ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 135

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

48e jaargang
28 mei 2005


Inhoud

 

I   Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

Bladzijde

 

 

Verordening (EG) nr. 811/2005 van de Commissie van 27 mei 2005 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

1

 

 

Verordening (EG) nr. 812/2005 van de Commissie van 27 mei 2005 betreffende de 336e bijzondere inschrijving die wordt gehouden in het kader van de permanente verkoop bij inschrijving als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 429/90

3

 

 

Verordening (EG) nr. 813/2005 van de Commissie van 27 mei 2005 tot vaststelling van de minimumverkoopprijzen voor boter die gelden voor de 164e bijzondere inschrijving in het kader van de in Verordening (EG) nr. 2571/97 bedoelde permanente openbare inschrijving

4

 

 

Verordening (EG) nr. 814/2005 van de Commissie van 27 mei 2005 tot vaststelling van de maximumbedragen van de steun voor room, boter en boterconcentraat die gelden voor de 164e bijzondere inschrijving in het kader van de in Verordening (EG) nr. 2571/97 bedoelde permanente openbare inschrijving

6

 

 

Verordening (EG) nr. 815/2005 van de Commissie van 27 mei 2005 tot vaststelling van de minimumverkoopprijs van magere melkpoeder voor de 83e bijzondere inschrijving in het kader van de in Verordening (EG) nr. 2799/1999 bedoelde permanente verkoop bij inschrijving

8

 

 

Verordening (EG) nr. 816/2005 van de Commissie van 27 mei 2005 tot vaststelling van de minimumverkoopprijs voor boter voor de 20e bijzondere inschrijving in het kader van de permanente openbare inschrijving als bedoeld in Verordening (EG) nr. 2771/1999

9

 

 

Verordening (EG) nr. 817/2005 van de Commissie van 27 mei 2005 tot vaststelling van de minimumverkoopprijs voor mageremelkpoeder voor de 19e deelinschrijving in het kader van de permanente openbare inschrijving zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 214/2001

10

 

 

Verordening (EG) nr. 818/2005 van de Commissie van 27 mei 2005 tot vaststelling van de maximumrestitutie bij uitvoer van volwitte voorgekookte (parboiled) langkorrelige B rijst naar bepaalde derde landen in het kader van de inschrijving bedoeld in Verordening (EG) nr. 2032/2004

11

 

 

II   Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

 

 

Raad

 

*

Besluit van de Raad van 10 mei 2005 betreffende de ondertekening, namens de Europese Gemeenschap, van een samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Prinsdom Andorra

12

Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Prinsdom Andorra

14

 

*

Besluit van de Raad van 23 mei 2005 houdende benoeming van een Spaans lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité

19

 

*

Besluit van de Raad van 23 mei 2005 houdende benoeming van een Ests lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité

20

 

 

Commissie

 

*

Beschikking van de Commissie van 8 september 2004 betreffende de steunmaatregelen ten behoeve van het attractiepark Bioscope die door Frankrijk werden ten uitvoer gelegd ten gunste van de onderneming S.M.V.P. — Mise en valeur du patrimoine culturel (Kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 2686)  ( 1 )

21

 

*

Beschikking van de Commissie van 23 mei 2005 inzake noodmaatregelen met betrekking tot Spaanse peper, producten van Spaanse peper, kurkuma en palmolie (Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 1454)  ( 1 )

34

 

*

Beschikking van de Commissie van 25 mei 2005 tot vaststelling van de klassen van gedrag van daken en dakbedekkingen bij een brand vanaf de buitenzijde voor bepaalde in richtlijn 89/106/EEG bedoelde voor de bouw bestemde producten (Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 1501)  ( 1 )

37

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

28.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 135/1


VERORDENING (EG) Nr. 811/2005 VAN DE COMMISSIE

van 27 mei 2005

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 28 mei 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 mei 2005.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1947/2002 (PB L 299 van 1.11.2002, blz. 17).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 27 mei 2005 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

052

75,1

204

85,3

999

80,2

0707 00 05

052

101,5

204

30,3

999

65,9

0709 90 70

052

91,3

624

50,3

999

70,8

0805 10 20

052

41,5

204

39,8

212

108,2

220

53,0

388

57,8

400

35,0

624

58,1

999

56,2

0805 50 10

052

107,2

388

47,7

524

56,8

528

64,3

624

60,4

999

67,3

0808 10 80

388

67,7

400

100,1

404

68,3

508

70,7

512

70,3

524

62,0

528

69,7

720

79,3

804

122,1

999

78,9

0809 20 95

400

545,6

999

545,6


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 2081/2003 van de Commissie (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11). De code „999” staat voor „andere oorsprong”.


28.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 135/3


VERORDENING (EG) Nr. 812/2005 VAN DE COMMISSIE

van 27 mei 2005

betreffende de 336e bijzondere inschrijving die wordt gehouden in het kader van de permanente verkoop bij inschrijving als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 429/90

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (1), en met name op artikel 10,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 429/90 van de Commissie van 20 februari 1990 betreffende de toekenning, via openbare inschrijving, van steun voor boterconcentraat voor rechtstreekse consumptie in de Gemeenschap (2), houden de interventiebureaus een permanente verkoop bij inschrijving voor de toekenning van steun voor boterconcentraat. In artikel 6 van die verordening is bepaald dat, rekening houdend met de voor elke bijzondere inschrijving ontvangen offertes, voor boterconcentraat met een botervetgehalte van ten minste 96 % een maximumbedrag voor de steun wordt vastgesteld of wordt besloten om aan de inschrijving geen gevolg te geven. De bestemmingszekerheid moet dienovereenkomstig worden vastgesteld.

(2)

Het onderzoek van de offertes heeft ertoe geleid geen gevolg te geven aan de inschriijving,

(3)

Het Comité van beheer voor melk en zuivelproducten heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter bepaalde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Aan de 336e bijzondere inschrijving die wordt gehouden in het kader van de permanente verkoop bij inschrijving als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 429/90, wordt geen gevolg gegeven.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 28 mei 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 mei 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 186/2004 van de Commissie (PB L 29 van 3.2.2004, blz. 6).

(2)  PB L 45 van 21.2.1990, blz. 8. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2250/2004 (PB L 381 van 28.12.2004, blz. 25).


28.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 135/4


VERORDENING (EG) Nr. 813/2005 VAN DE COMMISSIE

van 27 mei 2005

tot vaststelling van de minimumverkoopprijzen voor boter die gelden voor de 164e bijzondere inschrijving in het kader van de in Verordening (EG) nr. 2571/97 bedoelde permanente openbare inschrijving

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (1), en met name op artikel 10,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij openbare inschrijving verkopen de interventiebureaus bepaalde hoeveelheden boter uit interventievoorraden die in hun bezit zijn, en kennen steun toe voor room, boter en boterconcentraat, een en ander overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2571/97 van de Commissie van 15 december 1997 betreffende de verkoop van boter tegen verlaagde prijs en de toekenning van steun voor room, boter en boterconcentraat voor de vervaardiging van banketbakkerswerk, consumptie-ijs en andere voedingsmiddelen (2). In artikel 18 van die verordening is bepaald dat, rekening houdend met de voor elke bijzondere inschrijving ontvangen offertes, een minimumverkoopprijs voor boter en een maximumbedrag van de steun voor room, boter en boterconcentraat worden vastgesteld, die kunnen worden gedifferentieerd volgens de bestemming, het vetgehalte van de boter en de verwerkingsmethode, of wordt besloten aan de inschrijving geen gevolg te geven. De bedragen van de verwerkingszekerheden moeten dienovereenkomstig worden vastgesteld.

(2)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor melk en zuivelproducten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de 164e bijzondere inschrijving in het kader van de permanente openbare inschrijving zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 2571/97, worden de minimumverkoopprijzen voor boter uit interventievoorraden alsmede de bedragen van de verwerkingszekerheden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 28 mei 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 mei 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 186/2004 van de Commissie (PB L 29 van 3.2.2004, blz. 6).

(2)  PB L 350 van 20.12.1997, blz. 3. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2250/2004 (PB L 381 van 28.12.2004, blz. 25).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 27 mei 2005 tot vaststelling van de minimumverkoopprijzen voor boter die gelden voor de 164e bijzondere inschrijving in het kader van de in Verordening (EG) nr. 2571/97 bedoelde permanente openbare inschrijving

(EUR/100 kg)

Formule

A

B

Verwerkingsmethode

Met verklikstoffen

Zonder verklikstoffen

Met verklikstoffen

Zonder verklikstoffen

Minimumverkoopprijs

Boter ≥ 82 %

In ongewijzigde staat

210

Concentraat

204,1

208,1

Verwerkingszekerheid

In ongewijzigde staat

73

Concentraat

73

73


28.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 135/6


VERORDENING (EG) Nr. 814/2005 VAN DE COMMISSIE

van 27 mei 2005

tot vaststelling van de maximumbedragen van de steun voor room, boter en boterconcentraat die gelden voor de 164e bijzondere inschrijving in het kader van de in Verordening (EG) nr. 2571/97 bedoelde permanente openbare inschrijving

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (1), en met name op artikel 10,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij openbare inschrijving verkopen de interventiebureaus bepaalde hoeveelheden boter uit interventievoorraden die in hun bezit zijn, en kennen steun toe voor room, boter en boterconcentraat, een en ander overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2571/97 van de Commissie van 15 december 1997 betreffende de verkoop van boter tegen verlaagde prijs en de toekenning van steun voor room, boter en boterconcentraat voor de vervaardiging van banketbakkerswerk, consumptie-ijs en andere voedingsmiddelen (2). In artikel 18 van die verordening is bepaald dat, rekening houdend met de voor elke bijzondere inschrijving ontvangen offertes, een minimumverkoopprijs voor boter en een maximumbedrag van de steun voor room, boter en boterconcentraat worden vastgesteld, die kunnen worden gedifferentieerd volgens de bestemming, het vetgehalte van de boter en de verwerkingsmethode, of wordt besloten aan de inschrijving geen gevolg te geven. De bedragen van de verwerkingszekerheden moeten dienovereenkomstig worden vastgesteld.

(2)

Het Comité van beheer voor melk en zuivelproducten heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter bepaalde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de 164e bijzondere inschrijving in het kader van de permanente openbare inschrijving zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 2571/97, worden de maximumbedragen van de steun alsmede de bedragen van de verwerkingszekerheden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 28 mei 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 mei 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 186/2004 van de Commissie (PB L 29 van 3.2.2004, blz. 6).

(2)  PB L 350 van 20.12.1997, blz. 3. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2250/2004 (PB L 381 van 28.12.2004, blz. 25).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 27 mei 2005 tot vaststelling van de maximumbedragen van de steun voor room, boter en boterconcentraat die gelden voor de 164e bijzondere inschrijving in het kader van de in Verordening (EG) nr. 2571/97 bedoelde permanente openbare inschrijving

(EUR/100 kg)

Formule

A

B

Verwerkingsmethode

Met verklikstoffen

Zonder verklikstoffen

Met verklikstoffen

Zonder verklikstoffen

Maximumbedrag van de steun

Boter ≥ 82 %

46

42

41

Boter < 82 %

44

40

Boterconcentraat

Room

18

Verwerkingszekerheid

Boter

51

Boterconcentraat

Room


28.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 135/8


VERORDENING (EG) Nr. 815/2005 VAN DE COMMISSIE

van 27 mei 2005

tot vaststelling van de minimumverkoopprijs van magere melkpoeder voor de 83e bijzondere inschrijving in het kader van de in Verordening (EG) nr. 2799/1999 bedoelde permanente verkoop bij inschrijving

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (1), en met name op artikel 10,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 26 van Verordening (EG) nr. 2799/1999 van de Commissie van 17 december 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad ten aanzien van de toekenning van steun voor ondermelk en magere melkpoeder voor voederdoeleinden en de verkoop van voornoemd magere melkpoeder (2), houden de interventiebureaus voor bepaalde in hun bezit zijnde hoeveelheden magere melkpoeder een permanente verkoop bij inschrijving.

(2)

Volgens de voorwaarden van artikel 30 van deze verordening, met inachtneming van de ontvangen aanbiedingen voor iedere bijzondere inschrijving, wordt een minimumverkoopprijs vastgesteld of wordt besloten de verkoop bij inschrijving geen doorgang te laten vinden. Het bedrag van de verwerkingszekerheid moet worden vastgesteld waarbij rekening wordt gehouden met het verschil tussen de marktprijs van magere melkpoeder en de minimumverkoopprijs.

(3)

Het verdient aanbeveling, met inachtneming van de ontvangen aanbiedingen, de minimumverkoopprijs op de hiernavolgende hoogte vast te stellen en dienovereenkomstig de verwerkingszekerheid te bepalen.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor melk en zuivelproducten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de 83e bijzondere inschrijving in het kader van Verordening (EG) nr. 2799/1999, waarvoor de termijn voor indiening van de offertes is afgelopen op 24 mei 2005, worden de minimumverkoopprijs en de verwerkingszekerheid als volgt vastgesteld:

minimumverkoopprijs:

195,24 EUR/100 kg,

verwerkingszekerheid:

35,00 EUR/100 kg.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 28 mei 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 mei 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 186/2004 van de Commissie (PB L 29 van 3.2.2004, blz. 6).

(2)  PB L 340 van 31.12.1999, blz. 3. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2250/2004 (PB L 381 van 28.12.2004, blz. 25).


28.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 135/9


VERORDENING (EG) Nr. 816/2005 VAN DE COMMISSIE

van 27 mei 2005

tot vaststelling van de minimumverkoopprijs voor boter voor de 20e bijzondere inschrijving in het kader van de permanente openbare inschrijving als bedoeld in Verordening (EG) nr. 2771/1999

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (1), en met name op artikel 10, onder c),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EG) nr. 2771/1999 van de Commissie van 16 december 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad ten aanzien van de interventiemaatregelen op de markt voor boter en room (2) hebben interventiebureaus bepaalde hoeveelheden boter die in hun bezit zijn, te koop aangeboden door middel van een permanente openbare inschrijving.

(2)

Krachtens artikel 24 bis van Verordening (EG) nr. 2771/1999 wordt op basis van de voor elke bijzondere inschrijving ontvangen biedingen een minimumverkoopprijs vastgesteld of besloten geen boter toe te wijzen.

(3)

Gezien de ontvangen biedingen, dient een minimumverkoopprijs te worden vastgesteld.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor melk en zuivelproducten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de 20e bijzondere inschrijving op grond van Verordening (EG) nr. 2771/1999, waarvoor de termijn voor het indienen van biedingen is verstreken op 24 mei 2005, wordt de minimumverkoopprijs voor boter vastgesteld op 275,5 EUR/100 kg.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 28 mei 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 mei 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 186/2004 van de Commissie (PB L 29 van 3.2.2004, blz. 6).

(2)  PB L 333 van 24.12.1999, blz. 11. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2250/2004 (PB L 381 van 28.12.2004, blz. 25).


28.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 135/10


VERORDENING (EG) Nr. 817/2005 VAN DE COMMISSIE

van 27 mei 2005

tot vaststelling van de minimumverkoopprijs voor mageremelkpoeder voor de 19e deelinschrijving in het kader van de permanente openbare inschrijving zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 214/2001

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (1), en met name op artikel 10, onder c),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EG) nr. 214/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad ten aanzien van de interventiemaatregelen op de markt voor mageremelkpoeder (2) hebben interventiebureaus bepaalde hoeveelheden mageremelkpoeder die in hun bezit zijn, te koop aangeboden door middel van een permanente openbare inschrijving.

(2)

Krachtens artikel 24 bis van Verordening (EG) nr. 214/2001 wordt op basis van de voor elke bijzondere inschrijving ontvangen biedingen een minimumverkoopprijs vastgesteld of besloten geen mageremelkpoeder toe te wijzen.

(3)

Gezien de ontvangen biedingen, dient een minimumverkoopprijs te worden vastgesteld.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor melk en zuivelproducten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de 19e deelinschrijving op grond van Verordening (EG) nr. 214/2001, waarvoor de termijn voor het indienen van biedingen is verstreken op 24 mei 2005, wordt de minimumverkoopprijs voor mageremelkpoeder vastgesteld op 196,24 EUR/100 kg.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 28 mei 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 mei 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 186/2004 van de Commissie (PB L 29 van 3.2.2004, blz. 6).

(2)  PB L 37 van 7.2.2001, blz. 100. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2250/2004 (PB L 381 van 28.12.2004, blz. 25).


28.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 135/11


VERORDENING (EG) Nr. 818/2005 VAN DE COMMISSIE

van 27 mei 2005

tot vaststelling van de maximumrestitutie bij uitvoer van volwitte voorgekookte (parboiled) langkorrelige B rijst naar bepaalde derde landen in het kader van de inschrijving bedoeld in Verordening (EG) nr. 2032/2004

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1785/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt (1), en met name op artikel 14, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 2032/2004 van de Commissie (2) is een inschrijving voor de vaststelling van de restitutie bij uitvoer van rijst opengesteld.

(2)

Overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EEG) nr. 584/75 van de Commissie (3), kan de Commissie volgens de procedure van artikel 26, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1785/2003 op grond van de ingediende offertes besluiten een maximumrestitutie bij uitvoer vast te stellen. Bij deze vaststelling moet met name rekening worden gehouden met de in artikel 14, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1785/2003 genoemde criteria. Er wordt toegewezen aan de inschrijver(s) wiens (wier) offerte ten hoogste gelijk is aan de maximumrestitutie bij uitvoer.

(3)

De toepassing van bovenbedoelde criteria op de huidige marktsituatie leidt voor de betrokken rijst tot vaststelling van de maximumrestitutie bij uitvoer op het in artikel 1 vermelde bedrag.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De maximumrestitutie bij uitvoer van volwitte voorgekookte (parboiled) langkorrelige B rijst naar bepaalde derde landen in het kader van de in Verordening (EG) nr. 2032/2004 bedoelde inschrijving wordt op grond van de van 23 tot en met 26 mei 2005 ingediende offertes vastgesteld op 57,00 EUR/t.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 28 mei 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 mei 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 96.

(2)  PB L 353 van 27.11.2004, blz. 6.

(3)  PB L 61 van 7.3.1975, blz. 25. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1948/2002 (PB L 299 van 1.11.2002, blz. 18).


II Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

Raad

28.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 135/12


BESLUIT VAN DE RAAD

van 10 mei 2005

betreffende de ondertekening, namens de Europese Gemeenschap, van een samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Prinsdom Andorra

(2005/398/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de artikelen 71, 137, 149, 150, 151, 152, 156, 159, 161 en 175, juncto artikel 300, lid 2, eerste alinea, tweede zin, en artikel 300, lid 3, eerste alinea,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien de instemming van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Gemeenschap is vastbesloten de bestaande betrekkingen met Andorra, die tot dusver zijn gebaseerd op een op 28 juni 1990 in Luxemburg ondertekende overeenkomst tot oprichting van een douane-unie, te intensiveren.

(2)

Nadat de Raad haar daartoe op 24 februari 1997 had gemachtigd, heeft de Commissie onderhandelingen met Andorra gevoerd die hebben geresulteerd in een overeenkomst met betrekking tot een groot aantal samenwerkingssectoren.

(3)

Overeenkomstig het besluit van de Raad van 25/26 oktober 2004, en onder voorbehoud van sluiting op een later tijdstip, is de overeenkomst op 15 november 2004 namens de Europese Gemeenschap ondertekend.

(4)

Het Gemengd Samenwerkingscomité dat in het kader van de overeenkomst wordt opgericht, wordt met een aantal taken belast. De Commissie moet worden gemachtigd om deze taken namens de Gemeenschap te vervullen.

(5)

De overeenkomst moet worden goedgekeurd,

BESLUIT:

Artikel 1

De ondertekening van de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Prinsdom Andorra wordt namens de Gemeenschap goedgekeurd.

De tekst van de overeenkomst is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad verricht namens de Gemeenschap de in artikel 14 van de overeenkomst bedoelde kennisgeving (2).

Artikel 3

1.   De Commissie, bijgestaan door de vertegenwoordigers van de lidstaten, vertegenwoordigt de Gemeenschap in het Samenwerkingscomité dat wordt opgericht bij artikel 9 van de overeenkomst.

2.   Het standpunt van de Gemeenschap met betrekking tot door het Samenwerkingscomité te nemen besluiten wordt na overleg met de vertegenwoordigers van de lidstaten vastgesteld door de Commissie.

Gedaan te Brussel, 10 mei 2005.

Voor de Raad

De voorzitter

J. KRECKÉ


(1)  Advies uitgebracht op 22 februari 2005 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  De datum van inwerkingtreding van de overeenkomst zal door het secretariaat-generaal van de Raad bekend worden gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.


SAMENWERKINGSOVEREENKOMST

tussen de Europese Gemeenschap en het Prinsdom Andorra

DE EUROPESE GEMEENSCHAP

enerzijds, en

HET PRINSDOM ANDORRA

anderzijds,

VASTBESLOTEN de reeds nauwe betrekkingen tussen de Europese Gemeenschap en het Prinsdom Andorra te consolideren en uit te breiden;

OVERWEGENDE dat de handelsbetrekkingen tussen de Europese Gemeenschap en het Prinsdom Andorra zijn gebaseerd op de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling die op 28 juni 1990 in Luxemburg is ondertekend en waarbij een douane-unie is opgericht;

OVERWEGENDE dat sinds die datum aanzienlijke vorderingen zijn gemaakt op het gebied van de Europese integratie;

OVERWEGENDE dat het Prinsdom Andorra zich in een bijzondere situatie bevindt, aangezien zijn grondgebied door de Europese Unie wordt omsloten, maar het geen lid van de Europese Unie is;

OVERWEGENDE dat het Prinsdom Andorra intenser aan het Europese integratieproces wil deelnemen en daarom zijn betrekkingen met de Europese Unie wenst uit te breiden;

OVERWEGENDE dat de Europese Gemeenschap en het Prinsdom Andorra een overeenkomst sluiten die garandeert dat beide partijen op een zo breed mogelijke basis met elkaar samenwerken voor alle aangelegenheden van gemeenschappelijk belang die onder hun respectieve bevoegdheden vallen,

KOMEN HET VOLGENDE OVEREEN:

BEGINSELEN

Artikel 1

De Europese Gemeenschap en het Prinsdom Andorra (hierna „de overeenkomstsluitende partijen” genoemd) verbinden zich er, binnen hun respectieve bevoegdheden, toe om op een zo breed mogelijke basis en ten bate van beide overeenkomstsluitende partijen met elkaar samen te werken op de gebieden van gemeenschappelijk belang, en met name op de in de artikelen 2 tot en met 8 genoemde prioritaire gebieden.

SAMENWERKINGSGEBIEDEN

Artikel 2

Milieu

De overeenkomstsluitende partijen werken op het gebied van milieubescherming en verbetering met elkaar samen om duurzame ontwikkeling te garanderen. Deze samenwerking heeft betrekking op de volgende gebieden: klimaatverandering, bescherming van de natuur en van de biodiversiteit, milieu en gezondheid, beheer van de natuurlijke rijkdommen en afvalbeheer. In het kader van deze doelstelling streven zij ernaar om het milieu van de Pyreneeën in stand te houden en tegelijk de economie te ontwikkelen.

De overeenkomstsluitende partijen werken in een geest van medeverantwoordelijkheid samen om oplossingen te vinden voor de milieuproblemen waarmee het Prinsdom Andorra en de tot de Europese Gemeenschap behorende Pyreneeëngebieden te kampen hebben. Zij houden er rekening mee dat sommige problemen, zoals het afvalprobleem, verband houden met het verkeer van goederen en personen tussen hun respectieve grondgebieden. De overeenkomstsluitende partijen werken met name samen op het gebied van de overbrenging en de verwijdering van afvalstoffen.

Het Prinsdom Andorra zal ernaar streven om in de mate van zijn mogelijkheden milieunormen vast te stellen die equivalent zijn met die van de Gemeenschap, voorzover die van belang zijn voor de milieubescherming en de duurzame economische ontwikkeling in het Prinsdom Andorra; de Europese Gemeenschap zal hiertoe desgevraagd met het Prinsdom Andorra samenwerken.

De overeenkomstsluitende partijen gaan na of en hoe het Prinsdom Andorra betrokken kan worden bij voor derde landen openstaande Europese communautaire programma’s die voor Andorra op milieugebied van belang kunnen zijn.

De Europese Gemeenschap helpt bij de totstandbrenging van samenwerking tussen het Europees Milieuagentschap en het Prinsdom Andorra.

Artikel 3

Communicatie, informatie en cultuur

De overeenkomstsluitende partijen komen, binnen de mogelijkheden die door de communautaire acties en door de Andorrese wetgeving worden geboden, overeen op het gebied van communicatie, informatie en cultuur gemeenschappelijke acties op te zetten in de geest van artikel 151 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Deze acties kunnen onder meer het volgende omvatten:

uitwisseling van informatie over onderwerpen van wederzijds belang op het gebied van cultuur en informatie;

organisatie van cultuurevenementen;

culturele uitwisselingen;

instandhouding van het architecturale erfgoed van Andorra en het Pyreneeëngebied, en restauratie van monumenten en sites;

instandhouding en bevordering van het culturele erfgoed van Andorra en het Pyreneeëngebied;

grensoverschrijdende onderzoekprogramma’s op het gebied van geschiedenis, kunst en talen;

instandhouding, valorisatie en verspreiding van het Catalaans;

deelname van het Prinsdom Andorra aan Europese cultuurprojecten.

Artikel 4

Onderwijs, beroepsopleiding en jeugd

De overeenkomstsluitende partijen komen overeen om op het gebied van onderwijs en beroepsopleiding samen te werken om in de geest van de artikelen 149 en 150 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bij te dragen tot de oprichting van een Europese onderwijsruimte.

Zij gaan na of en hoe het Prinsdom Andorra betrokken kan worden bij Europese communautaire programma’s die op het gebied van onderwijs, beroepsopleiding en jeugd voor Andorra van belang kunnen zijn.

Artikel 5

Sociale vraagstukken en gezondheid

De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe te onderzoeken hoe de coördinatie op sociaal gebied kan worden verbeterd door uitwisseling van deskundigen, samenwerking tussen de bestuursdiensten en samenwerking tussen bedrijven en opleidingsdiensten.

De overeenkomstsluitende partijen gaan op dezelfde manier te werk wat betreft samenwerking op het gebied van de volksgezondheid.

Zij zorgen ervoor dat werknemers die de nationaliteit van de andere partij hebben en wettig op hun respectieve grondgebied verblijven, niet worden gediscrimineerd op het gebied van arbeidsvoorwaarden, bezoldiging en ontslagregeling.

Wat werkgelegenheid betreft, heeft de samenwerking tussen de overeenkomstsluitende partijen onder meer betrekking op de ontwikkeling van lokale en regionale diensten voor beroepsorientatie en voor planning en bevordering van de werkgelegenheid.

Artikel 6

Trans-Europese netwerken en vervoer

De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe intenser samen te werken op het gebied van de Trans-Europese netwerken voor energie en telecommunicatie en op het gebied van het vervoer in het algemeen. Deze samenwerking is er onder meer op gericht de studie te bevorderen van mogelijke projecten van gemeenschappelijk belang die het milieu van het Pyreneeëngebied sparen. Bij hun samenwerking laten de overeenkomstsluitende partijen zich leiden door de doelstellingen die zijn vastgesteld in de artikelen 154 en 155 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Artikel 7

Regionaal beleid

De overeenkomstsluitende partijen komen overeen om in het kader van hun respectieve wetgevingen hun regionale samenwerking uit te breiden en zich daarbij te laten inspireren door het beleid van grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking van de Europese Gemeenschap.

Deze samenwerking kan de volgende vormen aannemen:

bestudering van een gezamenlijke aanpak voor de ontwikkeling van gebieden aan de grens tussen de Europese Gemeenschap en het Prinsdom Andorra, met als doel steun te bieden voor een beleid voor het Pyreneeëngebied dat analoog is aan dat voor het Alpengebied. In deze context zal de Europese Gemeenschap voorstellen dat het Prinsdom Andorra onder dezelfde voorwaarden als andere derde landen kan deelnemen aan de toekomstige programma’s van het type Interreg;

organisatie van bezoeken en uitwisseling van ambtenaren of deskundigen om de samenwerkingsmogelijkheden te onderzoeken;

samenwerking op het gebied van het bergbeleid, geïnspireerd op het communautaire beleid dat gericht is op de continuïteit en de duurzaamheid van de landbouwbedrijven, de economische ontwikkeling en het behoud van de natuurlijke ruimte.

Artikel 8

Overige samenwerkingsgebieden

De overeenkomstsluitende partijen kunnen deze overeenkomst in gemeenschappelijk overleg uitbreiden door overeenkomsten over specifieke aangelegenheden.

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 9

1.   Er wordt een Samenwerkingscomité opgericht dat wordt belast met het beheer van deze overeenkomst en op de correcte uitvoering ervan zal toezien.

2.   Met het oog op de correcte uitvoering van deze overeenkomst wisselen de overeenkomstsluitende partijen informatie aan elkaar uit en plegen zij, op verzoek van één van de partijen, met elkaar overleg in het Samenwerkingscomité.

3.   Het Samenwerkingscomité stelt zijn reglement van orde op.

4.   Het Samenwerkingscomité is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Europese Gemeenschap en vertegenwoordigers van het Prinsdom Andorra.

5.   Het Samenwerkingscomité spreekt zich uit in onderlinge overeenstemming.

6.   Het voorzitterschap van het Samenwerkingscomité wordt bij toerbeurt door de overeenkomstsluitende partijen waargenomen overeenkomstig de daartoe in het reglement van orde van het Comité vast te stellen regels.

7.   Het Samenwerkingscomité komt in onderlinge overeenstemming bijeen op verzoek van een van beide overeenkomstsluitende partijen. De bepalingen inzake de praktische organisatie van de vergaderingen worden vastgesteld in het reglement van orde.

Artikel 10

De overeenkomstsluitende partijen komen overeen dat elk geschil dat tussen hen kan ontstaan over de uitvoering en de interpretatie van deze overeenkomst, aan het Samenwerkingscomité wordt voorgelegd.

Artikel 11

Deze overeenkomst wordt gesloten voor onbepaalde duur.

Artikel 12

Elke overeenkomstsluitende partij kan deze overeenkomst opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de andere overeenkomstsluitende partij. In dit geval houdt deze overeenkomst zes maanden na de datum van deze kennisgeving op van kracht te zijn.

Artikel 13

Deze overeenkomst is van toepassing, enerzijds, op elk grondgebied waar het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is, onder de in dat verdrag neergelegde voorwaarden, en, anderzijds, op het grondgebied van het Prinsdom Andorra.

Artikel 14

Deze overeenkomst wordt door de overeenkomstsluitende partijen goedgekeurd volgens hun eigen procedures.

Zij treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de kennisgeving van de voltooiing van de in de eerste alinea bedoelde procedures.

Artikel 15

1.   Deze overeenkomst wordt opgesteld in twee exemplaren in de Catalaanse, Deense, Duitse, Engelse, Estse, Finse, Franse, Griekse, Hongaarse, Italiaanse, Letse, Litouwse, Nederlandse, Poolse, Portugese, Sloveense, Slowaakse, Spaanse, Tsjechische en Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

2.   Het exemplaar in de Maltese taal wordt door de overeenkomstsluitende partijen geauthentiseerd op basis van een briefwisseling. Het is eveneens authentiek, op dezelfde wijze als de teksten in de in voorgaande alinea genoemde talen.

Hecho en Bruselas, el quince de noviembre de dos mil cuatro.

V Bruselu dne patnáctého listopadu dva tisíce čtyři.

Udfærdiget i Bruxelles, den femtende november to tusind og fire.

Geschehen zu Brüssel am fünfzehnten November zweitausendundvier.

Kahe tuhande neljanda aasta novembrikuu viieteistkümnendal päeval Brüsselis.

'Εγινε στις Βρυξέλλες, στις δέκα πέντε Νοεμβρίου δύο χιλιάδες τέσσερα.

Done at Brussels on the fifteenth day of November in the year two thousand and four.

Fait à Bruxelles, le quinze novembre deux mille quatre.

Fatto a Bruxelles, addì quindici novembre duemilaquattro.

Briselē, divi tūkstoši ceturtā gada piecpadsmitajā novembrī.

Pasirašyta du tūkstančiai ketvirtų metų lapkričio penkioliktą dieną Briuselyje.

Kelt Brüsszelben, a kétezer-negyedik év november havának tizenötödik napján.

Magħmul fi Brussel fil-ħmistax il-jum ta' Novembru tas-sena elfejn u erbgħa.

Gedaan te Brussel, de vijftiende november tweeduizendvier.

Sporządzono w Brukseli dnia piętnastego października dwa tysiące czwartego roku.

Feito em Bruxelas, em quinze de Novembro de dois mil e quatro.

V Bruseli pätnásteho novembra dvetisícštyri.

V Bruslju, petnajstega novembra leta dva tisoč štiri.

Tehty Brysselissä viidentenätoista päivänä marraskuuta vuonna kaksituhattaneljä.

Som skedde i Bryssel den femtonde november tjugohundrafyra.

Fet a Brussel les el dia quinze de novembre de l'any dos mil quatre.

Por la Comunidad Europea

Za Evropské společenství

For Det Europæiske Fællesskab

Für die Europäische Gemeinschaft

Euroopa Ühenduse nimel

Για την Ευρωπαϊκή Κοινότητα

For the European Community

Pour la Communauté européenne

Per la Comunità europea

Eiropas Kopienas vārdā

Europos bendrijos vardu

az Európai Közösség részéről

Għall-Komunità Ewropea

Voor de Europese Gemeenschap

W imieniu Wspólnoty Europejskiej

Pela Comunidade Europeia

Za Európske spoločenstvo

za Evropsko skupnost

Euroopan yhteisön puolesta

På Europeiska gemenskapens vägnar

Per la Comunitat Europea

Image

Per la Principat d'Andorra

Image


28.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 135/19


BESLUIT VAN DE RAAD

van 23 mei 2005

houdende benoeming van een Spaans lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité

(2005/399/EG, Euratom)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 259,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name op artikel 167,

Gelet op Besluit 2002/758/EG van de Raad van 17 september 2002 tot benoeming van de leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor de periode van 21 september 2002 tot en met 20 september 2006 (1),

Gezien de voordracht van de Spaanse regering,

Gezien het advies van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

In het Europees Economisch en Sociaal Comité is een vacature ontstaan door het aftreden van de heer Fernando MORALEDA QUÍLEZ, waarvan de Raad op 3 juni 2004 in kennis is gesteld,

BESLUIT:

Enig artikel

De heer Marcos ALARCÓN ALARCÓN wordt benoemd tot lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité, ter vervanging van de heer Fernando MORALEDA QUÍLEZ, voor de verdere duur van diens ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 20 september 2006.

Gedaan te Brussel, 23 mei 2005.

Voor de Raad

De voorzitter

J.-L. SCHILTZ


(1)  PB L 253 van 21.9.2002, blz. 9.


28.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 135/20


BESLUIT VAN DE RAAD

van 23 mei 2005

houdende benoeming van een Ests lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité

(2005/400/EG, Euratom)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 259,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name op artikel 167,

Gelet op het Besluit 2002/756/EG, Euratom van de Raad van 17 september 2002 tot benoeming van de leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor de periode van 21 september 2002 tot en met 20 september 2006 (1),

Gezien de voordracht van de Estse regering,

Gezien het advies van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

In het Europees Economisch en Sociaal Comité is een vacature ontstaan door het aftreden van de heer Kalev KREEGIPUU, waarvan de Raad op 3 september 2004 in kennis is gesteld,

BESLUIT:

Enig artikel

De heer Kaul NURM wordt benoemd tot lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité, ter vervanging van de heer Kalev KREEGIPUU, voor de verdere duur van diens ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 20 september 2006.

Gedaan te Brussel, 23 mei 2005.

Voor de Raad

De voorzitter

J.-L. SCHILTZ


(1)  PB L 253 van 21.9.2002, blz. 9.


Commissie

28.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 135/21


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 8 september 2004

betreffende de steunmaatregelen ten behoeve van het attractiepark Bioscope die door Frankrijk werden ten uitvoer gelegd ten gunste van de onderneming S.M.V.P. — Mise en valeur du patrimoine culturel

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 2686)

(Slechts de tekst in de Franse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2005/401/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 88, lid 2, eerste alinea,

Na de belanghebbenden overeenkomstig het genoemde artikel (1) te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, en gezien deze opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

I.   PROCEDURE

(1)

Bij schrijven van 27 maart 2001, dat op 28 maart 2001 werd geregistreerd, heeft de Commissie een klacht ontvangen betreffende eventuele staatssteun voor het in de Elzas gelegen attractiepark Bioscope (hierna „Bioscope” genoemd). Deze klacht had ook betrekking op het Ecomuseum van de Elzas. Aangezien deze laatste kwestie werd behandeld in een besluit van de Commissie van 21 januari 2003 (2), wordt zij in deze beschikking niet besproken.

(2)

Bij brieven van 30 maart 2001, 31 juli 2001, 14 december 2001, 16 juli 2002, 17 oktober 2002 en 3 december 2002 heeft de Commissie Frankrijk informatie gevraagd over de desbetreffende steunmaatregel. Frankrijk heeft deze gegevens verstrekt bij schrijven van 24 juli 2001, op 26 juli 2001 door de Commissie geregistreerd, van 28 november 2001, op dezelfde dag door de Commissie geregistreerd, van 2 juni 2002, op dezelfde dag door de Commissie geregistreerd, van 25 juni 2002, op dezelfde dag door de Commissie geregistreerd, van 8 juli 2002, op 9 juli 2002 door de Commissie geregistreerd, van 21 oktober 2002, op 22 oktober 2002 door de Commissie geregistreerd, en van 7 februari 2003, op 10 februari 2003 door de Commissie geregistreerd.

(3)

Bij schrijven van 29 oktober 2003 heeft de Commissie Frankrijk in kennis gesteld van haar besluit om de procedure van artikel 88, lid 2, van het Verdrag ten aanzien van deze steunmaatregel in te leiden.

(4)

Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure is in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt (3). De Commissie heeft de belanghebbenden uitgenodigd hun opmerkingen over de betrokken steunmaatregel kenbaar te maken.

(5)

Bij schrijven van 26 januari 2004, dat op dezelfde dag werd geregistreerd, heeft Frankrijk de Commissie zijn opmerkingen kenbaar gemaakt.

(6)

Bij schrijven van 19 februari 2004, dat op dezelfde dag werd geregistreerd, heeft de Duitse brancheorganisatie van attractieparken en recreatieondernemingen (Verband Deutscher Freizeitparks und Freizeitunternehmen e.V. –– hierna „de VDFU” genoemd) haar opmerkingen over de desbetreffende steun aan de Commissie kenbaar gemaakt.

(7)

Bij schrijven van 24 februari 2004, dat op 25 februari 2004 werd geregistreerd, heeft de vennootschap S.M.V.P. — Valorisation et animation du patrimoine culturel (hierna „SMVP” genoemd) haar opmerkingen over de desbetreffende steun aan de Commissie kenbaar gemaakt.

(8)

Bij schrijven van 26 februari 2004 en van 27 februari 2004 heeft de Commissie Frankrijk een kopie toegezonden van de opmerkingen die door de VDFU en SMVP werden gemaakt.

(9)

Bij schrijven van 26 maart 2004, dat op dezelfde dag werd geregistreerd, heeft Frankrijk de Commissie zijn commentaar toegezonden op de opmerkingen van de VDFU en SMVP.

(10)

Bij schrijven van 25 augustus 2004, dat door de Commissie op 31 augustus 2004 werd geregistreerd, heeft Frankrijk nadere informatie over de maatregel verstrekt.

II.   BESCHRIJVING

1.   Het project voor het attractiepark Bioscope

(11)

In 1994 heeft de regio Elzas het project voor het attractiepark Bioscope voorgesteld. Het betreft de bouw van een attractiepark waarin thema's op het gebied van gezondheid, leven en milieu op zowel wetenschappelijke als educatieve en speelse wijze worden behandeld.

(12)

Volgens het plan van de regionale overheden van de Elzas moeten de parkbezoekers spelenderwijs iets bijleren. In het park zou dus moeten worden afgeweken van de conventionele aanpak van de meer klassieke musea voor wetenschap en techniek zoals het „Palais de la découverte” of de „Cité des sciences” in Parijs, die geacht werden te weinig aantrekkingskracht te hebben om uiteindelijk hun oorspronkelijke opdracht volledig te kunnen vervullen. Bioscope daarentegen zou door de bezoekers vooral moeten worden beschouwd als een plaats van ontspanning en vertier, waar zij bovendien op een ongedwongen manier en in een tempo dat ze zelf zouden kunnen bepalen, iets kunnen opsteken.

(13)

Voorts hebben de regionale autoriteiten verklaard dat de oprichting van Bioscope ook nog tot doel had – zonder in tegenspraak te zijn met het eerste doel — het toeristische aanbod in de Elzas uit te breiden.

2.   De selectie van de begunstigde onderneming

(14)

Bij prefectoraal besluit van 12 januari 1998 hebben de Conseil régional d'Alsace en de Conseils généraux des départements du Haut-Rhin et du Bas Bas-Rhin de gemengde vereniging Symbio (hierna „Symbio” genoemd) opgericht, die tot doel heeft de noodzakelijke procedures uit te werken voor de oprichting van Bioscope.

(15)

De regionale autoriteiten willen het attractiepark volgens het rechtsbeginsel „uitbesteding van een openbare dienst” (4) exploiteren. De aankoop van de terreinen en een gedeelte van de investeringskosten worden door de overheid zelf gefinancierd. De aanleg en de exploitatie van het park worden door de overheid voor een periode van 30 jaar opgedragen aan een concessiehouder, die de staat hiervoor vergoedt met een heffing op zijn omzet. Na afloop van de concessie wordt de overheid opnieuw eigenaar van de goederen.

(16)

Met het oog op de selectie van de concessiehouder van Bioscope heeft Symbio in september 1998 een oproep gedaan tot kandidaatstelling van een particuliere exploitant. Deze procedure werd bekendgemaakt in het Supplement op het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen  (5).

(17)

Na een lange selectieprocedure die tot doel had een exploitant te vinden die over voldoende ervaring beschikte om tegelijkertijd het park te bouwen en het op een bevredigende wijze te exploiteren, heeft Symbio de vennootschap Parc Astérix geselecteerd, die sindsdien een onderdeel is geworden van de groep Grévin et Compagnie. Deze keuze nam een concrete vorm aan door de ondertekening op 13 maart 2001 van een concessieovereenkomst van een openbare dienst „concessie van het ontwerp, de aanleg en de exploitatie van het themapark Bioscope” tussen enerzijds Symbio en anderzijds de vennootschap SMVP, dochteronderneming van de vennootschap Parc Astérix.

(18)

Een aanhangsel van deze concessieovereenkomst werd op 9 juli 2002 ondertekend. De uitbesteding van een openbare dienst, zoals gewijzigd door het aanhangsel, wordt hierna de „concessie” genoemd.

3.   Het project na afloop van de uitbestedingsprocedure –– regeling van de overheidsparticipatie (6)

(19)

De concessie betreft een kleinschalig park, met een initiële investering van 61,5 miljoen EUR, waarbij in eerste instantie wordt gestreefd naar een jaarlijks bezoekersaantal van 400 000, dat op termijn kan oplopen tot 800 000.

(20)

De wijze waarop de overheid participeert, is bepaald in de concessie.

(21)

In het bijzonder wordt voorzien in de volgende punten:

de overheid stelt per tranche en voor een periode van 30 jaar de noodzakelijke terreinen (50 ha) ter beschikking van SMVP. Deze terreinen blijven eigendom van de overheid en worden na afloop van de concessie kosteloos aan de overheid teruggeven. De gebouwen, werken en concessies die door SMVP tijdens de concessie werden verworven, uitgevoerd of opgezet waarvan SMVP de eigenaar is en die verbonden zijn met de exploitatie van het park, worden na afloop van de concessie kosteloos aan de overheid teruggeven als zij volledig boekhoudkundig zijn afgeschreven. In het tegengestelde geval zal de overheid voor deze teruggave een vergoeding betalen die overeenstemt met de boekhoudkundige restwaarde;

onder overheidstoezicht ontwerpt SMVP het attractiepark Bioscope, waarna dit park door SMVP wordt aangelegd en gedurende 30 jaar wordt geëxploiteerd;

het door SMVP aangelegde park komt neer op een investering waarvan de eerste tranche 61,5 miljoen EUR bedraagt. De overheid participeert via Symbio uitsluitend in de investeringen van de eerste tranche, voor een totaalbedrag van 30,5 miljoen EUR;

de verdere investeringen voor de vernieuwing van het park vallen volledig ten laste van SMVP. De plannen voor deze investeringen moeten door de overheid worden goedgekeurd, die in het bijzonder nagaat of zij in overeenstemming zijn met het pedagogische concept van het park;

SMVP betaalt aan de overheid een jaarlijkse vergoeding die overeenkomt met 2,5 % van de jaarlijkse bruto-omzet die werd behaald met alle activiteiten binnen de zone van de concessie (een uitzondering hierop vormen de eerste twee — zelfs onvolledige — kalenderjaren waarvoor het vergoedingspercentage respectievelijk 1 % en 2 % bedraagt), na aftrek van de diverse vergoedingen die de overheid heeft ontvangen op de uitbestede activiteiten.

III.   REDENEN VOOR DE INLEIDING VAN DE PROCEDURE

(22)

In de briefwisseling die voorafging aan de inleiding van de formele onderzoeksprocedure heeft Frankrijk verklaard ervan uit te gaan dat de bijdrage van de overheidsinstanties in deze zaak een compensatie was voor de verplichtingen die voortvloeien uit een dienst van algemeen economisch belang die werd toevertrouwd aan de concessiehouder voor de exploitatie van Bioscope.

(23)

Bij de inleiding van de formele onderzoeksprocedure had de Commissie volgende twijfels over de bijdrage van de Franse overheid ten gunste van Bioscope en over de rechtvaardigingsgronden die Frankrijk hiervoor had opgegeven.

(24)

In de eerste plaats betwijfelde de Commissie of het door de Franse autoriteiten aangevoerde argument dat de steunontvangende onderneming belast zou zijn met een dienst van algemeen economisch belang, steek hield. De Commissie betwijfelde immers of deze dienst duidelijk door Frankrijk was gedefinieerd. Voorzover deze dienst is omschreven, betwijfelde de Commissie of Frankrijk in voldoende mate heeft aangetoond dat er ten aanzien van de meerkosten die deze dienst met zich brengt, geen overcompensatie heeft plaatsgevonden.

(25)

Ten tweede was de Commissie van mening dat de bijdrage van de overheid vermoedelijk staatssteun was, vooral omdat er geen enkel bewijs voor was geleverd dat de begunstigde onderneming van de overheid een betaling zou ontvangen die met de marktprijs van de exploitatie van een attractiepark overeenkomt.

(26)

Ten derde heeft de Commissie de verenigbaarheid van de potentiële steun getoetst aan verschillende bepalingen van het EG-Verdrag. Zij is tot de conclusie gekomen dat de potentiële steun, gelet op de beoogde doelstellingen, alleen in het licht van de voor regionale steun geldende voorschriften of de bepalingen van artikel 87, lid 3, onder d), van het EG-Verdrag betreffende de bevordering van cultuur kan worden beoordeeld. Bij gebrek aan een rechtvaardigingsgrond van Frankrijk had de Commissie twijfels of aan de noodzakelijke voorwaarden voor de goedkeuring van de potentiële steun op basis van een van deze bepalingen was voldaan.

IV.   OPMERKINGEN VAN FRANKRIJK BIJ DE INLEIDING VAN DE FORMELE ONDERZOEKSPROCEDURE

1.   De vraag of de overheidsmaatregel ten gunste van het Bioscope-project een compensatie is voor het verrichten van een dienst van algemeen economisch belang

(27)

In zijn opmerkingen bij de inleiding van de formele onderzoeksprocedure heeft Frankrijk opnieuw zijn standpunt bevestigd dat de bijdrage van de overheid voor het Bioscope-project geen staatssteun is in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag, maar een compensatie voor de kosten die het verrichten van een dienst van algemeen economisch belang met zich brengt.

(28)

Ter staving van deze stelling vestigt Frankrijk eerst de aandacht op de voorwaarden voor de oprichting van Bioscope. Vervolgens wordt door Frankrijk een concrete beschrijving gegeven van het ontwerp van het park zoals het door Symbio in samenwerking met SMVP is opgesteld. In deze beschrijving wordt de nadruk gelegd op de pedagogische opzet van het park en het educatieve aspect van zijn attracties, die sterk verschillen van de draaimolens in de klassieke attractieparken. Frankrijk benadrukt het feit dat het park in de toekomst zijn concept niet zal kunnen wijzigen, aangezien elke wijziging die afbreuk doet aan de pedagogische bestemming van het park in tegenspraak zou zijn met de overeenkomst die de overheid en de concessiehouder hebben afgesloten.

(29)

Voorts omschrijft Frankrijk wat het precies beschouwt als de inhoud van de dienst van algemeen economisch belang, waarmee Bioscope is belast

(30)

Volgens Frankrijk is deze dienst ondubbelzinnig vastgesteld in de concessieovereenkomst die SMVP en de overheid met elkaar hebben afgesloten. Frankrijk levert hiervan het bewijs met passages uit de concessieovereenkomst, waarin in het algemeen de nadruk wordt gelegd op de sociale en educatieve doelstelling van Bioscope, alsmede met andere passages die meer in het bijzonder betrekking hebben op de tarieven die gelden voor bepaalde bezoekerscategorieën (kinderen vergezeld van hun ouders, schoolgroepen en bejaarden). Voorts wijst Frankrijk op de controle die Symbio steeds zal uitoefenen op de activiteit van de concessiehouder.

(31)

Frankrijk onderzoekt een voor een de criteria die het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in het arrest-Altmark (7) heeft vastgesteld voor de beoordeling van overheidssteun als compensatie van de lasten die voortvloeien uit diensten van algemeen economisch belang.

(32)

Frankrijk benadrukt dat het niet kan worden verweten dat er bij de toekenning van de overheidssteun met deze criteria geen rekening werd gehouden, aangezien voornoemd arrest werd gewezen lang na de datum waarop de concessie werd ondertekend, en wijst er voorts op dat:

de openbaredienstverplichtingen duidelijk zijn omschreven, aangezien de gehele onderneming een dienst van algemeen economisch belang is;

de parameters op basis waarvan de compensatie wordt berekend, vooraf en op doorzichtige wijze zijn vastgesteld, aangezien zij vóór de concessie zijn opgesteld en dat vóór de uitbestedingsprocedure werd vastgesteld op welk beginsel zij gebaseerd zijn en van welke aard zij zijn;

de compensatie niet hoger is dan nodig is om de kosten van uitvoering van de dienst van algemeen economisch belang te dekken, aangezien uit een door het consultantsbureau Rise Conseil verricht onderzoek blijkt dat de „return on investment” (RoI) van de investering van SMVP in het kader van het Bioscope-project (tussen [5 %-10 %] (8) en [10 %-15 %]* volgens de uitgangspunten die bij de berekening werden gehanteerd) vergelijkbaar zou zijn met of zelfs lager zou zijn dan de normale RoI van attractieparken (tussen 11 % en 15 % op grond van een steekproef van winstgevende themaparken) (9).

2.   De vraag of er sprake is van staatssteun

(33)

Frankrijk is van oordeel dat de overheidsmaatregel ten voordele van Bioscope geen steun vormt in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag.

(34)

Frankrijk maakt de voorafgaande opmerking dat Bioscope geen economische activiteit uitoefent. Bioscope zou moeten worden beschouwd als een alternatief museum en niet zozeer als een attractiepark. Evenals een museum, een school of ziekenhuis, zou door het park Bioscope gestalte worden gegeven aan de openbare dienstverlening in de Elzas.

(35)

Bovendien verklaart Frankrijk van mening te zijn dat Bioscope het handelsverkeer tussen de lidstaten niet ongunstig zal beïnvloeden. Frankrijk ontkent niet dat het Bioscope-project uitdrukkelijk tot doel heeft bezoekers aan te trekken uit andere landen dan Frankrijk en in het bijzonder uit het nabijgelegen Duitsland. Frankrijk merkt evenwel op dat het rayon van het park niet meer dan enkele honderden kilometers bedraagt. Het enige andere pretpark in dit gebied, het Europa-Park in Rust, kan echter niet als een concurrent van Bioscope worden beschouwd, zowel wegens het verschil in omvang als door het fundamentele verschil in concept tussen beide parken.

(36)

Voorts merkt Frankrijk op dat er meer in het algemeen geen sprake kan zijn van ongunstige beïnvloeding van de concurrentie omdat voorzover Bioscope een commerciële activiteit uitoefent, de relevante productmarkt beperkt blijft tot dit park en eventueel een zeer klein aantal andere parken, die evenwel heel ver van Bioscope verwijderd liggen. Bijzonder weinig toeristische producten kunnen immers worden beschouwd als substitueerbaar voor het product dat door Bioscope wordt aangeboden. Frankrijk benadrukt de talrijke verschillen tussen Bioscope enerzijds en de pretparken Eurodisney en Europa-Park anderzijds. Frankrijk vermeldt het Spaanse park Terra Mitica, waarvan het concept dat van Bioscope zou benaderen, maar wijst erop dat het in de praktijk bijzonder onwaarschijnlijk is dat toeristen een keuze moeten maken tussen een bezoek aan een van beide parken, aangezien ze duizenden kilometers van elkaar verwijderd liggen.

(37)

Ten slotte is Frankrijk van oordeel dat door de overheidsmaatregel ten behoeve van Bioscope geen enkel voordeel wordt toegekend aan SMVP en evenmin aan de moederonderneming Grévin et Compagnie. Frankrijk gaat in zijn bewijsvoering uit van de uitbestedingsprocedure, waardoor de keuze van een aanbod dat aan de marktvoorwaarden beantwoordt, zou zijn gegarandeerd, en van een gedetailleerd economisch onderzoek dat werd uitgevoerd door het onafhankelijke consultantsbureau Rise Conseil, waaruit blijkt dat de RoI van de investering van SMVP in het kader van het Bioscope-project vergelijkbaar zou zijn met of zelfs lager zou zijn dan de normale RoI van attractieparken.

3.   De verenigbaarheid van potentiële staatssteun met het EG-Verdrag

(38)

Frankrijk verklaart dat indien de overheidssteun voor het Bioscope-project als staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag zou worden beschouwd, deze steun in elk geval verenigbaar met de gemeenschappelijke markt zou zijn.

(39)

Ten eerste merkt Frankrijk op dat de steun overeenkomstig de uitzonderingsbepaling van artikel 87, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag als verenigbaar met het EG-Verdrag kan worden beschouwd.

(40)

De steun zou immers voldoen aan de voorwaarden van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen (10) (hierna „de regionale richtsnoeren” genoemd).

(41)

Het voorbehoud van de Commissie ten opzichte van individuele ad-hocsteun die buiten een door haar goedgekeurde regeling is toegekend, zou in de zaak-Bioscope niet van toepassing zijn, aangezien het park niet zou vallen onder een sectoraal beleid. Bovendien geeft Frankrijk een lijst van de positieve effecten van de steun voor de Elzas. Frankrijk vestigt de aandacht erop dat de vestiging van Bioscope in een steungebied een weloverwogen keuze is. Hierop kwam er zelfs interne kritiek van personen die voorstander waren van een vestiging dichter bij de regionale hoofdstad.

(42)

De steun zou ook voldoen aan alle andere criteria die door de regionale richtsnoeren zijn vastgesteld, in het bijzonder aan het criterium van de steunintensiteit. Uit het onderzoek van Rise Conseil zou immers blijken dat deze ruimschoots lager is dan het in het desbetreffende steungebied toegestane percentage.

(43)

Ten tweede merkt Frankrijk op dat de steun overeenkomstig de uitzonderingsbepaling van artikel 87, lid 3, onder d), van het EG-Verdrag als verenigbaar met het EG-Verdrag kan worden beschouwd.

(44)

Volgens Frankrijk moeten de begrippen „cultuur” en „cultureel erfgoed” van voornoemde bepaling een ruime interpretatie krijgen, dus met inbegrip van de wetenschappelijke cultuur en de gezondheidsbevordering, die een essentieel onderdeel is van het erfgoed van de mensheid. In dit opzicht vermeldt Frankrijk een reeks activiteiten die door Bioscope worden aangeboden en die de parkbezoekers de gelegenheid bieden hun wetenschappelijke kennis omtrent milieu en gezondheid te vergroten en hun algemeen welzijn te verhogen.

V.   OPMERKINGEN VAN BELANGHEBBENDEN

1.   Opmerkingen van de VDFU

(45)

De VDFU laat haar opmerkingen voorafgaan door de constatering dat hoofdzakelijk kleine en middelgrote ondernemingen deel uitmaken van de bedrijfstak attractieparken. Om die reden moeten deze ondernemingen in het bijzonder worden beschermd tegen concurrentievervalsing. In Duitsland zouden deze ondernemingen zonder enige staatssteun en met grote risico's in hun attractieparken hebben geïnvesteerd. Sommige van deze kleine en middelgrote ondernemingen zouden momenteel door de vennootschap Grévin et Compagnie worden overgenomen. In deze bedrijfstak zou staatssteun die de concurrentie vervalst, uitermate nefast zijn, omdat deze zou leiden tot een vermindering van de piekbezoeken aan de niet-gesubsidieerde parken, terwijl de bezoekersaantallen tijdens de piekperiodes er precies voor zorgen dat een park rendabel is.

(46)

De VDFU is van oordeel dat de maatregel van de Franse overheid ten gunste van SMVP steun vormt in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag.

(47)

De VDFU is immers van mening dat Symbio door de concessievoorschriften geen normaal rendement kan halen voor haar aandeel in de investering in Bioscope. In ruil voor haar participatie zou Symbio zich tevreden stellen met een geringe vergoeding op basis van de omzet van het park. Een particuliere onderneming daarentegen zou een groter aandeel in de winst van het park hebben gevraagd. Hieruit volgt dat SMVP een rendement heeft dat hoger is dan het normale marktrendement. Bovendien zou SMVP door middel van de concessie belangrijke synergie-effecten met andere parken van haar moederonderneming tot stand kunnen brengen.

(48)

Voorts betwist de VDFU de door Frankrijk aangevoerde kwalificatie van compensatie voor het verrichten van een dienst van algemeen economisch belang. De VDFU is van oordeel dat in deze zaak aan geen enkele van de vier voorwaarden van het voornoemde arrest-Altmark is voldaan.

(49)

De definitie van de aan Bioscope toegewezen dienst van algemeen economisch belang zou immers geenszins beantwoorden aan de nauwkeurigheid die in de voorwaarden van het Hof van Justitie wordt vereist. De VDFU wil het verdienstelijke aspect van de doelstelling van de Franse overheid, namelijk ervoor zorgen dat bezoekers spelenderwijs iets kunnen leren, helemaal niet in twijfel trekken, maar is van oordeel dat deze doelstelling op zich onvoldoende is om nauwkeurig te bepalen waarop de aan Bioscope toegewezen dienst van algemeen economisch belang betrekking heeft. Hiervoor zouden de middelen die moeten worden ingezet voor de openbare dienstverlening, nauwkeurig moeten zijn weergeven en zou in het bijzonder elke latere wijziging aan het park die niet aan de openbare doelstelling beantwoordt, moeten worden uitgesloten. Voorts merkt de VDFU op dat attracties met educatieve waarde vaak voorkomen in parken die volledig met particuliere middelen zijn gefinancierd. Het beste voorbeeld zou het Europa-Park zijn, waar onder meer het theater van Shakespeare en het ruimtestation MIR zijn nagebouwd en waar de bezoekers zich vertrouwd kunnen maken met milieubescherming bij het bekijken van een vierdimensionale film die in samenwerking met het Wereld Natuur Fonds (WNF) is gemaakt.

(50)

Wegens de onnauwkeurige definitie van de opdracht van algemeen economisch belang van Bioscope is de VDFU van oordeel dat de parameters op basis waarvan de compensatie voor de kosten van deze dienst worden berekend, door de concessie niet vooraf op objectieve en doorzichtige wijze worden vastgesteld. De VDFU is van mening dat de bedragen van de door SMVP betaalde vergoedingen niet op doorzichtige wijze worden vastgesteld en gerechtvaardigd en dat ze niet op objectieve criteria zijn gebaseerd.

(51)

Voorts is de VDFU van mening dat de inhoud van de diensten van algemeen economisch belang en de middelen die voor het vervullen van deze dienst moeten worden ingezet, onvoldoende nauwkeurig worden omschreven in de selectieprocedure van de concessiehouder van Bioscope om ervan uit te kunnen gaan dat de toepassing van deze procedure voldoende is om een eventuele overcompensatie onmogelijk te maken. Frankrijk had dus een gedetailleerde rechtvaardiging van het bedrag van de compensaties die aan de concessiehouder worden verleend voor het vervullen van de dienst van algemeen economisch belang, moeten opstellen, waarbij rekening werd gehouden met alle lasten en voordelen van de concessiehouder. Frankrijk heeft dit evenwel in onvoldoende mate gedaan.

(52)

Verder is de VDFU van oordeel dat de steun van de Franse overheid voor Bioscope onverenigbaar is met de bepalingen van het EG-Verdrag.

(53)

In de eerste plaats is de VDFU van mening dat de steun niet verenigbaar kan zijn met de regionale richtsnoeren. Aangezien de steun niet werd toegekend in het kader van een door de Commissie goedgekeurde regeling, zou het gunstige effect van de steun op de economie van de regio moeten worden aangetoond. Volgens de VDFU zijn er binnen het gebied waar Bioscope zal worden opgericht, al ten minste tien attractieparken gevestigd, waarbij dan alleen nog rekening wordt gehouden met de parken aan de Duitse kant van de grens. Uit de op dit terrein opgedane ervaring, in het bijzonder de talrijke parken zoals het park Hagondange/Lorraine, die op een mislukking zijn uitgelopen, blijkt dat grote overheidsinvesteringen op dit gebied geen aanzienlijke gunstige structurele effecten hebben op de regionale economie.

(54)

Volgens de VDFU zou in feite aangetoond moeten kunnen worden dat het park de regio op een duurzame wijze dynamischer kan maken en dat de ontwikkeling die hieruit voortvloeit, de effecten op de concurrenten van Bioscope compenseert. De VDFU is van mening dat logischerwijze onmogelijk tegelijkertijd aan deze beide voorwaarden kan worden voldaan, ten minste indien de redenering van Frankrijk wordt gevolgd.

(55)

Ten slotte is de VDFU van oordeel dat voor de goedkeuring van de steun aan Bioscope op grond van artikel 87, lid 3, onder d), van het EG-Verdrag moet worden getoetst of deze steun evenredig is met de beoogde bevordering van de cultuur en het culturele erfgoed. Welnu, de toetsing van de evenredigheid van de steun kan slechts plaatsvinden onder doorzichtige en objectieve voorwaarden die overeenstemmen met die welke noodzakelijk zijn voor de toetsing van de evenredigheid van de compensaties voor het verrichten van diensten van algemeen economisch belang. Zoals in overweging 45 en volgende werd uiteengezet, is de VDFU van mening dat deze laatste toetsing niet heeft plaatsgevonden,

2.   Opmerkingen van SMVP

(56)

SMVP verklaart dat zij zich volledig aansluit bij de opmerkingen van Frankrijk, die in afdeling IV zijn samengevat.

(57)

Voorts merkt SMVP op dat haar enig doel erin bestaat de in de concessieovereenkomst vastgestelde diensten uit te voeren. Zij vestigt de aandacht van de Commissie op het heel specifieke karakter van Bioscope. SMVP zou nog geen ervaring hebben opgedaan met het beheer van een dergelijk specifiek park. Dit geldt ook voor de andere dochterondernemingen van de moederonderneming van SMVP.

(58)

Volgens SMVP zou Bioscope een project zijn dat uitsluitend door een overheidsinitiatief tot stand is gekomen en waarvan het concept, dat alleen door de overheid is bepaald, onbetwistbaar zou voldoen aan het algemene belang.

(59)

Het ontwerp, de realisatie en de exploitatie van een dergelijk park zouden niet tot stand kunnen komen met louter particuliere middelen, zoals volgens SMVP bleek uit de resultaten van het voornoemde onderzoek van het consultantsbureau Rise Conseil.

(60)

Volgens SMVP zou de overheidsdeelname aan de financiering van een activiteit van algemeen belang die niet door de particuliere sector alleen kan worden uitgevoerd, niet onverenigbaar zijn met de communautaire regels inzake staatssteun.

(61)

SMVP komt dus tot de conclusie dat de overheidsparticipatie de met de communautaire regels verenigbare steunniveaus niet overschrijdt.

VI.   COMMENTAAR VAN FRANKRIJK OP DE OPMERKINGEN VAN BELANGHEBBENDEN

(62)

De commentaar van Frankrijk heeft alleen betrekking op de opmerkingen van de VDFU.

(63)

Frankrijk betwist de bewering van de VDFU dat Symbio onvoldoende rendement op haar investering zou halen. Volgens Frankrijk behaalt Symbio een rendement dat vergelijkbaar is met een risicoloze rentevoet. Frankrijk is van mening dat dit het rendement is dat in aanmerking moet worden genomen voor de activiteiten van een overheidsdienst, die werkt met geld van de gemeenschap. Voorts zou de VDFU geen rekening hebben gehouden met het feit dat Bioscope, met inbegrip van de goodwill, nadat de 30 jaar van de concessie zijn verstreken, aan Symbio wordt teruggegeven. Hierdoor zijn de berekeningen van de brancheorganisatie vertekend.

(64)

Frankrijk betwist eveneens de stelling van de VDFU dat de staatssteun aan Bioscope niet zou voldoen aan de voorwaarden die het Hof van Justitie in het voornoemde arrest-Altmark heeft bepaald. Frankrijk herhaalt de argumenten die al in afdeling IV werden uiteengezet, waarbij het vooral beklemtoont dat Bioscope geen ontspanningsactiviteiten en educatieve activiteiten combineert, maar zich uitsluitend op deze laatste activiteiten toespitst. Frankrijk wijst erop dat het op grond van de concessieovereenkomst niet mogelijk is om in dit opzicht de aard van het park te wijzigen. Elke inbreuk door de concessiehouder op het exclusieve pedagogische karakter van het park kan worden beschouwd als een „bijzonder zware fout”, die Symbio het recht geeft dwangmaatregelen te nemen tot en met het verbreken van de concessieovereenkomst.

(65)

Voorts wijst Frankrijk erop dat het Bioscope-project uniek is en dat het park met geen enkel Duits themapark concurreert. Volgens Frankrijk zijn de activiteiten waarnaar de VDFU heeft verwezen als voorbeeld van culturele activiteiten van deze Duitse themaparken, van ondergeschikt en secundair belang in vergelijking met de ontspanningsactiviteiten. Bovendien bevindt alleen het Europa-Park zich in Duitsland op minder dan ongeveer drie uur rijden van Bioscope.

(66)

Voorts betwist Frankrijk de resultaten van het onderzoek van de VDFU omtrent de verenigbaarheid van de staatssteun met de regionale richtsnoeren. Frankrijk is van mening dat er geen tegenstrijdigheden zijn in de Franse argumentatie met betrekking tot de regionale effecten van de steun. Indien de overheid haar doelstelling bereikt, zal de steun precies een gunstig effect hebben op de regio en zullen de openbare middelen niet zijn verspild. Volgens Frankrijk heeft Bioscope talrijke positieve effecten op de lokale economie. Voorts betwijfelt Frankrijk het argument van de VDFU dat Bioscope tijdens de piekperiodes bezoekers zou ontnemen aan de Duitse parken, waarvoor deze bezoekers noodzakelijk zijn om winstgevend te blijven. Europa-Park is het enige Duitse park dat voldoende dicht bij Bioscope ligt opdat de toeristen eventueel kunnen afwegen welk van beide parken ze zouden bezoeken. Gezien het jaarlijkse aantal bezoekers van dit park (3,3 miljoen volgens Frankrijk), is het weinig waarschijnlijk dat de levensvatbaarheid van het Europa-Park afhangt van een hypothetische jaarlijkse piek in het bezoekersaantal.

(67)

Ten slotte wijst Frankrijk erop dat de culturele doelstelling van Bioscope volledig samenvalt met haar opdracht van openbare dienstverlening.

VII.   BEOORDELING

1.   Staatssteun

(68)

Een maatregel vormt staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag wanneer deze aanwending van staatsmiddelen een selectief concurrentievoordeel oplevert voor één of meer ondernemingen, zodat het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig wordt beïnvloed of ongunstig dreigt te worden beïnvloed. In deze afdeling onderzoekt de Commissie elk van de vier criteria van deze definitie.

(69)

De maatregel is zonder meer selectief aangezien slechts één onderneming, SMVP, ervoor in aanmerking komt.

(70)

De overheidsmaatregel ten voordele van Bioscope bestaat in het verstrekken van middelen door Symbio, een instelling van lagere overheden. Bioscope doet dus duidelijk een beroep op overheidsmiddelen.

(71)

Frankrijk is van oordeel dat Bioscope een dermate specifiek park is dat het zich niet in de plaats kan stellen van het aanbod van andere attractieparken. Volgens Frankrijk geldt dit in het bijzonder voor het enige andere park dat zich in het verzorgingsgebied van Bioscope bevindt. De overheidssteun voor dit project zou de bezoekersstromen dus niet kunnen beïnvloeden en zou dus geen invloed hebben op het handelsverkeer tussen de lidstaten.

(72)

De Commissie erkent dat de activiteiten in Bioscope sterk verschillen van de activiteiten die door de gewone attractieparken worden aangeboden. Een bezoek aan Bioscope kan dus niet worden gelijkgesteld met een bezoek aan een klassiek attractiepark. Hierdoor blijft het aantal bezoekers dat Bioscope van klassieke attractieparken kan afnemen, zeer beperkt.

(73)

De Commissie is echter van oordeel dat dit verschil niet voldoende is om elke vorm van substitueerbaarheid absoluut uit te sluiten. Bij beslissingen over de wijze waarop mensen hun vrije tijd besteden, wordt immers niet altijd een keuze gemaakt tussen activiteiten van hetzelfde type. Er kan worden gekozen om te gaan zwemmen in plaats van een uitstapje naar de zoo te maken, hoewel een bezoek aan de zoo op het gebied van ontspanning heel verschillend is van een bezoek aan het zwembad. Zo komt het ook vaak voor dat ouders beslissen om in gezinsverband een bezoek te brengen aan een museum, terwijl hun kinderen — indien zij hadden mogen beslissen — liever naar de kermis zouden zijn gegaan.

(74)

De Commissie is dus van mening dat een bezoek aan Bioscope een –– weliswaar beperkt –– alternatief zou kunnen vormen voor een bezoek aan de Duitse attractieparken.

(75)

Gelet op het bovenstaande is de Commissie van mening dat de maatregel in deze zaak een effect kan hebben op het handelsverkeer tussen de lidstaten en dus voldoet aan het vereiste criterium.

(76)

Om te bepalen of met de maatregel een concurrentievoordeel aan SMVP wordt toegekend, moet de Commissie nagaan of de onderneming zich door deze overheidsmaatregel in een betere situatie bevindt dan het geval zou zijn geweest indien de marktkrachten vrij spel hadden gekregen.

(77)

De aanwezigheid van staatssteun is geen voldoende reden om te besluiten dat er sprake is van een voordeel voor de begunstigde onderneming. De steunverlening kan immers hebben plaatsgevonden onder soortgelijke voorwaarden als die welke een particuliere investeerder in een markteconomie zou hebben aanvaard. De overheidsmaatregel vormt dan geen voordeel in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag.

(78)

In dit geval wordt het onderzoek naar de aard van de overheidsmaatregel bijzonder complex door de juridische vorm van de concessie, waarbij aan elk van beide partijen zeer ongelijkmatige rechten en plichten worden opgelegd.

(79)

Om kort te gaan, kan uit economisch oogpunt worden gesteld dat beide partijen in het Bioscope-project investeren, maar hierbij een verschillend risico lopen. Symbio, dat de overheid vertegenwoordigt, neemt heel beperkte risico's, terwijl SMVP de meeste commerciële risico's op zich neemt. Het spreekt voor zich dat de investeerder die minder risico neemt, minder ontvangt dan die welke meer risico neemt.

(80)

Bij de toetsing moet dus in het bijzonder worden nagegaan of de rendementsniveaus van de respectieve investeringen gelijkwaardig zijn.

(81)

De Commissie merkt op dat deze toetsing werd uitgevoerd door het onafhankelijke consultantsbureau Rise Conseil en dat Frankrijk de resultaten ervan aan de Commissie heeft toegezonden.

(82)

Uit de toetsing blijkt dat het rendabiliteitsniveau van het Bioscope-project voor SMVP niet hoger is dan het rendabiliteitsniveau van vergelijkbare investeringen in volledig particuliere projecten. Op grond van de toetsing wordt ook geconcludeerd dat het rendabiliteitsniveau van het Bioscope-project voor Symbio vergelijkbaar is met het rendabiliteitsniveau van risicoloze investeringen. Hieruit zou moeten blijken dat er een bepaalde gelijkwaardigheid is tussen de rendabiliteitsniveaus van de respectieve investeerders en de marktpercentages.

(83)

Deze toetsing is echter gebaseerd op de veronderstelling dat de investering van de overheid zeer verschillend is van die van SMVP. Om te voldoen aan het beginsel van de particuliere investeerder in een markteconomie, zou het mogelijk moeten zijn dat een andere particuliere investeerder, die misschien geen parkexploitant is, ook bereid is een investering te doen die vergelijkbaar is met de overheidsinvestering.

(84)

Volgens de opmerkingen van SMVP is het evenwel zeer waarschijnlijk, zo niet zeker, dat het project niet van start zou zijn gegaan zonder de in deze vorm tot stand gekomen participatie van Symbio. Dit lijkt erop te wijzen dat de participatie van Symbio – zelfs onder soortgelijke voorwaarden (afwezigheid van risico gekoppeld aan een lager rendementsniveau) – niet vervangen had kunnen worden door die van een particuliere investeerder. De Commissie is van mening dat dit niet noodzakelijk in tegenspraak is met de resultaten van de studie van Rise Conseil, omdat het mogelijk is dat de overheid beschikt over bijzondere juridische instrumenten waardoor zij kan ingrijpen onder voorwaarden die niet voor particuliere investeerders kunnen gelden.

(85)

Gelet op het bovenstaande kan de Commissie het bestaan van een voordeel ten gunste van SMVP dus niet uitsluiten.

(86)

In het voornoemde arrest van het Hof van Justitie in de zaak-Altmark worden vier cumulatieve voorwaarden bepaald op grond waarvan na toetsing een maatregel kan worden beschouwd als een compensatie voor lasten die voortvloeien uit het verrichten van een dienst van algemeen economisch belang, en dus niet als een concurrentievoordeel kan worden aangemerkt.

(87)

De eerste voorwaarde luidt dat de begunstigde onderneming daadwerkelijk met de uitvoering van openbaredienstverplichtingen belast moet zijn en dat die verplichtingen duidelijk omschreven moeten zijn.

(88)

De Commissie had bij de inleiding van de formele onderzoeksprocedure betwijfeld of in deze zaak aan die specifieke voorwaarde is voldaan.

(89)

Na toetsing van de door Frankrijk en derde partijen verstrekte gegevens is de Commissie van oordeel dat haar twijfel over dit punt niet is weggenomen.

(90)

Eerst en vooral is de Commissie immers van oordeel dat de algemene pedagogische en educatieve doelstelling van Bioscope, zoals die bijvoorbeeld in de preambule van de concessieovereenkomst is geformuleerd, veel te ruim omschreven is om beschouwd te kunnen worden als een duidelijke definitie van de opdracht van openbare dienstverlening van Bioscope. In het bijzonder is deze definitie te ruim om te kunnen dienen als basis voor een kostenraming van deze opdracht.

(91)

Voorts is de Commissie van oordeel dat het argument van Frankrijk dat de concessie in haar geheel de definitie van de openbaredienstverplichting weergeeft, evenmin opgaat. Deze concessie bevat immers talrijke artikelen die volledig gelijk zouden zijn gebleven indien Bioscope niet de minste pedagogische of educatieve bestemming zou hebben gehad, en waarvan dus niet kan worden beweerd dat zij een opdracht van openbare dienstverlening definiëren. Ten minste zou vastgesteld moeten kunnen worden welke artikelen van de concessieovereenkomst op deze educatieve opdracht betrekking hebben. De Commissie is evenwel van mening dat er in dit opzicht geen artikel is dat voldoende precies is, met uitzondering misschien van de artikelen die betrekking hebben op de speciale tarieven voor bepaalde categorieën bezoekers, die in overweging 92 aan bod komen.

(92)

Ten slotte is de Commissie van mening dat de artikelen van de concessieovereenkomst die betrekking hebben op de speciale tarieven voor bepaalde categorieën bezoekers waarop Frankrijk zich beroept, inderdaad misschien een basis kunnen vormen voor de definitie van een dienst van algemeen economisch belang. Het is evenwel duidelijk dat deze artikelen slechts betrekking hebben op een klein onderdeel van de activiteiten van Bioscope. Mocht op deze artikelen een beroep worden gedaan om een dienst van algemeen economisch belang te bepalen, dan zou het op grond van de reikwijdte van deze dienst niet gerechtvaardigd zijn om het volledige project als een project van openbare dienstverlening te beschouwen. Bovendien is de reikwijdte van de openbare dienstverlening die met deze artikelen samenhangt, vrij onduidelijk. Het is immers normaal, zelfs voor niet-gesubsidieerde parken, om voor bepaalde categorieën bezoekers speciale tarieven te hanteren. Dit is een algemeen gangbare commerciële praktijk.

(93)

Gelet op het bovenstaande is de Commissie dus van oordeel dat zij de aanwezigheid van een voordeel voor de begunstigde onderneming niet kan uitsluiten en dat dit voordeel eventueel slechts heel gedeeltelijk kan vallen onder de notie van compensatie van de lasten die voortvloeien uit diensten van algemeen economisch belang.

(94)

De Commissie kan de aanwezigheid van staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag ten gunste van SMVP dus niet uitsluiten. In punt 2 zal evenwel worden aangetoond dat deze steun –– voorzover zij bestaat – verenigbaar is met het EG-Verdrag.

2.   De vraag betreffende de verenigbaarheid van de steun

(95)

De Commissie merkt op dat de steun wordt toegekend aan een investeringsproject dat wordt uitgevoerd in een probleemgebied in de zin van artikel 87, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag (het kaligebied van de Elzas). Het betreft ad-hocsteun, aangezien hij geen onderdeel uitmaakt van een steunregeling die vooraf door de Commissie werd goedgekeurd.

(96)

Dergelijke investeringsprojecten kunnen soms worden getoetst aan de multisectorale kaderregeling betreffende regionale steun voor grote investeringsprojecten. Aangezien in deze zaak de datum waarop de steun werd toegekend, overeenstemt met die van de ondertekening van het aanhangsel van de concessieovereenkomst (9 juli 2002), is de multisectorale kaderregeling die eventueel van toepassing zou zijn, die welke in 1998 (11) werd gepubliceerd (hierna „de kaderregeling” genoemd).

(97)

In punt 2.1 van de kaderregeling wordt het toepassingsgebied ervan beperkt tot bepaalde projecten. Hierbij wordt getoetst of zij voldoen aan een van twee nauwkeurig omschreven criteria.

(98)

Het eerste criterium is zelf samengesteld uit drie cumulatieve subcriteria:

de totale kosten van het project bedragen ten minste 50 miljoen EUR;

de gecumuleerde steunintensiteit bedraagt ten minste 50 % van het regionale steunplafond voor grote ondernemingen in het betrokken gebied;

de steun per geschapen of behouden arbeidsplaats bedraagt ten minste 40 000 EUR.

(99)

In deze afdeling zal worden aangetoond dat de totale kosten van het project [60-65]* miljoen EUR bedragen, dat de steunintensiteit [7-8]* % bedraagt, terwijl het desbetreffende regionale steunplafond 10 % bedraagt en dat het brutosubsidie-equivalent [5-10]* miljoen EUR bedraagt, wat voor 105 geschapen arbeidsplaatsen neerkomt op een steunbedrag van [45 000-95 000]* EUR per arbeidsplaats.

(100)

De kaderregeling is dus van toepassing.

(101)

Om te bepalen of de steun verenigbaar is met de criteria van de kaderregeling, moet de Commissie allereerst de steunintensiteit berekenen. Vervolgens moet deze intensiteit worden vergeleken met een maximale steunintensiteit die wordt verkregen door de berekeningsformule van punt 3.10 van de kaderregeling toe te passen.

(102)

De intensiteit van steun die in de vorm van subsidie wordt toegekend, is de verhouding tussen de subsidie en de subsidiabele kosten. Wanneer steun in een andere vorm dan subsidie wordt toegekend, moet deze allereerst worden omgezet in subsidie-equivalent om deze te kunnen relateren aan de subsidiabele kosten.

(103)

In deze zaak is de door de overheid verstrekte steun complex. De steun omvat subsidie, maar ook andere elementen — zowel positieve als negatieve — die voortvloeien uit de rechten en de plichten van beide partijen die bij de concessie zijn betrokken. Om het subsidie-equivalent van de steun te berekenen, moet met al deze onderdelen rekening worden gehouden.

(104)

In de onderstaande tabel zijn de beginselen van de concessie opgenomen, alsmede hun positieve of negatieve effect op de aan SMVP toegekende steun.

Beginsel van de concessie

Effect op SMVP

Overheidsparticipatie in de initiële investering

Positief

Terbeschikkingstelling van terreinen

Positief

Betaling van een vergoeding aan de overheid

Negatief

Teruggave van de goederen aan de overheid aan het einde van de concessie

Negatief

(105)

Om het brutosubsidie-equivalent van de steun te bepalen moet elk van deze onderdelen in cijfers worden uitgedrukt en moet hiervan de algebraïsche som worden gemaakt. Om deze onderdelen in cijfers uit te drukken, heeft de Commissie gebruikgemaakt van de gegevens waarover zij beschikt, in het bijzonder de informatie uit het verslag van het consultantsbureau Rise Conseil.

(106)

De overheidsparticipatie in de initiële investering is gemakkelijk te bepalen: zij is vastgesteld op 30,5 miljoen EUR. De overheidsbijdrage zal uitbetaald worden via voorschotten, die over een periode van tien jaar worden gespreid. Deze bijdrage moet dus worden gedisconteerd. Hiervoor heeft de Commissie gebruikgemaakt van het referentie- en disconteringspercentage dat op de datum van de toekenning van de steun door de Commissie voor Frankrijk werd gehanteerd. Dit percentage bedraagt 5,06 %. Het wordt gehanteerd in alle volgende berekeningen.

(107)

De geactualiseerde waarde van de overheidsparticipatie in de initiële investering bedraagt 25,933 miljoen EUR.

(108)

Voorts wordt opgemerkt dat dit de enige overheidsparticipatie in Bioscope in de vorm van investeringssubsidie is. De latere investeringen zijn volledig ten laste van SMVP.

(109)

De terbeschikkingstelling van terreinen, dus de waarde van de huur die SMVP niet heeft moeten betalen, wordt vastgesteld op 6,718 miljoen EUR. Deze berekening is gebaseerd op de waarde van de terreinen in het bedrijfsgebied van Pulversheim dat in de buurt van Bioscope is gelegen (tussen 10 en 12 EUR per m2) en een jaarlijks huurpercentage van het terrein van 8 %, zoals vastgesteld door de Direction générale des impôts (directoraat-generaal Belastingen).

(110)

De totale waarde van de door SMVP aan Symbio betaalde vergoeding wordt vastgesteld op 7,295 miljoen EUR. Deze waarde is gebaseerd op de omzet die in het ondernemingsplan van Bioscope als uitgangspunt wordt genomen. Dit ondernemingsplan werd aan de Commissie toegezonden.

(111)

Het effect van de teruggave van het goed aan de overheid is complexer en dus moeilijker te becijferen. Dit effect is vanzelfsprekend ongunstig voor SMVP. In een klassieke subsidiesituatie is en blijft de begunstigde van de steun voorgoed eigenaar van zijn investering, waarop hij volledig aanspraak kan maken. In het bijzonder kan hij zijn investering op de markt verkopen. In deze zaak wordt Bioscope, met inbegrip van de goodwill, nadat de 30 jaar van de concessie zijn verstreken (12), volledig teruggegeven aan de overheid. In vergelijking met een klassieke situatie verliest SMVP dus de waarde van dit goed, die overeenstemt met de prijs waarvoor de onderneming het goed op de markt had kunnen verkopen (waarbij de prijs vanzelfsprekend wordt omgerekend naar het prijspeil van de aanvangsdatum).

(112)

De Commissie is dus van oordeel dat deze verkoopprijs waarop SMVP geen aanspraak meer kan maken, kan worden gebruikt om de waarde te bepalen van het negatieve effect van de in de concessie vastgestelde teruggave van het goed aan de overheid.

(113)

Twee verschillende methodes werden gebruikt om deze verkoopprijs te berekenen: de methode van het veelvoud van het bruto-exploitatieoverschot en de methode van de vrije cashflow.

(114)

De eerste methode bestaat erin de onderneming te waarderen op een veelvoud van de waarde van haar normatieve bruto-exploitatieoverschot. Het veelvoud hangt af van de sector en wordt geraamd op basis van recente transacties waarvan de financiële gegevens openbaar zijn gemaakt.

(115)

Uit het onderzoek van het consultantsbureau Rise Conseil omtrent de waarden van veelvouden die werden vastgesteld bij recente transacties in de sector waarover voldoende financiële gegevens openbaar zijn gemaakt, blijkt dat de veelvouden variëren tussen 6,3 (13) en 13,25 (14), met een gemiddelde van 8,71.

(116)

De toepassing van dit gemiddelde in de zaak-Bioscope geeft als resultaat dat de onderneming op [15-20]* miljoen EUR wordt gewaardeerd (15).

(117)

De tweede methode bestaat erin een normatieve vrije cashflow te bepalen voor de onderneming in de periode na de afloop van de concessie en ervan uit te gaan dat de onderneming de waarde heeft van een hypothetische vennootschap die deze perpetuele cashflow zou genereren.

(118)

Voor deze berekening moet een hypothese worden opgesteld over de perpetuele percentages van de cashflows.

(119)

Uit het onderzoek van het consultantsbureau Rise Conseil over financiële analyses van recente transacties blijkt dat de hypotheses over de perpetuele percentages schommelen tussen 1 % (16) en 3,5 % (17), met een gemiddelde van 2,2 %.

(120)

Bovendien wordt er doorgaans van uitgegaan dat het perpetuele percentage van dezelfde orde van grootte is als het groeipercentage van de economie. Omdat dit groeipercentage in Frankrijk de laatste jaren schommelde tussen 1 % en 3 %, is de Commissie van oordeel dat voor het perpetuele percentage een waarde van 2,2 % in aanmerking kan worden genomen.

(121)

De toepassing van deze methode in het kader van de voornoemde hypotheses heeft als resultaat dat de onderneming op [15-20]* miljoen EUR wordt gewaardeerd (18). Deze waardebepaling benadert de eerste, wat wijst op de samenhang van beide economische benaderingen.

(122)

Om geen onderscheid te moeten maken tussen beide economische benaderingen heeft de Commissie voor de bepaling van de waarde van het park het rekenkundige gemiddelde genomen van de twee verkregen resultaten, wat neerkomt op [15-20]* miljoen EUR.

(123)

Het brutosubsidie-equivalent van de steun bedraagt dus 25,933 + 6,718 – 7,295 – [15-20]* = [5-10]* miljoen EUR.

(124)

Om de steunintensiteit te berekenen, moet de steun worden gerelateerd aan de subsidiabele investeringen.

(125)

De investeringen in het Bioscope-project bestaan uit twee grote delen: de initiële investering, die noodzakelijk is voor de opening van het park, en de latere investeringen die noodzakelijk zijn om de attractiviteit van het park te behouden.

(126)

Beide investeringstypes worden vermeld in de concessie. De concessie stelt de waarde van het eerste investeringstype vast op 61,5 miljoen EUR, waarvan de lasten worden verdeeld tussen Symbio en SMVP. De geactualiseerde waarde van deze investeringen bedraagt 49,985 miljoen EUR. De waarde van de latere investeringen wordt daarentegen in de concessie niet nauwkeurig becijferd. Er wordt alleen vermeld dat deze investeringen ervoor moeten zorgen dat de attractiviteit van het park behouden blijft. De latere investeringen moeten door Symbio worden gevalideerd en zijn volledig voor rekening van SMVP.

(127)

Om de waarde van de latere investeringen te becijferen, heeft de Commissie zich gebaseerd op het ondernemingsplan van SMVP, dat door Symbio is gevalideerd.

(128)

De totale geactualiseerde waarde van de latere investeringen bedraagt [25-30]* miljoen EUR. De Commissie is van oordeel dat deze waardebepaling een voorzichtige raming is, aangezien het gemiddelde gewicht van deze investeringen tijdens de laatste tien jaar van de concessie – de periode waarin Bioscope op kruissnelheid zal zijn — slechts 14 % van de omzet bedraagt, terwijl de sectorgemiddelden in Frankrijk zouden schommelen tussen 16 % en 25 % van de omzet (19). Indien een minder voorzichtige raming van deze investeringen was uitgevoerd, dan zouden zij hoger zijn en zou de berekende steunintensiteit dus dalen. Een voorzichtige raming voldoet dus aan de behoeften van de Commissie.

(129)

Bij de [25-35]* miljoen EUR aan latere investeringen heeft de Commissie als grondslag voor de berekening van de subsidiabele kosten slechts rekening gehouden met het deel voor de investeringen in de nieuwe attracties, dus voor de uitbreiding van de activiteiten van Bioscope. Dit deel bedraagt [15-20]* miljoen EUR. De onderhouds- en vervangingsinvesteringen ten bedrage van [10-15]* miljoen EUR worden dus niet in aanmerking genomen. Alleen het eerste deel van deze uitgaven komt immers overeen met de in de regionale richtsnoeren vastgestelde definitie van initiële investering (punt 4.4 van deze richtsnoeren).

(130)

De basis voor de berekening van de subsidiabele kosten bedraagt dus 49,585 miljoen EUR voor het eerste deel van de investeringen plus [15-20]* miljoen EUR voor het tweede deel. Samen geeft dit [65-70]* miljoen EUR.

(131)

De Commissie heeft dan van deze kosten het gedeelte afgetrokken dat betrekking heeft op het opstarten van de attracties. Volgens de Commissie zijn deze kosten luidens punt 4.5 van de regionale richtsnoeren niet subsidiabel. Volgens de nauwkeurige uitgavenbeschrijving van de door Frankrijk verstrekte eerste tranche vertegenwoordigen deze activiteiten 5 % van de totale kosten. De Commissie heeft hieruit afgeleid dat hetzelfde zou gelden in de volgende tranches. De volgens de regionale richtsnoeren subsidiabele uitgaven stemmen dus overeen met 95 % van [65-70]* miljoen EUR, of [60-65]* miljoen EUR.

(132)

De steunintensiteit in brutosubsidie-equivalent bedraagt dus 7,279/[60-65]* = [10-12]* %.

(133)

Op basis van een berekening die uitgaat van de in het ondernemingsplan opgenomen hypotheses van lineaire afschrijving en het referentie- en disconteringspercentage dat door de Commissie voor Frankrijk werd gehanteerd, bedraagt het nettosubsidie-equivalent dat met deze waarde overeenstemt, [7-8]* % (20).

(134)

Luidens de formule van punt 3.10 van de kaderregeling is de maximaal toegestane steunintensiteit de vermenigvuldiging van vier coëfficiënten.

(135)

De eerste coëfficiënt R is de maximaal toegestane steunintensiteit voor grote ondernemingen in het betrokken steungebied. In dit geval komt R overeen met 0,10.

(136)

De tweede coëfficiënt T is de factor mededinging.

(137)

Punt 3.3 van de kaderregeling luidt als volgt: „Ter bepaling of in de betrokken (sub)sector een structurele overcapaciteit bestaat, zal de Commissie nagaan welk verschil er op Gemeenschapsvlak bestaat tussen het gemiddelde benuttingspercentage van de capaciteit voor de fabrieksnijverheid als geheel en het benuttingspercentage van de capaciteit voor de relevante (sub)sector.”. Er is sprake van overcapaciteit wanneer gedurende de laatste vijf jaren het benuttigingspercentage van de capaciteit van de relevante (sub)sector twee procentpunten lager ligt dan het gemiddelde benuttingspercentage van de productiecapaciteit van de fabrieksnijverheid als geheel. Ernstige structurele overcapaciteit wordt geacht te bestaan wanneer het verschil met het gemiddelde voor de gehele fabrieksnijverheid meer dan vijf procentpunten bedraagt.

(138)

Zoals de Commissie reeds heeft opgemerkt in haar vorige besluiten (21), is het niet mogelijk de fabrieksnijverheid te vergelijken met een dienstensector zoals de sector pretparken of een van haar subsectoren. Het in overweging 137 vermelde kwantitatieve criterium kan dus niet worden toegepast.

(139)

Wanneer onvoldoende gegevens over de capaciteitsbenutting beschikbaar zijn, zal de Commissie luidens punt 3.4 van de kaderregeling onderzoeken of de investering plaatsvindt in een krimpende markt. Hiertoe zal de Commissie de ontwikkeling van de schijnbare consumptie van het (de) betrokken product(en) vergelijken met het groeiritme van de fabrieksnijverheid in haar geheel.

(140)

Tijdens de periode 1997-2002 bedroeg het gemiddelde groeiritme van de fabrieksnijverheid in de EER in haar geheel 4,8 % (22).

(141)

Het is moeilijk om cijfers te verkrijgen voor de gehele Gemeenschap over het groeiritme van de consumptie op het vlak van pretparken.

(142)

Wat betreft Frankrijk, waar Bioscope is gelegen, kent de sector een bijzonder sterk groeiritme.

(143)

Volgens een rapport van de Franse senaat (23), is de activiteit van de pretparken in Frankrijk in tien jaar tijd vernegenvoudigd, wat overeenkomt met een gemiddeld groeiritme van 25 %. In de toekomst zal volgens hetzelfde rapport de groei van de sector vertragen, maar nog steeds rond de 4 % tot 8 % liggen.

(144)

De Commissie is van mening dat de cijfers die voor Frankrijk werden berekend, gebruikt kunnen worden in het kader van deze toetsing, in het bijzonder omdat de lidstaten die nabij de Elzas zijn gelegen en die de enige lidstaten zijn die zich in het verzorgingsgebied van Bioscope bevinden, zich in dit opzicht in een soortgelijke situatie als Frankrijk bevinden (24).

(145)

Gelet op het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat de investering niet heeft plaatsgevonden in een krimpende markt.

(146)

Bovendien ligt het marktaandeel van de groep Grévin et Compagnie in de pretparksector ver beneden de 40 %. Volgens het voornoemde rapport van de senaat bedraagt het totale bezoekersaantal van de groep in 2002 bijvoorbeeld 5 miljoen, tegenover 13,1 miljoen voor het pretpark Disneyland Paris alleen.

(147)

Overeenkomstig de in de kaderregeling opgenomen omzettingstabel komt de Commissie dus tot de conclusie dat T = 1.

(148)

De derde coëfficiënt I is de verhouding kapitaal/arbeid. De coëfficiënt is het resultaat van de verhouding tussen de subsidiabele kosten van het project en het aantal door het project geschapen arbeidsplaatsen. In deze zaak bedragen de subsidiabele kosten [60-65]* miljoen EUR, terwijl het aantal rechtstreeks geschapen arbeidsplaatsen in voltijdsequivalenten 105 bedraagt. De verhouding tussen deze beide waarden is ongeveer [600 000-650 000]* EUR per geschapen arbeidsplaats. Uit de in de kaderregeling opgenomen omzettingstabel vloeit voort dat I = 0,8.

(149)

De vierde coëfficiënt M is de factor regionale gevolgen. Deze factor is steeds gelijk aan of hoger dan 1.

(150)

Uit de bovenstaande overwegingen vloeit voor dat de maximaal toegestane steunintensiteit hoger is dan of gelijk is aan 0,10 × 1 × 0,8 × 1 = 8 %.

(151)

Aangezien de steunintensiteit [7-8]* % bedraagt en de maximaal toegestane steunintensiteit 8 % of meer bedraagt, is de steunintensiteit verenigbaar met de voorschriften van de kaderregeling.

(152)

Op grond van het voorgaande besluit de Commissie dat de steun verenigbaar is met de criteria van de regionale richtsnoeren en dus verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag.

(153)

De Commissie merkt evenwel op dat deze positieve beoordeling gebaseerd is op de huidige stand van het project van het park en de concessie, zoals die aan de Commissie werden beschreven. Ingeval het project van het park van opzet verandert of indien de betrokkenheid van de overheid aanzienlijke wijzigingen ondergaat, moeten de in het project aangebrachte wijzigingen bij de Commissie worden aangemeld opdat zij deze opnieuw toetst aan de communautaire bepalingen inzake staatssteun.

(154)

De Commissie wil niet vooruitlopen op de vraag of de procedure voor de toekenning van de concessie met het oog op de realisatie en de exploitatie van Bioscope aan de onderneming SMVP in overeenstemming was met de regels en de beginselen van het Gemeenschapsrecht. De Commissie behoudt zich het recht voor om in dit opzicht de passende maatregelen te nemen ingeval dit nodig mocht blijken,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De maatregel die Frankrijk ten uitvoer heeft gelegd ten voordele van de onderneming S.M.V.P. — Mise en valeur du patrimoine culturel, waarvan de voorwaarden zijn bepaald door de overeenkomst voor de uitbesteding van een openbare dienst „concessie van het ontwerp, de realisatie en de exploitatie van het themapark Bioscope” tussen enerzijds Symbio en anderzijds de onderneming S.M.V.P — Mise en valeur du patrimoine culturel, zoals gewijzigd bij het aanhangsel van 9 juli 2002 is, voorzover zij staatssteun uitmaakt, verenigbaar met de gemeenschappelijke markt op grond van artikel 87, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de Franse Republiek.

Gedaan te Brussel, 8 september 2004.

Voor de Commissie

Mario MONTI

Lid van de Commissie


(1)  PB C 20 van 24.1.2004, blz. 6.

(2)  PB C 97 van 24.4.2003, blz. 10.

(3)  Zie voetnoot 1.

(4)  De procedure voor de uitbesteding van een openbare dienst is onderworpen aan de bepalingen van artikel L.1411-1 en volgende van de Code général des collectivités territoriales.

(5)  PB S 168 van 1.9.1998, 113001.

(6)  Het begrip „overheid” heeft hierna ook betrekking op de territoriale overheden van de Elzas, Haut-Rhin en Bas-Rhin.

(7)  Arrest van het Hof van 24 juli 2003 in zaak C-280/00 (Altmark Trans GmbH en Regierungspräsidium Magdeburg/Nahverkehrsgesellschaft Altmark GmbH), Jurisprudentie 2003, blz. I-7747.

(8)  Om te waarborgen dat geen vertrouwelijke informatie openbaar wordt gemaakt, zijn gedeelten uit deze tekst weggelaten; deze gedeelten zijn aangeduid met vierkante haakjes en een asterisk.

(9)  Volgens Frankrijk wordt met deze constatering tegelijkertijd voldaan aan de laatste twee van de vier criteria die in het arrest-Altmark werden vastgesteld.

(10)  PB C 74 van 10.3.1998, blz. 9. Richtsnoeren gewijzigd in PB C 258 van 9.9.2000, blz. 5.

(11)  PB C 107 van 7.4.1998, blz. 7.

(12)  In werkelijkheid blijft Bioscope tijdens de volledige duur van de concessie strikt genomen eigendom van de overheid, maar dit heeft slechts werkelijke economische gevolgen aan het einde van de concessie, wanneer de concessiehouder zonder enige compensatie moet afzien van het gebruik van het goed.

(13)  Verkoop van Parques Reunidos (Bron: Rapport van Rise Conseil waarin de website van Advent wordt geciteerd).

(14)  Verkoop van Tussauds (Bron: Rapport van Rise Conseil waarin „Les Echos” van 9 december 2003 en de „Daily Telegraph” van 23 februari 2003 worden geciteerd).

(15)  Deze berekening is gebaseerd op het in het ondernemingsplan van Bioscope vastgestelde bruto-exploitatieoverschot, waarvan de hypothetische huur is afgetrokken die de onderneming zou hebben moeten betalen om over het terrein te kunnen beschikken, teneinde ermee rekening te houden dat een eventuele koper daadwerkelijk zijn terrein zou moeten hebben huren, tenzij hij op zijn beurt op nieuwe steun aanspraak kon maken.

(16)  Onderzoek van de fusie tussen Ebizcuss.com en International Computer door de vennootschap Gruppo Banca Sella.

(17)  Onderzoek van de beursintroductie van Avenir France door de vennootschap CIC Securities.

(18)  Ook in dit geval is het feit dat een potentiële koper huur voor het terrein zal moeten betalen, in de berekening verwerkt.

(19)  Bron: Studie van Rise Conseil.

(20)  Deze berekening is gebaseerd op de hypothese dat indien de onderneming daadwerkelijk haar goed bij de afloop van de concessie kon verkopen, de verkoopprijs volledig bestemd zou zijn voor de winst van de onderneming en dus onderworpen zou zijn aan de vennootschapsbelasting, waardoor de winst van de verkoop voor SMVP zou dalen. Indien met dit effect geen rekening zou worden gehouden, zou het nettosubsidie-equivalent nog lager zijn.

(21)  Zie het besluit van de Commissie van 7 augustus 2001 in de zaak N 229/01 (Italië — Steun voor Pompei Tech WORLD SpA ten behoeve van het project voor een recreatiepark) (PB C 330 van 24.11.2001, blz. 2).

(22)  Zie het besluit van de Commissie van 20 april 2004 in de zaak N 611/03 (Duitsland — (Saksen-Anhalt) Investeringssteun voor e-glass AG).

(23)  Ontwerpbegrotingswet 2004 — volume III — bijlage 20 „Toerisme”, afdeling VI „De pretparken in Frankrijk”. Beschikbaar op de website van de senaat: http//senat.fr/rap/l03-073-320/l03-073-32029.html

(24)  Volgens het voornoemde rapport van de Franse senaat bevindt Frankrijk zich juist achter België en Duitsland inzake het economische gewicht van de pretparksector.


28.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 135/34


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 23 mei 2005

inzake noodmaatregelen met betrekking tot Spaanse peper, producten van Spaanse peper, kurkuma en palmolie

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 1454)

(Voor de EER relevante tekst)

(2005/402/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (1), en met name op artikel 53, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Uit hoofde van Verordening (EG) nr. 178/2002 moet de Commissie het in de handel brengen of het gebruik van een levensmiddel of diervoeder dat waarschijnlijk een ernstig risico voor de menselijke gezondheid inhoudt, opschorten of elke andere passende tijdelijke maatregel nemen, wanneer dat risico niet op afdoende wijze kan worden beheerst met de door de betrokken lidstaten getroffen maatregelen.

(2)

Krachtens Beschikking 2004/92/EG van de Commissie van 21 januari 2004 inzake noodmaatregelen met betrekking tot Spaanse peper en producten daarvan (2) hebben de lidstaten controles uitgevoerd op de aanwezigheid van de chemische stoffen Soedan I, Soedan II, Soedan III en Scarlet Red (Soedan IV). Die stoffen zijn aangetroffen in Spaanse peper en producten daarvan en ook in kurkuma en palmolie. Alle bevindingen zijn gemeld via het systeem voor snelle waarschuwingen over levensmiddelen en diervoeders overeenkomstig artikel 50 van Verordening (EG) nr. 178/2002.

(3)

Soedan I, Soedan II, Soedan III en Scarlet Red (Soedan IV) zijn door het Internationaal Instituut voor kankeronderzoek (IARC) als carcinogeen van categorie 3 ingedeeld.

(4)

De omvang van deze constateringen duidt op een vervalsing die een ernstig risico voor de gezondheid inhoudt.

(5)

Gezien de ernst van de bedreiging voor de gezondheid moeten de in Beschikking 2004/92/EG vastgestelde maatregelen van kracht blijven en ook gaan gelden voor kurkuma en palmolie. Bovendien moet rekening gehouden worden met mogelijke driehoekshandel, met name voor levensmiddelen zonder officiële certificatie van oorsprong. Ter bescherming van de volksgezondheid moet worden voorgeschreven dat zendingen Spaanse peper, producten van Spaanse peper, kurkuma en palmolie die, ongeacht in welke vorm, in de Gemeenschap worden ingevoerd en bestemd zijn voor menselijke consumptie, vergezeld moeten gaan van een door de betrokken importeur of exploitant van een levensmiddelenbedrijf verstrekt analyserapport waaruit blijkt dat de zending geen Soedan I, Soedan II, Soedan III of Scarlet Red (Soedan IV) bevat.

(6)

Het analyserapport dat de zendingen Spaanse peper, producten van Spaanse peper, kurkuma en palmolie vergezelt, moet een origineel document zijn dat is bekrachtigd door de bevoegde autoriteiten van het land waar het document is opgesteld. Met deze maatregelen wordt beoogd de door het document geboden garanties te verbeteren.

(7)

Ook moeten de lidstaten steekproefsgewijze bemonstering en analyses gaan uitvoeren van Spaanse peper, producten van Spaanse peper, kurkuma en palmolie, die voor invoer worden aangeboden of al in de handel zijn.

(8)

Bepaald moet worden dat vervalste Spaanse peper, producten van Spaanse peper, kurkuma en palmolie moeten worden vernietigd om te voorkomen dat zij in de voedselketen terechtkomen.

(9)

Aangezien de maatregelen waarin deze beschikking voorziet, gevolgen hebben voor de controlemiddelen van de lidstaten, moeten de resultaten van deze maatregelen binnen twaalf maanden geëvalueerd worden om na te gaan of zij nog steeds nodig zijn om de volksgezondheid te beschermen.

(10)

Bij die evaluatie moeten de resultaten van alle door de bevoegde autoriteiten verrichte analyses in aanmerking genomen worden.

(11)

Er moeten overgangsmaatregelen komen voor zendingen Spaanse peper, producten van Spaanse peper, kurkuma en palmolie die vóór de datum van bekendmaking van deze beschikking zijn ingevoerd.

(12)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Definities

Voor de toepassing van deze beschikking wordt verstaan onder:

a)

„Spaanse peper”: vruchten van het geslacht Capsicum, gedroogd, fijngemaakt of gemalen, van GN-code 0904 20 90, in welke vorm ook, bestemd voor menselijke consumptie;

b)

„producten van Spaanse peper”: kerriepoeder van GN-code 0910 50, in welke vorm ook, bestemd voor menselijke consumptie;

c)

„kurkuma”: kurkuma, gedroogd, fijngemaakt of gemalen, van GN-code 0910 30, in welke vorm ook, bestemd voor menselijke consumptie;

d)

„palmolie”: palmolie van GN-code 1511 10 90, bestemd voor rechtstreekse menselijke consumptie.

Artikel 2

Invoervoorwaarden

1.   De lidstaten verbieden de invoer van Spaanse peper, producten van Spaanse peper, kurkuma en palmolie, tenzij de zending vergezeld gaat van een origineel analyserapport waaruit blijkt dat het product geen van de volgende chemische stoffen bevat:

a)

Soedan I (CAS-nummer 842-07-9),

b)

Soedan II (CAS-nummer 3118-97-6),

c)

Soedan III (CAS-nummer 85-86-9),

d)

Scarlet Red of Soedan IV (CAS-nummer 85-83-6).

2.   Het analyserapport wordt bekrachtigd door een vertegenwoordiger van de betrokken bevoegde autoriteit.

3.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten controleren of elke zending Spaanse peper, producten van Spaanse peper, kurkuma en palmolie die voor invoer wordt aangeboden, vergezeld gaat van een analyserapport zoals bedoeld in lid 1.

4.   Indien een analyserapport zoals bedoeld in lid 1 ontbreekt, laat de in de Gemeenschap gevestigde importeur het product onderzoeken om aan te tonen dat geen van de in lid 1 genoemde chemische stoffen bevat. Zolang geen analyserapport beschikbaar is, wordt het product onder officieel toezicht gehouden.

Artikel 3

Bemonstering en analyse

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen, met inbegrip van steekproefsgewijze bemonstering en analyses van Spaanse peper, producten van Spaanse peper, kurkuma en palmolie die voor invoer worden aangeboden of al in de handel zijn, om de afwezigheid van de in artikel 2, lid 1, vermelde chemische stoffen te verifiëren.

De lidstaten stellen de Commissie via het systeem voor snelle waarschuwingen over levensmiddelen en diervoeders in kennis van alle zendingen die deze stoffen blijken te bevatten.

De lidstaten brengen de Commissie elk kwartaal verslag uit over de zendingen die deze stoffen niet blijken te bevatten. Deze verslagen worden ingediend vóór het einde van de maand die volgt op elk kwartaal.

2.   Elke zending die officieel wordt bemonsterd en geanalyseerd, mag maximaal 15 werkdagen worden vastgehouden.

Artikel 4

Splitsing van zendingen

Indien een zending wordt gesplitst, gaat elk deel van de zending vergezeld van een gewaarmerkte kopie van het analyserapport zoals bedoeld in artikel 2, lid 1.

Artikel 5

Vervalste zendingen

Spaanse peper, producten van Spaanse peper, kurkuma en palmolie die een of meer van de in artikel 2, lid 1, genoemde chemische stoffen blijken te bevatten, worden vernietigd.

Artikel 6

Verhalen van kosten

Alle kosten van de analyses, opslag of vernietiging overeenkomstig artikel 2, lid 1 of lid 4, en artikel 5 worden gedragen door de betrokken importeurs of exploitanten van levensmiddelenbedrijven.

Artikel 7

Overgangsmaatregelen

1.   In afwijking van artikel 2, lid 2, aanvaarden de lidstaten in geval van zendingen die het land van oorsprong vóór de datum van bekendmaking van deze beschikking hebben verlaten, het analyserapport voor de in artikel 1, onder a) en b), genoemde producten ook indien de officiële bekrachtiging ontbreekt.

2.   In afwijking van artikel 2, lid 1, aanvaarden de lidstaten in geval van zendingen die het land van oorsprong vóór de datum van bekendmaking van deze beschikking hebben verlaten, de invoer van de in artikel 1, onder c) en d), genoemde producten ook indien het analyserapport ontbreekt.

Artikel 8

Evaluatie van de maatregelen

Deze beschikking wordt uiterlijk 22 mei 2006 opnieuw bezien.

Artikel 9

Intrekking

Beschikking 2004/92/EG wordt ingetrokken.

Artikel 10

Adressaten

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 23 mei 2005.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1642/2003 (PB L 245 van 29.9.2004, blz. 4).

(2)  PB L 27 van 30.1.2004, blz. 52.


28.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 135/37


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 25 mei 2005

tot vaststelling van de klassen van gedrag van daken en dakbedekkingen bij een brand vanaf de buitenzijde voor bepaalde in richtlijn 89/106/EEG bedoelde voor de bouw bestemde producten

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 1501)

(Voor de EER relevante tekst)

(2005/403/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 89/106/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake voor de bouw bestemde producten (1), en met name op artikel 20, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Ingevolge Richtlijn 89/106/EEG kan het met het oog op de op nationaal, regionaal of plaatselijk niveau uiteenlopende beschermingsniveaus voor bouwwerken nodig zijn om in de basisdocumenten voor ieder fundamenteel voorschrift klassen vast te stellen voor het gedrag van producten. Deze documenten zijn gepubliceerd als „Mededeling van de Commissie betreffende de basisdocumenten van de Richtlijn 89/106/EEG van de Raad” (2).

(2)

Voor het fundamentele voorschrift „brandveiligheid” zijn in basisdocument nr. 2 een aantal onderling samenhangende maatregelen opgenomen die tezamen bijdragen tot de vaststelling van een brandveiligheidstrategie die in de lidstaten op verschillende wijzen kan worden ontwikkeld.

(3)

Basisdocument nr. 2 bevat de voorschriften waaraan producten voor daken die vanaf de buitenzijde aan brand worden blootgesteld, moeten voldoen.

(4)

Als geharmoniseerde oplossing is bij Beschikking 2001/671/EG van de Commissie van 21 augustus 2001 tot uitvoering van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad met betrekking tot de indeling van het gedrag van daken en dakbedekkingen bij een brand vanaf de buitenzijde (3) een systeem van klassen vastgesteld.

(5)

Voor bepaalde dakplaten met plastisolcoating moet de indeling van Beschikking 2001/671/EG worden gebruikt.

(6)

Het gedrag bij een brand vanaf de buitenzijde van een groot aantal voor de bouw bestemde producten en/of materialen is in het kader van de indeling van Beschikking 2001/671/EG duidelijk vastgesteld en is bij de voor brand bevoegde regelgevende instanties in de lidstaten voldoende bekend, zodat zij niet op dit specifieke gedragskenmerk behoeven te worden getest.

(7)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de bouw,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De voor de bouw bestemde producten en/of materialen die aan alle voorschriften voor het gedragskenmerk „gedrag bij een brand vanaf de buitenzijde” voldoen en die niet verder behoeven te worden getest, zijn opgenomen in de bijlage.

Artikel 2

De klassen die overeenkomstig de bij Beschikking 2001/671/EG vastgestelde indeling van het gedrag bij een brand vanaf de buitenzijde voor de verschillende voor de bouw bestemde producten en/of materialen gelden, zijn in de bijlage bij deze beschikking opgenomen.

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 25 mei 2005.

Voor de Commissie

Günter VERHEUGEN

Vice-voorzitter


(1)  PB L 40 van 11.2.1989, blz. 12. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(2)  PB C 62 van 28.2.1994, blz. 1.

(3)  PB L 235 van 4.9.2001, blz. 20.


BIJLAGE

In de tabel in deze bijlage zijn voor de bouw bestemde producten en/of materialen opgenomen die aan alle voorschriften voor het gedragskenmerk „gedrag bij een brand vanaf de buitenzijde” voldoen en niet behoeven te worden getest.

Tabel

Klassen van gedrag van stalen dakplaten met plastisolcoating bij een brand vanaf de buitenzijde

Product

Klasse (1)

Stalen dakplaten met plastisolcoating volgens de onderstaande omschrijving en, indien deel uitmakend van een eenlaags of meerlaags dakbedekkingssysteem, met de onderstaande specificaties

BROOF (t1)

BROOF (t2)

BROOF (t3)

Dakplaten overeenkomstig EN 14782 en EN 14783: geprofileerde stalen platen en vlakke stalen platen of platen van gebandlakt, gegalvaniseerd of met een zink-aluminiumlegering gecoat staal met een metaaldikte van ≥ 0,40 mm, voorzien van een organische coating aan de buitenzijde (weerbestendige zijde) en — facultatief — ook aan de binnenzijde. De coating aan de buitenzijde bestaat uit vloeibaar aangebracht plastisol met een nominale droge-laagdikte van niet meer dan 0,200 mm, een PCS (bruto calorische waarde) van niet meer dan 8,0 MJ/m2 en een droge massa van niet meer dan 330 g/m2. De (eventuele) coating aan de binnenzijde heeft een PCS van niet meer dan 4,0 MJ/m2 en een droge massa van niet meer dan 200 g/m2.

Eenlaags dakbedekkingssysteem: uit één laag bestaande, niet-geїsoleerde dakbedekking op een onderconstructie (doorgaande of onderbroken liggers) die ten minste tot klasse A2-s1, d0 van materiaalgedrag bij brand behoort.

Meerlaags dakbedekkingssysteem: systeem waarbij de stalen dakplaten met plastisolcoating de buitenbekleding van een meerlaagse constructie vormen, waarbij de onderconstructie ten minste tot klasse A2-s1, d0 van materiaalgedrag bij brand behoort en waarbij zich direct onder de stalen plaat met plastisolcoating een isolatielaag bevindt die ten minste tot klasse A2-s1, d0 van materiaalgedrag bij brand behoort. Deze isolatie dient te bestaan uit onbeklede minerale wol die aan EN 13162 voldoet: hetzij een glaswoldeken met een dichtheid van ten minste 10 kg/m3 (met een nominaal gehalte aan bindmiddelen van niet meer dan 5 gewichtspercent) en met een dikte van ≥ 80 mm, hetzij steenwol met een dichtheid van ten minste 25 kg/m3 (met een nominaal gehalte aan bindmiddelen van niet meer dan 3,5 gewichtspercent) en met een dikte van ≥ 80 mm.

Naden. De naden van de toplaag dienen aan de volgende eisen te voldoen:

trapeziumplaten — de langsoverlappen zijn ten minste een rib breed en de kopse overlappen bedragen ten minste 100 mm;

golfplaten — de langsoverlappen zijn ten minste 1,5 golf breed en de kopse overlappen bedragen ten minste 100 mm;

vlakke platen — de langsoverlappen en de kopse overlappen bedragen ten minste 100 mm;

platen met opstaande rand — de langsnaden bestaan uit een verticaal opstaande overlapte of afgedekte rand die ervoor zorgt dat de platen overal goed aansluiten en dat de voegen waterdicht zijn; de kopse overlappen bedragen, indien van toepassing, ten minste 100 mm.

Voegafdichtingen bestaan uit butylkit of een vergelijkbaar product met een nominale dichtheid van 1 500-1 700 kg/m3; het afdichtingsmateriaal wordt als een ononderbroken worst (debiet ongeveer 45 g/m) in het overlapte gedeelte van de naad aangebracht.

Bevestigingsmiddelen: de dakplaten worden met mechanische bevestigingsmiddelen van metaal zodanig aan de onderconstructie vastgemaakt dat een stabiele dakconstructie wordt verkregen. Extra mechanische bevestigingsmiddelen van metaal dienen ervoor te zorgen dat de platen overal goed aansluiten en dat de voegen waterdicht zijn.


(1)  Klasse van gedrag bij een brand vanaf de buitenzijde overeenkomstig de bijlage bij Beschikking 2001/671/EG.