ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 164

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

48e jaargang
24 juni 2005


Inhoud

 

I   Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

Bladzijde

 

*

Verordening (EG) nr. 953/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de sluiting van het Protocol tot vaststelling, voor de periode van 1 juli 2004 tot en met 30 juni 2007, van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie zoals bedoeld in de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Ivoorkust inzake de visserij voor de kust van Ivoorkust

1

 

 

Verordening (EG) nr. 954/2005 van de Commissie van 23 juni 2005 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

3

 

*

Verordening (EG) nr. 955/2005 van de Commissie van 23 juni 2005 houdende opening van een contingent voor de invoer in de Gemeenschap van rijst van oorsprong uit Egypte

5

 

*

Verordening (EG) nr. 956/2005 van de Commissie van 23 juni 2005 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 411/88 met betrekking tot de bij de berekening van de financieringskosten van de interventies in de vorm van aankoop, opslag en afzet toe te passen methode en rentevoeten

8

 

 

Verordening (EG) nr. 957/2005 van de Commissie van 23 juni 2005 tot wijziging van de bij Verordening (EG) nr. 846/2005 vastgestelde restituties bij uitvoer van witte en ruwe suiker in onveranderde vorm

11

 

 

Verordening (EG) nr. 958/2005 van de Commissie van 23 juni 2005 houdende het besluit om geen gevolg te geven aan de 30e deelinschrijving voor witte suiker in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 1327/2004 ingestelde permanente inschrijving

13

 

 

Verordening (EG) nr. 959/2005 van de Commissie van 23 juni 2005 tot wijziging van de uitvoerrestituties in de sector slachtpluimvee

14

 

 

Verordening (EG) nr. 960/2005 van de Commissie van 23 juni 2005 houdende vaststelling van de restituties die worden toegepast voor bepaalde producten van de sector granen en de sector rijst, uitgevoerd in de vorm van niet in bijlage I bij het Verdrag vermelde goederen

16

 

 

Verordening (EG) nr. 961/2005 van de Commissie van 23 juni 2005 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte producten

20

 

 

Verordening (EG) nr. 962/2005 van de Commissie van 23 juni 2005 betreffende de afgifte van uitvoercertificaten in de wijnsector

23

 

 

Verordening (EG) nr. 963/2005 van de Commissie van 23 juni 2005 tot wijziging van de bij Verordening (EG) nr. 803/2005 vastgestelde restituties bij uitvoer in ongewijzigde staat voor stropen en bepaalde andere producten van de sector suiker

24

 

 

Verordening (EG) nr. 964/2005 van de Commissie van 23 juni 2005 tot wijziging van de bij Verordening (EG) nr. 1210/2004 voor het verkoopseizoen 2004/2005 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten van de sector suiker

26

 

 

Verordening (EG) nr. 965/2005 van de Commissie van 23 juni 2005 houdende wijziging van de restituties die worden toegepast voor bepaalde producten van de sector suiker die worden uitgevoerd in de vorm van niet in bijlage I van het Verdrag vermelde goederen

28

 

 

Verordening (EG) nr. 966/2005 van de Commissie van 23 juni 2005 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer voor mengvoeders op basis van granen

30

 

 

Verordening (EG) nr. 967/2005 van de Commissie van 23 juni 2005 tot vaststelling van de maximumverlaging van het recht bij invoer van maïs in het kader van de inschrijving bedoeld in Verordening (EG) nr. 868/2005

32

 

 

Verordening (EG) nr. 968/2005 van de Commissie van 23 juni 2005 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer voor granen en meel, gries en griesmeel van tarwe of van rogge

33

 

 

Verordening (EG) nr. 969/2005 van de Commissie van 23 juni 2005 tot vaststelling van de maximumrestitutie bij uitvoer van gerst in het kader van de inschrijving bedoeld in Verordening (EG) nr. 1757/2004

35

 

 

Verordening (EG) nr. 970/2005 van de Commissie van 23 juni 2005 tot vaststelling van de maximumrestitutie bij uitvoer van zachte tarwe in het kader van de inschrijving bedoeld in Verordening (EG) nr. 115/2005

36

 

*

Richtlijn 2005/43/EG van de Commissie van 23 juni 2005 tot wijziging van de bijlagen bij Richtlijn 68/193/EEG van de Raad betreffende het in de handel brengen van vegetatief teeltmateriaal voor wijnstokken

37

 

 

II   Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

 

 

Raad

 

*

Besluit nr. 4/2005 van de ACS-EG-Raad van ministers van 13 april 2005 betreffende het gebruik van de reserve van de middelen voor langetermijnontwikkeling van het negende Europees Ontwikkelingsfonds

46

 

*

Besluit van de Raad van 13 juni 2005 houdende benoeming van een plaatsvervangend lid (Italië) in het Comité van de Regio's

48

 

*

Besluit van de Raad van 13 juni 2005 houdende benoeming van een plaatsvervangend lid (Duitsland) in het Comité van de Regio's

49

 

 

Commissie

 

*

Besluit van de Commissie van 21 juni 2005 tot oprichting van een netwerkgroep voor de uitwisseling en coördinatie van informatie betreffende de coëxistentie van genetisch gemodificeerde, conventionele en biologische gewassen

50

 

*

Beschikking van de Commissie van 21 juni 2005 betreffende de uitvoering van programma’s voor onderzoek naar aviaire influenza bij pluimvee en in het wild levende vogels in de lidstaten (Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 1827)  ( 1 )

52

 

*

Beschikking van de Commissie van 22 juni 2005 betreffende het in de handel brengen van een koolzaadproduct (Brassica napus L., lijn GT73), genetisch gemodificeerd met het oog op tolerantie voor het herbicide glyfosaat, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 1838)  ( 1 )

57

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

24.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/1


VERORDENING (EG) Nr. 953/2005 VAN DE RAAD

van 21 juni 2005

betreffende de sluiting van het Protocol tot vaststelling, voor de periode van 1 juli 2004 tot en met 30 juni 2007, van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie zoals bedoeld in de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Ivoorkust inzake de visserij voor de kust van Ivoorkust

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37, juncto artikel 300, lid 2 en lid 3, eerste alinea,

vu la proposition de la Commission,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van de overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Ivoorkust inzake de visserij voor de kust van Ivoorkust (2) voeren de overeenkomstsluitende partijen voordat de geldigheidsduur van het aan de overeenkomst gehechte protocol afloopt, onderhandelingen om in onderlinge overeenstemming de inhoud van het protocol voor de volgende periode te bepalen en, in voorkomend geval, te bepalen welke wijzigingen of aanvullingen in de bijlage moeten worden aangebracht.

(2)

De partijen hebben van 9 tot en met 13 november 2003 in Abidjan onderhandeld over een nieuw protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie. Dit protocol voor de periode van 1 juli 2004 tot en met 30 juni 2007 is op 3 maart 2004 in Brussel geparafeerd.

(3)

Het is van belang te bevestigen hoe de vangstmogelijkheden over de lidstaten moeten worden verdeeld en hoe zij hun vangsten dienen aan te melden.

(4)

Het protocol dient te worden goedgekeurd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het Protocol tot vaststelling, voor de periode van 1 juli 2004 tot en met 30 juni 2007, van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie zoals bedoeld in de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Ivoorkust inzake de visserij voor de kust van Ivoorkust (3), wordt namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd.

Artikel 2

1.   De in het protocol vastgestelde vangstmogelijkheden worden als volgt over de lidstaten verdeeld:

a)

demersale visserij:

Spanje: 1 300 brt (brutoregisterton) per maand gemiddeld op jaarbasis;

b)

tonijnvisserij:

i)

vaartuigen voor de tonijnvisserij met de zegen:

Frankrijk: 17 vaartuigen,

Spanje: 17 vaartuigen;

ii)

vaartuigen voor de visserij met de drijvende beug:

Spanje: 6 vaartuigen,

Portugal: 5 vaartuigen;

iii)

vaartuigen voor de tonijnvisserij met de hengel:

Frankrijk: 3 vaartuigen.

2.   Als met de vergunningsaanvragen van deze lidstaten niet alle in het protocol vastgestelde vangstmogelijkheden worden benut, kan de Commissie aanvragen van andere lidstaten in overweging nemen.

Artikel 3

De lidstaten waarvan vaartuigen in het kader van deze overeenkomst vissen, melden de Commissie de hoeveelheden van elk bestand, die in de visserijzone van Ivoorkust zijn gevangen, overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EG) nr. 500/2001 van de Commissie van 14 maart 2001 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad wat betreft de controle op de vangsten van de vissersvaartuigen van de Gemeenschap in de wateren van derde landen en in volle zee (4).

Artikel 4

De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de personen aan te wijzen die bevoegd zijn om het protocol te ondertekenen teneinde daardoor de Gemeenschap te binden.

Artikel 5

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 21 juni 2005.

Voor de Raad

De voorzitter

F. BODEN


(1)  Advies uitgebracht op 26 mei 2005 (nog niet in het Publicatieblad verschenen).

(2)  PB L 379 van 31.12.1990, blz. 3. Overeenkomst laatstelijk gewijzigd bij het Protocol tot vaststelling, voor de periode van 1 juli 2000 tot en met 30 juni 2003, van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie, zoals bedoeld in de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Ivoorkust inzake de visserij voor de kust van Ivoorkust (PB L 102 van 12.4.2001, blz. 3).

(3)  PB L 76 van 22.3.2005, blz. 1.

(4)  PB L 73 van 15.3.2001, blz. 8.


24.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/3


VERORDENING (EG) Nr. 954/2005 VAN DE COMMISSIE

van 23 juni 2005

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 24 juni 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juni 2005.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1947/2002 (PB L 299 van 1.11.2002, blz. 17).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 23 juni 2005 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

052

52,6

204

35,2

999

43,9

0707 00 05

052

76,3

999

76,3

0709 90 70

052

85,6

999

85,6

0805 50 10

388

62,8

528

56,5

624

71,1

999

63,5

0808 10 80

388

93,3

400

117,0

404

90,8

508

86,3

512

67,4

524

46,4

528

50,9

720

104,9

804

91,3

999

83,1

0809 10 00

052

197,3

624

188,8

999

193,1

0809 20 95

052

272,6

068

148,4

400

358,1

999

259,7

0809 30 10, 0809 30 90

052

157,0

999

157,0

0809 40 05

052

130,1

624

166,1

999

148,1


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 750/2005 van de Commissie (PB L 126 van 19.5.2005, blz. 12). De code „999” staat voor „andere oorsprong”.


24.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/5


VERORDENING (EG) Nr. 955/2005 VAN DE COMMISSIE

van 23 juni 2005

houdende opening van een contingent voor de invoer in de Gemeenschap van rijst van oorsprong uit Egypte

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1785/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt (1), en met name op artikel 10, lid 2, en artikel 13, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Arabische Republiek Egypte, anderzijds, teneinde rekening te houden met de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie (2), welk protocol is gehecht aan Besluit 2005/89/EG van de Raad (3), heeft Protocol nr. 1 bij die Euro-mediterrane overeenkomst gewijzigd en dat gewijzigde protocol voorziet in een nieuw tariefcontingent voor de invoer in de Gemeenschap van 5 605 t rijst van oorsprong uit Egypte, waarvoor de waarde van het overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1785/2003 berekende douanerecht met 100 % wordt verlaagd. Het is derhalve noodzakelijk dit contingent te openen en enige uitvoeringsbepalingen voor het beheer ervan vast te stellen.

(2)

Het contingent is met ingang van 1 mei 2004 van toepassing op basis van een jaarperiode van 1 januari tot en met 31 december. Voor het jaar 2005 dient de hoeveelheid derhalve verhoudingsgewijs te worden verhoogd om er rekening mee te houden dat voor de periode van 1 mei tot en met 31 december 2004 geen contingent was geopend.

(3)

De algemene uitvoeringsbepalingen betreffende de invoercertificaten die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie van 9 juni 2000 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (4) en bij Verordening (EG) nr. 1342/2003 van de Commissie van 28 juli 2003 houdende bijzondere uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer en uitvoercertificaten in de sector granen en rijst (5), moeten worden toegepast. Voor een goed administratief beheer van het betrokken contingent moeten echter bijzondere uitvoeringsbepalingen die de Verordeningen (EG) nr. 1291/2000 en (EG) nr. 1342/2003 aanvullen of ervan afwijken, worden vastgesteld op het gebied van de indiening van de aanvragen, de afgifte van de certificaten en het leveren van het bewijs van het gebruik van de certificaten.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Een jaarlijks tariefcontingent van 5 605 t rijst van GN-code 1006, van oorsprong uit Egypte, waarvoor de waarde van het overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1785/2003 berekende douanerecht met 100 % wordt verlaagd, wordt geopend overeenkomstig het bepaalde in de onderhavige verordening.

Voor het jaar 2005 wordt dit tariefcontingent echter geopend voor een hoeveelheid van 9 342 t.

Het contingent draagt het volgnummer 09.4097.

Artikel 2

1.   De aanvraag voor een invoercertificaat betreft een hoeveelheid van ten minste 100 t en ten hoogste 1 000 t rijst.

2.   De aanvraag voor een invoercertificaat gaat vergezeld van het bewijs dat de aanvrager een natuurlijke of rechtspersoon is die sinds ten minste twaalf maanden een handelsactiviteit in de sector rijst uitoefent, en dat hij is ingeschreven in de lidstaat waar de aanvraag wordt ingediend.

3.   De aanvrager mag in de betrokken lidstaat wekelijks slechts één certificaataanvraag per GN-code van acht cijfers indienen.

Artikel 3

1.   De aanvragen voor een invoercertificaat en de invoercertificaten bevatten de volgende vermeldingen:

a)

in vak 8 is het woord „Egypte” ingevuld en is de vermelding „ja” aangekruist;

b)

in vak 24 is een van de in de bijlage voorkomende vermeldingen aangebracht.

2.   In afwijking van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1291/2000 zijn de uit het invoercertificaat voortvloeiende rechten niet overdraagbaar.

3.   In afwijking van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1342/2003 is de zekerheid voor de invoercertificaten gelijk aan het overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1785/2003 berekende douanerecht dat geldt op de dag waarop de aanvraag wordt ingediend.

4.   De toepassing van de in artikel 1 bedoelde verlaging van het douanerecht is afhankelijk van de overlegging, bij het in het vrije verkeer brengen van de rijst, van een vervoersdocument en een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 volgens Protocol nr. 4 bij de Euro-mediterrane overeenkomst, die in Egypte zijn afgegeven en de betrokken partij betreffen.

Artikel 4

1.   De aanvragen voor een invoercertificaat worden bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaten ingediend uiterlijk elke maandag om 13.00 uur Brusselse tijd.

Uiterlijk op de werkdag volgende op de laatste dag waarop aanvragen konden worden ingediend, delen de lidstaten de Commissie langs elektronische weg de per GN-code van acht cijfers uitgesplitste hoeveelheden mee waarvoor invoercertificaten zijn aangevraagd.

2.   Het invoercertificaat wordt afgegeven op de achtste werkdag volgende op de laatste dag waarop aanvragen konden worden ingediend, zolang de in artikel 1 vastgestelde hoeveelheid niet wordt bereikt.

In afwijking van artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1342/2003 is het invoercertificaat slechts geldig tot het einde van de maand volgende op de maand waarin het is afgegeven.

3.   Indien de in een week aangevraagde hoeveelheden ertoe leiden dat de in het kader van het in artikel 1 vastgestelde contingent beschikbare hoeveelheid wordt overschreden, stelt de Commissie uiterlijk op de zevende werkdag volgende op de laatste dag waarop in die week aanvragen konden worden ingediend, een uniform percentage vast waarmee de in die week aangevraagde hoeveelheden worden verlaagd, wijst zij de in de volgende weken ingediende aanvragen af en onderbreekt zij de afgifte van invoercertificaten tot het einde van het lopende jaar.

4.   Indien de hoeveelheid waarvoor het invoercertificaat wordt afgegeven, kleiner is dan de aangevraagde hoeveelheid, wordt het in artikel 3, lid 3, bedoelde zekerheidsbedrag verhoudingsgewijs verlaagd.

Artikel 5

De lidstaten verstrekken de Commissie langs elektronische weg de volgende gegevens:

a)

uiterlijk binnen twee werkdagen na de afgifte van invoercertificaten, de hoeveelheden waarvoor die invoercertificaten zijn afgegeven, met vermelding van de datum van afgifte en van de naam en het adres van de titularis;

b)

op de laatste werkdag van elke maand, de hoeveelheden die in de voorgaande maand daadwerkelijk in het vrije verkeer zijn gebracht, uitgesplitst per GN-code.

De in de eerste alinea bedoelde gegevens worden apart van die betreffende de overige aanvragen voor een invoercertificaat in de sector rijst verstrekt.

Artikel 6

Artikel 35, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1291/2000 is van toepassing.

Artikel 7

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 96.

(2)  PB L 31 van 4.2.2005, blz. 31.

(3)  PB L 31 van 4.2.2005, blz. 30.

(4)  PB L 152 van 24.6.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1741/2004 (PB L 311 van 8.10.2004, blz. 17).

(5)  PB L 189 van 29.7.2003, blz. 12. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1092/2004 (PB L 209 van 11.6.2004, blz. 9).


BIJLAGE

In artikel 3, lid 1, onder b), bedoelde vermeldingen

In het Spaans: Derecho cero [Reglamento (CE) no 955/2005]

In het Tsjechisch: nulové clo (nařízení (ES) č. 955/2005)

in het Deens: Nultold (forordning (EF) nr. 955/2005)

In het Duits: Zollsatz Null (Verordnung (EG) Nr. 955/2005)

In het Ests: Nullmääraga tollimaks (määrus (EÜ) nr 955/2005)

In het Grieks: Μηδενικός δασμός [κανονισμός (ΕΚ) αριθ. 955/2005]

In het Engels: Zero duty (Regulation (EC) No 955/2005)

In het Frans: Droit zéro [règlement (CE) no 955/2005]

In het Italiaans: dazio zero [regolamento (CE) n. 955/2005]

In het Lets: Nodokļa nulles likme (Regula (EK) Nr. 955/2005)

In het Litouws: nulinis muito tarifas (Reglamentas (EB) Nr. 955/2005)

In het Hongaars: nulla vámtétel (955/2005/EK rendelet)

In het Maltees: Bla dazju (Regolament (KE) Nru 955/2005)

In het Nederlands: Nulrecht (Verordening (EG) nr. 955/2005)

In het Pools: stawka zerowa (rozporządzenie (WE) nr 955/2005)

In het Portugees: Direito nulo [Regulamento (CE) no 955/2005]

In het Slowaaks: Nulové clo (nariadenie (ES) č. 955/2005)

In het Sloveens: Dajatev nič (Uredba (ES) št. 955/2005)

In het Fins: Tullivapaa (asetus (EY) N:o 955/2005)

In het Zweeds: Nolltull (förordning (EG) nr 955/2005)


24.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/8


VERORDENING (EG) Nr. 956/2005 VAN DE COMMISSIE

van 23 juni 2005

tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 411/88 met betrekking tot de bij de berekening van de financieringskosten van de interventies in de vorm van aankoop, opslag en afzet toe te passen methode en rentevoeten

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 1883/78 van de Raad van 2 augustus 1978 betreffende algemene regels voor de financiering van de interventies door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie (1), en met name op artikel 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 5, derde alinea, van Verordening (EEG) nr. 1883/78 is bepaald dat voor de begrotingsjaren 2005 en 2006 in het geval dat het gemiddelde rentepercentage dat voor de interventiemaatregelen ten laste van een lidstaat komt, meer dan tweemaal zo hoog is als de voor de Gemeenschap bepaalde uniforme rentevoet, de Commissie die rentekosten kan financieren op basis van de uniforme rentevoet, verhoogd met het verschil tussen het dubbele van die rentevoet en het werkelijk door die lidstaat betaalde rentepercentage.

(2)

De voor de begrotingsjaren 2005 en 2006 te gebruiken methode om het voor de betrokken lidstaten in aanmerking te nemen rentepercentage te bepalen, dient te worden gepreciseerd in Verordening (EEG) nr. 411/88 van de Commissie (2).

(3)

Als een lidstaat het door hem betaalde gemiddelde rentepercentage niet aan de Commissie heeft meegedeeld, gebruikt de Commissie een specifiek referentiepercentage dat is gebaseerd op de representatieve referentierentevoeten in de lidstaten.

(4)

In verband met de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije op 1 mei 2004 moet voor de bepaling van dat referentiepercentage ook kunnen worden uitgegaan van de representatieve referentierentevoeten in die landen. Derhalve dienen die referentierentevoeten te worden vastgesteld onder dezelfde voorwaarden als voor de andere lidstaten.

(5)

Verordening (EEG) nr. 411/88 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van het Fonds,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EEG) nr. 411/88 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 4 wordt vervangen door:

„Artikel 4

1.   Wanneer het rentepercentage voor rekening van een lidstaat gedurende ten minste zes maanden lager is dan de voor de Gemeenschap vastgestelde uniforme rentevoet, wordt voor die lidstaat een specifieke rentevoet vastgesteld.

2.   Het door een lidstaat betaalde gemiddelde rentepercentage wordt uiterlijk 20 dagen vóór het einde van het begrotingsjaar aan de Commissie meegedeeld. Het heeft betrekking op de zes maanden vóór die mededeling. Wat Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije betreft, heeft het voor het begrotingsjaar 2005 evenwel betrekking op de periode van 1 mei tot en met 31 augustus 2004.

Blijft de bovenbedoelde mededeling achterwege, dan wordt het toe te passen rentepercentage bepaald op basis van de in de bijlage genoemde referentierentevoeten. Wanneer niet al deze referentierentevoeten voor de hele in de eerste alinea bedoelde referentieperiode beschikbaar zijn, worden de voor die referentieperiode beschikbare rentevoeten gebruikt.

3.   Voor de begrotingsjaren 2005 en 2006 geldt dat, wanneer het door een lidstaat betaalde gemiddelde rentepercentage meer dan tweemaal zo hoog is als de voor de Gemeenschap bepaalde uniforme rentevoet, het uit de Gemeenschapsbegroting vergoede rentepercentage wordt berekend aan de hand van de volgende formule:

TR = TIU + [TIC – (2 × TIU)]

waarin:

TR= aan de lidstaten vergoed rentepercentage,

TIU= uniforme rentevoet,

TIC= overeenkomstig lid 2, eerste alinea, door de lidstaat meegedeeld rentepercentage of rentepercentage dat overeenkomstig lid 2, tweede alinea, bij ontstentenis van die mededeling wordt toegepast.”

2)

De bijlage wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing voor de op of na 1 oktober 2004 verrichte uitgaven.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 216 van 5.8.1978, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 695/2005 (PB L 114 van 4.5.2005, blz. 1).

(2)  PB L 40 van 13.2.1988, blz. 25. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2623/1999 (PB L 318 van 11.12.1999, blz. 14).


BIJLAGE

„BIJLAGE

In artikel 4, lid 2, tweede alinea, bedoelde referentierentevoeten

 1.

Tsjechië

Prague interbank borrowing offered rate drie maanden (PRIBOR)

 2.

Denemarken

Copenhagen interbank borrowing offered rate drie maanden (CIBOR)

 3.

Estland

Talin interbank borrowing offered rate drie maanden (TALIBOR)

 4.

Cyprus

Nicosia interbank borrowing offered rate drie maanden (NIBOR)

 5.

Letland

Riga interbank borrowing offered rate drie maanden (RIGIBOR)

 6.

Litouwen

Vilnius interbank borrowing offered rate drie maanden (VILIBOR)

 7.

Hongarije

Budapest interbank borrowing offered rate drie maanden (BUBOR)

 8.

Malta

Malta interbank borrowing offered rate drie maanden (MIBOR)

 9.

Polen

Warszawa interbank borrowing offered rate drie maanden (WIBOR)

10.

Slovenië

Interbank borrowing offered rate drie maanden (SITIBOR)

11.

Slowakije

Bratislava interbank borrowing offered rate drie maanden (BRIBOR)

12.

Zweden

Stockholm interbank borrowing offered drie maanden (STIBOR)

13.

Verenigd Koninkrijk

London interbank borrowing offered rate drie maanden (LIBOR)

14.

Overige lidstaten

Euro interbank borrowing offered rate drie maanden (EURIBOR)

NB: Deze rentevoeten worden met 1 procentpunt verhoogd, welke verhoging overeenstemt met de bancaire marge.”


24.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/11


VERORDENING (EG) Nr. 957/2005 VAN DE COMMISSIE

van 23 juni 2005

tot wijziging van de bij Verordening (EG) nr. 846/2005 vastgestelde restituties bij uitvoer van witte en ruwe suiker in onveranderde vorm

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 27, lid 5, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De bij uitvoer van witte en ruwe suiker in onveranderde vorm toe te passen restituties zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 846/2005 van de Commissie (2).

(2)

De gegevens waarover de Commissie nu beschikt, verschillen van die bij de goedkeuring van Verordening (EG) nr. 846/2005, zodat de restitutiebedragen moeten worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bij Verordening (EG) nr. 1260/2001 vastgestelde restituties bij uitvoer, in onveranderde vorm, van de in artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 846/2005 bedoelde, niet-gedenatureerde producten worden overeenkomstig de bijlage gewijzigd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 24 juni 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 39/2004 van de Commissie (PB L 6 van 10.1.2004, blz. 16).

(2)  PB L 140 van 3.6.2005, blz. 6.


BIJLAGE

GEWIJZIGDE BEDRAGEN VAN DE RESTITUTIES BIJ UITVOER VAN WITTE SUIKER EN RUWE SUIKER IN ONVERANDERDE VORM VAN TOEPASSING VANAF 24 JUNI 2005 (1)

Productcode

Bestemming

Meeteenheid

Restitutiebedrag

1701 11 90 9100

S00

EUR/100 kg

33,21 (2)

1701 11 90 9910

S00

EUR/100 kg

33,21 (2)

1701 12 90 9100

S00

EUR/100 kg

33,21 (2)

1701 12 90 9910

S00

EUR/100 kg

33,21 (2)

1701 91 00 9000

S00

EUR/1 % saccharose × 100 kg nettogewicht product

0,3610

1701 99 10 9100

S00

EUR/100 kg

36,10

1701 99 10 9910

S00

EUR/100 kg

36,10

1701 99 10 9950

S00

EUR/100 kg

36,10

1701 99 90 9100

S00

EUR/1 % saccharose × 100 kg nettogewicht product

0,3610

NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A” zijn vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1).

De numerieke codes voor de bestemmingen zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2081/2003 van de Commissie (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11).

De andere bestemmingen worden als volgt vastgesteld:

S00

:

alle bestemmingen (derde landen, andere gebieden, bevoorrading en met uitvoer uit de Gemeenschap gelijkgestelde bestemmingen) met uitzondering van Albanië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Montenegro (met inbegrip van Kosovo, zoals gedefinieerd in Resolutie 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 10 juni 1999) en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië; de uitzondering geldt niet voor suiker die verwerkt is in producten zoals bedoeld in artikel 1, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 2201/96 van de Raad (PB L 297 van 21.11.1996, blz. 29).


(1)  De in deze bijlage vastgestelde restituties zijn niet van toepassing met ingang van 1 februari 2005 overeenkomstig Besluit 2005/45/EG van de Raad van 22 december 2004 betreffende het sluiten en de voorlopige toepassing van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972, wat de bepalingen betreffende verwerkte landbouwproducten betreft (PB L 23 van 26.1.2005, blz. 17).

(2)  Dit bedrag geldt voor ruwe suiker met een rendement van 92 %. Indien het rendement van de geëxporteerde ruwe suiker afwijkt van 92 %, wordt het bedrag van de toe te passen restitutie berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 28, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1260/2001.


24.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/13


VERORDENING (EG) Nr. 958/2005 VAN DE COMMISSIE

van 23 juni 2005

houdende het besluit om geen gevolg te geven aan de 30e deelinschrijving voor witte suiker in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 1327/2004 ingestelde permanente inschrijving

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 27, lid 5, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1327/2004 van de Commissie van 19 juli 2004 betreffende een permanente inschrijving voor het verkoopseizoen 2004/2005 voor de vaststelling van heffingen en/of restituties bij uitvoer van witte suiker (2) worden deelinschrijvingen voor de uitvoer van deze suiker gehouden. In artikel 8, lid 2, van die verordening is bepaald dat kan worden besloten om aan een bepaalde deelinschrijving geen gevolg te geven.

(2)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor suiker,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Besloten wordt om aan de 30e deelinschrijving voor witte suiker op grond van Verordening (EG) nr. 1327/2004 waarvoor de termijn voor de indiening van de offertes is verstreken op 23 juni 2005, geen gevolg te geven.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 24 juni 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1. Verordening laastelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 39/2004 van de Commissie (PB L 6 van 10.1.2004, blz. 16).

(2)  PB L 246 van 20.7.2004, blz. 23. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1685/2004 (PB L 303 van 30.9.2004, blz. 21).


24.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/14


VERORDENING (EG) Nr. 959/2005 VAN DE COMMISSIE

van 23 juni 2005

tot wijziging van de uitvoerrestituties in de sector slachtpluimvee

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2777/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee (1), en met name op artikel 8, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De bij uitvoer in de sector slachtpluimvee toe te passen restituties zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 755/2005 van de Commissie (2).

(2)

De toepassing van de in artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 2777/75 vermelde criteria op de gegevens waarover de Commissie heden beschikt, geeft aanleiding tot wijziging van de op dit tijdstip geldende restituties bij uitvoer in de zin als vermeld in de bijlage bij deze verordening,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De restituties bij uitvoer van de in artikel 1, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2777/75 bedoelde producten, die vastgesteld zijn in de bijlage van Verordening (EG) nr. 755/2005, worden in overeenstemming met de bijlage van deze verordening gewijzigd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 27 juni 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 282 van 1.11.1975, blz. 77. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 1).

(2)  PB L 126 van 19.5.2005, blz. 34. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 939/2005 (PB L 158 van 21.6.2005, blz. 14).


BIJLAGE

Uitvoerrestituties in de sector slachtpluimvee voor de periode vanaf 27 juni 2005

Productcode

Bestemming

Meeteenheid

Restitutiebedrag

0105 11 11 9000

A02

EUR/100 st.

0,80

0105 11 19 9000

A02

EUR/100 st.

0,80

0105 11 91 9000

A02

EUR/100 st.

0,80

0105 11 99 9000

A02

EUR/100 st.

0,80

0105 12 00 9000

A02

EUR/100 st.

1,70

0105 19 20 9000

A02

EUR/100 st.

1,70

0207 12 10 9900

V01

EUR/100 kg

31,50

0207 12 10 9900

A24

EUR/100 kg

31,50

0207 12 90 9190

V01

EUR/100 kg

31,50

0207 12 90 9190

A24

EUR/100 kg

31,50

0207 12 90 9990

V01

EUR/100 kg

31,50

0207 12 90 9990

A24

EUR/100 kg

31,50

NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A” zijn vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1), zoals gewijzigd.

De numerieke codes voor de bestemmingen zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2081/2003 (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11).

De andere bestemmingen worden als volgt vastgesteld:

V01

Angola, Saudi-Arabië, Koeweit, Bahrein, Qatar, Oman, Verenigde Arabische Emiraten, Jordanië, Jemen, Libanon, Irak en Iran.


24.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/16


VERORDENING (EG) Nr. 960/2005 VAN DE COMMISSIE

van 23 juni 2005

houdende vaststelling van de restituties die worden toegepast voor bepaalde producten van de sector granen en de sector rijst, uitgevoerd in de vorm van niet in bijlage I bij het Verdrag vermelde goederen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 13, lid 3,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1785/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt (2), en met name op artikel 14, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 13, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 en artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1785/2003 kan het verschil tussen de noteringen of de prijzen op de wereldmarkt voor de in artikel 1 van deze beide verordeningen bedoelde producten enerzijds en de prijzen in de Gemeenschap anderzijds door een restitutie bij de uitvoer worden overbrugd.

(2)

In Verordening (EG) nr. 1520/2000 van de Commissie van 13 juli 2000 tot vaststelling van de gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen voor de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen (3), is omschreven voor welke van die producten een restitutie dient te worden vastgesteld bij uitvoer in de vorm van goederen, bedoeld naar gelang van het geval in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1784/2003 of bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 1785/2003.

(3)

Overeenkomstig artikel 4, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1520/2000 moet de restitutie per 100 kg van elk van de betrokken basisproducten voor iedere maand worden vastgesteld.

(4)

De naleving van de verplichtingen die zijn aangegaan met betrekking tot de restitutie die kan worden toegekend bij uitvoer van landbouwproducten die zijn verwerkt in niet onder bijlage I bij het Verdrag vallende goederen, kan in het gedrang komen door de vaststelling vooraf van hoge restituties. In deze situatie moeten derhalve vrijwaringsmaatregelen worden genomen zonder dat daardoor de sluiting van langetermijncontracten wordt verhinderd. De vaststelling van een specifieke restitutie voor de voorfixatie van restituties is een maatregel die aan deze verschillende doelstellingen beantwoordt.

(5)

Rekening houdend met de regeling tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika met betrekking tot de uitvoer van deegwaren uit de Gemeenschap naar de Verenigde Staten, goedgekeurd bij Besluit 87/482/EEG van de Raad (4), dient de restitutie voor goederen van de GN-codes 1902 11 00 en 1902 19 naar gelang van de bestemming te worden gedifferentieerd.

(6)

Overeenkomstig artikel 4, leden 3 en 5, van Verordening (EG) nr. 1520/2000, moet een verlaagde restitutievoet worden vastgesteld, waarbij rekening wordt gehouden met het bedrag van de restitutie bij de productie, dat krachtens Verordening (EEG) nr. 1722/93 van de Commissie (5) van toepassing is op het verwerkte basisproduct, en dat geldig is tijdens de veronderstelde periode van de vervaardiging van de goederen.

(7)

Alcoholhoudende dranken worden geacht minder gevoelig te zijn voor de prijs van de granen die voor de vervaardiging ervan worden gebruikt. In Protocol 19 van het Verdrag betreffende de toetreding van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken wordt evenwel bepaald dat de noodzakelijke maatregelen moeten worden vastgesteld om het gebruik van granen uit de Gemeenschap voor de vervaardiging van alcoholhoudende dranken uit granen te vergemakkelijken. Daarom moet de restitutie die wordt toegepast op granen die in de vorm van alcoholhoudende dranken worden uitgevoerd, worden aangepast.

(8)

Het Comité van beheer voor granen heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter bepaalde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De restituties die worden toegepast voor de in bijlage A bij Verordening (EG) nr. 1520/2000 genoemde basisproducten die tevens zijn bedoeld in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1784/2003 of artikel 1, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1785/2003 en die worden uitgevoerd in de vorm van goederen vermeld in bijlage III van Verordening (EG) nr. 1784/2003, respectievelijk bijlage IV van Verordening (EG) nr. 1785/2003, worden vastgesteld zoals in de bijlage bij deze verordening is aangegeven.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 24 juni 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juni 2005.

Voor de Commissie

Günter VERHEUGEN

Vice-voorzitter


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78.

(2)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 96.

(3)  PB L 177 van 15.7.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 886/2004 (PB L 168 van 1.5.2004, blz. 14).

(4)  PB L 275 van 29.9.1987, blz. 36.

(5)  PB L 159 van 1.7.1993, blz. 112. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1548/2004 (PB L 280 van 31.8.2004, blz. 11).


BIJLAGE

Restituties die worden toegepast vanaf 24 juni 2005 voor bepaalde producten van de sector granen en de sector rijst, uitgevoerd in de vorm van niet in bijlage I bij het Verdrag vermelde goederen (1)

(EUR/100 kg)

GN-code

Omschrijving (2)

Restitutievoet per 100 kg basisproduct

Bij vaststelling vooraf van de restituties

Overige gevallen

1001 10 00

Harde tarwe:

 

 

– in geval van uitvoer van goederen van de GN-codes 1902 11 en 1902 19 naar de Verenigde Staten van Amerika

– in andere gevallen

1001 90 99

Zachte tarwe en mengkoren:

 

 

– in geval van uitvoer van goederen van de GN-codes 1902 11 en 1902 19 naar de Verenigde Staten van Amerika

– in andere gevallen:

 

 

– – in geval van toepassing van artikel 4, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1520/2000 (3)

– – in geval van uitvoer van goederen van post 2208 (4)

– – in andere gevallen

1002 00 00

Rogge

1003 00 90

Gerst

 

 

– in geval van uitvoer van goederen van post 2208 (4)

– in andere gevallen

1004 00 00

Haver

1005 90 00

Maïs, gebruikt in de vorm van:

 

 

– zetmeel:

 

 

– – in geval van toepassing van artikel 4, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1520/2000 (3)

3,266

3,266

– – in geval van uitvoer van goederen van post 2208 (4)

1,783

1,783

– – in andere gevallen

4,093

4,093

– glucose, glucosestroop, maltodextrine, maltodextrinestroop van de GN-codes 1702 30 51, 1702 30 59, 1702 30 91, 1702 30 99, 1702 40 90, 1702 90 50, 1702 90 75, 1702 90 79, 2106 90 55 (5):

 

 

– – in geval van toepassing van artikel 4, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1520/2000 (3)

2,243

2,243

– – in geval van uitvoer van goederen van post 2208 (4)

1,337

1,337

– – in andere gevallen

3,070

3,070

– in geval van uitvoer van goederen van post 2208 (4)

1,783

1,783

– andere (als zodanig)

4,093

4,093

Aardappelzetmeel van GN-code 1108 13 00 gelijkgesteld aan een verwerkingsproduct van maïs:

 

 

– in geval van toepassing van artikel 4, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1520/2000 (3)

3,017

3,017

– in geval van uitvoer van goederen van post 2208 (4)

1,783

1,783

– in andere gevallen

4,093

4,093

ex 1006 30

Volwitte rijst:

 

 

– rondkorrelig

– halflangkorrelig

– langkorrelig

1006 40 00

Breukrijst

1007 00 90

Graansorgho m.u.v. hybriden van graansorgho, bestemd voor zaaidoeleinden


(1)  De in deze bijlage vastgestelde restituties zijn niet van toepassing op de uitvoer naar Bulgarije met ingang van 1 oktober 2004, noch op de goederen die zijn opgenomen in de tabellen I en II bij Protocol nr. 2 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972 en die met ingang van 1 februari 2005 naar de Zwitserse Bondsstaat of naar het Vorstendom Liechtenstein worden uitgevoerd.

(2)  Voor de landbouwproducten verkregen door verwerking van het basisproduct en/of gelijkgesteld, moeten de coëfficiënten vermeld in bijlage E bij Verordening (EG) nr. 1520/2000 van de Commissie (PB L 177 van 15.7.2000, blz. 1), worden gebruikt.

(3)  De betrokken goederen vallen onder GN-code 3505 10 50.

(4)  Goederen opgenomen in bijlage III van Verordening (EG) nr. 1784/2003 of bedoeld in artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 2825/93 (PB L 258 van 16.10.1993, blz. 6).

(5)  Voor stropen van de GN-codes 1702 30 99, 1702 40 90 en 1702 60 90, verkregen door het mengen van glucose- en fructosestropen, geeft alleen glucosestroop recht op uitvoerrestitutie.


24.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/20


VERORDENING (EG) Nr. 961/2005 VAN DE COMMISSIE

van 23 juni 2005

tot vaststelling van de restituties bij uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte producten

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), inzonderheid op artikel 13, lid 3,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3072/95 van de Raad van 22 december 1995 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt (2), inzonderheid op artikel 13, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Volgens artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1784/2003 en artikel 13 van Verordening (EG) nr. 3072/95 kan het verschil tussen de noteringen of de prijzen op de wereldmarkt voor de in artikel 1 van deze verordeningen genoemde producten en de prijzen van deze producten in de Gemeenschap worden overbrugd door een restitutie bij de uitvoer.

(2)

Krachtens artikel 13 van Verordening (EG) nr. 3072/95 moeten de restituties worden vastgesteld met inachtneming van de bestaande situatie en de vooruitzichten voor de ontwikkeling, enerzijds van de beschikbare hoeveelheden granen, rijst en breukrijst, evenals van hun prijzen op de markt van de Gemeenschap, en anderzijds van de prijzen van granen, rijst en breukrijst en de producten in de sector granen op de wereldmarkt. Krachtens deze artikelen moeten ook waarborgen worden geschapen dat op de graan- en rijstmarkten een evenwichtige toestand heerst en een natuurlijke ontwikkeling op het gebied van de prijzen en de handel plaatsvindt en moet bovendien rekening worden gehouden met het economische aspect van de bedoelde uitvoer en de noodzaak verstoringen op de markt van de Gemeenschap te vermijden.

(3)

Verordening (EG) nr. 1518/95 van de Commissie (3) betreffende de regeling voor de invoer en de uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte producten heeft in artikel 4 de specifieke criteria vastgesteld waarmee rekening moet worden gehouden voor de berekening van de restitutie voor deze producten.

(4)

Het is wenselijk de aan bepaalde verwerkte producten toe te kennen restitutie, al naar gelang van het product, hoger of lager vast te stellen volgens het asgehalte, het gehalte aan ruwe celstof, het gehalte aan doppen, het eiwitgehalte, het vetgehalte of het zetmeelgehalte, daar deze gehaltes van bijzondere betekenis zijn voor de hoeveelheid basisproduct die werkelijk voor de vervaardiging van het verwerkte product is gebruikt.

(5)

Ten aanzien van maniokwortel en andere tropische wortels en knollen en het daarvan vervaardigde meel behoeft het economische aspect van de uitvoeren die zouden kunnen worden overwogen, in het bijzonder gezien de aard en de herkomst van deze producten, op het ogenblik geen vaststelling van een restitutie bij uitvoer. Voor bepaalde verwerkte producten is het, gezien het geringe aandeel van de Gemeenschap aan de wereldhandel, op het ogenblik niet noodzakelijk een restitutie bij uitvoer vast te stellen.

(6)

De situatie op de wereldmarkt of de specifieke eisen van bepaalde markten voor zekere producten kunnen een differentiatie van de restitutie, naar gelang van de bestemming, nodig maken.

(7)

De restitutie moet eenmaal per maand worden vastgesteld. Zij kan in de tussentijd worden gewijzigd.

(8)

Bepaalde verwerkte producten op basis van maïs kunnen een warmtebehandeling ondergaan, waardoor een restitutie zou kunnen worden uitgekeerd die niet overeenstemt met de kwaliteit van het product. Duidelijk moet worden aangegeven dat deze producten, die voorgegelatineerd zetmeel bevatten, niet in aanmerking komen voor uitvoerrestituties.

(9)

Het Comité van beheer voor granen heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter bepaalde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De restituties bij uitvoer van de in artikel 1, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 1784/2003 en in artikel 1, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 3072/95 bedoelde producten, waarop Verordening (EG) nr. 1518/95 van toepassing is, worden vastgesteld in overeenstemming met de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 24 juni 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78.

(2)  PB L 329 van 30.12.1995, blz. 18. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 411/2002 van de Commissie (PB L 62 van 5.3.2002, blz. 27).

(3)  PB L 147 van 30.6.1995, blz. 55. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2993/95 (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 25).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 23 juni 2005 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte producten

Productcode

Bestemming

Meeteenheid

Bedrag van de restitutie

1102 20 10 9200 (1)

C10

EUR/t

57,30

1102 20 10 9400 (1)

C10

EUR/t

49,12

1102 20 90 9200 (1)

C10

EUR/t

49,12

1102 90 10 9100

C11

EUR/t

0,00

1102 90 10 9900

C11

EUR/t

0,00

1102 90 30 9100

C11

EUR/t

0,00

1103 19 40 9100

C10

EUR/t

0,00

1103 13 10 9100 (1)

C10

EUR/t

73,67

1103 13 10 9300 (1)

C10

EUR/t

57,30

1103 13 10 9500 (1)

C10

EUR/t

49,12

1103 13 90 9100 (1)

C10

EUR/t

49,12

1103 19 10 9000

C10

EUR/t

0,00

1103 19 30 9100

C10

EUR/t

0,00

1103 20 60 9000

C12

EUR/t

0,00

1103 20 20 9000

C11

EUR/t

0,00

1104 19 69 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 12 90 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 12 90 9300

C10

EUR/t

0,00

1104 19 10 9000

C10

EUR/t

0,00

1104 19 50 9110

C10

EUR/t

65,49

1104 19 50 9130

C10

EUR/t

53,21

1104 29 01 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 29 03 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 29 05 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 29 05 9300

C10

EUR/t

0,00

1104 22 20 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 22 30 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 23 10 9100

C10

EUR/t

61,40

1104 23 10 9300

C10

EUR/t

47,07

1104 29 11 9000

C10

EUR/t

0,00

1104 29 51 9000

C10

EUR/t

0,00

1104 29 55 9000

C10

EUR/t

0,00

1104 30 10 9000

C10

EUR/t

0,00

1104 30 90 9000

C10

EUR/t

10,23

1107 10 11 9000

C13

EUR/t

0,00

1107 10 91 9000

C13

EUR/t

0,00

1108 11 00 9200

C10

EUR/t

0,00

1108 11 00 9300

C10

EUR/t

0,00

1108 12 00 9200

C10

EUR/t

65,49

1108 12 00 9300

C10

EUR/t

65,49

1108 13 00 9200

C10

EUR/t

65,49

1108 13 00 9300

C10

EUR/t

65,49

1108 19 10 9200

C10

EUR/t

0,00

1108 19 10 9300

C10

EUR/t

0,00

1109 00 00 9100

C10

EUR/t

0,00

1702 30 51 9000 (2)

C10

EUR/t

64,16

1702 30 59 9000 (2)

C10

EUR/t

49,12

1702 30 91 9000

C10

EUR/t

64,16

1702 30 99 9000

C10

EUR/t

49,12

1702 40 90 9000

C10

EUR/t

49,12

1702 90 50 9100

C10

EUR/t

64,16

1702 90 50 9900

C10

EUR/t

49,12

1702 90 75 9000

C10

EUR/t

67,23

1702 90 79 9000

C10

EUR/t

46,66

2106 90 55 9000

C10

EUR/t

49,12

NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A” zijn vastgesteld in de gewijzigde Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1).

De numerieke codes voor de bestemmingen zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2081/2003 (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11).

De andere bestemmingen zijn als volgt gedefinieerd:

C10

:

Alle bestemmingen

C11

:

Alle bestemmingen, uitgezonderd Bulgarije

C12

:

Alle bestemmingen, uitgezonderd Roemenië

C13

:

Alle bestemmingen, uitgezonderd Bulgarije en Roemenië


(1)  Er worden geen restituties toegekend voor producten die een warmtebehandeling hebben ondergaan waardoor het zetmeel is voorgegelatineerd.

(2)  De restituties worden toegekend overeenkomstig de gewijzigde Verordening (EEG) nr. 2730/75 van de Raad (PB L 281 van 1.11.1975, blz. 20).

NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A” zijn vastgesteld in de gewijzigde Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1).

De numerieke codes voor de bestemmingen zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2081/2003 (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11).

De andere bestemmingen zijn als volgt gedefinieerd:

C10

:

Alle bestemmingen

C11

:

Alle bestemmingen, uitgezonderd Bulgarije

C12

:

Alle bestemmingen, uitgezonderd Roemenië

C13

:

Alle bestemmingen, uitgezonderd Bulgarije en Roemenië


24.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/23


VERORDENING (EG) Nr. 962/2005 VAN DE COMMISSIE

van 23 juni 2005

betreffende de afgifte van uitvoercertificaten in de wijnsector

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 883/2001 van de Commissie van 24 april 2001 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad met betrekking tot het handelsverkeer van producten van de wijnbouwsector met derde landen (1), en met name op artikel 7 en artikel 9, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 63, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (2), is bepaald dat de uitvoerrestituties voor producten van de wijnsector worden toegekend voor maximaal de hoeveelheden en bedragen die bepaald zijn in de in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde gesloten Overeenkomst inzake de landbouw.

(2)

In artikel 9 van Verordening (EG) nr. 883/2001 is bepaald onder welke voorwaarden de Commissie bijzondere maatregelen kan vaststellen om te voorkomen dat de in het kader van die overeenkomst toegestane hoeveelheden of uitgaven worden overschreden.

(3)

Volgens de gegevens betreffende de uitvoercertificaten waarover de Commissie op 22 juni 2005 beschikt, dreigen de voor de in artikel 9, lid 5, van Verordening (EG) nr. 883/2001 bedoelde bestemmingszones 3 (Oost-Europa) voor de periode tot en met 30 juni 2005 nog beschikbare hoeveelheden te worden overschreden indien de afgifte van uitvoercertificaten met vaststelling vooraf van de restitutie niet wordt beperkt. Derhalve moet op de vanaf 15 tot en met 21 juni 2005 ingediende aanvragen een uniform verminderingspercentage worden toegepast en moeten de afgifte van certificaten voor de ingediende aanvragen en de indiening van aanvragen voor deze zones worden geschorst tot en met 1 juli 2005,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De uitvoercertificaten met vaststelling vooraf van de restitutie in de wijnsector waarvoor vanaf 15 tot en met 21 juni 2005 aanvragen op grond van Verordening (EG) nr. 883/2001 zijn ingediend, worden afgegeven voor 75,58 % van de aangevraagde hoeveelheden voor bestemmingszone 3 (Oost-Europa).

2.   Voor de in lid 1 bedoelde producten van de wijnsector worden de afgifte van uitvoercertificaten waarvoor aanvragen op 22 juni 2005 of later zijn ingediend, en ook de indiening, met ingang van 24 juni 2005, van aanvragen van uitvoercertificaten voor de bestemmingszones 3 (Oost-Europa) tot en met 1 juli 2005 geschorst.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 24 juni 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juni 2005.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 128 van 10.5.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 908/2004 (PB L 163 van 30.4.2004, blz. 56).

(2)  PB L 179 van 14.7.1999, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1795/2003 (PB L 262 van 14.10.2003, blz. 13).


24.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/24


VERORDENING (EG) Nr. 963/2005 VAN DE COMMISSIE

van 23 juni 2005

tot wijziging van de bij Verordening (EG) nr. 803/2005 vastgestelde restituties bij uitvoer in ongewijzigde staat voor stropen en bepaalde andere producten van de sector suiker

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 27, lid 5, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De restituties bij uitvoer in ongewijzigde staat voor stropen en bepaalde andere producten van de sector suiker zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 803/2005 van de Commissie (2).

(2)

Omdat de gegevens waarover de Commissie nu beschikt, verschillen van die welke bij de vaststelling van Verordening (EG) nr. 803/2005 voorhanden waren, moeten deze restituties worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bij Verordening (EG) nr. 803/2005 voor het verkoopseizoen 2004/2005 vastgestelde restituties die moeten worden toegekend bij uitvoer in ongewijzigde staat van de in artikel 1, lid 1, onder d), f) en g), van Verordening (EG) nr. 1260/2001 bedoelde producten, worden gewijzigd zoals aangegeven in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 24 juni 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 39/2004 van de Commissie (PB L 6 van 10.1.2004, blz. 16).

(2)  PB L 134 van 27.5.2005, blz. 31.


BIJLAGE

GEWIJZIGDE RESTITUTIES BIJ UITVOER IN ONGEWIJZIGDE STAAT VOOR STROPEN EN BEPAALDE ANDERE PRODUCTEN VAN DE SECTOR SUIKER (1)

Productcode

Bestemming

Meeteenheid

Restitutiebedrag

1702 40 10 9100

S00

EUR/100 kg droge stof

36,10 (2)

1702 60 10 9000

S00

EUR/100 kg droge stof

36,10 (2)

1702 60 80 9100

S00

EUR/100 kg droge stof

68,59 (3)

1702 60 95 9000

S00

EUR/1 % sacharose × 100 kg nettoproduct

0,3610 (4)

1702 90 30 9000

S00

EUR/100 kg droge stof

36,10 (2)

1702 90 60 9000

S00

EUR/1 % sacharose × 100 kg nettoproduct

0,3610 (4)

1702 90 71 9000

S00

EUR/1 % sacharose × 100 kg nettoproduct

0,3610 (4)

1702 90 99 9900

S00

EUR/1 % sacharose × 100 kg nettoproduct

0,3610 (4)  (5)

2106 90 30 9000

S00

EUR/100 kg droge stof

36,10 (2)

2106 90 59 9000

S00

EUR/1 % sacharose × 100 kg nettoproduct

0,3610 (4)

NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A” zijn vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1).

De numerieke codes voor de bestemmingen zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2081/2003 (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11).

De andere bestemmingen worden als volgt vastgesteld:

S00

:

alle bestemmingen (derde landen, andere gebieden, bevoorrading en met uitvoer uit de Gemeenschap gelijkgestelde bestemmingen) met uitzondering van Albanië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Montenegro (met inbegrip van Kosovo, als omschreven in resolutie nr. 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 10 juni 1999) en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië; de uitzondering geldt niet voor suiker die verwerkt is in producten als bedoeld in artikel 1, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 2201/96 van de Raad (PB L 297 van 21.11.1996, blz. 29).


(1)  De in deze bijlage vastgestelde restituties zijn niet van toepassing met ingang van 1 februari 2005 overeenkomstig Besluit 2005/45/EG van de Raad van 22 december 2004 betreffende het sluiten en de voorlopige toepassing van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972, wat de bepalingen betreffende verwerkte landbouwproducten betreft (PB L 23 van 26.1.2005, blz. 17).

(2)  Alleen geldig voor de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2135/95 bedoelde producten.

(3)  Alleen geldig voor de in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 2135/95 bedoelde producten.

(4)  Het basisbedrag is niet van toepassing op stropen met een zuiverheid van minder dan 85 % (Verordening (EG) nr. 2135/95). Het sacharosegehalte wordt overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2135/95 vastgesteld.

(5)  Het basisbedrag is niet van toepassing op het in de bijlage, punt 2, van Verordening (EEG) nr. 3513/92 van de Commissie (PB L 355 van 5.12.1992, blz. 12) bedoelde product.


24.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/26


VERORDENING (EG) Nr. 964/2005 VAN DE COMMISSIE

van 23 juni 2005

tot wijziging van de bij Verordening (EG) nr. 1210/2004 voor het verkoopseizoen 2004/2005 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten van de sector suiker

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1423/95 van de Commissie van 23 juni 1995 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor de invoer van producten uit de sector suiker, andere dan melasse (2), en met name op artikel 1, lid 2, tweede alinea, tweede zin, en artikel 3, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De representatieve prijzen en de aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en bepaalde stropen voor het verkoopseizoen 2004/2005 zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1210/2004 van de Commissie (3). Deze prijzen en invoerrechten zijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 842/2005 van de Commissie (4).

(2)

De bovenbedoelde prijzen en invoerrechten moeten op grond van de gegevens waarover de Commissie nu beschikt, overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EG) nr. 1423/95 worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bij Verordening (EG) nr. 1210/2004 voor het verkoopseizoen 2004/2005 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor de in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1423/95 bedoelde producten worden gewijzigd zoals aangegeven in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 24 juni 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juni 2005.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 39/2004 van de Commissie (PB L 6 van 10.1.2004, blz. 16).

(2)  PB L 141 van 24.6.1995, blz. 16. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 624/98 (PB L 85 van 20.3.1998, blz. 5).

(3)  PB L 232 van 1.7.2004, blz. 11.

(4)  PB L 139 van 2.6.2005, blz. 14.


BIJLAGE

Met ingang van 24 juni 2005 geldende gewijzigde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en de producten van GN-code 1702 90 99

(EUR)

GN-code

Representatieve prijs per 100 kg nettogewicht van het betrokken product

Aanvullend invoerrecht per 100 kg nettogewicht van het betrokken product

1701 11 10 (1)

21,33

5,64

1701 11 90 (1)

21,33

11,02

1701 12 10 (1)

21,33

5,45

1701 12 90 (1)

21,33

10,50

1701 91 00 (2)

24,06

13,56

1701 99 10 (2)

24,06

8,68

1701 99 90 (2)

24,06

8,68

1702 90 99 (3)

0,24

0,40


(1)  Vastgesteld voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage I, punt II, bij Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad (PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1).

(2)  Vastgesteld voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage I, punt I, bij Verordening (EG) nr. 1260/2001.

(3)  Vastgesteld per procentpunt sacharosegehalte.


24.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/28


VERORDENING (EG) Nr. 965/2005 VAN DE COMMISSIE

van 23 juni 2005

houdende wijziging van de restituties die worden toegepast voor bepaalde producten van de sector suiker die worden uitgevoerd in de vorm van niet in bijlage I van het Verdrag vermelde goederen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de suikersector (1), inzonderheid op artikel 27, lid 5, onder a), en artikel 27, lid 15,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De restitutiebedragen welke met ingang van 27 mei 2005 worden toegepast op de in de bijlage bedoelde producten, uitgevoerd in de vorm van niet in bijlage I van het Verdrag vermelde goederen, zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 805/2005 van de Commissie (2).

(2)

Toepassing van de regels en criteria welke zijn aangehaald in Verordening (EG) nr. 805/2005 op de gegevens waarover de Commissie op het huidige tijdstip beschikt, geeft aanleiding tot wijziging van de op dit tijdstip geldende restituties in de zin als vermeld in de bijlage bij deze verordening,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De restitutiebedragen die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 805/2005 worden gewijzigd zoals in de bijlage van deze verordening aangegeven.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 24 juni 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juni 2005.

Voor de Commissie

Günter VERHEUGEN

Vice-voorzitter


(1)  PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 39/2004 van de Commissie (PB L 6 van 10.1.2004, blz. 16).

(2)  PB L 134 van 27.5.2005, blz. 35.


BIJLAGE

Restituties die worden toegepast vanaf 24 juni 2005 voor bepaalde producten van de sector suiker die worden uitgevoerd in de vorm van niet in bijlage I van het Verdrag vermelde goederen (1)

GN-code

Omschrijving

Restituties in EUR/100 kg

Bij vaststelling vooraf van de restituties

Overige gevallen

1701 99 10

Witte suiker

36,10

36,10


(1)  De in deze bijlage vastgestelde restituties zijn niet van toepassing op de uitvoer naar Bulgarije met ingang van 1 oktober 2004, noch op de goederen die zijn opgenomen in de tabellen I en II bij Protocol nr. 2 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972 en die met ingang van 1 februari 2005 naar de Zwitserse Bondsstaat of naar het Vorstendom Liechtenstein worden uitgevoerd.


24.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/30


VERORDENING (EG) Nr. 966/2005 VAN DE COMMISSIE

van 23 juni 2005

tot vaststelling van de restituties bij uitvoer voor mengvoeders op basis van granen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 13, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Volgens artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1784/2003 kan het verschil tussen de noteringen of de prijzen op de wereldmarkt voor de in artikel 1 van die verordening genoemde producten en de prijzen van deze producten in de Gemeenschap worden overbrugd door een restitutie bij de uitvoer.

(2)

Verordening (EG) nr. 1517/95 van de Commissie van 29 juni 1995 houdende bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad ten aanzien van de invoer- en uitvoerregeling voor mengvoeders op basis van granen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1162/95 houdende bijzondere uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer- en uitvoercertificaten in de sector granen en rijst (2) heeft in artikel 2 de specifieke criteria vastgesteld waarmee rekening moet worden gehouden voor de berekening van de restitutie voor deze producten.

(3)

Bij de berekening moet ook rekening worden gehouden met het gehalte aan graanproducten. Gemakshalve zou de restitutie moeten worden betaald voor twee categorieën „graanproducten”, namelijk voor maïs, de meest gebruikte component van uitgevoerde mengvoeders, en maïsproducten, en voor „andere granen”, dat wil zeggen voor restitutie in aanmerking komende graanproducten, andere dan maïs en maïsproducten. Een restitutie zou moeten worden toegekend voor de hoeveelheid graanproducten in het mengvoeder.

(4)

Anderzijds moet het bedrag van de restitutie eveneens rekening houden met de afzetmogelijkheden en verkoopvoorwaarden voor de betrokken producten op de wereldmarkt, het belang dat men erbij heeft om verstoringen op de markt van de Gemeenschap te voorkomen en het economisch aspect van de uitvoer.

(5)

Op grond van de huidige situatie op de markt voor granen, en met name de vooruitzichten inzake de voorziening, moeten de uitvoerrestituties worden geschrapt.

(6)

Het Comité van beheer voor granen heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter bepaalde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De restituties bij uitvoer voor de in Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde mengvoeders waarop Verordening (EG) nr. 1517/95 van toepassing is, worden overeenkomstig de bijlage bij deze verordening vastgesteld.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 24 juni 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78.

(2)  PB L 147 van 30.6.1995, blz. 51.


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 23 juni 2005 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer voor mengvoeders op basis van granen

Productcodes van de producten die in aanmerking komen voor een restitutie bij uitvoer:

 

2309 10 11 9000,

 

2309 10 13 9000,

 

2309 10 31 9000,

 

2309 10 33 9000,

 

2309 10 51 9000,

 

2309 10 53 9000,

 

2309 90 31 9000,

 

2309 90 33 9000,

 

2309 90 41 9000,

 

2309 90 43 9000,

 

2309 90 51 9000,

 

2309 90 53 9000.


Graanproducten

Bestemming

Meeteenheid

Bedrag van de restitutie

Maïs en maïsproducten

GN-codes 0709 90 60, 0712 90 19, 1005, 1102 20, 1103 13, 1103 29 40, 1104 19 50, 1104 23, 1904 10 10

C10

EUR/t

0,00

Graanproducten, met uitzondering van maïs en maïsproducten

C10

EUR/t

0,00

NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A” zijn vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1), zoals gewijzigd.

C10

:

Alle bestemmingen.


24.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/32


VERORDENING (EG) Nr. 967/2005 VAN DE COMMISSIE

van 23 juni 2005

tot vaststelling van de maximumverlaging van het recht bij invoer van maïs in het kader van de inschrijving bedoeld in Verordening (EG) nr. 868/2005

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), inzonderheid op artikel 12, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Er is een inschrijving voor de maximumverlaging van het recht bij invoer van maïs in Spanje, van herkomst uit derde landen, opengesteld bij Verordening (EG) nr. 868/2005 van de Commissie (2).

(2)

Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1839/95 van de Commissie (3), kan de Commissie volgens de procedure van artikel 25 van Verordening (EG) nr. 1784/2003 besluiten een maximumverlaging van het recht bij invoer vast te stellen. Bij deze vaststelling moet met name rekening worden gehouden met de in de artikelen 6 en 7 van Verordening (EG) nr. 1839/95 genoemde criteria. Gegund wordt aan elke inschrijver wiens offerte ten hoogste gelijk is aan de maximumverlaging van het recht bij invoer.

(3)

De toepassing van de boven bedoelde criteria op de huidige marktsituatie leidt voor de betrokken graansoort tot de vaststelling van de maximumverlaging van het recht bij invoer op het in artikel 1 vermelde bedrag.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de offertes die van 17 tot en met 23 juni 2005 in het kader van de inschrijving bedoeld in Verordening (EG) nr. 868/2005 worden meegedeeld, wordt de maximumverlaging van het recht bij invoer van maïs vastgesteld op 24,96 EUR/t voor een globale maximumhoeveelheid van 148 300 t.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 24 juni 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78.

(2)  PB L 145 van 9.6.2005, blz. 18.

(3)  PB L 177 van 28.7.1995, blz. 4. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 777/2004 (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 50).


24.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/33


VERORDENING (EG) Nr. 968/2005 VAN DE COMMISSIE

van 23 juni 2005

tot vaststelling van de restituties bij uitvoer voor granen en meel, gries en griesmeel van tarwe of van rogge

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 13, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Volgens artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1784/2003 kan het verschil tussen de noteringen of de prijzen op de wereldmarkt van de in artikel 1 van die verordening bedoelde producten en de prijzen van deze producten in de Gemeenschap worden overbrugd door een restitutie bij uitvoer.

(2)

De restituties moeten worden vastgesteld met inachtneming van de elementen als bedoeld in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1501/95 van de Commissie van 29 juni 1995 tot vaststelling van enkele toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad voor wat de toekenning, in de graansector, van uitvoerrestituties en van bij verstoring van de graanmarkt te treffen maatregelen betreft (2).

(3)

Voor meel, gries en griesmeel van tarwe of van rogge moet de restitutie worden berekend met inachtneming van de hoeveelheid granen benodigd voor de vervaardiging van de betreffende producten. Deze hoeveelheden zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1501/95.

(4)

De situatie op de wereldmarkt of de specifieke eisen van bepaalde markten voor sommige producten kunnen een differentiatie van de restitutie naar bestemming nodig maken.

(5)

De restitutie moet eenmaal per maand worden vastgesteld. Zij kan tussentijds worden gewijzigd.

(6)

De toepassing van deze regelen op de huidige situatie in de sector granen en met name op de noteringen of prijzen van deze producten in de Gemeenschap en op de wereldmarkt voert tot het vaststellen van de bedragen van de restitutie zoals vermeld in de bijlage.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De restituties bij uitvoer in ongewijzigde staat van de in artikel 1, onder a), b) en c), van Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde producten, met uitzondering van mout, worden op de in de bijlage aangegeven bedragen vastgesteld.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 24 juni 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78.

(2)  PB L 147 van 30.6.1995, blz. 7. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1431/2003 (PB L 203 van 12.8.2003, blz. 16).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 23 juni 2005 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer voor granen en meel, gries en griesmeel van tarwe of van rogge

Productcode

Bestemming

Meeteenheid

Bedrag van de restitutie

1001 10 00 9200

EUR/t

1001 10 00 9400

A00

EUR/t

0

1001 90 91 9000

EUR/t

1001 90 99 9000

A00

EUR/t

0

1002 00 00 9000

A00

EUR/t

0

1003 00 10 9000

EUR/t

1003 00 90 9000

A00

EUR/t

0

1004 00 00 9200

EUR/t

1004 00 00 9400

A00

EUR/t

0

1005 10 90 9000

EUR/t

1005 90 00 9000

A00

EUR/t

0

1007 00 90 9000

EUR/t

1008 20 00 9000

EUR/t

1101 00 11 9000

EUR/t

1101 00 15 9100

C01

EUR/t

5,48

1101 00 15 9130

C01

EUR/t

5,12

1101 00 15 9150

C01

EUR/t

4,72

1101 00 15 9170

C01

EUR/t

4,36

1101 00 15 9180

C01

EUR/t

4,08

1101 00 15 9190

EUR/t

1101 00 90 9000

EUR/t

1102 10 00 9500

A00

EUR/t

0

1102 10 00 9700

A00

EUR/t

0

1102 10 00 9900

EUR/t

1103 11 10 9200

A00

EUR/t

0

1103 11 10 9400

A00

EUR/t

0

1103 11 10 9900

EUR/t

1103 11 90 9200

A00

EUR/t

0

1103 11 90 9800

EUR/t

NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A” zijn vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1), zoals gewijzigd.

C01

:

Alle derde landen met uitzondering van Albanië, Roemenië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Montenegro, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Liechtenstein en Zwitserland.


24.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/35


VERORDENING (EG) Nr. 969/2005 VAN DE COMMISSIE

van 23 juni 2005

tot vaststelling van de maximumrestitutie bij uitvoer van gerst in het kader van de inschrijving bedoeld in Verordening (EG) nr. 1757/2004

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 13, lid 3, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1757/2004 van de Commissie (2) is een openbare inschrijving voor de restitutie bij uitvoer van gerst naar bepaalde derde landen opengesteld.

(2)

Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1501/95 van de Commissie van 29 juni 1995 tot vaststelling van enkele toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad voor wat de toekenning, in de graansector, van uitvoerrestituties en van bij verstoring van de graanmarkt te treffen maatregelen betreft (3) kan de Commissie, op grond van de meegedeelde offertes, besluiten een maximumrestitutie bij uitvoer vast te stellen, daarbij rekening houdend met de in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1501/95 bedoelde criteria. In dat geval wordt gegund aan de inschrijver(s) wiens (wier) offerte niet hoger is dan de vastgestelde maximumrestitutie.

(3)

De toepassing van de bovenbedoelde criteria op de huidige marktsituatie leidt voor de betrokken graansoort tot de vaststelling van de maximumrestitutie bij uitvoer.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de offertes die op 17 tot en met 23 juni 2005 in het kader van de inschrijving bedoeld in Verordening (EG) nr. 1757/2004 werden meegedeeld, wordt de maximumrestitutie bij uitvoer van gerst vastgesteld op 12,94 EUR/t.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 24 juni 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78.

(2)  PB L 313 van 12.10.2004, blz. 10.

(3)  PB L 147 van 30.6.1995, blz. 7. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 777/2004 (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 50).


24.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/36


VERORDENING (EG) Nr. 970/2005 VAN DE COMMISSIE

van 23 juni 2005

tot vaststelling van de maximumrestitutie bij uitvoer van zachte tarwe in het kader van de inschrijving bedoeld in Verordening (EG) nr. 115/2005

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 13, lid 3, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 115/2005 van de Commissie (2) is een openbare inschrijving voor de restitutie bij uitvoer van zachte tarwe naar bepaalde derde landen opengesteld.

(2)

Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1501/95 van de Commissie van 29 juni 1995 tot vaststelling van enkele toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad voor wat de toekenning, in de graansector, van uitvoerrestituties en van bij verstoring van de graanmarkt te treffen maatregelen betreft (3) kan de Commissie, op grond van de meegedeelde offertes, besluiten een maximumrestitutie bij uitvoer vast te stellen, daarbij rekening houdend met de in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1501/95 bedoelde criteria. In dat geval wordt gegund aan de inschrijver(s) wiens (wier) offerte niet hoger is dan de vastgestelde maximumrestitutie.

(3)

De toepassing van de bovenbedoelde criteria op de huidige marktsituatie leidt voor de betrokken graansoort tot de vaststelling van de maximumrestitutie bij uitvoer.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de offertes die van 17 tot en met 23 juni 2005 in het kader van de inschrijving bedoeld in Verordening (EG) nr. 115/2005 werden meegedeeld, wordt de maximumrestitutie bij uitvoer van zachte tarwe vastgesteld op 4,00 EUR/t.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 24 juni 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78.

(2)  PB L 24 van 27.1.2005, blz. 3.

(3)  PB L 147 van 30.6.1995, blz. 7. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 777/2004 (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 50).


24.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/37


RICHTLIJN 2005/43/EG VAN DE COMMISSIE

van 23 juni 2005

tot wijziging van de bijlagen bij Richtlijn 68/193/EEG van de Raad betreffende het in de handel brengen van vegetatief teeltmateriaal voor wijnstokken

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 68/193/EEG van de Raad van 9 april 1968 betreffende het in de handel brengen van vegetatief teeltmateriaal voor wijnstokken (1), en met name op artikel 2, lid 1, punt DA, onder c), artikel 8, lid 2, artikel 10, lid 3, en artikel 17 bis,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 68/193/EEG stelt communautaire bepalingen vast betreffende het in de handel brengen van vegetatief teeltmateriaal voor wijnstokken binnen de Gemeenschap. De richtlijn vermeldt de voorwaarden waaraan met betrekking tot het gewas, het teeltmateriaal, de verpakking en het etiket voldaan moet worden.

(2)

De verbeterde teelttechnologie maakt het mogelijk dat overeenkomstig die technologie geproduceerde planten in de handel worden gebracht in potten, kisten of kartonnen dozen naast de traditionele bundels.

(3)

Wanneer de lidstaten eisen dat elke levering van op hun grondgebied geproduceerd materiaal ook vergezeld gaat van een uniform document, moet aan de voorwaarden betreffende dit begeleidend document worden voldaan.

(4)

Bepaalde voorwaarden met betrekking tot het teeltmateriaal en de samenstelling van de verpakking zijn niet van toepassing op teeltmateriaal dat volgens de nieuwe productiemethoden wordt geteeld.

(5)

Bijlage I bij Richtlijn 68/193/EEG vermeldt de voorwaarden waaraan met betrekking tot het gewas moet worden voldaan. Die bijlage moet een verwijzing bevatten naar de categorie en het type teeltmateriaal, een nieuwe positieve lijst van schadelijke organismen waarop gecontroleerd moet worden en de methodologie voor de inspectie en controle van het gewas.

(6)

Bijlage II bij Richtlijn 68/193/EEG vermeldt de voorwaarden waaraan met betrekking tot het teeltmateriaal moet worden voldaan. Die bijlage moet een verwijzing bevatten naar het ras en, in voorkomend geval, de kloon voor elke categorie en elk type teeltmateriaal wat de echtheid en zuiverheid betreft, de methodologie voor de inspectie van het teeltmateriaal en de sortering van de typen teeltmateriaal.

(7)

Bijlage III bij Richtlijn 68/193/EEG vermeldt de voorwaarden waaraan met betrekking tot de verpakking moet worden voldaan. Die bijlage moet een verwijzing naar het type teeltmateriaal wat betreft het aantal stuks per verpakkingseenheid bevatten.

(8)

Bijlage IV bij Richtlijn 68/193/EEG vermeldt de voorwaarden waaraan met betrekking tot het etiket en het begeleidend document moet worden voldaan. Die bijlage moet alle krachtens artikel 10 van Richtlijn 68/193/EEG vereiste informatie betreffende het teeltmateriaal bevatten.

(9)

De groeicyclus van teeltmateriaal voor wijnstokken duurt verscheidene jaren en daarom is de voor inspectie en controle benodigde tijd betrekkelijk lang. Een snelle invoering van nieuwe voorwaarden zou kunnen leiden tot een tekort aan teeltmateriaal dat aan de nieuwe eisen voldoet. Daarom is het wenselijk voor bestaand teeltmateriaal te voorzien in een overgangsperiode wat de nieuwe voorwaarden in de bijlagen I, II en IV betreft.

(10)

Richtlijn 68/193/EEG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(11)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor teeltmateriaal voor land-, tuin- en bosbouw,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I tot en met IV bij Richtlijn 68/193/EEG worden vervangen door respectievelijk de bijlagen I tot en met IV bij deze richtlijn.

Artikel 2

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 31 juli 2006 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 augustus 2006.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 23 juni 2005.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 93 van 17.4.1968, blz. 15. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1).


BIJLAGE I

VOORWAARDEN MET BETREKKING TOT HET GEWAS

1.   Het gewas is rasecht en raszuiver en, zo nodig, ook wat de kloon betreft.

2.   De teeltomstandigheden en de ontwikkeling van het gewas maken een voldoende controle van de echtheid en zuiverheid van het gewas ten aanzien van het ras en, zo nodig, de kloon alsook de gezondheidstoestand ervan mogelijk.

3.   Er zijn voldoende waarborgen dat de grond of, zo nodig, het voedingssubstraat niet besmet is met schadelijke organismen of de vectoren ervan, met name nematoden die virusziekten overbrengen. De moederplanten en de kweekwijnstokken worden op passende wijze geplaatst om ieder risico van besmetting door schadelijke organismen te vermijden.

4.   De aanwezigheid van schadelijke organismen die de waarde van het teeltmateriaal nadelig beïnvloeden, is zoveel mogelijk beperkt.

5.   Met name voor de volgende schadelijke organismen, zoals bedoeld onder a), b) en c), gelden de in de punten 5.1 tot en met 5.5 vermelde voorwaarden, behoudens punt 5.6:

a)

het complex van besmettelijke degeneratie: grapevine fanleaf virus (GFLV), Arabis mosaic virus (ArMV);

b)

grapevine leafroll disease: grapevine leafroll-associated virus 1 (GLRaV-1) en grapevine leafroll-associated virus 3 (GLRaV-3);

c)

grapevine fleck virus (GFkV) (alleen voor wijnstokdelen onder de grond).

5.1.   De voor de teelt van oorspronkelijk teeltmateriaal bestemde moederplanten zijn bij een officiële inspectie vrij bevonden van de in punt 5, onder a), b) en c), genoemde schadelijke organismen. Deze inspectie berust op de resultaten van fytosanitaire controles met behulp van indicatorplanten of een internationaal aanvaarde equivalente testmethode die verwijst naar alle planten. Deze controles worden bevestigd door de resultaten van fytosanitaire controles die elke vijf jaar bij alle planten op de in punt 5, onder a) en b), vermelde organismen worden uitgevoerd.

Geïnfecteerde planten moeten worden vernietigd. De redenen voor aan de bovengenoemde schadelijke organismen of andere factoren toegeschreven mislukkingen worden geregistreerd in het bestand met gegevens over de moederplanten.

5.2.   De voor de teelt van basisteeltmateriaal bestemde moederplanten zijn bij een officiële inspectie vrij bevonden van de in punt 5, onder a) en b), genoemde schadelijke organismen. Deze inspectie berust op de resultaten van fytosanitaire controles bij alle planten. Deze controles worden minimaal elke zes jaar uitgevoerd, te beginnen bij driejarige moederplanten.

Wanneer officiële jaarlijkse veldkeuringen op alle planten worden uitgevoerd, worden de fytosanitaire controles minimaal elke zes jaar uitgevoerd, te beginnen bij zesjarige moederplanten.

Geïnfecteerde planten moeten worden vernietigd. De redenen voor aan de bovengenoemde schadelijke organismen of andere factoren toegeschreven mislukkingen worden geregistreerd in het bestand met gegevens over de moederplanten.

5.3.   De voor de teelt van gecertificeerd teeltmateriaal bestemde moederplanten zijn bij een officiële inspectie vrij bevonden van alle in punt 5, onder a) en b), genoemde schadelijke organismen. Deze inspectie berust op de resultaten van fytosanitaire controles die steekproefsgewijs worden uitgevoerd volgens analysemethoden/controleprocedures die voldoen aan algemeen aanvaarde en gestandaardiseerde normen. Deze controles worden minimaal elke tien jaar uitgevoerd, te beginnen bij vijfjarige moederplanten.

Wanneer officiële jaarlijkse veldkeuringen op alle planten worden uitgevoerd, worden de fytosanitaire controles minimaal elke tien jaar uitgevoerd, te beginnen bij tienjarige moederplanten.

Het aan de in punt 5, onder a) en b), genoemde schadelijke organismen toe te schrijven percentage mislukkingen bij moederplanten mag niet groter zijn dan 5. Geïnfecteerde planten moeten worden vernietigd. De redenen voor aan de bovengenoemde schadelijke organismen of andere factoren toegeschreven mislukkingen worden geregistreerd in het bestand met gegevens over de moederplanten.

5.4.   Bij voor de teelt van standaardteeltmateriaal bestemde moederplanten mag het aan de in punt 5, onder a) en b), genoemde schadelijke organismen toe te schrijven percentage mislukkingen niet groter zijn dan 10. Geïnfecteerde planten mogen niet voor de teelt worden gebruikt. De redenen voor aan de bovengenoemde schadelijke organismen of andere factoren toegeschreven mislukkingen worden geregistreerd in het bestand met gegevens over de moederplanten.

5.5.   De kweekwijnstokken zijn vrij bevonden van de in punt 5, onder a) en b), genoemde schadelijke organismen bij een jaarlijkse officiële veldkeuring, gebaseerd op visuele methoden en, zo nodig, aangevuld met passende controles en/of een tweede veldkeuring.

a)

De lidstaten kunnen besluiten om de punten 5.1 en 5.2 pas vanaf 31 juli 2011 toe te passen ten aanzien van moederplanten die op de datum van de inwerkingtreding van Richtlijn 2005/43/EG van de Commissie (1) al werden gebruikt voor de productie van oorspronkelijk teeltmateriaal of basisteeltmateriaal.

b)

De lidstaten kunnen besluiten om punt 5.3 pas vanaf 31 juli 2012 toe te passen ten aanzien van moederplanten die op de datum van de inwerkingtreding van Richtlijn 2005/43/EG al werden gebruikt voor de productie van gecertificeerd teeltmateriaal.

c)

Wanneer de lidstaten besluiten om de punten 5.1 en 5.2 of punt 5.3 niet toe te passen, zoals beschreven onder a) of b), passen zij in plaats daarvan de volgende regels toe.

Op percelen die bestemd zijn voor de productie van oorspronkelijk teeltmateriaal en basisteeltmateriaal moeten schadelijke virussen, met name grapevine fanleaf en leafroll, worden verwijderd. De percelen die bestemd zijn voor de productie van teeltmateriaal van de andere categorieën, moeten vrijgehouden worden van planten die symptomen van schadelijke virussen vertonen.

6.   De kweekwijnstokken worden niet in een wijngaard of tussen moederplanten geplaatst. De afstand tot een wijngaard of moederplanten bedraagt minimaal 3 m.

7.   Het voor de kweek van delen van de wijnstok onder de grond bestemd voor de veredeling, entrijs, blindhout, wijnstokken met wortels en entwijnstokken gebruikte teeltmateriaal, is afkomstig van moederplanten die zijn geïnspecteerd en goedgekeurd.

8.   Onverminderd de in punt 5 vermelde officiële inspectie wordt minimaal één officiële veldkeuring uitgevoerd. Aanvullende veldkeuringen worden uitgevoerd bij geschillen over zaken die kunnen worden beslecht zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit van het teeltmateriaal.


(1)  PB L 164 van 24.6.2005, blz. 37.


BIJLAGE II

VOORWAARDEN MET BETREKKING TOT HET TEELTMATERIAAL

I.   ALGEMENE VOORWAARDEN

1.

Het teeltmateriaal is rasecht en raszuiver en zo nodig zuiver wat de kloon betreft; bij het in de handel brengen van het standaardteeltmateriaal is een tolerantie van 1 % toegestaan.

2.

Het teeltmateriaal is voor ten minste 96 % mechanisch zuiver.

Als mechanisch onzuiver wordt beschouwd:

(a)

teeltmateriaal dat geheel of gedeeltelijk verdord is, zelfs wanneer het na uitdrogen in water gedompeld is;

(b)

vernield, kromgegroeid of beschadigd teeltmateriaal, met name door hagel of vorst beschadigd teeltmateriaal, en ineengedrukt of gebroken teeltmateriaal;

(c)

materiaal dat niet voldoet aan de eisen van onderdeel III.

3.

De stekken vertonen voldoende houtvorming.

4.

De aanwezigheid van schadelijke organismen die de waarde van het teeltmateriaal nadelig beïnvloeden, is zoveel mogelijk beperkt.

Teeltmateriaal met duidelijke tekenen of symptomen die toe te schrijven zijn aan schadelijke organismen die niet doeltreffend kunnen worden behandeld, wordt vernietigd.

II.   BIJZONDERE VOORWAARDEN

1.   Entwijnstokken

Entwijnstokken die uit een combinatie van dezelfde categorie van teeltmateriaal bestaan, worden in deze categorie ingedeeld.

Entwijnstokken die uit een combinatie van verschillende categorieën teeltmateriaal bestaan, worden in de laagste van deze categorieën ingedeeld

2.   Tijdelijke afwijking

De lidstaten kunnen besluiten om de bepalingen van punt 1 pas vanaf 31 juli 2010 toe te passen ten aanzien van entwijnstokken, bestaande uit oorspronkelijk teeltmateriaal dat op basisteeltmateriaal is geënt. Wanneer de lidstaten besluiten om punt 1 niet toe te passen, passen zij in plaats daarvan de volgende regel toe.

Entwijnstokken, bestaande uit oorspronkelijk teeltmateriaal dat op basisteeltmateriaal is geënt, worden ingedeeld als oorspronkelijk teeltmateriaal.

III.   SORTERING

1.   Delen van de wijnstok onder de grond bestemd voor de veredeling, blindhout en entrijs

Middellijn

De grootste middellijn van de dwarsdoorsnede wordt gemeten. Dit geldt niet voor de loten.

(a)

Delen van de wijnstok onder de grond bestemd voor de veredeling en entrijs:

(aa)

Middellijn aan het zwakkere einde: 6,5 tot 12 mm;

(ab)

Maximale middellijn aan het sterkere einde: 15 mm, behalve wanneer het entrijs voor enting ter plaatse betreft.

(b)

Blindhout

 

Minimum top diameter: 3,5 mm.

2.   Wijnstokken met wortels

A.   Middellijn

De middellijn, gemeten in het midden van het stengellid onder de bovenste loot en over de langste as, bedraagt ten minste 5 mm. Dit geldt niet voor wijnstokken verkregen uit loten.

B.   Lengte

De lengte vanaf het laagste punt waaruit wortels groeien tot het begin van de bovenste loot bedraagt ten minste:

(a)

30 cm voor wijnstokken bestemd voor veredeling; bij voor Sicilië bestemde wijnstokken bedraagt deze lengte echter 20 cm;

(b)

20 cm voor andere wijnstokken.

Dit geldt niet voor wijnstokken verkregen uit loten.

C.   Wortels

Iedere plant heeft ten minste drie goed ontwikkelde en behoorlijk verdeelde wortels. Ras 420 A hoeft echter slechts twee goed ontwikkelde wortels te hebben, mits zij tegenover elkaar staan.

D.   Hiel

De snede is ver genoeg onder het diafragma aangebracht om dit niet te beschadigen, maar niet verder dan 1 cm eronder.

3.   Entwijnstokken

A.   Lengte

De stam is ten minste 20 cm lang.

Dit geldt niet voor entwijnstokken verkregen uit loten.

B.   Wortels

Iedere plant heeft ten minste drie goed ontwikkelde en behoorlijk verdeelde wortels. Ras 420 A hoeft echter slechts twee goed ontwikkelde wortels te hebben, mits zij tegenover elkaar staan.

C.   Entingsplaats

Iedere plant heeft een toereikende, regelmatige en stevige entingsplaats.

D.   Hiel

De snede is ver genoeg onder het diafragma aangebracht om dit niet te beschadigen, maar niet verder dan 1 cm eronder.


BIJLAGE III

VERPAKKING

Samenstelling van verpakkingen of bundels

1. Type

2. Aantal planten

3. Maximale hoeveelheid

1.

Entwijnstokken

25, 50, 100 of een veelvoud van 100

500

2.

Wijnstokken met wortels

50, 100 of een veelvoud van 100

500

3.

Entrijs

 

 

Met ten minste vijf bruikbare ogen

100 of 200

200

Met één bruikbaar oog

500 of een veelvoud van 500

5 000

4.

Delen van de wijnstok onder de grond, bestemd voor de veredeling

100 of een veelvoud van 100

1 000

5.

Blindhout

100 of een veelvoud van 100

500

BIJZONDERE VOORWAARDEN

 I.   Kleine hoeveelheden

Zo nodig mag de grootte (aantal planten) van verpakkingen en bundels van alle types en categorieën van het in kolom 1 in de tabel vermelde teeltmateriaal kleiner zijn dan de in kolom 2 vermelde minimale hoeveelheden.

II.   Wijnstokken met wortels in substraat in potten, kisten en kartonnen dozen

De bepalingen in verband met het aantal planten en de maximale hoeveelheid zijn niet van toepassing.


BIJLAGE IV

IDENTIFICATIE

A.   ETIKET

 I.   Vereiste informatie

 1.

EG-norm.

 2.

Land van productie.

 3.

Keurings- of controledienst en lidstaat (initialen toegestaan).

 4.

Naam en adres van de voor de sluiting verantwoordelijke persoon of diens identificatienummer.

 5.

Soort.

 6.

Type materiaal.

 7.

Categorie.

 8.

Ras en, in voorkomend geval, kloon. Voor entwijnstokken heeft deze aanduiding betrekking op de wijnstokdelen onder de grond en het entrijs.

 9.

Referentienummer van de partij.

10.

Hoeveelheid.

11.

Lengte — Slechts bij delen van de wijnstok onder de grond, bestemd voor de veredeling: de minimumlengte van de delen van de betrokken partij.

12.

Oogstjaar.

 II.   Minimumvoorwaarden

Het etiket voldoet aan de volgende eisen:

1.

Het etiket wordt in duidelijk leesbare en onuitwisbare letters gedrukt;

2.

Het etiket wordt op een duidelijk zichtbare plaats aangebracht;

3.

De in onderdeel I vermelde informatie mag in geen geval door andere aanduidingen of afbeeldingen zijn verborgen, bedekt of gescheiden;

4.

De in onderdeel I vermelde informatie moet in hetzelfde gezichtsveld staan.

III.   Afwijking wat kleine hoeveelheden voor de eindgebruiker betreft

1.   Meer dan één eenheid

De vereiste informatie voor het etiket in onderdeel I, punt 10, luidt: „Precieze aantal eenheden per verpakking of bundel”.

2.   Slechts één eenheid

De volgende in onderdeel I vermelde informatie wordt niet vereist:

Type materiaal

Categorie

Referentienummer van de partij

Hoeveelheid

Lengte voor delen van de wijnstok onder de grond, bestemd voor de veredeling

Oogstjaar.

IV.   Afwijking wat wijnstokken in potten, kisten of kartonnen dozen betreft

Voor wijnstokken met wortels in substraat in potten, kisten en kartonnen dozen, waarbij de verpakkingen van dergelijk materiaal wegens de samenstelling daarvan niet aan de eisen in verband met de sluiting (waaronder de etikettering) kunnen voldoen:

a)

wordt het teeltmateriaal gescheiden gehouden in partijen die naar behoren worden aangeduid volgens ras en, in voorkomend geval, volgens kloon en volgens aantal planten;

b)

is het officiële etiket niet verplicht;

c)

gaat het teeltmateriaal vergezeld van een begeleidend document, zoals vastgesteld in deel B.

B.   BEGELEIDEND DOCUMENT

 I.   Voorwaarden waaraan moet worden voldaan

Wanneer de lidstaten voorschrijven dat een begeleidend document moet worden afgegeven:

a)

wordt het document afgegeven in ten minste twee exemplaren (afzender en ontvanger);

b)

vergezelt het document (exemplaar van de ontvanger) de levering vanaf de plaats van de afzender tot de plaats van de ontvanger;

c)

verstrekt het document alle informatie, zoals bedoeld in onderdeel II, betreffende de afzonderlijke partijen van de levering;

d)

wordt het document gedurende ten minste één jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de officiële controleautoriteit.

II.   Lijst van te verstrekken informatie

 1.

EG-norm.

 2.

Land van productie.

 3.

Keurings- of controledienst en lidstaat (initialen toegestaan).

 4.

Volgnummer.

 5.

Afzender (adres, registratienummer).

 6.

Ontvanger (adres).

 7.

Soort.

 8.

Type(s) materiaal.

 9.

Categorie(en).

10.

Ras(sen) en, in voorkomend geval, klo(o)n(en). Voor entwijnstokken heeft deze aanduiding betrekking op de wijnstokdelen onder de grond en het entrijs.

11.

Aantal stuks per partij.

12.

Totaal aantal partijen.

13.

Leveringsdatum.


II Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

Raad

24.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/46


BESLUIT Nr. 4/2005 VAN DE ACS-EG-RAAD VAN MINISTERS

van 13 april 2005

betreffende het gebruik van de reserve van de middelen voor langetermijnontwikkeling van het negende Europees Ontwikkelingsfonds

(2005/460/EG)

DE ACS-EG-RAAD VAN MINISTERS,

Gelet op de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000, en met name op punt 8 van bijlage I,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De kredieten waarover de Paritaire Parlementaire Vergadering kan beschikken in het kader van de middelen voor langetermijnontwikkeling van het negende Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) en de kredieten voor regionale samenwerking en integratie zijn opgebruikt.

(2)

Er moeten aanvullende middelen worden toegewezen om te garanderen dat de in artikel 17 van de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst (Paritaire Parlementaire Vergadering) beschreven doelstellingen verder verwezenlijkt worden.

(3)

Er moeten aanvullende middelen worden toegewezen om bij te dragen aan de inspanningen met betrekking tot capaciteitsopbouw op het gebied van milieubeheer en de uitvoering van multilaterale milieuovereenkomsten, aan de opzet van een ACS-EU-actieplan inzake wetshandhaving, bestuur en handel in de bosbouw (FLEGT) en aan de versterking van het visserijbeheer in landen in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan.

(4)

Er moeten aanvullende middelen worden toegewezen om ervoor te zorgen dat de producenten in de ACS-landen die het meest afhankelijk zijn van grondstoffen, beter kunnen concurreren en minder kwetsbaar worden en om informatie- en communicatietechnologie in ACS-landen te stimuleren.

(5)

Er moeten aanvullende middelen worden toegewezen om methodologische ondersteuning en capaciteitsopbouw op het gebied van migratie en regionale samenwerking, gericht op zuid-zuidmigratie, te garanderen.

(6)

Er moeten aanvullende middelen worden toegewezen om nauwere samenwerking te garanderen met de VN-organisaties waarvan het mandaat en de capaciteit overeenkomen met de prioriteiten van het ACS-EG-ontwikkelingsbeleid, met name op het gebied van bestuur en postconflictsituaties, en om het effect van de intra-ACS-activiteiten te verbeteren,

BESLUIT:

Artikel 1

Paritaire Parlementaire Vergadering

Een bedrag van 2 miljoen EUR wordt overgedragen vanuit de reserve van de middelen voor langetermijnontwikkeling van het 9e EOF naar de kredieten voor de Paritaire Parlementaire Vergadering in het kader van de middelen voor langetermijnontwikkeling, overeenkomstig de in artikel 17 en Protocol nr. 1 van de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst beschreven doelstellingen.

Artikel 2

Intra-ACS-samenwerking in het kader van de middelen voor regionale samenwerking

Een bedrag van 170 miljoen EUR wordt overgedragen vanuit de reserve van de middelen voor langetermijnontwikkeling van het 9e EOF naar de kredieten voor intra-ACS-samenwerking in het kader van de middelen voor regionale samenwerking en integratie, overeenkomstig de in de artikelen 28, 29 en 30 van de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst beschreven doelstellingen. Dit bedrag kan voor de volgende doeleinden worden gebruikt:

(a)

natuurlijke hulpbronnen (60 miljoen EUR): activiteiten op het gebied van milieu en natuurlijke hulpbronnen (waaronder wetenschappelijke en technische evaluaties, controle en toezicht op de visserij);

(b)

steun voor de particuliere sector en voor informatie- en communicatietechnologie (65 miljoen EUR): activiteiten ter ondersteuning van de producenten in de ACS-landen die het meest afhankelijk zijn van grondstoffen, en ter bevordering van informatie- en communicatietechnologie in de ACS-landen;

(c)

methodologische ondersteuning en capaciteitsopbouw (25 miljoen EUR): onder meer de opzet van een intra-ACS-instrument voor capaciteitsopbouw op het gebied van migratie;

(d)

strategisch partnerschap met de VN en ondersteuning van de uitvoering van intra-ACS-programma’s (20 miljoen EUR): versterking van de samenwerking met VN-organisaties waarvan de taken het meest aansluiten bij de prioriteiten van het ACS-EG-ontwikkelingsbeleid, met name op het gebied van bestuur en postconflictsituaties, en de nieuwe behoeften teneinde het effect van de intra-ACS-activiteiten te verbeteren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

De hoofdordonnateur van het EOF wordt verzocht de nodige maatregelen te nemen voor de uitvoering van dit besluit, dat in werking treedt op de dag waarop het wordt aangenomen.

Gedaan te Brussel, 13 april 2005.

De voorzitter van het ACS-EG-Comité van ambassadeurs per delegatie, voor de ACS-EG-Raad van ministers

F. J. WAHNON FERREIRA


24.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/48


BESLUIT VAN DE RAAD

van 13 juni 2005

houdende benoeming van een plaatsvervangend lid (Italië) in het Comité van de Regio's

(2005/461/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 263,

Gezien de voordracht van de Italiaanse regering,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 22 januari 2002 heeft de Raad Besluit 2002/60/EG houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2002 tot en met 25 januari 2006 (1) aangenomen.

(2)

In het Comité van de Regio's is een zetel van plaatsvervangend lid vrijgekomen door het aftreden van de heer Lorenzo DELLAI, waarvan de Raad op 16 maart 2005 in kennis is gesteld,

BESLUIT:

Artikel 1

De heer Mario MAGNANI, consigliere provinciale della Provincia autonoma di Trento (provincieraadslid van de autonome provincie Trento), wordt tot plaatsvervangend lid in het Comité van de Regio's benoemd, voor de verdere duur van de ambtstermijn, d.w.z. tot en met 25 januari 2006.

Artikel 2

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Het wordt van kracht op de dag waarop het wordt aangenomen.

Gedaan te Luxemburg, 13 juni 2005.

Voor de Raad

De voorzitter

J. ASSELBORN


(1)  PB L 24 van 26.1.2002, blz. 38.


24.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/49


BESLUIT VAN DE RAAD

van 13 juni 2005

houdende benoeming van een plaatsvervangend lid (Duitsland) in het Comité van de Regio's

(2005/462/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 263,

Gezien de voordracht van de Duitse regering,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

op 22 januari 2002 heeft de Raad Besluit 2002/60/EG (1) aangenomen, houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2002 tot en met 25 januari 2006.

(2)

In het Comité van de Regio's is een zetel van plaatsvervangend lid vrijgekomen door het aftreden van de heer Karsten NEUMANN, waarvan de Raad op 21 december 2004 in kennis is gesteld,

BESLUIT:

Artikel 1

Mevrouw Barbara BORCHARDT, Mitglied des Landtags Mecklenburg-Vorpommern, wordt tot plaatsvervangend lid in het Comité van de Regio's benoemd, voor de verdere duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2006.

Artikel 2

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Het wordt van kracht op de dag waarop het wordt aangenomen.

Gedaan te Luxemburg, 13 juni 2005.

Voor de Raad

De voorzitter

J. ASSELBORN


(1)  PB L 24 van 26.1.2002, blz. 38.


Commissie

24.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/50


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 21 juni 2005

tot oprichting van een netwerkgroep voor de uitwisseling en coördinatie van informatie betreffende de coëxistentie van genetisch gemodificeerde, conventionele en biologische gewassen

(2005/463/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Aanbeveling 2003/556/EG van 23 juli 2003 over richtsnoeren voor de ontwikkeling van nationale strategieën en beste werkwijzen ter waarborging van de coëxistentie van genetisch gemodificeerde gewassen met conventionele en biologische landbouw (1), toont de Commissie zich voorstander van een aanpak die de ontwikkeling en uitvoering van beheersmaatregelen voor coëxistentie overlaat aan de lidstaten. De Commissie heeft in dit verband aangekondigd dat zij de uitwisseling van informatie over lopende en geplande onderzoeksprojecten op nationaal en communautair niveau wil vergemakkelijken.

(2)

Overeenkomstig artikel 26 bis van Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad (2) moet de Commissie gegevens die zijn gebaseerd op onderzoeken op communautair en nationaal niveau, verzamelen en coördineren en de ontwikkelingen inzake de coëxistentie in de lidstaten observeren.

(3)

Hiertoe moet de Commissie een forum oprichten waar de lidstaten informatie kunnen uitwisselen over de resultaten van wetenschappelijke onderzoeken en over de beste werkwijzen die in het kader van de nationale strategieën voor coëxistentie zijn ontwikkeld. Het is van essentieel belang dat de Commissie, waar nodig, werkgroepvergaderingen kan organiseren waaraan nationale en andere deskundigen mogen deelnemen.

(4)

Derhalve dient een netwerkgroep (met de afkorting COEX-NET) te worden opgericht die de Commissie op het gebied van coëxistentie terzijde kan staan,

BESLUIT:

Artikel 1

Een netwerkgroep voor de uitwisseling en coördinatie van informatie over wetenschappelijke onderzoeken en de beste werkwijzen die op het gebied van de coëxistentie van genetisch gemodificeerde, conventionele en biologische gewassen zijn ontwikkeld (hierna: „de groep” genoemd), wordt hierbij opgericht en aan de Commissie toegevoegd.

Artikel 2

1.   De groep bestaat uit door de lidstaten aangewezen nationale deskundigen en wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie.

2.   De vertegenwoordiger van de Commissie mag andere deskundigen uitnodigen om aan de vergaderingen en werkzaamheden van de groep deel te nemen.

3.   Het met de vergaderingen en de werkzaamheden van de groep gepaard gaande secretariaatswerk wordt door de Commissie verzorgd.

4.   De groep vergadert in de gebouwen van de Commissie en de Commissie bepaalt hoe en wanneer de groep bijeenkomt.

Artikel 3

1.   De onkosten van de deskundigen die aan de in artikel 2 bedoelde vergaderingen deelnemen, worden, met inachtneming van de leden 2 en 3, door de Commissie vergoed overeenkomstig de regels van de Commissie voor de vergoeding van reiskosten en andere kosten en de betaling van verblijfsvergoedingen.

2.   De door de lidstaten aangewezen deskundigen krijgen een reiskostenvergoeding en de door de Commissie uitgenodigde deskundigen krijgen een reiskostenvergoeding en een verblijfsvergoeding.

3.   Van de door de lidstaten aangewezen deskundigen krijgt maar één deskundige per lidstaat een onkostenvergoeding.

4.   De deskundigen worden niet betaald voor de door hen geleverde diensten.

Artikel 4

De bij de werkzaamheden van de groep betrokken deskundigen moeten onafhankelijk zijn van het bedrijfsleven, de handel en het zakenleven en mogen ook geen andere strijdige belangen hebben.

Artikel 5

Onverminderd artikel 287 van het Verdrag zijn de deskundigen gehouden de informatie die hun bij de werkzaamheden van de groep ter kennis is gekomen, niet openbaar te maken wanneer de vertegenwoordiger van de Commissie hun mededeelt dat die informatie vertrouwelijk is.

Artikel 6

Dit besluit treedt in werking op de dag van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 21 juni 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 189 van 29.7.2003, blz. 36.

(2)  PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1830/2003 (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 24).


24.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/52


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 21 juni 2005

betreffende de uitvoering van programma’s voor onderzoek naar aviaire influenza bij pluimvee en in het wild levende vogels in de lidstaten

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 1827)

(Voor de EER relevante tekst)

(2005/464/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Beschikking 90/424/EEG van de Raad van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (1), en met name op artikel 20,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Beschikking 90/424/EEG voorziet in een financiële bijdrage van de Gemeenschap voor het ondernemen van acties op technisch en wetenschappelijk gebied die voor de ontwikkeling van de communautaire wetgeving op veterinair gebied, alsmede voor de ontwikkeling van onderwijs en opleiding op veterinair gebied nodig zijn.

(2)

In een verslag van 27 juni 2000 heeft het Wetenschappelijk Comité voor de gezondheid en het welzijn van dieren aanbevolen onderzoek naar aviaire influenza bij pluimveekoppels en in het wild levende vogels te verrichten, met name om de prevalentie van infecties met de subtypes H5 en H7 van het aviaire-influenzavirus te bepalen.

(3)

Richtlijn 92/40/EEG van de Raad van 19 mei 1992 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van aviaire influenza (2) stelt vast welke communautaire bestrijdingsmaatregelen moeten worden genomen in geval van een uitbraak van aviaire influenza bij pluimvee. Die richtlijn voorziet echter niet in regelmatig onderzoek naar aviaire influenza bij pluimvee en in het wild levende vogels.

(4)

Overeenkomstig de Beschikkingen 2002/649/EG (3) en 2004/111/EG (4) van de Commissie moeten de lidstaten bewakingsprogramma’s voor aviaire influenza bij de Commissie indienen.

(5)

Bij de Beschikkingen 2002/673/EG (5) en 2004/630/EG (6) van de Commissie zijn de door de lidstaten ingediende programma’s voor onderzoek naar aviaire influenza bij pluimvee en in het wild levende vogels voor de in die programma’s vermelde periodes goedgekeurd.

(6)

Tijdens dat onderzoek is in verscheidene lidstaten de aanwezigheid van aviaire-influenzavirussen van de subtypes H5 en H7 aangetoond. Hoewel de huidige prevalentie van aviaire-influenzavirussen als vrij laag kan worden beschouwd, is het belangrijk om de bewakingsprogramma’s voort te zetten en te verbeteren om meer inzicht te krijgen in de epidemiologie van de laagpathogene aviaire-influenzavirussen en om te voorkomen dat virussen onopgemerkt in de pluimveepopulatie circuleren. De resultaten van het onderzoek in de lidstaten zijn zeer nuttig gebleken voor het monitoren van de aanwezigheid van aviaire-influenzavirussubtypes die een aanzienlijk risico zouden kunnen inhouden indien zij tot een virulentere vorm muteerden. Gezien de verkregen resultaten en de huidige ziektesituatie in de Gemeenschap moet het totale bedrag van de bijdrage van de Gemeenschap worden verhoogd om de bewaking te verscherpen.

(7)

Met het oog op de toekenning van de financiële steun van de Gemeenschap moeten de lidstaten hun programma’s voor onderzoek naar aviaire influenza ter goedkeuring bij de Commissie indienen.

(8)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Uiterlijk op 30 juni 2005 dienen de lidstaten overeenkomstig de bijlage programma’s voor de uitvoering van onderzoek naar aviaire influenza bij pluimvee en in het wild levende vogels ter goedkeuring in bij de Commissie.

Artikel 2

De Gemeenschap verleent een financiële bijdrage voor de in artikel 1 bedoelde maatregelen ten belope van 50 % van de door de lidstaten gemaakte kosten, met een maximum van 1 200 000 EUR voor alle lidstaten samen.

Artikel 3

De kosten voor tests worden vergoed met een maximum van:

a)

:

ELISA-test

:

1 EUR per test;

b)

:

agargel-immunodiffusietest

:

0,6 EUR per test;

c)

:

hemagglutinatieremmingstest (HAR) op H5/H7

:

4 EUR per test;

d)

:

virusisolatietest

:

30 EUR per test.

Artikel 4

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 21 juni 2005.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 19. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 325 van 12.12.2003, blz. 31).

(2)  PB L 167 van 22.6.1992, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 1).

(3)  PB L 213 van 9.8.2002, blz. 38.

(4)  PB L 32 van 5.2.2004, blz. 20. Beschikking gewijzigd bij Beschikking 2004/615/EG (PB L 278 van 27.8.2004, blz. 59).

(5)  PB L 228 van 24.8.2002, blz. 27. Beschikking gewijzigd bij Beschikking 2003/21/EG (PB L 8 van 14.1.2003, blz. 37).

(6)  PB L 287 van 8.9.2004, blz. 7. Beschikking gewijzigd bij Beschikking 2004/679/EG (PB L 310 van 7.10.2004, blz. 75).


BIJLAGE

Bewakingsprogramma voor aviaire influenza bij pluimvee en in het wild levende vogels, door de lidstaten uit te voeren in 2005 en 2006

A.   DOELSTELLINGEN

1.

Raming van de prevalentie van infecties met de subtypes H5 en H7 van het aviaire-influenzavirus bij verschillende soorten pluimvee door herhaling van de eerder overeenkomstig de Beschikkingen 2004/111/EG en 2004/630/EG uitgevoerde screenings, maar in een gewijzigde vorm en op een gerichtere wijze.

2.

Voortzetting van de bewaking van aviaire influenza bij in het wild levende vogels, op vrijwillige basis. De uitkomst van deze bewaking moet verder waardevolle informatie verstrekken voor een alarmeringssysteem voor virusstammen die door in het wild levende vogels kunnen worden overgedragen op pluimveekoppels.

3.

Bijdragen tot een beter inzicht in de mate waarin aviaire influenza bij in het wild levende dieren een bedreiging voor de diergezondheid vormt.

4.

Bevordering van de totstandbrenging en de integratie van humane en veterinaire netwerken voor bewaking van influenza.

B.   ALGEMENE VOORSCHRIFTEN EN RICHTSNOEREN VOOR ONDERZOEK BIJ PLUIMVEE

1.

De bemonsteringsperiode wordt waar nodig aangepast aan de productieperiode voor elke categorie pluimvee. In veel lidstaten wordt bijvoorbeeld veel pluimvee (met name kalkoenen en ganzen) rond Kerstmis geslacht. De bemonstering vindt uiterlijk op 31 januari 2006 plaats.

2.

De definitieve onderzoeksresultaten worden uiterlijk op 31 maart 2006 ingediend.

3.

De monsters worden onderzocht in het nationale laboratorium voor aviaire influenza (hierna „NL” genoemd) van elke lidstaat of in andere door de bevoegde autoriteiten erkende laboratoria die onder het toezicht van het NL staan.

4.

Alle resultaten (zowel serologische als virologische) worden toegezonden aan het communautaire referentielaboratorium (hierna „CRL” genoemd), dat de gegevens bundelt. Er moet voor een goede informatiestroom worden gezorgd. Het CRL verleent technische assistentie en bewaart een uitgebreide voorraad diagnostische reagentia. Met het oog op de uniformiteit levert het CRL de voor het onderzoek te gebruiken antigenen aan de NL’s.

5.

Alle virusisolaten van aviaire influenza worden overeenkomstig de communautaire wetgeving aan het CRL toegezonden. Virussen van de subtypes H5 en H7 worden onverwijld toegezonden en worden onderworpen aan een genormaliseerde karakterisatietest (nucleotide sequencing/IVPI) overeenkomstig Richtlijn 92/40/EEG. Voorts vereist het CRL dat H5- of H7-positieve sera van eendachtigen „blind” worden toegezonden, zodat een archief kan worden samengesteld om de toekomstige ontwikkeling van tests te vergemakkelijken.

6.

Alle positieve resultaten worden retrospectief op het bedrijf onderzocht en de conclusies van dit onderzoek worden aan de Commissie en het CRL meegedeeld.

7.

Het CRL zorgt voor specifieke protocollen waarvan naar het CRL verzonden materiaal vergezeld moet gaan, en voor rapporteringstabellen voor het verzamelen van de onderzoeksgegevens. In deze tabellen worden de gebruikte laboratoriumtestmethoden aangegeven. De tabellen worden gebruikt om de resultaten in één document toe te zenden.

8.

Er worden bloedmonsters voor serologisch onderzoek verzameld van alle soorten pluimvee (met inbegrip van pluimvee met vrije uitloop), van ten minste vijf tot tien dieren (met uitzondering van eenden, ganzen en kwartels) per bedrijf, en uit verschillende stallen indien op het bedrijf meer dan één stal staat.

9.

Er vindt een gestratificeerde bemonstering in de hele lidstaat plaats, zodat de monsters als representatief voor de hele lidstaat kunnen worden beschouwd, waarbij:

a)

het aantal te bemonsteren bedrijven (met uitzondering van eenden, ganzen en kalkoenen) zo wordt bepaald dat, bij een prevalentie van besmette bedrijven van ten minste 5 %, met een betrouwbaarheid van 95 % ten minste één besmet bedrijf wordt geïdentificeerd (zie tabel 1), en

b)

het aantal te bemonsteren dieren per bedrijf zo wordt bepaald dat, bij een prevalentie van seropositieve dieren van ten minste 30 %, met een betrouwbaarheid van 95 % ten minste één positief dier wordt geïdentificeerd.

10.

Bij het bemonsteringsplan wordt ook op het volgende gelet:

a)

Wat de productietypes en de specifieke risico’s daarvan betreft, wordt de bemonstering op uitloop- en buitenhouderijen gericht en wordt rekening gehouden met andere factoren zoals dieren van verschillende leeftijd, gebruik van oppervlaktewater, een relatief langere levensduur, de aanwezigheid van meer dan één soort op het bedrijf of andere relevante factoren.

b)

Het aantal te bemonsteren kalkoen-, eenden- en ganzenbedrijven wordt zo bepaald dat, bij een prevalentie van besmette bedrijven van ten minste 5 %, met een betrouwbaarheid van 99 % ten minste één besmet bedrijf wordt geïdentificeerd (zie tabel 2).

c)

Wanneer in een lidstaat een aanzienlijk aantal bedrijven voorkomt dat loopvogels en kwartels produceert, worden deze bedrijven in het programma opgenomen. Wat kwartels betreft, worden alleen volwassen (of leggende) vermeerderingsdieren bemonsterd.

d)

De bemonsteringsperiode valt samen met de seizoenproductie. Waar nodig wordt de bemonstering echter aan bepaalde andere perioden op lokaal niveau aangepast indien de aanwezigheid van andere gastheersoorten op een bedrijf het risico van insleep van de ziekte gedurende die periode verhoogt.

e)

De lidstaten die op Newcastle disease moeten bemonsteren met het oog op de handhaving van hun status als gebied waar overeenkomstig Beschikking 94/327/EG van de Commissie (1) niet tegen Newcastle disease wordt ingeënt, mogen deze monsters van fok- en vermeerderingskoppels gebruiken voor de opsporing van antilichamen tegen H5 en H7.

Tabel 1

Aantal te bemonsteren bedrijven voor elke pluimveecategorie (met uitzondering van kalkoen-, eenden- en ganzenbedrijven)

Aantal bedrijven per pluimveecategorie per lidstaat

Aantal te bemonsteren bedrijven

Tot en met 34

Alle

35-50

35

51-80

42

81-250

53

> 250

60


Tabel 2

Aantal te bemonsteren kalkoen-, eenden- en ganzenbedrijven

Aantal bedrijven per lidstaat

Aantal te bemonsteren bedrijven

Tot en met 46

Alle

47-60

47

61-100

59

101-350

80

> 350

90

C.   SPECIFIEKE VOORSCHRIFTEN VOOR DE OPSPORING VAN BESMETTINGEN MET DE SUBTYPES H5 EN H7 VAN AVIAIRE INFLUENZA BIJ EENDEN, GANZEN EN KWARTELS

1.

Bloedmonsters voor serologisch onderzoek worden bij voorkeur genomen bij dieren die buiten in het veld worden gehouden.

2.

In elk geselecteerd bedrijf worden 40 à 50 bloedmonsters voor serologisch onderzoek genomen.

D.   ONDERZOEK NAAR AVIAIRE INFLUENZA BIJ IN HET WILD LEVENDE VOGELS

In de lidstaten waar de bewaking ook in het wild levende vogels betreft, moeten de volgende richtsnoeren in acht worden genomen.

D.1.   Opzet en uitvoering van het onderzoek

1.

Contacten met instellingen voor de instandhouding en observatie van vogels en met ringstations zijn noodzakelijk. Waar nodig wordt de bemonstering uitgevoerd door personeel van deze instellingen en stations of door jagers.

2.

Uit vorig onderzoek is gebleken dat het virusisolatiepercentage uiterst laag was; daarom moet de bemonstering worden gericht op vogels die in de herfst en het begin van de winter naar het zuiden trekken.

D.2.   Bemonsteringsprocedures

1.

Er worden cloacaswabs voor virologisch onderzoek genomen. Naast eerstejaarsvogels in de herfst bieden gastheersoorten met een hoge gevoeligheid en met intensief contact met pluimvee (zoals Mallardeenden) de beste kansen op succes.

2.

Er worden monsters genomen van verschillende soorten in het wild levende vogels. De bemonstering wordt voornamelijk op waterwild en kustvogels gericht.

3.

Er worden fecesswabs of zorgvuldig verzamelde verse fecesmonsters genomen bij wilde vogels (gevangen, gejaagd of pas gestorven dieren).

4.

Er mogen maximaal vijf monsters van dezelfde diersoort tot één verzamelmonster worden samengevoegd. Er wordt bijzondere zorg besteed aan de opslag en het vervoer van de monsters. Als niet kan worden gezorgd voor snel vervoer binnen 48 uur naar het laboratorium (in transportmedium bij 4 °C), worden de monsters opgeslagen en daarna vervoerd in droogijs bij – 70 °C.

E.   LABORATORIUMTESTS

De laboratoriumtests moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de diagnoseprocedures voor de bevestiging en differentiële diagnose van aviaire influenza van bijlage III bij Richtlijn 92/40/EEG (inclusief onderzoek van sera van eenden en ganzen door een hemagglutinatieremmingstest). Indien echter laboratoriumtests worden gepland die noch in Richtlijn 92/40/EEG zijn vastgesteld, noch in het „OIE Terrestrial Manual” zijn beschreven, verstrekken de lidstaten de nodige validatiegegevens aan het CRL wanneer zij hun programma ter goedkeuring bij de Commissie indienen. Alle positieve serologische resultaten worden door het NL voor aviaire influenza door een hemagglutinatieremmingstest bevestigd aan de hand van door het communautaire referentielaboratorium geleverde stammen:

H5

a)

Eerste test met Duck/Denmark/64650/03 (H5N7)

b)

Alle positieve dieren worden getest met Ostrich/Denmark/72420/96 (H5N2) om een kruisreactie met antilichamen tegen N7 uit te sluiten.

H7

a)

Eerste test met Turkey/England/647/77 (H7N7)

b)

Alle positieve dieren worden getest met African Starling/983/79 (H7N1) teneinde een kruisreactie met antilichamen tegen N7 uit te sluiten.


(1)  PB L 146 van 11.6.1994, blz. 17.


24.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/57


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 22 juni 2005

betreffende het in de handel brengen van een koolzaadproduct (Brassica napus L., lijn GT73), genetisch gemodificeerd met het oog op tolerantie voor het herbicide glyfosaat, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 1838)

(Slechts de tekst in de Nederlandse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2005/465/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad (1), en met name op artikel 18, lid 1, eerste alinea,

Na raadpleging van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Richtlijn 2001/18/EG mag een product dat geheel of gedeeltelijk uit een genetisch gemodificeerd organisme of een combinatie van genetisch gemodificeerde organismen bestaat, uitsluitend in de handel worden gebracht als de betrokken bevoegde instantie volgens de in die richtlijn vastgestelde procedure schriftelijk toestemming heeft verleend.

(2)

Monsanto SA heeft bij de bevoegde instantie van Nederland een kennisgeving ingediend voor het in de handel brengen van een genetisch gemodificeerd koolzaadproduct (Brassica napus L., lijn GT73).

(3)

De kennisgeving heeft betrekking op dezelfde toepassingen als voor alle andere koolzaad, met uitzondering van het gebruik als voedsel of in voedsel en van de teelt in de Gemeenschap van variëteiten die van het genetisch gemodificeerde product zijn afgeleid (modificatie GT73). De kennisgeving heeft betrekking op de invoer en opslag van GT73-koolzaad, op het gebruik als diervoeder, op het gebruik bij de verwerking voor diervoeder en op de industriële toepassingen als of in producten.

(4)

Overeenkomstig de in artikel 14 van Richtlijn 2001/18/EG vastgestelde procedure heeft de bevoegde instantie van Nederland een beoordelingsrapport opgesteld, dat bij de Commissie en de bevoegde instanties van de andere lidstaten is ingediend. In dit beoordelingsrapport wordt geconcludeerd dat er geen redenen naar voren zijn gekomen op grond waarvan de toestemming om GT73-koolzaad in de handel te brengen, moet worden geweigerd.

(5)

De bevoegde instanties van bepaalde lidstaten hebben bezwaar gemaakt tegen het in de handel brengen van het product.

(6)

Op grond van alle ingediende gegevens is de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, opgericht bij Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (2), in haar advies van 11 februari 2004 tot de conclusie gekomen dat Brassica napus L., lijn GT73, voor mens en dier en, in de context van de voorgestelde toepassingen, voor het milieu net zo veilig is als conventioneel koolzaad. De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid oordeelde tevens dat het door de houder van de toestemming ingediende monitoringplan adequaat is voor de voorgenomen toepassingen van het GT73-koolzaad.

(7)

Uit onderzoek van de ingediende bezwaren in het licht van Richtlijn 2001/18/EG, de in de kennisgeving vermelde informatie en het advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid zijn geen redenen naar voren gekomen om aan te nemen dat het in de handel brengen van Brassica napus L., lijn GT73, nadelige effecten voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu zal hebben.

(8)

Overeenkomstig de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 1997 betreffende nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten (3) bedoelde procedure is toestemming gegeven om geraffineerde olie van GT73-koolzaad voor voedingsdoeleinden in de Gemeenschap in de handel te brengen.

(9)

Met het oog op Verordening (EG) nr. 1830/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende de traceerbaarheid en etikettering van genetisch gemodificeerde organismen en de traceerbaarheid van met genetisch gemodificeerde organismen geproduceerde levensmiddelen en diervoeders en tot wijziging van Richtlijn 2001/18/EG en op Verordening (EG) nr. 65/2004 van de Commissie van 14 januari 2004 tot vaststelling van een systeem voor de ontwikkeling en toekenning van eenduidige identificatienummers voor genetisch gemodificeerde organismen (4) dient aan GT73-koolzaad een eenduidige identificatiecode te worden toegekend.

(10)

Onvoorziene of technisch niet te voorkomen sporen van genetisch gemodificeerde organismen in producten worden overeenkomstig de drempelwaarden die zijn vastgesteld krachtens Richtlijn 2001/18/EG en Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (5) vrijgesteld van de eisen inzake etikettering en traceerbaarheid.

(11)

In het licht van het advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid behoeven er voor de voorgenomen toepassingen geen specifieke voorwaarden te worden vastgesteld voor de behandeling of verpakking van het product en voor de bescherming van specifieke ecosystemen, milieus of geografische gebieden.

(12)

In het licht van het advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid dient te worden voorzien in een passend beheersysteem om te voorkomen dat GT73-koolzaadkorrels de teelt binnendringen.

(13)

Alvorens het product in de handel wordt gebracht, dienen de nodige maatregelen van toepassing te zijn om de etikettering en traceerbaarheid ervan in alle fasen van het in de handel brengen te waarborgen, met inbegrip van controle met behulp van een geschikte gevalideerde detectiemethode.

(14)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn niet in overeenstemming met het advies van het bij artikel 30 van Richtlijn 2001/18/EG opgerichte comité. De Commissie heeft daarom een voorstel met betrekking tot deze maatregelen ingediend bij de Raad. Aangezien de Raad na het verstrijken van de in artikel 30, lid 2, van Richtlijn 2001/18/EG vastgestelde termijn de voorgestelde maatregelen niet had goedgekeurd, noch zich tegen deze voorstellen had verzet overeenkomstig artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (6), dienen deze maatregelen door de Commissie te worden goedgekeurd,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Toestemming

Onverminderd andere communautaire wetgeving, met name Verordening (EG) nr. 258/97 en Verordening (EG) nr. 1829/2003, verleent de bevoegde instantie van Nederland schriftelijke toestemming om het in artikel 2 gespecificeerde product, waarvan kennisgeving is gedaan door Monsanto Europe SA (referentienr. C/NL/98/11), overeenkomstig deze beschikking in de handel te brengen.

Overeenkomstig artikel 19, lid 3, van Richtlijn 2001/18/EG worden in de toestemming expliciet de voorwaarden vermeld die aan de toestemming zijn verbonden en die in de artikelen 3 en 4 zijn beschreven.

Artikel 2

Product

1.   De genetisch gemodificeerde organismen die als product of in producten in de handel worden gebracht, hierna „het product” genoemd, zijn korrels van koolzaad (Brassica napus L.) met tolerantie voor het herbicide glyfosaat, afgeleid van de koolzaadlijn GT73, die met Agrobacterium tumefaciens met behulp van de vector PV-BNGT04 is gemodificeerd. Het product bevat de volgende DNA-sequenties in twee cassettes:

a)

Cassette 1:

een epsps-gen voor 5-enolpyruvylshikimaat-3-fosfaat synthase, afkomstig van Agrobacterium sp. stam CP4 (CP4 EPSPS), dat tolerantie voor glyfosaat geeft, gereguleerd door de gemodificeerde promoter van het „figwort”-mozaïekvirus (P-CMoVb), terminator-sequenties uit het erwtengen rbcS E9 dat codeert voor de kleine subeenheid van ribulosedifosfaat-carboxylase/oxygenase en de N-terminale sequentie voor het chloroplasttransportpeptide CPT2 uit het epsps-gen van Arabidopsis thaliana;

b)

Cassette 2:

variant 247 van het oorspronkelijke gen voor glyfosaat-oxidoredutase (goxv247), afkomstig van Ochrobactrum anthropi stam LBAA, dat tolerantie voor glyfosaat geeft, gereguleerd door de gemodificeerde promoter van het „figwort”-mozaïekvirus (P-CMoVb), terminator-sequenties uit Agrobacterium tumefaciens en de N-terminale sequentie voor het chloroplasttransportpeptide CPT1 uit het gen voor ribulosedifosfaat-carboxylase (Arab-ssu1a) van Arabidopsis thaliana.

Het product bevat niet het in de gebruikte transformatievector aanwezige gen voor adenyltransferase (aad) dat codeert voor resistentie tegen streptomycine en spectinomycine.

2.   De eenduidige identificatiecode van het product is MON-00073-7.

3.   De toestemming geldt voor korrels van de nakomelingen van kruisingen van koolzaadlijn GT73 met conventioneel geteelde koolzaad als product of in producten.

Artikel 3

Voorwaarden voor het in de handel brengen

Het product mag voor dezelfde toepassingen als alle andere koolzaad worden gebruikt, behalve voor de teelt en voor gebruik als voedsel of in voedsel, en mag met inachtneming van de volgende voorwaarden in de handel worden gebracht:

a)

de toestemming heeft een geldigheidsduur van tien jaar, ingaande op de datum waarop ze wordt verleend;

b)

de eenduidige identificatiecode van het product is MON-00073-7;

c)

onverminderd artikel 25 van Richtlijn 2001/18/EG stelt de houder van de toestemming op verzoek positieve en negatieve controlemonsters van het product of het genetische materiaal daarvan of referentiematerialen ter beschikking van de bevoegde instanties;

d)

op een etiket of in een bij het product gevoegd document worden de woorden „Dit product bevat genetisch gemodificeerde organismen” of „Dit product bevat genetisch gemodificeerd GT73-koolzaad” vermeld, tenzij in andere communautaire wetgeving een onderdrempel voor de vermelding van deze informatie wordt vastgesteld;

e)

zolang het product niet voor de teelt in de handel mag worden gebracht, worden op een etiket of in een bij het product gevoegd document de woorden „niet voor de teelt” vermeld.

Artikel 4

Monitoring

1.   Gedurende de gehele geldigheidsduur van de toestemming ziet de houder van de toestemming er op toe dat het in de kennisgeving opgenomen monitoringplan, dat tot doel heeft na te gaan of de behandeling of het gebruik van het product eventueel nadelige effecten heeft op de gezondheid van mens en dier of op het milieu, wordt opgesteld en uitgevoerd.

2.   De houder van de toestemming stelt de exploitanten en gebruikers rechtstreeks in kennis van de veiligheid en de algemene kenmerken van het product en de voorwaarden ten aanzien van de monitoring, inclusief de maatregelen die moeten worden genomen in het geval van accidentele verspreiding van korrels. De technische richtsnoeren voor de toepassing van dit artikel zijn vastgesteld in de bijlage bij deze beschikking.

3.   De houder van de toestemming dient jaarlijks bij de Commissie en de bevoegde instanties van de lidstaten een verslag in over de resultaten van de monitoringactiviteiten.

4.   Onverminderd artikel 20 van Richtlijn 2001/18/EG moet het monitoringplan waarvan kennis wordt gegeven, indien nodig, door de houder van de toestemming worden herzien in het licht van de resultaten van de monitoringactiviteiten, voorzover de Commissie en de bevoegde instantie van de lidstaat die de oorspronkelijke kennisgeving heeft ontvangen, hiermee instemmen.

5.   De houder van de toestemming dient bij machte te zijn om aan de Commissie en de bevoegde instanties van de lidstaten het bewijs te leveren dat:

a)

de monitoringnetwerken, zoals gespecificeerd in het monitoringplan waarvan kennis is gegeven, de informatie verzamelen die relevant is voor de monitoring van het product,

b)

de monitoringnetwerken zijn overeengekomen deze informatie beschikbaar te stellen aan de houder van de toestemming vóór de in lid 3 vastgestelde datum voor de indiening van de monitoringverslagen bij de Commissie en de bevoegde instanties van de lidstaten.

Artikel 5

Toepasbaarheid

Deze beschikking is van toepassing met ingang van de datum waarop een specifieke detectiemethode voor GT73-koolzaad door het in de bijlage van Verordening (EG) nr. 1829/2003 bedoelde communautaire referentielaboratorium wordt gevalideerd, zoals gespecificeerd in Verordening (EG) nr. 641/2004 van de Commissie (7) tot vaststelling van nadere bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1829/2003.

Artikel 6

Adressaat

Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk der Nederlanden.

Gedaan te Brussel, 22 juni 2005.

Voor de Commissie

Stavros DIMAS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1830/2003 (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 24).

(2)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1642/2003 (PB L 245 van 29.9.2003, blz. 4).

(3)  PB L 43 van 14.2.1997, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(4)  PB L 10 van 16.1.2004, blz. 5.

(5)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.

(6)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(7)  PB L 102 van 7.4.2004, blz. 14.


BIJLAGE

Technische richtsnoeren voor de toepassing van artikel 4, lid 2

1.

De houder van de toestemming stelt de exploitanten in de Gemeenschap, met name de handelaars en verwerkers van grote volumes ingevoerd koolzaad, dat GT73-koolzaad kan bevatten, ervan in kennis:

a)

dat toestemming is verleend voor de invoer en het gebruik van GT73-koolzaad in de Gemeenschap, en

b)

dat de toestemming wordt verleend op voorwaarde dat een algemeen monitoringplan voor onvoorziene effecten van het in de handel brengen van GT73-koolzaad voor bovenvermelde toepassingen is opgesteld.

2.

De houder van de toestemming deelt de exploitanten mee aan welke nationale contactpersoon zij eventuele onvoorziene effecten kunnen melden.

3.

De houder van de toestemming deelt de exploitanten mee dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) het risico op en de gevolgen van een accidentele verspreiding van GT73-koolzaakorrels heeft beoordeeld in het kader van de beoogde toepassingen van dat koolzaad. De houder van de toestemming heeft regelmatig contact met de exploitanten om zeker te zijn dat ze op de hoogte blijven van eventuele veranderingen in de huidige praktijk die wijzigingen in de conclusies van de milieueffectbeoordeling tot gevolg kunnen hebben.

4.

De houder van de toestemming wijst de exploitanten op het feit dat accidentele verspreiding van ingevoerde koolzaadkorrels in havens en maalinstallaties kan leiden tot het kiemen van deze korrels en tot de groei van opslagplanten, waaronder zich GT73-koolzaad kan bevinden.

5.

Indien het opslagkoolzaad GT73-koolzaad kan bevatten, moet de houder van de toestemming:

a)

de exploitanten ervan in kennis stellen dat deze planten moeten worden vernietigd om eventuele ongewenste effecten van het GT73-koolzaad tot een minimum te beperken, en

b)

passende plannen voor het vernietigen van het opslagkoolzaad dat GT73-koolzaad kan bevatten, ter beschikking van de exploitanten stellen.

6.

Rekening houdende met artikel 4, lid 5, van Richtlijn 2001/18/EG en met punt 1.6 van deel C van de bijlage bij Beschikking 2002/811/EG van de Raad (1) mogen de lidstaten controlemaatregelen nemen en/of extra monitoringactiviteiten uitvoeren met betrekking tot accidentele verspreiding van GT73-koolzaadkorrels en de mogelijke onvoorziene en ongewenste effecten van deze verspreiding.


(1)  PB L 280 van 18.10.2002, blz. 27.