ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 75

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

48e jaargang
22 maart 2005


Inhoud

 

I   Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

Bladzijde

 

 

Verordening (EG) nr. 457/2005 van de Commissie van 21 maart 2005 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

1

 

 

Verordening (EG) nr. 458/2005 van de Commissie van 21 maart 2005 inzake de opening van een permanente openbare inschrijving voor de uitvoer van zachte tarwe die in het bezit is van het Tsjechische interventiebureau

3

 

 

Verordening (EG) nr. 459/2005 van de Commissie van 21 maart 2005 inzake de opening van een permanente openbare inschrijving voor de uitvoer van zachte tarwe die in het bezit is van het Oostenrijkse interventiebureau

9

 

 

Verordening (EG) nr. 460/2005 van de Commissie van 21 maart 2005 inzake de opening van een permanente openbare inschrijving voor de uitvoer van zachte tarwe die in het bezit is van het Hongaarse interventiebureau

15

 

 

Verordening (EG) nr. 461/2005 van de Commissie van 21 maart 2005 inzake de opening van een permanente openbare inschrijving voor de uitvoer van zachte tarwe die in het bezit is van het Poolse interventiebureau

21

 

 

Verordening (EG) nr. 462/2005 van de Commissie van 21 maart 2005 inzake de opening van een permanente openbare inschrijving voor de uitvoer van gerst die in het bezit is van het Duitse interventiebureau

27

 

*

Richtlijn 2005/26/EG van de Commissie van 21 maart 2005 tot vaststelling van een lijst van voedselingrediënten of stoffen die tijdelijk worden geschrapt uit bijlage III bis bij Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 1 )

33

 

 

II   Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

 

 

Raad

 

*

Besluit van de Raad van 3 maart 2005 betreffende de sluiting van een overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Socialistische Republiek Vietnam inzake markttoegang

35

Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Socialistische Republiek Vietnam inzake markttoegang

37

 

 

Commissie

 

*

Beschikking van de Commissie van 18 maart 2005 met betrekking tot specifieke financiële bijstand van de Gemeenschap voor het door Zweden ingediende surveillanceprogramma voor campylobacter bij slachtkuikens voor het jaar 2005 (Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 759)

40

 

*

Beschikking van de Commissie van 20 oktober 2004 betreffende steunmaatregel nr. C 40/02 (ex N 513/01) betreffende staatssteun ten gunste van Hellenic Shipyards AE (Kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 3919)  ( 1 )

44

 

*

Beschikking van de Commissie van 3 maart 2005 betreffende de instelling van een onderzoek, overeenkomstig artikel 4, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 2408/92 van de Raad betreffende de toegang van communautaire luchtvaartmaatschappijen tot intracommunautaire luchtroutes (Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 577)  ( 1 )

53

 

*

Besluit nr. 1/2004 van het Comité Vervoer over land Gemeenschap/Zwitserland van 22 juni 2004 betreffende het heffingensysteem voor voertuigen dat in Zwitserland geldt vanaf 1 januari 2005 tot de openstelling van de basistunnel van Lötschberg, maar uiterlijk tot 1 januari 2008

58

 

*

Besluit nr. 2/2004 van het Comité Vervoer over land Gemeenschap/Zwitserland van 22 juni 2004 tot wijziging van bijlage 1 van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg

60

 

*

Besluit nr. 31/2005 van de Gemengde Commissie ingesteld bij de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika van 14 februari 2005 tot opneming van een overeenstemmingsbeoordelingsorgaan in de sectorbijlage betreffende telecommunicatieapparatuur

65

 

*

Aanbeveling van de Commissie van 11 maart 2005 betreffende het Europese Handvest voor Onderzoekers en betreffende een Gedragscode voor de Rekrutering van Onderzoekers ( 1 )

67

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

22.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 75/1


VERORDENING (EG) Nr. 457/2005 VAN DE COMMISSIE

van 21 maart 2005

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 22 maart 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 maart 2005.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1947/2002 (PB L 299 van 1.11.2002, blz. 17).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 21 maart 2005 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

052

96,4

204

87,3

212

124,2

624

175,4

628

124,5

999

121,6

0707 00 05

052

165,9

204

65,0

999

115,5

0709 10 00

220

144,2

999

144,2

0709 90 70

052

114,4

204

45,4

999

79,9

0805 10 20

052

53,6

204

53,8

212

57,0

220

49,8

400

56,1

421

35,9

624

59,5

999

52,2

0805 50 10

052

64,9

220

21,8

400

74,3

624

57,4

999

54,6

0808 10 80

388

61,6

400

100,5

404

76,2

508

66,2

512

80,5

524

55,3

528

70,6

720

68,2

999

72,4

0808 20 50

052

157,0

388

60,8

512

60,3

528

60,1

720

45,2

999

76,7


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 2081/2003 van de Commissie (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11). De code „999” staat voor „andere oorsprong”.


22.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 75/3


VERORDENING (EG) Nr. 458/2005 VAN DE COMMISSIE

van 21 maart 2005

inzake de opening van een permanente openbare inschrijving voor de uitvoer van zachte tarwe die in het bezit is van het Tsjechische interventiebureau

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EEG) nr. 2131/93 van de Commissie (2), zijn de procedures en de voorwaarden voor de verkoop van graan door de interventiebureaus vastgesteld.

(2)

Bij de huidige marktsituatie is het dienstig een permanente inschrijving te openen voor de uitvoer van 300 000 ton zachte tarwe die in het bezit is van het Tsjechische interventiebureau.

(3)

Voor een regelmatig verloop van de transacties en de controles daarop moeten speciale bepalingen worden vastgesteld. Het is dienstig daartoe een zekerheidsregeling vast te stellen waarmee de beoogde doelstellingen worden bereikt zonder dat dit voor de betrokken handelaren overdreven hoge kosten meebrengt. Bijgevolg moet worden afgeweken van sommige voorschriften, en met name van Verordening (EEG) nr. 2131/93.

(4)

Wanneer door omstandigheden die aan het interventiebureau zijn toe te schrijven, het afhalen van zachte tarwe meer dan vijf dagen wordt vertraagd of het vrijgeven van een van de verlangde zekerheden wordt uitgesteld, zal de betrokken lidstaat een schadeloosstelling moeten betalen.

(5)

Om wederinvoer te voorkomen, mag uitvoer in het kader van deze inschrijving alleen geschieden naar bepaalde derde landen.

(6)

Artikel 7, lid 2 bis, van Verordening (EEG) nr. 2131/93 voorziet in de mogelijkheid om de exporteur aan wie is gegund, de kosten te vergoeden van het vervoer op de gunstigste voorwaarden tussen de plaats van opslag en de werkelijke plaats van grensoverschrijding. Deze bepaling voor Tsjechië moet worden toegepast, gezien de geografische ligging van dit land.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onverminderd andersluidende bepalingen in deze verordening houdt het Tsjechische interventiebureau onder de bij Verordening (EEG) nr. 2131/93 vastgestelde voorwaarden een permanente openbare inschrijving voor de uitvoer van zachte tarwe die in zijn bezit is.

Artikel 2

1.   De inschrijving heeft betrekking op een hoeveelheid van ten hoogste 300 000 ton zachte tarwe voor uitvoer naar alle derde landen, met uitzondering van Albanië, Bulgarije, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Montenegro (3), de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Liechtenstein, Roemenië en Zwitserland.

2.   De gebieden waar de 300 000 ton zachte tarwe is opgeslagen, zijn vermeld in bijlage I.

Artikel 3

1.   In afwijking van het bepaalde in artikel 16, derde alinea, van Verordening (EEG) nr. 2131/93 is de bij uitvoer te betalen prijs die welke in het bod is vermeld, zonder maandelijkse verhogingen.

2.   Voor uitvoer in het kader van deze verordening worden noch uitvoerrestituties, noch uitvoerbelastingen, noch maandelijkse verhogingen toegepast.

3.   Artikel 8, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2131/93 is niet van toepassing.

4.   Op grond van artikel 7, lid 2 bis, van Verordening (EEG) nr. 2131/93 worden aan de exporteur aan wie is gegund, de kosten vergoed van het vervoer op de gunstigste voorwaarden tussen de plaats van opslag en de werkelijke plaats van grensoverschrijding.

Artikel 4

1.   De uitvoercertificaten zijn geldig vanaf de datum van afgifte in de zin van artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 2131/93 tot en met het einde van de vierde daaropvolgende maand.

2.   De offertes die in het kader van deze openbare inschrijving worden ingediend, mogen niet vergezeld gaan van aanvragen voor uitvoercertificaten in het kader van artikel 49 van Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie (4).

Artikel 5

1.   In afwijking van het bepaalde in artikel 7, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2131/93 verstrijkt de termijn voor de indiening van de offertes voor de eerste deelinschrijving op 31 maart 2005 om 9.00 uur (Brusselse tijd).

2.   De termijn voor de indiening van de offertes voor volgende deelinschrijvingen verstrijkt telkens op donderdag om 9.00 uur (Brusselse tijd), behalve op 5 mei 2005.

3.   De laatste deelinschrijving verstrijkt op 23 juni 2005 om 9.00 uur (Brusselse tijd).

4.   De offertes moeten worden ingediend bij het Tsjechische interventiebureau:

Statní zemědělský intervenční fond

Odbor rostlinných komodit

Ve Smečkách 33

CZ-110 00, Praha 1

Tel. (420-2) 22 87 16 67/403

Fax (420-2) 22 29 68 06 404.

Artikel 6

1.   Naar keuze van de koper vóór of bij de uitslag uit de opslagplaats gaan het interventiebureau, de opslaghouder en de koper, indien deze laatste dit wenst, in onderlinge overeenstemming over tot het nemen van contradictoire monsters met een frequentie van ten minste één monsterneming voor elke 500 ton en tot de analyse van deze monsters. Het interventiebureau kan zich laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, die evenwel niet de opslaghouder mag zijn.

In geval van betwisting worden de resultaten van de analyses aan de Commissie meegedeeld.

De contradictoire monsters worden genomen en geanalyseerd binnen een termijn van zeven werkdagen te rekenen vanaf de datum van het verzoek van de koper of binnen een termijn van drie werkdagen indien de monsters bij de uitslag uit de opslagplaats worden genomen. Wanneer het eindresultaat van de analyses van de monsters op een kwaliteit duidt die:

a)

beter is dan de in het bericht van inschrijving vermelde kwaliteit, moet de koper de partij als zodanig aanvaarden;

b)

beter is dan de voor interventie geldende minimumkenmerken, maar minder dan de in het bericht van inschrijving beschreven kwaliteit, waarbij het verschil ten opzichte van deze laatste kwaliteit niet groter is dan:

1 kg/hl voor het soortelijk gewicht, dat evenwel niet lager mag zijn dan 75 kg/hl,

1 procentpunt voor het vochtgehalte,

0,5 procentpunt voor de in punt B.2, respectievelijk punt B.4, van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 824/2000 van de Commissie (5) bedoelde onzuiverheden, en

0,5 procentpunt voor de in punt B.5 van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 824/2000 bedoelde onzuiverheden, waarbij evenwel de voor schadelijke korrels en voor moederkoren toegestane percentages ongewijzigd blijven,

moet de koper de partij als zodanig aanvaarden;

c)

beter is dan de voor interventie geldende minimumkenmerken, maar minder dan de in het bericht van inschrijving beschreven kwaliteit, waarbij het verschil ten opzichte van deze laatste kwaliteit groter is dan het onder b) bedoelde verschil, kan de koper:

hetzij de partij als zodanig aanvaarden;

hetzij weigeren de betrokken partij over te nemen. Hij is eerst van al zijn verplichtingen voor de betrokken partij, met inbegrip van die betreffende de zekerheden, ontslagen nadat hij de Commissie en het interventiebureau onverwijld overeenkomstig bijlage II op de hoogte heeft gebracht; indien hij echter het interventiebureau verzoekt hem zonder extra kosten een andere partij zachte tarwe uit de interventievoorraden van de in het vooruitzicht gestelde kwaliteit te leveren, wordt de zekerheid niet vrijgegeven. De partij moet binnen een termijn van ten hoogste drie dagen na het verzoek van de koper worden vervangen. De koper stelt de Commissie daarvan overeenkomstig bijlage II onverwijld in kennis;

d)

minder is dan de voor interventie geldende minimumeisen, mag de koper de betrokken partij niet overnemen. Hij is eerst van al zijn verplichtingen voor de betrokken partij, met inbegrip van die betreffende de zekerheden, ontslagen nadat hij de Commissie en het interventiebureau onverwijld overeenkomstig bijlage II op de hoogte heeft gebracht; hij kan het interventiebureau echter verzoeken hem zonder extra kosten een andere partij zachte tarwe uit de interventievoorraden van de in het vooruitzicht gestelde kwaliteit te leveren. In dit geval wordt de zekerheid niet vrijgegeven. De partij moet binnen een termijn van ten hoogste drie dagen na het verzoek van de koper worden vervangen. De koper stelt de Commissie daarvan overeenkomstig bijlage II onverwijld in kennis.

2.   Indien de zachte tarwe wordt uitgeslagen alvorens de resultaten van de analyses bekend zijn, zijn echter vanaf het tijdstip van de afhaling van de partij alle risico's voor rekening van de koper, onverminderd de rechtsmiddelen waarover de koper jegens de opslaghouder mocht beschikken.

3.   Indien binnen een periode van ten hoogste één maand na de datum van het door de koper ingediende verzoek om vervanging de koper na achtereenvolgende vervangingen geen vervangende partij van de in het vooruitzicht gestelde kwaliteit heeft gekregen, is hij van al zijn verplichtingen, met inbegrip van die betreffende de zekerheden, ontslagen nadat hij de Commissie en het interventiebureau overeenkomstig bijlage II onverwijld op de hoogte heeft gebracht.

4.   De kosten van monsternemingen en analyses zoals bedoeld in lid 1, met uitzondering van die waarbij het eindresultaat duidt op een mindere kwaliteit dan de voor interventie vereiste minimumkwaliteit, komen ten laste van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) voor maximaal één analyse per 500 ton, met uitzondering van de overslagkosten. Overslagkosten en eventuele aanvullende analyses op verzoek van de koper zijn voor diens rekening.

Artikel 7

In afwijking van artikel 12 van Verordening (EEG) nr. 3002/92 van de Commissie (6) moet in de documenten betreffende de verkoop van zachte tarwe overeenkomstig deze verordening, en met name in het uitvoercertificaat, het uitslagbewijs zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, onder b), van Verordening (EEG) nr. 3002/92, de aangifte ten uitvoer en, in voorkomend geval, het exemplaar T 5, een van de volgende vermeldingen worden opgenomen:

Trigo blando de intervención sin aplicación de restitución ni gravamen, Reglamento (CE) no 458/2005

Intervenční pšenice obecná nepodléhá vývozní náhradě ani clu, nařízení (ES) č. 458/2005

Blød hvede fra intervention uden restitutionsydelse eller -afgift, forordning (EF) nr. 458/2005

Weichweizen aus Interventionsbeständen ohne Anwendung von Ausfuhrerstattungen oder Ausfuhrabgaben, Verordnung (EG) Nr. 458/2005

Pehme nisu sekkumisvarudest, mille puhul ei rakendata toetust või maksu, määrus (EÜ) nr 458/2005

Μαλακός σίτος παρέμβασης χωρίς εφαρμογή επιστροφής ή φόρου, κανονισμός (ΕΚ) αριθ. 458/2005

Intervention common wheat without application of refund or tax, Regulation (EC) No 458/2005

Blé tendre d'intervention ne donnant pas lieu à restitution ni taxe, règlement (CE) no 458/2005

Frumento tenero d'intervento senza applicazione di restituzione né di tassa, regolamento (CE) n. 458/2005

Intervences parastie kvieši bez kompensācijas vai nodokļa piemērošanas, Regula (EK) Nr. 458/2005

Intervenciniai paprastieji kviečiai, kompensacija ar mokesčiai netaikytini, Reglamentas (EB) Nr. 458/2005

Intervenciós búza, visszatérítés, illetve adó nem alkalmazandó, 458/2005/EK rendelet

Zachte tarwe uit interventie, zonder toepassing van restitutie of belasting, Verordening (EG) nr. 458/2005

Pszenica zwyczajna interwencyjna niedająca prawa do refundacji ani do opłaty, rozporządzenie (WE) nr 458/2005

Trigo mole de intervenção sem aplicação de uma restituição ou imposição, Regulamento (CE) n.o 458/2005

Intervenčná pšenica obyčajná nepodlieha vývozným náhradám ani clu, nariadenie (ES) č. 458/2005

Intervencija navadne pšenice brez zahtevkov za nadomestila ali carine, Uredba (ES) št. 458/2005

Interventiovehnä, johon ei sovelleta vientitukea eikä vientimaksua, asetus (EY) N:o 458/2005

Interventionsvete, utan tillämpning av bidrag eller avgift, förordning (EG) nr 458/2005.

Artikel 8

1.   De overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 2131/93 gestelde zekerheid moet worden vrijgegeven zodra de uitvoercertificaten zijn afgegeven aan degenen aan wie is toegewezen.

2.   In afwijking van artikel 17 van Verordening (EEG) nr. 2131/93 wordt de naleving van de verplichting tot uitvoer gegarandeerd door een zekerheid waarvan het bedrag gelijk is aan het verschil tussen de op de toewijzingsdag geldende interventieprijs en de toewijzingsprijs en nooit kleiner mag zijn dan 25 EUR per ton. De helft van dit bedrag wordt bij de afgifte van het certificaat gesteld en het saldo vóór het afhalen van het graan.

Artikel 9

Het Tsjechische interventiebureau stelt de Commissie uiterlijk twee uur na het verstrijken van de termijn voor het indienen van de offertes in kennis van de ontvangen inschrijvingen. Zij moeten worden doorgezonden overeenkomstig het schema van bijlage III en via de in bijlage IV vermelde oproepnummers.

Artikel 10

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 maart 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78.

(2)  PB L 191 van 31.7.1993, blz. 76. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2045/2004 (PB L 354 van 30.11.2004, blz. 17).

(3)  Met inbegrip van Kosovo, zoals gedefinieerd in Resolutie 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 10 juni 1999.

(4)  PB L 152 van 24.6.2000, blz. 1.

(5)  PB L 100 van 20.4.2000, blz. 31.

(6)  PB L 301 van 17.10.1992, blz. 17.


BIJLAGE I

(in ton)

Plaats van opslag

Hoeveelheid

Středočeský, Jihočeský, Plzeňský, Karlovarský, Ústecký, Liberecký, Královehradecký, Pardubický, Vysočina, Jihomoravský, Olomoucký, Zlínský, Moravskoslezský

300 000


BIJLAGE II

Mededeling inzake weigering van partijen die zijn toegewezen in het kader van de permanente openbare inschrijving voor de uitvoer van zachte tarwe in het bezit van het Tsjechische interventiebureau

(artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 458/2005)

Naam van de indiener van de offerte aan wie is toegewezen:

Datum van de openbare inschrijving:

Datum van de weigering van de partij door de inschrijver aan wie is toegewezen:

Nummer van de partij

Hoeveelheid in ton

Adres van de silo

Reden voor de weigering

 

 

 

Soortelijk gewicht (kg/hl)

 

 

 

% gekiemde korrels

 

 

 

% uitschot (Schwarzbesatz)

 

 

 

% bestanddelen die geen onberispelijke basisgraankorrels zijn

 

 

 

Andere


BIJLAGE III

Permanente openbare inschrijving voor de uitvoer van zachte tarwe in het bezit van het Tsjechische interventiebureau

(Verordening (EG) nr. 458/2005)

1

2

3

4

5

6

7

Volgnummer van de inschrijvers

Nummer van de partij

Hoeveelheid

Prijs van de offertes

(in EUR/t) (1)

Toeslagen

(+)

Kortingen

(–)

(in EUR/t)

(p.m.)

Handelskosten

(in EUR/t)

Bestemming

1

 

 

 

 

 

 

2

 

 

 

 

 

 

3

 

 

 

 

 

 

enz.

 

 

 

 

 

 


(1)  Deze prijs omvat de toeslagen of kortingen die gelden voor de partij waarop de inschrijving betrekking heeft.


BIJLAGE IV

Uitsluitend de volgende oproepnummers in Brussel mogen worden gebruikt (DG AGRI/D.2):

fax (32-2) 292 10 34.


22.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 75/9


VERORDENING (EG) Nr. 459/2005 VAN DE COMMISSIE

van 21 maart 2005

inzake de opening van een permanente openbare inschrijving voor de uitvoer van zachte tarwe die in het bezit is van het Oostenrijkse interventiebureau

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EEG) nr. 2131/93 van de Commissie (2), zijn de procedures en de voorwaarden voor de verkoop van graan door de interventiebureaus vastgesteld.

(2)

Bij de huidige marktsituatie is het dienstig een permanente inschrijving te openen voor de uitvoer van 80 663 ton zachte tarwe die in het bezit is van het Oostenrijkse interventiebureau.

(3)

Voor een regelmatig verloop van de transacties en de controles daarop moeten speciale bepalingen worden vastgesteld. Het is dienstig daartoe een zekerheidsregeling vast te stellen waarmee de beoogde doelstellingen worden bereikt zonder dat dit voor de betrokken handelaren overdreven hoge kosten meebrengt. Bijgevolg moet worden afgeweken van sommige voorschriften, en met name van Verordening (EEG) nr. 2131/93.

(4)

Wanneer door omstandigheden die aan het interventiebureau zijn toe te schrijven, het afhalen van zachte tarwe meer dan vijf dagen wordt vertraagd of het vrijgeven van een van de verlangde zekerheden wordt uitgesteld, zal de betrokken lidstaat een schadeloosstelling moeten betalen.

(5)

Om wederinvoer te voorkomen, mag uitvoer in het kader van deze inschrijving alleen geschieden naar bepaalde derde landen.

(6)

Artikel 7, lid 2 bis, van Verordening (EEG) nr. 2131/93 voorziet in de mogelijkheid om de exporteur aan wie is gegund, de kosten te vergoeden van het vervoer op de gunstigste voorwaarden tussen de plaats van opslag en de werkelijke plaats van grensoverschrijding. Deze bepaling voor Oostenrijk moet worden toegepast, gezien de geografische ligging van dit land.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onverminderd andersluidende bepalingen in deze verordening houdt het Oostenrijkse interventiebureau onder de bij Verordening (EEG) nr. 2131/93 vastgestelde voorwaarden een permanente openbare inschrijving voor de uitvoer van zachte tarwe die in zijn bezit is.

Artikel 2

1.   De inschrijving heeft betrekking op een hoeveelheid van ten hoogste 80 663 ton zachte tarwe voor uitvoer naar alle derde landen, met uitzondering van Albanië, Bulgarije, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Montenegro (3), de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Liechtenstein, Roemenië en Zwitserland.

2.   De gebieden waar de 80 663 ton zachte tarwe is opgeslagen, zijn vermeld in bijlage I.

Artikel 3

1.   In afwijking van het bepaalde in artikel 16, derde alinea, van Verordening (EEG) nr. 2131/93 is de bij uitvoer te betalen prijs die welke in het bod is vermeld, zonder maandelijkse verhogingen.

2.   Voor uitvoer in het kader van deze verordening worden noch uitvoerrestituties, noch uitvoerbelastingen, noch maandelijkse verhogingen toegepast.

3.   Artikel 8, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2131/93 is niet van toepassing.

4.   Op grond van artikel 7, lid 2 bis, van Verordening (EEG) nr. 2131/93 worden aan de exporteur aan wie is gegund, de kosten vergoed van het vervoer op de gunstigste voorwaarden tussen de plaats van opslag en de werkelijke plaats van grensoverschrijding.

Artikel 4

1.   De uitvoercertificaten zijn geldig vanaf de datum van afgifte in de zin van artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 2131/93 tot en met het einde van de vierde daaropvolgende maand.

2.   De offertes die in het kader van deze openbare inschrijving worden ingediend, mogen niet vergezeld gaan van aanvragen voor uitvoercertificaten in het kader van artikel 49 van Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie (4).

Artikel 5

1.   In afwijking van het bepaalde in artikel 7, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2131/93 verstrijkt de termijn voor de indiening van de offertes voor de eerste deelinschrijving op 31 maart 2005 om 9.00 uur (Brusselse tijd).

2.   De termijn voor de indiening van de offertes voor volgende deelinschrijvingen verstrijkt telkens op donderdag om 9.00 uur (Brusselse tijd), behalve op 5 mei 2005.

3.   De laatste deelinschrijving verstrijkt op 23 juni 2005 om 9.00 uur (Brusselse tijd).

4.   De offertes moeten worden ingediend bij het Oostenrijkse interventiebureau:

AMA (Agrarmarkt Austria)

Dresdnerstraße 70

A-1200 Wien

Fax (43-1) 331 51 46 24, (43-1) 331 51 44 69

Artikel 6

1.   Naar keuze van de koper vóór of bij de uitslag uit de opslagplaats gaan het interventiebureau, de opslaghouder en de koper, indien deze laatste dit wenst, in onderlinge overeenstemming over tot het nemen van contradictoire monsters met een frequentie van ten minste één monsterneming voor elke 500 ton en tot de analyse van deze monsters. Het interventiebureau kan zich laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, die evenwel niet de opslaghouder mag zijn.

In geval van betwisting worden de resultaten van de analyses aan de Commissie meegedeeld.

De contradictoire monsters worden genomen en geanalyseerd binnen een termijn van zeven werkdagen te rekenen vanaf de datum van het verzoek van de koper of binnen een termijn van drie werkdagen indien de monsters bij de uitslag uit de opslagplaats worden genomen. Wanneer het eindresultaat van de analyses van de monsters op een kwaliteit duidt die:

a)

beter is dan de in het bericht van inschrijving vermelde kwaliteit, moet de koper de partij als zodanig aanvaarden;

b)

beter is dan de voor interventie geldende minimumkenmerken, maar minder dan de in het bericht van inschrijving beschreven kwaliteit, waarbij het verschil ten opzichte van deze laatste kwaliteit niet groter is dan:

1 kg/hl voor het soortelijk gewicht, dat evenwel niet lager mag zijn dan 75 kg/hl,

1 procentpunt voor het vochtgehalte,

0,5 procentpunt voor de in punt B.2, respectievelijk punt B.4, van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 824/2000 van de Commissie (5) bedoelde onzuiverheden, en

0,5 procentpunt voor de in punt B.5 van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 824/2000 bedoelde onzuiverheden, waarbij evenwel de voor schadelijke korrels en voor moederkoren toegestane percentages ongewijzigd blijven,

moet de koper de partij als zodanig aanvaarden;

c)

beter is dan de voor interventie geldende minimumkenmerken, maar minder dan de in het bericht van inschrijving beschreven kwaliteit, waarbij het verschil ten opzichte van deze laatste kwaliteit groter is dan het onder b) bedoelde verschil, kan de koper:

hetzij de partij als zodanig aanvaarden;

hetzij weigeren de betrokken partij over te nemen. Hij is eerst van al zijn verplichtingen voor de betrokken partij, met inbegrip van die betreffende de zekerheden, ontslagen nadat hij de Commissie en het interventiebureau onverwijld overeenkomstig bijlage II op de hoogte heeft gebracht; indien hij echter het interventiebureau verzoekt hem zonder extra kosten een andere partij zachte tarwe uit de interventievoorraden van de in het vooruitzicht gestelde kwaliteit te leveren, wordt de zekerheid niet vrijgegeven. De partij moet binnen een termijn van ten hoogste drie dagen na het verzoek van de koper worden vervangen. De koper stelt de Commissie daarvan overeenkomstig bijlage II onverwijld in kennis;

d)

minder is dan de voor interventie geldende minimumeisen, mag de koper de betrokken partij niet overnemen. Hij is eerst van al zijn verplichtingen voor de betrokken partij, met inbegrip van die betreffende de zekerheden, ontslagen nadat hij de Commissie en het interventiebureau onverwijld overeenkomstig bijlage II op de hoogte heeft gebracht; hij kan het interventiebureau echter verzoeken hem zonder extra kosten een andere partij zachte tarwe uit de interventievoorraden van de in het vooruitzicht gestelde kwaliteit te leveren. In dit geval wordt de zekerheid niet vrijgegeven. De partij moet binnen een termijn van ten hoogste drie dagen na het verzoek van de koper worden vervangen. De koper stelt de Commissie daarvan overeenkomstig bijlage II onverwijld in kennis.

2.   Indien de zachte tarwe wordt uitgeslagen alvorens de resultaten van de analyses bekend zijn, zijn echter vanaf het tijdstip van de afhaling van de partij alle risico's voor rekening van de koper, onverminderd de rechtsmiddelen waarover de koper jegens de opslaghouder mocht beschikken.

3.   Indien binnen een periode van ten hoogste één maand na de datum van het door de koper ingediende verzoek om vervanging de koper na achtereenvolgende vervangingen geen vervangende partij van de in het vooruitzicht gestelde kwaliteit heeft gekregen, is hij van al zijn verplichtingen, met inbegrip van die betreffende de zekerheden, ontslagen nadat hij de Commissie en het interventiebureau overeenkomstig bijlage II onverwijld op de hoogte heeft gebracht.

4.   De kosten van monsternemingen en analyses zoals bedoeld in lid 1, met uitzondering van die waarbij het eindresultaat duidt op een mindere kwaliteit dan de voor interventie vereiste minimumkwaliteit, komen ten laste van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) voor maximaal één analyse per 500 ton, met uitzondering van de overslagkosten. Overslagkosten en eventuele aanvullende analyses op verzoek van de koper zijn voor diens rekening.

Artikel 7

In afwijking van artikel 12 van Verordening (EEG) nr. 3002/92 van de Commissie (6) moet in de documenten betreffende de verkoop van zachte tarwe overeenkomstig deze verordening, en met name in het uitvoercertificaat, het uitslagbewijs zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, onder b), van Verordening (EEG) nr. 3002/92, de aangifte ten uitvoer en, in voorkomend geval, het exemplaar T 5, een van de volgende vermeldingen worden opgenomen:

Trigo blando de intervención sin aplicación de restitución ni gravamen, Reglamento (CE) no 459/2005

Intervenční pšenice obecná nepodléhá vývozní náhradě ani clu, nařízení (ES) č. 459/2005

Blød hvede fra intervention uden restitutionsydelse eller -afgift, forordning (EF) nr. 459/2005

Weichweizen aus Interventionsbeständen ohne Anwendung von Ausfuhrerstattungen oder Ausfuhrabgaben, Verordnung (EG) Nr. 459/2005

Pehme nisu sekkumisvarudest, mille puhul ei rakendata toetust või maksu, määrus (EÜ) nr 459/2005

Μαλακός σίτος παρέμβασης χωρίς εφαρμογή επιστροφής ή φόρου, κανονισμός (ΕΚ) αριθ. 459/2005

Intervention common wheat without application of refund or tax, Regulation (EC) No 459/2005

Blé tendre d'intervention ne donnant pas lieu à restitution ni taxe, règlement (CE) no 459/2005

Frumento tenero d'intervento senza applicazione di restituzione né di tassa, regolamento (CE) n. 459/2005

Intervences parastie kvieši bez kompensācijas vai nodokļa piemērošanas, Regula (EK) Nr. 459/2005

Intervenciniai paprastieji kviečiai, kompensacija ar mokesčiai netaikytini, Reglamentas (EB) Nr. 459/2005

Intervenciós búza, visszatérítés, illetve adó nem alkalmazandó, 459/2005/EK rendelet

Zachte tarwe uit interventie, zonder toepassing van restitutie of belasting, Verordening (EG) nr. 459/2005

Pszenica zwyczajna interwencyjna niedająca prawa do refundacji ani do opłaty, rozporządzenie (WE) nr 459/2005

Trigo mole de intervenção sem aplicação de uma restituição ou imposição, Regulamento (CE) n.o 459/2005

Intervenčná pšenica obyčajná nepodlieha vývozným náhradám ani clu, nariadenie (ES) č. 459/2005

Intervencija navadne pšenice brez zahtevkov za nadomestila ali carine, Uredba (ES) št. 459/2005

Interventiovehnä, johon ei sovelleta vientitukea eikä vientimaksua, asetus (EY) N:o 459/2005

Interventionsvete, utan tillämpning av bidrag eller avgift, förordning (EG) nr 459/2005.

Artikel 8

1.   De overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 2131/93 gestelde zekerheid moet worden vrijgegeven zodra de uitvoercertificaten zijn afgegeven aan degenen aan wie is toegewezen.

2.   In afwijking van artikel 17 van Verordening (EEG) nr. 2131/93 wordt de naleving van de verplichting tot uitvoer gegarandeerd door een zekerheid waarvan het bedrag gelijk is aan het verschil tussen de op de toewijzingsdag geldende interventieprijs en de toewijzingsprijs en nooit kleiner mag zijn dan 25 EUR per ton. De helft van dit bedrag wordt bij de afgifte van het certificaat gesteld en het saldo vóór het afhalen van het graan.

Artikel 9

Het Oostenrijkse interventiebureau stelt de Commissie uiterlijk twee uur na het verstrijken van de termijn voor het indienen van de offertes in kennis van de ontvangen inschrijvingen. Zij moeten worden doorgezonden overeenkomstig het schema van bijlage III en via de in bijlage IV vermelde oproepnummers.

Artikel 10

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 maart 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78.

(2)  PB L 191 van 31.7.1993, blz. 76. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2045/2004 (PB L 354 van 30.11.2004, blz. 17).

(3)  Met inbegrip van Kosovo, zoals gedefinieerd in Resolutie 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 10 juni 1999.

(4)  PB L 152 van 24.6.2000, blz. 1.

(5)  PB L 100 van 20.4.2000, blz. 31.

(6)  PB L 301 van 17.10.1992, blz. 17.


BIJLAGE I

(in ton)

Plaats van opslag

Hoeveelheid

Burgenland, Niederösterreich, Oberösterreich

80 663


BIJLAGE II

Mededeling inzake weigering van partijen die zijn toegewezen in het kader van de permanente openbare inschrijving voor de uitvoer van zachte tarwe in het bezit van het Oostenrijkse interventiebureau

(artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 459/2005)

Naam van de indiener van de offerte aan wie is toegewezen:

Datum van de openbare inschrijving:

Datum van de weigering van de partij door de inschrijver aan wie is toegewezen:

Nummer van de partij

Hoeveelheid in ton

Adres van de silo

Reden voor de weigering

 

 

 

Soortelijk gewicht (kg/hl)

 

 

 

% gekiemde korrels

 

 

 

% uitschot (Schwarzbesatz)

 

 

 

% bestanddelen die geen onberispelijke basisgraankorrels zijn

 

 

 

Andere


BIJLAGE III

Permanente openbare inschrijving voor de uitvoer van zachte tarwe in het bezit van het Oostenrijkse interventiebureau

(Verordening (EG) nr. 459/2005)

1

2

3

4

5

6

7

Volgnummer van de inschrijvers

Nummer van de partij

Hoeveelheid (t)

Prijs van de offertes

(in EUR/t) (1)

Toeslagen

(+)

Kortingen

(–)

(in EUR/t)

(p.m.)

Handelskosten

(in EUR/t)

Bestemming

1

 

 

 

 

 

 

2

 

 

 

 

 

 

3

 

 

 

 

 

 

enz.

 

 

 

 

 

 


(1)  Deze prijs omvat de toeslagen of kortingen die gelden voor de partij waarop de inschrijving betrekking heeft.


BIJLAGE IV

Uitsluitend de volgende oproepnummers in Brussel mogen worden gebruikt (DG AGRI/D.2):

fax (32-2) 292 10 34.


22.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 75/15


VERORDENING (EG) Nr. 460/2005 VAN DE COMMISSIE

van 21 maart 2005

inzake de opening van een permanente openbare inschrijving voor de uitvoer van zachte tarwe die in het bezit is van het Hongaarse interventiebureau

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EEG) nr. 2131/93 van de Commissie (2), zijn de procedures en de voorwaarden voor de verkoop van graan door de interventiebureaus vastgesteld.

(2)

Bij de huidige marktsituatie is het dienstig een permanente inschrijving te openen voor de uitvoer van 320 000 ton zachte tarwe die in het bezit is van het Hongaarse interventiebureau.

(3)

Voor een regelmatig verloop van de transacties en de controles daarop moeten speciale bepalingen worden vastgesteld. Het is dienstig daartoe een zekerheidsregeling vast te stellen waarmee de beoogde doelstellingen worden bereikt zonder dat dit voor de betrokken handelaren overdreven hoge kosten meebrengt. Bijgevolg moet worden afgeweken van sommige voorschriften, en met name van Verordening (EEG) nr. 2131/93.

(4)

Wanneer door omstandigheden die aan het interventiebureau zijn toe te schrijven, het afhalen van zachte tarwe meer dan vijf dagen wordt vertraagd of het vrijgeven van een van de verlangde zekerheden wordt uitgesteld, zal de betrokken lidstaat een schadeloosstelling moeten betalen.

(5)

Om wederinvoer te voorkomen, mag uitvoer in het kader van deze inschrijving alleen geschieden naar bepaalde derde landen.

(6)

Artikel 7, lid 2 bis, van Verordening (EEG) nr. 2131/93 voorziet in de mogelijkheid om de exporteur aan wie is gegund, de kosten te vergoeden van het vervoer op de gunstigste voorwaarden tussen de plaats van opslag en de werkelijke plaats van grensoverschrijding. Deze bepaling voor Hongarije moet worden toegepast, gezien de geografische ligging van dit land.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onverminderd andersluidende bepalingen in deze verordening houdt het Hongaarse interventiebureau onder de bij Verordening (EEG) nr. 2131/93 vastgestelde voorwaarden een permanente openbare inschrijving voor de uitvoer van zachte tarwe die in zijn bezit is.

Artikel 2

1.   De inschrijving heeft betrekking op een hoeveelheid van ten hoogste 320 000 ton zachte tarwe voor uitvoer naar alle derde landen, met uitzondering van Albanië, Bulgarije, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Montenegro (3) de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Liechtenstein, Roemenië en Zwitserland.

2.   De gebieden waar de 320 000 ton zachte tarwe is opgeslagen, zijn vermeld in bijlage I.

Artikel 3

1.   In afwijking van het bepaalde in artikel 16, derde alinea, van Verordening (EEG) nr. 2131/93 is de bij uitvoer te betalen prijs die welke in het bod is vermeld, zonder maandelijkse verhogingen.

2.   Voor uitvoer in het kader van deze verordening worden noch uitvoerrestituties, noch uitvoerbelastingen, noch maandelijkse verhogingen toegepast.

3.   Artikel 8, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2131/93 is niet van toepassing.

4.   Op grond van artikel 7, lid 2 bis, van Verordening (EEG) nr. 2131/93 worden aan de exporteur aan wie is gegund, de kosten vergoed van het vervoer op de gunstigste voorwaarden tussen de plaats van opslag en de werkelijke plaats van grensoverschrijding.

Artikel 4

1.   De uitvoercertificaten zijn geldig vanaf de datum van afgifte in de zin van artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 2131/93 tot en met het einde van de vierde daaropvolgende maand.

2.   De offertes die in het kader van deze openbare inschrijving worden ingediend, mogen niet vergezeld gaan van aanvragen voor uitvoercertificaten in het kader van artikel 49 van Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie (4).

Artikel 5

1.   In afwijking van het bepaalde in artikel 7, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2131/93 verstrijkt de termijn voor de indiening van de offertes voor de eerste deelinschrijving op 31 maart 2005 om 9.00 uur (Brusselse tijd).

2.   De termijn voor de indiening van de offertes voor volgende deelinschrijvingen verstrijkt telkens op donderdag om 9.00 uur (Brusselse tijd), behalve op 5 mei 2005.

3.   De laatste deelinschrijving verstrijkt op 23 juni 2005 om 9.00 uur (Brusselse tijd).

4.   De offertes moeten worden ingediend bij het Hongaarse interventiebureau:

Mezogazdasági és Vidékfejlesztési Hivatal

Alkotmány u. 29.

H-1385 Budapest 62

Pf. 867

Tel. (36-1) 219 62 60

Fax (36-1) 219 62 59.

Artikel 6

1.   Naar keuze van de koper vóór of bij de uitslag uit de opslagplaats gaan het interventiebureau, de opslaghouder en de koper, indien deze laatste dit wenst, in onderlinge overeenstemming over tot het nemen van contradictoire monsters met een frequentie van ten minste één monsterneming voor elke 500 ton en tot de analyse van deze monsters. Het interventiebureau kan zich laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, die evenwel niet de opslaghouder mag zijn.

In geval van betwisting worden de resultaten van de analyses aan de Commissie meegedeeld.

De contradictoire monsters worden genomen en geanalyseerd binnen een termijn van zeven werkdagen te rekenen vanaf de datum van het verzoek van de koper of binnen een termijn van drie werkdagen indien de monsters bij de uitslag uit de opslagplaats worden genomen. Wanneer het eindresultaat van de analyses van de monsters op een kwaliteit duidt die:

a)

beter is dan de in het bericht van inschrijving vermelde kwaliteit, moet de koper de partij als zodanig aanvaarden;

b)

beter is dan de voor interventie geldende minimumkenmerken, maar minder dan de in het bericht van inschrijving beschreven kwaliteit, waarbij het verschil ten opzichte van deze laatste kwaliteit niet groter is dan:

1 kg/hl voor het soortelijk gewicht, dat evenwel niet lager mag zijn dan 75 kg/hl,

1 procentpunt voor het vochtgehalte,

0,5 procentpunt voor de in punt B.2, respectievelijk punt B.4, van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 824/2000 van de Commissie (5) bedoelde onzuiverheden, en

0,5 procentpunt voor de in punt B.5 van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 824/2000 bedoelde onzuiverheden, waarbij evenwel de voor schadelijke korrels en voor moederkoren toegestane percentages ongewijzigd blijven,

moet de koper de partij als zodanig aanvaarden;

c)

beter is dan de voor interventie geldende minimumkenmerken, maar minder dan de in het bericht van inschrijving beschreven kwaliteit, waarbij het verschil ten opzichte van deze laatste kwaliteit groter is dan het onder b) bedoelde verschil, kan de koper:

hetzij de partij als zodanig aanvaarden;

hetzij weigeren de betrokken partij over te nemen. Hij is eerst van al zijn verplichtingen voor de betrokken partij, met inbegrip van die betreffende de zekerheden, ontslagen nadat hij de Commissie en het interventiebureau onverwijld overeenkomstig bijlage II op de hoogte heeft gebracht; indien hij echter het interventiebureau verzoekt hem zonder extra kosten een andere partij zachte tarwe uit de interventievoorraden van de in het vooruitzicht gestelde kwaliteit te leveren, wordt de zekerheid niet vrijgegeven. De partij moet binnen een termijn van ten hoogste drie dagen na het verzoek van de koper worden vervangen. De koper stelt de Commissie daarvan overeenkomstig bijlage II onverwijld in kennis;

d)

minder is dan de voor interventie geldende minimumeisen, mag de koper de betrokken partij niet overnemen. Hij is eerst van al zijn verplichtingen voor de betrokken partij, met inbegrip van die betreffende de zekerheden, ontslagen nadat hij de Commissie en het interventiebureau onverwijld overeenkomstig bijlage II op de hoogte heeft gebracht; hij kan het interventiebureau echter verzoeken hem zonder extra kosten een andere partij zachte tarwe uit de interventievoorraden van de in het vooruitzicht gestelde kwaliteit te leveren. In dit geval wordt de zekerheid niet vrijgegeven. De partij moet binnen een termijn van ten hoogste drie dagen na het verzoek van de koper worden vervangen. De koper stelt de Commissie daarvan overeenkomstig bijlage II onverwijld in kennis.

2.   Indien de zachte tarwe wordt uitgeslagen alvorens de resultaten van de analyses bekend zijn, zijn echter vanaf het tijdstip van de afhaling van de partij alle risico's voor rekening van de koper, onverminderd de rechtsmiddelen waarover de koper jegens de opslaghouder mocht beschikken.

3.   Indien binnen een periode van ten hoogste één maand na de datum van het door de koper ingediende verzoek om vervanging de koper na achtereenvolgende vervangingen geen vervangende partij van de in het vooruitzicht gestelde kwaliteit heeft gekregen, is hij van al zijn verplichtingen, met inbegrip van die betreffende de zekerheden, ontslagen nadat hij de Commissie en het interventiebureau overeenkomstig bijlage II onverwijld op de hoogte heeft gebracht.

4.   De kosten van monsternemingen en analyses zoals bedoeld in lid 1, met uitzondering van die waarbij het eindresultaat duidt op een mindere kwaliteit dan de voor interventie vereiste minimumkwaliteit, komen ten laste van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) voor maximaal één analyse per 500 ton, met uitzondering van de overslagkosten. Overslagkosten en eventuele aanvullende analyses op verzoek van de koper zijn voor diens rekening.

Artikel 7

In afwijking van artikel 12 van Verordening (EEG) nr. 3002/92 van de Commissie (6) moet in de documenten betreffende de verkoop van zachte tarwe overeenkomstig deze verordening, en met name in het uitvoercertificaat, het uitslagbewijs zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, onder b), van Verordening (EEG) nr. 3002/92, de aangifte ten uitvoer en, in voorkomend geval, het exemplaar T 5, een van de volgende vermeldingen worden opgenomen:

Trigo blando de intervención sin aplicación de restitución ni gravamen, Reglamento (CE) no 460/2005

Intervenční pšenice obecná nepodléhá vývozní náhradě ani clu, nařízení (ES) č. 460/2005

Blød hvede fra intervention uden restitutionsydelse eller -afgift, forordning (EF) nr. 460/2005

Weichweizen aus Interventionsbeständen ohne Anwendung von Ausfuhrerstattungen oder Ausfuhrabgaben, Verordnung (EG) Nr. 460/2005

Pehme nisu sekkumisvarudest, mille puhul ei rakendata toetust või maksu, määrus (EÜ) nr 460/2005

Μαλακός σίτος παρέμβασης χωρίς εφαρμογή επιστροφής ή φόρου, κανονισμός (ΕΚ) αριθ. 460/2005

Intervention common wheat without application of refund or tax, Regulation (EC) No 460/2005

Blé tendre d'intervention ne donnant pas lieu à restitution ni taxe, règlement (CE) no 460/2005

Frumento tenero d'intervento senza applicazione di restituzione né di tassa, regolamento (CE) n. 460/2005

Intervences parastie kvieši bez kompensācijas vai nodokļa piemērošanas, Regula (EK) Nr. 460/2005

Intervenciniai paprastieji kviečiai, kompensacija ar mokesčiai netaikytini, Reglamentas (EB) Nr. 460/2005

Intervenciós búza, visszatérítés, illetve adó nem alkalmazandó, 460/2005/EK rendelet

Zachte tarwe uit interventie, zonder toepassing van restitutie of belasting, Verordening (EG) nr. 460/2005

Pszenica zwyczajna interwencyjne nie dające prawa do refundacji ani do opłaty, rozporządzenie (WE) nr 460/2005

Trigo mole de intervenção sem aplicação de uma restituição ou imposição, Regulamento (CE) n.o 460/2005

Intervenčná pšenica obyčajná nepodlieha vývozným náhradám ani clu, nariadenie (ES) č. 460/2005

Intervencija navadne pšenice brez zahtevkov za nadomestila ali carine, Uredba (ES) št. 460/2005

Interventiovehnä, johon ei sovelleta vientitukea eikä vientimaksua, asetus (EY) N:o 460/2005

Interventionsvete, utan tillämpning av bidrag eller avgift, förordning (EG) nr 460/2005.

Artikel 8

1.   De overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 2131/93 gestelde zekerheid moet worden vrijgegeven zodra de uitvoercertificaten zijn afgegeven aan degenen aan wie is toegewezen.

2.   In afwijking van artikel 17 van Verordening (EEG) nr. 2131/93 wordt de naleving van de verplichting tot uitvoer gegarandeerd door een zekerheid waarvan het bedrag gelijk is aan het verschil tussen de op de toewijzingsdag geldende interventieprijs en de toewijzingsprijs en nooit kleiner mag zijn dan 25 EUR per ton. De helft van dit bedrag wordt bij de afgifte van het certificaat gesteld en het saldo vóór het afhalen van het graan.

Artikel 9

Het Hongaarse interventiebureau stelt de Commissie uiterlijk twee uur na het verstrijken van de termijn voor het indienen van de offertes in kennis van de ontvangen inschrijvingen. Zij moeten worden doorgezonden overeenkomstig het schema van bijlage III en via de in bijlage IV vermelde oproepnummers.

Artikel 10

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 maart 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78.

(2)  PB L 191 van 31.7.1993, blz. 76. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2045/2004 (PB L 354 van 30.11.2004, blz. 17).

(3)  Met inbegrip van Kosovo, zoals gedefinieerd in Resolutie 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 10 juni 1999.

(4)  PB L 152 van 24.6.2000, blz. 1.

(5)  PB L 100 van 20.4.2000, blz. 31.

(6)  PB L 301 van 17.10.1992, blz. 17.


BIJLAGE I

(in ton)

Plaats van opslag

Hoeveelheid

Bács-Kiskun, Baranya, Békés, Borsod-Abaúj-Zemplén, Csongrád, Fejér, Főváros és Pest, Győr-Moson-Sopron, Hajdú-Bihar, Heves, Jász-Nagykun-Szolnok, Somogy, Szabolcs-Szatmár-Bereg, Tolna

320 000


BIJLAGE II

Mededeling inzake weigering van partijen die zijn toegewezen in het kader van de permanente openbare inschrijving voor de uitvoer van zachte tarwe in het bezit van het Hongaarse interventiebureau

(artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 460/2005)

Naam van de indiener van de offerte aan wie is toegewezen:

Datum van de openbare inschrijving:

Datum van de weigering van de partij door de inschrijver aan wie is toegewezen:

Nummer van de partij

Hoeveelheid in ton

Adres van de silo

Reden voor de weigering

 

 

 

Soortelijk gewicht (kg/hl)

 

 

 

% gekiemde korrels

 

 

 

% uitschot (Schwarzbesatz)

 

 

 

% bestanddelen die geen onberispelijke basisgraankorrels zijn

 

 

 

Andere


BIJLAGE III

Permanente openbare inschrijving voor de uitvoer van zachte tarwe in het bezit van het Hongaarse interventiebureau

(Verordening (EG) nr. 460/2005)

1

2

3

4

5

6

7

Volgnummer van de inschrijvers

Nummer van de partij

Hoeveelheid (t)

Prijs van de offertes

(in EUR/t) (1)

Toeslagen

(+)

Kortingen

(–)

(in EUR/t)

(p.m.)

Handelskosten

(in EUR/t)

Bestemming

1

 

 

 

 

 

 

2

 

 

 

 

 

 

3

 

 

 

 

 

 

enz.

 

 

 

 

 

 


(1)  Deze prijs omvat de toeslagen of kortingen die gelden voor de partij waarop de inschrijving betrekking heeft.


BIJLAGE IV

Uitsluitend de volgende oproepnummers in Brussel mogen worden gebruikt (DG AGRI/D.2):

fax (32-2) 292 10 34.


22.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 75/21


VERORDENING (EG) Nr. 461/2005 VAN DE COMMISSIE

van 21 maart 2005

inzake de opening van een permanente openbare inschrijving voor de uitvoer van zachte tarwe die in het bezit is van het Poolse interventiebureau

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EEG) nr. 2131/93 van de Commissie (2), zijn de procedures en de voorwaarden voor de verkoop van graan door de interventiebureaus vastgesteld.

(2)

Bij de huidige marktsituatie is het dienstig een permanente inschrijving te openen voor de uitvoer van 93 084 ton zachte tarwe die in het bezit is van het Poolse interventiebureau.

(3)

Voor een regelmatig verloop van de transacties en de controles daarop moeten speciale bepalingen worden vastgesteld. Het is dienstig daartoe een zekerheidsregeling vast te stellen waarmee de beoogde doelstellingen worden bereikt zonder dat dit voor de betrokken handelaren overdreven hoge kosten meebrengt. Bijgevolg moet worden afgeweken van sommige voorschriften, en met name van Verordening (EEG) nr. 2131/93.

(4)

Wanneer door omstandigheden die aan het interventiebureau zijn toe te schrijven, het afhalen van zachte tarwe meer dan vijf dagen wordt vertraagd of het vrijgeven van een van de verlangde zekerheden wordt uitgesteld, zal de betrokken lidstaat een schadeloosstelling moeten betalen.

(5)

Om wederinvoer te voorkomen, mag uitvoer in het kader van deze inschrijving alleen geschieden naar bepaalde derde landen.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onverminderd andersluidende bepalingen in deze verordening houdt het Poolse interventiebureau onder de bij Verordening (EEG) nr. 2131/93 vastgestelde voorwaarden een permanente openbare inschrijving voor de uitvoer van zachte tarwe die in zijn bezit is.

Artikel 2

1.   De inschrijving heeft betrekking op een hoeveelheid van ten hoogste 93 084 ton zachte tarwe voor uitvoer naar alle derde landen, met uitzondering van Albanië, Bulgarije, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Montenegro (3), de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Liechtenstein, Roemenië en Zwitserland.

2.   De gebieden waar de 93 084 ton zachte tarwe is opgeslagen, zijn vermeld in bijlage I.

Artikel 3

1.   In afwijking van het bepaalde in artikel 16, derde alinea, van Verordening (EEG) nr. 2131/93 is de bij uitvoer te betalen prijs die welke in het bod is vermeld, zonder maandelijkse verhogingen.

2.   Voor uitvoer in het kader van deze verordening worden noch uitvoerrestituties, noch uitvoerbelastingen, noch maandelijkse verhogingen toegepast.

3.   Artikel 8, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2131/93 is niet van toepassing.

Artikel 4

1.   De uitvoercertificaten zijn geldig vanaf de datum van afgifte in de zin van artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 2131/93 tot en met het einde van de vierde daaropvolgende maand.

2.   De offertes die in het kader van deze openbare inschrijving worden ingediend, mogen niet vergezeld gaan van aanvragen voor uitvoercertificaten in het kader van artikel 49 van Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie (4).

Artikel 5

1.   In afwijking van het bepaalde in artikel 7, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2131/93 verstrijkt de termijn voor de indiening van de offertes voor de eerste deelinschrijving op 31 maart 2005 om 9.00 uur (Brusselse tijd).

2.   De termijn voor de indiening van de offertes voor volgende deelinschrijvingen verstrijkt telkens op donderdag om 9.00 uur (Brusselse tijd), behalve op 5 mei 2005.

3.   De laatste deelinschrijving verstrijkt op 23 juni 2005 om 9.00 uur (Brusselse tijd).

4.   De offertes moeten worden ingediend bij het Poolse interventiebureau:

Agencja Rynku Rolnego

Biuro Produktów Roślinnych

Dział Zbóż

Ul. Nowy Świat 6/12

PL-00-400 Warszawa

Tel. (48-22) 661 78 10

Fax (48-22) 661 78 26.

Artikel 6

1.   Naar keuze van de koper vóór of bij de uitslag uit de opslagplaats gaan het interventiebureau, de opslaghouder en de koper, indien deze laatste dit wenst, in onderlinge overeenstemming over tot het nemen van contradictoire monsters met een frequentie van ten minste één monsterneming voor elke 500 ton en tot de analyse van deze monsters. Het interventiebureau kan zich laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, die evenwel niet de opslaghouder mag zijn.

In geval van betwisting worden de resultaten van de analyses aan de Commissie meegedeeld.

De contradictoire monsters worden genomen en geanalyseerd binnen een termijn van zeven werkdagen te rekenen vanaf de datum van het verzoek van de koper of binnen een termijn van drie werkdagen indien de monsters bij de uitslag uit de opslagplaats worden genomen. Wanneer het eindresultaat van de analyses van de monsters op een kwaliteit duidt die:

a)

beter is dan de in het bericht van inschrijving vermelde kwaliteit, moet de koper de partij als zodanig aanvaarden;

b)

beter is dan de voor interventie geldende minimumkenmerken, maar minder dan de in het bericht van inschrijving beschreven kwaliteit, waarbij het verschil ten opzichte van deze laatste kwaliteit niet groter is dan:

1 kg/hl voor het soortelijk gewicht, dat evenwel niet lager mag zijn dan 75 kg/hl,

1 procentpunt voor het vochtgehalte,

0,5 procentpunt voor de in punt B.2, respectievelijk punt B.4, van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 824/2000 van de Commissie (5) bedoelde onzuiverheden, en

0,5 procentpunt voor de in punt B.5 van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 824/2000 bedoelde onzuiverheden, waarbij evenwel de voor schadelijke korrels en voor moederkoren toegestane percentages ongewijzigd blijven,

moet de koper de partij als zodanig aanvaarden;

c)

beter is dan de voor interventie geldende minimumkenmerken, maar minder dan de in het bericht van inschrijving beschreven kwaliteit, waarbij het verschil ten opzichte van deze laatste kwaliteit groter is dan het onder b) bedoelde verschil, kan de koper:

hetzij de partij als zodanig aanvaarden;

hetzij weigeren de betrokken partij over te nemen. Hij is eerst van al zijn verplichtingen voor de betrokken partij, met inbegrip van die betreffende de zekerheden, ontslagen nadat hij de Commissie en het interventiebureau onverwijld overeenkomstig bijlage II op de hoogte heeft gebracht; indien hij echter het interventiebureau verzoekt hem zonder extra kosten een andere partij zachte tarwe uit de interventievoorraden van de in het vooruitzicht gestelde kwaliteit te leveren, wordt de zekerheid niet vrijgegeven. De partij moet binnen een termijn van ten hoogste drie dagen na het verzoek van de koper worden vervangen. De koper stelt de Commissie daarvan overeenkomstig bijlage II onverwijld in kennis;

d)

minder is dan de voor interventie geldende minimumeisen, mag de koper de betrokken partij niet overnemen. Hij is eerst van al zijn verplichtingen voor de betrokken partij, met inbegrip van die betreffende de zekerheden, ontslagen nadat hij de Commissie en het interventiebureau onverwijld overeenkomstig bijlage II op de hoogte heeft gebracht; hij kan het interventiebureau echter verzoeken hem zonder extra kosten een andere partij zachte tarwe uit de interventievoorraden van de in het vooruitzicht gestelde kwaliteit te leveren. In dit geval wordt de zekerheid niet vrijgegeven. De partij moet binnen een termijn van ten hoogste drie dagen na het verzoek van de koper worden vervangen. De koper stelt de Commissie daarvan overeenkomstig bijlage II onverwijld in kennis.

2.   Indien de zachte tarwe wordt uitgeslagen alvorens de resultaten van de analyses bekend zijn, zijn echter vanaf het tijdstip van de afhaling van de partij alle risico's voor rekening van de koper, onverminderd de rechtsmiddelen waarover de koper jegens de opslaghouder mocht beschikken.

3.   Indien binnen een periode van ten hoogste één maand na de datum van het door de koper ingediende verzoek om vervanging de koper na achtereenvolgende vervangingen geen vervangende partij van de in het vooruitzicht gestelde kwaliteit heeft gekregen, is hij van al zijn verplichtingen, met inbegrip van die betreffende de zekerheden, ontslagen nadat hij de Commissie en het interventiebureau overeenkomstig bijlage II onverwijld op de hoogte heeft gebracht.

4.   De kosten van monsternemingen en analyses zoals bedoeld in lid 1, met uitzondering van die waarbij het eindresultaat duidt op een mindere kwaliteit dan de voor interventie vereiste minimumkwaliteit, komen ten laste van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) voor maximaal één analyse per 500 ton, met uitzondering van de overslagkosten. Overslagkosten en eventuele aanvullende analyses op verzoek van de koper zijn voor diens rekening.

Artikel 7

In afwijking van artikel 12 van Verordening (EEG) nr. 3002/92 van de Commissie (6) moet in de documenten betreffende de verkoop van zachte tarwe overeenkomstig deze verordening, en met name in het uitvoercertificaat, het uitslagbewijs zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, onder b), van Verordening (EEG) nr. 3002/92, de aangifte ten uitvoer en, in voorkomend geval, het exemplaar T 5, een van de volgende vermeldingen worden opgenomen:

Trigo blando de intervención sin aplicación de restitución ni gravamen, Reglamento (CE) no 461/2005

Intervenční pšenice obecná nepodléhá vývozní náhradě ani clu, nařízení (ES) č. 461/2005

Blød hvede fra intervention uden restitutionsydelse eller -afgift, forordning (EF) nr. 461/2005

Weichweizen aus Interventionsbeständen ohne Anwendung von Ausfuhrerstattungen oder Ausfuhrabgaben, Verordnung (EG) Nr. 461/2005

Pehme nisu sekkumisvarudest, mille puhul ei rakendata toetust või maksu, määrus (EÜ) nr 461/2005

Μαλακός σίτος παρέμβασης χωρίς εφαρμογή επιστροφής ή φόρου, κανονισμός (ΕΚ) αριθ. 461/2005

Intervention common wheat without application of refund or tax, Regulation (EC) No 461/2005

Blé tendre d'intervention ne donnant pas lieu à restitution ni taxe, règlement (CE) no 461/2005

Frumento tenero d'intervento senza applicazione di restituzione né di tassa, regolamento (CE) n. 461/2005

Intervences parastie kvieši bez kompensācijas vai nodokļa piemērošanas, Regula (EK) Nr. 461/2005

Intervenciniai paprastieji kviečiai, kompensacija ar mokesčiai netaikytini, Reglamentas (EB) Nr. 461/2005

Intervenciós búza, visszatérítés, illetve adó nem alkalmazandó, 461/2005/EK rendelet

Zachte tarwe uit interventie, zonder toepassing van restitutie of belasting, Verordening (EG) nr. 461/2005

Pszenica zwyczajna interwencyjna niedająca prawa do refundacji ani do opłaty, rozporządzenie (WE) nr 461/2005

Trigo mole de intervenção sem aplicação de uma restituição ou imposição, Regulamento (CE) n.o 461/2005

Intervenčná pšenica obyčajná nepodlieha vývozným náhradám ani clu, nariadenie (ES) č. 461/2005

Intervencija navadne pšenice brez zahtevkov za nadomestila ali carine, Uredba (ES) št. 461/2005

Interventiovehnä, johon ei sovelleta vientitukea eikä vientimaksua, asetus (EY) N:o 461/2005

Interventionsvete, utan tillämpning av bidrag eller avgift, förordning (EG) nr 461/2005.

Artikel 8

1.   De overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 2131/93 gestelde zekerheid moet worden vrijgegeven zodra de uitvoercertificaten zijn afgegeven aan degenen aan wie is toegewezen.

2.   In afwijking van artikel 17 van Verordening (EEG) nr. 2131/93 wordt de naleving van de verplichting tot uitvoer gegarandeerd door een zekerheid waarvan het bedrag gelijk is aan het verschil tussen de op de toewijzingsdag geldende interventieprijs en de toewijzingsprijs en nooit kleiner mag zijn dan 25 EUR per ton. De helft van dit bedrag wordt bij de afgifte van het certificaat gesteld en het saldo vóór het afhalen van het graan.

Artikel 9

Het Poolse interventiebureau stelt de Commissie uiterlijk twee uur na het verstrijken van de termijn voor het indienen van de offertes in kennis van de ontvangen inschrijvingen. Zij moeten worden doorgezonden overeenkomstig het schema van bijlage III en via de in bijlage IV vermelde oproepnummers.

Artikel 10

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 maart 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78.

(2)  PB L 191 van 31.7.1993, blz. 76. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2045/2004 (PB L 354 van 30.11.2004, blz. 17).

(3)  Met inbegrip van Kosovo, zoals gedefinieerd in Resolutie 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 10 juni 1999.

(4)  PB L 152 van 24.6.2000, blz. 1.

(5)  PB L 100 van 20.4.2000, blz. 31.

(6)  PB L 301 van 17.10.1992, blz. 17.


BIJLAGE I

(in ton)

Plaats van opslag

Hoeveelheid

Opolski, Kujawsko-Pomorski, Lubelski, Podkarpacki, Mazowiecki, Warmińsko-Mazurski, Zachodniopomorski, Pomorski, Lubuski, Podlaski, Wielkopolski

93 084


BIJLAGE II

Mededeling inzake weigering van partijen die zijn toegewezen in het kader van de permanente openbare inschrijving voor de uitvoer van zachte tarwe in het bezit van het Poolse interventiebureau

(artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 461/2005)

Naam van de indiener van de offerte aan wie is toegewezen:

Datum van de openbare inschrijving:

Datum van de weigering van de partij door de inschrijver aan wie is toegewezen:

Nummer van de partij

Hoeveelheid in ton

Adres van de silo

Reden voor de weigering

 

 

 

Soortelijk gewicht (kg/hl)

 

 

 

% gekiemde korrels

 

 

 

% uitschot (Schwarzbesatz)

 

 

 

% bestanddelen die geen onberispelijke basisgraankorrels zijn

 

 

 

Andere


BIJLAGE III

Permanente openbare inschrijving voor de uitvoer van zachte tarwe in het bezit van het Poolse interventiebureau

(Verordening (EG) nr. 461/2005)

1

2

3

4

5

6

7

Volgnummer van de inschrijvers

Nummer van de partij

Hoeveelheid (t)

Prijs van de offertes

(in EUR/t) (1)

Toeslagen

(+)

Kortingen

(–)

(in EUR/t)

(p.m.)

Handelskosten

(in EUR/t)

Bestemming

1

 

 

 

 

 

 

2

 

 

 

 

 

 

3

 

 

 

 

 

 

enz.

 

 

 

 

 

 


(1)  Deze prijs omvat de toeslagen of kortingen die gelden voor de partij waarop de inschrijving betrekking heeft.


BIJLAGE IV

Uitsluitend de volgende oproepnummers in Brussel mogen worden gebruikt (DG AGRI/D.2):

fax (32-2) 292 10 34.


22.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 75/27


VERORDENING (EG) Nr. 462/2005 VAN DE COMMISSIE

van 21 maart 2005

inzake de opening van een permanente openbare inschrijving voor de uitvoer van gerst die in het bezit is van het Duitse interventiebureau

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EEG) nr. 2131/93 van de Commissie (2), zijn de procedures en de voorwaarden voor de verkoop van graan door de interventiebureaus vastgesteld.

(2)

Bij de huidige marktsituatie is het dienstig een permanente inschrijving te openen voor de uitvoer van 500 693 ton gerst die in het bezit is van het Duitse interventiebureau.

(3)

Voor een regelmatig verloop van de transacties en de controles daarop moeten speciale bepalingen worden vastgesteld. Het is dienstig daartoe een zekerheidsregeling vast te stellen waarmee de beoogde doelstellingen worden bereikt zonder dat dit voor de betrokken handelaren overdreven hoge kosten meebrengt. Bijgevolg moet worden afgeweken van sommige voorschriften, en met name van Verordening (EEG) nr. 2131/93.

(4)

Wanneer door omstandigheden die aan het interventiebureau zijn toe te schrijven, het afhalen van gerst meer dan vijf dagen wordt vertraagd of het vrijgeven van een van de verlangde zekerheden wordt uitgesteld, zal de betrokken lidstaat een schadeloosstelling moeten betalen.

(5)

Om wederinvoer te voorkomen, mag uitvoer in het kader van deze inschrijving alleen geschieden naar bepaalde derde landen.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onverminderd andersluidende bepalingen in deze verordening houdt het Duitse interventiebureau onder de bij Verordening (EEG) nr. 2131/93 vastgestelde voorwaarden een permanente openbare inschrijving voor de uitvoer van gerst die in zijn bezit is.

Artikel 2

1.   De inschrijving heeft betrekking op een hoeveelheid van ten hoogste 500 693 ton gerst voor uitvoer naar alle derde landen, met uitzondering van Albanië, Bulgarije, Canada, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Mexico, Servië en Montenegro (3), de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Liechtenstein, Roemenië, de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland.

2.   De gebieden waar de 500 693 ton gerst is opgeslagen, zijn vermeld in bijlage I.

Artikel 3

1.   In afwijking van het bepaalde in artikel 16, derde alinea, van Verordening (EEG) nr. 2131/93 is de bij uitvoer te betalen prijs die welke in het bod is vermeld, zonder maandelijkse verhogingen.

2.   Voor uitvoer in het kader van deze verordening worden noch uitvoerrestituties, noch uitvoerbelastingen, noch maandelijkse verhogingen toegepast.

3.   Artikel 8, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2131/93 is niet van toepassing.

Artikel 4

1.   De uitvoercertificaten zijn geldig vanaf de datum van afgifte in de zin van artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 2131/93 tot en met het einde van de vierde daaropvolgende maand.

2.   De offertes die in het kader van deze openbare inschrijving worden ingediend, mogen niet vergezeld gaan van aanvragen voor uitvoercertificaten in het kader van artikel 49 van Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie (4).

Artikel 5

1.   In afwijking van het bepaalde in artikel 7, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2131/93 verstrijkt de termijn voor de indiening van de offertes voor de eerste deelinschrijving op 31 maart 2005 om 9.00 uur (Brusselse tijd).

2.   De termijn voor de indiening van de offertes voor volgende deelinschrijvingen verstrijkt telkens op donderdag om 9.00 uur (Brusselse tijd), behalve op 5 mei 2005 en 26 mei 2005.

3.   De laatste deelinschrijving verstrijkt op 23 juni 2005 om 9.00 uur (Brusselse tijd).

4.   De offertes moeten worden ingediend bij het Duitse interventiebureau:

Bundesanstalt für Landwirtschaft und Ernährung (BLE)

Adickesallee 40

D-60322 Frankfurt am Main

Fax (49-69) 15 64-6 24

Artikel 6

1.   Naar keuze van de koper vóór of bij de uitslag uit de opslagplaats gaan het interventiebureau, de opslaghouder en de koper, indien deze laatste dit wenst, in onderlinge overeenstemming over tot het nemen van contradictoire monsters met een frequentie van ten minste één monsterneming voor elke 500 ton en tot de analyse van deze monsters. Het interventiebureau kan zich laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, die evenwel niet de opslaghouder mag zijn.

In geval van betwisting worden de resultaten van de analyses aan de Commissie meegedeeld.

De contradictoire monsters worden genomen en geanalyseerd binnen een termijn van zeven werkdagen te rekenen vanaf de datum van het verzoek van de koper of binnen een termijn van drie werkdagen indien de monsters bij de uitslag uit de opslagplaats worden genomen. Wanneer het eindresultaat van de analyses van de monsters op een kwaliteit duidt die:

a)

beter is dan de in het bericht van inschrijving vermelde kwaliteit, moet de koper de partij als zodanig aanvaarden;

b)

beter is dan de voor interventie geldende minimumkenmerken, maar minder dan de in het bericht van inschrijving beschreven kwaliteit, waarbij het verschil ten opzichte van deze laatste kwaliteit niet groter is dan:

1 kg/hl voor het soortelijk gewicht, dat evenwel niet lager mag zijn dan 64 kg/hl,

1 procentpunt voor het vochtgehalte,

0,5 procentpunt voor de in punt B.2, respectievelijk punt B.4, van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 824/2000 van de Commissie (5) bedoelde onzuiverheden, en

0,5 procentpunt voor de in punt B.5 van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 824/2000 bedoelde onzuiverheden, waarbij evenwel de voor schadelijke korrels en voor moederkoren toegestane percentages ongewijzigd blijven,

moet de koper de partij als zodanig aanvaarden;

c)

beter is dan de voor interventie geldende minimumkenmerken, maar minder dan de in het bericht van inschrijving beschreven kwaliteit, waarbij het verschil ten opzichte van deze laatste kwaliteit groter is dan het onder b) bedoelde verschil, kan de koper:

hetzij de partij als zodanig aanvaarden;

hetzij weigeren de betrokken partij over te nemen. Hij is eerst van al zijn verplichtingen voor de betrokken partij, met inbegrip van die betreffende de zekerheden, ontslagen nadat hij de Commissie en het interventiebureau onverwijld overeenkomstig bijlage II op de hoogte heeft gebracht; indien hij echter het interventiebureau verzoekt hem zonder extra kosten een andere partij gerst uit de interventievoorraden van de in het vooruitzicht gestelde kwaliteit te leveren, wordt de zekerheid niet vrijgegeven. De partij moet binnen een termijn van ten hoogste drie dagen na het verzoek van de koper worden vervangen. De koper stelt de Commissie daarvan overeenkomstig bijlage II onverwijld in kennis;

d)

minder is dan de voor interventie geldende minimumeisen, mag de koper de betrokken partij niet overnemen. Hij is eerst van al zijn verplichtingen voor de betrokken partij, met inbegrip van die betreffende de zekerheden, ontslagen nadat hij de Commissie en het interventiebureau onverwijld overeenkomstig bijlage II op de hoogte heeft gebracht; hij kan het interventiebureau echter verzoeken hem zonder extra kosten een andere partij gerst uit de interventievoorraden van de in het vooruitzicht gestelde kwaliteit te leveren. In dit geval wordt de zekerheid niet vrijgegeven. De partij moet binnen een termijn van ten hoogste drie dagen na het verzoek van de koper worden vervangen. De koper stelt de Commissie daarvan overeenkomstig bijlage II onverwijld in kennis.

2.   Indien de gerst wordt uitgeslagen alvorens de resultaten van de analyses bekend zijn, zijn echter vanaf het tijdstip van de afhaling van de partij alle risico's voor rekening van de koper, onverminderd de rechtsmiddelen waarover de koper jegens de opslaghouder mocht beschikken.

3.   Indien binnen een periode van ten hoogste één maand na de datum van het door de koper ingediende verzoek om vervanging de koper na achtereenvolgende vervangingen geen vervangende partij van de in het vooruitzicht gestelde kwaliteit heeft gekregen, is hij van al zijn verplichtingen, met inbegrip van die betreffende de zekerheden, ontslagen nadat hij de Commissie en het interventiebureau overeenkomstig bijlage II onverwijld op de hoogte heeft gebracht.

4.   De kosten van monsternemingen en analyses zoals bedoeld in lid 1, met uitzondering van die waarbij het eindresultaat duidt op een mindere kwaliteit dan de voor interventie vereiste minimumkwaliteit, komen ten laste van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) voor maximaal één analyse per 500 ton, met uitzondering van de overslagkosten. Overslagkosten en eventuele aanvullende analyses op verzoek van de koper zijn voor diens rekening.

Artikel 7

In afwijking van artikel 12 van Verordening (EEG) nr. 3002/92 van de Commissie (6) moet in de documenten betreffende de verkoop van gerst overeenkomstig deze verordening, en met name in het uitvoercertificaat, het uitslagbewijs zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, onder 5b), van Verordening (EEG) nr. 3002/92, de aangifte ten uitvoer en, in voorkomend geval, het exemplaar T5, een van de volgende vermeldingen worden opgenomen:

Cebada de intervención sin aplicación de restitución ni gravamen, Reglamento (CE) no 462/2005

Intervenční ječmen nepodléhá vývozní náhradě ani clu, nařízení (ES) č. 462/2005

Byg fra intervention uden restitutionsydelse eller -afgift, forordning (EF) nr. 462/2005

Interventionsgerste ohne Anwendung von Ausfuhrerstattungen oder Ausfuhrabgaben, Verordnung (EG) Nr. 462/2005

Sekkumisoder, mille puhul ei rakendata toetust või maksu, määrus (EÜ) nr 462/2005

Κριθή παρέμβασης χωρίς εφαρμογή επιστροφής ή φόρου, κανονισμός (ΕΚ) αριθ. 462/2005

Intervention barley without application of refund or tax, Regulation (EC) No 462/2005

Orge d'intervention ne donnant pas lieu à restitution ni taxe, règlement (CE) no 462/2005

Orzo d'intervento senza applicazione di restituzione né di tassa, regolamento (CE) n. 462/2005

Intervences rudzi bez kompensācijas vai nodokļa piemērošanas, Regula (EK) Nr. 462/2005

Intervenciniai rugiai, kompensacija ar mokesčiai netaikytini, Reglamentas (EB) Nr. 462/2005

Intervenciós árpa, visszatérítés, illetve adó nem alkalmazandó, 462/2005/EK rendelet

Gerst uit interventie, zonder toepassing van restitutie of belasting, Verordening (EG) nr. 462/2005

Jęczmień interwencyjny niedający prawa do refundacji ani do opłaty, rozporządzenie (WE) nr 462/2005

Cevada de intervenção sem aplicação de uma restituição ou imposição, Regulamento (CE) n.o 462/2005

Intervenčný jačmeň nepodlieha vývozným náhradám ani clu, nariadenie (ES) č. 462/2005

Intervencija rži brez zahtevkov za nadomestila ali carine, Uredba (ES) št. 462/2005

Interventio-ohra, johon ei sovelleta vientitukea eikä vientimaksua, asetus (EY) N:o 462/2005

Interventionskorn, utan tillämpning av bidrag eller avgift, förordning (EG) nr 462/2005.

Artikel 8

1.   De overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 2131/93 gestelde zekerheid moet worden vrijgegeven zodra de uitvoercertificaten zijn afgegeven aan degenen aan wie is toegewezen.

2.   In afwijking van artikel 17 van Verordening (EEG) nr. 2131/93 wordt de naleving van de verplichting tot uitvoer gegarandeerd door een zekerheid waarvan het bedrag gelijk is aan het verschil tussen de op de toewijzingsdag geldende interventieprijs en de toewijzingsprijs en nooit kleiner mag zijn dan 25 EUR per ton. De helft van dit bedrag wordt bij de afgifte van het certificaat gesteld en het saldo vóór het afhalen van het graan.

Artikel 9

Het Duitse interventiebureau stelt de Commissie uiterlijk twee uur na het verstrijken van de termijn voor het indienen van de offertes in kennis van de ontvangen inschrijvingen. Zij moeten worden doorgezonden overeenkomstig het schema van bijlage III en via de in bijlage IV vermelde oproepnummers.

Artikel 10

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 maart 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78.

(2)  PB L 191 van 31.7.1993, blz. 76. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2045/2004 (PB L 354 van 30.11.2004, blz. 17).

(3)  Met inbegrip van Kosovo, zoals gedefinieerd in Resolutie 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 10 juni 1999.

(4)  PB L 152 van 24.6.2000, blz. 1.

(5)  PB L 100 van 20.4.2000, blz. 31.

(6)  PB L 301 van 17.10.1992, blz. 17.


BIJLAGE I

(in ton)

Plaats van opslag

Hoeveelheid

Schleswig-Holstein, Hamburg, Niedersachsen, Bremen, Mecklenburg-Vorpommern, Berlin, Brandenburg, Sachsen-Anhalt, Sachsen, Thüringen, Nordrhein-Westfalen, Hessen, Rheinland-Pfalz, Saarland, Baden-Württemberg, Bayern

500 693


BIJLAGE II

Mededeling inzake weigering van partijen die zijn toegewezen in het kader van de permanente openbare inschrijving voor de uitvoer van gerst in het bezit van het Duitse interventiebureau

(artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 462/2005)

Naam van de indiener van de offerte aan wie is toegewezen:

Datum van de openbare inschrijving:

Datum van de weigering van de partij door de inschrijver aan wie is toegewezen:

Nummer van de partij

Hoeveelheid in ton

Adres van de silo

Reden voor de weigering

 

 

 

Soortelijk gewicht (kg/hl)

 

 

 

% gekiemde korrels

 

 

 

% uitschot (Schwarzbesatz)

 

 

 

% bestanddelen die geen onberispelijke basisgraankorrels zijn

 

 

 

Andere


BIJLAGE III

Permanente openbare inschrijving voor de uitvoer van gerst in het bezit van het Duitse interventiebureau

(Verordening (EG) nr. 462/2005)

1

2

3

4

5

6

7

Volgnummer van de inschrijvers

Nummer van de partij

Hoeveelheid

(t)

Prijs van de offertes

(in EUR/t) (1)

Toeslagen

(+)

Kortingen

(–)

(in EUR/t)

(p.m.)

Handelskosten

(in EUR/t)

Bestemming

1

 

 

 

 

 

 

2

 

 

 

 

 

 

3

 

 

 

 

 

 

enz.

 

 

 

 

 

 


(1)  Deze prijs omvat de toeslagen of kortingen die gelden voor de partij waarop de inschrijving betrekking heeft.


BIJLAGE IV

Uitsluitend de volgende oproepnummers in Brussel mogen worden gebruikt (DG AGRI/D.2):

fax: (32-2) 292 10 34.


22.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 75/33


RICHTLIJN 2005/26/EG VAN DE COMMISSIE

van 21 maart 2005

tot vaststelling van een lijst van voedselingrediënten of stoffen die tijdelijk worden geschrapt uit bijlage III bis bij Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (1), en met name op artikel 6, lid 11, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bijlage III bis bij Richtlijn 2000/13/EG bevat een lijst van voedselingrediënten die op het etiket moeten worden vermeld, aangezien zij bij gevoelige personen ongewenste effecten kunnen veroorzaken.

(2)

Overeenkomstig Richtlijn 2000/13/EG kan de Commissie bepaalde ingrediënten of producten van deze ingrediënten tijdelijk uit bijlage III bis bij genoemde richtlijn schrappen, terwijl de voedselproducenten of hun verenigingen wetenschappelijk onderzoek verrichten om vast te stellen of deze ingrediënten of producten voldoen aan de voorwaarden om definitief uit genoemde bijlage te worden geschrapt.

(3)

De Commissie ontving 27 aanvragen inzake 34 ingrediënten of producten ervan, waarvan er 32 binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen en waarvoor tevens bij de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) een aanvraag om wetenschappelijk advies is ingediend.

(4)

Gebaseerd op door de aanvragers verstrekte informatie en andere beschikbare gegevens heeft de EFSA vastgesteld dat bepaalde producten of ingrediënten niet waarschijnlijk of niet zeer waarschijnlijk tot ongewenste effecten bij gevoelige personen zullen leiden. In andere gevallen kon de EFSA niet tot een vaste conclusie komen, hoewel geen melding is gemaakt van gerapporteerde gevallen.

(5)

Producten of ingrediënten die aan deze voorwaarden voldoen, moeten daarom tijdelijk uit bijlage III bis bij Richtlijn 2000/13/EG worden geschrapt,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

De ingrediënten of stoffen in de bijlage bij deze richtlijn worden tot en met 25 november 2007 geschrapt uit bijlage III bis bij Richtlijn 2000/13/EG.

Artikel 2

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 21 september de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 25 november 2005.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 21 maart 2005.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 109 van 6.5.2000, blz. 29. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/89/EG (PB L 308 van 25.11.2003, blz. 15).


BIJLAGE

Lijst van voedselingrediënten of stoffen die tijdelijk worden geschrapt uit bijlage III bis bij Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad

Ingrediënten

Producten daarvan afgeleid die tijdelijk worden geschrapt

Glutenbevattende granen

glucosestroop op basis van tarwe, m.i.v. dextrose (1)

maltodextrinen op basis van tarwe (1)

glucosestroop op basis van gerst

granen gebruikt voor sterk alcoholische dranken

Eieren

lysozym (geproduceerd uit eieren) gebruikt in wijn

albumine (geproduceerd uit eieren) gebruikt als klaringsmiddel in wijn en cider

Vis

visgelatine gebruikt als drager voor vitaminen en smaakstoffen

visgelatine of vislijm gebruikt als klaringsmiddel in bier, cider en wijn

Soja

volledig geraffineerd(e) sojaolie en -vet (1)

natuurlijke gemengde tocoferolen (E306), natuurlijk D-alfa-tocoferol, natuurlijk D-alfa-tocoferolacetaat, natuurlijk D-alfa-tocoferolsuccinaat van soja

fytosterolen en fytosterolesters van plantaardige oliën van soja

fytostanolesters geproduceerd uit fytosterolen van plantaardige oliën van soja

Melk

wei gebruikt in distillaten voor sterk alcoholische dranken

lactitol

melk- (caseïne) producten gebruikt als klaringsmiddel in cider en wijnen

Noten

noten gebruikt in distillaten voor sterk alcoholische dranken

noten (amandelen, walnoten) gebruikt (als smaakstof) in sterk alcoholische dranken

Selderij

olie van selderijblad en -zaad

oleohars van selderijzaad

Mosterd

mosterdolie

mosterdzaadolie

mosterdzaadoleohars


(1)  en producten daarvan, voorzover het proces dat zij hebben ondergaan naar verwachting niet zal leiden tot een grotere allergeniciteit dan de EFSA in het desbetreffende uitgangsproduct heeft vastgesteld.


II Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

Raad

22.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 75/35


BESLUIT VAN DE RAAD

van 3 maart 2005

betreffende de sluiting van een overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Socialistische Republiek Vietnam inzake markttoegang

(2005/244/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 133, juncto artikel 300, lid 2, eerste alinea,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Commissie heeft namens de Gemeenschap onderhandeld over een bilaterale overeenkomst betreffende een vroegtijdige tenuitvoerlegging van de verbintenissen inzake markttoegang in het kader van de toetreding van Vietnam tot de WTO.

(2)

De overeenkomst is op 3 december 2004 geparafeerd.

(3)

De overeenkomst, die een tijdelijk en sui generis-karakter draagt, dient zo spoedig mogelijk in werking te treden, wil zij haar doel bereiken. De sluiting van de overeenkomst is op generlei wijze van invloed op de verdeling van de bevoegdheden tussen de Gemeenschap en haar lidstaten die is neergelegd in het Gemeenschapsrecht zoals dat door het Hof van Justitie is uitgelegd.

(4)

De overeenkomst dient namens de Gemeenschap te worden goedgekeurd,

BESLUIT:

Artikel 1

De overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Socialistische Republiek Vietnam inzake markttoegang wordt namens de Gemeenschap goedgekeurd.

De tekst van de overeenkomst is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad is gemachtigd de persoon aan te wijzen die bevoegd is de overeenkomst te ondertekenen teneinde daardoor de Gemeenschap te binden.

Artikel 3

De Commissie keurt overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 17 van Verordening (EEG) nr. 3030/93 van de Raad van 12 oktober 1993 betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bepaalde textielproducten uit derde landen (1) de in artikel 5, eerste alinea, van de overeenkomst vastgestelde maatregel goed, die inhoudt dat de textiel- en kledingcontingenten opnieuw kunnen worden ingesteld indien Vietnam zijn verplichtingen op grond van de artikelen 2, 3 en 4 van de overeenkomst en punt 9 van de op 15 februari 2003 geparafeerde overeenkomst in de vorm van een briefwisseling niet nakomt.

De bepalingen van dit besluit tot goedkeuring van de overeenkomst hebben voorrang op Verordening (EEG) nr. 3030/93 voorzover zij hetzelfde onderwerp betreffen.

Gedaan te Brussel, 3 maart 2005.

Voor de Raad

De voorzitter

F. BILTGEN


(1)  PB L 275 van 8.11.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2200/2004 (PB L 374 van 22.12.2004, blz. 1).


OVEREENKOMST

tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Socialistische Republiek Vietnam inzake markttoegang

DE EUROPESE GEMEENSCHAP

en

DE REGERING VAN DE SOCIALISTISCHE REPUBLIEK VIETNAM,

hierna gezamenlijk „de partijen” en afzonderlijk „de partij” genoemd,

Het belang erkennende van het coördineren en versterken van de vriendschap, samenwerking en reciprociteit tussen de Socialistische Republiek Vietnam en de Europese Gemeenschap,

Wensende de handels- en investeringsbetrekkingen tussen de Socialistische Republiek Vietnam en de Europese Gemeenschap te ontwikkelen en te verruimen,

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1

Vanaf 1 januari 2005 schorst de Europese Gemeenschap de textiel- en kledingcontingenten voor de Socialistische Republiek Vietnam, met het oog op de afschaffing daarvan.

Artikel 2

Vanaf 1 januari 2005:

past de Socialistische Republiek Vietnam de tarieven voor kleding, weefsels, geconfectioneerde artikelen en vezels toe waartoe zij zich in de op 15 februari 2003 in Hanoi geparafeerde Overeenkomst betreffende de handel in textiel- en kledingproducten en andere maatregelen om de markt open te stellen, heeft verplicht (1);

past de Socialistische Republiek Vietnam een douanerecht van 5 % voor garens toe;

past de Socialistische Republiek Vietnam een douanerecht van 65 % voor wijn en gedistilleerde dranken toe;

verleent de Socialistische Republiek Vietnam aan investeerders en dienstverrichters uit de Europese Gemeenschap een behandeling die niet minder gunstig is dan die welke aan investeerders en dienstverrichters uit de Verenigde Staten wordt toegekend als vastgesteld in de hoofdstukken investeringen en handel in diensten van de bilaterale handelsovereenkomst tussen de Socialistische Republiek Vietnam en de Verenigde Staten van Amerika en in de desbetreffende bijlagen;

staat de Socialistische Republiek Vietnam ondernemers uit de Europese Gemeenschap toe in de cement- en klinkerproductie te investeren, met inachtneming van de in Vietnam in deze sector geldende voorschriften. Deze voorschriften hebben een niet-discriminerend karakter;

biedt de Socialistische Republiek Vietnam investeerders uit de Europese Gemeenschap in de telecommunicatiesector, die thans in het kader van samenwerkingscontracten met Vietnamese ondernemingen opereren, de mogelijkheid om hun huidige regelingen te verlengen of in een andere vestigingsvorm om te zetten, onder voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan die welke zij thans genieten, overeenkomstig de WTO-overeenkomst die op 9 oktober 2004 door Vietnam en de Europese Gemeenschap is geparafeerd;

schaft de Socialistische Republiek Vietnam de beperkingen af op de afnemers aan wie de thans in Vietnam opererende dienstverrichters uit de Europese Gemeenschap diensten op het gebied van informatica, bouw, engineering, geïntegreerde engineering, architectuur en stedenbouw verlenen;

overweegt de Socialistische Republiek Vietnam geval per geval en onder de voorwaarden van de WTO-overeenkomst die Vietnam en de Europese Gemeenschap op 9 oktober 2004 hebben geparafeerd, aan ondernemers uit de Europese Gemeenschap vergunningen af te geven om in Vietnam vestigingen op te richten die voor 100 % eigendom van ondernemingen uit de Europese Gemeenschap zijn en die diensten verrichten op het gebied van informatica, bouw, engineering, geïntegreerde engineering, architectuur en stedenbouw, zonder dat beperkingen aan de afnemers van deze diensten worden opgelegd;

geeft de Socialistische Republiek Vietnam aan vier farmaceutische bedrijven uit de Europese Gemeenschap vergunningen voor loonproductie af zonder overdracht van de vergunningen en met behoud van de toestemming om de ingevoerde producten af te zetten;

staat de Socialistische Republiek Vietnam bedrijven uit de Europese Gemeenschap toe joint ventures met Vietnamese partners op te richten, zonder beperking op het kapitaalaandeel van ondernemingen uit de Europese Gemeenschap, met het oog op investeringen in de bouw van kantoren en appartementen voor verkoop en verhuring, met inachtneming van de Vietnamese wetten en voorschriften betreffende verkoop en verhuring van vastgoed.

Artikel 3

Uiterlijk op 31 maart 2005:

verleent de Socialistische Republiek Vietnam aan één distributiebedrijf uit de Europese Gemeenschap een vergunning voor de vestiging in Vietnam van een onderneming die voor 100 % eigendom is van ondernemingen uit de Europese Gemeenschap, met inachtneming van de voorwaarden van de WTO-overeenkomst die op 9 oktober 2004 door Vietnam en de Europese Gemeenschap is geparafeerd;

verleent de Socialistische Republiek Vietnam aan één verzekeraar uit de Europese Gemeenschap een vergunning om in Vietnam in de sector levensverzekeringen te opereren;

verleent de Socialistische Republiek Vietnam toestemming voor de oprichting van joint ventures waarin scheepvaartlijnen uit de Europese Gemeenschap een kapitaalaandeel van 51 % hebben, en verleent zij aan één scheepvaartlijn uit de Europese Gemeenschap toestemming voor het oprichten in Vietnam van een onderneming die voor 100 % eigendom is van ondernemingen uit de Europese Gemeenschap en die activiteiten van die scheepvaartlijn zal uitvoeren, onder de voorwaarden vastgesteld in de WTO-overeenkomst die op 9 oktober 2004 door Vietnam en de Europese Gemeenschap is geparafeerd;

verleent de Socialistische Republiek Vietnam aan één dienstverrichter uit de Europese Gemeenschap een vergunning om in Vietnam computerreserveringsdiensten aan te bieden, onder de voorwaarden vastgesteld in de WTO-overeenkomst die op 9 oktober 2004 door Vietnam en de Europese Gemeenschap is geparafeerd;

kent de Socialistische Republiek Vietnam tariefcontingenten toe voor de invoer van 3 500 volledig gemonteerde eenheden (CBU) van motorfietsen of scooters van oorsprong uit de Europese Gemeenschap tegen 70 % van het huidige tarief. Ten minste 50 % van deze contingenten wordt toegekend aan Vietnamese vertegenwoordigers en distributiebedrijven die door fabrikanten uit de Europese Gemeenschap zijn gemachtigd.

Artikel 4

De Socialistische Republiek Vietnam:

kent aan investeerders uit de Europese Gemeenschap een behandeling toe die niet minder gunstig is dan die welke vanaf de inwerkingtreding van de bilaterale investeringsovereenkomst tussen de Socialistische Republiek Vietnam en Japan aan Japanse investeerders wordt toegekend;

verleent in 2005 en 2006 drie vergunningen aan leveranciers van milieudiensten uit de Europese Gemeenschap om in Vietnam als ondernemingen die voor 100 % eigendom van Europese ondernemingen zijn, diensten in de milieusector te verrichten, met uitzondering van milieueffectenbeoordeling, met inachtneming van het werkterrein en de voorwaarden vastgesteld in de WTO-overeenkomst die op 9 oktober 2004 door Vietnam en de Europese Gemeenschap is geparafeerd;

biedt distributiebedrijven uit de Europese Gemeenschap, die legaal in Vietnam actief zijn, de mogelijkheid om in 2005 vier bijkomende filialen en in 2006 nog eens twee bijkomende filialen te openen;

geeft aan één distributiebedrijf uit de Europese Gemeenschap een vergunning af om in 2006 in Vietnam te opereren als onderneming die voor 100 % eigendom van een bedrijf uit de Europese Gemeenschap is, met inachtneming van de voorwaarden vastgesteld in de WTO-overeenkomst die op 9 oktober 2004 door Vietnam en de Europese Gemeenschap is geparafeerd;

verlaagt ten laatste in december 2004 de lijst van verboden moleculen tot 5-7 moleculen en schaft uiterlijk op 31 december 2005 deze lijst af voor wat de Europese Gemeenschap betreft.

Artikel 5

Indien Vietnam zijn verplichtingen op grond van de artikelen 2, 3 en 4 van deze overeenkomst of van punt 9 van bovengenoemde overeenkomst van 2003 niet nakomt, kan de Europese Gemeenschap de textiel- en kledingcontingenten opnieuw instellen op het niveau van de textiel- en kledingcontingenten die de Europese Gemeenschap in 2004 aan Vietnam heeft toegekend, verhoogd met de jaarlijkse groeipercentages vastgesteld in de overeenkomst betreffende de handel in textiel- en kledingproducten en andere maatregelen om de markt open te stellen, die op 15 februari 2003 in Hanoi is geparafeerd.

Indien de Europese Gemeenschap haar verplichtingen op grond van artikel 1 van deze overeenkomst of van punt 9 van de overeenkomst betreffende de handel in textiel- en kledingproducten en andere maatregelen om de markt open te stellen, die op 15 februari 2003 is geparafeerd, niet nakomt, kan Vietnam de tenuitvoerlegging van zijn verbintenissen op grond van de artikelen 2, 3 en 4 van deze overeenkomst schorsen.

Artikel 6

Deze overeenkomst treedt in werking nadat de partijen elkaar schriftelijk kennis hebben gegeven dat de daartoe vereiste interne procedures zijn voltooid.

Elke partij kan op ieder ogenblik wijzigingen van deze overeenkomst voorstellen of de overeenkomst opzeggen, op voorwaarde dat een kennisgevingstermijn van ten minste zes maanden in acht wordt genomen. In geval van opzegging verstrijkt de overeenkomst aan het eind van de opzeggingstermijn.

Deze overeenkomst verstrijkt op de dag dat Vietnam toetreedt tot de WTO.

De partijen streven ernaar hun respectieve interne procedures te voltooien zodanig dat de overeenkomst vanaf 31 december 2004 kan worden toegepast.

Artikel 7

Deze overeenkomst is opgesteld in twee exemplaren, in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische, de Zweedse en de Vietnamese taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

Voor de Europese Gemeenschap

Voor de regering van de Socialistische Republiek Vietnam


(1)  Verschenen in het Publicatieblad van de Europese Unie L 152 van 26 juni 2003, blz. 42, als „Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Socialistische Republiek Vietnam betreffende de handel in textiel- en kledingproducten en andere maatregelen om de markt open te stellen, laatstelijk gewijzigd bij de op 31 maart 2000 geparafeerde overeenkomst in de vorm van een briefwisseling”.


Commissie

22.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 75/40


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 18 maart 2005

met betrekking tot specifieke financiële bijstand van de Gemeenschap voor het door Zweden ingediende surveillanceprogramma voor campylobacter bij slachtkuikens voor het jaar 2005

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 759)

(Slechts de tekst in de Zweedse taal is authentiek)

(2005/245/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Beschikking 90/424/EEG van de Raad van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (1), en met name op de artikelen 19 en 20,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De bescherming van de menselijke gezondheid tegen ziekten en infecties die direct of indirect van dieren op de mens kunnen worden overgedragen (zoönoses), is van het allerhoogste belang.

(2)

Teneinde financiële steun van de Gemeenschap te krijgen, hebben de Zweedse autoriteiten in 2000 een meerjarig nationaal surveillanceprogramma voor campylobacter bij slachtkuikens ingediend. Doel van het programma is de prevalentie in zowel de primaire productie als de voedselketen te ramen en geleidelijk de uitvoering van hygiënemaatregelen op de bedrijven te versterken teneinde de prevalentie op de bedrijven en vervolgens langs de voedselketen te doen afnemen. Het programma werd door de Commissie goedgekeurd en er werd voor een passende periode van maximaal vier jaar financiële steun van de Gemeenschap voor het programma uitgetrokken om bepaalde door Zweden gemaakte kosten te dekken en waardevolle technische en wetenschappelijke informatie te verzamelen. Het programma is op 1 juli 2001 van start gegaan.

(3)

Om budgettaire redenen wordt de bijstand van de Gemeenschap jaarlijks vastgesteld. Bij Beschikkingen 2001/29/EG (2), 2001/866/EG (3), 2002/989/EG (4) en 2003/864/EG (5) van de Commissie heeft de Gemeenschap financiële steun verstrekt voor respectievelijk de tweede helft van 2001 en de jaren 2002, 2003 en 2004.

(4)

De Zweedse autoriteiten hebben op 28 mei 2004 een programma voor financiële bijstand van de Gemeenschap in 2005 en op 2 en 17 november 2004 een herzien programma ingediend. Op grond hiervan lijkt het aangewezen om de oorspronkelijk overeengekomen totale periode van de financiële steun van de Gemeenschap van vier jaar met zes maanden te verlengen en dus steun te verlenen voor de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005. De financiële steun van de Gemeenschap voor deze periode moet worden vastgesteld op maximaal 160 000 EUR.

(5)

Krachtens artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1258/1999 (6) worden veterinaire en fytosanitaire maatregelen die volgens de communautaire voorschriften worden uitgevoerd, gefinancierd door de afdeling Garantie van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw; voor de financiële controle zijn de artikelen 8 en 9 van Verordening (EG) nr. 1258/1999 van toepassing.

(6)

De financiële bijstand van de Gemeenschap wordt verleend voorzover de voorgenomen maatregelen daadwerkelijk worden uitgevoerd en op voorwaarde dat de autoriteiten de nodige informatie verstrekken binnen de daarvoor vastgestelde termijnen.

(7)

De koers voor de omrekening van de betalingsaanvragen in nationale valuta zoals omschreven in artikel 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 2799/98 van de Raad van 15 december 1998 tot vaststelling van het agromonetaire stelsel voor de euro (7), moet worden verduidelijkt.

(8)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

1.   Het door Zweden ingediende surveillanceprogramma voor campylobacter bij slachtkuikens wordt goedgekeurd voor een periode van twaalf maanden die ingaat op 1 januari 2005.

2.   De financiële bijstand van de Gemeenschap voor het in lid 1 bedoelde programma bedraagt 50 % van de door Zweden gedane uitgaven (excl. BTW) voor laboratoriumtests, tot 160 SEK per bacteriologische test voor de opsporing van campylobacter, 330 SEK per test voor de kwantificering van campylobacter en 330 SEK per test voor de fingerprinting van campylobacter, en met een maximum van 160 000 EUR.

Artikel 2

1.   De in artikel 1, lid 2, bedoelde financiële bijstand wordt aan Zweden verleend op voorwaarde dat het programma wordt uitgevoerd volgens de desbetreffende bepalingen van het Gemeenschapsrecht, met inbegrip van de mededingingsregels en de voorschriften inzake de gunning van overheidsopdrachten, en op voorwaarde dat:

a)

uiterlijk op 1 januari 2005 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen voor de tenuitvoerlegging van het programma in werking zijn getreden;

b)

uiterlijk vier weken na afloop van de verslagperiode een tussentijdse financiële en technische evaluatie over de eerste vijf maanden van het programma wordt toegezonden. De in het verslag op te nemen gegevens zijn vastgesteld in de bijlage;

c)

uiterlijk op 31 maart 2006 een eindverslag over de algemene uitvoering en de resultaten van het programma wordt ingediend voor de hele periode waarvoor financiële steun van de Gemeenschap is verleend, dit wil zeggen van 1 juli 2001 tot en met 31 december 2005. Dit verslag omvat ook een technische en financiële evaluatie van het jaar 2005 volgens het model in de bijlage, vergezeld van bewijsstukken ter staving van de gedane uitgaven;

d)

deze verslagen substantiële en waardevolle technische en wetenschappelijke informatie verschaffen die aan het doel van de communautaire bijstand beantwoordt;

e)

het programma daadwerkelijk wordt uitgevoerd.

2.   Bij niet-naleving van de in lid 1, onder c), vastgestelde termijn wordt de bijdrage verlaagd met 25 % op 1 mei, met 50 % op 1 juni, met 75 % op 1 juli en met 100 % op 1 september.

Artikel 3

De omrekeningskoers voor in maand „n” ingediende aanvragen in nationale valuta is die van de tiende dag van maand „n + 1” of die van de eerste voorafgaande dag waarvoor een algemene notering beschikbaar is.

Artikel 4

Deze beschikking is van toepassing met ingang van 1 januari 2005.

Artikel 5

Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk Zweden.

Gedaan te Brussel, 18 maart 2005.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 19. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 325 van 12.12.2003, blz. 31).

(2)  PB L 6 van 11.1.2001, blz. 22.

(3)  PB L 323 van 7.12.2001, blz. 26.

(4)  PB L 344 van 19.12.2002, blz. 45.

(5)  PB L 325 van 12.12.2003, blz. 59.

(6)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 103.

(7)  PB L 349 van 24.12.1998, blz. 1.


BIJLAGE

Technische en financiële informatie over de uitvoering van een surveillanceprogramma voor campylobacter bij slachtkuikens, Zweden

Deel A.   Technisch verslag over de controle

Verslagperiode van … tot …

1.

Onderzoek in diagnostische laboratoria

a)

Routinebemonstering

 

Aantal bemonsterde koppels

Totaal aantal monsters van „overschoenen” op het bedrijf

Totaal aantal cloacaswabs bij het slachten

Totaal aantal nekvelmonsters

Totaal aantal monsters

Bacteriologie campylobacter

 

 

 

 

 

b)

Extra bemonstering op het bedrijf tijdens het hoge-prevalentieseizoen

 

Aantal bemonsterde bedrijven

Totaal aantal fecesmonsters

Bacteriologie campylobacter

 

 

c)

Extra bemonstering bij het slachten tijdens het hoge-prevalentieseizoen

 

Aantal bemonsterde koppels

Totaal aantal blindedarmmonsters

Bacteriologie campylobacter

 

 

d)

Bemonstering bij het slachten voor de kwantificering van campylobacter

 

Aantal bemonsterde koppels

Aantal nekvelmonsters

Aantal „whole-bird rinse”-monsters

Totaal aantal monsters

Bacteriologie campylobacter

 

 

 

 

e)

Bemonstering voor traceerbaarheidsonderzoek

Aantal PFGE-analyses van campylobacter:

2.

Follow-up van de bemonstering

Aantal follow-upmails aan producenten

Aantal follow-upbezoeken aan bedrijven

3.

Beschrijving van de epizoötiologische situatie langs de voedselketen (resultaten en analyse van de bemonsteringsresultaten, bezoeken aan bedrijven).

4.

Beschrijving van de epidemiologische situatie bij de mens (trends en bronnen van campylobacteriose)

5.

Naam en adres van de verslagleggende autoriteit:

Deel B.   Verklaring over de uitgaven (1)

Verslagperiode van … tot …

Referentienummer van de beschikking van de Commissie tot vaststelling van de financiële steun:

Uitgaven in verband met

Uitgaven tijdens de verslagleggingsperiode (nationale valuta)

Bacteriologie voor campylobacter

 

Kwantificering van campylobacter

 

Fingerprinting van campylobacter

 


(1)  Bij de indiening van het in artikel 2, onder c), bedoelde eindverslag dient voor elke post een lijst van alle uitgaven te worden bijgevoegd met een kopie van de bewijsstukken.


22.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 75/44


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 20 oktober 2004

betreffende steunmaatregel nr. C 40/02 (ex N 513/01) betreffende staatssteun ten gunste van Hellenic Shipyards AE

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 3919)

(Slechts de tekst in de Griekse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2005/246/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 88, lid 2, eerste alinea,

Gelet op de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, en met name op artikel 62, lid 1, onder a),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1540/98 van de Raad van 29 juni 1998 betreffende de steunverlening aan de scheepsbouw (1),

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde bepalingen te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken (2), en gezien deze opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

I.   PROCEDURE

(1)

Bij schrijven van 16 juli 2001 heeft Griekenland, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1540/98 betreffende de steunverlening aan de scheepsbouw, een aantal steunmaatregelen ten gunste van Hellenic Shipyards AE aangemeld. De aanmelding kwam er als gevolg van een reeks contacten met de Griekse autoriteiten nadat de Commissie van de betrokken maatregelen kennis had gekregen.

(2)

Bij schrijven van 5 juni 2002 (3), dat in de authentieke taal in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen werd gepubliceerd (4), stelde de Commissie de Helleense Republiek in kennis van haar besluit een deel van de betrokken steunmaatregelen goed te keuren en tegen een aantal andere maatregelen (hierna „de kwestieuze maatregelen” genoemd) de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag in te leiden, met name de maatregelen die waren vastgesteld in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, van wet 2941/2001 waarmee vraagstukken in verband met Hellenic Shipyards worden geregeld.

(3)

De Griekse autoriteiten antwoordden de Commissie bij brieven van 16 september en 13 december 2002. De Commissie ontving bij schrijven van 6 september 2002 ook opmerkingen van één belanghebbende. Deze opmerkingen zijn de Griekse autoriteiten bij schrijven van 2 oktober 2002 ter kennis gebracht.

(4)

Bij schrijven van 16 september 2002 hebben de Griekse autoriteiten verzocht om een verlenging van de termijn voor het beantwoorden van de opmerkingen van derden. Zij deelden de Commissie ook mee dat de Griekse regering overwoog de kwestieuze steunmaatregelen bij wet af te schaffen. Wel verzochten zij de termijn om op de inleiding door de Commissie van de onderzoeksprocedure te antwoorden, met drie maanden te verlengen.

(5)

Bij schrijven van 30 januari 2003 deelden de Griekse autoriteiten de Commissie mee dat de Griekse regering had besloten de beide kwestieuze maatregelen af te schaffen, en verzochten zij om een verlenging van de termijn met drie maanden om dit besluit ten uitvoer te leggen. Bij schrijven van 3 april 2003 hebben de Griekse autoriteiten de Commissie ervan in kennis gesteld dat de afschaffing van de beide maatregelen in een „weldra te verwachten” ontwerp-wet zou worden opgenomen.

(6)

Bij schrijven van 1 augustus 2003 heeft de Commissie de Griekse autoriteiten verzocht de tekst mee te delen van de wet waarmee de maatregelen werden afgeschaft, alsmede de datum waarop het Griekse parlement naar verwachting over deze wet zou stemmen. Bij schrijven van 1 oktober 2003 hebben de Griekse autoriteiten de Commissie geantwoord dat de kwestieuze maatregelen bij wet zouden worden afgeschaft.

(7)

Bij schrijven van 11 november 2003 verzocht de Commissie de Griekse autoriteiten andermaal de tekst van de wet waarmee de beide maatregelen werden afgeschaft, en de goedkeuringsdatum van die wet mee te delen. Bij schrijven van 24 januari 2004 deelden de Griekse autoriteiten de Commissie mee dat de afschaffing van de beide maatregelen was opgenomen in een wet die naar verwachting tegen 13 februari 2004 door het Griekse parlement zou worden behandeld.

(8)

Bij schrijven van 17 maart 2004 verzocht de Commissie Griekenland om informatie over de vooruitgang bij de afschaffing van de maatregelen. De Griekse autoriteiten deelden de Commissie bij schrijven van 29 april 2004 mee dat de afschaffing van de beide maatregelen op het programma van de „nieuwe regering” stond. De Commissie nam ook de gelegenheid te baat om de Griekse autoriteiten te herinneren aan hun toezegging de kwestieuze maatregelen af te schaffen, zoals zij die op 28 juni 2004 tijdens een bijeenkomst van de diensten van de Commissie met de Griekse autoriteiten in Athene hadden gedaan.

(9)

Volgens de informatie van de Commissie hebben de Griekse autoriteiten tot dusver evenwel geen stappen ondernomen om de kwestieuze maatregelen af te schaffen. Daarom heeft de Commissie besloten de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag ten aanzien van de beide kwestieuze maatregelen met een ongunstige beschikking te beëindigen.

II.   GEDETAILLEERDE BESCHRIJVING VAN DE STEUN

A.   Rechtsgrondslag

(10)

Wet 2941/2001 (hierna „de wet” genoemd) regelde onder meer vraagstukken in verband met Hellenic Shipyards. Deze wet is in augustus 2001 goedgekeurd en op 12 september 2001 in deel A van het Griekse Publicatieblad bekendgemaakt.

B.   Goedgekeurde steun

(11)

Bij schrijven van 5 juni 2002 (5) heeft de Commissie 29,5 miljoen EUR steun goedgekeurd die Griekenland, overeenkomstig bedoelde wet, voornemens was toe te kennen om werknemers die in de civiele scheepsbouw werkzaam zijn, aan te moedigen Hellenic Shipyards vrijwillig te verlaten. De Commissie was tot de bevinding gekomen dat de steun aan artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1540/98 voldeed, en dus verenigbaar met de gemeenschappelijke markt was.

C.   De procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag

(12)

Terzelfder tijd besloot de Commissie de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag in te leiden en verzocht zij, overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (6), belanghebbenden hun opmerkingen te maken (7). De Commissie formuleerde twijfel ten aanzien van de verenigbaarheid van beide steunmaatregelen met Verordening (EG) nr. 1540/98.

(13)

Wat betreft de toepasselijkheid van Verordening (EG) nr. 1540/98 op de beoordeling van de kwestieuze maatregelen, doet de Commissie opmerken dat deze niet als aangemelde steun kunnen worden aangemerkt. Aangezien de kwestieuze maatregelen bepalingen zijn uit een wet die per 12 september 2001 al van kracht is geworden, en aangezien de maatregelen ondertussen niet zijn geschorst, dienen zij als onrechtmatige steun te worden beschouwd.

(14)

Zelfs indien Verordening (EG) nr. 1540/98 per 31 december 2003 is afgelopen en de mededeling van de Commissie betreffende de vaststelling van regels voor de beoordeling van onrechtmatig verleende staatssteun (8) in dit geval niet van toepassing is, zal de Commissie, in het belang van een coherente beschikkingspraktijk, deze verordening op onderhavige zaak toepassen. In ieder geval zou de Commissie tot dezelfde conclusie zijn gekomen, zelfs indien de maatregelen aan de huidige kaderregeling inzake staatssteun aan de scheepsbouw (9) waren getoetst.

a)   Artikel 5, lid 2, van de wet

(15)

Volgens artikel 5, lid 2, van de wet zal de staat een deel van de toekomstige pensioenverplichtingen van de onderneming dekken. Volgens het Griekse recht krijgt iemand die met pensioen gaat, een eenmalig vast bedrag, dat normaalgesproken 40 % bedraagt van het bedrag dat iemand ontvangt die wordt ontslagen. Volgens deze bepaling zal de staat het aandeel van de kosten dragen a rato van het aantal jaren dat de werknemer bij Hellenic Shipyards in dienst was vooraleer de onderneming aan haar nieuwe aandeelhouders werd verkocht. Het desbetreffende bedrag wordt de onderneming op haar verzoek betaald. Deze bepaling zorgt ervoor dat dit eenmalige, vaste bedrag door de staat wordt betaald tot 2035, wanneer de laatste werknemers die op het tijdstip vóór de overdracht aan de nieuwe aandeelhouders in dienst waren, met pensioen kunnen gaan.

b)   Artikel 6, lid 4, van de wet

(16)

Artikel 6, lid 4, van de wet betreft drie posten op de balans van de onderneming per 31 december 1999: „belastingvrije reserves”, „buitengewone reserves” en „bedragen ter uitbreiding van het aandelenkapitaal”. Deze posten zijn vrijgesteld van belasting of enige andere heffing, zodat daarmee de verliezen uit voorgaande jaren kunnen worden gesaldeerd.

(17)

Volgens de Griekse autoriteiten bedraagt het belastingtarief voor kapitalisatie van belastingvrije reserves door vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, waarvan de aandelen niet ter beurze zijn genoteerd, 10 %. Dit impliceert dat het salderen van belastingvrije reserves en oude schulden resulteert in een belastingtarief van 10 % op dit bedrag. Volgens de Griekse autoriteiten beliepen de belastingvrije reserves 112 miljoen EUR en zou de belasting hierover dus 11,2 miljoen EUR bedragen.

III.   OPMERKINGEN VAN DE HELLEENSE REPUBLIEK

(18)

Bij schrijven van 16 september 2002 hebben de Griekse autoriteiten hun eerste opmerkingen ten aanzien van de kwestieuze maatregelen meegedeeld (10). Met name verklaarden de Griekse autoriteiten dat, volgens de Griekse wetgeving (11), buitengewone reserves die worden gekapitaliseerd, afzonderlijk worden belast tegen een tarief van 5 % (voorzover de reserves op het tijdstip dat zij werden aangelegd, al zijn belast), en niet van 10 % zoals de Commissie verklaarde. Zodoende bedroeg het kwestieuze bedrag 171 282 EUR, en niet 342 564 EUR.

(19)

Bovendien merkten de Griekse autoriteiten op dat wanneer de voor de kapitaaluitbreiding bestemde bedragen worden gekapitaliseerd, daarvoor slechts een kapitaalbelasting geldt van 1 %, en dus geen belastingtarief van 10 % zoals in het schrijven van de Commissie wordt aangegeven. Derhalve beloopt het desbetreffende bedrag 255 906 EUR, en niet 2,55 miljoen EUR zoals de Commissie in haar besluit tot inleiding van de onderzoeksprocedure berekende.

(20)

De Griekse autoriteiten kwam zodoende tot de slotsom dat het totale bedrag van 11,2 miljoen EUR dat in het schrijven van de Commissie in verband met de belastingvrije reserves wordt vermeld, op grond van de volgende berekening tot 8,69 miljoen EUR moet worden bijgesteld:

Kapitalisatie belastingvrije reserves

43 544 350 EUR × 10 %

4 354 435 EUR

Buitengewone reserves

39 155 498 EUR × 10 %

 

Voor de verkoop van vastgoed

3 525 645 EUR × 5 %

3 915 550 EUR

171 282 EUR

Voor de reserve die werd belast toen zij werd aangelegd

 

 

Aandelen boven pari (12)

Niet belast

Inbreng aandeelhouders

25 590 609 EUR × 1 %

255 906 EUR

Totaal

 

8 697 173 EUR

(21)

De Griekse autoriteiten hebben, ondanks hun bezwaren tegen de berekeningswijze van de betrokken bedragen, de Commissie in datzelfde schrijven meegedeeld dat de Griekse regering overwoog de wetsbepalingen ten aanzien waarvan de Commissie de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag had ingeleid, af te schaffen. In hun schrijven van 30 januari 2003 hebben de Griekse autoriteiten de Commissie formeel in kennis gesteld van hun besluit beide bepalingen af te schaffen. Deze informatie werd bevestigd in alle schriftelijke contacten van de Griekse autoriteiten die nadien plaatsvonden, namelijk op 3 april 2003, 1 oktober 2003, 24 januari 2004 en 29 april 2004.

(22)

De Commissie mag dus aannemen dat de Griekse autoriteiten het eens zijn met de conclusie dat de kwestieuze maatregelen onverenigbare staatssteun vormden.

IV.   OPMERKINGEN VAN BELANGHEBBENDEN

(23)

Op 9 september 2002 ontving de Commissie opmerkingen van de vertegenwoordigers van Elefsis Shipbuilding and Industrial Enterprises SA, een directe concurrent van Hellenic Shipyards, als reactie op de bekendmaking van de Commissie waarin belanghebbenden werd verzocht hun opmerkingen te maken over de steun ten aanzien waarvan de Commissie onderhavige procedure had ingeleid. Deze opmerkingen zijn de Griekse autoriteiten bij schrijven van 2 oktober 2002 ter kennis gebracht.

(24)

Volgens Elefsis Shipyards rechtvaardigden de bevindingen van de Commissie een verder onderzoek met name wat betreft het precieze karakter van de kapitaalreserves van Hellenic Shipyards en de precieze omvang van de capaciteit van Hellenic Shipyards voor marine- (75 %) en commerciële (25 %) scheepsbouw en scheepsreparatieactiviteiten

(25)

Wat betreft de kapitaalreserves die het voorwerp uitmaken van het onderzoek van de Commissie in deze zaak, deed Elefsis Shipyards opmerken dat de Commissie diende te onderzoeken of het belastingtarief dat, in de aanname dat wet 2941/2001 niet was goedgekeurd, volgens de gewone Griekse wetgeving op het gebruik van dergelijke kapitaalreserves om verliezen te compenseren van toepassing was geweest, 10 % bedraagt.

V.   BEOORDELING VAN DE STEUN

(26)

Overeenkomstig artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voorzover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. Volgens vaste rechtspraak van de communautaire rechtscolleges is aan het criterium „ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer” voldaan wanneer de begunstigde onderneming een economische activiteit verricht waarvoor er handel tussen lidstaten bestaat.

(27)

De Commissie merkt op dat de scheepsbouw een economische activiteit is waarvoor er handelsverkeer tussen lidstaten bestaat. Bijgevolg valt de betrokken steun onder de toepassing van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag.

(28)

Overeenkomstig 87, lid 3, onder e), van het EG-Verdrag, kunnen andere soorten van steunmaatregelen aangewezen bij besluit van de Raad, genomen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd. De Commissie merkt op dat de Raad op basis hiervan Verordening (EG) nr. 1540/98 heeft goedgekeurd.

(29)

Volgens de mededeling van de Commissie betreffende de vaststelling van regels voor de beoordeling van onrechtmatig verleende staatssteun dient de verenigbaarheid van onrechtmatig verleende steun met de gemeenschappelijke markt te worden beoordeeld aan de hand van het instrument dat op het tijdstip waarop de steun werd verleend, van kracht was. Zelfs al is deze mededeling in onderhavige zaak niet van toepassing, toch zal de Commissie, met het oog op een coherente aanpak, deze verordening in deze zaak toepassen, met name omdat de beoordeling niet anders zou uitvallen zelfs indien zij op grond van de huidige kaderregeling inzake staatssteun aan de scheepsbouw plaatsvond (13).

(30)

De Commissie doet opmerken dat, volgens Verordening (EG) nr. 1540/98, „scheepsbouw” de bouw van zichzelf voortstuwende zeeschepen in de handelsvaart betekent. Voorts merkt zij op dat Hellenic Shipyards deze schepen bouwt en dat de onderneming bijgevolg onder de toepassing van Verordening (EG) nr. 1540/98 valt.

(31)

Derhalve dient de Commissie de maatregelen te toetsen aan Verordening (EG) nr. 1540/98 voorzover zij de mededinging in de civiele scheepsbouw en civiele scheepsreparatie vervalsen of dreigen te vervalsen. Zoals eerder is verklaard, betreft volgens de Griekse autoriteiten 75 % van de scheepsbouwactiviteiten van Hellenic Shipyards marinescheepsbouw en heeft een en ander consequenties wat betreft staatssteun die onder de toepassing van artikel 5, lid 2, van de wet valt.

a)   Artikel 5, lid 2, van de wet

(32)

Volgens deze bepaling van de wet dekt de staat het gedeelte van de kosten van de eenmalige pensioenuitkering, a rato van het aantal jaren dat de werknemer bij Hellenic Shipyards heeft gewerkt voordat de werf werd verkocht, ten opzichte van het aantal daarna gewerkte jaren. Door deze bepaling zal de staat tot 2035 — wanneer de laatste van de thans in dienst zijnde werknemers met pensioen kunnen gaan — een aantal van de eenmalige vaste vergoedingen voor werknemers die met pensioen gaan, betalen.

(33)

Volgens de door de Griekse autoriteiten verstrekte informatie zullen de maximumuitgaven voor deze maatregel rond 7 miljoen EUR bedragen, maar wordt, als gevolg van het feit dat sommige werknemers niet tot hun pensioen in dienst zullen blijven, de kostprijs op 4 miljoen EUR geraamd. Aangezien de Griekse autoriteiten hebben verklaard dat 75 % van de door de maatregel getroffen werknemers in de marinescheepsbouw werkzaam zijn, zou het totale bedrag aan staatssteun in het kader van deze maatregel voor de civiele scheepsbouw en scheepsreparatie rond 1 miljoen EUR bedragen (overeenstemmend met 25 % van de door de maatregel getroffen werknemers).

(34)

De Commissie is van oordeel dat deze maatregel exploitatiesteun vormt, aangezien daarmee voor de onderneming de normale kosten voor de bedrijfsvoering worden verlicht. Aangezien Verordening (EG) nr. 1540/98 dit soort steun evenwel niet mogelijk maakt, concludeert de Commissie dat deze steun onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.

(35)

De Commissie merkt op dat de verwijzing naar de verhouding 75 %-25 % wat betreft, onderscheidenlijk, marinescheepsbouw en civiele scheepsbouw en scheepsreparatie, op de verklaringen van de Griekse autoriteiten is gebaseerd. De formele onderzoeksprocedure in deze zaak zag evenwel niet op deze verhouding. Niettemin loopt onderhavige beschikking, wat dit punt betreft, niet vooruit op eventuele conclusies die de Commissie in het kader van andere procedures kan trekken.

b)   Artikel 6, lid 4, van de wet

(36)

Volgens deze bepaling kan de onderneming een gedeelte van haar belastingvrije reserves in aandelenkapitaal omzetten zonder de wettelijk verschuldigde belasting van 10 % te voldoen, indien met deze reserves verliezen uit voorgaande jaren worden gesaldeerd. Deze posten zijn vrijgesteld van belasting of enige andere heffing, zodat daarmee de verliezen uit voorgaande jaren kunnen worden gesaldeerd.

(37)

Artikel 6, lid 4, van de wet betreft drie posten op de balans van de onderneming: „belastingvrije reserves”, „buitengewone reserves” en „bedragen ter uitbreiding van het aandelenkapitaal”. Volgens de Griekse autoriteiten bedraagt het belastingtarief voor kapitalisatie van belastingvrije reserves door vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, waarvan de aandelen niet ter beurze zijn genoteerd, 10 %. Dit impliceert dat het salderen van belastingvrije reserves en oude schulden resulteert in een belastingtarief van 10 % op dit bedrag. Volgens de Griekse autoriteiten beliepen de belastingvrije reserves 112 miljoen EUR en zou, volgens de normale Griekse belastingregels, de belasting hierover dus 11,2 miljoen EUR bedragen.

(38)

De voorgenomen belastingvrijstellingen voor het salderen van de desbetreffende reserves en oude verliezen leveren de onderneming een voordeel op en dienen derhalve als staatssteun te worden aangemerkt. Aangezien Verordening (EG) nr. 1540/98 dit soort steun evenwel niet mogelijk maakte, concludeert de Commissie dan ook dat deze steun onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. Meer bepaald:

(39)

De Griekse autoriteiten zijn van mening dat de belastingvrijstelling voor een deel van de belastingvrije reserves van Hellenic Shipyards (zo'n 43 miljoen EUR) niet kan worden geacht een winst op te leveren die gelijk is aan 10 % van de door de onderneming afgeschreven bedragen. De reden daarvoor is dat in wet 2367/95 betreffende de gedeeltelijke privatisering en hervorming van ondernemingen, waarop een eerder besluit van de Commissie van 1997 (14) betreffende een kwijtschelding van schulden was gebaseerd, werd bepaald dat 99 % van alle bestaande schulden van de ondernemingen zouden worden afgeschreven. Deze bepaling gold ongeacht of de schulden in de boeken waren opgenomen, alsmede voor schulden die tot en met 31 januari 1996 zouden worden gemaakt.

(40)

De Griekse autoriteiten betogen dat áls Hellenic Shipyards per 31 januari 1996 de verliezen uit voorgaande jaren en de belastingvrije reserves had gesaldeerd, de daaruit resulterende belasting van 10 % over de desbetreffende 43 miljoen EUR een belastingschuld had doen ontstaan die op grond van wet 2367/95 tot voor 99 % zou zijn afgeschreven. Voorts beweren zij dat de onderneming zelfs nu de regulariseringsdocumenten kan overleggen die op deze bepaling waren gebaseerd. Bijgevolg bedraagt het enige voordeel dat de onderneming thans ontvangt door het volledig salderen van de verliezen uit de voorgaande jaren en de belastingvrije reserves, 43 000 EUR (1 % van 10 % van 43 miljoen EUR).

(41)

Bij de inleiding van de formele onderzoeksprocedure wees de Commissie op twee problemen in deze redenering. Ten eerste wordt in het desbetreffende besluit van de Commissie van 1997 het precieze bedrag vermeld dat voor de afschrijving van schulden van Hellenic Shipyards is toegestaan. De Commissie kon op basis van haar besluit van 1997 geen ruimere afschrijving van schulden toestaan, aangezien het in het besluit vermelde maximumbedrag niet mag worden overschreden. Bovendien is in het besluit van 1997 niet aangegeven dat eventuele verdere schulden nadien kunnen worden afgeschreven, zelfs als die aan de periode vóór eind 1996 zijn toe te wijzen.

(42)

Daarom komt de Commissie, op grond van de voor haar beschikbare informatie, tot de slotsom dat de voorgenomen belastingvrijstellingen om de desbetreffende reserves en oude verliezen te salderen, een waarde van 4,3 miljoen EUR hebben, hetgeen de onderneming een voordeel oplevert en dus staatssteun vormt. Verordening (EG) nr. 1540/98 maakte dit soort steun evenwel niet mogelijk, zodat de Commissie concludeert dat deze steun niet verenigbaar kan worden verklaard met de gemeenschappelijke markt.

(43)

Wat betreft de andere helft van de „belastingvrije reserves” (zo'n 39 miljoen EUR), betogen de Griekse autoriteiten dat deze teruggaan op de verkoop van een hotel in 1956 en dat deze, in overeenstemming met de toenmalige wetgeving, niet werden belast. De belastingvrijstelling van 3,9 miljoen EUR voor dit bedrag lijkt dus eveneens steun te zijn, die met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar is.

(44)

In het besluit van de Commissie tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure is ook sprake van een andere balanspost van 200 000 EUR die betrekking heeft op de uitgifte van aandelen boven pari. De Griekse autoriteiten hebben de Commissie meegedeeld dat deze bijdragen die eveneens voor de kapitaaluitbreiding zijn bestemd, normaalgesproken niet worden belast.

(45)

Wat de buitengewone reserves van 3,4 miljoen EUR betreft, betogen de Griekse autoriteiten dat deze zijn belast in overeenstemming met de belastingwetgeving zoals die van toepassing was op het tijdstip dat deze reserves zijn aangelegd, zodat er geen belastingvoordeel valt te behalen door deze reserves en oude verliezen te salderen. Niettemin constateert de Commissie dat het bedrag van de buitengewone reserves in de balans is opgenomen onder de post „reserves”. Daarom neemt de Commissie aan dat ook het salderen van deze oude verliezen, in overeenstemming met de gewone belastingwetgeving tegen het tarief van 10 % moet worden belast.

(46)

De conclusie is bijgevolg dat ook de belastingvrijstelling voor 340 000 EUR buitengewone reserves steun is en de Commissie komt, om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet, tot de bevinding dat deze steun met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar is.

(47)

De „bedragen ter verhoging van het aandelenkapitaal” ten belope van 25,6 miljoen EUR stemmen volgens de Griekse autoriteiten overeen met het bedrag dat de Griekse staat heeft betaald om Hellenic Shipyards te compenseren voor de kosten van de inkrimping van het personeelsbestand met circa 1 000 werknemers in de periode 1996-1997. Volgens de Griekse autoriteiten is dit bedrag belastingvrij aangezien het wordt gebruikt om het bedrag aan oude verliezen te salderen.

(48)

Voorzover de onderneming op bovenstaand bedrag tegen het 10 %-tarief had moeten worden belast, is de conclusie van de Commissie dat de 2,56 miljoen EUR in de vorm van een belastingvrijstelling voor het salderen van de oude verliezen met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar is.

(49)

De Commissie merkt op dat het volgens artikel 6, lid 4, van de wet is toegestaan oude verliezen, zonder enige beperking in de tijd, voor boekhoudkundige doeleinden te gebruiken. Bij de inleiding van de onderzoeksprocedure in deze zaak heeft de Commissie om informatie verzocht of dit gegeven op zich een voordeel oplevert voor Hellenic Shipyards ten opzichte van de gewone Griekse belastingwetgeving.

(50)

De Griekse autoriteiten hebben geen relevante informatie verstrekt. Het feit echter dat Griekenland bij herhaling aan de Commissie heeft verklaard dat het zich ertoe verbindt artikel 6, lid 4, van de wet volledig af te schaffen, is een afdoende bewijs dat deze maatregel dient te worden aangemerkt als staatssteun die met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar is.

(51)

Meer algemeen is aan de beoordeling door de Commissie van de kwestieuze maatregelen zoals die in het schrijven aan de Helleense Republiek van 5 juni 2002 zijn beschreven, geen afbreuk gedaan door de inlichtingen die Griekenland heeft verstrekt. Bovendien lijkt Griekenland te hebben ingestemd met de analyse van de Commissie ten aanzien van de onverenigbaarheid van de kwestieuze maatregelen met de gemeenschappelijke markt, en heeft het zich om deze reden bij herhaling (15) ertoe verbonden om de beide kwestieuze maatregelen bij wet in te trekken.

VI.   KLACHT OVER BEWEERDE STEUN AAN HELLENIC SHIPYARDS

(52)

De Commissie heeft een formele klacht ontvangen als zou de Griekse regering mogelijk steun aan Hellenic Shipyards hebben verleend. De inhoud van deze klacht wordt momenteel onderzocht. De Commissie merkt op dat onderhavige beschikking niet vooruitloopt op de uitkomst van dit of enig ander onderzoek dat zij moet of zal uitvoeren ten aanzien van beweerde staatssteun ten voordele van Hellenic Shipyards.

(53)

Wat betreft de onderdelen van de klacht die zien op de berekening van de steunbedragen welke uit hoofde van artikel 6, lid 4, van de wet konden worden toegekend (16), doet de Commissie opmerken dat deze zonder voorwerp zijn geworden aangezien met onderhavige beschikking de afschaffing van deze bepaling wordt gelast.

VII.   CONCLUSIE

(54)

De Griekse autoriteiten hebben impliciet ingestemd met de beoordeling van de Commissie dat de beide kwestieuze maatregelen staatssteun vormen die onverenigbaar is met het Verdrag. De Griekse autoriteiten hebben, ondanks hun toezegging de beide bepalingen af te schaffen door bij het Griekse parlement een wijzigingswet terzake in te dienen, zulks tot dusver nog niet gedaan. Daarom moet de Commissie de procedure beëindigen die zij met haar schrijven van 5 juni 2002 had ingeleid, door een beschikking te geven waarbij de Helleense Republiek wordt gelast de beide maatregelen in te trekken en alle steun terug te vorderen die op basis daarvan is toegekend.

(55)

De Commissie wil benadrukken dat deze maatregelen volledig moeten worden afgeschaft, zodat de staatssteun die zij inhouden, ongedaan wordt gemaakt. Meer bepaald dient Griekenland ervoor te zorgen dat, voorzover de voordelen die op grond van artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 4, van de wet kunnen worden toegekend, ook uit andere wettelijke instrumenten kunnen resulteren, eveneens worden ingetrokken en dat, ingeval op basis daarvan steun werd toegekend, deze van de begunstigden wordt teruggevorderd.

(56)

De Griekse autoriteiten hebben tegenover de Commissie aangegeven dat op grond van de beide kwestieuze bepalingen geen steun is verleend. De Commissie wil er evenwel de aandacht op vestigen dat, mocht steun op grond van de kwestieuze bepalingen zijn toegekend, deze volledig en onverwijld dient te worden teruggevorderd.

(57)

Overeenkomstig artikel 7, lid 7, van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad mag de Commissie, wanneer de in artikel 7, lid 6, bedoelde termijn is verstreken, een negatieve beschikking geven op basis van de informatie waarover zij beschikt. De bevinding van de Commissie dat de kwestieuze bepalingen met de gemeenschappelijke markt onverenigbare staatssteun vormen, is door de informatie die de Griekse autoriteiten hebben verstrekt, niet gewijzigd.

(58)

Mitsdien sluit de Commissie de onderzoeksprocedure af die zij op 5 juni 2002 had ingeleid ten aanzien van de maatregelen waarmee Hellenic Shipyards overeenkomstig artikel 6, lid 4, van de wet van belastingen wordt vrijgesteld en waarbij de staat overeenkomstig artikel 5, lid 2, van de wet in de toekomst een deel van de pensioenuitgaven dekt voor de werknemers die in de civiele scheepsbouw actief zijn. De maatregelen vormen staatssteun die onverenigbaar is met Verordening (EG) nr. 1540/98 en zodoende ook met de gemeenschappelijke markt,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 4, van wet 2941/2001 vormen staatssteun ten faveure van Hellenic Shipyards AE die met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar is.

Deze steunmaatregel mag bijgevolg niet ten uitvoer worden gelegd.

Artikel 2

Ingeval op grond van de in artikel 1 bedoelde bepalingen staatssteun aan Hellenic Shipyards AE is uitgekeerd, neemt Griekenland alle nodige maatregelen om deze steun terug te vorderen.

In dat geval dient de terugvordering onverwijld en in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures van de betrokken lidstaat te geschieden, voorzover die procedures een onverwijlde en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van onderhavige beschikking toelaten.

De terug te vorderen bedragen omvatten rente vanaf de datum waarop de steun de begunstigde ter beschikking is gesteld, tot de datum van de daadwerkelijke terugbetaling ervan.

De rente wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk V van Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie (17).

Griekenland maakt een eind aan de steunmaatregel en schrapt alle betalingen van uitstaande steun vanaf de kennisgeving van deze beschikking.

Artikel 3

Griekenland deelt de Commissie binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van deze beschikking mee welke maatregelen het heeft genomen om hieraan te voldoen.

Artikel 4

Deze beschikking is gericht tot de Helleense Republiek.

Gedaan te Brussel, 20 oktober 2004.

Voor de Commissie

Mario MONTI

Lid van de Commissie


(1)  PB L 202 van 18.7.1998, blz. 1.

(2)  PB C 186 van 6.8.2002, blz. 5.

(3)  SG(2002) D/230101.

(4)  PB C 186 van 6.8.2002, blz. 5.

(5)  SG(2002) D/230101.

(6)  PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1. Verordening gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.

(7)  PB C 186 van 6.8.2002, blz. 5.

(8)  PB C 119 van 22.5.2002, blz. 22.

(9)  PB C 317 van 30.12.2003, blz. 11, gerectificeerd in PB C 104 van 30.4.2004, blz. 71.

(10)  In datzelfde schrijven hebben de Griekse autoriteiten ook verzocht de termijn om een volledig antwoord in te dienen, met drie maanden te verlengen als gevolg van „het gevoelige karakter, de complexiteit en de ernst” van de zaak.

(11)  Artikel 13, lid 6, van wet 2459/97.

(12)  Volgens de Griekse autoriteiten bestaat deze post uit bijdragen van aandeelhouders aan een kapitaaluitbreiding. Bijdragen aan kapitaaluitbreidingen worden normaalgesproken niet belast.

(13)  Aangetekend dient te worden dat toepassing van de huidige kaderregeling de uiteindelijke uitkomst van deze procedure niet zou veranderen, omdat daarin evenmin als in Verordening (EG) nr. 1540/98 in de mogelijkheid van exploitatiesteun wordt voorzien.

(14)  Steunmaatregel C 10/94 (ex NN 104/93) Griekenland (PB C 306 van 8.10.1997, blz. 5).

(15)  Zoals beschreven in overwegingen 4 en 5.

(16)  In een aan de Commissie meegedeeld memorandum beweert klager dat het totale bedrag aan belastingen dat Hellenic Shipyards, op grond van de kwestieuze bepaling, kon besparen zo'n 34 miljoen EUR bedraagt. In een recente verklaring doet klager ook opmerken dat het steunbedrag uit hoofde van artikel 5, lid 2, van de wet hoger ligt dan 1 miljoen EUR, terwijl de belastingvoordelen die Hellenic Shipyards uit hoofde van artikel 6, lid 4, kon krijgen, als volgt kunnen worden berekend: a) 14,625 miljoen EUR als compensatie voor de kapitaalreserve van 39 miljoen EUR; b) 4,66 miljoen EUR in verband met de kapitaalreserves van 43 miljoen EUR, 0,2 miljoen EUR en 3,4 miljoen EUR (volgens de mening van een Griekse belastingdeskundige), en c) een bedrag overeenstemmend met het bedrag van de 85,6 miljoen EUR kapitaalreserves.

(17)  PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1.


22.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 75/53


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 3 maart 2005

betreffende de instelling van een onderzoek, overeenkomstig artikel 4, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 2408/92 van de Raad betreffende de toegang van communautaire luchtvaartmaatschappijen tot intracommunautaire luchtroutes

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 577)

(Voor de EER relevante tekst)

(2005/247/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2408/92 van de Raad (1), en met name op artikel 4, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

I.   De feiten

(1)

Op 10 december 2004 heeft de Italiaanse Republiek overeenkomstig artikel 4, lid 1), sub a), van Verordening (EEG) nr. 2408/92 de Commissie verzocht om in het Publicatieblad van de Europese Unie een kennisgeving te publiceren betreffende het opleggen van openbaredienstverplichtingen voor acht luchtverbindingen tussen de luchthavens van Sardinië en de voornaamste Italiaanse nationale luchthavens (2).

(2)

De voornaamste kenmerken van deze openbaredienstverplichtingen zijn:

Zij hebben betrekking op de volgende achttien luchtverbindingen:

Alghero–Rome en Rome–Alghero

Alghero–Milaan en Milaan–Alghero

Alghero–Bologna en Bologna–Alghero

Alghero–Turijn en Turijn–Alghero

Alghero–Pisa en Pisa–Alghero

Cagliari–Rome en Rome–Cagliari

Cagliari–Milaan en Milaan–Cagliari

Cagliari–Bologna en Bologna–Cagliari

Cagliari–Turijn en Turijn–Cagliari

Cagliari–Pisa en Pisa–Cagliari

Cagliari–Verona en Verona–Cagliari

Cagliari–Napels en Napels–Cagliari

Cagliari–Palermo en Palermo–Cagliari

Olbia–Rome en Rome–Olbia

Olbia–Milaan en Milaan–Olbia

Olbia–Bologna en Bologna–Olbia

Olbia–Turijn en Turijn–Olbia

Olbia–Verona en Verona–Olbia

De achttien verbindingen, alsmede de daarvoor opgelegde openbaredienstverplichtingen, vormen één geheel dat volledig door de kandidaat-luchtvaartmaatschappijen moet worden aanvaard zonder dat daarbij enige compensatie van welke aard ook wordt verleend.

Iedere afzonderlijke luchtvaartmaatschappij of belangrijke luchtvaartmaatschappij die de openbaredienstverplichtingen aanvaardt, moet een uitvoeringsborgtocht stellen teneinde te waarborgen dat de dienst op een correcte en ononderbroken wijze zal worden uitgevoerd. Die borgtocht bedraagt ten minste vijftien miljoen EUR en wordt gewaarborgd door een bankgarantie, die op eerste verzoek kan worden aangesproken ten bedrage van ten minste vijf miljoen EUR, en door een verzekeringswaarborg ten bedrage van het resterende bedrag.

De minimumfrequentie, de vluchttijden en de aan te bieden capaciteit voor elke verbinding zijn gespecificeerd onder punt 2 „OPENBAREDIENSTVERPLICHTINGEN” van de kennisgeving zoals gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie C 306 van 10 december 2004, waarnaar uitdrukkelijk wordt verwezen in deze beschikking.

De minimumcapaciteit van de gebruikte vliegtuigen is gespecificeerd onder punt 3 „TE GEBRUIKEN VLIEGTUIGEN” van de kennisgeving zoals gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie C 306 van 10 december 2004, waarnaar uitdrukkelijk wordt verwezen in deze beschikking.

De tariefstructuur voor alle betrokken routes is gespecificeerd onder punt 4 „TARIEVEN” van de kennisgeving zoals gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie C 306 van 10 december 2004, waarnaar uitdrukkelijk wordt verwezen in deze beschikking.

Met name wat het bestaan van verlaagde tarieven betreft, wordt in punt 4.8 van de kennisgeving gepreciseerd dat de luchtvaartmaatschappijen die de betrokken routes exploiteren wettelijk verplicht zijn gunsttarieven toe te passen (zoals gepreciseerd onder punt 4 „Tarieven”) voor onder meer de volgende groepen van passagiers:

personen die op Sardinië geboren zijn, ook al wonen ze niet op Sardinië;

de echtgenoten en kinderen van personen die op Sardinië geboren zijn.

Overeenkomstig de kennisgeving gelden de openbaredienstverplichtingen voor de periode 1 januari 2005 tot en met 31 december 2007.

De luchtvaartmaatschappijen die voornemens zijn de openbaredienstverplichtingen te aanvaarden, moeten binnen de 15 dagen na de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie formeel een bevestiging versturen naar de bevoegde Italiaanse autoriteiten.

(3)

Het is nuttig op te merken dat voorafgaand aan de openbaredienstverplichtingen waarop deze beschikking betrekking heeft, de Italiaanse Republiek reeds openbaredienstverplichtingen had opgelegd, oorspronkelijk gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen C 284 van 7 oktober 2000  (3), voor zes verbindingen tussen de luchthavens van Sardinië en Rome en Milaan. Krachtens artikel 4, lid 1, sub d), van Verordening (EEG) nr. 2408/92 was daarvoor een aanbesteding uitgeschreven (4) met het oog op de selectie van de luchtvaartmaatschappijen die het recht kregen bedoelde routes op exclusieve basis en met een financiële compensatie te exploiteren.

(4)

De luchtvaartmaatschappijen die bij die gelegenheid het recht kregen bedoelde routes te exploiteren waren:

Alitalia op de route: Cagliari–Rome.

Air One op de routes: Cagliari–Milaan, Alghero–Milaan, Alghero–Rome.

Merdiana op de routes: Olbia–Rome en Olbia–Milaan.

(5)

Deze exploitatieregeling werd vervangen door de openbaredienstverplichtingen waarop deze beschikking betrekking heeft.

II.   Essentiële juridische aspecten van de openbaredienstverplichtingen

(6)

De juridische aspecten van de openbaredienstverplichtingen worden geregeld bij Verordening (EEG) nr. 2408/92 die tot doel heeft om in de sector van het luchtvervoer de voorwaarden voor de toepassing van de vrijheid van dienstverlening vast te leggen.

(7)

De openbaredienstverplichtingen vormen een uitzondering op het basisbeginsel van de verordening die inhoudt dat „met inachtneming van deze verordening door de betrokken lidstaat (lidstaten) aan communautaire luchtvaartmaatschappijen wordt toegestaan om vervoersrechten op routes in de Gemeenschap uit te oefenen” (5).

(8)

De voorwaarden om dergelijke openbaredienstverplichtingen op te leggen, worden omschreven in artikel 4. Zij moeten strikt worden geïnterpreteerd, met inachtneming van de beginselen van niet-discriminatie en evenredigheid. Zij moeten op passende wijze worden verantwoord op basis van de in dit artikel opgenomen criteria.

(9)

Meer bepaald mogen, overeenkomstig de juridische regeling voor openbaredienstverplichtingen, dergelijke verplichtingen worden opgelegd voor geregelde luchtdiensten naar een luchthaven die de luchtverbindingen voor een perifeer of ontwikkelingsgebied op zijn grondgebied verzorgt of op een weinig geëxploiteerde route naar een regionale luchthaven op zijn grondgebied, wanneer een dergelijke route van vitaal belang wordt geacht voor de economische ontwikkeling van de regio waarin de luchthaven is gelegen en voorzover zulks noodzakelijk is om op die route een toereikend aanbod te waarborgen van luchtdiensten die voldoen aan vastgestelde normen inzake continuïteit, regelmaat, capaciteit en prijzen, aan welke normen luchtvaartmaatschappijen niet zouden voldoen indien zij alleen op hun eigen commerciële belangen zouden letten.

(10)

De toereikendheid van het aanbod van geregelde luchtdiensten wordt door de lidstaten beoordeeld in het licht van met name het openbare belang, de mogelijkheid gebruik te maken van andere takken van vervoer en het gecombineerde effect van alle luchtvaartmaatschappijen die op bedoelde route diensten onderhouden of voornemens zijn te onderhouden.

(11)

Bij artikel 4 wordt een mechanisme in twee fasen ingesteld. In een eerste fase (artikel 4, lid 1, sub a)) legt de betrokken lidstaat openbaredienstverplichtingen op voor één of meer luchtverbindingen, waarbij deze open blijven voor alle communautaire luchtvaartmaatschappijen, met als enige voorwaarde dat de dienstverplichtingen in acht worden genomen. Wanneer echter geen enkele maatschappij zich aanbiedt om de verbinding met inachtneming van de openbaredienstverplichtingen te exploiteren, kan de lidstaat in een tweede fase (zie artikel 4, lid 1, sub d)) de toegang tot die verbinding beperken tot slechts één luchtvaartmaatschappij voor een, eventueel hernieuwbare, periode van ten hoogste drie jaar. Die luchtvaartmaatschappij wordt dan geselecteerd via een communautaire openbare aanbesteding. De geselecteerde maatschappij kan dan een financiële compensatie krijgen voor de exploitatie met inachtneming van de openbaredienstverplichtingen.

(12)

Krachtens artikel 4, lid 3, is de Commissie gemachtigd om na een onderzoek, op verzoek van een lidstaat dan wel op eigen initiatief, te besluiten of de openbaredienstverplichtingen van toepassing blijven. Het besluit van de Commissie wordt meegedeeld aan de Raad en de lidstaten. Na beroep van een lidstaat kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.

III.   Elementen die ernstig doen twijfelen aan de overeenstemming van de openbaredienstverplichtingen voor de luchtdiensten tussen de luchthavens van Sardinië en de voornaamste Italiaanse nationale luchthavens met artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 2408/92

(13)

In artikel 4, lid 1, sub a), van de verordening worden een aantal criteria genoemd waaraan de openbaredienstverplichtingen moeten voldoen:

de in aanmerking komende verbindingen: het betreft luchtdiensten naar een luchthaven die de luchtverbindingen voor een perifeer of ontwikkelingsgebied op zijn grondgebied verzorgt of op een weinig geëxploiteerde route naar een regionale luchthaven op zijn grondgebied;

het vitale belang van de route voor de economische ontwikkeling van de regio waarin de luchthaven is gelegen, moet worden aangetoond;

de toereikendheid van het aanbod, met name in het licht van de mogelijkheid gebruik te maken van andere takken van vervoer of de mogelijkheid gebruik te maken van alternatieve routes, moet worden beoordeeld.

(14)

Bovendien moeten de openbaredienstverplichtingen voldoen aan de criteria van evenredigheid en niet-discriminatie (zie bijvoorbeeld zaak C-205/99 Analir [2001], jurisprudentie blz. I-0127).

(15)

De op verzoek van Italië in het Publicatieblad bekend gemaakte openbaredienstverplichtingen omvatten echter verschillende bepalingen die ernstige twijfels doen rijzen over de overeenstemming van de verplichtingen met artikel 4 van de verordening en die derhalve een onrechtmatige beperking inhouden voor de ontwikkeling van de verbindingen in kwestie, meer bepaald:

a)

Er zijn geen gedetailleerde gegevens verstrekt, gebaseerd op een economische analyse van de luchtvervoersmarkt tussen Sardinië en de rest van Italië, om het opleggen van nieuwe dienstverplichtingen te rechtvaardigen en om aan te tonen dat deze verplichtingen passend en evenredig met het beoogde doel zijn.

b)

Er is geen evaluatie gemaakt van het effect van de dienstverplichtingen die zijn opgelegd voor de zes oorspronkelijke verbindingen, waarvoor de nieuwe dienstverplichtingen eveneens gelden.

c)

Het is niet vanzelfsprekend dat de twaalf extra verbindingen, waarvoor sinds 1 januari 2005 openbaredienstverplichtingen gelden, van vitaal belang zijn voor de ontwikkeling van de economische regio's van Sardinië waarin de betrokken luchthavens gelegen zijn, meer bepaald gezien:

de aard van de desbetreffende verbindingen;

de afwezigheid van een aangetoond vitaal belang van de routes voor de economische ontwikkeling van de regio's van Sardinië waarin de betrokken luchthavens gelegen zijn;

het bestaan van alternatieve luchtverbindingen waarmee een adequate en continue dienstverlening op de relevante luchthavens kan worden verzekerd, meer bepaald via de voornaamste Italiaanse routes die een bevredigende aansluiting met Sardinië leveren;

d)

De verplichting voor de luchtvaartmaatschappijen die zich kandidaat stellen om de achttien verbindingen als één enkel pakket te exploiteren, vormt een bijzonder belangrijke beperking van het beginsel van vrijheid van dienstverlening. Deze verplichting lijkt ook een inbreuk te vormen op de beginselen van evenredigheid en niet-discriminatie, met name gezien:

de afwezigheid van een aangetoond vitaal belang van een groepering van al deze verbindingen voor de economische ontwikkeling van de regio's van Sardinië waarin de betrokken luchthavens gelegen zijn;

het risico van niet-gerechtvaardigde discriminatie tussen luchtvaartmaatschappijen ten gevolge van het feit dat alleen de sterksten daarvan over voldoende middelen beschikken om een exploitatie onder dergelijke voorwaarden te garanderen;

het feit dat een dergelijke verplichting bovendien lijkt in te druisen tegen de verplichting voor de lidstaat die de openbaredienstverplichtingen oplegt om bij zijn beoordeling rekening te houden met het gecombineerde effect van alle luchtvaartmaatschappijen die op bedoelde routes diensten onderhouden of voornemens zijn te onderhouden (6).

Het lijkt er in de praktijk op dat de Italiaanse autoriteiten een groepering van de exploitatie van de achttien verbindingen hebben willen opleggen om het exploitatieverlies van de verkeersarme verbindingen te doen dekken door de verwachte winst van de drukkere verbindingen. Een dergelijk mechanisme van kruissubsidies druist echter in tegen de geest van artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 2408/92.

e)

De verplichting om een bijzonder grote borgtocht te stellen is eveneens van aard een niet-gerechtvaardigde discriminatie tot stand te brengen tussen de geïnteresseerde luchtvaartmaatschappijen, aangezien alleen de grootsten daarvan over de middelen beschikken om een dergelijke borgtocht te stellen.

f)

De zeer korte termijnen voor de geïnteresseerde luchtvaartmaatschappijen, namelijk binnen 15 dagen na de bekendmaking van de openbaredienstverplichtingen in het Publicatieblad van de Europese Unie, om te bevestigen dat zij deze verplichtingen aanvaarden, en 22 dagen om met de exploitatie zelf van start te gaan (vanaf 1 januari 2005), brengen een niet-gerechtvaardigde discriminatie tussen deze maatschappijen tot stand. Het lijkt immers onmogelijk voor een maatschappij die nog niet op Sardinië vliegt om binnen deze korte termijnen de nodige administratieve en juridische stappen te zetten en de nodige middelen te verzamelen om met de exploitatie van start te gaan.

g)

De in punt 4.8 van de openbaredienstverplichtingen vervatte verplichting om bepaalde passagiers gunsttarieven aan te bieden, met als enige reden hun geboorteplaats (meer bepaald Sardinië) of met als enige reden dat zij familiebanden hebben met dergelijke personen, kan in de praktijk worden opgevat als een onrechtmatige discriminatie op basis van nationaliteit (zie bijvoorbeeld zaak C-338/01 Commissie versus Italië [2003], jurisprudentie blz. I-00721).

IV.   Procedure

(16)

Ondanks de herhaalde aanmaningen van de Commissiediensten waarbij de aandacht van de Italiaanse autoriteiten werd gevestigd op deze talrijke problematische elementen en werd gewezen op de twijfel inzake de conformiteit van de openbaredienstverplichtingen met Verordening (EEG) nr. 2408/92, heeft de Italiaanse Republiek besloten deze verplichtingen als zodanig bekend te maken.

(17)

Na deze publicatie hebben belangstellenden contact opgenomen met de Commissie om op informele wijze hun bezwaren tegen de discriminerende en niet-evenredige aard van deze dienstverplichtingen bekend te maken. Voorts heeft de Commissie een klacht ontvangen, van een partij die anoniem wenst te blijven, waarbij de wettelijkheid van deze dienstverplichtingen wordt betwist.

(18)

In het licht van deze elementen en uit hoofde van artikel 4, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 2408/92 van 23 juli 1992, kan de Commissie een onderzoek openen om na te gaan of de ontwikkeling van één of meer verbindingen al dan niet op onrechtmatige wijze wordt beperkt door de opgelegde openbaredienstverplichtingen en om zo te bepalen of bedoelde dienstverplichtingen al dan niet moeten blijven gelden voor de verbindingen in kwestie,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De Commissie stelt een onderzoek in overeenkomstig artikel 4, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 2408/92 teneinde te bepalen of de openbaredienstverplichtingen tussen de luchthavens van Sardinië en de voornaamste Italiaanse nationale luchthavens, zoals bekendgemaakt op verzoek van de Italiaanse Republiek in het Publicatieblad van de Europese Unie C 306 van 10 december 2004, op de betrokken routes van toepassing moeten blijven.

Artikel 2

1.   Binnen een termijn van een maand na de kennisgeving van deze beschikking verstrekt de Italiaanse Republiek de Commissie alle nodige informatie voor het onderzoek van de overeenstemming van de in artikel 1 bedoelde openbaredienstverplichtingen met artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 2408/92.

2.   Met name verstrekt zij de Commissie de volgende informatie:

een juridische analyse betreffende de gevolgen voor de uitoefening door het geheel van de Europese luchtvaartmaatschappijen van de verkeersrechten inzake de verbindingen overeenkomstig de openbaredienstverplichtingen zoals bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie C 306 van 10 december 2004, in het geval deze verplichtingen daadwerkelijk in acht worden genomen;

in het bijzonder een precisering of de Italiaanse autoriteiten op die manier al dan niet een exclusief exploitatierecht voor deze achttien verbindingen hebben willen verlenen ten voordele van één of meer luchtvaartmaatschappijen die deze verplichtingen formeel hebben aanvaard;

een juridische analyse, wat het gemeenschapsrecht betreft, waarbij de diverse voorwaarden welke zijn vervat in de openbaredienstverplichtingen zoals gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie C 306 van 10 december 2004, worden gerechtvaardigd;

de redenen waarom een gunsttarief moet worden aangeboden uitsluitend aan „personen die op Sardinië geboren zijn, ook al wonen ze niet op Sardinië” en aan „de echtgenoten en kinderen van personen die op Sardinië geboren zijn”;

een gedetailleerde bespreking van de resultaten van de vorige openbaredienstverplichtingen, zoals gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie C 284 van 7 oktober 2000;

een gedetailleerde analyse van de economische betrekkingen tussen de regio's van Sardinië en van de rest van Italië waarin de luchthavens gevestigd zijn waarop de openbaredienstverplichtingen zoals gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie C 306 van 10 december 2004 betrekking hebben;

een gedetailleerde analyse van het huidige aanbod van luchtdiensten tussen de luchthavens van Sardinië en de luchthavens van de rest van Italië waarop de openbaredienstverplichtingen zoals gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie C 306 van 10 december 2004 betrekking hebben, met inbegrip van de indirecte vluchten;

een gedetailleerde analyse betreffende de alternatieve transportmiddelen en de capaciteit van die transportmiddelen om aan de behoeften in kwestie te voldoen;

een analyse van de huidige vraag naar luchtvervoer voor elk van de verbindingen waarop de openbaredienstverplichtingen betrekking hebben;

een precisering van de reistijden en frequentievoorwaarden die van toepassing zijn wanneer de verschillende luchthavens van Sardinië waarvoor de openbaredienstverplichtingen gelden, over de weg moeten worden bereikt;

een beschrijving van de toestand, op de dag van kennisgeving van onderhavige beschikking, met betrekking tot de exploitatie van de verbindingen in kwestie, met daarbij de identiteit van de luchtvaartmaatschappij(en) die deze verbindingen exploiteert/exploiteren;

de exploitatieprognoses (passagiersvervoer, vracht, financiële vooruitzichten, enz.) van de luchtvaartmaatschappij(en);

het bestaan, op de dag van kennisgeving van onderhavige beschikking, van eventuele beroepsprocedures bij het nationale gerecht en de juridische situatie inzake het opleggen van de openbaredienstverplichtingen.

Artikel 3

1.   Deze beschikking is gericht tot de Italiaanse Republiek.

2.   Het dispositief van deze beschikking zal worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 3 maart 2005.

Voor de Commissie

Jacques BARROT

Vice-voorzitter


(1)  PB L 240 van 24.8.1992, blz. 8. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(2)  PB C 306 van 10.12.2004, blz. 6.

(3)  PB C 284 van 7.10.2000, blz. 16. Wijziging: PB C 49 van 15.2.2001, blz. 2. Rectificatie: PB C 63 van 28.2.2001, blz. 12.

(4)  PB C 51 van 16.2.2001, blz. 22.

(5)  Artikel 3, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2408/92.

(6)  Artikel 4, lid 1, sub b), onder iv), van Verordening (EEG) nr. 2408/92.


22.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 75/58


BESLUIT Nr. 1/2004 VAN HET COMITÉ VERVOER OVER LAND GEMEENSCHAP/ZWITSERLAND

van 22 juni 2004

betreffende het heffingensysteem voor voertuigen dat in Zwitserland geldt vanaf 1 januari 2005 tot de openstelling van de basistunnel van Lötschberg, maar uiterlijk tot 1 januari 2008

(2005/248/EG)

HET COMITÉ,

Gelet op de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg, en met name op artikel 51, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Volgens artikel 40 int Zwitserland sinds 1 januari 2001 een heffing voor het gebruik van zijn openbare wegen (prestatiegebonden heffing voor vrachtwagens). De met ingang van 1 januari 2005 geldende heffingen worden bepaald en gedifferentieerd op basis van drie categorieën emissienormen (EURO).

(2)

Te dien einde worden in de overeenkomst het gewogen gemiddelde van de heffingen, de maximale heffing voor de meest verontreinigende voertuigcategorie en het maximale verschil tussen de heffingen van de verschillende categorieën vastgelegd.

(3)

De wegingen worden vastgesteld op basis van het aantal voertuigen per categorie EURO-norm dat in Zwitserland rijdt. Het Gemengd Comité onderzoekt de desbetreffende tellingen en bepaalt de bedragen van de drie heffingscategorieën op basis van de wegingen.

(4)

Het Gemengd Comité heeft de door Zwitserland ter beschikking gestelde tellingen onderzocht.

(5)

Het Gemengd Comité dient te beslissen over de weging, de verdeling van de categorieën EURO-norm over de drie heffingscategorieën en over de hoogte van de heffingen van de drie heffingscategorieën.

(6)

In de slotakte heeft Zwitserland verklaard heffingen vast te zullen stellen die zullen gelden tot de openstelling van de eerste basistunnel of uiterlijk tot 1 januari 2008 en waarvan de hoogte beneden het door de overeenkomst toegestane maximumbedrag ligt. De geldigheid van het onderhavige besluit dient dus beperkt te worden tot deze periode,

BESLUIT:

Artikel 1

Van het totale aantal kilometers dat is afgelegd in de maanden december 2003, januari 2004 en februari 2004 op het grondgebied van Zwitserland door voertuigen van meer dan 3,5 t, is 9,79 % afgelegd door voertuigen van de categorie EURO-norm 0, 8,47 % door voertuigen van de categorie EURO-norm 1, 41,09 % door voertuigen van de categorie EURO-norm 2 en 40,65 % door de categorie EURO-norm 3.

Artikel 2

De prestatiegebonden heffing voor een voertuig waarvan het totale effectieve gewicht in beladen toestand ten hoogste 40 t bedraagt en dat een afstand van 300 km aflegt, bedraagt

346 CHF voor heffingscategorie 1;

302 CHF voor heffingscategorie 2;

258 CHF voor heffingscategorie 3.

Artikel 3

Heffingscategorie 1 geldt voor voertuigen van de emissiecategorie EURO 1 alsmede voor alle voertuigen die in het verkeer zijn toegelaten vóór de inwerkingtreding van EURO-norm 1. Heffingscategorie 2 geldt voor voertuigen van emissiecategorie EURO 2. Heffingscategorie 3 geldt voor voertuigen van de emissiecategorieën EURO 3, EURO 4 en EURO 5.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2005.

Gedaan te Bern, 22 juni 2004.

Voor de Zwitserse Bondsstaat

Voorzitter

Max FRIEDLI

Voor de Europese Gemeenschap

Hoofd van de delegatie

Heinz HILBRECHT


22.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 75/60


BESLUIT Nr. 2/2004 VAN HET COMITÉ VERVOER OVER LAND GEMEENSCHAP/ZWITSERLAND

van 22 juni 2004

tot wijziging van bijlage 1 van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg

(2005/249/EG)

HET COMITÉ,

Gelet op de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg, en met name op artikel 52, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 52, lid 4, eerste streepje, van de overeenkomst belast het Gemengd Comité met de vaststelling van de besluiten tot herziening van bijlage 1.

(2)

Sinds de ondertekening van de overeenkomst zijn er nieuwe rechtsbesluiten van de Gemeenschap genomen op de door deze overeenkomst bestreken gebieden. De tekst van bijlage 1 moet worden gewijzigd teneinde rekening te houden met de veranderingen in de desbetreffende communautaire wetgeving,

BESLUIT:

Artikel 1

Bijlage 1 van de overeenkomst wordt geschrapt en vervangen door de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Ten behoeve van Verordening (EG) nr. 484/2002 van het Europees Parlement en de Raad (1)

a)

ontslaan de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat iedere onderdaan van de Zwitserse Bondsstaat, een lidstaat van de Europese Gemeenschap en een lidstaat van de Europese Economische Ruimte van de verplichting om in het bezit te zijn van een bestuurdersattest;

b)

mag de Zwitserse Bondsstaat onderdanen van andere staten dan bedoeld onder a) alleen van de verplichting om in het bezit te zijn van een bestuurdersattest ontheffen in overleg en overeenstemming met de Europese Gemeenschap.

Artikel 3

De delegaties van Zwitserland en van de Gemeenschap komen overeen dat de in artikel 9 van de overeenkomst vermelde Verordening (EEG) nr. 881/92 van de Raad (2) van toepassing is in de (laatstelijk bij Verordening (EG) nr. 484/2002) gewijzigde vorm.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand volgende op de vaststelling van het besluit.

Gedaan te Bern, 22 juni 2004.

Voor de Zwitserse Bondsstaat

Voorzitter

Max FRIEDLI

Voor de Europese Gemeenschap

Hoofd van de delegatie

Heinz HILBRECHT


(1)  PB L 76 van 19.3.2002, blz. 1.

(2)  PB L 95 van 9.4.1992, blz. 1.


BIJLAGE

„BIJLAGE I

TOEPASSELIJKE BEPALINGEN

Overeenkomstig artikel 52, lid 6, van deze overeenkomst past Zwitserland wettelijke bepalingen toe die gelijkwaardig zijn aan de hieronder vermelde bepalingen.

Relevante bepalingen van het communautaire acquis

DEEL 1 —   TOEGANG TOT HET BEROEP

Richtlijn 96/26/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg, nationaal en internationaal, en inzake de wederzijdse erkenning van diploma’s, certificaten en andere titels ter vergemakkelijking van de uitoefening van het recht van vrije vestiging van bedoelde vervoersondernemers (PB L 124 van 23.5.1996, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/66/EG (PB L 168 van 1.5.2004, blz. 35).

DEEL 2 —   SOCIALE NORMEN

Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PB L 370 van 31.12.1985, blz. 8), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 432/2004 van de Commissie (PB L 71 van 10.3.2004, blz. 3).

Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB L 370 van 31.12.1985, blz. 1) of gelijkwaardige in het kader van de AETR-overeenkomst vastgestelde regels die de wijzigingen daarvan omvatten.

Verordening (EG) nr. 484/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 1 maart 2002 tot wijziging, met het oog op de invoering van een bestuurdersattest, van de Verordeningen (EEG) nr. 881/92 en (EEG) nr. 3118/93 van de Raad (PB L 76 van 19.3.2002, blz. 1).

Ten behoeve van deze overeenkomst

a)

is alleen artikel 1 van Verordening (EG) nr. 484/2002 van toepassing;

b)

ontslaan de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat iedere onderdaan van de Zwitserse Bondsstaat, een lidstaat van de Europese Gemeenschap en een lidstaat van de Europese Economische Ruimte van de verplichting om in het bezit te zijn van een bestuurdersattest;

c)

mag de Zwitserse Bondsstaat onderdanen van andere staten dan bedoeld onder b) alleen van de verplichting om in het bezit te zijn van een bestuurdersattest ontslaan in overleg en overeenstemming met de Europese Gemeenschap.

Richtlijn 88/599/EEG van de Raad van 23 november 1988 betreffende standaardprocedures voor de controle op de toepassing van Verordening (EEG) nr. 3820/85 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en Verordening (EEG) nr. 3821/85 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PB L 325 van 29.11.1988, blz. 55), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2135/98 (PB L 274 van 9.10.1998, blz. 1).

Richtlijn 76/914/EEG van de Raad van 16 december 1976 betreffende het minimumniveau van de opleiding van bestuurders in het wegvervoer (PB L 357 van 29.12.1976, blz. 36).

DEEL 3 —   TECHNISCHE NORMEN

Motorvoertuigen

Verordening (EG) nr. 2411/98 van de Raad van 3 november 1998 inzake de erkenning van het onderscheidingsteken van de lidstaat van inschrijving van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan in het verkeer binnen de Gemeenschap (PB L 299 van 10.11.1998, blz. 1).

Richtlijn 91/542/EEG van de Raad van 1 oktober 1991 tot wijziging van Richtlijn 88/77/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de emissie van gasvormige verontreinigingen door dieselmotoren, bestemd voor het aandrijven van voertuigen (PB L 295 van 25.10.1991, blz. 1).

Richtlijn 92/6/EEG van de Raad van 10 februari 1992 betreffende de installatie en het gebruik in de Gemeenschap van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen (PB L 57 van 2.3.1992, blz. 27), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/85/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 327 van 4.12.2002, blz. 8).

Richtlijn 92/24/EEG van de Raad van 31 maart 1992 betreffende snelheidsbegrenzers of soortgelijke begrenzingssystemen voor bepaalde categorieën motorvoertuigen (PB L 129 van 14.5.1992, blz. 154), gewijzigd bij Richtlijn 2004/11/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 44 van 14.2.2004, blz. 19).

Richtlijn 92/97/EEG van de Raad van 10 november 1992 tot wijziging van Richtlijn 70/157/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorvoertuigen (PB L 371 van 19.12.1992, blz. 1).

Richtlijn 96/53/EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten (PB L 235 van 17.9.1996, blz. 59), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 67 van 9.3.2002, blz. 47).

Richtlijn 96/96/EG van de Raad van 20 december 1996 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens (PB L 46 van 17.2.1997, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

Vervoer van gevaarlijke goederen over de weg

Richtlijn 94/55/EG van de Raad van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PB L 319 van 12.12.1994, blz. 7), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/28/EG van de Commissie (PB L 90 van 8.4.2003, blz. 45).

Richtlijn 95/50/EG van de Raad van 6 oktober 1995 betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PB L 249 van 17.10.1995, blz. 35), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/26/EG (PB L 168 van 23.6.2001, blz. 23).

Vervoer van gevaarlijke goederen per spoor

Richtlijn 96/49/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor (PB L 235 van 17.9.1996, blz. 25), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/29/EG van de Commissie (PB L 90 van 8.4.2003, blz. 47).

Veiligheidsadviseurs

Richtlijn 96/35/EG van de Raad van 3 juni 1996 betreffende de aanwijzing en de beroepsbekwaamheid van veiligheidsadviseurs voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, per spoor en over de binnenwateren (PB L 145 van 19.6.1996, blz. 10).

Richtlijn 2000/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2000 betreffende de minimumeisen voor het examen voor veiligheidsadviseurs voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, per spoor of over de binnenwateren (PB L 118 van 19.5.2000, blz. 41).

DEEL 4 —   TOEGANGS- EN TRANSITORECHTEN VOOR HET SPOOR

Richtlijn 95/18/EG van de Raad van 19 juni 1995 betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen (PB L 143 van 27.6.1995, blz. 70), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 164 van 30.4.2004, blz. 44).

Richtlijn 95/19/EG van de Raad van 19 juni 1995 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van gebruiksrechten voor de infrastructuur (PB L 143 van 27.6.1995, blz. 75).

Richtlijn 91/440/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende de ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap (PB L 237 van 24.8.1991, blz. 25), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/51/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 164 van 30.4.2004, blz. 164).

DEEL 5 —   ANDERE GEBIEDEN

Richtlijn 92/82/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de onderlinge aanpassing van de accijnstarieven voor minerale oliën (PB L 316 van 31.10.1992, blz. 19), gewijzigd bij Richtlijn 1994/74/EG (PB L 365 van 31.12.1994, blz. 46).”


22.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 75/65


BESLUIT Nr. 31/2005 VAN DE GEMENGDE COMMISSIE INGESTELD BIJ DE OVEREENKOMST INZAKE WEDERZIJDSE ERKENNING TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP EN DE VERENIGDE STATEN VAN AMERIKA

van 14 februari 2005

tot opneming van een overeenstemmingsbeoordelingsorgaan in de sectorbijlage betreffende telecommunicatieapparatuur

(2005/250/EG)

DE GEMENGDE COMMISSIE,

Gelet op de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika, en met name op de artikelen 7 en 14,

Overwegende dat de Gemengde Commissie een besluit moet nemen over de opneming van een of meer overeenstemmingsbeoordelingsorganen in een sectorbijlage,

BESLUIT:

1)

Het in aanhangsel A vermelde overeenstemmingsbeoordelingsorgaan wordt toegevoegd aan de lijst van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in afdeling V van de sectorbijlage betreffende telecommunicatieapparatuur.

2)

De specifieke bevoegdheden, wat de producten en overeenstemmingsbeoordelingsprocedures betreft, van het in aanhangsel A vermelde overeenstemmingsbeoordelingsorgaan zijn door de partijen overeengekomen en zullen door hen worden gehandhaafd.

Dit besluit, opgemaakt in twee exemplaren, wordt ondertekend door vertegenwoordigers van de Gemengde Commissie die gemachtigd zijn de overeenkomst namens de partijen te wijzigen. Dit besluit treedt in werking op de datum waarop de laatste van deze handtekeningen is aangebracht.

Ondertekend te Washington, 9 februari 2005.

Namens de Verenigde Staten van Amerika

James C. SANFORD

Ondertekend te Brussel, 14 februari 2005.

Namens de Europese Gemeenschap

Joanna KIOUSSI


AANHANGSEL A

Het hierna vermelde EG-overeenstemmingsbeoordelingsorgaan wordt toegevoegd aan de lijst van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in afdeling V van de sector bijlage betreffende telecommunicatie apparatuur

KTL

Saxon Way

Priory Park West

Hull HU13 9PB

Verenigd Koninkrijk

Tel. (44-1482) 80 18 01

Fax (44-1482) 80 18 06


22.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 75/67


AANBEVELING VAN DE COMMISSIE

van 11 maart 2005

betreffende het Europese Handvest voor Onderzoekers en betreffende een Gedragscode voor de Rekrutering van Onderzoekers

(Voor de EER relevante tekst)

(2005/251/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 165,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Comissie achtte het in januari 2000 (1) noodzakelijk de Europese onderzoeksruimte in te stellen als spil van het toekomstige optreden van de Gemeenschap op dit gebied met het oogmerk een Europees onderzoeksbeleid te consolideren en te structureren.

(2)

De Europese Raad van Lissabon heeft de Gemeenschap tot doel gesteld om tegen 2010 de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld te worden.

(3)

De Raad heeft in zijn resolutie van 10 november 2003 (2) kwesties behandeld betreffende het beroep en de loopbaan van onderzoekers binnen de Europese onderzoeksruimte en heeft in het bijzonder het voornemen van de Commissie verwelkomd om toe te werken naar de ontwikkeling van een Europees handvest voor onderzoekers en een gedragscode voor de rekrutering van onderzoekers.

(4)

Het vastgestelde potentiële tekort aan onderzoekers (3), in het bijzonder in bepaalde sleuteldisciplines, zal in de nabije toekomst een ernstige bedreiging vormen voor de innovatiekracht, kenniscapaciteit en productiviteitsgroei van de Europese Unie en kan het bereiken van de Lissabon- en Barcelona-doelstellingen belemmeren. Bijgevolg moet Europa zijn aantrekkingskracht voor onderzoekers ingrijpend verbeteren en de participatie van vrouwelijke onderzoekers versterken door te helpen om de noodzakelijke voorwaarden te creëren voor meer duurzame en aantrekkelijke loopbanen voor vrouwen in O&O (4).

(5)

Toereikend en goed ontwikkeld menselijk potentieel in O&O is de hoeksteen van de voortgang in de wetenschappelijke kennis, technologische vooruitgang, het verbeteren van de levenskwaliteit, de verzekering van de welvaart van de Europese burgers en het bijdragen tot Europa’s concurrentievermogen.

(6)

Er moeten nieuwe instrumenten voor de loopbaanontwikkeling van onderzoekers worden ingevoerd en geïmplementeerd om aldus bij te dragen tot de verbetering van de loopbaanvooruitzichten voor onderzoekers in Europa.

(7)

Verbeterde en meer zichtbare loopbaanvooruitzichten dragen ook bij tot het opbouwen van een positieve publieke houding ten opzichte van het beroep van onderzoeker en stimuleren hierdoor dat meer jongeren een onderzoeksloopbaan kiezen.

(8)

Het uiteindelijke beleidsdoel van deze aanbeveling is om bij te dragen aan de ontwikkeling van een aantrekkelijke, open en duurzame Europese arbeidsmarkt voor onderzoekers, waar de raamwerkvoorwaarden het mogelijk maken onderzoekers van hoge kwaliteit te rekruteren en te behouden in omgevingen die bevorderlijk zijn voor effectieve prestaties en productiviteit.

(9)

De lidstaten moeten trachten de onderzoekers in alle stadia van de loopbaan systemen van duurzame loopbaanontwikkeling aan te bieden, ongeacht hun contractuele situatie en het gekozen O&O-loopbaantraject, en zij moeten nastreven ervoor te zorgen dat onderzoekers worden behandeld als professionelen en als een integraal onderdeel van de instellingen waarin zij werkzaam zijn.

(10)

Hoewel de lidstaten aanzienlijke inspanningen hebben geleverd om administratieve en wettelijke belemmeringen voor geografische en intersectorale mobiliteit op te heffen, blijven veel van deze belemmeringen nog bestaan.

(11)

Alle vormen van mobiliteit zouden gestimuleerd moeten worden als onderdeel van een samengesteld beleid inzake menselijk potentieel in O&O op nationaal, regionaal en institutioneel niveau.

(12)

De waarde van alle vormen van mobiliteit dient ten volle te worden erkend in de systemen voor loopbaanbeoordeling en loopbaanbevordering van onderzoekers, waardoor wordt gewaarborgd dat een dergelijke ervaring bevorderlijk is voor hun professionele ontwikkeling.

(13)

De ontwikkeling van een consistent loopbaan- en mobiliteitsbeleid voor onderzoekers naar (5) en uit de Europese Unie dient te worden overwogen met het oog op de situatie in ontwikkelingslanden en regio’s binnen en buiten Europa, zodat het opbouwen van onderzoekscapaciteiten binnen de Europese Unie niet ten koste gaat van minder ontwikkelde landen en regio’s.

(14)

Financiers of werkgevers van onderzoekers in hun rol van rekruteerder zouden verantwoordelijk dienen te zijn om onderzoekers te voorzien van open, transparante en internationaal vergelijkbare selectie- en rekruteringsprocedures.

(15)

De samenleving zou een grotere appreciatie dienen te hebben voor de verantwoordelijkheden en het professionalisme dat onderzoekers demonstreren bij de uitvoering van hun werk in de verschillende stadia van hun loopbaan en in hun veelzijdige rol van kenniswerkers, leiders, projectcoördinatoren, beheerders, supervisors, mentors, loopbaanadviseurs of wetenschapscommunicator.

(16)

Deze aanbeveling gaat ervan uit dat werkgevers of financiers van onderzoekers de primordiale verplichting hebben ervoor te zorgen dat zij voldoen aan de respectieve nationale, regionale of sectorale wettelijke vereisten.

(17)

Deze aanbeveling verschaft de lidstaten, werkgevers, financiers en onderzoekers een waardevol instrument om op vrijwillige basis verdere initiatieven te nemen voor de verbetering en consolidatie van de loopbaanvooruitzichten van onderzoekers in de Europese Unie en om een open arbeidsmarkt voor onderzoekers te creëren.

(18)

De in deze aanbeveling geschetste algemene beginselen en vereisten zijn het resultaat van een publiek consultatieproces waarbij de leden van de Stuurgroep voor menselijk potentieel en mobiliteit volledig betrokken zijn geweest,

BEVEELT AAN:

1)

dat de lidstaten trachten de noodzakelijke stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat werkgevers of financiers van onderzoekers een ondersteunende onderzoeksomgeving en arbeidscultuur ontwikkelen en in stand houden, waar individuen en onderzoeksgroepen worden gewaardeerd, gestimuleerd en ondersteund en voorzien van de nodige materiële en immateriële ondersteuning om hen in staat te stellen hun doelstellingen en taken te vervullen. Binnen deze context zou in het bijzonder prioriteit moeten worden gegeven aan de organisatie van arbeids- en opleidingsvoorwaarden in het vroege stadium van de onderzoekersloopbaan, aangezien dit bijdraagt tot de toekomstige keuzes en aantrekkingskracht van een loopbaan in O&O;

2)

dat de lidstaten trachten overal waar het nodig is de cruciale stappen te zetten om ervoor te zorgen dat werkgevers of financiers van onderzoekers de rekruteringsmethoden en loopbaanevaluatie-/beoordelingssystemen verbeteren teneinde een meer transparant, open, gelijkwaardig en internationaal aanvaard systeem van rekrutering en loopbaanontwikkeling te creëren, als een eerste vereiste voor een echte Europese arbeidsmarkt voor onderzoekers;

3)

dat de lidstaten, bij het formuleren en vaststellen van hun strategieën en systemen voor het ontwikkelen van duurzame loopbanen voor onderzoekers, naar behoren rekening houden met en zich laten leiden door de algemene beginselen en vereisten, aangeduid als het Europese Handvest voor Onderzoekers en de Gedragscode voor de Rekrutering van Onderzoekers, zoals opgenomen in de bijlage;

4)

dat de lidstaten trachten deze algemene beginselen en vereisten binnen hun terrein van verantwoordelijkheid om te zetten in nationale regelgevende kaders of sectorale en/of institutionele standaarden en richtsnoeren (handvesten en/of codes voor onderzoekers). Daarbij zouden zij rekening moeten houden met de grote verscheidenheid van wetgeving, voorschriften en praktijken die in de verschillende landen en in de verschillende sectoren het traject, de organisatie en de arbeidsvoorwaarden in verband met een loopbaan in O&O bepalen;

5)

dat de lidstaten dergelijke algemene beginselen en vereisten beschouwen als een integraal deel van institutionele kwaliteitsgarantiemechanismen door deze te zien als een middel om financieringscriteria voor nationale/regionale financieringsschema’s vast te stellen en door deze aan te nemen voor de audit-, voortgangscontrole- en evaluatieprocessen van publieke instanties;

6)

dat de lidstaten hun inspanningen voortzetten voor het opheffen van de nog bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke belemmeringen van mobiliteit, inclusief die welke betrekking hebben op intersectorale mobiliteit en mobiliteit tussen en binnen verschillende functies, rekening houdend met een uitgebreide Europese Unie;

7)

dat de lidstaten trachten ervoor te zorgen dat onderzoekers adequate sociale zekerheidsdekking genieten overeenkomstig hun rechtspositie. Binnen deze context zou in het bijzonder aandacht moeten worden besteed aan de meeneembaarheid van pensioenrechten, zij het wettelijke of aanvullende, voor onderzoekers die zich bewegen binnen de publieke en particuliere sectoren in hetzelfde land, en ook voor diegenen die binnen de Europese Unie grensoverschrijdend werkzaam zijn. Dergelijke regelingen zouden moeten waarborgen dat onderzoekers die in de loop van hun leven van baan veranderen of hun loopbaan onderbreken, geen overmatig verlies van sociale zekerheidsrechten lijden;

8)

dat de lidstaten de noodzakelijke structuren voor voortgangscontrole instellen teneinde deze aanbeveling regelmatig te evalueren en te beoordelen in hoeverre werkgevers, financiers en onderzoekers het Europese Handvest voor Onderzoekers en de Gedragscode voor de Rekrutering van Onderzoekers hebben toegepast;

9)

dat de criteria om dit te beoordelen worden vastgesteld en overeengekomen met de lidstaten binnen de context van de werkzaamheden van de Stuurgroep voor menselijk potentieel en mobiliteit;

10)

dat de lidstaten in hun rol van vertegenwoordiger in de op intergouvernementeel niveau opgerichte internationale organisaties op gepaste wijze rekening houden met deze aanbeveling bij het voorstellen van strategieën en het nemen van beslissingen betreffende de activiteiten van deze organisaties.

11)

Deze aanbeveling is gericht tot de lidstaten maar is ook bedoeld als instrument voor het stimuleren van een sociale dialoog en de dialoog tussen onderzoekers, belanghebbenden en de samenleving in het algemeen.

12)

De lidstaten wordt verzocht de Commissie voorzover mogelijk vóór 15 december 2005 en daarna jaarlijks op de hoogte te brengen van alle maatregelen die zij hebben genomen ingevolge deze aanbeveling, de Commissie op de hoogte te stellen van de eerste resultaten van de toepassing ervan en voorbeelden te verstrekken van goede praktijk.

13)

Deze aanbeveling zal door de Commissie periodiek worden geëvalueerd in de context van de Open Methode van Coordinatie.

Gedaan te Brussel, 11 maart 2005.

Voor de Commissie

Janez POTOČNIK

Lid van de Commissie


(1)  Document COM(2000) 6 def. van 18 januari 2000.

(2)  Resolutie over het beroep en de loopbaan van onderzoekers binnen de Europese onderzoeksruimte (PB C 282 van 25.11.2003, blz. 1).

(3)  Documenten COM(2003) 226 def. en SEC(2003) 489 van 30 april 2003.

(4)  Document SEC(2005) 260.

(5)  Document COM(2004) 178 def. van 16 maart 2004.


BIJLAGE

DEEL 1

Het Europese Handvest voor Onderzoekers

Het Europese Handvest voor Onderzoekers is een verzameling algemene beginselen en vereisten die de functies, verantwoordelijkheden en rechten van onderzoekers alsmede van werkgevers en/of financiers van onderzoekers specificeert (1). Het doel van het Handvest is ervoor te zorgen dat de aard van de verhouding tussen onderzoekers en werkgevers of financiers bevorderlijk is voor succesvolle prestaties bij het genereren, overdragen, delen en verspreiden van kennis en technologische ontwikkeling, en voor de loopbaanontwikkeling van onderzoekers. Het Handvest erkent ook de waarde van alle vormen van mobiliteit als middel voor het bevorderen van de professionele ontwikkeling van onderzoekers.

In deze zin vormt het Handvest een kader voor onderzoekers, werkgevers en financiers waarbij dezen wordt verzocht verantwoordelijk en professioneel op te treden binnen hun werkomgeving en elkaar als zodanig te erkennen.

Het Handvest richt zich tot alle onderzoekers in de Europese Unie in alle stadia van hun loopbaan en heeft betrekking op alle terreinen van onderzoek in de publieke en particuliere sectoren, ongeacht de aard van de aanstelling of tewerkstelling (2), de rechtspositie van hun werkgever of het type organisatie of instelling waarin het werk wordt uitgevoerd. Het houdt rekening met de diverse functies van onderzoekers, die niet alleen worden aangesteld om onderzoek te verrichten en/of ontwikkelingsactiviteiten uit te voeren, maar ook betrokken zijn bij supervisie, mentoraat, beheer of administratieve taken.

Dit Handvest gaat ervan uit dat onderzoekers alsmede werkgevers en/of financiers van onderzoekers de primordiale verplichting hebben ervoor te zorgen dat zij voldoen aan de eisen van de respectieve nationale of regionale wetgeving. Daar waar onderzoekers een status en rechten genieten die in bepaalde opzichten gunstiger zijn dan die waarin dit Handvest voorziet, mag men zich niet op de bepalingen van het Handvest beroepen om aan verkregen status en rechten af te doen.

Onderzoekers alsmede werkgevers en financiers die zich aan dit Handvest houden respecteren eveneens de grondrechten en de beginselen die bij het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden erkend (3).

ALGEMENE BEGINSELEN EN VEREISTEN VAN TOEPASSING OP ONDERZOEKERS

Vrijheid van onderzoek

Onderzoekers moeten hun onderzoek richten op het welzijn van de mensheid en op het verleggen van de grenzen van de wetenschappelijke kennis, en genieten hierbij de vrijheid van gedachten en meningsuiting en de vrijheid om methoden te identificeren voor het oplossen van problemen, overeenkomstig erkende ethische beginselen en praktijken.

Onderzoekers zouden echter de beperkingen aan deze vrijheid moeten erkennen die kunnen ontstaan uit bijzondere omstandigheden in verband met onderzoek (inclusief supervisie/begeleiding/beheer) of operationele beperkingen, bijvoorbeeld om budgettaire of infrastructurele redenen of, met name in de industriële sector, om redenen van bescherming van de intellectuele eigendom. Dergelijke beperkingen mogen evenwel niet indruisen tegen erkende ethische beginselen en praktijken, waaraan onderzoekers zich dienen te houden.

Ethische beginselen

Onderzoekers dienen zich te houden aan de aan hun discipline(s) eigen erkende ethische praktijken en fundamentele ethische beginselen en aan de ethische normen zoals vastgelegd in de verschillende nationale, sectorale of institutionele ethische codes.

Professionele verantwoordelijkheid

Onderzoekers moeten hun uiterste best doen om ervoor te zorgen dat hun onderzoek relevant is voor de samenleving en geen onderzoek dupliceert dat eerder elders is verricht.

Zij moeten alle vormen van plagiaat vermijden en zich houden aan het beginsel van intellectuele eigendom en gezamenlijke gegevenseigendom bij onderzoek dat is uitgevoerd in samenwerking met supervisor(s) en/of andere onderzoekers. De noodzaak om nieuwe waarnemingen te valideren door aan te tonen dat experimenten reproduceerbaar zijn, mag niet worden geïnterpreteerd als plagiaat, mits de te bevestigen gegevens expliciet worden genoemd.

Onderzoekers moeten ervoor zorgen dat, indien enig aspect van hun werk wordt gedelegeerd, de persoon aan wie het wordt gedelegeerd, de bekwaamheid bezit om het uit te voeren.

Professionele houding

Onderzoekers moeten op de hoogte zijn van de strategische doelstellingen van hun onderzoeksomgeving en financieringsmechanismen en moeten alle nodige goedkeuringen hebben alvorens hun onderzoek te starten of ter beschikking gestelde hulpbronnen te gaan gebruiken.

Zij moeten hun werkgevers, financiers of supervisors op de hoogte brengen wanneer hun onderzoeksproject wordt vertraagd, opnieuw gedefinieerd of voltooid, of verwittigen indien het om welke reden dan ook vroeger moet worden beëindigd of wordt opgeschort.

Contractuele en wettelijke verplichtingen

Onderzoekers op alle niveaus moeten bekend zijn met de nationale, sectorale of institutionele regelingen met betrekking tot opleidings- en/of arbeidsvoorwaarden. Daartoe behoren regelingen inzake intellectuele-eigendomsrechten en de vereisten en voorwaarden van enige sponsor of financiers, onafhankelijk van de aard van hun contract. Onderzoekers moeten zich aan dergelijke regelingen houden door de vereiste resultaten (bijvoorbeeld proefschrift, publicaties, octrooien, rapporten, ontwikkeling van nieuwe producten, enz.) te leveren zoals geregeld in de bepalingen van het contract of een equivalent document.

Verantwoordingsplicht

Onderzoekers moeten er zich bewust van zijn dat zij verantwoording schuldig zijn aan hun werkgevers, financiers of andere gerelateerde publieke of particuliere instanties alsook, op meer ethische gronden, aan de samenleving in haar geheel. In het bijzonder zijn onderzoekers gefinancierd met publieke middelen, eveneens verantwoording schuldig voor het efficiënte gebruik van belastinggeld. Bijgevolg zouden zij zich dienen te houden aan de beginselen van deugdelijk, transparant en efficiënt financieel beheer en mee te werken bij geautoriseerde audits van hun onderzoek, ongeacht of deze worden uitgevoerd door hun werkgevers/financiers dan wel door ethische comités.

De methoden van verzameling en analyse, de output en, voorzover van toepassing, details betreffende de gegevens moeten openstaan voor intern en extern onderzoek, telkens wanneer dat nodig is en zoals gevraagd door de bevoegde autoriteiten.

Goede praktijken in onderzoek

Onderzoekers moeten te allen tijde veilige werkpraktijken volgen, in lijn met nationale wetgeving, inclusief het nemen van de nodige voorzorgsmaatregelen met het oog op gezondheid en veiligheid en schadeherstel bij belangrijke calamiteiten inzake de informatietechnologie, bijvoorbeeld door het opstellen van de juiste back-upstrategieën. Zij moeten ook op de hoogte zijn van de vigerende nationale wettelijke vereisten betreffende gegevensbescherming en geheimhouding, en de noodzakelijke stappen ondernemen om daaraan te allen tijde te voldoen.

Verspreiding, benutting van resultaten

Alle onderzoekers zouden er zorg voor moeten dragen, in overeenstemming met hun contractuele regelingen, dat de resultaten van hun onderzoek worden verspreid en benut, bijvoorbeeld bekendgemaakt, overgedragen aan andere onderzoeksomgevingen of, in voorkomende gevallen, op de markt gebracht. In het bijzonder van ervaren onderzoekers wordt verwacht dat zij het voorbeeld geven door ervoor te zorgen dat onderzoek vruchtbaar is en dat resultaten commercieel worden benut of toegankelijk worden gemaakt voor het publiek (of beide) telkens wanneer zich de gelegenheid voordoet.

Publieke betrokkenheid

Onderzoekers zouden er zorg voor moeten dragen dat de samenleving in haar totaliteit op een zodanige wijze met hun onderzoeksactiviteiten bekend wordt gemaakt dat deze te begrijpen zijn door niet-specialisten, waarmee het publieke begrip van wetenschap verbeterd wordt. Directe betrokkenheid met het publiek zal onderzoekers helpen bij het beter begrijpen van het publieke belang bij prioriteiten inzake wetenschap en technologie en ook van datgene wat het publiek bezighoudt.

Relatie met supervisors

Onderzoekers moeten in hun opleidingsfase een gestructureerde en regelmatige relatie met hun supervisor(s) en faculteits-/vakgroepvertegenwoordiger(s) tot stand brengen om ten volle van hun relatie met hen te kunnen profiteren.

Dit impliceert het houden van staten van alle werkvoortgang en onderzoeksbevindingen, het verkrijgen van terugkoppeling door middel van rapporten en seminars, het toepassen van dergelijke terugkoppeling en het werken in overeenstemming met overeengekomen schema’s, mijlpalen, prestaties en/of onderzoeksoutput.

Supervisie en beheersplichten

Ervaren onderzoekers moeten speciale aandacht besteden aan hun veelzijdige rol als supervisor, mentor, loopbaanadviseur, leider, projectcoördinator, beheerder of wetenschapscommunicator. Zij zouden deze opdrachten moeten uitvoeren volgens de hoogste beroepsstandaarden. Met betrekking tot hun rol als supervisor of mentor van onderzoekers zouden ervaren onderzoekers een constructieve en positieve relatie moeten opbouwen met beginnende onderzoekers, teneinde de voorwaarden te stellen voor efficiënte kennisoverdracht en voor de verdere succesvolle ontwikkeling van de loopbaan van onderzoekers.

Voortgezette professionele ontwikkeling

Onderzoekers in alle stadia van de loopbaan zouden ernaar moeten streven om voortdurend beter te worden door regelmatig hun vaardigheden en bekwaamheden bij te werken en uit te breiden. Dit kan op verschillende manieren worden bereikt inclusief, maar niet beperkt tot, formele opleiding, workshops, conferenties en e-leren.

ALGEMENE BEGINSELEN EN EISEN VAN TOEPASSING OP WERKGEVERS EN FINANCIERS

Erkenning van het beroep

Alle onderzoekers in een onderzoeksloopbaan zouden moeten worden erkend als professionelen en dienovereenkomstig moeten worden behandeld. Dit zou een aanvang moeten nemen aan het begin van hun loopbaan, namelijk op postgraduaat niveau, en dient alle niveaus te omvatten, ongeacht de indeling ervan op nationaal niveau (bijvoorbeeld werknemer, postgraduaat student, doctoraal kandidaat, postdoctoraal bursaal, ambtenaar).

Non-discriminatie

Werkgevers en/of financiers van onderzoekers zullen onderzoekers op geen enkele wijze discrimineren op basis van geslacht, leeftijd, etnische, nationale of sociale origine, religie of geloof, seksuele geaardheid, taal, invaliditeit, politieke overtuiging, sociale of economische situatie.

Onderzoeksomgeving

Werkgevers en/of financiers van onderzoekers zouden ervoor moeten zorgen dat een zo stimulerend mogelijke omgeving voor onderzoek of onderzoeksopleiding wordt gecreëerd met adequate uitrusting, faciliteiten en mogelijkheden, inclusief voor afstandssamenwerking via onderzoeksnetwerken, en dat de nationale of sectorale voorschriften betreffende gezondheid en veiligheid in onderzoek worden nageleefd. Financiers zouden ervoor moeten zorgen dat adequate hulpbronnen ter beschikking worden gesteld ter ondersteuning van het overeengekomen werkprogramma.

Arbeidsvoorwaarden

Werkgevers en/of financiers zouden ervoor moeten zorgen dat de arbeidsvoorwaarden voor onderzoekers, inclusief voor invalide onderzoekers, in voorkomende gevallen voorzien in de flexibiliteit die essentieel geacht wordt voor succesvolle onderzoeksprestaties, in overeenstemming met de bestaande nationale wetgeving en met de nationale of sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten. Zij zouden ernaar moeten streven te voorzien in arbeidsvoorwaarden die zowel mannelijke als vrouwelijke onderzoekers in staat stellen gezin en werk, kinderen en loopbaan te combineren (4). Speciale aandacht zou moeten worden besteed, inter alia, aan flexibele werktijden, deeltijdwerk, telewerken en sabbatverlof alsook aan de nodige financiële en administratieve voorzieningen betreffende dergelijke regelingen.

Stabiliteit en vastheid van betrekking

Werkgevers en/of financiers zouden ervoor moeten zorgen dat de prestaties van onderzoekers niet worden ondermijnd door instabiliteit van arbeidscontracten, en zouden zich derhalve zover mogelijk moeten verbinden tot het verbeteren van de stabiliteit van de arbeidsvoorwaarden voor onderzoekers en hiermee uitvoering geven aan en voldoen aan de beginselen en voorwaarden in Richtlijn 1999/70/EG van de Raad (5) inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.

Financiering en salariëring

Werkgevers en/of financiers van onderzoekers zouden ervoor moeten zorgen dat onderzoekers eerlijke en aantrekkelijke financierings- en/of salariëringsvoorwaarden genieten met adequate en billijke socialezekerheidsvoorzieningen (inclusief ziekte- en ouderschapsuitkeringen, pensioenrechten en werkloosheidsuitkeringen) in overeenstemming met de bestaande nationale wetgeving en met de nationale of sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten. Een en ander dient van toepassing te zijn op onderzoekers in alle stadia van de loopbaan inclusief beginnende onderzoekers, in overeenstemming met hun rechtspositie, prestaties en niveau van kwalificaties en/of verantwoordelijkheden.

Genderevenwicht (6)

Werkgevers en/of financiers zouden moeten streven naar een representatief genderevenwicht op alle personeelsniveaus, inclusief op superviserend en beheersniveau. Dit zou gerealiseerd moeten worden op basis van een beleid van gelijke kansen bij de rekrutering en in de daaropvolgende loopbaanstadia zonder echter voorrang te krijgen op kwaliteits- en competentiecriteria. Om gelijke behandeling te verzekeren zouden selectie- en evaluatiecomités een adequaat genderevenwicht moeten hebben.

Loopbaanontwikkeling

Werkgevers en/of financiers van onderzoekers zouden, bij voorkeur binnen het kader van hun beheer van human resources, een specifieke loopbaanontwikkelingsstrategie moeten uitwerken voor onderzoekers in alle stadia van hun loopbaan, ongeacht hun contractuele situatie, inclusief voor onderzoekers met een contract voor bepaalde tijd. Hierbij zou ook moeten worden voorzien in de beschikbaarheid van mentors die zich bezighouden met het ondersteunen en begeleiden voor de persoonlijke en professionele ontwikkeling van onderzoekers, waardoor dezen worden gemotiveerd en waarmee wordt bijgedragen aan een vermindering van elke onzekerheid in hun professionele toekomst. Alle onderzoekers moeten op de hoogte worden gebracht van dergelijke voorzieningen en regelingen.

Waarde van mobiliteit

De werkgevers en/of financiers moeten de waarde erkennen van geografische, intersectorale, inter- en transdisciplinaire en virtuele (7) mobiliteit alsook mobiliteit tussen de publieke en particuliere sector als een belangrijk middel om wetenschappelijke kennis en professionele ontwikkeling in elk stadium van de loopbaan van een onderzoeker te bevorderen. Bijgevolg zouden zij in de specifieke loopbaanontwikkelingsstrategie dergelijke opties moeten inbouwen en in het kader van hun loopbaanontwikkelings-/beoordelingssysteem elke mobiliteitservaring ten volle moeten waarderen en erkennen.

Dit vereist ook dat de nodige administratieve instrumenten worden ingevoerd om de meeneembaarheid van zowel toelagen als socialezekerheidsvoorzieningen mogelijk te maken, in overeenstemming met de nationale wetgeving.

Toegang tot onderzoeksopleiding en doorlopende ontwikkeling

Werkgevers en/of financiers zouden ervoor moeten zorgen dat alle onderzoekers in elk stadium van hun loopbaan, ongeacht hun contractuele situatie, de gelegenheid krijgen tot professionele ontwikkeling en tot het verbeteren van hun inzetbaarheid via de toegang tot maatregelen betreffende voortgezette ontwikkeling van vaardigheden en bekwaamheden.

Dergelijke maatregelen moeten regelmatig worden getoetst op toegankelijkheid, toepassing en doeltreffendheid in het verbeteren van bekwaamheden, vaardigheden en inzetbaarheid.

Toegang tot loopbaanadvies

Werkgevers en/of financiers zouden ervoor moeten zorgen dat loopbaanadvies en arbeidsbemiddelingshulp hetzij in de betrokken instellingen hetzij via samenwerking met andere structuren wordt aangeboden aan onderzoekers in alle stadia van hun loopbaan, ongeacht hun contractuele situatie.

Intellectuele-eigendomsrechten

Werkgevers en/of financiers zouden ervoor moeten zorgen dat onderzoekers in alle stadia van de loopbaan de vruchten plukken van de (eventuele) benutting van hun O&O-resultaten via juridische bescherming en met name via adequate bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten, inclusief auteursrechten.

Beleid en praktijken zouden moeten specificeren welke rechten toebehoren aan onderzoekers en/of, in voorkomende gevallen, aan hun werkgevers of andere partijen, inclusief externe commerciële of industriële organisaties, zoals mogelijk voorzien in specifieke samenwerkingsovereenkomsten of andere soorten overeenkomsten.

Medeauteurschap

Medeauteurschap zou door de instellingen bij het beoordelen van personeel moeten worden beschouwd als een positief element, als een blijk van een constructieve benadering bij het verrichten van onderzoek. Werkgevers en/of financiers zouden derhalve strategieën, praktijken en procedures moeten ontwikkelen om onderzoekers, inclusief onderzoekers die aan het begin staan van hun onderzoeksloopbaan, te voorzien van de nodige raamvoorwaarden opdat zij het recht kunnen genieten om te worden erkend en vermeld en/of geciteerd in de context van hun feitelijke bijdragen, als medeauteur van papers, octrooien, enz., of om onafhankelijk van hun supervisor(s) hun eigen onderzoeksresultaten te publiceren.

Supervisie

Werkgevers en/of financiers zouden ervoor moeten zorgen dat duidelijk een persoon wordt aangewezen op wie beginnende onderzoekers bij het uitvoeren van hun beroepswerkzaamheden kunnen terugvallen, en zouden de onderzoekers daarvan op de hoogte moeten brengen.

In dergelijke regelingen zou duidelijk moeten worden vastgelegd dat de voorgestelde supervisors voldoende deskundig zijn in het superviseren van onderzoek en de tijd, kennis, ervaring, expertise en betrokkenheid moeten hebben om de onderzoeker in opleiding de nodige ondersteuning te kunnen geven, en zouden moet voorzien in de nodige voortgangs- en evaluatieprocedures alsmede de nodige terugkoppelingsmechanismen.

Lesgeven

Lesgeven is een essentieel middel voor het structureren en verspreiden van kennis en zou derhalve als een waardevolle optie moeten worden beschouwd binnen de loopbaantrajecten van onderzoekers. De verantwoordelijkheden voor lesgeven zouden evenwel niet excessief mogen zijn en zouden met name onderzoekers die aan het begin staan van hun loopbaan, niet moeten verhinderen om hun onderzoeksactiviteiten uit te voeren.

Werkgevers en/of financiers zouden ervoor moeten zorgen dat taken in verband met lesgeven adequaat worden beloond en in aanmerking worden genomen in het kader van de evaluatie-/beoordelingssystemen en dat de tijd die door seniorpersoneelsleden aan de opleiding van beginnende onderzoekers wordt besteed, als lesopdracht wordt meegeteld. Als onderdeel van de professionele ontwikkeling van onderzoekers zou in een geschikte opleiding in lesgeven en coachen moeten worden voorzien.

Evaluatie-/beoordelingssystemen

Werkgevers en/of financiers zouden voor alle onderzoekers, inclusief senioronderzoekers, evaluatie-/beoordelingssystemen moeten invoeren voor het op regelmatige basis en op transparante wijze beoordelen van hun professionele prestaties door een onafhankelijk (en, bij senioronderzoekers, bij voorkeur internationaal) comité.

In het kader van dergelijke evaluatie- en beoordelingsprocedures zou op een adequate wijze rekening moeten worden gehouden met hun algehele onderzoekscreativiteit en onderzoeksresultaten, bijvoorbeeld publicaties, octrooien, beheer van onderzoek, lesgeven/lezingen geven, supervisie, mentoraat, nationale of internationale samenwerking, administratieve opdrachten, activiteiten op het gebied van publieksvoorlichting en mobiliteit, welke in de context van de loopbaanontwikkeling in aanmerking zouden moeten worden genomen.

Klachten/beroepsprocedures

Werkgevers en/of financiers van onderzoekers zouden, met inachtneming van de nationale voorschriften, adequate procedures moeten instellen, mogelijk in de vorm van een onpartijdige persoon (van het type ombudsman) voor het behandelen van klachten/beroep van onderzoekers, inclusief die welke betrekking hebben op conflicten tussen supervisor(s) en beginnende onderzoekers. In het kader van dergelijke procedures zou aan al het onderzoekspersoneel vertrouwelijke en informele hulp moeten worden geboden bij het oplossen van aan arbeid gerelateerde conflicten, geschillen en grieven, met het doel een eerlijke en billijke behandeling binnen de instelling te bevorderen en de algemene kwaliteit van de werkomgeving te verbeteren.

Participatie in besluitvormende instanties

Werkgevers en/of financiers van onderzoekers zouden het als volledig legitiem en daadwerkelijk wenselijk moeten beschouwen dat onderzoekers worden vertegenwoordigd in de relevante informatie-, consultatie- en besluitvormende instanties van de instellingen waarvoor zij werkzaam zijn, teneinde hun individuele en collectieve belangen als professionelen te beschermen en te bevorderen en actief bij te dragen aan de werking van de instelling (8).

Rekrutering

Werkgevers en/of financiers zouden ervoor moeten zorgen dat de instroom- en toelatingsnormen voor onderzoekers, in het bijzonder aan het begin van hun loopbaan, duidelijk zijn gespecificeerd, en zouden eveneens de toegang moeten vergemakkelijken voor minder bevoorrechte groepen of voor onderzoekers die een onderzoeksloopbaan hervatten, inclusief leraren (van elk niveau) die een onderzoeksloopbaan hervatten.

Werkgevers en/of financiers van onderzoekers zouden zich bij het aanstellen of rekruteren van onderzoekers moeten houden aan de beginselen die zijn opgenomen in de Gedragscode voor de Rekrutering van Onderzoekers.

DEEL 2

De Gedragscode voor de Rekrutering van Onderzoekers

De Gedragscode voor de Rekrutering van Onderzoekers bestaat uit een verzameling algemene beginselen en vereisten die door werkgevers en/of financiers zouden dienen te worden gevolgd bij het aanstellen of rekruteren van onderzoekers. Deze beginselen en vereisten zouden de naleving moeten verzekeren van waarden zoals transparantie van het rekruteringsproces en gelijke behandeling van alle sollicitanten, in het bijzonder wat betreft de ontwikkeling van een aantrekkelijke, open en duurzame Europese arbeidsmarkt voor onderzoekers, en dienen ter aanvulling van de beginselen en vereisten, geschetst in het Europese Handvest voor Onderzoekers. Instellingen en werkgevers die zich aan de Gedragscode houden, geven openlijk te kennen dat zij zich ertoe verbinden op een verantwoorde en respectvolle wijze te handelen en eerlijke raamvoorwaarden aan onderzoekers aan te bieden, met de duidelijke bedoeling bij te dragen tot de bevordering van de Europese onderzoeksruimte.

ALGEMENE BEGINSELEN EN VEREISTEN BETREFFENDE DE GEDRAGSCODE

Rekrutering

Werkgevers en/of financiers zouden rekruteringsprocedures moeten instellen die open (9), efficiënt, transparant, ondersteunend en internationaal vergelijkbaar zijn, alsook toegesneden op het type van posities waarvoor wordt geadverteerd.

Advertenties zouden een brede beschrijving moeten omvatten van de vereiste kennis en bekwaamheden en zouden niet zodanig gespecialiseerd moeten zijn dat geschikte kandidaten worden ontmoedigd. Werkgevers zouden een beschrijving moeten opnemen van de arbeidsvoorwaarden en rechten, inclusief loopbaanontwikkelingsvooruitzichten. Bovendien zou de periode tussen het adverteren van de vacature of de oproep tot sollicitaties en de termijn om te reflecteren realistisch moeten zijn.

Selectie

Selectiecomités zouden uiteenlopende deskundigheid en competenties in zich moeten verenigen, zouden een adequaat genderevenwicht moeten hebben en, in voorkomende gevallen en voorzover haalbaar, leden omvatten uit verschillende sectoren (publieke en particuliere) en disciplines, inclusief uit andere landen en met relevante ervaring om de kandidaat te beoordelen. Telkens wanneer mogelijk zou een brede waaier van selectiepraktijken moeten worden gebruikt, zoals beoordeling door externe deskundigen en persoonlijke interviews. De leden van de selectiepanels zouden adequaat moeten zijn opgeleid.

Transparantie

De kandidaten moeten vóór de selectie worden geïnformeerd over het rekruteringsproces en de selectiecriteria, het aantal beschikbare posities en de loopbaanontwikkelingsvooruitzichten. Zij moeten na het selectieproces eveneens worden geïnformeerd over de sterke en zwakke punten van hun sollicitatie.

Beoordelen van verdiensten

Tijdens het selectieproces zou rekening moeten worden gehouden met de complete waaier van ervaring (10) van de kandidaten. Terwijl de nadruk weliswaar ligt op het totale potentieel als onderzoekers, zouden ook hun creativiteit en niveau van onafhankelijkheid in aanmerking moeten worden genomen.

Dit betekent dat verdiensten kwalitatief en kwantitatief zouden moeten worden beoordeeld, waarbij uitstekende resultaten binnen een gediversifieerd loopbaantraject en niet enkel het aantal publicaties centraal staan. Bijgevolg zou het belang van bibliometrische indexen een juiste weging moeten krijgen binnen een bredere waaier van evaluatiecriteria, die verband houden met activiteiten zoals lesgeven, supervisie, teamwerk, kennisoverdracht, beheer van onderzoek en innovatie, en publieksvoorlichting. Voor kandidaten met een industriële achtergrond zou vooral aandacht moeten worden besteed aan bijdragen tot octrooien, ontwikkeling of uitvindingen.

Variaties in de chronologie van curricula vitae (CV’s)

Loopbaanonderbrekingen of variaties in de chronologie van CV’s dienen niet te worden bestraft, maar te worden gezien als loopbaanevolutie en derhalve als een potentieel waardevolle bijdrage tot de professionele ontwikkeling van onderzoekers in de zin van een multidimensioneel loopbaantraject. Aan kandidaten zou bijgevolg de mogelijkheid moeten worden geboden om een CV op basis van bewijsstukken in te dienen dat een representatieve weergave is van de prestaties en kwalificaties die relevant zijn voor de post waarnaar wordt gesolliciteerd.

Erkenning van mobiliteitservaring

Elke mobiliteitservaring, bijvoorbeeld een verblijf in een ander land/regio of in een andere onderzoeksomgeving (publiek of particulier) of een verandering van discipline of sector, hetzij als onderdeel van de initiële onderzoeksopleiding, hetzij in een later stadium van de onderzoeksloopbaan, of een virtuele mobiliteitservaring zou moeten worden beschouwd als een waardevolle bijdrage tot de professionele ontwikkeling van een onderzoeker.

Erkenning van kwalificaties

Werkgevers en/of financiers zouden moeten voorzien in een adequate beoordeling en evaluatie van de academische en professionele kwalificaties, inclusief niet-formele kwalificaties, van alle onderzoekers, in het bijzonder binnen de context van internationale en professionele mobiliteit. Zij zouden zich op de hoogte moeten stellen en volledig bekend moeten raken met de regels, procedures en standaarden betreffende de erkenning van dergelijke kwalificaties en derhalve via beschikbare kanalen de bestaande nationale wetgeving, conventies en specifieke regels betreffende de erkenning van deze kwalificaties moeten verkennen (11).

Anciënniteit

De vereiste kwalificatieniveaus zouden in overeenstemming dienen te zijn met de vereisten van de positie en niet als toelatingsbarrière moeten worden aangewend. Bij de erkenning en evaluatie van kwalificaties zou het beoordelen van de prestaties van de persoon centraal moeten staan, veeleer dan zijn/haar omstandigheden of de reputatie van de instelling waar de kwalificaties werden behaald. Aangezien professionele kwalificaties in een vroeg stadium van een lange loopbaan kunnen worden behaald, zou ook het patroon van de levenslange professionele ontwikkeling moeten worden erkend.

Postdoctorale aanstellingen

Door de instellingen die postdoctorale onderzoekers aanstellen, zouden duidelijke regels en expliciete richtsnoeren moeten worden vastgesteld voor de rekrutering en aanstelling van postdoctorale onderzoekers, inclusief de maximumduur en de doelstellingen van dergelijke aanstellingen. Dergelijke richtsnoeren zouden rekening moeten houden met de tijd die werd besteed in eerdere postdoctorale aanstellingen bij andere instellingen, en in aanmerking moeten nemen dat de postdoctorale status een overgangsstatus moet zijn, met als voornaamste doel te voorzien in additionele professionele ontwikkelingsmogelijkheden voor een onderzoeksloopbaan in de context van loopbaanvooruitzichten op lange termijn.

DEEL 3

Definities

Onderzoekers

In het kader van deze aanbeveling wordt de internationaal erkende Frascati-definitie van onderzoek (12) gebruikt. Bijgevolg wordt verstaan onder onderzoekers:

Professionelen die zich bezighouden met de conceptie of schepping van nieuwe kennis, producten, processen, methoden en systemen, en met het beheer van de betrokken projecten”.

Meer bepaald heeft deze aanbeveling betrekking op alle personen die zich professioneel bezighouden met O&O in elk loopbaanstadium (13), ongeacht hun classificatie. Daartoe behoren alle activiteiten die verband houden met „fundamenteel onderzoek”, „strategisch onderzoek”, „toegepast onderzoek”, experimentele ontwikkeling en „overdracht van kennis” inclusief innovatie en adviserende, superviserende en onderwijsfuncties, het beheer van kennis en intellectuele-eigendomsrechten, de benutting van onderzoeksresultaten of wetenschapsjournalistiek.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen beginnende onderzoekers en ervaren onderzoekers:

Onder „beginnende onderzoekers” (14) wordt verstaan onderzoekers in de eerste vier jaar (voltijds equivalent) van hun onderzoeksactiviteit, inclusief de periode van onderzoeksopleiding.

Onder „ervaren onderzoekers” (15) wordt verstaan onderzoekers met, sinds het behalen van een universitair diploma dat hun toegang geeft tot doctorale studies, ten minste vier jaar onderzoekservaring (voltijds equivalent) in het land waarin de graad/het diploma werd behaald, of onderzoekers die al in het bezit zijn van een doctorsgraad (= postdoctoraal), ongeacht de tijd die het heeft gekost om deze te behalen.

Werkgevers

In de context van deze aanbeveling wordt onder „werkgevers” verstaan alle publieke of particuliere instellingen die onderzoekers in dienst hebben op contractuele basis of die als gastheer voor onderzoekers optreden krachtens andere types van contracten of regelingen, inclusief instellingen zonder een directe financiële relatie. Hiermee wordt vooral gedoeld op instellingen voor hoger onderwijs, faculteiten (vakgroepen), laboratoria, stichtingen of particuliere instanties waar onderzoekers hetzij een onderzoeksopleiding volgen hetzij onderzoeksactiviteiten uitvoeren op basis van financiering door derden.

Financiers

Onder „financiers” worden verstaan alle instanties (16) die financiering (inclusief stipendia, prijzen, subsidies en beurzen/toelagen) verstrekken aan openbare en particuliere onderzoeksinstellingen, inclusief instellingen voor hoger onderwijs. In deze hoedanigheid kunnen zij als sleutelvoorwaarde voor het verstrekken van financiering bedingen dat de gefinancierde instellingen effectieve strategieën, praktijken en mechanismen dienen te hebben en toe te passen overeenkomstig de in deze aanbeveling gepresenteerde algemene beginselen en eisen.

Aanstelling of bezigheid

Hieronder wordt verstaan elk type van contract of stipendium dan wel een beurs/toelage, subsidie of prijs gefinancierd door een derde partij inclusief financiering binnen de context van de kaderprogramma’s (17).


(1)  Zie de definitie in deel 3.

(2)  Zie de definitie in deel 3.

(3)  PB C 364 van 18.12.2000, blz. 1.

(4)  Zie document SEC(2005) 260 „Vrouwen en wetenschap: Excellentie en innovatie — Gendergelijkheid in wetenschap”.

(5)  Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB L 175 van 10.7.1999, blz. 43). Met deze richtlijn moet worden voorkomen dat voor bepaalde tijd aangestelde medewerkers een minder gunstige behandeling ten deel valt dan vaste werknemers met gelijkaardige functies en dat het gebruik van opeenvolgende arbeidscontracten voor bepaalde tijd aanleiding geeft tot misbruik, moet worden bereikt dat tijdelijke medewerkers beter toegang krijgen tot opleidingen en moet worden verzekerd dat tijdelijke medewerkers worden geïnformeerd over eventueel beschikbare vaste aanstellingen.

(6)  Zie document SEC(2005) 260 „Vrouwen en wetenschap: Excellentie en innovatie — Gendergelijkheid in wetenschap”.

(7)  Dit wil zeggen telesamenwerking via elektronische netwerken.

(8)  Zie in deze context ook Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 80 van 23.3.2002, blz. 29).

(9)  Er moet gebruik worden gemaakt van alle beschikbare instrumenten, met name internationaal of mondiaal toegankelijke webhulpbronnen zoals het pan-Europese portaal voor onderzoekersmobiliteit: http://europa.eu.int/eracareers

(10)  Zie ook het hoofdje „Evaluatie-/beoordelingssystemen” in deel 1 „Het Europese Handvest voor Onderzoekers”.

(11)  Zie http://www.enic-naric.net/ voor meer gedetailleerde informatie over het NARIC Network (National Academic Recognition Information Centres) en het ENIC Network (European Network of Information Centres).

(12)  Proposed Standard Practice for Surveys on Research and Experimental Development, Frascati Manual, OECD, 2002.

(13)  Document COM(2003) 436 van 18 juli 2003: Onderzoekers in de Europese onderzoeksruimte: Eén beroep, meerdere loopbanen.

(14)  Zie het werkprogramma „Structurering van de Europese onderzoeksruimte”: Menselijk potentieel en mobiliteit, Marie Curie-acties, uitgave september 2004, bladzijde 41.

(15)  Idem, bladzijde 42.

(16)  De Gemeenschap zal trachten de verbintenissen in deze aanbeveling toe te passen op de ontvanger van financiering in de context van de kaderprogramma’s voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie.

(17)  De kaderprogramma’s voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie.