|
ISSN 1725-2598 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
48e jaargang |
|
Inhoud |
|
I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing |
Bladzijde |
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
* |
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
* |
Richtlijn van de Commissie 2005/12/EG van 18 februari 2005 tot wijziging van de bijlagen I en II van Richtlijn 2003/25/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke stabiliteitsvereisten voor ro-ro-passagiersschepen ( 1 ) |
|
|
|
II Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing |
|
|
|
|
Raad |
|
|
|
* |
||
|
|
|
Commissie |
|
|
|
* |
2005/140/EG: |
|
|
|
* |
|
|
|
Besluiten aangenomen krachtens titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
|
|
|
Rectificaties |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing
|
19.2.2005 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/1 |
VERORDENING (EG) Nr. 279/2005 VAN DE COMMISSIE
van 18 februari 2005
tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt. |
|
(2) |
Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 19 februari 2005.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 18 februari 2005.
Voor de Commissie
J. M. SILVA RODRÍGUEZ
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1947/2002 (PB L 299 van 1.11.2002, blz. 17).
BIJLAGE
bij de verordening van de Commissie van 18 februari 2005 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
052 |
133,2 |
|
204 |
79,2 |
|
|
212 |
167,7 |
|
|
624 |
181,1 |
|
|
628 |
104,0 |
|
|
999 |
133,0 |
|
|
0707 00 05 |
052 |
180,3 |
|
068 |
116,3 |
|
|
204 |
68,5 |
|
|
999 |
121,7 |
|
|
0709 10 00 |
220 |
42,9 |
|
999 |
42,9 |
|
|
0709 90 70 |
052 |
213,7 |
|
204 |
217,9 |
|
|
999 |
215,8 |
|
|
0805 10 20 |
052 |
38,1 |
|
204 |
42,3 |
|
|
212 |
53,1 |
|
|
220 |
37,9 |
|
|
421 |
30,9 |
|
|
448 |
35,8 |
|
|
624 |
64,5 |
|
|
999 |
43,2 |
|
|
0805 20 10 |
204 |
82,6 |
|
624 |
80,9 |
|
|
999 |
81,8 |
|
|
0805 20 30 , 0805 20 50 , 0805 20 70 , 0805 20 90 |
052 |
42,7 |
|
204 |
89,7 |
|
|
220 |
35,5 |
|
|
400 |
77,0 |
|
|
464 |
143,4 |
|
|
528 |
96,4 |
|
|
624 |
61,0 |
|
|
662 |
40,8 |
|
|
999 |
73,3 |
|
|
0805 50 10 |
052 |
55,2 |
|
999 |
55,2 |
|
|
0808 10 80 |
400 |
103,5 |
|
404 |
107,3 |
|
|
508 |
85,1 |
|
|
512 |
124,4 |
|
|
528 |
88,0 |
|
|
720 |
52,5 |
|
|
999 |
93,5 |
|
|
0808 20 50 |
388 |
83,2 |
|
400 |
93,4 |
|
|
528 |
58,9 |
|
|
999 |
78,5 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 2081/2003 van de Commissie (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11). De code „ 999 ” staat voor „andere oorsprong”.
|
19.2.2005 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/3 |
VERORDENING (EG) Nr. 280/2005 VAN DE COMMISSIE
van 18 februari 2005
houdende vaststelling van de restituties die worden toegepast voor eieren en eigeel, uitgevoerd in de vorm van niet in bijlage I van het Verdrag vermelde goederen
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EEG) nr. 2771/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector eieren (1), en met name op artikel 8, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 8, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2771/75 kan het verschil tussen de prijzen in de internationale handel voor de bij artikel 1, lid 1, van die verordening bedoelde producten enerzijds en de prijzen in de Gemeenschap anderzijds door een restitutie bij de uitvoer worden overbrugd, wanneer deze producten worden uitgevoerd in de vorm van goederen welke in de bijlage van die verordening worden genoemd; in Verordening (EG) nr. 1520/2000 van de Commissie van 13 juli 2000 tot vaststelling van de gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen voor de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen (2), is omschreven voor welke van die producten een restitutie dient te worden vastgesteld bij uitvoer in de vorm van goederen bedoeld in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2771/75. |
|
(2) |
Overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1520/2000, moet de restitutie per 100 kg van elk van de betrokken basisproducten worden vastgesteld voor dezelfde periode als die welke is gekozen voor de vaststelling van de restituties voor deze zelfde producten die in onverwerkte toestand worden uitgevoerd. |
|
(3) |
In artikel 11 van de in het kader van de multilaterale besprekingen van de Uruguayronde gesloten landbouwovereenkomst is bepaald dat de restitutie bij uitvoer van een in een goed verwerkt product niet meer mag bedragen dan de restitutie voor ditzelfde product dat in onverwerkte toestand wordt uitgevoerd. |
|
(4) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor slachtpluimvee en eieren, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De restituties die van toepassing zijn op de in bijlage A van Verordening (EG) nr. 1520/2000 genoemde basisproducten die tevens zijn bedoeld in artikel 1, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2771/75 en die worden uitgevoerd in de vorm van in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2771/75 vermelde goederen, worden vastgesteld zoals in de bijlage bij deze verordening is aangegeven.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 21 februari 2005.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 18 februari 2005.
Voor de Commissie
Günter VERHEUGEN
Vice-voorzitter
(1) PB L 282 van 1.11.1975, blz. 49. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 1).
(2) PB L 177 van 15.7.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 886/2004 (PB L 168 van 1.5.2004, blz. 14).
BIJLAGE
Restituties welke van toepassing zijn vanaf 21 februari 2005 op eieren en eigeel die worden uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen
|
(EUR/100 kg) |
||||
|
GN-code |
Omschrijving |
Bestemming (1) |
Restituties |
|
|
0407 00 |
Vogeleieren in de schaal, vers, verduurzaamd of gekookt: |
|
|
|
|
– van pluimvee: |
|
|
||
|
0407 00 30 |
– – andere: |
|
|
|
|
02 |
10,00 |
||
|
03 |
25,00 |
|||
|
04 |
5,00 |
|||
|
01 |
5,00 |
||
|
0408 |
Vogeleieren uit de schaal en eigeel, vers, gedroogd, gestoomd of in water gekookt, in een bepaalde vorm gebracht, bevroren of op andere wijze verduurzaamd, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen: |
|
|
|
|
– eigeel: |
|
|
||
|
0408 11 |
– – gedroogd: |
|
|
|
|
ex 0408 11 80 |
– – – geschikt voor menselijke consumptie: |
|
|
|
|
ongezoet |
01 |
40,00 |
||
|
0408 19 |
– – andere: |
|
|
|
|
– – – geschikt voor menselijke consumptie: |
|
|
||
|
ex 0408 19 81 |
– – – – vloeibaar: |
|
|
|
|
ongezoet |
01 |
20,00 |
||
|
ex 0408 19 89 |
– – – – bevroren: |
|
|
|
|
ongezoet |
01 |
20,00 |
||
|
– andere: |
|
|
||
|
0408 91 |
– – gedroogd: |
|
|
|
|
ex 0408 91 80 |
– – – geschikt voor menselijke consumptie: |
|
|
|
|
ongezoet |
01 |
75,00 |
||
|
0408 99 |
– – andere: |
|
|
|
|
ex 0408 99 80 |
– – – geschikt voor menselijke consumptie: |
|
|
|
|
ongezoet |
01 |
19,00 |
||
(1) De bestemmingen zijn de volgende:
|
01 |
derde landen, met uitzondering van Bulgarije vanaf 1 oktober 2004. Voor Zwitserland en Liechtenstein gelden deze restitutites niet voor de goederen die zijn opgenomen in de tabellen I en II bij Protocol nr. 2 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972 die met ingang van 1 februari 2005 worden uitgevoerd |
|
02 |
Koeweit, Bahrein, Oman, Qatar, de Verenigde Arabische Emiraten, Jemen, Turkije, Hongkong SAR en Rusland |
|
03 |
Zuid-Korea, Japan, Maleisië, Thailand, Taiwan en de Filippijnen |
|
04 |
alle bestemmingen, met uitzondering van Zwitserland en Bulgarije vanaf 1 oktober 2004 en van de bestemmingen bedoeld onder 02 en 03. |
|
19.2.2005 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/5 |
VERORDENING (EG) Nr. 281/2005 VAN DE COMMISSIE
van 18 februari 2005
tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2921/90 met betrekking tot het bedrag van de steun voor ondermelk die tot caseïne en caseïnaten wordt verwerkt
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (1), en met name op artikel 15, onder b),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij artikel 2, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2921/90 van de Commissie van 10 oktober 1990 betreffende de steunverlening voor ondermelk die tot caseïne en caseïnaten wordt verwerkt (2), wordt het niveau van de steun voor tot caseïne of caseïnaten verwerkte ondermelk vastgesteld. Gezien de ontwikkeling van de marktprijs voor magere melkpoeder op de markt van de Gemeenschap en voor caseïne en caseïnaten op de markt van de Gemeenschap en op de wereldmarkt moet het steunbedrag worden verlaagd. |
|
(2) |
Verordening (EEG ) nr. 2921/90 moet derhalve worden gewijzigd. |
|
(3) |
Het Comité van beheer voor melk en zuivelproducten heeft geen advies uitgebracht in de door zijn voorzitter vastgestelde termijn, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
In artikel 2, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2921/90 wordt het bedrag „EUR 2,70” vervangen door „EUR 1,30”.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 18 februari 2005.
Voor de Commissie
Mariann FISCHER BOEL
Lid van de Commissie
(1) PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 186/2004 van de Commissie (PB L 29 van 3.2.2004, blz. 6).
(2) PB L 279 van 11.10.1990, blz. 22. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1826/2004 (PB L 321 van 22.10.2004, blz. 3).
|
19.2.2005 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/6 |
VERORDENING (EG) Nr. 282/2005 VAN DE COMMISSIE
van 18 februari 2005
betreffende de invoercertificaten voor producten van de sector rundvlees van oorsprong uit Botswana, Kenia, Madagaskar, Swaziland, Zimbabwe en Namibië
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (1),
Gelet op Verordening (EG) nr. 2286/2002 van de Raad van 10 december 2002 tot vaststelling van de regeling voor landbouwproducten en door verwerking daarvan verkregen goederen, van oorsprong uit de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (de ACS-staten) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1706/98 (2),
Gelet op Verordening (EG) nr. 2247/2003 van de Commissie van 19 december 2003 houdende bepalingen ter uitvoering, in de sector rundvlees, van Verordening (EG) nr. 2286/2002 van de Raad tot vaststelling van de regeling voor landbouwproducten en door verwerking daarvan verkregen goederen, van oorsprong uit de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (de ACS-staten) (3), en met name op artikel 5,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 1 van Verordening (EG) nr. 2247/2003 kunnen voor producten van de sector rundvlees van oorsprong uit Botswana, Kenia, Madagaskar, Swaziland, Zimbabwe en Namibië invoercertificaten worden afgegeven. De invoer mag evenwel de voor ieder van de betrokken uitvoerende derde landen vastgestelde hoeveelheid niet overschrijden. |
|
(2) |
Voor producten van oorsprong uit Botswana, Kenia, Madagaskar, Swaziland, Zimbabwe en Namibië overstijgen de hoeveelheden, uitgedrukt in vlees zonder been, waarvoor van 1 tot en met 10 februari 2005 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2247/2003 certificaten zijn aangevraagd, niet de voor deze landen beschikbare hoeveelheden. Bijgevolg kunnen voor de aangevraagde hoeveelheden invoercertificaten worden afgegeven. |
|
(3) |
De hoeveelheden, waarvoor met ingang van 1 maart 2005 certificaten kunnen worden aangevraagd binnen de totale hoeveelheid van 52 100 t, dienen te worden vastgesteld. |
|
(4) |
Er dient op te worden gewezen dat deze verordening Richtlijn 72/462/EEG van de Raad van 12 december 1972 inzake gezondheidsvraagstukken en veterinairrechtelijke vraagstukken bij de invoer van runderen, varkens, schapen en geiten, van vers vlees of van vleesproducten uit derde landen (4) onverlet laat, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De hieronder vermelde lidstaten geven op 21 februari 2005 voor de onderstaande hoeveelheden producten van de sector rundvlees, uitgedrukt in vlees zonder been, van oorsprong uit sommige staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, invoercertificaten af voor de daarbij vermelde landen van oorsprong:
|
|
Verenigd Koninkrijk:
|
|
|
Duitsland:
|
Artikel 2
Certificaataanvragen kunnen overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2247/2003 in de eerste tien dagen van de maand maart 2005 worden ingediend voor de volgende hoeveelheden rundvlees zonder been:
|
Botswana: |
17 536 t, |
|
Kenia: |
142 t, |
|
Madagaskar: |
7 579 t, |
|
Swaziland: |
3 347 t, |
|
Zimbabwe: |
9 100 t, |
|
Namibië: |
11 900 t. |
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op 21 februari 2005.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 18 februari 2005.
Voor de Commissie
J. M. SILVA RODRÍGUEZ
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 160 van 26.6.1999, blz. 21. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1899/2004 van de Commissie (PB L 328 van 30.10.2004, blz. 67).
(2) PB L 348 van 21.12.2002, blz. 5.
(3) PB L 333 van 20.12.2003, blz. 37. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1118/2004 (PB L 217 van 17.6.2004, blz. 10).
(4) PB L 302 van 31.12.1972, blz. 28. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 807/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 36).
|
19.2.2005 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/8 |
VERORDENING (EG) Nr. 283/2005 VAN DE COMMISSIE
van 18 februari 2005
tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector verwerkte producten op basis van groenten en fruit, andere dan voor toegevoegde suiker toegekende restituties (voorlopig verduurzaamde kersen, gepelde tomaten, gekonfijte kersen, bereide hazelnoten en sommige sinaasappelsappen)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 2201/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector verwerkte producten op basis van groenten en fruit (1), en met name op artikel 16, lid 3, derde alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 1429/95 van de Commissie (2), zijn uitvoeringsbepalingen vastgesteld met betrekking tot de uitvoerrestituties in de sector verwerkte producten op basis van groenten en fruit, andere dan voor toegevoegde suiker toegekende restituties. |
|
(2) |
In artikel 16, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2201/96 is bepaald dat, voorzover nodig om het mogelijk te maken dat economisch belangrijke hoeveelheden worden uitgevoerd, voor de in artikel 1, lid 2, onder a), van die verordening genoemde producten een uitvoerrestitutie kan worden toegekend binnen de grenzen die voortvloeien uit de overeenkomsten die zijn gesloten in overeenstemming met artikel 300 van het Verdrag. In artikel 18, lid 4, van Verordening (EG) nr. 2201/96 is bepaald dat, wanneer de restitutie voor de suiker die is verwerkt in de in artikel 1, lid 2, onder b), van die verordening genoemde producten, ontoereikend is om uitvoer van die producten mogelijk te maken, de overeenkomstig artikel 17 van die verordening vastgestelde restitutie van toepassing is. |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2201/96 dient ervoor te worden gezorgd dat de handelsstromen die eerder als gevolg van de restitutieregeling zijn ontstaan, niet worden verstoord. Daarom dienen de hoeveelheden per product te worden vastgesteld op basis van de landbouwproductennomenclatuur voor de uitvoerrestituties die is vastgesteld bij Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (3). |
|
(4) |
Op grond van artikel 17, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2201/96 moeten de restituties worden vastgesteld met inachtneming van de situatie en de verwachte ontwikkeling met betrekking tot, enerzijds, de prijzen van verwerkte producten op basis van groenten en fruit op de markt van de Gemeenschap en de beschikbare hoeveelheden en, anderzijds, de prijzen in de internationale handel. Ook moet rekening worden gehouden met de afzet- en vervoerskosten en met het economische aspect van de beoogde uitvoer. |
|
(5) |
Overeenkomstig artikel 17, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2201/96 moet bij het bepalen van de prijzen op de markt van de Gemeenschap rekening worden gehouden met de toegepaste prijzen die met het oog op de uitvoer het gunstigst blijken te zijn. |
|
(6) |
In verband met de situatie voor de internationale handel of de specifieke eisen van bepaalde markten kan het nodig zijn om de restitutie voor een bepaald product te differentiëren naar de bestemming van dat product. |
|
(7) |
Momenteel kunnen economisch belangrijke hoeveelheden worden uitgevoerd van voorlopig verduurzaamde kersen, gepelde tomaten, gekonfijte kersen, bereide hazelnoten en sommige sinaasappelsappen. |
|
(8) |
De eenheidsbedragen van de restituties en de betrokken hoeveelheden moeten dienovereenkomstig worden vastgesteld. |
|
(9) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor op basis van groenten en fruit verwerkte producten, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. De eenheidsbedragen van de uitvoerrestituties in de sector verwerkte producten op basis van groenten en fruit, de periode voor de indiening van de certificaataanvragen, de periode voor de afgifte van de certificaten en de betrokken hoeveelheden worden vastgesteld in de bijlage.
2. De in het kader van voedselhulp afgegeven certificaten als bedoeld in artikel 16 van Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie (4), worden niet in mindering gebracht op de in de bijlage bij de onderhavige verordening vastgestelde hoeveelheden.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 22 februari 2005.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 18 februari 2005.
Voor de Commissie
Mariann FISCHER BOEL
Lid van de Commissie
(1) PB L 297 van 21.11.1996, blz. 29. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 386/2004 van de Commissie (PB L 64 van 2.3.2004, blz. 25).
(2) PB L 141 van 24.6.1995, blz. 28. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 498/2004 (PB L 80 van 18.3.2004, blz. 20).
(3) PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2180/2003 van de Commissie (PB L 335 van 22.12.2003, blz. 1).
(4) PB L 152 van 24.6.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 636/2004 (PB L 100 van 6.4.2004, blz. 25).
BIJLAGE
bij de verordening van de Commissie van 18 februari 2005 tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector verwerkte producten op basis van groenten en fruit, andere dan voor toegevoegde suiker toegekende restituties (voorlopig verduurzaamde kersen, gepelde tomaten, gekonfijte kersen, bereide hazelnoten en sommige sinaasappelsappen)
Periode voor de indiening van de certificaataanvragen: van 22 februari tot en met 23 juni 2005.
Periode voor de toewijzing van de certificaten: van maart tot en met juni 2005.
|
Productcode (1) |
Code van de bestemming (2) |
Eenheidsbedrag van de restitutie (in EUR/t nettogewicht) |
Betrokken hoeveelheid (in t) |
|
0812 10 00 9100 |
F06 |
50 |
2 853 |
|
2002 10 10 9100 |
F10 |
45 |
42 477 |
|
2006 00 31 9000 2006 00 99 9100 |
F06 |
153 |
287 |
|
2008 19 19 9100 2008 19 99 9100 |
A00 |
59 |
344 |
|
2009 11 99 9110 2009 12 00 9111 2009 19 98 9112 |
A00 |
5 |
300 |
|
2009 11 99 9150 2009 19 98 9150 |
A00 |
29 |
301 |
(1) De productcodes zijn vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1).
(2) De bestemmingscodes van de „ A ”-serie zijn vastgesteld in bijlage II bij Verordening (EEG) nr. 3846/87.
De cijfercodes van de bestemmingen zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2081/2003 van de Commissie (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11).
De overige bestemmingen worden als volgt vastgesteld:
|
F06 |
Alle bestemmingen behalve de landen van Noord-Amerika. |
|
F10 |
Alle bestemmingen behalve de Verenigde Staten van Amerika en Bulgaije. |
|
19.2.2005 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/10 |
VERORDENING (EG) Nr. 284/2005 VAN DE COMMISSIE
van 18 februari 2005
tot vaststelling van afwijkingen van Verordening (EG) nr. 800/1999 ten aanzien van producten in de vorm van goederen die niet onder bijlage I bij het Verdrag vallen, die worden uitgevoerd naar andere derde landen dan Zwitserland en Liechtenstein
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad van 6 december 1993 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen (1) en met name op artikel 8, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Artikel 16, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1520/2000 van de Commissie van 13 juli 2000 tot vaststelling van de gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen voor de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen (2), bepaalt dat Verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (3) van toepassing is op de uitvoer van producten in de vorm van goederen die niet onder bijlage I bij het Verdrag vallen. |
|
(2) |
Ingevolge artikel 3 van Verordening (EG) nr. 800/1999 ontstaat het recht op een uitvoerrestitutie bij invoer in een bepaald derde land, wanneer voor dit derde land een gedifferentieerde restitutievoet van toepassing is. De artikelen 14, 15 en 16 van die verordening noemen de voorwaarden voor betaling van de gedifferentieerde restitutie; met name betreft dit de documenten die moeten worden verstrekt als bewijs voor de aankomst van de goederen in het land van bestemming. |
|
(3) |
In het geval van een gedifferentieerde restitutie wordt ingevolge artikel 18, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 800/1999 op verzoek van de exporteur een deel van de restitutie, berekend aan de hand van de laagste restitutievoet, betaald zodra het bewijs is geleverd dat het product het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten. |
|
(4) |
De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972 (4), die in oktober 2004 werd ondertekend, is ingevolge Besluit 2005/45/EG van de Raad van 22 december 2004 betreffende het sluiten en de voorlopige toepassing van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972, wat de bepalingen betreffende verwerkte landbouwproducten betreft (5) vanaf 1 februari 2005 op voorlopige basis van toepassing. |
|
(5) |
Ingevolge Besluit 2005/45/EG komt de uitvoer van bepaalde verwerkte landbouwproducten naar Zwitserland en Liechtenstein vanaf 1 februari 2005 niet langer voor uitvoerrestituties in aanmerking, tenzij de Gemeenschap besluit dergelijke restituties in te voeren wanneer de Zwitserse binnenlandse referentieprijs lager is dan de binnenlandse referentieprijs van de Gemeenschap. |
|
(6) |
Bij Besluit 2005/45/EG worden speciale bepalingen over administratieve samenwerking bij de bestrijding van onregelmatigheden en fraude op het gebied van douane en uitvoerrestituties ingevoerd. |
|
(7) |
In het licht van die bepalingen en teneinde onnodige kosten voor de marktdeelnemers in hun handelsverkeer met andere derde landen te vermijden, is het dienstig van Verordening (EG) nr. 800/1999 af te wijken voorzover in het geval van gedifferentieerde restituties een bewijs van invoer wordt verlangd. Het is ook dienstig om, wanneer er voor de landen van bestemming in kwestie geen uitvoerrestituties zijn vastgesteld, dit feit bij de vaststelling van de laagste restitutievoet buiten beschouwing te laten. |
|
(8) |
Aangezien de maatregelen van Besluit 2005/45/EG vanaf 1 februari 2005 van toepassing zijn, moet deze verordening vanaf die datum van toepassing zijn en onmiddellijk in werking treden. |
|
(9) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor horizontale vraagstukken inzake het handelsverkeer in verwerkte landbouwproducten die niet onder bijlage I bij het Verdrag vallen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
In afwijking van artikel 16 van Verordening (EG) nr. 800/1999 is, wanneer de differentiatie van de restitutie enkel het gevolg is van het feit dat er voor Zwitserland of Liechtenstein geen restitutie is vastgesteld, voor alle in Verordening (EG) nr. 1520/2000 bedoelde goederen die zijn opgenomen in de tabellen I en II van Protocol nr. 2 van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972 (6), het bewijs dat de douaneformaliteiten bij invoer zijn vervuld, geen voorwaarde voor betaling van de restitutie.
Artikel 2
Bij de vaststelling van de laagste restitutievoet in de zin van artikel 18, lid 2, van Verordening (EG) nr. 800/1999 wordt geen rekening gehouden met het feit dat er voor de uitvoer naar Zwitserland of Liechtenstein van de in Verordening (EG) nr. 1520/2000 bedoelde goederen die zijn opgenomen in de tabellen I en II van Protocol nr. 2 van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972, geen uitvoerrestituties zijn vastgesteld.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 februari 2005.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 18 februari 2005.
Voor de Commissie
Günter VERHEUGEN
Vice-voorzitter
(1) PB L 318 van 20.12.1993, blz. 18. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2580/2000 (PB L 298 van 25.11.2000, blz. 5).
(2) PB L 177 van 15.7.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 886/2004 (PB L 168 van 1.5.2004, blz. 14).
(3) PB L 102 van 17.4.1999, blz. 11. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 671/2004 (PB L 105 van 14.4.2004, blz. 5).
(4) PB L 23 van 26.1.2005, blz. 19.
|
19.2.2005 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/12 |
VERORDENING (EG) Nr. 285/2005 VAN DE COMMISSIE
van 18 februari 2005
tot vaststelling van overgangsmaatregelen in verband met de goedkeuring van een verbeterde handelsregeling voor de uitvoer van bepaalde verwerkte landbouwproducten naar Zwitserland en Liechtenstein
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad van 6 december 1993 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen (1), en met name op artikel 8, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972 (2), die in oktober 2004 werd ondertekend, is ingevolge Besluit 2005/45/EG van de Raad van 22 december 2004 betreffende het sluiten en de voorlopige toepassing van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972, wat de bepalingen betreffende verwerkte landbouwproducten betreft (3), vanaf 1 februari 2005 op voorlopige basis van toepassing. |
|
(2) |
Ingevolge Besluit 2005/45/EG komen bepaalde goederen waarvoor marktdeelnemers overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1520/2000 van de Commissie van 13 juli 2000 tot vaststelling van de gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen voor de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het verdrag vallen restitutiecertificaten hebben aangevraagd (4), vanaf 1 februari 2005 bij uitvoer naar Zwitserland of Liechtenstein niet meer voor een restitutie in aanmerking. |
|
(3) |
Het moet worden toegestaan het bedrag van de restitutiecertificaten te verlagen en de zekerheid voor de restitutiecertificaten pro rata vrij te geven wanneer marktdeelnemers ten genoegen van de bevoegde nationale instantie kunnen aantonen dat Besluit 2005/45/EG van invloed was op hun restitutieaanvragen. Bij haar beoordeling van verzoeken om verlaging van het bedrag van het restitutiecertificaat en een proportionele vrijgave van de zekerheid daarvoor moet de bevoegde nationale instantie bij twijfel in het bijzonder rekening houden met de documenten die worden genoemd in artikel 1, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 4045/89 van 21 december 1989 inzake de door de lidstaten uit te voeren controles op de verrichtingen in het kader van de financieringsregeling van de afdeling Garantie van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw en houdende intrekking van Richtlijn 77/435/EEG (5), zonder dat hierbij de toepassing van de andere bepalingen van die verordening in het gedrang mag komen. |
|
(4) |
Om administratieve redenen is het dienstig te bepalen dat verzoeken om verlaging van het bedrag van het restitutiecertificaat en vrijgave van de zekerheid binnen een korte periode moeten worden gedaan en dat de bedragen waarvoor verlaging geaccepteerd is, tijdig ter kennis van de Commissie moeten worden gebracht, zodat hiermee rekening kan worden gehouden bij de vaststelling van het bedrag waarvoor ingevolge Verordening (EG) nr. 1520/2000 restitutiecertificaten voor gebruik vanaf 1 april 2005 zullen worden uitgegeven. |
|
(5) |
Aangezien de maatregelen van Besluit 2005/45/EG vanaf 1 februari 2005 van toepassing zullen zijn, moet deze verordening vanaf die datum van toepassing zijn en onmiddellijk in werking treden. |
|
(6) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor horizontale vraagstukken inzake het handelsverkeer in verwerkte landbouwproducten die niet onder bijlage I bij het verdrag vallen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Het bedrag van de restitutiecertificaten die in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1520/2000 zijn afgegeven voor de uitvoer van goederen waarvoor ingevolge Besluit 2005/45/EG de uitvoerrestituties zijn afgeschaft, kan op verzoek van de belanghebbende partij onder de in lid 2 genoemde voorwaarden worden verlaagd.
2. Om voor verlaging van het bedrag van het restitutiecertificaat in aanmerking te komen, moeten de in lid 1 bedoelde certificaten vóór 1 februari 2005 zijn aangevraagd en moet hun geldigheidsduur na 31 januari 2005 aflopen.
3. Het bedrag van het certificaat wordt verlaagd met het bedrag waarvoor de betrokkene ten genoegen van de bevoegde nationale instantie aantoont dat hij na 1 februari 2005 geen uitvoerrestituties kan aanvragen.
Bij twijfel houden de bevoegde instanties bij hun beoordeling in het bijzonder rekening met de in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 4045/89 bedoelde handelsdocumenten.
4. De zekerheid terzake wordt vrijgegeven naar rata van de verlaging.
Artikel 2
1. Om voor de in artikel 1 bedoelde regeling in aanmerking te komen moet de bevoegde nationale instantie de verzoeken uiterlijk op 7 maart 2005 in haar bezit hebben.
2. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 14 maart 2005 in kennis van de bedragen die overeenkomstig artikel 1, lid 3, van deze verordening zijn verlaagd. Bij de vaststelling van het bedrag waarvoor ingevolge artikel 8, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 1520/2000 restitutiecertificaten voor gebruik vanaf 1 april 2005 worden uitgegeven, wordt rekening gehouden met de medegedeelde bedragen.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 18 februari 2005.
Voor de Commissie
Günter VERHEUGEN
Vice-voorzitter
(1) PB L 318 van 20.12.1993, blz. 18. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2580/2000 (PB L 298 van 25.11.2000, blz. 5).
(2) PB L 23 van 26.1.2005, blz. 19.
(3) PB L 23 van 26.1.2005, blz. 17.
(4) PB L 177 van 15.7.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 886/2004 (PB L 168 van 1.5.2004, blz. 14).
(5) PB L 388 van 30.12.1989, blz. 18. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2154/2002 (PB L 328 van 5.12.2002, blz. 4).
|
19.2.2005 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/14 |
VERORDENING (EG) Nr. 286/2005 VAN DE COMMISSIE
van 18 februari 2005
betreffende de afgifte van invoercertificaten voor rietsuiker in het kader van bepaalde tariefcontingenten en preferentiële overeenkomsten
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1),
Gelet op Verordening (EG) nr. 1095/96 van de Raad van 18 juni 1996 betreffende de tenuitvoerlegging van de concessies in de lijst CXL die is opgesteld naar aanleiding van de voltooiing van de onderhandelingen in het kader van artikel XXIV, lid 6, van de GATT (2),
Gelet op Verordening (EG) nr. 1159/2003 van de Commissie van 30 juni 2003 tot vaststelling, voor de verkoopseizoenen 2003/2004, 2004/2005 en 2005/2006, van de uitvoeringsbepalingen voor de invoer van rietsuiker in het kader van bepaalde tariefcontingenten en preferentiële overeenkomsten en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1464/95 en (EG) nr. 779/96 (3), en met name op artikel 5, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1159/2003 zijn de voorwaarden vastgesteld voor de bepaling van de leveringsverplichtingen tegen nulrecht van de producten van GN-code 1701 , uitgedrukt in wittesuikerequivalent, voor invoer van oorsprong uit de landen die het ACS-protocol en de overeenkomst met India hebben ondertekend. |
|
(2) |
Bij Verordening (EG) nr. 221/2005 van de Commissie van 10 februari 2005 tot vaststelling van de hoeveelheden van de leveringsverplichtingen voor de krachtens het ACS-protocol en de overeenkomst met India in te voeren rietsuiker voor de leveringsperiode 2004-2005 (4) is voor Congo, India en Mozambique een leveringsverplichting vastgesteld op een niveau dat hoger ligt dan het totaal van de invoercertificaataanvragen die voor de leveringsperiode 2004/2005 reeds zijn ingediend. |
|
(3) |
Derhalve moet, voor de duidelijkheid, worden aangegeven dat de betrokken maximumhoeveelheden niet meer zijn bereikt. |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Voor de van 7 februari tot en met 11 februari 2005 op grond van artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1159/2003 ingediende aanvragen voor invoercertificaten worden de certificaten afgegeven voor maximaal de in de bijlage bij deze verordening aangegeven hoeveelheden.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 19 februari 2005.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 18 februari 2005.
Voor de Commissie
J. M. SILVA RODRÍGUEZ
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1. Verordening laastelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 39/2004 van de Commissie (PB L 6 van 10.1.2004, blz. 16).
(2) PB L 146 van 20.6.1996, blz. 1.
(3) PB L 162 van 1.7.2003, blz. 25. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1409/2004 (PB L 256 van 3.8.2004, blz. 11).
BIJLAGE
Preferentiële suiker ACS—INDIA
Titel II van Verordening (EG) nr. 1159/2003
Verkoopseizoen 2004/2005
|
Betrokken land |
Percentage van de aangevraagde hoeveelheden waarvoor certificaten worden afgegeven in de week van 7.-11.2.2005 |
Maximumhoeveelheid |
|
Barbados |
100 |
|
|
Belize |
0 |
Bereikt |
|
Congo |
100 |
|
|
Fiji |
100 |
|
|
Guyana |
100 |
|
|
India |
100 |
|
|
Ivoorkust |
100 |
|
|
Jamaica |
100 |
|
|
Kenia |
100 |
|
|
Madagaskar |
100 |
|
|
Malawi |
100 |
|
|
Mauritius |
100 |
|
|
Mozambique |
100 |
|
|
Saint Kitts en Nevis |
100 |
|
|
Swaziland |
100 |
|
|
Tanzania |
100 |
|
|
Trinidad en Tobago |
100 |
|
|
Zambia |
100 |
|
|
Zimbabwe |
0 |
Bereikt |
Bijzondere preferentiële suiker
Titel III van Verordening (EG) nr. 1159/2003
Verkoopseizoen 2004/2005
|
Betrokken land |
Percentage van de aangevraagde hoeveelheden waarvoor certificaten worden afgegeven in de week van 7.-11.2.2005 |
Maximumhoeveelheid |
|
India |
100 |
|
|
ACS |
100 |
|
Suiker CXL-concessies
Titel IV van Verordening (EG) nr. 1159/2003
Verkoopseizoen 2004/2005
|
Betrokken land |
Percentage van de aangevraagde hoeveelheden waarvoor certificaten worden afgegeven in de week van 7.-11.2.2005 |
Maximumhoeveelheid |
|
Brazilië |
0 |
Bereikt |
|
Cuba |
100 |
|
|
Andere derde landen |
0 |
Bereikt |
|
19.2.2005 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/16 |
VERORDENING (EG) Nr. 287/2005 VAN DE COMMISSIE
van 18 februari 2005
tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector eieren voor de periode vanaf 21 februari 2005
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EEG) nr. 2771/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector eieren (1), en met name op artikel 8, lid 3, derde alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het verschil tussen de prijzen van de in artikel 1, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2771/75 bedoelde producten op de wereldmarkt en in de Gemeenschap kan ingevolge artikel 8 van genoemde verordening worden overbrugd door een restitutie bij de uitvoer. |
|
(2) |
De toepassing van deze regels en criteria op de huidige marktsituatie in de sector eieren leidt tot de vaststelling van een restitutiebedrag waardoor de Gemeenschap aan de internationale handel kan deelnemen en waarbij ook rekening wordt gehouden met de aard van de uitvoer van deze producten, alsmede met hun huidige belang. |
|
(3) |
Op grond van de huidige marktsituatie in een aantal derde landen en de concurrentie voor bepaalde bestemmingen, moet een naar bestemming gedifferentieerde restitutie worden vastgesteld voor bepaalde producten van de sector eieren. |
|
(4) |
In artikel 21 van Verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (2), is bepaald dat geen restitutie wordt verleend indien de producten op de dag waarop de aangifte ten uitvoer wordt aanvaard, niet van gezonde handelskwaliteit zijn. Om ervoor te zorgen dat de geldende regelgeving uniform wordt toegepast, moet worden bepaald dat de eiproducten als bedoeld in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 2771/75 uitsluitend voor restitutie in aanmerking komen indien zij het keurmerk dragen dat is vastgesteld bij Richtlijn 89/437/EEG van de Raad van 20 juni 1989 inzake hygiëne- en gezondheidsvraagstukken bij de bereiding en het in de handel brengen van eiproducten (3). |
|
(5) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor slachtpluimvee en eieren, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De codes van producten bij uitvoer waarvan de in artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 2771/75 bedoelde restitutie wordt toegekend, alsmede de bedragen van deze restituties worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Om voor de restitutie in aanmerking te komen, moeten de producten die vallen onder hoofdstuk XI van de bijlage bij Richtlijn 89/437/EEG, tevens voldoen aan de in die richtlijn vastgestelde voorwaarden inzake het aanbrengen van het keurmerk.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 21 februari 2005.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 18 februari 2005.
Voor de Commissie
Mariann FISCHER BOEL
Lid van de Commissie
(1) PB L 282 van 1.11.1975, blz. 49. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 1).
(2) PB L 102 van 17.4.1999, blz. 11. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 444/2003 (PB L 67 van 12.3.2003, blz. 3).
(3) PB L 212 van 22.7.1989, blz. 87. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003.
BIJLAGE
Uitvoerrestituties in de sector eieren van toepassing vanaf 21 februari 2005
|
Productcode |
Bestemming |
Meeteenheid |
Restitutiebedrag |
||||||||||
|
0407 00 11 9000 |
E16 |
EUR/100 st. |
1,70 |
||||||||||
|
0407 00 19 9000 |
E16 |
EUR/100 st. |
0,80 |
||||||||||
|
0407 00 30 9000 |
E09 |
EUR/100 kg |
10,00 |
||||||||||
|
E10 |
EUR/100 kg |
25,00 |
|||||||||||
|
E17 |
EUR/100 kg |
5,00 |
|||||||||||
|
0408 11 80 9100 |
E18 |
EUR/100 kg |
40,00 |
||||||||||
|
0408 19 81 9100 |
E18 |
EUR/100 kg |
20,00 |
||||||||||
|
0408 19 89 9100 |
E18 |
EUR/100 kg |
20,00 |
||||||||||
|
0408 91 80 9100 |
E18 |
EUR/100 kg |
75,00 |
||||||||||
|
0408 99 80 9100 |
E18 |
EUR/100 kg |
19,00 |
||||||||||
|
NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A ” zijn vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1), zoals gewijzigd. De numerieke codes voor de bestemmingen zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2081/2003 van de Commissie (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11). De andere bestemmingen worden als volgt vastgesteld:
|
|||||||||||||
|
19.2.2005 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/18 |
VERORDENING (EG) Nr. 288/2005 VAN DE COMMISSIE
van 18 februari 2005
tot vaststelling van de wereldmarktprijs voor niet-geëgreneerde katoen
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op het aan de Akte van Toetreding van Griekenland gehechte Protocol nr. 4 betreffende katoen, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1050/2001 van de Raad (1),
Gelet op Verordening (EG) nr. 1051/2001 van de Raad van 22 mei 2001 betreffende de steun voor de katoenproductie (2), en met name op artikel 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Krachtens artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1051/2001 wordt op gezette tijden een wereldmarktprijs voor niet-geëgreneerde katoen bepaald, rekening houdende met de historische verhouding tussen de in aanmerking genomen wereldmarktprijs voor geëgreneerde katoen en de berekende prijs voor niet-geëgreneerde katoen. Deze historische verhouding is vastgesteld in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1591/2001 van de Commissie van 2 augustus 2001, houdende uitvoeringsbepalingen van de steunregeling voor katoen (3). Als de wereldmarktprijs niet op die wijze kan worden bepaald, wordt hij bepaald op basis van de laatst vastgestelde prijs. |
|
(2) |
Krachtens artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1051/2001 wordt de wereldmarktprijs voor niet-geëgreneerde katoen bepaald voor een product met bepaalde kenmerken, waarbij rekening wordt gehouden met de gunstigste, voor de werkelijke markttendens representatief geachte aanbiedingen en noteringen. Om deze prijs te bepalen, wordt het gemiddelde berekend van de aanbiedingen en noteringen op één of meer Europese beurzen voor in een haven van Noord-Europa cif-geleverde producten uit de verschillende, voor de internationale handel als meest representatief beschouwde productielanden. Evenwel is bepaald dat deze criteria voor het bepalen van de wereldmarktprijs voor geëgreneerde katoen worden aangepast, om rekening te houden met de verschillen op grond van de kwaliteit van het geleverde product en de aard van de aanbiedingen en noteringen. In artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr 1591/2001 is bepaald welke aanpassingen kunnen plaatsvinden. |
|
(3) |
Op grond van bovenbedoelde criteria moet de wereldmarktprijs voor niet-geëgreneerde katoen op het hieronder aangegeven niveau worden vastgesteld, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1051/2001 bedoelde wereldmarktprijs voor niet-geëgreneerde katoen wordt vastgesteld op 18,370 EUR/100 kg.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 19 februari 2005.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 18 februari 2005.
Voor de Commissie
J. M. SILVA RODRÍGUEZ
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 148 van 1.6.2001, blz. 1.
(2) PB L 148 van 1.6.2001, blz. 3.
(3) PB L 210 van 3.8.2001, blz. 10. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1486/2002 (PB L 223 van 20.8.2002, blz. 3).
|
19.2.2005 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/19 |
RICHTLIJN VAN DE COMMISSIE 2005/12/EG
van 18 februari 2005
tot wijziging van de bijlagen I en II van Richtlijn 2003/25/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke stabiliteitsvereisten voor ro-ro-passagiersschepen
(Voor de EER relevante tekst)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gezien Richtlijn 2003/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 april 2003 betreffende specifieke stabiliteitsvereisten voor ro-ro-passagiersschepen (1) en met name op artikel 10,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Richtlijn 2003/25/EG is van toepassing op alle ro-ro-passagiersschepen, ongeacht de vlag die zij voeren, die een geregelde dienst van of naar een haven in een lidstaat onderhouden voor internationale reizen. |
|
(2) |
Artikel 6 van Richtlijn 2003/25/EG bepaalt dat ro-ro-passagiersschepen moeten voldoen aan specifieke stabiliteitsvereisten die nader worden uiteengezet in bijlage I van genoemde richtlijn en dat de lidstaten bij de toepassing van deze vereisten gebruik maken van de richtsnoeren in bijlage II. |
|
(3) |
Artikel 10 van Richtlijn 2003/25/EG bepaalt dat, teneinde rekening te houden met de ontwikkelingen op internationaal niveau, met name bij de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), de bijlagen bij de richtlijn kunnen worden gewijzigd volgens de procedure van artikel 11, lid 2. |
|
(4) |
Bij IMO-resolutie MSC 141(76) van 5 december 2002 is een gewijzigde modelbeproevingsmethode ingevoerd met bijbehorende richtsnoeren in het kader van de SOLAS (Safety of Life at Sea) Conferentie van 1995. Resolutie 14 heeft betrekking op regionale overeenkomsten inzake specifieke stabiliteitsvereisten voor ro-ro-passagiersschepen. |
|
(5) |
De gewijzigde modelbeproevingsmethode moet in de plaats komen van de voordien toegepaste modelbeproevingsmethode van Richtlijn 2003/25/EG. Een schip dat de proef volgens de voordien toegepaste modelbeproevingsmethode heeft doorstaan, behoeft niet opnieuw te worden beproefd. |
|
(6) |
Richtlijn 2003/25/EG dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd. |
|
(7) |
De in deze richtlijn voorziene maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen, dat is opgericht bij Verordening (EG) nr. 2099/2002 van het Europees Parlement en de Raad (2), |
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Richtlijn 2003/25/EG wordt als volgt gewijzigd:
|
1. |
Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:
|
|
2. |
In Bijlage II wordt deel II „modelproeven” vervangen door de tekst van bijlage II bij deze richtlijn. |
Artikel 2
1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om aan deze richtlijn te voldoen uiterlijk 12 maanden na de datum van inwerkingtreding hiervan. Zij stellen de Commissie onverwijld in kennis van de tekst van die bepalingen en van een correlatietabel tussen die bepalingen en deze richtlijn.
Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de voornaamste bepalingen van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 3
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 4
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 18 februari 2005.
Voor de Commissie
Jacques BARROT
Vice-voorzitter
(1) PB L 123 van 17.5.2003, blz. 22.
(2) PB L 324 van 29.11.2002, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 415/2004 (PB L 68 van 6.3.2004, blz. 10).
BIJLAGE I
„Aanhangsel
Modelbeproevingsmethode
1. Doelstellingen
Deze gewijzigde modelbeproevingsmethode is een herziening van de methode in het Aanhangsel bij de bijlage bij resolutie 14 van de SOLAS-Conferentie van 1995. Sinds de inwerkingtreding van de overeenkomst van Stockholm zijn een aantal modelproeven uitgevoerd overeenkomstig de vroeger geldende beproevingsmethode. Gedurende die proeven zijn de beproevingsmethoden op een aantal punten verfijnd. Deze verfijningen zijn verwerkt in de nieuwe modelbeproevingsmethode en samen met de bijgaande richtsnoeren vormt zij een degelijker methode voor het beoordelen van het overlevingsvermogen van een beschadigd ro-ro-passagiersschip in een zeegang. Bij de proeven als bedoeld in punt 1.4 van de stabiliteitsvereisten in Bijlage I, moet het schip een zeegang als omschreven in onderstaand punt 4 kunnen weerstaan in het ongunstigste schadegeval.
2. Definities
|
LBP |
is de lengte tussen loodlijnen |
|
HS |
is de significante golfhoogte |
|
B |
is de spantbreedte van het schip |
|
TP |
is de piekperiode |
|
TZ |
is de nuldoorgangsperiode. |
3. Scheepsmodel
3.1. Het model moet zowel de uiterlijke vorm als de inwendige indeling van het werkelijke schip weergeven, met name alle beschadigde ruimten die van invloed zijn op het vervuld raken en overkrijgen van water. Intacte diepgang, trim, helling en beperking van de operationele KG overeenkomende met het (de) ongunstigste schadegeval(len) moeten worden toegepast. Voorts moet(en) de te beschouwen testcase(es) het (de) ongunstigste schadegeval(en) weergeven, zoals omschreven voor de toepassing van SOLAS-voorschrift II-1/8.2.3.2 (SOLAS 90) met betrekking tot het totale gebied onder de positieve GZ-curve, en de middenlijn van het gat moet zich binnen het volgende gebied bevinden:
3.1.1. ± 35 % LBP vanaf midscheeps;
3.1.2. een aanvullende proef is vereist voor de ergste schade binnen ± 10 % LBP vanaf het midden van het schip, indien het in .1 bedoelde schadegeval zich buiten het gebied ± 10 % LBP van het midden van het schip bevindt.
3.2. Het model moet aan het volgende voldoen:
3.2.1. de lengte tussen de loodlijnen (LBP) moet minstens 3 m bedragen of overeenkomen met die van een schaalmodel van 1:40, welke lengte het grootst is, en de verticale afmeting moet tenminste 3 maal de standaardhoogte van de bovenbouw boven het schottendek (vrijboord) bedragen;
3.2.2. de wanddikte van ondergelopen ruimten mag niet meer dan 4 mm bedragen;
3.2.3. zowel in onbeschadigde als beschadigde toestand moet het model de juiste waterverplaatsing hebben en diepgangsmerken (TA, TM, TF, bakboord en stuurboord) met een maximale toegestane afwijking voor ieder diepgangsmerk van + 2 mm. De diepgangsmerken op voor- en achterschip moeten zich zo dicht mogelijk bij PF en AP bevinden als praktisch uitvoerbaar is;
3.2.4. alle beschadigde afdelingen en de ro-ro-ruimten moeten op schaal worden gebracht met de juiste oppervlakte en volume permeabiliteit (reële waarden en verdelingen), zodat de massa van het binnenstromend water en de massaverdeling correct worden voorgesteld;
3.2.5. de bewegingskarakteristieken van het werkelijke schip moeten nauwkeurig op schaal worden gebracht, met speciale aandacht voor de intacte GM-tolerantie en de traagheidsstralen bij het slingeren en stampen. Beide stralen moeten worden gemeten in de lucht en voor wat de slingerbeweging betreft tussen de 0,35B tot 0,4B t en wat de stampbeweging betreft tussen 0,2LOA tot 0,25LOA liggen;
3.2.6. de belangrijkste constructie-eigenschappen, zoals waterdichte schotten, luchtuitlaten, enz., boven en onder het schottendek, die kunnen resulteren in het asymmetrisch vollopen moeten nauwkeurig op schaal worden gebracht, voorzover het praktisch uitvoerbaar is om de werkelijke situatie weer te geven; de ventilatie- en overvloeivoorzieningen moeten geconstrueerd zijn met een minimumdwarsdoorsnede van 500 mm2;
3.2.7. De vorm van het gat moet als volgt zijn:
|
1) |
trapeziumvormig profiel, waarvan de verticale zijden een helling van 15° hebben, en de breedte bij de ontwerpwaterlijn overeenkomstig SOLAS-voorschrift II-1/8.4.1 is; |
|
2) |
profiel in de vorm van een gelijkbenige driehoek in het horizontale vlak met een hoogte die gelijk is aan B/5 overeenkomstig voorschrift II-1/B/8.4.2 van het SOLAS-verdrag. Indien er binnen B/5 schachten zijn aangebracht, moet de lengte van de beschadiging ter plaatse van de schachten minstens 25 mm bedragen; |
|
3) |
onverminderd de bepalingen van bovenstaande punten 3.2.7.1 en 3.2.7.2 moeten alle afdelingen die bij de berekening van het (de) ongunstigste schadegeval(len) als bedoeld in punt 3.1 als geacht worden beschadigd te zijn bij de modelproeven vollopen; |
3.3. Het model in volgelopen evenwichtstoestand moet hellen met een extra hoek overeenkomende met die welke wordt teweeggebracht door het hellende moment Mh = max (Mpass; Mlaunch)-Mwind, maar in geen geval mag de uiteindelijke slagzij naar de schade toe minder dan 1° bedragen. Mpass, Mlaunch en Mwind zijn als omschreven in voorschrift II-1/8.2.3.4 van het SOLAS-verdrag. Voor bestaande schepen mag een hoek van 1° worden genomen.
4. Werkwijze
4.1. Het model wordt onderworpen aan een langkammige onregelmatige zeegang, zoals omschreven door het JONSWAP spectrum met een significante golfhoogte HS, een piekverhogingsfactor γ = 3,3 en een piekperiode
Voorts geldt het volgende:
4.1.1. de breedte van het bassin moet voldoende zijn om contact of andere interacties met de kanten van het bassin te vermijden; aanbevolen wordt dat deze ten minste LBP + 2 m bedraagt;
4.1.2. de diepte van het bassin moet voldoende zijn voor een passende golfvorming maar moet ten minste 1 m bedragen;
4.1.3. voor de toepassing van een representatieve golftrein moeten voorafgaande aan de proef op drie verschillende plaatsen binnen het drijfgebied metingen worden verricht;
4.1.4. de zich het dichtst bij de golfopwekker bevindende golfmeter moet worden aangebracht op de plaats waar het model bij het begin van de proef geplaatst wordt;
4.1.5. de variatie in HS en TP mag voor de drie plaatsen niet meer dan 5 % te bedragen; en
4.1.6. tijdens de proeven moet voor goedkeuring een tolerantie van + 2,5 % in HS, ± 2,5 % in TP en ± 5 % in TZ worden toegestaan met betrekking tot de meter die zich het dichtst bij de golfopwekker bevindt.
4.2. Het model moet vrij kunnen drijven en dwarszees (koers 90 °) worden geplaatst met het gat naar de aankomende golven, zonder dat het model permanent aan een meersysteem is bevestigd. Om een dwarszeekoers van ongeveer 90° aan te houden tijdens de modelproef moet aan de volgende eisen worden voldaan:
4.2.1. stuurlijnen voor kleinere koerscorrecties moeten op de middellijn van achter- en voorsteven worden vastgemaakt, op symmetrische wijze en op een hoogte tussen de plaats van KG en de beschadigde waterlijn; en
4.2.2. de snelheid van de brug moet gelijk zijn aan de werkelijke drijfsnelheid van het model en wordt indien nodig aangepast.
4.3. Er moeten minstens 10 proeven worden uitgevoerd. De duur van iedere proef moet zodanig zijn dat er een stationaire toestand wordt bereikt, maar mag niet minder dan 30 minuten in reële tijd bedragen. Voor elke proef moet een verschillende golftrein worden toegepast.
5. Overlevingscriteria
Het model wordt geacht te overleven indien een stationaire toestand wordt bereikt bij de opeenvolgende reeksen van proeven zoals voorgeschreven in punt 4.3. Het model wordt geacht te zijn gekapseisd indien zich rolhoeken van meer dan 30° ten opzichte van de verticale as of een constante (gemiddelde) negatieve stabiliteit van meer dan 20° gedurende een periode van meer dan 3 minuten reële tijd voordoen, ook indien een stationaire toestand wordt bereikt.
6. Documentatie met betrekking tot de proef
6.1. Het modelbeproevingsprogramma moet van tevoren door de overheid worden goedgekeurd.
6.2. Van de proef moet een verslag en een video-opname of een andere visuele registratie worden gemaakt, waarin alle relevante informatie over het model en de proefresultaten die door de administratie moeten worden goedgekeurd, is vastgelegd. Deze omvatten tenminste de theoretische en gemeten golfspectra en statistieken (HS, TP, TZ) van de golfhoogte op de drie verschillende plaatsen in het bassin voor een representatieve weergave, en voor de proeven met het model, de tijdreeks van de belangrijkste statistieken van de gemeten golfhoogte dichtbij de golfopwekker en registraties van de bewegingen van het model (rollen, rijzen en stampen) en van de drijfsnelheid.”
BIJLAGE II
„DEEL II
MODELPROEF
Doel van deze richtsnoeren is te zorgen voor uniformiteit in de methoden die bij de constructie en verificatie van het model worden toegepast alsook bij het uitvoeren en analyseren van de modelproeven.
De inhoud van punten 1 en 2 van het Aanhangsel bij Bijlage I behoeft geen nadere uitleg.
Punt 3 — Scheepsmodel
3.1. Van welk materiaal het model is gemaakt is op zich niet belangrijk, mits het model zowel in onbeschadigde als in beschadigde toestand voldoende stijf is om te waarborgen dat de hydrostatische eigenschappen dezelfde zijn als die van het echte schip en ook dat de vervorming van de romp in golven te verwaarlozen is.
Het is eveneens belangrijk dat de beschadigde afdelingen zo nauwkeurig mogelijk gemodelleerd zijn om ervoor te zorgen dat de correcte hoeveelheid ingestroomd water wordt weergegeven.
Aangezien het binnendringen van water (ook kleine hoeveelheden) in de onbeschadigde delen van het model van invloed is op het gedrag ervan, moeten maatregelen worden genomen om dat te voorkomen.
Bij modelproeven met betrekking tot de ongunstigste schadegevallen overeenkomstig het SOLAS-verdrag in de buurt van voor- of achtersteven is waargenomen dat geleidelijk vollopen niet mogelijk was of omdat het water op het dek zich steeds bij het gat verzamelde en er daar uitstroomde. Aangezien deze modellen zeetoestanden met zeer hoge golven konden overleven, terwijl ze bij minder hoge golven en in minder ernstige schadegevallen volgens SOLAS verder weg van de uiteinden van het schip kapseisden, is de grens van ± 35 % ingevoerd om dit te voorkomen.
Uitgebreid onderzoek ten behoeve van de ontwikkeling van geschikte criteria voor nieuwe vaartuigen heeft duidelijk aangetoond dat, naast belangrijke parameters voor het overlevingsvermogen van passagiersschepen als GM en vrijboord, het oppervlak onder de reststabiliteitskromme eveneens een belangrijke factor vormt. Bij het kiezen van de ongunstigste beschadiging volgens SOLAS om aan het vereiste van punt 3.1 te voldoen moet als ongunstigste beschadiging die worden genomen welke het kleinste gebied onder de reststabiliteitskromme oplevert.
3.2. Bijzonderheden van het model
3.2.1. Aangezien schaaleffecten een belangrijke rol spelen in het gedrag van het model tijdens de proeven, is het belangrijk dat ervoor wordt gezorgd dat deze effecten zo veel mogelijk tot een minimum worden beperkt. Het model moet zo groot mogelijk zijn, omdat details van beschadigde afdelingen gemakkelijker worden geconstrueerd in grotere modellen en de schaaleffecten worden beperkt. Derhalve is vereist dat de lengte van het model ten minste met een schaal van 1:40 overeenkomt of 3 m bedraagt, waarbij de grootste lengte gekozen wordt.
Bij de proeven is geconstateerd dat de verticale afmeting van het model van invloed kan zijn op de resultaten bij dynamische beproeving. Het is dan ook nodig dat voor het model van het schip tot ten minste driemaal de standaardhoogte van de bovenbouw boven het schottendek (vrijboord) wordt gebruikt, zodat de grote golven van de golftrein niet over het model breken.
3.2.2. Het model moet ter plaatse van de aangenomen beschadigingen zo dun mogelijk zijn om ervoor te zorgen dat de hoeveelheid ingestroomd water en het zwaartepunt de werkelijkheid zo getrouw mogelijk nabootsen. De dikte van de scheepswand mag niet meer dan 4 mm bedragen. Ingezien wordt dat het onmogelijk kan zijn de modelromp en de elementen van primaire en secundaire indeling ter plaatse van de beschadiging in voldoende detail te bouwen en dat het wegens deze constructiebeperkingen onmogelijk kan zijn de aangenomen permeabiliteit van de ruimte nauwkeurig te berekenen.
3.2.3. Het is belangrijk dat niet alleen de diepgang in onbeschadigde toestand wordt gecontroleerd, maar ook de diepgang van het beschadigde model nauwkeurig wordt gemeten om deze te correleren met die welke is afgeleid uit de lekstabiliteitsberekening. Om praktische redenen wordt een tolerantie van + 2 mm voor iedere diepgang toegestaan.
3.2.4. Na meting van de diepgang in beschadigde toestand kunnen aanpassingen in de permeabiliteit van de beschadigde afdeling noodzakelijk blijken door het invoeren van onbeschadigde volumes of het toevoegen van gewichten. Het is echter eveneens belangrijk dat het zwaartepunt van het vloedwater nauwkeurig wordt weergegeven. In dit geval moet bij eventuele aanpassingen het zekere voor het onzekere worden genomen.
Indien het model moet worden voorzien van afsluitingen op het dek en de afsluitingen minder hoog zijn dan de hieronder aangegeven schothoogte, moet het model worden uitgerust met videowaarneming (CCTV) zodat eventueel „overspatten” en eventuele verzameling van water op het onbeschadigde gebied van het dek kan worden gecontroleerd. In dit geval moet een video-opname worden gemaakt die deel uitmaakt van het beproevingsverslag.
De hoogte van dwars- en langschotten die in aanmerking komen om op doelmatige wijzen het aangenomen verzamelde zeewater in de betreffende afdeling van het beschadigde ro-ro-dek in te sluiten moet ten minste 4 m bedragen, tenzij de waterhoogte minder dan 0,5 m. bedraagt. In deze gevallen mag de hoogte van het schot op onderstaande wijze worden berekend:
|
|
Bh = 8hw |
|
|
waarbij Bh de hoogte van het schot is en |
|
|
hw de hoogte van het water. |
De minimumhoogte van het schot moet ten minste 2,2 m. bedragen. In het geval van een schip met hangende autodekken mag de minimumhoogte van het schot evenwel niet minder zijn dan de hoogte tot de onderkant van het hangende autodek in neergelaten toestand.
3.2.5. Om ervoor te zorgen dat de bewegingskarakteristieken van het model die van het reële schip weergeven, is het belangrijk dat men het model in onbeschadigde toestand zowel doet hellen als slingeren, zodat de GM in onbeschadigde toestand en de massaverdeling worden gecontroleerd. De massaverdeling dient in de lucht te worden gemeten. De dwarsscheepse traagheidsstraal van het reële schip mag niet meer bedragen dan 0,35B tot 0,4B en de langscheepse traagheidsstraal niet meer dan 0,2L tot 0,25L.
Noot: Hoewel het doen hellen en slingeren van het model in beschadigde toestand kan worden aanvaard als controle van de reststabiliteitskromme, mogen dergelijke proeven niet worden aanvaard ter vervanging van de proeven in onbeschadigde toestand.
3.2.6. Aangenomen wordt dat de ventilatoren van de beschadigde afdeling van het reële schip het vervuld raken en de bewegingen van het vloedwater niet belemmeren. Bij het op schaal brengen van de ventilatievoorzieningen van het reële schip kunnen echter ongewenste schaaleffecten optreden. Ter voorkoming van schaaleffecten wordt aanbevolen de ventilatievoorzieningen op een grotere schaal te bouwen dan die van het model, waarbij ervoor wordt gezorgd dat dit niet van invloed is op de stroming van het water op het autodek.
3.2.7. Geschikt voor bestudering wordt geacht een bres waarvan de vorm representatief is voor een dwarsdoorsnede van het aanvarende schip in de voorsteven. De hoek van 15° is gebaseerd op een studie van de dwarsdoorsnede op een afstand van B/5 van de boeg met betrekking tot een representatieve selectie van vaartuigen van verschillend type en verschillende grootte.
Het gelijkbenigedriehoeksprofiel van de prismatische bresvorm is dat ter hoogte van de lastlijn.
In gevallen waarin schachten in de zijde met een breedte van minder dan B/5 zijn aangebracht en ter voorkoming van mogelijke schaaleffecten, mag bovendien de lengte van de beschadiging ter plaatse van de schachten in de zijde niet minder dan 25 mm bedragen.
3.3. De oorspronkelijke modelbeproevingsmethode van resolutie 14 van de SOLAS-conferentie van 1995 hield geen rekening met het effect van kapseizen dat werd teweeggebracht door het maximummoment als gevolg van het samendrommen van passagiers, het te water laten van reddingboten, de wind en draaien, hoewel dit effect deel uitmaakte van SOLAS. Onderzoek heeft echter uitgewezen dat het verstandig zou zijn met deze effecten rekening te houden en een minimum van 1° slagzij naar de schadekant aan te houden om praktische redenen. Opgemerkt zij dat slagzij als gevolg van draaien als niet relevant werd beschouwd.
3.4. In gevallen waarin er een marge in GM is in de reële beladingstoestand ten opzichte van de GM-beperkende krommme (afgeleid van SOLAS 90), kan de administratie aanvaarden dat deze marge bij de modelproef wordt benut. In dergelijke gevallen moet de GM-beperkende kromme worden aangepast. Deze aanpassing kan als volgt worden gedaan:
d = dS-0,6 (dS-dLS)
waarbij: dS is de indelingsdiepgang; en dLS de diepgang bij leeg schip.
De aangepaste curve is een rechte lijn tussen de bij de modelproef gebruikte met de indelingsdiepgang overeenkomende gebruikte GM en het snijpunt tussen de oorspronkelijke curve van de SOLAS 90-norm en de diepgang d.
Punt 4 — Werkwijze
4.1. Golfspectra
Het Jonswap-spectrum moet worden gebruikt, omdat dit qua strijklengte en duur beperkte zeetoestanden beschrijft, die overeenkomen met de meeste zeetoestanden in de wereld. In dit verband is het niet alleen belangrijk dat de piekperiode van de golftrein wordt gecontroleerd, maar ook dat de nuldoorgangsperiode correct is.
Voor iedere proefreeks moet het golfspectrum worden geregistreerd en gedocumenteerd. Metingen voor deze registratie moeten worden verricht bij de meter die zich het dichtst bij de golfopwekker bevindt.
Voorts moet het model van apparatuur zijn voorzien, waarmee de bewegingen (rollen, rijzen en stampen) en de stand ervan (slagzij, inzinking en trim) gedurende de gehele proef worden gecontroleerd en geregistreerd.
Het is in de praktijk niet uitvoerbaar gebleken voor significante golfhoogten, piekperioden en nuldoorgangsperioden van de modelgolfspectra absolute grenzen vast te stellen. Daarom is een aanvaardbare marge ingevoerd.
4.2. Om te voorkomen dat het meersysteem de dynamica van het schip stoort, moet de rijdende brug (waaraan het meersysteem is bevestigd) het model volgen met de reële drijfsnelheid. Bij een zeetoestand met onregelmatige golven zal de drijfsnelheid niet gelijkmatig zijn; een constante snelheid van de rijdende brug zal resulteren in drijf- oscillaties met grote amplitude en lage frequentie, hetgeen van invloed kan zijn op het gedrag van het model.
4.3. Met het oog op de statistische betrouwbaarheid moet een voldoende aantal proeven met verschillende golftreinen worden uitgevoerd; de bedoeling is met hoge mate van betrouwbaarheid te bepalen dat een onveilig schip in de gekozen omstandigheden zal kenteren. Voor een redelijke mate van betrouwbaarheid worden minstens 10 proevenreeksen noodzakelijk geacht.
Punt 5 — Overlevingscriteria
De inhoud van dit punt wordt duidelijk geacht.
Punt 6 — Goedkeuring van de proef
De volgende documenten moeten deel uitmaken van het verslag voor de administratie:
|
a) |
lekstabiliteitsberekeningen voor ongunstigste SOLAS- en midscheepse beschadiging (voorzover deze verschillend zijn); |
|
b) |
tekening van de algemene inrichting van het model, met bijzonderheden inzake bouw en instrumentatie; |
|
c) |
hellingproef en metingen van de traagheidsstralen; |
|
d) |
nominale en gemeten golfspectra (op drie verschillende plaatsen voor een representatieve voorstelling en voor de proeven met het model vanaf de zich het dichtst bij de golfopwekker bevindende golfmeter); |
|
e) |
representatieve registratie van de bewegingen, positie en drift van het model; |
|
f) |
relevante video-opnames. |
Noot:
De administratie moet getuige zijn van alle proeven.”
II Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing
Raad
|
19.2.2005 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/28 |
BESLUIT VAN DE RAAD
van 17 februari 2005
tot verlenging van de maatregelen van Besluit 2002/148/EG houdende afsluiting van het overleg met Zimbabwe krachtens artikel 96 van de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst
(2005/139/EG)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 300, lid 2, tweede alinea,
Gelet op het Intern Akkoord inzake maatregelen en procedures voor de tenuitvoerlegging van de op 23 juni 2000 te Cotonou ondertekende ACS-EG-partnerschapsovereenkomst (1), hierna de „ACS-EG-overeenkomst” genoemd, en met name op artikel 3,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Besluit 2002/148/EG (2) werd het overleg met Zimbabwe krachtens artikel 96, lid 2, onder c), van de ACS-EG-overeenkomst afgesloten en werden de in de brief bij dit besluit omschreven passende maatregelen genomen. |
|
(2) |
De toepassingsperiode van die maatregel werd bij Besluit 2003/112/EG (3) tot 20 februari 2004 en bij Besluit 2004/157/EG (4) tot 20 februari 2005 verlengd. |
|
(3) |
De essentiële elementen zoals genoemd in artikel 9 van de ACS-EG-overeenkomst worden nog steeds geschonden door de regering van Zimbabwe en de huidige omstandigheden in Zimbabwe voorzien niet in een klimaat waarin de mensenrechten, de democratische beginselen en de rechtsstaat worden geëerbiedigd. |
|
(4) |
De geldigheidsduur van de in artikel 2 van Besluit 2002/148/EG bedoelde maatregelen dient derhalve te worden verlengd, |
BESLUIT:
Artikel 1
De toepassing van de maatregelen zoals bedoeld in artikel 2 van Besluit 2002/148/EG wordt verlengd tot en met 20 februari 2006. Zij worden constant geëvalueerd in het licht van de verkiezingen die in maart 2005 in Zimbabwe gehouden zullen worden.
De aan dit besluit gehechte brief wordt aan de president van Zimbabwe gezonden.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 17 februari 2005.
Voor de Raad
De voorzitter
J.-C. JUNCKER
(1) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 376.
(2) PB L 50 van 21.2.2002, blz. 64.
BIJLAGE
Brussel, …
BRIEF AAN DE PRESIDENT VAN ZIMBABWE
De Europese Unie hecht zeer veel waarde aan de bepalingen van artikel 9 van de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst. Het eerbiedigen van de mensenrechten, de democratische instellingen en de rechtsstaat zijn essentiële elementen van de partnerschapsovereenkomst en vormen als zodanig de basis van onze betrekkingen.
Bij brief van 19 februari 2002 heeft de Europese Unie u in kennis gesteld van haar besluit het overleg krachtens artikel 96 van de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst af te sluiten en een aantal „passende maatregelen” te nemen in de zin van artikel 96, lid 2, onder c), van de overeenkomst.
Bij brief van 19 februari 2003 respectievelijk 19 februari 2004 heeft de Europese Unie u in kennis gesteld van haar besluit om de „passende maatregelen” niet in te trekken en de toepassing ervan tot 20 februari 2004 respectievelijk 20 februari 2005 te verlengen.
De Europese Unie is thans, twaalf maanden later, van oordeel dat de democratische beginselen in Zimbabwe nog steeds niet worden geëerbiedigd en dat door de regering van Zimbabwe geen vooruitgang is geboekt op de vijf gebieden waarop het besluit van de Raad van 18 februari 2002 betrekking heeft (beëindiging van het politiek gemotiveerde geweld, vrije en eerlijke verkiezingen, de vrijheid van de media, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de beëindiging van de illegale bezettingen).
In het licht van het bovenstaande is de Europese Unie van oordeel dat de passende maatregelen niet kunnen worden ingetrokken en zij heeft besloten deze te verlengen tot na de parlementsverkiezingen in uw land die voor maart 2005 zijn gepland.
De Europese Unie benadrukt dat zij het grootste belang hecht aan de organisatie van vrije en eerlijke verkiezingen en zij hoopt dat u en uw regering te dien einde alles in het werk zullen stellen om een algemeen verkiezingsklimaat te garanderen dat bevorderlijk is voor de organisatie van vrije en eerlijke verkiezingen. In dat geval zou een dialoog kunnen worden aangeknoopt op basis van de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst, die zou kunnen uitmonden in de ondertekening van het nationaal indicatief programma voor Zimbabwe in het kader van het Negende EOF, die was uitgesteld, waardoor de activiteiten in het kader van alle samenwerkingsinstrumenten in de afzienbare toekomst zouden kunnen worden hervat.
Hoogachtend,
Voor de Commissie
Voor de Raad
Commissie
|
19.2.2005 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/30 |
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 30 maart 2004
betreffende de regeling voor steun aan bepaalde ondernemingen van de kolenmijnbouw in de autonome regio Castilla-León door Spanje verleend voor de jaren 2001 en 2002
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 927)
(Slechts de tekst in de Spaanse taal is authentiek)
(Voor de EER relevante tekst)
(2005/140/EG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 88, lid 2, eerste alinea,
Na de belanghebbenden, overeenkomstig het(de) genoemde artikel(en) (1), te hebben aangemaand hun opmerkingen kenbaar te maken en gezien deze opmerkingen,
Overwegende hetgeen volgt:
1. Procedure
|
(1) |
Bij brief van 19 juni 2000, die door de Commissie werd ingeschreven onder nr. N/776/2000, stelde Spanje de Commissie in kennis van een project voor stimulerende maatregelen van de autonome regio Castilla-León ten behoeve van de mijnbouw. Het project voor maatregelen ten behoeve van de mijnbouw bevatte bepaalde steunregelingen voor de kolenindustrie zoals bedoeld in Beschikking nr. 3632/93/EGKS van de Commissie van 28 december 1993 tot vaststelling van een communautaire regeling voor de steunmaatregelen van de lidstaten ten behoeve van de kolenindustrie (2). |
|
(2) |
In haar kennisgeving van 19 juni 2000 deelde Spanje de Commissie mee dat de aangemelde steun die de autonome regio Castilla-León voornemens was te verlenen, werd gecoördineerd met de door de regering van de Spaanse staat verleende steun. |
|
(3) |
Bij brief van 25 september 2000 deelde Spanje de Commissie mee dat nadat drie maanden waren verlopen zonder dat de Commissie haar standpunt over deze zaak had bekendgemaakt, de bevoegde autoriteiten voornemens waren deze maatregelen toe te passen, indien na verloop van vijftien werkdagen te rekenen van deze mededeling geen enkel besluit werd genomen overeenkomstig het bepaalde in artikel 9, lid 4, van Beschikking nr. 3632/93/EGKS. |
|
(4) |
Bij brief van 17 juli 2002 vroeg de Commissie Spanje inlichtingen over de door de deelregering van Castilla-León aan de kolenindustrie verleende steun in de jaren 2000, 2001 en 2002 en daarbij de begunstigde ondernemingen, de bedragen en het doel van de steun, alsmede de indeling in de in Beschikking nr. 3632/93/EGKS vastgestelde categorieën te vermelden. In haar mededeling moest Spanje tevens vermelden wat de relatie was tussen de in artikel 2 vastgestelde algemene doelstellingen en criteria en de door Spanje in overeenstemming met artikel 8 van Beschikking nr. 3632/93/EGKS bij de Commissie aangemelde plannen. |
|
(5) |
Bij brief van 5 september 2002 stelde Spanje de Commissie in kennis van de aan de ondernemingen van de kolenindustrie van de autonome regio Castilla-León in de jaren 2000, 2001 en 2002 verleende steun. Spanje deed deze mededeling in overeenstemming met de procedureregels van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (3). In haar brief verwees Spanje naar Beschikking nr. 3632/93/EGKS, hoewel zowel bedoelde beschikking als het EGKS-Verdrag op 23 juli 2002 was afgelopen. |
|
(6) |
Bij brief van 19 februari 2003 stelde de Commissie Spanje in kennis van haar besluit tot inleiding van de procedure zoals bedoeld in artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag tegen de steunmaatregelen voor onderzoek en ontwikkeling, milieubescherming, opleiding en veiligheid. Dit besluit strekte tevens tot inleiding van de procedure tegen de steunmaatregelen ter dekking van buitengewone lasten, maar deze maatregelen vallen niet onder deze beschikking. |
|
(7) |
Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure werd in het Publicatieblad van de Europese Unie (4) bekendgemaakt. De Commissie verzocht de belanghebbenden hun opmerkingen te maken over de steun/de maatregel in kwestie. |
|
(8) |
Van geen van de belanghebbenden werden opmerkingen ontvangen. Spanje zond op 21 maart 2003, 9 april 2003 en 12 december 2003 aanvullende informatie. |
2. Gedetailleerde beschrijving van de steun
2.1. Soorten steun
|
(9) |
De soorten steun zijn:
|
2.2. Rechtsgrondslag
|
(10) |
De rechtsgrondslag van de steunmaatregelen in kwestie zijn de Ordenes van de Consejería de Industria, Comercio y Turismo houdende stimulerende maatregelen voor de mijnbouw van 20 oktober 2000 (steun voor het jaar 2000), 19 december 2000 (steun voor het jaar 2001) en 19 december 2001 (steun voor het jaar 2002). |
2.3. Begunstigden
|
(11) |
Begunstigden van de steun in kwestie zijn alle ondernemingen (zowel grote als middelgrote en kleine ondernemingen) en ondernemingsverbanden van de kolenmijnbouw van de regio Castilla-León die onder Beschikking nr. 3632/93/EGKS vallen, met als doel het kolengebruik te bevorderen en te ontwikkelen. Naar schatting profiteren 50 ondernemingen of eenheden van deze steun. |
|
(12) |
Castilla-León is een autonome regio die een beroep kan doen op de steun van artikel 87, lid 3, onder a) en is aangewezen als één van de regio's die in de periode 2000-2006 voor deze steun zijn geselecteerd. |
2.4. Begroting
|
(13) |
Ter financiering van de aangemelde steunmaatregelen werden onderstaande bedragen begroot:
|
2.5. Duur van de regeling:
|
(14) |
De regeling liep op 23 juli 2002 af. |
2.6. Doel van de steun
|
(15) |
Doel van de steun zijn de in de punten 15 tot en met 18 genoemde maatregelen en in de eerste plaats onderstaande steunmaatregelen voor onderzoek en ontwikkeling (O&O):
Projecten die onder één van onderstaande prioritaire rubrieken vallen, zijn bij voorrang subsidiabel onder deze steunregeling:
|
|
(16) |
Onderstaande steunmaatregelen voor milieubescherming:
Projecten die onder één van onderstaande prioritaire rubrieken vallen, zijn bij voorrang subsidiabel onder deze steunregeling:
|
|
(17) |
De steun voor mijnbouwopleiding bestaat in projecten ter ontwikkeling van opleidingsactiviteiten die als voornaamste doel hebben een goede technische kwalificatie van de werknemers van de sector om de kans op mijnongevallen zo klein mogelijk te maken. |
|
(18) |
De steun voor veiligheid in de mijnen bestaat in investeringsprojecten die streven naar een vergroting van veiligheid van de mijnbouwinstallaties tot boven het in de geldende wetgeving vastgestelde minimumniveau. |
2.7. Vorm van de steun:
|
(19) |
De steun wordt verleend in de vorm van subsidie à fonds perdu. |
2.8. Subsidiabele kosten
|
(20) |
Subsidiabele kosten zijn de steunmaatregelen die in de punten 20 tot en met 23 worden genoemd en in de eerste plaats onderstaande steunmaatregelen voor onderzoek en ontwikkeling (O&O):
|
|
(21) |
Subsidiabele steunmaatregelen voor milieubescherming zijn de aanvullende kosten van investering in voor het bereiken van de milieudoelstellingen noodzakelijke terreinen, gebouwen, installaties en kapitaalgoederen. |
|
(22) |
Subsidiabele steunmaatregelen voor mijnbouwopleiding zijn de kosten van de instructeurs, reiskosten van de op te leiden personen, kosten van verbruiksartikelen en afschrijving van instrumenten en apparatuur naar rato van het uitsluitend gebruik ervan voor het opleidingsproject in kwestie en overige personeelskosten totdat het totaal van de eerdergenoemde subsidiabele kosten is bereikt. |
|
(23) |
De steunmaatregelen voor veiligheid in de mijnen bestaan in:
|
2.9. Omvang van de steun
|
(24) |
De omvang van de in de punten 24 tot en met 27 besproken steun en in de eerste plaats van de steun voor onderzoek en ontwikkeling (O&O) is het hieronder genoemde brutobedrag van de steun voor onderzoek en ontwikkeling:
|
|
(25) |
Wat de steunmaatregelen ter bescherming van het milieu betreft, zal ten aanzien van milieubeschermingsprojecten het maximumbedrag van de steun, in termen van equivalente nettosubsidie, de maximumpercentages van de gedane investering kunnen bereiken van het door de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de periode 2000-2006 goedgekeurde schema voor regionale steunmaatregelen, overeenkomstig het bepaalde in bijlage II bij het besluit. Voor kleine en middelgrote ondernemingen zullen de subsidiebedragen met de volgende percentages kunnen worden verhoogd:
|
|
(26) |
Het maximumbedrag van de steun voor mijnbouwopleiding is 80 % bruto van de subsidiabele kosten. |
|
(27) |
De steun voor veiligheid in de mijnen bestaat in projecten voor veiligheid in de mijnen waarvan de omvang maximaal 100 % bruto van de subsidiabele kosten kan bereiken. |
2.10. Cumulatie van de steun:
|
(28) |
Alle steunmaatregelen krachtens deze regeling zullen cumuleerbaar zijn met elke andere vorm van overheidssteun met een verschillend doel, mits de in het voorstel voor de steunregeling vastgestelde maximumbedragen worden aangehouden. In geen geval zal het bedrag van de steun die in het kader van de regeling wordt verleend, een zodanige omvang mogen hebben dat afzonderlijk of tezamen met andere stimulerende maatregelen, subsidies of steunmaatregelen van andere overheden of andere nationale of internationale openbare of particuliere instellingen, de kosten van de investering, de uitgaven of de door de begunstigde te ontwikkelen activiteit wordt overschreden. |
|
(29) |
De cumulatie van de steunmaatregelen wordt besproken in de punten 29 tot en met 32 en bestaat wat de steun voor onderzoek en ontwikkeling (O&O) betreft in de steun voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten die cumuleerbaar zal zijn met elke andere overheidssteun met dezelfde doelstelling. In het geval van cumulatie van steunmaatregelen mag de totale overheidsfinanciering niet meer bedragen dan 75 % van de subsidiabele kosten. |
|
(30) |
De steun voor milieubescherming bestaat in steun voor milieubeschermingsprojecten die cumuleerbaar zal zijn met elke andere overheidssteun met dezelfde doelstelling, mits het gecumuleerde totaal niet hoger is dan de in punt 6.1. onder b) van de voorschriften van het besluit genoemde limieten. Het maximumbedrag van de steun zal, in termen van gelijkwaardige netto-subsidie, de maximale percentages van gedane investering kunnen bereiken volgens het door de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de periode 2000-2006 goedgekeurde schema van regionale steunmaatregelen, dat wil zeggen:
Het in de bovengenoemde paragrafen bedoelde subsidiebedrag zal voor kleine en middelgrote ondernemingen met onderstaande percentages kunnen worden verhoogd:
|
|
(31) |
De opleidingssteun bestaat in steun voor projecten voor mijnbouwopleiding die kan worden gecombineerd met elke andere overheidssteun met dezelfde doelstelling, mits het gecumuleerde totaal niet hoger is dan de limieten die in punt 6.1. onder c) van de voorschriften van het Spaanse ministeriële besluit worden genoemd, dat wil zeggen 100 % van de subsidiabele kosten. |
|
(32) |
Wat de steun voor veiligheid in de mijnen betreft:
|
3. Opmerkingen van Spanje
|
(33) |
Spanje verstrekte de Commissie aanvullende informatie en argumenten inzake de steunregeling, hoofdzakelijk samengevat in onderstaande punten. |
|
(34) |
De steunregeling voor de jaren 2001 en 2002 werd correct aangemeld en was volledig. De Commissie is in het bezit gesteld van alle noodzakelijke informatie, waardoor er volgens Spanje geen aanleiding was tot inleiding van de procedure. De verleende steun moest beschouwd worden als reeds bestaande steun. Derhalve verzoekt Spanje om het afsluiten van de procedure en om een positief besluit. Spanje is van mening dat het feit dat de Commissie veel tijd heeft laten verstrijken (tot 17 juli 2002) om opmerkingen te maken over de aanmelding indruist tegen de beginselen van goed bestuur en rechtszekerheid. |
|
(35) |
De autonome regio Castilla-León had nooit de bedoeling een regeling toe te passen die niet met de gemeenschappelijke markt verenigbaar was. De regio handelde te goeder trouw en zeer transparant. Als gevolg van het uitblijven van reacties van de Commissie op de aanmelding was het gerechtvaardigd dat de autonome regio Castilla-León tot de conclusie kwam dat de regeling met de gemeenschappelijke markt verenigbaar was en kon worden toegepast. |
|
(36) |
Spanje is van mening dat de maatregelen voor de ondernemingen van de kolenmijnbouw geen enkel voordeel opleveren, omdat zij bestemd zijn ter dekking van de buitengewone lasten van het herstructureringsproces. De steun voor onderzoek en ontwikkeling, opleiding en veiligheid in de mijnen is in overeenstemming met de steunregelingen van de staat op deze terreinen. Ten aanzien van de steun voor onderzoek en ontwikkeling, bevestigde Spanje dat de definitie van industrieel onderzoek zich voegt naar de definitie van bijlage I bij de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling. |
|
(37) |
Ten aanzien van de milieusteun stelde Spanje aan de Commissie aanvullende informatie ter beschikking over de verschillende steuncategorieën, de nationale en communautaire wettelijke voorschriften waaraan moest worden voldaan, de kolenmijnen die van bedoelde steun profiteerden en de specificatie van de kosten voor de sanering van vervuilde bedrijfsinstallaties. Spanje beschreef uitvoerig de maatregelen waarop de steun betrekking had. Spanje bevestigde het feit dat de steun van 15 % van de subsidiabele kosten om aan de nieuwe wettelijke voorschriften te voldoen, strikt beperkt bleef tot milieudoeleinden. Bij de nettoberekening van de steun is rekening gehouden met dankzij de investering behaalde voordelen. Bij de berekening van de subsidiabele kosten is met de potentiële meerwaarde van de gesaneerde terreinen rekening gehouden. |
|
(38) |
Ten aanzien van de opleidingssteun was Spanje van mening dat de subsidiebedragen zeer klein waren en dus de concurrentie niet konden vervalsen. Ten aanzien van de steun voor veiligheid in de mijnen heeft Spanje benadrukt dat de veiligheid in de mijnen niet altijd voldoende is en dat het daarom nodig is voor dit aspect steun te verlenen. De kosten in verband met deze kwestie zijn buitengewoon en moeten worden gedekt. |
|
(39) |
Spanje corrigeerde enkele bedragen die aan verschillende ondernemingen van de kolenmijnbouw waren toegekend. Er zijn enkele fouten geslopen in de cijfers die in eerdere fasen zijn gepresenteerd. |
4. Beoordeling van de steunregeling
|
(40) |
De Commissie beperkt haar beoordeling tot de steun voor onderzoek en ontwikkeling, milieubescherming, opleiding en veiligheid. De steun ter dekking van buitengewone lasten die eveneens voorwerp was van de beschikking van 19 februari 2003 tot inleiding van de huidige onderzoeksprocedure, zullen in een andere beschikking worden behandeld. Hoewel in die beschikking de steunregeling zal worden beoordeeld, zal de Commissie ook refereren aan individuele gevallen, aangezien de steun door Spanje is verleend. |
4.1. Toepassing van Verordening (EG) nr. 1407/2002 van de Raad
|
(41) |
Gezien het feit dat zowel het EGKS-Verdrag als Beschikking nr. 3632/93/EGKS op 23 juli 2003 afliepen, moet de verenigbaarheid van de maatregelen worden beoordeeld aan de hand van Verordening (EG) nr. 1407/2002 van de Raad van 23 juli 2002 betreffende staatssteun voor de kolenindustrie (5). Artikel 14, lid 2, van genoemde verordening is niet van toepassing. |
|
(42) |
In ieder geval is de wijziging van het wetgevende kader van het EGKS-Verdrag in dat van het EG-Verdrag niet van invloed op het onderzoek naar de door de autonome regio Castilla-León verleende steun. De relevante bepalingen van Verordening (EG) nr. 1407/2002 en die van Beschikking nr. 3632/1993/EGKS zijn vrijwel identiek en een onderzoek in het wetgevende kader van het EGKS-Verdrag zou geen andere uitkomst gehad hebben. |
4.2. Toepassing van artikel 87, lid 1
|
(43) |
Om te bepalen of de maatregelen van de regeling een steun overeenkomstig artikel 87, lid 1, van het Verdrag vormen, moet worden vastgesteld of hierdoor bepaalde ondernemingen worden begunstigd, of de steunmaatregelen door de lidstaten zijn bekostigd met staatsmiddelen, of de maatregelen in kwestie de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen en of deze het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden. |
|
(44) |
De eerste voorwaarde van artikel 87, lid 1, betreft de mogelijkheid dat door de maatregelen bepaalde ondernemingen worden begunstigd. In de eerste plaats moet worden vastgesteld of de ondernemingen economisch voordeel hebben en in de tweede plaats of dit voordeel wordt verleend aan een specifiek soort onderneming. De steun biedt de begunstigden daarvan duidelijke economische voordelen, aangezien hij een directe subsidie vormt ter dekking van lopende kosten die de ondernemingen hadden moeten betalen. Bovendien zijn de maatregelen in kwestie uitsluitend bestemd voor ondernemingen van de kolenmijnbouw van de autonome regio Castilla-León. Derhalve bevoordelen de steunmaatregelen bepaalde ondernemingen meer dan hun concurrenten en zijn dus selectief. |
|
(45) |
De tweede voorwaarde van artikel 87 betreft de vraag of de steunmaatregelen door de lidstaten met staatsmiddelen zijn bekostigd. In dit concrete geval blijkt het bestaan van staatsmiddelen uit het feit dat de financiering van de maatregel ten laste komt van de begroting van een regionale overheid. |
|
(46) |
Volgens de derde en vierde voorwaarde van artikel 87, lid 1, van het Verdrag mag de steun de mededinging niet vervalsen of dreigen te vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten niet ongunstig beïnvloeden. In het onderhavige geval dreigen de maatregelen de mededinging inderdaad te vervalsen aangezien deze de financiële positie en het arbeidsterrein van de begunstigde ondernemingen versterken vergeleken met hun concurrenten die deze voordelen niet krijgen. Ondanks het feit dat de intracommunautaire handel in kolen heel gering is en de ondernemingen niet exporteren, profiteert de nationale productie van het feit dat in de overige lidstaten gevestigde ondernemingen minder mogelijkheden hebben om hun producten op de Spaanse markt af te zetten. Bovendien vervalsen deze maatregelen ook de mededinging en beïnvloeden zij de handel tussen de lidstaten ongunstig in de mate waarin zij complementair zijn met andere door de Spaanse regering goedgekeurde maatregelen. |
|
(47) |
Om die redenen is artikel 87, lid 1, van het Verdrag op de onderhavige maatregelen van toepassing en kunnen alleen met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden geacht indien zij aan de voorwaarden voldoen om één van de in het Verdrag voorziene uitzonderingen te vormen. |
|
(48) |
De in het Verdrag voorziene uitzonderingen worden opgenomen in kaderregelingen voor deze drie steuncategorieën zoals vermeld in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1407/2002.
|
4.3. Kennisgeving van de steunmaatregelen
|
(49) |
Wat de kennisgeving overeenkomstig artikel 8 van Beschikking nr. 3632/93/EGKS betreft van de steun die de lidstaten voornemens zijn aan de kolenindustrie te verlenen, stelde Spanje de Commissie op 31 maart 1998 op de hoogte van het plan voor modernisering, rationalisering, herstructurering en buitenbedrijfstelling voor de periode 1998-2002 afgeleid van het plan 1998-2005 van de kolenmijnbouw en de alternatieve ontwikkeling van de regio's, waaraan de Commissie bij haar Beschikking nr. 98/637/EGKS van 3 juni 1998 (11) haar goedkeuring hechtte. In dit plan overweegt de Spaanse regering in het kader van genoemde plannen financiële maatregelen ter dekking van de steunmaatregelen zoals bedoeld in de artikelen 3, 4 en 5 van Beschikking nr. 3632/93/EGKS. |
|
(50) |
Krachtens artikel 9, lid 10, van Verordening (EG) nr. 1407/2002 dat overeenkomt met artikel 9, lid 1, van Beschikking nr. 3632/93/EGKS, moeten de lidstaten alle financiële steunmaatregelen aanmelden die zij voornemens zijn in de loop van het volgende jaar ten behoeve van de kolenindustrie te nemen. Bij brief van 19 juni 2000 meldde Spanje steunmaatregelen aan bij de Commissie. De Commissie maakte binnen de in artikel 9, lid 4 van Beschikking nr. 3632/93/EGKS vastgestelde termijn geen opmerkingen over deze aanmelding en dus werd de steun voor het jaar 2000 goedgekeurd geacht, zoals reeds werd geconcludeerd in de beschikking van 19 februari 2003 van de Commissie tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure. Zoals eveneens in de Beschikking van 19 februari 2003 werd geconcludeerd, hield Spanje zich echter niet aan haar verplichtingen om voor de jaren 2001 en 2002 vooraf melding te maken van de steun. Derhalve moeten de steunmaatregelen die Castilla-León in de jaren 2001 en 2002 heeft genomen en in de kennisgeving van Spanje van 5 september 2002 zijn opgenomen, als niet-aangemelde steunmaatregelen worden beschouwd. |
4.4. Beoordeling van de steun voor onderzoek en ontwikkeling (O&O)
|
(51) |
De Commissie bestudeerde deze maatregelen in het licht van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling. In de door deze steun bestreken periode gaat het hierbij om de volgende Mededelingen van de Commissie: 96/C 45/06 van 17 februari 1996, 98/C 48/02 van 13 februari 1998 en 2002/C 111/03 van 8 mei 2002. |
|
(52) |
Het gaat om onderstaande steun:
Voor de door de deelregering van Castilla-León verleende steun voor O&O is een open aanbestedingsprocedure gevolgd en hij is bedoeld om de ontwikkeling van de kolenmijnbouw onder zo goed mogelijke veiligheidsomstandigheden te faciliteren zonder in strijd met het algemeen belang wijziging te brengen in de voorwaarden voor het onderlinge handelsverkeer. |
||||||||||||||||
|
(53) |
De gefinancierde projecten hadden de verwerving tot doel van nieuwe kennis die nuttig is voor de ontwikkeling van nieuwe winningsprocessen of voor een aanzienlijke verbetering van de bestaande processen. Voor deze projecten werd gekozen omdat men van mening was dat zij het technische, organisatorische of wetenschappelijke inzicht in het winningsproces of een relevante technologie konden vergroten, alsmede een proces of technologie konden aanpassen en de doeltreffendheid daarvan vergroten. Het was niet de bedoeling met deze maatregel praktische experimenten te subsidiëren. Deze projecten vervullen een cruciale taak bij het zoeken naar nieuwe oplossingen. Het was de bedoeling van de Spaanse autoriteiten om deze wijzigingen tot stand te brengen en te versnellen, omdat deze een belangrijke bijdrage leveren tot de doelstellingen van de regering, namelijk te kunnen beschikken over een meer doeltreffende en concurrerende mijnbouw en zonder financiële steun van de regering niet tot stand konden komen of op grote schaal toegepast konden worden. In het licht van deze overwegingen is de Commissie van mening dat deze activiteiten vallen onder de definitie van industrieel onderzoek zoals bedoeld in bijlage I bij de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling. De uiteindelijke resultaten van deze onderzoeksactiviteiten zullen worden gebruikt voor het ontwikkelen van plannen voor projecten voor nieuwe of gewijzigde winningsprocessen. |
|
(54) |
De subsidiabele kosten zijn in overeenstemming met de in bijlage II bij de kaderregeling gedefinieerde kosten. Het bedrag van de steun is gering en in beide gevallen wordt de steun aan kleine of middelgrote ondernemingen verleend. Het bedrag van de steun overschrijdt niet de in hoofdstuk 5 van de kaderregeling vastgestelde limieten. Krachtens het bepaalde in hoofdstuk 5 van de kaderregeling moet de steun dienen als stimulans voor mijnbouwondernemingen om aanvullende O&O-activiteiten te ontplooien en eveneens om ondernemingen die nooit eerder dit soort activiteiten hebben verricht, te stimuleren. Aangezien de begunstigden kleine of middelgrote ondernemingen zijn, neemt de Commissie overeenkomstig punt 6.4 van de kaderregeling aan dat de steun de nodige stimulans vormt. |
|
(55) |
Derhalve moet de Commissie tot de conclusie komen dat de regeling voor steun voor onderzoek en ontwikkeling past in genoemde kaderregeling. |
4.5. Beoordeling van de steun voor bescherming van het milieu
|
(56) |
De Commissie analyseert dit soort steun aan de hand van de Communautaire kaderregeling betreffende staatssteun voor de bescherming van het milieu. |
|
(57) |
In het licht van de door Spanje verstrekte informatie is de Commissie van mening dat de steunregeling onder meer is bedoeld om kleine en middelgrote ondernemingen te helpen zich aan de nieuwe communautaire wettelijke voorschriften aan te passen gedurende een periode van drie jaar na het van kracht worden van nieuwe communautaire wettelijke voorschriften, te helpen bij investeringen zonder het bestaan van communautaire wettelijke voorschriften en te helpen bij investeringen die bestemd zijn om zich aan te passen aan nationale voorschriften die strenger zijn dan de geldende communautaire voorschriften. De regeling staat deze steun toe tot een bedrag van maximaal 15 % bruto van de subsidiabele kosten, hetgeen in overeenstemming is met de kaderregeling. De Commissie is van mening dat de investeringen in kwestie in overeenstemming zijn met hoofdstuk E.1.6 van de kaderregeling. Wat de watervervuiling betreft, zijn de investeringen onmisbaar om het uitstromen van vervuild water uit verlaten mijnen te beheersen. De investeringen hebben onder meer tot doel de ondergrondse watervoerende laag te beheersen, overstromingen te voorkomen en bij te dragen tot de circulatie van uit mijnen afkomstig water zonder dat dit gevaar oplevert. Dit water moet voldoen aan de kwaliteitseisen die in de Spaanse wetgeving zijn gesteld. De Commissie overweegt dat bij de definitie van de kosten die voor financiering in aanmerking kunnen komen, met betrekking tot de investeringen wordt bepaald dat bij de nettoberekening van de steun de door de investering verkregen voordelen worden meegeteld. Dit element is in overeenstemming met punt 37 van de kaderregeling. Krachtens punt 38 van de kaderregeling wordt bij de subsidiabele kosten rekening gehouden met de potentiële meerwaarde van de gesaneerde terreinen. Wat de sanering van mijnen betreft, blijven de subsidiabele kosten beperkt tot de winningskosten, met inbegrip van het personeel, de materialen en de afschrijving van de noodzakelijke machines om emissies van gassen en vloeistoffen uit de ondergrondse winning te vermijden, om de toegang tot gevaarlijke ondergrondse mijnen en vervuiling van watervoorraden te voorkomen, alsmede de regeneratie van steenbergen. In die zin is de regeling in overeenstemming met punt 36 van de kaderregeling. |
|
(58) |
Onderstaande door Castilla-León verleende steun:
is van toepassing op de sanering van het milieu van dagbouwmijnen en in het geval van dossier nr. 607.1/01 op de investering in een verwerkingscentrum en elektriciteitsaansluiting. |
||||||||||||||||||||||||
|
(59) |
Na bestudering van de door Spanje verstrekte informatie is de Commissie van mening dat de door de ondernemingen genomen maatregelen die door sanering van vervuilde bedrijfsinstallaties bijdragen tot het herstel van de milieuschade, onder deze kaderegeling kunnen vallen. De saneringskosten voor het milieu zijn kosten uit het verleden. Als de winningsactiviteiten worden beëindigd is het gevolg dat het water uit de mijnen overloopt. Als gevolg van de bodemstructuur en de verschillende stromen is het in veel gevallen niet duidelijk welke mijn verantwoordelijk is voor water dat het milieu kan bedreigen en onder controle moet worden gehouden. Vaak hebben de mijnen een andere eigenaar gekregen of bestaan mijnen niet meer. De Commissie is derhalve van mening dat de mijnbouwondernemingen die momenteel in de mijnen werken, niet economisch verantwoordelijk kunnen worden gehouden. In die gevallen is de steunregeling ter dekking van de saneringskosten van de mijnen dus in overeenstemming met de kaderregeling. |
|
(60) |
Onderstaande door Castilla-León verleende steun:
heeft betrekking op werkzaamheden in verband met de sanering of de veiligheid van steenbergen, de bescherming van waterlopen alsmede de sanering van terreinen rondom oude mijnen. In verband met deze individuele gevallen is de Commissie van mening dat de verslechtering van het milieu in de loop van vele jaren tot stand is gekomen, dat er geen voorschriften bestaan voor sanering of dat zelfs niet duidelijk kan worden vastgesteld wie verantwoordelijk is. Derhalve meent de Commissie dat men de hierboven genoemde mijnbouwondernemingen die de mijnen momenteel exploiteren, niet de kosten kan laten dragen. Overeenkomstig punt 38 van de kaderregeling beloopt het bedrag van de steun niet meer dan maximaal 100 % van de subsidiabele kosten en omvat het niet de 15 % van het totale bedrag van de werken. De subsidiabele kosten zijn gelijk aan de kosten van de werken minus de waardevermeerdering van de terreinen. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(61) |
Onderstaande door Castilla-León verleende steun:
wordt, hoewel door Spanje aangemeld als steun ter dekking van buitengewone lasten als gevolg van de herstructurering (artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1407/2002), hoofdzakelijk gebruikt voor milieubescherming, aangezien het doel ervan is de sanering van aan de oppervlakte gelegen mijnterreinen en de afbraak van vaste installaties aldaar om de effecten die verlaten kolenmijnen op het milieu hebben, te helpen verzachten. In de periode waarin deze werken werden uitgevoerd, bestonden er geen wettelijke voorschriften terzake van de sanering van de betrokken installaties. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(62) |
De Commissie is van mening dat het bijzondere karakter van de mijnbouw met zich brengt dat een groot deel van de huidige vervuiling door gassen en water afkomstig uit mijnen of externe steenbergen, een gevolg is van activiteiten uit het verleden. Aangezien het er in de meeste gevallen om gaat de schade van de vroegere mijnbouwactiviteit te herstellen, moet de steun worden beschouwd als kosten uit het verleden waarbij het niet mogelijk is een onderneming aan te wijzen die voor de vervuiling verantwoordelijk is. Derhalve wordt de steun bestemd voor sanering van het milieu in mijnbouwregio's. De milieuschade die aan de bodem of aan het oppervlakte- of grondwater is toegebracht, valt onder de kaderregeling. Het bedrag van deze steun beloopt niet meer dan 100 % van de subsidiabele kosten en het omvat niet de 15 % van het totale bedrag van de werken. De subsidiabele kosten, dat wil zeggen de kosten van de werken minus de waardevermeerdering van de grond, zijn ook in overeenstemming met de kaderregeling. |
|
(63) |
In het licht van het bovenstaande en na bestudering van de door Spanje verstrekte informatie komt de Commissie tot de conclusie dat de steunregeling voor milieubescherming met genoemde Communautaire kaderregeling verenigbaar is. |
4.6. Beoordeling van de steun voor mijnbouwopleiding
|
(64) |
Krachtens Verordening (EG) nr. 1407/2002 betreffende staatssteun voor de kolenindustrie en in het bijzonder volgens artikel 3, lid 1 en overweging 21 daarvan, kan de opleidingssteun altijd worden verleend wanneer dat gebeurt overeenkomstig de door de Commissie voor dit soort steun vastgestelde eisen en criteria. Derhalve heeft de Commissie de verenigbaarheid van deze steun met de bepalingen van Verordening (EG) nr. 68/2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op opleidingssteun bestudeerd. Spanje moest deze maatregelen aanmelden omdat de voorwaarden voor vrijstelling van de aanmeldingsverplichting zoals bedoeld in genoemde verordening niet van toepassing zijn op de staatssteun voor de kolenmijnbouw. |
|
(65) |
Wat onderstaande steun betreft het volgende:
Na bestudering van de door Spanje verstrekte informatie en met inachtneming van de door Spanje gegeven garantie dat de maximale bedragen van de steun zoals bedoeld in artikel 4 bij de toepassing van de regeling in acht waren genomen, overweegt de Commissie dat de door de regio Castilla-León verleende steun voor mijnbouwopleiding niet zal leiden tot vervalsing van de mededinging en op basis van de hierboven genoemde verordening kan worden goedgekeurd. De regeling bevat in die zin een verwijzing naar genoemde verordening. |
||||||||||||||||||||||||
4.7. Beoordeling van de steun voor veiligheid in de mijnen
|
(66) |
Na bestudering van de door Spanje verstrekte informatie overweegt de Commissie dat deze steun moet worden beoordeeld op basis van Verordening (EG) nr. 1407/2002 betreffende staatssteun voor de kolenindustrie. |
|
(67) |
De door Castilla-León verleende steun:
betreft de kosten die de ondernemingen moeten maken om de omstandigheden voor arbeidsveiligheid en -hygiëne te verbeteren. Genoemde kosten houden geen verband met de lopende productie en zijn bedoeld voor uitrusting en werkzaamheden in de mijnen. In die zin overweegt de Commissie dat de kosten van de werkzaamheden ten behoeve van de veiligheid door de toegekende bedragen niet worden verlaagd en zij komt tot de conclusie dat deze maatregelen in overeenstemming zijn met artikel 7 van bedoelde verordening en wat betreft de definitie van de kosten waarnaar in artikel 7 wordt verwezen, met punt 1, onder g), van de bijlage daarbij. Op basis hiervan komt de Commissie tot de conclusie dat de steun voor veiligheid in de mijnen met bedoelde verordening in overeenstemming is. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
5. Conclusie
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
De regeling inzake steun voor onderzoek en ontwikkeling, bescherming van het milieu, opleiding en veiligheid in de mijnen door Spanje uitgevoerd ten behoeve van de kolenmijnen in de autonome regio Castilla-León in de jaren 2001 en 2002 op basis van verordeningen van de Consejería de Industria, Comercio y Turismo van 19 december 2000 en 19 december 2001 waarbij de toekenning van stimulerende maatregelen voor de mijnen wordt gereguleerd, is verenigbaar met het bepaalde in artikel 88, lid 3, van het Verdrag.
Artikel 2
Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk Spanje.
Gedaan te Brussel, 30 maart 2004.
Voor de Commissie
Loyola DE PALACIO
Vice-voorzitster
(1) PB C 105 van 1.5.2003, blz. 2.
(2) PB L 329 van 30.12.1993, blz. 12.
(3) PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003. Zie hiertoe de Mededeling van de Commissie betreffende bepaalde aspecten van de behandeling van mededingingszaken als gevolg van het aflopen van het EGKS-Verdrag (PB C 152 van 26.6.2002, blz. 5).
(4) PB C 105 van 1.5.2003, blz. 2.
(5) PB L 205 van 2.8.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003. Zie eveneens punt 47 van de Mededeling van de Commissie betreffende bepaalde aspecten van de behandeling van mededingingszaken als gevolg van het aflopen van het EGKS-Verdrag.
(6) PB C 45 van 17.2.1996, blz. 5.
(7) PB C 48 van 13.2.1998, blz. 2.
(8) PB C 111 van 8.5.2002, blz. 3.
(9) PB C 37 van 3.2.2001, blz. 3.
(10) PB L 10 van 13.1.2001, blz. 20. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 363/2004 (PB L 63 van 28.2.2004, blz. 20).
|
19.2.2005 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/43 |
BESLUIT Nr. 1/2005 VAN HET ACS-EG-COMITÉ VOOR DOUANESAMENWERKING
van 8 februari 2005
houdende afwijking van de definitie van „producten van oorsprong” in verband met de bijzondere situatie van Kaapverdië met betrekking tot de productie van overhemden voor heren (GS-post 62.05)
(2005/141/EG)
HET ACS-EG-COMITÉ VOOR DOUANESAMENWERKING,
Gelet op de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst, ondertekend in Cotonou op 23 juni 2000, en met name op artikel 38 van Protocol 1 bij Bijlage V,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 38, lid 1, van genoemd protocol kunnen afwijkingen van de oorsprongsregels worden toegestaan wanneer zulks op grond van de ontwikkeling van bestaande industrieën of de vestiging van nieuwe industrieën gerechtvaardigd is. |
|
(2) |
De ACS-staten hebben op 30 september 2004 namens de regering van Kaapverdië een verzoek ingediend om van de oorsprongsregel in genoemd protocol te mogen afwijken voor door dat land te produceren overhemden voor heren, en wel voor 140 000 stuks in 2004, geleidelijk aan te verhogen tot 180 000 stuks in 2008. |
|
(3) |
De gevraagde afwijking is op grond van artikel 38, leden 1 tot en met 6, gerechtvaardigd, aangezien Kaapverdië in zijn productie van overhemden voor heren op grond van de cumulatiebepalingen niet voldoende materialen van oorsprong uit de Gemeenschap, de landen en gebieden overzee (LGO) of andere ACS-staten kan gebruiken. Voorts is Kaapverdië een minst ontwikkelde en insulaire ACS-staat, en verwacht wordt dat de afwijking een positieve economische en sociale weerslag heeft, met name op de werkgelegenheid in Kaapverdië. |
|
(4) |
De afwijking kan gezien de omvang van de geplande invoer geen ernstige schade doen ontstaan voor een gevestigde bedrijfstak van de Gemeenschap, mits bepaalde voorwaarden betreffende hoeveelheden, toezicht en looptijd worden nageleefd. |
|
(5) |
De afwijking kan evenwel niet worden toegestaan voor de gevraagde perioden. Gezien de datum waarop het verzoek door de ACS-staten werd ingediend, is het niet mogelijk dat het ACS-EG-Comité voor douanesamenwerking hierover voor 1 januari 2005 een besluit neemt. Voorts moeten nieuwe handelsregelingen voor de ACS-staten voor 1 januari 2008 in werking treden. Een afwijking die onder de huidige regeling wordt toegestaan, is dus niet langer relevant na 31 december 2007 omdat het wettelijke kader voor de afwijking dan niet langer bestaat. Om die redenen moet de geldigheid van de afwijking worden beperkt tot een periode van drie jaar te rekenen vanaf begin januari 2005 tot eind 2007. |
|
(6) |
Daarom kan Kaapverdië op grond van artikel 38 een afwijking worden toegestaan voor overhemden voor heren, met name voor 160 000 stuks in 2005, 170 000 stuks in 2006 en 180 000 stuks in 2007, |
BESLUIT:
Artikel 1
In afwijking van de bijzondere bepalingen van de lijst in bijlage II bij Protocol 1 bij bijlage V bij de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst worden overhemden voor heren van GS-post 62.05 die in Kaapverdië uit niet van oorsprong zijnde weefsels worden vervaardigd, beschouwd als zijnde van oorsprong uit dat land overeenkomstig de voorwaarden van dit besluit.
Artikel 2
De in artikel 1 bedoelde afwijking geldt voor de in de bijlage bij dit besluit vermelde producten en hoeveelheden die in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2007 uit Kaapverdië in de Gemeenschap worden uitgevoerd.
Artikel 3
De in de bijlage bedoelde hoeveelheden worden beheerd door de Commissie, die alle administratieve maatregelen neemt die zij voor een doeltreffend beheer nodig acht. De artikelen 308bis, 308ter en 308quater van Verordening (EEG) nr. 2454/93 (1) van de Commissie betreffende het beheer van tariefcontingenten zijn van overeenkomstige toepassing op het beheer van de in de bijlage vermelde hoeveelheden.
Artikel 4
De douaneautoriteiten van Kaapverdië nemen de nodige maatregelen voor de uitvoering van kwantitatieve controles op de uitvoer van de in artikel 1 bedoelde producten. Daartoe dient in alle certificaten die zij op grond van dit besluit afgeven, naar dit besluit te worden verwezen. De bevoegde autoriteiten van Kaapverdië doen de Commissie driemaandelijks een overzicht toekomen van de hoeveelheden waarvoor op grond van dit besluit certificaten EUR.1 zijn afgegeven en van de serienummers van die certificaten.
Artikel 5
De certificaten EUR.1 die op grond van dit besluit worden afgegeven, dienen in vak 7 één van de volgende aantekeningen te bevatten:
|
— |
„Derogation — Decision No 1/2005”; |
|
— |
“Derrogação — Decisão n.o 1/2005”; |
Artikel 6
De ACS-staten, de lidstaten en de Europese Gemeenschap nemen elk voor zich de nodige maatregelen voor de uitvoering van dit besluit.
Artikel 7
Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt aangenomen.
Dit besluit is van toepassing met ingang van 1 januari 2005.
Gedaan te Brussel, 8 februari 2005.
Voor het ACS-EG-Comité voor douanesamenwerking
De gezamenlijke voorzitters
Robert VERRUE
Isabelle BASSONG
(1) PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2286/2003 (PB L 343 van 31.12.2003, blz. 1).
BIJLAGE
|
Volgnummer |
GS-post |
Omschrijving van de goederen |
Periode |
Hoeveelheid (in stuks) |
|
09.1670 |
62.05 |
Overhemden voor heren |
Van 1.1. tot en met 31.12.2005 |
160 000 |
|
Van 1.1. tot en met 31.12.2006 |
170 000 |
|||
|
Van 1.1. tot en met 31.12.2007 |
180 000 |
Besluiten aangenomen krachtens titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie
|
19.2.2005 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/45 |
GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN 2005/142/GBVB VAN DE RAAD
van 17 februari 2005
tot wijziging van Gemeenschappelijk Optreden 2004/789/GBVB betreffende de verlenging van de politiemissie van de Europese Unie in de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (EUPOL Proxima)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 14 en artikel 25, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 22 november 2004 heeft de Raad Gemeenschappelijk Optreden 2004/789/GBVB (1) aangenomen betreffende de verlenging van de politiemissie van de Europese Unie (EUPOL Proxima) in de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië van 15 december 2004 tot en met 14 december 2005. |
|
(2) |
Het Politiek en Veiligheidscomité moet worden gemachtigd de noodzakelijke besluiten te nemen voor het instellen van een Comité van contribuanten aan EUPOL Proxima, overeenkomstig het op 10 december 2002 door de Raad goedgekeurde document betreffende „Overleg en modaliteiten voor de bijdrage van staten die geen EU-lidstaat zijn aan de civiele crisisbeheersing van de Europese Unie”. |
|
(3) |
Gemeenschappelijk Optreden 2004/789/GBVB moet dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN VASTGESTELD:
Artikel 1
Aan artikel 9 van Gemeenschappelijk Optreden 2004/789/GBVB wordt het volgende lid toegevoegd:
„7. Het Politiek en Veiligheidscomité neemt de noodzakelijke besluiten inzake het instellen van een Comité van contribuanten.”.
Artikel 2
Dit Gemeenschappelijk Optreden treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Artikel 3
Dit Gemeenschappelijk Optreden wordt in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.
Gedaan te Brussel, 17 februari 2005.
Voor de Raad
De voorzitter
J.-C. JUNCKER
|
19.2.2005 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/46 |
GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN 2005/143/GBVB VAN DE RAAD
van 17 februari 2005
tot wijziging van Gemeenschappelijk Optreden 2002/210/GBVB inzake de politiemissie van de Europese Unie
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 14 en artikel 25, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 11 maart 2002 heeft de Raad Gemeenschappelijk Optreden 2002/210/GBVB (1) aangenomen tot instelling van een politiemissie van de Europese Unie (EUPM) in Bosnië en Herzegovina om vanaf 1 januari 2003 te zorgen voor het vervolg op de Internationale Politiemacht van de Verenigde Naties in Bosnië en Herzegovina. |
|
(2) |
Het Politiek en Veiligheidscomité moet worden gemachtigd de noodzakelijke besluiten te nemen voor het instellen van een Comité van contribuanten aan de EUPM, overeenkomstig het op 10 december 2002 door de Raad goedgekeurde document betreffende „Overleg en modaliteiten voor de bijdrage van staten die geen EU-lidstaat zijn aan de civiele crisisbeheersing van de Europese Unie”. |
|
(3) |
Gemeenschappelijk Optreden 2002/210/GBVB moet dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN VASTGESTELD:
Artikel 1
Aan artikel 8 van Gemeenschappelijk Optreden 2002/210/GBVB wordt het volgende lid toegevoegd:
„4. Het Politiek en Veiligheidscomité neemt de noodzakelijke besluiten inzake het instellen van een Comité van contribuanten.”.
Artikel 2
Dit Gemeenschappelijk Optreden treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Artikel 3
Dit Gemeenschappelijk Optreden wordt in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.
Gedaan te Brussel, 17 februari 2005.
Voor de Raad
De voorzitter
J.-C. JUNCKER
(1) PB L 70 van 13.3.2002, blz. 1. Gemeenschappelijk Optreden laatstelijk gewijzigd bij Gemeenschappelijk Optreden 2003/188/GBVB (PB L 73 van 19.3.2003, blz. 9).
Rectificaties
|
19.2.2005 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/47 |
Rectificatie van Verordening (EG) nr. 2256/2004 van de Commissie van 14 oktober 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 747/2001 van de Raad betreffende communautaire tariefcontingenten voor bepaalde producten van oorsprong uit Egypte, Malta en Cyprus en de referentiehoeveelheden voor bepaalde producten van oorsprong uit Malta en Cyprus
( Publicatieblad van de Europese Unie L 385 van 29 december 2004 )
Op bladzijde 24, in de eerste overweging:
in plaats van:
„Besluit nr. 2004/664/EG ”,
te lezen:
„Besluit nr. 2005/89/EG”.
Op bladzijde 24, de verwijzingen naar voetnoot (3):
in plaats van:
„ PB L 303 van 30.9.2004, blz. 28.”,
te lezen:
|
19.2.2005 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/47 |
Rectificatie van Verordening (EG) nr. 316/2004 van de Commissie van 20 februari 2004 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 753/2002 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad wat betreft de omschrijving, de aanduiding, de aanbiedingsvorm en de bescherming van bepaalde wijnbouwproducten
( Publicatieblad van de Europese Unie L 55 van 24 februari 2004 )
Bladzijde 36, bijlage II, onder Italië, onder „In artikel 28 bedoelde termen”:
in plaats van:
„Inticazione geografica tipica (IGT)”,
te lezen:
„Indicazione geografica tipica (IGT)”.