ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 170

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

48e jaargang
1 juli 2005


Inhoud

 

I   Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

Bladzijde

 

 

Verordening (EG) nr. 999/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

1

 

 

Verordening (EG) nr. 1000/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte producten

3

 

 

Verordening (EG) nr. 1001/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 tot vaststelling van de restituties bij de productie in de sector granen

6

 

*

Verordening (EG) nr. 1002/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1239/95 betreffende het verlenen van dwanglicenties en de voorschriften betreffende de openbare inzage in en de openbare toegang tot documenten die bij het Communautair Bureau voor plantenrassen berusten

7

 

*

Verordening (EG) nr. 1003/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft een communautaire doelstelling voor het verminderen van de prevalentie van bepaalde serotypen salmonella bij vermeerderingskoppels van Gallus gallus en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2160/2003 ( 1 )

12

 

*

Verordening (EG) nr. 1004/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de opening en de wijze van beheer van de tariefcontingenten voor suikerproducten van oorsprong uit Albanië, Bosnië en Herzegovina en Servië, Montenegro en Kosovo, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2007/2000 van de Raad

18

 

*

Verordening (EG) nr. 1005/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 tot vaststelling van de afgeleide interventieprijzen voor witte suiker voor het verkoopseizoen 2005/2006

25

 

*

Verordening (EG) nr. 1006/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1549/2004 houdende afwijking van Verordening (EG) nr. 1785/2003 van de Raad ten aanzien van de invoerregeling voor rijst en tot vaststelling van een overgangsregeling voor de invoer van Basmati-rijst

26

 

 

Verordening (EG) nr. 1007/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 tot vaststelling van de invoerrechten voor bepaalde gedopte rijst met ingang van 1 maart 2005

29

 

*

Verordening (EG) nr. 1008/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2771/1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad ten aanzien van de interventiemaatregelen op de markt voor boter en room

30

 

*

Verordening (EG) nr. 1009/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2799/1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad ten aanzien van de toekenning van steun voor ondermelk en mageremelkpoeder voor voederdoeleinden en de verkoop van voornoemd mageremelkpoeder

31

 

*

Verordening (EG) nr. 1010/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 628/2005 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van gekweekte zalm uit Noorwegen

32

 

 

Verordening (EG) nr. 1011/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 tot vaststelling van de representatieve prijzen en de aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2005/2006

35

 

 

Verordening (EG) nr. 1012/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 tot vaststelling, voor de sector suiker, vanaf 1 juli 2005 geldende representatieve prijzen en de bedragen van de aanvullende invoerrechten voor melasse

37

 

 

Verordening (EG) nr. 1013/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer van witte en ruwe suiker in onveranderde vorm

39

 

 

Verordening (EG) nr. 1014/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer in ongewijzigde staat voor stropen en bepaalde andere producten van de suikersector

41

 

 

Verordening (EG) nr. 1015/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 tot vaststelling van het maximumbedrag van de restitutie bij uitvoer naar bepaalde derde landen van witte suiker voor de 31e deelinschrijving in het kader van de inschrijving bedoeld in Verordening (EG) nr. 1327/2004

44

 

 

Verordening (EG) nr. 1016/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 tot vaststelling van de productierestitutie voor in de chemische industrie gebruikte witte suiker voor de periode van 1 tot en met 31 juli 2005

45

 

 

Verordening (EG) nr. 1017/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 1 juli 2005

46

 

 

Verordening (EG) nr. 1018/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 tot beperking van de geldigheidsduur van de uitvoercertificaten voor bepaalde op basis van granen verwerkte producten

49

 

 

Verordening (EG) nr. 1019/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 tot vaststelling van de wereldmarktprijs voor niet-geëgreneerde katoen

51

 

 

Verordening (EG) nr. 1020/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 houdende vaststelling van de restituties die worden toegepast voor bepaalde producten van de sector granen en de sector rijst, uitgevoerd in de vorm van niet in bijlage I bij het Verdrag vermelde goederen

52

 

 

Verordening (EG) nr. 1021/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 houdende vaststelling van de restituties welke van toepassing zijn op bepaalde zuivelproducten die worden uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen

56

 

 

Verordening (EG) nr. 1022/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 houdende vaststelling van de restituties die worden toegepast voor bepaalde producten van de sector suiker die worden uitgevoerd in de vorm van niet in bijlage I van het Verdrag vermelde goederen

59

 

 

Verordening (EG) nr. 1023/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 tot vaststelling van de maximumuitvoerrestitutie voor boter in het kader van de permanente inschrijving van Verordening (EG) nr. 581/2004

61

 

 

Verordening (EG) nr. 1024/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 tot vaststelling van de maximumuitvoerrestitutie voor mageremelkpoeder in het kader van de permanente inschrijving van Verordening (EG) nr. 582/2004

63

 

 

Verordening (EG) nr. 1025/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer voor granen en meel, gries en griesmeel van tarwe of van rogge

64

 

 

Verordening (EG) nr. 1026/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 tot vaststelling van de maximumverlaging van het recht bij invoer van maïs in het kader van de inschrijving bedoeld in Verordening (EG) nr. 868/2005

66

 

 

II   Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

 

 

Raad

 

*

Besluit van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de sluiting van een overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika over de wijze van berekening van voor gedopte rijst toegepaste rechten en tot wijziging van de Besluiten 2004/617/EG, 2004/618/EG en 2004/619/EG

67

Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika over de wijze van berekening van voor gedopte rijst toegepaste rechten

69

 

 

Commissie

 

*

Beschikking van de Commissie van 29 juni 2005 tot verlening van een machtiging om voor planten van Vitis L., met uitzondering van vruchten, van oorsprong uit Kroatië, van sommige bepalingen van Richtlijn 2000/29/EG van de Raad af te wijken (Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 1920)

75

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/1


VERORDENING (EG) Nr. 999/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1947/2002 (PB L 299 van 1.11.2002, blz. 17).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 30 juni 2005 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

052

55,7

999

55,7

0707 00 05

052

82,3

999

82,3

0709 90 70

052

87,5

999

87,5

0805 50 10

382

71,1

388

65,2

528

60,0

999

65,4

0808 10 80

388

90,4

400

105,2

508

77,6

512

70,6

524

62,4

528

63,5

720

39,2

804

91,7

999

75,1

0809 10 00

052

177,1

999

177,1

0809 20 95

052

281,4

068

218,2

400

325,6

999

275,1

0809 40 05

624

121,9

999

121,9


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 750/2005 van de Commissie (PB L 126 van 19.5.2005, blz. 12). De code „999” staat voor „andere oorsprong”.


1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/3


VERORDENING (EG) Nr. 1000/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

tot vaststelling van de restituties bij uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte producten

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), inzonderheid op artikel 13, lid 3,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1785/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt (2), inzonderheid op artikel 14, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Volgens artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1784/2003 en artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1785/2003 kan het verschil tussen de noteringen of de prijzen op de wereldmarkt voor de in artikel 1 van deze verordeningen genoemde producten en de prijzen van deze producten in de Gemeenschap worden overbrugd door een restitutie bij de uitvoer.

(2)

Krachtens artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1785/2003 moeten de restituties worden vastgesteld met inachtneming van de bestaande situatie en de vooruitzichten voor de ontwikkeling, enerzijds van de beschikbare hoeveelheden granen, rijst en breukrijst, evenals van hun prijzen op de markt van de Gemeenschap, en anderzijds van de prijzen van granen, rijst en breukrijst en de producten in de sector granen op de wereldmarkt. Krachtens deze artikelen moeten ook waarborgen worden geschapen dat op de graan- en rijstmarkten een evenwichtige toestand heerst en een natuurlijke ontwikkeling op het gebied van de prijzen en de handel plaatsvindt en moet bovendien rekening worden gehouden met het economische aspect van de bedoelde uitvoer en de noodzaak verstoringen op de markt van de Gemeenschap te vermijden.

(3)

Verordening (EG) nr. 1518/95 van de Commissie (3) betreffende de regeling voor de invoer en de uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte producten heeft in artikel 4 de specifieke criteria vastgesteld waarmee rekening moet worden gehouden voor de berekening van de restitutie voor deze producten.

(4)

Het is wenselijk de aan bepaalde verwerkte producten toe te kennen restitutie, al naar gelang van het product, hoger of lager vast te stellen volgens het asgehalte, het gehalte aan ruwe celstof, het gehalte aan doppen, het eiwitgehalte, het vetgehalte of het zetmeelgehalte, daar deze gehaltes van bijzondere betekenis zijn voor de hoeveelheid basisproduct die werkelijk voor de vervaardiging van het verwerkte product is gebruikt.

(5)

Ten aanzien van maniokwortel en andere tropische wortels en knollen en het daarvan vervaardigde meel behoeft het economische aspect van de uitvoeren die zouden kunnen worden overwogen, in het bijzonder gezien de aard en de herkomst van deze producten, op het ogenblik geen vaststelling van een restitutie bij uitvoer. Voor bepaalde verwerkte producten is het, gezien het geringe aandeel van de Gemeenschap aan de wereldhandel, op het ogenblik niet noodzakelijk een restitutie bij uitvoer vast te stellen.

(6)

De situatie op de wereldmarkt of de specifieke eisen van bepaalde markten voor zekere producten kunnen een differentiatie van de restitutie, naar gelang van de bestemming, nodig maken.

(7)

De restitutie moet eenmaal per maand worden vastgesteld. Zij kan in de tussentijd worden gewijzigd.

(8)

Bepaalde verwerkte producten op basis van maïs kunnen een warmtebehandeling ondergaan, waardoor een restitutie zou kunnen worden uitgekeerd die niet overeenstemt met de kwaliteit van het product. Duidelijk moet worden aangegeven dat deze producten, die voorgegelatineerd zetmeel bevatten, niet in aanmerking komen voor uitvoerrestituties.

(9)

Het Comité van beheer voor granen heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter bepaalde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De restituties bij uitvoer van de in artikel 1 bedoelde producten van Verordening (EG) nr. 1518/95 van toepassing is, worden vastgesteld in overeenstemming met de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78.

(2)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 96. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1549/2004 van de Commissie (PB L 280 van 31.8.2004, blz. 13).

(3)  PB L 147 van 30.6.1995, blz. 55. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2993/95 (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 25).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 30 juni 2005 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte producten

Productcode

Bestemming

Meeteenheid

Bedrag van de restitutie

1102 20 10 9200 (1)

C10

EUR/t

59,50

1102 20 10 9400 (1)

C10

EUR/t

51,00

1102 20 90 9200 (1)

C10

EUR/t

51,00

1102 90 10 9100

C11

EUR/t

0,00

1102 90 10 9900

C11

EUR/t

0,00

1102 90 30 9100

C11

EUR/t

0,00

1103 19 40 9100

C10

EUR/t

0,00

1103 13 10 9100 (1)

C10

EUR/t

76,50

1103 13 10 9300 (1)

C10

EUR/t

59,50

1103 13 10 9500 (1)

C10

EUR/t

51,00

1103 13 90 9100 (1)

C10

EUR/t

51,00

1103 19 10 9000

C10

EUR/t

0,00

1103 19 30 9100

C10

EUR/t

0,00

1103 20 60 9000

C12

EUR/t

0,00

1103 20 20 9000

C11

EUR/t

0,00

1104 19 69 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 12 90 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 12 90 9300

C10

EUR/t

0,00

1104 19 10 9000

C10

EUR/t

0,00

1104 19 50 9110

C10

EUR/t

68,00

1104 19 50 9130

C10

EUR/t

55,25

1104 29 01 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 29 03 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 29 05 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 29 05 9300

C10

EUR/t

0,00

1104 22 20 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 22 30 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 23 10 9100

C10

EUR/t

63,75

1104 23 10 9300

C10

EUR/t

48,88

1104 29 11 9000

C10

EUR/t

0,00

1104 29 51 9000

C10

EUR/t

0,00

1104 29 55 9000

C10

EUR/t

0,00

1104 30 10 9000

C10

EUR/t

0,00

1104 30 90 9000

C10

EUR/t

10,63

1107 10 11 9000

C13

EUR/t

0,00

1107 10 91 9000

C13

EUR/t

0,00

1108 11 00 9200

C10

EUR/t

0,00

1108 11 00 9300

C10

EUR/t

0,00

1108 12 00 9200

C10

EUR/t

68,00

1108 12 00 9300

C10

EUR/t

68,00

1108 13 00 9200

C10

EUR/t

68,00

1108 13 00 9300

C10

EUR/t

68,00

1108 19 10 9200

C10

EUR/t

0,00

1108 19 10 9300

C10

EUR/t

0,00

1109 00 00 9100

C10

EUR/t

0,00

1702 30 51 9000 (2)

C10

EUR/t

66,62

1702 30 59 9000 (2)

C10

EUR/t

51,00

1702 30 91 9000

C10

EUR/t

66,62

1702 30 99 9000

C10

EUR/t

51,00

1702 40 90 9000

C10

EUR/t

51,00

1702 90 50 9100

C10

EUR/t

66,62

1702 90 50 9900

C10

EUR/t

51,00

1702 90 75 9000

C10

EUR/t

69,81

1702 90 79 9000

C10

EUR/t

48,45

2106 90 55 9000

C10

EUR/t

51,00

NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A” zijn vastgesteld in de gewijzigde Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1).

De numerieke codes voor de bestemmingen zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2081/2003 (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11).

De andere bestemmingen zijn als volgt gedefinieerd:

C10

:

Alle bestemmingen

C11

:

Alle bestemmingen, uitgezonderd Bulgarije

C12

:

Alle bestemmingen, uitgezonderd Roemenië

C13

:

Alle bestemmingen, uitgezonderd Bulgarije en Roemenië


(1)  Er worden geen restituties toegekend voor producten die een warmtebehandeling hebben ondergaan waardoor het zetmeel is voorgegelatineerd.

(2)  De restituties worden toegekend overeenkomstig de gewijzigde Verordening (EEG) nr. 2730/75 van de Raad (PB L 281 van 1.11.1975, blz. 20).

NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A” zijn vastgesteld in de gewijzigde Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1).

De numerieke codes voor de bestemmingen zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2081/2003 (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11).

De andere bestemmingen zijn als volgt gedefinieerd:

C10

:

Alle bestemmingen

C11

:

Alle bestemmingen, uitgezonderd Bulgarije

C12

:

Alle bestemmingen, uitgezonderd Roemenië

C13

:

Alle bestemmingen, uitgezonderd Bulgarije en Roemenië


1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/6


VERORDENING (EG) Nr. 1001/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

tot vaststelling van de restituties bij de productie in de sector granen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 8, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EEG) nr. 1722/93 van de Commissie van 30 juni 1993 tot vaststelling van de toepassingsbepalingen van de Verordeningen (EEG) nr. 1766/92 en (EEG) nr. 1418/76 van de Raad wat de regelingen inzake de productierestituties in de sector granen respectievelijk rijst betreft (2) zijn de voorwaarden voor de toekenning van de productierestitutie vastgesteld. De berekeningsgrondslag is bepaald in artikel 3 van genoemde verordening. De aldus berekende restitutie, zo nodig gedifferentieerd voor aardappelmeel, moet eenmaal per maand worden vastgesteld en mag slechts gewijzigd worden wanneer de maïs- en/of tarweprijzen een significante verandering te zien geven.

(2)

De in deze verordening vastgestelde productierestituties moeten worden aangepast met de in bijlage II bij Verordening (EEG) nr. 1722/93 bepaalde coëfficiënten, teneinde het juiste te betalen bedrag te verkrijgen.

(3)

Het Comité van beheer voor granen heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter bepaalde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 3, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1722/93 bedoelde productierestitutie per ton zetmeel wordt vastgesteld op:

a)

19,28 EUR/t voor zetmeel uit maïs, tarwe, gerst en haver;

b)

23,81 EUR/t voor aardappelmeel.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78.

(2)  PB L 159 van 1.7.1993, blz. 112. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1548/2004 (PB L 280 van 31.8.2004, blz. 11).


1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/7


VERORDENING (EG) Nr. 1002/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1239/95 betreffende het verlenen van dwanglicenties en de voorschriften betreffende de openbare inzage in en de openbare toegang tot documenten die bij het Communautair Bureau voor plantenrassen berusten

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (1), en met name op artikel 114,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 29 van Verordening (EG) nr. 2100/94 is gewijzigd om daarin een verwijzing naar de in artikel 12 van Richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 1998 betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen (2) bedoelde dwanglicenties op te nemen en om de Engelse term „compulsory exploitation right” (dwanglicentie) te vervangen door de Engelse term „compulsory licence” (dwanglicentie).

(2)

Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (3), waarin de algemene beginselen en beperkingen betreffende het in artikel 255 van het EG-Verdrag neergelegde recht van toegang tot documenten worden vastgelegd, is door toevoeging van een nieuw artikel 33 bis in Verordening (EG) nr. 2100/94 van toepassing geworden op documenten die bij het Communautair Bureau voor plantenrassen berusten.

(3)

Het is daarom wenselijk Verordening (EG) nr. 1239/95 van de Commissie van 31 mei 1995 houdende voorschriften ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad, betreffende de procedures voor het Communautair Bureau voor plantenrassen (4) dienovereenkomstig te wijzigen.

(4)

De raad van bestuur van het Communautair Bureau voor plantenrassen is geraadpleegd.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor kwekersrechten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1239/95 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Hoofdstuk IV van titel II wordt vervangen door:

„HOOFDSTUK IV

DOOR HET BUREAU TE VERLENEN COMMUNAUTAIRE LICENTIES

Afdeling 1

Dwanglicenties overeenkomstig artikel 29 van de basisverordening

Artikel 37

Verzoek om een dwanglicentie

1.   Het verzoek om een dwanglicentie overeenkomstig artikel 29, leden 1, 2 en 5, van de basisverordening moet bevatten:

a)

de aanduiding van de verzoeker en de weigerachtige houder van het betrokken ras als partijen in de procedure;

b)

de rasbenaming van het betrokken plantenras en de soort waartoe het behoort;

c)

een voorstel inzake de aard van de handelingen waarop de dwanglicentie betrekking moet hebben;

d)

een uiteenzetting van het openbaar belang waarop het verzoek berust, en een omstandige uiteenzetting van de feiten, bewijzen en argumenten, die tot staving van het gestelde openbaar belang worden aangevoerd;

e)

in het geval van een verzoek als bedoeld in artikel 29, lid 2, van de basisverordening, een voorstel inzake de categorie van personen aan wie de dwanglicentie moet worden verleend, en in voorkomend geval de specifieke eisen waaraan die personen moeten voldoen.

f)

een voorstel voor een billijke vergoeding en de berekeningsgrondslag voor deze vergoeding.

2.   Het verzoek om een dwanglicentie overeenkomstig artikel 29, lid 5a, van de basisverordening moet bevatten:

a)

de aanduiding van de verzoeker die houder van een octrooirecht is en de weigerachtige houder van het betrokken ras als partijen in de procedure;

b)

de rasbenaming van het betrokken plantenras en de soort waartoe het behoort;

c)

een gewaarmerkte kopie van het octrooibewijs waarin het nummer van en de aanspraken op het octrooi voor een biotechnologische uitvinding en de octrooiverlenende instantie worden vermeld;

d)

een voorstel inzake de aard van de handelingen waarop de dwanglicentie betrekking moet hebben;

e)

een voorstel voor een billijke vergoeding en de berekeningsgrondslag voor deze vergoeding;

f)

een uiteenzetting van de reden waarom de biotechnologische uitvinding een belangrijke technische vooruitgang van aanzienlijk economisch belang vertegenwoordigt ten opzichte van het beschermde plantenras, met inbegrip van een gedetailleerde toelichting van de feiten, bewijzen en argumenten ter ondersteuning van de aanspraak;

g)

een voorstel voor het territoriale toepassingsgebied van de licentie, dat niet het territoriale toepassingsgebied van het onder c) bedoelde octrooi mag overschrijden.

3.   Het verzoek om een in artikel 29, lid 5a, van de basisverordening bedoelde wederkerige dwanglicentie moet bevatten:

a)

de aanduiding van de verzoeker die houder van een octrooirecht is en de weigerachtige houder van het betrokken ras als partijen in de procedure;

b)

de rasbenaming van het betrokken plantenras en de soort waartoe het behoort;

c)

een gewaarmerkte kopie van het octrooibewijs waarin het nummer van de biotechnologische uitvinding en de desbetreffende aanspraken en de octrooiverlenende instantie worden vermeld;

d)

een officieel document waarin wordt verklaard dat een dwanglicentie voor een geoctrooieerde biotechnologische uitvinding aan de houder van het kwekersrecht is verleend;

e)

een voorstel inzake de aard van de handelingen waarop de wederkerige licentie betrekking moet hebben;

f)

een voorstel voor een billijke vergoeding en de berekeningsgrondslag voor de vergoeding;

g)

een voorstel voor het territoriale toepassingsgebied van de wederkerige licentie, dat niet het territoriale toepassingsgebied van het onder c) bedoelde octrooi mag overschrijden.

4.   Bij een verzoek om een dwanglicentie worden de stukken gevoegd waaruit blijkt dat de verzoeker de houder van het kwekersrecht vruchteloos om een contractuele licentie heeft verzocht. Wanneer de Commissie of een lidstaat overeenkomstig artikel 29, lid 2, van de basisverordening om een dwanglicentie verzoekt, kan het Bureau in geval van overmacht ontheffing van deze bepaling verlenen.

5.   Een verzoek om een contractuele licentie wordt geacht te zijn afgewezen in de zin van het bepaalde in lid 4, wanneer:

a)

de houder de persoon die aanspraak maakt op dit recht niet binnen een redelijke tijd een definitief antwoord heeft gegeven; of

b)

de houder heeft geweigerd, de persoon die aanspraak maakt op dit recht een contractuele licentie te verlenen; of

c)

de houder de persoon die aanspraak maakt op dit recht een licentie heeft aangeboden, maar hetzij de wezenlijke voorwaarden van het aanbod, waaronder die betreffende de te betalen royalty, hetzij de voorwaarden van het aanbod in hun geheel kennelijk onredelijk waren.

Artikel 38

Onderzoek van het verzoek om een dwanglicentie

1.   De mondelinge behandeling en de bewijsvoering vinden in beginsel tezamen tijdens één zitting plaats.

2.   Een verzoek om een nadere zitting is slechts ontvankelijk, indien het op omstandigheden berust waarin zich tijdens of na de zitting een wijziging heeft voorgedaan.

3.   Alvorens een beslissing te nemen, verzoekt het Bureau de partijen in de procedure tot een minnelijke regeling inzake een contractuele licentie te komen. Het Bureau doet in voorkomend geval een voorstel voor een dergelijke minnelijke regeling.

Artikel 39

Houderschap van een communautair kwekersrecht tijdens de procedure

1.   Wanneer een vordering als bedoeld in artikel 98, lid 1, van de basisverordening tegen de houder is ingesteld en dit in het register van communautaire kwekersrechten is ingeschreven, kan het Bureau de procedure tot verlening van een dwanglicentie schorsen. Het mag de procedure eerst hervatten, nadat de vordering tot een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing heeft geleid of de desbetreffende procedure op een andere wijze is beëindigd en dit in het register is ingeschreven.

2.   Wanneer het communautaire kwekersrecht op een voor het Bureau verbindende wijze op een andere persoon wordt overgedragen, treedt de nieuwe houder op verzoek van de verzoeker als partij tot de procedure toe, indien de verzoeker binnen twee maanden nadat hij door het Bureau van de inschrijving van de nieuwe houder in het register van communautaire kwekersrechten in kennis is gesteld, deze vruchteloos om een contractuele licentie heeft verzocht. De verzoeker moet bij zijn verzoek voldoende bewijsstukken betreffende zijn vergeefse poging en in voorkomend geval de handelwijze van de nieuwe houder voegen.

3.   In het geval van een verzoek als bedoeld in artikel 29, lid 2, van de basisverordening treedt de nieuwe houder als partij tot de procedure toe. Lid 1 is in dit geval niet van toepassing.

Artikel 40

Inhoud van de beslissing op het verzoek om een dwanglicentie

De schriftelijke beslissing wordt door de voorzitter van het Bureau ondertekend. De beslissing moet bevatten:

a)

de vermelding dat zij door het Bureau is genomen;

b)

de datum waarop zij is genomen;

c)

de namen van de leden van het comité die aan de procedure hebben deelgenomen;

d)

de namen van de partijen in de procedure en hun vertegenwoordigers voor de procedure;

e)

een verwijzing naar het advies van de raad van bestuur;

f)

een uiteenzetting van het onderwerp van het verzoek;

g)

een samenvatting van de feiten;

h)

de gronden van de beslissing;

i)

de uitspraak van het Bureau; in deze uitspraak wordt in voorkomend geval vastgesteld op welke handelingen de dwanglicentie betrekking heeft, welke bijzondere voorwaarden eraan zijn verbonden, aan welke categorie van personen zij wordt verleend, en aan welke specifieke eisen die personen moeten voldoen.

Artikel 41

Verlening van een dwanglicentie

De beslissing om een dwanglicentie overeenkomstig artikel 29, leden 1, 2 en 5, van de basisverordening te verlenen, moet een uiteenzetting bevatten van het openbaar belang dat in aanmerking is genomen.

1.

Als openbaar belang geldt met name:

a)

de bescherming van het leven of de gezondheid van mens of dier;

b)

de noodzaak, materiaal met bepaalde eigenschappen op de markt te brengen;

c)

de noodzaak, het kweken van verbeterde rassen te blijven aanmoedigen.

2.

De beslissing om een dwanglicentie overeenkomstig artikel 29, lid 5a, van de basisverordening te verlenen, moet een uiteenzetting bevatten van de redenen waarom de uitvinding een belangrijke technische vooruitgang van aanzienlijk economisch belang vertegenwoordigt. De volgende gronden kunnen in het bijzonder redenen zijn waarom de uitvinding een belangrijke technische vooruitgang van aanzienlijk economisch belang vertegenwoordigt ten opzichte van het beschermde plantenras:

a)

verbetering van de teelttechnieken,

b)

verbetering van het milieu,

c)

verbetering van de technieken ter bevordering van het gebruik van genetische biodiversiteit,

d)

verbetering van de kwaliteit,

e)

verbetering van de opbrengst,

f)

verbetering van de weerstand,

g)

verbetering van de aanpassing aan bijzondere klimatologische en/of milieu-omstandigheden.

3.

De dwanglicentie is niet uitsluitend.

4.

De dwanglicentie mag niet worden overgedragen, tenzij tezamen met het deel van een onderneming dat van deze licentie gebruik maakt, of in het in artikel 29, lid 5, van de basisverordening bedoelde geval, wanneer tegelijkertijd het houderschap van een hoofdzakelijk afgeleid ras wordt overgedragen.

Artikel 42

Voorwaarden ten aanzien van de persoon aan wie een dwanglicentie wordt verleend

1.   Onverminderd andere voorwaarden als bedoeld in artikel 29, lid 3, van de basisverordening, moet de persoon aan wie de dwanglicentie wordt verleend, over de nodige financiële middelen en technische bekwaamheden beschikken om gebruik van deze licentie te kunnen maken.

2.   Het voldoen aan de voorwaarden die aan de dwanglicentie zijn verbonden en in de desbetreffende beslissing zijn vastgesteld, wordt als een omstandigheid in de zin van artikel 29, lid 4, van de basisverordening beschouwd.

3.   Het Bureau bepaalt dat de persoon aan wie de dwanglicentie wordt verleend geen rechtsvordering wegens inbreuk op het betrokken communautaire kwekersrecht mag instellen, tenzij de houder weigert of nalaat dit binnen twee maanden nadat hij daarom wordt verzocht, te doen.

Artikel 43

Categorie van personen die aan specifieke eisen overeenkomstig artikel 29, lid 2, van de basisverordening voldoen

1.   Elke persoon die voornemens is gebruik te maken van een dwanglicentie en behoort tot een categorie van personen die voldoet aan specifieke eisen zoals bedoeld in artikel 29, lid 2, van de basisverordening, moet dit bij aangetekende brief met verzoek om ontvangstbevestiging ter kennis van het Bureau en de houder brengen. Deze kennisgeving moet met name bevatten:

a)

de naam en het adres van de betrokken persoon overeenkomstig de bepalingen die op de partijen in een procedure van toepassing zijn overeenkomstig artikel 2 van deze verordening;

b)

een uiteenzetting van de feiten waaruit blijkt dat hij aan de specifieke eisen voldoet;

c)

een beschrijving van de te verrichten handelingen; en

d)

een verklaring dat de betrokken persoon over de nodige financiële middelen beschikt om van de dwanglicentie gebruik te kunnen maken, alsook gegevens over de technische bekwaamheden die hij daartoe bezit.

2.   Wanneer een persoon de voorwaarden inzake de in lid 1 bedoelde kennisgeving heeft vervuld, schrijft het Bureau hem op zijn verzoek in het register van communautaire kwekersrechten in. Hij mag eerst nadat hij is ingeschreven van de dwanglicentie gebruikmaken. De ingeschreven persoon en de houder worden van de inschrijving in kennis gesteld.

3.   Artikel 42, lid 3, is van overeenkomstige toepassing op een persoon die krachtens lid 2 van dit artikel in het register van communautaire kwekersrechten is ingeschreven. De rechterlijke beslissing waartoe de rechtsvordering wegens inbreuk leidt, is verbindend voor de andere personen die zijn of zullen worden ingeschreven; hetzelfde geldt, wanneer de desbetreffende procedure op een andere wijze wordt beëindigd.

4.   De in lid 2 bedoelde inschrijving kan slechts worden doorgehaald, indien zich aan het einde van het eerste jaar of een volgend jaar sinds de verlening van de dwanglicentie en vóór het verstrijken van de eventueel vastgestelde geldigheidsduur een verandering heeft voorgedaan in de specifieke eisen die in de beslissing tot verlening van deze licentie waren vastgesteld, of in de overeenkomstig lid 2 aangetoonde financiële middelen en technische bekwaamheden. De ingeschreven persoon en de houder worden van de doorhaling in kennis gesteld.

Afdeling 2

Dwanglicenties overeenkomstig artikel 100, lid 2, van de basisverordening

Artikel 44

Dwanglicenties uit hoofde van artikel 100, lid 2, van de basisverordening

1.   Een verzoek om een niet-uitsluitende contractuele licentie van een nieuwe houder, als bedoeld in artikel 100, lid 2, van de basisverordening, moet in het geval van de vroegere houder binnen twee maanden of in het geval van een vroegere licentiehouder binnen vier maanden na ontvangst van de kennisgeving door het Bureau dat de naam van de nieuwe houder in het register van communautaire kwekersrechten is ingeschreven, worden gedaan.

2.   Bij een verzoek om een overeenkomstig artikel 100, lid 2, van de basisverordening door het Bureau te verlenen licentie moeten de stukken worden gevoegd waaruit blijkt dat het in lid 1 bedoelde verzoek is afgewezen. De bepalingen van artikel 37, lid 1, onder a), b) en c), en lid 5, artikel 38, artikel 39, lid 3, artikel 40 met uitzondering van het bepaalde onder f), artikel 41, leden 3 en 4, en artikel 42 zijn van overeenkomstige toepassing.”

2)

Artikel 82 wordt vervangen door:

„Artikel 82

Openbare inzage van de registers

1.   De registers kunnen ten kantore van het Bureau door het publiek worden ingezien.

Toegang tot de registers en de aldaar gedeponeerde stukken wordt verleend overeenkomstig dezelfde voorwaarden die gelden voor de toegang tot documenten in het bezit van het Bureau in de zin van artikel 84.

2.   Inzage van de registers ter plaatse is kosteloos.

Voor de vervaardiging en afgifte van uittreksels uit de registers waarvoor andere vormen van gegevensbehandeling nodig zijn dan slechts de reproductie van een stuk of delen daarvan, wordt een vergoeding betaald.

3.   De voorzitter van het Bureau kan voorzien in de mogelijkheid van openbare inzage ten kantore van de nationale organen of de diensten, bedoeld in artikel 30, lid 4, van de basisverordening.”

3)

Artikel 84 wordt vervangen door:

„Artikel 84

Toegang tot de documenten die bij het Bureau berusten

1.   De raad van bestuur stelt de praktische regelingen vast voor de toegang tot de documenten die bij het Bureau berusten, met inbegrip van de registers.

2.   De raad van bestuur besluit welke categorieën documenten van het Bureau door middel van een bekendmaking, waaronder een bekendmaking via elektronische weg, rechtstreeks voor het publiek toegankelijk worden gemaakt.”

Artikel 2

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 227 van 1.9.1994, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 873/2004 (PB L 162 van 30.4.2004, blz. 38).

(2)  PB L 213 van 30.7.1998, blz. 13.

(3)  PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.

(4)  PB L 121 van 1.6.1995, blz. 37. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2181/2002 (PB L 331 van 7.12.2002, blz. 14).


1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/12


VERORDENING (EG) Nr. 1003/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft een communautaire doelstelling voor het verminderen van de prevalentie van bepaalde serotypen salmonella bij vermeerderingskoppels van Gallus gallus en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2160/2003

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (1), en met name op artikel 4, lid 1, en artikel 13,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 2160/2003 heeft tot doel erop toe te zien dat adequate en doeltreffende maatregelen worden getroffen voor de detectie en de bestrijding van salmonella en andere zoönoseverwekkers in alle stadia van productie, verwerking en distributie, in het bijzonder op het niveau van de primaire productie, teneinde de prevalentie ervan en het risico voor de volksgezondheid te verminderen.

(2)

Krachtens Verordening (EG) nr. 2160/2003 moet een communautaire doelstelling worden vastgesteld voor het verminderen van de prevalentie van alle salmonella-serotypen die voor de volksgezondheid van belang zijn bij vermeerderingskoppels van Gallus gallus in het stadium van de primaire productie.

(3)

Volgens Verordening (EG) nr. 2160/2003 moet de communautaire doelstelling onder meer bestaan uit een numerieke uitdrukking van het maximumpercentage epidemiologische eenheden dat positief blijft en/of het minimumpercentage waarmee het aantal positief blijvende epidemiologische eenheden moet worden verminderd, de maximumtermijn voor het verwezenlijken van de doelstelling en de definitie van de nodige testschema's om na te gaan of de doelstelling is verwezenlijkt. Verder moet indien van toepassing een definitie worden gegeven van de serotypen die voor de volksgezondheid van belang zijn.

(4)

Verordening (EG) nr. 2160/2003 bepaalt verder dat de communautaire doelstelling die voor een overgangsperiode van drie jaar wordt vastgesteld voor vermeerderingskoppels van Gallus gallus, betrekking moet hebben op de vijf meest voorkomende salmonella-serotypen in salmonellose bij de mens, die moeten worden vastgesteld op basis van gegevens die met EG-monitoringsystemen zijn verzameld.

(5)

Uit de informatie van de EG-monitoringsystemen blijkt dat de vijf meest voorkomende salmonella-serotypen in salmonellose bij de mens zijn: Salmonella Enteritidis, Salmonella Hadar, Salmonella Infantis, Salmonella Typhimurium en Salmonella Virchow. De bij deze verordening vastgestelde communautaire doelstelling moet dus voor die vijf serotypen gelden.

(6)

Om de communautaire doelstelling te kunnen vaststellen moeten er vergelijkbare gegevens over de prevalentie van de betrokken salmonella-serotypen bij vermeerderingskoppels van Gallus gallus in de lidstaten beschikbaar zijn. Voor het verzamelen van de desbetreffende prevalentiegegevens in de lidstaten zijn de minimumeisen voor de bestrijding van salmonella overeenkomstig Richtlijn 92/117/EEG van de Raad (2) aangehouden. De desbetreffende gegevens zijn in 2004 in alle lidstaten gedurende een voldoende lange periode verzameld.

(7)

Om na te gaan of de doelstelling is verwezenlijkt, moeten in verband met de relatief geringe prevalentie van de relevante salmonella-serotypen bij vermeerderingskoppels van Gallus gallus in de Gemeenschap herhaalde bemonsteringen van een representatief aantal koppels van voldoende omvang (minimaal 250 dieren, zoals voorgeschreven in Richtlijn 92/117/EEG) plaatsvinden.

(8)

Het testschema dat nodig is om na te gaan of de communautaire doelstelling is verwezenlijkt, verschilt sterk van het schema dat is gevolgd om vergelijkbare gegevens in de lidstaten te verzamelen krachtens Richtlijn 92/117/EEG en is waarschijnlijk gevoeliger. Daarom moet de communautaire doelstelling uiterlijk één jaar na de start van de desbetreffende nationale bestrijdingsprogramma's opnieuw worden bezien.

(9)

Gezien de tijd die voor het verzamelen van de informatie nodig was, waren er niet tijdig vergelijkbare gegevens beschikbaar om de communautaire doelstelling voor vermeerderingskoppels van Gallus gallus te kunnen vaststellen binnen de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2160/2003 vermelde termijn. Daarom moet de termijn voor de vastlegging van die doelstelling met zes maanden worden verlengd en moet Verordening (EG) nr. 2160/2003 dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

De maatregelen zoals bedoeld in artikel 4, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2160/2003 voor het vaststellen van de communautaire doelstelling voor vermeerderingskoppels van Gallus gallus tijdens de overgangsperiode zijn gebaseerd op de salmonellabestrijdingsmethoden die al krachtens Richtlijn 92/117/EEG zijn vastgesteld en de verdere aspecten van de maatregelen hebben betrekking op risicobeheer. De in deze verordening vervatte maatregelen zijn voorbereid door een werkgroep, met medewerking van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA). Onverminderd de verplichting van artikel 15 van Verordening (EG) nr. 2160/2003 om de EFSA te raadplegen over alle aangelegenheden die belangrijke gevolgen voor de volksgezondheid kunnen hebben, is het in dit stadium niet nodig de EFSA officieel te raadplegen.

(11)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Communautaire doelstelling

1.   De communautaire doelstelling voor de vermindering van Salmonella Enteritidis, Salmonella Hadar, Salmonella Infantis, Salmonella Typhimurium en Salmonella Virchow bij vermeerderingskoppels van Gallus gallus houdt in dat het maximumpercentage volwassen vermeerderingskoppels bestaande uit minimaal 250 dieren dat op 31 december 2009 nog positief is, niet hoger is dan 1 %.

Voor lidstaten met minder dan 100 vermeerderingskoppels mag niet meer dan één volwassen vermeerderingskoppel nog positief zijn.

2.   Het testschema om na te gaan of de doelstelling is verwezenlijkt, wordt in de bijlage beschreven.

Artikel 2

Evaluatie

De Commissie beziet de in artikel 1 vastgestelde communautaire doelstelling opnieuw in het licht van de resultaten van het eerste uitvoeringsjaar van de nationale bestrijdingsprogramma's die overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EG) nr. 2160/2003 zijn goedgekeurd.

Artikel 3

Wijziging van Verordening (EG) nr. 2160/2003

In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2160/2003 komt de tekst in de eerste rij, vierde kolom, als volgt te luiden:

„18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening”.

Artikel 4

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 325 van 12.12.2003, blz. 1.

(2)  PB L 62 van 15.3.1993, blz. 38. Richtlijn ingetrokken bij Richtlijn 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 325 van 12.12.2003, blz. 31).


BIJLAGE

Testschema om na te gaan of de communautaire doelstelling voor de vermindering van Salmonella enteritidis, Salmonella hadar, Salmonella infantis, Salmonella typhimurium en Salmonella virchow bij volwassen vermeerderingskoppels van Gallus gallus is verwezenlijkt

1.   Steekproefkader

Het steekproefkader omvat alle volwassen vermeerderingskoppels van Gallus gallus die bestaan uit minimaal 250 dieren (hierna „vermeerderingskoppels” genoemd).

2.   Toezicht op vermeerderingskoppels

2.1.   Locatie, frequentie en status van de bemonstering

Voor de toepassing van deze verordening worden vermeerderingskoppels op initiatief van de exploitant en in het kader van officiële controles bemonsterd.

2.1.1.   Bemonstering op initiatief van de exploitant

De bemonstering vindt tweewekelijks plaats op de door de bevoegde autoriteit aangewezen locatie, en wel:

a)

op de broederij, of

b)

op het bedrijf.

De bevoegde autoriteit kiest een van deze twee mogelijkheden voor het hele testschema en stelt een procedure vast om ervoor te zorgen dat wanneer de in artikel 1, lid 1, bedoelde salmonella-serotypen (hierna „relevante salmonella's” genoemd) bij bemonstering op initiatief van de exploitant worden aangetroffen, dit door de exploitant, de bemonsteraar of het laboratorium dat de analyses verricht, onverwijld aan de bevoegde autoriteit wordt gemeld.

2.1.2.   Bemonstering bij officiële controles

Onverminderd deel C, punt 2, van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 2160/2003 omvat de officiële bemonstering het volgende:

2.1.2.1.   Indien de bemonstering op initiatief van de exploitant op de broederij wordt uitgevoerd:

a)

routinebemonstering op de broederij elke 16 weken, die dan in de plaats komt van de bemonstering op initiatief van de exploitant;

b)

routinebemonstering op het bedrijf op twee tijdstippen van de productiecyclus, namelijk binnen vier weken na de overgang naar de legfase of de verplaatsing naar een legeenheid en tegen het eind van de legfase, op zijn vroegst acht weken voor het eind van de productiecyclus;

c)

verificatiebemonstering op het bedrijf, als bij de bemonstering op de broederij relevante salmonella's zijn aangetroffen.

2.1.2.2.   Indien de bemonstering op initiatief van de exploitant op het bedrijf wordt uitgevoerd, vindt op drie tijdstippen in de productiecyclus routinebemonstering plaats:

a)

binnen vier weken na de overgang naar de legfase of de verplaatsing naar een legeenheid;

b)

tegen het eind van de legfase, op zijn vroegst acht weken voor het eind van de productiecyclus;

c)

tijdens de productie, op een tijdstip dat voldoende verschilt van de onder a) en b) bedoelde tijdstippen.

2.2.   Bemonsteringsprotocol

2.2.1.   Bemonstering op de broederij

Het monster bestaat voor elk vermeerderingskoppel uit minimaal één verzamelmonster van zichtbaar met feces besmeurde inlegvellen van uitkomstladen die aselect van vijf verschillende uitkomstladen of plaatsen in de uitkomstbroeder zijn genomen, overeenkomend met een totaaloppervlak van minimaal 1 m2. Als de broedeieren van een vermeerderingskoppel over meer dan één broedmachine verdeeld zijn, wordt van elke broedmachine een dergelijk verzamelmonster genomen.

Indien geen inlegvellen voor de uitkomstladen worden gebruikt, wordt uit 25 afzonderlijke uitkomstladen telkens 10 g gebroken eierschalen fijngemaakt en gemengd, waarna hiervan een deelmonster van 25 g wordt genomen.

Deze procedure wordt zowel voor bemonstering op initiatief van de exploitant als voor officiële bemonstering gevolgd.

2.2.2.   Bemonstering op het bedrijf

2.2.2.1.   Routinebemonstering op initiatief van de exploitant

De bemonstering betreft in eerste instantie fecesmonsters en moet zodanig zijn dat een koppelprevalentie van 1 % met een betrouwbaarheid van 95 % wordt opgespoord. Daartoe worden de monsters op een van de volgende wijzen genomen:

a)

Verzamelde feces van afzonderlijke verse fecesmonsters met een gewicht van ten minste 1 g, die aselect zijn genomen op een aantal plaatsen in het gebouw waar de dieren worden gehouden, of, indien de dieren vrije toegang hebben tot meer dan één gebouw op een bepaald bedrijf, in elke groep gebouwen van het bedrijf waar dieren worden gehouden. De feces mogen voor de analyse worden samengevoegd tot minimaal twee verzamelmonsters.

Het aantal plaatsen waar afzonderlijke fecesmonsters moeten worden genomen om het verzamelmonster te vormen, wordt als volgt bepaald:

Aantal dieren dat in een gebouw wordt gehouden

Aantal te nemen fecesmonsters in het gebouw of de groep gebouwen van het bedrijf

250-349

200

350-449

220

450-799

250

800-999

260

1 000 of meer

300

b)

Monsters van vijf paar overschoentjes:

De gebruikte overschoentjes moeten voldoende absorberend zijn om vocht op te nemen. Tubegauze overschoentjes kunnen ook worden gebruikt.

Het oppervlak van de overschoentjes wordt bevochtigd met een geschikte vloeistof (bv. 0,8 % keukenzout + 0,1 % pepton in steriel gedeïoniseerd water, of steriel water).

Er moet zo worden gelopen dat alle onderdelen van de sector, ook die met strooisel en latten (als dit veilig kan), representatief worden bemonsterd. Alle afzonderlijke hokken in de stal moeten worden bemonsterd. Als de bemonstering van de gekozen sector gereed is, worden de overschoentjes voorzichtig uitgetrokken zodat het aanhangend materiaal niet loskomt.

De overschoentjes mogen voor de analyse worden samengevoegd tot minimaal twee verzamelmonsters.

c)

Bij vermeerderingskoppels in kooisystemen kunnen de monsters bestaan uit natuurlijk gemengde feces afkomstig van mestbanden, mestschrapers of mestputten, naar gelang van het type stal. Er worden twee monsters van minimaal 150 g verzameld, die afzonderlijk worden onderzocht:

i)

van mestbanden onder elke kooilaag, die op gezette tijden worden aangezet en waarvan de mest via een vijzel- of transportsysteem wordt afgevoerd;

ii)

van een mestopvangsysteem waarbij de mest via mestgoten in een mestput onder de stal terechtkomt;

iii)

van een systeem met trapkooien die niet recht onder elkaar staan, zodat de feces direct in de mestput vallen.

In de regel bestaat een stal uit meerdere stapelkooien. Uit elke stapel moeten samengevoegde feces in het totale verzamelmonster vertegenwoordigd zijn. Van elk koppel worden twee verzamelmonsters genomen zoals hierna beschreven.

Bij systemen met mestbanden of mestschrapers moeten die op de dag van de bemonstering in werking worden gesteld voordat het monster wordt genomen.

Bij systemen met mestgoten en mestschrapers moeten de samengevoegde feces na het afschrapen van de mestschraper worden genomen.

Bij trapkooien zonder mestbanden of mestschrapers moeten de samengevoegde feces in de mestput bemonsterd worden.

Bij mestbanden wordt samengevoegd fecaal materiaal verzameld aan het eind van de band.

2.2.2.2.   Officiële bemonstering

a)

De routinebemonstering vindt plaats zoals beschreven in punt 2.2.2.1.

b)

De verificatiebemonstering na aantoning van relevante salmonella's op de broederij verloopt zoals hierna beschreven.

Naast een overeenkomstig punt 2.2.2.1 genomen monster kan een monster worden genomen van aselect gekozen dieren uit elke stal op het bedrijf, in de regel vijf dieren per stal, tenzij de autoriteit het nodig acht een groter aantal dieren te bemonsteren. Het onderzoek bestaat uit een test om antimicrobiële stoffen of een bacteriegroeiremmend effect in monsters op te sporen. Als een of meer dieren positief reageren, is het testresultaat ongunstig.

Indien geen relevante salmonella's worden gevonden maar wel antimicrobiële stoffen of een bacteriegroeiremmend effect, wordt de bemonstering van het koppel op relevante salmonella's en een bacteriegroeiremmend effect herhaald totdat er geen bacteriegroeiremmend effect meer wordt waargenomen of het vermeerderingskoppel wordt vernietigd. In het laatste geval telt het vermeerderingskoppel wat de communautaire doelstelling betreft als een besmet vermeerderingskoppel.

c)

Verdachte gevallen

In uitzonderingsgevallen waarin de bevoegde autoriteit redenen heeft om te vermoeden dat de resultaten van de eerste officiële bemonstering op het bedrijf fout-negatief zijn, kan een secundaire officiële verificatiebemonstering worden uitgevoerd op feces of dieren (voor het opsporen van salmonella in organen).

In uitzonderingsgevallen waarin de bevoegde autoriteit redenen heeft om te vermoeden dat de resultaten van de bemonstering op het bedrijf op initiatief van de exploitant fout-positief zijn, kan een officiële vervolgbemonstering plaatsvinden.

3.   Onderzoek van de monsters

3.1.   Monstervoorbereiding

3.1.1.   Inlegvellen van uitkomstladen:

a)

plaats de inlegvellen in 1 liter gebufferd peptonwater (BPW) dat op kamertemperatuur is gebracht en schud zachtjes;

b)

incubeer het monster volgens de in punt 3.2 aangegeven detectiemethode.

3.1.2.   Overschoentjes:

a)

pak het paar overschoentjes zorgvuldig uit om te vermijden dat aanhangend fecaal materiaal loskomt, en plaats ze in 225 ml BPW dat op kamertemperatuur is gebracht;

b)

bij samenvoegen van vijf paar overschoentjes tot twee monsters: breng vijf afzonderlijke monsters in minimaal 225 ml BPW en zorg ervoor dat alle monsters volledig ondergedompeld zijn;

c)

zwenk om zodat het monster volledig verzadigd is en incubeer volgens de in punt 3.2 aangegeven detectiemethode.

3.1.3.   Andere fecesmonsters:

a)

breng in het laboratorium elk monster (of verzamelmonster, al naar het geval) over in een even groot gewicht BPW en schud zachtjes;

b)

laat het monster gedurende 10-15 minuten zacht worden en schud zachtjes;

c)

neem onmiddellijk na het mengen 50 g van het mengsel en voeg dat bij 200 ml BPW op kamertemperatuur;

d)

incubeer het monster volgens de in punt 3.2 aangegeven detectiemethode.

3.2.   Detectiemethode

De gebruikte methode is de door het communautaire referentielaboratorium voor salmonella in Bilthoven, Nederland, aanbevolen methode: dit is een modificatie van ISO 6579 (2002), waarbij een semisolide medium (MSRV) wordt gebruikt als het enige selectieve ophopingsmedium. Het semisolide medium moet gedurende 2 × (24 ± 3) uur op 41,5 ± 1 °C worden geïncubeerd.

Wat de in punt 3.1 bedoelde monsters van overschoentjes en ander fecaal materiaal betreft, kan de geïncubeerde BPW-ophopingsbouillon voor toekomstige kweken worden samengevoegd. Incubeer daartoe beide monsters zoals gebruikelijk in BPW. Neem 1 ml geïncubeerde bouillon van elk monster en meng zorgvuldig; neem vervolgens 0,1 ml van het mengsel en beënt de MSRV-platen op de gebruikelijke manier.

3.3.   Serotypering

Ten minste één isolaat van elk positieve monster wordt getypeerd aan de hand van het Kaufmann-White-schema.

4.   Resultaten en rapportage

Een vermeerderingskoppel wordt ten aanzien van de communautaire doelstelling als positief aangemerkt als in een of meer op het bedrijf genomen fecesmonsters (of als er een secundaire officiële bevestiging in de lidstaat is, in de desbetreffende feces- of orgaanmonsters) relevante salmonella's (met uitzondering van vaccinstammen) zijn aangetroffen. Dit geldt niet voor uitzonderingsgevallen van verdachte vermeerderingskoppels waarbij de detectie van salmonella op het bedrijf op initiatief van de exploitant niet door officiële bemonstering is bevestigd.

De gecombineerde resultaten van de bemonsteringen en tests bij vermeerderingskoppels worden in beschouwing genomen, dat wil zeggen dat elk vermeerderingskoppel slechts éénmaal wordt meegeteld, ongeacht het aantal bemonsteringen en tests. Positieve vermeerderingskoppels worden slechts éénmaal geteld, ongeacht het aantal bemonsteringen en tests.

De rapportage omvat:

a)

een uitvoerige beschrijving van de voor het bemonsteringsschema gemaakte keuzes en het type monsters dat is genomen;

b)

het totale aantal vermeerderingskoppels en het aantal geteste koppels;

c)

de resultaten van de tests;

d)

een toelichting op de resultaten, met name wat eventuele uitzonderingsgevallen betreft.


1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/18


VERORDENING (EG) Nr. 1004/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de opening en de wijze van beheer van de tariefcontingenten voor suikerproducten van oorsprong uit Albanië, Bosnië en Herzegovina en Servië, Montenegro en Kosovo, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2007/2000 van de Raad

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2007/2000 van de Raad van 18 september 2000 tot vaststelling van uitzonderlijke handelsmaatregelen ten behoeve van de landen en gebieden die deelnemen aan of verbonden zijn met het stabilisatie- en associatieproces van de Europese Unie, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2820/98 en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1763/1999 en (EG) nr. 6/2000 (1), en met name op artikel 6, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 4, lid 4, van Verordening (EG) nr. 2007/2000 gelden voor de invoer van suikerproducten van de GN-codes 1701 en 1702, van oorsprong uit Albanië, Bosnië en Herzegovina en Servië, Montenegro en Kosovo (2), jaarlijkse tariefcontingenten zonder douanerechten. Deze contingenten moeten op een meerjarenbasis worden geopend en er moeten uitvoeringsbepalingen worden vastgesteld voor de toepassing ervan voor telkens op 1 juli ingaande perioden van 12 maanden.

(2)

Om met het oog op een rendabele ontwikkeling van de suikersector in de betrokken landen een tariefcontingent zonder douanerechten in te voeren en om rekening te houden met de relatief grote hoeveelheid die voor Servië en Montenegro en Kosovo is vastgesteld, moet het tariefcontingent voor dat land worden beheerd aan de hand van uitvoercertificaten die door de autoriteiten in dat land worden afgegeven. De vorm en de opmaak van deze certificaten, alsmede de procedures voor het gebruik ervan, moeten worden vastgesteld.

(3)

Met het oog op een efficiënt beheer van de preferentiële invoer die op grond van deze verordening plaatsvindt, moet ervoor worden gezorgd dat de lidstaten een boekhouding van de relevante gegevens kunnen bijhouden en die gegevens aan de Commissie kunnen meedelen.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor suiker,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Bij deze verordening worden de uitvoeringsbepalingen vastgesteld voor de invoer van suikerproducten van de GN-codes 1701 en 1702, van oorsprong uit Albanië, Bosnië en Herzegovina en Servië, Montenegro en Kosovo, die vallen onder de in artikel 4, lid 4, van Verordening (EG) nr. 2007/2000 vastgestelde jaarlijkse tariefcontingenten zonder douanerechten.

2.   Voor de invoer van de in lid 1 bedoelde producten moeten invoercertificaten worden overgelegd waarop de volgende, aan de tariefcontingenten verbonden volgnummers zijn vermeld:

09.4324 voor het contingent van 1 000 ton (nettogewicht) suikerproducten van oorsprong uit Albanië;

09.4325 voor het contingent van 12 000 ton (nettogewicht) suikerproducten van oorsprong uit Bosnië en Herzegovina;

09.4326 voor het contingent van 180 000 ton (nettogewicht) suikerproducten van oorsprong uit Servië, Montenegro en Kosovo.

Artikel 2

Tenzij anders bepaald in deze verordening, worden de in artikel 1, lid 2, bedoelde invoercertificaten afgegeven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie (3) en Verordening (EG) nr. 1464/95 van de Commissie (4).

Artikel 3

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)

„invoerperiode”: een periode van één jaar die begint op 1 juli en eindigt op 30 juni van het volgende jaar;

b)

„werkdag”: een werkdag in de kantoren van de Commissie te Brussel.

Artikel 4

1.   De invoercertificaataanvraag wordt ingediend bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaten.

2.   De invoercertificaataanvraag gaat vergezeld van:

a)

het bewijs dat de aanvrager een zekerheid van 2 EUR per 100 kilogram heeft gesteld;

b)

bij invoer uit Servië, Montenegro en Kosovo, het origineel en een kopie van het volgens het model in bijlage I opgestelde uitvoercertificaat dat door de autoriteiten in Servië, Montenegro en Kosovo is afgegeven voor een hoeveelheid die gelijk is aan de hoeveelheid waarvoor het invoercertificaat is aangevraagd. Het origineel van het uitvoercertificaat wordt bewaard door de bevoegde autoriteit van de lidstaat.

Artikel 5

De invoercertificaataanvraag en het invoercertificaat moeten de volgende vermeldingen bevatten:

a)

in vak 8: „Albanië”, „Bosnië en Herzegovina” of „Servië, Montenegro en Kosovo”, met een kruisje bij de vermelding „ja”. Het invoercertificaat is uitsluitend geldig voor producten van oorsprong uit Albanië, Bosnië en Herzegovina of Servië, Montenegro en Kosovo;

b)

in vak 20, voor Albanië, een van de in deel A van bijlage II opgenomen vermeldingen;

c)

in vak 20, voor Bosnië en Herzegovina, een van de in deel B van bijlage II opgenomen vermeldingen;

d)

in vak 20, voor Servië, Montenegro en Kosovo, een van de in deel C van bijlage II opgenomen vermeldingen.

Artikel 6

1.   De invoercertificaataanvragen kunnen elke week, van maandag tot en met vrijdag, worden ingediend. Uiterlijk op de eerste werkdag van de daaropvolgende week stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de naar achtcijferige GN-code uitgesplitste hoeveelheden suikerproducten waarvoor de vorige week invoercertificaten zijn aangevraagd.

De in de eerste alinea bedoelde gegevens worden elektronisch meegedeeld aan de hand van formulieren die de Commissie de lidstaten ter beschikking stelt.

2.   De Commissie stelt een weekoverzicht op van de totale hoeveelheid waarvoor invoercertificaataanvragen zijn ingediend.

3.   Indien de certificaataanvragen voor één van de in artikel 4, lid 4, van Verordening (EG) nr. 2007/2000 vastgestelde contingenten betrekking hebben op een hoeveelheid die de hoeveelheid van dat contingent overschrijdt, schorst de Commissie de indiening van aanvragen voor dat contingent voor de lopende invoerperiode, stelt zij een op elke aanvraag toe te passen uniform verminderingspercentage vast en meldt zij aan de lidstaten dat de betrokken grens is bereikt.

4.   Indien, na toepassing van de in lid 3 bedoelde maatregelen, de hoeveelheid waarvoor een certificaat wordt afgegeven, kleiner is dan de aangevraagde hoeveelheid, heeft de aanvrager na de toepassing van die maatregelen drie werkdagen de tijd om zijn certificaataanvraag in te trekken. In dat geval wordt de zekerheid onmiddellijk vrijgegeven.

5.   De certificaten worden afgegeven op de derde werkdag na de in lid 1 bedoelde mededeling, tenzij de Commissie de in lid 3 bedoelde maatregelen treft.

6.   Indien, na toepassing van de in lid 3 bedoelde maatregelen, de hoeveelheid waarvoor een invoercertificaat wordt afgegeven, kleiner is dan de aangevraagde hoeveelheid, wordt het bedrag van de zekerheid overeenkomstig verminderd.

Artikel 7

De invoercertificaten zijn geldig vanaf de dag van de feitelijke afgifte tot en met 30 juni van de betrokken invoerperiode.

Artikel 8

1.   In afwijking van artikel 8, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1291/2000 mag de in het vrije verkeer gebrachte hoeveelheid niet groter zijn dan de hoeveelheid die is aangegeven in de vakken 17 en 18 van het invoercertificaat. In vak 19 van het certificaat moet daartoe het cijfer „0” worden ingevuld.

2.   In afwijking van artikel 9, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1291/2000 zijn de uit het invoercertificaat voortvloeiende rechten niet overdraagbaar.

Artikel 9

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 240 van 23.9.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 374/2005 (PB L 59 van 5.3.2005, blz. 1).

(2)  Zoals gedefinieerd in Resolutie 1244 van de VN-Veiligheidsraad.

(3)  PB L 152 van 24.6.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1741/2004 (PB L 311 van 8.10.2004, blz. 17).

(4)  PB L 144 van 28.6.1995, blz. 14. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 96/2004 (PB L 15 van 22.1.2004, blz. 3).


BIJLAGE I

Image


BIJLAGE II

A.

In artikel 5, onder b), bedoelde vermeldingen:

:

Spaans

:

Exención de derechos de importación [Reglamento (CE) no 2007/2000, artículo 4, apartado 4], número de orden 09.4324

:

Tsjechisch

:

Osvobozeno od dovozního cla (nařízení (ES) č. 2007/2000, čl. 4 odst. 4), sériové číslo 09.4324

:

Deens

:

Fritages for importtold (artikel 4, stk. 4, i forordning (EF) nr. 2007/2000), løbenummer 09.4324

:

Duits

:

Frei von Einfuhrabgaben (Verordnung (EG) Nr. 2007/2000, Artikel 4 Absatz 4), laufende Nummer 09.4324

:

Ests

:

Impordimaksust vabastatud (määruse (EÜ) nr 2007/2000 artikli 4 lõige 4), järjekorranumber 09.4324

:

Grieks

:

Δασμολογική απαλλαγή [κανονισμός (EK) αριθ. 2007/2000, άρθρο 4 παράγραφος 4], αύξων αριθμός 09.4324

:

Engels

:

Free from import duty (Regulation (EC) No 2007/2000, Article 4(4)), order number 09.4324

:

Frans

:

Exemption du droit d'importation [article 4, paragraphe 4, du règlement (CE) no 2007/2000], numéro d'ordre 09.4324

:

Italiaans

:

Esenzione dal dazio all’importazione [Regolamento (CE) n. 2007/2000, articolo 4(4)], numero d’ordine 09.4324

:

Lets

:

Atbrīvots no importa nodokļa (Regula (EK) Nr. 2007/2000, 4. panta 4. punkts), kārtas numurs 09.4324

:

Litouws

:

Atleista nuo importo muito (Reglamentas (EB) Nr. 2007/2000, 4(4) straipsnis), kvotos numeris 09.4324

:

Hongaars

:

Mentes a behozatali vám alól (a 2007/2000/EK rendelet, 4. cikk (4) bekezdés), rendelésszám 09.4324

:

Nederlands

:

Vrij van invoerrechten (Verordening (EG) nr. 2007/2000, artikel 4, lid 4), volgnummer 09.4324

:

Pools

:

Wolne od przywozowych opłat celnych (rozporządzenie (WE) nr 2007/2000, art. 4 ust. 4), numer seryjny 09.4324

:

Portugees

:

Isenção de direitos de importação [Regulamento (CE) n.o 2007/2000, n.o 4 do artigo 4.o], número de ordem 09.4324

:

Slowaaks

:

Oslobodený od dovozného cla (nariadenie (ES) č. 2007/2000, článok 4 ods. 4), poradové číslo 09.4324

:

Sloveens

:

Brez uvozne carine (Uredba (ES) št. 2007/2000, člen 4(4)), številka kvote 09.4324

:

Fins

:

Vapaa tuontitulleista (Asetuksen (EY) N:o 2007/2000 4 artiklan 4 kohta), järjestysnumero 09.4324

:

Zweeds

:

Importtullfri (förordning (EG) nr 2007/2000, artikel 4.4), löpnummer 09.4324

B.

In artikel 5, onder c), bedoelde vermeldingen:

:

Spaans

:

Exención de derechos de importación [Reglamento (CE) no 2007/2000, artículo 4, apartado 4], número de orden 09.4325

:

Tsjechisch

:

Osvobozeno od dovozního cla (nařízení (ES) č. 2007/2000, čl. 4 odst. 4), sériové číslo 09.4325

:

Deens

:

Fritages for importtold (artikel 4, stk. 4, i forordning (EF) nr. 2007/2000), løbenummer 09.4325

:

Duits

:

Frei von Einfuhrabgaben (Verordnung (EG) Nr. 2007/2000, Artikel 4 Absatz 4), laufende Nummer 09.4325

:

Ests

:

Impordimaksust vabastatud (määruse (EÜ) nr 2007/2000 artikli 4 lõige 4), järjekorranumber 09.4325

:

Grieks

:

Δασμολογική απαλλαγή [κανονισμός (EK) αριθ. 2007/2000, άρθρο 4 παράγραφος 4], αύξων αριθμός 09.4325

:

Engels

:

Free from import duty (Regulation (EC) No 2007/2000, Article 4(4)), order number 09.4325

:

Frans

:

Exemption du droit d'importation [article 4, paragraphe 4, du règlement (CE) no 2007/2000], numéro d'ordre 09.4325

:

Italiaans

:

Esenzione dal dazio all’importazione [Regolamento (CE) n. 2007/2000, articolo 4(4)], numero d’ordine 09.4325

:

Lets

:

Atbrīvots no importa nodokļa (Regula (EK) Nr. 2007/2000, 4. panta 4. punkts), kārtas numurs 09.4325

:

Litouws

:

Atleista nuo importo muito (Reglamentas (EB) Nr. 2007/2000, 4(4) straipsnis), kvotos numeris 09.4325

:

Hongaars

:

Mentes a behozatali vám alól (a 2007/2000/EK rendelet, 4. cikk (4) bekezdés), rendelésszám 09.4325

:

Nederlands

:

Vrij van invoerrechten (Verordening (EG) nr. 2007/2000, artikel 4, lid 4), volgnummer 09.4325

:

Pools

:

Wolne od przywozowych opłat celnych (rozporządzenie (WE) nr 2007/2000, art. 4 ust. 4), numer seryjny 09.4325

:

Portugees

:

Isenção de direitos de importação [Regulamento (CE) n.o 2007/2000, n.o 4 do artigo 4.o], número de ordem 09.4325

:

Slowaaks

:

Oslobodený od dovozného cla (nariadenie (ES) č. 2007/2000, článok 4 ods. 4), poradové číslo 09.4325

:

Sloveens

:

Brez uvozne carine (Uredba (ES) št. 2007/2000, člen 4(4)), številka kvote 09.4325

:

Fins

:

Vapaa tuontitulleista (Asetuksen (EY) N:o 2007/2000 4 artiklan 4 kohta), järjestysnumero 09.4325

:

Zweeds

:

Importtullfri (förordning (EG) nr 2007/2000, artikel 4.4), löpnummer 09.4325

C.

In artikel 5, onder d), bedoelde vermeldingen:

:

Spaans

:

Exención de derechos de importación [Reglamento (CE) no 2007/2000, artículo 4, apartado 4], número de orden 09.4326

:

Tsjechisch

:

Osvobozeno od dovozního cla (nařízení (ES) č. 2007/2000, čl. 4 odst. 4), sériové číslo 09.4326

:

Deens

:

Fritages for importtold (artikel 4, stk. 4, i forordning (EF) nr. 2007/2000), løbenummer 09.4326

:

Duits

:

Frei von Einfuhrabgaben (Verordnung (EG) Nr. 2007/2000, Artikel 4 Absatz 4), laufende Nummer 09.4326

:

Ests

:

Impordimaksust vabastatud (määruse (EÜ) nr 2007/2000 artikli 4 lõige 4), järjekorranumber 09.4326

:

Grieks

:

Δασμολογική απαλλαγή [κανονισμός (EK) αριθ. 2007/2000, άρθρο 4 παράγραφος 4], αύξων αριθμός 09.4326

:

Engels

:

Free from import duty (Regulation (EC) No 2007/2000, Article 4(4)), order number 09.4326

:

Frans

:

Exemption du droit d'importation [article 4, paragraphe 4, du règlement (CE) no 2007/2000], numéro d'ordre 09.4326

:

Italiaans

:

Esenzione dal dazio all’importazione [Regolamento (CE) n. 2007/2000, articolo 4(4)], numero d’ordine 09.4326

:

Lets

:

Atbrīvots no importa nodokļa (Regula (EK) Nr. 2007/2000, 4. panta 4. punkts), kārtas numurs 09.4326

:

Litouws

:

Atleista nuo importo muito (Reglamentas (EB) Nr. 2007/2000, 4(4) straipsnis), kvotos numeris 09.4326

:

Hongaars

:

Mentes a behozatali vám alól (a 2007/2000/EK rendelet, 4. cikk (4) bekezdés), rendelésszám 09.4326

:

Nederlands

:

Vrij van invoerrechten (Verordening (EG) nr. 2007/2000, artikel 4, lid 4), volgnummer 09.4326

:

Pools

:

Wolne od przywozowych opłat celnych (rozporządzenie (WE) nr 2007/2000, art. 4 ust. 4), numer seryjny 09.4326

:

Portugees

:

Isenção de direitos de importação [Regulamento (CE) n.o 2007/2000, n.o 4 do artigo 4.o], número de ordem 09.4326

:

Slowaaks

:

Oslobodený od dovozného cla (nariadenie (ES) č. 2007/2000, článok 4 ods. 4), poradové číslo 09.4326

:

Sloveens

:

Brez uvozne carine (Uredba (ES) št. 2007/2000, člen 4(4)), številka kvote 09.4326

:

Fins

:

Vapaa tuontitulleista (Asetuksen (EY) N:o 2007/2000 4 artiklan 4 kohta), järjestysnumero 09.4326

:

Zweeds

:

Importtullfri (förordning (EG) nr 2007/2000, artikel 4.4), löpnummer 09.4326


1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/25


VERORDENING (EG) Nr. 1005/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

tot vaststelling van de afgeleide interventieprijzen voor witte suiker voor het verkoopseizoen 2005/2006

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 2, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 2, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1260/2001 is voor de verkoopseizoenen 2001/2002 tot en met 2005/2006 de interventieprijs voor witte suiker vastgesteld op 631,9 EUR per ton voor de gebieden zonder tekort.

(2)

In artikel 2, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1260/2001 is bepaald dat voor ieder gebied met een tekort elk jaar een afgeleide interventieprijs voor witte suiker moet worden vastgesteld. Bij deze vaststelling moet rekening worden gehouden met de regionale verschillen in de suikerprijs waarvan mag worden aangenomen dat ze zich bij een normale oogst en een vrij handelsverkeer in suiker zullen voordoen in de veronderstelling dat de prijsvorming op de markt normaal verloopt en rekening houdend met de ervaring en met de kosten voor het vervoer van suiker van de overschotgebieden naar de tekortgebieden.

(3)

Om te constateren of het om een tekortgebied gaat, moeten prognoses worden gemaakt op basis van door de lidstaten meegedeelde gegevens over enerzijds de ontwikkeling van het verbruik in het lopende verkoopseizoen en anderzijds de vooruitzichten voor de ontwikkeling van de beschikbare productie in het volgende verkoopseizoen. Bijgevolg kan een regio slechts als een tekortgebied worden beschouwd als uit deze prognoses met zekerheid een tekortsituatie blijkt.

(4)

Op basis hiervan valt voor de productiegebieden in Spanje, Ierland en het Verenigd Koninkrijk, Portugal en Finland een tekort te verwachten.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor suiker,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de gebieden met een tekort in de Gemeenschap wordt de afgeleide interventieprijs voor witte suiker voor het verkoopseizoen 2005/2006 vastgesteld op:

a)

648,80 EUR per ton voor alle gebieden in Spanje;

b)

646,50 EUR per ton voor alle gebieden in Ierland en het Verenigd Koninkrijk;

c)

646,50 EUR per ton voor alle gebieden in Portugal;

d)

646,50 EUR per ton voor alle gebieden in Finland.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 39/2004 van de Commissie (PB L 6 van 10.1.2004, blz. 16).


1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/26


VERORDENING (EG) Nr. 1006/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1549/2004 houdende afwijking van Verordening (EG) nr. 1785/2003 van de Raad ten aanzien van de invoerregeling voor rijst en tot vaststelling van een overgangsregeling voor de invoer van Basmati-rijst

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1785/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt (1), en met name op artikel 10, lid 2, en artikel 11, lid 4,

Gelet op Besluit 2005/476/EG van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de sluiting van een overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika over de wijze van berekening van voor gedopte rijst toegepaste rechten (2), en met name op artikel 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Besluit 2005/476/EG zijn nadere bepalingen vastgesteld voor de berekening van de toepasselijke rechten voor de invoer in de Gemeenschap van gedopte rijst van GN-code 1006 20 tussen 1 maart 2005 en 30 juni 2006. Bijgevolg moeten de nodige maatregelen worden genomen met betrekking tot de toepasselijke rechten voor de invoer van gedopte rijst van GN-code 1006 20 tijdens de vastgestelde overgangsperiode.

(2)

In afwachting van de goedkeuring van de verordening waarbij artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1785/2003 wordt gewijzigd, is bij Besluit 2005/476/EG ook de periode waarin de Commissie in afwijking van die verordening maatregelen met betrekking tot de invoerregeling voor rijst kan vaststellen, tot en met 30 juni 2006 verlengd.

(3)

Om te voorkomen dat de bij Besluit 2005/476/EG ingestelde regeling wordt verstoord door misbruik met aanvragen van invoercertificaten, moet het bedrag van de zekerheid voor certificaten voor de invoer van gedopte rijst hoog genoeg zijn. Daartoe moet worden afgeweken van artikel 12, onder a), van Verordening (EG) nr. 1342/2003 van de Commissie van 28 juli 2003 houdende bijzondere uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer- en uitvoercertificaten in de sector granen en rijst (3).

(4)

Aangezien de bij Besluit 2005/476/EG goedgekeurde overeenkomst op 1 maart 2005 in werking treedt, moet worden bepaald dat de bepalingen van deze verordening betreffende de invoerrechten voor gedopte rijst en de daaruit voortvloeiende wijzigingen inzake volwitte rijst en Basmati-rijst vanaf dezelfde datum van toepassing zijn.

(5)

Derhalve moet Verordening (EG) nr. 1549/2004 van de Commissie (4) worden gewijzigd.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1549/2004 wordt als volgt gewijzigd:

a)

Artikel 1 komt als volgt te luiden:

„Artikel 1

1.   In afwijking van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1785/2003 wordt het invoerrecht voor gedopte rijst van GN-code 1006 20 binnen tien dagen na de betrokken referentieperiode door de Commissie vastgesteld op:

a)

30 EUR per ton indien:

de werkelijke invoer van gedopte rijst in het afgelopen verkoopseizoen meer dan 15 % kleiner was dan de in lid 3, eerste alinea, bedoelde jaarlijkse referentiehoeveelheid, of

de werkelijke invoer van gedopte rijst in de eerste zes maanden van het verkoopseizoen meer dan 15 % kleiner was dan de in lid 3, tweede alinea, bedoelde halfjaarlijkse referentiehoeveelheid;

b)

42,50 EUR per ton indien:

de werkelijke invoer van gedopte rijst in het afgelopen verkoopseizoen minder dan 15 % kleiner en minder dan 15 % groter was dan de in lid 3, eerste alinea, bedoelde jaarlijkse referentiehoeveelheid, of

de werkelijke invoer van gedopte rijst in de eerste zes maanden van het verkoopseizoen minder dan 15 % kleiner en minder dan 15 % groter was dan de in lid 3, tweede alinea, bedoelde halfjaarlijkse referentiehoeveelheid;

c)

65 EUR per ton indien:

de werkelijke invoer van gedopte rijst in het afgelopen verkoopseizoen meer dan 15 % groter was dan de in lid 3, eerste alinea, bedoelde jaarlijkse referentiehoeveelheid, of

de werkelijke invoer van gedopte rijst in de eerste zes maanden van het verkoopseizoen meer dan 15 % groter was dan de in lid 3, tweede alinea, bedoelde halfjaarlijkse referentiehoeveelheid.

De Commissie stelt slechts een nieuw toepasselijk recht vast indien de overeenkomstig dit lid uitgevoerde berekeningen daartoe aanleiding geven. Het laatstelijk vastgestelde recht blijft van toepassing totdat een nieuw recht is vastgesteld.

2.   Voor de berekening van de in lid 1 bedoelde invoer wordt rekening gehouden met de hoeveelheden gedopte rijst van GN-code 1006 20 waarvoor gedurende de betrokken referentieperiode invoercertificaten zijn afgegeven overeenkomstig artikel 10, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1785/2003, met uitzondering van de in artikel 4 van deze verordening bedoelde invoercertificaten voor Basmati-rijst.

3.   De jaarlijkse referentiehoeveelheid bedraagt 431 678 t voor het verkoopseizoen 2004/2005. Deze hoeveelheid wordt met 6 000 t per jaar verhoogd voor de verkoopseizoenen 2005/2006, 2006/2007 en 2007/2008.

De halfjaarlijkse referentiehoeveelheid komt voor ieder verkoopseizoen overeen met de helft van de in de eerste alinea bedoelde referentiehoeveelheid.”.

b)

Het volgende artikel 1 bis wordt ingevoegd:

„Artikel 1 bis

In afwijking van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1342/2003 bedraagt de zekerheid voor het invoercertificaat voor gedopte rijst 30 EUR per ton.”.

c)

Het volgende artikel 1 ter wordt ingevoegd:

„Artikel 1 ter

In afwijking van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1785/2003 is het invoerrecht voor volwitte rijst van GN-code 1006 30 gelijk aan 175 EUR per ton.”.

d)

Het volgende artikel 1 quater wordt ingevoegd:

„Artikel 1 quater

In afwijking van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1785/2003 komen de in bijlage I vermelde variëteiten Basmati-rijst van de GN-codes 1006 20 17 en 1006 20 98 in aanmerking voor invoer met nulrecht.

Wanneer de eerste alinea van toepassing is, gelden de maatregelen van de artikelen 2 tot en met 8.”.

e)

Artikel 9, tweede alinea, wordt geschrapt.

f)

In artikel 10 wordt de zinsnede „worden de in artikel 1, alinea 1, van onderhavige verordening bedoelde invoerrechten” vervangen door „wordt het overeenkomstig artikel 1 van onderhavige verordening vastgestelde invoerrecht voor gedopte rijst of, in voorkomend geval, het in artikel 3 ter vastgestelde invoerrecht voor volwitte rijst”.

g)

In artikel 11 wordt „30 juni 2005” vervangen door „30 juni 2006”.

h)

In bijlage I komt de titel als volgt te luiden:

Artikel 2

De eerste vaststelling van de invoerrechten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1, onder a), vindt plaats binnen drie dagen na de bekendmaking van deze verordening.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Het bepaalde in artikel 1, onder a), c), d), f) en h), is van toepassing met ingang van 1 maart 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 96.

(2)  Zie bladzijde 67 van dit Publicatieblad.

(3)  PB L 189 van 29.7.2003, blz. 12. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1092/2004 (PB L 209 van 11.6.2004, blz. 9).

(4)  PB L 280 van 31.8.2004, blz. 13.


1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/29


VERORDENING (EG) Nr. 1007/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

tot vaststelling van de invoerrechten voor bepaalde gedopte rijst met ingang van 1 maart 2005

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1549/2004 van de Commissie van 30 augustus 2004 houdende afwijking van Verordening (EG) nr. 1785/2003 van de Raad ten aanzien van de invoerregeling voor rijst en tot vaststelling van een overgangsregeling voor de invoer van Basmati-rijst (1), en met name op artikel 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op basis van de informatie die door de bevoegde autoriteiten is verstrekt, stelt de Commissie vast dat er voor gedopte rijst van GN-code 1006 20, met uitzondering van Basmati-rijst, uitvoercertificaten zijn afgegeven voor een hoeveelheid van 212 325 ton voor de periode van 1 september 2004 tot en met 28 februari 2005. Overeenkomstig artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1549/2004 moet het invoerrecht voor andere gedopte rijst van GN-code 1006 20 dan Basmati-rijst derhalve worden gewijzigd. Deze wijziging moet worden toegepast met ingang van 1 maart 2005 aangezien ook Verordening (EG) nr. 1006/2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1549/2004 met ingang van die datum van toepassing is.

(2)

Aangezien het toepasselijke recht moet worden vastgesteld binnen een termijn van drie dagen na de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1006/2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1549/2004, dient de onderhavige verordening onverwijld in werking te treden. Aangezien het betrokken recht met terugwerkende kracht wordt vastgesteld, moet worden bepaald dat de teveel geheven rechten op verzoek van de betrokken marktdeelnemers worden terugbetaald,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het invoerrecht voor gedopte rijst van GN-code 1006 20 bedraagt 42,50 EUR per ton.

Artikel 2

Het bedrag waarmee de sinds 1 maart 2005 wettelijk verschuldigde rechten worden overschreden, wordt terugbetaald of kwijtgescholden.

In dit verband wordt de belanghebbende marktdeelnemers verzocht daartoe een verzoek in te dienen overeenkomstig het bepaalde in artikel 236 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad (2) en de betrokken uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie (3).

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf 1 maart 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 280 van 31.8.2004, blz. 13. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1006/2005 (zie bladzijde 26 van dit Publicatieblad).

(2)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1993.

(3)  PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 837/2005 (PB L 139 van 2.6.2005, blz. 1).


1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/30


VERORDENING (EG) Nr. 1008/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2771/1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad ten aanzien van de interventiemaatregelen op de markt voor boter en room

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (1), en met name op artikel 10,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 2771/1999 van de Commissie (2) is een interventieregeling voor de aankoop van boter tegen vaste prijzen vastgesteld.

(2)

Artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1255/1999 voorziet in verlagingen van de interventieprijzen voor boter. Daarom moet worden gespecificeerd welke interventieprijs, bij wijzigingen van die prijs, moet worden gebruikt voor de berekening van de aankoopprijs.

(3)

Verordening (EG) nr. 2771/1999 dient bijgevolg dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor melk en zuivelproducten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Aan artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2771/1999 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„De voor de berekening van de aankoopprijs te gebruiken interventieprijs is die welke geldt op de dag waarop de boter is bereid.”

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 186/2004 van de Commissie (PB L 29 van 3.2.2004, blz. 6).

(2)  PB L 333 van 24.12.1999, blz. 11. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2250/2004 (PB L 381 van 28.12.2004, blz. 25).


1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/31


VERORDENING (EG) Nr. 1009/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2799/1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad ten aanzien van de toekenning van steun voor ondermelk en mageremelkpoeder voor voederdoeleinden en de verkoop van voornoemd mageremelkpoeder

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (1), en met name op de artikelen 10 en 15,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2799/1999 van de Commissie (2) zijn de steunbedragen vastgesteld voor ondermelk en mageremelkpoeder die voor voederdoeleinden worden gebruikt, rekening houdend met de in artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1255/1999 genoemde factoren. Aangezien de interventieprijs voor mageremelkpoeder per 1 juli 2005 wordt verlaagd, moeten deze steunbedragen worden verlaagd.

(2)

Verordening (EG) nr. 2799/1999 moet derhalve dienovereenkomstig worden aangepast.

(3)

Het Comité van beheer voor melk en zuivelproducten heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter bepaalde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2799/1999 wordt vervangen door:

„1.   Het steunbedrag wordt vastgesteld op:

a)

2,42 EUR per 100 kg ondermelk met een eiwitgehalte over de vetvrije droge stof van ten minste 35,6 %;

b)

2,14 EUR per 100 kg ondermelk met een eiwitgehalte over de vetvrije droge stof van ten minste 31,4 % maar minder dan 35,6 %;

c)

30,00 EUR per 100 kg mageremelkpoeder met een eiwitgehalte over de vetvrije droge stof van ten minste 35,6 %;

d)

26,46 EUR per 100 kg mageremelkpoeder met een eiwitgehalte over de vetvrije droge stof van ten minste 31,4 % maar minder dan 35,6 %.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 186/2004 van de Commissie (PB L 29 van 3.2.2004, blz. 6).

(2)  PB L 340 van 31.12.1999, blz. 3. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2250/2004 (PB L 381 van 28.12.2004, blz. 25).


1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/32


VERORDENING (EG) Nr. 1010/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 628/2005 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van gekweekte zalm uit Noorwegen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name op artikel 7,

Na overleg met het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   GELDENDE MAATREGELEN

(1)

Na de opening (2) van een antidumpingonderzoek op 23 oktober 2004 heeft de Commissie op 23 april 2005 bij Verordening (EG) nr. 628/2005 (3) voorlopige antidumpingrechten ingesteld op de invoer van gekweekte zalm uit Noorwegen (hierna „de verordening tot instelling van het voorlopige recht” genoemd).

(2)

De voorlopige antidumpingrechten in de vorm van ad valorem-rechten die variëren van 6,8 % tot 24,5 % van de waarde van de ingevoerde producten worden sedert 27 april 2005 toegepast.

2.   VORM VAN DE VOORLOPIGE ANTIDUMPINGMAATREGELEN

(3)

Antidumpingmaatregelen kunnen verschillende vormen aannemen. Zo is bijvoorbeeld het eigenlijke bedrag van een ad valorem-recht afhankelijk van de invoerprijs terwijl een minimuminvoerprijs uiteraard vast is. Het doel van beide vormen van maatregelen is een einde te maken aan de schadelijke gevolgen van dumping. Bij de keuze van de vorm van de maatregelen beschikt de Commissie over een ruime discretionaire bevoegdheid. In eerdere onderzoeken met betrekking tot gekweekte zalm werd de voorkeur gegeven aan een recht in de vorm van een minimuminvoerprijs die toereikend was om een einde te maken aan de gevolgen van de schadelijke dumping.

(4)

Bij de instelling van de voorlopige maatregelen in onderhavig geval oordeelde de Commissie evenwel dat een minimuminvoerprijs misschien moeilijk kon worden opgelegd en meer risico op ontduiking van de maatregelen inhield dan andere vormen van maatregelen. Derhalve kregen de voorlopige maatregelen in het kader van dit onderzoek oorspronkelijk de vorm van ad valorem-rechten.

(5)

Na de goedkeuring van de voorlopige maatregelen heeft zich op de markt van de Gemeenschap voor gekweekte zalm een belangrijke, ongekende, en onvoorspelbare prijsstijging voorgedaan. De situatie wordt verergerd door het feit dat zalm grotendeels wordt verkocht als een vers product met een beperkte houdbaarheid. De excessieve prijsschommelingen op de markt kunnen dus niet worden opgevangen door toereikende hoeveelheden van het product op te slaan.

(6)

Door de specifieke omstandigheden van dit geval gelden de oorspronkelijke overwegingen om geen minimuminvoerprijs vast te stellen niet langer. In tegenstelling tot het verleden is het risico dat een minimuminvoerprijs zou worden ontdoken momenteel immers zeer gering. De schommelingen die nu op de markt worden waargenomen wijzen er evenwel ook op dat deze spectaculaire ontwikkeling niet voldoende duurzaam is om de bevindingen op het gebied van dumping en schade met betrekking tot het onderzoektijdvak op de helling te zetten.

(7)

Het wordt derhalve raadzaam geacht om de vorm van de maatregelen te wijzigen en een minimuminvoerprijs toe te passen. Zoals hierboven werd gesteld heeft een minimuminvoerprijs hetzelfde doel als een ad valorem-recht namelijk een einde maken aan de gevolgen van de schadelijke dumping.

(8)

Wanneer wordt ingevoerd tegen een cif-prijs grens Gemeenschap die gelijk is aan of meer bedraagt dan de vastgestelde minimuminvoerprijs hoeft geen recht te worden betaald. Indien wordt ingevoerd tegen een lagere prijs moet het verschil tussen de werkelijke prijs en de vastgestelde minimuminvoerprijs worden betaald.

(9)

In verband met de minimuminvoerprijs die een eind moet maken aan de gevolgen van de schadelijke dumping wordt erop gewezen dat onderhavige wijziging van de verordening geen wijziging behelst van de bevindingen en de methoden waarvan in de verordening tot instelling van het voorlopige recht gebruik werd gemaakt en die met name werden uiteengezet in de overwegingen 132 tot 134 van bedoelde verordening.

(10)

Aangezien invoer uit Noorwegen tegen prijzen die hoger zijn dan of gelijk zijn aan de minimuminvoerprijs een eind zal maken aan de gevolgen van de schadelijke dumping is het passend om de minimuminvoerprijs bij invoer uit Noorwegen toe te passen.

(11)

Gekweekte zalm wordt doorgaans in verschillende aanbiedingsvormen verkocht (ontdaan van ingewanden, met kop; ontdaan van ingewanden, zonder kop; hele visfilets; andere filets of stukken van filets). Bij de wijziging van de vorm van de geldende maatregelen moet derhalve een niet-schadelijke minimuminvoerprijs voor elk van deze aanbiedingsvormen worden vastgesteld waarin de extra kosten die ontstaan bij de bereiding van elk van deze aanbiedingsvormen tot uiting komen. In dit opzicht zijn de verschillende minimuminvoerprijzen gebaseerd op de bevindingen van eerdere antidumpingonderzoeken in verband met het betrokken product alsmede op de bevindingen van onderhavig antidumpingonderzoek. Deze prijzen werden dus in hoofdzaak vastgesteld door toepassing van de gewichtsomrekeningscoëfficiënten die in Verordening (EG) nr. 772/1999 van de Raad (4) zijn opgenomen en ook in onderhavig onderzoek werden gebruikt.

(12)

De exporteurs/producenten moeten er zich van bewust zijn dat indien wordt vastgesteld dat de maatregelen niet doeltreffend zijn, en met name indien de minimuminvoerprijs wordt gemanipuleerd, geabsorbeerd of ontdoken, de Commissie na overleg met het Raadgevend Comité desgevallend nogmaals wijzigingen in Verordening (EG) nr. 628/2005 kan aanbrengen om de doeltreffendheid van de maatregelen te waarborgen.

3.   DUUR VAN DE MAATREGELEN

(13)

De voorlopige antidumpingmaatregelen waren oorspronkelijk ingesteld voor een periode van zes maanden. Exporteurs/producenten die een aanzienlijk percentage van de bedrijfstak uitmaken, hebben om een verlenging van de geldigheidsduur van de voorlopige maatregelen met een periode van maximaal drie maanden verzocht.

(14)

Overeenkomstig artikel 7, lid 7, van de basisverordening wordt derhalve besloten de geldigheidsduur van de voorlopige maatregelen te verlengen tot en met 22 januari 2006.

4.   SLOTBEPALINGEN

(15)

Rekening houdend met de beginselen van behoorlijk bestuur en met het feit dat termijnen voor reacties reeds waren vastgesteld in de verordening tot instelling van het voorlopige recht moet een termijn worden vastgesteld waarbinnen de belanghebbenden die zich binnen de in het bericht van inleiding vastgestelde termijn bekendmaakten hun standpunten schriftelijk kunnen meedelen en kunnen verzoeken te worden gehoord. Bovendien wordt erop gewezen dat de bevindingen met betrekking tot de instelling van rechten in het kader van onderhavige verordening voorlopig zijn en met het oog op de vaststelling van definitieve rechten eventueel moeten worden herzien,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 1 van Verordening (EG) nr. 628/2005 wordt vervangen door de volgende tekst:

„1.   Er wordt een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op gekweekte (andere dan wilde) zalm, al dan niet gefileerd, vers, gekoeld of bevroren, ingedeeld onder de GN-codes ex 0302 12 00, ex 0303 11 00, ex 0303 19 00, ex 0303 22 00, ex 0304 10 13 en ex 0304 20 13 (hierna „gekweekte zalm” genoemd) uit Noorwegen.

2.   Het voorlopige antidumpingrecht geldt niet voor wilde zalm. Wilde zalm in de zin van deze verordening is zalm waarvan ten genoegen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de aangifte voor het vrije verkeer wordt aanvaard, met behulp van alle door de belanghebbenden over te leggen passende documenten wordt aangetoond dat deze in zee (voor Atlantische of Pacifische zalm) of in rivieren (voor Donau-zalm) is gevangen.

3.   Het voorlopige antidumpingrecht is gelijk aan het verschil tussen de in lid 4 vastgestelde minimuminvoerprijs en de prijs franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, indien laatstgenoemde lager is dan eerstgenoemde. Er wordt geen recht geïnd indien de nettoprijs, franco grens Gemeenschap gelijk is aan of hoger is dan de in lid 4 vastgestelde corresponderende minimuminvoerprijs.

4.   Als minimuminvoerprijzen in de zin van lid 3 gelden per kilogram nettogewicht van het product:

Aanbiedingsvorm van de gekweekte zalm

Minimuminvoerprijs EUR/kg nettogewicht van het product

Taric-code

Hele vis vers, gekoeld of bevroren

2,81

0302120012030212003303021200930303110093030319009303032200120303220083

Ontdaan van ingewanden, met kop, vers, gekoeld of bevroren

3,12

0302120013030212003403021200940303110094030319009403032200130303220084

Andere (inclusief ontdaan van ingewanden, zonder kop), vers, gekoeld of bevroren

3,51

030212001503021200360302120096030311001803031100960303190018030319009603032200150303220086

Hele visfilets en in stukken gesneden filets van meer dan 300 g per filet, vers, gekoeld of bevroren

4,99

0304101312030410139303042013120304201393

Andere hele visfilets en in stukken gesneden filets van niet meer dan 300 g per filet, vers, gekoeld of bevroren

6,00

0304101315030410139603042013150304201396

5.   Bij het in het vrije verkeer brengen in de Gemeenschap van het product waarnaar in lid 1 wordt verwezen moet een zekerheid worden gesteld die gelijk is aan het bedrag van het voorlopige recht.

6.   Wanneer de goederen vóór ze in het vrije verkeer worden gebracht, werden beschadigd, waardoor de werkelijk betaalde of te betalen prijs voor de vaststelling van de douanewaarde overeenkomstig artikel 145 van Verordening (EG) nr. 2454/93 (5) van de Commissie verhoudingsgewijs werd verlaagd, wordt het bedrag van het overeenkomstig lid 4 berekende antidumpingrecht eveneens verlaagd met een percentage dat met de verlaging van de betaalde of te betalen prijs overeenstemt.

7.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten op dit recht van toepassing.

Artikel 2

Onverminderd het bepaalde in artikel 20 van Verordening (EG) nr. 384/96 kunnen belanghebbenden binnen 10 dagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening verzoeken om bekendmaking van de essentiële gegevens en overwegingen op basis waarvan deze verordening werd goedgekeurd, hun standpunten schriftelijk bekendmaken en verzoeken door de Commissie te worden gehoord.

Artikel 3

De tweede zin van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 628/2005 wordt vervangen door de volgende tekst:

„Artikel 1 van deze verordening is van toepassing tot 22 januari 2006.”

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking drie dagen na haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

Peter MANDELSON

Lid van de Commissie


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 461/2004 (PB L 77 van 13.3.2004, blz. 12).

(2)  PB C 261 van 23.10.2004, blz. 8.

(3)  PB L 104 van 23.4.2005, blz. 5.

(4)  PB L 101 van 16.4.1999, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 321/2003 (PB L 47 van 21.2.2003, blz. 3).

(5)  PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1.”


1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/35


VERORDENING (EG) Nr. 1011/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

tot vaststelling van de representatieve prijzen en de aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2005/2006

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 24, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 1423/95 van de Commissie van 23 juni 1995 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor de invoer van producten uit de sector suiker, andere dan melasse (2) is bepaald dat de cif-invoerprijzen voor witte suiker en voor ruwe suiker, vastgesteld overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 784/68 van de Commissie (3), worden beschouwd als „representatieve prijzen”. Deze prijzen gelden voor de standaardkwaliteit zoals gedefinieerd in bijlage I, punt I en II van Verordening (EG) nr. 1260/2001.

(2)

Bij de vaststelling van deze representatieve prijzen moet rekening worden gehouden met alle in artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 784/68 genoemde gegevens, behalve in de in artikel 3 van die verordening genoemde gevallen.

(3)

Voor de aanpassing van prijzen die geen betrekking hebben op de standaardkwaliteit, dienen voor witte suiker de overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 784/68 vastgestelde toeslagen of kortingen op de in aanmerking genomen aanbiedingen te worden toegepast. Voor ruwe suiker moeten de aanpassingscoëfficiënten worden toegepast zoals omschreven in artikel 5, lid 1, onder b).

(4)

Indien er een verschil is tussen de reactieprijs voor het betrokken product en de representatieve prijs, moeten aanvullende invoerrechten worden vastgesteld overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1423/95.

(5)

De representatieve prijzen en de aanvullende invoerrechten voor de betrokken producten moeten worden vastgesteld overeenkomstig artikel 1, lid 2, tweede alinea, en artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1423/95.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor suiker,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De representatieve prijzen en de aanvullende invoerrechten voor de in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1423/95 bedoelde producten worden voor het verkoopseizoen 2005/2006 vastgesteld zoals aangegeven in de bijlage.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 39/2004 van de Commissie (PB L 6 van 10.1.2004, blz. 16).

(2)  PB L 141 van 24.6.1995, blz. 16. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 624/98. (PB L 85 van 20.3.1998, blz. 5).

(3)  PB L 145 van 27.6.1968, blz. 10. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 260/96. (PB L 34 van 13.2.1996, blz. 16).


BIJLAGE

Representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en producten van GN-code 1702 90 99 die van toepassing zijn vanaf 1 juli 2005

(EUR)

GN-code

Representatieve prijs per 100 kg nettogewicht van het betrokken product

Aanvullend invoerrecht per 100 kg nettogewicht van het betrokken product

1701 11 10 (1)

21,64

5,48

1701 11 90 (1)

21,64

10,80

1701 12 10 (1)

21,64

5,29

1701 12 90 (1)

21,64

10,28

1701 91 00 (2)

24,83

13,03

1701 99 10 (2)

24,83

8,30

1701 99 90 (2)

24,83

8,30

1702 90 99 (3)

0,25

0,40


(1)  Vastgesteld voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage I, punt II, bij Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad (PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1).

(2)  Vastgesteld voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage I, punt I, bij Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad.

(3)  Vastgesteld per procentpunt sacharosegehalte.


1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/37


VERORDENING (EG) Nr. 1012/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

tot vaststelling, voor de sector suiker, vanaf 1 juli 2005 geldende representatieve prijzen en de bedragen van de aanvullende invoerrechten voor melasse

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 24, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 1422/95 van de Commissie van 23 juni 1995 tot vaststelling, voor de sector suiker, van de uitvoeringsbepalingen voor de invoer van melasse en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 785/68 (2) is bepaald dat de cif-invoerprijs voor melasse, vastgesteld overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 785/68 van de Commissie (3), als „representatieve prijs” wordt aangemerkt. Deze prijs geldt voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 785/68.

(2)

Voor de vaststelling van de representatieve prijs moet rekening worden gehouden met alle in artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 785/68 genoemde inlichtingen, behalve in de in artikel 4 van die verordening genoemde gevallen. In voorkomend geval, mag deze vaststelling plaatsvinden overeenkomstig de in artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 785/68 aangegeven werkwijze.

(3)

Voor andere kwaliteiten dan de standaardkwaliteit moeten de prijzen naar gelang van de kwaliteit van de aangeboden melasse overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 785/68 worden verhoogd of verlaagd.

(4)

Indien er een verschil is tussen de reactieprijs voor het betrokken product en de representatieve prijs, moeten aanvullende invoerrechten worden vastgesteld overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1422/95. Als de invoerrechten worden geschorst overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1422/95, moeten specifieke bedragen ter vervanging van die rechten worden vastgesteld.

(5)

De representatieve prijzen en de aanvullende invoerrechten voor de betrokken producten moeten worden vastgesteld overeenkomstig artikel 1, lid 2, en artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1422/95.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor suiker,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De representatieve prijzen en de aanvullende invoerrechten voor de in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1422/95 bedoelde producten worden vastgesteld in de bijlage.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 39/2004 van de Commissie (PB L 6 van 10.1.2004, blz. 16).

(2)  PB L 141 van 24.6.1995, blz. 12. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 79/2003 (PB L 13 van 18.1.2003, blz. 4).

(3)  PB 145 van 27.6.1968, blz. 12. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1422/95.


BIJLAGE

Vaststelling, voor de sector suiker, van de representatieve prijzen en de aanvullende invoerrechten voor melasse van toepassing vanaf 1 juli 2005

(EUR)

GN-code

Representatieve prijs per 100 kg netto van het betrokken product

Aanvullend recht per 100 kg netto van het betrokken product

Toe te passen recht bij invoer als gevolg van schorsing van de invoerrechten, als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1422/95, per 100 kg netto van het betrokken product (1)

1703 10 00 (2)

11,45

0

1703 90 00 (2)

12,00

0


(1)  Dit bedrag vervangt, overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1422/95, het voor deze producten vastgestelde bedrag van het recht van het gemeenschappelijk douanetarief.

(2)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in artikel 1 van de gewijzigde Verordening (EEG) nr. 785/68.


1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/39


VERORDENING (EG) Nr. 1013/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

tot vaststelling van de restituties bij uitvoer van witte en ruwe suiker in onveranderde vorm

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), inzonderheid op artikel 27, lid 5, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 27 van Verordening (EG) nr. 1260/2001 kan het verschil tussen de noteringen of de prijzen op de wereldmarkt voor de in artikel 1, lid 1, onder a), van die verordening genoemde producten en de prijzen voor deze producten in de Gemeenschap overbrugd worden door een restitutie bij de uitvoer.

(2)

Krachtens Verordening (EG) nr. 1260/2001 moeten de restituties voor witte suiker en ruwe suiker, welke niet gedenatureerd en in onveranderde vorm uitgevoerd zijn, vastgesteld worden rekening houdend met de toestand op de markt van de Gemeenschap en op de wereldmarkt voor suiker, en vooral met de in artikel 28 van genoemde verordening bedoelde prijs- en kostenelementen. Volgens dit artikel moet eveneens met het economische aspect van de voorgenomen uitvoertransactie rekening worden gehouden.

(3)

Voor ruwe suiker moet de restitutie vastgesteld worden voor de standaardkwaliteit die bepaald is in bijlage I, punt II, van Verordening (EG) nr. 1260/2001. Deze restitutie werd bovendien vastgesteld overeenkomstig artikel 28, lid 4, van deze verordening. Kandijsuiker werd omschreven in Verordening (EG) nr. 2135/95 van de Commissie van 7 september 1995 inzake uitvoeringsbepalingen voor de toekenning van uitvoerrestituties in de sector suiker (2). Het aldus berekende restitutiebedrag voor gearomatiseerde suiker en suiker waaraan kleurstoffen zijn toegevoegd, moet gelden voor de hoeveelheid sacharose in de betreffende suiker en bijgevolg worden vastgesteld per percent sacharosegehalte.

(4)

In bijzondere gevallen kan het bedrag van de restitutie worden vastgesteld bij besluiten van verschillende aard.

(5)

De restitutie moet elke twee weken worden vastgesteld. De restitutie kan tussentijds gewijzigd worden.

(6)

Krachtens artikel 27, lid 5, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1260/2001 kan de restitutie voor de in artikel 1 van deze verordening genoemde producten naar bestemming variëren indien dat vanwege de situatie op de wereldmarkt of de specifieke vereisten van bepaalde markten noodzakelijk is.

(7)

De aanzienlijke en snelle toename van de preferentiële invoer van suiker uit de westelijke Balkanlanden sedert begin 2001 en de uitvoer van suiker uit de Gemeenschap naar die landen lijken grotendeels kunstmatig te zijn.

(8)

Ter voorkoming van misbruiken waarbij producten van de suikersector waarvoor een uitvoerrestitutie is toegekend, weer in de Gemeenschap worden ingevoerd, mag voor geen van de westelijke Balkanlanden een restitutie worden vastgesteld voor de in deze verordening bedoelde producten.

(9)

Op grond van bovenstaande overwegingen en van de huidige situatie van de suikermarkt, en met name van de noteringen of prijzen van suiker in de Gemeenschap en op de wereldmarkt, dienen de restituties op een passend niveau te worden vastgesteld.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor suiker,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De restituties bij de uitvoer in onveranderde vorm van de in artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1260/2001 genoemde producten, welke niet gedenatureerd zijn, worden vastgesteld overeenkomstig de bedragen aangegeven in de bijlage.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 39/2004 van de Commissie (PB L 6 van 10.1.2004, blz. 16).

(2)  PB L 214 van 8.9.1995, blz. 16.


BIJLAGE

RESTITUTIES BIJ UITVOER VAN WITTE SUIKER EN RUWE SUIKER IN ONVERANDERDE VORM VAN TOEPASSING VANAF 1 JULI 2005 (1)

Productcode

Bestemming

Meeteenheid

Restitutiebedrag

1701 11 90 9100

S00

EUR/100 kg

32,04 (2)

1701 11 90 9910

S00

EUR/100 kg

32,04 (2)

1701 12 90 9100

S00

EUR/100 kg

32,04 (2)

1701 12 90 9910

S00

EUR/100 kg

32,04 (2)

1701 91 00 9000

S00

EUR/1 % saccharose × 100 kg nettogewicht product

0,3483

1701 99 10 9100

S00

EUR/100 kg

34,83

1701 99 10 9910

S00

EUR/100 kg

34,83

1701 99 10 9950

S00

EUR/100 kg

34,83

1701 99 90 9100

S00

EUR/1 % saccharose × 100 kg nettogewicht product

0,3483

NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A” zijn vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1).

De numerieke codes voor de bestemmingen zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2081/2003 van de Commissie (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11).

De andere bestemmingen worden als volgt vastgesteld:

S00

:

alle bestemmingen (derde landen, andere gebieden, bevoorrading en met uitvoer uit de Gemeenschap gelijkgestelde bestemmingen) met uitzondering van Albanië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Montenegro (met inbegrip van Kosovo, zoals gedefinieerd in Resolutie 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 10 juni 1999) en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië; de uitzondering geldt niet voor suiker die verwerkt is in producten als bedoeld in artikel 1, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 2201/96 van de Raad (PB L 297 van 21.11.1996, blz. 29).


(1)  De in deze bijlage vastgestelde restituties zijn niet van toepassing met ingang van 1 februari 2005 overeenkomstig Besluit 2005/45/EG van de Raad van 22 december 2004 betreffende het sluiten en de voorlopige toepassing van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972, wat de bepalingen betreffende verwerkte landbouwproducten betreft (PB L 23 van 26.1.2005, blz. 17).

(2)  Dit bedrag geldt voor ruwe suiker met een rendement van 92 %. Indien het rendement van de geëxporteerde ruwe suiker afwijkt van 92 %, wordt het bedrag van de toe te passen restitutie berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 28, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1260/2001.


1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/41


VERORDENING (EG) Nr. 1014/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

tot vaststelling van de restituties bij uitvoer in ongewijzigde staat voor stropen en bepaalde andere producten van de suikersector

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 27, lid 5, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 27 van Verordening (EG) nr. 1260/2001 bepaalt dat het verschil tussen de noteringen of de prijzen op de wereldmarkt voor de in artikel 1, lid 1, onder d), van genoemde verordening genoemde producten en de prijzen van de Gemeenschap overbrugd kan worden door een restitutie bij de uitvoer.

(2)

Volgens artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2135/95 van de Commissie van 7 september 1995 inzake uitvoeringsbepalingen voor de toekenning van uitvoerrestituties in de sector suiker (2) is de restitutie voor 100 kg van de in artikel 1, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 1260/2001 genoemde producten die worden uitgevoerd, gelijk aan het basisbedrag, vermenigvuldigd met het sacharosegehalte, in voorkomend geval verhoogd met het gehalte aan andere als sacharose berekende suikersoorten. Dit sacharosegehalte van het betrokken product wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2135/95 vastgesteld.

(3)

Volgens artikel 30, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1260/2001 moet het basisbedrag van de restitutie voor sorbose, uitgevoerd in ongewijzigde staat, gelijk zijn aan het basisbedrag van de restitutie, verminderd met een honderdste van de restitutie bij de productie die, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1265/2001 van de Commissie van 27 juni 2001 houdende vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad, wat de productierestitutie voor bepaalde in de chemische industrie gebruikte producten van de sector suiker betreft (3), geldt voor de in de bijlage bij deze laatste verordening vermelde producten.

(4)

Volgens artikel 30, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1260/2001 moet het basisbedrag van de restitutie voor de overige in artikel 1, lid 1, onder d), van genoemde verordening bedoelde en in onveranderde vorm uitgevoerde producten gelijk zijn aan het honderdste deel van het bedrag dat wordt bepaald met inachtneming van enerzijds het verschil tussen de interventieprijs voor witte suiker die gedurende de maand waarvoor het basisbedrag wordt vastgesteld, geldt voor de niet-deficitaire gebieden van de Gemeenschap, en de voor witte suiker op de wereldmarkt geconstateerde noteringen of prijzen, en anderzijds de noodzaak om een evenwicht tot stand te brengen tussen het gebruik van basisproducten uit de Gemeenschap met het oog op de uitvoer van verwerkte producten naar derde landen en het gebruik van de tot het veredelingsverkeer toegelaten producten uit deze landen.

(5)

Volgens artikel 30, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1260/2001 kan de toepassing van het basisbedrag beperkt worden tot bepaalde in artikel 1, lid 1, onder d), van genoemde verordening bedoelde producten.

(6)

Krachtens artikel 27 van Verordening (EG) nr. 1260/2001 kan een restitutie worden vastgesteld bij uitvoer in ongewijzigde staat van de in artikel 1, lid 1, onder f), g) en h), van die verordening genoemde producten. Het niveau van de restitutie moet worden vastgesteld voor 100 kg droge stof, waarbij rekening wordt gehouden met de restitutie bij uitvoer voor de producten van GN-code 1702 30 91, de restitutie bij uitvoer van de in artikel 1, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 1260/2001 bedoelde producten en met de economische aspecten van de betrokken uitvoer. Voor de onder f) en g) van voornoemd lid 1 bedoelde producten wordt de restitutie slechts toegekend voor producten die voldoen aan de voorwaarden welke zijn vastgesteld in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2135/95 en wordt voor de onder h) bedoelde producten de restitutie alleen toegekend voor producten die voldoen aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 2135/95.

(7)

De bovengenoemde restituties dienen maandelijks vastgesteld te worden. Zij kunnen tussentijds worden gewijzigd.

(8)

Krachtens artikel 27, lid 5, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1260/2001 kunnen de situatie op de wereldmarkt of specifieke vereisten van bepaalde markten het noodzakelijk maken de restitutie voor de in artikel 1 van deze verordening genoemde producten te differentiëren naar gelang van hun bestemming.

(9)

De aanzienlijke en snelle toename van de preferentiële invoer van suiker van herkomst uit de westelijke Balkanlanden sinds het begin van 2001 en de uitvoer van suiker van de Gemeenschap naar die landen lijken een zeer kunstmatig verschijnsel te zijn.

(10)

Om eventuele misbruiken door wederinvoer in de Europese Unie van producten van de suikersector waarvoor een uitvoerrestitutie is verleend te voorkomen, is het dienstig voor de westelijke Balkanlanden als geheel geen restituties voor de in deze verordening bedoelde producten vast te stellen.

(11)

Gelet op deze feiten dienen de restituties voor de betrokken producten te worden vastgesteld op een passend niveau.

(12)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor suiker,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De restituties bij uitvoer in ongewijzigde staat van de in artikel 1, lid 1, onder d), f), g) en h), van Verordening (EG) nr. 1260/2001 genoemde producten worden vastgesteld op de bedragen als aangegeven in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 39/2004 van de Commissie (PB L 6 van 10.1.2004, blz. 6).

(2)  PB L 214 van 8.9.1995, blz. 16.

(3)  PB L 178 van 30.6.2001, blz. 63.


BIJLAGE

RESTITUTIES BIJ UITVOER IN ONGEWIJZIGDE STAAT VOOR STROPEN EN BEPAALDE ANDERE PRODUCTEN VAN DE SUIKERSECTOR, VAN TOEPASSING MET INGANG VAN 1 JULI 2005 (1)

Productcode

Bestemming

Meeteenheid

Restitutiebedrag

1702 40 10 9100

S00

EUR/100 kg droge stof

34,83 (2)

1702 60 10 9000

S00

EUR/100 kg droge stof

34,83 (2)

1702 60 80 9100

S00

EUR/100 kg droge stof

66,17 (3)

1702 60 95 9000

S00

EUR/1 % sacharose × 100 kg nettoproduct

0,3483 (4)

1702 90 30 9000

S00

EUR/100 kg droge stof

34,83 (2)

1702 90 60 9000

S00

EUR/1 % sacharose × 100 kg nettoproduct

0,3483 (4)

1702 90 71 9000

S00

EUR/1 % sacharose × 100 kg nettoproduct

0,3483 (4)

1702 90 99 9900

S00

EUR/1 % sacharose × 100 kg nettoproduct

0,3483 (4)  (5)

2106 90 30 9000

S00

EUR/100 kg droge stof

34,83 (2)

2106 90 59 9000

S00

EUR/1 % sacharose × 100 kg nettoproduct

0,3483 (4)

NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A” zijn vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1).

De numerieke codes voor de bestemmingen zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2081/2003 (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11).

De andere bestemmingen worden als volgt vastgesteld:

S00

:

alle bestemmingen (derde landen, andere gebieden, bevoorrading en met uitvoer uit de Gemeenschap gelijkgestelde bestemmingen) met uitzondering van Albanië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Montenegro (met inbegrip van Kosovo, als omschreven in resolutie nr. 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 10 juni 1999) en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië; de uitzondering geldt niet voor suiker die verwerkt is in producten als bedoeld in artikel 1, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 2201/96 van de Raad (PB L 297 van 21.11.1996, blz. 29).


(1)  De in deze bijlage vastgestelde restituties zijn niet van toepassing met ingang van 1 februari 2005 overeenkomstig Besluit 2005/45/EG van de Raad van 22 december 2004 betreffende het sluiten en de voorlopige toepassing van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972, wat de bepalingen betreffende verwerkte landbouwproducten betreft (PB L 23 van 26.1.2005, blz. 17).

(2)  Alleen geldig voor de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2135/95 bedoelde producten.

(3)  Alleen geldig voor de in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 2135/95 bedoelde producten.

(4)  Het basisbedrag is niet van toepassing op stropen met een zuiverheid van minder dan 85 % (Verordening (EG) nr. 2135/95). Het sacharosegehalte wordt overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2135/95 vastgesteld.

(5)  Het basisbedrag is niet van toepassing op het in de bijlage, punt 2, van Verordening (EEG) nr. 3513/92 van de Commissie (PB L 355 van 5.12.1992, blz. 12) bedoelde product.


1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/44


VERORDENING (EG) Nr. 1015/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

tot vaststelling van het maximumbedrag van de restitutie bij uitvoer naar bepaalde derde landen van witte suiker voor de 31e deelinschrijving in het kader van de inschrijving bedoeld in Verordening (EG) nr. 1327/2004

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 27, lid 5, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Verordening (EG) nr. 1327/2004 van de Commissie van 19 juli 2004 inzake een permanente inschrijving voor het verkoopseizoen 2004/2005 voor de vaststelling van heffingen en/of restituties bij uitvoer van witte suiker (2) worden deelinschrijvingen gehouden voor de uitvoer naar bepaalde derde landen van deze suiker.

(2)

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 9, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1327/2004, naar gelang van het geval, wordt een maximumbedrag van de restitutie bij uitvoer vastgesteld voor de betrokken deelinschrijving, waarbij met name rekening wordt gehouden met de situatie en de te verwachten ontwikkeling van de suikermarkt in de Gemeenschap en daarbuiten.

(3)

Het Comité van beheer voor suiker heeft geen advies itgebracht binnen de door zijn voorzitter bepaalde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de 31e deelinschrijving voor witte suiker, gehouden krachtens Verordening (EG) nr. 1327/2004, wordt het maximumbedrag van de restitutie bij uitvoer vastgesteld op 37,970 EUR/100 kg.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 39/2004 van de Commissie (PB L 6 van 10.1.2004, blz. 16).

(2)  PB L 246 van 20.7.2004, blz. 23. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1685/2004 (PB L 303 van 30.9.2004, blz. 21).


1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/45


VERORDENING (EG) Nr. 1016/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

tot vaststelling van de productierestitutie voor in de chemische industrie gebruikte witte suiker voor de periode van 1 tot en met 31 juli 2005

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 7, lid 5, vijfde streepje,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1260/2001 kan worden besloten om restituties bij de productie te verlenen voor de in artikel 1, lid 1, onder a) en f), genoemde producten, voor de onder d) van dat lid genoemde stropen, en voor chemisch zuivere fructose (levulose) van GN-code 1702 50 00 als tussenproduct, die zich in een van de in artikel 23, lid 2, van het Verdrag bedoelde situaties bevinden en worden gebruikt bij de vervaardiging van bepaalde producten van de chemische industrie.

(2)

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1265/2001 van de Commissie van 27 juni 2001 houdende vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad, wat de productierestitutie voor bepaalde in de chemische industrie gebruikte producten van de sector suiker betreft (2) worden deze restituties bepaald op basis van de voor witte suiker vastgestelde restitutie.

(3)

In artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1265/2001 is bepaald dat de productierestitutie voor witte suiker maandelijks wordt vastgesteld voor perioden die op de eerste van iedere maand beginnen.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor suiker,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1265/2001 bedoelde productierestitutie voor witte suiker wordt voor de periode van 1 tot en met 31 juli 2005 vastgesteld op 33,170 EUR/100 kg nettogewicht.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 39/2004 van de Commissie (PB L 6 van 10.1.2004, blz. 16).

(2)  PB L 178 van 30.6.2001, blz. 63.


1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/46


VERORDENING (EG) Nr. 1017/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 1 juli 2005

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1249/96 van de Commissie van 28 juni 1996 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad ten aanzien van de invoerrechten in de sector granen (2), en met name op artikel 2, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1784/2003 is bepaald dat bij de invoer van de in artikel 1 van die verordening bedoelde producten de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief worden geheven. Voor de producten als bedoeld in lid 2 van dat artikel is het invoerrecht echter gelijk aan de interventieprijs voor deze producten bij de invoer, verhoogd met 55 % en verminderd met de cif-invoerprijs van de betrokken zending. Dit invoerrecht mag echter niet hoger zijn dan het recht van het gemeenschappelijk douanetarief.

(2)

In artikel 10, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 is bepaald dat de cif-invoerprijzen worden berekend aan de hand van de representatieve prijzen voor het betrokken product op de wereldmarkt.

(3)

Bij Verordening (EG) nr. 1249/96 zijn bepalingen vastgesteld voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1784/2003 ten aanzien van de invoerrechten in de sector granen.

(4)

De vastgestelde invoerrechten zijn van toepassing totdat een nieuwe vaststelling in werking treedt.

(5)

Voor het normaal functioneren van het stelsel van invoerrechten moeten deze rechten worden berekend aan de hand van de in een referentieperiode geconstateerde representatieve marktkoersen.

(6)

De toepassing van Verordening (EG) nr. 1249/96 leidt ertoe de invoerrechten vast te stellen zoals vermeld in bijlage I bij deze verordening,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde invoerrechten in de sector granen worden vastgesteld in bijlage I bij deze verordening en zijn bepaald aan de hand van de in bijlage II vermelde elementen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78.

(2)  PB L 161 van 29.6.1996, blz. 125. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1110/2003 (PB L 158 van 27.6.2003, blz. 12).


BIJLAGE I

Vanaf 1 juli 2005 geldende invoerrechten voor de in artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde producten

GN-code

Omschrijving

Invoerrecht (1)

(in EUR/ton)

1001 10 00

Harde tarwe van hoge kwaliteit

0,00

van gemiddelde kwaliteit

0,00

van lage kwaliteit

0,00

1001 90 91

Zachte tarwe, zaaigoed

0,00

ex 1001 90 99

Zachte tarwe van hoge kwaliteit, andere dan voor zaaidoeleinden

0,00

1002 00 00

Rogge

31,38

1005 10 90

Maïs, zaaigoed, andere dan hybriden

56,45

1005 90 00

Maïs, andere dan zaaigoed (2)

56,45

1007 00 90

Graansorgho, andere dan hybriden bestemd voor zaaidoeleinden

36,37


(1)  Voor producten die via de Atlantische Oceaan of het Suezkanaal in de Gemeenschap worden aangevoerd (artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1249/96) komt de importeur in aanmerking voor een verlaging van het invoerrecht met:

3 EUR/t, als de loshaven aan de Middellandse Zee ligt, of

2 EUR/t, als de loshaven in Ierland, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Estland, Letland, Litouen, Polen, Finland, Zweden of aan de Atlantische kust van het Iberisch Schiereiland ligt.

(2)  De importeur komt in aanmerking voor een forfaitaire verlaging van het invoerrecht met 24 EUR/t, als aan de in artikel 2, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1249/96 vastgestelde voorwaarden is voldaan.


BIJLAGE II

Berekeningselementen

periode van 16.6.2005-29.6.2005

1)

Gemiddelden over de referentieperiode bepaald in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96:

Beursnotering

Minneapolis

Chicago

Minneapolis

Minneapolis

Minneapolis

Minneapolis

Product (eiwitgehalte bij 12 % vocht)

HRS2

YC3

HAD2

Van gemiddelde kwaliteit (1)

Van lage kwaliteit (2)

US barley 2

Notering (EUR/t)

121,61 (3)

73,59

170,08

160,08

140,08

91,34

Golfpremie (EUR/t)

9,19

 

 

Grote-Merenpremie (EUR/t)

31,79

 

 

2)

Gemiddelden over de referentieperiode bepaald in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96:

Vrachttarieven/kosten: Golf van Mexico–Rotterdam: 22,80 EUR/t; Grote Meren–Rotterdam: 34,31 EUR/t.

3)

Subsidies bedoeld in artikel 4, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1249/96:

0,00 EUR/t (HRW2)

0,00 EUR/t (SRW2).


(1)  Een korting van 10 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).

(2)  Een korting van 30 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).

(3)  Premie van 14 EUR/t inbegrepen (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).


1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/49


VERORDENING (EG) Nr. 1018/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

tot beperking van de geldigheidsduur van de uitvoercertificaten voor bepaalde op basis van granen verwerkte producten

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 9,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1342/2003 van de Commissie van 28 juli 2003 houdende bijzondere uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer- en uitvoercertificaten in de sector granen en rijst (2), en met name op artikel 7, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1342/2003 is de geldigheidsduur van de uitvoercertificaten met name voor de op basis van maïs verwerkte producten vastgesteld. Deze uitvoercertificaten zijn geldig tot het einde van de vierde maand na de datum van afgifte. De geldigheidsduur wordt vastgesteld in overeenstemming met de behoeften van de markt en de eisen van een goed beheer.

(2)

Bij de huidige toestand van de markt voor maïs is het wenselijk de afgifte van certificaten te beperken, teneinde geen verplichtingen aan te gaan voor hoeveelheden van het volgende verkoopseizoen. De certificaten die de komende weken worden afgegeven, dienen te worden gereserveerd voor de uitvoer die vóór 3 september 2005 plaatsvindt. Met het oog hierop is het noodzakelijk de geldigheidsduur van de uitvoercertificaten voor uitvoer die tot en met 2 september 2005 plaatsvindt, tijdelijk te beperken. Derhalve is het dienstig tijdelijk af te wijken van het bepaalde in artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1342/2003.

(3)

Voor een goed beheer van de markt en om speculatie tegen te gaan is het noodzakelijk te bepalen dat de douaneformaliteiten voor de uitvoercertificaten voor op basis van maïs verwerkte producten uiterlijk op 2 september 2005 vervuld moeten zijn, ongeacht of deze uitvoercertificaten bestemd zijn voor rechtstreekse uitvoer of voor uitvoer in het kader van de regeling van de artikelen 4 en 5 van Verordening (EEG) nr. 565/80 van de Raad van 4 maart 1980 betreffende de vooruitbetaling van de uitvoerrestituties voor landbouwproducten (3). Deze beperking houdt een afwijking in van artikel 28, lid 6, en artikel 29, lid 5, van Verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (4).

(4)

Om verstoring van de markt te voorkomen, moet de uitvoering van de maatregelen in deze verordening ingaan op de datum waarop deze in werking treedt.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   In afwijking van artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1342/2003, is de geldigheidsduur van de uitvoercertificaten voor de in de bijlage vermelde producten waarvoor op of na de datum van inwerkingtreding van deze verordening tot en met 26 augustus 2005 aanvragen worden ingediend, beperkt tot en met 2 september 2005.

2.   De douaneformaliteiten in verband met de uitvoer moeten voor de bovengenoemde certificaten uiterlijk op 2 september 2005 zijn vervuld.

Deze uiterste datum is eveneens van toepassing op de in artikel 32 van Verordening (EG) nr. 800/1999 bedoelde formaliteiten voor de producten met dergelijke certificaten waarvoor de regeling van Verordening (EEG) nr. 565/80 geldt.

In vak 22 van deze certificaten moet één van de in bijlage II opgenomen vermeldingen worden aangebracht.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78.

(2)  PB L 189 van 29.7.2003, blz. 12. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1092/2004 (PB L 209 van 11.6.2004, blz. 9).

(3)  PB L 62 van 7.3.1980, blz. 5. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 444/2003 (PB L 67 van 12.3.2003, blz. 3).

(4)  PB L 102 van 17.4.1999, blz. 11. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 671/2004 (PB L 105 van 14.4.2004, blz. 5).


BIJLAGE I

bij de verordening van de Commissie van 30 juni 2005 tot beperking van de geldigheidsduur van de uitvoercertificaten voor bepaalde op basis van granen verwerkte producten

GN-code

Omschrijving

 

Maïsproducten, met inbegrip van:

1102 20

maïsmeel

1103 13

gries en griesmeel van maïs

1103 29 40

maïspellets

1104 19 50

maïsvlokken

1104 23

op andere wijze bewerkte maïs (bijv. gepeld, gepareld, gesneden of gebroken)

1108 12 00

maïszetmeel

1108 13 00

aardappelzetmeel


BIJLAGE II

Vermeldingen zoals bedoeld in artikel 1, lid 2

:

in het Spaans

:

Limitación establecida en el apartado 2 del artículo 1 del Reglamento (CE) no 1018/2005

:

in het Tsjechisch

:

Omezení stanovené na základě čl. 1 ods. 2 nařízení (ES) č. 1018/2005

:

in het Deens

:

Begrænsning, jf. artikel 1, stk. 2, i forordning (EF) nr. 1018/2005

:

in het Duits

:

Kürzung der Gültigkeitsdauer gemäß Artikel 1 Absatz 2 der Verordnung (EG) Nr. 1018/2005

:

in het Ests

:

Piirang on ette nähtud määruse (EÜ) nr 1018/2005 artikli 1 lõike 2 alusel

:

in het Grieks

:

Περιορισμός που προβλέπεται στο άρθρο 1 παράγραφος 2 του κανονισμού (ΕΚ) αριθ. 1018/2005

:

in het Engels

:

Limitation provided for in Article 1(2) of Regulation (EC) No 1018/2005

:

in het Frans

:

Limitation prévue à l'article 1er, paragraphe 2, du règlement (CE) no 1018/2005

:

in het Italiaans

:

Limitazione prevista all'articolo 1, paragrafo 2 del regolamento (CE) n. 1018/2005

:

in het Lets

:

Ierobežojums paredzēts Regulas (EK) Nr. 1018/2005 1. panta 2. punktā

:

in het Litouws

:

Apribojimas numatytas Reglamento (EB) Nr. 1018/2005 1 straipsnio 2 dalyje

:

in het Hongaars

:

Korlátozott érvényességi időtartam az 1018/2005/EK rendelet 1. cikk (2) bekezdésének megfelelően

:

in het Nederlands

:

Beperking als bepaald in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1018/2005

:

in het Pools

:

Ograniczenie przewidziane w art. 1 ust. 2 rozporządzenia (WE) nr 1018/2005

:

in het Portugees

:

Limitação estabelecida n.o 2 do artigo 1.o do Regulamento (CE) n.o 1018/2005

:

in het Slowaaks

:

Obmedzenie stanovené článkom 1 ods. 2 nariadenia (ES) č. 1018/2005

:

in het Sloveens

:

Omejitev določena v členu 1(2) Uredbe (ES) št. 1018/2005

:

in het Fins

:

Asetuksen (EY) N:o 1018/2005 1 artiklan 2 kohdassa säädetty rajoitus

:

in het Zweeds

:

Begränsning enligt artikel 1.2 i förordning (EG) nr 1018/2005.


1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/51


VERORDENING (EG) Nr. 1019/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

tot vaststelling van de wereldmarktprijs voor niet-geëgreneerde katoen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op het aan de Akte van Toetreding van Griekenland gehechte Protocol nr. 4 betreffende katoen, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1050/2001 van de Raad (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1051/2001 van de Raad van 22 mei 2001 betreffende de steun voor de katoenproductie (2), en met name op artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1051/2001 wordt op gezette tijden een wereldmarktprijs voor niet-geëgreneerde katoen bepaald, rekening houdende met de historische verhouding tussen de in aanmerking genomen wereldmarktprijs voor geëgreneerde katoen en de berekende prijs voor niet-geëgreneerde katoen. Deze historische verhouding is vastgesteld in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1591/2001 van de Commissie van 2 augustus 2001, houdende uitvoeringsbepalingen van de steunregeling voor katoen (3). Als de wereldmarktprijs niet op die wijze kan worden bepaald, wordt hij bepaald op basis van de laatst vastgestelde prijs.

(2)

Krachtens artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1051/2001 wordt de wereldmarktprijs voor niet-geëgreneerde katoen bepaald voor een product met bepaalde kenmerken, waarbij rekening wordt gehouden met de gunstigste, voor de werkelijke markttendens representatief geachte aanbiedingen en noteringen. Om deze prijs te bepalen, wordt het gemiddelde berekend van de aanbiedingen en noteringen op één of meer Europese beurzen voor in een haven van Noord-Europa cif-geleverde producten uit de verschillende, voor de internationale handel als meest representatief beschouwde productielanden. Evenwel is bepaald dat deze criteria voor het bepalen van de wereldmarktprijs voor geëgreneerde katoen worden aangepast, om rekening te houden met de verschillen op grond van de kwaliteit van het geleverde product en de aard van de aanbiedingen en noteringen. In artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1591/2001 is bepaald welke aanpassingen kunnen plaatsvinden.

(3)

Op grond van bovenbedoelde criteria moet de wereldmarktprijs voor niet-geëgreneerde katoen op het hieronder aangegeven niveau worden vastgesteld,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1051/2001 bedoelde wereldmarktprijs voor niet-geëgreneerde katoen wordt vastgesteld op 21,815 EUR/100 kg.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 148 van 1.6.2001, blz. 1.

(2)  PB L 148 van 1.6.2001, blz. 3.

(3)  PB L 210 van 3.8.2001, blz. 10. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1486/2002 (PB L 223 van 20.8.2002, blz. 3).


1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/52


VERORDENING (EG) Nr. 1020/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

houdende vaststelling van de restituties die worden toegepast voor bepaalde producten van de sector granen en de sector rijst, uitgevoerd in de vorm van niet in bijlage I bij het Verdrag vermelde goederen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 13, lid 3,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1785/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt (2), en met name op artikel 14, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 13, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 en artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1785/2003 kan het verschil tussen de noteringen of de prijzen op de wereldmarkt voor de in artikel 1 van deze beide verordeningen bedoelde producten enerzijds en de prijzen in de Gemeenschap anderzijds door een restitutie bij de uitvoer worden overbrugd.

(2)

In Verordening (EG) nr. 1520/2000 van de Commissie van 13 juli 2000 tot vaststelling van de gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen voor de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen (3), is omschreven voor welke van die producten een restitutie dient te worden vastgesteld bij uitvoer in de vorm van goederen, bedoeld naar gelang van het geval in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1784/2003 of bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 1785/2003.

(3)

Overeenkomstig artikel 4, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1520/2000 moet de restitutie per 100 kg van elk van de betrokken basisproducten voor iedere maand worden vastgesteld.

(4)

De naleving van de verplichtingen die zijn aangegaan met betrekking tot de restitutie die kan worden toegekend bij uitvoer van landbouwproducten die zijn verwerkt in niet onder bijlage I bij het Verdrag vallende goederen, kan in het gedrang komen door de vaststelling vooraf van hoge restituties. In deze situatie moeten derhalve vrijwaringsmaatregelen worden genomen zonder dat daardoor de sluiting van langetermijncontracten wordt verhinderd. De vaststelling van een specifieke restitutie voor de voorfixatie van restituties is een maatregel die aan deze verschillende doelstellingen beantwoordt.

(5)

Rekening houdend met de regeling tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika met betrekking tot de uitvoer van deegwaren uit de Gemeenschap naar de Verenigde Staten, goedgekeurd bij Besluit 87/482/EEG van de Raad (4), dient de restitutie voor goederen van de GN-codes 1902 11 00 en 1902 19 naar gelang van de bestemming te worden gedifferentieerd.

(6)

Overeenkomstig artikel 4, leden 3 en 5, van Verordening (EG) nr. 1520/2000, moet een verlaagde restitutievoet worden vastgesteld, waarbij rekening wordt gehouden met het bedrag van de restitutie bij de productie, dat krachtens Verordening (EEG) nr. 1722/93 van de Commissie (5) van toepassing is op het verwerkte basisproduct, en dat geldig is tijdens de veronderstelde periode van de vervaardiging van de goederen.

(7)

Alcoholhoudende dranken worden geacht minder gevoelig te zijn voor de prijs van de granen die voor de vervaardiging ervan worden gebruikt. In Protocol 19 van het Verdrag betreffende de toetreding van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken wordt evenwel bepaald dat de noodzakelijke maatregelen moeten worden vastgesteld om het gebruik van granen uit de Gemeenschap voor de vervaardiging van alcoholhoudende dranken uit granen te vergemakkelijken. Daarom moet de restitutie die wordt toegepast op granen die in de vorm van alcoholhoudende dranken worden uitgevoerd, worden aangepast.

(8)

Het Comité van beheer voor granen heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter bepaalde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De restituties die worden toegepast voor de in bijlage A bij Verordening (EG) nr. 1520/2000 genoemde basisproducten die tevens zijn bedoeld in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1784/2003 of artikel 1, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1785/2003 en die worden uitgevoerd in de vorm van goederen vermeld in bijlage III van Verordening (EG) nr. 1784/2003, respectievelijk bijlage IV van Verordening (EG) nr. 1785/2003, worden vastgesteld zoals in de bijlage bij deze verordening is aangegeven.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

Günter VERHEUGEN

Vice-voorzitter


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78.

(2)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 96.

(3)  PB L 177 van 15.7.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 886/2004 (PB L 168 van 1.5.2004, blz. 14).

(4)  PB L 275 van 29.9.1987, blz. 36.

(5)  PB L 159 van 1.7.1993, blz. 112. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1548/2004 (PB L 280 van 31.8.2004, blz. 11).


BIJLAGE

Restituties die worden toegepast vanaf 1 juli 2005 voor bepaalde producten van de sector granen en de sector rijst, uitgevoerd in de vorm van niet in bijlage I bij het Verdrag vermelde goederen (1)

(EUR/100 kg)

GN-code

Omschrijving (2)

Restitutievoet per 100 kg basisproduct

Bij vaststelling vooraf van de restituties

Overige gevallen

1001 10 00

Harde tarwe:

 

 

– in geval van uitvoer van goederen van de GN-codes 1902 11 en 1902 19 naar de Verenigde Staten van Amerika

– in andere gevallen

1001 90 99

Zachte tarwe en mengkoren:

 

 

– in geval van uitvoer van goederen van de GN-codes 1902 11 en 1902 19 naar de Verenigde Staten van Amerika

– in andere gevallen:

 

 

– – in geval van toepassing van artikel 4, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1520/2000 (3)

– – in geval van uitvoer van goederen van post 2208 (4)

– – in andere gevallen

1002 00 00

Rogge

1003 00 90

Gerst

 

 

– in geval van uitvoer van goederen van post 2208 (4)

– in andere gevallen

1004 00 00

Haver

1005 90 00

Maïs, gebruikt in de vorm van:

 

 

– zetmeel:

 

 

– – in geval van toepassing van artikel 4, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1520/2000 (3)

3,160

3,423

– – in geval van uitvoer van goederen van post 2208 (4)

1,988

1,988

– – in andere gevallen

4,250

4,250

– glucose, glucosestroop, maltodextrine, maltodextrinestroop van de GN-codes 1702 30 51, 1702 30 59, 1702 30 91, 1702 30 99, 1702 40 90, 1702 90 50, 1702 90 75, 1702 90 79, 2106 90 55 (5):

 

 

– – in geval van toepassing van artikel 4, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1520/2000 (3)

2,098

2,361

– – in geval van uitvoer van goederen van post 2208 (4)

1,491

1,491

– – in andere gevallen

3,188

3,188

– in geval van uitvoer van goederen van post 2208 (4)

1,988

1,988

– andere (als zodanig)

4,250

4,250

Aardappelzetmeel van GN-code 1108 13 00 gelijkgesteld aan een verwerkingsproduct van maïs:

 

 

– in geval van toepassing van artikel 4, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1520/2000 (3)

2,769

3,174

– in geval van uitvoer van goederen van post 2208 (4)

1,988

1,988

– in andere gevallen

4,250

4,250

ex 1006 30

Volwitte rijst:

 

 

– rondkorrelig

– halflangkorrelig

– langkorrelig

1006 40 00

Breukrijst

1007 00 90

Graansorgho m.u.v. hybriden van graansorgho, bestemd voor zaaidoeleinden


(1)  De in deze bijlage vastgestelde restituties zijn niet van toepassing op de uitvoer naar Bulgarije met ingang van 1 oktober 2004, noch op de goederen die zijn opgenomen in de tabellen I en II bij Protocol nr. 2 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972 en die met ingang van 1 februari 2005 naar de Zwitserse Bondsstaat of naar het Vorstendom Liechtenstein worden uitgevoerd.

(2)  Voor de landbouwproducten verkregen door verwerking van het basisproduct en/of gelijkgesteld, moeten de coëfficiënten vermeld in bijlage E bij Verordening (EG) nr. 1520/2000 van de Commissie (PB L 177 van 15.7.2000, blz. 1), worden gebruikt.

(3)  De betrokken goederen vallen onder GN-code 3505 10 50.

(4)  Goederen opgenomen in bijlage III van Verordening (EG) nr. 1784/2003 of bedoeld in artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 2825/93 (PB L 258 van 16.10.1993, blz. 6).

(5)  Voor stropen van de GN-codes 1702 30 99, 1702 40 90 en 1702 60 90, verkregen door het mengen van glucose- en fructosestropen, geeft alleen glucosestroop recht op uitvoerrestitutie.


1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/56


VERORDENING (EG) Nr. 1021/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

houdende vaststelling van de restituties welke van toepassing zijn op bepaalde zuivelproducten die worden uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 15 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (1), en met name op artikel 31, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 31, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1255/1999 kan het verschil tussen de prijzen in de internationale handel van de in artikel 1, onder a), b), c), d), e) en g), van deze verordening bedoelde producten en de prijzen in de Gemeenschap overbrugd worden door een restitutie bij de uitvoer.

(2)

In Verordening (EG) nr. 1520/2000 van de Commissie van 13 juli 2000 tot vaststelling van de gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen voor de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen (2), zijn die producten aangegeven waarvoor een restitutie dient te worden vastgesteld welke van toepassing is bij de uitvoer ervan in de vorm van goederen welke in bijlage II van Verordening (EG) nr. 1255/1999 zijn genoemd.

(3)

Overeenkomstig artikel 4, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1520/2000 moet de restitutie per 100 kg van elk van de betrokken basisproducten voor iedere maand worden vastgesteld.

(4)

Voor bepaalde melkproducten die worden uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I bij het Verdrag vallen, bestaat evenwel het gevaar dat, indien vooraf hoge restituties worden vastgesteld, de verplichtingen die met betrekking tot deze restituties zijn aangegaan, op het spel worden gezet. Om dat gevaar te voorkomen, dienen passende voorzorgsmaatregelen te worden genomen, zonder evenwel contracten op lange termijn uit te sluiten. De vaststelling van specifieke restitutiebedragen voor het vooraf vaststellen van de restituties voor deze producten moet het mogelijk maken beide doelstellingen te verwezenlijken.

(5)

In artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1520/2000 is bepaald dat voor de vaststelling van de restitutie in voorkomend geval rekening moet worden gehouden met de restituties bij de productie en de steunmaatregelen of andere maatregelen van gelijke werking die voor de in bijlage A van Verordening (EG) nr. 1520/2000 vermelde basisproducten of de daarmee gelijkgestelde producten in alle lidstaten worden toegepast uit hoofde van de verordening houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de betrokken sector.

(6)

Overeenkomstig artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1255/1999 wordt steun verleend aan in de Gemeenschap geproduceerde en tot caseïne verwerkte ondermelk, indien deze melk en de daarvan vervaardigde caseïne aan bepaalde eisen voldoen.

(7)

Verordening (EG) nr. 2571/97 van de Commissie van 15 december 1997 betreffende de verkoop tegen verlaagde prijs van boter en de toekenning van de steun voor room, boter en boterconcentraat bestemd voor de vervaardiging van banketbakkerswerk, consumptie-ijs en andere voedingsmiddelen (3) staat de levering van boter en room tegen verlaagde prijs toe aan de fabrikanten van bepaalde koopwaren.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor melk en zuivelproducten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De restitutiebedragen die van toepassing zijn op de basisproducten genoemd in bijlage A bij Verordening (EG) nr. 1520/2000 en bedoeld in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1255/1999 en die worden uitgevoerd in de vorm van in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1255/1999 genoemde goederen, worden vastgesteld zoals bepaald in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

Günter VERHEUGEN

Vice-voorzitter


(1)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 186/2004 van de Commissie (PB L 29 van 3.2.2004, blz. 6).

(2)  PB L 177 van 15.7.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 886/2004 (PB L 168 van 1.5.2004, blz. 14).

(3)  PB L 350 van 20.12.1997, blz. 3. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 921/2004 van de Commissie (PB L 163 van 30.4.2004, blz. 94).


BIJLAGE

Restituties welke van toepassing zijn vanaf 1 juli 2005 op bepaalde zuivelproducten die worden uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het verdrag vallen (1)

(EUR/100 kg)

GN-code

Omschrijving

Restituties

Bij vaststelling vooraf van de restituties

Overige gevallen

ex 0402 10 19

Melk in poeder, in korrels of in andere vaste vorm, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, met een vetgehalte van minder dan 1,5 gewichtspercenten (PG 2):

 

 

a)

in geval van uitvoer van goederen van GN-code 3501

b)

in geval van uitvoer van andere goederen

15,00

15,00

ex 0402 21 19

Melk in poeder, in korrels of in andere vaste vorm, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, met een vetgehalte van 26 gewichtspercenten (PG 3):

 

 

a)

bij uitvoer van producten, bevattende boter of room in de vorm van een aan PG 3 gelijkgesteld product, tegen verlaagde prijs krachtens Verordening (EG) nr. 2571/97

24,10

24,10

b)

in geval van uitvoer van andere goederen

52,10

52,10

ex 0405 10

Boter met een vetgehalte van 82 gewichtspercenten (PG 6):

 

 

a)

bij uitvoer van producten, bevattende boter of room tegen verlaagde prijs, vervaardigd overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EG) nr. 2571/97

41,00

41,00

b)

in geval van uitvoer van goederen behorende tot GN-code 2106 90 98, met een vetgehalte van 40 of meer gewichtspercenten

104,25

104,25

c)

in geval van uitvoer van andere goederen

97,00

97,00


(1)  De in deze bijlage vastgestelde restituties zijn niet van toepassing op de uitvoer naar Bulgarije met ingang van 1 oktober 2004, noch op de goederen die zijn opgenomen in de tabellen I en II bij Protocol nr. 2 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972 en die met ingang van 1 februari 2005 naar de Zwitserse Bondsstaat of naar het Vorstendom Liechtenstein worden uitgevoerd.


1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/59


VERORDENING (EG) Nr. 1022/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

houdende vaststelling van de restituties die worden toegepast voor bepaalde producten van de sector suiker die worden uitgevoerd in de vorm van niet in bijlage I van het Verdrag vermelde goederen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), inzonderheid op artikel 27, lid 5, onder a), en lid 15,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 27, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 1260/2001 kan het verschil tussen de prijzen van de in artikel 1, lid 1, onder a), c), d), f), g) en h), van die verordening vermelde producten in de internationale handel en de prijzen in de Gemeenschap worden overbrugd door een uitvoerrestitutie wanneer deze producten worden uitgevoerd in de vorm van goederen welke in bijlage V van die verordening worden genoemd. Bij Verordening (EG) nr. 1520/2000 van de Commissie van 13 juli 2000 tot vaststelling van de gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen voor de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen (2) zijn de producten aangegeven waarvoor een restitutie dient te worden vastgesteld bij uitvoer in de vorm van goederen, bedoeld in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1260/2001.

(2)

Overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1520/2000 moet de restitutie per 100 kg van elk van de betrokken basisproducten voor iedere maand worden vastgesteld.

(3)

In artikel 27, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1260/2001 is bepaald dat de restitutie bij uitvoer van een in een goed verwerkt product niet meer mag bedragen dan de restitutie voor ditzelfde product dat in onverwerkte toestand wordt uitgevoerd.

(4)

De bij deze verordening vastgestelde restituties kunnen vooraf worden vastgesteld, aangezien op dit moment niet bekend is hoe de markt zich de komende maanden zal ontwikkelen.

(5)

De naleving van de verplichtingen die zijn aangegaan met betrekking tot de restitutie die kan worden toegekend bij uitvoer van landbouwproducten die zijn verwerkt in niet onder bijlage I van het Verdrag vallende goederen, kan in het gedrang komen door de vaststelling vooraf van hoge restituties. In deze situatie moeten derhalve vrijwaringsmaatregelen worden genomen zonder dat daardoor de sluiting van langetermijncontracten wordt verhinderd. De vaststelling van een specifieke restitutie voor de voorfixatie van restituties is een maatregel die aan deze verschillende doelstellingen beantwoordt.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor suiker,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De restituties die van toepassing zijn op de in bijlage A van Verordening (EG) nr. 1520/2000 genoemde en in artikel 1, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 1260/2001 bedoelde basisproducten die worden uitgevoerd in de vorm van in bijlage V bij Verordening (EG) nr. 1260/2001 vermelde goederen, worden vastgesteld zoals is aangegeven in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

Günter VERHEUGEN

Vice-voorzitter


(1)  PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 39/2004 van de Commissie (PB L 6 van 10.1.2004, blz. 16).

(2)  PB L 177 van 15.7.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 886/2004 (PB L 168 van 1.5.2004, blz. 14).


BIJLAGE

Restituties die worden toegepast vanaf 1 juli 2005 voor bepaalde producten van de sector suiker die worden uitgevoerd in de vorm van niet in bijlage I van het Verdrag vermelde goederen (1)

GN-code

Omschrijving

Restituties in EUR/100 kg

Bij vaststelling vooraf van de restituties

Overige gevallen

1701 99 10

Witte suiker

34,83

34,83


(1)  De in deze bijlage vastgestelde restituties zijn niet van toepassing op de uitvoer naar Bulgarije met ingang van 1 oktober 2004, noch op de goederen die zijn opgenomen in de tabellen I en II bij Protocol nr. 2 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972 en die met ingang van 1 februari 2005 naar de Zwitserse Bondsstaat of naar het Vorstendom Liechtenstein worden uitgevoerd.


1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/61


VERORDENING (EG) Nr. 1023/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

tot vaststelling van de maximumuitvoerrestitutie voor boter in het kader van de permanente inschrijving van Verordening (EG) nr. 581/2004

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (1), en met name op artikel 31, lid 3, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 581/2004 van de Commissie van 26 maart 2004 tot opening van een permanente inschrijving voor de bepaling van de uitvoerrestituties voor bepaalde soorten boter (2) voorziet in een permanente inschrijving.

(2)

Krachtens artikel 5 van Verordening (EG) nr. 580/2004 van de Commissie van 26 maart 2004 houdende een inschrijvingsprocedure tot vaststelling van de uitvoerrestituties voor bepaalde zuivelproducten (3) moet, na bestudering van de offertes die in het kader van de inschrijving zijn ingediend, een maximumuitvoerrestitutie worden vastgesteld voor de inschrijvingsperiode die eindigt op 28 juni 2005.

(3)

Het Comité van beheer voor melk en zuivelproducten heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter bepaalde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In het kader van de bij Verordening (EG) nr. 581/2004 geopende permanente inschrijving wordt voor de inschrijvingsperiode die eindigt op 28 juni 2005, de maximumuitvoerrestitutie toegepast op de in artikel 1, lid 1, van die verordening vermelde producten, zoals vermeld in de bijlage van deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 186/2004 van de Commissie (PB L 29 van 3.2.2004, blz. 6).

(2)  PB L 90 van 27.3.2004, blz. 64. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2250/2004 (PB L 381 van 28.12.2004, blz. 25).

(3)  PB L 90 van 27.3.2004, blz. 58. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2250/2004 (PB L 381 van 28.12.2004, blz. 25).


BIJLAGE

(EUR/100 kg)

Product

Productcodes

Maximumuitvoerrestitutie

Voor uitvoer naar de in artikel 1, lid 1, eerste streepje, van Verordening (EG) nr. 581/2004 vermelde bestemming

Voor uitvoer naar de in artikel 1, lid 1, tweede streepje, van Verordening (EG) nr. 581/2004 vermelde bestemmingen

Boter

ex ex 0405 10 19 9500

99,00

Boter

ex ex 0405 10 19 9700

104,00

104,50

Butteroil

ex ex 0405 90 10 9000

127,50


1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/63


VERORDENING (EG) Nr. 1024/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

tot vaststelling van de maximumuitvoerrestitutie voor mageremelkpoeder in het kader van de permanente inschrijving van Verordening (EG) nr. 582/2004

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (1), en met name op artikel 31, lid 3, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 582/2004 van de Commissie van 26 maart 2004 een permanente inschrijving voor de bepaling van de uitvoerrestituties voor mageremelkpoeder (2) voorziet in een permanente inschrijving.

(2)

Krachtens artikel 5 van Verordening (EG) nr. 580/2004 van de Commissie van 26 maart 2004 houdende een inschrijvingsprocedure tot vaststelling van de uitvoerrestituties voor bepaalde zuivelproducten (3) moet, na bestudering van de offertes die in het kader van de inschrijving zijn ingediend, een maximumuitvoerrestitutie worden vastgesteld voor de inschrijvingsperiode die eindigt op 28 juni 2005.

(3)

Het Comité van beheer voor melk en zuivelproducten heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter bepaalde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In het kader van de bij Verordening (EG) nr. 582/2004 geopende permanente inschrijving wordt voor de inschrijvingsperiode die eindigt op 28 juni 2005, een maximaal restitutiebedrag van 17,00 EUR/100 kg toegepast op het product en de bestemmingen als vermeld in artikel 1, lid 1, van die verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 186/2004 van de Commissie (PB L 29 van 3.2.2004, blz. 6).

(2)  PB L 90 van 27.3.2004, blz. 67. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2250/2004 (PB L 381 van 28.12.2004, blz. 25).

(3)  PB L 90 van 27.3.2004, blz. 58. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2250/2004.


1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/64


VERORDENING (EG) Nr. 1025/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

tot vaststelling van de restituties bij uitvoer voor granen en meel, gries en griesmeel van tarwe of van rogge

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 13, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Volgens artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1784/2003 kan het verschil tussen de noteringen of de prijzen op de wereldmarkt van de in artikel 1 van die verordening bedoelde producten en de prijzen van deze producten in de Gemeenschap worden overbrugd door een restitutie bij uitvoer.

(2)

De restituties moeten worden vastgesteld met inachtneming van de elementen als bedoeld in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1501/95 van de Commissie van 29 juni 1995 tot vaststelling van enkele toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad voor wat de toekenning, in de graansector, van uitvoerrestituties en van bij verstoring van de graanmarkt te treffen maatregelen betreft (2).

(3)

Voor meel, gries en griesmeel van tarwe of van rogge moet de restitutie worden berekend met inachtneming van de hoeveelheid granen benodigd voor de vervaardiging van de betreffende producten. Deze hoeveelheden zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1501/95.

(4)

De situatie op de wereldmarkt of de specifieke eisen van bepaalde markten voor sommige producten kunnen een differentiatie van de restitutie naar bestemming nodig maken.

(5)

De restitutie moet eenmaal per maand worden vastgesteld. Zij kan tussentijds worden gewijzigd.

(6)

De toepassing van deze regelen op de huidige situatie in de sector granen en met name op de noteringen of prijzen van deze producten in de Gemeenschap en op de wereldmarkt voert tot het vaststellen van de bedragen van de restitutie zoals vermeld in de bijlage.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De restituties bij uitvoer in ongewijzigde staat van de in artikel 1, onder a), b) en c), van Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde producten, met uitzondering van mout, worden op de in de bijlage aangegeven bedragen vastgesteld.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78.

(2)  PB L 147 van 30.6.1995, blz. 7. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1431/2003 (PB L 203 van 12.8.2003, blz. 16).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 30 juni 2005 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer voor granen en meel, gries en griesmeel van tarwe of van rogge

Productcode

Bestemming

Meeteenheid

Bedrag van de restitutie

1001 10 00 9200

EUR/t

1001 10 00 9400

A00

EUR/t

0

1001 90 91 9000

EUR/t

1001 90 99 9000

A00

EUR/t

0

1002 00 00 9000

A00

EUR/t

0

1003 00 10 9000

EUR/t

1003 00 90 9000

A00

EUR/t

0

1004 00 00 9200

EUR/t

1004 00 00 9400

A00

EUR/t

0

1005 10 90 9000

EUR/t

1005 90 00 9000

A00

EUR/t

0

1007 00 90 9000

EUR/t

1008 20 00 9000

EUR/t

1101 00 11 9000

EUR/t

1101 00 15 9100

C01

EUR/t

0

1101 00 15 9130

C01

EUR/t

0

1101 00 15 9150

C01

EUR/t

0

1101 00 15 9170

C01

EUR/t

0

1101 00 15 9180

C01

EUR/t

0

1101 00 15 9190

EUR/t

1101 00 90 9000

EUR/t

1102 10 00 9500

A00

EUR/t

0

1102 10 00 9700

A00

EUR/t

0

1102 10 00 9900

EUR/t

1103 11 10 9200

A00

EUR/t

0

1103 11 10 9400

A00

EUR/t

0

1103 11 10 9900

EUR/t

1103 11 90 9200

A00

EUR/t

0

1103 11 90 9800

EUR/t

NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A” zijn vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1), zoals gewijzigd.

C01

:

Alle derde landen met uitzondering van Albanië, Roemenië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Montenegro, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Liechtenstein en Zwitserland.


1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/66


VERORDENING (EG) Nr. 1026/2005 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2005

tot vaststelling van de maximumverlaging van het recht bij invoer van maïs in het kader van de inschrijving bedoeld in Verordening (EG) nr. 868/2005

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), inzonderheid op artikel 12, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Er is een inschrijving voor de maximumverlaging van het recht bij invoer van maïs in Spanje, van herkomst uit derde landen, opengesteld bij Verordening (EG) nr. 868/2005 van de Commissie (2).

(2)

Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1839/95 van de Commissie (3), kan de Commissie volgens de procedure van artikel 25 van Verordening (EG) nr. 1784/2003 besluiten een maximumverlaging van het recht bij invoer vast te stellen. Bij deze vaststelling moet met name rekening worden gehouden met de in de artikelen 6 en 7 van Verordening (EG) nr. 1839/95 genoemde criteria. Gegund wordt aan elke inschrijver wiens offerte ten hoogste gelijk is aan de maximumverlaging van het recht bij invoer.

(3)

De toepassing van de boven bedoelde criteria op de huidige marktsituatie leidt voor de betrokken graansoort tot de vaststelling van de maximumverlaging van het recht bij invoer op het in artikel 1 vermelde bedrag.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de offertes die van 24 tot en met 30 juni 2005 in het kader van de inschrijving bedoeld in Verordening (EG) nr. 868/2005 worden meegedeeld, wordt de maximumverlaging van het recht bij invoer van maïs vastgesteld op 20,20 EUR/t voor een globale maximumhoeveelheid van 6 000 t.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78.

(2)  PB L 145 van 9.6.2005, blz. 18.

(3)  PB L 177 van 28.7.1995, blz. 4. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 777/2004 (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 50).


II Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

Raad

1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/67


BESLUIT VAN DE RAAD

van 21 juni 2005

betreffende de sluiting van een overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika over de wijze van berekening van voor gedopte rijst toegepaste rechten en tot wijziging van de Besluiten 2004/617/EG, 2004/618/EG en 2004/619/EG

(2005/476/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 133 juncto artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 26 juni 2003 heeft de Raad de Commissie gemachtigd om overeenkomstig artikel XXVIII van de GATT 1994 onderhandelingen te beginnen met het oog op de wijziging van bepaalde concessies voor rijst. Bijgevolg heeft de Europese Gemeenschap de WTO op 2 juli 2003 in kennis gesteld van haar voornemen om bepaalde in EG-lijst CXL opgenomen concessies te wijzigen.

(2)

De Commissie heeft in overleg met het bij artikel 133 van het Verdrag ingestelde comité onderhandelingen gevoerd aan de hand van de door de Raad vastgestelde onderhandelingsrichtsnoeren.

(3)

De Commissie heeft onderhandeld met de Verenigde Staten van Amerika, die een belang van voornaamste leverancier voor producten van GS-code 1006 20 (gedopte rijst) en een belang van belangrijke leverancier voor producten van GS-code 1006 30 (halfwitte of volwitte rijst) hebben, met Thailand, dat een belang van voornaamste leverancier voor producten van GS-code 1006 30 (halfwitte of volwitte rijst) en een belang van belangrijke leverancier voor producten van GS-code 1006 20 (gedopte rijst) heeft, en met India en Pakistan, die elk een belang van belangrijke leverancier voor producten van GS-code 1006 20 (gedopte rijst) hebben.

(4)

De overeenkomsten met India en met Pakistan zijn namens de Gemeenschap goedgekeurd bij Besluit 2004/617/EG (1) respectievelijk Besluit 2004/618/EG (2) van de Raad. Nieuwe tarieven voor gedopte rijst (GN-code 1006 20) en halfwitte of volwitte rijst (GN-code 1006 30) zijn vastgesteld bij Besluit 2004/619/EG van de Raad (3).

(5)

De Commissie heeft met succes onderhandeld over een overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika, welke overeenkomst daarom moet worden goedgekeurd.

(6)

Ter wille van de volledige toepassing van de overeenkomst vanaf 1 maart 2005 en in afwachting dat Verordening (EG) nr. 1785/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt (4) wordt gewijzigd, moet de Commissie worden gemachtigd om tijdelijke afwijkingen van die verordening en uitvoeringsmaatregelen vast te stellen.

(7)

Om dezelfde reden moet de geldigheidsduur van de overeenkomstige afwijkingsbepaling in de Besluiten 2004/617/EG, 2004/618/EG en 2004/619/EG tot en met 30 juni 2006 worden verlengd.

(8)

Voor de rechtszekerheid is het ook dienstig in de Besluiten 2004/617/EG en 2004/618/EG te verduidelijken dat de aan de Commissie verleende machtiging om voor de tenuitvoerlegging van de betrokken overeenkomsten tijdelijke afwijkingen van Verordening (EG) nr. 1785/2003 vast te stellen tevens de machtiging behelst om uitvoeringsmaatregelen vast te stellen.

(9)

De voor de uitvoering van dit besluit vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (5),

BESLUIT:

Artikel 1

De overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika over de wijze van berekening van voor gedopte rijst toegepaste rechten wordt namens de Gemeenschap goedgekeurd.

De tekst van de overeenkomst is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

1.   Voorzover dit nodig is om deze overeenkomst volledig te kunnen toepassen vanaf 1 maart 2005, mag de Commissie volgens de in artikel 6, lid 2, van dit besluit bedoelde procedure afwijken van Verordening (EG) nr. 1785/2003 totdat die verordening is gewijzigd, maar uiterlijk tot en met 30 juni 2006.

2.   De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen van de overeenkomst vast volgens de in artikel 6, lid 2, van dit besluit bedoelde procedure.

Artikel 3

Artikel 2 van Besluit 2004/617/EG wordt vervangen door:

„Artikel 2

1.   Voorzover dit nodig is om deze overeenkomst volledig te kunnen toepassen vanaf 1 september 2004, mag de Commissie volgens de in artikel 3, lid 2, van dit besluit bedoelde procedure afwijken van Verordening (EG) nr. 1785/2003 totdat die verordening is gewijzigd, maar uiterlijk tot en met 30 juni 2006.

2.   De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen van de overeenkomst vast volgens de in artikel 3, lid 2, van dit besluit bedoelde procedure.”.

Artikel 4

Artikel 2 van Besluit 2004/618/EG wordt vervangen door:

„Artikel 2

1.   Voorzover dit nodig is om deze overeenkomst volledig te kunnen toepassen vanaf 1 september 2004, mag de Commissie volgens de in artikel 3, lid 2, van dit besluit bedoelde procedure afwijken van Verordening (EG) nr. 1785/2003 totdat die verordening is gewijzigd, maar uiterlijk tot en met 30 juni 2006.

2.   De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen van de overeenkomst vast volgens de in artikel 3, lid 2, van dit besluit bedoelde procedure.”.

Artikel 5

In artikel 2 van Besluit 2004/619/EG wordt de datum „30 juni 2005” vervangen door de datum „30 juni 2006”.

Artikel 6

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 25 van Verordening (EG) nr. 1784/2003 (6) ingestelde Comité van beheer voor granen.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op één maand.

3.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 7

De voorzitter van de Raad is gemachtigd de persoon aan te wijzen die bevoegd is de overeenkomst te ondertekenen teneinde daardoor de Gemeenschap te binden (7).

Gedaan te Luxemburg, 21 juni 2005.

Voor de Raad

De voorzitter

F. BODEN


(1)  PB L 279 van 28.8.2004, blz. 17.

(2)  PB L 279 van 28.8.2004, blz. 23.

(3)  PB L 279 van 28.8.2004, blz. 29.

(4)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 96.

(5)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(6)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78.

(7)  De datum van inwerkingtreding van de overeenkomst zal door het secretariaat-generaal van de Raad bekend worden gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.


VERTALING

OVEREENKOMST IN DE VORM VAN EEN BRIEFWISSELING

tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika over de wijze van berekening van voor gedopte rijst toegepaste rechten

Mijnheer,

Na onderhandelingen tussen de Europese Gemeenschap (EG) en de Verenigde Staten van Amerika stemt de Europese Gemeenschap in met de hierna vermelde conclusies.

Toegepast recht voor bepaalde gedopte rijst (GN-code 1006 20)

1.   De Europese Gemeenschap past voor bepaalde gedopte rijst een recht toe overeenkomstig de punten 2 tot en met 7.

2.   Twaalfmaandsreferentie-invoer

a)

Eerste verkoopseizoen: voor het eerste verkoopseizoen binnen de werkingssfeer van deze overeenkomst (periode van 1 september 2004 tot en met 31 augustus 2005) is de twaalfmaandsreferentie-invoer gelijk aan de gemiddelde totale invoer van gedopte rijst in de EG-25 uit alle landen van oorsprong in de verkoopseizoenen van 1 september 1999 tot en met 31 augustus 2000, van 1 september 2000 tot en met 31 augustus 2001 en van 1 september 2001 tot en met 31 augustus 2002, verlaagd met de invoer van gedopte Basmatirijst in de EG-25 en verhoogd met 10 % (wat uitkomt op 431 678 MT).

b)

Verhoging voor de volgende verkoopseizoenen: voor elk van de verkoopseizoenen 2005/2006, 2006/2007 en 2007/2008 wordt de twaalfmaandsreferentie-invoer telkens met 6 000 MT/verkoopseizoen verhoogd ten opzichte van die voor het voorgaande verkoopseizoen. Uiterlijk 90 dagen vóór het einde van het verkoopseizoen van 1 september 2007 tot en met 31 augustus 2008 beginnen beide partijen overleg over de twaalfmaandelijkse verhoging voor de volgende verkoopseizoenen, daarbij rekening houdend met de ontwikkelingen op de rijstmarkt van de Europese Gemeenschap, en in het bijzonder met de ontwikkeling van het verbruik, en uiterlijk op 31 augustus 2008 komen zij tot overeenstemming over die twaalfmaandelijkse verhoging.

3.   Zesmaandsreferentie-invoer: voor elk verkoopseizoen wordt een zesmaandsreferentie-invoer berekend die gelijk is aan 50 % van de overeenkomstig het bovenstaande punt 2 berekende twaalfmaandsreferentie-invoer en die voor het eerste verkoopseizoen dus 215 839 MT bedraagt.

4.   Aanpassing van het toegepaste tarief halverwege het verkoopseizoen: binnen tien dagen na afloop van de eerste zes maanden van elk verkoopseizoen beziet de Europese Gemeenschap het toegepaste tarief en past zij het zo nodig aan volgens de onderstaande regels:

a)

indien de werkelijke invoer van gedopte rijst in de net voorbije periode van zes maanden meer dan 15 % kleiner was dan de overeenkomstig het bovenstaande punt 3 berekende zesmaandsreferentie-invoer voor die periode (d.w.z. minder dan 183 463 MT bedroeg wat het eerste verkoopseizoen betreft), past de Europese Gemeenschap een tarief van 30 EUR/MT toe;

b)

indien de werkelijke invoer van gedopte rijst in de net voorbije periode van zes maanden meer dan 15 % groter was dan de overeenkomstig het bovenstaande punt 3 berekende zesmaandsreferentie-invoer voor die periode (d.w.z. meer dan 248 215 MT bedroeg wat het eerste verkoopseizoen betreft), past de Europese Gemeenschap een tarief van 65 EUR/MT toe;

c)

indien de werkelijke invoer van gedopte rijst in de net voorbije periode van zes maanden niet meer dan 15 % kleiner of groter was dan de overeenkomstig het bovenstaande punt 3 berekende zesmaandsreferentie-invoer voor die periode (d.w.z. niet minder dan 183 463 MT en niet meer dan 248 215 MT bedroeg wat het eerste verkoopseizoen betreft), past de Europese Gemeenschap een tarief van 42,5 EUR/MT toe.

Voor de toepassing van de bovenstaande punten a) tot en met c) wordt onder de werkelijke invoer van gedopte rijst verstaan alle onder GN-code 1006 20 vallende invoer in de EG-25 uit alle landen van oorsprong, verlaagd met de invoer van gedopte Basmatirijst in de EG-25.

5.   Aanpassing van het toegepaste tarief aan het einde van het verkoopseizoen: binnen tien dagen na afloop van het verkoopseizoen beziet de Europese Gemeenschap het toegepaste tarief en past zij het zo nodig aan volgens de onderstaande regels:

a)

indien de werkelijke invoer van gedopte rijst in het net voorbije verkoopseizoen meer dan 15 % kleiner was dan de overeenkomstig het bovenstaande punt 2 berekende twaalfmaandsreferentie-invoer voor dat verkoopseizoen (d.w.z. minder dan 366 926 MT bedroeg wat het eerste verkoopseizoen betreft), past de Europese Gemeenschap een tarief van 30 EUR/MT toe;

b)

indien de werkelijke invoer van gedopte rijst in het net voorbije verkoopseizoen meer dan 15 % groter was dan de overeenkomstig het bovenstaande punt 2 berekende twaalfmaandsreferentie-invoer voor dat verkoopseizoen (d.w.z. meer dan 496 430 MT bedroeg wat het eerste verkoopseizoen betreft), past de Europese Gemeenschap een tarief van 65 EUR/MT toe;

c)

indien de werkelijke invoer van gedopte rijst in het net voorbije verkoopseizoen niet meer dan 15 % kleiner of groter was dan de overeenkomstig het bovenstaande punt 2 berekende twaalfmaandsreferentie-invoer voor dat verkoopseizoen (d.w.z. niet minder dan 366 926 MT en niet meer dan 496 430 MT bedroeg wat het eerste verkoopseizoen betreft), past de Europese Gemeenschap een tarief van 42,5 EUR/MT toe.

Voor de toepassing van de bovenstaande punten a) tot en met c) wordt onder de werkelijke invoer van gedopte rijst verstaan alle onder GN-code 1006 20 vallende invoer in de EG-25 uit alle landen van oorsprong, verlaagd met de invoer van gedopte Basmatirijst in de EG-25.

6.   Gegevens: De werkelijke invoer over zes maanden en de werkelijke invoer in een verkoopseizoen zoals bedoeld in de bovenstaande punten 4 en 5 worden berekend aan de hand van de gegevens in de EG-invoercertificaten voor rijst. De Europese Gemeenschap maakt deze gegevens op weekbasis bekend op het internet.

7.   Doorzichtigheid: De Europese Gemeenschap maakt elke aanpassing van het toegepaste tarief onmiddellijk openbaar.

8.   Overleg: Op verzoek van een partij beginnen de partijen binnen 30 dagen na de ontvangst van dat verzoek met overleg over aangelegenheden die onder deze overeenkomst vallen.

9.   Indien de partijen er niet in slagen om de kwesties waarover overleg wordt gepleegd op te lossen binnen 30 dagen na de ontvangst van het verzoek, kunnen de Verenigde Staten de Europese Gemeenschap schriftelijk meedelen dat zij voornemens zijn om rechten zoals vastgesteld in artikel XXVIII, lid 3, onder a), van de GATT 1994 uit te oefenen overeenkomstig het onderstaande punt 10, en kan de Europese Gemeenschap de Verenigde Staten schriftelijk meedelen dat zij voornemens is om zich uit deze overeenkomst terug te trekken overeenkomstig het onderstaande punt 11.

10.   Verlenging van de termijn voor de uitoefening van de in artikel XXVIII van de GATT 1994 vastgestelde rechten

a)

De partijen komen overeen dat de termijn voor de intrekking van nagenoeg gelijkwaardige concessies overeenkomstig artikel XXVIII, lid 3, onder a), wordt geacht te zijn verlengd. Bijgevolg kunnen de Verenigde Staten de rechten om overeenkomstig artikel XXVIII, lid 3, onder a), nagenoeg gelijkwaardige concessies in te trekken uitoefenen op elk tijdstip na een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de schriftelijke mededeling aan de Europese Gemeenschap van het voornemen van de Verenigde Staten om die rechten uit te oefenen en zal de Europese Gemeenschap niet aanvoeren dat de Verenigde Staten geen actie op grond van artikel XXVIII, lid 3, onder a), kunnen ondernemen omdat die actie te laat komt.

b)

Niettegenstaande het bovenstaande punt a) zullen de Verenigde Staten geen rechten om nagenoeg gelijkwaardige concessies in te trekken uitoefenen tenzij zij om overleg hebben verzocht en een mededeling hebben gezonden overeenkomstig het bovenstaande punt 9. Indien de Europese Gemeenschap zich uit de overeenkomst terugtrekt, mogen de Verenigde Staten alle toepasselijke rechten zoals vastgesteld in artikel XXVIII, lid 3, onder a), met onmiddellijke ingang uitoefenen.

11.   De Europese Gemeenschap trekt zich niet uit deze overeenkomst terug tenzij zij om overleg heeft verzocht en een mededeling heeft gezonden overeenkomstig het bovenstaande punt 9. De Europese Gemeenschap kan zich uit de overeenkomst terugtrekken op elk tijdstip na een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de in punt 9 bedoelde mededeling. Indien de Verenigde Staten concessies intrekken overeenkomstig het bovenstaande punt 10, mag de Europese Gemeenschap zich met onmiddellijke ingang uit deze overeenkomst terugtrekken.

12.   Behoudens het bepaalde in punt 10 doet deze overeenkomst geen afbreuk aan de rechten van de Europese Gemeenschap om elke intrekking van concessies door de Verenigde Staten aan te vechten indien de Europese Gemeenschap van mening is dat de intrekking onverenigbaar is met artikel XXVIII van de GATT 1994 of met andere relevante bepalingen van de WTO-overeenkomst.

13.   De Europese Gemeenschap pleegt overleg en werkt samen met de Verenigde Staten om te bereiken dat de verlenging van de termijn voor de intrekking van nagenoeg gelijkwaardige concessies overeenkomstig artikel XXVIII, lid 3, onder a), wordt goedgekeurd door de Algemene Raad van de WTO.

14.   Deze overeenkomst wordt door de partijen goedgekeurd volgens hun eigen procedures. De Europese Gemeenschap is van mening dat deze overeenkomst geen precedent schept voor toekomstige onderhandelingen overeenkomstig artikel XXVIII.

15.   De bepalingen van deze overeenkomst zijn van toepassing met ingang van 1 maart 2005. Daartoe stelt de Europese Gemeenschap de nodige interne procedures vast om te zorgen voor de toepassing van punt 4 voor de invoer van gedopte rijst in de periode van 1 maart 2005 tot en met 31 augustus 2005.

Ik moge u verzoeken mij te willen meedelen dat uw regering met het bovenstaande instemt.

Gelieve, Mijnheer, de verzekering van mijn bijzondere hoogachting te aanvaarden.

Namens de Europese Gemeenschap

Mijnheer,

Ik heb de eer u de ontvangst te bevestigen van uw brief van heden, welke als volgt luidt:

„Na onderhandelingen tussen de Europese Gemeenschap (EG) en de Verenigde Staten van Amerika stemt de Europese Gemeenschap in met de hierna vermelde conclusies.

Toegepast recht voor bepaalde gedopte rijst (GN-code 1006 20)

1.   De Europese Gemeenschap past voor bepaalde gedopte rijst een recht toe overeenkomstig de punten 2 tot en met 7.

2.   Twaalfmaandsreferentie-invoer

a)

Eerste verkoopseizoen: voor het eerste verkoopseizoen binnen de werkingssfeer van deze overeenkomst (periode van 1 september 2004 tot en met 31 augustus 2005) is de twaalfmaandsreferentie-invoer gelijk aan de gemiddelde totale invoer van gedopte rijst in de EG-25 uit alle landen van oorsprong in de verkoopseizoenen van 1 september 1999 tot en met 31 augustus 2000, van 1 september 2000 tot en met 31 augustus 2001 en van 1 september 2001 tot en met 31 augustus 2002, verlaagd met de invoer van gedopte Basmatirijst in de EG-25 en verhoogd met 10 % (wat uitkomt op 431 678 MT).

b)

Verhoging voor de volgende verkoopseizoenen: voor elk van de verkoopseizoenen 2005/2006, 2006/2007 en 2007/2008 wordt de twaalfmaandsreferentie-invoer telkens met 6 000 MT/verkoopseizoen verhoogd ten opzichte van die voor het voorgaande verkoopseizoen. Uiterlijk 90 dagen vóór het einde van het verkoopseizoen van 1 september 2007 tot en met 31 augustus 2008 beginnen beide partijen overleg over de twaalfmaandelijkse verhoging voor de volgende verkoopseizoenen, daarbij rekening houdend met de ontwikkelingen op de rijstmarkt van de Europese Gemeenschap, en in het bijzonder met de ontwikkeling van het verbruik, en uiterlijk op 31 augustus 2008 komen zij tot overeenstemming over die twaalfmaandelijkse verhoging.

3.   Zesmaandsreferentie-invoer: voor elk verkoopseizoen wordt een zesmaandsreferentie-invoer berekend die gelijk is aan 50 % van de overeenkomstig het bovenstaande punt 2 berekende twaalfmaandsreferentie-invoer en die voor het eerste verkoopseizoen dus 215 839 MT bedraagt.

4.   Aanpassing van het toegepaste tarief halverwege het verkoopseizoen: binnen tien dagen na afloop van de eerste zes maanden van elk verkoopseizoen beziet de Europese Gemeenschap het toegepaste tarief en past zij het zo nodig aan volgens de onderstaande regels:

a)

indien de werkelijke invoer van gedopte rijst in de net voorbije periode van zes maanden meer dan 15 % kleiner was dan de overeenkomstig het bovenstaande punt 3 berekende zesmaandsreferentie-invoer voor die periode (d.w.z. minder dan 183 463 MT bedroeg wat het eerste verkoopseizoen betreft), past de Europese Gemeenschap een tarief van 30 EUR/MT toe;

b)

indien de werkelijke invoer van gedopte rijst in de net voorbije periode van zes maanden meer dan 15 % groter was dan de overeenkomstig het bovenstaande punt 3 berekende zesmaandsreferentie-invoer voor die periode (d.w.z. meer dan 248 215 MT bedroeg wat het eerste verkoopseizoen betreft), past de Europese Gemeenschap een tarief van 65 EUR/MT toe;

c)

indien de werkelijke invoer van gedopte rijst in de net voorbije periode van zes maanden niet meer dan 15 % kleiner of groter was dan de overeenkomstig het bovenstaande punt 3 berekende zesmaandsreferentie-invoer voor die periode (d.w.z. niet minder dan 183 463 MT en niet meer dan 248 215 MT bedroeg wat het eerste verkoopseizoen betreft), past de Europese Gemeenschap een tarief van 42,5 EUR/MT toe.

Voor de toepassing van de bovenstaande punten a) tot en met c) wordt onder de werkelijke invoer van gedopte rijst verstaan alle onder GN-code 1006 20 vallende invoer in de EG-25 uit alle landen van oorsprong, verlaagd met de invoer van gedopte Basmatirijst in de EG-25.

5.   Aanpassing van het toegepaste tarief aan het einde van het verkoopseizoen: binnen tien dagen na afloop van het verkoopseizoen beziet de Europese Gemeenschap het toegepaste tarief en past zij het zo nodig aan volgens de onderstaande regels:

a)

indien de werkelijke invoer van gedopte rijst in het net voorbije verkoopseizoen meer dan 15 % kleiner was dan de overeenkomstig het bovenstaande punt 2 berekende twaalfmaandsreferentie-invoer voor dat verkoopseizoen (d.w.z. minder dan 366 926 MT bedroeg wat het eerste verkoopseizoen betreft), past de Europese Gemeenschap een tarief van 30 EUR/MT toe;

b)

indien de werkelijke invoer van gedopte rijst in het net voorbije verkoopseizoen meer dan 15 % groter was dan de overeenkomstig het bovenstaande punt 2 berekende twaalfmaandsreferentie-invoer voor dat verkoopseizoen (d.w.z. meer dan 496 430 MT bedroeg wat het eerste verkoopseizoen betreft), past de Europese Gemeenschap een tarief van 65 EUR/MT toe;

c)

indien de werkelijke invoer van gedopte rijst in het net voorbije verkoopseizoen niet meer dan 15 % kleiner of groter was dan de overeenkomstig het bovenstaande punt 2 berekende twaalfmaandsreferentie-invoer voor dat verkoopseizoen (d.w.z. niet minder dan 366 926 MT en niet meer dan 496 430 MT bedroeg wat het eerste verkoopseizoen betreft), past de Europese Gemeenschap een tarief van 42,5 EUR/MT toe.

Voor de toepassing van de bovenstaande punten a) tot en met c) wordt onder de werkelijke invoer van gedopte rijst verstaan alle onder GN-code 1006 20 vallende invoer in de EG-25 uit alle landen van oorsprong, verlaagd met de invoer van gedopte Basmatirijst in de EG-25.

6.   Gegevens: De werkelijke invoer over zes maanden en de werkelijke invoer in een verkoopseizoen zoals bedoeld in de bovenstaande punten 4 en 5 worden berekend aan de hand van de gegevens in de EG-invoercertificaten voor rijst. De Europese Gemeenschap maakt deze gegevens op weekbasis bekend op het internet.

7.   Doorzichtigheid: De Europese Gemeenschap maakt elke aanpassing van het toegepaste tarief onmiddellijk openbaar.

8.   Overleg: Op verzoek van een partij beginnen de partijen binnen 30 dagen na de ontvangst van dat verzoek met overleg over aangelegenheden die onder deze overeenkomst vallen.

9.   Indien de partijen er niet in slagen om de kwesties waarover overleg wordt gepleegd op te lossen binnen 30 dagen na de ontvangst van het verzoek, kunnen de Verenigde Staten de Europese Gemeenschap schriftelijk meedelen dat zij voornemens zijn om rechten zoals vastgesteld in artikel XXVIII, lid 3, onder a), van de GATT 1994 uit te oefenen overeenkomstig het onderstaande punt 10, en kan de Europese Gemeenschap de Verenigde Staten schriftelijk meedelen dat zij voornemens is om zich uit deze overeenkomst terug te trekken overeenkomstig het onderstaande punt 11.

10.   Verlenging van de termijn voor de uitoefening van de in artikel XXVIII van de GATT 1994 vastgestelde rechten

a)

De partijen komen overeen dat de termijn voor de intrekking van nagenoeg gelijkwaardige concessies overeenkomstig artikel XXVIII, lid 3, onder a), wordt geacht te zijn verlengd. Bijgevolg kunnen de Verenigde Staten de rechten om overeenkomstig artikel XXVIII, lid 3, onder a), nagenoeg gelijkwaardige concessies in te trekken uitoefenen op elk tijdstip na een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de schriftelijke mededeling aan de Europese Gemeenschap van het voornemen van de Verenigde Staten om die rechten uit te oefenen en zal de Europese Gemeenschap niet aanvoeren dat de Verenigde Staten geen actie op grond van artikel XXVIII, lid 3, onder a), kunnen ondernemen omdat die actie te laat komt.

b)

Niettegenstaande het bovenstaande punt a) zullen de Verenigde Staten geen rechten om nagenoeg gelijkwaardige concessies in te trekken uitoefenen tenzij zij om overleg hebben verzocht en een mededeling hebben gezonden overeenkomstig het bovenstaande punt 9. Indien de Europese Gemeenschap zich uit de overeenkomst terugtrekt, mogen de Verenigde Staten alle toepasselijke rechten zoals vastgesteld in artikel XXVIII, lid 3, onder a), met onmiddellijke ingang uitoefenen.

11.   De Europese Gemeenschap trekt zich niet uit deze overeenkomst terug tenzij zij om overleg heeft verzocht en een mededeling heeft gezonden overeenkomstig het bovenstaande punt 9. De Europese Gemeenschap kan zich uit de overeenkomst terugtrekken op elk tijdstip na een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de in punt 9 bedoelde mededeling. Indien de Verenigde Staten concessies intrekken overeenkomstig het bovenstaande punt 10, mag de Europese Gemeenschap zich met onmiddellijke ingang uit deze overeenkomst terugtrekken.

12.   Behoudens het bepaalde in punt 10 doet deze overeenkomst geen afbreuk aan de rechten van de Europese Gemeenschap om elke intrekking van concessies door de Verenigde Staten aan te vechten indien de Europese Gemeenschap van mening is dat de intrekking onverenigbaar is met artikel XXVIII van de GATT 1994 of met andere relevante bepalingen van de WTO-overeenkomst.

13.   De Europese Gemeenschap pleegt overleg en werkt samen met de Verenigde Staten om te bereiken dat de verlenging van de termijn voor de intrekking van nagenoeg gelijkwaardige concessies overeenkomstig artikel XXVIII, lid 3, onder a), wordt goedgekeurd door de Algemene Raad van de WTO.

14.   Deze overeenkomst wordt door de partijen goedgekeurd volgens hun eigen procedures. De Europese Gemeenschap is van mening dat deze overeenkomst geen precedent schept voor toekomstige onderhandelingen overeenkomstig artikel XXVIII.

15.   De bepalingen van deze overeenkomst zijn van toepassing met ingang van 1 maart 2005. Daartoe stelt de Europese Gemeenschap de nodige interne procedures vast om te zorgen voor de toepassing van punt 4 voor de invoer van gedopte rijst in de periode van 1 maart 2005 tot en met 31 augustus 2005.”.

De Verenigde Staten van Amerika hebben de eer te bevestigen dat zij met de inhoud van deze brief instemmen.

Gelieve, Mijnheer, de verzekering van mijn bijzondere hoogachting te aanvaarden.

Namens de Verenigde Staten van Amerika


Commissie

1.7.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 170/75


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 29 juni 2005

tot verlening van een machtiging om voor planten van Vitis L., met uitzondering van vruchten, van oorsprong uit Kroatië, van sommige bepalingen van Richtlijn 2000/29/EG van de Raad af te wijken

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 1920)

(2005/477/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (1), en met name op artikel 15, lid 1,

Gezien het door Italië en Slovenië ingediende verzoek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Richtlijn 2000/29/EG mogen planten van Vitis L., met uitzondering van vruchten, van oorsprong uit derde landen, in principe niet in de Gemeenschap worden binnengebracht.

(2)

Italië en Slovenië hebben om een afwijking verzocht om de invoer van planten van Vitis L., met uitzondering van vruchten, van oorsprong uit Kroatië, tijdelijk toe te staan om gespecialiseerde kwekerijen de kans te geven deze planten in de Gemeenschap te vermeerderen en deze naderhand weer naar Kroatië uit te voeren.

(3)

De Commissie is van oordeel dat er geen risico bestaat van verspreiding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen, op voorwaarde dat de uit Kroatië afkomstige planten van Vitis L., met uitzondering van vruchten, onderworpen worden aan de specifieke voorwaarden van deze beschikking.

(4)

Om die reden moeten de lidstaten voor een beperkte periode worden gemachtigd onder specifieke voorwaarden het binnenbrengen van dergelijke planten op hun grondgebied toe te staan.

(5)

Deze machtiging moet worden ingetrokken indien blijkt dat de bij deze beschikking vastgestelde specifieke voorwaarden ontoereikend zijn om het binnenbrengen van schadelijke organismen in de Gemeenschap te voorkomen of dat zij niet in acht zijn genomen.

(6)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Plantenziektekundig Comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

In afwijking van artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2000/29/EG, wat betreft punt 15 van deel A van bijlage III bij die richtlijn, worden de lidstaten gemachtigd het binnenbrengen van planten van Vitis L., met uitzondering van vruchten, bestemd voor enting in de Gemeenschap en van oorsprong uit Kroatië (hierna „de planten” genoemd), op hun grondgebied toe te staan.

Om in aanmerking te komen voor deze afwijking worden de planten, naast de vereisten van de bijlagen I en II bij Richtlijn 2000/29/EG, onderworpen aan de voorwaarden van de bijlage bij deze beschikking, en worden zij tussen 1 januari 2006 en 31 maart 2006 in de Gemeenschap binnengebracht.

Artikel 2

De lidstaten die van de in artikel 1 bedoelde afwijking gebruikmaken, stellen de Commissie en de andere lidstaten uiterlijk op 1 juli 2006 in kennis van:

a)

gegevens over de hoeveelheden planten die op grond van deze beschikking zijn ingevoerd, en tevens

b)

een gedetailleerd technisch verslag over de in punt 6 van de bijlage bedoelde officiële inspecties.

Alle lidstaten waar de planten, na op het grondgebied ervan te zijn binnengebracht, worden geënt, doen de Commissie en de overige lidstaten uiterlijk op 1 juli 2006 een gedetailleerd technisch verslag over de in punt 8, onder b), van de bijlage bedoelde officiële inspecties en tests toekomen.

Artikel 3

De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten onverwijld in kennis van alle zendingen die op grond van deze beschikking op hun grondgebied worden binnengebracht en vervolgens niet aan deze beschikking blijken te voldoen.

Artikel 4

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 29 juni 2005.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2005/16/EG van de Commissie (PB L 57 van 3.3.2005, blz. 19).


BIJLAGE

Specifieke voorwaarden waaraan planten van Vitis L., met uitzondering van vruchten, van oorsprong uit Kroatië, moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de in artikel 1 vastgestelde afwijking

1.

De planten zijn teeltmateriaal in de vorm van slapende knoppen van de volgende rassen: Babić, Borgonja, Dišeča belina, Graševina, Grk, Hrvatica, Kraljevina, Malvazija istarska, Maraština, Malvasija, Muškat momjanski, Muškat ruža porečki, Plavac mali, Plavina-Plavka, Pošip, Škrlet, Teran, Trnjak, Plavac veli, Vugava of Žlahtina; en zij zijn:

a)

bestemd om in de Gemeenschap op de in punt 7 bedoelde bedrijven te worden geënt op in de Gemeenschap geproduceerde onderstammen;

b)

geoogst in officieel in Kroatië geregistreerde onderstamkwekerijen. De lijsten van geregistreerde kwekerijen moeten uiterlijk op 31 oktober 2005 aan de lidstaten die van de afwijking gebruikmaken en aan de Commissie worden verstrekt. Deze lijsten moeten de naam van het ras bevatten, het aantal rijen dat van dat ras is aangeplant, het aantal planten per rij voor elk van deze kwekerijen, voorzover de planten geschikt worden geacht om in 2006 onder de in deze beschikking vastgestelde voorwaarden naar de Gemeenschap te worden verzonden;

c)

naar behoren verpakt; op de verpakking is een zodanige aanduiding aangebracht dat kan worden bepaald van welke geregistreerde kwekerij het materiaal afkomstig is en tot welk ras het behoort.

2.

De planten gaan vergezeld van een in Kroatië overeenkomstig artikel 13, lid 1, van Richtlijn 2000/29/EG en op basis van het daarin bedoelde onderzoek afgegeven fytosanitair certificaat, waarin met name wordt verklaard dat de planten vrij zijn van de volgende schadelijke organismen:

 

Daktulosphaira vitifoliae (Fitch)

 

Xylophilus ampelinus (Panagopoulos) Willems et al.

 

Grapevine Flavescence dorée

 

Xylella fastidiosa (Well et Raju)

 

Trechispora brinkmannii (Bresad.) Rogers

 

Tobacco ringspot virus

 

Tomato ringspot virus

 

Blueberry leaf mottle virus

 

Peach rosette mosaic virus

In het certificaat wordt onder „Aanvullende verklaring” vermeld: „Deze zending voldoet aan de in Beschikking 2005/477/EG vastgestelde voorwaarden”.

3.

De officiële plantenziektekundige dienst van Kroatië ziet erop toe dat de planten vanaf het moment waarop zij worden geoogst zoals bedoeld in punt 1, onder b), tot het moment waarop zij voor uitvoer naar de Gemeenschap worden ingeladen, kunnen worden geïdentificeerd.

4.

De planten worden binnengebracht via de plaatsen van binnenkomst die zijn aangewezen door de lidstaat waarin deze plaatsen liggen.

Deze plaatsen van binnenkomst en de naam en het adres van de voor elke plaats van binnenkomst verantwoordelijke officiële instantie zoals bedoeld in Richtlijn 2000/29/EG, worden ruim op tijd door de lidstaten aan de Commissie gemeld en worden desgevraagd aan de andere lidstaten meegedeeld.

Als de planten in de Gemeenschap worden binnengebracht in een andere lidstaat dan die welke van de in artikel 1 bedoelde machtiging (hierna „de machtiging” genoemd) gebruikmaakt, stellen de verantwoordelijke officiële instanties van de lidstaat van binnenkomst de verantwoordelijke officiële instanties van de lidstaten die van de machtiging gebruikmaken op de hoogte en werken zij met deze instanties samen om te garanderen dat deze beschikking in acht wordt genomen.

5.

Voorafgaand aan het binnenbrengen in de Gemeenschap moet de importeur officieel in kennis worden gesteld van de in de punten 1 tot en met 4 vastgestelde voorwaarden; deze importeur meldt bijzonderheden van elke in te voeren zending lang genoeg van tevoren aan de verantwoordelijke officiële instanties in de lidstaat van binnenkomst en deze lidstaat geeft de gegevens onverwijld door aan de Commissie, met name:

a)

het soort materiaal,

b)

het ras en de hoeveelheid;

c)

de datum waarop de zending zal worden binnengebracht en de bevestiging van de plaats van binnenkomst;

d)

de naam, het adres en de ligging van de in punt 7 bedoelde bedrijven waar de knoppen zullen worden geënt en opgeslagen.

De importeur stelt de officiële instanties in kennis van elke wijziging van de hierboven bedoelde gegevens, zodra de nieuwe gegevens bekend zijn.

De betrokken lidstaat stelt de Commissie onverwijld in kennis van de hierboven bedoelde gegevens en van elke wijziging daarvan.

Ten minste twee weken voor de datum van binnenkomst stelt de importeur de verantwoordelijke officiële instantie van de in punt 7 bedoelde bedrijven op de hoogte van de plaats waar de planten zullen worden geënt.

6.

De inspecties, inclusief eventuele tests, die op grond van artikel 13 van Richtlijn 2000/29/EG en van in deze beschikking vastgestelde vereisten moeten worden verricht, worden uitgevoerd door de verantwoordelijke officiële instanties van de lidstaat die van deze machtiging gebruikmaakt, indien nodig in samenwerking met de verantwoordelijke officiële instanties van de lidstaat waar de planten worden opgeslagen.

Bij deze inspecties verricht(en) die lidstaat (lidstaten) ook onderzoek naar, en zo nodig tests op, de in punt 2 vermelde schadelijke organismen. Als dergelijke schadelijke organismen worden gevonden, wordt de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis gesteld. Er worden passende maatregelen genomen om de schadelijke organismen en zo nodig de betrokken planten te vernietigen.

7.

De planten worden alleen geënt in bedrijven die officieel zijn geregistreerd en erkend in het kader van deze machtiging.

De persoon die de planten wil enten, stelt de verantwoordelijke officiële instanties van de lidstaat waarin die bedrijven zich bevinden, vooraf in kennis van de naam en het adres van de eigenaar van die bedrijven.

Als de planten worden geënt in een andere lidstaat dan die welke van de machtiging gebruikmaakt, stellen de verantwoordelijke officiële instanties van de lidstaat die van de machtiging gebruikmaakt, de verantwoordelijke officiële instanties van de lidstaat waar de planten moeten worden geënt, in kennis van de naam en het adres van de bedrijven waar de planten zullen worden geënt. Zij delen deze informatie mee zodra zij de in punt 5, laatste lid, bedoelde voorafgaande kennisgeving van de importeur ontvangen.

8.

In de in punt 7 bedoelde bedrijven:

a)

kunnen de planten die vrij zijn bevonden van de in punt 2 bedoelde schadelijke organismen daarna worden gebruikt voor enting op in de Gemeenschap geproduceerde onderstammen. De geënte planten worden vervolgens onder passende voorwaarden in een geschikt groeimedium gehouden, maar worden niet op percelen uitgeplant of opgekweekt. De geënte planten blijven op het bedrijf tot zij naar een bestemming buiten de Gemeenschap worden verzonden, zoals bedoeld in punt 9;

b)

worden de planten door bovenbedoelde verantwoordelijke officiële instanties van de lidstaat waar de planten worden geënt in de periode na de enting op passende tijden visueel op schadelijke organismen of door schadelijke organismen veroorzaakte tekenen of symptomen geïnspecteerd; de bij deze visuele inspectie ontdekte schadelijke organismen die dergelijke tekenen of symptomen hebben veroorzaakt, worden aan de hand van passende tests geïdentificeerd;

c)

worden alle geënte planten die bij de onder a) en b) bedoelde inspecties of tests niet vrij zijn bevonden van de in punt 2 vermelde schadelijke organismen of die anderszins aanleiding geven tot quarantainemaatregelen, onmiddellijk vernietigd onder toezicht van de bovenbedoelde verantwoordelijke officiële instanties.

9.

Planten die zijn verkregen door succesvolle enting van de in punt 1 bedoelde knoppen worden als geënte planten alleen voor de bestemming Kroatië vrijgegeven. De verantwoordelijke officiële instanties van een lidstaat die van deze machtiging gebruikmaakt, zien erop toe dat alle planten die niet naar een dergelijke bestemming worden gebracht, officieel worden vernietigd. De gegevens over het aantal met succes geënte planten, officieel vernietigde planten en weer naar Kroatië geëxporteerde planten worden bijgehouden. Deze gegevens worden ter beschikking gesteld van de Commissie.