigheid worden verminderd.

Artikel 13

1.   In afwijking van artikel 12, lid 3, worden verliezen van 2 gewichtspercenten of minder die normaal optreden bij de productie van de goederen, buiten beschouwing gelaten.

De drempel van 2 % wordt berekend als de verhouding tussen het gewicht van de droge stof van alle gebruikte grondstoffen, na aftrek van de in artikel 12, lid 2, bedoelde hoeveelheden, en het gewicht van de droge stof van de werkelijk uitgevoerde goederen, of met behulp van elke andere berekeningsmethode die is aangepast aan de omstandigheden waarin de goederen worden vervaardigd.

2.   Wanneer de normaal bij de fabricage optredende verliezen groter zijn dan 2 %, bestaat voor de daarboven uitgaande verliezen geen recht op restitutie voor de werkelijk gebruikte hoeveelheden landbouwproducten. De bevoegde instanties van de lidstaten kunnen echter gerechtvaardigde hogere verliezen aanvaarden. De lidstaten delen de Commissie de gevallen mee waarin de instanties hogere verliezen hebben aanvaard, alsmede de redenen waarom zij deze hebben aanvaard.

3.   De hoeveelheden werkelijk gebruikte landbouwproducten die in reststoffen aanwezig zijn, worden voor het toekennen van restituties in aanmerking genomen.

4.   Wanneer bijproducten worden verkregen, worden de werkelijk gebruikte hoeveelheden landbouwproducten respectievelijk aan de uitgevoerde goederen en de bijproducten toegewezen.

AFDELING 3

Restitutievoeten

Artikel 14

De restitutievoet, zoals bedoeld in artikel 13, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 en de overeenkomstige bepalingen van de in artikel 1, lid 1, van de onderhavige verordening genoemde verordeningen, wordt elke maand vastgesteld per 100 kg basisproducten.

De restitutievoet voor eieren in de schaal van pluimvee, vers of verduurzaamd, alsmede voor eieren uit de schaal en eigeel, geschikt voor voedingsdoeleinden, vers, gedroogd of op andere wijze verduurzaamd, zonder toegevoegde suiker, wordt echter vastgesteld voor dezelfde periode als die welke is gekozen voor de restituties voor deze zelfde producten die in ongewijzigde staat worden uitgevoerd.

Artikel 15

1.   Bij de vaststelling van de restitutievoet wordt met name rekening gehouden met het volgende:

a)

de gemiddelde kosten waartegen de verwerkende industrieën zich op de markt van de Gemeenschap van basisproducten kunnen voorzien, en de op de wereldmarkt geldende prijzen;

b)

het niveau van de restituties voor de uitvoer van verwerkte landbouwproducten die onder bijlage I van het Verdrag vallen en waarvan de vervaardiging in vergelijkbare omstandigheden geschiedt;

c)

de noodzaak gelijke mededingingsvoorwaarden te waarborgen tussen de industrieën die producten uit de Gemeenschap gebruiken en die welke producten uit derde landen onder regelingen inzake actieve veredeling gebruiken;

d)

de te verwachten ontwikkeling enerzijds van de uitgaven en anderzijds van de prijzen in de Gemeenschap en op de wereldmarkt;

e)

beperkingen voortvloeiende uit op grond van artikel 300 van het Verdrag gesloten akkoorden.

2.   Bij de vaststelling van de restitutievoeten wordt in voorkomend geval rekening gehouden met de restituties bij de productie, de steunmaatregelen of andere maatregelen van gelijke werking, die voor de basisproducten of de daarmede gelijkgestelde producten in alle lidstaten worden toegepast uit hoofde van de verordening houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de desbetreffende sector.

3.   Een verlaagde restitutievoet wordt toegepast voor de uitvoer van goederen van GN-code 3505 10 50 wanneer op grond van Verordening (EEG) nr. 1722/93 van de Commissie (18) tijdens de veronderstelde periode waarin de goederen zijn vervaardigd, een productierestitutie van toepassing is op het gebruikte basisproduct. De verlaagde restitutievoeten worden overeenkomstig artikel 14 van de onderhavige verordening vastgesteld.

Artikel 16

In het geval van aardappelzetmeel van GN-code 1108 13 00, wordt de restitutievoet afzonderlijk vastgesteld in maïsequivalenten overeenkomstig de procedure van artikel 25, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 en overeenkomstig de in artikel 15, lid 1, van de onderhavige verordening genoemde criteria. De gebruikte hoeveelheden aardappelzetmeel worden overeenkomstig artikel 8 van de onderhavige verordening omgerekend in equivalente hoeveelheden maïs.

Wanneer evenwel voor mengsels van D-glucitol (sorbitol) van de GN-codes 2905 44 en 3824 60 de belanghebbende in de in artikel 49 bedoelde aangifte geen opgave doet van de in artikel 52, lid 1, onder d), vereiste gegevens of wanneer hij bij zijn aangifte niet voldoende bescheiden verstrekt, wordt voor die mengsels de restitutievoet toegepast die geldt voor het basisproduct in het mengsel waarvoor de restitutievoet het laagste is.

Artikel 17

De restitutie voor zetmeel van GN-code 1108 11 00 tot en met 1108 19 90 of voor de producten vermeld in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1784/2003, die zijn verkregen door verwerking van dergelijk zetmeel, wordt slechts verleend na overlegging van een verklaring van de leverancier dat de producten rechtstreeks uit graan, aardappelen of rijst zijn verkregen met uitsluiting van het gebruik van bij de productie van andere landbouwproducten of goederen verkregen bijproducten.

De verklaring geldt, behoudens herroeping, voor elke volgende levering afkomstig van dezelfde fabrikant. Zij wordt gecontroleerd overeenkomstig artikel 49.

Artikel 18

1.   Indien het droge-stofgehalte van aardappelzetmeel dat krachtens artikel 3, lid 1, met maïszetmeel wordt gelijkgesteld, gelijk is aan of hoger is dan 80 %, is de volgens artikel 14 vastgestelde restitutievoet van toepassing. Indien het droge-stofgehalte lager is dan 80 %, is de restitutievoet gelijk aan de volgens artikel 14 vastgestelde restitutievoet, vermenigvuldigd met het feitelijke percentage van het droge-stofgehalte en gedeeld door 80.

Voor alle andere zetmeelsoorten is, indien het droge-stofgehalte gelijk is aan of hoger is dan 87 %, de volgens artikel 14 vastgestelde restitutievoet van toepassing. Indien het drogestofgehalte lager is dan 87 %, is de restitutievoet gelijk aan de volgens artikel 14 vastgestelde restitutievoet, vermenigvuldigd met het feitelijke percentage van het droge-stofgehalte en gedeeld door 87.

Indien het droge-stofgehalte van glucose- of maltodextrinestropen van GN-codes 1702 30 59, 1702 30 99, 1702 40 90, 1702 90 50 of 2106 90 55 gelijk is aan of hoger is dan 78 %, is de volgens artikel 14 vastgestelde restitutievoet van toepassing. Indien het droge-stofgehalte van dergelijke stropen lager is dan 78 %, is de restitutievoet gelijk aan de volgens artikel 14 vastgestelde restitutievoet, vermenigvuldigd met het feitelijke percentage van het droge-stofgehalte en gedeeld door 78.

2.   Voor de toepassing van lid 1 wordt het droge-stofgehalte van zetmeel bepaald volgens de in bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 824/2000 van de Commissie (19) bedoelde methode en wordt het droge-stofgehalte van glucose- of maltodextrinestropen bepaald volgens de in bijlage II bij Richtlijn 79/796/EEG van de Commissie (20) bedoelde methode 2 of elke andere geschikte analysemethode die ten minste dezelfde waarborgen biedt.

3.   Bij de in artikel 49 bedoelde aangifte moet de aanvrager het droge-stofgehalte van het gebruikte zetmeel of van de gebruikte glucose- of maltodextrinestropen aangeven.

Artikel 19

1.   Wanneer de toestand in de internationale handel in caseïne van GN-code 3501 10, caseïnaten van GN-code 3501 90 90 of ovoalbumine van GN-codes 3502 11 90 en 3502 19 90 of de specifieke eisen van sommige markten dit noodzakelijk maken, kan de restitutie voor deze goederen al naar gelang van de bestemming worden gedifferentieerd.

2.   De restitutievoet voor goederen van de GN-codes 1902 11 00, 1902 19 en 1902 40 10 kan naar gelang van de bestemming worden gedifferentieerd.

3.   De restitutie kan verschillend zijn naargelang de restitutievoet overeenkomstig artikel 29 vooraf is vastgesteld of niet.

Artikel 20

1.   De restitutievoet is die welke geldt op de dag waarop de goederen worden uitgevoerd, behalve in de volgende gevallen:

a)

overeenkomstig artikel 29 is verzocht om vaststelling vooraf van de restitutievoet;

b)

een aanvraag is ingediend overeenkomstig artikel 41, lid 2, en de restitutievoet is vooraf vastgesteld op de dag waarop de aanvraag van het restitutiecertificaat is ingediend.

2.   In geval van toepassing van het stelsel van vaststelling vooraf van de restitutievoet, is de restitutievoet die geldt op de dag van de indiening van het verzoek om vaststelling vooraf, van toepassing op goederen die worden uitgevoerd op een latere datum tijdens de geldigheidsduur van het restitutiecertificaat zoals bepaald in artikel 39, lid 2. Verzoeken om vaststelling vooraf die ’s donderdags zijn ingediend, worden echter geacht op de volgende werkdag te zijn ingediend.

De restitutievoet wordt aangepast volgens dezelfde regels als die welke worden toegepast bij de vaststelling vooraf van de restitutievoet voor basisproducten die in onverwerkte staat worden uitgevoerd, evenwel met gebruikmaking van de in bijlage V vastgestelde omrekeningscoëfficiënten voor verwerkte producten op basis van granen en rijst.

3.   Met betrekking tot uittreksels, in de zin van Verordening (EG) nr. 1291/2000, van restitutiecertificaten kunnen geen vaststellingen vooraf worden verricht los van de certificaten waarop zij betrekking hebben.

Artikel 21

In geval van uitvoer van in artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2571/97 bedoelde goederen, geldt als restitutievoet voor zuivelproducten die welke van toepassing is bij gebruik van zuivelproducten tegen verlaagde prijs, tenzij de exporteur het bewijs levert dat de goederen geen zuivelproducten tegen verlaagde prijs bevatten.

HOOFDSTUK III

RESTITUTIECERTIFICATEN

AFDELING 1

Algemene bepalingen

Artikel 22

1.   De lidstaten geven aan iedere aanvrager, ongeacht zijn plaats van vestiging in de Gemeenschap, restitutiecertificaten af die in de gehele Gemeenschap geldig zijn.

De restitutiecertificaten garanderen de betaling van de restitutie, mits de in hoofdstuk V vastgestelde voorwaarden zijn vervuld. In het certificaat kunnen de restitutievoeten vooraf worden vastgesteld. De certificaten zijn slechts in één begrotingsperiode geldig.

2.   De toekenning van restituties voor de uitvoer van basisproducten in de vorm van in bijlage II vermelde goederen of voor onder douanecontrole geplaatste granen voor de vervaardiging van alcoholhoudende dranken bedoeld in artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 2825/93, is afhankelijk van de overlegging van een overeenkomstig artikel 24 van de onderhavige verordening afgegeven restitutiecertificaat.

De eerste alinea is niet van toepassing op leveringen bedoeld in artikel 4, lid 1, derde streepje, artikel 36, lid 1, artikel 40, lid 1, artikel 44, lid 1, en artikel 46, lid 1, van Verordening (EG) nr. 800/1999, en op de uitvoer bedoeld in hoofdstuk IV van de onderhavige verordening.

3.   De toekenning van de restitutie uit hoofde van het in artikel 20, lid 2, bedoelde stelsel van vaststelling vooraf is afhankelijk van de overlegging van een restitutiecertificaat waarin de vaststelling vooraf van de restitutievoeten is opgenomen.

Artikel 23

1.   Verordening (EG) nr. 1291/2000 is van toepassing op de in de onderhavige verordening bedoelde restitutiecertificaten.

2.   Het bepaalde in Verordening (EG) nr. 1291/2000 betreffende de rechten en de verplichtingen van de restitutiecertificaten die in hoeveelheden zijn gespecificeerd, zijn van overeenkomstige toepassing op de rechten en de verplichtingen van de in de onderhavige verordening bedoelde restitutiecertificaten die in euro zijn gespecificeerd, rekening houdende met bijlage VI bij de onderhavige verordening.

3.   In afwijking van de leden 1 en 2 van het onderhavige artikel zijn artikel 8, leden 2 en 4, de artikelen 9, 12 en 14, artikel 18, lid 1, de artikelen 21, 24, 32, 33 en 35, artikel 36, lid 5, en de artikelen 42, 46, 47 en 50 van Verordening (EG) nr. 1291/2000 niet van toepassing op de in de onderhavige verordening bedoelde restitutiecertificaten.

4.   Voor de toepassing van de artikelen 40 en 41 van Verordening (EG) nr. 1291/2000 kunnen certificaten die tot 30 september geldig zijn, niet worden verlengd. In deze gevallen moet het certificaat worden geannuleerd voor de als gevolg van overmacht niet aangevraagde bedragen en moet de desbetreffende zekerheid worden vrijgegeven.

Artikel 24

1.   De aanvragen voor restitutiecertificaten en de restitutiecertificaten zelf zijn gebaseerd op het in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1291/2000 opgenomen formulier en bevatten het bedrag in euro.

Deze documenten worden ingevuld overeenkomstig de aanwijzingen in bijlage VI bij de onderhavige verordening.

2.   Wanneer de aanvrager niet voornemens is de uitvoer te verrichten vanuit een andere lidstaat dan die waar hij het restitutiecertificaat aanvraagt, kan de bevoegde instantie het opgestelde restitutiecertificaat bewaren, met name in de vorm van een elektronisch bestand. In dat geval deelt de bevoegde instantie de aanvrager mede, dat zijn restitutiecertificaat is geregistreerd, en verstrekt hem de gegevens die zijn vermeld op het exemplaar van de houder van het restitutiecertificaat, hierna „exemplaar nr. 1” genoemd. Het exemplaar van het restitutiecertificaat van de instantie van afgifte, hierna „exemplaar nr. 2” genoemd, wordt niet afgegeven.

De bevoegde instantie registreert alle gegevens van de in de delen III en IV van bijlage VI bedoelde restitutiecertificaten, alsmede de afschrijvingen van het certificaat.

Artikel 25

De toekenning van restitutie voor onder douanecontrole geplaatste granen voor de vervaardiging van alcoholhoudende dranken bedoeld in artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 2825/93, is afhankelijk van de overlegging van een overeenkomstig artikel 24 van de onderhavige verordening afgegeven restitutiecertificaat.

Voor de toepassing van artikel 22 worden deze granen geacht te zijn uitgevoerd.

Artikel 26

Onverminderd artikel 27 is het restitutiecertificaat niet overdraagbaar.

Artikel 27

1.   De uit certificaten voortvloeiende verplichtingen zijn niet overdraagbaar.

De uit certificaten voortvloeiende rechten kunnen door de houder gedurende de geldigheidsduur van het certificaat worden overgedragen, mits de uit elk certificaat of uittreksel daarvan voortvloeiende rechten slechts aan één enkele cessionaris worden overgedragen en mits de naam en het adres van de cessionaris die het aanvaardt, uiterlijk bij het indienen van de aanvraag worden vermeld in vak 20 van het in artikel 24 bedoelde aanvraagformulier voor het restitutiecertificaat. Deze overdracht heeft betrekking op de nog niet op het certificaat of uittreksel afgeschreven hoeveelheden.

Voordat het certificaat wordt afgegeven, wordt in vak 22 de volgende vermelding aangebracht en aangevuld overeenkomstig de gegevens van de aanvraag,: „De rechten kunnen eventueel worden overgedragen aan […] (naam en adres van de cessionaris)”.

Indien bij de aanvraag van het certificaat geen naam en adres van een eventuele cessionaris worden vermeld, wordt vak 6 doorgehaald.

2.   In afwijking van lid 1, geldt de verplichting de naam en het adres van de cessionaris in vak 20 van het aanvraagformulier in te vullen, niet voor restitutiecertificaten die vanaf 1 juni kunnen worden gebruikt voor uitvoer vóór 1 oktober. Vak 6 wordt op deze restitutiecertificaten niet doorgehaald.

3.   De cessionaris mag zijn recht niet op zijn beurt overdragen, maar mag het aan de houder retrocederen.

In dit geval brengt de instantie van afgifte in vak 6 van het certificaat één van de in bijlage VIII opgenomen vermeldingen aan.

Artikel 28

1.   Ingeval door de houder om overdracht of door de cessionaris om retrocessie wordt verzocht, nemen de instantie van afgifte, dan wel de door de lidstaat aangewezen instantie of één van de door de lidstaat aangewezen instanties, in het certificaat of, in voorkomend geval, in het uittreksel ervan, de volgende vermeldingen op:

a)

de naam en het adres van de cessionaris overeenkomstig artikel 27, lid 1, of de in artikel 27, lid 3, bedoelde vermelding;

b)

de datum van de overdracht of retrocessie, gewaarmerkt door plaatsing van het stempel van de instantie die de vermelding aanbrengt.

2.   De overdracht of retrocessie is van kracht met ingang van de datum van de in lid 1, onder b), bedoelde vermelding.

Artikel 29

Verzoeken om vaststelling vooraf van de restitutievoeten betreffen alle toepasselijke restitutievoeten.

Het verzoek om vaststelling vooraf kan uitsluitend worden gedaan bij de aanvraag van het restitutiecertificaat, dan wel op elk tijdstip vanaf de dag waarop het restitutiecertificaat wordt toegekend.

Verzoeken om vaststelling vooraf worden gedaan overeenkomstig deel II van bijlage VI door middel van het in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1291/2000 opgenomen formulier. De vaststelling vooraf is niet van toepassing op uitvoer die geschiedt vóór de dag waarop het verzoek wordt ingediend.

Verzoeken om vaststelling vooraf die ’s donderdags zijn ingediend, worden geacht op de volgende werkdag te zijn ingediend.

Artikel 30

De houder van een restitutiecertificaat kan een uittreksel van het certificaat aanvragen, dat wordt opgesteld op het in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1291/2000 opgenomen formulier. De aanvraag bevat de in punt 3 van deel II van bijlage VI bij de onderhavige verordening bedoelde gegevens.

Het bedrag waarvoor een uittreksel wordt aangevraagd, wordt in het oorspronkelijke certificaat vermeld.

Artikel 31

1.   De afgifte van een restitutiecertificaat verplicht de houder restituties aan te vragen, voor tijdens de geldigheidsduur van het certificaat uitgevoerde goederen, tot een bedrag dat gelijk is aan het bedrag waarvoor het restitutiecertificaat is afgegeven. De naleving van deze verplichting wordt gegarandeerd door het stellen van de in artikel 43 bedoelde zekerheid.

2.   De in lid 1 bedoelde verplichtingen zijn primaire eisen in de zin van artikel 20, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2220/85.

De primaire eis wordt geacht te zijn vervuld indien de exporteur de specifieke aanvraag betreffende de tijdens de geldigheidsduur van het restitutiecertificaat uitgevoerde goederen overeenkomstig de voorwaarden van artikel 32 van de onderhavige verordening en deel V van bijlage VI heeft toegezonden.

In het geval dat de specifieke aanvraag niet de aangifte ten uitvoer is, moet zij, behoudens overmacht, worden ingediend binnen drie maanden na de vervaldatum van het restitutiecertificaat waarvan het nummer op de specifieke aanvraag is aangebracht.

Wanneer de in de derde alinea bedoelde termijn van drie maanden niet wordt nageleefd, kan de in de eerste zin van lid 1 bedoelde verplichting niet worden geacht te zijn vervuld. De in artikel 43 bedoelde zekerheid wordt bijgevolg voor het betrokken bedrag verbeurd.

3.   Het bewijs dat de primaire eis is vervuld, wordt geleverd door overlegging aan de bevoegde instantie van exemplaar nr. 1 van het overeenkomstig artikel 32, lid 2, naar behoren afgeboekte restitutiecertificaat. Dit bewijs wordt uiterlijk aan het einde van de negende maand volgende op het einde van de geldigheidsduur van het restitutiecertificaat geleverd. De in artikel 43 bedoelde zekerheid wordt verbeurd in verhouding tot het bedrag waarvoor het vereiste bewijs niet binnen deze termijn is geleverd.

Artikel 32

1.   Elke exporteur stelt een specifieke aanvraag tot betaling op in de zin van artikel 49, lid 1, van Verordening (EG) nr. 800/1999. Deze wordt, vergezeld van de desbetreffende certificaten, bij de tot betaling gemachtigde instantie ingediend, behalve bij registratie van de certificaten in de zin van artikel 24, lid 2, van de onderhavige verordening.

De bevoegde instantie kan oordelen dat de specifieke aanvraag niet het in artikel 49, lid 2, van Verordening (EG) nr. 800/1999 bedoelde dossier voor de betaling is.

De bevoegde instantie kan de specifieke aanvraag beschouwen als de aangifte ten uitvoer in de zin van artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 800/1999. In dat geval geldt als datum van ontvangst van de specifieke aanvraag door de in lid 2 van het onderhavige artikel bedoelde tot betaling gemachtigde instantie, de datum waarop die instantie de aangifte ten uitvoer heeft ontvangen. In alle andere gevallen moet de specifieke aanvraag bijzonderheden betreffende de aangifte ten uitvoer bevatten.

2.   De tot betaling gemachtigde instantie bepaalt het aangevraagde bedrag op basis van de informatie in de specifieke aanvraag, en baseert zich hierbij uitsluitend op de hoeveelheid en de aard van de uitgevoerde basisproducten en op de geldende restitutievoeten. De aangifte ten uitvoer bevat een duidelijke vermelding van of verwijzing naar deze gegevens.

De tot betaling gemachtigde instantie boekt dit bedrag van het restitutiecertificaat af binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van ontvangst van de specifieke aanvraag.

De afboeking van het certificaat geschiedt op de keerzijde van exemplaar nr. 1. De vakken 28, 29 en 30 vermelden in de plaats van de hoeveelheid het bedrag in euro.

De derde alinea is van overeenkomstige toepassing op certificaten die in elektronische vorm worden bewaard.

3.   Indien het restitutiecertificaat niet geregistreerd is, wordt exemplaar nr. 1 van het certificaat na afboeking teruggegeven aan de houder of, op aanvraag van de exporteur, door de tot betaling gemachtigde instantie bewaard.

4.   De zekerheid die wordt ingehouden met betrekking tot het bedrag dat op het restitutiecertificaat voor uitgevoerde goederen is afgeboekt, kan worden vrijgegeven of worden overgedragen als zekerheid voor betaling vooraf van de restitutie overeenkomstig hoofdstuk 2 van Verordening (EG) nr. 800/1999.

Artikel 33

Restitutiecertificaten die uit hoofde van eenzelfde begrotingsperiode worden afgegeven, kunnen afzonderlijk in zes tranches worden aangevraagd. De certificaataanvragen moeten uiterlijk worden ingediend op:

a)

7 september voor certificaten voor gebruik vanaf 1 oktober;

b)

7 november voor certificaten voor gebruik vanaf 1 december;

c)

7 januari voor certificaten voor gebruik vanaf 1 februari;

d)

7 maart voor certificaten voor gebruik vanaf 1 april;

e)

7 mei voor certificaten voor gebruik vanaf 1 juni;

f)

7 juli voor certificaten voor gebruik vanaf 1 augustus.

Marktdeelnemers mogen alleen restitutiecertificaten aanvragen voor de tranche die overeenstemt met de eerste in lid 1, onder a) tot en met f) genoemde indieningsdatum die volgt op de datum van de aanvraag.

Artikel 34

De uiterste data waarop de lidstaten de Commissie van de certificaataanvragen in kennis stellen, zijn de volgende:

a)

14 september voor certificaten bedoeld in artikel 33, eerste alinea, onder a);

b)

14 november voor certificaten bedoeld in artikel 33, eerste alinea, onder b);

c)

14 januari voor certificaten bedoeld in artikel 33, eerste alinea, onder c);

d)

14 maart voor certificaten bedoeld in artikel 33, eerste alinea, onder d);

e)

14 mei voor certificaten bedoeld in artikel 33, eerste alinea, onder e);

f)

14 juli voor certificaten bedoeld in artikel 33, eerste alinea, onder f).

Artikel 35

1.   Het totale bedrag waarvoor voor elke begrotingsperiode restitutiecertificaten kunnen worden afgegeven, wordt overeenkomstig lid 2 bepaald.

2.   Van het cijfer dat het maximumbedrag van de restituties weergeeft, dat is bepaald overeenkomstig artikel 9, lid 2, van de Overeenkomst, worden de volgende bedragen afgetrokken:

a)

het bedrag waarmee het maximumbedrag is overschreden en dat in de loop van het voorgaande begrotingsjaar ten onrechte is toegekend;

b)

het voor uitvoer gereserveerde bedrag, bedoeld in hoofdstuk IV van de onderhavige verordening;

c)

de bedragen waarvoor in de loop van de in aanmerking genomen begrotingsperiode restitutiecertificaten zijn afgegeven.

Het bedrag waarvoor de in artikel 45 bedoelde afgegeven certificaten zijn teruggezonden, wordt bij het op grond van de eerste alinea van dit lid verkregen cijfer opgeteld.

Het resulterende bedrag wordt, indien het voor uitvoer gereserveerde bedrag bedoeld in hoofdstuk IV in onvoldoende mate is gebruikt, dienovereenkomstig verhoogd.

Wanneer er onzekerheid bestaat over een van de in de eerste alinea, onder a), b) en c), bedoelde bedragen, wordt bij de vaststelling van het definitieve bedrag daarmee rekening gehouden.

Artikel 36

Het totale bedrag waarvoor certificaten voor elk van de in artikel 33 bedoelde tranches kunnen worden afgegeven, bedraagt:

a)

30 % van het overeenkomstig artikel 35 berekende bedrag, zoals vastgesteld op 14 september, in het geval van de in artikel 33, eerste alinea, onder a), bedoelde tranche;

b)

27 % van het overeenkomstig artikel 35 berekende bedrag, zoals vastgesteld op 14 november, in het geval van de in artikel 33, eerste alinea, onder b), bedoelde tranche;

c)

32 % van het overeenkomstig artikel 35 berekende bedrag, zoals vastgesteld op 14 januari, in het geval van de in artikel 33, eerste alinea, onder c), bedoelde tranche;

d)

44 % van het overeenkomstig artikel 35 berekende bedrag, zoals vastgesteld op 14 maart, in het geval van de in artikel 33, eerste alinea, onder d), bedoelde tranche;

e)

67 % van het overeenkomstig artikel 35 berekende bedrag, zoals vastgesteld op 14 mei, in het geval van de in artikel 33, eerste alinea, onder e), bedoelde tranche;

f)

100 % van het overeenkomstig artikel 35 berekende bedrag, zoals vastgesteld op 14 juli, in het geval van de in artikel 33, eerste alinea, onder f), bedoelde tranche.

Artikel 37

1.   Wanneer het totale bedrag van de in een van de desbetreffende periodes ontvangen aanvragen het in artikel 35 bedoelde maximum overschrijdt, stelt de Commissie een verlagingscoëfficiënt vast, die van toepassing is op alle aanvragen die vóór de in artikel 33 genoemde respectieve data zijn ingediend, teneinde het in artikel 35 bedoelde maximum in acht te nemen.

De Commissie maakt de coëfficiënt binnen vijf werkdagen na de in artikel 34 bedoelde data bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Waneer de Commissie een verlagingscoëfficiënt vaststelt, worden certificaten afgegeven tot het gevraagde bedrag, vermenigvuldigd met 1 minus de overeenkomstig lid 1 van dit artikel of artikel 38, lid 3, onder a), vastgestelde verlagingscoëfficiënt.

Voor de in artikel 33, eerste alinea, onder f), bedoelde tranche kan de aanvrager binnen vijf werkdagen na de bekendmaking van de coëfficiënt in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn aanvraag echter intrekken.

3.   De lidstaten delen de Commissie vóór 1 augustus de bedragen mee waarvoor overeenkomstig lid 2, tweede alinea, certificaataanvragen zijn ingetrokken.

Artikel 38

1.   Wanneer overeenkomstig artikel 35 vastgestelde bedragen beschikbaar blijven, kan de Commissie, door bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie uiterlijk op 10 augustus, de indiening van certificaataanvragen vanaf de volgende maandag toestaan ten aanzien van vóór 1 oktober uit te voeren goederen.

Indien deze bekendmaking plaatsvindt, zijn de leden 2 en 3 van toepassing.

2.   De aanvragen die in de loop van een week zijn ingediend, worden de daaropvolgende dinsdag door de lidstaten aan de Commissie meegedeeld. De desbetreffende certificaten kunnen worden afgegeven vanaf de maandag die volgt op de mededeling, op voorwaarde dat de Commissie geen andere maatregelen vaststelt.

3.   Wanneer het totale bedrag van de in een bepaalde aanvraagweek ontvangen aanvragen het krachtens lid 1 resterende beschikbare bedrag overschrijdt, neemt de Commissie een of meer van de volgende maatregelen:

a)

zij stelt een verlagingscoëfficiënt vast, die geldt voor de in die bepaalde aanvraagweek ingediende certificaataanvragen die aan de Commissie zijn meegedeeld en waarvoor nog geen restitutiecertificaten zijn afgegeven;

b)

zij geeft de lidstaten opdracht de in die bepaalde aanvraagweek ingediende aanvragen die nog niet aan de Commissie zijn meegedeeld, af te wijzen;

c)

zij schorst de indiening van aanvragen voor restitutiecertificaten.

4.   De op grond van lid 3 vastgestelde verordeningen worden binnen vier dagen na mededeling van de overeenkomstig lid 2 ingediende aanvragen bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 39

1.   Restitutiecertificaten zijn geldig vanaf de datum van afgifte, zoals bepaald in artikel 23, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1291/2000.

2.   Restitutiecertificaten zijn geldig tot de laatste dag van de vijfde maand die volgt op de maand waarin de certificaataanvraag is ingediend, of tot de laatste dag van de begrotingsperiode indien deze op een eerdere datum valt. De in artikel 40 bedoelde restitutiecertificaten zijn echter geldig tot de laatste dag van de vijfde maand die volgt op de maand waarin de certificaataanvraag is ingediend.

In geval van vaststelling vooraf van de restitutievoeten overeenkomstig artikel 29 blijven deze restitutievoeten geldig tot de laatste dag van de vijfde maand die volgt op de maand waarin het verzoek om vaststelling vooraf is gedaan, of tot de laatste dag van de geldigheidstermijn van het certificaat, indien deze op een eerdere datum valt.

Artikel 40

Verordening (EG) nr. 2298/2001 van de Commissie (21) is van toepassing op aanvragen voor restitutiecertificaten en restitutiecertificaten die zijn afgegeven voor de uitvoer van goederen die deel uitmaken van een internationale voedselhulptransactie in de zin van artikel 10, lid 4, van de Overeenkomst.

Artikel 41

1.   De leden 2 tot en met 11 van dit artikel gelden voor de toepassing van artikel 49 van Verordening (EG) nr. 1291/2000.

2.   Vanaf 1 oktober van elke begrotingsperiode kunnen aanvragen voor certificaten in verband met een inschrijving die in een invoerend derde land is uitgeschreven, waarin de uitvoerrestitutie vooraf wordt vastgesteld op de dag waarop de aanvraag wordt ingediend, overeenkomstig het onderhavige artikel worden ingediend buiten de in de artikelen 33 en 38 vastgestelde perioden, indien de som van de bedragen die betrekking hebben op één enkele inschrijving waarvoor door één of meer exporteurs één of meer certificaataanvragen zijn ingediend en waarvoor nog geen certificaat is afgegeven, maximaal 2 miljoen euro bedraagt.

Dat maximum kan echter op 4 miljoen euro worden gebracht indien geen van de in artikel 37, lid 1, bedoelde verlagingscoëfficiënten die sinds het begin van de begrotingsperiode zijn bekendgemaakt, meer dan 50 % bedraagt.

3.   Het bedrag waarvoor het certificaat wordt of de certificaten worden aangevraagd, mag niet hoger zijn dan de in de inschrijving aangegeven hoeveelheid vermenigvuldigd met de desbetreffende restitutievoet ofvoeten, die vooraf is of zijn vastgesteld op de dag waarop de aanvraag is ingediend. Met de in de inschrijvingen genoemde toleranties of opties wordt geen rekening gehouden.

4.   Behalve de in artikel 49, lid 10, van Verordening (EG) nr. 1291/2000 bepaalde informatie delen de lidstaten de Commissie onverwijld de bedragen waarvoor elk certificaat wordt aangevraagd alsmede de datum en het uur van indiening van de aanvraag mee.

5.   Wanneer de som van de overeenkomstig lid 4 meegedeelde bedragen en de bedragen waarvoor in het kader van dezelfde inschrijving reeds een of meer certificaten zijn aangevraagd, het in lid 2 bedoelde toepasselijke maximumbedrag overschrijdt, deelt de Commissie de lidstaten binnen twee werkdagen na ontvangst van de in lid 4 bedoelde bijkomende mededeling mee, dat het restitutiecertificaat niet aan de marktdeelnemers mag worden afgegeven.

6.   De Commissie kan de toepassing van lid 2 schorsen indien de totale som van de bedragen van de restitutiecertificaten die overeenkomstig artikel 49 van Verordening (EG) nr. 1291/2000 kunnen worden afgegeven, in een begrotingsperiode meer dan 4 miljoen euro bedraagt. Schorsingsbesluiten worden in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.

7.   In afwijking van artikel 39, leden 1 en 2, van de onderhavige verordening zijn restitutiecertificaten die overeenkomstig artikel 49 van Verordening (EG) nr. 1291/2000 zijn afgegeven, geldig met ingang van de dag waarop zij zijn afgegeven in de zin van artikel 23, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1291/2000. Het restitutiecertificaat is geldig tot het einde van de achtste maand die volgt op de maand waarin het is afgegeven, of tot en met 30 september, indien deze datum eerder is. De vooraf vastgestelde restitutievoeten zijn geldig tot de laatste dag van de geldigheidsduur van het certificaat.

8.   Wanneer overeenkomstig artikel 49, lid 9, onder a), van Verordening (EG) nr. 1291/2000 ten genoegen van de bevoegde instantie is aangetoond, dat de instelling die de inschrijving heeft gehouden, het contract heeft verbroken om redenen die degene aan wie de levering is gegund niet zijn aan te rekenen, en die niet als overmacht worden beschouwd, geeft die bevoegde instantie de zekerheid vrij, in gevallen waarin de vooraf vastgestelde restitutievoet voor het basisproduct waarvan het restitutiebedrag vergeleken met de andere gebruikte basisproducten het hoogste is, hoger is dan of gelijk is aan de restitutievoet die geldt op de laatste dag van de geldigheidsduur van het certificaat.

9.   Wanneer overeenkomstig artikel 49, lid 9, onder b), van Verordening (EG) nr. 1291/2000 ten genoegen van de bevoegde instantie is aangetoond, dat de instelling die de inschrijving heeft gehouden, degene aan wie de levering is gegund, om redenen die hem niet zijn aan te rekenen en die niet als overmacht worden beschouwd, wijzigingen van het contract heeft opgelegd, kan die bevoegde instantie de geldigheidsduur van het certificaat en de periode waarvoor de vooraf vastgestelde restitutie moet gelden, tot 30 september verlengen.

10.   Wanneer degene aan wie de levering is gegund, overeenkomstig artikel 49, lid 9, onder c), van Verordening (EG) nr. 1291/2000 het bewijs levert, dat het bericht van inschrijving of het op grond van de gunning gesloten contract voorzag in een onderschrijdingstolerantie of een onderschrijdingsoptie van meer dan 5 %, en dat de instelling die de inschrijving heeft gehouden, van die bepaling gebruik maakt, wordt de verplichting tot uitvoer beschouwd als te zijn nagekomen indien de uitgevoerde hoeveelheid ten hoogste 10 % kleiner is dan de hoeveelheid waarvoor het certificaat is afgegeven.

De eerste alinea is van toepassing op voorwaarde dat de vooraf vastgestelde restitutievoet voor het basisproduct waarvan het restitutiebedrag vergeleken met de andere gebruikte basisproducten het hoogste is, hoger is dan of gelijk is aan de restitutievoet die geldt op de laatste dag van de geldigheidsduur van het certificaat. In dit geval wordt de in artikel 44, lid 4, van de onderhavige verordening genoemde 95 % vervangen door 90 %.

11.   Voor de toepassing van dit artikel bedraagt de in artikel 49, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1291/2000 vastgestelde termijn van 21 dagen 44 dagen.

Artikel 42

Onverminderd artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1291/2000, kunnen van certificaten die in één lidstaat als geldig zijn geregistreerd, uittreksels worden gemaakt, die in de gehele Gemeenschap geldig zijn.

AFDELING 2

Zekerheden

Artikel 43

Aanvragen voor restitutiecertificaten, behalve die voor de in artikel 40 bedoelde voedselhulptransacties, zijn slechts geldig indien een zekerheid gelijk aan 25 % van het aangevraagde bedrag wordt gesteld overeenkomstig de in artikel 15 van Verordening (EG) nr. 1291/2000 vastgestelde voorwaarden.

De zekerheid wordt vrijgegeven overeenkomstig de in artikel 44 van de onderhavige verordening vastgestelde voorwaarden.

Artikel 44

1.   Bij toepassing van een verlagingscoëfficiënt op grond van artikel 37, lid 2, of artikel 38, lid 3, onder a), wordt het deel van de zekerheid dat gelijk is aan het gedeponeerde bedrag vermenigvuldigd met de verlagingscoëfficiënt, onverwijld vrijgegeven.

2.   Wanneer de aanvrager zijn certificaataanvraag overeenkomstig artikel 37, lid 2, intrekt, wordt 80 % van de oorspronkelijke zekerheid vrijgegeven.

3.   De zekerheid wordt geheel vrijgegeven wanneer de houder van het certificaat restituties heeft aangevraagd ten belope van 95 % van het bedrag waarvoor het certificaat is afgegeven. Op verzoek van de houder kunnen de lidstaten de zekerheid in gedeelten vrijgeven naar evenredigheid van de bedragen waarvoor aan de in artikel 31, leden 2 en 3, bedoelde voorwaarden is voldaan, mits het bewijs is geleverd dat een bedrag gelijk aan ten minste 5 % van het in het certificaat vermelde bedrag is aangevraagd.

4.   Wanneer aanvragen voor restituties zijn ingediend voor minder dan 95 % van het bedrag waarvoor het certificaat is afgegeven, wordt een deel van de zekerheid, gelijk aan 25 % van het verschil tussen 95 % van het bedrag waarvoor het certificaat is afgegeven, en het daadwerkelijk gebruikte restitutiebedrag, verbeurd.

Wanneer het bedrag waarvoor aan de in artikel 31, leden 2 en 3, bedoelde voorwaarden is voldaan, echter lager is dan 5 % van het in het certificaat vermelde bedrag, wordt de gehele zekerheid verbeurd.

Wanneer voor een certificaat het totale bedrag van de zekerheid dat zou zijn verbeurd, 100 euro of minder bedraagt, geeft de betrokken lidstaat de volledige zekerheid vrij.

Artikel 45

1.   Wanneer het certificaat of een uittreksel van het certificaat tijdens het eerste tweederde deel van de geldigheidsduur ervan aan de instantie van afgifte wordt teruggezonden, wordt het dienovereenkomstige te verbeuren zekerheidsbedrag met 40 % verminderd, met dien verstande dat elk dagdeel als een gehele dag wordt geteld.

Wanneer het certificaat of een uittreksel van het certificaat tijdens het laatste derde deel van de geldigheidsduur ervan of gedurende de maand volgende op het verstrijken van de geldigheidsduur, aan de instantie van afgifte wordt teruggezonden, wordt het desbetreffende te verbeuren zekerheidsbedrag met 25 % verminderd.

2.   Lid 1 geldt slechts voor certificaten en uittreksels van certificaten die gedurende de begrotingsperiode waarvoor de certificaten zijn afgegeven, aan de instantie van afgifte worden teruggezonden, mits zij uiterlijk op 30 juni van die periode worden teruggezonden.

HOOFDSTUK IV

NIET DOOR CERTIFICATEN GEDEKTE UITVOER

Artikel 46

Voor elke begrotingsperiode vanaf 1 oktober 2004, komt niet door een certificaat gedekte uitvoer voor betaling van een restitutie in aanmerking binnen de grenzen van een totale reserve van 40 miljoen euro voor elk begrotingsjaar.

Artikel 47

1.   Artikel 46 is niet van toepassing op uitvoer in het kader van internationale voedselhulptransacties in de zin van artikel 10, lid 4, van de Overeenkomst, noch op leveringen bedoeld in artikel 4, lid 1, tweede alinea, derde streepje, artikel 36, lid 1, artikel 40, lid 1, artikel 44, lid 1, en artikel 46, lid 1, van Verordening (EG) nr. 800/1999.

2.   Artikel 46 is van toepassing op de uitvoer door marktdeelnemers die geen restitutiecertificaat hebben gehad sinds het begin van de desbetreffende begrotingsperiode en die geen certificaat hebben op de dag van uitvoer. De aanvragen die de marktdeelnemer onder de voorwaarden van artikel 32, lid 1, in het desbetreffende begrotingsjaar heeft ingediend, met inbegrip van de indiening van de aanvraag voor de betrokken uitvoer, geeft geen aanleiding tot betaling van meer dan 75 000 euro.

Wanneer de specifieke aanvraag door de bevoegde instantie wordt beschouwd als de aangifte ten uitvoer in de zin van artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 800/1999, kan de datum van deze aanvraag, indien de bevoegde instantie daarmee instemt, de datum zijn waarop de douanedienst de genoemde aangifte ten uitvoer aanvaardt.

3.   Artikel 46 is alleen van toepassing in de lidstaat waar de marktdeelnemer is gevestigd.

Artikel 48

De lidstaten delen de Commissie uiterlijk op de vijfde en de twintigste van elke maand, de restitutiebedragen mee die uit hoofde van artikel 46 zijn toegekend gedurende de periode van de zestiende tot het eind van de voorafgaande maand, respectievelijk van de eerste tot en met de vijftiende van de lopende maand. In voorkomend geval delen de lidstaten de Commissie mee, dat tussen de desbetreffende dagen geen bedragen zijn toegekend.

Wanneer het totaal van de door de lidstaten meegedeelde bedragen oploopt tot 30 miljoen euro, kan de Commissie, rekening houdend met de internationale verplichtingen van de Gemeenschap, de toepassing van artikel 46 op de niet door een restitutiecertificaat gedekte uitvoer gedurende maximaal 20 werkdagen schorsen.

Onder dezelfde omstandigheden kan de Commissie overeenkomstig artikel 8, lid 3, van Verordening (EG) nr. 3448/93 de toepassing van artikel 46 van de onderhavige verordening op de niet door een restitutiecertificaat gedekte uitvoer gedurende een periode van meer dan 20 werkdagen schorsen.

HOOFDSTUK V

VERPLICHTINGEN VOOR DE EXPORTEUR

Artikel 49

1.   De belanghebbende doet bij uitvoer van de goederen aangifte van de hoeveelheden basisproducten, van de door de verwerking daarvan verkregen producten of van de overeenkomstig artikel 3 met één van deze twee categorieën gelijkgestelde producten die bij de vervaardiging van de goederen werkelijk zijn gebruikt in de zin van artikel 10 en waarvoor restitutie wordt gevraagd, of verwijst op andere wijze naar deze samenstelling, waneer deze overeenkomstig artikel 10, derde alinea, is bepaald.

2.   Wanneer bij de vervaardiging van de uit te voeren goederen andere goederen zijn verwerkt, vermeldt de aangifte van de belanghebbende niet alleen de hoeveelheid van de werkelijk gebruikte goederen, maar ook de aard en de hoeveelheid van elk der basisproducten, van de door verwerking daarvan verkregen producten en/of van de overeenkomstig artikel 3 met één van deze twee categorieën gelijkgestelde producten, waarvan deze andere goederen zijn vervaardigd.

Tot staving van zijn aangifte verstrekt de belanghebbende de bevoegde instanties alle door deze dienstig geachte bescheiden en inlichtingen.

De bevoegde instanties controleren met alle passende middelen de juistheid van de bij hen gedane aangifte.

3.   Op verzoek van de bevoegde instanties van de lidstaat op welks grondgebied de douaneformaliteiten bij uitvoer plaatsvinden, verschaffen de bevoegde instanties van de andere lidstaten hen rechtstreeks alle inlichtingen waarover zij kunnen beschikken om de controle van de aangifte van de belanghebbende mogelijk te maken.

Artikel 50

In afwijking van artikel 49 en met de instemming van de bevoegde instanties kan de aangifte van de gebruikte producten of goederen worden vervangen door de gecumuleerde aangifte van de hoeveelheden gebruikte producten of door een verwijzing naar de aangifte van die hoeveelheden, wanneer deze reeds op grond van artikel 10, derde alinea, zijn bepaald en op voorwaarde dat de fabrikant alle nodige gegevens voor de controle van de aangifte ter beschikking van die instanties houdt.

Artikel 51

Wanneer de exporteur niet de in artikel 49 bedoelde aangifte doet of bij zijn aangifte niet voldoende gegevens verstrekt, heeft hij geen recht op een restitutie.

Indien de betrokken goederen echter in de kolommen 1 en 2 van bijlage IV zijn opgenomen, kan de belanghebbende op zijn uitdrukkelijk verzoek een restitutie worden toegekend. De aard en de hoeveelheid van de basisproducten die voor de berekening van deze restitutie in aanmerking worden genomen, worden bepaald op basis van een analyse van de uit te voeren goederen en overeenkomstig de tabel in bijlage IV. De bevoegde instantie beslist over de voorwaarden waaronder de analyse moet worden uitgevoerd en over de tot staving van het verzoek te verstrekken gegevens.

De exporteur betaalt de kosten van bovengenoemde analyse.

Artikel 52

1.   Artikel 49 is niet van toepassing op de overeenkomstig bijlage III vastgestelde hoeveelheden landbouwproducten, met uitzondering van:

a)

de hoeveelheden in artikel 49, lid 1, bedoelde producten, uitgevoerd in de vorm van goederen die gedeeltelijk zijn verkregen uit producten waarvoor de betaling van uitvoerrestitutie onder de in artikel 1, lid 1, bedoelde verordeningen valt, en gedeeltelijk uit andere producten, overeenkomstig de in artikel 11, derde alinea, vastgestelde voorwaarden;

b)

de hoeveelheden eieren of eiproducten, uitgevoerd in de vorm van deegwaren van GN-code 1902 11 00;

c)

de hoeveelheid droge stof in verse deegwaren bedoeld in artikel 11, tweede alinea;

d)

de aard van de basisproducten die werkelijk zijn gebruikt bij de vervaardiging van D-glucitol (sorbitol) van de GN-codes 2905 44 en 3824 60, en, in voorkomend geval, de gehalten aan D-glucitol (sorbitol) verkregen uit respectievelijk zetmeelproducten en sacharose;

e)

de hoeveelheden caseïne, uitgevoerd in de vorm van goederen van GN-code 3501 90 90;

f)

het aantal graden Plato van bier van mout van GN-code 2202 90 10;

g)

de door de bevoegde instanties geaccepteerde niet-gemoute hoeveelheden gerst.

De beschrijving van de goederen op de aangifte ten uitvoer en de restitutieaanvraag voor in bijlage III bedoelde goederen moet in overeenstemming zijn met de nomenclatuur van die bijlage.

2.   Indien voor de toepassing van de artikelen 49, 50, 51 of de leden 1 of 3 van het onderhavige artikel goederen worden geanalyseerd, worden de in Verordening (EEG) nr. 4056/87 van de Commissie (22) bedoelde analysemethoden gebruikt of, bij gebreke daarvan, die welke gelden voor de indeling in het gemeenschappelijk douanetarief van gelijksoortige in de Gemeenschap ingevoerde goederen.

3.   Het document waaruit de uitvoer blijkt, vermeldt enerzijds de hoeveelheden uitgevoerde goederen en anderzijds de hoeveelheden van de in artikel 49, lid 1, bedoelde producten of een verwijzing naar de receptuur bepaald overeenkomstig artikel 10, derde alinea. Indien evenwel artikel 51, tweede alinea, wordt toegepast, vermeldt het document, in plaats van deze laatste hoeveelheden, die hoeveelheden van de in kolom 4 van bijlage IV genoemde basisproducten welke overeenkomen met de gegevens die de analyse van de uitgevoerde goederen oplevert.

4.   Om een restitutie te verkrijgen voor goederen van de GN-codes 0403 10 51 tot en met 0403 10 99, 0403 90 71 tot en met 0403 90 99, 0405 20 10, 0405 20 30 en 2105 00 99, dienen deze goederen te voldoen aan de vereisten van Richtlijn 92/46/EEG, en met name aan het vereiste dat zij in een erkende inrichting moeten zijn bereid en aan de in bijlage C, hoofdstuk IV, onder A, bij die richtlijn vastgestelde eisen betreffende het aanbrengen van het keurmerk.

Om een restitutie te verkrijgen voor goederen van de GN-codes 3502 11 90 en 3502 19 90, dienen deze goederen te voldoen aan hoofdstuk XI van de bijlage bij Richtlijn 89/437/EEG.

5.   Voor de toepassing van de artikelen 49 en 50 deelt elke lidstaat de Commissie de controlemaatregelen mee waarvan op zijn grondgbied voor de verschillende soorten uitgevoerde goederen gebruik wordt gemaakt. De Commissie stelt de andere lidstaten daarvan in kennis.

Artikel 53

1.   Overeenkomstig de artikelen 49 en 50 legt de belanghebbende, met betrekking tot goederen vallende onder de GN-codes 0405 20 10, 0405 20 30, 1806 90 60 tot en met 1806 90 90, 1901 of 2106 90 98, met een hoog gehalte aan zuivelproducten vallende onder de GN-codes 0402 10 19, 0402 21 19, 0405 of 0406, een verklaring over dat geen van die zuivelproducten uit een derde land is ingevoerd, dan wel een specificatie van de hoeveelheden zuivelproducten die uit derde landen zijn ingevoerd.

2.   Voor de toepassing van lid 1 wordt onder goederen „met een hoog gehalte aan zuivelproducten” verstaan, goederen waarin ten minste 51 kg van de in lid 1 bedoelde zuivelproducten per 100 kg uitgevoerde goederen is verwerkt.

3.   Wanneer een aanvraag is ingediend voor overeenkomstig artikel 10, derde alinea, te bepalen hoeveelheden mag de bevoegde instantie genoegen nemen met een attest van de belanghebbende waarin deze verklaart dat zuivelproducten zoals bedoeld in lid 1 die uit een derde land zijn ingevoerd, niet zullen worden gebruikt.

4.   De overeenkomstig lid 1 overgelegde verklaring respectievelijk het in lid 3 bedoelde attest mogen door de bevoegde instantie worden aanvaard indien is aangetoond dat de prijs die voor het in de uitgevoerde goederen verwerkte zuivelproduct zoals bedoeld in lid 1, is betaald, gelijk is aan of weinig verschilt van de prijs die op de communautaire markt voor een gelijkwaardig product wordt betaald. Bij de vergelijking van de prijzen wordt rekening gehouden met het tijdstip waarop het zuivelproduct is gekocht.

HOOFDSTUK VI

BETALING VAN DE RESTITUTIE

Artikel 54

1.   Voor uitvoer die geschiedt tussen 1 en 15 oktober van elk jaar, worden vóór 16 oktober geen restituties betaald.

Met betrekking tot uitvoer die geschiedt onder overlegging van een voor een begrotingsperiode afgegeven restitutiecertificaat, worden wanneer de Commissie van oordeel is dat er een gevaar bestaat dat de Gemeenschap haar internationale verbintenissen niet kan nakomen, de na het eind van deze periode verschuldigde betalingen van restituties niet vóór 16 oktober verricht. In dit geval kan de in artikel 49, lid 8, van Verordening (EG) nr. 800/1999 bedoelde termijn tijdelijk worden verlengd tot drie maanden en 15 dagen bij een verordening die vóór 20 september in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt.

2.   In afwijking van artikel 28, lid 6, van Verordening (EG) nr. 800/1999 kunnen, in het geval van restitutiecertificaten die geldig zijn vanaf 1 juni voor goederen die vóór 1 oktober moeten zijn uitgevoerd, de in bijlage I bij de onderhavige verordening opgenomen basisproducten met het oog op verwerking ervan onder douanecontrole blijven gedurende drie maanden vanaf de datum waarop de betalingsaangifte is aanvaard.

In afwijking van artikel 29, lid 5, van Verordening (EG) nr. 800/1999 kunnen, in het geval van restitutiecertificaten die geldig zijn vanaf 1 juni voor goederen die vóór 1 oktober moeten zijn uitgevoerd, de goederen onder een stelsel van douane-entrepots of van vrije zones blijven, gedurende drie maanden vanaf de datum waarop de betalingsaangifte wordt aanvaard.

HOOFDSTUK VII

VERPLICHTING TOT KENNISGEVING

Artikel 55

1.   De lidstaten delen de Commissie vóór de tiende van elke maand het volgende mee:

a)

de bedragen waarvoor in de loop van de vorige maand restitutiecertificaten zijn teruggegeven overeenkomstig artikel 45, lid 1;

b)

de in de vorige maand vervallen bedragen op restitutiecertificaten waarvoor de in artikel 31, lid 1, bedoelde verplichtingen niet zijn nagekomen overeenkomstig artikel 31, lid 2 of 3;

c)

de in artikel 40 bedoelde restitutiecertificaten die tijdens de vorige maand zijn afgegeven;

d)

de restitutiecertificaten die tijdens de vorige maand zijn afgegeven overeenkomstig artikel 49 van Verordening (EG) nr. 1291/2000.

De in de eerste alinea, onder b), bedoelde bedragen worden gedifferentieerd door verwijzing naar de begrotingsperiode van het restitutiecertificaat waarop zij betrekking hebben.

2.   Vóór 1 november van elk jaar delen de lidstaten de Commissie het totale bedrag mee dat vóór 1 oktober van dat jaar is afgeschreven op restitutiecertificaten die zijn afgegeven in de begrotingsperiode die eindigt op 30 september van het vorige kalenderjaar.

Artikel 56

1.   De lidstaten zenden, door middel van het beveiligde webgebaseerde gegevensuitwisselingssysteem dat bekend is onder de naam DEX, uiterlijk aan het eind van de maand die volgt op elke kalendermaand statistische gegevens betreffende de onder deze verordening vallende goederen waarvoor in de vorige maand uitvoerrestituties zijn toegekend, ingedeeld volgens de GN-code met acht cijfers, aan de Commissie toe. De gegevens omvatten:

a)

de hoeveelheden van deze goederen, uitgedrukt in tonnen of in een andere maateenheid, met vermelding van de eenheid;

b)

het bedrag aan uitvoerrestituties dat in de vorige maand voor elk van de desbetreffende basislandbouwproducten is toegekend, uitgedrukt in euro of nationale valuta;

c)

de hoeveelheden van elk van de basislandbouwproducten waarvoor restituties zijn toegekend, uitgedrukt in tonnen.

2.   De lidstaten delen de Commissie vóór 1 januari van elk jaar de totale restitutiebedragen mee die zij daadwerkelijk vóór 30 september van het voorafgaande jaar hebben toegekend voor goederen die zijn uitgevoerd in eerdere begrotingsperioden die niet eerder zijn meegedeeld, onder precisering van de desbetreffende perioden.

3.   Voor de toepassing van de leden 1 en 2 worden vooruitbetalingen als toegekende restituties beschouwd. De terugbetalingen van ten onrechte betaalde restituties worden afzonderlijk meegedeeld.

HOOFDSTUK VIII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 57

De Verordeningen (EEG) nr. 3615/92, (EG) nr. 3223/93 en (EG) nr. 1520/2000 worden ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage IX.

Artikel 58

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing op aanvragen die worden ingediend vanaf 8 juli 2005 voor certificaten die worden gebruikt vanaf 1 oktober 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

Günter VERHEUGEN

Vice-voorzitter


(1)  PB L 318 van 20.12.1993, blz. 18. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2580/2000 (PB L 298 van 25.11.2000, blz. 5).

(2)  PB L 367 van 16.12.1992, blz. 10.

(3)  PB L 292 van 26.11.1993, blz. 10. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1762/2002 (PB L 265 van 3.10.2002, blz. 13).

(4)  PB L 177 van 15.7.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 886/2004 (PB L 168 van 1.5.2004, blz. 14).

(5)  PB L 282 van 1.11.1975, blz. 49. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 1).

(6)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 186/2004 van de Commissie (PB L 29 van 3.2.2004, blz. 6).

(7)  PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 39/2004 van de Commissie (PB L 6 van 10.1.2004, blz. 16).

(8)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78.

(9)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 96.

(10)  PB L 102 van 17.4.1999, blz. 11. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 671/2004 (PB L 105 van 14.4.2004, blz. 5).

(11)  PB L 258 van 16.10.1993, blz. 6. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1633/2000 (PB L 187 van 26.7.2000, blz. 29).

(12)  PB L 152 van 24.6.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1741/2004 (PB L 311 van 8.10.2004, blz. 17).

(13)  PB L 205 van 3.8.1985, blz. 5. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 673/2004 (PB L 105 van 14.4.2004, blz. 17).

(14)  PB L 350 van 20.12.1997, blz. 3. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2250/2004 (PB L 381 van 28.12.2004, blz. 25).

(15)  PB L 268 van 14.9.1992, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003.

(16)  PB L 212 van 22.7.1989, blz. 87. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003.

(17)  PB L 214 van 8.9.1995, blz. 16.

(18)  PB L 159 van 1.7.1993, blz. 112. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1548/2004 (PB L 280 van 31.8.2004, blz. 11).

(19)  PB L 100 van 20.4.2000, blz. 31. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 777/2004 (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 50).

(20)  PB L 239 van 22.9.1979, blz. 24.

(21)  PB L 308 van 27.11.2001, blz. 16. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2080/2004 (PB L 360 van 7.12.2004, blz. 4).

(22)  PB L 379 van 31.12.1987, blz. 29. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 202/98 (PB L 21 van 28.1.1998, blz. 5).


BIJLAGE I

Basisproducten

GN-code

Omschrijving

ex 0402 10 19

Melk in poeder, in korrels of in andere vaste vorm, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, met een vetgehalte van minder dan 1,5 gewichtspercent (productgroep 2)

ex 0402 21 19

Melk in poeder, in korrels of in andere vaste vorm, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, met een vetgehalte van 26 gewichtspercenten (productgroep 3)

ex 0404 10 02 tot en met ex 0404 10 16

Wei in poeder, in korrels of in andere vaste vorm, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen (productgroep 1)

ex 0405 10

Boter met een vetgehalte van 82 gewichtspercenten (productgroep 6)

ex 0407 00 30

Pluimvee-eieren in de schaal, vers of verduurzaamd, andere dan broedeieren

ex 0408

Eieren uit de schaal en eigeel, geschikt voor menselijke consumptie, vers, gedroogd, bevroren of op andere wijze verduurzaamd, niet-gezoet

1001 10 00

Harde tarwe (durum)

1001 90 99

Zachte tarwe en mengkoren, andere dan zaaigoed

1002 00 00

Rogge

1003 00 90

Gerst, andere dan zaaigoed

1004 00 00

Haver

1005 90 00

Maïs, andere dan zaaigoed

ex 1006 30

Volwitte rijst

1006 40 00

Breukrijst

1007 00 90

Graansorgho, andere dan hybriden voor zaaidoeleinden

1701 99 10

Witte suiker

ex 1702 19 00

Lactose, bevattende, in droge toestand, 98,5 gewichtspercenten zuivere lactose

1703

Melasse verkregen bij de extractie of de raffinage van suiker


BIJLAGE II

Goederen waarvoor uitvoerrestituties kunnen worden betaald

GN-code

Omschrijving

Landbouwproducten waarvoor een uitvoerrestitutie kan worden toegekend

III: zie bijlage III

Granen (1)

Rijst (2)

Eieren (3)

Suiker, melasse of isoglucose (4)

Zuivelpro-ducten (5)

1

2

3

4

5

6

7

ex 0403

Karnemelk, gestremde melk en room, yoghurt, kefir en andere gegiste of aangezuurde melk en room, ook indien ingedikt, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao:

 

 

 

 

 

0403 10

– yoghurt:

 

 

 

 

 

0403 10 51 tot en met 0403 10 99

– – gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao:

 

 

 

 

 

– – – gearomatiseerd

X

X

X

X

 

– – – andere:

 

 

 

 

 

– – – – met toegevoegde vruchten

X

X

 

X

 

– – – – met toegevoegde cacao

X

X

X

X

 

0403 90

– andere:

 

 

 

 

 

0403 90 71 tot en met 0403 90 99

– – gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao:

 

 

 

 

 

– – – gearomatiseerd

X

X

X

X

 

– – – andere:

 

 

 

 

 

– – – – met toegevoegde vruchten

X

X

 

X

 

– – – – met toegevoegde cacao

X

X

X

X

 

ex 0405

Boter en andere van melk afkomstige vetstoffen; zuivelpasta's:

 

 

 

 

 

0405 20

– zuivelpasta's:

 

 

 

 

 

0405 20 10

– – met een vetgehalte van 39 of meer gewichtspercenten doch minder dan 60 gewichtspercenten

 

 

 

 

X

0405 20 30

– – met een vetgehalte van 60 of meer gewichtspercenten doch niet meer dan 75 gewichtspercenten

 

 

 

 

X

ex 0710

Groenten, ook indien gestoomd of in water gekookt, bevroren:

 

 

 

 

 

0710 40 00

– suikermaïs:

 

 

 

 

 

– – op kolf

X

 

 

X

 

– – in korrels

III

 

 

X

 

ex 0711

Groenten, voorlopig verduurzaamd (bijvoorbeeld door middel van zwaveldioxide of in water waaraan, voor het voorlopig verduurzamen, zout, zwavel of andere stoffen zijn toegevoegd), doch als zodanig niet geschikt voor dadelijke consumptie

 

 

 

 

 

0711 90 30

– – – Suikermaïs

 

 

 

 

 

– – – – op kolf

X

 

 

X

 

– – – – in korrels

III

 

 

X

 

ex 1517

Margarine; mengsels en bereidingen, voor menselijke consumptie, van dierlijke of plantaardige vetten of oliën of van fracties van verschillende vetten en oliën bedoeld bij dit hoofdstuk, andere dan de vetten en oliën of fracties daarvan, bedoeld bij post 1516:

 

 

 

 

 

1517 10

– margarine, andere dan vloeibare margarine:

 

 

 

 

 

1517 10 10

– – met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van meer dan 10 doch niet meer dan 15 gewichtspercenten

 

 

 

 

X

1517 90

– andere:

 

 

 

 

 

1517 90 10

– – met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van meer dan 10 doch niet meer dan 15 gewichtspercenten

 

 

 

 

X

1702 50 00

– Chemisch zuivere fructose

 

 

 

X

 

ex 1704

Suikerwerk zonder cacao (witte chocolade daaronder begrepen):

 

 

 

 

 

1704 10

– kauwgom, ook indien bedekt met een laagje suiker

X

 

 

X

 

1704 90

– andere:

 

 

 

 

 

1704 90 30

– – witte chocolade

X

 

 

X

X

1704 90 51 tot en met 1704 90 99

– – andere

X

X

 

X

X

1806

Chocolade en andere bereidingen voor menselijke consumptie die cacao bevatten:

 

 

 

 

 

1806 10

– cacaopoeder, waaraan suiker of andere zoetstoffen zijn toegevoegd

 

 

 

 

 

– – gesuikerd slechts door toevoeging van sacharose

X

 

X

X

 

– – andere

X

 

X

X

X

1806 20

– andere bereidingen, hetzij in blokken of in staven, met een gewicht van meer dan 2 kg, hetzij in vloeibare toestand of in de vorm van pasta, poeder, korrels of dergelijke, in recipiënten of in andere verpakkingen, met een inhoud per onmiddellijke verpakking van meer dan 2 kg:

 

 

 

 

 

– – zogenaamde „chocolate milk crumb” (van GN-code 1806 20 70)

X

 

X

X

X

– – andere bereidingen van onderverdeling 1806 20

X

X

X

X

X

1806 31 00 en 1806 32

– andere, in de vorm van tabletten, staven of repen

X

X

X

X

X

1806 90

– andere:

 

 

 

 

 

– – ex 1806 90 (11, 19, 31, 39, 50)

X

X

X

X

X

– – ex 1806 90 (60, 70, 90)

X

 

X

X

X

ex 1901

Moutextract; bereidingen voor menselijke consumptie van meel, gries, griesmeel, zetmeel of moutextract, geen of minder dan 40 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis, elders genoemd noch elders onder begrepen; bereidingen voor menselijke consumptie van goederen bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404, geen of minder dan 5 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis, elders genoemd noch elders onder begrepen:

 

 

 

 

 

1901 10 00

– bereidingen voor de voeding van kinderen, opgemaakt voor de verkoop in het klein:

 

 

 

 

 

– – bereidingen voor menselijke consumptie van producten bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404, geen of minder dan 5 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis

X

X

X

X

X

– – andere

X

X

 

X

X

1901 20 00

– mengsels en deeg, voor de bereiding van bakkerswaren bedoeld bij post 1905:

 

 

 

 

 

– – bereidingen voor menselijke consumptie van producten bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404, geen of minder dan 5 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis

X

X

X

X

X

– – andere

X

X

 

X

X

1901 90

– andere:

 

 

 

 

 

1901 90 11 en 1901 90 19

– – moutextract

X

X

 

 

 

– – andere

 

 

 

 

 

1901 90 99

– – – andere:

 

 

 

 

 

– – – – bereidingen voor menselijke consumptie van goederen bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404, geen of minder dan 5 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis

X

X

X

X

X

– – – – andere

X

X

 

X

X

ex 1902

Deegwaren, ook indien gekookt of gevuld (met vlees of andere zelfstandigheden) dan wel op andere wijze bereid, zoals spaghetti, macaroni, noedels, lasagne, gnocchi, ravioli en cannelloni; couscous, ook indien bereid:

 

 

 

 

 

– deegwaren, niet gekookt, noch gevuld of op andere wijze bereid:

 

 

 

 

 

1902 11 00

– – waarin ei is verwerkt:

 

 

 

 

 

– – – uit harde tarwe, en andere deegwaren uit andere granen

III

 

X

 

 

– – – andere

X

 

X

 

 

1902 19

– – andere:

 

 

 

 

 

– – – uit harde tarwe, en andere deegwaren uit andere granen

III

 

 

 

X

– – – andere

X

 

 

 

X

1902 20

– Gevulde deegwaren (ook indien gekookt of op andere wijze bereid):

 

 

 

 

 

1902 20 91 en 1902 20 99

– – andere

X

X

 

X

X

1902 30

– andere deegwaren

X

X

 

X

X

1902 40

– couscous:

 

 

 

 

 

1902 40 10

– – niet bereid:

 

 

 

 

 

– – – uit harde tarwe

III

 

 

 

 

– – – andere

X

 

 

 

 

1902 40 90

– – andere

X

X

 

X

X

1903 00 00

Tapioca en soortgelijke producten bereid uit zetmeel, in de vorm van vlokken, korrels, parels en dergelijke

X

 

 

 

 

1904

Graanpreparaten verkregen door poffen of roosteren (bij- voorbeeld cornflakes); granen, andere dan maïs, in de vorm van korrels of in de vorm van vlokken of van andere bewerkte korrels (met uitzondering van meel en gries), voorgekookt of op andere wijze bereid, elders genoemd noch elders onder begrepen:

 

 

 

 

 

– gepofte rijst, ongesuikerd of voorgekookte rijst

 

 

 

 

 

– – cacao bevattend (6)

X

III

X

X

X

– – geen cacao bevattend

X

III

 

X

X

– andere, cacao bevattend (6)

X

X

X

X

X

– andere

X

X

 

X

X

1905

Brood, gebak, biscuits en andere bakkerswaren, ook indien deze producten cacao bevatten; ouwel in bladen, hosties, ouwels voor geneesmiddelen, plakouwels en dergelijke producten van meel of van zetmeel:

 

 

 

 

 

1905 10 00

– bros gebakken brood, zogenaamd knäckebröd

X

 

 

X

X

1905 20

– ontbijtkoek

X

 

X

X

X

 

– koekjes en biscuits, gezoet; wafels en wafeltjes:

 

 

 

 

 

1905 31

– – koekjes en biscuits, gezoet

X

 

X

X

X

1905 32

– – wafels en wafeltjes

X

 

X

X

X

1905 40

– beschuit, geroosterd brood en dergelijke geroosterde producten

X

 

X

X

X

1905 90

– andere:

 

 

 

 

 

1905 90 10

– – matzes

X

 

 

 

 

1905 90 20

– – ouwel in bladen, hosties, ouwels voor geneesmiddelen, plakouwels en dergelijke producten van meel of van zetmeel

X

X

 

 

 

1905 90 30

– – – brood waaraan geen honig, eieren, kaas of vruchten zijn toegevoegd, met een gehalte aan suikers en aan vetstoffen van elk niet meer dan 5 gewichtspercenten, berekend op de droge stof

X

 

 

 

 

1905 90 45 tot en met 1905 90 90

– – – andere producten

X

 

X

X

X

ex 2001

Groenten, vruchten en andere eetbare plantendelen, bereid of verduurzaamd in azijn of in azijnzuur:

 

 

 

 

 

2001 90

– andere:

 

 

 

 

 

2001 90 30

– – suikermaïs (Zea mays var. saccharata):

 

 

 

 

 

– – – op kolf

X

 

 

X

 

– – – in korrels

III

 

 

X

 

2001 90 40

– – broodwortelen, bataten (zoete aardappelen) en dergelijke eetbare plantendelen met een zetmeelgehalte van 5 of meer gewichtspercenten

X

 

 

X

 

ex 2004

Andere groenten, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006:

 

 

 

 

 

2004 10

– aardappelen:

 

 

 

 

 

– – andere:

 

 

 

 

 

2004 10 91

– – – in de vorm van meel, gries, griesmeel of vlokken

X

X

 

X

X

2004 90

– andere groenten en mengsels van groenten:

 

 

 

 

 

2004 90 10

– – suikermaïs (Zea mays var. saccharata):

 

 

 

 

 

– – – op kolf

X

 

 

X

 

– – – in korrels

III

 

 

X

 

ex 2005

Andere groenten, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, niet bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006:

 

 

 

 

 

2005 20

– aardappelen:

 

 

 

 

 

2005 20 10

– – in de vorm van meel, gries, griesmeel of vlokken

X

X

 

X

X

2005 80 00

– suikermaïs (Zea mays var. saccharata):

 

 

 

 

 

– – op kolf

X

 

 

X

 

– – in korrels

III

 

 

X

 

ex 2008

Vruchten en andere eetbare plantendelen, op andere wijze bereid of verduurzaamd, ook indien met toegevoegde suiker, andere zoetstoffen of alcohol, elders genoemd noch elders onder begrepen:

 

 

 

 

 

2008 99

– – andere:

 

 

 

 

 

– – – zonder toegevoegde alcohol:

 

 

 

 

 

– – – – zonder toegevoegde suiker:

 

 

 

 

 

2008 99 85

– – – – – maïs, andere dan suikermaïs (Zea mays var. saccharata):

 

 

 

 

 

– – – – – – op kolf

X

 

 

 

 

– – – – – – in korrels

III

 

 

 

 

2008 99 91

– – – – – broodwortelen, bataten (zoete aardappelen) en dergelijke eetbare plantendelen met een zetmeelgehalte van 5 of meer gewichtspercenten

X

 

 

 

 

ex 2101

Extracten, essences en concentraten, van koffie, van thee of van maté en preparaten op basis van deze producten of op basis van koffie, van thee of van maté; gebrande cichorei en andere gebrande koffiesurrogaten, alsmede extracten, essences en concentraten daarvan:

 

 

 

 

 

– extracten, essences en concentraten, van koffie en preparaten op basis van deze producten of op basis van koffie:

 

 

 

 

 

2101 12 98

– – – andere

X

X

 

X

 

2101 20

– extracten, essences en concentraten, van thee of van maté en preparaten op basis van deze producten of op basis van thee of van maté:

 

 

 

 

 

2101 20 98

– – – andere

X

X

 

X

 

2101 30

– gebrande cichorei en andere gebrande koffiesurrogaten, alsmede extracten, essences en concentraten daarvan:

 

 

 

 

 

– – gebrande cichorei en andere gebrande koffiesurrogaten:

 

 

 

 

 

2101 30 19

– – – andere

X

 

 

X

 

– – extracten, essences en concentraten van gebrande cichorei en van andere gebrande koffiesurrogaten:

 

 

 

 

 

2101 30 99

– – – andere

X

 

 

X

 

ex 2102

Gist, ook indien inactief; andere eencellige micro-organismen, dood (andere dan de vaccins bedoeld bij post 3002); samengesteld bakpoeder:

 

 

 

 

 

2102 10

– levende gist:

 

 

 

 

 

2102 10 31 en 2102 10 39

– – bakkersgist

X

 

 

 

 

2105

Consumptie-ijs, ook indien cacao bevattend:

 

 

 

 

 

– cacao bevattend

X

X

X

X

X

– andere

X

X

 

X

X

ex 2106

Producten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen:

 

 

 

 

 

2106 90

– andere:

 

 

 

 

 

2106 90 10

– – preparaten, „fondues” genaamd

X

X

 

X

X

2106 90 92 en 2106 90 98

– – andere

X

X

 

X

X

2202

Water, mineraalwater en spuitwater daaronder begrepen, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, dan wel gearomatiseerd, alsmede andere alcoholvrije dranken, andere dan de vruchten- en groentesappen bedoeld bij post 2009:

 

 

 

 

 

2202 10 00

– water, mineraalwater en spuitwater daaronder begrepen, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, dan wel gearomatiseerd

X

 

 

X

 

2202 90

– andere:

 

 

 

 

 

2202 90 10

– – geen producten bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404 of vetstoffen afkomstig van producten bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404 bevattend

 

 

 

 

 

– – – bier van mout met een effectief alcohol-volumegehalte van niet meer dan 0,5 % vol

III

 

 

 

 

– – – andere

X

 

 

X

 

2202 90 91 en 2202 90 99

– – andere

X

 

 

X

X

2205

Vermout en andere wijn van verse druiven, bereid met aromatische planten of met aromatische stoffen

X

 

 

X

 

ex 2208

Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcohol-volumegehalte van minder dan 80 % vol; gedistilleerde dranken, likeuren en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten:

 

 

 

 

 

2208 20

– dranken, gedistilleerd uit wijn of druivenmoer

 

 

 

X

 

2208 30

– whisky:

 

 

 

 

 

– – andere dan zogenaamde bourbonwhiskey

 

 

 

 

 

ex 2208 30 32 tot en met 2208 30 88

– – – whisky's andere dan deze begrepen onder Verordening (EEG) nr. 2825/93

X

 

 

 

 

2208 50 11 tot en met 2208 50 19

– gin

X

 

 

 

 

2208 50 91 tot en met 2208 50 99

– jenever

X

 

 

X

 

2208 60

– wodka

X

 

 

 

 

2208 70

– likeuren

X

 

X

X

X

2208 90

– andere:

 

 

 

 

 

2208 90 41

– – – – ouzo in verpakkingen inhoudende niet meer dan 2 l

X

 

 

X

 

2208 90 45

– – – – – – – calvados in verpakkingen inhoudende niet meer dan 2 l

 

 

 

X

 

2208 90 48

– – – – – – – andere gedistilleerde dranken uit fruit in verpakkingen inhoudende niet meer dan 2 l

 

 

 

X

 

2208 90 52

– – – – – – – zogenaamde „Korn” in verpakkingen inhoudende niet meer dan 2 l

X

 

 

X

 

2208 90 56

– – – – – – – andere, in verpakkingen inhoudende niet meer dan 2 l

X

 

 

X

 

2208 90 69

– – – – – andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten in verpakkingen inhoudende niet meer dan 2 l

X

 

 

X

X

2208 90 71

– – – – – gedistilleerde dranken uit fruit in verpakkingen inhoudende meer dan 2 l

 

 

 

X

 

2208 90 77

– – – – – andere, in verpakkingen inhoudende meer dan 2 l

X

 

 

X

 

2208 90 78

– – – – andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten, in verpakkingen inhoudende meer dan 2 l

X

 

 

X

X

ex 2905

Acyclische alcoholen, alsmede halogeen-, sulfo-, nitro- en nitrosoderivaten daarvan:

 

 

 

 

 

2905 43 00

– – mannitol

III

 

 

III

 

2905 44

– – D-glucitol (sorbitol):

III

 

 

III

 

ex 3302

Mengsels van reukstoffen en mengsels (oplossingen in alcohol daaronder begrepen) op basis van een of meer van deze zelfstandigheden met andere stoffen, van de soort gebruikt als grondstof voor de industrie; andere bereidingen op basis van reukstoffen, van de soort gebruikt voor de vervaardiging van dranken:

 

 

 

 

 

3302 10

– van de soort gebruikt in de voedingsmiddelen- en drankenindustrie:

 

 

 

 

 

3302 10 29

– – – – – andere

X

 

 

X

X

3501

Caseïne, caseïnaten en andere derivaten van caseïne; lijm van caseïne:

 

 

 

 

 

3501 10

– caseïne

 

 

 

 

III

3501 90

– andere:

 

 

 

 

 

3501 90 10

– – lijm van caseïne

 

 

 

 

X

3501 90 90

– – andere

 

 

 

 

III

ex 3502

Albuminen (daaronder begrepen concentraten van twee of meer weiproteïnen, bevattende meer dan 80 gewichtspercenten weiproteïnen, berekend op de droge stof), albuminaten en andere derivaten van albuminen:

 

 

 

 

 

– ovoalbumine:

 

 

 

 

 

3502 11

– – gedroogd

 

 

 

 

 

3502 11 90

– – – andere

 

 

III

 

 

3502 19

– – andere

 

 

 

 

 

3502 19 90

– – – andere

 

 

III

 

 

3502 20

– lactoalbumine:

 

 

 

 

 

3502 20 91 en 3502 20 99

– – andere

 

 

 

 

III

ex 3505

Dextrine en ander gewijzigd zetmeel (bijvoorbeeld voorgegelatineerd of veresterd zetmeel); lijm op basis van zetmeel, van dextrine of van ander gewijzigd zetmeel, met uitzondering van gewijzigd zetmeel als bedoeld bij onderverdeling 3505 10 50

X

X

 

 

 

3505 10 50

– – – door ethervorming of door verestering gewijzigd zetmeel

X

 

 

 

 

ex 3809

Appreteermiddelen, middelen voor het versnellen van het verfproces of van het fixeren van kleurstoffen, alsmede andere producten en preparaten (bijvoorbeeld preparaten voor het beitsen), van de soort gebruikt in de textielindustrie, in de papierindustrie, in de lederindustrie of in dergelijke industrieën, elders genoemd noch elders onder begrepen:

 

 

 

 

 

3809 10

– op basis van zetmeelhoudende stoffen

X

X

 

 

 

ex 3824

Bereide bindmiddelen voor gietvormen of voor gietkernen; chemische producten en preparaten van de chemische of van aanverwante industrieën (mengsels van natuurlijke producten daaronder begrepen), elders genoemd noch elders onder begrepen:

 

 

 

 

 

3824 60

– sorbitol, andere dan die bedoeld bij onderverdeling 2905 44

III

 

 

III

 


(1)  Verordening (EG) nr. 1784/2003 (PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78).

(2)  Verordening (EG) nr. 1785/2003 (PB L 270 van 21.10.2003, blz. 96).

(3)  Verordening (EEG) nr. 2771/75 (PB L 282 van 1.11.1975, blz. 45).

(4)  Verordening (EG) nr. 1260/2001 (PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1).

(5)  Verordening (EG) nr. 1255/1999 (PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48).

(6)  Maximaal 6 % cacao bevattend.


BIJLAGE III

In artikel 11 bedoelde referentiehoeveelheid

GN-code

Omschrijving

Zachte tarwe

Harde tarwe (durum)

Maïs

Witte rijst langkorrelig

Witte rijst rondkorrelig

Gerst

Witte suiker

Wei (PG 1)

Mageremelkpoeder (PG 2)

Eieren in de schaal

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

0710

Groenten, ook indien gestoomd of in water gekookt, bevroren:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0710 40 00

– suikermaïs:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – in korrels

 

 

100 (1)

 

 

 

 

 

 

 

0711

Groenten, voorlopig verduurzaamd (bijvoorbeeld door middel van zwaveldioxide of in water waaraan, voor het voorlopig verduurzamen, zout, zwavel of andere stoffen zijn toegevoegd), doch als zodanig niet geschikt voor dadelijke consumptie:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0711 90 30

– – – suikermaïs:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – in korrels

 

 

100 (1)

 

 

 

 

 

 

 

1902

Deegwaren, ook indien gekookt of gevuld (met vlees of andere zelfstandigheden) dan wel op andere wijze bereid, zoals spaghetti, macaroni, noedels, lasagne, gnocchi, ravioli en cannelloni; couscous, ook indien bereid:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– deegwaren, niet gekookt, noch gevuld of op andere wijze bereid:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1902 11 00

– – waarin ei is verwerkt:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – uit harde tarwe, geen of hoogstens 3 gewichtspercenten andere granen bevattend, en met een asgehalte, in gewichtspercenten, berekend op de droge stof (2), van:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – niet meer dan 0,95%

 

160 (3)

 

 

 

 

 

 

 

 (4)

– – – – meer dan 0,95 % en niet meer dan 1,10 %

 

150 (3)

 

 

 

 

 

 

 

 (4)

– – – – meer dan 1,10 % en niet meer dan 1,30 %

 

140 (3)

 

 

 

 

 

 

 

 (4)

– – – – meer dan 1,30 %

 

0

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – andere, van granen:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – bevattende ten minste 80 gewichtspercenten harde tarwe en met een asgehalte in gewichtspercenten, berekend op de droge stof (2), van:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – – niet meer dan 0,87 %

32

128 (3)

 

 

 

 

 

 

 

 (4)

– – – – – meer dan 0,87 % en niet meer dan 0,99 %

30

120 (3)

 

 

 

 

 

 

 

 (4)

– – – – – meer dan 0,99 % en niet meer dan 1,15 %

28

112 (3)

 

 

 

 

 

 

 

 (4)

– – – – – meer dan 1,15 %

0

0

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – bevattende minder dan 80 gewichtspercenten harde tarwe en met een asgehalte in gewichtspercenten, berekend op de droge stof (2), van:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – – niet meer dan 0,75 %

80

80 (3)

 

 

 

 

 

 

 

 (4)

– – – – – meer dan 0,75 % en niet meer dan 0,83 %

75

75 (3)

 

 

 

 

 

 

 

 (4)

– – – – – meer dan 0,83 % en niet meer dan 0,93 %

70

70 (3)

 

 

 

 

 

 

 

 (4)

– – – – – meer dan 0,93 %

0

0

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – andere (d.w.z. andere dan van granen): zie bijlage II

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1902 19

– – andere (d.w.z. waarin geen ei is verwerkt):

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – uit harde tarwe, geen of hoogstens 3 gewichtspercenten andere granen bevattend, en met een asgehalte in gewichtspercenten, berekend op de droge stof, van:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – niet meer dan 0,95 %

 

160

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – meer dan 0,95 % en niet meer dan 1,10 %

 

150

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – meer dan 1,10 % en niet meer dan 1,30 %

 

140

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – meer dan 1,30 %

 

0

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – andere, van granen:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – bevattende ten minste 80 gewichtspercenten harde tarwe en met een asgehalte in gewichtspercenten, berekend op de droge stof, van:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – – niet meer dan 0,87 %

32

128

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – – meer dan 0,87 % en niet meer dan 0,99 %

30

120

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – – meer dan 0,99 % en niet meer dan 1,15 %

28

112

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – – meer dan 1,15 %

0

0

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – bevattende minder dan 80 gewichtspercenten harde tarwe en met een asgehalte in gewichtspercenten, berekend op de droge stof, van:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – – niet meer dan 0,75 %

80

80

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – – meer dan 0,75 % en niet meer dan 0,83 %

75

75

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – – meer dan 0,83 % en niet meer dan 0,93 %

70

70

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – – meer dan 0,93 %

0

0

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – andere (d.w.z. andere dan van granen): zie bijlage II

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1902 40

– couscous:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1902 40 10

– – niet bereid:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – uit harde tarwe, geen of hoogstens 3 gewichtspercenten andere granen bevattend, en met een asgehalte in gewichtspercenten, berekend op de droge stof (2), van:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – niet meer dan 0,95 %

 

160

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – meer dan 0,95 % en niet meer dan 1,10 %

 

150

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – meer dan 1,10 % en niet meer dan 1,30 %

 

140

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – meer dan 1,30 %

 

0

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – andere (d.w.z. andere dan van harde tarwe): zie bijlage II

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1902 40 90

– – andere (d.w.z. bereid): zie bijlage II

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1904

Graanpreparaten verkregen door poffen of roosteren (bij voorbeeld cornflakes); granen (andere dan maïs) in de vorm van korrels of in de vorm van vlokken of van andere bewerkte korrels (met uitzondering van meel en gries), voorgekookt of op andere wijze bereid, elders genoemd noch elders onder begrepen:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1904 10

– graanpreparaten verkregen door poffen of door roosteren:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ex 1904 10 30

– – op basis van rijst:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – gepofte rijst, ongesuikerd

 

 

 

 

165

 

 

 

 

 

1904 20

– bereidingen voor menselijke consumptie verkregen uit ongeroosterde graanvlokken of uit mengsels van ongeroosterde graanvlokken en geroosterde graanvlokken of gepofte granen:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ex 1904 20 95

– – – op basis van rijst:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – gepofte rijst, ongesuikerd

 

 

 

 

165

 

 

 

 

 

1904 90

– andere:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ex 1904 90 10

– – rijst:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – voorgekookte rijst (5)

 

 

 

120

 

 

 

 

 

 

2001

Groenten, vruchten en andere eetbare plantendelen, bereid of verduurzaamd in azijn of in azijnzuur:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ex 2001 90 30

– – suikermaïs (Zea mays var. saccharata):

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – in korrels

 

 

100 (1)

 

 

 

 

 

 

 

2004

Andere groenten, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ex 2004 90 10

– – suikermaïs (Zea mays var. saccharata):

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – in korrels

 

 

100 (1)

 

 

 

 

 

 

 

2005

Andere groenten, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, niet bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ex 2005 80 00

– suikermaïs (Zea mays var. saccharata):

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – in korrels

 

 

100 (1)

 

 

 

 

 

 

 

2008

Vruchten en andere eetbare plantendelen, op andere wijze bereid of verduurzaamd, ook indien met toegevoegde suiker, andere zoetstoffen of alcohol, elders genoemd noch elders onder begrepen:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ex 2008 99 85

– – – – – maïs, in korrels, andere dan suikermaïs (Zea mays var. saccharata):

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – – – in korrels

 

 

60 (1)

 

 

 

 

 

 

 

ex 2202 90 10

– – – bier van mout met een effectief alcohol-volumegehalte van niet meer dan 0,5 % vol:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – bereid op basis van mout van gerst of uit mout van tarwe, zonder toevoeging van niet-gemoute granen, van rijst (of producten verkregen door verandering) of van suiker (sacharose of invertsuiker)

 

 

 

 

 

23 (6)  (9)

 

 

 

 

– – – – – andere

 

 

 

 

 

22 (6)  (9)

 

 

 

 

2905

Acyclische alcoholen, alsmede halogeen-, sulfo-, nitro- en nitrosoderivaten daarvan:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– meerwaardige alcoholen:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2905 43 00

– – mannitol:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – verkregen uit sacharose die onder Verordening (EG) nr. 1260/2001 valt

 

 

 

 

 

 

102

 

 

 

– – – verkregen uit zetmeelproducten die onder Verordening (EG) nr. 1784/2003 vallen

 

 

242

 

 

 

 

 

 

 

2905 44

– – D-glucitol (sorbitol):

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – in waterige oplossing:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2905 44 11

– – – – met een gehalte aan D-mannitol van niet meer dan 2 gewichtspercenten, berekend op het D-glucitolgehalte:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – – verkregen uit zetmeelproducten

 

 

169 (7)

 

 

 

 

 

 

 

– – – – – verkregen uit sacharose

 

 

 

 

 

 

71 (7)

 

 

 

2905 44 19

– – – – andere:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – – verkregen uit zetmeelproducten

 

 

148 (7)

 

 

 

 

 

 

 

– – – – – verkregen uit sacharose

 

 

 

 

 

 

71 (7)

 

 

 

2905 44 91

– – – – met een gehalte aan D-mannitol van niet meer dan 2 gewichtspercenten, berekend op het D-glucitolgehalte:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – – verkregen uit zetmeelproducten

 

 

242

 

 

 

 

 

 

 

– – – – – verkregen uit sacharose

 

 

 

 

 

 

102

 

 

 

2905 44 99

– – – – andere:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – – verkregen uit zetmeelproducten

 

 

242

 

 

 

 

 

 

 

– – – – – verkregen uit sacharose

 

 

 

 

 

 

102

 

 

 

3501

Caseïne, caseïnaten en andere derivaten van caseïne; lijm van caseïne:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3501 10

– caseïne

 

 

 

 

 

 

 

 

291 (8)

 

3501 90 90

– – andere

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3502

Albuminen, albuminaten en andere derivaten van albuminen:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– ovoalbumine:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3502 11

– – gedroogd:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3502 11 90

– – – andere

 

 

 

 

 

 

 

 

 

406

3502 19

– – andere:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3502 19 90

– – – andere

 

 

 

 

 

 

 

 

 

55

3502 20

– lactoalbumine:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3502 20 91

– – – gedroogd (in de vorm van bladen, schilfers, kristallen, poeder, enz.)

 

 

 

 

 

 

 

900

 

 

3502 20 99

– – – andere

 

 

 

 

 

 

 

127

 

 

3824

Bereide bindmiddelen voor gietvormen of voor gietkernen; chemische producten en preparaten van de chemische of van aanverwante industrieën (mengsels van natuurlijke producten daaronder begrepen), elders genoemd noch elders onder begrepen: residuen van de chemische of van aanverwante industrieën, elders genoemd noch elders onder begrepen:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3824 60

– sorbitol, andere dan die bedoeld bij GN-code 2905 44:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – in waterige oplossing:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3824 60 11

– – – met een gehalte aan D-mannitol van niet meer dan 2 gewichtspercenten, berekend op het D-glucitolgehalte:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – verkregen uit zetmeelproducten

 

 

169 (7)

 

 

 

 

 

 

 

– – – – verkregen uit sacharose

 

 

 

 

 

 

71 (7)

 

 

 

3824 60 19

– – – andere:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – verkregen uit zetmeelproducten

 

 

148 (7)

 

 

 

 

 

 

 

– – – – verkregen uit sacharose

 

 

 

 

 

 

71 (7)

 

 

 

3824 60 91

– – – met een gehalte aan D-mannitol van niet meer dan 2 gewichtspercenten, berekend op het D-glucitolgehalte:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – verkregen uit zetmeelproducten

 

 

242

 

 

 

 

 

 

 

– – – – verkregen uit sacharose

 

 

 

 

 

 

102

 

 

 

3824 60 99

– – – andere:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– – – – verkregen uit zetmeelproducten

 

 

242

 

 

 

 

 

 

 

– – – – verkregen uit sacharose

 

 

 

 

 

 

102

 

 

 


(1)  Deze hoeveelheid wordt geacht te zijn berekend voor maïs in korrels met een vochtgehalte van 72 gewichtspercenten.

(2)  Dit gehalte dient te worden bepaald door van het totale asgehalte van het product het asgedeelte af te trekken dat afkomstig is van de daarin verwerkte eieren, op de grondslag van 0,04 gewichtspercent aan as per 50 gram, afgerond op het onmiddellijk daaronder liggend veelvoud van 50 gram.

(3)  Deze hoeveelheid wordt verminderd met 1,6 kg/100 kg per 50 gram eieren in de schaal (of het equivalent daarvan aan andere eiproducten) per kilogram deegwaren.

(4)  5 kg/100 kg per 50 gram eieren in de schaal (of het equivalent daarvan aan andere eiproducten) per kilogram deegwaren; elke daartussen liggende hoeveelheid wordt teruggebracht op het onmiddellijk daaronder liggende veelvoud van 50 gram.

(5)  Voorgekookte rijst bestaat uit witte rijst in korrels die een voorkookproces heeft ondergaan en die gedeeltelijk is gedehydreerd teneinde het definitieve kookproces te vergemakkelijken.

(6)  Deze hoeveelheid wordt geacht te zijn berekend voor bier met een stamwortgehalte tussen 11 en 12° Plato. Voor bier met een stamwortgehalte van minder dan 11° Plato wordt deze hoeveelheid verminderd met 9 % per graad Plato, terwijl het werkelijke stamwortgehalte vooraf afgerond wordt op de onmiddellijk lagere graad Plato. Voor bier met een stamwortgehalte van meer dan 12° Plato wordt deze hoeveelheid vermeerderd met 9 % per graad Plato, terwijl het werkelijke stamwortgehalte vooraf afgerond wordt op de onmiddellijk hogere graad Plato.

(7)  De in de kolommen 5 en 9 aangegeven hoeveelheden voor een waterige oplossing D-glucitol (sorbitol) worden geacht te zijn berekend voor een gehalte aan droge stof van 70 gewichtspercenten. Voor de waterige oplossing van sorbitol met een ander gehalte aan droge stof worden deze hoeveelheden vermeerderd of verminderd naar gelang van de evenredigheid tot het werkelijke gehalte aan droge stof en afgerond naar het onmiddellijk lager liggende kilogram.

(8)  Hoeveelheid bepaald naar de verwerkte caseïne, in de verhouding van 291 kilogram mageremelkpoeder (PRODUCTGROEP 2) per 100 kilogram caseïne.

(9)  Per hectoliter bier.


BIJLAGE IV

Goederen waarvoor de hoeveelheden basisproduct kunnen worden bepaald op grond van een scheikundige analyse, met bijbehorende tabel bedoeld in artikel 51

GN-code

Omschrijving

Gegevens die blijken uit de analyse van de goederen

Aard van de voor de toekenning van de restitutie in aanmerking te nemen basisproducten

Voor de toekenning van de restitutie in aanmerking te nemen hoeveelheid basisproducten (per 100 kilogram goederen)

1

2

3

4

5

1704

Suikerwerk zonder cacao (witte chocolade daaronder begrepen):

 

 

 

1704 10

– kauwgom, ook indien bedekt met een laagje suiker

1.

Sacharose (1)

1.

Witte suiker

1.

1 kg per 1 gewichtspercent sacharose (1)

2.

Glucose (2)

2.

Maïs

2.

2,1 kg per 1 gewichtspercent glucose (2)

1704 90 30 tot en met 1704 90 99

– – andere

1.

Sacharose (1)

1.

Witte suiker

1.

1 kg per 1 gewichtspercent sacharose (1)

2.

Glucose (2)

2.