ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 157

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

48e jaargang
21 juni 2005


Inhoud

 

Documenten betreffende de toelating van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie

Bladzijde

 

*

Advies van de Commissie van 22 februari 2005 betreffende het verzoek van de Republiek Bulgarije en van Roemenië om toetreding tot de Europese Unie

3

 

*

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement betreffende het verzoek van de Republiek Bulgarije om toetreding tot de Europese Unie (AA1/2/2005 — C6-0085/2005 — 2005/0901(AVC)) (Instemmingsprocedure)

5

 

*

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement betreffende het verzoek van Roemenië om toetreding tot de Europese Unie (AA1/2/2005 — C6-0086/2005 — 2005/0902(AVC)) (Instemmingsprocedure)

7

 

*

Besluit van de Raad van de Europese Unie van 25 april 2005 betreffende de toelating van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie

9

 

*

Informatie betreffende de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag

10

 

*

Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (lidstaten van de Europese Unie), en de Republiek Bulgarije en Roemenië betreffende de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie

11

 

*

Protocol betreffende de voorwaarden en de nadere regels voor de toelating van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie

29

46

49

56

89

93

103

104

129

138

189

193

196

201

 

*

Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Bulgarije en Roemenië en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond

203

221

224

231

264

268

277

278

302

311

362

366

369

374

 

*

Slotakte

377

391

393

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


Documenten betreffende de toelating van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie

21.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 157/3


ADVIES VAN DE COMMISSIE

van 22 februari 2005

betreffende het verzoek van de Republiek Bulgarije en van Roemenië om toetreding tot de Europese Unie

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name op artikel 49,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Republiek Bulgarije en Roemenië hebben een verzoek ingediend om lid te worden van de Europese Unie.

(2)

In haar adviezen van 15 juli 1997 over de Republiek Bulgarije en Roemenië heeft de Commissie reeds haar standpunt tot uitdrukking kunnen brengen over bepaalde essentiële aspecten van de problemen in verband met deze aanvragen.

(3)

Op de bijeenkomst van de Europese Raad in Kopenhagen in juni 1993 zijn de politieke, economische en wetgevingscriteria voor het lidmaatschap voor de eerste maal vastgelegd. Deze vormden de leidraad bij het toetredingsproces en de basis voor de periodieke verslagen van de Commissie over de vorderingen van Roemenië en de Republiek Bulgarije. Overeenkomstig de politieke criteria van Kopenhagen dienen de Republiek Bulgarije en Roemenië te beschikken over stabiele instellingen die de democratie, de rechtsorde, de mensenrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden garanderen. Deze vereisten zijn als constitutionele principes vastgelegd in het Verdrag betreffende de Europese Unie en beklemtoond in het Handvest van grondrechten van de Europese Unie. Volgens de economische criteria dienen zij te beschikken over een functionerende markteconomie en het vermogen het hoofd te bieden aan de concurrentiedruk en de marktkrachten binnen de Unie. Het wetgevingscriterium heeft betrekking op het vermogen de verplichtingen van het lidmaatschap die voortvloeien uit de EU-wetgeving, het acquis, op zich te nemen, hetgeen mede inhoudt dat de doelstellingen van een politieke, economische en monetaire unie worden onderschreven.

(4)

De voorwaarden en regelingen voor de toelating van beide landen vormden het voorwerp van onderhandelingen tussen de lidstaten en Roemenië en de Republiek Bulgarije.

(5)

De Commissie is in het strategiedocument inzake de vorderingen op het gebied van het uitbreidingsproces, dat op 6 oktober 2004 werd goedgekeurd, tot de conclusie gekomen dat de Republiek Bulgarije en Roemenië voldoen aan de politieke criteria voor het lidmaatschap. Gelet op de vorderingen die beide landen hebben gemaakt, hun prestaties bij de tenuitvoerlegging van de verbintenissen die zij zijn aangegaan en het voorbereidende werk dat zij hebben verricht, verwachtte de Commissie dat zij op 1 januari 2007 zouden voldoen aan de economische criteria en het wetgevingscriterium en klaar zouden zijn voor het lidmaatschap. De Commissie verklaarde dat zij alles in het werk zou stellen om het doel te bereiken dat de Europese Raad had vastgesteld, namelijk de onderhandelingen met de Republiek Bulgarije en Roemenië in 2004 tot een goed einde te brengen op basis van eigen verdiensten, waarna het Toetredingsverdrag zo vroeg mogelijk in 2005 zou kunnen worden ondertekend.

(6)

De onderhandelingen zijn afgesloten in december 2004 en de overeengekomen bepalingen lijken eerlijk en juist. De uitbreiding stelt de Europese Unie dan ook in de gelegenheid bij de ontwikkeling van haar internationale betrekkingen een grotere rol te spelen, terwijl tezelfdertijd haar interne samenhang en dynamiek bewaard blijven.

(7)

Door toe te treden tot de Europese Unie aanvaarden de Republiek Bulgarije en Roemenië zonder voorbehoud het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en, tot de inwerkingtreding van laatstgenoemd Verdrag, het Verdrag betreffende de Europese Unie en de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen, alle doelstellingen van die Verdragen en alle besluiten die sinds hun inwerkingtreding zijn genomen, alsmede de beleidskeuzes voor de ontwikkeling en versterking van die Gemeenschappen en de Unie.

(8)

Een essentieel kenmerk van de rechtsorde die is ingesteld door de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en, vanaf haar inwerkingtreding, het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, is dat sommige bepalingen en bepaalde besluiten die door de instellingen zijn goedgekeurd rechtstreeks toepasselijk zijn, dat het Gemeenschapsrecht voorrang heeft op nationale bepalingen die mogelijk daarmee strijdig zijn, en dat er procedures zijn om de uniforme interpretatie van het Gemeenschapsrecht te garanderen. Toetreden tot de Europese Unie houdt in dat het bindende karakter van deze regels wordt erkend. Inachtneming ervan is noodzakelijk om de doeltreffendheid en eenheid van het Gemeenschapsrecht te garanderen.

(9)

De Commissie roept de Republiek Bulgarije en Roemenië op de verbeteringen die nog noodzakelijk zijn in de context van de politieke en economische criteria van het lidmaatschap, alsmede met betrekking tot de goedkeuring, implementatie en handhaving van de EU-wetgeving, krachtdadig door te voeren. De Commissie zal erop blijven toezien dat beide landen hun verbintenissen en verplichtingen nakomen en zal deze landen met de beschikbare instrumenten bijstaan. De Commissie behoudt zich overeenkomstig het Toetredingsverdrag, met name artikel 39 van het Toetredingsprotocol, het recht voor op basis van dit voortdurende toezicht een voorstel in te dienen met de aanbeveling de toetreding met een jaar, tot 1 januari 2008, uit te stellen indien zij op grond van de stand van de voorbereidingen voor de goedkeuring en de implementatie van het acquis in de Republiek Bulgarije of Roemenië van oordeel is dat er sterke aanwijzingen zijn dat er een ernstig risico is dat een van beide landen op 1 januari 2007 duidelijk niet in staat zal zijn te voldoen aan de verplichtingen van het lidmaatschap op een aantal belangrijke gebieden, waaronder de specifieke verbintenissen en criteria die voor Roemenië gelden op het gebied van justitie en binnenlandse zaken en mededinging. De Commissie behoudt zich tevens het recht voor op basis van het toezicht een beroep te doen op de verschillende vrijwaringsbepalingen waarin het Toetredingsverdrag voor beide landen voorziet, en op het specifieke mechanisme voor staatssteun waarin het Toetredingsverdrag voor Roemenië voorziet, ingeval dit land zijn verbintenissen niet nakomt wat de handhaving van de regels op dit gebied betreft.

(10)

De Commissie roept de Bulgaarse en Roemeense autoriteiten op de vertaling en de revisie van het acquis te voltooien voor de datum van toetreding zodat de rechtszekerheid bij de implementatie van de wetgeving gegarandeerd is.

(11)

Een van de doelstellingen van de Europese Unie is de versterking van de solidariteit tussen haar volken, met inachtneming van hun geschiedenis, cultuur en tradities.

(12)

Uitbreiding van de Europese Unie door de toetreding van de Republiek Bulgarije en van Roemenië draagt bij tot de versterking van de waarborgen voor vrede en vrijheid in Europa,

BRENGT EEN GUNSTIG ADVIES UIT:

over de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie.

Dit advies is gericht aan de Raad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, op 22 februari 2005.

Voor de Commissie

Olli REHN

Lid van de Commissie voor uitbreiding

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


21.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 157/5


WETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

betreffende het verzoek van de Republiek Bulgarije om toetreding tot de Europese Unie (AA1/2/2005 — C6-0085/2005 — 2005/0901(AVC))

(Instemmingsprocedure)

Het Europees Parlement,

gezien het verzoek van de Republiek Bulgarije om toetreding tot de Europese Unie,

gezien het verzoek van de Raad om instemming overeenkomstig artikel 49 van het EU‐Verdrag (C6‐0085/2005),

gezien het advies van de Commissie (COM(2005)0055),

gezien het ontwerpverdrag betreffende de toetreding van de Republiek Bulgarije tot de Europese Unie,

gelet op de uitwisseling van brieven tussen de voorzitter van het Europees Parlement en de voorzitter van de Commissie over het volledig betrekken van het Europees Parlement telkens wanneer de inwerkingstelling van de vrijwaringsclausules uit het Toetredingsverdrag overwogen wordt,

gezien zijn resolutie van 13 april 2005 over de financiële gevolgen van de toetreding van Bulgarije en Roemenië (1),

gelet op artikel 75 en artikel 82, lid 6, van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A6‐0082/2005),

A.

overwegende dat de voorwaarden voor toetreding van de kandidaat-lidstaten en de aanpassingen die hun toetreding impliceert zijn vastgelegd in het toetredingsverdrag en dat het Parlement geraadpleegd dient te worden indien ingrijpende wijzigingen in deze tekst worden aangebracht,

B.

overwegende dat de Raad en de Commissie het Europees Parlement volledig dienen te betrekken bij de opvolging van het toetredingsproces van de Republiek Bulgarije en bij de besluitvorming in geval dat de in het Toetredingsverdrag opgenomen vrijwaringsclausules in het kader van de toetreding van de Republiek Bulgarije dienen te worden toegepast,

C.

overwegende dat de instemming werd voorafgegaan door een gezamenlijke overeenkomst van beide takken van de begrotingsautoriteit over het financiële pakket dat deel uitmaakt van het Toetredingsverdrag en de goedkeuring van een verklaring over de budgettaire en institutionele gevolgen daarvan,

1.

stemt in met het verzoek van de Republiek Bulgarije om toetreding tot de Europese Unie;

2.

verzoekt zijn voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Bulgarije.


(1)  P6_TA(2005)0116.


21.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 157/7


WETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

betreffende het verzoek van Roemenië om toetreding tot de Europese Unie (AA1/2/2005 — C6-0086/2005 — 2005/0902(AVC))

(Instemmingsprocedure)

Het Europees Parlement,

gezien het verzoek van Roemenië om toetreding tot de Europese Unie,

gezien het verzoek van de Raad om instemming overeenkomstig artikel 49 van het EU‐Verdrag (C6‐0086/2005),

gezien het advies van de Commissie (COM(2005)0055),

gezien het ontwerpverdrag betreffende de toetreding van Roemenië tot de Europese Unie,

gelet op de uitwisseling van brieven tussen de voorzitter van het Europees Parlement en de voorzitter van de Commissie over het volledig betrekken van het Europees Parlement telkens wanneer de inwerkingstelling van de vrijwaringsclausules uit het toetredingsverdrag overwogen wordt,

gezien zijn resolutie van 13 april 2005 over de financiële gevolgen van de toetreding van Bulgarije en Roemenië (1),

gelet op artikel 75 en artikel 82, lid 6 van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A6‐0083/2005),

A.

overwegende dat de voorwaarden voor toetreding van de kandidaat-lidstaten en de aanpassingen die hun toetreding impliceert zijn vastgelegd in het Toetredingsverdrag, en dat het Parlement geraadpleegd dient te worden indien ingrijpende wijzigingen in deze tekst worden aangebracht,

B.

overwegende dat de Raad en de Commissie het Europees Parlement volledig dienen te betrekken bij het toetredingsproces van Roemenië en bij de besluitvorming in geval dat de in het Toetredingsverdrag opgenomen vrijwaringsclausules in het kader van de toetreding van Roemenië dienen te worden toegepast,

C.

overwegende dat de instemming werd voorafgegaan door een gezamenlijke overeenkomst van beide takken van de begrotingsautoriteit over het financiële pakket dat deel uitmaakt van het Toetredingsverdrag en de goedkeuring van een verklaring over de budgettaire en institutionele gevolgen daarvan,

1.

stemt in met het verzoek van Roemenië om toetreding tot de Europese Unie;

2.

verzoekt zijn voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van Roemenië.


(1)  P6_TA(2005)0116.


21.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 157/9


BESLUIT VAN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE

van 25 april 2005

betreffende de toelating van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 49,

Gezien het advies van de Commissie (1),

Gezien de instemming van het Europees Parlement (2),

Overwegende dat de Republiek Bulgarije en Roemenië hebben gevraagd lid te mogen worden van de Europese Unie,

BESLUIT:

deze verzoeken om toelating in te willigen; over de voorwaarden voor de toelating en de uit de toelating voortvloeiende aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gebaseerd, moet overeenstemming worden bereikt tussen de lidstaten, de Republiek Bulgarije en Roemenië.

Gedaan te Luxemburg, 25 april 2005.

Voor de Raad

De voorzitter

J. ASSELBORN


(1)  Advies uitgebracht op 22 februari 2005 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Instemming verleend op 13 april 2005 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).


21.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 157/10


INFORMATIE BETREFFENDE DE INWERKINGTREDING VAN HET TOETREDINGSVERDRAG

Onder voorbehoud van de procedure van bekrachtiging treedt het Toetredingsverdrag op 1 januari 2007 in werking, tenzij de Raad overeenkomstig artikel 4, lid 2, besluit de datum van toetreding voor Bulgarije en/of Roemenië uit te stellen tot 1 januari 2008.


21.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 157/11


VERDRAG

TUSSEN

HET KONINKRIJK BELGIË, DE TSJECHISCHE REPUBLIEK, HET KONINKRIJK DENEMARKEN, DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND, DE REPUBLIEK ESTLAND, DE HELLEENSE REPUBLIEK, HET KONINKRIJK SPANJE, DE FRANSE REPUBLIEK, IERLAND, DE ITALIAANSE REPUBLIEK, DE REPUBLIEK CYPRUS, DE REPUBLIEK LETLAND, DE REPUBLIEK LITOUWEN, HET GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG, DE REPUBLIEK HONGARIJE, DE REPUBLIEK MALTA, HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN, DE REPUBLIEK OOSTENRIJK, DE REPUBLIEK POLEN, DE PORTUGESE REPUBLIEK, DE REPUBLIEK SLOVENIË, DE SLOWAAKSE REPUBLIEK, DE REPUBLIEK FINLAND, HET KONINKRIJK ZWEDEN, HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND

(LIDSTATEN VAN DE EUROPESE UNIE)

EN

DE REPUBLIEK BULGARIJE EN ROEMENIË

BETREFFENDE DE TOETREDING VAN DE REPUBLIEK BULGARIJE EN ROEMENIË TOT DE EUROPESE UNIE

ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER BELGEN,

DE REPUBLIEK BULGARIJE,

DE PRESIDENT VAN DE TSJECHISCHE REPUBLIEK,

HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN DENEMARKEN,

DE PRESIDENT VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND,

DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK ESTLAND,

DE PRESIDENT VAN DE HELLEENSE REPUBLIEK,

ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN SPANJE,

DE PRESIDENT VAN DE FRANSE REPUBLIEK,

DE PRESIDENT VAN IERLAND,

DE PRESIDENT VAN DE ITALIAANSE REPUBLIEK,

DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK CYPRUS,

DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK LETLAND,

DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK LITOUWEN,

ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID DE GROOTHERTOG VAN LUXEMBURG,

DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK HONGARIJE,

DE PRESIDENT VAN MALTA,

HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN,

DE FEDERALE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK OOSTENRIJK,

DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK POLEN,

DE PRESIDENT VAN DE PORTUGESE REPUBLIEK,

DE PRESIDENT VAN ROEMENIË,

DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SLOVENIË,

DE PRESIDENT VAN DE SLOWAAKSE REPUBLIEK,

DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK FINLAND,

DE REGERING VAN HET KONINKRIJK ZWEDEN,

HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND,

VERENIGD in de wil de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Unie voort te zetten,

VASTBESLOTEN op de reeds gelegde grondslagen een steeds hechtere eenheid tussen de Europese volkeren tot stand te brengen,

OVERWEGENDE dat artikel I-58 van de Grondwet, zoals artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aan de Europese Staten de mogelijkheid biedt lid van de Unie te worden,

OVERWEGENDE dat de Republiek Bulgarije en Roemenië hebben verzocht lid te worden van de Unie,

OVERWEGENDE dat de Raad, na advies van de Commissie te hebben ingewonnen en na de instemming van het Europees Parlement te hebben verkregen, zich heeft uitgesproken voor toelating van deze Staten,

OVERWEGENDE dat op het ogenblik van de ondertekening van dit Verdrag, het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa reeds door alle lidstaten van de Unie was ondertekend maar nog niet bekrachtigd, en dat de Republiek Bulgarije en Roemenië zullen toetreden tot de Europese Unie zoals samengesteld op 1 januari 2007,

ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER BELGEN,

Karel DE GUCHT

minister van Buitenlandse Zaken

Didier DONFUT

staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken

DE REPUBLIEK BULGARIJE,

Georgi PARVANOV

president

Simeon SAXE-COBURG

minister-president

Solomon PASSY

minister van Buitenlandse Zaken

Meglena KUNEVA

minister van Europese Zaken

DE PRESIDENT VAN DE TSJECHISCHE REPUBLIEK,

Vladimír MÜLLER

vice-minister van Buitenlandse Zaken, belast met EU-zaken

Jan KOHOUT

buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur,

permanent vertegenwoordiger van de Tsjechische Republiek bij de Europese Unie

HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN DENEMARKEN,

Friis Arne PETERSEN

permanent staatssecretaris

Claus GRUBE

buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur,

permanent vertegenwoordiger van het Koninkrijk Denemarken bij de Europese Unie

DE PRESIDENT VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND,

Hans Martin BURY

staatsminister van Buitenlandse Zaken

Wilhelm SCHÖNFELDER

buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur,

permanent vertegenwoordiger van de Bondsrepubliek Duitsland bij de Europese Unie

DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK ESTLAND,

Urmas PAET

minister van Buitenlandse Zaken

Väino REINART

buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur,

permanent vertegenwoordiger van de Republiek Estland bij de Europese Unie

DE PRESIDENT VAN DE HELLEENSE REPUBLIEK,

Yannis VALINAKIS

staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

Vassilis KASKARELIS

buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur,

permanent vertegenwoordiger van de Helleense Republiek bij de Europese Unie

ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN SPANJE,

Miguel Angel MORATINOS CUYAUBÉ

minister van Buitenlandse Zaken en Samenwerking

Alberto NAVARRO GONZÁLEZ

staatssecretaris voor de Europese Unie

DE PRESIDENT VAN DE FRANSE REPUBLIEK,

Claudie HAIGNERÉ

toegevoegd minister van Europese Zaken, ministerie van Buitenlandse Zaken

Pierre SELLAL

buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur,

permanent vertegenwoordiger van de Franse Republiek bij de Europese Unie

DE PRESIDENT VAN IERLAND,

Dermot AHERN

minister van Buitenlandse Zaken

Noel TREACY

onderminister, ministerie van Algemene Zaken en van Buitenlandse Zaken (belast met Europese Zaken)

DE PRESIDENT VAN DE ITALIAANSE REPUBLIEK,

Roberto ANTONIONE

staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

Rocco Antonio CANGELOSI

buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur,

permanent vertegenwoordiger van de Italiaanse Republiek bij de Europese Unie

DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK CYPRUS,

George IACOVOU

minister van Buitenlandse Zaken

Nicholas EMILIOU

buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur,

permanent vertegenwoordiger van de Republiek Cyprus bij de Europese Unie

DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK LETLAND,

Artis PABRIKS

minister van Buitenlandse Zaken

Eduards STIPRAIS

buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur,

permanent vertegenwoordiger van de Republiek Letland bij de Europese Unie

DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK LITOUWEN,

Antanas VALIONIS

minister van Buitenlandse Zaken

Albinas JANUSKA

vice-staatssecretaris, ministerie van Buitenlandse Zaken, belast met EU-aangelegenheden

ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID DE GROOTHERTOG VAN LUXEMBURG,

Jean-Claude JUNCKER

minister-president, minister van Staat, minister van Financiën

Jean ASSELBORN

vice-minister-president, minister van Buitenlandse Zaken en Immigratie

DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK HONGARIJE,

Dr. Ferenc SOMOGYI

minister van Buitenlandse Zaken

Dr. Etele BARÁTH

minister zonder portefeuille, belast met Europese Zaken

DE PRESIDENT VAN MALTA,

Michael FRENDO

minister van Buitenlandse Zaken

Richard CACHIA CARUANA

buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur,

permanent vertegenwoordiger van Malta bij de Europese Unie

HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN,

Dr. B.R. BOT

minister van Buitenlandse Zaken

Atzo NICOLAÏ

minister voor Europese Zaken

DE FEDERALE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK OOSTENRIJK,

Hubert GORBACH

vice-kanselier

Dr. Ursula PLASSNIK

minister van Buitenlandse Zaken

DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK POLEN,

Adam Daniel ROTFELD

minister van Buitenlandse Zaken

Jarosław PIETRAS

Staatssecretaris, secretariaat van het Comité voor Europese Integratie

DE PRESIDENT VAN DE PORTUGESE REPUBLIEK,

Diogo PINTO DE FREITAS DO AMARAL

minister van staat, minister van Buitenlandse Zaken

Fernando Manuel de MENDONÇA D'OLIVEIRA NEVES

staatssecretaris voor Europese Zaken

DE PRESIDENT VAN ROEMENIË,

Traian BĂSESCU

president

Călin POPESCU - TĂRICEANU

minister-president

Mihai - Răzvan UNGUREANU

minister van Buitenlandse Zaken

Leonard ORBAN

hoofdonderhandelaar voor de toetreding tot de Europese Unie

DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SLOVENIË,

Božo CERAR

staatssecretaris, ministerie van Buitenlandse Zaken

DE PRESIDENT VAN DE SLOWAAKSE REPUBLIEK,

Eduard KUKAN

minister van Buitenlandse Zaken

József BERÉNYI

staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK FINLAND,

Eikka KOSONEN

buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur,

permanent vertegenwoordiger van de Republiek Finland bij de Europese Unie

DE REGERING VAN HET KONINKRIJK ZWEDEN,

Laila FREIVALDS

minister van Buitenlandse Zaken

Sven-Olof PETERSSON

buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur,

permanent vertegenwoordiger van het Koninkrijk Zweden bij de Europese Unie

HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT‐BRITTANNIË EN NOORD‐IERLAND,

Sir John GRANT KCMG

buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur,

permanent vertegenwoordiger van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland bij de Europese Unie

OVEREENSTEMMING HEBBEN BEREIKT:

Artikel 1

1.   De Republiek Bulgarije en Roemenië worden lid van de Europese Unie.

2.   De Republiek Bulgarije en Roemenië worden Partij bij het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, zoals deze Verdragen zijn gewijzigd of aangevuld.

3.   De voorwaarden en regelingen voor de toelating zijn neergelegd in een bij dit Verdrag gevoegd Protocol. De bepalingen van dit Protocol maken een integrerend deel van dit Verdrag uit.

4.   Het Protocol, met inbegrip van de bijlagen en aanhangsels daarbij, wordt gehecht aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en de bepalingen van dit Protocol maken een integrerend deel van deze Verdragen uit.

Artikel 2

1.   Indien het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa op de datum van toetreding niet van kracht is, worden de Republiek Bulgarije en Roemenië Partij bij de Verdragen waarop de Unie is gegrondvest, zoals deze Verdragen zijn gewijzigd of aangevuld.

In dat geval wordt artikel 1, leden 2 tot en met 4, van kracht op de datum van inwerkingtreding van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa.

2.   De voorwaarden voor de toelating en de daaruit voortvloeiende aanpassingen van de Verdragen waarop de Unie is gegrondvest, welke van toepassing zullen zijn vanaf de datum van toetreding tot de datum van inwerkingtreding van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, zijn neergelegd in de bij dit Verdrag gevoegde Akte. De bepalingen van deze Akte maken een integrerend deel van dit Verdrag uit.

3.   Indien het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa na de toetreding in werking treedt, wordt de in artikel 2, lid 2, bedoelde Akte op de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag vervangen door het in artikel 1, lid 3, bedoelde Protocol. In dat geval worden de bepalingen van dat Protocol niet geacht nieuwe rechtsgevolgen tot stand te brengen, maar worden zij geacht, onder de voorwaarden die zijn neergelegd in het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en het Protocol, de rechtsgevolgen die reeds door de in artikel 2, lid 2, bedoelde Akte tot stand zijn gebracht, te handhaven.

Handelingen die op grond van dit Verdrag of de in lid 2 bedoelde Akte zijn vastgesteld vóór de inwerkingtreding van het in artikel 1, lid 3, bedoelde Protocol, blijven van toepassing en de rechtsgevolgen ervan blijven gehandhaafd totdat deze handelingen worden gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 3

De bepalingen betreffende de rechten en verplichtingen van de lidstaten, alsmede de algemene en bijzondere bevoegdheden van de Instellingen van de Unie, zoals die zijn neergelegd in de Verdragen waarbij de Republiek Bulgarije en Roemenië partij worden, zijn van toepassing ten aanzien van dit Verdrag.

Artikel 4

1.   Dit Verdrag zal door de Hoge Verdragsluitende Partijen worden bekrachtigd overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen. De akten van bekrachtiging zullen uiterlijk op 31 december 2006 worden neergelegd bij de Regering van de Italiaanse Republiek.

2.   Dit Verdrag treedt in werking op 1 januari 2007, mits alle akten van bekrachtiging voor die datum zijn neergelegd.

Indien echter een in artikel 1, lid 1, genoemde Staat niet tijdig zijn akte van bekrachtiging heeft neergelegd, treedt dit Verdrag in werking voor de andere Staat die tot de nederlegging is overgegaan. In dat geval besluit de Raad, met eenparigheid van stemmen, onmiddellijk over de hierdoor noodzakelijk geworden aanpassingen van de artikelen 5 en 6 van het onderhavige Verdrag, van de artikelen 10, 11, lid 2, 12, 21, lid 1, 22, 31, 34 en 46, Bijlagen III punt 2, onder 1, b), punt 2, onder 2 en 3, en Bijlage IV, onderdeel B, van het in artikel 1, lid 3, bedoelde Protocol en, in voorkomend geval, van de artikelen 9 tot en met 11, 14, lid 3, 15, 24, lid 1, 31, 34, 46 en 47, Bijlagen III, punt 2, onder 1, b), punt 2, onder 2 en 3, en Bijlage IV, onderdeel B, van de in artikel 2, lid 2, bedoelde Akte; de Raad kan eveneens, met eenparigheid van stemmen, de bepalingen van voornoemd Protocol, met inbegrip van de daaraan gehechte bijlagen en aanhangsels, en, in voorkomend geval, van voornoemde Akte, met inbegrip van de daaraan gehechte bijlagen en aanhangsels, waarin een Staat die zijn akte van bekrachtiging niet heeft neergelegd, met name wordt genoemd, vervallen verklaren of aanpassen.

Niettegenstaande de nederlegging van alle noodzakelijke akten van bekrachtiging overeenkomstig lid 1, treedt dit Verdrag in werking op 1 januari 2008, indien de Raad een besluit betreffende beide toetredende Staten aanneemt krachtens artikel 39 van het in artikel 1, lid 3, bedoelde Protocol of, vóór de inwerkingtreding van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, krachtens artikel 39 van de in artikel 2, lid 2 bedoelde Akte.

Indien een dergelijk besluit wordt genomen met betrekking tot slechts één toetredende Staat, treedt dit Verdrag op 1 januari 2008 in werking voor die Staat.

3.   Onverminderd lid 2 kunnen de Instellingen van de Unie vóór de toetreding de maatregelen aannemen als bedoeld in de artikel 3, lid 6, artikel 6, lid 2, tweede alinea, artikel 6, lid 4, tweede alinea, artikel 6, lid 7, tweede en derde alinea, artikel 6, lid 8, tweede alinea, artikel 6, lid 9, derde alinea, artikel 17, artikel 19, artikel 27, lid 1 en lid 4, artikel 28, lid 4 en lid 5, artikel 29, artikel 30, lid 3, artikel 31, lid 4, artikel 32, lid 5, artikel 34, lid 3 en lid 4, artikel 37, artikel 38, artikel 39, lid 4, artikel 41, artikel 42, artikel 55, artikel 56, artikel 57 en Bijlagen IV tot en met VIII van het in artikel 1, lid 3, bedoelde Protocol. Vóór de inwerkingtreding van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden dergelijke maatregelen aangenomen krachtens de gelijkwaardige bepalingen in de artikelen 3, lid 6, artikel 6, lid 2, tweede alinea, artikel 6, lid 4, tweede alinea, artikel 6, lid 7, tweede en derde alinea, artikel 6, lid 8, tweede alinea, artikel 6, lid 9, derde alinea, artikel 20, artikel 22, artikel 27, lid 1 en lid 4, artikel 28, lid 4 en lid 5, artikel 29, artikel 30, lid 3, artikel 31, lid 4, artikel 32, lid 5, artikel 34, lid 3 en lid 4, artikel 37, artikel 38, artikel 39, lid 4, artikel 41, artikel 42, artikel 55, artikel 56, artikel 57 en Bijlagen IV tot en met VIII van de in artikel 2, lid 2, bedoelde Akte.

Deze maatregelen treden slechts in werking onder voorbehoud en op de datum van inwerkingtreding van het onderhavige Verdrag.

Artikel 5

De in de Bulgaarse en de Roemeense taal opgestelde tekst van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa wordt aan dit Verdrag gehecht. Deze teksten zijn op gelijke wijze authentiek als de teksten van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa die zijn opgesteld in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal.

De Regering van de Italiaanse Republiek zendt aan de Regeringen van de Republiek Bulgarije en Roemenië een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa in alle in de eerste alinea genoemde talen.

Artikel 6

Dit Verdrag, opgesteld in één enkel exemplaar, in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, zijnde de teksten in elk van deze talen gelijkelijk authentiek, zal worden neergelegd in het archief van de Regering van de Italiaanse Republiek, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de Regeringen der andere ondertekenende Staten.

В ПОТВЪРЖДЕНИЕ НА КОЕТО, долуподписаните упълномощени представители подписаха настоящия договор.

EN FE DE LO CUAL, los plenipotenciarios abajo firmantes suscriben el presente Tratado.

NA DŮKAZ ČEHOŽ připojili níže podepsaní zplnomocnění zástupci k této smlouvě své podpisy.

TIL BEKRÆFTELSE HERAF har undertegnede befuldmægtigede underskrevet denne traktat.

ZU URKUND DESSEN haben die unterzeichneten Bevollmächtigten ihre Unterschriften unter diesen Vertrag gesetzt.

SELLE KINNITUSEKS on nimetatud täievolilised esindajad käesolevale lepingule alla kirjutanud.

ΣΕ ΠΙΣΤΩΣΗ ΤΩΝ ΑΝΩΤΕΡΩ, οι κάτωθι υπογεγραμμένοι πληρεξούσιοι υπέγραψαν την παρούσα Συνθήκη.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned Plenipotentiaries have signed this Treaty.

EN FOI DE QUOI, les plénipotentiaires soussignés ont apposé leurs signatures au bas du présent traité.

DÁ FHIANÚ SIN, chuir na Lánchumhachtaigh thíos-sínithe a lámh leis an gConradh seo.

IN FEDE DI CHE, i plenipotenziari sottoscritti hanno apposto le loro firme in calce al presente trattato.

TO APLIECINOT, Pilnvarotie ir parakstījuši šo Līgumu.

TAI PALIUDYDAMI šią Sutartį pasirašė toliau nurodyti įgaliotieji atstovai.

FENTIEK HITELÉÜL az alulírott meghatalmazottak aláírták ezt a szerződést.

B'XIEHDA TA' DAN il-Plenipotenzjarji sottoskritti iffirmaw dan it-Trattat.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder dit Verdrag hebben gesteld.

W DOWÓD CZEGO niżej podpisani pełnomocnicy złożyli swoje podpisy pod niniejszym Traktatem.

EM FÉ DO QUE, os plenipotenciários abaixo-assinados apuseram as suas assinaturas no final do presente Tratado.

DREPT CARE subsemnaţii plenipotenţiari au semnat prezentul tratat.

NA DÔKAZ TOHO splnomocnení zástupcovia podpísali túto zmluvu.

V POTRDITEV TEGA so spodaj podpisani pooblaščenci podpisali to pogodbo.

TÄMÄN VAKUUDEKSI ALLA MAINITUT täysivaltaiset edustajat ovat allekirjoittaneet tämän sopimuksen.

SOM BEKRÄFTELSE PÅ DETTA har undertecknade befullmäktigade ombud undertecknat detta fördrag.

Съставено в Люксембург на двадесет и пети април две хиляди и пета година.

Hecho en Luxemburgo, el veinticinco de abril del dos mil cinco.

V Lucemburku dne dvacátého pátého dubna dva tisíce pět.

Udfærdiget i Luxembourg den femogtyvende april to tusind og fire.

Geschehen zu Luxemburg am fünfundzwanzigsten April zweitausendfünf.

Kahe tuhande viienda aasta aprillikuu kahekümne viiendal päeval Luxembourgis.

'Εγινε στo Λουξεμβούργο, στις είκοσι πέντε Απριλίου δύο χιλιάδες πέντε.

Done at Luxembourg on the twenty‐fifth day of April in the year two thousand and five.

Fait à Luxembourg, le vingt‐cinq avril deux mille cinq.

Arna dhéanamh i Lucsamburg, an cúigiú lá fichead d'Aibreán sa bhliain dhá mhíle is a cúig.

Fatto a Lussembourgo, addi' venticinque aprile duemilacinque.

Luksemburgā, divtūkstoš piektā gada divdesmit piektajā aprīlī.

Priimta du tūkstančiai penktų metų balandžio dvidešimt penktą dieną Liuksemburge.

Kelt Luxembourgban, a kettőezer ötödik év április huszonötödik napján.

Magħmul fil-Lussemburgu, fil-ħamsa u għoxrin jum ta' April tas-sena elfejn u ħamsa.

Gedaan te Luxemburg, de vijfentwintigste april tweeduizend vijf.

Sporządzono w Luksemburgu dnia dwudziestego piątego kwietnia roku dwutysięcznego piątego.

Feito em Luxemburgo, em vinte e cinco de Abril de dois mil e cinco.

Întocmit la Luxemburg la douăzecişicinci aprilie anul două mii cinci.

V Luxembourgu, petindvajsetega aprila leta dva tisoč pet.

V Luxemburgu dňa dvadsiateho piateho apríla dvetisícpäť.

Tehty Luxemburgissa kahdentenakymmenentenäviidentenä päivänä huhtikuuta vuonna kaksituhattaviisi.

Som skedde i Luxemburg den tjugofemte april tjugohundrafem.

Pour Sa Majesté le Roi des Belges

Voor Zijne Majesteit de Koning der Belgen

Für Seine Majestät den König der Belgier

Image

Cette signature engage également la Communauté française, la Communauté flamande, la Communauté germanophone, la Région wallonne, la Région flamande et la Région de Bruxelles-Capitale.

Deze handtekening verbindt eveneens de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Diese Unterschrift bindet zugleich die Deutschsprachige Gemeinschaft, die Flämische Gemeinschaft, die Französische Gemeinschaft, die Wallonische Region, die Flämische Region und die Region Brüssel-Hauptstadt.

За Република България

Image

Za prezidenta České republiky

Image

For Hendes Majestæt Danmarks Dronning

Image

Für den Präsidenten der Bundesrepublik Deutschland

Image

Eesti Vabariigi Presidendi nimel

Image

Για τον Πρόεδρο της Ελληνικής Δημοκρατίας

Image

Por Su Majestad el Rey de España

Image

Pour le Président de la République française

Image

Thar ceann Uachtarán na hÉireann

For the President of Ireland

Image

Per il Presidente della Repubblica italiana

Image

Για τον Πρόεδρο της Κυπριακής Δημοκρατίας

Image

Latvijas Republikas Valsts prezidentes vārdā

Image

Lietuvos Respublikos Prezidento vardu

Image

Pour Son Altesse Royale le Grand-Duc de Luxembourg

Image

A Magyar Köztársaság Elnöke részréről

Image

Għall-President ta' Malta

Image

Voor Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden

Image

Für den Bundespräsidenten der Republik Österreich

Image

Za Prezydenta Rzeczypospolitej Polskiej

Image

Pelo Presidente da República Portuguesa

Image

Pentru Preşedintele României

Image

Za predsednika Republike Slovenije

Image

Za prezidenta Slovenskej republiky

Image

Suomen Tasavallan Presidentin puolesta

För Republiken Finlands President

Image

För Konungariket Sveriges regering

Image

For Her Majesty the Queen of the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland

Image


21.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 157/29


PROTOCOL

betreffende de voorwaarden en de nadere regels voor de toelating van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

OVERWEGENDE dat de Republiek Bulgarije en Roemenië op 1 januari 2007 lid worden van de Europese Unie;

OVERWEGENDE DAT in artikel I-58 van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa is bepaald dat de voorwaarden en nadere regels voor de toelating worden neergelegd in een akkoord tussen de lidstaten en de kandidaat-lidstaat;

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden gehecht:

EERSTE DEEL

BEGINSELEN

Artikel 1

1.   In de zin van dit protocol:

wordt met de uitdrukking „Grondwet” bedoeld het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa;

wordt met de uitdrukking „EGA-Verdrag” bedoeld het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, zoals aangevuld of gewijzigd bij verdragen of andere rechtshandelingen die vóór de onderhavige toetreding in werking zijn getreden;

worden met de uitdrukking „huidige lidstaten” bedoeld, het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland;

worden met de uitdrukking „nieuwe lidstaten” bedoeld de Republiek Bulgarije en Roemenië;

worden met de uitdrukking „Instellingen” bedoeld de bij de Grondwet opgerichte Instellingen.

2.   De verwijzingen in dit protocol naar de Grondwet en naar de Unie worden, waar nodig, gelezen als verwijzingen naar respectievelijk het EGA-Verdrag en de Gemeenschap die bij het EGA-Verdrag wordt opgericht.

Artikel 2

Onmiddellijk na de toetreding zijn de bepalingen van de Grondwet, het EGA-Verdrag en de door de Instellingen vóór de toetreding genomen besluiten verbindend voor Bulgarije en Roemenië en in deze staten toepasselijk onder de voorwaarden waarin door de Grondwet, in het EGA-Verdrag en in dit protocol wordt voorzien.

Artikel 3

1.   Bulgarije en Roemenië treden toe tot de door de Vertegenwoordigers van de Regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, genomen besluiten en gesloten overeenkomsten.

2.   Bulgarije en Roemenië bevinden zich ten aanzien van de verklaringen, resoluties of andere standpuntbepalingen van de Europese Raad of de Raad, alsmede ten aanzien van die welke betrekking hebben op de Unie en in onderling overleg tussen de lidstaten zijn aanvaard, in dezelfde situatie als de huidige lidstaten; zij zullen derhalve de beginselen en beleidslijnen die hieruit voortvloeien eerbiedigen en de maatregelen treffen die nodig zouden kunnen blijken ter verzekering van de toepassing daarvan.

3.   Bulgarije en Roemenië treden toe tot de in bijlage I opgesomde verdragen, overeenkomsten en protocollen. Deze verdragen, overeenkomsten en protocollen treden in werking ten aanzien van Bulgarije en Roemenië op de data die door de Raad worden bepaald in de in lid 4 bedoelde besluiten.

4.   De Raad stelt op aanbeveling van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement met eenparigheid van stemmen Europese besluiten vast waarbij de ingevolge de toetreding vereiste aanpassingen in de verdragen, overeenkomsten en protocollen als bedoeld in lid 3 worden aangebracht, en maakt de aangepaste tekst bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

5.   Bulgarije en Roemenië verbinden zich ertoe om met betrekking tot de verdragen, overeenkomsten en protocollen als bedoeld in lid 3 administratieve en andere regelingen in te voeren in de trant van de regelingen die de huidige lidstaten of de Raad voor de datum van toetreding hebben aangenomen, en de praktische samenwerking tussen de Instellingen en organisaties van de lidstaten te faciliteren.

6.   De Raad kan op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen Europese besluiten vaststellen waarbij bijlage I wordt aangevuld met de verdragen, overeenkomsten en protocollen die vóór de datum van toetreding zijn ondertekend.

7.   De specifieke instrumenten die in dit artikel worden vermeld, omvatten die welke zijn vermeld in artikel IV-438 van de Grondwet.

Artikel 4

1.   De bepalingen van het Schengenacquis waarnaar wordt verwezen in het aan de Grondwet gehechte Protocol nr. 17 betreffende het in het kader van de Europese Unie geïntegreerde Schengenacquis, en de daarop voortbouwende of op een andere wijze daaraan gerelateerde rechtsbesluiten die zijn opgesomd in bijlage II, evenals alle andere dergelijke rechtsbesluiten die eventueel worden aangenomen vóór de toetredingsdatum, zijn vanaf de datum van toetreding verbindend voor en toepasselijk in Bulgarije en Roemenië.

2.   De bepalingen van het in het kader van de Europese Unie geïntegreerde Schengenacquis en de daarop voortbouwende of op een andere wijze daaraan gerelateerde rechtsbesluiten welke niet in lid 1 bedoeld worden, zijn vanaf de datum van toetreding verbindend voor Bulgarije en Roemenië, maar zijn in elk van voornoemde staten slechts toepasselijk op grond van een daartoe strekkend Europees besluit van de Raad, nadat overeenkomstig de toepasselijke Schengenevaluatieprocedures is geconstateerd dat in de respectieve staten aan de nodige voorwaarden voor de toepassing van alle onderdelen van het betreffende acquis is voldaan.

De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement met eenparigheid van stemmen van de leden die de regeringen vertegenwoordigen van de lidstaten ten aanzien waarvan de bepalingen van dit lid reeds van kracht zijn en van de vertegenwoordiger van de regering van de lidstaat ten aanzien waarvan die bepalingen van kracht moeten worden. De leden van de Raad die de regeringen van Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vertegenwoordigen, nemen aan dit besluit deel voorzover het verband houdt met de bepalingen van het Schengenacquis en de daarop voortbouwende of op een andere wijze daaraan gerelateerde rechtsbesluiten waaraan deze lidstaten deelnemen.

Artikel 5

Vanaf de datum van toetreding nemen Bulgarije en Roemenië aan de Economische en Monetaire Unie deel als lidstaten met een derogatie in de zin van artikel III-197 van de Grondwet.

Artikel 6

1.   De door de Unie met een of meer derde Staten, met een internationale organisatie of met een onderdaan van een derde Staat gesloten of voorlopig toegepaste overeenkomsten of akkoorden, zijn verbindend voor Bulgarije en Roemenië, en wel onder de in de Grondwet en in dit protocol neergelegde voorwaarden.

2.   Bulgarije en Roemenië verbinden zich ertoe onder de in dit protocol neergelegde voorwaarden toe te treden tot de door de Unie en de huidige lidstaten gezamenlijk gesloten of ondertekende overeenkomsten of akkoorden.

De toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de overeenkomsten of akkoorden met specifieke derde landen of internationale organisaties die gezamenlijk zijn gesloten of ondertekend door de Unie en de huidige lidstaten, wordt geregeld door de sluiting van een protocol bij die overeenkomsten of akkoorden door de Raad, handelend met eenparigheid van stemmen namens de lidstaten, en het (de) betrokken derde land(en) of internationale organisatie. De Commissie voert namens de lidstaten onderhandelingen over deze protocollen, op basis van door de Raad met eenparigheid van stemmen goedgekeurde onderhandelingsrichtsnoeren en in overleg met een comité bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten. De Commissie dient een ontwerp van de te sluiten protocollen in bij de Raad.

Deze procedure geldt onverminderd de uitoefening van de eigen bevoegdheden van de Unie en laat de verdeling van bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten op het gebied van de sluiting van dergelijke overeenkomsten in de toekomst dan wel andere, niet met de toetreding verband houdende wijzigingen onverlet.

3.   Vanaf hun toetreding tot de in lid 2 bedoelde overeenkomsten en akkoorden, verwerven Bulgarije en Roemenië dezelfde rechten en verplichtingen uit hoofde van die overeenkomsten en akkoorden als de huidige lidstaten.

4.   Vanaf de datum van toetreding, en in afwachting van de inwerkingtreding van de nodige protocollen als bedoeld in lid 2, passen Bulgarije en Roemenië de bepalingen toe van de overeenkomsten en akkoorden die vóór de toetreding door de Unie en de huidige lidstaten gezamenlijk zijn gesloten, met uitzondering van de met Zwitserland gesloten overeenkomst over het vrije verkeer van personen. Deze verplichting geldt tevens voor de overeenkomsten en akkoorden die door de Unie en de huidige lidstaten in onderlinge overeenstemming voorlopig worden toegepast.

In afwachting van de inwerkingtreding van de protocollen als bedoeld in lid 2 nemen de Unie en de lidstaten, gezamenlijk optredend als dat passend is binnen hun respectievelijke bevoegdheden, de passende maatregelen.

5.   Bulgarije en Roemenië treden toe tot de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (1), ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000.

6.   Bulgarije en Roemenië verbinden zich ertoe onder de in dit protocol neergelegde voorwaarden toe te treden tot de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (2), zulks overeenkomstig artikel 128 van die Overeenkomst.

7.   Vanaf de datum van toetreding worden de door de Unie met derde landen gesloten bilaterale textielovereenkomsten en -regelingen door Bulgarije en Roemenië toegepast.

De door de Unie toegepaste kwantitatieve beperkingen op de invoer van textielproducten en kleding worden aangepast om rekening te houden met de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Unie. Te dien einde kan door de Unie met de betrokken derde landen nog voor de toetreding worden onderhandeld over wijzigingen van de bovengenoemde bilaterale overeenkomsten en regelingen.

Indien de wijzigingen van de bilaterale textielovereenkomsten en -regelingen op de datum van toetreding nog niet in werking zijn getreden, verricht de Unie de nodige aanpassingen van haar regels betreffende de invoer van textielproducten en kleding uit derde landen om rekening te kunnen houden met de toetreding van Bulgarije en Roemenië.

8.   De door de Unie toegepaste kwantitatieve beperkingen op de invoer van staal en staalproducten worden aangepast op basis van de invoer van Bulgarije en Roemenië, over de afgelopen jaren, van staalproducten van oorsprong uit de betrokken leverancierlanden.

Te dien einde wordt nog voor de toetreding onderhandeld over de nodige wijzigingen in de door de Unie met derde landen gesloten bilaterale overeenkomsten en regelingen op het gebied van staal.

Indien de wijzigingen van de bilaterale overeenkomsten en regelingen op de datum van toetreding nog niet in werking zijn getreden, is de eerste alinea van toepassing.

9.   Visserijovereenkomsten die vóór de toetreding door Bulgarije en Roemenië met derde landen werden gesloten, worden beheerd door de Unie.

De rechten en plichten die voor Bulgarije en Roemenië uit deze overeenkomsten voortvloeien, blijven onverlet gedurende de periode waarin de bepalingen van deze overeenkomsten voorlopig worden gehandhaafd.

Zo spoedig mogelijk, en in ieder geval vóór het verstrijken van de in de eerste alinea bedoelde overeenkomsten, stelt de Raad, in elk apart geval, op voorstel van de Commissie, de passende besluiten vast voor het voortduren van de daaruit voortvloeiende visserijactiviteiten, met inbegrip van de mogelijkheid om bepaalde van deze overeenkomsten met ten hoogste één jaar te verlengen.

10.   Met ingang van de datum van toetreding zeggen Bulgarije en Roemenië elke vrijhandelsovereenkomst met derde landen, inclusief de Midden-Europese Vrijhandelsovereenkomst, op.

Voorzover de overeenkomsten tussen Bulgarije, Roemenië of beide staten enerzijds, en één of meer derde landen anderzijds, niet verenigbaar zijn met de verplichtingen die voortvloeien uit dit protocol, treffen Bulgarije en Roemenië alle passende maatregelen om de geconstateerde onverenigbaarheden weg te werken. Indien Bulgarije of Roemenië moeilijkheden ondervindt om een overeenkomst aan te passen die vóór de toetreding is gesloten met één of meer derde landen, trekt het zich uit die overeenkomst terug met inachtneming van de daarin vervatte voorwaarden.

11.   Bulgarije en Roemenië treden onder de in dit protocol neergelegde voorwaarden toe tot de interne overeenkomsten welke door de lidstaten werden gesloten met het oog op de toepassing van de in lid 2, lid 5 en lid 6 bedoelde overeenkomsten en akkoorden.

12.   Bulgarije en Roemenië treffen, zo nodig, passende maatregelen om hun positie ten aanzien van internationale organisaties en internationale overeenkomsten waarbij de Unie of andere lidstaten eveneens partij zijn, aan te passen aan de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit hun toetreding tot de Unie.

Met name zeggen zij, op de datum van toetreding of zo spoedig mogelijk daarna, de internationale visserijovereenkomsten en hun lidmaatschap van de internationale visserijorganisaties op waarbij ook de Unie partij is, tenzij hun lidmaatschap geen verband houdt met visserijzaken.

13.   De in dit artikel vermelde overeenkomsten en akkoorden die door de Unie zijn gesloten of ondertekend, omvatten die welke zijn vermeld in artikel IV-438 van de Grondwet.

Artikel 7

De in dit protocol opgenomen overgangsbepalingen kunnen bij Europese wet van de Raad worden ingetrokken indien zij niet meer van toepassing zijn. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel 8

1.   De door de Instellingen genomen besluiten waarop de in dit protocol vastgestelde overgangsbepalingen zijn gebaseerd, behouden hun eigen rechtskarakter; met name blijven de voor deze besluiten geldende wijzigingsprocedures van toepassing.

2.   De bepalingen van dit protocol waarvan het doel of het gevolg is dat besluiten van de Instellingen anders dan bij wijze van overgangsmaatregel worden ingetrokken of gewijzigd, verkrijgen hetzelfde rechtskarakter als de daardoor ingetrokken of gewijzigde bepalingen en zijn onderworpen aan dezelfde regels als laatstgenoemde bepalingen.

Artikel 9

Ten aanzien van de toepassing van de Grondwet en van de door de Instellingen genomen besluiten gelden, bij wijze van overgang, de in dit protocol neergelegde afwijkende bepalingen.

TWEEDE DEEL

AANPASSING VAN DE GRONDWET

TITEL I

INSTITUTIONELE BEPALINGEN

Artikel 10

1.   Artikel 9, lid 1, van het aan de Grondwet en het EGA-Verdrag gehechte Protocol nr. 3 betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt vervangen door:

.„De gedeeltelijke vervanging van de rechters, die om de drie jaar plaatsvindt, heeft beurtelings betrekking op veertien en op dertien rechters.”

2.   Artikel 48, van het aan de Grondwet en het EGA-Verdrag gehechte Protocol nr. 3 betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt vervangen door:

„Artikel 48

Het Gerecht bestaat uit zevenentwintig rechters.”.

Artikel 11

1.

In artikel 4, lid 1, eerste alinea,

a)

zal de inleidende zin worden vervangen door:

„1.

Het kapitaal van de Bank bedraagt 164 795 737 000 EUR, waarin door de lidstaten voor de volgende bedragen wordt deelgenomen”. (3):

b)

Tussen de tekst voor Ierland en die voor Slowakije wordt het volgende ingevoegd:

„Roemenië

846 000 000”; en

c)

Tussen de tekst voor Slovenië en die voor Litouwen wordt het volgende ingevoegd:

„Bulgarije

296 000 000”.

2.

In artikel 9, lid 2, worden de eerste, tweede en derde alinea's, vervangen door:

„2.

De Raad van bewind bestaat uit achtentwintig bewindvoerders en achttien plaatsvervangers.

De bewindvoerders worden door de Raad van gouverneurs voor een periode van vijf jaar benoemd, waarbij iedere lidstaat een bewindvoerder aanwijst. Ook de Commissie wijst een bewindvoerder aan.

De plaatsvervangende bewindvoerders worden door de Raad van gouverneurs voor een periode van vijf jaar benoemd, en wel als volgt:

twee plaatsvervangers aangewezen door de Bondsrepubliek Duitsland,

twee plaatsvervangers aangewezen door de Franse Republiek,

twee plaatsvervangers aangewezen door de Italiaanse Republiek,

twee plaatsvervangers aangewezen door het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

een plaatsvervanger in onderlinge overeenstemming aangewezen door het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek,

een plaatsvervanger in onderlinge overeenstemming aangewezen door het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden,

twee plaatsvervangers in onderlinge overeenstemming aangewezen door het Koninkrijk Denemarken, de Helleense Republiek, Ierland en Roemenië,

twee plaatsvervangers in onderlinge overeenstemming aangewezen door de Republiek Estland, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden,

drie plaatsvervangers aangewezen in onderlinge overeenstemming door de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek,

een plaatsvervanger aangewezen door de Commissie.”.

Artikel 12

Artikel 134, lid 2, eerste alinea, van het EGA-Verdrag, betreffende de samenstelling van het Wetenschappelijk en Technisch Comité, wordt vervangen door:

„2.

Het Comité bestaat uit 41 leden, benoemd door de Raad na raadpleging van de Commissie.”.

TITEL II

ANDERE AANPASSINGEN

Artikel 13

De laatste zin van artikel III-157, lid 1, van de Grondwet wordt vervangen door:

„Voor beperkingen uit hoofde van nationaal recht in Bulgarije, Estland en Hongarije geldt als datum 31 december 1999.”.

Artikel 14

Artikel IV-440, lid 1, van de Grondwet wordt vervangen door:

„1.

Dit verdrag is van toepassing op het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.”.

Artikel 15

1.   Aan artikel IV-448, lid 1, van de Grondwet wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Krachtens het Toetredingsverdrag zijn de teksten van dit Verdrag in de Bulgaarse en de Roemeense taal eveneens gelijkelijk authentiek.”.

2.   Artikel 225, tweede alinea, van het EGA-Verdrag wordt vervangen door:

„De teksten van dit Verdrag in de Bulgaarse, de Tsjechische, de Deense, de Engelse, de Estse, de Finse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Slowaakse, de Sloveense, de Spaanse en de Zweedse taal zijn eveneens gelijkelijk authentiek.”.

DERDE DEEL

PERMANENTE BEPALINGEN

TITEL I

AANPASSINGEN VAN DE BESLUITEN VAN DE INSTELLINGEN

Artikel 16

Ten aanzien van de besluiten genoemd in bijlage III van dit Protocol vinden de aanpassingen plaats die in die bijlage worden omschreven.

Artikel 17

De ingevolge de toetreding noodzakelijke aanpassingen van de besluiten vermeld in de lijst in bijlage IV van dit Protocol, worden verricht overeenkomstig de in die bijlage vervatte richtsnoeren.

TITEL II

OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 18

De in bijlage V van dit Protocol opgesomde maatregelen worden toegepast op de in die bijlage bepaalde voorwaarden.

Artikel 19

Bij Europese wet van de Raad kunnen in de bepalingen van dit Protocol de aanpassingen betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid worden aangebracht die nodig kunnen blijken ten gevolge van een wijziging van het recht van de Unie. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

VIERDE DEEL

TIJDELIJKE BEPALINGEN

TITEL I

OVERGANGSMAATREGELEN

Artikel 20

De in de bijlagen VI en VII bij dit Protocol vermelde maatregelen zijn ten aanzien van Bulgarije en Roemenië van toepassing onder de daarin neergelegde voorwaarden.

TITEL II

INSTITUTIONELE BEPALINGEN

Artikel 21

1.   In artikel 1, lid 2, van het aan de Grondwet en het Euratom-Verdrag gehechte Protocol nr. 34 inzake de overgangsbepalingen betreffende de Instellingen en de organen van de Unie wordt de volgende alinea toegevoegd:

„In afwijking van het in artikel I-20, lid 2, van de Grondwet vastgestelde maximumaantal leden van het Europees Parlement, wordt het aantal leden van het Europees Parlement, om rekening te houden met de toetreding van Bulgarije en Roemenië, voor de periode vanaf de datum van toetreding tot de aanvang van de zittingsperiode 2009-2014 van het Europees Parlement verhoogd met het volgende aantal leden uit die landen :

Bulgarije

18

Roemenië

35”

2.   Vóór 31 december 2007 houden Bulgarije en Roemenië elk verkiezingen van het in lid 1 vastgestelde aantal leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, overeenkomstig het bepaalde in de Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen (4).

3.   Indien de verkiezingen worden gehouden na de datum van toetreding, dan worden in afwijking van artikel I-20, lid 3, van de Grondwet,; de leden van het Europees Parlement die de burgers van Bulgarije en Roemenië vertegenwoordigen voor de periode die van de datum van toetreding tot elk van de in lid 2 bedoelde verkiezingen loopt, door de parlementen van die staten aangewezen onder hun leden, volgens de door elk van deze staten vastgelegde procedure.

Artikel 22

1.   In artikel 2, lid 2, tweede alinea, van het aan de Grondwet en het Euratom-Verdrag gehechte Protocol nr. 34 inzake de overgangsbepalingen betreffende de Instellingen en de organen van de Unie wordt het volgende ingevoegd tussen de tekst voor België en die voor de Tsjechische Republiek:

„Bulgarije

10”,

en tussen de tekst voor Portugal en die voor Slovenië:

„Roemenië

14”.

2.   Artikel 2, lid 2, derde alinea, van het aan de Grondwet en het Euratom-Verdrag gehechte Protocol nr. 34 inzake de overgangsbepalingen betreffende de Instellingen en de organen van de Unie wordt vervangen door de volgende tekst:

„De beslissingen komen tot stand wanneer zij ten minste 255 stemmen hebben verkregen en de meerderheid van de leden voorstemt, indien zij krachtens de Grondwet op voorstel van de Commissie moeten worden genomen. In de overige gevallen komen de beslissingen tot stand wanneer zij ten minste 255 stemmen hebben verkregen en ten minste tweederde van de leden voorstemmen.”.

Artikel 23

In artikel 6 van het aan de Grondwet en het Euratom-Verdrag gehechte Protocol nr. 34 inzake de overgangsbepalingen betreffende de Instellingen en de organen van de Unie wordt het volgende ingevoegd tussen de tekst voor België en die voor de Tsjechische Republiek:

„Bulgarije

12”,

en tussen de tekst voor Portugal en die voor Slovenië:

„Roemenië

15”.

Artikel 24

In artikel 7 van het aan de Grondwet en het Euratom-Verdrag gehechte Protocol nr. 34 inzake de overgangsbepalingen betreffende de Instellingen en de organen van de Unie wordt het volgende ingevoegd tussen de tekst voor België en die voor de Tsjechische Republiek:

„Bulgarije

12”,

en tussen de tekst voor Portugal en die voor Slovenië:

„Roemenië

15”.

TITEL III

FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 25

 (5)

Bulgarije

14 800 000 EUR

Roemenië

42 300 000 EUR

Deze bijdragen worden gestort in acht gelijke termijnen die vervallen op 31 mei 2007, 31 mei 2008, 31 mei 2009, 30 november 2009, 31 mei 201030 november 2010, 31 mei 2011 en 30 november 2011.

 (5)

Bulgarije

0,181%

Roemenië

0,517%

3.   De in de leden lid 1 en 2 bedoelde stortingen worden door Bulgarije en Roemenië verricht in contanten in euro's, behoudens door de Raad van gouverneurs met eenparigheid van stemmen besloten afwijking.

Artikel 26

1.   Bulgarije en Roemenië betalen de volgende bijdragen aan het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal als bedoeld in Besluit 2002/234/EGKS van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 27 februari 2002 betreffende de financiële gevolgen van de beëindiging van het EGKS-Verdrag en betreffende het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal (6):

((miljoen euro - huidige prijzen)

Bulgarije

11,95

Roemenië

29,88

2009

:

15%

2010

:

20%

2011

:

30%

2012

:

35%.

Artikel 27

1.   Vanaf de datum van toetreding worden de aanbesteding, de contractsafsluiting, de uitvoering en de betaling met betrekking tot pretoetredingsmiddelen in het kader van het Phare-programma (7), het GS-programma in het kader van Phare (8) en de overgangsfaciliteit als bedoeld in artikel 31 beheerd door een uitvoeringsinstantie in Bulgarije en Roemenië.

Van de voorafgaande goedkeuring door de Commissie van de aanbesteding en het sluiten van de overeenkomst zal worden afgezien bij een besluit van de Commissie te dien einde, nadat er door de Commissie een erkenningsprocedure is toegepast en het versterkte gedecentraliseerde uitvoeringssysteem (EDIS) positief is beoordeeld overeenkomstig de criteria en de voorwaarden van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1266/1999 van de Raad van 21 juni 1999 betreffende de coördinatie van de bijstand aan de kandidaat-lidstaten in het kader van de pretoetredingsstrategie en houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 3906/89 (9), en in artikel 164 van Verordening betreffende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (10).

Indien het besluit van de Commissie om af te zien van voorafgaande goedkeuring niet is genomen vóór de toetreding, heeft dat tot gevolg dat overeenkomsten die zijn ondertekend tussen de toetredingsdatum en de datum waarop de Commissie haar besluit neemt, niet in aanmerking komen voor pretoetredingsbijstand.

Indien evenwel, bij wijze van uitzondering, het besluit van de Commissie om af te zien van voorafgaande goedkeuring pas na de toetredingsdatum kan worden genomen om redenen die niet kunnen worden toegeschreven aan de autoriteiten van Bulgarije of Roemenië, kan de Commissie in naar behoren gemotiveerde gevallen aanvaarden dat overeenkomsten die zijn gesloten tussen de toetredingsdatum en de datum van het besluit van de Commissie, in aanmerking komen voor pretoetredingsbijstand, en dat de uitvoering van de pretoetredingsbijstand nog gedurende een beperkte periode wordt voortgezet, op voorwaarde dat de Commissie vooraf haar goedkeuring verleent aan de aanbesteding en het sluiten van de overeenkomst.

2.   Financiële verplichtingen die vóór de toetreding in het kader van de in lid 1 bedoelde financiële pretoetredingsinstrumenten of na de toetreding in het kader van de overgangsfaciliteit als bedoeld in artikel 31 zijn aangegaan, met inbegrip van het sluiten en de registratie van de specifieke juridische verplichtingen die vervolgens zijn aangegaan en de betalingen die na de toetreding zijn verricht, blijven vallen onder de regels en voorschriften van de financiële instrumenten in het kader van de pretoetredingsbijstand en blijven ten laste van de desbetreffende begrotingshoofdstukken tot de betrokken programma's en projecten worden afgesloten. Desalniettemin worden na de toetreding ingeleide procedures inzake overheidsopdrachten uitgevoerd overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van de Unie.

3.   De laatste programmeringsperiode voor de in lid 1 bedoelde pretoetredingsbijstand valt samen met het laatste kalenderjaar dat aan de toetreding voorafgaat. Voor acties in het kader van deze programma's moet binnen de volgende twee jaar een overeenkomst worden gesloten. Er worden geen verlengingen toegestaan van de termijn voor het sluiten van de overeenkomsten. Bij wijze van uitzondering en in naar behoren gemotiveerde gevallen, is een beperkte verlenging van de termijnen voor de uitvoering van de overeenkomsten mogelijk.

Desalniettemin kunnen gedurende de eerste twee jaar na de toetreding pretoetredingsmiddelen worden vastgelegd ter dekking van administratieve kosten als omschreven in lid 4. Voor audit- en evaluatiekosten kunnen tot vijf jaar na de toetreding pretoetredingsmiddelen worden vastgelegd.

4.   Om te zorgen voor de noodzakelijke geleidelijke beëindiging van de in lid 1 bedoelde financiële instrumenten voor de pretoetredingsbijstand en van het ISPA-programma (11), kan de Commissie alle passende maatregelen treffen om in Bulgarije en Roemenië het nodige statutaire personeel te handhaven gedurende een periode van maximaal negentien maanden na de toetreding. Tijdens die periode genieten de ambtenaren, het tijdelijk personeel en de arbeidscontractanten die voor de toetreding in Bulgarije en Roemenië gedetacheerd waren en die in die staten in dienst moeten blijven na de toetreding, bij wijze van uitzondering dezelfde financiële en materiële voorwaarden als die welke door de Commissie vóór de toetreding werden toegepast overeenkomstig het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Gemeenschappen zoals die zijn vastgesteld bij Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 (12). De administratieve uitgaven, met inbegrip van de salarissen van andere personeelsleden, worden gefinancierd uit de begrotingspost „Stapsgewijze vermindering van de pretoetredingssteun voor nieuwe lidstaten” of overeenkomstige begrotingsposten in het kader van het passende beleidsonderdeel van de algemene begroting van de Europese Unie dat betrekking heeft op de uitbreiding.

Artikel 28

1.   Maatregelen waarop op de datum van toetreding van Bulgarije en Roemenië een besluit inzake bijstand uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1267/1999 van de Raad tot instelling van een pretoetredingsinstrument voor structuurbeleid van toepassing is en die op die datum nog niet volledig zijn uitgevoerd, worden geacht uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1164/94 van de Raad van 16 mei 1994 tot oprichting van een Cohesiefonds (13) door de Commissie te zijn goedgekeurd. De bedragen die nog moeten worden vastgesteld met het oog op de uitvoering van bedoelde maatregelen, worden uit hoofde van de op de toetredingsdatum geldende verordening inzake het Cohesiefonds vastgesteld en toegewezen aan het met deze verordening overeenstemmende hoofdstuk van de algemene begroting van de Europese Unie. Tenzij in de leden 2 tot en met 5 wordt voorzien in een andere regeling, zijn de bepalingen betreffende de uitvoering van maatregelen die zijn goedgekeurd uit hoofde van de laatstgenoemde verordening van toepassing op die maatregelen.

2.   Elke procedure met betrekking tot een overheidsopdracht in verband met een in lid 1 bedoelde maatregel waarvoor op de datum van toetreding al een uitnodiging tot inschrijving is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, wordt uitgevoerd overeenkomstig de in die uitnodiging tot inschrijving vastgestelde voorschriften. Het bepaalde in artikel 165 van het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen is evenwel niet van toepassing. Elke procedure voor het plaatsen van opdrachten in verband met een in lid 1 bedoelde maatregel waarvoor nog geen uitnodiging tot inschrijving is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van de Grondwet, de krachtens de Grondwet aangenomen besluiten en de beleidsmaatregelen van de Unie, met inbegrip van die welke betrekking hebben op milieubescherming, vervoer, trans-Europese netwerken, mededinging en het gunnen van overheidsopdrachten.

3.   De betalingen die door de Commissie worden verricht uit hoofde van een in lid 1 bedoelde maatregel, worden gekoppeld aan de vroegste openstaande betalingsverplichting die in eerste instantie is uitgevoerd krachtens Verordening (EG) nr. 1267/1999 en vervolgens krachtens de op dat ogenblik geldende verordening inzake het Cohesiefonds.

4.   De voorschriften betreffende het in aanmerking nemen van uitgaven uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1267/1999 blijven van toepassing op de in lid 1 bedoelde maatregelen, uitgezonderd in naar behoren gemotiveerde gevallen waarover door de Commissie op verzoek van de betrokken lidstaat een besluit wordt genomen.

5.   De Commissie kan, in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen, voor de in lid 1 bedoelde maatregelen specifieke afwijkingen toestaan van de voorschriften die van toepassing zijn uit hoofde van de op de toetredingsdatum geldende verordening inzake het Cohesiefonds.

Artikel 29

Wanneer de periode voor meerjarenvastleggingen in het kader van het SAPARD-programma (14) met betrekking tot de bebossing van bouwland, steun voor de oprichting van producentengroeperingen of milieuprogramma's voor de landbouw de toegestane uiterste datum voor betalingen in het kader van SAPARD overschrijdt, worden de uitstaande vaststellingen voldaan binnen het programma voor plattelandsontwikkeling voor de periode 2007-2013. Indien in dit verband specifieke overgangsmaatregelen nodig zijn, worden deze vastgesteld volgens de procedure van artikel 50, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen (15).

Artikel 30

1.   Bulgarije, dat, zoals toegezegd, eenheid 1 en eenheid 2 van de kerncentrale van Kozloduy voor 2003 definitief gesloten heeft, om die vervolgens te ontmantelen, zegt toe eenheid 3 en eenheid 4 van deze centrale in 2006 definitief te zullen sluiten en vervolgens te zullen ontmantelen.

2.   In de periode 2007-2009 zal de Gemeenschap Bulgarije financiële steun verlenen ter ondersteuning van de ontmantelingswerkzaamheden en van de inspanningen om de gevolgen van de sluiting en ontmanteling van de eenheden 1 tot en met 4 van de kerncentrale in Kozloduy te ondervangen.

De steun omvat onder meer het volgende: maatregelen ter ondersteuning van de ontmanteling van de eenheden 1 tot en met 4 van de kerncentrale van Kozloduy; maatregelen voor aanpassing aan de milieu-eisen, overeenkomstig het acquis, voor modernisering van de conventionele sectoren voor de productie, het transport en de distributie van energie in Bulgarije, en maatregelen voor de verbetering van de energie-efficiëntie, de bevordering van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en de verbetering van de energievoorzieningszekerheid.

Voor de periode 2007-2009 zal de steun 210 miljoen EUR (prijzen van 2004) aan vastleggingskredieten belopen, vast te leggen in gelijke bedragen van 70 miljoen EUR per jaar (prijzen van 2004).

De steun (of delen daarvan) kan beschikbaar worden gesteld als een bijdrage van de Gemeenschap aan het Internationale steunfonds voor de ontmanteling van Kozloduy, dat beheerd wordt door de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling.

3.   De Commissie kan voorschriften voor de uitvoering van de in lid 2 bedoelde steunverlening vaststellen, overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (16). Daartoe wordt de Commissie bijgestaan door een comité. De artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EC zijn van toepassing. De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn bedraagt zes weken. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 31

1.   Voor het eerste jaar na de toetreding verstrekt de Unie tijdelijke financiële bijstand, hierna de „overgangsfaciliteit” genoemd, aan Bulgarije en Roemenië voor de ontwikkeling en versterking van hun administratieve en justitiële capaciteit om het Unierecht uit te voeren en te handhaven, en de uitwisseling van beste praktijken tussen overeenkomstige instanties in verschillende landen te bevorderen. Uit deze bijstand zullen projecten voor institutionele ontwikkeling en daarmee samenhangende beperkte, kleinschalige investeringen worden gefinancierd.

2.   Deze bijstand is gericht op de permanente noodzaak om de institutionele capaciteit op bepaalde terreinen te versterken door een optreden dat niet door de structuurfondsen of het Fonds voor plattelandsontwikkeling kan worden gefinancierd.

3.   Voor samenwerkingsverbanden tussen overheidsinstanties met het oog op institutionele ontwikkeling blijft de procedure met betrekking tot het doen van voorstellen via het netwerk van contactpunten in de lidstaten van toepassing; deze procedure is vastgelegd in de kaderovereenkomsten met de lidstaten met betrekking tot de pretoetredingssteun.

De vastleggingskredieten voor de overgangsfaciliteit voor Bulgarije en Roemenië bedragen, tegen de prijzen van 2004, 82 miljoen euro in het eerste jaar na de toetreding en zijn bestemd voor nationale en horizontale prioriteiten. De kredieten worden door de begrotingsautoriteit toegestaan binnen de grenzen van de financiële vooruitzichten

4.   Over de bijstand uit hoofde van de overgangsfaciliteit wordt besloten en de uitvoering ervan wordt bepaald overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 3906/89 van de Raad betreffende economische hulp ten gunste van bepaalde landen van Midden- en Oost-Europa.

Artikel 32

1.   Hierbij wordt een cashflow- en Schengenfaciliteit als tijdelijk instrument ingesteld om Bulgarije en Roemenië vanaf de datum van toetreding tot eind 2009 te helpen bij de financiering van acties aan de nieuwe buitengrenzen van de Unie met het oog op de uitvoering van het Schengenacquis en de controle aan de buitengrenzen en bij de verbetering van de cashflow in hun nationale begroting.

2.   Voor de periode 2007-2009 worden de volgende bedragen (prijzen van 2004) voor Bulgarije en Roemenië beschikbaar gesteld in de vorm van forfaitaire betalingen in het kader van de tijdelijke cashflow- en Schengenfaciliteit:

((miljoen euro - prijzen van 2004)

 

2007

2008

2009

Bulgarije

121,8

59,1

58,6

Roemenië

297,2

131,8

130,8

3.   Ten minste 50 % van de aan ieder land in het kader van de tijdelijke cashflow- en Schengenfaciliteit toegewezen middelen moet worden gebruikt om Bulgarije en Roemenië te steunen bij hun verplichting om maatregelen aan de nieuwe buitengrenzen van de Unie voor de uitvoering van het Schengenacquis en ter controle van de buitengrenzen te financieren.

4.   Een twaalfde van elk jaarlijks bedrag wordt op de eerste werkdag van elke maand in het betreffende jaar aan Bulgarije en Roemenië uitbetaald. De forfaitaire steunbetalingen worden binnen drie jaar na de eerste betaling gebruikt. Bulgarije en Roemenië dienen, uiterlijk zes maanden na deze termijn van drie jaar, een overzichtsverslag in over de wijze waarop de forfaitaire steunbetalingen uit hoofde van het Schengengedeelte van de faciliteit zijn gebruikt, met een verklaring waarin de uitgaven worden gerechtvaardigd. Eventuele ongebruikte of onterecht uitgegeven middelen worden teruggevorderd door de Commissie.

5.   De Commissie kan de voor de werking van de tijdelijke cashflow- en Schengenfaciliteit noodzakelijke technische bepalingen aannemen.

Artikel 33

1.   Zonder vooruit te lopen op toekomstige beleidsbeslissingen zijn de totale vastleggingskredieten voor structurele maatregelen die voor de periode van drie jaar (2007-2009) ter beschikking van Bulgarije en Roemenië moeten worden gesteld, de volgende:

(miljoen euro - prijzen van 2004)

 

2007

2008

2009

Bulgarije

539

759

1 002

Roemenië

1 399

1 972

2 603

2.   In de periode van drie jaar (2007-2009) zullen de reikwijdte en de aard van de maatregelen binnen de voor deze landen vastgestelde toewijzingen worden bepaald aan de hand van de dan op de uitgaven voor structurele maatregelen toepasselijke bepalingen.

Artikel 34

1.   Naast de op de datum van toetreding van kracht zijnde verordeningen betreffende plattelandsontwikkeling zijn de bepalingen van de Afdelingen I tot en met III van Bijlage VIII tijdens de periode 2007-2009 van toepassing op Bulgarije en Roemenië, en zijn de specifieke financiële bepalingen van Afdeling IV van bijlage VIII gedurende de volledige programmeerperiode 2007‐2013 van toepassing op Bulgarije en Roemenië.

2.   Zonder vooruit te lopen op toekomstige beleidsbeslissingen zullen de vastleggingskredieten uit de Afdeling Garantie van het EOGFL voor plattelandsontwikkeling voor Bulgarije en Roemenië voor de driejarige periode 2007-2009 3041 miljoen euro (prijzen van 2004) bedragen.

3.   Indien nodig, worden voor de toepassing van bijlage VIII uitvoeringsbepalingen aangenomen overeenkomstig de procedure van artikel 50, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1260/1999.

4.   Indien nodig past de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, bijlage VIII aan, teneinde voor samenhang met de verordeningen betreffende plattelandsontwikkeling te zorgen.

Artikel 35

De in de artikelen 30, 31, 32, 33 en 34 bedoelde bedragen worden ieder jaar door de Commissie aan de bewegingen van de prijzen aangepast in het kader van de jaarlijkse technische aanpassingen van de financiële vooruitzichten.

TITEL IV

OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 36

1.   Indien zich voor het einde van een periode van ten hoogste drie jaar na de toetreding ernstige en mogelijk aanhoudende moeilijkheden voordoen in een sector van het economische leven, dan wel moeilijkheden die de economische toestand van een bepaalde streek ernstig kunnen verstoren, kan Bulgarije of Roemenië machtiging vragen om beschermingsmaatregelen te nemen, zodat de toestand weer in evenwicht kan worden gebracht en de betrokken sector kan worden aangepast aan de economie van de interne markt.

Onder dezelfde voorwaarden kan een van de huidige lidstaten verzoeken gemachtigd te worden beschermingsmaatregelen te nemen ten opzichte van Bulgarije, Roemenië of beide.

2.   Op verzoek van de betrokken staat neemt de Commissie door middel van een spoedprocedure de Europese verordeningen of beschikkingen aan tot vaststelling van de beschermingsmaatregelen welke zij noodzakelijk acht, waarbij zij de voorwaarden en praktische regels voor de toepassing ervan aangeeft.

In geval van ernstige economische moeilijkheden spreekt de Commissie zich op uitdrukkelijk verzoek van de betrokken lidstaat uit binnen een termijn van vijf werkdagen na de ontvangst van het met redenen omkleed verzoek. De aldus getroffen maatregelen zijn onmiddellijk van toepassing, houden rekening met de belangen van alle betrokken partijen en leiden niet tot grenscontroles.

3.   De overeenkomstig lid 2 toegestane maatregelen kunnen afwijkingen van de regels van de Grondwet en met name van dit Protocol inhouden, voorzover en voor zolang zij strikt noodzakelijk zijn om de in lid 1 bedoelde doelstellingen te verwezenlijken. Bij voorrang moeten die maatregelen worden gekozen die de werking van de interne markt het minst verstoren.

Artikel 37

Bij niet-naleving door Bulgarije of Roemenië van in het kader van de toetredingsonderhandelingen aangegane verbintenissen waardoor de werking van de interne markt ernstig wordt verstoord, met inbegrip van verbintenissen inzake sectoraal beleid betreffende economische activiteiten met grensoverschrijdende gevolgen, of bij onmiddellijke dreiging van een dergelijke verstoring, kan de Commissie tot aan het einde van een periode van ten hoogste drie jaar na de toetreding op een met redenen omkleed verzoek van een lidstaat dan wel op eigen initiatief Europese verordeningen of beschikkingen aannemen tot vaststelling van passende maatregelen.

Deze maatregelen moeten evenredig zijn en er moet voorrang worden gegeven aan maatregelen die de werking van de interne markt het minst verstoren en, in voorkomend geval, aan de toepassing van de bestaande sectorale vrijwaringsmechanismen. Deze vrijwaringsmaatregelen mogen echter niet worden gebruikt als middel tot willekeurige discriminatie, noch als verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten. Op een vrijwaringsclausule kan zelfs vóór de toetreding een beroep gedaan worden op basis van de bevindingen van het toezicht, en de genomen maatregelen worden vanaf de eerste dag van toetreding van kracht, tenzij bij deze maatregelen in een latere datum is voorzien. De maatregelen worden niet langer gehandhaafd dan strikt noodzakelijk is en zij worden in elk geval ingetrokken wanneer de betrokken verplichting is nagekomen. Zij kunnen evenwel tot na de in de eerste alinea bedoelde periode worden toegepast indien de betrokken verplichtingen niet zijn nagekomen. In antwoord op de vooruitgang die door de betrokken nieuwe lidstaat bij het nakomen van zijn verplichtingen is geboekt, kan de Commissie in voorkomend geval de maatregelen aanpassen. De Commissie stelt de Raad tijdig in kennis alvorens zij de Europese verordeningen en beschikkingen tot vaststelling van de vrijwaringsmaatregelen intrekt, en zij houdt terdege rekening met de desbetreffende opmerkingen van de Raad.

Artikel 38

Indien er zich in Bulgarije of Roemenië ernstige tekortkomingen of directe risico's op dergelijke tekortkomingen voordoen bij de omzetting, de stand van de uitvoering of de toepassing van de kaderbesluiten of andere ter zake doende verbintenissen, samenwerkingsinstrumenten en besluiten betreffende wederzijdse erkenning in strafzaken uit hoofde van Titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie en richtlijnen en verordeningen inzake wederzijdse erkenning in burgerlijke zaken uit hoofde van Titel IV van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Europese wetten en kaderwetten die zijn aangenomen op basis van afdeling 3 en 4 van hoofdstuk IV van Titel III van Deel III van de Grondwet, kan de Commissie tot aan het einde van een periode van ten hoogste drie jaar na de datum van toetreding op een met redenen omkleed verzoek van een lidstaat dan wel op eigen initiatief en na overleg met de lidstaten Europese verordeningen of beschikkingen tot vaststelling van passende maatregelen aannemen, waarbij zij de voorwaarden en praktische regels voor de toepassing ervan aangeeft.

Deze maatregelen kunnen de vorm aannemen van een tijdelijke schorsing van de toepassing van de betrokken bepalingen en besluiten in de betrekkingen tussen Bulgarije of Roemenië en gelijk welke andere lidstaat of lidstaten, zonder afbreuk te doen aan de verdere nauwe justitiële samenwerking. Op een vrijwaringsclausule kan zelfs vóór de toetreding een beroep gedaan worden op basis van de bevindingen van het toezicht, en de genomen maatregelen worden vanaf de eerste dag van toetreding van kracht, tenzij bij deze maatregelen in een latere datum is voorzien. De maatregelen worden niet langer gehandhaafd dan strikt noodzakelijk is en zij worden in elk geval ingetrokken wanneer de betrokken tekortkomingen zijn verholpen. Zij kunnen evenwel tot na de in de eerste alinea bedoelde periode worden toegepast zo lang de betrokken tekortkomingen blijven bestaan. In antwoord op de vooruitgang die door de betrokken nieuwe lidstaat bij het verhelpen van de aangegeven tekortkomingen is geboekt, kan de Commissie in voorkomend geval de maatregelen aanpassen na overleg met de lidstaten. De Commissie stelt de Raad tijdig in kennis alvorens zij de Europese verordeningen en beschikkingen tot vaststelling van de vrijwaringsmaatregelen intrekt, en zij houdt terdege rekening met de desbetreffende opmerkingen van de Raad.

Artikel 39

1.   Indien op basis van de voortdurende monitoring door de Commissie van de door Bulgarije en Roemenië in het kader van de toetredingsonderhandelingen aangegane verbintenissen en met name de monitoringverslagen van de Commissie, duidelijk blijkt dat de stand van voorbereiding voor de aanneming en uitvoering van het acquis in Bulgarije of Roemenië zodanig is dat er een ernstig gevaar bestaat dat één van beide staten op een aantal belangrijke gebieden klaarblijkelijk niet gereed is om voor de datum van toetreding van 1 januari 2007 te voldoen aan de voorwaarden voor lidmaatschap, kan de Raad, met eenparigheid van stemmen op basis van een aanbeveling van de Commissie, besluiten dat de datum van toetreding van die staat met één jaar wordt uitgesteld tot 1 januari 2008.

2.   Niettegenstaande lid 1 kan de Raad op basis van een aanbeveling van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen het in lid 1 bedoelde besluit nemen ten aanzien van Roemenië, indien ernstige tekortkomingen zijn vastgesteld bij de nakoming door Roemenië van één of meer van de in bijlage IX, punt I, opgesomde verplichtingen en vereisten.

3.   Niettegenstaande lid 1 en onverminderd artikel 37, kan de Raad, op basis van een aanbeveling van de Commissie en na een grondige, in het najaar van 2005 te verrichten beoordeling van de door Roemenië geboekte vooruitgang op het gebied van het mededingingsbeleid, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen het in lid 1 bedoelde besluit nemen ten aanzien van Roemenië, indien ernstige tekortkomingen zijn vastgesteld bij de nakoming door Roemenië van de verplichtingen in het kader van de Europa-overeenkomst (17) of van één of meer van de in bijlage IX, punt II, opgesomde verplichtingen en vereisten.

4.   Ingeval een besluit is genomen uit hoofde van de leden 1, 2 of 3, besluit de Raad onmiddellijk met gekwalificeerde meerderheid van stemmen over de aanpassingen aan dit Protocol en zijn bijlagen en aanhangsels die door het besluit tot uitstel noodzakelijk zijn geworden.

Artikel 40

Teneinde de goede werking van de interne markt niet te verstoren mag de tenuitvoerlegging van de nationale voorschriften van Bulgarije en Roemenië gedurende de in de bijlagen VI en VII bedoelde overgangsperioden niet leiden tot grenscontroles tussen de lidstaten.

Artikel 41

Indien overgangsmaatregelen nodig zijn ter vergemakkelijking van de overgang van de in Bulgarije en Roemenië bestaande regeling naar die welke voortvloeit uit de toepassing van het gemeenschappelijk landbouwbeleid overeenkomstig het bepaalde in dit Protocol, worden deze maatregelen door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 25, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening van de graanmarkt (18) of, naar gelang van het geval, van de desbetreffende artikelen van de andere verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten, of van de Europese wetten waarbij deze worden vervangen of volgens de desbetreffende procedure van de toepasselijke wetgeving. De in dit artikel bedoelde overgangsmaatregelen kunnen worden vastgesteld gedurende een tijdvak dat drie jaar na de datum van toetreding verstrijkt; de toepassing ervan is beperkt tot dat tijdvak. Dit tijdvak kan bij een Europese wet van de Raad worden verlengd. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

De overgangsmaatregelen die betrekking hebben op de toepassing van ingevolge de toetreding vereiste, maar niet in dit Protocol gespecificeerde instrumenten betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid, worden vóór de datum van toetreding vastgesteld bij door de Raad op voorstel van de Commissie aangenomen verordeningen of besluiten of, indien die maatregelen gevolgen hebben voor oorspronkelijk door de Commissie aangenomen instrumenten, bij Europese verordeningen of beschikkingen die door de Commissie worden aangenomen volgens de voor de aanneming van die instrumenten vereiste procedure.

Artikel 42

Indien er overgangsmaatregelen nodig zijn om de overgang te vergemakkelijken van de in Bulgarije en Roemenië bestaande regeling naar de regeling die voortvloeit uit de toepassing van de veterinaire en fytosanitaire wetgeving en de wetgeving inzake voedselveiligheid van de Unie, dienen deze maatregelen door de Commissie te worden aangenomen volgens de in de toepasselijke wetgeving vastgestelde procedure. Deze maatregelen worden genomen gedurende een tijdvak dat drie jaar na de datum van toetreding verstrijkt; de toepassing ervan is beperkt tot dat tijdvak.

VIJFDE DEEL

BEPALINGEN BETREFFENDE DE TENUITVOERLEGGING VAN DIT PROTOCOL

TITEL I

HET IN WERKING STELLEN VAN DE INSTELLINGEN EN ORGANEN

Artikel 43

Het Europees Parlement brengt in zijn Reglement de aanpassingen aan die door de toetreding noodzakelijk zijn geworden.

Artikel 44

De Raad brengt in zijn Reglement van Orde de aanpassingen aan die door de toetreding noodzakelijk zijn geworden.

Artikel 45

Op de datum van toetreding wordt van elke nieuwe lidstaat een onderdaan benoemd tot lid van de Commissie. De nieuwe leden van de Commissie worden, na raadpleging van het Europees Parlement en conform de criteria van artikel I-26, lid 4, van de Grondwet, in overeenstemming met de voorzitter van de Commissie door de Raad benoemd.

De ambtstermijn van de aldus benoemde leden eindigt tegelijk met die van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Artikel 46

1.   Bij het Hof van Justitie en bij het Gerecht worden elk twee rechters benoemd.

2.   De ambtstermijn van één van de overeenkomstig lid 1 benoemde rechters bij het Hof van Justitie loopt af op 6 oktober 2009. Deze rechter wordt door het lot aangewezen. De ambtstermijn van de andere rechter loopt af op 6 oktober 2012.

De ambtstermijn van één van de in lid 1 bedoelde rechters bij het Gerecht loopt af op 31 augustus 2007. Deze rechter wordt door het lot aangewezen. De ambtstermijn van de andere rechter loopt af op 31 augustus 2010.

3.   Het Hof van Justitie brengt in zijn reglement voor de procesvoering de aanpassingen aan die door de toetreding noodzakelijk zijn geworden.

Het Gerecht brengt in overeenstemming met het Hof van Justitie in zijn reglement voor de procesvoering de aanpassingen aan die door de toetreding noodzakelijk zijn geworden.

Het aldus aangepaste reglement voor de procesvoering moet door de Raad worden goedgekeurd.

4.   Voor het wijzen van het vonnis in zaken die op de datum van toetreding bij het Hof of het Gerecht aanhangig zijn en waarvoor de mondelinge procedure vóór deze datum is geopend, komen het Hof en het Gerecht in voltallige zitting of de Kamers bijeen in de samenstelling van voor de toetreding, en passen zij het reglement voor de procesvoering toe zoals dit op de dag voor de toetredingsdatum gold.

Artikel 47

Vanaf de datum van toetreding wordt van elke nieuwe lidstaat een onderdaan bij de Rekenkamer benoemd voor een ambtstermijn van zes jaar.

Artikel 48

Het Comité van de Regio's wordt aangevuld door de benoeming van 27 leden die een regionaal of lokaal lichaam uit Bulgarije en Roemenië vertegenwoordigen, en die ofwel in een regionaal of lokaal lichaam gekozen zijn, ofwel politiek verantwoording schuldig zijn aan een gekozen vergadering. De ambtstermijn van de aldus benoemde leden eindigt tegelijk met die van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Artikel 49

Het Economisch en Sociaal Comité wordt aangevuld door de benoeming van 27 leden die de verschillende economische en sociale componenten van de georganiseerde civiele samenleving in Bulgarije en Roemenië vertegenwoordigen. De ambtstermijn van de aldus benoemde leden eindigt tegelijk met die van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Artikel 50

De door de toetreding noodzakelijk geworden aanpassingen van de statuten en van de reglementen van orde van de bij de Grondwet ingestelde comités geschieden zo spoedig mogelijk na de toetreding.

Artikel 51

1.   Nieuwe leden van de bij de Grondwet of bij een besluit van de Instellingen opgerichte comités, groepen en andere organen worden benoemd op de voorwaarden en volgens de procedures waarin is voorzien voor de benoeming van de leden van deze comités, groepen en andere organen. De ambtstermijn van de nieuw benoemde leden eindigt tegelijk met die van de leden die op het tijdstip van toetreding al in functie zijn.

2.   De bij de Grondwet of bij een besluit van de Instellingen opgerichte comités en groepen met een aantal leden dat is vastgesteld ongeacht het aantal lidstaten, worden bij de toetreding volledig vernieuwd, tenzij de ambtstermijn van de zittende leden binnen een jaar na de toetreding verstrijkt.

TITEL II

TOEPASSING VAN DE BESLUITEN VAN DE INSTELLINGEN

Artikel 52

Vanaf het tijdstip van toetreding wordt ervan uitgegaan dat de Europese kaderwetten, verordeningen en besluiten in de zin van artikel I-33 van de Grondwet, en de richtlijnen en beschikkingen in de zin van artikel 249 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en van artikel 161 van het Euratom-Verdrag, eveneens tot Bulgarije en Roemenië zijn gericht, voorzover deze Europese kaderwetten, verordeningen en besluiten en deze richtlijnen en beschikkingen tot alle huidige lidstaten zijn gericht. Behoudens wat betreft Europese besluiten die in werking treden overeenkomstig artikel I‐39, lid 2, van de Grondwet, en richtlijnen en beschikkingen die in werking zijn getreden overeenkomstig artikel 254, leden 1 en 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, wordt ervan uitgegaan dat van deze Europese besluiten en deze richtlijnen en beschikkingen aan Bulgarije en Roemenië kennis is gegeven bij de toetreding.

Artikel 53

1.   Bulgarije en Roemenië stellen de maatregelen in werking die nodig zijn om vanaf het tijdstip van toetreding uitvoering te geven aan de Europese kaderwetten en de Europese verordeningen die verbindend zijn ten aanzien van het te bereiken resultaat, doch aan de nationale instanties de bevoegdheid laten vorm en middelen te kiezen in de zin van artikel I-33 van de Grondwet, en aan de richtlijnen en beschikkingen in de zin van artikel 249 van het Verdrag en van artikel 161 van het Euratom-Verdrag, tenzij in dit protocol een andere termijn is vastgesteld. Zij delen deze maatregelen uiterlijk op de datum van toetreding of, in voorkomend geval, voor de in dit protocol vastgestelde termijn, aan de Commissie mee.

2.   Voorzover wijzigingen die bij dit protocol in richtlijnen in de zin van artikel 249 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en artikel 161 van het Euratom-Verdrag worden aangebracht, een wijziging van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de huidige lidstaten vereisen, stellen de huidige lidstaten de maatregelen in werking die nodig zijn om vanaf het tijdstip van toetreding uitvoering te geven aan de gewijzigde richtlijnen, tenzij in dit protocol een andere termijn is vastgesteld. Zij delen deze maatregelen op de datum van toetreding of, indien later, vóór de in dit protocol vastgestelde termijn, aan de Commissie mee.

Artikel 54

De wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen voor de bescherming van de gezondheid van de werknemers en van de bevolking op het grondgebied van Bulgarije en Roemenië tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren worden overeenkomstig artikel 33 van het Euratom-Verdrag, door deze Staten aan de Commissie medegedeeld binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de toetreding.

Artikel 55

Op een met redenen omkleed verzoek van Bulgarije of Roemenië, dat uiterlijk op de datum van toetreding aan de Commissie wordt voorgelegd, kan de Raad op voorstel van de Commissie, of de Commissie, indien het oorspronkelijke besluit door de Commissie is genomen, Europese verordeningen of besluiten aannemen inzake tijdelijke afwijkingen van tussen 1 oktober 2004 en de datum van toetreding door de Instellingen genomen besluiten. De maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig de stemregels die gelden voor de aanneming van het besluit waarvan om een tijdelijke afwijking wordt verzocht. Wanneer deze afwijkingen na de toetreding worden vastgesteld, mogen zij vanaf de datum van toetreding worden toegepast.

Artikel 56

Wanneer besluiten die vóór de toetreding door de Instellingen zijn genomen, ingevolge de toetreding moeten worden aangepast, en dit protocol of de bijlagen niet in de nodige aanpassingen voorzien, neemt de Raad op voorstel van de Commissie, of de Commissie, indien het oorspronkelijke besluit door de Commissie is genomen, de nodige besluiten daartoe. Wanneer deze aanpassingen na de toetreding worden vastgesteld, mogen zij vanaf de datum van toetreding worden toegepast.

Artikel 57

Tenzij anders bepaald, stelt de Raad op voorstel van de Commissie de Europese verordeningen of besluiten vast die de nodige maatregelen behelzen om uitvoering te geven aan de bepalingen van dit protocol.

Artikel 58

De vóór de toetreding door de Raad, de Commissie of de Europese Centrale Bank aangenomen teksten van de besluiten van de Instellingen die in de Bulgaarse en de Roemeense taal zijn opgesteld, zijn vanaf het tijdstip van toetreding op gelijke wijze authentiek als de in de huidige officiële talen opgestelde teksten. Zij worden in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt, indien de teksten in de huidige talen aldus zijn bekendgemaakt.

TITEL III

SLOTBEPALINGEN

Artikel 59

Bijlagen I tot en met IX en de aanhangsels daarvan maken een integrerend onderdeel uit van dit protocol.

Artikel 60

De Regering van de Italiaanse Republiek zendt aan de Regeringen van de Republiek Bulgarije en Roemenië een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift in de Tsjechische, de Deense, de Nederlandse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Duitse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Poolse, de Portugese, de Slowaakse, de Sloveense, de Spaanse en de Zweedse taal toe van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Verdragen tot wijziging of aanvulling daarvan.

De tekst van dat Verdrag, opgesteld in de Bulgaarse en de Roemeense taal, wordt aan dit protocol gehecht. Deze teksten zijn op gelijke wijze authentiek als de teksten van het in de eerste alinea genoemde Verdrag die zijn opgesteld in de huidige talen.

Artikel 61

De secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie zal een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de internationale overeenkomsten die zijn nedergelegd in het archief van het secretariaat-generaal, aan de Regeringen van Bulgarije en Roemenië toezenden.


(1)  PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(2)  PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.

(3)  De voor Bulgarije en Roemenië vermelde cijfers zijn indicatief en zijn gebaseerd op de voor 2003 door Eurostat gepubliceerde gegevens.

(4)  PB L 278 van 8.10.1976, blz. 5. Akte laatstelijk gewijzigd bij Besluit 2002/772/EG, Euratom van de Raad (PB L 283 van 21.10.2002, blz. 1).

(5)  De vermelde getallen zijn indicatief en zijn gebaseerd op de voor 2003 door Eurostat gepubliceerde gegevens.

(6)  PB L 79 van 22.3.2002, blz. 42.

(7)  Verordening (EEG) nr. 3906/89 van de Raad van 18 december 1989 betreffende economische hulp ten gunste van bepaalde landen in Midden- en Oost-Europa (PB L 375 van 23.12.1989, blz. 11). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 769/2004 (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 1).

(8)  Verordening (EG) nr. 2760/98 van de Commissie van 18 december 1998 betreffende de tenuitvoerlegging van een programma voor grensoverschrijdende samenwerking in het kader van het Phare-programma (PB L 345 van 19.12.1998, blz. 49). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1822/2003 van de Commissie (PB L 267 van 17.10.2003, blz. 9).

(9)  PB L 161 van 26.6.1999, blz. 68.

(10)  Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25.6.2002 (PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1).

(11)  Verordening (EG) nr. 1267/1999 van de Raad van 21.6.1999 tot instelling van een pretoetredingsinstrument voor structuurbeleid (PB L 161 van 26.6.1999, blz. 73). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 769/2004 van de Raad (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 1).

(12)  PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 (PB L 124 van 27.4.2004, blz. 1).

(13)  PB L 130 van 25.5.1994, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij de Akte van Toetreding van 2003 (PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33).

(14)  Verordening (EG) nr. 1268/1999 van de Raad van 21.6.1999 inzake steunverlening door de Gemeenschap voor pretoetredingsmaatregelen op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling in de kandidaat-lidstaten in Midden- en Oost-Europa gedurende de pretoetredingsperiode (PB L 161 van 26.6.1999, blz. 87). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2008/2004 van de Raad (PB L 349 van 25.11.2004, blz. 12).

(15)  PB L 161 van 26.6.1999, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij de akte van Toetreding van 2003 (PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33).

(16)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(17)  Europa-overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Roemenië, anderzijds (PB L 357 van 31.12.1994, blz. 2).

(18)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78.


BIJLAGE I

Lijst van verdragen, overeenkomsten en protocollen waartoe Bulgarije en Roemenië bij toetreding toetreden (als bedoeld in artikel 3, lid 3, van het Protocol)

1.

Verdrag van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (PB L 266 van 9.10.1980, blz. 1)

Verdrag van 10 april 1984 inzake de toetreding van de Helleense Republiek tot het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (PB L 146 van 31.5.1984, blz. 1)

Eerste Protocol van 19 december 1988 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, voor ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (PB L 48 van 20.2.1989, blz. 1)

Tweede Protocol van 19 december 1988 waarbij aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bepaalde bevoegdheden worden toegekend inzake de uitlegging van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (PB L 48 van 20.2.1989, blz. 17)

Verdrag van 18 mei 1992 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (PB L 333 van 18.11.1992, blz. 1)

Verdrag van 29 november 1996 betreffende de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden tot het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980, en tot het Eerste en het Tweede Protocol betreffende de uitlegging ervan door het Hof van Justitie (PB C 15 van 15.1.1997, blz. 10)

2.

Verdrag van 23 juli 1990 ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen (PB L 225 van 20.8.1990, blz. 10)

Verdrag van 21 december 1995 betreffende de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden tot het Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen (PB C 26 van 31.1.1996, blz. 1)

Protocol van 25 mei 1999 tot wijziging van het Verdrag van 23 juli 1990 ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen (PB L 202 van 16.7.1999, blz. 1)

3.

Overeenkomst van 26 juli 1995, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB C 316 van 27.11.1995, blz. 49)

Protocol van 27 september 1996, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie bij de Overeenkomst, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB C 313 van 23.10.1996, blz. 2)

Protocol van 29 november 1996, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB C 151 van 20.5.1997, blz. 2)

Tweede Protocol van 19 juni 1997, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB C 221 van 19.7.1997, blz. 12)

4.

Overeenkomst van 26 juli 1995, op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie tot oprichting van een Europese Politiedienst (Europol-overeenkomst) (PB C 316 van 27.11.1995, blz. 2)

Protocol van 24 juli 1996, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst tot oprichting van een Europese Politiedienst (PB C 299 van 9.10.1996, blz. 2)

Protocol van 19 juni 1997, opgesteld op basis van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 41, lid 3, van de Europol-overeenkomst, betreffende de voorrechten en immuniteiten van Europol, de leden van zijn organen, zijn adjunct-directeuren en zijn personeelsleden (PB C 221 van 19.7.1997, blz. 2)

Protocol van 30 november 2000, opgesteld op grond van artikel 43, lid 1, van de Overeenkomst, tot oprichting van een Europese Politiedienst (Europol-overeenkomst), tot wijziging van artikel 2 en de bijlage bij die overeenkomst (PB C 358 van 13.12.2000, blz. 2)

Protocol van 28 november 2002 tot wijziging van de Overeenkomst tot oprichting van een Europese Politiedienst (Europol-overeenkomst) en het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van Europol, de leden van zijn organen, zijn adjunct-directeuren en zijn personeelsleden (PB C 312 van 16.12.2002, blz. 2)

Protocol van 27 november 2003, opgesteld op basis van artikel 43, lid 1, van de Overeenkomst, tot oprichting van een Europese Politiedienst (Europol-overeenkomst), tot wijziging van die overeenkomst (PB C 2 van 6.1.2004, blz. 3)

5.

Overeenkomst van 26 juli 1995, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake het gebruik van informatica op douanegebied (PB C 316 van 27.11.1995, blz. 34)

Protocol van 29 november 1996, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst inzake het gebruik van informatica op douanegebied (PB C 151 van 20.5.1997, blz. 16)

Protocol van 12 maart 1999, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende het toepassingsgebied van het witwassen van opbrengsten in de overeenkomst inzake het gebruik van informatica op douanegebied, alsmede betreffende de opneming van het registratienummer van het vervoermiddel in de overeenkomst (PB C 91 van 31.3.1999, blz. 2)

Protocol van 8 mei 2003, vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie tot wijziging, wat betreft de vorming van een referentiebestand van onderzoeksdossiers op douanegebied, van de Overeenkomst inzake het gebruik van informatica op douanegebied (PB C 139 van 13.6.2003, blz. 2)

6.

Overeenkomst van 26 mei 1997, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn (PB C 195 van 25.6.1997, blz. 2)

7.

Overeenkomst van 18 december 1997, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douaneadministraties (PB C 24 van 23.1.1998, blz. 2)

8.

Overeenkomst van 17 juni 1998, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de ontzegging van de rijbevoegdheid (PB C 216 van 10.7.1998, blz. 2)

9.

Overeenkomst van 29 mei 2000, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (PB C 197 van 12.7.2000, blz. 3)

Protocol van 16 oktober 2001, vastgesteld door de Raad overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (PB C 326 van 21.11.2001, blz. 2).


BIJLAGE II

Lijst van de bepalingen van het Schengenacquis zoals dat in het kader van de Europese Unie is opgenomen en van de daarop voortbouwende of anderszins daarmee verband houdende rechtsbesluiten die voor de nieuwe lidstaten vanaf de toetreding bindend en toepasselijk zijn (bedoeld in artikel 4, lid 1, van het Protocol)

1.

Het op 14 juni 1985 ondertekende Akkoord tussen de Regeringen van de Staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (1).

2.

De volgende bepalingen van de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende Overeenkomst (2) ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen ondertekende Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, de bijbehorende Slotakte en desbetreffende gemeenschappelijke verklaringen, zoals die zijn gewijzigd bij een aantal van de hieronder in punt 8 vermelde rechtsbesluiten:

Artikel 1, voorzover het betrekking heeft op het bepaalde in dit punt; de artikelen 3 tot en met 7, met uitzondering van artikel 5, lid 1, onder d); artikel 13; de artikelen 26 en 27; artikel 39; de artikelen 44 tot en met 59; de artikelen 61 tot en met 63; de artikelen 65 tot en met 69; de artikelen 71 tot en met 73; de artikelen 75 en 76; artikel 82; artikel 91; de artikelen 126 tot en met 130, voorzover zij betrekking hebben op het bepaalde in dit punt; en artikel 136; de gemeenschappelijke verklaringen 1 en 3 van de Slotakte.

3.

De volgende bepalingen van de Overeenkomsten betreffende de toetreding tot de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende Overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen ondertekende Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, de Slotakten daarvan en de desbetreffende gemeenschappelijke verklaringen, zoals die zijn gewijzigd bij een aantal van de hieronder in punt 8 vermelde rechtsbesluiten:

a)

de op 27 november 1990 ondertekende Overeenkomst betreffende de toetreding van de Italiaanse Republiek:

artikel 4,

Gemeenschappelijke Verklaring nr.1 in Deel II van de Slotakte;

b)

de op 25 juni 1991 ondertekende Overeenkomst betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje:

artikel 4,

Gemeenschappelijke Verklaring nr.1 in Deel II van de Slotakte,

Verklaring nr. 2 in Deel III van de Slotakte;

c)

de op 25 juni 1991 ondertekende Overeenkomst betreffende de toetreding van de Portugese Republiek:

de artikelen 4, 5 en 6,

Gemeenschappelijke Verklaring nr.1 in Deel II van de Slotakte;

d)

de op 6 november 1992 ondertekende Overeenkomst betreffende de toetreding van de Helleense Republiek:

de artikelen 3, 4 en 5,

Gemeenschappelijke Verklaring nr.1 in Deel II van de Slotakte,

Verklaring nr. 2 in Deel III van de Slotakte;

e)

de op 28 april 1995 ondertekende Overeenkomst betreffende de toetreding van de Republiek Oostenrijk:

artikel 4,

Gemeenschappelijke Verklaring nr.1 in Deel II van de Slotakte;

f)

de op 19 december 1996 ondertekende Overeenkomst betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken:

de artikelen 4, 5, lid 2, en 6,

de Gemeenschappelijke Verklaringen 1 en 3 in Deel II van de Slotakte;

g)

de op 19 december 1996 ondertekende Overeenkomst betreffende de toetreding van de Republiek Finland:

de artikelen 4 en 5,

de Gemeenschappelijke Verklaringen 1 en 3 in Deel II van de Slotakte,

Verklaring van de Regering van de Republiek Finland betreffende de Åland-eilanden in Deel III van de Slotakte;

h)

de op 19 december 1996 ondertekende Overeenkomst betreffende de toetreding van het Koninkrijk Zweden:

de artikelen 4 en 5,

de Gemeenschappelijke Verklaringen 1 en 3 in Deel II van de Slotakte.

4.

De volgende overeenkomsten die door de Raad zijn gesloten overeenkomstig artikel 6 van het Schengenprotocol:

de Overeenkomst die op 18 mei 1999 is gesloten tussen de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis, met inbegrip van de daaraan gehechte bijlagen, slotakte, verklaringen en briefwisseling (3), goedgekeurd bij Besluit 1999/439/EG van de Raad (4).

de Overeenkomst die op 30 juni 1999 is gesloten door de Raad van de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de vaststelling van de rechten en verplichtingen tussen enerzijds Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en anderzijds de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen, op de gebieden van het Schengenacquis die op deze staten van toepassing zijn (5), goedgekeurd bij Besluit 2000/29/EG van de Raad (6).

de Overeenkomst die op 25 oktober 2004 is ondertekend door de Raad van de Europese Unie en de Zwitserse Federatie inzake de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (7);

5.

Het bepaalde in de volgende besluiten van het Uitvoerend Comité dat is ingesteld bij de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende Overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen ondertekende Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, zoals die zijn gewijzigd bij een aantal van de hieronder in punt 8 vermelde rechtsbesluiten:

SCH/Com-ex (93) 10 Besluit van het Uitvoerend Comité van 14 december 1993 betreffende de verklaringen van de ministers en staatssecretarissen

SCH/Com-ex (93) 14 Besluit van het Uitvoerend Comité van 14 december 1993 betreffende de verbetering van de praktijk inzake de justitiële samenwerking op het gebied van de bestrijding van sluikhandel in verdovende middelen

SCH/Com-ex (94) 16 herz. Besluit van het Uitvoerend Comité van 21 november 1994 betreffende de aanschaf van gemeenschappelijke in- en uitreisstempels

SCH/Com-ex(94) 28 herz. Besluit van het Uitvoerend Comité van 22 december 1994 betreffende de verklaring voor het met zich meevoeren van verdovende middelen en psychotrope stoffen als bedoeld in artikel 75

SCH/Com-ex (94) 29 2e herz. Besluit van het Uitvoerend Comité van 22 december 1994 betreffende de inwerkingstelling van de Schengenuitvoeringsovereenkomst van 19 juni 1990

SCH/Com-ex(95) 21 Besluit van het Uitvoerend Comité van 20 december 1995 betreffende de snelle uitwisseling tussen de Schengenstaten van statistische en concrete gegevens welke wijzen op een eventuele disfunctionaliteit aan de buitengrenzen

SCH/Com-ex (98) 1 2e herz. Besluit van het Uitvoerend Comité van 21 april 1998 betreffende de rapportage door de Task Force, voorzover het betrekking heeft op het bepaalde in punt 2 dezes

SCH/Com-ex (98) 26 def. Besluit van het Uitvoerend Comité van 16 september 1998 betreffende de oprichting van de Permanente Commissie Schengenuitvoeringsovereenkomst

SCH/Com-ex (98) 35 2e herz. Besluit van het Uitvoerend Comité van 16 september 1998 betreffende de terbeschikkingstelling van het Gemeenschappelijk Handboek aan de EU-toetredingskandidaten

SCH/Com-ex (98) 37 def. 2 Besluit van het Uitvoerend Comité van 27 oktober 1998 betreffende het actieplan ter bestrijding van illegale immigratie, voorzover het betrekking heeft op het bepaalde in punt 2 dezes

SCH/Com-ex (98) 51 3e herz. Besluit van het Uitvoerend Comité van 16 december 1998 betreffende de grensoverschrijdende politiële samenwerking op verzoek bij de voorkoming en opsporing van strafbare feiten

SCH/Com-ex (98) 52 Besluit van het Uitvoerend Comité van 16 december 1998 betreffende de leidraad voor de grensoverschrijdende politiële samenwerking, voorzover het betrekking heeft op het bepaalde in punt 2 dezes

SCH/Com-ex(98) 57 Besluit van het Uitvoerend Comité van 16 december 1998 betreffende de invoering van een geharmoniseerd formulier ter staving van een uitnodiging, een garantstellingsverklaring (-toezegging) of huisvestingsverklaring

SCH/Com-ex (98) 59 herz. Besluit van het Uitvoerend Comité van 16 december 1998 betreffende de gecoördineerde inzet van documentenadviseurs

SCH/Com-ex (99) 1 2e herz. Besluit van het Uitvoerend Comité van 28 april 1999 betreffende het acquis inzake verdovende middelen

SCH/Com-ex (99) 6 Besluit van het Uitvoerend Comité van 28 april 1999 betreffende het Schengenacquis op het gebied van telecommunicatie

SCH/Com-ex (99) 7 2e herz. Besluit van het Uitvoerend Comité van 28 april 1999 betreffende de verbindingsfunctionarissen

SCH/Com-ex (99) 8 2e herz. Besluit van het Uitvoerend Comité van 28 april 1999 betreffende de algemene beginselen voor betaling van informanten en vertrouwenspersonen

SCH/Com-ex (99) 10 Besluit van het Uitvoerend Comité van 28 april 1999 betreffende de illegale vuurwapenhandel

SCH/Com-ex (99) 13 Besluit van het Uitvoerend Comité van 28 april 1999 betreffende de nieuwe versies van het Gemeenschappelijk Handboek en van de Gemeenschappelijke Visuminstructie:

Bijlagen 1 tot en met 3, 7, 8 en 15 van de Gemeenschappelijke Visuminstructie

Het Gemeenschappelijk Handboek, voorzover het betrekking heeft op het bepaalde in punt 2 dezes, met inbegrip van de Bijlagen 1, 5, 5A, 6, 10 en 13

SCH/Com-ex (99) 18 Besluit van het Uitvoerend Comité van 28 april 1999 betreffende de verbetering van de politiële samenwerking bij de voorkoming en opsporing van strafbare feiten.

6.

De volgende verklaringen van het Uitvoerend Comité dat is ingesteld bij de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende Overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen ondertekende Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, voorzover zij betrekking hebben op de in bovenstaand punt 2 vermelde bepalingen:

SCH/Com-ex (96) decl. 6 2e herz. Verklaring van het Uitvoerend Comité van 26 juni 1996 inzake de uitlevering

SCH/Com-ex (97) decl. 13 2e herz. Verklaring van het Uitvoerend Comité van 9 februari 1998 inzake de ontvoering van minderjarigen

7.

De volgende besluiten van de Centrale Groep die is ingesteld bij de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende Overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen ondertekende Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, voorzover zij betrekking hebben op de in bovenstaand punt 2 vermelde bepalingen:

SCH/C (98) 117 Besluit van de Centrale Groep van 27 oktober 1998 betreffende het actieplan ter bestrijding van illegale immigratie

SCH/C (99) 25 Besluit van de Centrale Groep van 22 maart 1999 betreffende de algemene beginselen voor de betaling van informanten en vertrouwenspersonen.

8.

De volgende rechtsbesluiten die voortbouwen op het Schengenacquis of die daar anderszins verband mee houden:

Verordening (EG) nr. 1683/95 van de Raad van 29 mei 1995 betreffende de invoering van een uniform visummodel (PB L 164 van 14.7.1995, blz. 1)

Beschikking 1999/307/EG van de Raad van 1 mei 1999 tot vaststelling van de wijze waarop het Schengensecretariaat in het secretariaat-generaal van de Raad wordt opgenomen (PB L 119 van 7.5.1999, blz. 49)

Besluit 1999/435/EG van de Raad van 20 mei 1999 tot vaststelling, in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese Unie, van de rechtsgrondslag van elk van de bepalingen of besluiten die het Schengen-acquis vormen (PB L 176 van 10.7.1999, blz. 1)

Besluit 1999/436/EG van de Raad van 20 mei 1999 tot vaststelling, in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese Unie, van de rechtsgrondslagen van elk van de bepalingen of besluiten die het Schengenacquis vormen (PB L 176 van 10.7.1999, blz. 17)

Besluit 1999/437/EG van de Raad van 17 mei 1999 inzake bepaalde toepassingsbepalingen van de door de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten overeenkomst inzake de wijze waarop deze twee staten worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB L 176 van 10.7.1999, blz. 31)

Besluit 1999/848/EG van de Raad van 13 december 1999 betreffende de volledige toepassing van het Schengenacquis in Griekenland (PB L 327 van 21.12.1999, blz. 58)

Besluit 2000/365/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis (PB L 131 van 1.6.2000, blz. 43)

Besluit 2000/586/JBZ van de Raad van 28 september 2000 tot vaststelling van een procedure voor de wijziging van artikel 40, leden 4 en 5, artikel 41, lid 7, en artikel 65, lid 2, van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord van 14 juni 1985 betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (PB L 248 van 3.10.2000, blz. 1)

Besluit 2000/751/EG van de Raad van 30 november 2000 houdende derubricering van sommige delen van het Gemeenschappelijk Handboek, aangenomen door het bij de Schengenuitvoeringsovereenkomst van 14 juni 1985 ingestelde Uitvoerend Comité (PB L 303 van 2.12.2000, blz. 29)

Besluit 2000/777/EG van de Raad van 1 december 2000 inzake de inwerkingstelling van het Schengenacquis in Denemarken, Finland en Zweden, alsmede in IJsland en Noorwegen (PB L 309 van 9.10.2000, blz. 24)

Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PB L 81 van 21.3.2001, blz. 1)

Verordening (EG) nr. 789/2001 van de Raad van 24 april 2001 tot verlening van uitvoeringsbevoegdheden aan de Raad met betrekking tot bepaalde gedetailleerde voorschriften en praktische procedures voor de behandeling van visumaanvragen (PB L 116 van 26.4.2001, blz. 2)

Verordening (EG) nr. 790/2001 van de Raad van 24 april 2001 tot verlening van uitvoeringsbevoegdheden aan de Raad met betrekking tot bepaalde gedetailleerde voorschriften en praktische procedures inzake de uitvoering van de controle en de bewaking aan de grenzen (PB L 116 van 26.4.2001, blz. 5)

Beschikking 2001/329/EG van de Raad van 24 april 2001 betreffende de bijwerking van deel VI en van de bijlagen 3, 6 en 13 van de Gemeenschappelijke Visuminstructie en van de bijlagen 5 a), 6 a) en 8 van het Gemeenschappelijk Handboek, voorzover zij betrekking heeft op bijlage 3 van de Gemeenschappelijke Visuminstructie en bijlage 5 a) van het Gemeenschappelijk Handboek (PB L 116 van 26.4.2001, blz. 32)

Richtlijn 2001/51/EG van de Raad van 28 juni 2001 tot aanvulling van het bepaalde in artikel 26 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 (PB L 187 van 10.7.2001, blz. 45)

Besluit 2001/886/JBZ van de Raad van 6 december 2001 betreffende de ontwikkeling van een Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (PB L 328 van 13.12.2001, blz. 1)

Verordening (EG) nr. 2414/2001 van de Raad van 7 december 2001 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PB L 327 van 12.12.2001, blz. 1)

Verordening (EG) nr. 2424/2001 van de Raad van 6 december 2001 betreffende de ontwikkeling van een Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (PB L 328 van 13.12.2001, blz. 4)

Verordening (EG) nr. 333/2002 van de Raad van 18 februari 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor een blad waarop een visum kan worden aangebracht dat door lidstaten wordt afgegeven aan houders van een reisdocument dat door de lidstaat die het blad opstelt niet wordt erkend (PB L 53 van 23.2.2002, blz. 4)

Verordening (EG) nr. 334/2002 van de Raad van 18 februari 2002 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1683/95 betreffende de invoering van een uniform visummodel (PB L 53 van 23.2.2002, blz. 7)

Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis (PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20)

Beschikking 2002/352/EG van de Raad van 25 april 2002 betreffende de herziening van het Gemeenschappelijk handboek (PB L 123 van 9.5.2002, blz. 47)

Besluit 2002/353/EG van de Raad van 25 april 2002 houdende derubricering van deel II van het Gemeenschappelijk handboek, aangenomen door het bij de Schengenuitvoeringsovereenkomst van 14 juni 1985 ingestelde Uitvoerend Comité (PB L 123 van 9.5.2002, blz. 49)

Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen (PB L 157 van 15.6.2002, blz. 1)

Beschikking 2002/587/EG van de Raad van 12 juli 2002 betreffende de herziening van het Gemeenschappelijk handboek (PB L 187 van 16.7.2002, blz. 50)

Kaderbesluit 2002/946/JBZ van de Raad van 28 november 2002 tot versterking van het strafrechtelijk kader voor de bestrijding van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf (PB L 328 van 5.12.2002, blz. 1)

Richtlijn 2002/90/EG van de Raad van 28 november 2002 tot omschrijving van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf (PB L 328 van 5.12.2002, blz. 17).

Besluit 2003/170/JBZ van de Raad van 27 februari 2003 betreffende het gezamenlijk gebruik van verbindingsofficieren die gedetacheerd zijn door de rechtshandhavende autoriteiten van de lidstaten (PB L 67 van 12.3.2003, blz. 27)

Verordening (EG) nr. 453/2003 van de Raad van 6 maart 2003 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PB L 69 van 13.3.2003, blz. 10)

Besluit 2003/725/JBZ van de Raad van 2 oktober 2003 houdende wijziging van artikel 40, leden 1 en 7, van de Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten Akkoord van 14 juni 1985 betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (PB L 260 van 11.10.2003, blz. 37)

Richtlijn 2003/110/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de ondersteuning bij doorgeleiding in het kader van maatregelen tot verwijdering door de lucht (PB L 321 van 6.12.2003, blz. 26)

Verordening (EG) nr. 377/2004 van de Raad van 19 februari 2004 betreffende de oprichting van een netwerk van immigratieverbindingsfunctionarissen (PB L 64 van 2.3.2004, blz. 1).

Beschikking 2004/466/EG van de Raad van 29 april 2004 houdende opneming in het Gemeenschappelijk Handboek van een bepaling betreffende doelgerichte grenscontroles op begeleide minderjarigen (PB L 157 van 30.4.2004, blz. 136)

Richtlijn 2004/82/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verplichting voor vervoerders om passagiersgegevens door te geven (PB L 261 van 6.8.2004, blz. 24)

Beschikking 2004/573/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake het organiseren van gezamenlijke vluchten voor de verwijdering van onderdanen van derde landen tegen wie individuele verwijderingsmaatregelen zijn genomen van het grondgebied van twee of meer lidstaten (PB L 261 van 6.8.2004, blz. 28)

Beschikking 2004/574/EG van de Raad van 29 april 2004 tot wijziging van het Gemeenschappelijk Handboek (PB L 261 van 6.8.2004, blz. 36)

Beschikking 2004/512/EG van de Raad van 8 juni 2004 betreffende het opzetten van het Visuminformatiesysteem (VIS) (PB L 213 van 15.6.2004, blz. 5)

Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad van 26 oktober 2004 tot oprichting van een Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (PB L 349 van 25.11.2004, blz. 1)

Verordening (EG) nr. 2133/2004 van de Raad van 13 december 2004 waarbij voor de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de verplichting wordt ingevoerd om in de reisdocumenten van onderdanen van derde landen bij het overschrijden van de buitengrenzen van de lidstaten systematisch een stempel aan te brengen, en waarbij de bepalingen van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen en het Gemeenschappelijk Handboek daartoe worden gewijzigd (PB L 369 van 16.12.2004, blz. 5)

Verordening (EG) nr. 2252/20/04 van de Raad van 13 december 2004 betreffende normen voor de veiligheidskenmerken van en biometrische gegevens in door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten (PB L 385 van 29.12.2004, blz. 1).


(1)  PB L 239 van 22.9.2000, blz. 13.

(2)  PB L 239 van 22.9.2000, blz. 19; Overeenkomst laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 871/2004 van de Raad (PB L 162 van 30.4.2004, blz. 29).

(3)  PB L 176 van 10.7.1999, blz. 36.

(4)  PB L 176 van 10.7.1999, blz. 35.

(5)  PB L 15 van 20.1.2000, blz. 2.

(6)  PB L 15 van 20.1.2000, blz. 1.

(7)  In zoverre deze overeenkomst, in afwachting van de sluiting ervan, voorlopig wordt toegepast.


BIJLAGE III

Lijst bedoeld in artikel 16 van het Protocol: aanpassingen van besluiten van de Instellingen

1.   VENNOOTSCHAPSRECHT

INDUSTRIËLE-EIGENDOMSRECHTEN

I.   GEMEENSCHAPSMERK

31994 R 0040: Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk (PB L 11 van 14.1.1994, blz. 1), gewijzigd bij:

31994 R 3288: Verordening (EG) nr. 3288/94 van de Raad van 22.12.1994 (PB L 349 van 31.12.1994, blz. 83),

32003 R 0807: Verordening (EG) nr. 807/2003 van de Raad van 14.4.2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 36),

12003 T: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing van de Verdragen - Toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek (PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33)

32003 R 1653: Verordening (EG) nr. 1653/2003 van de Raad van 18.6.2003 (PB L 245 van 29.9.2003, blz. 36),

32003 R 1992: Verordening (EG) nr. 1992/2003 van de Raad van 27.10.2003 (PB L 296 van 14.11.2003, blz. 1),

32004 R 0422: Verordening (EG) nr. 422/2004 van de Raad van 19.2.2004 (PB L 70 van 9.3.2004, blz. 1).

Artikel 159 bis, lid 1, wordt vervangen door:

„1.

Vanaf de datum van toetreding van Bulgarije, Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Roemenië, Slovenië en Slowakije, hierna „de nieuwe lidstaten” te noemen, wordt de geldigheid van een voor de desbetreffende datum van toetreding uit hoofde van deze verordening ingeschreven of aangevraagd Gemeenschapsmerk uitgebreid tot het grondgebied van de nieuwe lidstaten, waardoor het dezelfde rechtsgevolgen in de gehele Gemeenschap krijgt.”.

II.   AANVULLEND BESCHERMINGSCERTIFICAAT

1.

31992 R 1768: Verordening (EEG) nr. 1768/92 van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de invoering van een aanvullend beschermingscertificaat voor geneesmiddelen (PB L 182 van 2.7.1992, blz. 1), gewijzigd bij:

11994 N: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing van de Verdragen ‐ Toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden (PB C 241 van 29.8.1994, blz. 21),

12003 T: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing van de Verdragen - Toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek (PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33).

a)

Aan artikel 19 bis wordt het volgende toegevoegd:

„(k)

In Bulgarije kan een certificaat worden verkregen voor alle geneesmiddelen die in Bulgarije door een geldig basisoctrooi worden beschermd en waarvoor de eerste vergunning voor het in de handel brengen als geneesmiddel in Bulgarije na 1 januari 2000 is verleend, op voorwaarde dat de aanvraag voor een certificaat wordt ingediend binnen zes maanden na de datum van toetreding;

(l)

In Roemenië kan een certificaat worden verkregen voor alle geneesmiddelen die in Roemenië door een geldig basisoctrooi worden beschermd en waarvoor de eerste vergunning voor het in de handel brengen als geneesmiddel in Roemenië na 1 januari 2000 is verleend. In de gevallen waarin de in artikel 7, lid 1, voorgeschreven periode reeds is verstreken, wordt de mogelijkheid om een certificaat aan te vragen toegestaan voor een periode van zes maanden die uiterlijk op de toetredingsdatum ingaat.”.

b)

Artikel 20, lid 2, wordt vervangen door:

„2.

Deze verordening is van toepassing op de aanvullende beschermingscertificaten die voor de desbetreffende datum van toetreding worden verleend op grond van de nationale wetgeving in Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Roemenië, Slovenië en Slowakije.”.

2.

31996 R 1610: Verordening (EG) nr. 1610/96 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 1996 betreffende de invoering van een aanvullend beschermingscertificaat voor gewasbeschermingsmiddelen (PB L 198 van 8.8.1996, blz. 30), gewijzigd bij:

12003 T: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing van de Verdragen - Toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek (PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33).

a)

Aan artikel 19 bis wordt het volgende toegevoegd:

„(k)

In Bulgarije kan een certificaat worden verkregen voor alle gewasbeschermingsmiddelen die in Bulgarije door een geldig basisoctrooi worden beschermd en waarvoor de eerste vergunning voor het in de handel brengen als gewasbeschermingsmiddel in Bulgarije na 1 januari 2000 is verleend, op voorwaarde dat de aanvraag voor een certificaat wordt ingediend binnen zes maanden na de datum van toetreding;

(l)

In Roemenië kan een certificaat worden verkregen voor alle gewasbeschermingsmiddelen die in Roemenië door een geldig basisoctrooi worden beschermd en waarvoor de eerste vergunning voor het in de handel brengen als gewasbeschermingsmiddel in Roemenië na 1 januari 2000 is verleend. In de gevallen waarin de in artikel 7, lid 1, voorgeschreven periode reeds is verstreken, wordt de mogelijkheid om een certificaat aan te vragen toegestaan voor een periode van zes maanden die uiterlijk op de toetredingsdatum ingaat.”.

b)

Artikel 20, lid 2, wordt vervangen door:

„2.

Deze verordening is van toepassing op de aanvullende beschermingscertificaten die voor de desbetreffende datum van toetreding worden verleend op grond van de nationale wetgeving in Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Roemenië, Slovenië en Slowakije.”.

III.   GEMEENSCHAPSMODELLEN

32002 R 0006: Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen (PB L 3 van 5.1.2002, blz. 1), gewijzigd bij:

12003 T: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing van de Verdragen - Toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek (PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33).

Artikel 110 bis, lid 1, wordt vervangen door:

„1.

Vanaf de datum van toetreding van Bulgarije, Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Roemenië, Slovenië en Slowakije, hierna „de nieuwe lidstaten” te noemen, wordt een voor de desbetreffende datum van toetreding uit hoofde van deze verordening aangevraagd of beschermd Gemeenschapsmodel uitgebreid tot het grondgebied van die lidstaten, zodat dat model dezelfde rechtsgevolgen heeft in de gehele Gemeenschap.”.

2.   LANDBOUW

1.

31989 R 1576: Verordening (EEG) nr. 1576/89 van de Raad van 29 mei 1989 tot vaststelling van de algemene voorschriften betreffende de definitie, de aanduiding en de aanbiedingsvorm van gedistilleerde dranken (PB L 160 van 12.6.1989, blz. 1), gewijzigd bij:

31992 R 3280: Verordening (EEG) nr. 3280/92 van de Raad van 9.11.1992 (PB L 327 van 13.11.1992, blz. 3),

31994 R 3378: Verordening (EG) nr. 3378/94 van het Europees Parlement en de Raad van 22.12.1994 (PB L 366 van 31.12.1994, blz. 1),

11994 N: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing van de Verdragen ‐ Toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden (PB C 241 van 29.8.1994, blz. 21),

12003 T: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing van de Verdragen - Toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek (PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33),

32003 R 1882: Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 29.9.2003 (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

a)

Aan artikel 1, lid 4, punt i), wordt het volgende toegevoegd:

„(5)

De benaming „vruchten-eau-de-vie” mag alleen voor de in Roemenië geproduceerde gedistilleerde drank worden vervangen door de benaming „Pălincă””;

b)

In bijlage II worden de volgende geografische benamingen toegevoegd:

aan punt 4: „Vinars Târnave”, „Vinars Vaslui”, „Vinars Murfatlar”, „Vinars Vrancea”, „Vinars Segarcea”

aan punt 6: „Сунгурларска гроздова ракия/Гроздова ракия от Сунгурларе/Sungurlarska grozdova rakiya/Grozdova rakiya van Sungurlare”, „Сливенска перла (Сливенска гроздова ракия/Гроздова ракия от Сливен)/Slivenska perla (Slivenska grozdova rakiya/Grozdova rakiya van Sliven)”, „Стралджанска Мускатова ракия/Мускатова ракия от Стралджа/Straldjanska Muscatova rakiya/Muscatova rakiya van Straldja”, „Поморийска гроздова ракия/Гроздова ракия от Поморие/Pomoriyska grozdova rakiya/Grozdova rakiya van Pomorie”, „Русенска бисерна гроздова ракия/Бисерна гроздова ракия от Русе/Rusenska biserna grozdova rakiya/Biserna grozdova rakiya van Ruse”, „Бургаска Мускатова ракия/Мускатова ракия от Бургас/Bourgaska Muscatova rakiya/Muscatova rakiya van Bourgas”, „Добруджанска мускатова ракия/Мускатова ракия от Добруджа/Dobrudjanska muscatova rakiya/Muscatova rakiya van Dobrudja”, „Сухиндолска гроздова ракия/Гроздова ракия от Сухиндол/Suhindolska grozdova rakiya/Grozdova rakiya van Suhindol”, „Карловска гроздова ракия/Гроздова pакия от Карлово/Karlovska grozdova rakiya/Grozdova rakiya van Karlovo”

aan punt 7: „Троянска сливова ракия/Сливова ракия от Троян/Troyanska slivova rakiya/Slivova rakiya van Troyan”, „Силистренска кайсиева ракия/Кайсиева ракия от Силистра/Silistrenska kaysieva rakiya/Kaysieva rakiya van Silistra”, „Тервелска кайсиева ракия/Кайсиева ракия от Тервел/Tervelska kaysieva rakiya/Kaysieva rakiya from Tervel”, „Ловешка сливова ракия/Сливова ракия от Ловеч/Loveshka slivova rakiya/Slivova rakiya van Lovech”, „Ţuică Zetea de Medieşu Aurit”, „Ţuică de Valea Milcovului”, „Ţuică de Buzău”, „Ţuică de Argeş”, „Ţuică de Zalău”, „Ţuică ardelenească de Bistriţa”, „Horincă de Maramureş”, „Horincă de Cămârzan”, „Horincă de Seini”, „Horincă de Chioar”, „Horincă de Lăpuş”, „Turţ de Oaş”, „Turţ de Maramureş”.

2.

31991 R 1601: Verordening (EEG) nr. 1601/91 van de Raad van 10 juni 1991 tot vaststelling van de algemene voorschriften betreffende de definitie, de aanduiding en de aanbiedingsvorm van gearomatiseerde wijnen, gearomatiseerde dranken op basis van wijn en gearomatiseerde cocktails van wijnbouwproducten (PB L 149 van 14.6.1991, blz. 1), gewijzigd bij:

31992 R 3279: Verordening (EEG) nr. 3279/92 van de Raad van 9.11.1992 (PB L 327 van 13.11.1992, blz. 1)

11994 N: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing van de Verdragen ‐ Toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden (PB C 241 van 29.8.1994, blz. 21),

31994 R 3378: Verordening (EG) nr. 3378/94 van het Europees Parlement en de Raad van 22.12.1994 (PB L 366 van 31.12.1994, blz. 1),

31996 R 2061: Verordening (EG) nr. 2061/96 van het Europees Parlement en de Raad van 8.10.1996 (PB L 277 van 30.10.1996, blz. 1),

32003 R 1882: Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 29.9.2003 (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

In artikel 2, lid 3, wordt het volgende punt na punt h) ingevoegd:

„i)

Pelin: Gearomatiseerde drank verkregen uit witte of rode wijn, druivenmostconcentraat, druivensap (of bietsuiker) en een specifiek kruidentinctuur, met een alcoholgehalte van ten minste 8,5 % vol., een suikergehalte, uitgedrukt in invertsuiker, van 45-50 gram per liter, en een totaal zuurgehalte, uitgedrukt in wijnsteenzuur, van ten minste 3 gram per liter.”

en punt i) wordt punt j)

3.

31992 R 2075: Verordening (EEG) nr. 2075/92 van de Raad van 30 juni 1992 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak (PB L 215 van 30.7.1992, blz. 70), gewijzigd bij:

11994 N: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing van de Verdragen ‐ Toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden (PB C 241 van 29.8.1994, blz. 21),

31994 R 3290: Verordening (EG) nr. 3290/94 van de Raad van 22.12.1994 (PB L 349 van 31.12.1994, blz. 105),

31995 R 0711: Verordening (EG) nr. 711/95 van de Raad van 27.3.1995 (PB L 73 van 1.4.1995, blz. 13),

31996 R 0415: Verordening (EG) nr. 415/96 van de Raad van 4.3.1996 (PB L 59 van 8.3.1996, blz. 3),

31996 R 2444: Verordening (EG) nr. 2444/96 van de Raad van 17.12.1996 (PB L 333 van 21.12.1996, blz. 4),

31997 R 2595: Verordening (EG) nr. 2595/97 van de Raad van 18.12.1997 (PB L 351 van 23.12.1997, blz. 11),

31998 R 1636: Verordening (EG) nr. 1636/98 van de Raad van 20.7.1998 (PB L 210 van 28.7.1998, blz. 23),

31999 R 0660: Verordening (EG) nr. 660/1999 van de Raad van 22.3.1999 (PB L 83 van 27.3.1999, blz. 10),

32000 R 1336: Verordening (EG) nr. 1336/2000 van de Raad van 19.6.2000 (PB L 154 van 27.6.2000, blz. 2),

32002 R 0546: Verordening (EG) nr. 546/2002 van de Raad van 25.3.2002 (PB L 84 van 28.3.2002, blz. 4),

32003 R 0806: Verordening (EG) nr. 806/2003 van de Raad van 14.4.2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 1),

32003 R 2319: Verordening (EG) nr. 2319/2003 van de Raad van 17.12.2003 (PB L 345 van 31.12.2003, blz. 17),

12003 T: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing van de Verdragen - Toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek (PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33).

a)

Aan de bijlage, punt V. „SUN CURED TABAK”, wordt het volgende toegevoegd:

 

„Molovata

 

Ghimpaţi

 

Bărăgan”

(b)

Aan de bijlage, punt VI. „Basmas”, wordt het volgende toegevoegd:

 

„Djebel

 

Nevrokop

 

Dupnitsa

 

Melnik

 

Ustina

 

Harmanli

 

Krumovgrad

 

Iztochen Balkan

 

Topolovgrad

 

Svilengrad

 

Srednogorska yaka”

(c)

Aan de bijlage, punt VIII. „Klassieke Kaba Koulak”, wordt het volgende toegevoegd:

 

„Severna Bulgaria

 

Tekne”

4.

31996 R 2201: Verordening (EG) nr. 2201/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening van de markten in de sector verwerkte producten op basis van groenten en fruit (PB L 297 van 21.11.1996, blz. 29), gewijzigd bij:

31997 R 2199: Verordening (EG) nr. 2199/97 van de Raad van 30.10.1997 (PB L 303 van 6.11.1997, blz. 1),

31999 R 2701: Verordening (EG) nr. 2701/1999 van de Raad van 14.12.1999 (PB L 327 van 21.12.1999, blz. 5),

32000 R 2699: Verordening (EG) nr. 2699/2000 van de Raad van 4.12.2000 (PB L 311 van 12.12.2000, blz. 9),

32001 R 1239: Verordening (EG) nr. 1239/2001 van de Raad van 19.6.2001 (PB L 171 van 26.6.2001, blz. 1),

32002 R 0453: Verordening (EG) nr. 453/2002 van de Commissie van 13.3.2002 (PB L 72 van 14.3.2002, blz. 9),

12003 T: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing van de Verdragen - Toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek (PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33),

32004 R 0386: Verordening (EG) nr. 386/2004 van de Commissie van 1.3.2004 (PB L 64 van 2.3.2004, blz. 25).

Bijlage III wordt vervangen door:

„BIJLAGE III

In artikel 5 bedoelde verwerkingsdrempels

Verse basisproducten

(in ton)

 

 

Tomaten

Perziken

Peren

Communautaire drempels

8 860 061

560 428

105 659

Communautaire drempels

Bulgarije

156 343

17 843

n.v.t.

Tsjechië

12 000

1 287

11

Griekenland

1 211 241

300 000

5 155

Spanje

1 238 606

180 794

35 199

Frankrijk

401 608

15 685

17 703

Italië

4 350 000

42 309

45 708

Cyprus

7 944

6

n.v.t.

Letland

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Hongarije

130 790

1 616

1 031

Malta

27 000

n.v.t.

n.v.t.

Nederland

n.v.t.

n.v.t.

243

Oostenrijk

n.v.t.

n.v.t.

9

Polen

194 639

n.v.t.

n.v.t.

Portugal

1 050 000

218

600

Roemenië

50 390

523

n.v.t.

Slowakije

29 500

147

n.v.t.

n.v.t. = niet van toepassing”.

5.

31998 R 2848: Verordening (EG) nr. 2848/98 van de Commissie van 22 december 1998 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 2075/92 van de Raad ten aanzien van de premieregeling, de productiequota en de aan de telersverenigingen toe te kennen specifieke steun in de sector ruwe tabak (PB L 358 van 31.12.1998, blz. 17), gewijzigd bij:

31999 R 0510: Verordening (EG) nr. 510/1999 van de Commissie van 8.3.1999 (PB L 60 van 9.3.1999, blz. 54),

31999 R 0731: Verordening (EG) nr. 731/1999 van de Commissie van 7.4.1999 (PB L 93 van 8.4.1999, blz. 20),

31999 R 1373: Verordening (EG) nr. 1373/1999 van de Commissie van 25.6.1999 (PB L 162 van 26.6.1999, blz. 47),

31999 R 2162: Verordening (EG) nr. 2162/1999 van de Commissie van 12.10.1999 (PB L 265 van 13.10.1999, blz. 13),

31999 R 2637: Verordening (EG) nr. 2637/1999 van de Commissie van 14.12.1999 (PB L 323 van 15.12.1999, blz. 8),

32000 R 0531: Verordening (EG) nr. 531/2000 van de Commissie van 10.3.2000 (PB L 64 van 11.3.2000, blz. 13),

32000 R 0909: Verordening (EG) nr. 909/2000 van de Commissie van 2.5.2000 (PB L 105 van 3.5.2000, blz. 18),

32000 R 1249: Verordening (EG) nr. 1249/2000 van de Commissie van 15.6.2000 (PB L 142 van 16.6.2000, blz. 3),

32001 R 0385: Verordening (EG) nr. 385/2001 van de Commissie van 26.2.2001 (PB L 57 van 27.2.2001, blz. 18),

32001 R 1441: Verordening (EG) nr. 1441/2001 van de Commissie van 16.7.2001 (PB L 193 van 17.7.2001, blz. 5),

32002 R 0486: Verordening (EG) nr. 486/2002 van de Commissie van 18.3.2002 (PB L 76 van 19.3.2002, blz. 9),

32002 R 1005: Verordening (EG) nr. 1005/2002 van de Commissie van 12.6.2002 (PB L 153 van 13.6.2002, blz. 3),

32002 R 1501: Verordening (EG) nr. 1501/2002 van de Commissie van 22.8.2002 (PB L 227 van 23.8.2002, blz. 16),

32002 R 1983: Verordening (EG) nr. 1983/2002 van de Commissie van 7.11.2002 (PB L 306 van 8.11.2002, blz. 8),

32004 R 1809: Verordening (EG) nr. 1809/2004 van de Commissie van 18.10.2004 (PB L 318 van 19.10.2004, blz. 18).

Bijlage I wordt vervangen door:

„BIJLAGE I

Percentage van de garantiedrempel per lidstaat of specifiek gebied met het oog op de erkenning van de telersverenigingen

Lidstaat of specifiek gebied waar de telersvereniging gevestigd is

Percentage

Duitsland, Spanje (behalve Kastilië-Leon, Navarra en het gebied van Campezo in Baskenland), Frankrijk (behalve Nord-Pas-de-Calais en Picardië), Italië, Portugal (behalve autonome regio der Azoren), België, Oostenrijk, Roemenië

2 %

Griekenland (behalve Epirus), autonome regio der Azoren (Portugal), Nord-Pas-de-Calais en Picardië (Frankrijk), Bulgarije (behalve de gemeenten Banite, Zlatograd, Madan en Dospat in het Djebel-gebied en de gemeenten Veliki Preslav, Varbitsa, Shumen, Smiadovо, Varna, Dalgopol, General Tоshevо, Dobrich, Kavarna, Krushari, Shabla en Antonovo in Noord-Bulgarije)

1 %

Kastilië-Leon (Spanje), Navarra (Spanje), het gebied van Campezo in Baskenland (Spanje), Epirus (Griekenland), de gemeenten Banite, Zlatograd, Madan en Dospat in het Djebel-gebied en de gemeenten Veliki Preslav, Varbitsa, Shumen, Smiadovо, Varna, Dalgopol, General Tоshevо, Dobrich, Kavarna, Krushari, Shabla en Antonovo in Noord-Bulgarije (Bulgarije)

0,3 %”.

6.

31999 R 1493: Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (PB L 179 van 14.7.1999, blz. 1), gewijzigd bij:

32000 R 1622: Verordening (EG) nr. 1622/2000 van de Commissie van 24.7.2000 (PB L 194 van 31.7.2000, blz. 1),

32000 R 2826: Verordening (EG) nr. 2826/2000 van de Raad van 19.12.2000 (PB L 328 van 23.12.2000, blz. 2),

32001 R 2585: Verordening (EG) nr. 2585/2001 van de Raad van 19.12.2001 (PB L 345 van 29.12.2001, blz. 10),

32003 R 0806: Verordening (EG) nr. 806/2003 van de Raad van 14.4.2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 1),

12003 T: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing van de Verdragen - Toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek (PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33),

32003 R 1795: Verordening (EG) nr. 1795/2003 van de Commissie van 13.10.2003 (PB L 262 van 14.10.2003, blz. 13).

a)

Aan artikel 6 wordt het volgende toegevoegd:

„5.

Er worden vanaf de datum van toetreding aan Bulgarije en Roemenië nieuw gecreëerde aanplantrechten voor de productie van v.q.p.r.d. toegewezen ten belope van 1,5% van het total wijnbouwareaal, zijnde 2 302,5 ha voor Bulgarije en 2 830,5 ha voor Roemenië. Die rechten worden toegewezen aan een nationale reserve waarop artikel 5 van toepassing is.”;

b)

In bijlage III (wijnbouwzones) wordt in punt 2 het volgende toegevoegd:

„g)

in Roemenië, in het gebied Podişul Transilvaniei”

c)

In bijlage III (wijnbouwzones) wordt de laatste zin van punt 3 vervangen door:

„d)

In Slowakije, de regio Tokay.”

„e)

in Roemenië, de met wijnstokken beplante oppervlakten die niet onder punt 2 g) of punt 5 f) zijn opgenomen.”

d)

In bijlage III (wijnbouwzones) wordt in punt 5 het volgende toegevoegd:

„e)

in Bulgarije, de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende gebieden: Dunavska Ravnina (Дунавска равнина), Chernomorski Rayon (Черноморски район), Rozova Dolina (Розова долина)

f)

in Roemenië, de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende gebieden: Dealurile Buzăului, Dealu Mare, Severinului en Plaiurile Drâncei, Colinele Dobrogei, Terasele Dunării, het zuidelijke wijngebied met zandgronden en andere gunstige gebieden”

e)

In bijlage III (wijnbouwzones) wordt in punt 6 het volgende toegevoegd:

„In Bulgarije omvat wijnbouwzone C III a) de met wijnstokken beplante oppervlakten die niet onder punt 5 e) zijn opgenomen”,

f)

In bijlage V, deel D.3, wordt het volgende toegevoegd:

„en in Roemenië”;

7.

32000 R 1673: Verordening (EG) nr. 1673/2000 van de Raad van 27 juli 2000 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector vezelvlas en -hennep (PB L 193 van 29.7.2000, blz. 16), gewijzigd bij:

32002 R 0651: Verordening (EG) nr. 651/2002 van de Commissie van 16.4.2002 (PB L 101 van 17.4.2002, blz. 3),

12003 T: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing van de Verdragen - Toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek (PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33),

32003 R 1782: Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29.9.2003 (PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1),

32004 R 0393: Verordening (EG) nr. 393/2004 van de Raad van 24.2.2004 (PB L 65 van 3.3.2004, blz. 4).

a)

Artikel 3, lid 1, wordt vervangen door:

„1.

Voor lange vlasvezels wordt een gegarandeerde maximumhoeveelheid van 80 878 ton per verkoopseizoen vastgesteld en in de vorm van gegarandeerde nationale hoeveelheden over de lidstaten verdeeld. De verdeling van die hoeveelheden is als volgt:

13 800 ton voor België,

13 ton voor Bulgarije,

1 923 ton voor Tsjechië,

300 ton voor Duitsland,

30 ton voor Estland,

50 ton voor Spanje,

55 800 ton voor Frankrijk,

360 ton voor Letland,

2 263 ton voor Litouwen,

4 800 ton voor Nederland,

150 ton voor Oostenrijk,

924 ton voor Polen,

50 ton voor Portugal,

42 ton voor Roemenië,

73 ton voor Slowakije,

200 ton voor Finland,

50 ton voor Zweden,

50 ton voor het Verenigd Koninkrijk.”

b)

In artikel 3, lid 2, worden de inleidende zin en punt a) vervangen door:

„2.

Voor korte vlasvezels en voor hennepvezels waarvoor steun kan worden verleend, wordt een gegarandeerde maximumhoeveelheid van 147 265 ton per verkoopseizoen vastgesteld. Deze hoeveelheid wordt verdeeld in de vorm van:

a)

gegarandeerde nationale hoeveelheden voor de volgende lidstaten:

10 350 ton voor België,

48 ton voor Bulgarije,

2 866 ton voor Tsjechië,

12 800 ton voor Duitsland,

42 ton voor Estland,

20 000 ton voor Spanje,

61 350 ton voor Frankrijk,

1 313 ton voor Letland,

3 463 ton voor Litouwen,

2 061 ton voor Hongarije,

5 550 ton voor Nederland,

2 500 ton voor Oostenrijk,

462 ton voor Polen,

1 750 ton voor Portugal,

921 ton voor Roemenië,

189 ton voor Slowakije,

2 250 ton voor Finland,

2 250 ton voor Zweden,

12 100 ton voor het Verenigd Koninkrijk.

De gegarandeerde maximumhoeveelheid voor Hongarije heeft evenwel alleen betrekking op hennepvezels.”

8.

32003 R 1782: Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1), gewijzigd bij:

32004 R 0021: Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad van 17.12.2003 (PB L 5 van 9.1.2004, blz. 8),

32004 R 0583: Verordening (EG) nr. 583/2004 van de Raad van 22.3.2004 (PB L 91 van 30.3.2004, blz. 1),

32004 D 0281: Beschikking 2004/281/EG van de Raad van 22.3.2004 (PB L 93 van 30.3.2004, blz. 1),

32004 R 0864: Verordening (EG) nr. 864/2004 van de Raad van 29.4.2004 (PB L 161 van 30.4.2004, blz. 48).

a)

Artikel 2, punt g), wordt vervangen door:

„g)

onder „nieuwe lidstaten” wordt verstaan: Bulgarije, Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Roemenië, Slovenië en Slowakije.”

b)

Aan artikel 5, lid 2, wordt aan het einde van de eerste alinea het volgende toegevoegd:

„Bulgarije en Roemenië zien er echter op toe dat de grond die op 1 januari 2007 blijvend grasland was, als blijvend grasland wordt gehandhaafd.”

c)

Aan artikel 54, lid 2, wordt aan het einde van de eerste alinea het volgende toegevoegd:

„Voor Bulgarije en Roemenië is de voor de aanvragen om oppervlaktesteun vastgestelde datum echter 30 juni 2005”

d)

Aan artikel 71 octies wordt het volgende toegevoegd:

„9.

Voor Bulgarije en Roemenië:

a)

is de in lid 2 bedoelde driejarige referentieperiode 2002-2004;

b)

is het in lid 3, punt a) bedoelde jaar 2004;

c)

is de verwijzing naar 2004 en/of 2005 in lid 4, eerste alinea, een verwijzing naar 2005 en/of 2006, en zijn de verwijzingen naar 2004 verwijzingen naar 2005.”

e)

Aan artikel 71 nonies wordt het volgende toegevoegd:

„Voor Bulgarije en Roemenië is de verwijzing naar 30 juni 2003 echter een verwijzing naar 30 juni 2005.”

f)

Artikel 74, lid 1, wordt vervangen door:

„1.

De steun wordt verleend voor nationale basisarealen in de in bijlage X vermelde traditionele productiegebieden.

De basisarealen zijn:

Bulgarije

21 800 ha

Griekenland

617 000 ha

Spanje

594 000 ha

Frankrijk

208 000 ha

Italië

1 646 000 ha

Cyprus

6 183 ha

Hongarije

2 500 ha

Oostenrijk

7 000 ha

Portugal

118 000 ha”

g)

Artikel 78, lid 1, wordt vervangen door:

„1.

Hierbij wordt een gegarandeerd maximumareaal van 1 648 000 ha vastgesteld waarvoor de steun kan worden verleend.”

h)

Artikel 80, lid 2, wordt vervangen door:

„2.

Op grond van de fysieke opbrengsten in de betrokken lidstaten bedraagt de steun:

 

Verkoopseizoen 2004/2005 en in geval van toepassing van artikel 71

(EUR/ha)

Verkoopseizoen 2005/2006 en volgende

(EUR/ha)

Bulgarije

-

345,225

Griekenland

1 323,96

561,00

Spanje

1 123,95

476,25

Frankrijk:

 

 

Europees grondgebied

971,73

411,75

Guyana

1 329,27

563,25

Italië

1 069,08

453,00

Hongarije

548,70

232,50

Portugal

1 070,85

453,75

Roemenië

-

126,075”

i)

Artikel 81 wordt vervangen door:

„Artikel 81

Arealen

Hierbij wordt voor elke producerende lidstaat een nationaal basisareaal vastgesteld. Voor Frankrijk worden evenwel twee basisarealen vastgesteld. De basisarealen zijn de volgende:

Bulgarije

4 166 ha

Griekenland

20 333 ha

Spanje

104 973 ha

Frankrijk:

Europees grondgebied

19 050 ha

Guyana

4 190 ha

Italië

219 588 ha

Hongarije

3 222 ha

Portugal

24 667 ha

Roemenië

500 ha

Een lidstaat kan zijn basisareaal of zijn basisarealen op basis van objectieve criteria in subbasisarealen onderverdelen.”

j)

Artikel 84 wordt vervangen door:

„Artikel 84

Arealen

1.   Een lidstaat verleent de communautaire steun binnen de grenzen van een maximum dat wordt berekend door het in lid 3 vastgestelde aantal hectaren van zijn NGA te vermenigvuldigen met het gemiddelde bedrag van 120,75 EUR.

2.   Hierbij wordt een gegarandeerd maximumareaal van 829 229 ha vastgesteld.

3.   Het in lid 2 vastgestelde gegarandeerde maximumareaal wordt verdeeld in de volgende NGA's:

Nationaal gegarandeerd areaal (NGA)

België

100 ha

Bulgarije

11 984 ha

Duitsland

1 500 ha

Griekenland

41 100 ha

Spanje

568 200 ha

Frankrijk

17 300 ha

Italië

130 100 ha

Cyprus

5 100 ha

Luxemburg

100 ha

Hongarije

2 900 ha

Nederland

100 ha

Oostenrijk

100 ha

Polen

4 200 ha

Portugal

41 300 ha

Roemenië

1 645 ha

Slovenië

300 ha

Slowakije

3 100 ha

Verenigd Koninkrijk

100 ha

4.   Een lidstaat kan zijn NGA op basis van objectieve criteria onderverdelen in subarealen, met name op regionaal niveau of in relatie tot de productie.”

k)

Aan artikel 95, lid 4, worden de volgende alinea's toegevoegd:

„Voor Bulgarije en Roemenië worden de in de eerste alinea bedoelde totale hoeveelheden vastgesteld in tabel f) van bijlage I van Verordening (EG) nr. 1788/2003 en herzien overeenkomstig artikel 6, lid 1, zesde alinea, van Verordening (EG) nr. 1788/2003.

Voor Bulgarije en Roemenië is het in de eerste alinea bedoelde tijdvak van 12 maanden het tijdvak 2006/2007.”

l)

Aan artikel 103 wordt aan de tweede alinea het volgende toegevoegd:

„Voor Bulgarije en Roemenië geldt voor de toepassing van deze alinea evenwel dat de regeling inzake een enkele areaalbetaling in 2007 wordt toegepast en dat is gekozen voor de toepassing van artikel 66.”

m)

Artikel 105, lid 1, wordt vervangen door:

„1.

Voor met durumtarwe ingezaaide oppervlakten in de in bijlage X genoemde traditionele productiegebieden wordt een toeslag op de areaalbetaling uitgekeerd van:

291 EUR/ha voor het verkoopseizoen 2005/2006,

285 EUR/ha vanaf het verkoopseizoen 2006/2007,

zulks tot de onderstaande maximumarealen:

(hectare)

Bulgarije

21 800

Griekenland

617 000

Spanje

594 000

Frankrijk

208 000

Italië

1 646 000

Cyprus

6 183

Hongarije

2 500

Oostenrijk

7 000

Portugal

118 000”

n)

Aan artikel 108 wordt aan de tweede alinea het volgende toegevoegd:

„In Bulgarije en Roemenië kunnen echter geen betalingsaanvragen worden ingediend voor grond die op 30 juni 2005 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was.”

o)

Artikel 110 quater, lid 1, wordt vervangen door:

„1.

De volgende nationale basisarealen worden hierbij vastgesteld:

Bulgarije: 10 237 ha

Griekenland: 370 000 ha

Spanje: 70 000 ha

Portugal: 360 ha.”

p)

Artikel 110 quater, lid 2, wordt vervangen door:

„2.

steun per subsidiabele hectare bedraagt in:

Bulgarije: 263 EUR.

Griekenland: 594 EUR voor 300 000 ha, en 342,85 EUR voor de resterende 70 000 ha

Spanje: 1 039 EUR.

Portugal: 556 EUR.”

q)

Artikel 116, lid 4, wordt vervangen door:

„4.

De volgende maxima zijn van toepassing:

Lidstaat

Rechten (x 1 000)

België

70

Bulgarije

2 058,483

Tsjechië

66,733

Denemarken

104

Duitsland

2 432

Estland

48

Griekenland

11 023

Spanje

19 580

Frankrijk

7 842

Ierland

4 956

Italië

9 575

Cyprus

472,401

Letland

18,437

Litouwen

17,304

Luxemburg

4

Hongarije

1 146

Malta

8,485

Nederland

930

Oostenrijk

206

Polen

335,88

Portugal

2 690

Roemenië

5 880,620

Slovenië

84,909

Slowakije

305,756

Finland

80

Zweden

180

Verenigd Koninkrijk

19 492

Totaal

89 607,008”

r)

Artikel 123, lid 8, wordt vervangen door:

„8.

De volgende regionale maxima zijn van toepassing:

België

235 149

Bulgarije

90 343

Tsjechië

244 349

Denemarken

277 110

Duitsland

1 782 700

Estland

18 800

Griekenland

143 134

Spanje

713 999 (1)

Frankrijk

1 754 732 (2)

Ierland

1 077 458

Italië

598 746

Cyprus

12 000

Letland

70 200

Litouwen

150 000

Luxemburg

18 962

Hongarije

94 620

Malta

3 201

Nederland

157 932

Oostenrijk

373 400

Polen

926 000

Portugal

175 075 (3)

Roemenië

452 000

Slovenië

92 276

Slowakije

78 348

Finland

250 000

Zweden

250 000

Verenigd Koninkrijk

1 419 811 (4)

s)

Artikel 126, lid 5, wordt vervangen door:

„5.

De volgende nationale maxima zijn van toepassing:

België

394 253

Bulgarije

16 019

Tsjechië

90 300

Denemarken

112 932

Duitsland

639 535

Estland

13 416

Griekenland

138 005

Spanje (5)

1 441 539

Frankrijk (6)

3 779 866

Ierland

1 102 620

Italië

621 611

Cyprus

500

Letland

19 368

Litouwen

47 232

Luxemburg

18 537

Hongarije

117 000

Malta

454

Nederland

63 236

Oostenrijk

375 000

Polen

325 581

Portugal (7)

416 539

Roemenië

150 000

Slovenië

86 384

Slowakije

28 080

Finland

55 000

Zweden

155 000

Verenigd Koninkrijk

1 699 511

t)

In artikel 130, lid 3, wordt de tweede alinea vervangen door:

„Voor de nieuwe lidstaten zijn de nationale maxima opgenomen in de onderstaande tabel.

 

Stieren, ossen, koeien en vaarzen

Kalveren van meer dan één en minder dan acht maanden oud met een slachtgewicht van ten hoogste 185 kg

Bulgarije

22 191

101 542

Tsjechië

483 382

27 380

Estland

107 813

30 000

Cyprus

21 000

Letland

124 320

53 280

Litouwen

367 484

244 200

Hongarije

141 559

94 439

Malta

6 002

17

Polen

1 815 430

839 518

Roemenië

1 148 000

85 000

Slovenië

161 137

35 852

Slowakije

204 062

62 841”

u)

Aan artikel 143 bis wordt de volgende alinea toegevoegd:

„In Bulgarije en Roemenië worden de rechtstreekse betalingen evenwel ingevoerd overeenkomstig de volgende regeling inzake toename, uitgedrukt als percentage van het dan geldende niveau van deze betalingen in de Gemeenschap in haar samenstelling op 30 april 2004:

25% in 2007

30% in 2008,

35% in 2009,

40% in 2010,

50% in 2011,

60% in 2012,

70% in 2013,

80% in 2014,

90% in 2015,

100% vanaf 2016.”

v)

Aan artikel 143 ter, lid 4, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Voor Bulgarije en Roemenië is het landbouwareaal in het kader van de regeling inzake een enkele areaalbetaling echter het deel van de oppervlakte cultuurgrond dat landbouwkundig in goede staat verkeert, ongeacht of het al dan niet in productie is, waar nodig bijgesteld volgens objectieve criteria die worden vastgesteld door Bulgarije of Roemenië, na goedkeuring door de Commissie.”

w)

Artikel 143 ter, lid 9, wordt vervangen door:

„9.

De regeling inzake een enkele areaalbetaling is voor elke nieuwe lidstaat beschikbaar voor een toepassingsperiode tot eind 2006, waarbij twee verlengingen met telkens één jaar op verzoek van de nieuwe lidstaat mogelijk zijn. De regeling inzake een enkele areaalbetaling is voor Bulgarije en Roemenië evenwel beschikbaar voor een toepassingsperiode tot eind 2009, waarbij twee verlengingen met telkens één jaar, op hun verzoek mogelijk zijn. Onverminderd lid 11, kan elke nieuwe lidstaat besluiten de toepassing van de regeling aan het einde van het eerste of het tweede jaar van de toepassingsperiode te beëindigen met het oog op toepassing van de bedrijfstoeslagregeling. De nieuwe lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus van het laatste toepassingsjaar in kennis van hun voornemen de toepassing te beëindigen.”

x)

Aan artikel 143 ter, lid 11, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Voor Bulgarije en Roemenië wordt tot het einde van de vijfjarige toepassingsperiode van de regeling inzake een enkele areaalbetaling (d.w.z. tot eind 2011), het in artikel 143 bis vastgestelde percentage toegepast. Indien de toepassing van de regeling inzake een enkele areaalbetaling na die periode bij een overeenkomstig punt b) genomen besluit wordt verlengd, geldt het in artikel 143 bis voor het jaar 2011 vastgestelde percentage tot het einde van het laatste jaar waarin de regeling inzake een enkele areaalbetaling wordt toegepast.”

y)

Artikel 143 quater, lid 2, wordt vervangen door:

„2.

Onder voorbehoud van toestemming van de Commissie kunnen de nieuwe lidstaten eventuele rechtstreekse betalingen aanvullen:

a)

wat alle rechtstreekse betalingen betreft, tot 55% van het niveau van de rechtstreekse betalingen in de Gemeenschap in haar samenstelling op 30 april 2004 in 2004, 60% in 2005 en 65% in 2006 en vanaf 2007 tot 30 procentpunten boven het in artikel 143 bis voor het betrokken jaar vastgestelde niveau. Voor Bulgarije en Roemenië geldt het volgende: 55% van het niveau van de rechtstreekse betalingen in de Gemeenschap in haar samenstelling op 30 april 2004 in 2007, 60% in 2008 en 65% in 2009 en vanaf 2010 tot 30 procentpunten boven het in artikel 143 bis voor het betrokken jaar bedoelde toepasselijke niveau. Tsjechië kan de rechtstreekse betalingen in de sector aardappelzetmeel echter aanvullen tot 100% van het niveau dat geldt in de Gemeenschap in haar samenstelling op 30 april 2004. Wat betreft de rechtstreekse betalingen als bedoeld in titel IV, hoofdstuk 7, van deze verordening zijn evenwel de volgende maximumpercentages van toepassing: 85% in 2004, 90% in 2005, 95% in 2006 en 100% vanaf 2007. Voor Bulgarije en Roemenië zijn de volgende maximumpercentages van toepassing: 85% in 2007, 90% in 2008, 95% in 2009 en 100% vanaf 2010;

hetzij

b)

i)

wat de andere rechtstreekse betalingen dan de bedrijfstoeslag betreft, tot het totale niveau van de rechtstreekse steun waarop de landbouwer in de nieuwe lidstaat in het kalenderjaar 2003 per product op grond van een met GLB-steun vergelijkbare nationale regeling recht zou hebben, verhoogd met 10 procentpunten. Voor Litouwen is het referentiejaar evenwel het kalenderjaar 2002. Voor Bulgarije en Roemenië is het referentiejaar het kalenderjaar 2006. Voor Slovenië bedraagt de verhoging 10 procentpunten in 2004, 15 procentpunten in 2005, 20 procentpunten in 2006 en 25 procentpunten vanaf 2007;

ii)

wat de bedrijfstoeslagregeling betreft, wordt het totale bedrag van de aanvullende nationale rechtstreekse steun die een nieuwe lidstaat voor een bepaald jaar verleent, beperkt door een specifiek totaalbedrag. Dit totaalbedrag is gelijk aan het verschil tussen:

het totale bedrag aan met GLB-steun vergelijkbare nationale rechtstreekse steun dat in de betrokken nieuwe lidstaat beschikbaar zou zijn voor het kalenderjaar 2003 of, in het geval van Litouwen, het kalenderjaar 2002, telkens verhoogd met 10 procentpunten. Voor Bulgarije en Roemenië is het referentiejaar evenwel het kalenderjaar 2006. Voor Slovenië bedraagt de verhoging 10 procentpunten in 2004, 15 procentpunten in 2005, 20 procentpunten in 2006 en 25 procentpunten vanaf 2007.

en

het in bijlage VIII bis vermelde nationale maximum voor deze nieuwe lidstaat, zo nodig aangepast overeenkomstig artikel 64, lid 2, en artikel 70, lid 2.

Bij de berekening van het totale bedrag als bedoeld in het bovenstaande eerste streepje worden meegerekend de nationale rechtstreekse betalingen en/of componenten daarvan die overeenkomen met de communautaire rechtstreekse betalingen en/of componenten daarvan die in aanmerking werden genomen voor de berekening van het feitelijke maximum voor de betrokken nieuwe lidstaat overeenkomstig artikel 64, lid 2, artikel 70, lid 2 en artikel 71 quater.

Voor elke betrokken rechtstreekse betaling kan een nieuwe lidstaat kiezen voor de toepassing van bovengenoemde optie a) of b).

De totale rechtstreekse steun die na de toetreding in de nieuwe lidstaat aan de landbouwer kan worden verleend uit hoofde van de betrokken rechtstreekse betaling met inbegrip van alle aanvullende nationale rechtstreekse betalingen, is niet hoger dan het niveau van de rechtstreekse steun waarop de landbouwer recht zou hebben uit hoofde van de overeenkomstige rechtstreekse betaling die dan geldt voor de lidstaten van de Gemeenschap in haar samenstelling op 30 april 2004.”

z)

Artikel 154 bis, lid 2, wordt vervangen door:

„2.

De in lid 1 bedoelde maatregelen kunnen worden vastgesteld gedurende een periode die aanvangt op 1 mei 2004 en afloopt op 30 juni 2009, en worden na deze datum niet langer toegepast. Voor Bulgarije en Roemenië loopt deze periode evenwel van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2011. De Raad kan deze periode op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen verlengen.”

aa)

In bijlage III wordt de volgende voetnoot toegevoegd:

aan de titel van punt A:

„* Voor Bulgarije en Roemenië moet de verwijzing naar 2005 worden gelezen als een verwijzing naar het eerste jaar dat de bedrijfstoeslagregeling wordt toegepast.”;

aan de titel van punt B:

„* Voor Bulgarije en Roemenië moet de verwijzing naar 2006 worden gelezen als een verwijzing naar het tweede jaar dat de bedrijfstoeslagregeling wordt toegepast.”;

aan de titel van punt C:

„* Voor Bulgarije en Roemenië moet de verwijzing naar 2007 worden gelezen als een verwijzing naar het derde jaar dat de bedrijfstoeslagregeling wordt toegepast.”;

ab)

Bijlage VIII BIS wordt vervangen door:

„BIJLAGE VIII BIS

Nationale maxima als bedoeld in artikel 71 quater

De maxima zijn berekend met inachtneming van de in artikel 143 bis vastgestelde toenameregeling en dienen derhalve niet te worden verlaagd.

(in miljoen euro)

Kalender-jaar

Bulgarije

Tsjechië

Estland

Cyprus

Letland

Litouwen

Hongarije

Malta

Polen

Roemenië

Slovenië

Slowakije

2005

-

228,8

23,4

8,9

33,9

92,0

350,8

0,67

724,6

-

35,8

97,7

2006

-

266,7

27,3

12,5

39,6

107,3

420,2

0,83

881,7

-

41,9

115,4

2007

200,3

343,6

40,4

16,3

55,6

146,9

508,3

1,64

1 140,8

440,0

56,1

146,6

2008

240,4

429,2

50,5

20,4

69,5

183,6

634,9

2,05

1 425,9

527,9

70,1

183,2

2009

281,0

514,9

60,5

24,5

83,4

220,3

761,6

2,46

1 711,0

618,1

84,1

219,7

2010

321,2

600,5

70,6

28,6

97,3

257,0

888,2

2,87

1 996,1

706,4

98,1

256,2

2011

401,4

686,2

80,7

32,7

111,2

293,7

1 014,9

3,28

2 281,1

883,0

112,1

292,8

2012

481,7

771,8

90,8

36,8

125,1

330,4

1 141,5

3,69

2 566,2

1 059,6

126,1

329,3

2013

562,0

857,5

100,9

40,9

139,0

367,1

1 268,2

4,10

2 851,3

1 236,2

140,2

365,9

2014

642,3

857,5

100,9

40,9

139,0

367,1

1 268,2

4,10

2 851,3

1 412,8

140,2

365,9

2015

722,6

857,5

100,9

40,9

139,0

367,1

1 268,2

4,10

2 851,3

1 589,4

140,2

365,9

volgende jaren

802,9

857,5

100,9

40,9

139,0

367,1

1 268,2

4,10

2 851,3

1 766,0

140,2

365,9”

ac)

Aan bijlage X wordt het volgende toegevoegd:

 

„BULGARIJE

 

Starozagorski

 

Haskovski

 

Slivenski

 

Yambolski

 

Burgaski

 

Dobrichki

 

Plovdivski”

ad)

Bijlage XI TER wordt vervangen door:

„BIJLAGE XI TER

Nationale basisarealen voor akkerbouwgewassen en referentieopbrengsten in de nieuwe lidstaten als bedoeld in de artikelen 101 en 103

 

Basisareaal

(hectare)

Referentieopbrengst

(t/ha)

Bulgarije

2 625 258

2,90

Tsjechië

2 253 598

4,20

Estland

362 827

2,40

Cyprus

79 004

2,30

Letland

443 580

2,50

Litouwen

1 146 633

2,70

Hongarije

3 487 792

4,73

Malta

4 565

2,02

Polen

9 454 671

3,00

Roemenië

7 012 666

2,65

Slovenië

125 171

5,27

Slowakije

1 003 453

4,06”

9.

32003 R 1788: Verordening (EG) nr. 1788/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 270 van 21.10.2003, blz. 123), gewijzigd bij:

32004 D 0281: Beschikking 2004/281/EG van de Raad van 22.3.2004 (PB L 93 van 30.3.2004, blz. 1).

a)

Aan artikel 1, lid 4, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Voor Bulgarije en Roemenië wordt een speciale herstructureringsreserve ingevoerd zoals vastgesteld in tabel g) van bijlage I. Deze reserve wordt met ingang van 1 april 2009 vrijgegeven in de mate waarin het verbruik op het bedrijf van melk en zuivelproducten in elke van deze landen sedert 2002 is gedaald. Het besluit tot vrijgave van de reserve en inzake de verdeling ervan over de quota voor de leveringen en de rechtstreekse verkoop wordt door de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 23, lid 2, genomen op basis van de beoordeling van een uiterlijk op 31 december 2008 door Bulgarije en Roemenië aan de Commissie voor te leggen verslag. Dit verslag moet de resultaten en trends van het lopende herstructureringsproces in de zuivelsector van het land, en met name de verlegging van de productie voor verbruik op het bedrijf naar productie voor de markt, gedetailleerd weergeven.”

b)

Artikel 1, lid 5, wordt vervangen door:

„5.

"Voor Bulgarije, Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Roemenië, Slovenië en Slowakije hebben de nationale referentiehoeveelheden betrekking op alle hoeveelheden koemelk of het equivalent daarvan die worden geleverd aan een koper of rechtstreeks worden verkocht zoals omschreven in artikel 5 van deze verordening, ook indien deze krachtens een in die landen geldende overgangsmaatregel worden geproduceerd of vermarkt.”;

c)

Aan artikel 1 wordt het volgende toegevoegd:

„6.

Voor Bulgarije en Roemenië geldt de heffing vanaf 1 april 2007.”

d)

In artikel 6, lid 1, wordt de tweede en derde alinea vervangen door:

„Voor Bulgarije, Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Roemenië, Slovenië en Slowakije wordt de grondslag voor de bovenbedoelde individuele referentiehoeveelheden vastgesteld in tabel f) van bijlage I.

In het geval van Bulgarije, Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Roemenië, Slovenië en Slowakije vangt het tijdvak van twaalf maanden voor de vaststelling van de individuele referentiehoeveelheden aan op: 1 april 2001 voor Hongarije, 1 april 2002 voor Malta en Litouwen, 1 april 2003 voor Tsjechië, Cyprus, Estland, Letland, en Slowakije, 1 april 2004 voor Polen en Slovenië en 1 april 2006 voor Bulgarije en Roemenië.”

e)

Aan artikel 6, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Wat Bulgarije en Roemenië betreft, wordt de in bijlage I, tabel f), vastgestelde verdeling van de totale hoeveelheid over de leveringen en de rechtstreekse verkoop op basis van de werkelijke cijfers over de in 2006 geleverde en rechtstreeks verkochte hoeveelheden opnieuw bezien en, zo nodig, door de Commissie aangepast volgens de in artikel 23, lid 2 bedoelde procedure.”

f)

In artikel 9, lid 2, wordt de tweede alinea vervangen door:

„Voor Bulgarije, Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen, Roemenië, Slovenië en Slowakije is het in lid 1 bedoelde referentievetgehalte hetzelfde als het referentievetgehalte van de hoeveelheden die aan de producenten worden toegewezen op basis van het tijdvak tot en met de volgende datum: 31 maart 2002 voor Hongarije, 31 maart 2003 voor Litouwen, 31 maart 2004 voor Tsjechië, Cyprus, Estland, Letland, en Slowakije, 31 maart 2005 voor Polen en Slovenië en 31 maart 2007 voor Bulgarije en Roemenië.”

g)

Aan artikel 9, lid 5, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Voor Roemenië wordt het in bijlage II vastgestelde referentievetgehalte op basis van de cijfers voor het volledige jaar 2004 opnieuw bezien en, zo nodig, door de Commissie aangepast volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde procedure.”

h)

In bijlage I worden de tabellen d), e), f) en g) vervangen door:

„d)

Tijdvak 2007/2008

Lidstaat

Hoeveelheid, ton

België

3 343 535,000

Bulgarije

979 000,000

Tsjechië

2 682 143,000

Denemarken

4 499 900,000

Duitsland

28 143 464,000

Estland

624 483,000

Griekenland

820 513,000

Spanje

6 116 950,000

Frankrijk

24 478 156,000

Ierland

5 395 764,000

Italië

10 530 060,000

Cyprus

145 200,000

Letland

695 395,000

Litouwen

1 646 939,000

Luxemburg

271 739,000

Hongarije

1 947 280,000

Malta

48 698,000

Nederland

11 185 440,000

Oostenrijk

2 776 895,000

Polen

8 964 017,000

Portugal

1 939 187,000

Roemenië

3 057 000,000

Slovenië

560 424,000

Slowakije

1 013 316,000

Finland

2 431 047,324

Zweden

3 336 030,000

Verenigd Koninkrijk

14 755 647,000

e)

Tijdvakken 2008/2009 tot 2014/2015

Lidstaat

Hoeveelheid, ton

België

3 360 087,000

Bulgarije

979 000,000

Tsjechië

2 682 143,000

Denemarken

4 522 176,000

Duitsland

28 282 788,000

Estland

624 483,000

Griekenland

820 513,000

Spanje

6 116 950,000

Frankrijk

24 599 335,000

Ierland

5 395 764,000

Italië

10 530 060,000

Cyprus

145 200,000

Letland

695 395,000

Litouwen

1 646 939,000

Luxemburg

273 084,000

Hongarije

1 947 280,000

Malta

48 698,000

Nederland

11 240 814,000

Oostenrijk

2 790 642,000

Polen

8 964 017,000

Portugal

1 948 550,000

Roemenië

3 057 000,000

Slovenië

560 424,000

Slowakije

1 013 316,000

Finland

2 443 069,324

Zweden

3 352 545,000

Verenigd Koninkrijk

14 828 597,000

f)

Referentiehoeveelheden voor leveringen en rechtstreekse verkoop als bedoeld in artikel 6, lid 1, tweede alinea

Lidstaat

Referentiehoeveelheid voor leveringen (ton)

Referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkoop (ton)

Bulgarije

722 000

257 000

Tsjechië

2 613 239

68 904

Estland

537 188

87 365

Cyprus

141 337

3 863

Letland

468 943

226 452

Litouwen

1 256 440

390 499

Hongarije

1 782 650

164 630

Malta

48 698

Polen

8 500 000

464 017

Roemenië

1 093 000

1 964 000

Slovenië

467 063

93 361

Slowakije

990 810

22 506

g)

Speciale herstructureringsreserve als bedoeld in artikel 1, lid 4

Lidstaat

Speciale herstructureringsreserve (ton)

Bulgarije

39 180

Tsjechië

55 788

Estland

21 885

Letland

33 253

Litouwen

57 900

Hongarije

42 780

Polen

416 126

Roemenië

188 400

Slovenië

16 214

Slowakije

27 472”

i)

In bijlage II wordt de tabel vervangen door:

„REFERENTIEVETGEHALTE

Lidstaat

Referentievetgehalte (g/kg)

België

36,91

Bulgarije

39,10

Tsjechië

42,10

Denemarken

43,68

Duitsland

40,11

Estland

43,10

Griekenland

36,10

Spanje

36,37

Frankrijk

39,48

Ierland

35,81

Italië

36,88

Cyprus

34,60

Letland

40,70

Litouwen

39,90

Luxemburg

39,17

Hongarije

38,50

Nederland

42,36

Oostenrijk

40,30

Polen

39,00

Portugal

37,30

Roemenië

35,93

Slovenië

41,30

Slowakije

37,10

Finland

43,40

Zweden

43,40

Verenigd Koninkrijk

39,70”.

3.   VERVOERSBELEID

31996 L 0026: Richtlijn 96/26/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg, nationaal en internationaal, en inzake de wederzijdse erkenning van diploma's, certificaten en andere titels ter vergemakkelijking van de uitoefening van het recht van vrije vestiging van bedoelde vervoerondernemers (PB L 124 van 23.5.1996, blz. 1), gewijzigd bij:

31998 L 0076: Richtlijn 98/76/EG van de Raad van 1.10.1998 (PB L 277 van 14.10.1998, blz. 17),

12003 T: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing van de Verdragen - Toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek (PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33),

32004 L 0066: Richtlijn 2004/66/EG van de Raad van 26.4.2004 (PB L 168 van 1.5.2004, blz. 35).

a)

Aan artikel 10 worden de volgende alinea's toegevoegd:

„11.

In afwijking van lid 3 worden bewijzen die vóór de toetreding in Bulgarije aan wegvervoerders zijn afgegeven alleen met de op grond van de bepalingen van deze richtlijn afgegeven verklaringen gelijkgesteld voorzover zij:

na 19 november 2002 uit hoofde van Ordonnantie nr. 11 van 31 oktober 2002 betreffende het internationaal vervoer van passagiers en goederen over de weg (Staatsblad nr. 108 van 19 november 2002) zijn afgegeven aan ondernemers die internationaal goederenvervoer en personenvervoer over de weg verrichten

na 19 november 2002 uit hoofde van Ordonnantie nr. 33 van 3 november 1999 betreffende het openbaar vervoer van passagiers en goederen op het grondgebied van Bulgarije, als gewijzigd op 30 oktober 2002 (Staatsblad nr. 108 van 19 november 2002) zijn afgegeven aan ondernemers die binnenlands goederenvervoer en personenvervoer over de weg verrichten.

12.

In afwijking van lid 3 worden bewijzen die vóór de toetreding in Roemenië aan wegvervoerders zijn afgegeven alleen met de op grond van de bepalingen van deze richtlijn afgegeven verklaringen gelijkgesteld voorzover zij na 28 januari 2000 uit hoofde van de beschikking van de minister van Vervoer nr. 761 van 21 december 1999 inzake de aanstelling, opleiding en beroepscertificaten voor personen die permanent en daadwerkelijk activiteiten op het gebied van wegvervoer coördineren, zijn afgegeven aan ondernemers die internationaal en binnenlands goederenvervoer en personenvervoer over de weg verrichten.”.

b)

Artikel 10 ter, tweede alinea, wordt vervangen door:

„De in artikel 10, leden 4 tot en met 12, bedoelde bewijzen van vakbekwaamheid mogen door de betrokken lidstaten opnieuw worden afgegeven in de vorm van het getuigschrift in bijlage I bis.”.

4.   BELASTINGEN

1.

31977 L 0388: Zesde Richtlijn van de Raad (77/388/EEG) van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145 van 13.6.1977, blz. 1), zoals gewijzigd bij:

11979 H: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassingen van de Verdragen ‐ Toetreding van de Helleense Republiek (PB L 291 van 19.11.1979, blz. 95),

31980 L 0368: Richtlijn 80/368/EEG van de Raad van 26.3.1980 (PB L 90 van 3.4.1980, blz. 41),

31984 L 0368: Richtlijn 84/386/EEG van de Raad van 31.7.1984 (PB L 208 van 3.8.1984, blz. 58),

11985 I: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassingen van de Verdragen - Toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB L 302 van 15.11.1985, blz. 167),

31989 L 0465: Richtlijn 89/465/EEG van de Raad van 18.7.1989 (PB L 226 van 3.8.1989, blz. 21),

31991 L 0680: Richtlijn 91/680/EEG van de Raad van 16.12.1991 (PB L 376 van 31.12.1991, blz. 1),

31992 L 0077: Richtlijn 92/77/EEG van de Raad van 19.10.1992 (PB L 316 van 31.10.1992, blz. 1),

31992 L 0111: Richtlijn 92/111/EEG van de Raad van 14.12.1992 (PB L 384 van 30.12.1992, blz. 47),

31994 L 0004: Richtlijn 94/4/EG van de Raad van 14.2.1994 (PB L 60 van 3.3.1994, blz. 14),

31994 L 0005: Richtlijn 94/5/EG van de Raad van 14.2.1994 (PB L 60 van 3.3.1994, blz. 16),

31994 L 0076: Richtlijn 94/76/EG van de Raad van 22.12.1994 (PB L 365 van 31.12.1994, blz. 53),

31995 L 0007: Richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10.4.1995 (PB L 102 van 5.5.1995, blz. 18),

31996 L 0042: Richtlijn 96/42/EG van de Raad van 25.6.1996 (PB L 170 van 9.7.1996, blz. 34),

31996 L 0095: Richtlijn 96/95/EG van de Raad van 20.12.1996 (PB L 338 van 28.12.1996, blz. 89),

31998 L 0080: Richtlijn 98/80/EG van de Raad van 12.10.1998 (PB L 281 van 17.10.1998, blz. 31),

31999 L 0049: Richtlijn 1999/49/EG van de Raad van 25.5.1999 (PB L 139 van 2.6.1999, blz. 27),

31999 L 0059: Richtlijn 1999/59/EG van de Raad van 17.6.1999 (PB L 162 van 26.6.1999, blz. 63),

31999 L 0085: Richtlijn 1999/85/EG van de Raad van 22.10.1999 (PB L 277 van 28.10.1999, blz. 34),

32000 L 0017: Richtlijn 2000/17/EG van de Raad van 30.3.2000 (PB L 84 van 5.4.2000, blz. 24),

32000 L 0065: Richtlijn 2000/65/EG van de Raad van 17.10.2000 (PB L 269 van 21.10.2000, blz. 44),

32001 L 0004: Richtlijn 2001/4/EG van de Raad van 19.1.2001 (PB L 22 van 24.1.2001, blz. 17),

32001 L 0115: Richtlijn 2001/115/EG van de Raad van 20.12.2001 (PB L 15 van 17.1.2002, blz. 24),

32002 L 0038: Richtlijn 2002/38/EG van de Raad van 7.5.2002 (PB L 128 van 15.5.2002, blz. 41),

32002 L 0093: Richtlijn 2002/93/EG van de Raad van 3.12.2002 (PB L 331 van 7.12.2002, blz. 27),

12003 T: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassingen van de Verdragen - Toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek (PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33),

32003 L 0092: Richtlijn 2003/92/EG van de Raad van 7.10.2003 (PB L 260 van 11.10.2003, blz. 8),

32004 L 0007: Richtlijn 2004/7/EG van de Raad van 20.1.2004 (PB L 27 van 30.1.2004, blz. 44),

32004 L 0015: Richtlijn 2004/15/EG van de Raad van 10.2.2004 (PB L 52 van 21.2.2004, blz. 61),

32004 L 0066: Richtlijn 2004/66/EG van de Raad van 26.4.2004 (PB L 168 van 1.5.2004, blz. 35).

In artikel 24 bis wordt vóór het streepje

„—

voor Tsjechië: 35 000 EUR” de volgende tekst ingevoegd:

„—

voor Bulgarije: 25 600 EUR;”.

en wordt na het streepje

„—

in Polen: 10 000 EUR” het volgende ingevoegd:

„—

in Roemenië: 35 000 EUR;”.

2.

31992 L 0083: Richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken (PB L 316 van 31.10.1992, blz. 21), gewijzigd bij:

12003 T: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing van de Verdragen - Toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek (PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33).

a)

Artikel 22, lid 6, wordt vervangen door:

„6.

Bulgarije en Tsjechië mogen een verlaagd accijnstarief van niet minder dan 50 % van het normale nationale accijnstarief voor ethylalcohol toepassen op ethylalcohol die is geproduceerd door distilleerderijen van fruitkwekers die op jaarbasis meer dan 10 hectoliter ethylalcohol van hun door fruitkwekershuishoudens geleverd fruit produceren. De toepassing van het verlaagde tarief is beperkt tot 30 liter exclusief voor persoonlijke consumptie bestemde vruchten-eau-de-vie per producerend fruitkwekershuishouden per jaar.”

b)

Artikel 22, lid 7, wordt vervangen door:

„7.

Hongarije, Roemenië en Slowakije mogen een verlaagd accijnstarief van niet minder dan 50 % van het normale nationale accijnstarief voor ethylalcohol toepassen op ethylalcohol die is geproduceerd door distilleerderijen van fruitkwekers die op jaarbasis meer dan 10 hectoliter ethylalcohol van hun door fruitkwekershuishoudens geleverd fruit produceren. De toepassing van het verlaagde tarief is beperkt tot 50 liter exclusief voor persoonlijke consumptie bestemde vruchten-eau-de-vie per producerend fruitkwekershuishouden per jaar. De Commissie zal deze regeling in 2015 evalueren, en aan de Raad rapporteren inzake mogelijke wijzigingen.”.


(1)  Onverminderd de specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr. 1454/2001.

(2)  Onverminderd de specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr. 1452/2001.

(3)  Onverminderd de specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr. 1453/2001.

(4)  Dit maximum wordt tijdelijk met 100 000 verhoogd tot 1 519 811 totdat levende dieren van minder dan zes maanden mogen worden uitgevoerd.”

(5)  Onverminderd de specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr. 1454/2001.

(6)  Onverminderd de specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr. 1452/2001.

(7)  Onverminderd de specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr. 1453/2001.”


BIJLAGE IV

Lijst bedoeld in artikel 17 van het Protocol: aanvullende aanpassingen van besluiten van de Instellingen

1.   LANDBOUW

A.   LANDBOUWWETGEVING

1.

Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, Deel III, Titel III, Hoofdstuk III, Afdeling 4, Landbouw en visserij

Op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement wijzigt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de verordening betreffende de gemeenschappelijke marktordening in de sector suiker teneinde rekening te houden met de toetreding van Bulgarije en Roemenië, waarbij de suiker- en isoglucosequota alsook de maximale bevoorradingsbehoefte voor geïmporteerde ruwe suiker, zoals vastgesteld in de onderstaande tabel, worden aangepast; deze kunnen op dezelfde manier worden aangepast als de quota voor de huidige lidstaten, om ervoor te zorgen dat de dan geldende beginselen en doelstellingen van de gemeenschappelijke marktordening in de sector suiker in acht worden genomen.

Overeengekomen hoeveelheden

(in ton)

 

Bulgarije

Roemenië

Basishoeveelheid voor suiker (1)

4 752

109 164

waarvan: A

4 320

99 240

B

432

9 924

Maximale bevoorradingsbehoefte (uitgedrukt in witte suiker) voor geïmporteerde ruwe suiker

198 748

329 636

Basishoeveelheid voor isoglucose (2)

56 063

9 981

waarvan: A

56 063

9 790

B

0

191

Indien Bulgarije daar in 2006 om verzoekt, worden de bovenvermelde basishoeveelheden A en B voor suiker overgebracht naar de respectieve basishoeveelheden A en B van Bulgarije voor isoglucose.

2.

31998 R 2848: Verordening (EG) nr. 2848/98 van de Commissie van 22 december 1998 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 2075/92 van de Raad ten aanzien van de premieregeling, de productiequota en de aan de telersverenigingen toe te kennen specifieke steun in de sector ruwe tabak (PB L 358 van 31.12.1998, blz. 17), gewijzigd bij:

31999 R 0510: Verordening (EG) nr. 510/1999 van de Commissie van 8.3.1999 (PB L 60 van 9.3.1999, blz. 54),

31999 R 0731: Verordening (EG) nr. 731/1999 van de Commissie van 7.4.1999 (PB L 93 van 8.4.1999, blz. 20),

31999 R 1373: Verordening (EG) nr. 1373/1999 van de Commissie van 25.6.1999 (PB L 162 van 26.6.1999, blz. 47),

31999 R 2162: Verordening (EG) nr. 2162/1999 van de Commissie van 12.10.1999 (PB L 265 van 13.10.1999, blz. 13),

31999 R 2637: Verordening (EG) nr. 2637/1999 van de Commissie van 14.12.1999 (PB L 323 van 15.12.1999, blz. 8),

32000 R 0531: Verordening (EG) nr. 531/2000 van de Commissie van 10.3.2000 (PB L 64 van 11.3.2000, blz. 13),

32000 R 0909: Verordening (EG) nr. 909/2000 van de Commissie van 2.5.2000 (PB L 105 van 3.5.2000, blz. 18),

32000 R 1249: Verordening (EG) nr. 1249/2000 van de Commissie van 15.6.2000 (PB L 142 van 16.6.2000, blz. 3),

32001 R 0385: Verordening (EG) nr. 385/2001 van de Commissie van 26.2.2001 (PB L 57 van 27.2.2001, blz. 18),

32001 R 1441: Verordening (EG) nr. 1441/2001 van de Commissie van 16.7.2001 (PB L 193 van 17.7.2001, blz. 5),

32002 R 0486: Verordening (EG) nr. 486/2002 van de Commissie van 18.3.2002 (PB L 76 van 19.3.2002, blz. 9),

32002 R 1005: Verordening (EG) nr. 1005/2002 van de Commissie van 12.6.2002 (PB L 153 van 13.6.2002, blz. 3),

32002 R 1501: Verordening (EG) nr. 1501/2002 van de Commissie van 22.8.2002 (PB L 227 van 23.8.2002, blz. 16),

32002 R 1983: Verordening (EG) nr. 1983/2002 van de Commissie van 7.11.2002 (PB L 306 van 8.11.2002, blz. 8),

32004 R 1809: Verordening (EG) nr. 1809/2004 van de Commissie van 18.10.2004 (PB L 318 van 19.10.2004, blz. 18).

Waar van toepassing, stelt de Commissie bij de toetreding volgens de procedure bedoeld in artikel 23 van Verordening (EEG) nr. 2075/92 van de Raad van 30 juni 1992 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak (3) de nodige wijzigingen van de Communautaire lijst van erkende productiegebieden in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 2848/98 vast om rekening te houden met de toetreding van Bulgarije en Roemenië, met name om de aangewezen Bulgaarse en Roemeense productiegebieden in die lijst op te nemen.

3.

32003 R 1782: Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1), gewijzigd bij:

32004 R 0012: Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad van 17.12.2003 (PB L 5 van 9.1.2004, blz. 8),

32004 R 0583: Verordening (EG) nr. 583/2004 van de Raad van 22.3.2004 (PB L 91 van 30.3.2004, blz. 1),

32004 D 0281: Beschikking 2004/281/EG van de Raad van 22.3.2004 (PB L 93 van 30.3.2004, blz. 1),

32004 R 0864: Verordening (EG) nr. 864/2004 van de Raad van 29.4.2004 (PB L 161 van 30.4.2004, blz. 48).

a)

De Raad stelt, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, de nodige bepalingen voor Bulgarije en Roemenië vast om steun voor zaaizaad op te nemen in de steunregelingen waarin is voorzien in titel III, hoofdstuk 6, en titel IV bis van Verordening (EG) nr. 1782/2003.

i)

Die bepalingen zullen onder meer de volgende wijziging omvatten van bijlage XI BIS „Maxima voor de steun voor zaaizaad in de nieuwe lidstaten als bedoeld in artikel 99, lid 3” van Verordening (EG) nr. 1782/2003, gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 583/2004:

„BIJLAGE XI BIS

Maxima voor de steun voor zaaizaad in de nieuwe lidstaten als bedoeld in artikel 99, lid 3

(miljoen EUR)

Kalender-jaar

Bulgarije

Tsjechië

Estland

Cyprus

Letland

Litouwen

Hongarije

Malta

Polen

Roemenië

Slovenië

Slowakije

2005

-

0,87

0,04

0,03

0,10

0,10

0,78

0,03

0,56

-

0,08

0,04

2006

-

1,02

0,04

0,03

0,12

0,12

0,90

0,03

0,65

-

0,10

0,04

2007

0,11

1,17

0,05

0,04

0,14

0,14

1,03

0,04

0,74

0,19

0,11

0,05

2008

0,13

1,46

0,06

0,05

0,17

0,17

1,29

0,05

0,93

0,23

0,14

0,06

2009

0,15

1,75

0,07

0,06

0,21

0,21

1,55

0,06

1,11

0,26

0,17

0,07

2010

0,17

2,04

0,08

0,07

0,24

0,24

1,81

0,07

1,30

0,30

0,19

0,08

2011

0,22

2,33

0,10

0,08

0,28

0,28

2,07

0,08

1,48

0,38

0,22

0,09

2012

0,26

2,62

0,11

0,09

0,31

0,31

2,33

0,09

1,67

0,45

0,25

0,11

2013

0,30

2,91

0,12

0,10

0,35

0,35

2,59

0,10

1,85

0,53

0,28

0,12

2014

0,34

2,91

0,12

0,10

0,35

0,35

2,59

0,10

1,85

0,60

0,28

0,12

2015

0,39

2,91

0,12

0,10

0,35

0,35

2,59

0,10

1,85

0,68

0,28

0,12

2016

0,43

2,91

0,12

0,10

0,35

0,35

2,59

0,10

1,85

0,75

0,28

0,12

volgende jaren

0,43

2,91

0,12

0,10

0,35

0,35

2,59

0,10

1,85

0,75

0,28

0,12”

ii)

De toewijzing van de nationale maximumhoeveelheden zaaizaad waarvoor de steun zal worden betaald, is als volgt:

Overeengekomen toewijzing van de nationale maximumhoeveelheden zaaizaad waarvoor de steun zal worden betaald

(in ton)

 

Bulgarije

Roemenië

Zaairijst (Oryza sativa L.)

883,2

100

Ander zaaizaad dan zaairijst

936

2 294

b)

De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, de nodige bepalingen voor Bulgarije en Roemenië vast om de steun voor tabak op te nemen in de steunregelingen waarin is voorzien in titel III, Hoofdstuk 6, en titel IV BIS van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad.

De overeengekomen toewijzing van nationale garantiedrempels voor tabak is als volgt:

Overeengekomen toewijzing van nationale garantiedrempels voor tabak

(in ton)

 

Bulgarije

Roemenië

Totaal, waarvan:

47 137

12 312

I Flue-cured

9 023

4 647

II Light air-cured

3 208

2 370

V Sun-cured

 

5 295

VI Basmas

31 106

 

VIII Kaba Koulak

3 800

 

B.   VETERINAIRE EN FYTOSANITAIRE WETGEVING

31999 L 0105: Richtlijn 1999/105/EG van de Raad van 22 december 1999 betreffende het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal (PB L 11 van 15.1.2000, blz. 17).

De Commissie zal, indien nodig, en volgens de procedure van artikel 26, lid 3, van Richtlijn 1999/105/EG bijlage I bij deze richtlijn aanpassen met betrekking tot de boomsoorten Pinus peuce Griseb., Fagus orientalis Lipsky, Quercus frainetto Ten. en Tilia tomentosa Moench.


(1)  In tonnen witte suiker.

(2)  In tonnen droge stof.

(3)  PB L 215 van 30.7.1992, blz. 70.


BIJLAGE V

Lijst bedoeld in artikel 18 van het Protocol: andere permanente bepalingen

1.   VENNOOTSCHAPSRECHT

Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, Deel III, Titel III, Hoofdstuk I, Afdeling 3, Vrij verkeer van goederen

SPECIFIEK MECHANISME

Wat Bulgarije en Roemenië betreft, kan de houder, of zijn begunstigde, van een octrooi of een aanvullend beschermingscertificaat voor een geneesmiddel dat in een lidstaat is geregistreerd op een tijdstip waarop die bescherming voor dat product niet in een van de bovengenoemde nieuwe lidstaten kon worden verkregen, aanspraak maken op de rechten van dat octrooi of van het aanvullend beschermingscertificaat om de invoer en het in de handel brengen van dat product te voorkomen in de lidstaat of de lidstaten waar dat product octrooibescherming of bescherming uit hoofde van een aanvullend beschermingscertificaat geniet, ook indien dat product door hem of met zijn instemming voor het eerst in die nieuwe lidstaat in de handel is gebracht.

Iedereen die een geneesmiddel waarop de bovenstaande alinea van toepassing is, wil invoeren of in de handel brengen in een lidstaat waar een octrooi of een aanvullend beschermingscertificaat voor dat geneesmiddel geldt, moet ten genoegen van de bevoegde autoriteiten in de aanvraag aantonen dat de houder of begunstigde van die bescherming een maand tevoren daarvan in kennis is gesteld.

2.   MEDEDINGINGSBELEID

Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, Deel III, Titel III, Hoofdstuk I, Afdeling 5, Regels betreffende de mededinging

1.

Bij de toetreding worden de volgende steunregelingen en individuele steunmaatregelen die in een nieuwe lidstaat vóór de toetredingsdatum ten uitvoer zijn gebracht en na die datum nog steeds van toepassing zijn, als bestaande steun in de zin van artikel III-168, lid 1, van de Grondwet aangemerkt:

a)

vóór 10 december 1994 ten uitvoer gebrachte steunmaatregelen;

b)

in het aanhangsel bij deze bijlage opgenomen steunmaatregelen;

c)

steunmaatregelen die vóór de toetredingsdatum zijn beoordeeld door de toezichthoudende autoriteit inzake overheidssteun van de nieuwe lidstaat en verenigbaar met het acquis zijn bevonden, waartegen de Commissie geen bezwaar heeft aangetekend vanwege ernstige twijfel aan de verenigbaarheid van de maatregel met de gemeenschappelijke markt overeenkomstig de procedure van punt 2.

Alle na de datum van toetreding nog toepasselijke maatregelen die overheidssteun vormen en niet aan de hierboven genoemde voorwaarden voldoen, worden voor de toepassing van artikel III-168, lid 3, van de Grondwet bij de toetreding als nieuwe steun aangemerkt.

Het voorgaande is niet van toepassing op steun voor de vervoersector of op activiteiten die verband houden met de productie, de behandeling of het op de markt brengen van de in Bijlage I bij de Grondwet opgenomen producten, met uitzondering van visserijproducten en producten op basis daarvan.

Bovengenoemde bepalingen doen voorts geen afbreuk aan de in dit Protocol opgenomen overgangsmaatregelen betreffende het mededingingsbeleid, noch aan de maatregelen die zijn vastgesteld in Bijlage VII, Hoofdstuk 4, Afdeling B, bij dit Protocol.

2.

Indien een nieuwe lidstaat wenst dat de Commissie een steunmaatregel onderzoekt volgens de procedure van punt 1, onderdeel c), verstrekt hij de Commissie regelmatig:

a)

een lijst van bestaande steunmaatregelen die door de nationale toezichthoudende autoriteit inzake overheidssteun zijn beoordeeld en door die autoriteit verenigbaar met het acquis zijn bevonden; en

b)

alle overige informatie die essentieel is om te beoordelen of de te onderzoeken steunmaatregel verenigbaar is,

overeenkomstig de door de Commissie voor gegevensverstrekking voorgeschreven concrete vorm.

Indien de Commissie binnen de drie maanden na ontvangst van de volledige informatie over de bestaande steunmaatregel, of na ontvangst van de verklaring van de nieuwe lidstaat waarin die de Commissie meedeelt dat hij de verstrekte gegevens als volledig beschouwt omdat de gevraagde extra informatie niet beschikbaar is of reeds is verstrekt, geen bezwaar aantekent tegen die maatregel vanwege ernstige twijfel aan de verenigbaarheid van de maatregel met de gemeenschappelijke markt, wordt zij geacht geen bezwaar te hebben aangetekend.

Op alle volgens de in punt 1, onderdeel c), vóór de datum van toetreding aan de Commissie voorgelegde steunmaatregelen is de bovengenoemde procedure van toepassing, ongeacht het feit dat de betrokken nieuwe lidstaat in de onderzoeksperiode al lid van de Unie is geworden.

3.

Een besluit van de Commissie om bezwaar aan te tekenen tegen een maatregel in de zin van punt 1, onderdeel c), wordt aangemerkt als een besluit tot het inleiden van de formele onderzoeksprocedure in de zin van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (1).

Indien zulk een besluit vóór de toetredingsdatum wordt genomen, wordt het pas op de datum van toetreding van kracht.

4.

Onverminderd de procedures betreffende bestaande steunmaatregelen waarin artikel III-168 van de Grondwet voorziet, worden steunregelingen en individuele steunmaatregelen voor de vervoersector, die in een nieuwe lidstaat vóór de datum van toetreding in werking treden en na die datum van toepassing blijven, onder de onderstaande voorwaarde beschouwd als bestaande steunmaatregelen in de zin van artikel III-168, lid 1, van de Grondwet:

van de steunmaatregelen wordt binnen vier maanden na de datum van toetreding kennis gegeven aan de Commissie. Die kennisgeving omvat ook informatie over de rechtsgrondslag van elke maatregel. Bestaande steunmaatregelen en plannen om steunmaatregelen in te voeren of te wijzigen, welke vóór de datum van toetreding ter kennis van de Commissie zijn gebracht, worden beschouwd als steunmaatregelen en plannen waarvan op de datum van toetreding kennis is gegeven.

Deze steunmaatregelen worden tot het einde van het derde jaar na de datum van toetreding beschouwd als „bestaande” steun in de zin van artikel III-168, lid 1, van de Grondwet.

De nieuwe lidstaten wijzigen, waar nodig, die steunmaatregelen, om zich uiterlijk aan het einde van het derde jaar na de datum van toetreding te conformeren aan de door de Commissie toegepaste richtsnoeren. Na die datum worden steunmaatregelen die onverenigbaar blijken te zijn met die richtsnoeren als nieuwe steunmaatregelen aangemerkt.

5.

Met betrekking tot Roemenië geldt onderdeel c), van punt 1 alleen voor steunmaatregelen die door de Roemeense toezichthoudende autoriteit inzake overheidssteun zijn beoordeeld na de datum waarop, krachtens een besluit van de Commissie op basis van het permanente toezicht op de door Roemenië in het kader van de toetredingsonderhandelingen aangegane toezeggingen, de handhavingsprestaties van Roemenië op het gebied van overheidssteun in de pretoetredingsperiode een toereikend niveau hebben bereikt. Een dergelijk toereikend niveau wordt pas geacht te zijn bereikt zodra Roemenië heeft aangetoond dat het op consistente wijze een volledige en passende controle op overheidssteun uitvoert met betrekking tot alle in Roemenië ingevoerde steunmaatregelen, met inbegrip van de aanneming en uitvoering van volledige en, met redenen omklede besluiten die door de Roemeense toezichthoudende autoriteit inzake overheidssteun zijn genomen, en waarin de aard van de overheidssteun van elke maatregel nauwkeurig is beoordeeld en de verenigbaarheidscriteria correct zijn toegepast.

De Commissie kan vanwege ernstige twijfel aan de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt bezwaar aantekenen tegen elke steunmaatregel die in de pretroetredingsperiode is genomen tussen 1 september 2004 en de datum die is vastgesteld in het bovengenoemde Commissiebesluit waarin wordt geconstateerd dat de handhavingsprestaties een toereikend niveau hebben bereikt. Een dergelijk Commissiebesluit om bezwaar aan te tekenen tegen een maatregel, wordt aangemerkt als een besluit tot het inleiden van de formele onderzoeksprocedure in de zin van Verordening (EG) nr. 659/1999. Indien zulk een besluit vóór de toetredingsdatum wordt genomen, wordt het pas op de datum van toetreding van kracht.

Als de Commissie na het inleiden van de formele onderzoeksprocedure een negatief besluit neemt, dan beslist zij dat Roemenië alle maatregelen neemt die nodig zijn om de steun daadwerkelijk terug te vorderen bij de begunstigde. De terug te vorderen steun omvat rente tegen een passend rentepercentage dat wordt vastgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 794/2004 (2), en is vanaf dezelfde datum verschuldigd.

3.   LANDBOUW

(a)

Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, Deel III, Titel III, Hoofdstuk III, Afdeling 4, Landbouw en visserij

1.

Op de datum van toetreding in de nieuwe lidstaten bestaande openbare voorraden die het gevolg zijn van hun marktondersteuningsbeleid, worden door de Gemeenschap overgenomen tegen de waarde die voortvloeit uit de toepassing van artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 1883/78 van de Raad van 2 augustus 1978 betreffende de algemene regels voor de financiering van de interventies door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, Afdeling Garantie (3). Die voorraden worden alleen overgenomen op voorwaarde dat in de Gemeenschap een openbare interventie plaatsvindt voor de desbetreffende producten en dat de voorraden voldoen aan de communautaire interventievoorschriften.

2.

Alle zowel particuliere als openbare productvoorraden, die zich op de datum van toetreding op het grondgebied van de nieuwe lidstaten in het vrije verkeer bevinden en die het niveau overschrijden van wat als normale overdrachthoeveelheden kan worden beschouwd, moeten op kosten van de nieuwe lidstaten worden weggewerkt.

Het begrip „normale overdrachthoeveelheid” wordt voor elk product omschreven aan de hand van de specifieke criteria en doelstellingen van elke gemeenschappelijke marktordening.

3.

De in lid 1 bedoelde voorraden worden in mindering gebracht op de hoeveelheid die de normale overdrachtshoeveelheid overschrijdt.

4.

De Commissie voert bovengenoemde regelingen uit en past deze toe overeenkomstig de procedure van artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1258/1999 van de Raad van 17 mei 1999 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (4) of, waar passend, overeenkomstig de procedure van artikel 42, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 30 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (5), of de relevante artikelen van de andere verordeningen houdende landbouwmarktordeningen of de desbetreffende comitologieprocedure zoals die is vastgesteld in de toepasselijke wetgeving.

(b)

Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, Deel III, Titel III, Hoofdstuk I, Afdeling 5, Regels betreffende de mededinging

Onverminderd de procedures betreffende bestaande steunmaatregelen waarin artikel III-168 van de Grondwet voorziet, worden steunregelingen en individuele steunmaatregelen voor activiteiten in verband met de productie, de verwerking of het in de handel brengen van in Bijlage I bij de Grondwet vermelde producten, met uitzondering van visserijproducten en daarvan afgeleide producten, die in een nieuwe lidstaat vóór de datum van toetreding in werking treden en na die datum van toepassing blijven, onder de onderstaande voorwaarden beschouwd als bestaande steunmaatregelen in de zin van artikel III-168, lid 1, van de Grondwet:

van de steunmaatregelen wordt binnen vier maanden na de datum van toetreding kennis gegeven aan de Commissie. Die kennisgeving omvat ook informatie over de rechtsgrondslag van elke maatregel. Bestaande steunmaatregelen en plannen om steunmaatregelen in te voeren of te wijzigen, welke vóór de datum van toetreding ter kennis van de Commissie zijn gebracht, worden beschouwd als steunmaatregelen en plannen waarvan op de datum van toetreding kennis is gegeven. De Commissie maakt de lijst van die steunmaatregelen bekend.

Deze steunmaatregelen worden tot het einde van het derde jaar na de datum van toetreding beschouwd als bestaande steun in de zin van artikel III-168, lid 1, van de Grondwet.

De nieuwe lidstaten wijzigen, waar nodig, die steunmaatregelen, om zich uiterlijk aan het einde van het derde jaar na de datum van toetreding te conformeren aan de door de Commissie toegepaste richtsnoeren. Na die datum worden steunmaatregelen die onverenigbaar blijken te zijn met die richtsnoeren als nieuwe steunmaatregelen aangemerkt.

4.   DOUANE-UNIE

Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, Deel III, Titel III, Hoofdstuk I, Afdeling 3, Vrij verkeer van goederen, Onderafdeling 1. De douane-unie

 

31992 R 2913: Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij:

12003 T: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing van de Verdragen - Toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek (PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33);

 

31993 R 2454: Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij:

32003 R 2286: Verordening (EG) nr. 2286/2003 van 18.12.2003 (PB L 343 van 31.12.2003, blz. 1);

Verordening (EEG) nr. 2913/92 en Verordening (EEG) nr. 2454/93 zijn in de nieuwe lidstaten van toepassing onder de volgende voorwaarden:

BEWIJS VAN DE COMMUNAUTAIRE STATUS (HANDEL IN DE UITGEBREIDE GEMEENSCHAP)

1.

Niettegenstaande artikel 20 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 zijn goederen die op de datum van toetreding zich in tijdelijke opslag bevinden of vallen onder één van de hieronder in artikel 4, punt 15, onder b), en punt 16, onder b) tot en met g), van die verordening vermelde douaneregelingen en -procedures in de uitgebreide Gemeenschap, dan wel in de uitgebreide Gemeenschap worden vervoerd na aan uitvoerformaliteiten te zijn onderworpen, vrijgesteld van douanerechten en andere douanemaatregelen wanneer zij voor het vrije verkeer in de uitgebreide Gemeenschap worden aangegeven, mits de volgende bewijzen zijn geleverd:

a)

bewijs van preferentiële oorsprong, naar behoren vóór de datum van toetreding afgegeven of opgesteld overeenkomstig een van de Europa-overeenkomsten (zie hieronder) of de evenwaardige preferentiële overeenkomsten tussen de nieuwe lidstaten onderling, bevattende een verbod van „drawback” of vrijstelling van douanerechten op materiaal niet van oorsprong, dat is gebruikt bij de vervaardiging van de producten waarvoor een bewijs van oorsprong is afgegeven of opgesteld („no-drawback”-regel);

De Europa-overeenkomsten:

21994 A 1231 (24) Bulgarije: Europa-overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Bulgarije, anderzijds - Protocol nr. 4 betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong”en methoden van administratieve samenwerking (6);

21994 A 1231 (20) Roemenië: Europa-overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Roemenië, anderzijds - Protocol nr. 4 betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong”en methoden van administratieve samenwerking (7).

b)

een van de bewijzen van communautaire status, bedoeld in artikel 314 quater van Verordening (EEG) nr. 2454/93;

c)

een carnet ATA dat vóór de datum van toetreding in een huidige lidstaat of in een nieuwe lidstaat is afgegeven.

2.

Voor de afgifte van de in lid 1, onder b), bedoelde bewijzen met betrekking tot de situatie op de datum van toetreding en in aanvulling op het bepaalde in artikel 4, lid 7, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 wordt onder „communautaire goederen” verstaan:

goederen die op het grondgebied van een van de nieuwe lidstaten zijn verkregen onder voorwaarden die identiek zijn aan die van artikel 23 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 en waarin geen goederen zijn verwerkt die uit andere landen of gebieden zijn ingevoerd; hetzij

goederen die zijn ingevoerd uit andere landen of gebieden dan het betrokken land, en die in dat land in het vrije verkeer zijn gebracht; hetzij

goederen die in het betrokken land zijn vervaardigd, hetzij uitsluitend uit de in het tweede streepje bedoelde goederen, hetzij uit de in het eerste en tweede streepje bedoelde goederen.

3.

Voor de controle van de in lid 1, onder a), bedoelde bewijzen zijn de bepalingen betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking uit hoofde van de respectieve Europa-Overeenkomsten of de evenwaardige preferentiële overeenkomsten tussen de nieuwe lidstaten onderling van toepassing. Verzoeken om controle achteraf van bewijzen van oorsprong worden door de bevoegde douaneautoriteiten van de huidige en de nieuwe lidstaten aanvaard gedurende een periode van drie jaar na de afgifte van het betrokken bewijs van oorsprong en kunnen door die autoriteiten nog worden gedaan tijdens een periode van drie jaar vanaf de aanvaarding van het bewijs van oorsprong ter rechtvaardiging van een aangifte voor het in het vrije verkeer brengen.

BEWIJS VAN PREFERENTIËLE OORSPRONG (HANDEL MET DERDE LANDEN, WAARONDER TURKIJE, IN HET KADER VAN DE PREFERENTIËLE OVEREENKOMSTEN BETREFFENDE LANDBOUWPRODUCTEN EN KOLEN- EN STAALPRODUCTEN)

4.

Onverminderd de toepassing van eventuele maatregelen in het kader van de gemeenschappelijke handelspolitiek worden bewijzen van oorsprong die door derde landen naar behoren zijn afgegeven of opgesteld in het kader van door de nieuwe lidstaten met die landen gesloten preferentiële overeenkomsten of in het kader van unilaterale nationale wetgeving van de nieuwe lidstaten, in de respectieve nieuwe lidstaten aanvaard, mits:

a)

de verkrijging van die oorsprong aanleiding geeft tot een preferentiële tariefbehandeling op grond van de preferentiële tariefmaatregelen vervat in overeenkomsten of regelingen die de Gemeenschap heeft gesloten met of getroffen ten aanzien van die derde landen of groepen van landen, als bedoeld in artikel 20, lid 3, onder d) en e), van Verordening (EEG) nr. 2913/92; en

b)

het bewijs van oorsprong en de vervoersdocumenten uiterlijk op de dag voor de toetreding zijn afgegeven of opgesteld; en

c)

het bewijs van oorsprong binnen de periode van 4 maanden na de toetreding bij de douaneautoriteiten is ingediend.

Indien goederen in een nieuwe lidstaat vóór de datum van toetreding voor het vrije verkeer zijn aangegeven, kunnen bewijzen van oorsprong die a posteriori zijn afgegeven of opgesteld uit hoofde van preferentiële overeenkomsten of regelingen die in die nieuwe lidstaat golden op het tijdstip van het aangeven voor het vrije verkeer, ook in de betrokken nieuwe lidstaat worden aanvaard, op voorwaarde dat zij binnen de periode van vier maanden na de toetreding aan de douaneautoriteiten worden voorgelegd.

5.

Bulgarije en Roemenië mogen de vergunningen waarmee de status van „toegelaten exporteur” in het kader van met derde landen gesloten overeenkomsten is toegekend, behouden op voorwaarde dat:

a)

een dergelijke bepaling ook is opgenomen in de door die derde landen vóór de toetredingsdatum met de Gemeenschap gesloten overeenkomsten; en

b)

de toegelaten exporteurs de regels van oorsprong toepassen waarin die overeenkomsten voorzien.

Deze vergunningen worden door de nieuwe lidstaten uiterlijk één jaar na de toetreding vervangen door nieuwe, overeenkomstig de voorwaarden van de communautaire wetgeving afgegeven vergunningen.

6.

Voor de controle van de in lid 4 bedoelde bewijzen zijn de bepalingen betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking uit hoofde van de relevante overeenkomsten of regelingen van toepassing. Verzoeken om controle achteraf van bewijzen van oorsprong worden door de bevoegde douaneautoriteiten van de huidige en de nieuwe lidstaten aanvaard gedurende een periode van drie jaar na de afgifte van het betrokken bewijs van oorsprong en kunnen door die autoriteiten nog worden gedaan tijdens een periode van drie jaar vanaf de aanvaarding van het bewijs van oorsprong ter rechtvaardiging van een aangifte voor het in het vrije verkeer brengen.

7.

Onverminderd de toepassing van eventuele maatregelen in het kader van de gemeenschappelijke handelspolitiek worden bewijzen van oorsprong die door derde landen a posteriori zijn afgegeven in het kader van preferentiële overeenkomsten welke door de Gemeenschap met die landen zijn gesloten, in de nieuwe lidstaten aanvaard voor de aangifte voor het vrije verkeer van goederen die op de datum van toetreding onderweg zijn of zich in tijdelijke opslag, in een douane-entrepot of in een vrije zone in een van die derde landen of in een nieuwe lidstaat bevinden, mits in de nieuwe lidstaat waar de producten voor het vrije verkeer worden aangegeven, op het tijdstip waarop de vervoersdocumenten werden afgegeven voor de betrokken producten geen vrijhandelsovereenkomst met het derde land gold en mits:

a)

de verkrijging van die oorsprong aanleiding geeft tot een preferentiële tariefbehandeling op grond van de preferentiële tariefmaatregelen vervat in overeenkomsten of regelingen die de Gemeenschap heeft gesloten met of getroffen ten aanzien van derde landen of groepen van landen, als bedoeld in artikel 20, lid 3, onder d) en e), van Verordening (EEG) nr. 2913/92; en

b)

de vervoersdocumenten uiterlijk op de dag vóór de toetreding zijn afgegeven; en

c)

het a posteriori afgegeven bewijs van oorsprong binnen de periode van 4 maanden na de toetreding bij de douaneautoriteiten is ingediend.

8.

Voor de controle van de in lid 7 bedoelde bewijzen zijn de bepalingen betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking uit hoofde van de relevante overeenkomsten of regelingen van toepassing.

BEWIJS VAN STATUS OVEREENKOMSTIG DE BEPALINGEN INZAKE VRIJ VERKEER VAN INDUSTRIEPRODUCTEN BINNEN DE DOUANE-UNIE EG-TURKIJE

9.

Bewijzen van oorsprong die door Turkije of een nieuwe lidstaat naar behoren zijn afgegeven in het kader van tussen die landen toegepaste preferentiële handelsovereenkomsten waarbij met de Gemeenschap een cumulatie van oorsprong op basis van identieke regels van oorsprong is toegestaan en die een verbod van „drawback” of vrijstelling van douanerechten op de betrokken goederen bevatten, worden in de respectieve landen aanvaard als bewijs van status overeenkomstig de bepalingen inzake vrij verkeer van industrieproducten van Besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije (8), mits:

a)

het bewijs van oorsprong en de vervoersdocumenten uiterlijk op de dag voor de toetreding zijn afgegeven; en

b)

het bewijs van oorsprong binnen de periode van 4 maanden na de toetreding bij de douaneautoriteiten is ingediend.

Indien goederen in Turkije of in een nieuwe lidstaat vóór de datum van toetreding voor het vrije verkeer zijn aangegeven in het kader van de hierboven genoemde preferentiële handelsovereenkomsten, kunnen bewijzen van oorsprong die a posteriori zijn afgegeven uit hoofde van die overeenkomsten ook worden aanvaard, op voorwaarde dat zij binnen de periode van vier maanden na de toetreding aan de douaneautoriteiten worden voorgelegd.

10.

Voor de controle van de in lid 9 bedoelde bewijzen zijn de bepalingen betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking uit hoofde van de relevante preferentiële overeenkomsten van toepassing. Verzoeken om controle achteraf van bewijzen van oorsprong worden door de bevoegde douaneautoriteiten van de huidige en de nieuwe lidstaten aanvaard gedurende een periode van drie jaar na de afgifte van het betrokken bewijs van oorsprong en kunnen door die autoriteiten nog worden gedaan tijdens een periode van drie jaar vanaf de aanvaarding van het bewijs van oorsprong ter rechtvaardiging van een aangifte voor het in het vrije verkeer brengen.

11.

Onverminderd de toepassing van eventuele maatregelen in het kader van de gemeenschappelijke handelspolitiek wordt een certificaat inzake goederenverkeer A.TR. dat is afgegeven overeenkomstig de bepalingen inzake vrij verkeer van industrieproducten van Besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije in de nieuwe lidstaten aanvaard voor de aangifte voor het vrije verkeer van goederen die op de datum van toetreding worden vervoerd na aan uitvoerformaliteiten te zijn onderworpen binnen de Gemeenschap of in Turkije, of zich in tijdelijke opslag bevinden of vallen onder één van de in artikel 4, punt 16, onder b) tot en met h), van Verordening (EEG) nr. 2913/92 vermelde douaneprocedures in Turkije of in de nieuwe lidstaat, mits:

a)

geen bewijs van oorsprong als bedoeld bij lid 9 voor de betrokken goederen wordt voorgelegd; en

b)

de goederen voldoen aan de voorwaarden voor de toepassing van de bepalingen inzake het vrij verkeer van industrieproducten; en

c)

de vervoersdocumenten uiterlijk op de dag vóór de toetreding zijn afgegeven; en

d)

het certificaat inzake goederenverkeer A.TR. binnen de periode van 4 maanden na de toetreding bij de douaneautoriteiten is ingediend.

12.

Voor de controle van het in lid 11 hierboven bedoelde certificaat inzake goederenverkeer A.TR. zijn de bepalingen betreffende de afgifte van certificaten inzake goederenverkeer A.TR. en de methoden van administratieve samenwerking van Besluit nr. 1/2001 van het Comité douanesamenwerking EG-Turkije van toepassing (9).

DOUANEPROCEDURES

13.

De tijdelijke opslag en de in artikel 4, punt 16, onder b) tot en met h), van Verordening (EEG) nr. 2913/92 bedoelde douaneprocedures waarmee vóór de toetreding een aanvang is gemaakt, worden beëindigd of afgewikkeld onder de voorwaarden van de communautaire wetgeving.

Indien de beëindiging of afwikkeling aanleiding geeft tot een douaneschuld, is het te betalen bedrag aan invoerrechten het bedrag dat van kracht is op het tijdstip waarop de douaneschuld ontstaat overeenkomstig het gemeenschappelijk douanetarief; het betaalde bedrag wordt beschouwd als eigen middelen van de Gemeenschap.

14.

De procedures betreffende de regeling douane-entrepot van de artikelen 84 tot en met 90 en 98 tot en met 113 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 en de artikelen 496 tot en met 535 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 zijn in de nieuwe lidstaten van toepassing onder de volgende specifieke voorwaarden:

indien het bedrag van een douaneschuld wordt bepaald op basis van de aard, de douanewaarde en de hoeveelheid van de ingevoerde goederen op het tijdstip van de aanvaarding van de aangifte tot plaatsing in een douane-entrepot en wanneer deze aangifte vóór de toetreding werd aanvaard, worden deze elementen bepaald aan de hand van de wetgeving die vóór de toetreding van toepassing was in de betrokken nieuwe lidstaat.

15.

De procedures betreffende de regeling actieve veredeling van de artikelen 84 tot en met 90 en 114 tot en met 129 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 en de artikelen 496 tot en met 523 en 536 tot en met 550 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 zijn in de nieuwe lidstaten van toepassing onder de volgende specifieke voorwaarden:

indien het bedrag van een douaneschuld wordt bepaald op basis van de aard, de tariefindeling, de hoeveelheid, de douanewaarde en de oorsprong van de ingevoerde goederen op het tijdstip van de aanvaarding van de aangifte tot plaatsing onder de regeling actieve veredeling en wanneer deze aangifte vóór de toetreding werd aanvaard, worden deze elementen bepaald aan de hand van de wetgeving die vóór de toetreding van toepassing was in de betrokken nieuwe lidstaat;

om, ingeval de afwikkeling leidt tot een douaneschuld, de gelijkheid van de in de huidige lidstaten en in de nieuwe lidstaten gevestigde vergunninghouders te waarborgen, moet met ingang van de toetredingsdatum compensatierente worden betaald over de krachtens de communautaire wetgeving toepasselijke invoerrechten;

indien de aangifte tot actieve veredeling aanvaard is in het kader van een teruggaveregeling, vindt teruggave plaats onder de voorwaarden van de communautaire wetgeving, door en op kosten van de nieuwe lidstaat waar de douaneschuld in verband waarmee teruggave wordt gevraagd, vóór de toetreding was ontstaan.

16.

De procedures betreffende de regeling tijdelijke invoer van de artikelen 84 tot en met 90 en 137 tot en met 144 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 en de artikelen 496 tot en met 523 en 553 tot en met 584 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 zijn in de nieuwe lidstaten van toepassing onder de volgende specifieke voorwaarden:

indien het bedrag van een douaneschuld wordt bepaald op basis van de aard, de tariefindeling, de hoeveelheid, de douanewaarde en de oorsprong van de ingevoerde goederen op het tijdstip van de aanvaarding van de aangifte tot plaatsing onder de regeling tijdelijke invoer en wanneer deze aangifte vóór de toetreding werd aanvaard, worden deze elementen bepaald aan de hand van de wetgeving die vóór de toetreding van toepassing was in de betrokken nieuwe lidstaat;

om, ingeval de afwikkeling leidt tot een douaneschuld, de gelijkheid van de in de huidige lidstaten en in de nieuwe lidstaten gevestigde vergunninghouders te waarborgen, moet met ingang van de toetredingsdatum compensatierente worden betaald over de krachtens de communautaire wetgeving toepasselijke invoerrechten.

17.

De procedures betreffende de regeling passieve verdeling van de artikelen 84 tot en met 90 en 145 tot en met 160 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 en de artikelen 496 tot en met 523 en 585 tot en met 592 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 zijn in de nieuwe lidstaten van toepassing onder de volgende specifieke voorwaarden:

artikel 591, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 is mutatis mutandis van toepassing op tijdelijk uitgevoerde goederen die vóór de datum van toetreding tijdelijk uit de nieuwe lidstaten waren uitgevoerd.

OVERIGE BEPALINGEN

18.

Vergunningen die vóór de datum van toetreding zijn verleend met het oog op de in artikel 4, punt 16, onder d), e) en g), van Verordening (EEG) nr. 2913/92 bedoelde douaneprocedures, zijn geldig tot het einde van hun geldigheidsduur, maar uiterlijk tot één jaar na de datum van toetreding.

19.

De procedures betreffende het ontstaan van een douaneschuld, de boeking van de bedragen van de rechten en navordering van de rechten van de artikelen 201 tot en met 232 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 en de artikelen 859 tot en met 876 bis van Verordening (EEG) nr. 2454/93 zijn in de nieuwe lidstaten van toepassing onder de volgende specifieke voorwaarden:

de navordering geschiedt onder de voorwaarden van de communautaire wetgeving. Indien de douaneschuld echter vóór de toetredingsdatum is ontstaan, geschiedt de navordering door en ten bate van de betrokken nieuwe lidstaat onder de daar vóór de toetreding geldende voorwaarden.

20.

De procedures betreffende de terugbetaling en de kwijtschelding van rechten van de artikelen 235 tot en met 242 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 en de artikelen 877 tot en met 912 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 zijn in de nieuwe lidstaten van toepassing onder de volgende specifieke voorwaarden:

terugbetaling en kwijtschelding van rechten geschieden onder de voorwaarden van de communautaire wetgeving. Indien de rechten waarvan terugbetaling of kwijtschelding wordt gevraagd, betrekking hebben op een douaneschuld die vóór de toetredingsdatum is ontstaan, geschieden de terugbetaling en kwijtschelding van rechten evenwel door en ten laste van de betrokken nieuwe lidstaat onder de daar vóór de toetreding geldende voorwaarden.


(1)  PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003 (PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33).

(2)  Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1).

(3)  PB L 216 van 5.8.1978, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1259/96 (PB L 163 van 2.7.1996, blz. 10).

(4)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 103.

(5)  PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 39/2004 van de Commissie (PB L 6 van 10.1.2004, blz. 16).

(6)  PB L 358 van 31.12.1994, blz. 3. Protocol laatstelijk gewijzigd bij Besluit nr. 1/2003 van de Associatieraad EU-Bulgarije van 4.6.2003 (PB L 191 van 30.7.2003, blz. 1).

(7)  PB L 357 van 31.12.1994, blz. 2. Protocol laatstelijk gewijzigd bij Besluit nr. 2/2003 van de Associatieraad EU-Roemenië van 25.9.2003 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt).

(8)  Besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije van 22.12.1995 inzake de tenuitvoerlegging van de slotfase van de douane-unie (PB L 35 van 13.2.1996, blz. 1). Besluit laatstelijk gewijzigd bij Besluit nr. 2/99 van de Associatieraad EG-Turkije (PB L 72 van 18.3.1999, blz. 36).

(9)  Besluit nr. 1/2001 van het Comité douanesamenwerking EG-Turkije van 28.3.2001 houdende wijziging van Besluit nr. 1/96 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van Besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije (PB L 98 van 7.4.2001, blz. 31). Besluit laatstelijk gewijzigd bij Besluit nr. 1/2003 van het Comité douanesamenwerking EG-Turkije van 30.1.2001 (PB L 28 van 4.2.2003, blz. 51).

Aanhangsel bij Bijlage V

Lijst van bestaande steunmaatregelen als bedoeld in punt 1, onder b), van het bestaande steunmechanisme zoals weergegeven in Hoofdstuk 2 van Bijlage V

N.B.: De in deze aanhangsel vermelde maatregelen worden, wat de bestaande steunregeling van Hoofdstuk 2 van Bijlage V betreft, slechts beschouwd als bestaande steun voorzover ze vallen onder de werkingssfeer van lid 1 van dat artikel.

Nr.

Titel (origineel)

Datum van goedkeuring door de nationale autoriteit voor toezicht op staatssteun

Duur

LS

Nr

Jaar

BG

1

2004

Предоговаряне на задълженията към държавата, възникнали по реда на Закона за уреждане на необслужваните кредити, договорени до 31.12.1990 г. със „Силома” АД, гр.Силистра, чрез удължаване на срока на изплащане на главницата за срок от 15 години.

29.7.2004

2004-2018

BG

2

2004

Средства за компенсиране от държавния бюджет на доказания от „Български пощи” ЕАД дефицит от изпълнението на универсалната пощенска услуга.

18.11.2004

31.12.2010

BG

3

2004

Целево финансиране на дейността на Българската телеграфна агенция- направление „Информационно обслужване”

16.12.2003

31.12.2010


BIJLAGE VI

Lijst bedoeld in artikel 20 van het Protocol: Overgangsmaatregelen Bulgarije

1.   VRIJ VERKEER VAN PERSONEN

Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa

PB L 257 van 19.10.1968, blz. 2

32004 L 0038: Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29.4.2004 (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77),

31996 L 0071: Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1)

32004 L 0038: Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77).

1.

Wat betreft het vrij verkeer van werknemers en het vrij verrichten van diensten dat gepaard gaat met tijdelijk verkeer van werknemers als bedoeld in artikel 1 van Richtlijn 96/71/EG tussen Bulgarije enerzijds en elk van de huidige lidstaten anderzijds, zijn artikel III-133 en de eerste alinea van artikel III-144 van de Grondwet slechts volledig van toepassing onder voorbehoud van de overgangsregelingen van de punten 2 tot en met 14.

2.

In afwijking van de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 zullen de huidige lidstaten tot het einde van het tweede jaar na de datum van toetreding van Bulgarije nationale of uit bilaterale overeenkomsten voortvloeiende maatregelen toepassen om de toegang van Bulgaarse onderdanen tot hun arbeidsmarkten te regelen. De huidige lidstaten mogen dergelijke maatregelen blijven toepassen tot het einde van het vijfde jaar na de datum van toetreding van Bulgarije.

Bulgaarse onderdanen die op de datum van toetreding legaal in een huidige lidstaat werken, en wier toelating tot de arbeidsmarkt van die lidstaat voor een ononderbroken periode van 12 maanden of meer geldt, hebben toegang tot de arbeidsmarkt van die lidstaat, maar niet tot de arbeidsmarkt van andere lidstaten die nationale maatregelen toepassen.

Bulgaarse onderdanen die na de toetreding gedurende een ononderbroken periode van 12 maanden of meer tot de arbeidsmarkt van een huidige lidstaat zijn toegelaten, genieten dezelfde rechten.

De in de tweede en derde alinea bedoelde Bulgaarse onderdanen verliezen de aldaar vermelde rechten als zij de arbeidsmarkt van de betrokken huidige lidstaat vrijwillig verlaten.

Bulgaarse onderdanen die op de datum van toetreding of gedurende een periode waarin nationale maatregelen worden toegepast, legaal werkten in een huidige lidstaat, en die voor minder dan 12 maanden tot de arbeidsmarkt van die lidstaat waren toegelaten, genieten deze rechten niet.

3.

Vóór het einde van het tweede jaar na de datum van toetreding van Bulgarije wordt het functioneren van de overgangsmaatregelen van punt 2 door de Raad getoetst op basis van een verslag van de Commissie.

Na afronding van de toetsing en uiterlijk aan het einde van het tweede jaar na de datum van toetreding van Bulgarije delen de huidige lidstaten de Commissie mee of zij de nationale of uit bilaterale overeenkomsten voortvloeiende maatregelen blijven toepassen, dan wel of zij voortaan de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 toepassen. Bij gebreke van een dergelijke kennisgeving zijn de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 van toepassing.

4.

Op verzoek van Bulgarije kan de toetsing eenmaal worden herhaald. De in punt 3 bedoelde procedure is van toepassing en wordt binnen zes maanden vanaf de datum van ontvangst van het verzoek van Bulgarije voltooid.

5.

Een lidstaat die aan het einde van de in punt 2 bedoelde periode van vijf jaar de nationale of uit bilaterale overeenkomsten voortvloeiende maatregelen handhaaft, mag in geval van ernstige verstoringen van zijn arbeidsmarkt of het dreigen daarvan en na kennisgeving aan de Commissie deze maatregelen tot aan het einde van het zevende jaar na de datum van toetreding van Bulgarije blijven toepassen. Bij gebreke van een dergelijke kennisgeving zijn de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 van toepassing.

6.

De lidstaten waar gedurende de periode van zeven jaar na de datum van toetreding, krachtens punt 3, 4 of 5, de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 van toepassing zijn ten aanzien van Bulgaarse onderdanen en die gedurende deze periode om redenen van toezicht arbeidsvergunningen aan Bulgaarse onderdanen afgeven, doen zulks automatisch.

7.

De lidstaten waar, krachtens punt 3, 4 of 5, ten aanzien van Bulgaarse onderdanen de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 van toepassing zijn, mogen tot het einde van het zevende jaar na de datum van toetreding, de in de volgende alinea's omschreven procedures toepassen.

Wanneer een in de eerste alinea bedoelde lidstaat verstoringen van de arbeidsmarkt ondervindt of voorziet die een serieuze bedreiging kunnen vormen voor de levensstandaard of het werkgelegenheidspeil in een bepaalde regio of binnen een bepaalde beroepsgroep, stelt deze de Commissie en de overige lidstaten daarvan in kennis en verstrekt hun alle dienstige gegevens. Op basis van deze informatie kan de lidstaat de Commissie verzoeken te bepalen dat de toepassing van de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 geheel of gedeeltelijk wordt opgeschort om in die regio of beroepsgroep de normale toestand te herstellen. Uiterlijk twee weken na de ontvangst van het verzoek neemt de Commissie een besluit over de opschorting en over de duur en de werkingssfeer ervan en stelt zij de Raad in kennis van dit besluit. Binnen twee weken na de datum van het besluit van de Commissie kan elke lidstaat de Raad verzoeken dat besluit te vernietigen of te wijzigen. Binnen twee weken na dat verzoek neemt de Raad een besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Een in de eerste alinea bedoelde lidstaat kan in dringende en uitzonderlijke gevallen de toepassing van de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 opschorten, waarna een met redenen omklede kennisgeving aan de Commissie wordt gedaan.

8.

Zolang de toepassing van de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EEG) nr. 1612/68, krachtens de punten 2 tot en met 5 en punt 7, is opgeschort, blijft artikel 23 van Richtlijn 2004/38/EG van toepassing ten aanzien van onderdanen van de huidige lidstaten in Bulgarije en ten aanzien van Bulgaarse onderdanen in de huidige lidstaten, onder de volgende voorwaarden en, in zoverre het gaat om het recht van de gezinsleden van werknemers om werk aan te nemen:

de echtgeno(o)t(e) van een werknemer en hun nakomelingen die jonger zijn dan 21 jaar of afhankelijk zijn en op de datum van toetreding met de werknemer legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven, hebben vanaf de toetreding onmiddellijk toegang tot de arbeidsmarkt van die lidstaat. Dit geldt niet voor de leden van het gezin van een werknemer die legaal tot de arbeidsmarkt van die lidstaat is toegelaten voor een periode van minder dan 12 maanden;

de echtgeno(o)t(e) van een werknemer en hun nakomelingen die jonger zijn dan 21 jaar of afhankelijk zijn en die vanaf een datum na de datum van toetreding, doch gedurende de periode van toepassing van de boven bepaalde overgangsregelingen, met de werknemer legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven, hebben toegang tot de arbeidsmarkt van de betrokken lidstaat nadat zij gedurende ten minste achttien maanden in de betrokken lidstaat hebben verbleven of, indien dit eerder is, vanaf het derde jaar na de datum van toetreding van Bulgarije.

Deze bepalingen doen geen afbreuk aan gunstiger nationale of uit bilaterale overeenkomsten voortvloeiende maatregelen.

9.

Voorzover sommige bepalingen van Richtlijn 2004/38/EG, waarin bepalingen van Richtlijn 68/360/EEG (1) zijn overgenomen, onlosmakelijk verbonden zijn met de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 1612/68 waarvan de toepassing uit hoofde van de punten 2 tot en met 5 en de punten 7 en 8 wordt opgeschort, mogen Bulgarije en de huidige lidstaten van eerstgenoemde bepalingen afwijken voorzover zulks voor de toepassing van de punten 2 tot en met 5 en de punten 7 en 8 nodig is.

10.

Als de huidige lidstaten krachtens de bovenstaande overgangsregelingen nationale maatregelen of uit bilaterale overeenkomsten voortvloeiende maatregelen toepassen, mag Bulgarije ten aanzien van de onderdanen van de bewuste lidstaat of lidstaten gelijkwaardige maatregelen handhaven.

11.

Indien de toepassing van de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 door een van de huidige lidstaten wordt opgeschort, mag Bulgarije de procedure van punt 7 toepassen ten aanzien van Roemenië. Tijdens die periode worden de arbeidsvergunningen die Bulgarije om redenen van toezicht afgeeft aan onderdanen van Roemenië, automatisch afgegeven.

12.

Elke huidige lidstaat die overeenkomstig de punten 2 tot en met 5 en de punten 7 tot en met 9 nationale maatregelen toepast, kan krachtens de nationale wetgeving een vrijer verkeer van werknemers invoeren dan op de datum van toetreding het geval is, met inbegrip van volledige toegang tot de arbeidsmarkt. Vanaf het derde jaar na de datum van toetreding kan elke huidige lidstaat die nationale maatregelen toepast, te allen tijde besluiten in de plaats daarvan de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 toe te passen. Van dit besluit wordt kennis gegeven aan de Commissie.

13.

Teneinde in te spelen op ernstige verstoringen of dreigende verstoringen in specifieke, gevoelige dienstensectoren op hun arbeidsmarkten, die in bepaalde regio's als gevolg van de in artikel 1 van Richtlijn 96/71/EG bedoelde transnationale dienstverrichtingen zouden kunnen ontstaan, en zolang zij uit hoofde van bovenstaande overgangsregelingen, nationale of uit bilaterale overeenkomsten voortvloeiende maatregelen op het vrij verkeer van Bulgaarse werknemers toepassen, mogen Duitsland en Oostenrijk, na kennisgeving aan de Commissie, afwijken van artikel III-144, eerste alinea, van de Grondwet, teneinde in de context van dienstverrichting door in Bulgarije gevestigde ondernemingen, het tijdelijk verkeer te beperken van werknemers wier recht om in Duitsland en Oostenrijk werk aan te nemen onder nationale maatregelen valt.

De lijst van dienstensectoren die onder deze afwijkende regeling kunnen vallen, is als volgt:

in Duitsland:

Sector

NACE (2)-code, tenzij anders aangegeven

Bouwnijverheid en aanverwante activiteiten

45.1 tot en met 4;

Activiteiten vermeld in de bijlage bij Richtlijn 96/71/EG

Industriële reiniging

74.70 Industriële reiniging

Overige diensten

74.87 Uitsluitend de activiteiten van binnenhuisarchitecten

in Oostenrijk:

Sector

NACE (3)-code, tenzij anders aangegeven

Diensten in verband met de tuinbouw

01.41

Houwen, bewerken en afwerken van natuursteen

26.7

Vervaardiging van metalen constructiewerken en van onderdelen daarvan

28.11

Bouwnijverheid en aanverwante activiteiten

45.1 tot en met 4

Activiteiten vermeld in de bijlage bij Richtlijn 96/71/EG

Beveiligingsdiensten

74.60

Industriële reiniging

74.70

Thuisverpleging

85.14

Maatschappelijke dienstverlening waarbij geen onderdak wordt verschaft

85.32

Voorzover Duitsland en Oostenrijk in overeenstemming met de voorgaande alinea's afwijken van artikel III-144, eerste alinea, van de Grondwet, mag Bulgarije, na kennisgeving hiervan aan de Commissie, gelijkwaardige maatregelen treffen.

De toepassing van dit punt mag niet leiden tot strengere voorwaarden voor het tijdelijke verkeer van werknemers in de context van transnationale dienstverrichtingen tussen Duitsland of Oostenrijk en Bulgarije dan de op de datum van ondertekening van het toetredingsverdrag geldende voorwaarden.

14.

De toepassing van de punten 2 tot en met 5 en 7 tot en met 12 mag niet leiden tot strengere voorwaarden voor de toegang van Bulgaarse onderdanen tot de arbeidsmarkten van de huidige lidstaten dan de op de datum van ondertekening van het toetredingsverdrag geldende voorwaarden.

Niettegenstaande de toepassing van het bepaalde in de punten 1 tot en met 13 geven de huidige lidstaten, wat de toegang tot hun arbeidsmarkt betreft, gedurende eender welke periode tijdens welke nationale of uit bilaterale overeenkomsten voortvloeiende maatregelen worden toegepast, voorrang aan werknemers die onderdaan van de lidstaten zijn boven werknemers die onderdaan van een derde land zijn.

Legaal in een andere lidstaat verblijvende en werkende Bulgaarse migrerende werknemers en hun gezinnen, en legaal in Bulgarije verblijvende en werkende migrerende werknemers van andere lidstaten en hun gezinnen mogen niet restrictiever worden behandeld dan in de betrokken lidstaat c.q. Bulgarije verblijvende en werkende werknemers uit een derde land. Voorts mogen in Bulgarije verblijvende en werkende migrerende werknemers uit derde landen uit hoofde van het beginsel van de communautaire preferentie geen gunstiger behandeling krijgen dan Bulgaarse onderdanen.

2.   VRIJ VERRICHTEN VAN DIENSTEN

31997 L 0009: Richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PB L 84 van 26.3.1997, blz. 22).

In afwijking van artikel 4, lid 1, van Richtlijn 97/9/EG is het minimumbedrag van de compensatie tot en met 31 december 2009 niet van toepassing in Bulgarije. Bulgarije zorgt ervoor dat zijn beleggerscompensatiestelsel voorziet in een dekking van niet minder dan 12 000 EUR van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 en van niet minder dan 15 000 EUR van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2009.

Gedurende de overgangsperiode behouden de andere lidstaten het recht om een op hun grondgebied gevestigd bijkantoor van een Bulgaarse beleggingsonderneming te beletten werkzaam te zijn, tenzij en totdat dat bijkantoor is toegetreden tot een officieel erkend beleggerscompensatiestelsel op het grondgebied van de betrokken lidstaat om het verschil tussen het Bulgaarse compensatieniveau en het in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 97/9/EG genoemde minimumbedrag te dekken.

3.   VRIJ VERKEER VAN KAPITAAL

Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa

1.

Onverminderd de verplichtingen uit hoofde van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, mag Bulgarije, gedurende een periode van vijf jaar na de datum van toetreding, de in zijn bij de ondertekening van het Toetredingsverdrag bestaande wetgeving vastgestelde beperkingen handhaven ten aanzien van het verwerven van de eigendom van grond voor tweede woningen door niet in Bulgarije verblijvende onderdanen van de lidstaten of de staten die partij zijn bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte (EER), alsmede door rechtspersonen die zijn opgericht overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat of een EER-staat.

Onderdanen van de lidstaten en onderdanen van staten die partij zijn bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte en die wettig in Bulgarije verblijven, vallen niet onder het bepaalde in de voorgaande alinea, en worden niet onderworpen aan andere voorschriften en procedures dan die welke gelden voor de onderdanen van Bulgarije.

2.

Onverminderd de verplichtingen uit hoofde van het Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa, mag Bulgarije, gedurende een periode van zeven jaar na de datum van toetreding, de in zijn bij de ondertekening van het Toetredingsverdrag bestaande wetgeving vastgestelde beperkingen handhaven ten aanzien van het verwerven van landbouwgronden, bossen en bosbouwgronden door onderdanen van een andere lidstaat, onderdanen van de staten die partij zijn bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte (EER), alsmede door rechtspersonen die zijn opgericht overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat of een EER-staat. In geen geval mogen onderdanen van de lidstaten bij de verwerving van landbouwgronden, bossen en bosbouwgronden een minder gunstige behandeling ontvangen dan op het moment van de ondertekening van het Toetredingsverdrag, en evenmin mogen op hen stringentere beperkingen van toepassing zijn dan op onderdanen van een derde land.

Zelfstandige landbouwers die onderdaan zijn van een andere lidstaat en die zich in Bulgarije wensen te vestigen en er legaal wensen te verblijven, vallen niet onder het bepaalde in de voorgaande alinea en worden niet onderworpen aan andere procedures dan die welke gelden voor de onderdanen van Bulgarije.

In het derde jaar na de toetreding vindt er een algemene evaluatie van deze overgangsmaatregelen plaats. De Commissie brengt daartoe verslag uit bij de Raad. De Raad kan op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen besluiten om de in de eerste alinea vermelde overgangsperiode in te korten of te beëindigen.

4.   LANDBOUW

A.   LANDBOUWWETGEVING

31997 R 2597: Verordening (EG) nr. 2597/97 van de Raad van 18 december 1997 houdende aanvullende voorschriften voor de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten met betrekking tot consumptiemelk (PB L 351 van 23.12.1997, blz. 13), laatstelijk gewijzigd bij:

31999 R 1602: Verordening (EG) nr. 1602/1999 van de Raad van 19.7.1999 (PB L 189 van 22.7.1999, blz. 43).

In afwijking van artikel 3, lid 1, onder b) en c), van Verordening (EG) nr. 2597/97 zijn de voorschriften betreffende het vetgehalte tot 30 april 2009 niet van toepassing op in Bulgarije geproduceerde consumptiemelk, waarbij melk met een vetgehalte van 3% (m/m) als volle melk, en melk met een vetgehalte van 2% (m/m) als halfvolle melk in de handel mag worden gebracht. C