ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 37

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

48e jaargang
10 februari 2005


Inhoud

 

I   Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

Bladzijde

 

 

Verordening (EG) nr. 212/2005 van de Commissie van 9 februari 2005 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

1

 

*

Verordening (EG) nr. 213/2005 van de Commissie van 8 februari 2005 houdende vaststelling van eenheidswaarden voor de bepaling van de douanewaarde van bepaalde aan bederf onderhevige goederen

3

 

*

Verordening (EG) nr. 214/2005 van de Commissie van 9 februari 2005 tot wijziging van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het toezicht op overdraagbare spongiforme encefalopathieën bij geiten ( 1 )

9

 

 

Verordening (EG) nr. 215/2005 van de Commissie van 9 februari 2005 betreffende de afgifte van invoercertificaten voor vers, gekoeld of bevroren rundvlees van hoge kwaliteit

13

 

 

II   Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

 

 

Europees Parlement
Raad
Commissie
Hof van Justitie
Rekenkamer
Europees Economisch en Sociaal Comité
Comité van de Regio's
Europese Ombudsman

 

*

2005/118/EG:Besluit van het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's en de Europese Ombudsman van 26 januari 2005 tot oprichting van de Europese Bestuursschool

14

 

*

2005/119/EG:Besluit van de secretarissen-generaal van het Europees Parlement, van de Raad en van de Commissie, de griffier van het Hof van Justitie, de secretarissen-generaal van de Rekenkamer, van het Europees Economisch en Sociaal Comité en van het Comité van de Regio's, en de vertegenwoordiger van de Europese Ombudsman van 26 januari 2005 betreffende de organisatie en de werking van de Europese Bestuursschool

17

 

 

Rectificaties

 

 

Rectificatie van Verordening (EG) nr. 63/2005 van de Commissie van 14 januari 2005 betreffende de afgifte van certificaten voor de invoer van knoflook voor het kwartaal van 1 maart tot en met 31 mei 2005 (PB L 13 van 15.1.2005)

21

 

*

Rectificatie van Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (PB L 141 van 30.4.2004)

22

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

10.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 37/1


VERORDENING (EG) Nr. 212/2005 VAN DE COMMISSIE

van 9 februari 2005

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 10 februari 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 9 februari 2005.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1947/2002 (PB L 299 van 1.11.2002, blz. 17).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 9 februari 2005 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

052

104,7

204

62,4

212

157,6

248

82,5

624

81,4

999

97,7

0707 00 05

052

175,7

068

65,0

204

72,5

999

104,4

0709 10 00

220

36,6

999

36,6

0709 90 70

052

174,2

204

207,9

999

191,1

0805 10 20

052

55,5

204

47,0

212

56,2

220

33,7

400

45,0

421

23,4

448

32,0

624

40,2

999

41,6

0805 20 10

052

76,5

204

76,5

624

75,1

999

76,0

0805 20 30, 0805 20 50, 0805 20 70, 0805 20 90

052

50,5

204

91,5

400

78,5

464

42,4

624

77,5

662

42,4

999

63,8

0805 50 10

052

52,3

220

27,0

999

39,7

0808 10 80

400

116,2

404

89,9

528

96,4

720

58,4

999

90,2

0808 20 50

388

84,6

400

91,9

528

78,1

999

84,9


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 2081/2003 van de Commissie (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11). De code „999” staat voor „andere oorsprong”.


10.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 37/3


VERORDENING (EG) Nr. 213/2005 VAN DE COMMISSIE

van 8 februari 2005

houdende vaststelling van eenheidswaarden voor de bepaling van de douanewaarde van bepaalde aan bederf onderhevige goederen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (1),

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie (2) houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92, inzonderheid op artikel 173, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In de artikelen 173 tot en met 177 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 is bepaald dat de Commissie periodieke eenheidswaarden vaststelt voor de producten die zijn omschreven in de in bijlage 26 van genoemde verordening opgenomen klasse-indeling.

(2)

De toepassing van de regels en maatstaven bepaald in voornoemde artikelen op de gegevens die overeenkomstig het bepaalde in artikel 173, lid 2, van voornoemde verordening aan de Commissie zijn medegedeeld, leidt ertoe voor de betrokken producten de eenheidswaarden vast te stellen die zijn vermeld in de bijlage bij de onderhavige verordening,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De eenheidswaarden bedoeld in artikel 173, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 worden vastgesteld zoals in de in de bijlage opgenomen lijst vermeld.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 11 februari 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 februari 2005.

Voor de Commissie

Günter VERHEUGEN

Vice-voorzitter


(1)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2700/2000 (PB L 311 van 12.12.2000, blz. 17).

(2)  PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2286/2003 van de Commissie (PB L 343 van 31.12.2003, blz. 1).


BIJLAGE

Rubriek

Omschrijving

Bedrag van de eenheidswaarden/100 kg netto

Soort, variëteit, GN-code

EUR

LTL

SEK

CYP

LVL

GBP

CZK

MTL

DKK

PLN

EEK

SIT

HUF

SKK

1.10

Nieuwe aardappelen (primeurs)

0701 90 50

35,43

20,65

1 061,55

263,71

554,34

8 637,14

122,33

24,66

15,26

141,04

8 492,94

1 347,81

321,88

24,39

 

 

 

 

1.30

Uien (andere dan plantuitjes)

0703 10 19

7,28

4,24

218,13

54,19

113,91

1 774,79

25,14

5,07

3,13

28,98

1 745,16

276,95

66,14

5,01

 

 

 

 

1.40

Knoflook

0703 20 00

111,22

64,84

3 332,63

827,90

1 740,29

27 115,52

384,04

77,41

47,89

442,79

26 662,83

4 231,33

1 010,51

76,56

 

 

 

 

1.50

Prei

ex 0703 90 00

59,62

34,76

1 786,44

443,79

932,87

14 535,10

205,86

41,50

25,67

237,35

14 292,44

2 268,18

541,68

41,04

 

 

 

 

1.60

Bloemkool

0704 10 00

1.80

Witte kool en rode kool

0704 90 10

48,97

28,55

1 467,29

364,51

766,21

11 938,40

169,08

34,08

21,09

194,95

11 739,09

1 862,97

444,91

33,71

 

 

 

 

1.90

Broccoli (Brassica oleracea L. convar. botrytis (L.) Alef var. italica Plenck)

ex 0704 90 90

1.100

Chinese kool

ex 0704 90 90

82,64

48,18

2 476,14

615,13

1 293,04

20 146,81

285,34

57,52

35,58

328,99

19 810,46

3 143,87

750,81

56,88

 

 

 

 

1.110

Kropsla

0705 11 00

1.130

Wortelen

ex 0706 10 00

44,17

25,75

1 323,47

328,78

691,11

10 768,20

152,51

30,74

19,02

175,84

10 588,43

1 680,36

401,30

30,40

 

 

 

 

1.140

Radijs

ex 0706 90 90

66,38

38,70

1 989,07

494,13

1 038,69

16 183,83

229,21

46,20

28,59

264,28

15 913,64

2 525,46

603,12

45,69

 

 

 

 

1.160

Erwten (Pisum sativum), peultjes daaronder begrepen

0708 10 00

321,06

187,18

9 619,92

2 389,81

5 023,50

78 271,24

1 108,56

223,46

138,25

1 278,14

76 964,53

12 214,09

2 916,93

220,99

 

 

 

 

1.170

Bonen:

 

 

 

 

 

 

1.170.1

Bonen (Vigna spp., Phaseolus spp.)

ex 0708 20 00

195,25

113,83

5 850,16

1 453,32

3 054,94

47 599,07

674,15

135,89

84,07

777,28

46 804,42

7 427,75

1 773,87

134,39

 

 

 

 

1.170.2

Bonen (Phaseolus spp., vulgaris var. Compressus Savi)

ex 0708 20 00

414,36

241,57

12 415,47

3 084,29

6 483,33

101 016,82

1 430,70

288,39

178,42

1 649,57

99 330,38

15 763,50

3 764,58

285,20

 

 

 

 

1.180

Tuinbonen

ex 0708 90 00

1.190

Artisjokken

0709 10 00

1.200

Asperges:

 

 

 

 

 

 

1.200.1

Groene

ex 0709 20 00

235,00

137,01

7 041,45

1 749,26

3 677,02

57 291,80

811,42

163,56

101,19

935,55

56 335,33

8 940,28

2 135,09

161,75

 

 

 

 

1.200.2

Andere

ex 0709 20 00

469,92

273,96

14 080,25

3 497,86

7 352,67

114 562,11

1 622,54

327,07

202,35

1 870,76

112 649,53

17 877,22

4 269,38

323,45

 

 

 

 

1.210

Aubergines

0709 30 00

158,15

92,20

4 738,73

1 177,21

2 474,55

38 556,07

546,07

110,07

68,10

629,61

37 912,39

6 016,61

1 436,87

108,86

 

 

 

 

1.220

Bleekselderij (Apium graveolens L., var. dulce (Mill.) Pers.)

ex 0709 40 00

112,90

65,82

3 382,95

840,40

1 766,57

27 524,91

389,84

78,58

48,62

449,47

27 065,39

4 295,21

1 025,77

77,71

 

 

 

 

1.230

Cantharellen

0709 59 10

926,44

540,11

27 758,92

6 895,96

14 495,64

225 856,81

3 198,81

644,80

398,93

3 688,16

222 086,20

35 244,56

8 416,99

637,67

 

 

 

 

1.240

Niet-scherp smakende pepers

0709 60 10

191,50

111,65

5 738,06

1 425,47

2 996,40

46 686,96

661,23

133,29

82,46

762,38

45 907,53

7 285,42

1 739,88

131,81

 

 

 

 

1.250

Venkel

0709 90 50

1.270

Bataten (zoete aardappelen), geheel, vers (bestemd voor menselijke consumptie)

0714 20 10

104,31

60,81

3 125,49

776,44

1 632,12

25 430,12

360,17

72,60

44,92

415,26

25 005,58

3 968,33

947,70

71,80

 

 

 

 

2.10

Kastanjes (Castanea spp.), vers

ex 0802 40 00

2.30

Ananassen, vers

ex 0804 30 00

97,35

56,76

2 917,03

724,66

1 523,26

23 734,00

336,14

67,76

41,92

387,57

23 337,77

3 703,65

884,49

67,01

 

 

 

 

2.40

Avocaten, vers

ex 0804 40 00

117,65

68,59

3 525,18

875,74

1 840,84

28 682,19

406,23

81,89

50,66

468,37

28 203,35

4 475,80

1 068,90

80,98

 

 

 

 

2.50

Guaves en manga's, vers

ex 0804 50

2.60

Sinaasappelen, andere dan pomeransen (bittere oranjeappelen), vers:

 

 

 

 

 

 

2.60.1

Bloedsinaasappelen en halfbloedsinaasappelen

0805 10 10

 

 

 

 

2.60.2

Navels, navelines, navelates, salustiana's, verna's, valencia lates, maltaises, shamoutis, ovalis, trovita, hamlins

0805 10 30

 

 

 

 

2.60.3

Andere

0805 10 50

 

 

 

 

2.70

Mandarijnen (tangerines en satsuma's daaronder begrepen), vers; clementines, wilkings en dergelijke kruisingen van citrusvruchten, vers:

 

 

 

 

 

 

2.70.1

Clementines

ex 0805 20 10

 

 

 

 

2.70.2

Montreales en satsuma's

ex 0805 20 30

 

 

 

 

2.70.3

Mandarijnen en wilkings

ex 0805 20 50

 

 

 

 

2.70.4

Tangerines en andere

ex 0805 20 70

ex 0805 20 90

 

 

 

 

2.85

Lemmetjes (Citrus aurantifolia, Citrus latifolia), vers

0805 50 90

73,20

42,67

2 193,24

544,85

1 145,30

17 844,99

252,74

50,95

31,52

291,40

17 547,07

2 784,68

665,03

50,38

 

 

 

 

2.90

Pompelmoezen en pomelo's of grapefruit, vers:

 

 

 

 

 

 

2.90.1

Witte

ex 0805 40 00

49,88

29,08

1 494,70

371,32

780,53

12 161,39

172,24

34,72

21,48

198,59

11 958,36

1 897,76

453,22

34,34

 

 

 

 

2.90.2

Roze

ex 0805 40 00

81,15

47,31

2 431,61

604,07

1 269,78

19 784,48

280,21

56,48

34,94

323,07

19 454,19

3 087,33

737,31

55,86

 

 

 

 

2.100

Druiven voor tafelgebruik

0806 10 10

176,63

102,97

5 292,27

1 314,72

2 763,61

43 059,90

609,86

122,93

76,06

703,15

42 341,02

6 719,42

1 604,71

121,57

 

 

 

 

2.110

Watermeloenen

0807 11 00

34,03

19,84

1 019,64

253,30

532,45

8 296,17

117,50

23,68

14,65

135,47

8 157,67

1 294,60

309,17

23,42

 

 

 

 

2.120

Andere meloenen:

 

 

 

 

 

 

2.120.1

Amarillo, Cuper, Honey Dew (daaronder begrepen Cantalene), Onteniente, Piel de Sapo (daaronder begrepen Verde Liso), Rochet, Tendral, Futuro

ex 0807 19 00

56,03

32,67

1 678,84

417,06

876,69

13 659,70

193,46

39,00

24,13

223,06

13 431,66

2 131,57

509,05

38,57

 

 

 

 

2.120.2

Andere

ex 0807 19 00

96,45

56,23

2 889,79

717,89

1 509,04

23 512,40

333,01

67,13

41,53

383,95

23 119,87

3 669,07

876,23

66,38

 

 

 

 

2.140

Peren:

 

 

 

 

 

 

2.140.1

Peren — Nashi (Pyrus pyrifolia),

Peren — Ya (Pyrus bretscheideri)

ex 0808 20 50

 

 

 

 

2.140.2

Andere

ex 0808 20 50

 

 

 

 

2.150

Abrikozen

0809 10 00

144,29

84,12

4 323,32

1 074,01

2 257,63

35 176,12

498,20

100,42

62,13

574,41

34 588,86

5 489,17

1 310,91

99,31

 

 

 

 

2.160

Kersen

0809 20 95

0809 20 05

445,90

259,96

13 360,52

3 319,06

6 976,83

108 706,11

1 539,61

310,35

192,00

1 775,13

106 891,29

16 963,40

4 051,14

306,91

 

 

 

 

2.170

Perziken

0809 30 90

129,32

75,40

3 874,92

962,62

2 023,47

31 527,75

446,53

90,01

55,69

514,84

31 001,41

4 919,85

1 174,94

89,01

 

 

 

 

2.180

Nectarines

ex 0809 30 10

93,99

54,80

2 816,32

699,64

1 470,68

22 914,63

324,54

65,42

40,47

374,19

22 532,07

3 575,79

853,96

64,70

 

 

 

 

2.190

Pruimen

0809 40 05

125,72

73,29

3 766,89

935,78

1 967,06

30 648,82

434,08

87,50

54,13

500,48

30 137,14

4 782,69

1 142,19

86,53

 

 

 

 

2.200

Aardbeien

0810 10 00

231,97

135,24

6 950,47

1 726,66

3 629,52

56 551,58

800,94

161,45

99,89

923,47

55 607,46

8 824,77

2 107,50

159,66

 

 

 

 

2.205

Frambozen

0810 20 10

304,95

177,79

9 137,22

2 269,90

4 771,43

74 343,76

1 052,93

212,25

131,31

1 214,01

73 102,61

11 601,21

2 770,56

209,90

 

 

 

 

2.210

Blauwe bosbessen (vruchten van de Vaccinium myrtillus)

0810 40 30

1 062,63

619,51

31 839,58

7 909,69

16 626,55

259 058,57

3 669,05

739,59

457,57

4 230,33

254 733,66

40 425,63

9 654,31

731,41

 

 

 

 

2.220

Kiwi's (Actinidia chinensis Planch.)

0810 50 00

64,65

37,69

1 937,17

481,24

1 011,58

15 761,51

223,23

45,00

27,84

257,38

15 498,38

2 459,56

587,38

44,50

 

 

 

 

2.230

Granaatappels

ex 0810 90 95

180,01

104,95

5 393,64

1 339,90

2 816,54

43 884,64

621,54

125,29

77,51

716,62

43 152,00

6 848,12

1 635,44

123,90

 

 

 

 

2.240

Kaki-appels (daaronder begrepen sharonvrucht)

ex 0810 90 95

136,43

79,54

4 087,94

1 015,54

2 134,71

33 261,00

471,08

94,96

58,75

543,14

32 705,72

5 190,32

1 239,53

93,91

 

 

 

 

2.250

Litchis

ex 0810 90


10.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 37/9


VERORDENING (EG) Nr. 214/2005 VAN DE COMMISSIE

van 9 februari 2005

tot wijziging van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het toezicht op overdraagbare spongiforme encefalopathieën bij geiten

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (1), en met name op artikel 23, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 999/2001 zijn voorschriften vastgelegd voor het toezicht op overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE's) bij geiten.

(2)

Op 28 januari 2005 heeft een groep van deskundigen op het gebied van TSE’s bij kleine herkauwers, onder voorzitterschap van het communautair referentielaboratorium voor TSE’s (CRL), bevestigd dat bij een in Frankrijk geslachte geit boviene spongiforme encefalopathie (BSE) geconstateerd is. Dit was het eerste geval van BSE bij een kleine herkauwer onder natuurlijke omstandigheden.

(3)

De voormalige Wetenschappelijke Stuurgroep (WS) heeft op zijn bijeenkomst van 4 en 5 april 2002 een advies goedgekeurd over veilige bronnen van materiaal van kleine herkauwers voor het geval dat BSE bij kleine herkauwers waarschijnlijk blijkt. Het wetenschappelijk panel voor biologische gevaren van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in zijn advies van 26 november 2003 bevestigd wat de WS in zijn advies had verklaard over de veiligheid van bepaalde producten van kleine herkauwers ten aanzien van TSE’s. Ook heeft het panel er in zijn verklaring van 28 januari 2005 op gewezen dat nog moet worden nagegaan wat dit ene geval van BSE-besmetting bij een geit in Frankrijk te betekenen heeft. De resultaten van intensiever toezicht op TSE’s bij geiten zullen daarbij een belangrijke rol spelen.

(4)

Overeenkomstig de genoemde adviezen en verklaring van de WS en de EFSA moet het toezicht op geiten worden uitgebreid om de uitroeiingsprogramma’s van de Gemeenschap te verbeteren. Die programma’s leiden ook tot een betere bescherming van de consument, al waarborgen de geldende maatregelen, met name de voorschriften inzake de verwijdering van gespecificeerd risicomateriaal, van Verordening (EG) nr. 999/2001, al dat producten van geiten uit veilige bronnen worden verkregen.

(5)

Het uitgebreide toezicht moet gebaseerd worden op een aanbeveling voor een statistisch valide onderzoek van het CRL, om zo snel mogelijk de prevalentie van BSE bij geiten te bepalen en meer informatie te krijgen over de spreiding van de ziekte, zowel geografisch als binnen koppels. Daarom moet het toezicht in alle lidstaten plaatsvinden, met bijzondere aandacht voor de door BSE getroffen lidstaten.

(6)

Verordening (EG) nr. 999/2001 moet dus dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

Omdat het van belang is een zo hoog mogelijk niveau van consumentenbescherming te waarborgen en de prevalentie van BSE bij geiten te bepalen, moeten de bij deze verordening aangebrachte wijzigingen onmiddellijk in werking treden.

(8)

Het toezichtprogramma voor geiten moet opnieuw worden bezien nadat ten minste zes maanden daadwerkelijk toezicht heeft plaatsgevonden en de EFSA advies heeft uitgebracht over een kwantitatieve evaluatie van het restrisico van geitenvlees en daarvan verkregen vleesproducten.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage III bij Verordening (EG) nr. 999/2001 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 9 februari 2005.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 36/2005 van de Commissie (PB L 10 van 13.1.2005, blz. 9).


BIJLAGE

In bijlage III, hoofdstuk A, deel II, worden de punten 2 en 3 als volgt vervangen:

„2.   Toezicht op schapen en geiten die voor menselijke consumptie worden geslacht

a)

Schapen

In de lidstaten waarin de populatie ooien en gedekte ooilammeren groter is dan 750 000 dieren wordt jaarlijks minimaal een steekproef van 10 000 voor menselijke consumptie geslachte schapen getest overeenkomstig de bemonsteringsvoorschriften van punt 4 (1).

b)

Geiten

De lidstaten testen geslachte gezonde geiten overeenkomstig de bemonsteringsvoorschriften van punt 4 en de minimale steekproefgrootten in tabel A.

Wanneer een lidstaat problemen heeft om met geslachte gezonde geiten de voorgeschreven minimale steekproefgrootte te bereiken, kan hij maximaal de helft van die steekproef vervangen door gestorven geiten ouder dan 18 maanden, in een verhouding 1:1 en los van de in punt 3 voorgeschreven minimale steekproefgrootte.

Tabel A

Lidstaat

Minimale steekproefgrootte, geslachte gezonde geiten (2)

Spanje

125 500

Frankrijk

93 000

Italië

60 000

Griekenland

20 000

Cyprus

5 000

Oostenrijk

5 000

Overige lidstaten

alle

3.   Toezicht op schapen en geiten die niet voor menselijke consumptie worden geslacht

De lidstaten testen overeenkomstig de bemonsteringsvoorschriften van punt 4 en de in de tabellen B en C voorgeschreven minimale steekproefgrootten de schapen en geiten die gestorven of gedood zijn, maar niet:

in het kader van een dierziekte-uitroeiingscampagne zijn gedood, of

voor menselijke consumptie zijn geslacht.

Tabel B

Populatie ooien en gedekte ooilammeren in de lidstaat

Minimale steekproefgrootte, dode schapen (3)

> 750 000

10 000

100 000-750 000

1 500

40 000-100 000

500

< 40 000

100


Tabel C

Populatie geiten die al hebben gelammerd en gedekte geiten in de lidstaat

Minimale steekproefgrootte, dode geiten (4)

> 750 000

10 000

250 000-750 000

3 000

40 000-250 000

1 000

< 40 000

100 % tot maximaal 200”.


(1)  De minimale steekproefgrootte is zodanig berekend dat bij de geslachte dieren een prevalentie van 0,03 % met een betrouwbaarheid van 95 % wordt aangetoond.

(2)  De minimale steekproefgrootten zijn afgestemd op het aantal geslachte gezonde geiten en de prevalentie van BSE in elke lidstaat. Ook zijn zij bedoeld om haalbare doelen aan te geven. Met de minimale steekproefgrootten groter dan 60 000 kan een prevalentie van 0,0017 % met een betrouwbaarheid van 95 % worden aangetoond.

(3)  De minimale steekproefgrootten zijn afgestemd op de omvang van de schapenpopulatie in de verschillende lidstaten en zijn bedoeld om haalbare doelen aan te geven. Met de minimale steekproefgrootten van 10 000, 1 500, 500 en 100 dieren kan een prevalentie van respectievelijk 0,03 %, 0,2 %, 0,6 % en 3 % met een betrouwbaarheid van 95 % worden aangetoond.

(4)  De minimale steekproefgrootten zijn afgestemd op de omvang van de schapenpopulatie in de verschillende lidstaten en zijn bedoeld om haalbare doelen aan te geven. Met de minimale steekproefgrootten van 10 000, 3 000, 1 000 en 200 dieren kan een prevalentie van respectievelijk 0,03 %, 0,1 %, 0,3 % en 1,5 % met een betrouwbaarheid van 95 % worden aangetoond.


10.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 37/13


VERORDENING (EG) Nr. 215/2005 VAN DE COMMISSIE

van 9 februari 2005

betreffende de afgifte van invoercertificaten voor vers, gekoeld of bevroren rundvlees van hoge kwaliteit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 936/97 van de Commissie van 27 mei 1997 betreffende de opening en de wijze van beheer van tariefcontingenten voor vers, gekoeld of bevroren rundvlees van hoge kwaliteit en voor bevroren buffelvlees (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 936/97 voorziet in de artikelen 4 en 5 de bepalingen voor het indienen en voor het afgeven van de invoercertificaten voor vlees zoals bedoeld in artikel 2, onder f).

(2)

In artikel 2, onder f), van Verordening (EG) nr. 936/97 is de hoeveelheid met de omschrijving in die bepaling overeenstemmend vers, gekoeld of bevroren rundvlees van hoge kwaliteit, die in het tijdvak van 1 juli 2004 tot en met 30 juni 2005 onder bijzondere voorwaarden mag worden ingevoerd, vastgesteld op 11 500 t.

(3)

Er moet aan herinnerd worden dat de in deze verordening bedoelde certificaten slechts tijdens de gehele geldigheidsduur ervan gebruikt kunnen worden voorzover de veterinairrechtelijke voorschriften in acht worden genomen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Elke aanvraag om een invoercertificaat, die van 1 tot en met 5 februari 2005 is ingediend voor vers, gekoeld of bevroren rundvlees van hoge kwaliteit, zoals bedoeld in artikel 2, onder f), van Verordening (EG) nr. 936/97, wordt in haar geheel ingewilligd.

2.   Aanvragen om certificaten kunnen overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 936/97 gedurende de eerste vijf dagen van de maand maart 2005 voor 7 727,175 t worden ingediend.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 11 februari 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 9 februari 2005.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 21. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 (PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1).

(2)  PB L 137 van 28.5.1997, blz. 10. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1118/2004 (PB L 217 van 17.6.2004, blz. 10).


II Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

Europees Parlement Raad Commissie Hof van Justitie Rekenkamer Europees Economisch en Sociaal Comité Comité van de Regio's Europese Ombudsman

10.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 37/14


BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, DE COMMISSIE, HET HOF VAN JUSTITIE, DE REKENKAMER, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ, HET COMITÉ VAN DE REGIO'S EN DE EUROPESE OMBUDSMAN

van 26 januari 2005

tot oprichting van de Europese Bestuursschool

(2005/118/EG)

HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, HET HOF VAN JUSTITIE, DE REKENKAMER, HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ, HET COMITÉ VAN DE REGIO'S EN DE EUROPESE OMBUDSMAN,

Gelet op het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, vastgesteld bij Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad (1), en met name op artikel 2, lid 2, van het Statuut,

Na raadpleging van het Comité voor het statuut,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De instellingen moeten meer investeren in de bij- en nascholing van hun personeel.

(2)

Meer interinstitutionele samenwerking op dit gebied zal synergieën tot stand brengen op het niveau van de vereiste menselijke en financiële hulpbronnen, en zal de uitwisselingen tussen de instellingen en de verspreiding van gemeenschappelijke waarden en geharmoniseerde beroepspraktijken versterken.

(3)

In dit verband is het dienstig de middelen voor bepaalde bij- en nascholingsactiviteiten voor ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen aan een gemeenschappelijk interinstitutioneel orgaan toe te vertrouwen.

(4)

Met het oog op een zuiniger en efficiënter gebruik van de middelen moet dit gemeenschappelijk interinstitutioneel orgaan ten minste gedurende de aanloopperiode administratief worden gekoppeld aan een bestaand interinstitutioneel orgaan, namelijk het Bureau voor personeelsselectie van de Europese Gemeenschappen, dat is opgericht bij Besluit 2002/620/EG van het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, het Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's en de Europese Ombudsman (2),

BESLUITEN:

Artikel 1

Oprichting van de Europese Bestuursschool

Er wordt een Europese Bestuursschool opgericht, hierna „school” te noemen.

Artikel 2

Taken

1.   De school moet, voor rekening van de instellingen die dit besluit ondertekenen (hierna „de instellingen” te noemen) en in het kader van de door deze instellingen vastgestelde richtsnoeren, bepaalde bij- en nascholingsactiviteiten organiseren met het oog op de ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen en op het verloop van hun loopbaan.

2.   Naar gelang van de verzoeken die de school van de instellingen ontvangt:

a)

ontwerpt, organiseert en evalueert zij opleidingsacties;

b)

vergemakkelijkt zij de deelname aan externe opleidingsacties;

c)

kan zij taken vervullen die met haar opdracht verband houden of die ondersteunen.

3.   De secretarissen-generaal van de instellingen, de griffier van het Hof van Justitie en de vertegenwoordiger van de Europese Ombudsman bepalen welke opleidingsgebieden tot de opdracht van de school behoren, en kunnen die gebieden zo nodig wijzigen.

4.   Op aanvraag van een instelling, een orgaan, een bureau of een agentschap kan de school tegen betaling bijstand bieden op het gebied van de opleidingsengineering.

Artikel 3

Verzoeken en klachten, beroep

Verzoeken en klachten met betrekking tot de in artikel 2, lid 2, bedoelde taken moeten bij de school worden ingediend. Beroepen op dit gebied worden bij de Commissie ingediend.

Artikel 4

Koppeling

1.   De school wordt administratief gekoppeld aan het Bureau voor personeelsselectie van de Europese Gemeenschappen, hierna het „Bureau” te noemen.

2.   De koppeling houdt met name in dat:

de raad van bestuur van het Bureau de functies van de raad van bestuur van de school uitoefent;

de directeur van de school de directeur van het Bureau is;

het personeel van de school ambten bekleedt die voorkomen op de lijst van het aantal ambten van het Bureau;

de ontvangsten en de uitgaven van de school worden opgenomen in de begroting van het Bureau.

3.   Uiterlijk op 15 februari 2008 kan aan deze koppeling een einde worden gemaakt bij een besluit van de raad van bestuur dat wordt genomen met de gekwalificeerde meerderheid als omschreven in artikel 5, lid 6, van Besluit 2002/621/EG van de secretarissen-generaal van het Europees Parlement, van de Raad en van de Commissie, de griffier van het Hof van Justitie, de secretarissen-generaal van de Rekenkamer, van het Economisch en Sociaal Comité en van het Comité van de Regio's, en de vertegenwoordiger van de Europese Ombudsman (3), voorzover ten minste vijf van de ondertekenende instellingen daar positief tegenover staan.

Artikel 5

Tenuitvoerlegging

De secretarissen-generaal van het Europees Parlement, van de Raad en van de Commissie, de griffier van het Hof van Justitie, de secretarissen-generaal van de Rekenkamer, van het Economisch en Sociaal Comité en van het Comité van de Regio's, en de vertegenwoordiger van de Europese Ombudsman stellen in onderlinge overeenstemming de maatregelen vast die voor de tenuitvoerlegging van dit besluit moeten worden genomen.

Artikel 6

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 26 januari 2005.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Josep BORRELL FONTELLES

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO

Voor de Rekenkamer

De voorzitter

Hubert WEBER

Voor het Comité van de Regio's

De voorzitter

Peter STRAUB

Voor de Raad

De voorzitter

Jean ASSELBORN

Voor het Hof van Justitie

De voorzitter

Vassilios SKOURIS

Voor het Economisch en Sociaal Comité

De voorzitter

Anne-Marie SIGMUND

De Europese Ombudsman

Nikiforos DIAMANDOUROS


(1)  PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 31/2005 (PB L 8 van 12.1.2005, blz. 1).

(2)  PB L 197 van 26.7.2002, blz. 53.

(3)  PB L 197 van 26.7.2002, blz. 56.


10.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 37/17


BESLUIT VAN DE SECRETARISSEN-GENERAAL VAN HET EUROPEES PARLEMENT, VAN DE RAAD EN VAN DE COMMISSIE, DE GRIFFIER VAN HET HOF VAN JUSTITIE, DE SECRETARISSEN-GENERAAL VAN DE REKENKAMER, VAN HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN VAN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S, EN DE VERTEGENWOORDIGER VAN DE EUROPESE OMBUDSMAN

van 26 januari 2005

betreffende de organisatie en de werking van de Europese Bestuursschool

(2005/119/EG)

DE SECRETARISSEN-GENERAAL VAN HET EUROPEES PARLEMENT, VAN DE RAAD EN VAN DE COMMISSIE, DE GRIFFIER VAN HET HOF VAN JUSTITIE, DE SECRETARISSEN-GENERAAL VAN DE REKENKAMER, VAN HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN VAN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S, EN DE VERTEGENWOORDIGER VAN DE EUROPESE OMBUDSMAN,

Gelet op het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en op de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, vastgesteld bij Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad (1),

Gelet op Besluit 2005/118/EG van het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, het Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's en de Europese Ombudsman van 26 januari 2005 tot oprichting van de Europese Bestuursschool (2), en met name op artikel 5,

Na raadpleging van het Comité voor het statuut,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De interinstitutionele samenwerking inzake opleiding moet worden versterkt, met name met het oog op het doorgeven van de gemeenschappelijke waarden van de communautaire instellingen. Een dergelijke samenwerking is een niet te verwaarlozen meerwaarde, vooral wat betreft de toegang tot de opleiding, de uitbreiding van het aanbod en de verlaging van de kosten per eenheid.

(2)

Volgens het beginsel van goed beheer moet bij de oprichting van de Europese Bestuursschool, hierna „de school” te noemen, geleidelijk tewerk worden gegaan.

(3)

Op grond van het besluit tot oprichting van de school is het aan de secretarissen-generaal, de griffier van het Hof van Justitie en de vertegenwoordiger van de Europese Ombudsman om te bepalen met welke domeinen van de opleiding de school kan worden belast.

(4)

Als een ondertekenende instelling een personeelsbeleid voert in het kader waarvan een specifieke opleiding nodig is waarvan de organisatie aan de school wordt opgedragen, moet, om dit beleid te vergemakkelijken, worden gewaarborgd dat een minimumaantal deelnemers uit die instelling aan de door de school georganiseerde cursussen kan deelnemen, met name in de gevallen waarin een dergelijke opleiding verplicht is of een voorwaarde vormt voor het vervullen van bepaalde functies, vooral managementfuncties.

(5)

Zoals elke andere opleidingsinstelling moet de school proberen voordeel te halen uit samenwerking, via netwerkvorming, op Europees niveau.

(6)

Er moeten bepalingen worden vastgesteld voor de administratieve koppeling van de school aan het Bureau voor personeelsselectie van de Europese Gemeenschappen, als vastgesteld in artikel 4 van het besluit tot oprichting van de school,

BESLUITEN:

Artikel 1

Taken van de Europese Bestuursschool

1.   De Europese Bestuursschool, hierna „de school” te noemen, ontwerpt, organiseert en evalueert voor rekening van de instellingen die het besluit tot oprichting van de school hebben ondertekend (hierna „de instellingen” te noemen), de volgende opleidingen:

a)

de managementcursussen voor ambtenaren en andere personeelsleden die reeds kaderfuncties vervullen of in de toekomst wellicht zullen moeten vervullen;

b)

de introductiecursussen voor nieuwe personeelsleden;

c)

de verplichte opleiding voor de overgang tussen de functiegroepen als omschreven in artikel 45 bis van het statuut.

2.   Met betrekking tot de in lid 1, onder a) en b), bedoelde management- en introductiecursussen kan elke instelling naar gelang van haar specifieke behoeften eigen cursussen organiseren die de door de school georganiseerde cursussen aanvullen. De organisatie van de in lid 1, onder c), bedoelde opleiding komt uitsluitend toe aan de school.

Artikel 2

Verantwoordelijkheid van de instellingen

1.   Het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling stelt, volgens de door de raad van bestuur overeenkomstig artikel 7, onder g), vastgestelde bepalingen, een voldoende aantal ambtenaren-sprekers ter beschikking van de school.

2.   Op verzoek van de school stellen de instellingen, voorzover dit mogelijk is, de school cursuslokalen ter beschikking volgens door de raad van bestuur vastgestelde bepalingen.

Artikel 3

Overige dienstverlening

1.   Op basis van een schriftelijk akkoord tussen de directeur van de school en een van de daarom verzoekende communautaire organen, bureaus of agentschappen kan de school deelnemers van dat orgaan, bureau of agentschap toelaten tot de cursussen die zij voor rekening van de instellingen organiseert, voorzover er nog plaatsen beschikbaar zijn.

2.   In het specifieke geval van de in artikel 1, lid 1, onder c), bedoelde opleiding wordt jaarlijks, rekening houdend met de gedeclareerde behoeften, een bepaald aantal plaatsen voorbehouden voor de communautaire organen, bureaus en agentschappen, om de daar aangestelde ambtenaren een gelijke behandeling te garanderen ten aanzien van de bepalingen van artikel 45 bis van het statuut. Het aantal plaatsen en de deelname in de kosten worden elk jaar door de raad van bestuur vastgesteld.

3.   Op basis van een schriftelijk akkoord kan de school in haar opleidingsprogramma cursussen opnemen die door een communautair orgaan, bureau of agentschap worden aangevraagd, op voorwaarde dat deze activiteit de organisatie van de cursussen voor de instellingen niet in het gedrang brengt. Elk dergelijk akkoord moet bepalingen bevatten over de financiering van de door de school geleverde diensten en kan pas in werking treden nadat het door de raad van bestuur is goedgekeurd.

4.   In voorkomend geval kan de school op verzoek van een instelling of een communautair orgaan, bureau of agentschap bijstand verlenen op het gebied van opleidingsengineering of in de vorm van andere activiteiten die met haar werkgebied verband houden, als daarover een akkoord met de directeur van de school wordt gesloten waarin bepalingen inzake de financiering van deze prestatie zijn opgenomen.

Artikel 4

Klachten en verzoeken

1.   Voor alle verzoeken of klachten die verband houden met de werkzaamheden van de school, oefent de directeur van de school de bevoegdheden uit die krachtens artikel 90 van het statuut aan het tot aanstelling bevoegde gezag toekomen.

2.   Wanneer de directeur van de school een besluit waartegen een klacht is ingediend, wenst te bevestigen, moet hij eerst de voorzitter van de raad van bestuur raadplegen.

3.   Verzoeken van de Europese Ombudsman betreffende aangelegenheden die krachtens dit besluit onder de bevoegdheid van de school vallen, worden door de school behandeld.

Artikel 5

Organisatie van de activiteiten

1.   In de regel worden de door de school georganiseerde cursussen zowel in Brussel als in Luxemburg gegeven. Andere standplaatsen kunnen in aanmerking worden genomen voorzover het beginsel van gezond beheer wordt toegepast.

2.   De raad van bestuur ziet erop toe dat het personeel van de verschillende instellingen op evenwichtige wijze toegang tot de cursussen krijgt. Hij ziet er met name op toe dat de school voldoende mogelijkheden tot deelname biedt voor personeelsleden van een instelling waarin een specifieke opleiding, waarvan de organisatie aan de school wordt opgedragen, verplicht is of een voorwaarde vormt voor het vervullen van bepaalde functies, vooral managementfuncties. De belanghebbende instelling deelt via het jaarlijks werkprogramma haar behoeften op deze gebieden mee. Bij de opstelling van het werkprogramma van de school wordt voorrang gegeven aan de organisatie van dergelijke cursussen.

3.   Een ondertekenende instelling kan, om het hoofd te bieden aan specifieke, tijdelijke situaties, de school vragen een aantal deelnemers toe te laten dat groter is dan het quotum dat haar toekomt op basis van haar aandeel in het aantal personeelsleden, op voorwaarde dat overeenkomstige begrotingsmiddelen aan de school worden overgedragen. Artikel 3, lid 2, is van toepassing.

4.   De school kan een samenwerking aangaan met andere bestuursscholen, instituten of universiteiten die op hetzelfde gebied werkzaam zijn. Deze samenwerking kan onder meer bestaan uit onderlinge uitwisselingen.

Artikel 6

Raad van bestuur

In de periode waarin de school gekoppeld is aan het Bureau voor personeelsselectie van de Europese Gemeenschappen, hierna „het Bureau” te noemen, wordt de functie van raad van bestuur van de school door de raad van bestuur van het Bureau waargenomen overeenkomstig artikel 5 van Besluit 2002/621/EG van de secretarissen-generaal van het Europees Parlement, van de Raad en van de Commissie, de griffier van het Hof van Justitie, de secretarissen-generaal van de Rekenkamer, van het Europees Economisch en Sociaal Comité en van het Comité van de Regio's, en de vertegenwoordiger van de Europese Ombudsman (3).

Artikel 7

Taken van de raad van bestuur

Met inachtneming van het algemeen belang van de instellingen vervult de raad van bestuur de volgende taken:

a)

hij keurt bij gekwalificeerde meerderheid de werkingsregels van de school goed;

b)

hij keurt bij gewone meerderheid de organisatiestructuur van de school goed, op voorstel van de directeur van de school;

c)

in het kader van de begrotingsprocedure stelt hij een raming op van de ontvangsten en de uitgaven van de school, op basis van een ontwerp van de directeur van de school; deze raming wordt bij gewone meerderheid aangenomen en aan de Commissie medegedeeld met het oog op de opstelling van de raming van de ontvangsten en de uitgaven van de Commissie; bij die gelegenheid stelt hij de Commissie tevens eventuele aanpassingen van het aantal ambten van de school voor;

d)

bij gewone meerderheid bepaalt hij welke aanvullende diensten de school onder bezwarende titel voor de instellingen, de organen en de agentschappen kan verrichten en onder welke voorwaarden en tegen welke vergoeding dat mag gebeuren;

e)

met eenparigheid van stemmen keurt hij het werkprogramma goed, op basis van een voorstel van de directeur van de school. In dat werkprogramma zijn tevens de diensten opgenomen die niet direct verband houden met de opleiding;

f)

op basis van een door de directeur van de school voorgelegd ontwerp keurt hij bij gekwalificeerde meerderheid een jaarlijks beheersverslag goed over alle uitgaven- en ontvangstenposten betreffende de door de school verrichte werkzaamheden en diensten. Ieder jaar zendt hij de instellingen vóór 1 mei het verslag over het vorige begrotingsjaar toe, dat op de analytische boekhouding is gebaseerd;

g)

op basis van de opleidingsbehoeften bepaalt hij bij gekwalificeerde meerderheid het aantal ambtenaren-sprekers dat door de diverse instellingen ter beschikking van de school moet worden gesteld.

Artikel 8

Benoeming van het personeel

1.   In de periode waarin de school aan het Bureau gekoppeld is, neemt de directeur van het Bureau de functie van directeur van de school waar.

2.   De directeur van de school treedt op als tot aanstelling bevoegde gezag voor het personeel van de school.

3.   De directeur van de school stelt de raad van bestuur in kennis van alle aanstellingen en bevorderingen, van de ondertekening van contracten, en van de inleiding van tuchtprocedures die de ambtenaren en de andere personeelsleden betreffen.

4.   Telkens wanneer het tot aanstelling bevoegde gezag besluit in een vacante post bij de school te voorzien, wordt de vacature ter kennis gebracht van de ambtenaren van alle instellingen van de Gemeenschappen.

5.   Voor de uitvoering van als niet-essentieel aangemerkte taken kan de school een beroep doen op contractanten overeenkomstig artikel 3 bis, lid 1, onder c), van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 9

Taken van de directeur van de school en personeelsbeheer

1.   De directeur is verantwoordelijk voor de goede werking van de school. Hij handelt onder het gezag van de raad van bestuur, binnen het kader van diens bevoegdheden. Hij zorgt voor het secretariaat van de raad van bestuur, legt verantwoording af bij de raad van bestuur over de uitvoering van zijn functie en dient de raad van bestuur van advies met het oog op de goede werking van de school.

2.   Voor het dagelijks personeelsbeheer gelden dezelfde administratieve procedures als voor de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Commissie, met name wat betreft bezoldiging en verlof, ziektekosten, ongevallen en pensioen. De school kan met de Commissie overeenkomen ook regelingen op andere gebieden tot het personeel van de school uit te breiden.

Artikel 10

Het schoolhoofd

1.   Voor de periode waarin de school aan het Bureau gekoppeld is, benoemt de Commissie een schoolhoofd, nadat de raad van bestuur van het Bureau bij gewone meerderheid een gunstig advies heeft gegeven. De raad van bestuur wordt ook nauw betrokken bij de procedures die aan de benoeming van het schoolhoofd voorafgaan, met name wat betreft het opstellen van de kennisgeving van de vacature en het onderzoek van de sollicitaties.

2.   Het schoolhoofd is, onder het gezag van de directeur, verantwoordelijk voor de uitvoering van de taken die zijn omschreven in artikel 2 van het besluit tot oprichting van de Europese Bestuursschool. Hij neemt aan de vergaderingen van de raad van bestuur deel voor de bespreking van de onder zijn bevoegdheden vallende punten.

Artikel 11

Financiële aspecten

1.   Het totaalbedrag van de aan de school toegewezen kredieten is opgenomen in een speciaal begrotingsonderdeel binnen de afdeling „Commissie” van de begroting; de bestemming van deze kredieten is gespecificeerd in een bijlage bij die afdeling. Deze bijlage heeft de vorm van een staat van ontvangsten en uitgaven die op dezelfde wijze is onderverdeeld als de begrotingsafdelingen.

2.   De lijst van het aantal ambten van de school vormt een bijlage bij de lijst van het aantal ambten van de Commissie.

3.   Op basis van een voorstel van de raad van bestuur delegeert de Commissie de ordonnateursbevoegdheden met betrekking tot de aan de school toegewezen kredieten aan de directeur van de school, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die zij zelf vaststelt. Wat betreft de dienstprestaties die de school onder bezwarende titel verricht, stelt de raad van bestuur de begrotingsautoriteit aan het einde van ieder begrotingsjaar in kennis van de uitsplitsing van de bedragen die daarvoor zijn ontvangen en in het begrotingsonderdeel van de bijlage zijn opgevoerd.

4.   De begroting van de school wordt opgesteld en uitgevoerd overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad (4).

5.   In de periode waarin de school aan het Bureau gekoppeld is, worden de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde financiële bepalingen, en met name die inzake de aan de school toegewezen kredieten en ambten, behandeld in het kader van de begroting van het Bureau. De op die begroting betrekking hebbende bepalingen zijn van toepassing. Met inachtneming van de begrotingsvoorschriften worden, om de voor de school bestemde middelen gemakkelijker te kunnen identificeren, de ambten van de school opgenomen in een afzonderlijk onderdeel van de lijst van het aantal ambten van het Bureau, en de beleidskredieten voor de school in een afzonderlijk artikel in bijlage IV.

Artikel 12

Herziening van de taken

1.   Dit besluit wordt, wat de in artikel 1, lid 1, bedoelde taken betreft, op zijn vroegst drie jaar na de oprichting van de school opnieuw bezien.

2.   Een herziening van de taken is slechts mogelijk als de secretarissen-generaal, de griffier van het Hof van Justitie en de vertegenwoordiger van de Europese Ombudsman zich met eenparigheid van stemmen akkoord verklaren met een voorstel dat door de raad van bestuur op basis van een gedetailleerd verslag van de directeur is goedgekeurd met de gekwalificeerde meerderheid als omschreven in artikel 5, lid 6, van Besluit 2002/621/EG.

Artikel 13

Herziening van de koppeling aan het Bureau

1.   Uiterlijk aan het einde van het derde activiteitenjaar van de school stelt de directeur van het Bureau ter attentie van de raad van bestuur een gedetailleerd verslag op over de administratieve koppeling van de school aan het Bureau. De raad van bestuur moet aan deze koppeling een einde maken bij een overeenkomstig artikel 4, lid 3, van het besluit tot oprichting van de school genomen besluit. Als de raad van bestuur besluit de koppeling voort te zetten, moet dit besluit vergezeld gaan van een met redenen omkleed advies.

2.   Als de raad van bestuur op grond van de in lid 1 bedoelde procedure besluit de koppeling voort te zetten, moet hij in zijn besluit de termijn vermelden waarin hij deze kwestie opnieuw zal onderzoeken.

Artikel 14

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 26 januari 2005.

Voor het Europees Parlement

De secretaris-generaal

Julian PRIESTLEY

Voor de Commissie

De secretaris-generaal

David O’SULLIVAN

Voor de Rekenkamer

De secretaris-generaal

Michel HERVÉ

Voor het Comité van de Regio's

De secretaris-generaal

Gerhard STAHL

Voor de Raad

De adjunct-secretaris-generaal

Pierre DE BOISSIEU

Voor het Hof van Justitie

De griffier

Roger GRASS

Voor het Economisch en Sociaal Comité

De secretaris-generaal

Patrick VENTURINI

De Europese Ombudsman

Nikiforos DIAMANDOUROS


(1)  PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 31/2005 (PB L 8 van 12.1.2005, blz. 1).

(2)  Zie bladzijde 14 van dit Publicatieblad.

(3)  PB L 197 van 26.7.2002, blz. 56.

(4)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.


Rectificaties

10.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 37/21


Rectificatie van Verordening (EG) nr. 63/2005 van de Commissie van 14 januari 2005 betreffende de afgifte van certificaten voor de invoer van knoflook voor het kwartaal van 1 maart tot en met 31 mei 2005

( Publicatieblad van de Europese Unie L 13 van 15 januari 2005 )

Bladzijde 20, bijlage II, kolom „Argentinië”, laatste regel:

in plaats van:

„11.4.2005”

te lezen:

„4.4.2005”.


10.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 37/22


Rectificatie van Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers

( Publicatieblad van de Europese Unie L 141 van 30 april 2004 )

Op bladzijde 26, artikel 3, lid 1, eerste alinea:

in plaats van:

„Onverminderd de uitzonderingen waarin artikel 5, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 voorziet, zorgt de lidstaat overeenkomstig de eerste alinea van dat lid voor de handhaving van het aandeel van het blijvend grasland in de totale oppervlakte landbouwgrond zoals gedefinieerd in artikel 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 796/2004. Deze verplichting geldt op nationaal of regionaal niveau.”,

te lezen:

„Onverminderd de uitzonderingen waarin artikel 5, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 voorziet, zorgt de lidstaat overeenkomstig de eerste alinea van dat lid voor de handhaving van het aandeel van het blijvend grasland in de totale oppervlakte landbouwgrond zoals gedefinieerd in artikel 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 795/2004 van de Commissie (1). Deze verplichting geldt op nationaal of regionaal niveau.”

Op bladzijde 29, artikel 11, lid 1, tweede alinea, eerste zin:

in plaats van:

„Een landbouwer die geen steun aanvraagt in het kader van welke van de oppervlaktegebonden steunregelingen dan ook, maar steun aanvraagt in het kader van een andere in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 genoemde steunregeling, moet in het geval dat hij beschikt over landbouwgrond zoals gedefinieerd in artikel 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 796/2004, een verzamelaanvraag indienen en de betrokken oppervlakten daarin opgeven overeenkomstig artikel 14.”,

te lezen:

„Een landbouwer die geen steun aanvraagt in het kader van welke van de oppervlaktegebonden steunregelingen dan ook, maar steun aanvraagt in het kader van een andere in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 genoemde steunregeling, moet in het geval dat hij beschikt over landbouwgrond zoals gedefinieerd in artikel 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 795/2004, een verzamelaanvraag indienen en de betrokken oppervlakten daarin opgeven overeenkomstig artikel 14 van deze verordening..”.

Op bladzijde 39, artikel 35, lid 2, tweede alinea, eerste zin:

in plaats van:

„De onder b), vierde streepje, bedoelde controles worden individueel verricht voor elk afzonderlijk nog in het kader van de aanhoudverplichting gehouden mannelijk rund waarvoor een andere aanvraag om de speciale rundvleespremie is ingediend dan een aanvraag op grond van artikel 123, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1782/2003.”,

te lezen:

„De onder het vierde streepje, bedoelde controles worden individueel verricht voor elk afzonderlijk nog in het kader van de aanhoudverplichting gehouden mannelijk rund waarvoor een andere aanvraag om de speciale rundvleespremie is ingediend dan een aanvraag op grond van artikel 123, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1782/2003.”

Op bladzijde 47, na artikel 63:

in plaats van:

„Afdeling I”,

te lezen:

„Afdeling III”.


(1)  PB L 141 van 30.4.2004, blz. 1.