ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 61

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

48e jaargang
8 maart 2005


Inhoud

 

I   Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

Bladzijde

 

 

Verordening (EG) nr. 380/2005 van de Commissie van 7 maart 2005 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

1

 

*

Verordening (EG) nr. 381/2005 van de Commissie van 7 maart 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1702/2003 van de Commissie tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties ( 1 )

3

 

*

Verordening (EG) nr. 382/2005 van de Commissie van 7 maart 2005 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1786/2003 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector gedroogde voedergewassen

4

 

*

Verordening (EG) nr. 383/2005 van de Commissie van 7 maart 2005 tot vaststelling van de ontstaansfeiten voor de wisselkoersen voor producten van de sector wijn

20

 

*

Verordening (EG) nr. 384/2005 van de Commissie van 7 maart 2005 tot vaststelling van het programma van speciale modules voor de jaren 2007-2009 bij de steekproefenquête naar de arbeidskrachten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 577/98 van de Raad ( 1 )

23

 

*

Richtlijn 2005/21/EG van de Commissie van 7 maart 2005 tot aanpassing aan de technische vooruitgang van Richtlijn 72/306/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de verontreiniging door dieselmotoren, bestemd voor het aandrijven van voertuigen ( 1 )

25

 

 

II   Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

 

 

Commissie

 

*

2005/177/EG:Beschikking van de Commissie van 7 maart 2005 betreffende de doorvoer van runderen door het Verenigd Koninkrijk (Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 509)  ( 1 )

28

 

*

2005/178/EG:Aanbeveling van de Commissie van 1 maart 2005 inzake een in 2005 uit te voeren gecoördineerd bewakingsprogramma van de Gemeenschap om de inachtneming van de maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in en op granen en bepaalde andere producten van plantaardige oorsprong te garanderen en inzake de nationale bewakingsprogramma’s voor 2006 ( 1 )

31

 

*

2005/179/EG:Beschikking van de Commissie van 4 maart 2005 tot wijziging van de Beschikkingen 93/52/EEG en 2003/467/EG wat betreft de verklaring dat Slovenië vrij is van brucellose (B. melitensis) en enzoötische boviene leukose en dat Slowakije vrij is van boviene tuberculose en boviene brucellose (Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 483)  ( 1 )

37

 

*

2005/180/EG:Beschikking van de Commissie van 4 maart 2005 houdende toestemming voor de lidstaten om krachtens Richtlijn 96/49/EG van de Raad bepaalde afwijkingen inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor vast te stellen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 443)  ( 1 )

41

 

*

2005/181/EG:Besluit nr. 2/2005 van het ACS-EG-Comité Douanesamenwerking van 1 maart 2005 houdende afwijking van de definitie van producten van oorsprong in verband met de bijzondere situatie van de ACS-staten met betrekking tot de productie van tonijnconserven en tonijnzijden (loins) (GS-post ex 16.04)

48

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Verordening (EG) nr. 1973/2004 van de Commissie van 29 oktober 2004 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad met betrekking tot de bij de titels IV en IV bis van die verordening ingestelde steunregelingen en het gebruik van braakgelegde grond voor de productie van grondstoffen (PB L 345 van 20.11.2004)

51

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

8.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 61/1


VERORDENING (EG) Nr. 380/2005 VAN DE COMMISSIE

van 7 maart 2005

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 8 maart 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 maart 2005.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1947/2002 (PB L 299 van 1.11.2002, blz. 17).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 7 maart 2005 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

052

111,6

204

89,0

212

129,8

624

147,8

999

119,6

0707 00 05

052

182,7

068

159,6

204

147,0

999

163,1

0709 10 00

220

27,5

999

27,5

0709 90 70

052

176,9

204

149,2

999

163,1

0805 10 20

052

46,3

204

44,9

212

52,8

220

51,9

421

39,1

624

52,6

999

47,9

0805 50 10

052

55,6

220

22,0

624

51,0

999

42,9

0808 10 80

388

85,5

400

109,0

404

72,2

508

77,7

512

72,2

528

62,1

720

63,1

999

77,4

0808 20 50

052

196,3

388

69,4

400

99,6

512

83,1

528

62,3

720

45,1

999

92,6


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 2081/2003 van de Commissie (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11). De code „999” staat voor „andere oorsprong”.


8.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 61/3


VERORDENING (EG) Nr. 381/2005 VAN DE COMMISSIE

van 7 maart 2005

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1702/2003 van de Commissie tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1592/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2002 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (1), en met name op de artikelen 5, lid 4, en 6, lid 3.

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1592/2002 werd tenuitvoergelegd door middel van Verordening (EG) nr. 1702/2003 van de Commissie van 24 september 2003 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties (2).

(2)

De huidige tekst van paragraaf 21.A.163, onder c), van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1702/2003 over de bevoegdheid van een erkende productieorganisatie om certificaten van geschiktheid voor gebruik („EASA-formulier”) voor producten af te geven, geeft aanleiding tot afwijkende interpretaties en geeft niet de oorspronkelijke bedoeling weer, namelijk een dergelijke bevoegdheid toe te kennen aan erkende productieorganisaties.

(3)

Verordening (EG) nr. 1702/2003 van de Commissie moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De in deze verordening vastgelegde maatregelen zijn gebaseerd op het advies van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (3), in overeenstemming met de artikelen 12, lid 2, onder b), en 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1592/2002.

(5)

De in deze verordening vastgelegde maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart dat bij artikel 54 van Verordening (EG) nr. 1592/2002 is ingesteld,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In paragraaf 21A.163, onder c), van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1702/2003, worden de woorden „overeenkomstig 21A.307” geschrapt.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 maart 2005.

Voor de Commissie

Jacques BARROT

Vice-voorzitter


(1)  PB L 240 van 7.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1701/2003 van de Commissie (PB L 243 van 27.9.2003, blz. 5).

(2)  PB L 243 van 27.9.2003, blz. 6.

(3)  Advies nr. 1/2004 van 24.2.2004.


8.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 61/4


VERORDENING (EG) Nr. 382/2005 VAN DE COMMISSIE

van 7 maart 2005

tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1786/2003 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector gedroogde voedergewassen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1786/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector gedroogde voedergewassen (1), en met name op artikel 20,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (2), en met name op artikel 71, lid 2, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Omdat Verordening (EG) nr. 1786/2003 in de plaats is gekomen van Verordening (EG) nr. 603/95 van de Raad (3), dienen nieuwe uitvoeringsbepalingen te worden vastgesteld. Bijgevolg dient Verordening (EG) nr. 785/95 van de Commissie van 6 april 1995 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 603/95 van de Raad van 21 februari 1995 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector gedroogde voedergewassen (4) te worden ingetrokken.

(2)

Duidelijkheidshalve moeten bepaalde begrippen worden gedefinieerd.

(3)

In het licht van de in artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1786/2003 gestelde eisen dient te worden bepaald dat het moet gaan om producten van de minimumkwaliteit zoals omschreven aan de hand van het vocht- en het eiwitgehalte. Gezien de handelsgebruiken moeten voor bepaalde productieprocédés onderscheiden vochtgehalten worden vastgesteld.

(4)

Voedergewassen die afkomstig zijn van oppervlakten waarvoor reeds steun zoals bedoeld in titel IV van Verordening (EG) nr. 1782/2003 wordt verleend, dienen te worden uitgesloten van de steun waarin Verordening (EG) nr. 1786/2003 voorziet.

(5)

In artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1786/2003 is bepaald dat de lidstaten een controlesysteem moeten invoeren om bij elk verwerkingsbedrijf en elke koper van kunstmatig te drogen voedergewassen te kunnen nagaan of aan de in die verordening gestelde voorwaarden wordt voldaan. Om deze controle te vergemakkelijken en ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de voorwaarden om recht op de steun te hebben, dient te worden bepaald dat de verwerkingsbedrijven en de kopers van kunstmatig te drogen voedergewassen een erkenningsprocedure moeten ondergaan. Met hetzelfde doel dient te worden bepaald welke gegevens moeten worden opgenomen in de steunaanvragen, de voorraadboekhouding en de leveringsaangiften van de verwerkingsbedrijven. Ten slotte dient te worden aangegeven welke andere bewijsstukken moeten worden verstrekt.

(6)

De naleving van de aan de gedroogde voedergewassen gestelde kwaliteitseisen moet streng worden gecontroleerd op basis van een regelmatige bemonstering van eindproducten die het verwerkingsbedrijf verlaten. In het geval dat deze producten met andere stoffen worden vermengd, moet vóór de menging worden bemonsterd.

(7)

Ter controle van de overeenstemming tussen de aan de verwerkingsbedrijven geleverde hoeveelheden grondstoffen en de hoeveelheden gedroogde voedergewassen die deze bedrijven verlaten, is het nodig dat deze bedrijven de te verwerken voedergewassen systematisch wegen en het vochtgehalte ervan bepalen.

(8)

Om de afzet van de te verwerken voedergewassen te vergemakkelijken en het de bevoegde autoriteiten mogelijk te maken de nodige controles op het recht op de steun te verrichten, moeten de contracten tussen de verwerkingsbedrijven en de landbouwers worden gesloten vóór de levering van de grondstoffen en moeten zij vóór een bepaalde datum worden meegedeeld aan de bevoegde autoriteiten opdat deze de omvang van de productie kunnen ramen. Daartoe is het noodzakelijk dat de contracten schriftelijk worden gesloten en met name de volgende gegevens bevatten: de datum waarop het contract is gesloten, het betrokken verkoopseizoen, naam en adres van de contractanten, de aard van de te verwerken producten en de identificatie van het perceel landbouwgrond waarop de te verwerken voedergewassen zijn geteeld.

(9)

In bepaalde gevallen waarin geen contract hoeft te worden gesloten, moet het verwerkingsbedrijf een leveringsaangifte opstellen, waarvoor dezelfde voorwaarden dienen te gelden als voor een contract.

(10)

Voor een uniforme toepassing van de steunregeling dient te worden bepaald hoe de steun wordt uitgekeerd.

(11)

Verordening (EG) nr. 1786/2003 schrijft controles in de onderscheiden fasen van het productieproces voor, ook door uitwisseling met het bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde geïntegreerd beheers- en controlesysteem. Derhalve is het wenselijk de controles inzake de identificatie van de betrokken percelen landbouwgrond te koppelen aan de controles in het kader van dat systeem.

(12)

Aangezien het een in bijlage V bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 genoemde regeling betreft, dienen de lidstaten, om elke onrechtmatige toekenning van steun te voorkomen, kruiscontroles te verrichten waarbij de in de contracten en/of de leveringsaangiften vermelde percelen landbouwgrond worden vergeleken met die welke de producenten hebben aangegeven in hun verzamelsteunaanvraag.

(13)

Om ervoor te zorgen dat het bepaalde in Verordening (EG) nr. 1786/2003 en in de onderhavige verordening wordt nageleefd, met name wat het recht op de steun betreft, dient ter bestraffing van elk misbruik te worden voorzien in bepaalde kortingen op het steunbedrag en uitsluitingen van de steunverlening, waarbij echter rekening moet worden gehouden met het evenredigheidsbeginsel en met de specifieke problemen die door overmacht of uitzonderlijke omstandigheden worden veroorzaakt. De kortingen en uitsluitingen moeten worden gedifferentieerd naar gelang van de ernst van de onregelmatigheid en bepaald dient te worden dat de sanctie kan gaan tot volledige uitsluiting van de steunverlening gedurende een bepaalde tijd.

(14)

Voor een goed beheer van de markt voor gedroogde voedergewassen is het nodig dat bepaalde gegevens regelmatig aan de Commissie worden meegedeeld.

(15)

Met het oog op de opstelling van het overeenkomstig artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1786/2003 in 2008 uit te brengen verslag over de sector dient te worden bepaald dat gegevens moeten worden meegedeeld over de voederarealen en over het energieverbruik voor de productie van gedroogde voedergewassen.

(16)

Overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1786/2003 moet een overgangsmaatregel worden vastgesteld met betrekking tot de op 31 maart 2005 bestaande voorraden.

(17)

Voor het geval dat de in artikel 71 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde facultatieve overgangsperiode wordt toegepast, dient te worden bepaald onder welke voorwaarden de in dat artikel bedoelde steun wordt verleend.

(18)

Verordening (EG) nr. 1786/2003 is van toepassing met ingang van 1 april 2005, de datum waarop het verkoopseizoen 2005/2006 ingaat. De onderhavige verordening moet derhalve op dezelfde datum van toepassing worden.

(19)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het gezamenlijke Comité van beheer voor granen en rechtstreekse betalingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1

ONDERWERP, BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN EN SUBSIDIABILITEITSVOORWAARDEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden de uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1786/2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector gedroogde voedergewassen vastgesteld.

Artikel 2

Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.

„gedroogde voedergewassen”: de in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1786/2003 bedoelde producten, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de volgende categorieën:

a)

„kunstmatig gedroogde voedergewassen”: de in artikel 1, onder a), eerste en derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1786/2003 bedoelde producten die kunstmatig zijn gedroogd door middel van een warmtebehandeling, waaronder de „andere dergelijke voedergewassen”, te weten alle door middel van een warmtebehandeling kunstmatig gedroogde kruidachtige voedergewassen van GN-code 1214 90 90, en met name:

de kruidachtige leguminosen,

de kruidachtige gramineeën,

de in bijlage IX, punt I, bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 genoemde graansoorten die als hele, groene plant met onrijpe korrels zijn geoogst;

b)

„in de zon gedroogde voedergewassen”: de in artikel 1, onder a), tweede en vierde alinea, van Verordening (EG) nr. 1786/2003 bedoelde producten die op een andere manier zijn gedroogd dan kunstmatig door middel van een warmtebehandeling, en zijn vermalen;

c)

„eiwitconcentraten”: de in artikel 1, onder b), eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1786/2003 bedoelde producten;

d)

„kunstmatig gedroogde producten”: de in artikel 1, onder b), tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1786/2003 bedoelde producten;

2.

„verwerkingsbedrijf”: het in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1786/2003 bedoelde bedrijf voor de productie van gedroogde voedergewassen dat is erkend door de lidstaat waaronder het ressorteert, en dat een van de volgende werkzaamheden verricht:

a)

kunstmatig drogen van verse voedergewassen in een drooginstallatie die voldoet aan de volgende voorwaarden:

de luchttemperatuur bij de ingang bedraagt ten minste 250 oC; transportbanddrogers die werken met een luchttemperatuur bij de ingang van ten minste 100 oC en waarvoor vóór het begin van het verkoopseizoen 1999/2000 een erkenning is verleend, hoeven echter niet aan deze voorwaarde te voldoen,

de behandeling van de kunstmatig te drogen voedergewassen in de installatie duurt ten hoogste drie uur,

in geval van droging van de voedergewassen in lagen is elke laag ten hoogste 1 m dik;

b)

vermalen van in de zon gedroogde voedergewassen;

c)

vervaardiging van eiwitconcentraten;

3.

„koper van te drogen en/of te vermalen voedergewassen”: de in artikel 10, onder c), iii), van Verordening (EG) nr. 1786/2003 bedoelde natuurlijke of rechtspersoon die is erkend door de lidstaat waaronder hij ressorteert, en die bij producenten verse voedergewassen koopt om deze te leveren aan verwerkingsbedrijven;

4.

„partij”: een bepaalde hoeveelheid voedergewassen, van uniforme kwaliteit wat samenstelling en vocht- en eiwitgehalte betreft, die het verwerkingsbedrijf in één keer verlaat;

5.

„mengsel”: een voor diervoeding bestemd product dat bestaat uit enerzijds gedroogde voedergewassen die door het verwerkingsbedrijf zijn gedroogd en/of vermalen, en anderzijds toevoegingen.

„Toevoegingen” zijn producten van een andere aard dan gedroogde voedergewassen, met inbegrip van bindmiddelen en agglomererende stoffen, dan wel producten van dezelfde aard die elders zijn gedroogd en/of vermalen.

Een gedroogd voedergewas dat toevoegingen bevat die niet meer dan 3 % van het totale gewicht van het eindproduct uitmaken, wordt echter niet als een mengsel beschouwd mits het gehalte aan totale stikstof in de droge stof van de toevoegingen ten hoogste 2,4 % bedraagt;

6.

„percelen landbouwgrond”: percelen die zijn geïdentificeerd met behulp van het in de artikelen 18 en 20 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie (5) bedoelde systeem voor de identificatie van de percelen landbouwgrond van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem;

7.

„verzamelsteunaanvraag”: de in artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en in de artikelen 12 en 14 van Verordening (EG) nr. 796/2004 bedoelde steunaanvraag;

8.

„eindontvanger van een partij gedroogde voedergewassen”: de persoon die deze partij als laatste in dezelfde vorm heeft ontvangen als die waarin de partij het verwerkingsbedrijf had verlaten, om de gedroogde voedergewassen te verwerken of voor diervoeding te gebruiken.

Artikel 3

Subsidiabele producten

Voor de toepassing van de onderhavige verordening komen voor de in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1786/2003 bedoelde steun de gedroogde voedergewassen in aanmerking die voldoen aan de eisen om als diervoeder in de handel te worden gebracht en die:

a)

in ongewijzigde staat of verwerkt in een mengsel worden afgevoerd van het bedrijfsterrein van het verwerkingsbedrijf dan wel, indien zij niet op dat terrein kunnen worden opgeslagen, uit welke daarbuiten gelegen opslagplaats ook die voldoende garanties biedt voor de controle van de opgeslagen voedergewassen en vooraf door de bevoegde autoriteit is erkend;

b)

bij het verlaten van het verwerkingsbedrijf de volgende kenmerken bezitten:

i)

een maximumvochtgehalte van:

12 % voor in de zon gedroogde voedergewassen, kunstmatig gedroogde voedergewassen die zijn vermalen, eiwitconcentraten en kunstmatig gedroogde producten,

14 % voor andere kunstmatig gedroogde voedergewassen;

ii)

een minimumgehalte aan totaal ruw eiwit in de droge stof van:

15 % voor kunstmatig gedroogde voedergewassen, in de zon gedroogde voedergewassen en kunstmatig gedroogde producten,

45 % voor eiwitconcentraten.

Het recht op de steun blijft beperkt tot de hoeveelheden producten die zijn verkregen door droging van voedergewassen die zijn geproduceerd op voor landbouw in de zin van artikel 51 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 gebruikte percelen.

Artikel 4

Uitsluiting

Voedergewassen die afkomstig zijn van oppervlakten die in aanmerking worden genomen voor steunverlening in het kader van een steunregeling zoals vastgesteld bij titel IV van Verordening (EG) nr. 1782/2003, worden uitgesloten van de in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1786/2003 bedoelde steun.

Voor de oppervlakten waarvoor steun voor zaaizaad zoals bedoeld in hoofdstuk 9 van titel IV van Verordening (EG) nr. 1782/2003 wordt toegekend, geldt evenwel dat de uitsluiting van de steun voor verwerking tot gedroogde voedergewassen beperkt blijft tot de voedergewassen waarvan de zaden zijn geoogst.

Voorts kan de steun voor verwerking tot gedroogde voedergewassen worden toegekend voor voedergewassen van oppervlakten waarvoor een areaalbetaling voor akkerbouwgewassen zoals bedoeld in hoofdstuk 10 van titel IV van Verordening (EG) nr. 1782/2003 wordt verleend, mits die oppervlakten volgens de plaatselijke normen volledig met akkerbouwgewassen werden ingezaaid.

HOOFDSTUK 2

VERWERKINGSBEDRIJVEN EN KOPERS VAN TE DROGEN EN/OF TE VERMALEN VOEDERGEWASSEN

Artikel 5

Erkenning van de verwerkingsbedrijven

Voor de in artikel 2, punt 2, bedoelde erkenning moet het verwerkingsbedrijf:

a)

bij de bevoegde autoriteit een dossier indienen dat bestaat uit:

i)

een beschrijving van het bedrijfsterrein van het verwerkingsbedrijf, waarbij gegevens worden verstrekt over met name de ruimten waar de te verwerken producten worden aangevoerd en die waar de gedroogde voedergewassen worden afgevoerd, de opslagplaatsen voor de bij de verwerking te gebruiken producten en die voor de eindproducten en de ruimten waar de verwerking gebeurt,

ii)

een beschrijving van de technische installaties die voor de in artikel 2, punt 2, bedoelde werkzaamheden worden gebruikt, waaronder met name de ovens voor kunstmatige droging en de maalinrichtingen, met vermelding van het verdampingsvermogen per uur en van de bedrijfstemperatuur, en de weeginstallaties,

iii)

een lijst van de toevoegingen die vóór of tijdens het proces van kunstmatige droging worden gebruikt, en een indicatieve lijst van de overige bij de vervaardiging gebruikte producten en van de eindproducten,

iv)

de modellen van de registers voor de in artikel 12 bedoelde voorraadboekhouding;

b)

zijn bijgewerkte voorraad- en financiële boekhouding ter beschikking van de bevoegde autoriteit stellen;

c)

een vlot verloop van de controlewerkzaamheden bevorderen;

d)

de bij Verordening (EG) nr. 1786/2003 en de onderhavige verordening gestelde voorwaarden in acht nemen.

Worden een of meer elementen van het in de eerste alinea, onder a), bedoelde dossier gewijzigd, dan stelt het verwerkingsbedrijf de bevoegde autoriteit daarvan binnen tien kalenderdagen in kennis ter verkrijging van een bevestiging van de erkenning.

Artikel 6

Erkenning van de kopers van te drogen en/of te vermalen voedergewassen

Voor de in artikel 2, punt 3, bedoelde erkenning moet de koper van te drogen en/of te vermalen voedergewassen:

a)

een register voor de betrokken producten bijhouden waarin ten minste de dagelijkse aan- en verkopen per product worden genoteerd met vermelding, voor elke partij, van de hoeveelheid ervan, een verwijzing naar het contract met de producent die het product heeft geleverd, en in voorkomend geval het verwerkingsbedrijf van bestemming;

b)

zijn bijgewerkte voorraad- en financiële boekhouding ter beschikking van de bevoegde autoriteit stellen;

c)

een vlot verloop van de controlewerkzaamheden bevorderen;

d)

de bij Verordening (EG) nr. 1786/2003 en de onderhavige verordening gestelde voorwaarden in acht nemen.

Artikel 7

Verlening en intrekking van de erkenningen

De in artikel 2, punten 2 en 3, bedoelde erkenningen worden door de belanghebbenden aangevraagd vóór het begin van het verkoopseizoen.

De erkenningen worden door de bevoegde autoriteit van elke lidstaat verleend vóór het begin van het verkoopseizoen. In uitzonderingsgevallen kan de bevoegde autoriteit gedurende een periode van ten hoogste twee maanden na het begin van het betrokken verkoopseizoen een voorlopige erkenning verlenen. In dergelijke gevallen wordt het bedrijf als erkend beschouwd totdat de bevoegde autoriteit de definitieve erkenning verleent.

Onverminderd artikel 30 geldt dat, indien aan een of meer van de in artikel 5 of 6 gestelde voorwaarden niet langer wordt voldaan, de bevoegde autoriteit de erkenning intrekt tenzij het verwerkingsbedrijf of de koper van te drogen en/of te vermalen voedergewassen binnen een naar gelang van de ernst van het probleem vast te stellen termijn de nodige maatregelen neemt om opnieuw aan die voorwaarden te voldoen.

Artikel 8

Verplichtingen met betrekking tot de vervaardiging van voedergewassen

In het geval dat een verwerkingsbedrijf zowel kunstmatig gedroogde voedergewassen en/of eiwitconcentraten als in de zon gedroogde voedergewassen vervaardigt:

a)

moeten de kunstmatig gedroogde voedergewassen in andere ruimten of op andere plaatsen worden vervaardigd dan de in de zon gedroogde voedergewassen;

b)

moeten de producten van elk van die twee productieprocessen op verschillende plaatsen worden opgeslagen;

c)

is het verboden om in het bedrijf een product dat tot één van die twee groepen behoort, te mengen met een product uit de andere groep.

Artikel 9

Verplichtingen met betrekking tot de aan- en afvoer van producten

Voordat het verwerkingsbedrijf andere producten dan te drogen en/of te vermalen voedergewassen op zijn bedrijfsterrein binnenbrengt met het oog op de vervaardiging van mengsels, stelt het de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat daarvan in kennis onder vermelding van de aard en de hoeveelheden van de aan te voeren producten.

Indien het bij deze aanvoer gaat om voedergewassen die door een ander verwerkingsbedrijf zijn gedroogd en/of vermalen, deelt het bedrijf de bevoegde autoriteit bovendien de herkomst en de bestemming van deze voedergewassen mee. In dit geval mag de aanvoer slechts onder controle van de bevoegde autoriteit en onder de door haar vastgestelde voorwaarden plaatsvinden.

Gedroogde voedergewassen die een verwerkingsbedrijf hebben verlaten, mogen alleen om opnieuw verkoopklaar te worden gemaakt weer in dit bedrijf worden binnengebracht, zulks onder controle van de bevoegde autoriteit en onder de door haar vastgestelde voorwaarden.

Producten die overeenkomstig het onderhavige artikel (weer) op het bedrijfsterrein van het verwerkingsbedrijf zijn binnengebracht, mogen niet samen met door dat bedrijf gedroogde en/of vermalen voedergewassen worden opgeslagen. Bovendien worden zij overeenkomstig artikel 12, lid 1, vermeld in de boekhouding van het bedrijf.

Artikel 10

Weging, bemonstering en analyse van de gedroogde voedergewassen

1.   De in artikel 13, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1786/2003 bedoelde bemonstering en weging van de gedroogde voedergewassen worden door het verwerkingsbedrijf verricht op het tijdstip waarop de gedroogde voedergewassen het bedrijf verlaten.

Indien de gedroogde voedergewassen echter in het verwerkingsbedrijf in een mengsel worden verwerkt, worden de bemonstering en de weging vóór de menging verricht.

In het geval dat de menging vóór of tijdens de droging plaatsvindt, wordt een monster genomen na de droging; dit monster gaat vergezeld van een toelichting waarin wordt aangegeven dat het om een mengsel gaat onder vermelding van de aard, de naam, het gehalte aan totaal ruw eiwit in de droge stof en het procentuele aandeel in het eindproduct van elke toevoeging.

2.   De bevoegde autoriteit kan verlangen dat elk verwerkingsbedrijf haar ten minste twee werkdagen van tevoren van elke afvoer van gedroogde voedergewassen of verwerking van gedroogde voedergewassen in een mengsel in kennis stelt onder vermelding van de data en de hoeveelheden, opdat zij alle nodige controles kan verrichten.

In de loop van elk verkoopseizoen verricht de bevoegde autoriteit geregeld bemonsteringen en wegingen die betrekking hebben op ten minste 5 % van het gewicht van de gedroogde voedergewassen die het bedrijf verlaten, en ten minste 5 % van het gewicht van de gedroogde voedergewassen die er in een mengsel worden verwerkt.

3.   Om het vochtgehalte en het gehalte aan totaal ruw eiwit zoals bedoeld in artikel 3 te bepalen wordt elke partij gedroogde voedergewassen die het verwerkingsbedrijf verlaat of er in een mengsel wordt verwerkt, per hoeveelheid van ten hoogste 110 ton bemonsterd, waarbij de bemonstering en de gehaltebepalingen gebeuren volgens de methoden zoals omschreven in de Richtlijnen 76/371/EEG (6), 71/393/EEG (7) en 72/199/EEG (8) van de Commissie.

In het geval dat verscheidene partijen die een uniforme kwaliteit vertonen wat de soorten waaruit zij zijn samengesteld, het vochtgehalte en het eiwitgehalte betreft en die in totaal niet meer dan 110 ton wegen, het verwerkingsbedrijf verlaten of er in een mengsel worden verwerkt, wordt uit elke partij een monster genomen. De analyse wordt evenwel verricht aan een mengmonster dat representatief is voor deze monsters.

Artikel 11

Weging van de voedergewassen en meting van het vochtgehalte van de kunstmatig te drogen voedergewassen

1.   De verwerkingsbedrijven bepalen door systematische weging de exacte hoeveelheden kunstmatig te drogen voedergewassen en in de zon gedroogde voedergewassen die hen worden geleverd voor verwerking ervan.

2.   Systematische weging is niet verplicht indien de productie van het betrokken bedrijf niet meer dan 1 000 ton per verkoopseizoen bedraagt en dit bedrijf ten genoegen van de bevoegde autoriteit van de lidstaat aantoont dat het geen gebruik kan maken van een openbare weeginstallatie die zich binnen een straal van 5 km bevindt. In dit geval mogen de geleverde hoeveelheden worden bepaald met behulp van welke andere vooraf door die bevoegde autoriteit goedgekeurde methode dan ook.

3.   Het verwerkingsbedrijf meet het gemiddelde vochtgehalte van de hoeveelheden kunstmatig te drogen voedergewassen door de hoeveelheden die daarvan zijn gebruikt, te vergelijken met de verkregen hoeveelheden gedroogde voedergewassen.

4.   Vóór het einde van de eerste maand van elk kwartaal delen de verwerkingsbedrijven de bevoegde autoriteit het gemiddelde vochtgehalte zoals bedoeld in lid 3 mee dat in het voorgaande kwartaal is geconstateerd voor de kunstmatig te drogen voedergewassen die zij hebben verwerkt.

Artikel 12

Voorraadboekhouding van de verwerkingsbedrijven

1.   De in artikel 10, onder a), van Verordening (EG) nr. 1786/2003 bedoelde voorraadboekhouding van de verwerkingsbedrijven wordt gevoerd in samenhang met de financiële boekhouding en maakt het mogelijk om per dag op de hoogte te zijn van:

a)

de hoeveelheden producten die in het bedrijf binnenkomen om kunstmatig te worden gedroogd en/of te worden vermalen, waarbij voor elke inontvangstneming de volgende gegevens worden vermeld:

de datum van binnenkomst,

de betrokken hoeveelheid,

de soort of soorten zoals bedoeld in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1786/2003 voor kunstmatig te drogen voedergewassen en, in voorkomend geval, in de zon gedroogde voedergewassen,

het geconstateerde vochtgehalte van kunstmatig te drogen voedergewassen,

een verwijzing naar het contract en/of de leveringsaangifte zoals bedoeld in artikel 14 of 15 van de onderhavige verordening;

b)

de geproduceerde hoeveelheden en de hoeveelheden van alle eventueel bij de vervaardiging gebruikte toevoegingen;

c)

de afgevoerde hoeveelheden, waarbij voor elke partij de datum van afvoer en het geconstateerde vocht- en eiwitgehalte worden vermeld;

d)

de hoeveelheden gedroogde voedergewassen waarvoor de steun reeds aan een verwerkingsbedrijf is toegekend en die (opnieuw) op het bedrijfsterrein van het bedrijf worden binnengebracht;

e)

de voorraad gedroogde voedergewassen aan het einde van elk verkoopseizoen;

f)

de producten die zijn vermengd met of toegevoegd aan door het bedrijf gedroogde en/of vermalen voedergewassen, met vermelding van de aard, de naam, het gehalte aan totaal ruw eiwit in de droge stof en het procentuele aandeel in het eindproduct van elk van die producten.

2.   De verwerkingsbedrijven voeren voor kunstmatig gedroogde voedergewassen, in de zon gedroogde voedergewassen, eiwitconcentraten en kunstmatig gedroogde producten telkens een afzonderlijke voorraadboekhouding.

3.   In het geval dat een verwerkingsbedrijf door kunstmatige droging of door behandeling ook andere producten dan gedroogde voedergewassen vervaardigt, voert het voor die andere activiteiten op het gebied van kunstmatige droging of van behandeling een afzonderlijke voorraadboekhouding.

Artikel 13

Bewijsstukken met betrekking tot de voorraadboekhouding

1.   De verwerkingsbedrijven stellen de bevoegde autoriteit op haar verzoek met name de volgende bewijsstukken ter beschikking:

a)

de elementen aan de hand waarvan de productiecapaciteit van het bedrijf kan worden bepaald;

b)

een opgave van de brandstofvoorraad in het bedrijf aan het begin en aan het einde van de productie;

c)

de facturen voor de aankoop van brandstof en de meteropnamen voor het elektriciteitsverbruik in de productieperiode;

d)

een opgave van het aantal uren dat de drooginstallaties en, voor in de zon gedroogde voedergewassen, de maalinrichtingen hebben gewerkt;

e)

een volledig overzicht van het energieverbruik overeenkomstig bijlage I;

f)

de contracten en/of de leveringsaangiften.

2.   Verwerkingsbedrijven die hun product verkopen, stellen de bevoegde autoriteit naast de in lid 1 bedoelde stukken ook de volgende stukken ter beschikking: de facturen voor de aankoop van de te drogen en/of te vermalen voedergewassen en de facturen voor de verkoop van de gedroogde voedergewassen, waarin met name de hoeveelheid en de samenstelling van het verkochte product en de naam en het adres van de koper zijn vermeld.

Tot een groepering behorende bedrijven die de productie van de leden van de groepering verwerken en hen de gedroogde voedergewassen leveren, stellen de bevoegde autoriteit naast de in lid 1 bedoelde stukken ook de volgende stukken ter beschikking: de leveringsbonnen voor de producten die het bedrijf verlaten, of welke andere door de bevoegde autoriteit erkende boekhoudbescheiden dan ook, waarin met name de hoeveelheid en de samenstelling van het geleverde product en de namen van de ontvangers zijn vermeld.

Bedrijven die gedroogde voedergewassen produceren voor rekening van de landbouwer en hem die productie leveren, stellen de bevoegde autoriteit naast de in lid 1 bedoelde stukken ook de volgende stukken ter beschikking: de facturen voor de productiekosten, waarin met name de hoeveelheid en de samenstelling van de geproduceerde gedroogde voedergewassen en de naam van de landbouwer zijn vermeld.

HOOFDSTUK 3

CONTRACTEN EN LEVERINGSAANGIFTEN

Artikel 14

Contracten

1.   Elk contract zoals bedoeld in artikel 10, onder c), i) en iii), van Verordening (EG) nr. 1786/2003 bevat naast de in artikel 12 van die verordening genoemde gegevens met name ook de volgende gegevens:

a)

de namen, de voornamen en de adressen van de contractanten;

b)

de datum waarop het contract is gesloten;

c)

het betrokken verkoopseizoen;

d)

de soort of soorten te verwerken voedergewassen en de te verwachten hoeveelheid daarvan;

e)

de identificatie van het perceel of de percelen landbouwgrond waarop de te verwerken voedergewassen worden geteeld, met een verwijzing naar de verzamelsteunaanvraag waarin dat perceel of die percelen overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 796/2004 is of zijn aangegeven, of, voor een contract dat wordt gesloten of een leveringsaangifte die wordt opgesteld vóór de datum waarop de verzamelsteunaanvraag wordt ingediend, een verbintenis om dat perceel of die percelen in de verzamelsteunaanvraag aan te geven.

2.   In het geval dat een verwerkingsbedrijf een contract voor verwerking in loonwerk zoals bedoeld in artikel 12, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1786/2003 uitvoert dat is gesloten met een onafhankelijke landbouwproducent of met een of meer leden van de eigen groepering, worden in dat contract bovendien de volgende gegevens vermeld:

a)

het te leveren eindproduct,

b)

de door de producent te betalen kosten.

Artikel 15

Leveringsaangiften

1.   In het geval van een verwerkingsbedrijf dat zijn eigen productie verwerkt, of van een groepering die de productie van haar leden verwerkt, wordt een leveringsaangifte opgesteld die ten minste de volgende gegevens bevat:

a)

de leveringsdatum of, indien de levering plaatsvindt na de datum waarop de leveringsaangifte bij de bevoegde autoriteit wordt ingediend, een indicatieve leveringsdatum;

b)

de reeds ontvangen of nog te ontvangen hoeveelheden voedergewassen;

c)

de soort of soorten te verwerken voedergewassen;

d)

in voorkomend geval, de naam en het adres van het leverende lid van de groepering;

e)

de identificatie van het perceel of de percelen landbouwgrond waarop de te verwerken voedergewassen worden geteeld, met een verwijzing naar de verzamelsteunaanvraag waarin dat perceel of die percelen overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 796/2004 is of zijn aangegeven, of, voor een contract dat wordt gesloten of een leveringsaangifte die wordt opgesteld vóór de datum waarop de verzamelsteunaanvraag wordt ingediend, een verbintenis om dat perceel of die percelen in de verzamelsteunaanvraag aan te geven.

2.   In het geval dat een verwerkingsbedrijf door een erkende koper wordt bevoorraad, wordt een leveringsaangifte opgesteld die ten minste de volgende gegevens bevat:

a)

de identificatie van de erkende koper;

b)

de leveringsdatum of, indien de levering plaatsvindt na de datum waarop de leveringsaangifte bij de bevoegde autoriteit wordt ingediend, een indicatieve leveringsdatum;

c)

de reeds ontvangen of nog te ontvangen hoeveelheden voedergewassen, uitgesplitst per contract dat tussen de koper en een producent is gesloten, met vermelding van de referenties van die contracten;

d)

de soort of soorten te verwerken voedergewassen;

e)

de identificatie van het perceel of de percelen landbouwgrond waarop de te verwerken voedergewassen worden geteeld, met een verwijzing naar de verzamelsteunaanvraag waarin dat perceel of die percelen overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 796/2004 is of zijn aangegeven, of, voor een contract dat wordt gesloten of een leveringsaangifte die wordt opgesteld vóór de datum waarop de verzamelsteunaanvraag wordt ingediend, een verbintenis om dat perceel of die percelen in de verzamelsteunaanvraag aan te geven.

Artikel 16

Datum van het contract of van de leveringsaangifte

De in de artikelen 14 en 15 bedoelde contracten en leveringsaangiften worden ten minste twee werkdagen vóór de leveringsdatum schriftelijk gesloten, respectievelijk opgesteld.

De lidstaten kunnen evenwel een termijn met een duur tussen twee en acht werkdagen vóór de leveringsdatum bepalen.

Artikel 17

Mededelingen

De verwerkingsbedrijven en de kopers van te drogen en/of te vermalen voedergewassen bezorgen de bevoegde autoriteit uiterlijk op de vijftiende van elke maand een overzichtslijst van de in de voorgaande maand gesloten contracten en de in de voorgaande maand opgestelde leveringsaangiften.

De lijst bevat met name de volgende gegevens:

a)

de identiteit van de medecontractant van het verwerkingsbedrijf of de erkende koper, of die van de opsteller van de aangifte in het geval van een bedrijf dat zijn eigen productie verwerkt, of van een groepering die de productie van haar leden verwerkt;

b)

de datum van het contract of van de leveringsaangifte;

c)

de identificatiegegevens van de percelen landbouwgrond;

d)

de referentie van de betrokken verzamelsteunaanvraag.

De bevoegde autoriteit kan verzoeken de lijst langs elektronische weg toe te zenden.

HOOFDSTUK 4

STEUNAANVRAGEN EN BETALING VAN DE STEUN

Artikel 18

Termijn voor de indiening van de steunaanvragen

1.   Om de in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1786/2003 bedoelde steun te ontvangen dient het verwerkingsbedrijf voor de in een bepaalde maand uit dat bedrijf afgevoerde hoeveelheden een steunaanvraag in uiterlijk vijfenveertig kalenderdagen na afloop van die maand.

2.   Behoudens overmacht of uitzonderlijke omstandigheden:

a)

worden bij indiening van een aanvraag na het verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn de bedragen waarop het bedrijf recht zou hebben gehad indien de aanvraag binnen de gestelde termijn was ingediend, verlaagd met 1 % per werkdag vertraging;

b)

wordt de aanvraag niet langer als ontvankelijk beschouwd indien zij meer dan 25 kalenderdagen te laat wordt ingediend.

3.   Behoudens overmacht of uitzonderlijke omstandigheden kan voor een verkoopseizoen geen enkele steunaanvraag worden ingediend na 15 april volgende op het einde van dat verkoopseizoen.

Artikel 19

Inhoud van de aanvragen

1.   De steunaanvraag bevat ten minste de volgende gegevens:

a)

de naam, de voornaam, het adres en de handtekening van de aanvrager;

b)

de hoeveelheden waarvoor de steun wordt aangevraagd, uitgesplitst per partij;

c)

de datum waarop elke partij het bedrijfsterrein van het verwerkingsbedrijf heeft verlaten;

d)

de vermelding dat van elke partij overeenkomstig artikel 10, lid 3, monsters zijn genomen op het tijdstip waarop de partij het verwerkingsbedrijf verliet of de geproduceerde gedroogde voedergewassen in dit bedrijf in een mengsel werden verwerkt, en alle voor de identificatie van die monsters benodigde informatie;

e)

de vermelding, per partij, van alle eventuele toevoegingen onder opgave van de aard, de naam, het gehalte aan totaal ruw eiwit in de droge stof en het procentuele aandeel in het eindproduct van elke toevoeging;

f)

in het geval van een mengsel, de vermelding, per partij, van het gehalte aan totaal ruw eiwit van de door het verwerkingsbedrijf gedroogde voedergewassen die in het mengsel aanwezig zijn, waarbij het door de toevoegingen geleverde totale ruwe eiwit buiten beschouwing wordt gelaten.

2.   De aan een verwerkingsbedrijf toe te kennen steun betreft uitsluitend de in dat bedrijf gedroogde en/of vermalen voedergewassen na aftrek van het gewicht van alle toevoegingen.

Artikel 20

Voorschotten

1.   Om overeenkomstig artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1786/2003 een voorschot te kunnen ontvangen voegt de aanvrager bij zijn steunaanvraag een verklaring waarin wordt bevestigd dat de in dat lid bedoelde zekerheid is gesteld.

2.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om het recht op de steun te verifiëren binnen 90 kalenderdagen te rekenen vanaf de datum waarop de aanvraag is ingediend.

Artikel 21

Uiteindelijk bedrag van de steun

1.   De Commissie stelt volgens de in artikel 18, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1786/2003 bedoelde procedure het in artikel 4, lid 2, van die verordening bedoelde uiteindelijke bedrag van de steun vast. Dit bedrag wordt berekend op basis van de overeenkomstig artikel 33, lid 1, tweede alinea, van de onderhavige verordening door de lidstaten meegedeelde gegevens.

2.   In het geval dat een of meer lidstaten naar aanleiding van latere verificaties een tweede mededeling zoals bedoeld in artikel 33, lid 1, tweede alinea, indienen die is voorzien van een deugdelijke motivering en waarin de eerste mededeling in opwaartse richting wordt gecorrigeerd, kan die tweede mededeling slechts in aanmerking worden genomen indien het op basis van de eerste mededeling berekende uiteindelijke bedrag van de steun er niet door verandert. Hoeveelheden gedroogde voedergewassen die hierdoor niet in aanmerking zijn genomen, worden toegerekend aan het volgende verkoopseizoen.

3.   In voorkomend geval wordt het in artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1786/2003 bedoelde saldo betaald binnen zestig kalenderdagen te rekenen vanaf de datum waarop de Commissie het uiteindelijke bedrag van de steun voor het betrokken verkoopseizoen bekendmaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 22

Wisselkoers

Het ontstaansfeit voor de wisselkoers die moet worden toegepast voor de in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1786/2003 bedoelde steun voor een bepaalde partij, vindt plaats op de eerste dag van de maand waarin de betrokken gedroogde voedergewassen het bedrijfsterrein van het erkende verwerkingsbedrijf verlaten.

HOOFDSTUK 5

CONTROLES

Artikel 23

Algemene beginselen inzake de controles

1.   De administratieve controles en de controles ter plaatse waarin deze verordening voorziet, worden zo uitgevoerd dat een doeltreffende verificatie wordt gegarandeerd van de naleving van de voorwaarden voor de steunverlening.

2.   Indien het verwerkingsbedrijf de uitvoering van een controle ter plaatse verhindert, worden de betrokken steunaanvragen afgewezen.

Artikel 24

Administratieve controles

1.   De administratieve controles hebben tot doel de opsporing van onregelmatigheden mogelijk te maken, met name door middel van kruiscontroles.

De bevoegde autoriteiten verrichten kruiscontroles door onderlinge vergelijking van de in de verzamelsteunaanvraag aangegeven percelen landbouwgrond, de in de contracten en/of de leveringsaangiften aangegeven percelen landbouwgrond en de referentiepercelen die zijn opgenomen in het systeem voor de identificatie van de percelen landbouwgrond, zulks om voor de betrokken oppervlakten als zodanig na te gaan of de steunverlening mogelijk is, en om elke onrechtmatige steunverlening te voorkomen.

2.   Uit de kruiscontroles voortvloeiende indicaties omtrent onregelmatigheden geven aanleiding tot een vervolgactie in de vorm van enige andere passende administratieve procedure en, zo nodig, een controle ter plaatse.

Artikel 25

Controles ter plaatse

1.   De controles ter plaatse worden onverwachts uitgevoerd. Mits het doel van de controle niet in gevaar komt, mogen zij worden aangekondigd, doch slechts zo lang van tevoren als strikt noodzakelijk is. Behalve in deugdelijk gemotiveerde gevallen mag de aankondiging niet meer dan 48 uur tevoren plaatsvinden.

2.   Waar dat dienstig is, worden de controles ter plaatse in het kader van deze verordening tegelijk met andere in communautaire regelingen voorgeschreven controles verricht.

3.   Indien bij de controles ter plaatse belangrijke onregelmatigheden in een regio of bij een verwerkingsbedrijf worden vastgesteld, verhoogt de bevoegde autoriteit dienovereenkomstig het aantal, de frequentie en de omvang van de controles ter plaatse bij de betrokken bedrijven in het lopende en het daaropvolgende jaar.

4.   De lidstaten stellen de criteria voor de selectie van de te controleren steekproef vast. Indien de controle van de steekproef onregelmatigheden aan het licht brengt, worden de omvang en de basis van de steekproef dienovereenkomstig uitgebreid.

Artikel 26

Controles ter plaatse bij de verwerkingsbedrijven

1.   Ten minste eenmaal per verkoopseizoen controleren de bevoegde autoriteiten de in artikel 12 bedoelde voorraadboekhouding van alle verwerkingsbedrijven, en in het bijzonder de samenhang tussen de voorraadboekhouding en de financiële boekhouding.

2.   Steekproefsgewijs controleren de bevoegde autoriteiten de bewijsstukken met betrekking tot de voorraadboekhouding van de verwerkingsbedrijven.

Bij pas erkende verwerkingsbedrijven worden echter alle aanvragen gecontroleerd die in hun eerste werkjaar zijn ingediend.

Artikel 27

Controles ter plaatse bij de andere betrokkenen

1.   De bevoegde autoriteiten verrichten regelmatig extra controles bij de leveranciers van de grondstoffen en bij de marktdeelnemers aan wie de gedroogde voedergewassen zijn geleverd.

Deze controles hebben betrekking op:

a)

ten minste 5 % van de partijen waarvoor een steunaanvraag is ingediend, om de traceerbaarheid tot bij de eindontvanger te controleren;

b)

ten minste 5 % van de contracten en de leveringsaangiften om het perceel van herkomst van de aan de verwerkingsbedrijven geleverde producten te controleren.

2.   De aan een controle ter plaatse te onderwerpen betrokkenen worden door de bevoegde autoriteit geselecteerd aan de hand van een risicoanalyse waarbij rekening wordt gehouden met:

a)

de steunbedragen;

b)

de ontwikkeling in de steunverlening ten opzichte van het voorgaande jaar;

c)

de resultaten van de in de voorgaande jaren verrichte controles;

d)

andere door de lidstaten te bepalen parameters.

Jaarlijks beoordeelt de bevoegde autoriteit de doeltreffendheid van de in de voorgaande jaren voor de risicoanalyse gebruikte parameters.

3.   De bevoegde autoriteit houdt systematisch voor elke landbouwer die voor een controle ter plaatse is geselecteerd, aantekening van de redenen waarom dit is gebeurd. De met de controle ter plaatse belaste controleur wordt vóór het begin van de controle ter plaatse over deze redenen geïnformeerd.

Artikel 28

Controleverslag

1.   Over elke controle ter plaatse wordt een controleverslag opgesteld waarin een nauwkeurig overzicht van de verschillende aspecten van de controle wordt gegeven.

2.   De gecontroleerde wordt in de gelegenheid gesteld het verslag te ondertekenen en er opmerkingen aan toe te voegen. Hij ontvangt een kopie van het controleverslag.

HOOFDSTUK 6

KORTINGEN EN UITSLUITINGEN

Artikel 29

Kortingen en uitsluitingen bij een te hoge aangifte door een verwerkingsbedrijf

Indien de in een of meer steunaanvragen aangegeven hoeveelheid gedroogde voedergewassen groter is dan de overeenkomstig artikel 3 subsidiabele hoeveelheid, gelden de volgende regels:

a)

indien het voor een steunaanvraag vastgestelde verschil niet meer bedraagt dan 20 % van de subsidiabele hoeveelheid, wordt het steunbedrag berekend op basis van de subsidiabele hoeveelheid, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil;

b)

indien het voor een steunaanvraag vastgestelde verschil meer bedraagt dan 20 % van de subsidiabele hoeveelheid, wordt de steunaanvraag afgewezen;

c)

indien het voor een steunaanvraag vastgestelde verschil niet meer bedraagt dan 20 % van de subsidiabele hoeveelheid, maar zich voordoet na een eerste soortgelijke vaststelling in hetzelfde verkoopseizoen, wordt de steunaanvraag afgewezen;

d)

indien het voor een steunaanvraag vastgestelde verschil meer bedraagt dan 50 % van de subsidiabele hoeveelheid of indien in hetzelfde verkoopseizoen nogmaals een verschil van meer dan 20 % en niet meer dan 50 % wordt vastgesteld, wordt voor het lopende verkoopseizoen geen steun toegekend.

Een in dit verband in te vorderen bedrag wordt verrekend met de steunbetalingen waarop het verwerkingsbedrijf aanspraak kan maken op grond van de steunaanvragen die het indient in de verkoopseizoenen volgende op het verkoopseizoen waarin het verschil wordt vastgesteld.

Indien wordt vastgesteld dat het verwerkingsbedrijf onregelmatigheden zoals bedoeld in de eerste alinea opzettelijk heeft begaan, wordt dit bedrijf van de steun uitgesloten voor het lopende en het daaropvolgende verkoopseizoen.

Artikel 30

Kortingen en uitsluitingen bij niet-naleving van bepaalde erkenningsvoorwaarden door verwerkingsbedrijven en erkende kopers

Onverminderd de in artikel 29 bedoelde kortingen en uitsluitingen wordt, indien wordt vastgesteld dat de voorraadboekhouding niet aan de in artikel 12 gestelde voorwaarden voldoet of dat de samenhang tussen de voorraadboekhouding, de financiële boekhouding en de bewijsstukken niet kan worden aangetoond, het verwerkingsbedrijf een korting opgelegd die varieert tussen 10 % en 30 % van het voor het lopende verkoopseizoen aangevraagde steunbedrag, afhankelijk van de ernst van de betrokken tekortkomingen.

Indien dezelfde onregelmatigheden opnieuw worden vastgesteld binnen twee jaar na de eerste vaststelling, trekt de bevoegde autoriteit de erkenning van het verwerkingsbedrijf in voor een periode die ten minste één verkoopseizoen en ten hoogste drie verkoopseizoenen omvat.

HOOFDSTUK 7

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 31

Overmacht en uitzonderlijke omstandigheden

Gevallen van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden moeten, samen met de relevante bewijzen ten genoegen van de bevoegde autoriteit, schriftelijk aan die autoriteit worden gemeld binnen tien werkdagen te rekenen vanaf de eerste dag waarop dit voor de verantwoordelijke persoon van het verwerkingsbedrijf mogelijk is.

Artikel 32

Aanvullende maatregelen en wederzijdse bijstandsverlening door de lidstaten

1.   De lidstaten nemen alle aanvullende maatregelen die voor een goede toepassing van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector gedroogde voedergewassen nodig zijn, en verlenen elkaar de nodige bijstand ten behoeve van de uitvoering van de bij deze verordening voorgeschreven controles. In dit verband kunnen de lidstaten in de gevallen waarin deze verordening niet in passende kortingen en uitsluitingen voorziet, zorgen voor passende nationale sancties tegen verwerkingsbedrijven of andere marktdeelnemers, zoals de bij de procedure voor de toekenning van de steun betrokken landbouwers of kopers, teneinde te garanderen dat de voorwaarden voor de steunverlening in acht worden genomen.

2.   De lidstaten verlenen elkaar bijstand om de controles doeltreffend te maken en ervoor te zorgen dat de echtheid van de ingediende documenten en/of de juistheid van de verstrekte gegevens kunnen worden geverifieerd.

Artikel 33

Mededelingen van de lidstaten aan de Commissie

1.   Aan het begin van elk kwartaal delen de lidstaten de Commissie de hoeveelheden gedroogde voedergewassen mee waarvoor in het voorgaande kwartaal aanvragen om de in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1786/2003 bedoelde steun zijn ingediend, uitgesplitst per maand waarin die hoeveelheden het verwerkingsbedrijf hebben verlaten.

Uiterlijk op 31 mei van elk jaar delen de lidstaten de Commissie de hoeveelheden gedroogde voedergewassen mee waarvoor in het voorgaande verkoopseizoen het recht op de steun is erkend.

De in de eerste en de tweede alinea bedoelde gegevens worden afzonderlijk opgegeven voor elk van de in artikel 2, punt 1, genoemde categorieën. De Commissie gebruikt deze gegevens om na te gaan of de gegarandeerde maximumhoeveelheid in acht is genomen.

2.   De lidstaten delen de Commissie de volgende gegevens mee:

a)

uiterlijk op 30 april van elk jaar, de geraamde hoeveelheden gedroogde voedergewassen die de verwerkingsbedrijven op 31 maart van dat jaar in voorraad hadden;

b)

uiterlijk op 30 april 2005, de hoeveelheden gedroogde voedergewassen die de verwerkingsbedrijven op 31 maart 2005 in voorraad hadden en waarvoor het bepaalde in artikel 34 geldt;

c)

uiterlijk op 31 mei van elk jaar, voor het voorgaande verkoopseizoen, het aantal nieuwe, ingetrokken en voorlopige erkenningen;

d)

uiterlijk op 31 mei van elk jaar, voor het voorgaande verkoopseizoen, overeenkomstig bijlage III opgestelde statistieken van de op grond van de artikelen 23 tot en met 28 verrichte controles en de op grond van de artikelen 29, 30 en 31 toegepaste kortingen en uitsluitingen;

e)

uiterlijk op 31 mei van elk jaar, voor het voorgaande verkoopseizoen, een overeenkomstig bijlage I opgesteld overzicht van het energieverbruik voor de productie van kunstmatig gedroogde voedergewassen en een overeenkomstig bijlage II opgesteld overzicht van de arealen leguminosen en andere groenvoedergewassen;

f)

in de maand na afloop van elk halfjaar, de gemiddelde vochtgehalten die in het voorgaande halfjaar voor de kunstmatig te drogen voedergewassen zijn geconstateerd en overeenkomstig artikel 11, lid 4, door de verwerkingsbedrijven zijn meegedeeld;

g)

uiterlijk op 1 mei 2005, de maatregelen die voor de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1786/2003 en van de onderhavige verordening zijn genomen, en met name de in artikel 30 van de onderhavige verordening bedoelde maatregelen inzake nationale sancties.

HOOFDSTUK 8

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 34

Voorraden op 31 maart 2005

1.   Voor de in het verkoopseizoen 2004/2005 geproduceerde gedroogde voedergewassen die op 31 maart 2005 het verwerkingsbedrijf of een van de in artikel 3, onder a), van de onderhavige verordening bedoelde opslagplaatsen nog niet hebben verlaten, kan in het verkoopseizoen 2005/2006 de in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 603/95 bedoelde steun worden toegekend, op voorwaarde dat die gedroogde voedergewassen:

a)

voldoen aan het bepaalde in artikel 3 van de onderhavige verordening;

b)

onder de in de artikelen 10 en 11 van de onderhavige verordening bedoelde voorwaarden het verwerkingsbedrijf verlaten onder controle van de bevoegde autoriteit;

c)

worden afgeboekt op de gegarandeerde nationale hoeveelheden die aan de betrokken lidstaten zijn toegewezen voor het verkoopseizoen 2004/2005;

d)

in het verkoopseizoen 2004/2005 zijn aangegeven en gecertificeerd.

2.   De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten nemen alle nodige controlemaatregelen om de naleving van het bepaalde in lid 1 te garanderen.

Artikel 35

Facultatieve overgangsperiode

De lidstaten die overeenkomstig artikel 71 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 een facultatieve overgangsperiode toepassen, betalen de in artikel 71, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde steun op basis van de voor de in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1786/2003 bedoelde steun erkende hoeveelheden en binnen de grenzen van het in bijlage VII, punt D, bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 vermelde maximum aan de verwerkingsbedrijven met het oog op doorbetaling ervan aan de producenten.

In het geval van een verwerkingsbedrijf dat uit een andere lidstaat afkomstige voedergewassen koopt, wordt de in artikel 71, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde steun slechts aan dat verwerkingsbedrijf betaald met het oog op doorbetaling ervan aan de producent, indien deze laatste is gevestigd in een lidstaat die de facultatieve overgangsperiode toepast.

De som van deze steun en de op grond van Verordening (EG) nr. 1786/2003 toegekende steun mag niet hoger zijn dan de maximumsteun waarin Verordening (EG) nr. 603/95 voor de sector voorziet.

De in artikel 71, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde steun wordt vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1786/2003 bedoelde procedure en wordt betaald aan de verwerkingsbedrijven, die deze steun binnen vijftien werkdagen doorbetalen aan de producenten.

Artikel 36

Bepaling betreffende het verkoopseizoen 2004/2005

Verordening (EG) nr. 785/95 wordt ingetrokken.

De bepalingen ervan die nodig zijn voor het beheer van de in het verkoopseizoen 2004/2005 geldende steunregeling, blijven evenwel van kracht tot de uiteindelijke afwikkeling van de resultaten voor dat verkoopseizoen.

Artikel 37

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 april 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 maart 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 114. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 583/2004 (PB L 91 van 30.3.2004, blz. 1).

(2)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 118/2005 van de Commissie (PB L 24 van 27.1.2005, blz. 15).

(3)  PB L 63 van 21.3.1995, blz. 1.

(4)  PB L 79 van 7.4.1995, blz. 5. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1413/2001 (PB L 191 van 13.7.2001, blz. 8).

(5)  PB L 141 van 30.4.2004, blz. 18.

(6)  PB L 102 van 15.4.1976, blz. 1.

(7)  PB L 279 van 20.12.1971, blz. 7.

(8)  PB L 123 van 29.5.1972, blz. 6.


BIJLAGE I

Overzicht van het energieverbruik voor de productie van kunstmatig gedroogde voedergewassen

Lidstaat:

Verkoopseizoen:


 

Onderwerp

Eenheid

Hoeveelheid

a

Productie van kunstmatig gedroogde voedergewassen

Ton gedroogde voedergewassen

 

b

Gemiddeld vochtgehalte bij aanvoer

%

 

c

Gemiddeld vochtgehalte bij afvoer

%

 

d

Gemiddelde luchttemperatuur ingang drooginstallatie

°Celsius

 

e

Specifiek verbruik

Megajoule per kg kunstmatig gedroogde voedergewassen

 

f

Aard van de gebruikte brandstof (gas, steenkool, bruinkool, stookolie, elektriciteit, biomassa)

 

 

g

Specifiek verwarmingsvermogen

Megajoule per eenheid energie

 

h

Gebruikte hoeveelheid brandstof

a)

Ton brandstof

 

i

b)

Megajoule

 


BIJLAGE II

Overzicht van de arealen leguminosen en andere groenvoedergewassen

Lidstaat:

Verkoopseizoen:


 

Code volgens Cronos-Eurostat

Groenvoedergewassen

Oppervlakte in 1 000 ha

a

2611 + 2670

a = b + c Op bouwland geteelde groenvoedergewassen, waarvan:

 

b

2611

b)

Eenjarige voedergewassen (voedermaïs, andere)

 

c

2670

c)

Meerjarige voedergewassen (klaver, luzerne, tijdelijk grasland)

 

d

2672

waarvan: Luzerne

 

e

0002

Totale oppervlakte blijvend grasland

 


BIJLAGE III

A:   Controlestatistieken, te controleren populatie

A.   

Erkende verwerkingsbedrijven:

A.1.

Aantal voor het verkoopseizoen erkende bedrijven

 

A.2.

Aantal nieuwe erkenningen

 

A.3.

Aantal ingetrokken erkenningen

 

A.4.

waarvan ingetrokken voor minder dan één verkoopseizoen

 

A.5.

waarvan ingetrokken voor ten minste één verkoopseizoen

 

B.   

Erkende kopers van te drogen en/of te vermalen voedergewassen

B.1.

Aantal voor het verkoopseizoen erkende kopers van te drogen en/of te vermalen voedergewassen

 

B.2.

Aantal nieuwe erkenningen

 

B.3.

Aantal ingetrokken erkenningen

 

B.4.

waarvan ingetrokken voor minder dan één verkoopseizoen

 

B.5.

waarvan ingetrokken voor ten minste één verkoopseizoen

 

C.   

Contracten

C.1.

Aantal contracten

 

C.2.

Aantal betrokken landbouwers

 

C.3.

Aantal in de contracten opgenomen percelen

 

C.4.

Onder de contracten vallende oppervlakte (ha)

 

D.   

Leveringsaangiften

D.1.

Aantal leveringsaangiften

 

D.2.

Aantal betrokken landbouwers

 

D.3.

Aantal in de leveringsaangiften opgenomen percelen

 

D.4.

Onder de leveringsaangiften vallende oppervlakte (ha)

 

E.   

Ingediende aanvragen

E.1.

Aantal ingediende aanvragen

 

E.2.

Aantal betrokken partijen

 

E.3.

Verwerkte hoeveelheid

 

E.4.

Afgevoerde hoeveelheid (waarop de steunaanvragen betrekking hebben)

 

B:   Controlestatistieken, aantal controles en resultaten

A.

Controles van de in de contracten en in de verzamelsteunaanvragen aangegeven oppervlakten

Aantal landbouwers

Aantal contracten

Aantal percelen

Oppervlakte

Niet-subsidiabele aangegeven hoeveelheden

Nationale sancties (artikel 32)

A.1.   

Administratieve controles:

A.1.1.

Dezelfde oppervlakte meermaals aangegeven door een of meer aanvragers

 

 

 

 

 

 

A.1.2.

Geen overeenstemming tussen contract (of leveringsaangifte) en verzamelsteunaanvraag

 

 

 

 

 

 

A.2.   

Controles ter plaatse van de aangegeven oppervlakten:

A.2.1.

Aantal controles ter plaatse

 

 

 

 

 

 

A.2.2.

Geen afwijkingen

 

 

 

 

 

 

A.2.3.

Te hoge aangifte

 

 

 

 

 

 

A.2.4.

Te lage aangifte

 

 

 

 

 

 

A.2.5.

Ander gewastype dan aangegeven

 

 

 

 

 

 

A.2.6.

Andere inbreuken

 

 

 

 

 

 


B.

Controles bij de kopers van te drogen en/of te vermalen voedergewassen

Aantal kopers

Aantal contracten

B.1.

Aantal controles ter plaatse

 

 

B.2.

Geen afwijkingen

 

 

B.3.

Onregelmatigheden in de voorraadboekhouding

 

 

B.4.

Andere inbreuken

 

 


C.

Controles van de verwerkingsbedrijven

Aantal bedrijven

Aantal aanvragen

Aantal partijen

Hoeveelheid afgevoerde gedroogde voedergewassen

Hoeveelheid in een mengsel verwerkte gedroogde voedergewassen

C.1.   

Administratieve controles:

C.1.1.

Te laat ingediende aanvragen, vertraging tot 25 dagen

 

 

 

 

 

C.1.2.

Te laat ingediende aanvragen, vertraging meer dan 25 dagen

 

 

 

 

 

C.1.3.

Afvoer niet vooraf gemeld

 

 

 

 

 

C.1.4.

Criteria inzake vocht- en/of eiwitgehalte niet nageleefd

 

 

 

 

 

C.1.5.

Andere ontdekte onregelmatigheden

 

 

 

 

 

C.2.   

Controles ter plaatse bij de verwerkingsbedrijven

C.2.1.

Aantal controles ter plaatse

 

 

 

 

 

C.2.2.

Aantal genomen monsters (artikel 10, lid 2)

 

 

 

 

 

C.2.3.

Afvoer niet vooraf gemeld

 

 

 

 

 

C.2.4.

Criteria inzake vocht- en/of eiwitgehalte niet nageleefd

 

 

 

 

 

C.2.5.

Onregelmatigheden bij de weging

 

 

 

 

 

C.2.6.

Geen overeenstemming van voorraadboekhouding met financiële boekhouding

 

 

 

 

 

C.2.7.

Andere onregelmatigheden in voorraadboekhouding

 

 

 

 

 

C.2.8.

Andere ontdekte onregelmatigheden

 

 

 

 

 

C.3.   

Toegepaste sancties (artikel 29):

C.3.1.

Verschil niet meer dan 20 % (artikel 29, onder a))

 

 

 

 

 

C.3.2.

Recidive verschil niet meer dan 20 % (artikel 29, onder c))

 

 

 

 

 

C.3.3.

Verschil meer dan 20 % en niet meer dan 50 % (artikel 29, onder b))

 

 

 

 

 

C.3.4.

Recidive verschil meer dan 20 % en niet meer dan 50 % (artikel 29, onder d))

 

 

 

 

 

C.3.5.

Verschil meer dan 50 % (artikel 29, onder d))

 

 

 

 

 

C.3.6.

Opzettelijke onregelmatigheid (artikel 29, derde alinea)

 

 

 

 

 

C.3.7.

Korting tussen 10 % en 30 % (artikel 30)

 

 

 

 

 


D.

Controles op de traceerbaarheid van de producten (artikel 27, lid 1)

Aantal partijen

Hoeveelheid afgevoerde gedroogde voedergewassen

Hoeveelheid in een mengsel verwerkte gedroogde voedergewassen

D.1.

Controle op de realiteit (levering en betaling) van de aankopen van te drogen en/of te vermalen voedergewassen

 

 

 

D.2.

Controle op de realiteit (inontvangstneming en betaling) van de afvoer van gedroogde voedergewassen naar de eerste tussenpersoon (handelsondernemingen)

 

 

 

D.3.

Controle op de realiteit (inontvangstneming en betaling) van de afvoer van gedroogde voedergewassen naar de eindontvanger

 

 

 


8.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 61/20


VERORDENING (EG) Nr. 383/2005 VAN DE COMMISSIE

van 7 maart 2005

tot vaststelling van de ontstaansfeiten voor de wisselkoersen voor producten van de sector wijn

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2799/98 van de Raad van 15 december 1998 tot vaststelling van het agromonetaire stelsel voor de euro (1), en met name op artikel 3, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 2808/98 van de Commissie van 22 december 1998 houdende bepalingen voor de toepassing van het agromonetaire stelsel voor de euro in de landbouwsector (2) zijn met inachtneming van de in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2799/98 vermelde criteria de ontstaansfeiten voor de toe te passen wisselkoersen bepaald, onverminderd eventuele specifieke definities of uitzonderingen waarin de voorschriften voor de betrokken sectoren op basis van die criteria voorzien.

(2)

De ontstaansfeiten voor de wisselkoersen die moeten worden toegepast voor bepaalde maatregelen van de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, dragen een specifiek karakter en moeten daarom bij een specifieke verordening worden bepaald.

(3)

In artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (3) is bepaald dat een premie kan worden toegekend voor de definitieve stopzetting van de wijnbouw op een bepaalde oppervlakte. Bij artikel 8, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1227/2000 van de Commissie van 31 mei 2000 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, inzonderheid met betrekking tot het productiepotentieel (4) is het maximumbedrag per hectare van de betrokken premie vastgesteld. Om redenen van administratieve uitvoerbaarheid dient het ontstaansfeit voor de wisselkoers voor het bedrag van deze premie plaats te vinden aan het begin van het wijnoogstjaar.

(4)

Bij artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1493/1999 is een regeling voor de herstructurering en omschakeling van wijngaarden ingesteld. Om redenen van administratieve uitvoerbaarheid dient de wisselkoers voor de financiële toewijzing waarin artikel 14 van die verordening voorziet, de wisselkoers te zijn die de Europese Centrale Bank vóór 1 juli voorafgaande aan het begrotingsjaar waarvoor de financiële toewijzingen worden bepaald, laatstelijk heeft vastgesteld.

(5)

De artikelen 27 en 28 van Verordening (EG) nr. 1493/1999 voorzien in een aan de producenten te betalen aankoopprijs en steun die de distilleerder kan krijgen in het geval van respectievelijk distillatie van de bijproducten van de wijnbereiding en distillatie van wijn uit druiven die ook voor een ander doel kunnen worden gebruikt. Gezien de economische doelstellingen van de betrokken maatregelen en de procedure voor de uitvoering ervan, dient het ontstaansfeit voor de wisselkoers voor deze bedragen plaats te vinden op de eerste dag van het betrokken wijnoogstjaar.

(6)

Artikel 29 van Verordening (EG) nr. 1493/1999 voorziet in een aan de producenten te betalen minimumprijs en steun die de distilleerder kan krijgen in het geval van distillatie ter ondersteuning van de drinkalcoholsector. In artikel 30 van die verordening is bepaald dat een crisisdistillatiemaatregel kan worden getroffen indien zich als gevolg van ernstige overschotten of kwaliteitsproblemen een uitzonderlijk geval van marktverstoring voordoet. Om redenen van administratieve uitvoerbaarheid dient het ontstaansfeit voor de in deze gevallen toe te passen wisselkoers elke maand plaats te vinden.

(7)

Verordening (EG) nr. 1623/2000 van de Commissie van 25 juli 2000 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de marktmechanismen zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 1493/1999 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (5) voorziet in de toekenning van steun aan de bereiders van distillatiewijn. Aangezien het bedrag van deze steun is gekoppeld aan de betrokken distillatiemaatregel, is het passend bij de bepaling van het ontstaansfeit hetzelfde beginsel te hanteren als voor die maatregel.

(8)

De artikelen 34 en 35 van Verordening (EG) nr. 1493/1999 voorzien in de toekenning van steun voor bepaalde vormen van gebruik. Ter wille van een zo goed mogelijke afstemming van het ontstaansfeit op het economische doel en om redenen van administratieve uitvoerbaarheid dient het ontstaansfeit voor de in artikel 34 van die verordening bedoelde steun plaats te vinden op de eerste dag van de maand waarin de eerste verrijkingshandeling wordt verricht, en voor de in artikel 35 van die verordening bedoelde steun op de eerste dag van elke maand waarin de verwerkingshandelingen worden verricht.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor wijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Productiepotentieel

1.   Het ontstaansfeit voor de wisselkoers die moet worden toegepast voor de in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1493/1999 bedoelde premie voor de definitieve stopzetting van de wijnbouw, vindt plaats op de eerste dag van het wijnoogstjaar waarin de premieaanvraag is ingediend.

2.   De wisselkoers die moet worden toegepast voor de in artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1493/1999 bedoelde financiële toewijzing voor de herstructurering en omschakeling van wijngaarden, is de wisselkoers die de Europese Centrale Bank vóór 1 juli voorafgaande aan het begrotingsjaar waarvoor de financiële toewijzingen worden bepaald, laatstelijk heeft vastgesteld.

Artikel 2

Marktmechanismen

1.   In het geval van distillatie van de bijproducten van de wijnbereiding vindt het ontstaansfeit voor de wisselkoers die moet worden toegepast voor de aankoopprijs en de aan de distilleerders te betalen steun zoals bedoeld in respectievelijk lid 9 en lid 11 van artikel 27 van Verordening (EG) nr. 1493/1999, plaats op de eerste dag van het wijnoogstjaar waarvoor de aankoopprijs wordt betaald.

2.   In het geval van distillatie van wijn uit druiven die ook voor een ander doel kunnen worden gebruikt, vindt het ontstaansfeit voor de wisselkoers die moet worden toegepast voor de aankoopprijs en de aan de distilleerders te betalen steun zoals bedoeld in respectievelijk lid 3 en lid 5 van artikel 28 van Verordening (EG) nr. 1493/1999, plaats op de eerste dag van het wijnoogstjaar waarvoor de aankoopprijs wordt betaald.

3.   In het geval van op de voorziening van de drinkalcoholmarkt gerichte distillatie van tafelwijn en van wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt, vindt het ontstaansfeit voor de wisselkoers die moet worden toegepast voor de primaire steun en de minimumprijs zoals bedoeld in respectievelijk lid 2 en lid 4 van artikel 29 van Verordening (EG) nr. 1493/1999, plaats op de eerste dag van de maand waarin de eerste levering van wijn in het kader van een contract wordt verricht.

4.   In het geval van de in artikel 30 van Verordening (EG) nr. 1493/1999 bedoelde crisisdistillatie vindt het ontstaansfeit voor de wisselkoers die moet worden toegepast voor de minimumprijs, plaats op de eerste dag van de maand waarin de eerste levering van wijn in het kader van een contract wordt verricht.

5.   In het geval van de steun die op grond van artikel 69, lid 3, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1623/2000 moet worden betaald aan de bereiders van distillatiewijn, is het ontstaansfeit voor de wisselkoers hetzelfde als bij de betrokken bijzondere distillatiemaatregel.

6.   Het ontstaansfeit voor de wisselkoers die moet worden toegepast voor de steun die overeenkomstig artikel 34, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1493/1999 moet worden betaald voor het gebruik van geconcentreerde druivenmost of gerectificeerde geconcentreerde druivenmost voor verrijkingsdoeleinden, vindt plaats op de eerste dag van de maand waarin de eerste verrijkingshandeling wordt verricht.

7.   Het ontstaansfeit voor de wisselkoers die moet worden toegepast voor de steun die overeenkomstig artikel 35, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1493/1999 moet worden betaald voor het gebruik van druivenmost en geconcentreerde druivenmost, vindt plaats op de eerste dag van elke maand waarin de verwerkingshandelingen worden verricht.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 maart 2005.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 349 van 24.12.1998, blz. 1.

(2)  PB L 349 van 24.12.1998, blz. 36. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1250/2004 (PB L 237 van 8.7.2004, blz. 13).

(3)  PB L 179 van 14.7.1999, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1795/2003 van de Commissie (PB L 262 van 14.10.2003, blz. 13).

(4)  PB L 143 van 16.6.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1389/2004 (PB L 255 van 31.7.2004, blz. 7).

(5)  PB L 194 van 31.7.2000, blz. 45. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1774/2004 (PB L 316 van 15.10.2004, blz. 61).


8.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 61/23


VERORDENING (EG) Nr. 384/2005 VAN DE COMMISSIE

van 7 maart 2005

tot vaststelling van het programma van speciale modules voor de jaren 2007-2009 bij de steekproefenquête naar de arbeidskrachten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 577/98 van de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 577/98 van de Raad van 9 maart 1998 betreffende de organisatie van een steekproefenquête naar de arbeidskrachten in de Gemeenschap (1), en met name op artikel 4, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 577/98 moeten de elementen van het programma van speciale modules voor de jaren 2007-2009 worden vastgesteld.

(2)

In Besluit 2002/177/EG van de Raad van 18 februari 2002 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten voor 2002 (2) wordt gezegd dat de lidstaten en de Commissie specifieke statistische informatie nodig hebben voor de ontwikkeling van beleidsmaatregelen op het gebied van arbeidsongevallen en werkgerelateerde gezondheidsproblemen, de arbeidsmarktsituatie van migranten en hun nakomelingen en de toegang van jongeren tot de arbeidsmarkt. Die informatie moet daarom worden opgenomen in de speciale modules voor 2007-2009.

(3)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité statistisch programma,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het in de bijlage opgenomen programma van speciale modules voor de jaren 2007-2009 bij de steekproefenquête naar de arbeidskrachten wordt bij dezen vastgesteld.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 maart 2005.

Voor de Commissie

Joaquín ALMUNIA

Lid van de Commissie


(1)  PB L 77 van 14.3.1998, blz. 3. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2257/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 336 van 23.12.2003, blz. 6).

(2)  PB L 60 van 1.3.2002, blz. 60.


BIJLAGE

ARBEIDSKRACHTENENQUÊTE

Meerjarig programma van speciale modules

1.   ARBEIDSONGEVALLEN EN WERKGERELATEERDE GEZONDHEIDSPROBLEMEN

Lijst van variabelen: vóór december 2005 vast te stellen.

Referentieperiode: 2007.

Betrokken lidstaten en regio's: alle.

Steekproef: vóór december 2005 vast te stellen.

Indiening van de resultaten: vóór 31 maart 2008.

2.   ARBEIDSMARKTSITUATIE VAN MIGRANTEN EN HUN DIRECTE NAKOMELINGEN

Uitvoering van de module voor 2008 is afhankelijk van de resultaten van haalbaarheidsstudies die vóór eind 2005 moeten zijn afgesloten.

Lijst van variabelen: vóór december 2006 vast te stellen.

Referentieperiode: 2008.

Betrokken lidstaten en regio's: alle.

Steekproef: vóór december 2006 vast te stellen.

Indiening van de resultaten: vóór 31 maart 2009.

3.   Toegang van jongeren tot de arbeidsmarkt

Lijst van variabelen: vóór december 2007 vast te stellen.

Referentieperiode: 2009.

Betrokken lidstaten en regio's: alle.

Steekproef: vóór december 2007 vast te stellen.

Indiening van de resultaten: vóór 31 maart 2010.


8.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 61/25


RICHTLIJN 2005/21/EG VAN DE COMMISSIE

van 7 maart 2005

tot aanpassing aan de technische vooruitgang van Richtlijn 72/306/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de verontreiniging door dieselmotoren, bestemd voor het aandrijven van voertuigen

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 72/306/EEG van de Raad van 2 augustus 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de verontreiniging door dieselmotoren, bestemd voor het aandrijven van voertuigen (1), en met name op artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 72/306/EEG is een van de bijzondere richtlijnen in het kader van de typegoedkeuringsprocedure die is vastgesteld krachtens Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (2).

(2)

De bepalingen van Richtlijn 70/156/EEG betreffende voertuigsystemen, onderdelen en technische eenheden zijn derhalve van toepassing op Richtlijn 72/306/EEG.

(3)

Artikel 9, lid 2, van Richtlijn 70/156/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 92/53/EEG (3), voorziet in de gelijkwaardigheid tussen de bijzondere richtlijnen en de overeenkomstige reglementen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE). De technische voorschriften betreffende de lichtbron van de dichtheidsmeter die wordt gebruikt voor het meten van de opaciteit van de uitlaatgassen, moeten dan ook in overeenstemming worden gebracht met VN/ECE-reglement nr. 24 en met de internationale normen. Ook moet voor het meten van de opaciteit van de uitlaatgassen de brandstof worden gebruikt die in Richtlijn 88/77/EEG van de Raad (4) voor het meten van emissies wordt voorgeschreven.

(4)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij Richtlijn 70/156/EEG opgerichte Comité voor de aanpassing aan de technische vooruitgang,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen bij Richtlijn 72/306/EEG worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

Met ingang van 9 maart 2006 mogen lidstaten voor een nieuw type voertuig om redenen die verband houden met de verontreiniging door dieselmotoren:

niet langer een EG-typegoedkeuring verlenen overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Richtlijn 70/156/EEG, en

een nationale typegoedkeuring weigeren

indien dit type niet voldoet aan de bepalingen van Richtlijn 72/306/EEG, zoals gewijzigd bij deze richtlijn.

Deze richtlijn laat typegoedkeuringen onverlet die eerder krachtens Richtlijn 72/306/EEG zijn verleend en belet niet dat deze typegoedkeuringen worden uitgebreid overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn krachtens welke zij oorspronkelijk zijn verleend.

Artikel 3

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 8 maart 2006 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis. Zij passen deze richtlijn toe met ingang van 9 maart 2006.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede, die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 4

Deze richtlijn treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 5

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 7 maart 2005.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 190 van 20.8.1972, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/20/EG van de Commissie (PB L 125 van 16.5.1997, blz. 21).

(2)  PB L 42 van 23.2.1970, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/104/EG van de Commissie (PB L 337 van 13.11.2004, blz. 13).

(3)  PB L 225 van 10.8.1992, blz. 1.

(4)  PB L 36 van 9.2.1988, blz. 33. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/27/EG van de Commissie (PB L 107 van 18.4.2001, blz. 10).


BIJLAGE

De lijst van de bijlagen tussen de artikelen en bijlage I van Richtlijn 72/306/EEG wordt vervangen door:

„LIJST VAN DE BIJLAGEN

Bijlage I:

Definities, aanvraag om EG-typegoedkeuring, verlening van EG-typegoedkeuring, symbool van de gecorrigeerde waarde van de absorptiecoëfficiënt, specificaties en proeven, wijzigingen van het type, overeenstemming van de productie

Aanhangsel 1:

Mededelingsformulier

Aanhangsel 2:

Typegoedkeuringsformulier

Bijlage II:

Voorbeeld van het symbool van de gecorrigeerde waarde van de absorptiecoëfficiënt

Bijlage III:

Proef bij constante toerentallen volgens de volle belastingcurve

Bijlage IV:

Vrijeacceleratieproef

Bijlage V:

Bij beproeving van de motor op constant toerental geldende grenswaarden

Bijlage VI:

Kenmerken van de opaciteitsmeters

Bijlage VII:

Installatie en gebruik van de opaciteitsmeter”

WIJZIGINGEN IN BIJLAGE I BIJ RICHTLIJN 72/306/EEG

1)

 

In punt 5.2.2.1 wordt „bijlage VI” vervangen door „bijlage V”.

 

In punt 5.3.2 wordt „bijlage VI” vervangen door „bijlage V”.

 

In punt 5.4 wordt „bijlage VII” vervangen door „bijlage VI”.

 

In punt 7.2.1.2 wordt „bijlage VI” vervangen door „bijlage V”.

WIJZIGINGEN IN BIJLAGE III BIJ RICHTLIJN 72/306/EEG

2)

 

Punt 3.2 wordt vervangen door:

„3.2.   Brandstof

De referentiebrandstof die moet worden gebruikt, is de brandstof die in bijlage IV bij Richtlijn 88/77/EEG, zoals laatstelijk gewijzigd, wordt bedoeld en die hoort bij de typegoedkeuringstest waarbij wordt nagegaan of het voertuig of de motor aan de desbetreffende emissiegrenswaarden voldoet.”

 

In punt 3.4 wordt „bijlage VII” vervangen door „bijlage VI” en „bijlage VIII” door „bijlage VII”.

 

In punt 4.2 wordt „bijlage VI” vervangen door „bijlage V”.

3)

Bijlage V wordt geschrapt.

4)

Bijlage VI wordt Bijlage V.

5)

Bijlage VII wordt Bijlage VI.

Punt 3.3. wordt vervangen door:

„3.3.   Lichtbron

De lichtbron is een gloeilamp met een kleurtemperatuur tussen 2 800 en 3 250 K of een groene lichtemitterende diode (LED) met een spectrale piek tussen 550 en 570 nm. De lichtbron moet tegen aanslag worden beschermd op een wijze die de optische weglengte niet méér beïnvloedt dan op grond van de specificaties van de fabrikant is toegestaan.”.

6)

Bijlage VIII wordt Bijlage VII.

In de punten 2.16, 2.17 en 2.2.3 wordt „bijlage VII” vervangen door „bijlage VI”.


II Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

Commissie

8.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 61/28


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 7 maart 2005

betreffende de doorvoer van runderen door het Verenigd Koninkrijk

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 509)

(Voor de EER relevante tekst)

(2005/177/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (1), en met name op artikel 15, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig Beschikking 98/256/EG van de Raad van 16 maart 1998 inzake spoedmaatregelen ter bescherming tegen boviene spongiforme encefalopathie, tot wijziging van Beschikking 94/474/EG en tot intrekking van Beschikking 96/239/EG (2) moet het Verenigd Koninkrijk voorkomen dat levende runderen van zijn grondgebied naar andere lidstaten of derde landen worden verzonden.

(2)

De op handen zijnde stopzetting van de veerdiensten waarmee momenteel levende runderen van Ierland naar het Europese continent worden vervoerd, zal ernstige gevolgen hebben voor de handel in levende runderen tussen Ierland en de andere lidstaten.

(3)

Daarom moeten voorschriften worden vastgesteld om de doorvoer van levende runderen uit Ierland via het Verenigd Koninkrijk mogelijk te maken. Aan deze doorvoer moeten echter strikte voorwaarden en controles worden verbonden om geen afbreuk te doen aan de maatregelen uit hoofde van Beschikking 98/256/EG.

(4)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Onverminderd Beschikking 98/256/EG staat het Verenigd Koninkrijk de ononderbroken doorvoer van uit Ierland verzonden levende runderen (hierna „de dieren” genoemd) via het Verenigd Koninkrijk naar andere lidstaten toe onder de in deze beschikking vastgestelde voorwaarden.

Artikel 2

Op de bij Richtlijn 64/432/EEG van de Raad (3) vastgestelde gezondheidscertificaten waarvan de uit Ierland via het Verenigd Koninkrijk naar andere lidstaten verzonden dieren vergezeld gaan, wordt de volgende vermelding aangebracht:

„Deze dieren voldoen aan Beschikking 2005/177/EG van de Commissie van 7 maart 2005”

Artikel 3

De doorvoer van de dieren van Ierland via het Verenigd Koninkrijk naar andere lidstaten, zoals bedoeld in artikel 1, wordt slechts toegestaan indien de bevoegde autoriteit in Ierland ten minste twee werkdagen vooraf de volgende autoriteiten in kennis stelt:

a)

de centrale autoriteit van het Verenigd Koninkrijk;

b)

de centrale autoriteit van alle lidstaten van doorvoer, en

c)

de centrale en lokale bevoegde autoriteit van de lidstaat van eindbestemming.

Artikel 4

De bevoegde autoriteit van Ierland ziet erop toe dat het voertuig waarin de dieren worden vervoerd, wordt verzegeld met een officieel zegel dat gedurende de hele doorvoer via het Verenigd Koninkrijk niet mag worden verwijderd, behalve voor officiële inspecties of onder welzijnsomstandigheden zoals bedoeld in artikel 5.

De bevoegde autoriteit van Ierland noteert het (de) zegelnummer(s) op het in artikel 2 genoemde gezondheidscertificaat.

Artikel 5

Indien de dieren om dringende welzijnsredenen of voor officiële inspecties in het Verenigd Koninkrijk moeten worden uitgeladen, stelt de vervoerder onmiddellijk de bevoegde autoriteit van het Verenigd Koninkrijk in kennis.

De dieren mogen slechts verder worden vervoerd indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de dieren worden opnieuw geladen onder toezicht van de bevoegde autoriteit van het Verenigd Koninkrijk;

b)

het voertuig wordt onmiddellijk na het opnieuw laden opnieuw verzegeld, en

c)

er wordt een extra certificaat zoals opgenomen in de bijlage afgegeven.

Artikel 6

De bevoegde autoriteit van het Verenigd Koninkrijk verricht de nodige controles om op de uitvoering van deze beschikking toe te zien en controleert met name of de in artikel 5 genoemde zegels op voertuigen die het Verenigd Koninkrijk verlaten, ongeschonden zijn.

De bevoegde autoriteit bevestigt dat de zending aan deze beschikking voldoet door een officieel stempel op het in artikel 2 bedoelde gezondheidscertificaat aan te brengen of door een extra certificaat zoals opgenomen in de bijlage af te geven.

Bij niet-naleving van deze beschikking mogen de dieren niet verder naar hun eindbestemming worden vervoerd. De dieren in kwestie mogen worden vastgehouden tot ze, naar gelang van diergezondheids- en gezondheidsoverwegingen, worden geslacht, geruimd of, met toestemming van de lidstaat van verzending, naar hun plaats van herkomst worden teruggebracht.

Artikel 7

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 7 maart 2005.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1993/2004 van de Commissie (PB L 344 van 20.11.2004, blz. 12).

(2)  PB L 113 van 15.4.1998, blz. 32. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2002/670/EG van de Commissie (PB L 228 van 24.8.2002, blz. 22).

(3)  PB 121 van 29.7.1964, blz. 1977/64. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 21/2004 (PB L 5 van 9.1.2004, blz. 8).


BIJLAGE

Extra certificaat (Beschikking 2005/177/EG van de Commissie van 7 maart 2005)

Image


8.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 61/31


AANBEVELING VAN DE COMMISSIE

van 1 maart 2005

inzake een in 2005 uit te voeren gecoördineerd bewakingsprogramma van de Gemeenschap om de inachtneming van de maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in en op granen en bepaalde andere producten van plantaardige oorsprong te garanderen en inzake de nationale bewakingsprogramma’s voor 2006

(Voor de EER relevante tekst)

(2005/178/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 211,

Gelet op Richtlijn 86/362/EEG van de Raad van 24 juli 1986 tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op granen (1), en met name op artikel 7, lid 2, onder b),

Gelet op Richtlijn 90/642/EEG van de Raad van 27 november 1990 tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op bepaalde producten van plantaardige oorsprong, met inbegrip van groenten en fruit (2), en met name op artikel 4, lid 2, onder b),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Richtlijnen 86/362/EEG en 90/642/EEG bepalen dat de Commissie geleidelijk moet komen tot een systeem waarmee de reële inname van bestrijdingsmiddelen via de voeding kan worden geraamd. Om realistische ramingen mogelijk te maken moeten bewakingsgegevens beschikbaar zijn over bestrijdingsmiddelenresiduen in een aantal levensmiddelen die belangrijke bestanddelen van het Europese voedselpakket vormen. Algemeen wordt aangenomen dat de belangrijkste bestanddelen van het Europese voedselpakket 20 à 30 levensmiddelen betreffen. Gelet op de op nationaal niveau beschikbare middelen voor bewakingsmaatregelen inzake bestrijdingsmiddelenresiduen kunnen de lidstaten per jaar slechts van acht producten monsters analyseren in het kader van een gecoördineerd bewakingsprogramma. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen evolueert volgens een driejarige voortschrijdende cyclus. In het algemeen zou elk bestrijdingsmiddel in 20 à 30 levensmiddelen moeten worden gevolgd over cycli van drie jaar.

(2)

In 2005 moet een bewakingsprogramma worden uitgevoerd voor residuen van alle pesticiden die onder deze aanbeveling vallen, zodat aan de hand van de aldus verkregen gegevens een raming van de reële inname via de voeding van die stoffen kan worden gemaakt.

(3)

De aantallen in het kader van de gecoördineerde bewaking te nemen monsters moeten op een systematische, statistisch verantwoorde wijze worden vastgesteld. De Commissie van de Codex Alimentarius heeft een dergelijke aanpak ontwikkeld (3). Op grond van een binomiale waarschijnlijkheidsverdeling kan worden berekend dat, wanneer minder dan 1 % van de producten van plantaardige oorsprong een hoeveelheid residuen boven de bepaalbaarheidsgrens bevat, bij onderzoek van 613 monsters er met een betrouwbaarheid van meer dan 99 % een monster met een hoeveelheid bestrijdingsmiddelenresiduen boven die grens zal worden gevonden. Dit aantal monsters moet over de lidstaten worden verdeeld op basis van het aantal inwoners en het aantal consumenten, met echter een minimum van 12 monsters per product en per jaar.

(4)

Richtsnoeren betreffende procedures voor de kwaliteitsbewaking bij de analyse van bestrijdingsmiddelenresiduen worden op de website van de Commissie gepubliceerd (4). Overeengekomen is dat deze richtsnoeren zoveel mogelijk door de analyselaboratoria in de lidstaten moeten worden toegepast en dat ze continu moeten worden herzien in het licht van de in de bewakingsprogramma's opgedane ervaring.

(5)

Overeenkomstig de Richtlijnen 86/362/EEG en 90/642/EEG moeten de lidstaten nadere bijzonderheden verschaffen over de criteria die aan de opstelling van hun nationale controleprogramma's ten grondslag liggen. In dat verband moet informatie worden verschaft over de criteria die zijn toegepast voor de bepaling van het aantal te nemen monsters en uit te voeren analyses en de rapportageniveaus, de criteria aan de hand waarvan de rapportageniveaus zijn bepaald en nadere gegevens over de erkenning krachtens Richtlijn 93/99/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 betreffende aanvullende maatregelen inzake de officiële controle op levensmiddelen (5) van de laboratoria die de analyses uitvoeren. Het aantal en het soort overtredingen en de genomen maatregelen moeten ook worden aangegeven.

(6)

Er zijn maximumgehalten aan residuen voor babyvoeding vastgesteld overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 91/321/EEG van de Commissie van 14 mei 1991 inzake volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding (6) en artikel 6 van Richtlijn 96/5/EG, Euratom van de Commissie van 16 februari 1996 inzake bewerkte voedingsmiddelen op basis van granen en babyvoeding voor zuigelingen en peuters (7).

(7)

Informatie over de resultaten van bewakingsprogramma's is bijzonder geschikt om via computers of andere elektronische middelen te worden verwerkt, opgeslagen en doorgegeven. Er zijn formaten vastgesteld waarin de lidstaten de Commissie hun gegevens via e-mail dienen toe te sturen. De lidstaten moeten dus in staat zijn hun verslagen in een standaardformaat aan de Commissie toe te zenden. De verdere ontwikkeling van een dergelijk standaardformaat kan het doeltreffendst worden aangepakt op basis van richtsnoeren van de Commissie.

(8)

De in deze aanbeveling vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

BEVEELT AAN:

1)

De lidstaten wordt verzocht in 2005 voor de in bijlage I genoemde combinaties bestrijdingsmiddelenresidu/product monsters te nemen en te analyseren op basis van het in bijlage II voor elke lidstaat vastgestelde aantal per product te nemen monsters, daarbij rekening houdend met het aandeel van de lidstaat zelf, van de rest van de Gemeenschap en van derde landen in de markt van die lidstaat.

Voor bestrijdingsmiddelen die een acuut risico vormen, bijvoorbeeld OP-esters, endosulfan en N-methylcarbamaten worden, wanneer dergelijke bestrijdingsmiddelen worden aangetroffen, met name in de producten van één en dezelfde producent, bij een redelijk aantal monsters van de producten peren, aardappelen, wortelen, sinaasappelen of mandarijnen, en komkommers bij voorkeur ook afzonderlijke analyses uitgevoerd van de samenstellende delen van het tweede verzamelmonster. Het aantal deelmonsters moet in overeenstemming zijn met Richtlijn 2002/63/EG van de Commissie (8).

Er dienen twee monsters te worden genomen. Indien in het eerste laboratoriummonster een aantoonbare hoeveelheid van een van de gezochte bestrijdingsmiddelen aanwezig is, worden de samenstellende delen van het tweede monster elk aan een afzonderlijke analyse onderworpen.

Elke lidstaat moet ten minste tien monsters nemen van babyvoeding, hoofdzakelijk op basis van groenten, fruit of granen.

Er moeten monsters worden genomen van producten die afkomstig zijn van de biologische landbouw. Het aantal monsters moet in verhouding staan tot het marktaandeel van biologische producten in elke lidstaat, met een minimum van één monster.

2)

De lidstaten wordt verzocht de analyseresultaten betreffende de op de in bijlage I genoemde combinaties product/bestrijdingsmiddelenresidu uitgevoerde tests uiterlijk op 31 augustus 2006 mede te delen, onder vermelding van:

a)

een beschrijving van de toegepaste analysemethoden en de behaalde rapportageniveaus, in overeenstemming met de richtsnoeren betreffende de procedures voor de kwaliteitsbewaking bij de analyse van bestrijdingsmiddelenresiduen;

b)

aantal en soort overtredingen en de daarop genomen maatregelen.

Dit rapport moet worden opgesteld in een formaat — ook het elektronische formaat — dat voldoet aan de aanwijzingen voor de lidstaten met betrekking tot de uitvoering van de aanbevelingen van de Commissie inzake gecoördineerde bewakingsprogramma's van de Gemeenschap, verstrekt door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid.

Het resultaat van de genomen monsters van producten die afkomstig zijn van de biologische landbouw moet op een afzonderlijk gegevensblad worden vermeld.

3)

De lidstaten wordt verzocht om uiterlijk op 31 augustus 2005 de Commissie en de overige lidstaten alle gegevens toe te zenden als vereist bij artikel 7, lid 3, van Richtlijn 86/362/EEG en artikel 4, lid 3, van Richtlijn 90/642/EEG met betrekking tot de controles die in 2004 worden uitgevoerd om er, op zijn minst door middel van steekproefbemonstering, voor te zorgen dat de maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in acht worden genomen, dat wil zeggen onder meer:

a)

de resultaten van hun nationale programma's met betrekking tot residuen van bestrijdingsmiddelen;

b)

nadere gegevens over de door hun laboratoria gehanteerde kwaliteitsbewakingsmethoden, en met name nadere gegevens over de in de richtsnoeren betreffende de procedures voor de kwaliteitsbewaking bij de analyse van bestrijdingsmiddelenresiduen voorkomende punten die zij niet hebben kunnen toepassen of met de toepassing waarvan zij problemen hebben ondervonden;

c)

nadere gegevens betreffende de erkenning, overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 93/99/EEG, van de laboratoria die de analyses uitvoeren (aard van de erkenning, erkenningsinstantie en een kopie van het erkenningsdocument);

d)

nadere gegevens over proficiency tests en ringonderzoeken waaraan het laboratorium heeft deelgenomen.

4)

De lidstaten wordt verzocht om uiterlijk op 30 september 2005 bij de Commissie het ontwerp in te dienen van het nationale programma voor 2006 voor de bewaking van de maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen als vastgesteld bij de Richtlijnen 90/642/EEG en 86/362/EEG, met informatie over:

a)

de criteria die zijn toegepast voor de bepaling van het aantal te nemen monsters en de uit te voeren analyses;

b)

de rapportageniveaus en de criteria aan de hand waarvan de rapportageniveaus zijn bepaald;

c)

nadere gegevens over de erkenning, overeenkomstig Richtlijn 93/99/EEG, van de laboratoria die de analyses uitvoeren.

Gedaan te Brussel, 1 maart 2005.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 221 van 7.8.1986, blz. 37. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/61/EG van de Commissie (PB L 127 van 29.4.2004, blz. 81).

(2)  PB L 350 van 14.12.1990, blz. 71. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/115/EG van de Commissie (PB L 374 van 22.12.2004, blz. 64).

(3)  Codex Alimentarius, Pesticide Residues in Foodstuffs, Rome 1994, ISBN 92-5-203271-1; Vol. 2, blz. 372.

(4)  Documentnummer SANCO/10476/2003, http://europa.eu.int/ comm/food/plant/protection/resources/qualcontrol_en.pdf

(5)  PB L 290 van 24.11.1993, blz. 14. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(6)  PB L 175 van 4.7.1991, blz 35. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/14/EG (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 37).

(7)  PB L 49 van 28.2.1996, blz. 17. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/13/EG (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 33).

(8)  PB L 187 van 16.7.2002, blz. 30.


BIJLAGE I

Te bewaken combinaties bestrijdingsmiddel/product

Bestrijdingsmiddel-residu waarop de analyse betrekking moet hebben

 

2005

2006 (1)

2007 (1)

Acefaat

(a)

(b)

(c)

Aldicarb

(a)

(b)

(c)

Azinfos-methyl

(a)

(b)

(c)

Azoxystrobine

(a)

(b)

(c)

Benomyl-groep

(a)

(b)

(c)

Bifenthrin

(a)

(b)

(c)

Bromopropylaat

(a)

(b)

(c)

Bupirimaat

(a)

(b)

(c)

Captan

(a)

(b)

(c)

Carbaryl

(a)

(b)

(c)

Chloormequat (2)

(a)

(b)

(c)

Chloorthalonil

(a)

(b)

(c)

Chloorprofam

(a)

(b)

(c)

Chloorpyrifos

(a)

(b)

(c)

Chloorpyrifos-methyl

(a)

(b)

(c)

Cypermethrin

(a)

(b)

(c)

Cyprodinil

(a)

(b)

(c)

Deltamethrin

(a)

(b)

(c)

Diazinon

(a)

(b)

(c)

Dichlofluanide

(a)

(b)

(c)

Dicofol

(a)

(b)

(c)

Dimethoaat

(a)

(b)

(c)

Difenylamine (3)

(a)

(b)

(c)

Endosulfan

(a)

(b)

(c)

Fenhexamid

(a)

(b)

(c)

Fludioxonil

(a)

(b)

(c)

Folpet

(a)

(b)

(c)

Imazalil

(a)

(b)

(c)

Imidacloprid

(a)

(b)

(c)

Iprodion

(a)

(b)

(c)

Kresoxim-methyl

(a)

(b)

(c)

Lambda-cyhalothrin

(a)

(b)

(c)

Malathion

(a)

(b)

(c)

Maneb-groep

(a)

(b)

(c)

Metalaxyl

(a)

(b)

(c)

Methamidofos

(a)

(b)

(c)

Methidathion

(a)

(b)

(c)

Methiocarb

(a)

(b)

(c)

Methomyl

(a)

(b)

(c)

Myclobutanil

(a)

(b)

(c)

Oxydemeton-methyl

(a)

(b)

(c)

Parathion

(a)

(b)

(c)

Fosalon

(a)

(b)

(c)

Pirimicarb

(a)

(b)

(c)

Pirimifos-methyl

(a)

(b)

(c)

Procymidon

(a)

(b)

(c)

Propargite

(a)

(b)

(c)

Pyrethrines

(a)

(b)

(c)

Pyrimethanil

(a)

(b)

(c)

Spiroxamine

(a)

(b)

(c)

Thiabendazool

(a)

(b)

(c)

Tolcloflos-methyl

(a)

(b)

(c)

Tolylfluanide

(a)

(b)

(c)

Triadimefon

(a)

(b)

(c)

Vinclozolin

(a)

(b)

(c)

(a)

Peren, bonen (vers of bevroren), aardappelen, wortelen, sinaasappelen of mandarijnen, spinazie (vers of bevroren), rijst en komkommer

(b)

Bloemkool, pepers, tarwe, aubergines, druiven, erwten (bevroren/vers, zonder peul), bananen en sinaasappelsap

(c)

Appelen, tomaten, sla, aardbeien, prei, sluitkool, rogge of haver, perziken inclusief nectarines en soortgelijke kruisingen


(1)  Indicatief voor 2006 en 2007, afhankelijk van de programma's die voor die jaren zullen worden aanbevolen.

(2)  Chloormequat moet alleen in peren en granen worden geanalyseerd

(3)  Difenylamine moet alleen in appelen en peren worden geanalyseerd


BIJLAGE II

Aantal door iedere lidstaat per product te nemen monsters

Landcode

Monsters

AT

12

BE

12

CY

12

CZ

12

DE

93

DK

12

ES

45

EE

12

EL

12

FR

66

FI

12

HU

12

IT

65

IE

12

LU

12

LT

12

LV

12

MT

12

NL

17

PT

12

PL

45

SE

12

SI

12

SK

12

UK

66

Totaal aantal monsters: 613


8.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 61/37


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 4 maart 2005

tot wijziging van de Beschikkingen 93/52/EEG en 2003/467/EG wat betreft de verklaring dat Slovenië vrij is van brucellose (B. melitensis) en enzoötische boviene leukose en dat Slowakije vrij is van boviene tuberculose en boviene brucellose

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 483)

(Voor de EER relevante tekst)

(2005/179/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 64/432/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (1), en met name op bijlage A, deel I, punt 4, bijlage A, deel II, punt 7, en bijlage D, hoofdstuk I, deel E,

Gelet op Richtlijn 91/68/EEG van de Raad van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten (2), en met name op bijlage A, hoofdstuk 1, rubriek II,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Beschikking 93/52/EEG van de Commissie van 21 december 1992 houdende constatering dat bepaalde lidstaten of gebieden aan de voorwaarden voldoen om te worden erkend als officieel brucellosevrij (B. melitensis) (3) zijn de gebieden in de lidstaten vermeld die overeenkomstig Richtlijn 91/68/EEG officieel vrij van brucellose (B. melitensis) zijn verklaard.

(2)

In Slovenië geldt sinds ten minste vijf jaar een aangifteplicht voor schapen- en geitenbrucellose en in die periode is geen enkel geval van deze ziekte officieel bevestigd. Ook geldt in deze lidstaat sinds ten minste drie jaar een verbod op vaccinatie tegen deze ziekte. Bovendien heeft Slovenië zich ertoe verbonden na de erkenning van die lidstaat als brucellosevrij bepaalde andere bepalingen van Richtlijn 91/68/EEG betreffende aselecte controles in acht te nemen. Daarom moet officieel worden erkend dat de schapen- en geitenhouderijen in Slovenië vrij zijn van brucellose (B. melitensis).

(3)

In Richtlijn 64/432/EEG is bepaald dat de rundveebeslagen van lidstaten of delen of gebieden ervan officieel vrij van tuberculose, brucellose en enzoötische boviene leukose kunnen worden verklaard mits aan bepaalde voorwaarden van die richtlijn wordt voldaan.

(4)

De lijsten van lidstaten die vrij van tuberculose, brucellose en enzoötische boviene leukose zijn verklaard, zijn opgenomen in Beschikking 2003/467/EG van de Commissie van 23 juni 2003 houdende erkenning van bepaalde lidstaten en delen van lidstaten als officieel tuberculosevrij, officieel brucellosevrij en officieel vrij van enzoötische boviene leukose ten aanzien van de rundveebeslagen (4).

(5)

Uit de documentatie die Slovenië heeft ingediend om aan te tonen dat aan de relevante voorwaarden van Richtlijn 64/432/EEG betreffende enzoötische boviene leukose wordt voldaan, heeft de Commissie geconcludeerd dat deze lidstaat officieel vrij van deze ziekte moet worden verklaard.

(6)

Uit de documentatie die Slowakije heeft ingediend om aan te tonen dat aan de relevante voorwaarden van Richtlijn 64/432/EEG betreffende boviene tuberculose en boviene brucellose wordt voldaan, heeft de Commissie geconcludeerd dat deze lidstaat vrij van deze ziekten moet worden verklaard.

(7)

De Beschikkingen 93/52/EEG en 2003/467/EG moeten dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Bijlage I bij Beschikking 93/52/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze beschikking.

Artikel 2

De bijlagen I, II en III bij Beschikking 2003/467/EG worden gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze beschikking.

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 4 maart 2005.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB 121 van 29.7.1964, blz. 1977/64. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1/2005 (PB L 3 van 5.1.2005, blz. 1).

(2)  PB L 46 van 19.2.1991, blz. 19. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2004/554/EG van de Commissie (PB L 248 van 9.7.2004, blz. 1).

(3)  PB L 13 van 21.1.1993, blz. 14. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2005/28/EG (PB L 15 van 19.1.2005, blz. 30).

(4)  PB L 156 van 25.6.2003, blz. 74. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2005/28/EG.


BIJLAGE I

Bijlage I bij Beschikking 93/52/EEG wordt vervangen door:

„BIJLAGE I

LIDSTATEN

ISO-code

Lidstaat

BE

België

CZ

Tsjechië

DK

Denemarken

DE

Duitsland

IE

Ierland

LU

Luxemburg

HU

Hongarije

NL

Nederland

AT

Oostenrijk

SI

Slovenië

SK

Slowakije

FI

Finland

SE

Zweden

UK

Verenigd Koninkrijk”


BIJLAGE II

De bijlagen I, II en III bij Beschikking 2003/467/EG worden als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage I, hoofdstuk 1, wordt vervangen door:

„HOOFDSTUK 1

Officieel tuberculosevrije lidstaten

ISO-code

Lidstaat

BE

België

CZ

Tsjechië

DK

Denemarken

DE

Duitsland

FR

Frankrijk

LU

Luxemburg

NL

Nederland

AT

Oostenrijk

SK

Slowakije

FI

Finland

SE

Zweden”

2)

Bijlage II, hoofdstuk 1, wordt vervangen door:

„HOOFDSTUK 1

Officieel brucellosevrije lidstaten

ISO-code

Lidstaat

BE

België

CZ

Tsjechië

DK

Denemarken

DE

Duitsland

LU

Luxemburg

NL

Nederland

AT

Oostenrijk

SK

Slowakije

FI

Finland

SE

Zweden”

3)

Bijlage III, hoofdstuk 1, wordt vervangen door:

„HOOFDSTUK 1

Lidstaten die officieel vrij zijn van enzoötische boviene leukose

ISO-code

Lidstaat

BE

België

CZ

Tsjechië

DK

Denemarken

DE

Duitsland

ES

Spanje

FR

Frankrijk

IE

Ierland

CY

Cyprus

LU

Luxemburg

NL

Nederland

AT

Oostenrijk

SI

Slovenië

FI

Finland

SE

Zweden

UK

Verenigd Koninkrijk”


8.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 61/41


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 4 maart 2005

houdende toestemming voor de lidstaten om krachtens Richtlijn 96/49/EG van de Raad bepaalde afwijkingen inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor vast te stellen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 443)

(Voor de EER relevante tekst)

(2005/180/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 96/49/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor (1), en met name op artikel 6, leden 9, 11 en 14,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 6, lid 9, van Richtlijn 96/49/EG moeten de lidstaten de Commissie voor het eerst uiterlijk op 31 december 2002 of twee jaar na de laatste toepassingsdatum van de gewijzigde versies van de bijlage van de richtlijn vooraf in kennis stellen van hun afwijkingen.

(2)

Verschillende lidstaten hebben de Commissie uiterlijk op 31 december 2002 in kennis gesteld van hun wens om afwijkingen van Richtlijn 96/49/EG vast te stellen. Bij Beschikking 2003/627/EG van de Commissie van 20 augustus 2003 houdende toestemming voor de lidstaten om krachtens Richtlijn 96/49/EG bepaalde afwijkingen inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor vast te stellen (2) heeft de Commissie deze lidstaten toestemming gegeven om de in de bijlagen I en II van die beschikking vermelde afwijkingen vast te stellen.

(3)

De bijlage van Richtlijn 96/49/EG is bij Richtlijn 2003/29/EG van de Commissie (3) gewijzigd. Krachtens Richtlijn 2003/29/EG moesten de lidstaten uiterlijk op 1 juli 2003 nationale wetgeving in werking doen treden, zodat 30 juni 2003 de in artikel 6, lid 9, van Richtlijn 96/49/EG bedoelde laatste toepassingsdatum is.

(4)

Enkele lidstaten hebben de Commissie in kennis gesteld van hun wens om afwijkingen vast te stellen. De Commissie heeft onderzocht of de kennisgevingen voldoen aan de voorwaarden van artikel 6, leden 9, 11 en 14, van Richtlijn 96/49/EG en heeft ze goedgekeurd. Deze lidstaten dienen derhalve toestemming te krijgen om die afwijkende bepalingen vast te stellen.

(5)

Bij dezelfde gelegenheid wordt het wenselijk geacht alle afwijkingen waarvoor tot op heden toestemming is verleend, in één beschikking te groeperen. Beschikking 2003/627/EG dient derhalve te worden ingetrokken en vervangen.

(6)

Om ervoor te zorgen dat de situatie ten aanzien van de afwijkingen periodiek wordt geactualiseerd, dient de Commissie uiterlijk om de vijf jaar een voorstel in te dienen voor een algehele actualisering van alle bestaande afwijkingen.

(7)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 9 van Richtlijn 94/55/EG van de Raad (4) ingestelde Comité voor het vervoer van gevaarlijke goederen,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De in bijlage I vermelde lidstaten krijgen toestemming om voor het vervoer per spoor binnen hun eigen grondgebied van slechts kleine hoeveelheden van bepaalde gevaarlijke goederen de in bijlage I vermelde afwijkende bepalingen vast te stellen.

Deze bepalingen worden zonder onderscheid toegepast.

Artikel 2

De in bijlage II vermelde lidstaten krijgen toestemming om in de eerste plaats voor het geregeld vervoer van gevaarlijke goederen op welbepaalde trajecten van hun grondgebied, dat deel uitmaakt van een welbepaald industrieel proces, van lokale aard is en onder duidelijk omschreven voorwaarden streng gecontroleerd wordt, en in de tweede plaats voor het lokale vervoer van gevaarlijke goederen over korte afstand binnen haven- of luchthavengebieden of industrieterreinen de in bijlage II vermelde afwijkende bepalingen vast te stellen.

Artikel 3

Beschikking 2003/627/EG wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken beschikking worden opgevat als verwijzingen naar de onderhavige beschikking.

Artikel 4

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 4 maart 2005.

Voor de Commissie

Jacques BARROT

Vice-voorzitter


(1)  PB L 235 van 17.9.1996, blz. 25. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/110/EG van de Commissie (PB L 365 van 10.12.2004, blz. 24).

(2)  PB L 217 van 29.8.2003, blz. 67.

(3)  PB L 90 van 8.4.2003, blz. 47.

(4)  PB L 319 van 12.12.1994, blz. 7. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/111/EG van de Commissie (PB L 365 van 10.12.2004, blz. 25).


BIJLAGE I

Afwijkingen voor lidstaten voor kleine hoeveelheden van bepaalde gevaarlijke goederen

DUITSLAND

RA-SQ 3.1

Betreft: Vrijstelling van kleine hoeveelheden van bepaalde goederen voor particulier gebruik.

Referentie van de bijlage bij Richtlijn 96/49/EG (hierna „de richtlijn” genoemd): tabel in hoofdstuk 3.2 voor bepaalde UN-nummers in de klassen 1 tot en met 9.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: Vergunning voor en bepalingen inzake vervoer.

Referentie van de nationale wetgeving: Gefahrgut-Ausnahmeverordnung — GGAV 2002 vom 6.11.2002 (BGBl. I S. 4350), geändert durch Artikel 2 der Verordnung vom 28.4.2003 (BGBl. I S. 595); Ausnahme 3 (Verordening inzake vrijstellingen voor gevaarlijke goederen van 6 november 2002 (BGBl. I, blz. 4350), gewijzigd bij artikel 2 van de verordening van 28 april 2003 (BGBl. I, blz. 595), vrijstelling nr. 3).

Inhoud van de nationale wetgeving: Klassen 1 tot en met 9: vrijstelling voor zeer kleine hoeveelheden van verschillende goederen in verpakkingen en hoeveelheden voor particulier gebruik; maximaal 50 kg per vervoerseenheid; toepassing van de algemene verpakkingsvoorschriften voor de binnenverpakking.

Opmerkingen: Afwijking beperkt tot 31 december 2004.

Lijst nr. 14*.

RA-SQ 3.2

Betreft: Toestemming voor gezamenlijke verpakking.

Referentie van de bijlage bij de richtlijn: 4.1.10.4 MP2.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: Verbod op gezamenlijke verpakking.

Referentie van de nationale wetgeving: Gefahrgut-Ausnahmeverordnung — GGAV 2002 vom 6.11.2002 (BGBl. I S. 4350), geändert durch Artikel 2 der Verordnung vom 28.4.2003 (BGBl. I S. 595); Ausnahme 21 (Verordening inzake vrijstellingen voor gevaarlijke goederen van 6 november 2002 (BGBl. I, blz. 4350), gewijzigd bij artikel 2 van de verordening van 28 april 2003 (BGBl. I, blz. 595), vrijstelling nr. 21).

Inhoud van de nationale wetgeving: Klassen 1.4S, 2, 3 en 6.1: toestemming voor gezamenlijke verpakking van voorwerpen in klasse 1.4S (patronen voor kleine wapens), spuitbussen (klasse 2) en materialen voor reiniging en behandeling in de klassen 3 en 6.1 (vermelde UN-nummers) die als één geheel worden verkocht in gecombineerde verpakkingen in verpakkingsgroep II en in kleine hoeveelheden.

Opmerkingen: Lijst nr. 30*, 30a, 30b, 30c, 30d, 30e, 30f en 30g.

FRANKRIJK

RA-SQ 6.1

Betreft: Vervoer van geregistreerde bagage in passagierstreinen.

Referentie van de bijlage bij de richtlijn: 7.7.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: RID-materialen en -voorwerpen zijn van het vervoer als bagage uitgesloten.

Referentie van de nationale wetgeving: Arrêté du 5 juin 2001 relatif au transport de marchandises dangereuses par chemin de fer (Besluit van 5 juni 2001 inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, „RID-besluit”) — artikel 18.

Inhoud van de nationale wetgeving: RID-materialen en -voorwerpen die als expresse-pakket mogen worden vervoerd, mogen als bagage in passagierstreinen worden vervoerd.

RA-SQ 6.2

Betreft: Pakketten met gevaarlijke materialen die door passagiers in treinen worden meegenomen.

Referentie van de bijlage bij de richtlijn: 7.7.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: RID-materialen en -voorwerpen zijn van het vervoer als handbagage uitgesloten.

Referentie van de nationale wetgeving: Arrêté du 5 juin 2001 relatif au transport de marchandises dangereuses par chemin de fer (Besluit van 5 juni 2001 inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, „RID-besluit”) — artikel 19.

Inhoud van de nationale wetgeving: Het vervoer als handbagage van pakketten met gevaarlijke materialen die voor persoonlijk en beroepsmatig gebruik door passagiers bestemd zijn, wordt met inachtneming van bepaalde voorwaarden toegestaan: uitsluitend de in 3.4, 4.1 en 5.2 vermelde bepalingen inzake de verpakking, de merking en de etikettering van pakketten zijn van toepassing.

Opmerkingen: Draagbare gashouders zijn in de voor één reis benodigde hoeveelheid toegestaan voor patiënten met ademhalingsproblemen.

RA-SQ 6.3

Betreft: Vervoer ten behoeve van de spoorwegmaatschappij.

Referentie van de bijlage bij de richtlijn: 5.4.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: Informatie over gevaarlijke materialen die op de vrachtbrief moet worden vermeld.

Referentie van de nationale wetgeving: Arrêté du 5 juin 2001 relatif au transport de marchandises dangereuses par chemin de fer (Besluit van 5 juni 2001 inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, „RID-besluit”) — artikel 20, lid 2.

Inhoud van de nationale wetgeving: Voor het vervoer ten behoeve van de spoorwegmaatschappij van hoeveelheden die niet groter zijn dan de onder 1.1.3.6 vermelde grenswaarden, gelden niet de verplichtingen inzake de aangifte van de lading.

RA-SQ 6.4

Betreft: Vrijstelling van de opschriften op bepaalde postwagens.

Referentie van de bijlage bij de richtlijn: 5.3.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: Verplichting om een opschrift op de wand van de wagon aan te brengen.

Referentie van de nationale wetgeving: Arrêté du 5 juin 2001 relatif au transport de marchandises dangereuses par chemin de fer (Besluit van 5 juni 2001 inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, „RID-besluit”) — artikel 21, lid 1.

Inhoud van de nationale wetgeving: Alleen op postwagens met meer dan 3 ton van een materiaal in dezelfde klasse (met uitzondering van 1, 6.2 of 7) moet een opschrift worden aangebracht.

RA-SQ 6.5

Betreft: Vrijstelling van de opschriften op wagons waarin kleine containers worden vervoerd.

Referentie van de bijlage bij de richtlijn: 5.3.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: Verplichting om een opschrift op de wand van de wagon aan te brengen.

Referentie van de nationale wetgeving: Arrêté du 5 juin 2001 relatif au transport de marchandises dangereuses par chemin de fer (Besluit van 5 juni 2001 inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, „RID-besluit”) — artikel 21, lid 2.

Inhoud van de nationale wetgeving: Als de opschriften op de kleine containers duidelijk zichtbaar zijn, behoeft er geen opschrift op de wagons te worden aangebracht.

RA-SQ 6.6

Betreft: Vrijstelling van de opschriften op wagons waarin wegvoertuigen worden vervoerd die pakketten als lading hebben.

Referentie van de bijlage bij de richtlijn: 5.3.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: Verplichting om een opschrift op de wand van de wagon aan te brengen.

Referentie van de nationale wetgeving: Arrêté du 5 juin 2001 relatif au transport de marchandises dangereuses par chemin de fer (Besluit van 5 juni 2001 inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, „RID-besluit”) — artikel 21, lid 3.

Inhoud van de nationale wetgeving: Als de wegvoertuigen opschriften hebben die overeenkomen met de pakketten die ze bevatten, behoeft er geen opschrift op de wagons te worden aangebracht.

ZWEDEN

RA-SQ 14.1

Betreft: Op een spoorwagon waarmee gevaarlijke goederen als expresse-goederen worden vervoerd, behoeft geen opschrift te worden aangebracht.

Referentie van de bijlage bij de richtlijn: 5.3.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: Op een spoorwagon waarmee gevaarlijke goederen worden vervoerd, moet een opschrift worden aangebracht.

Referentie van de nationale wetgeving: Särskilda bestämmelser om vissa inrikes transporter av farligt gods på väg och i terräng (Specifieke voorschriften voor het binnenlands vervoer van gevaarlijke goederen).

Inhoud van de nationale wetgeving: Op een spoorwagon waarmee gevaarlijke goederen als expresse-goederen worden vervoerd, behoeft geen opschrift te worden aangebracht.

Opmerkingen: Het RID bevat kwantitatieve beperkingen voor goederen die expresse-goederen genoemd kunnen worden. Dit betekent dat het hier om kleine hoeveelheden gaat.

VERENIGD KONINKRIJK

RA-SQ 15.1

Betreft: Vervoer van bepaalde radioactieve materialen met geringe gevaren zoals klokken, horloges, rookmelders en wijzerplaten voor kompassen.

Referentie van de bijlage van de richtlijn: De meeste RID-voorschriften.

Inhoud van de bijlage van de richtlijn: Voorschriften voor het vervoer van materialen van klasse 7.

Referentie van de nationale wetgeving: Packaging, Labelling and Carriage of Radioactive Material by Rail Regulations 1996, reg 2(6) (as amended by Schedule 5 of the Carriage of Dangerous Goods (Amendment) Regulations 1999) (Voorschriften voor de verpakking, de etikettering en het vervoer van radioactief materiaal per spoor (1996), artikel 2(6), zoals gewijzigd bij bijlage 5 van de Voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke goederen (wijziging) van 1999).

Inhoud van de nationale wetgeving: Volledige vrijstelling van de bepalingen van de nationale regelgeving voor bepaalde handelsproducten die beperkte hoeveelheden radioactief materiaal bevatten.

Opmerkingen: Deze afwijking is een maatregel voor de korte termijn, die niet langer nodig zal zijn wanneer soortgelijke wijzigingen in de IAEA-regels in het RID worden opgenomen.

RA-SQ 15.2

Betreft: Vervoer van nominaal lege vaste tanks die niet als vervoersapparatuur bedoeld zijn (N2).

Referentie van de bijlage bij de richtlijn: 5 en 7.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: Voorschriften voor vrachtprocedures, vervoer, exploitatie en voertuigen.

Referentie van de nationale wetgeving: Wordt in de komende regelgeving gespecificeerd.

Inhoud van de nationale wetgeving: Zie boven.

Opmerkingen: Het vervoer van dergelijke vaste tanks valt niet onder het vervoer van gevaarlijke goederen in normale zin en de RID-bepalingen kunnen in de praktijk niet worden toegepast. Aangezien de tanks „nominaal leeg” zijn, is de hoeveelheid gevaarlijke goederen die zich daar feitelijk in bevindt, per definitie uiterst klein.

RA-SQ 15.3

Betreft: Versoepeling van de beperkingen voor het vervoer van gemengde ladingen explosieven en van explosieven met andere gevaarlijke goederen in wagons, voertuigen en containers (N4/5/6).

Referentie van de bijlage bij de richtlijn: 7.5.2.1 en 7.5.2.2.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: Beperkingen voor bepaalde soorten gemengde ladingen.

Referentie van de nationale wetgeving: Carriage of Dangerous Goods by Road Regulations 1996, reg.18; Carriage of Dangerous Goods by Rail Regulation, regs.17 and 24; Carriage of Explosives by Road Regulations, reg.14 (Voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (1996), artikel 18; Voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, artikelen 17 en 24; Voorschriften voor het vervoer van explosieven over de weg, artikel 14).

Inhoud van de nationale wetgeving: De nationale wetgeving is minder strikt voor gemengde ladingen explosieven, mits het vervoer hiervan zonder risico's kan gebeuren.

Opmerkingen: Het VK wil toestemming geven voor enkele variaties op de regels voor het combineren van explosieven met andere explosieven en van explosieven met andere gevaarlijke goederen. Elke variatie kent een kwantitatieve beperking voor een of meer onderdelen van de lading en wordt alleen toegestaan mits „alle redelijkerwijs uitvoerbare maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat de explosieven in contact komen met deze goederen of anderszins deze in gevaar brengen of daardoor in gevaar worden gebracht”.

Voorbeelden van variaties waarvoor het VK wellicht toestemming wil geven:

RA-SQ 15.4

Betreft: Verschillende „maximale totale hoeveelheden per vervoerseenheid” voor de goederen van klasse 1 in de categorieën 1 en 2 van de tabel onder 1.1.3.1.

Referentie van de bijlage bij de richtlijn: 1.1.3.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: Vrijstellingen in verband met de aard van de vervoersactiviteit.

Referentie van de nationale wetgeving: Wordt in de komende regelgeving gespecificeerd.

Inhoud van de nationale wetgeving: Voorschriften voor vrijstellingen voor beperkte hoeveelheden en gemengde ladingen explosieven.

Opmerkingen: Behelst verschillende grenswaarden voor hoeveelheden goederen van klasse 1, te weten „50” voor categorie 1 en „500” voor categorie 2. Voor de berekening van gemengde ladingen worden de vermenigvuldigingsfactoren „20” voor categorie 2 en „2” voor categorie 3 gehanteerd.

RA-SQ 15.5

Betreft: Vaststelling van RA-SQ 6.6.

Referentie van de nationale wetgeving: Carriage of Dangerous Goods by Rail Regulations 1996, Schedule 5, paragraphs 6 and 9 (Voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, bijlage 5, punten 6 en 9).


BIJLAGE II

Afwijkingen voor lidstaten voor lokaal vervoer dat beperkt blijft tot hun grondgebied

DUITSLAND

RA-LT 3.1

Betreft: Vervoer van met PCB’s verontreinigde materialen van klasse 9 als los gestort goed.

Referentie van de bijlage bij Richtlijn 96/49/EG (hierna „de richtlijn” genoemd): 7.3.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: Vervoer als los gestort goed.

Referentie van de nationale wetgeving: Gefahrgut-Ausnahmeverordnung — GGAV 2002 vom 6.11.2002 (BGBl. I S. 4350), geändert durch Artikel 2 der Verordnung vom 28.4.2003 (BGBl. I S. 595); Ausnahme 11 (Verordening inzake vrijstellingen voor gevaarlijke goederen van 6 november 2002 (BGBl. I, blz. 4350), gewijzigd bij artikel 2 van de verordening van 28 april 2003 (BGBl. I, blz. 595), vrijstelling nr. 11).

Inhoud van de nationale wetgeving: Toestemming voor het vervoer als los gestort goed in wissellaadbakken of containers die zodanig afgesloten zijn dat ze ondoordringbaar zijn voor vloeistoffen of stof.

Opmerkingen: Vrijstelling 11 beperkt tot 31 december 2004; met ingang van 2005 bevatten het ADR en het RID dezelfde bepalingen.

Zie ook Multilaterale Overeenkomst M137.

Lijst nr. 4*.

RA-LT 3.2

Betreft: Vervoer van verpakt gevaarlijk afval.

Referentie van de bijlage bij de richtlijn: Delen 1 tot en met 5.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: Classificatie, verpakking en kenmerking.

Referentie van de nationale wetgeving: Gefahrgut-Ausnahmeverordnung — GGAV 2002 vom 6.11.2002 (BGBl. I S. 4350), geändert durch Artikel 2 der Verordnung vom 28.4.2003 (BGBl. I S. 595); Ausnahme 20 (Verordening inzake vrijstellingen voor gevaarlijke goederen van 6 november 2002 (BGBl. I, blz. 4350), gewijzigd bij artikel 2 van de verordening van 28 april 2003 (BGBl. I, blz. 595), vrijstelling nr. 20).

Inhoud van de nationale wetgeving: Klassen 2 tot en met 6.1, 8 en 9: gezamenlijke verpakking en vervoer van gevaarlijk afval in pakketten en IBC’s; afval moet in een binnenverpakking (zoals ingezameld) worden verpakt en in specifieke afvalgroepen worden ingedeeld (gevaarlijke reacties binnen een afvalgroep vermijden); gebruik van speciale schriftelijke instructies voor de afvalgroepen en als vrachtbrief; inzameling van huisvuil en laboratoriumafval enz.

Opmerkingen: Lijst nr. 6*.

ZWEDEN

RA-LT 14.1

Betreft: Vervoer van gevaarlijk afval naar installaties voor de verwijdering van gevaarlijk afval.

Referentie van de bijlage bij de richtlijn: 2, 5.2 en 6.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: Indeling, merking en etikettering en voorschriften voor de constructie en het testen van de verpakking.

Referentie van de nationale wetgeving: Särskilda bestämmelser om vissa inrikes transporter av farligt gods på väg och i terräng (Specifieke voorschriften voor het binnenlands vervoer van gevaarlijke goederen).

Inhoud van de nationale wetgeving: De wetgeving behelst vereenvoudigde indelingscriteria, minder strenge eisen voor de constructie en het testen van de verpakking en gewijzigde voorschriften voor de etikettering en de merking. In plaats van de indeling van gevaarlijk afval aan de hand van het RID wordt het in verschillende afvalgroepen ingedeeld. Elke afvalgroep bevat stoffen die, overeenkomstig het RID, samen kunnen worden verpakt (gemengde verpakking). Elk pakket moet worden gemerkt met de code van de desbetreffende afvalgroep in plaats van het UN-nummer.

Opmerkingen: Deze voorschriften mogen alleen worden gebruikt voor het vervoer van gevaarlijk afval van publieke recyclinglocaties naar installaties voor de verwijdering van gevaarlijk afval.


8.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 61/48


BESLUIT Nr. 2/2005 VAN HET ACS-EG-COMITÉ DOUANESAMENWERKING

van 1 maart 2005

houdende afwijking van de definitie van „producten van oorsprong” in verband met de bijzondere situatie van de ACS-staten met betrekking tot de productie van tonijnconserven en tonijnzijden („loins”) (GS-post ex 16.04)

(2005/181/EG)

HET ACS-EG-COMITÉ DOUANESAMENWERKING,

Gelet op de ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst, ondertekend in Cotonou op 23 juni 2000, en met name op artikel 38 van Protocol nr. 1 bij bijlage V,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 38, lid 1, van genoemd protocol kunnen afwijkingen van de oorsprongsregels worden toegestaan wanneer zulks op grond van de ontwikkeling van een bestaande industrie of de vestiging van een nieuwe industrie gerechtvaardigd is.

(2)

Overeenkomstig artikel 38, lid 8, van genoemd protocol worden afwijkingen binnen de grenzen van een jaarcontingent van 8 000 t tonijnconserven en 2 000 t tonijnzijden („loins”) automatisch verleend.

(3)

Op 28 oktober 2002 werd Besluit nr. 2/2002 van het ACS-EG-Comité Douanesamenwerking houdende afwijking van de definitie van „producten van oorsprong” in verband met de bijzondere situatie van de ACS-staten met betrekking tot de productie van ingeblikte tonijn en tonijnzijden („loins”) (GS-post ex 16.04) goedgekeurd. De in artikel 1 van dit besluit vastgestelde afwijking is van toepassing van 1 oktober 2002 tot 28 februari 2005.

(4)

Met het oog op het verstrijken van deze bepaling hebben de ACS-lidstaten op 8 november 2004 een verzoek ingediend voor een nieuwe algemene afwijking van de oorsprongsregels in de ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst, voor ingeblikte tonijn en tonijnzijden („loins”) die geldig is voor alle ACS-landen en die de volledige vastgestelde jaarlijkse hoeveelheden bestrijkt, dat wil zeggen 8 000 t ingeblikte tonijn en 2 000 t tonijnzijden („loins”), die na 1 maart 2005 in de Gemeenschap worden ingevoerd.

(5)

De afwijking wordt gevraagd op grond van de desbetreffende bepalingen van Protocol nr. 1, en met name artikel 38, lid 8. De gevraagde hoeveelheden vallen binnen de grenzen van de jaarcontingenten die op verzoek van de ACS-staten automatisch worden toegekend.

(6)

Dit besluit is van toepassing van 1 maart 2005 tot eind 2007 in afwachting van de goedkeuring van de nieuwe handelsovereenkomsten die overeenkomstig artikel 37 van de ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst uiterlijk 1 januari 2008 in werking treden.

(7)

In Besluit nr. 2/2002 wordt verwezen naar „ingeblikte tonijn”, terwijl dit besluit van toepassing is op „tonijnconserven”. De term „tonijnconserven” omvat ingeblikte tonijn, vacuüm verpakte tonijn in plastic zakken of andere verpakkingen. De gecombineerde nomenclatuur van de Europese Gemeenschap hanteert de term „tonijnconserven” die „ingeblikte tonijn” omvat. Deze terminologie zou ook in dit besluit moeten worden gebruikt.

(8)

De hoeveelheden waarvoor een afwijking wordt vastgesteld, dienen te worden beheerd door de Commissie in samenwerking met de douaneautoriteiten van de lidstaten en van de ACS-staten. Te dien einde dienen nauw omschreven regels te worden vastgesteld,

BESLUIT:

Artikel 1

In afwijking van de bijzondere bepalingen in de lijst in bijlage II bij Protocol nr. 1 bij bijlage V van de ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst, worden tonijnconserven en tonijnzijden („loins”) van tariefpost GS ex 16.04, die in de ACS-staten worden verkregen uit tonijn die niet van oorsprong is, als van oorsprong uit de ACS-Staten beschouwd overeenkomstig de voorwaarden van dit besluit.

Artikel 2

De in artikel 1 bedoelde afwijking geldt voor de in de bijlage bij dit besluit vermelde producten en hoeveelheden die in de periode van 1 maart 2005 tot en met 31 december 2007 uit de ACS-staten in de Gemeenschap worden ingevoerd.

Artikel 3

De in de bijlage vermelde hoeveelheden worden beheerd door de Commissie, die alle administratieve maatregelen neemt die voor een doeltreffend beheer noodzakelijk zijn. De artikelen 308 bis, 308 ter en 308 quater van Verordening (EEG) nr. 2454/93 (1) met betrekking tot het beheer van tariefcontingenten zijn mutatis mutandis van toepassing op het beheer van de in de bijlage bedoelde hoeveelheden.

Artikel 4

1.   De douane-autoriteiten van de ACS-staten nemen de noodzakelijke maatregelen voor het verrichten van kwantitatieve controles op de uitvoer van de in artikel 1 bedoelde producten. Daartoe dient in alle certificaten die zij op grond van dit besluit afgeven, naar dit besluit te worden verwezen.

2.   De bevoegde autoriteiten van deze landen doen de Commissie ieder kwartaal, via het secretariaat van de ACS-Groep, een overzicht toekomen van de hoeveelheden waarvoor op grond van dit besluit certificaten-EUR.1 zijn afgegeven, onder opgave van de volgnummers van deze certificaten.

Artikel 5

In vak 7 van EUR.1-certificaten die ingevolge dit besluit worden afgegeven, wordt één van de volgende aantekeningen aangebracht:

„Derogation — Decision No 2/2005”;

„Dérogation — Décision no 2/2005”.

Artikel 6

De ACS-staten, de lidstaten en de Europese Gemeenschap nemen ieder voor zich de maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van dit besluit.

Artikel 7

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Dit besluit is van toepassing met ingang van 1 maart 2005.

Gedaan te Brussel, 1 maart 2005.

Voor het ACS-EG-Comité Douanesamenwerking

De gezamenlijke voorzitters

Robert VERRUE

Isabelle BASSONG


(1)  PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2286/2003 (PB L 343 van 31.12.2003, blz. 1).


BIJLAGE

Volgnummer

GS-post

Omschrijving

Periode

Hoeveelheid

(in t)

09.1632

ex 16.04

Tonijnconserven (1)

1.3.2005-28.2.2006

8 000

1.3.2006-28.2.2007

8 000

1.3.2007-31.12.2007

6 666

09.1637

ex 16.04

Tonijnzijden („loins”)

1.3.2005-28.2.2006

2 000

1.3.2006-28.2.2007

2 000

1.3.2007-31.12.2007

1 666


(1)  In eender welke vorm van verpakking waarbij het product wordt beschouwd als conserven in de zin van GS-post ex 16.04


Rectificaties

8.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 61/51


Rectificatie van Verordening (EG) nr. 1973/2004 van de Commissie van 29 oktober 2004 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad met betrekking tot de bij de titels IV en IV bis van die verordening ingestelde steunregelingen en het gebruik van braakgelegde grond voor de productie van grondstoffen

( Publicatieblad van de Europese Unie L 345 van 20 november 2004 )

Bladzijde 84, bijlage XXIII, tiende en elfde streepje:

in plaats van:

„—

alle in artikel 146, lid 1, bedoelde landbouwproducten en via een tussenproces daarvan afgeleide producten die als brandstof voor energieproductie worden gebruikt,

alle in artikel 146, lid 1, bedoelde producten en daarvan afgeleide producten die voor energieproductie zijn bestemd,”

te lezen:

„—

alle in artikel 145, lid 1, bedoelde landbouwproducten en via een tussenproces daarvan afgeleide producten die als brandstof voor energieproductie worden gebruikt,

alle in bijlage XXII bedoelde producten en daarvan afgeleide producten die voor energieproductie zijn bestemd,”.