ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 29

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

48e jaargang
2 februari 2005


Inhoud

 

I   Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

Bladzijde

 

*

Verordening (EG) nr. 172/2005 van de Raad van 18 januari 2005 betreffende de sluiting van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling inzake de verlenging, voor de periode van 28 februari 2004 tot en met 31 december 2004, van het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie, als bedoeld in de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Islamitische Bondsrepubliek der Comoren inzake de visserij voor de kust van de Comoren

1

 

*

Verordening (EG) nr. 173/2005 van de Raad van 24 januari 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1260/1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen, met betrekking tot de verlenging van de duur van het Peace-programma en de toekenning van nieuwe vastleggingskredieten

3

 

*

Verordening (EG) nr. 174/2005 van de Raad van 31 januari 2005 tot instelling van beperkingen op het leveren van bijstand in verband met militaire activiteiten aan Ivoorkust

5

 

 

Verordening (EG) nr. 175/2005 van de Commissie van 1 februari 2005 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

16

 

 

Verordening (EG) nr. 176/2005 van de Commissie van 1 februari 2005 tot vaststelling van de communautaire producenten- en invoerprijzen voor anjers en rozen met het oog op de toepassing van de invoerregeling voor bepaalde producten van de bloementeelt van oorsprong uit Cyprus, Israël, Jordanië en Marokko alsmede de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook

18

 

 

II   Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

 

 

Raad

 

*

2005/76/EG:Besluit van de Raad van 22 november 2004 betreffende de ondertekening namens de Europese Gemeenschap en de voorlopige toepassing van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling inzake de verlenging, voor de periode van 28 februari 2004 tot en met 31 december 2004, van het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie, als bedoeld in de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Islamitische Bondsrepubliek der Comoren inzake de visserij voor de kust van de Comoren

20

Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling inzake de verlenging, voor de periode van 28 februari 2004 tot en met 31 december 2004, van het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie, als bedoeld in de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Islamitische Bondsrepubliek der Comoren inzake de visserij voor de kust van de Comoren

22

 

 

Commissie

 

*

2005/77/EG:Beschikking van de Commissie van 30 maart 2004 inzake de door het Verenigd Koninkrijk ingestelde steunregeling ten behoeve van gekwalificeerde vennootschappen in Gibraltar (Kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 928)  ( 1 )

24

 

*

2005/78/EG, Euratom:Besluit van de Commissie van 1 februari 2005 tot wijziging van Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom

39

 

*

2005/79/EG:Besluit nr. 1/2005 van het Gemengd Comité EG-Zwitserland van 1 februari 2005 tot vervanging van de tabellen III en IV b) van Protocol nr. 2

42

 

 

Besluiten aangenomen krachtens titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie

 

*

Gemeenschappelijk Standpunt 2005/80/GBVB van de Raad van 31 januari 2005 tot uitbreiding en wijziging van Gemeenschappelijk Standpunt 2004/133/GBVB betreffende restrictieve maatregelen tegen extremisten in de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (FYROM)

45

 

*

Besluit 2005/81/GBVB van de Raad van 31 januari 2005 tot verlenging van het mandaat van het hoofd van de missie/de directeur van politie van de Politiemissie van de Europese Unie (EUPM) in Bosnië en Herzegovina

48

 

*

Gemeenschappelijk Standpunt 2005/82/GBVB van de Raad van 31 januari 2005 houdende intrekking van de Gemeenschappelijke Standpunten van de Raad 2002/401/GBVB betreffende Nigeria, 2002/495/GBVB betreffende Angola, 2002/830/GBVB betreffende Rwanda en 2003/319/GBVB betreffende de staakt-het-vuren-overeenkomst van Lusaka en het vredesproces in de Democratische Republiek Congo

49

 

*

Besluit 2005/83/GBVB van de Raad van 31 januari 2005 betreffende de uitvoering van Gemeenschappelijk Standpunt 2004/293/GBVB tot verlenging van de maatregelen ter ondersteuning van de daadwerkelijke uitvoering van het mandaat van het Internationaal oorlogstribunaal voor het voormalige Joegoslavië (ICTY)

50

 

 

Rectificaties

 

 

Rectificatie van Verordening (EG) nr. 103/2005 van de Commissie van 21 januari 2005 met betrekking tot de opening van een permanente openbare inschrijving voor verkoop op de interne markt van padie die in het bezit is van het Griekse interventiebureau (PB L 20 van 22.1.2005)

57

 

 

Rectificatie van Verordening (EG) nr. 165/2005 van de Commissie van 31 januari 2005 tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 1 februari 2005 (PB L 28 van 1.2.2005)

57

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

2.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/1


VERORDENING (EG) Nr. 172/2005 VAN DE RAAD

van 18 januari 2005

betreffende de sluiting van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling inzake de verlenging, voor de periode van 28 februari 2004 tot en met 31 december 2004, van het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie, als bedoeld in de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Islamitische Bondsrepubliek der Comoren inzake de visserij voor de kust van de Comoren

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37, juncto artikel 300, lid 2 en lid 3, eerste alinea,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Islamitische Bondsrepubliek der Comoren inzake de visserij voor de kust van de Comoren (2) voeren de overeenkomstsluitende partijen vóórdat de geldigheidsduur van het aan de overeenkomst gehechte protocol afloopt, onderhandelingen om in onderlinge overeenstemming de inhoud van het protocol voor de volgende periode te bepalen en, in voorkomend geval, te bepalen welke wijzigingen of aanvullingen in de bijlage moeten worden aangebracht.

(2)

De partijen hebben bij overeenkomst in de vorm van een briefwisseling besloten het huidige protocol, dat is goedgekeurd bij Verordening (EG) nr. 1439/2001 van de Raad (3), te verlengen voor de periode van 28 februari tot en met 31 december 2004, in afwachting dat onderhandelingen worden gevoerd over de in het protocol aan te brengen wijzigingen.

(3)

Het is in het belang van de Gemeenschap die verlenging goed te keuren.

(4)

Het is van belang de in het afgelopen protocol bepaalde sleutel voor de verdeling van de vangstmogelijkheden over de lidstaten te bevestigen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De overeenkomst in de vorm van een briefwisseling inzake de verlenging, voor de periode van 28 februari 2004 tot en met 31 december 2004, van het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie, als bedoeld in de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Islamitische Bondsrepubliek der Comoren inzake de visserij voor de kust van de Comoren, wordt namens de Gemeenschap goedgekeurd.

De tekst van de overeenkomst is aan deze verordening gehecht (4).

Artikel 2

De in het protocol vastgestelde vangstmogelijkheden worden als volgt over de lidstaten verdeeld:

a)

vaartuigen voor de tonijnvisserij met de zegen:

Spanje

:

18 vaartuigen

Frankrijk

:

21 vaartuigen

Italië

:

1 vaartuig

b)

vaartuigen voor de visserij met drijvende beug:

Spanje

:

20 vaartuigen

Portugal

:

5 vaartuigen

Indien met de door deze lidstaten ingediende vergunningaanvragen niet alle in het protocol vastgestelde vangstmogelijkheden worden benut, kan de Commissie vergunningaanvragen van andere lidstaten in aanmerking nemen.

Artikel 3

De lidstaten waarvan vaartuigen in het kader van deze overeenkomst vissen, melden de Commissie de hoeveelheden van elk bestand die in de visserijzone van de Comoren zijn gevangen, overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EG) nr. 500/2001 van de Commissie van 14 maart 2001 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad wat betreft de controle op de vangsten van de vissersvaartuigen van de Gemeenschap in de wateren van derde landen en in volle zee (5).

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 januari 2005.

Voor de Raad

De voorzitter

J.-C. JUNCKER


(1)  Advies uitgebracht op 16 december 2004 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  PB nr. L 137 van 2.6.1988, blz. 19.

(3)  PB nr. L 193 van 17.7.2001, blz. 1.

(4)  Zie bladzijde 22 van dit Publicatieblad.

(5)  PB nr. L 73 van 15.3.2001, blz. 8.


2.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/3


VERORDENING (EG) Nr. 173/2005 VAN DE RAAD

van 24 januari 2005

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1260/1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen, met betrekking tot de verlenging van de duur van het Peace-programma en de toekenning van nieuwe vastleggingskredieten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 161,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien de instemming van het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 7, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen (3) is uit hoofde van doelstelling 1, ten behoeve van Noord-Ierland en de grensgebieden van Ierland, voor een periode van vier jaar van 2000-2004 een programma ter ondersteuning van het vredesproces in Noord-Ierland (Peace) vastgesteld.

(2)

De Europese Raad van Brussel van 17 en 18 juni 2004 heeft de Commissie verzocht te onderzoeken of het mogelijk is om de activiteiten uit hoofde van het Peace-programma en het Internationaal Fonds voor Ierland op één lijn te brengen met die van de andere programma’s van de Structuurfondsen die in 2006 aflopen, en ook de financiële implicaties daarvan te onderzoeken,

(3)

De noodzakelijke consolidatie van het vredesproces in Noord-Ierland, waartoe het Peace-programma tot dusver op oorspronkelijke en wezenlijke wijze heeft bijgedragen, vereist dat de financiële steun van de Gemeenschap aan de betrokken gebieden wordt gehandhaafd en dat het Peace-programma derhalve met twee jaar wordt verlengd.

(4)

Daarom moet Verordening (EG) nr. 1260/1999 zodanig worden gewijzigd dat de uitvoeringsduur van het Peace-programma met twee jaar verlengd wordt, zodat deze samenvalt met de voor de Structuurfondsen vastgestelde programmeringsperiode,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1260/1999 wordt als volgt gewijzigd:

1)

artikel 7, eerste alinea, wordt vervangen door:

„4.   Uit hoofde van doelstelling 1 wordt, ten behoeve van Noord-Ierland en de grensgebieden van Ierland voor de jaren 2000-2006 een Peace-programma vastgesteld ter ondersteuning van het vredesproces in Ierland.”;

2)

bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1260/1999 wordt vervangen door de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 januari 2005.

Voor de Raad

De voorzitter

F. BODEN


(1)  Instemming verleend op 11 januari 2005 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Advies uitgebracht op 16 december 2004 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  PB L 161 van 26.6.1999, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1105/2003 (PB L 158 van 27.6.2003, blz. 3).


BIJLAGE

„BIJLAGE I

STRUCTUURFONDSEN

Jaarlijkse verdeling van de vastleggingskredieten voor de periode 2000-2006

(zoals bedoeld in artikel 7, lid 1)

(in miljoen EUR — prijzen 1999)

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

29 430

28 840

28 250

27 670

27 080

27 120

26 660”


2.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/5


VERORDENING (EG) Nr. 174/2005 VAN DE RAAD

van 31 januari 2005

tot instelling van beperkingen op het leveren van bijstand in verband met militaire activiteiten aan Ivoorkust

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de artikelen 60 en 301,

Gelet op Gemeenschappelijk Standpunt 2004/852/GBVB van de Raad van 13 december 2004 betreffende beperkende maatregelen tegen Ivoorkust (1),

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Resolutie 1572 (2004) van 15 november 2004 heeft de VN-Veiligheidsraad, handelend overeenkomstig hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties, het opnieuw oplaaien van de vijandelijkheden in Ivoorkust en de herhaalde schendingen van het op 3 mei 2003 overeengekomen staakt-het-vuren betreurd en heeft hij besloten bepaalde beperkende maatregelen tegen Ivoorkust in te stellen.

(2)

Gemeenschappelijk Standpunt 2004/852/GBVB voorziet in de uitvoering van de in Resolutie 1572 (2004) van de VN-Veiligheidsraad bedoelde maatregelen, met inbegrip van een verbod op technische bijstand en financiële bijstand die verband houden met militaire activiteiten, en op uitrusting voor binnenlandse repressie.

(3)

Deze maatregel valt binnen het toepassingsgebied van het Verdrag en bijgevolg is er ter voorkoming van concurrentievervalsing communautaire wetgeving noodzakelijk voor de uitvoering ervan voorzover het de Gemeenschap betreft. Voor de toepassing van deze verordening wordt het grondgebied van de Gemeenschap geacht het gehele grondgebied te omvatten van alle lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is, onder de in dat Verdrag bepaalde voorwaarden.

(4)

Willen de maatregelen in deze verordening effectief zijn, dan dient deze verordening op de dag van haar bekendmaking in werking te treden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

„technische bijstand”: elke technische steun in verband met reparaties, ontwikkeling, vervaardiging, assemblage, beproeving, onderhoud of enige andere technische dienst; technische bijstand kan de vorm aannemen van bijvoorbeeld instructies, advies, opleiding, overdracht van praktische kennis of vaardigheden of adviesdiensten, technische bijstand omvat ook mondelinge vormen van bijstand;

2)

„Sanctiecomité”: het comité van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties dat bij punt 14 van Resolutie 1572 (2004) van de VN-Veiligheidsraad is ingesteld.

Artikel 2

Het volgende is verboden:

a)

het direct of indirect aan personen, entiteiten of lichamen in of voor gebruik in Ivoorkust verstrekken, verkopen, leveren of overdragen van technische bijstand die verband houdt met militaire activiteiten;

b)

het direct of indirect aan personen, entiteiten of lichamen in of voor gebruik in Ivoorkust verstrekken van financiering of financiële bijstand die verband houdt met militaire activiteiten, met inbegrip van met name subsidies, leningen en exportkredietverzekering, voor de verkoop, de levering, de overdracht of de uitvoer van wapens en aanverwant materieel, of voor de verstrekking, de verkoop, de levering of de overdracht van aanverwante technische bijstand en andere diensten;

c)

het bewust en opzettelijk deelnemen aan activiteiten die tot doel of tot gevolg hebben direct of indirect de onder a) of b) bedoelde transacties te bevorderen.

Artikel 3

Het volgende is verboden:

a)

het direct of indirect verkopen, leveren, overdragen aan of exporteren naar personen, entiteiten of lichamen in of voor gebruik in Ivoorkust van de in bijlage I genoemde uitrusting die voor binnenlandse repressie zou kunnen worden gebruikt, ongeacht of die uitrusting van oorsprong uit de Gemeenschap is;

b)

het direct of indirect verstrekken, verkopen, leveren of overdragen aan personen, entiteiten of lichamen in of voor gebruik in Ivoorkust van technische bijstand die verband houdt met de onder a) bedoelde uitrusting;

c)

het direct of indirect verstrekken aan personen, entiteiten of lichamen in of voor gebruik in Ivoorkust van financiering of financiële bijstand die verband houdt met de onder a) bedoelde uitrusting;

d)

het bewust en opzettelijk deelnemen aan activiteiten die tot doel of tot gevolg hebben direct of indirect de onder a), b) of c) bedoelde transacties te bevorderen.

Artikel 4

1.   In afwijking van artikel 2 zijn de daarin bedoelde verboden niet van toepassing op:

a)

het verstrekken van technische bijstand, financiering en financiële bijstand die verband houden met wapens en aanverwant materieel, indien deze bijstand of deze diensten uitsluitend bestemd zijn voor ondersteuning van en gebruikmaking door de operatie van de Verenigde Naties in Ivoorkust (UNOCI) en de Franse troepen die de operatie steunen;

b)

het verstrekken van technische bijstand die verband houdt met niet-letale militaire uitrusting die uitsluitend bestemd is voor humanitair gebruik of voor beschermingsdoeleinden, met inbegrip van uitrusting die bestemd is voor crisisbeheersingsoperaties van de EU, de VN, de Afrikaanse Unie en de ECOWAS, indien deze activiteiten vooraf door het Sanctiecomité zijn goedgekeurd;

c)

het verstrekken van financiering en financiële bijstand die verband houden met niet-letale militaire uitrusting die uitsluitend bestemd is voor humanitair gebruik of voor beschermingsdoeleinden, met inbegrip van uitrusting die bestemd is voor crisisbeheersingsoperaties van de EU, de VN, de Afrikaanse Unie en de ECOWAS;

d)

het verstrekken van technische bijstand die verband houdt met wapens en aanverwant materieel die uitsluitend bestemd zijn voor ondersteuning van en gebruikmaking bij het proces van herstructurering van de defensie- en veiligheidstroepen overeenkomstig punt 3, onder f), van de overeenkomst van Linas-Marcoussis, indien deze activiteiten vooraf door het Sanctiecomité zijn goedgekeurd;

e)

het verstrekken van financiering en financiële bijstand die verband houden met wapens en aanverwant materieel die uitsluitend bestemd zijn voor ondersteuning van en gebruikmaking bij het proces van herstructurering van de defensie- en veiligheidstroepen overeenkomstig punt 3, onder f), van de overeenkomst van Linas-Marcoussis;

f)

de verkoop of levering van goederen die tijdelijk naar Ivoorkust worden overgebracht of uitgevoerd voor de troepen van een staat die overeenkomstig het internationaal recht actie onderneemt die uitsluitend en direct is gericht op het faciliteren van de evacuatie van zijn onderdanen en de personen voor wie hij in Ivoorkust consulair verantwoordelijk is, indien deze activiteiten vooraf ter kennis van het Sanctiecomité zijn gebracht.

2.   Voor de in lid 1 bedoelde activiteiten, met inbegrip van activiteiten die door het Sanctiecomité moeten worden goedgekeurd of die aan dit comité ter kennis moeten worden gebracht, wordt toestemming verleend door de in bijlage II vermelde bevoegde instantie van de lidstaat waar de dienstverlener is gevestigd, of van de uitvoerende lidstaat.

3.   Er worden geen vergunningen afgegeven voor activiteiten die reeds hebben plaatsgevonden.

Artikel 5

De artikelen 2 en 3 zijn niet van toepassing op beschermende kleding, met inbegrip van scherfwerende vesten en militaire helmen, die door personeel van de Verenigde Naties, personeel van de Europese Unie, de Gemeenschap of haar lidstaten, vertegenwoordigers van de media, medewerkers van humanitaire organisaties, ontwikkelingswerkers en aanverwant personeel uitsluitend voor persoonlijk gebruik tijdelijk naar Ivoorkust wordt uitgevoerd.

Artikel 6

De Commissie en de lidstaten stellen elkaar onverwijld in kennis van de krachtens deze verordening getroffen maatregelen en wisselen onderling alle andere voor deze verordening relevante informatie waarover zij beschikken uit, met name betreffende inbreuken, handhavingsproblemen en uitspraken van nationale rechtbanken.

Artikel 7

De Commissie wordt gemachtigd om bijlage II te wijzigen op basis van door de lidstaten verstrekte informatie.

Artikel 8

De lidstaten stellen regels vast met betrekking tot de sancties die van toepassing zijn op schendingen van de bepalingen van deze verordening, en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze worden geïmplementeerd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld na de inwerkingtreding van deze verordening in kennis van deze regels, en stellen haar in kennis van alle latere wijzigingen

Artikel 9

Deze verordening is van toepassing:

a)

op het grondgebied van de Gemeenschap, met inbegrip van haar luchtruim;

b)

aan boord van vlieg- of vaartuigen die onder de jurisdictie van een lidstaat vallen;

c)

op alle zich op het grondgebied of buiten het grondgebied van de Gemeenschap bevindende personen die onderdaan van een lidstaat zijn;

d)

op alle volgens het recht van een lidstaat erkende of opgerichte rechtspersonen, entiteiten of lichamen;

e)

op alle rechtspersonen, entiteiten of lichamen die commercieel actief zijn in de Gemeenschap.

Artikel 10

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 31 januari 2005.

Voor de Raad

De voorzitter

J. ASSELBORN


(1)  PB L 368 van 15.12.2004, blz. 50.


BIJLAGE I

Lijst van uitrusting die voor binnenlandse repressie kan worden gebruikt, als bedoeld in artikel 3

Deze lijst bevat geen artikelen die speciaal voor militair gebruik zijn ontworpen of aangepast.

1.

Kogelbestendige helmen, helmen voor oproerbeheersing, schilden voor oproerbeheersing en kogelbestendige schilden, alsmede speciaal hiervoor ontworpen onderdelen.

2.

Speciaal ontworpen vingerafdrukkenapparatuur.

3.

Elektrisch bediende zoeklichten.

4.

Kogelbestendig constructiematerieel.

5.

Jachtmessen.

6.

Speciaal ontworpen materieel voor het vervaardigen van jachtgeweren.

7.

Handlaaduitrusting voor munitie.

8.

Uitrusting voor het onderscheppen van berichten.

9.

Optische halfgeleiderdetectoren.

10.

Beeldversterkerbuizen.

11.

Telescopische vuurwapenvizieren.

12.

Wapens met gladde loop en bijbehorende munitie, voorzover niet speciaal ontworpen voor militair gebruik, alsook speciaal daarvoor ontworpen onderdelen, met uitzondering van:

seinpistolen;

luchtdruk- of patroongeweren die ontworpen zijn als industriegereedschap of voor het op humane wijze verdoven van dieren.

13.

Simulatieapparatuur voor opleiding in het gebruik van vuurwapens en speciaal daarvoor ontworpen of aangepaste onderdelen en toebehoren.

14.

Bommen en granaten, voorzover niet speciaal ontworpen voor militair gebruik, en speciaal daarvoor ontworpen onderdelen.

15.

Lichaamspantsering, voorzover niet vervaardigd volgens militaire normen of specificaties, en speciaal daarvoor ontworpen onderdelen.

16.

Op alle wielen aangedreven, niet-weggebonden bedrijfsvoertuigen, vervaardigd met of voorzien van bescherming tegen kogels, alsmede profielpantsering voor dergelijke voertuigen.

17.

Waterkanonnen en speciaal daarvoor ontworpen of aangepaste onderdelen.

18.

Voertuigen uitgerust met een waterkanon.

19.

Voertuigen die speciaal zijn ontworpen of aangepast om door middel van stroomstoten indringers af te weren, en onderdelen daarvoor die speciaal voor dat doel zijn ontworpen of aangepast.

20.

Geluidsapparaten die door de fabrikant of de leverancier worden omschreven als geschikt voor oproerbeheersing, en speciaal daarvoor ontworpen onderdelen.

21.

Voetboeien, groeps- en individuele kluisters en stroomgordels die speciaal zijn ontworpen voor het in hun bewegingen beperken van mensen, met uitzondering van handboeien waarvan de totale maximumafmeting, met inbegrip van de ketting, indien gesloten, ten hoogste 240 mm bedraagt.

22.

Draagbare toestellen die ontworpen of aangepast zijn voor oproerbeheersing of zelfbescherming door toediening van een stof die mensen tijdelijk kan uitschakelen (zoals traangas of peperspray), alsmede speciaal daarvoor ontworpen onderdelen.

23.

Draagbare toestellen die ontworpen of aangepast zijn voor oproerbeheersing of zelfbescherming door toediening van elektrische schokken (met inbegrip van stroomstokken, stroomschilden, verdovingsgeweren en geweren voor het afvuren van schokpijltjes (tasers)), alsmede onderdelen daarvoor die speciaal voor dat doel ontworpen of aangepast zijn.

24.

Elektronische uitrusting voor het opsporen van verborgen explosieven en speciaal daarvoor ontworpen onderdelen; met uitzondering van inspectieapparatuur waarbij gebruik wordt gemaakt van tv-apparatuur of röntgenstraling.

25.

Elektronische storingsuitrusting die speciaal ontworpen is ter voorkoming van het door middel van radiosignalen op afstand doen exploderen van geïmproviseerde explosiemiddelen alsmede speciaal daarvoor ontworpen onderdelen.

26.

Uitrusting en toestellen die speciaal ontworpen zijn voor het al dan niet elektrisch inleiden van explosies, met inbegrip van ontstekingstoestellen, detonatoren, ontstekers, „boosters” en slagkoord, alsmede speciaal daarvoor ontworpen onderdelen, met uitzondering van uitrusting en toestellen die speciaal ontworpen zijn voor een specifiek commercieel gebruik, zijnde het door detonatie in werking stellen of doen functioneren van andere uitrusting of toestellen die niet het veroorzaken van explosies tot functie hebben (bijvoorbeeld toestellen voor het opblazen van airbags, piekstroombegrenzers of toestellen voor het in werking stellen van sprinklerinstallaties).

27.

Uitrusting en toestellen ontworpen voor het opruimen van explosieven, met uitzondering van:

bomdempers;

containers ontworpen voor het omhullen van voorwerpen waarvan bekend is of vermoed wordt dat het geïmproviseerde explosiemiddelen zijn.

28.

Nachtzicht- en thermische beeldvormingsapparatuur alsmede beeldversterkerbuizen of halfgeleidersensoren daarvoor;

29.

Ladingen voor directionele explosies;

30.

De volgende explosieven en aanverwante stoffen:

amatol,

nitrocellulose (met een stikstofgehalte van meer dan 12,5%),

nitroglycol,

penta-erythritol tetranitraat (PETN),

picrylchloride,

trinitrofenylmethylnitramine (tetryl),

2,4,6-trinitrotolueen (TNT).

31.

De voor alle opgesomde goederen speciaal ontworpen software en vereiste technologie.


BIJLAGE II

LIJST VAN BEVOEGDE AUTORITEITEN BEDOELD IN ARTIKEL 4

BELGIË

Federale overheidsdienst Economie, KMO's, Middenstand en Economie

Economisch Potentieel, E4, Dienst vergunningen

Generaal Lemanstraat 60

B - 1040 Brussel

Tel. (32-2) 206 58 16/27

Fax (32-2) 230 83 22

Service public fédéral de l'économie, des PME, des classes moyennes et de l'énergie

Potentiel économique, E4, Service des licences

Avenue du Général Leman 60

B-1040 Bruxelles

Téléphone: (32-2) 206 58 16/27

Fax: (32-2) 230 83 22

TSJECHIË

Ministerstvo průmyslu a obchodu

Licenční správa

Na Františku 32

110 15 Praha 1

Tel. (420-2) 24 06 27 20

Fax (420-2) 24 22 18 11

Ministerstvo zahraničních věcí

Odbor Společné zahraniční a bezpečnostní politiky EU

Loretánské nám. 5

118 00 Praha 1

Tel. (420) 2 2418 2987

Fax (420) 2 2418 4080

DENEMARKEN

Erhvervs- og Byggestyrelsen

Langelinie Allé 17

DK-2100 København Ø

Tel. (45) 35 46 60 00

Fax (45) 35 46 60 01

Udenrigsministeriet

Asiatisk Plads 2

DK-1448 København K

Tel. (45) 33 92 00 00

Fax (45) 32 54 05 33

Justitsministeriet

Slotholmsgade 10

DK-1216 København K

Tel. (45) 33 92 33 40

Fax (45) 33 93 35 10

DUITSLAND

Met betrekking tot financiering en financiële bijstand:

Deutsche Bundesbank

Servicezentrum Finanzsanktionen

Postfach

D-80281 München

Tel. (49) 89 28 89 38 00

Fax (49) 89 35 01 63 38 00

Met betrekking tot technische bijstand:

Bundesamt für Wirtschaft und Ausfuhrkontrolle (BAFA)

Frankfurter Straße 29—35

D-65760 Eschborn

Tel. (49) 61 96 908-0

Fax (49) 61 96 908-800

ESTLAND

Eesti Välisministeerium

Islandi väljak 1

15049 Tallinn

Tel. +372 6317 100

Fax +372 6317 199

GRIEKENLAND

Ministry of Economy and Finance

General Directorate for Policy Planning and Management

Kornaroy Str., 105 63 Athene

Tel. +30 210 3286401-3

Fax +30 210 3286404

Υπουργείο Οικονομίας και Οικονομικών

Γενική Δ/νση Σχεδιασμού και Διαχείρισης Πολιτικής

Δ/νση : Κορνάρου 1, Τ.Κ. 101 80

Αθήνα - Ελλάς

Τηλ. +30 210 3286401-3

Φαξ +30 210 3286404

SPANJE

Secretaría General de Comercio Exterior

Paseo de la Castellana, 162

E-28046 Madrid

Tel. (34) 913 49 38 60

Fax (34) 914 57 28 63

FRANKRIJK

Ministère de l'économie, des finances et de l'industrie

Direction générale des douanes et des droits indirects

Cellule embargo - Bureau E2

Tel. (33) 1 44 74 48 93

Fax (33) 1 44 74 48 97

Direction générale du Trésor et de la politique économique

Service des affaires multilatérales et du développement

Sous-direction Politique commerciale et investissements

Service Investissements et propriété intellectuelle

139, rue du Bercy

75572 Paris Cedex 12

Tel. (33) 1 44 87 72 85

Fax (33) 1 53 18 96 55

Ministère des Affaires étrangères

Direction générale des affaires politiques et de sécurité

Direction des Nations Unies et des organisations internationales

Sous-direction des affaires politiques

Tel. (33) 1 43 17 59 68

Fax (33) 1 43 17 46 91

Service de la politique Etrangère et de sécurité commune

Tel. (33) 1 43 17 45 16

Fax (33) 1 43 17 45 84

IERLAND

United Nations Section

Department of Foreign Affairs,

Iveagh House

79-80 Saint Stephen's Green

Dublin 2.

Tel. +353 1 478 0822

Fax +353 1 408 2165

Central Bank and Financial Services Authority of Ireland

Financial Markets Department

Dame Street

Dublin 2.

Tel. +353 1 671 6666

Fax +353 1 679 8882

ITALIË

Ministero degli Affari Esteri

Piazzale della Farnesina, I-00194 Roma

D.G.A.S. - Ufficio I

Tel. (39) 06 3691 7334

Fax (39) 06 3691 5446

U.A.M.A.

Tel. (39) 06 3691 3605

Fax (39) 06 3691 8815

CYPRUS

Ministry of Commerce, Industry and Tourism

6 Andrea Araouzou

1421 Nicosia

Tel: +357 22 86 71 00

Fax: +357 22 31 60 71

Central Bank of Cyprus

80 Kennedy Avenue

1076 Nicosia

Tel: +357 22 71 41 00

Fax: +357 22 37 81 53

Ministry of Finance (Department of Customs)

M. Karaoli

1096 Nicosia

Tel. +357 22 60 11 06

Fax +357 22 60 27 41/47

LETLAND

Latvijas Republikas Ārlietu ministrija

Brīvības iela 36

Rīga LV 1395

Tel. (371) 7016 201

Fax (371) 7828 121

LITOUWEN

Ministry of Foreign Affairs

Security Policy Department

J. Tumo-Vaizganto 2

2600 Vilnius

Tel. +370 5 2362516

Fax +370 5 2313090

LUXEMBURG

Ministère de l'Economie et du Commerce extérieur

Office des Licences

B.P. 113

L-2011 Luxembourg

Tel. (352) 478 23 70

Fax (352) 46 61 38

mail: office.licences@mae.etat.lu

Ministère des Affaires étrangères et de l’Immigration

Direction des Affaires politiques

5, Rue Notre-Dame

L-2240 Luxembourg

Tel. (352) 478 2421

Fax (352) 22 19 89

HONGARIJE

Ministry of Economic Affairs and Transport - Hungarian Licencing and Administrative Office

Margit krt. 85

H-1024 Budapest

Hongarije

Postbus: 1537 Pf.: 345

Tel. +36-1-336-7300

Gazdasági és Közlekedési Minisztérium - Engedélyezési és Közigazgatási

Margit krt. 85

H-1024 Budapest

Magyarország

Postafiók: 1537 Pf.: 345

Tel. +36-1-336-7300

MALTA

Bord ta' Sorveljanza dwar is-Sanzjonijiet

Direttorat ta' l-Affarijiet Multilaterali

Ministeru ta' l-Affarijiet Barranin

Palazzo Parisio

Triq il-Merkanti

Valletta CMR 02

Tel. +356 21 24 28 53

Fax +356 21 25 15 20

NEDERLAND

Ministerie van Economische Zaken

De Belastingdienst/Douane Noord

Postbus 40200

8004 DE Zwolle

Nederland

OOSTENRIJK

Bundesministerium für Wirtschaft und Arbeit

Abteilung C2/2 (Ausfuhrkontrolle)

Stubenring 1

A-1010 Wien

Tel. (+43-1) 711 00-0

Fax (+43-1) 711 00-8386

POLEN

Coördinerende instantie:

Ministry of Foreign Affairs

Department of Law and Treaties

Al. J. Ch. Szucha 23

00-580 Warsaw

Polen

Tel. (+48 22) 523 9427 or 9348

Fax (+48 22) 523 8329

Samenwerkende instanties:

Ministry of Defence

Department of Defence Policy

ul. Al. Niepodlegÿoÿci 218

00-911 Warsaw

Poland

Tel. (+48 22) 687 49 17

Fax (+48 22) 682 621 80

Ministry of Economy and Labour

Department of Export Control

Plac Trzech Krzyży 3/5

00-507 Warsaw

Polen

Tel. (+ 48 22) 693 51 71

Fax (+ 48 22) 693 40 33

PORTUGAL

Ministério dos Negócios Estrangeiros

Direcção-Geral dos Assuntos Multilaterais

Largo do Rilvas

P-1350-179 Lisboa

Tel. (351) 21 394 60 72

Fax (351) 21 394 60 73

Ministério das Finanças

Direcção-Geral dos Assuntos Europeus e Relações Internacionais

Avenida Infante D. Henrique, n.o 1, C 2.o

P-1100 Lisboa

Tel. (351) 21 882 32 32 40/47

Fax (351) 21 882 32 49

SLOVENIË

Ministry of Foreign Affairs

Prešernova 25

SI-1000 Ljubljana

Phone: 00386 1 4782000

Fax: 00386 1 4782341

Ministry of the Economy

Kotnikova 5

SI-1000 Ljubljana

Phone: 00386 1 4783311

Fax: 00386 1 4331031

Ministry of Defence

Kardeljeva pl. 25

SI-1000 Ljubljana

Phone: 00386 1 4712211

Fax: 00386 1 4318164

SLOWAKIJE

Ministerstvo hospodárstva Slovenskej republiky

Mierová 19

827 15 Bratislava 212

Tel. 00421/2/4854 1111

Fax 00421/2/4333 7827

Ministerstvo financií Slovenskej republiky

Štefanovičova 5

P. O. BOX 82

817 82 BRATISLAVA

Tel. 00421/2/5958 1111

Fax 00421/2/5249 8042

FINLAND

Ulkoasiainministeriö/Utrikesministeriet

PL/PB 176

FIN-00161 Helsinki/Helsingfors

Tel. (358-9) 16 00 5

Fax (358-9) 16 05 57 07

Puolustusministeriö/Försvarsministeriet

Eteläinen Makasiinikatu 8 / Södra Magasinsgatan 8

FIN-00131 Helsinki/Helsingfors

PL/PB 31

Tel. (358-9) 16 08 81 28

Fax (358-9) 16 08 81 11

ZWEDEN

Inspektionen för strategiska produkter (ISP)

Box 70 252

107 22 Stockholm

Tel. (46-8) 406 31 00

Fax (46-8) 20 31 00

VERENIGD KONINKRIJK

Sanctions Licensing Unit

Export Control Organisation

Department of Trade and Industry

4 Abbey Orchard Street

London SW1P 2HT

Tel. (44) 20 7215 0594

Fax. (44) 20 7215 0593

EUROPESE GEMEENSCHAP

Commissie van de Europese Gemeenschappen

Directorat-Generaal Buitenlandse Betrekkingen

Directoraat GBVB

Administratieve eenheid A2: Institutionele en juridische aangelegenheden inzake buitenlandse betrekkingen; sancties

CHAR 12/163

B-1049 Brussel

Tel. (32-2) 296 25 56

Fax (32-2) 296 75 63


2.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/16


VERORDENING (EG) Nr. 175/2005 VAN DE COMMISSIE

van 1 februari 2005

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 2 februari 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 1 februari 2005.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1947/2002 (PB L 299 van 1.11.2002, blz. 17).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 1 februari 2005 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

052

116,0

204

78,7

212

152,0

999

115,6

0707 00 05

052

154,7

999

154,7

0709 90 70

052

203,3

204

244,8

624

56,7

999

168,3

0805 10 20

052

46,2

204

48,3

212

47,9

220

49,5

421

38,1

448

35,4

624

44,6

999

44,3

0805 20 10

052

49,1

204

60,6

624

73,4

999

61,0

0805 20 30, 0805 20 50, 0805 20 70, 0805 20 90

052

61,2

204

87,5

400

78,4

464

138,7

624

67,4

662

36,0

999

78,2

0805 50 10

052

60,0

999

60,0

0808 10 80

052

104,3

400

91,0

404

83,7

720

52,8

999

83,0

0808 20 50

388

78,8

400

89,3

528

79,2

720

36,8

999

71,0


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 2081/2003 van de Commissie (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11). De code „999” staat voor „andere oorsprong”.


2.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/18


VERORDENING (EG) Nr. 176/2005 VAN DE COMMISSIE

van 1 februari 2005

tot vaststelling van de communautaire producenten- en invoerprijzen voor anjers en rozen met het oog op de toepassing van de invoerregeling voor bepaalde producten van de bloementeelt van oorsprong uit Cyprus, Israël, Jordanië en Marokko alsmede de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 4088/87 van de Raad van 21 december 1987 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toepassing van preferentiële douanerechten bij invoer van bepaalde producten van de bloementeelt van oorsprong uit Cyprus, Israël, Jordanië en Marokko alsmede de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook (1), en met name op artikel 5, lid 2, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 1 ter van Verordening (EEG) nr. 700/88 bedoelde communautaire producenten- en invoerprijzen voor eenbloemige anjers (standaard), veelbloemige anjers, grootbloemige rozen en kleinbloemige rozen, voor een periode van twee weken, zijn vastgesteld in de bijlage.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 2 februari 2005.

Zij is van toepassing van 2 februari 2005 tot en met 15.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 1 februari 2005.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 382 van 31.12.1987, blz. 22. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1300/97 (PB L 177 van 5.7.1997, blz. 1).

(2)  PB L 72 van 18.3.1988, blz. 16. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2062/97 (PB L 289 van 22.10.1997, blz. 1).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 1 februari 2005 tot vaststelling van de communautaire producenten- en invoerprijzen voor anjers en rozen met het oog op de toepassing van de invoerregeling voor bepaalde producten van de bloementeelt van oorsprong uit Cyprus, Israël, Jordanië en Marokko alsmede de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook

(EUR/100 stuks)

Periode: 2 tot en met 15 februari 2005

Communautaire producentenprijzen

Eenbloemige anjers

(standaard)

Veelbloemige anjers

(tros)

Grootbloemige rozen

Kleinbloemige rozen

 

16,75

12,41

41,05

17,27


Communautaire invoerprijzen

Eenbloemige anjers

(standaard)

Veelbloemige anjers

(tros)

Grootbloemige rozen

Kleinbloemige rozen

Israël

Marokko

Cyprus

Jordanië

Westelijke Jordaanoever en Gazastrook


II Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

Raad

2.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/20


BESLUIT VAN DE RAAD

van 22 november 2004

betreffende de ondertekening namens de Europese Gemeenschap en de voorlopige toepassing van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling inzake de verlenging, voor de periode van 28 februari 2004 tot en met 31 december 2004, van het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie, als bedoeld in de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Islamitische Bondsrepubliek der Comoren inzake de visserij voor de kust van de Comoren

(2005/76/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37, juncto artikel 300, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Islamitische Bondsrepubliek der Comoren inzake de visserij voor de kust van de Comoren (1) voeren de overeenkomstsluitende partijen vóórdat de geldigheidsduur van het aan de overeenkomst gehechte protocol afloopt, onderhandelingen om in onderlinge overeenstemming de inhoud van het protocol voor de volgende periode te bepalen en, in voorkomend geval, te bepalen welke wijzigingen of aanvullingen in de bijlage moeten worden aangebracht.

(2)

De partijen hebben bij overeenkomst in de vorm van een briefwisseling besloten het huidige protocol, dat is goedgekeurd bij Verordening (EG) nr. 1439/2001 (2), te verlengen voor de periode van 28 februari 2004 tot en met 31 december 2004, in afwachting dat onderhandelingen worden gevoerd over de in het protocol aan te brengen wijzigingen.

(3)

Voor de vissers van de Gemeenschap worden dankzij deze briefwisseling voor de periode van 28 februari 2004 tot en met 31 december 2004 vangstmogelijkheden geopend in de wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van de Comoren vallen.

(4)

Om een onderbreking van de visserijactiviteiten van de vaartuigen van de Gemeenschap te voorkomen, is het noodzakelijk dat de verlenging zo spoedig mogelijk van toepassing wordt. De overeenkomst in de vorm van een briefwisseling moet daarom worden ondertekend, onder voorbehoud van de definitieve sluiting door de Raad.

(5)

Het is van belang de in het verlengde protocol bepaalde sleutel voor de verdeling van de vangstmogelijkheden over de lidstaten te bevestigen,

BESLUIT:

Artikel 1

De ondertekening van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling inzake de verlenging, voor de periode van 28 februari 2004 tot en met 31 december 2004, van het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie, als bedoeld in de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Islamitische Bondsrepubliek der Comoren inzake de visserij voor de kust van de Comoren wordt namens de Gemeenschap goedgekeurd, onder voorbehoud van het besluit van de Raad betreffende de goedkeuring van die overeenkomst.

De tekst van de overeenkomst is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad is gemachtigd de perso(o)n(en) aan te wijzen die bevoegd is(zijn) de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling namens de Gemeenschap te ondertekenen, onder voorbehoud van de sluiting van die overeenkomst.

Artikel 3

De overeenkomst in de vorm van een briefwisseling wordt voor de Gemeenschap voorlopig toegepast met ingang van 28 februari 2004.

Artikel 4

De in artikel 1 van het protocol vastgestelde vangstmogelijkheden worden over de lidstaten verdeeld volgens de volgende verdeelsleutel:

a)

vaartuigen voor de tonijnvisserij met de zegen:

Spanje

:

18 vaartuigen

Frankrijk

:

21 vaartuigen

Italië

:

1 vaartuig;

b)

vaartuigen voor de visserij met drijvende beug:

Spanje

:

20 vaartuigen

Portugal

:

5 vaartuigen.

Indien met de door deze lidstaten ingediende vergunningaanvragen niet alle in het protocol vastgestelde vangstmogelijkheden worden benut, kan de Commissie vergunningaanvragen van andere lidstaten in aanmerking nemen.

Artikel 5

De lidstaten waarvan vaartuigen in het kader van deze overeenkomst vissen, melden de Commissie de hoeveelheden van elk bestand die in de visserijzone van de Comoren zijn gevangen, overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EG) nr. 500/2001 van de Commissie van 14 maart 2001 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad wat betreft de controle op de vangsten van de vissersvaartuigen van de Gemeenschap in de wateren van derde landen en in volle zee (3).

Gedaan te Brussel, 22 november 2004.

Voor de Raad

De voorzitter

C. VEERMAN


(1)  PB L 137 van 2.6.1988, blz. 19.

(2)  PB L 193 van 17.7.2001, blz. 1.

(3)  PB L 73 van 15.3.2001, blz. 8.


OVEREENKOMST

in de vorm van een briefwisseling inzake de verlenging, voor de periode van 28 februari 2004 tot en met 31 december 2004, van het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie, als bedoeld in de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Islamitische Bondsrepubliek der Comoren inzake de visserij voor de kust van de Comoren

Mijne heren,

Ik heb de eer u te bevestigen dat wij overeenstemming hebben bereikt over de volgende tussentijdse regeling ter verlenging van het thans geldende protocol (28 februari 2001 tot en met 27 februari 2004) tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie, als bedoeld in de visserijovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Islamitische Bondsrepubliek der Comoren, in afwachting dat onderhandelingen worden gevoerd over de in het aan de overeenkomst gehechte protocol aan te brengen wijzigingen:

1)

De in de afgelopen drie jaar toegepaste regeling wordt met ingang van 28 februari 2004 verlengd tot en met 31 december 2004. De financiële tegenprestatie van de Gemeenschap uit hoofde van de tussentijdse regeling is gelijk aan het pro rata temporis bedrag als bedoeld in artikel 2 van het huidige protocol, te weten 291 875 EUR. Deze financiële tegenprestatie wordt uiterlijk op 1 december 2004 betaald. De voorwaarden voor de betaling van het in artikel 3 van het protocol bedoelde bedrag zijn eveneens van toepassing.

2)

In de periode waarvoor de tussentijdse regeling geldt, worden visvergunningen afgegeven met inachtneming van de maxima die zijn vastgesteld in artikel 1 van het thans geldende protocol, tegen betaling van rechten of voorschotten die gelijk zijn aan die welke in punt 1 van de bijlage bij het protocol zijn bepaald.

Ik moge u verzoeken mij de ontvangst van deze brief te willen bevestigen en mij mee te delen dat u instemt met de inhoud ervan.

Hoogachtend,

Namens de Raad van de Europese Unie

Mijne heren,

Ik heb de eer u de ontvangst te bevestigen van uw brief van heden, die luidt als volgt:

„Ik heb de eer u te bevestigen dat wij overeenstemming hebben bereikt over de volgende tussentijdse regeling ter verlenging van het thans geldende protocol (28 februari 2001 tot en met 27 februari 2004) tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie, als bedoeld in de visserijovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Islamitische Bondsrepubliek der Comoren, in afwachting dat onderhandelingen worden gevoerd over de in het aan de overeenkomst gehechte protocol aan te brengen wijzigingen:

1)

De in de afgelopen drie jaar toegepaste regeling wordt met ingang van 28 februari 2004 verlengd tot en met 31 december 2004. De financiële tegenprestatie van de Gemeenschap uit hoofde van de tussentijdse regeling is gelijk aan het pro rata temporis bedrag als bedoeld in artikel 2 van het huidige protocol, te weten 291 875 EUR. Deze financiële tegenprestatie wordt uiterlijk op 1 december 2004 betaald. De voorwaarden voor de betaling van het in artikel 3 van het protocol bedoelde bedrag zijn eveneens van toepassing.

2)

In de periode waarvoor de tussentijdse regeling geldt, worden visvergunningen afgegeven met inachtneming van de maxima die zijn vastgesteld in artikel 1 van het thans geldende protocol, tegen betaling van rechten of voorschotten die gelijk zijn aan die welke in punt 1 van de bijlage bij het protocol zijn bepaald.

Ik moge u verzoeken mij de ontvangst van deze brief te willen bevestigen en mij mee te delen dat u instemt met de inhoud ervan.”

Ik heb de eer u te bevestigen dat de inhoud van uw brief voor de regering van de Unie der Comoren aanvaardbaar is en dat uw brief en deze brief, overeenkomstig uw voorstel, een overeenkomst vormen.

Hoogachtend,

Voor de Regering van de Unie der Comoren


Commissie

2.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/24


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 30 maart 2004

inzake de door het Verenigd Koninkrijk ingestelde steunregeling ten behoeve van gekwalificeerde vennootschappen in Gibraltar

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 928)

(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2005/77/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 88, lid 2, eerste alinea,

Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name op artikel 62, lid 1, onder a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde bepalingen (1) te hebben verzocht hun opmerkingen te maken, en gelet op hun opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

I.   PROCEDURE

(1)

Bij schrijven D/50716 van 12 februari 1999 heeft de Commissie het Verenigd Koninkrijk verzocht informatie te verschaffen over een aantal belastingmaatregelen, waaronder de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen in Gibraltar (Gibraltar Qualifying Companies regime). Bij schrijven van 22 juli 1999 heeft het Verenigd Koninkrijk geantwoord. Op 23 mei 2000 heeft de Commissie om nadere informatie verzocht en op 28 juni 2000 werd een herinnering verstuurd. Het Verenigd Koninkrijk heeft hierop op 3 juli 2000 geantwoord. Bij schrijven A/37430 van 12 september 2000 heeft het Verenigd Koninkrijk informatie verstrekt over de regeling inzake vrijgestelde vennootschappen (Exempt Companies Regime). Op 19 oktober 2000 vond er een bijeenkomst plaats met de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk en van Gibraltar ter bespreking van de op buitenlandse ondernemingen van toepassing zijnde belastingregelingen van Gibraltar, de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen en de regeling inzake vrijgestelde vennootschappen. Op 8 januari 2001 (A/30254) heeft het Verenigd Koninkrijk nadere informatie verstrekt ter beantwoording van de vragen die tijdens die bijeenkomst waren gesteld.

(2)

Bij schrijven D/289757 van 11 juli 2001 heeft de Commissie het Verenigd Koninkrijk in kennis gesteld van haar besluit tot inleiding van de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag ten aanzien van de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen in Gibraltar. Nadat de termijn met een maand was verlengd, heeft het Verenigd Koninkrijk gereageerd middels schrijven A/37407 van 21 september 2001.

(3)

Op 7 september 2001 is bij de griffie van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen het verzoek ingekomen van de regering van Gibraltar strekkende tot vernietiging van Beschikking SG(2001) D/289755 tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure naar de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen in Gibraltar. Deze handeling is geregistreerd als zaak T-207/01. Op dezelfde dag heeft de regering van Gibraltar een tweede verzoek ingediend voor het treffen van voorlopige maatregelen. Verzocht werd Beschikking SG(2001) D/289755 tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure op te schorten en te bepalen dat de Commissie zich diende te onthouden van publicatie van bedoelde beschikking (zaak T-207/01 R). Bij arrest van 19 december 2001 heeft de president van het Gerecht van eerste aanleg het verzoek om voorlopige maatregelen afgewezen (2). In zijn uitspraak van 30 april 2002 heeft het Gerecht van eerste aanleg het verzoek strekkende tot vernietiging van de beschikking afgewezen (3).

(4)

Op 21 november 2001 heeft de Commissie om informatie verzocht over het op gekwalificeerde vennootschappen van toepassing zijnde belastingtarief. Aangezien een reactie uitbleef, heeft de Commissie op 21 maart 2002 een formele herinnering (D/51275) verstuurd. Het Verenigd Koninkrijk heeft op 10 april 2002 (A/32681) geantwoord. Op 28 oktober 2002 (D/56088) heeft de Commissie om een nadere toelichting verzocht. Het Verenigd Koninkrijk heeft op 11 november 2002 (A/38454) geantwoord en bij schrijven A/39209 van 13 december 2002 aanvullende opmerkingen verstrekt.

(5)

De beschikking van de Commissie tot inleiding van een formele onderzoeksprocedure is gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Belanghebbenden werden verzocht hun opmerkingen te maken (4). Bij schrijven A/31518 van 27 februari 2002 en A/31557 van 28 februari 2002 zijn opmerkingen ontvangen respectievelijk van Charles A. Gomez & Co. Barristers and Acting Solicitors en van de regering van Gibraltar. Deze opmerkingen zijn doorgestuurd naar het Verenigd Koninkrijk dat hierop heeft gereageerd bij schrijven A/33257 van 25 april 2002.

II.   BESCHRIJVING VAN DE MAATREGEL

(6)

De definitie van een gekwalificeerde vennootschap wordt weergegeven in de Income Tax (Amendment) Ordinance (ordonnantie tot wijziging van de ordonnantie inzake inkomstenbelasting) van 14 juli 1983. Gedetailleerde regels ter uitvoering van de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen zijn vastgesteld in de Income Tax (Qualifying Companies) Rules (regels inzake de inkomstenbelasting voor gekwalificeerde vennootschappen) van 22 september 1983. In deze beschikking wordt naar de gezamenlijke van toepassing zijnde regelgeving verwezen als de „regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen”.

(7)

Om de status van een gekwalificeerde vennootschap te verkrijgen, moet een onderneming onder andere voldoen aan de volgende voorwaarden:

de onderneming moet in Gibraltar zijn geregistreerd krachtens de „Companies Ordinance” (ordonnantie betreffende ondernemingen);

de onderneming moet een gestort aandelenkapitaal hebben van 1 000 GBP (of een gelijkwaardig bedrag in vreemde valuta);

als zekerheid dat toekomstige belastingen worden voldaan, moet de onderneming bij de regering van Gibraltar een waarborgsom van 1 000 GBP storten;

de onderneming moet een vergoeding van 250 GBP betalen voor een certificaat waaruit blijkt dat zij een gekwalificeerde vennootschap is (Qualifying Company Certificate);

onderdanen en inwoners van Gibraltar mogen geen aandelen in de onderneming hebben of daar belang bij hebben;

de onderneming kan geen aandelenregister buiten Gibraltar hebben en het moet in de akte van oprichting of de statuten van de onderneming verboden zijn dat te hebben;

zonder voorafgaande toestemming van de directeur van het Centrum van het Financiewezen mag een onderneming geen handels- of andere activiteit in Gibraltar ontplooien met onderdanen of inwoners van Gibraltar, behalve met andere vrijgestelde of gekwalificeerde vennootschappen.

(8)

Een onderneming die voldoet aan de bovenstaande voorwaarden verkrijgt een certificaat waaruit blijkt dat zij een gekwalificeerde vennootschap is. Eenmaal verstrekt is een dergelijk certificaat 25 jaar geldig.

(9)

Een gekwalificeerde vennootschap is onderworpen aan de belasting op de winst, maar het tarief daarvan mag niet hoger zijn dan dat van de gewone vennootschapsbelasting (momenteel 35 %). Over het toegepaste belastingtarief wordt onderhandeld tussen de betrokken onderneming en het Centrum van het Financiewezen dat een onderdeel is van het ministerie van Handel, Industrie en Telecommunicatie van de regering van Gibraltar. Er zijn geen wettelijke voorschriften voor het voeren van deze onderhandelingen. Het merendeel van de gekwalificeerde vennootschappen betaalt een belastingtarief dat tussen 2 % en 10 % ligt. Sinds kort is het beleid van de autoriteiten van Gibraltar erop gericht om alle gekwalificeerde vennootschappen een tarief te laten betalen dat tussen 2 % en 10 % ligt. Teneinde consistentie te bewerkstelligen tussen de ondernemingen die binnen dezelfde sector werkzaam zijn, wordt het belastingtarief binnen deze parameters vastgesteld (5). De belastingtarieven zijn:

(in %)

Sector

Belastingtarief

Particuliere investeringen

5

Financiële diensten

5

Kansspelen

5

Satellietactiviteiten

2

Scheepvaartdiensten inclusief reparaties en ombouw

2

Algemene handelaars

5

Adviesverlening

5

Overige (bijv. filatelistische dienstverlening, commissionairs)

2-10

(10)

Andere voordelen die voorvloeien uit de status van een gekwalificeerde vennootschap zijn:

de bedragen die een gekwalificeerde vennootschap moet betalen aan niet-inwoners (met inbegrip van directeuren), en de aan de aandeelhouders betaalde dividenden worden belast tegen hetzelfde tarief dat geldt voor de winst van de vennootschap;

er is geen zegelrecht verschuldigd bij de overdracht van aandelen van een gekwalificeerde vennootschap.

(11)

Indien voor de voorgenomen activiteiten een „fysieke” aanwezigheid in Gibraltar is vereist, verkrijgt de onderneming die dergelijke activiteiten ontplooit — volgens de door het Verenigd Koninkrijk verstrekte informatie — doorgaans eerder de status van gekwalificeerde vennootschap dan die van vrijgestelde vennootschap (6). Gekwalificeerde vennootschappen zijn eveneens van groot nut wanneer een dochteronderneming haar inkomsten moet overdragen aan een buitenlandse moedermaatschappij en moet worden onderworpen aan een bepaald belastingniveau om in aanmerking te komen voor een lagere belastingheffing in eigen land.

III.   GRONDEN VOOR DE INLEIDING VAN DE PROCEDURE

(12)

In haar evaluatie van de door het Verenigd Koninkrijk tijdens het voorafgaande onderzoek ingediende informatie was de Commissie van mening dat de ontheffing van de verplichting om het volledige bedrag aan vennootschapsbelasting te betalen, waarschijnlijk een voordeel zou opleveren voor gekwalificeerde vennootschappen. De Commissie was van mening dat dit voordeel met overheidsgelden werd verleend, van invloed was op het handelsverkeer tussen de lidstaten en selectief was. De Commissie was ook van mening dat geen van de afwijkingen van het algemene verbod op staatssteun van artikel 87, lid 2 en lid 3, van het Verdrag van toepassing was. Om die redenen had de Commissie twijfels over de verenigbaarheid van de maatregel met de gemeenschappelijke markt en besloot derhalve de formele onderzoeksprocedure in te leiden.

IV.   OPMERKINGEN VAN DE REGERING VAN GIBRALTAR

(13)

De regering van Gibraltar heeft opmerkingen gemaakt die in vier rubrieken kunnen worden ondergebracht:

de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen vormt geen steun in de zin van artikel 87 van het Verdrag;

indien in het kader van de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen sprake is van steun, is deze bestaande en geen nieuwe, onrechtmatige steun;

indien in het kader van de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen sprake is van steun, is deze verenigbaar met de gemeenschappelijke markt krachtens de vrijstelling ingevolge artikel 87, lid 3, onder b), van het Verdrag;

indien de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen onrechtmatige en onverenigbare steun is, is een besluit tot terugvordering van de verleende steun in strijd met de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht.

(14)

De gemaakte opmerkingen kunnen als volgt worden samengevat.

(15)

Artikel 87, lid 1, van het Verdrag is niet van toepassing op belastingregelingen, zoals de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen, die zijn ontworpen om in een internationale context te worden toegepast. Aangezien de status van gekwalificeerde vennootschap wordt verleend voorzover dergelijke vennootschappen geen bedrijfsactiviteiten uitoefenen in Gibraltar, is er geen sprake van een voordeel in de vorm van een vrijstelling van de gewoonlijk van toepassing zijnde belastingtarieven aangezien Gibraltar ten behoeve van andere rechtsgebieden niet bevoegd is voordelen te verlenen.

(16)

Hoewel de regering van Gibraltar accepteert dat de voordelen die in het kader van de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen worden verleend, afgeschermd zijn van de binnenlandse markt in de zin van paragraaf B van de Resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 1 december 1997 betreffende een gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen (7), zijn er geen staatsmiddelen bij betrokken. De maatregel legt geen financiële last op de begroting van de regering van Gibraltar.

(17)

De maatregel is niet selectief want een gekwalificeerde vennootschap kan door iedere natuurlijke of rechtspersoon worden opgericht, onafhankelijk van nationaliteit of economische activiteit. De regering van Gibraltar accepteert dat ondernemingen die bedrijfsactiviteiten in Gibraltar ontplooien of waarbij onderdanen of inwoners van Gibraltar belang hebben, niet in aanmerking komen voor de status van gekwalificeerde vennootschap. Dit leidt echter hooguit tot een zekere mate van omgekeerde discriminatie die geen gevolgen heeft voor de mededinging.

(18)

De maatregel valt buiten de reikwijdte van artikel 87, lid 1, van het Verdrag voorzover sommige gekwalificeerde vennootschappen door personen om belastingtechnische redenen worden opgericht, om activa of onroerend goed te houden, of om hun persoonlijk vermogen te beheren. Dergelijke vennootschappen drijven geen handel, brengen geen producten op de markt en nemen evenmin deel aan de mededinging op de markt.

(19)

Gibraltar maakt geen onderdeel uit van het gemeenschappelijke douanegebied van de Gemeenschap en wordt met betrekking tot de handel in goederen behandeld als een derde land. Aangezien er binnen de gemeenschappelijke markt geen vrij verkeer is van goederen die in Gibraltar zijn geproduceerd en op deze goederen de douaneformaliteiten van toepassing zijn, is artikel 87 van het Verdrag derhalve niet van toepassing op steun die wordt verleend aan ondernemingen die zich bezighouden met de handel in goederen. In dergelijke omstandigheden wordt het handelsverkeer tussen de lidstaten niet beïnvloed.

(20)

Uit de redenering van Beschikking 2000/394/EG van de Commissie van 25 november 1999 betreffende de steunmaatregelen ten behoeve van de ondernemingen op het grondgebied van Venetië en Chioggia zoals bedoeld in wetten nr. 30/1997 en nr. 206/1995 houdende verlagingen van sociale bijdragen (8) kan worden geconcludeerd dat het aan bepaalde bedrijven verleende voordeel geen steun vormde in de zin van artikel 87, lid 1, van het Verdrag, dat van toepassing is op gekwalificeerde vennootschappen die zijn opgericht voor belastingtechnische doeleinden en op die welke handelen in goederen.

(21)

Een groot aantal ondernemingen dat de status van gekwalificeerde vennootschap geniet, heeft profijt van de thans van toepassing zijnde de-minimisregeling.

(22)

De regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen dateert uit 1983, toen het voor de Commissie, de lidstaten en de marktdeelnemers niet duidelijk was of en in hoeverre de regels inzake steunmaatregelen van de staten stelselmatig moesten worden toegepast op een nationale regeling betreffende de vennootschapsbelasting. Er zijn weinig of geen voorbeelden van vóór de jaren 1990 waar de Commissie actie ondernam tegen staatssteun die werd verleend via algemene maatregelen op het gebied van de vennootschapsbelasting. De betrokken regeling is tien jaar vóór de vrijmaking van het kapitaalverkeer vastgesteld en 15 jaar vóór de verduidelijking van het begrip steunmaatregel in de door de Commissie gepubliceerde mededeling over de toepassing van de regels betreffende steunmaatregelen van de staten op maatregelen op het gebied van de directe belastingen op ondernemingen (9) (hierna de „mededeling” genoemd). Voor de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen diende de regeling inzake vrijgestelde vennootschappen uit 1967 als voorbeeld. Laatstgenoemde regeling kwam tot stand vóór de toetreding van Gibraltar tot de Europese Unie in 1973.

(23)

Nog vóór de publicatie van de mededeling van 1998 heeft de regering van het Verenigd Koninkrijk de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen in overeenstemming met paragraaf H van de gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen ter kennis gebracht van de zogenaamde „Primarolo”-groep. Destijds was er geen enkele aanwijzing dat maatregelen die in het kader van de gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen als schadelijk zouden worden bestempeld, door de Commissie zouden worden behandeld als nieuwe, niet-aangemelde steunmaatregelen.

(24)

De mededeling bevat de eerste uitgebreide, ofschoon niet uitputtende, definitie van „fiscale staatssteun”. Het is een administratieve nieuwigheid die eerder moet worden gezien als een beleidsverklaring voor een toekomstig optreden van de Commissie op dit gebied dan als een „verduidelijking” van de toepasselijke wetgeving.

(25)

Artikel 1, letter b), onder v), van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (10) bepaalt dat maatregelen steun kunnen worden vanwege de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt en vanwege de liberalisering van een activiteit. De regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen is een maatregel in de zin van die bepaling en werd pas later steun. Door de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen niet aan te merken als bestaande steun past de Commissie met terugwerkende kracht de betrekkelijk verfijnde criteria voor staatssteun uit 2001 toe op de afwijkende juridische en economische situatie van 1983. In dit opzicht werd de Ierse regeling inzake vennootschapsbelasting aanvankelijk niet aangemerkt als steun, hoewel het inzicht van de Commissie vervolgens wijzigde (11) en een duidelijke weergave was van de geleidelijke verscherping van de regels die de Gemeenschap hanteerde met betrekking tot dergelijke fiscale stimuleringsregelingen.

(26)

Door gebruik te maken van haar discretionaire bevoegdheid om de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen te behandelen als nieuwe, onrechtmatige steun heeft de Commissie het evenredigheidsbeginsel geschonden. Een dergelijke behandeling heeft dramatische economische gevolgen. Die grote schade staat niet in verhouding tot het eventuele belang van de Gemeenschap dat met de inleiding van een procedure aangaande onrechtmatige steun wordt nagestreefd, met name gelet op de zeer kleine omvang van de economie van Gibraltar en de verwaarloosbare invloed van de betrokken regeling op de mededinging en de internationale handel. De Commissie zou van meer billijkheid hebben getuigd indien zij de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen enkel had bekeken vanuit het oogpunt van de gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen, van de artikelen 96 en 97 van het Verdrag of van de procedure voor bestaande steunmaatregelen.

(27)

Ten slotte heeft de Commissie het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel geschonden door 18 jaar te wachten alvorens de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen ter discussie te stellen. en haar onderzoek naar deze regeling niet binnen een redelijke termijn uit te voeren. Vóór februari 1999 heeft de Commissie de verenigbaarheid van de regeling met het Gemeenschapsrecht nooit in twijfel getrokken. Zoals in de zaak-Defrenne (12) heeft het feit dat de Commissie zo lang geen actie heeft ondernomen, bij Gibraltar een gewettigd vertrouwen gewekt.

(28)

Voor onderzoeken van de Commissie zouden verjaringstermijnen moeten gelden. Zo moet krachtens artikel 15 van Verordening (EG) nr. 659/1999 individuele steun die tien jaar vóór het optreden van de Commissie krachtens een steunregeling is verleend, als bestaande steun worden beschouwd. Overeenkomstig deze regel had de Commissie de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen als een bestaande steunregeling moeten beschouwen. De Commissie heeft hoe dan ook het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel geschonden door na de inleiding van het onderzoek naar die regeling overdreven veel tijd te laten verstrijken. Het voorafgaande onderzoek begon op 12 februari 1999; de formele onderzoeksprocedure is echter pas tweeëneenhalf jaar later ingeleid. Tijdens het voorafgaande onderzoek heeft de Commissie lange tijd het stilzwijgen bewaard. Gezien het feit dat er in november 2000 binnen de Commissie nog werd getwijfeld over het nut van het inleiden van een staatssteunprocedure inzake de door de gedragscodegroep vastgestelde schadelijke maatregelen, is het alleszins redelijk om te stellen dat de procedure voor bestaande steun had moeten worden gebruikt.

(29)

Artikel 87, lid 3, onder b), van het Verdrag bepaalt dat steunmaatregelen om een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat op te heffen verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd. De regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen is een jaar vóór de sluiting van de Koninklijke Marinewerf (Royal Navy Dockyard) vastgesteld (bekendgemaakt in 1981) en op een moment dat de Britse militaire aanwezigheid in Gibraltar werd teruggebracht. De marinewerf was de belangrijkste bron van werkgelegenheid en inkomsten in Gibraltar en was verantwoordelijk voor 25 % van de werkgelegenheid en 35 % van het bruto binnenlands product (BBP). De sluiting van de werf had een ernstige verstoring van de economie van Gibraltar tot gevolg, waaronder structurele veranderingen en economische problemen in de zin van werkloosheid, hogere sociale kosten en een uittocht van gekwalificeerde arbeidskrachten. De regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen was een reactie op deze ernstige verstoring.

(30)

Hoewel de Commissie en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen artikel 87, lid 3, onder b), van het Verdrag strikt hebben geïnterpreteerd in de zin dat de betrokken verstoring de gehele economie van de betrokken lidstaat moet aantasten en niet enkel de economie van een van de streken of gebiedsdelen van die lidstaat (13), zijn er gronden om de vrijstelling van artikel 87, lid 3, onder b), toe te passen op Gibraltar. Anders dan een streek of een gebiedsdeel van een lidstaat is Gibraltar op alle relevante manieren volledig gescheiden van het Verenigd Koninkrijk, met name op constitutioneel, politiek, juridisch, economisch, fiscaal en geografisch gebied. Het is het enige gebiedsdeel waarop krachtens artikel 299, lid 4, van het Verdrag de communautaire regelgeving van toepassing is. De economie van Gibraltar en die van het Verenigd Koninkrijk staan volledig los van elkaar en zijn duidelijk verschillend. Gibraltar ontvangt geen financiële steun van het Verenigd Koninkrijk en genereert zijn eigen inkomsten om aan zijn uitgavenverplichtingen te kunnen voldoen. Dit betekent dat een verstoring die van invloed is op de ene economie doorgaans geen effect heeft op de andere, zoals het geval was met de bovine spongiforme encefalopathie-crisis, een verstoring die van invloed was op de economie van het Verenigd Koninkrijk maar niet op die van Gibraltar en die in de zin van artikel 87, lid 2, onder b), van het Verdrag werd behandeld als een buitengewone gebeurtenis.

(31)

Dezelfde argumentatie als die welke is samengevat in de overwegingen 22 tot en met 28 met betrekking tot het vraagstuk van bestaande steun kan in essentie worden gebruikt om te pleiten ten gunste van het vertrouwensbeginsel in de context van terugvordering. Deze argumenten hebben met name betrekking op de onzekerheid over de reikwijdte van de regels voor staatssteun, de noviteit van het optreden van de Commissie met betrekking tot maatregelen op het gebied van vennootschapsbelasting en het belang van de mededeling als een beleidsverklaring, de duur van de maatregel, de kennisgeving aan de Primarolo-groep, de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt en liberalisering, evenredigheid, het langdurig stilzitten van de Commissie en de vertragingen die zich hebben voorgedaan tijdens het voorafgaande onderzoek. Het aldus gewekte gewettigde vertrouwen staat een eis tot terugvordering in de weg, vooral omdat zowel de regering van Gibraltar als de begunstigden te allen tijde ter goeder trouw hebben gehandeld.

(32)

Overweging 26 van de beschikking tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure (14) bevatte een specifiek verzoek om opmerkingen over eventueel gewettigd vertrouwen dat een belemmering zou kunnen zijn voor de terugvordering van de steun. In haar verweer in de gevoegde zaken T-207/01 en T-207/01 R heeft de Commissie haar aarzelingen met betrekking tot de mogelijkheid van een eis tot terugvordering bevestigd en gewezen op de ongebruikelijke aard van het verzoek om specifieke opmerkingen. De Commissie heeft ook gesteld dat de onzekerheid die zou kunnen hebben bestaan, en de mogelijkheid dat de maatregel zich in een „grijs gebied” van juridische onzekerheid bevond, hoogstens een gewettigd vertrouwen hebben gewekt en tot een discussie over de terugvordering van reeds betaalde steun hebben geleid. In zijn vonnis van 19 december 2001 merkte de president van het Gerecht van eerste aanleg op dat dit ongebruikelijke verzoek de ondernemingen ervan zou kunnen overtuigen Gibraltar niet te verlaten en op het eerste gezicht de eventuele ongerustheid bij de begunstigden aanzienlijk moet bedaren (15). De Commissie heeft de regering van Gibraltar en de begunstigden dus laten geloven dat er geen eis tot terugvordering zal komen.

(33)

De toepassing van artikel 87 van het Verdrag op een traditionele „op buitenlandse ondernemingen toepasselijke” regeling is nieuw en heeft nog steeds te kampen met theoretische problemen betreffende de vaststelling van een voordeel, de financiële last voor de staat en selectiviteit.

(34)

Ten tijde van de inleiding van het formele onderzoek was de Commissie zelf, bij wijze van uitzondering, niet in staat om een beslissing te nemen over het vraagstuk van bestaande steun.

(35)

Terugvordering zou in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel. Indien er uit verschillende opties kan worden gekozen, dient in het kader van het Gemeenschapsrecht de keuze te vallen op de minst ongunstige optie. De teweeggebrachte nadelen moeten in verhouding staan tot de nagestreefde doelen.

(36)

Terugvordering van de steun die in de afgelopen tien jaar is verleend, zou een onevenredige last plaatsen op de autoriteiten van Gibraltar. Gibraltar is een klein gebied met beperkte administratieve middelen — slechts zo’n 2 000 ondernemingen worden jaarlijks aangeslagen voor het betalen van belasting. Terugvordering zou onder andere betekenen dat om de juiste rekeningen van de gekwalificeerde vennootschappen (met inbegrip van de vennootschappen die niet langer actief zijn) moet worden verzocht, voor ieder jaar de belastingplichtigheid moet worden vastgesteld, belastingaanslagen moeten worden uitgevaardigd, beroepen en tegenvorderingen moeten worden afgehandeld en niet-betaling van verschuldigde belasting moet worden vervolgd. De administratieve druk, de beperkte bevoegdheden van de belastingdienst van Gibraltar om een onderzoek te verrichten, de onmogelijkheid om ondernemingen te achterhalen die hun activiteiten hebben beëindigd, en de afwezigheid van ondernemingsvermogen in Gibraltar zouden de activiteiten van de overheid verlammen met geen enkele garantie dat de terugvordering afdoende zou worden gerealiseerd.

(37)

Terugvordering zou een onevenredig effect hebben op de economie van Gibraltar en zou een onevenredige straf zijn gezien de omstandigheden die hebben geleid tot het vaststellen van de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen, het beperkte effect op de mededinging en het handelsverkeer en de geringe omvang van de begunstigden. De financiële dienstverlening is goed voor ongeveer 30 % van het BBP van Gibraltar en de werkgelegenheid die rechtstreeks verband houdt met gekwalificeerde vennootschappen wordt geraamd op zo’n 1 400 arbeidsplaatsen (terwijl de totale beroepsbevolking bestaat uit circa 14 000 personen). De financiële sector heeft een aanzienlijke invloed op vrijwel alle overige sectoren van de economie. Een eis tot terugbetaling zou leiden tot de liquidatie, het faillissement of de uittocht van de gekwalificeerde vennootschappen, tot destabilisatie van de financiële dienstverleningssector en tot een grote werkloosheidscrisis die op zijn beurt zou leiden tot politieke, sociale en economische instabiliteit.

(38)

Een groot aantal gekwalificeerde vennootschappen kan in Gibraltar niet worden aangeslagen voor belasting omdat hun inkomsten niet worden ontleend aan, voortkomen uit of worden verkregen in Gibraltar. Als gevolg van de voorwaarden om te worden gekwalificeerd, zouden de begunstigden in veel gevallen geen vermogensbestanddelen hebben die onder de jurisdictie van Gibraltar vallen. Anderen die hun bedrijfsactiviteiten hebben beëindigd, zijn niet meer te achterhalen.

(39)

Een groot aantal begunstigden ontvangt steun in overeenstemming met de de-minimisregel.

V.   OPMERKINGEN VAN CHARLES A. GOMEZ & CO.

(40)

De opmerkingen van Charles A. Gomez & Co. kunnen als volgt worden samengevat.

(41)

Juristen in Gibraltar zijn in belangrijke mate afhankelijk van werkzaamheden in het kader van het Centrum voor het Financiewezen waaraan gekwalificeerde vennootschappen een belangrijke bijdrage leveren. Zo’n 130 juristen hebben honderden werknemers in dienst en leveren een aanzienlijke indirecte bijdrage aan de werkgelegenheid in Gibraltar en Spanje.

(42)

De toepassing van artikel 87, lid 3, onder a), van het Verdrag kan niet worden beperkt tot gebieden waar de levensstandaard reeds laag is of waar reeds een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst. Het beginsel van artikel 87, lid 3, onder a), moet ook worden toegepast in het belang van voorkoming van werkloosheid en armoede. Toen de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen werd ingevoerd, had Gibraltar reeds 20 jaar te maken met door Spanje opgelegde economische sancties en werd geconfronteerd met de dreigende sluiting van de Koninklijke Marinewerf. Geconfronteerd met de optie van armoede, werkloosheid en emigratie vond Gibraltar een alternatieve bron van welvaart door de oprichting van het Centrum voor het Financiewezen van Gibraltar waaraan de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen een belangrijke bijdrage levert. Het Europese belang kan, door niet-toepassing van artikel 87, lid 3, onder a), van het Verdrag, het aanvaarden van armoede en werkloosheid niet koppelen aan deze situatie wanneer uitvoerbare alternatieven voorhanden zijn. Anders dan andere belangrijke financiële centra werd het centrum van Gibraltar uit noodzaak opgericht. Deze noodzaak, zelfverdediging en de verplichting om de door anderen veroorzaakte schade te beperken, rechtvaardigen de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen.

(43)

Sinds de toetreding in 1973 hebben de communautaire instellingen nagelaten de rechten en belangen te verdedigen van de burgers van de Europese Unie die in Gibraltar woonachtig zijn. Ondanks een uitspraak van het Hof van Justitie zijn de burgers van de Unie die in Gibraltar woonachtig zijn. niet in het Europees Parlement vertegenwoordigd. Door het ontbreken van enige betrokkenheid bij het „EU-grondgebied van Gibraltar” lijkt de eis van de Commissie betreffende de aanmelding van door Gibraltar genomen beschermende maatregelen buitensporig.

VI.   OPMERKINGEN VAN HET VERENIGD KONINKRIJK

(44)

Het Verenigd Koninkrijk heeft zijn opmerkingen in eerste instantie beperkt tot de vraag betreffende terugvordering van de verleende steun en tot regionale selectiviteit en is voorts ingegaan op de opmerkingen van de regering van Gibraltar. De opmerkingen van het Verenigd Koninkrijk kunnen als volgt worden samengevat.

(45)

Indien wordt geconcludeerd dat de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen onrechtmatige steun is die onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, is er een algemeen beginsel van communautair recht, namelijk dat van gewettigd vertrouwen, dat een eis tot terugvordering van reeds betaalde steun belet. Hoewel een gewettigd vertrouwen alleen in uitzonderlijke omstandigheden kan worden gewekt wanneer de ontvanger van de steun redelijkerwijs mocht aannemen dat de steun rechtmatig was (16), doen zich deze omstandigheden in de onderhavige zaak voor en het zou onbehoorlijk en onrechtmatig zijn indien de Commissie zou beslissen dat moet worden overgegaan tot terugvordering.

(46)

De onderhavige procedure ingevolge artikel 88, lid 2, van het Verdrag vloeit voort uit de in 1997 goedgekeurde gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen, waarin de Commissie zich heeft verplicht tot de strikte toepassing van de regels voor staatssteun op maatregelen die verband houden met rechtstreekse bedrijfsbelasting. Impliciet volgt uit die verklaring dat regels voor staatssteun in het verleden niet zo strikt werden toegepast op belastingregelingen waarvoor de gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen was bedoeld.

(47)

Het is hoogst onwaarschijnlijk dat de regering van Gibraltar of de regering van het Verenigd Koninkrijk in 1984 heeft gedacht aan de mogelijkheid dat de desbetreffende regels een schending waren van de verplichtingen van het Verenigd Koninkrijk op het gebied van staatssteun. Hoewel het op dat moment duidelijk was dat zeer specifieke of sectorale belastingvoordelen konden worden aangemerkt als staatssteun, was de toepassing van de regels voor staatssteun op meer algemene regelingen voor vennootschapsbelasting, zoals de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen, nog geen voorwerp geweest van serieuze wetenschappelijke beschouwingen noch van mededelingen van de Commissie. Het zou niet redelijk zijn om van voorzichtige en bezonnen ondernemers te verwachten dat zij zich zouden afvragen of de maatregel wel verenigbaar was met de regels voor staatssteun. Zij zouden op basis van de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen bedrijfsplannen hebben opgesteld en hun economische positie aangepast en konden ervan uitgaan dat de belastingvoordelen rechtmatig waren.

(48)

Punt 26 van de mededeling noemt specifiek de omstandigheden waaronder niet in het betrokken land gevestigde ondernemingen een gunstigere behandeling krijgen dan ondernemingen waarvoor dit wel het geval is. Dit was de eerste keer dat een verschillende belastingbehandeling tussen in het betrokken land gevestigde en aldaar niet gevestigde ondernemingen door de Commissie werd erkend als een wijze van selectie of „specificiteit” waardoor de regels voor staatssteun van toepassing werden. De regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen was reeds vele jaren eerder operationeel zonder kritiek of opmerkingen van de Commissie.

(49)

Enkel het feit dat de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen onderdeel is van de regelgeving van Gibraltar en niet van toepassing is in de rest van het Verenigd Koninkrijk, betekent niet dat er sprake is van een element van selectiviteit zoals vereist door artikel 87, lid 1, van het Verdrag. Gibraltar kent in belastingzaken autonomie en heeft een eigen rechtsgebied dat met betrekking tot belastingmaatregelen losstaat van de rest van het Verenigd Koninkrijk. Het is niet zo dat een verschil tussen de belastingwetten die in Gibraltar van toepassing zijn, en die welke in de rest van het Verenigd Koninkrijk van toepassing zijn, automatisch betekent dat er sprake is van staatssteun. Een rechtsgebied binnen een lidstaat met autonomie met betrekking tot belastingaangelegenheden kan geen staatssteun in het leven roepen enkel omdat een bepaald aspect van zijn belastingstelsel een lager (of hoger) belastingniveau tot gevolg heeft dan het belastingniveau dat in de rest van de lidstaat van toepassing is. Als een belastingmaatregel algemeen is in het relevante belastinggebied, kan deze niet vallen onder artikel 87, lid 1, van het Verdrag. Een andersluidende beslissing zou de bevoegdheden tot belastingheffing en belastingvariatie van gedeconcentreerde en gedecentraliseerde overheden in de gehele Gemeenschap ter discussie stellen. Dit zou een ernstige interventie zijn in de constitutionele organisatie van de lidstaten.

(50)

Het Verenigd Koninkrijk onderschrijft het standpunt van de regering van Gibraltar dat de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen moet worden aangemerkt als bestaande steun overeenkomstig artikel 1, letter b), onder v), van Verordening (EG) nr. 659/1999. In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw werd algemeen aangenomen dat de soevereiniteit van lidstaten inzake fiscale aangelegenheden niet werd beperkt door de regels voor staatssteun, voorzover het ging om volledige stelsels van vennootschapsbelasting. De Commissie heeft geen pogingen ondernomen om de regels voor staatssteun toe te passen op de belastingregeling van Gibraltar of op andere belastingregelingen in de Gemeenschap, die een gunstigere belastingbehandeling boden aan bepaalde soorten ondernemingen dan aan andere. Pas nadat er in de jaren tachtig en negentig overeenstemming werd bereikt over de volledige vrijmaking van het kapitaalverkeer en van de financiële diensten en nadat een gemeenschappelijke munteenheid in de jaren negentig was vastgesteld, werd er serieus aandacht besteed aan het beperken van schadelijke mededinging die voortvloeide uit de belastingregelingen van de lidstaten. Pas in de afgelopen vier jaar is ervaring opgedaan met het verschijnsel dat gebruik wordt gemaakt van de op staatssteun betrekking hebbende bepalingen van het Verdrag om gevolg te geven aan een dergelijk belastingbeleid. De gemeenschappelijke markt heeft zich in de afgelopen drie decennia ontwikkeld en veel instrumenten die vandaag de dag worden beschouwd als staatssteun werden 30, 20 of zelfs 10 jaar geleden niet gezien als staatssteun.

(51)

Zelfs als de Commissie in het licht van de huidige stand van de communautaire wetgeving gelijk heeft met haar standpunt dat de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen moet worden gezien als een maatregel van staatssteun die zou moeten worden aangemeld als deze vandaag de dag zou worden aangenomen, zou noch de Commissie noch het Hof van Justitie deze regeling op het moment dat deze werd aangenomen, hebben beschouwd als een vorm van staatssteun die zou moeten worden aangemeld. In 1984 was Spanje nog geen lidstaat en veel lidstaten beschikten over bankwetten en deviezencontroles ter voorkoming van het benutten van belastingvoordelen zoals Gibraltar die biedt. Het is verre van duidelijk of de maatregelen van Gibraltar op dat moment de mededinging konden verstoren en het handelsverkeer tussen de lidstaten konden beïnvloeden.

(52)

Destijds trad de Commissie op in zaken betreffende uiteenlopende belastingbehandeling en maakte waar mogelijk liever gebruik van artikel 95 (thans artikel 90) van het Verdrag dan dat zij zich beriep op de regels voor staatssteun. Wetenschappelijke commentatoren en fiscalisten waren niet van mening dat de beginselen van staatssteun van toepassing waren op andere zaken dan die waar specifieke belastingvrijstellingen werden geboden aan individuele ondernemingen of groepen ondernemingen om redenen die te maken hadden met industrieel beleid. Het is onmogelijk staande te houden dat maatregelen zoals Gibraltar’s regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen reeds vóór de publicatie van de mededeling op 10 december 1998 konden worden aangemerkt als staatssteun.

(53)

Met betrekking tot de vraag inzake terugvordering onderschrijft het Verenigd Koninkrijk met name het betoog van de regering van Gibraltar dat het standpunt van de Commissie dat de regels voor staatssteun stelselmatig moeten worden toegepast op rechtstreekse belastingmaatregelen, nieuw is en dat het onmogelijk is om de verleende steun terug te vorderen. Terugvordering zou een onevenredige last leggen op de autoriteiten van Gibraltar, veel gekwalificeerde vennootschappen zijn niet verplicht tot het betalen van vennootschapsbelasting in Gibraltar, het zou in een groot aantal gevallen onmogelijk zijn vast te stellen wat de verleende steun was dan wel de verleende steun terug te vorderen en veel begunstigden zouden de-minimissteun ontvangen.

VII.   BEOORDELING VAN DE STEUNMAATREGEL

(54)

Gelet op de opmerkingen van de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk, van de regering van Gibraltar en van Charles A. Gomez & Co., handhaaft de Commissie haar standpunt zoals dat is verwoord in haar tot de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk gerichte besluit van 11 juli 2001 (17) tot inleiding van de procedure van artikel 88, lid 2, van het Verdrag, namelijk dat de aan een onderzoek onderworpen regeling onrechtmatige door de staat verleende exploitatiesteun is die valt onder artikel 87, lid 1, van het Verdrag.

(55)

Teneinde te worden aangemerkt als staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het Verdrag moet een maatregel aan de volgende vier criteria voldoen.

(56)

In de eerste plaats moet de maatregel de begunstigden een voordeel verschaffen dat de lasten verlaagt die zij normaal bij de uitoefening van hun bedrijfsactiviteiten moeten dragen. Volgens punt 9 van de mededeling kan het belastingvoordeel worden toegekend door verschillende vormen van vermindering van de belastingdruk voor de onderneming en met name door een vermindering van het belastingbedrag. Het is duidelijk dat de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen aan dit criterium voldoet. In plaats van dat het in Gibraltar geldende standaardtarief voor vennootschapsbelasting van 35 % op hen van toepassing is, onderhandelen gekwalificeerde vennootschappen met de autoriteiten van Gibraltar over hun belastingtarief, zoals beschreven in overweging 9.

(57)

De opmerking dat de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen een belastingregeling is die is ontworpen om in een internationale context te worden toegepast, is niet relevant voor haar kwalificatie als een maatregel van staatssteun. De Commissie aanvaardt het argument dat Gibraltar niet bevoegd is belastingvoordelen te verlenen met betrekking tot andere rechtsgebieden. Dit doet echter niets af aan het feit dat gekwalificeerde vennootschappen onderhandelen over hun belastingtarief, hetgeen duidelijk aantoont dat zij inkomsten genereren waarover, indien geen sprake zou zijn van een speciale behandeling, vennootschapsbelasting tegen het standaardtarief zou worden geheven. Ongeacht de aard van de bedrijfsactiviteiten van de gekwalificeerde vennootschappen wordt hun de status van gekwalificeerde vennootschap verleend omdat zij ondernemingen zijn die in Gibraltar zijn geregistreerd of omdat het gaat om in Gibraltar geregistreerde branches van buitenlandse ondernemingen. Vergeleken met andere in Gibraltar geregistreerde ondernemingen profiteren gekwalificeerde vennootschappen derhalve in Gibraltar van een speciale en gunstigere belastingbehandeling.

(58)

In de tweede plaats moet het voordeel worden toegekend door de staat of met staatsmiddelen bekostigd worden. De toekenning van een belastingvermindering, zoals de belastingvermindering waarover door een gekwalificeerde vennootschap en de autoriteiten van Gibraltar wordt onderhandeld, brengt een verlies aan belastinginkomsten met zich, hetgeen, volgens punt 10 van de mededeling, neerkomt op het gebruik van staatsmiddelen in de vorm van fiscale uitgaven.

(59)

Het argument van de regering van Gibraltar dat de maatregel, via afscherming, geen duidelijke last plaatst op haar begroting, moet worden verworpen. Gelet op het bepaalde in artikel 87, lid 1, van het Verdrag is de Commissie van mening dat het belastingvoordeel wordt toegekend via staatsmiddelen, omdat de oorsprong van dit voordeel is gelegen in het feit dat de lidstaat afziet van belastinginkomsten die hij normaliter zou hebben ontvangen (18). Bij het ontbreken van een afgeschermd belastingvoordeel zou op de bedrijfsactiviteiten van gekwalificeerde vennootschappen, voorzover deze plaatsvinden onder de jurisdictie van de autoriteiten van Gibraltar, het volledige belastingtarief van Gibraltar worden toegepast. Het verschil in belastingtarief vertegenwoordigt de gederfde belastinginkomsten.

(60)

In de derde plaats moet de maatregel de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden. Aan dit criterium wordt voldaan omdat gekwalificeerde vennootschappen, daadwerkelijk of potentieel, in staat zijn handel te drijven met ondernemingen welke gevestigd zijn in andere lidstaten, dan wel hun bedrijfsactiviteiten kunnen ontplooien op markten van derde landen die openstaan voor ondernemingen van andere lidstaten. Dit is des te meer het geval omdat gekwalificeerde vennootschappen onder normale omstandigheden geen handel mogen drijven of zaken doen met onderdanen of ingezetenen van Gibraltar.

(61)

Zelfs als bepaalde gekwalificeerde vennootschappen worden opgericht met het oog op belastingvoordelen en niet handelen, produceren of concurreren op de markt, kan niet worden uitgesloten dat zij dat wel gaan doen. Het feit dat gekwalificeerde vennootschappen doorgaans „fysiek” aanwezig zijn in Gibraltar en inkomsten genereren waarover zij — weliswaar tegen een verlaagd tarief — vennootschapsbelasting moeten betalen, suggereert evenwel dat zij in feite economische activiteiten ontplooien. Dit wordt bevestigd door het grote aantal sectoren waarbinnen gekwalificeerde vennootschappen actief zijn (zie overweging 9).

(62)

De Commissie merkt op dat Gibraltar geen deel uitmaakt van het gemeenschappelijke douanegebied. Dit is echter niet van invloed op de toepassing van de regels voor staatssteun op de ondernemingen in Gibraltar die zich bezighouden met de handel in goederen. Niet voorkomen kan worden dat deze ondernemingen handel drijven met ondernemingen binnen het gemeenschappelijke douanegebied en evenmin dat ze concurreren op markten van derde landen waarop andere ondernemingen uit de Gemeenschap daadwerkelijk of potentieel actief zijn. Aangezien het belastingvoordeel dat wordt toegekend aan gekwalificeerde vennootschappen die zich bezighouden met de handel in goederen, hun positie versterkt, worden derhalve het handelsverkeer en de mededinging ongunstig beïnvloed.

(63)

De verbanden die worden gelegd met de argumentatie van de Commissie in Beschikking 2000/394/EG betreffende de steunmaatregelen ten behoeve van ondernemingen op het grondgebied van Venetië en Chiogga, moeten eveneens van de hand worden gewezen. De omstandigheden in de twee zaken zijn totaal verschillend. Met name de conclusie dat er geen gevolgen waren voor het handelsverkeer en er derhalve geen sprake was van steun aan drie bepaalde ondernemingen, was onder andere gebaseerd op de lokale aard van de verleende diensten. Deze overwegingen zijn duidelijk niet van toepassing op gekwalificeerde vennootschappen die, zoals de regering van Gibraltar zelf stelt, hun bedrijfsactiviteiten in een internationale context ontplooien.

(64)

De de-minimisregel kan niet worden aangewend om de toepassing van de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen te rechtvaardigen. Er is geen mechanisme om te voorkomen dat meer steun wordt verleend dan is toegestaan in het kader van de de-minimisregel, en de maatregel sluit evenmin sectoren uit waarop de de-minimisregel niet van toepassing is.

(65)

Ten slotte moet de maatregel specifiek of selectief zijn in die zin dat hij „bepaalde ondernemingen of bepaalde producties” begunstigt. De begunstigden van de maatregel zijn ondernemingen uit Gibraltar waarvan de economische eigendom van de aandelen niet in handen mag zijn van onderdanen of ingezetenen van Gibraltar. Bovendien mag de gekwalificeerde vennootschap in Gibraltar normaal gesproken geen handel drijven of zaken doen met onderdanen of ingezetenen van Gibraltar. De maatregel is derhalve selectief voorzover hij een gunstige belastingbehandeling verleent aan niet-Gibraltarese ondernemingen die hun bedrijfsactiviteiten in of vanuit Gibraltar ontplooien.

(66)

De opmerking dat de maatregel niet selectief is omdat iedereen een gekwalificeerde vennootschap kan oprichten, en de beperkingen betreffende het verkrijgen van de status van gekwalificeerde vennootschap een handeling zijn van omgekeerde discriminatie tegen ingezetenen van Gibraltar, toont niet aan dat de maatregel niet selectief is. Bij het onderzoek naar een maatregel moet een vergelijking worden gemaakt met het algemeen van toepassing zijnde systeem, in de onderhavige zaak de standaardregeling voor vennootschapsbelasting in Gibraltar. De regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen is duidelijk een uitzondering op het algemene systeem.

(67)

De Commissie neemt nota van de opmerkingen van het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot regionale specificiteit. De Commissie merkt ook op dat het Verenigd Koninkrijk niet heeft betwist dat de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen een algemene maatregel binnen het rechtsgebied der belastingen van Gibraltar is. De Commissie blijft derhalve bij haar standpunt dat de maatregel in materiële zin selectief is in Gibraltar. In de onderhavige zaak is het derhalve niet nodig om de vraag van regionale selectiviteit te beoordelen, die gedetailleerd aan de orde komt in de beschikking van de Commissie van 30 maart 2004 inzake de hervorming van de vennootschapsbelasting door de regering van Gibraltar (19).

(68)

Over deze vraag heeft het Gerecht van eerste aanleg zich gebogen. Het Gerecht van eerste aanleg verwierp de argumenten van de regering van Gibraltar tegen de eerste beoordeling van de Commissie inzake onrechtmatige steun met betrekking tot de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen (20). Het is niet relevant of de regeling inzake vrijgestelde vennootschappen uit 1967 daarvoor als voorbeeld heeft gediend, aangezien de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen tot stand kwam in 1983, na de toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot de Gemeenschap. De regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen kan derhalve niet worden aangemerkt als „bestaande steun” in de zin van artikel 1, letter b), onder i), van Verordening (EG) nr. 659/1999. Het Gerecht van eerste aanleg zelf heeft geconcludeerd dat er voldoende gronden waren voor de Commissie om de formele onderzoeksprocedure in te leiden.

(69)

Reeds in 1973 heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen uitdrukkelijk bepaald dat de regels voor staatssteun van toepassing zijn op fiscale maatregelen (21). Ook al zijn er slechts een paar voorbeelden van gevallen waarin de Commissie tegen algemene maatregelen op het gebied van vennootschapsbelasting is opgetreden, is dat niet van invloed op het bestaan of de onrechtmatige aard van de steunmaatregel. De in de onderhavige zaak aan de orde zijnde regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen kan niet worden aangemerkt als een algemene maatregel op het gebied van vennootschapsbelasting, omdat deze regeling een nogal specifieke reikwijdte heeft. In ieder geval kan het voor de eerste keer toepassen van een Verdragsbepaling op een specifieke situatie niet worden aangemerkt als het met terugwerkende kracht toepassen van een nieuwe regel.

(70)

De regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen is niet aangemeld bij de Commissie in overeenstemming met artikel 88, lid 3, van het Verdrag. Het feit dat de regeling onder de aandacht van de Primarolo-groep is gebracht, kan niet worden aangemerkt als een formele aanmelding bij de Commissie in het kader van de regels voor staatssteun.

(71)

Wat betreft het aangevoerde argument dat de mededeling een administratieve nieuwigheid of een beleidsverklaring is, heeft het Gerecht van eerste aanleg reeds bevestigd (22) dat de Commissie „[in de mededeling] evenwel niet aankondigt dat zij haar beschikkingspraktijk betreffende de toetsing van de belastingmaatregelen aan de artikelen 87 EG en 88 EG zal wijzigen”. Hieruit volgt dat het Verenigd Koninkrijk ongelijk heeft met zijn bewering dat maatregelen, zoals de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen, pas na de publicatie van de mededeling konden worden aangemerkt als staatssteun.

(72)

Door te beweren dat de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen pas steun werd in de zin van artikel 1, letter b), onder v), van Verordening (EG) nr. 659/1999 nadat deze in 1983 in werking was getreden, stelt de regering van Gibraltar, hierin ondersteund door het Verenigd Koninkrijk, dat de maatregel zo’n tien jaar voorafgaat aan de vrijmaking van het kapitaalverkeer. Deze algemene opmerking wordt echter niet gestaafd door specifieke argumenten met betrekking tot gekwalificeerde vennootschappen en derhalve kan stellig niet worden aangetoond dat de maatregel in 1983 geen steun was. Uit de regeling zelf blijkt duidelijk dat er geen beperkingen zijn met betrekking tot de economische sectoren waaraan gekwalificeerde vennootschappen kunnen participeren. Het is derhalve onduidelijk in welke mate, zo daarvan al sprake is, onbepaalde beperkingen op kapitaalverkeer in 1983 gevolgen hadden voor ondernemingen die profiteerden van de door de maatregel verleende belastingvoordelen.

(73)

Zelfs als, zoals het Verenigd Koninkrijk volhoudt, bankwetten en deviezencontroles van bepaalde lidstaten destijds verhinderden dat gebruik kon worden gemaakt van dergelijke buitenlandse belastingvoordelen, zou het bestaan van de belastingvoordelen evengoed de positie van gekwalificeerde vennootschappen hebben versterkt op markten waar dergelijke beperkingen niet van toepassing waren, vergeleken met hun concurrenten in andere lidstaten. Wat dit betreft heeft de regering van Gibraltar in wezen dezelfde argumenten aangedragen als die welke zij heeft gebruikt in haar pleidooi voor het Gerecht van eerste aanleg. Het Gerecht verwierp deze argumenten tegen de eerste beoordeling van de Commissie betreffende de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen en stelde vast dat dit „algemene betoog niet kan aantonen dat de belastingregeling van 1983 wegens haar intrinsieke kenmerken als een bestaande steunregeling moet worden aangemerkt” (23). Het Gerecht verwierp ook de verbanden die werden gelegd met de Ierse vennootschapsbelastingzaak (24) om reden dat de feitelijke en juridische situatie sterk verschilt van de onderhavige (25). De Commissie ziet derhalve geen reden om haar standpunt te wijzigen.

(74)

Wat betreft de vermeende schendingen van het evenredigheids-, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, veronderstellen de argumenten van de regering van Gibraltar een discretionaire bevoegdheid waarover de Commissie niet beschikt. In de Piaggio-zaak (26) besliste het Hof van Justitie dat het feit dat de Commissie op grond van opportuniteitsoverwegingen de desbetreffende regeling als bestaande steun aanmerkte, niet aanvaardbaar was wanneer die regeling niet overeenkomstig artikel 88, lid 3, van het Verdrag was aangemeld. Dienovereenkomstig heeft het Gerecht van eerste aanleg bevestigd (27) dat de vraag of een maatregel een bestaande of een nieuwe steunmaatregel oplevert, moet worden beantwoord ongeacht de tijd die is verstreken tussen de invoering van de betrokken maatregel en ongeacht enige vroegere administratieve praktijk, ongeacht de vermeende economische gevolgen. Om deze redenen moet het gestelde door Charles A. Gomez & Co. en het Verenigd Koninkrijk, dat de Commissie buiten proportie heeft gehandeld door van mening te zijn dat de maatregel had moeten worden aangemeld, worden verworpen. Evenzo roept de verjaringstermijn van artikel 15 van Verordening (EG) nr. 659/1999 geen algemeen beginsel in het leven op grond waarvan onrechtmatige steun kan worden omgezet in bestaande steun, maar belet slechts de terugvordering van verleende steun die tot stand kwam meer dan tien jaar vóór het eerste optreden van de Commissie.

(75)

De Commissie merkt op dat de procedure van de artikelen 96 en 97 van het Verdrag betrekking heeft op verschillen tussen algemene regelingen van de lidstaten (28). De regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen is daarentegen niet zo’n algemene regeling, maar een selectieve maatregel met een beperkte reikwijdte die duidelijk valt binnen de bereikwijdte van de regels voor staatssteun. De Commissie merkt ook op dat haar optreden volledig strookt met paragraaf J van de gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen.

(76)

Voorzover de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen in de zin van artikel 87, lid 1, van het Verdrag staatssteun is, moet de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt worden geëvalueerd in het licht van de in artikel 87, lid 2, en artikel 87, lid 3 vermelde afwijkingen.

(77)

De in artikel 87, lid 2, van het Verdrag vermelde afwijkingen die betrekking hebben op steunmaatregelen van sociale aard aan individuele verbruikers, steunmaatregelen tot herstel van de schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen en steunmaatregelen aan bepaalde streken van de Bondsrepubliek Duitsland, zijn in de onderhavige zaak niet van toepassing.

(78)

Met name de sluiting van de marinewerf kan niet worden beschouwd als een buitengewone gebeurtenis in de zin van artikel 87, lid 2, onder b), van het Verdrag. Ingevolge vaste besluitvorming van de Commissie is de bedoelde afwijking alleen van toepassing op omstandigheden waar de buitengewone gebeurtenis onvoorspelbaar is en buiten de controle van de autoriteiten van de lidstaat is gelegen. In 1981, drie jaar vóór de sluiting die in 1984 plaatsvond, hebben de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk de sluiting van de marinewerf aangekondigd.

(79)

De afwijking ingevolge artikel 87, lid 3, onder a), regelt de goedkeuring van steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst. Punt 3.5 van de richtsnoeren van de Commissie inzake regionale steunmaatregelen (29) stelt de methodologie vast die kan worden gebruikt om streken af te bakenen die in aanmerking kunnen komen voor de afwijking van artikel 87, lid 3, onder a), van het Verdrag. Hierbij wordt gebruikgemaakt van historische gegevens. In tegenstelling tot hetgeen Charles A. Gomez & Co. beweert, kan deze bepaling niet met het oog op de toekomst worden gebruikt en is deze alleen van toepassing op gebieden waar reeds sprake is van een lage levensstandaard of van een ernstig gebrek aan werkgelegenheid. Deze gebieden worden beschreven in de regionalesteunkaart van het Verenigd Koninkrijk (30). De autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk hebben niet voorgesteld om Gibraltar toe te voegen aan de regionalesteunkaart en hebben geaccepteerd dat Gibraltar in de periode 2000-2006 niet in aanmerking zou komen voor regionale steun. Aangezien Gibraltar thans niet tot die gebieden behoort en daar in het verleden ook nimmer toe heeft behoord, is artikel 87, lid 3, onder a), niet van toepassing. In ieder geval is niet betoogd dat Gibraltar per hoofd van de bevolking een BBP heeft dat beneden de drempel ligt die is vastgesteld in punt 3.5 van de richtsnoeren van de Commissie inzake regionale steunmaatregelen. Artikel 87, lid 3, onder a), kan niet worden gebruikt ter verzachting van onzekere en niet-kwantificeerbare toekomstige effecten, die op zich — door het gebruik van andere beleidsinstrumenten — door de nationale autoriteiten kunnen worden voorkomen of verzacht.

(80)

De regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen kan niet worden aangemerkt als een project van gemeenschappelijk Europees belang of om een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat op te heffen, zoals bedoeld in artikel 87, lid 3, onder b), van het Verdrag. Zoals de regering van Gibraltar heeft opgemerkt, geven de Commissie en het Hof van Justitie een strikte interpretatie aan artikel 87, lid 3, onder b), in die zin dat een ernstige verstoring gevolgen moet hebben voor de gehele economie van een lidstaat (31). De verstoring in kwestie, de sluiting van de marinewerf, had geen verstoring van de gehele economie van het Verenigd Koninkrijk tot gevolg. Hoewel de Commissie kennis neemt van het argument van de regering van Gibraltar, dat Gibraltar op constitutioneel, politiek, juridisch, economisch, fiscaal en geografisch gebied gescheiden is van het Verenigd Koninkrijk, doet dit niets af aan het feit dat Gibraltar voor de regels voor staatssteun onderdeel uitmaakt van het Verenigd Koninkrijk, ongeacht de unieke reikwijdte van artikel 299, lid 4, van het Verdrag. Er zijn in ieder geval andere gebieden binnen de Gemeenschap die eveneens worden gekenmerkt door een uiteenlopende soort en mate van scheiding van de lidstaat waarvan ze deel uitmaken. Geen van deze gebieden wordt met het oog op artikel 87, lid 3, onder b), als een op zichzelf staande lidstaat beschouwd. De parallellen die de regering van Gibraltar trekt met maatregelen die zijn genomen als reactie op de bovine spongiforme encefalopathie („BSE”)-crisis in het Verenigd Koninkrijk zijn niet relevant. De BSE-crisis werd aangemerkt als een buitengewone gebeurtenis en dus vielen deze maatregelen onder de reikwijdte van artikel 87, lid 2, onder b), van het Verdrag. Het is geen vereiste dat de buitengewone gebeurtenis voor de toepassing van artikel 87, lid 2, onder b), gevolgen moet hebben voor de betrokken lidstaat in zijn geheel.

(81)

De regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen heeft niet de bevordering van cultuur en de instandhouding van erfgoed tot doel, zoals voorzien in artikel 87, lid 3, onder d), van het Verdrag.

(82)

Tot slot moet de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen worden onderzocht in het licht van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag, dat de goedkeuring regelt van steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijke belang wordt geschaad. De belastingvoordelen die worden verleend door de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen zijn niet gerelateerd aan investeringen, het creëren van banen of specifieke projecten. Ze vormen simpelweg een vermindering van kosten die gewoonlijk ten laste dienen te komen van de betrokken ondernemingen bij het ontplooien van hun bedrijfsactiviteiten en moeten derhalve worden aangemerkt als door de staat verleende exploitatiesteun, waarvan de voordelen ophouden zodra de steun wordt stopgezet. Ingevolge de vaste praktijken van de Commissie kan een dergelijke vorm van steun niet worden aangemerkt als vergemakkelijking van de ontwikkeling van bepaalde activiteiten of van bepaalde economische gebieden in het kader van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag. Overeenkomstig de punten 4.15 en 4.16 van de richtsnoeren van de Commissie inzake regionale steunmaatregelen mag exploitatiesteun enkel bij uitzondering of onder speciale voorwaarden worden verleend. Bovendien is Gibraltar niet opgenomen in de regionalesteunkaart voor het Verenigd Koninkrijk voor de periode 2000-2006, zoals goedgekeurd door de Commissie onder staatssteunnummer N 265/00 (32).

(83)

Het Hof van Justitie heeft herhaaldelijk beslist dat, indien onrechtmatig verleende staatssteun onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt geacht, het een logisch gevolg van deze vaststelling is dat de verleende steun moet worden teruggevorderd van de begunstigden (33). Door terugvordering van de steun wordt de mededingingssituatie zoals die vóór het verlenen van de steun bestond zo goed mogelijk hersteld. In artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 659/1999 wordt echter bepaald dat „de Commissie geen terugvordering [verlangt] van de steun indien zulks in strijd is met een algemeen beginsel van het Gemeenschapsrecht”.

(84)

Het betoog van de regering van Gibraltar dat er gewettigd vertrouwen is gewekt door de onzekerheid van de reikwijdte van de regels voor staatssteun en de zeldzaamheid of noviteit van het optreden van de Commissie tegen belastingmaatregelen, ongeacht of die een buitenlands karakter hebben of niet, moet worden verworpen. Alleen in buitengewone omstandigheden kan een ontvanger van onrechtmatige steun de verplichting ontlopen om die steun terug te betalen en alleen aan de nationale rechter staat het de omstandigheden van het geval te beoordelen (34). Aangezien de publicatie van de mededeling geen beleidsverklaring van de Commissie inhield en evenmin, zoals het Verenigd Koninkrijk suggereert, een verscherping van de toepassing van de regels voor staatssteun betekende, kan hierdoor geen gewettigd vertrouwen zijn gewekt (35). Wanneer een Verdragsregel op een specifieke situatie voor het eerst wordt toegepast, wordt daardoor geen gewettigd vertrouwen met betrekking tot het verleden gewekt. In ieder geval heeft, in tegenstelling tot wat het Verenigd Koninkrijk suggereert, de verschillende belastingbehandeling tussen al dan niet in het betrokken land gevestigde ondernemingen een belangrijke rol gespeeld in eerdere beschikkingen van de Commissie op het gebied van staatssteun (36).

(85)

De aanmelding van de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen bij de Primarolo-groep heeft, verre van dat daardoor een gewettigd vertrouwen werd gewekt, de maatregel duidelijk geplaatst binnen de reikwijdte van de in paragraaf J van de gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen genoemde verplichting van de Commissie om de geldende belastingregelingen van de lidstaten te onderzoeken of opnieuw te onderzoeken, met alle gevolgen die onderzoeken naar staatssteun met zich brengen.

(86)

Wat betreft de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt en de vrijmaking van kapitaalverkeer en financiële diensten, heeft de regering van Gibraltar enkel algemene argumenten aangedragen die onvoldoende zijn om te kunnen bepalen dat terecht sprake is van gewettigd vertrouwen. De Commissie merkt met name op dat er geen specifieke onderbouwing heeft plaatsgevonden omtrent het gestelde dat de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt een dergelijk vertrouwen heeft gewekt, en evenmin zijn er argumenten aangedragen met betrekking tot de gevolgen van specifieke liberaliseringsmaatregelen. Bovendien is het duidelijk dat de reikwijdte van de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen verder gaat dan de sectoren die de gevolgen kunnen hebben gevoeld van beperkingen op het gebied van kapitaalverkeer en financiële diensten.

(87)

De regering van Gibraltar beroept zich op de Defrenne-zaak om haar argument te staven dat de vertragingen zowel vóór als tijdens het onderzoek naar de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen een gewettigd vertrouwen hebben gewekt. De feitelijke en juridische situatie in de Defrenne-zaak waren echter heel anders. Met name door voortdurend na te laten om op te treden tegen inbreuken van bepaalde lidstaten, heeft de Commissie, ondanks haar eigen onderzoeken naar de betrokken inbreuken en ondanks herhaalde waarschuwingen dat zij daartegen zou optreden, de lidstaten bevestigd in de verwachtingen die zij hadden omtrent de uitvoering van artikel 119 (thans artikel 141) van het Verdrag. Daarentegen heeft de Commissie haar aandacht slechts sporadisch gevestigd op de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen en het was pas na de goedkeuring van de gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen dat de Commissie stelselmatig een onderzoek heeft ingeleid naar de belastingregelingen van de lidstaten.

(88)

De vermeende vertragingen in het voorafgaande onderzoek kunnen evenmin een gewettigd vertrouwen wekken. Zo er al sprake is van vertragingen, dan zijn die vertragingen bevorderd door het niet in acht nemen door het Verenigd Koninkrijk van de in de verzoeken tot het verstrekken van informatie genoemde termijnen. Het voorafgaande onderzoek moet eveneens worden geplaatst in het bredere kader van het gevolg dat de Commissie heeft gegeven aan de goedkeuring van de gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen waarbij zij bij de lidstaten informatie heeft ingewonnen omtrent zo’n 50 belastingmaatregelen. De regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen was slechts een van deze maatregelen. De Commissie heeft tijdens het voorafgaande onderzoek niet stilgezeten, maar heeft zich tegelijkertijd moeten bezighouden met gekwalificeerde vennootschappen en met haar voorafgaande onderzoek naar de overige maatregelen.

(89)

Een deel van de tijd is besteed aan het onderzoek naar de regeling inzake vrijgestelde vennootschappen die, volgens de regering van Gibraltar, bijna „woordelijk” als voorbeeld heeft gediend voor de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen. In de onderhavige zaak heeft de regering van Gibraltar zelf verwezen naar de stukken die zij heeft voorgelegd met betrekking tot vrijgestelde vennootschappen (bijvoorbeeld het van haar afkomstige document dat is ingediend door het Verenigd Koninkrijk bij schrijven van 12 september 2000), waarin werd gesteld dat de opmerkingen met betrekking tot vrijgestelde vennootschappen mutatis mutandis van toepassing zijn op gekwalificeerde vennootschappen. Voorzover de Commissie weet, hebben de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk de regering van Gibraltar op de hoogte gehouden van het verloop van het onderzoek. De regering van Gibraltar heeft ook de gelegenheid gehad om het onderzoek naar haar buitenlandse belastingregelingen te bespreken tijdens de bijeenkomst van 19 oktober 2000 en zij heeft tijdens alle fasen van het onderzoek de gelegenheid gehad te informeren naar de voortgang, de timing en de te verwachten uitkomst van het onderzoek.

(90)

Het kan juist zijn dat er onzekerheden bestonden over het nut om in afwachting van de voortgang van het terugschroeven van schadelijke maatregelen voor bepaalde belastingmaatregelen de procedure voor staatssteun in te leiden. Dit hield echter gedeeltelijk verband met bestaande steunmaatregelen waarvoor, als ze in overeenstemming met de gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen zouden worden teruggeschroefd, een onderzoek naar staatssteun geen enkele zin meer zou hebben. De Commissie was ook van mening dat het in het belang van gelijke behandeling beter zou zijn om met betrekking tot een aantal maatregelen en een groot aantal lidstaten tegelijkertijd procedures in te leiden in plaats van te kiezen voor een trapsgewijze aanpak.

(91)

Aangaande de stelling dat er een verjaringstermijn zou moeten zijn, wordt opgemerkt dat er in feite sprake is van een dergelijke termijn en dat dit in artikel 15 van Verordening (EG) nr. 659/1999 is geregeld. Het betreft de verjaring van de terugvordering van steun die meer dan tien jaar vóór het eerste optreden van de Commissie is verleend, in de onderhavige zaak tien jaar vóór het schrijven van de Commissie van 12 februari 1999.

(92)

De Commissie neemt nota van de opmerkingen van de regering van Gibraltar over het belang van het specifieke verzoek van de Commissie om opmerkingen omtrent de terugvordering van steun. Hoewel het verzoek duidelijk aangaf dat de Commissie onzeker was over de kwestie van terugvordering, diende het ook als een expliciet signaal aan de begunstigden dat, indien de maatregel zou worden aangemerkt als onrechtmatige en onverenigbare steun, de terugvordering van reeds verleende steun onmiskenbaar tot de mogelijkheden behoorde en in beginsel het logische gevolg zou zijn. Hoewel de president van het Gerecht van eerste aanleg opmerkte dat dit „uitdrukkelijke verzoek […] op het eerste gezicht […] de eventuele ongerustheid bij de huidige begunstigden van de betrokken regelingen aanzienlijk [moet] bedaren,” heeft hij niet geconcludeerd dat die ongerustheid van de baan was (37). Als hij dat wel zou hebben gedaan, zou dat de Commissie in de absurde situatie hebben geplaatst dat het ongewenste gevolg van het vragen naar standpunten over een bepaalde te volgen handelswijze, die handelswijze juist onmogelijk zou maken.

(93)

Het zich openlijk uitspreken over de onzekerheden van de Commissie aangaande het bestaan of de onrechtmatige aard van de steunmaatregel zou erop hebben geduid dat een beslissing dat er sprake zou zijn van onrechtmatige steun, met alle gevolgen van dien, duidelijk tot de mogelijkheden behoorde.

(94)

De stelling dat een eis tot terugvordering inbreuk zou betekenen op het evenredigheidsbeginsel, moet eveneens van de hand worden gewezen. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie (38) kan de terugvordering van onwettige staatssteun teneinde de vroegere toestand te herstellen, in beginsel niet worden beschouwd als een maatregel die onevenredig is.

(95)

De Commissie verwerpt de bewering dat een eis tot terugvordering een onevenredige administratieve belasting voor de autoriteiten van Gibraltar zou zijn. Volgens het Verenigd Koninkrijk zijn er ongeveer 140 gekwalificeerde vennootschappen. Dit is minder dan 10 % van de ondernemingen die jaarlijks in Gibraltar voor belasting worden aangeslagen. Aangezien de meeste, zo niet alle, gekwalificeerde vennootschappen inkomstenbelasting moeten betalen, zij het tegen een verlaagd tarief, en die vennootschappen doorgaans „fysiek” aanwezig zijn in Gibraltar, concludeert de Commissie dat de administratieve belasting niet buitensporig zal zijn. Wat betreft de opmerking over de beperkte onderzoeksbevoegdheden van de belastingdienst van Gibraltar, heeft het Hof van Justitie beslist dat nationale bepalingen aldus moeten worden toegepast, dat terugvordering niet onmogelijk wordt gemaakt (39).

(96)

In een poging om publicatie van de beschikking tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure te voorkomen (40) heeft de regering van Gibraltar argumenten van gelijke strekking gebruikt als die welke worden vermeld in overweging 37 met betrekking tot de gevolgen van terugvordering voor de economie van Gibraltar. Dit is niet gebeurd en het is verre van zeker dat dit wel zou gebeuren als gevolg van een eis tot terugvordering in de onderhavige zaak. De Commissie merkt ook op dat de argumenten met betrekking tot de gevolgen van terugvordering op de economie van Gibraltar zowel betrekking hadden op de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen als op de regeling inzake vrijgestelde vennootschappen. Sinds de regering van Gibraltar haar opmerkingen heeft ingediend, is de dreiging van terugvordering in die mate afgenomen dat, na de nietigverklaring van de beschikking van de Commissie tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure inzake staatssteun (41), de oorspronkelijke regeling inzake vrijgestelde vennootschappen uit 1967 thans wordt onderzocht als een bestaande steunregeling. Met betrekking tot deze regeling kan er geen eis tot terugvordering komen en dus zullen de door de regering van Gibraltar verwachte gevolgen, voorzover die zich al zullen voordoen, minder groot zijn. De Commissie kan echter in ieder geval niet toestaan dat deze hypothetische overwegingen verhinderen dat de mededingingssituatie die bestond vóór de invoering van een onrechtmatige steunmaatregel, voorzover dat mogelijk is, wordt hersteld.

(97)

De Commissie neemt nota van de opmerkingen van de regering van Gibraltar dat bepaalde gekwalificeerde vennootschappen in Gibraltar niet belastingplichtig zijn, dat sommige ondernemingen geen activa hebben die onder de jurisdictie van Gibraltar vallen, dat sommige ondernemingen hun bedrijfsactiviteiten hebben beëindigd en dat sommige ondernemingen minder steun ontvangen dan de de-minimisdrempel. Deze overwegingen kunnen, op zichzelf, geen eis tot terugvordering voorkomen. Deze overwegingen kunnen de autoriteiten van een lidstaat evenmin ontheffen van de verplichting om de noodzakelijke stappen te zetten om volledig mee te werken aan een eis tot terugvordering, omdat die overwegingen alleen relevant worden in het kader van een onderzoek van een individueel geval. In deze context merkt de Commissie op dat de voordelen van de status van een gekwalificeerde vennootschap niet beperkt zijn tot de-minimissteun en dat ze evenmin beperkt zijn tot ondernemingen die belastingplichtig zijn in Gibraltar of die geen activa hebben die onder de jurisdictie van de autoriteiten van Gibraltar vallen.

(98)

De Commissie laat zich niet uit over de goede trouw, of anderszins, van de autoriteiten van Gibraltar. Uit de uitspraak van het Hof van Justitie (42) volgt echter dat, indien een bestaande steunmaatregel wordt gewijzigd opdat die maatregel door de wijziging nieuwe steun wordt of omdat die wijziging zelf een nieuwe steunmaatregel is, die wijziging de reikwijdte van de maatregel moet verbreden en/of het te behalen voordeel moet vergroten.

(99)

In de onderhavige zaak neemt de Commissie nota van de uitspraak van het Gerecht van eerste aanleg dat de regeling inzake vrijgestelde vennootschappen van Gibraltar uit 1967 moet worden aangemerkt als een bestaande steunmaatregel (43). De Commissie neemt er eveneens nota van dat de regeling inzake vrijgestelde vennootschappen als voorbeeld heeft gediend voor de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen. De voorwaarden om voor beide regelingen in aanmerking te komen zijn grotendeels identiek. De essentiële verschillen hebben betrekking op de vaststelling van de jaarlijks te betalen belasting. In plaats van een zeer lage, vaste jaarlijkse belasting te betalen, betalen gekwalificeerde vennootschappen een percentage over hun in een jaar behaalde winst. Hieruit volgt dat gekwalificeerde vennootschappen over hun behaalde winst een hoger belastingtarief betalen dan vrijgestelde vennootschappen. Vergeleken met de regeling inzake vrijgestelde vennootschappen kan de meer restrictieve regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen derhalve worden geacht een beperkt voordeel te bieden, in de zin van artikel 87, lid 1, van het Verdrag. De Commissie merkt ook op dat in het onwaarschijnlijke geval dat de door een gekwalificeerde vennootschap betaalde belasting lager zou zijn dan de vaste jaarlijkse belasting van een gelijkwaardige vrijgestelde vennootschap, het verschil onder de de-minimisdrempel zou vallen. De regeling biedt een gekwalificeerde vennootschap een minimum belastingtarief van 0 %, terwijl vrijgestelde vennootschappen een vaste jaarlijkse belasting van tussen de 225 en 300 GBP betalen.

(100)

Wanneer, volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, een voorzichtig en bezonnen handelaar de vaststelling van een voor zijn belangen nadelige communautaire maatregel kan voorzien, kan hij zich niet op het beginsel van bescherming van het gewettigde vertrouwen beroepen wanneer die maatregel wordt vastgesteld (44). Gelet op de overeenkomsten tussen de regeling inzake vrijgestelde vennootschappen en de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen is het moeilijk te begrijpen hoe een voorzichtig en bezonnen handelaar zou kunnen hebben voorzien dat op deze twee regelingen verschillende procedures voor staatssteun van toepassing zouden kunnen zijn. De verschillen tussen de twee regelingen maken, meer nog dan de overeenkomsten met betrekking tot het ontwerp ervan, duidelijk dat de autoriteiten van Gibraltar wilden dat de desbetreffende buitenlandse ondernemingen met een fysieke aanwezigheid in Gibraltar belasting zouden betalen, zij het tegen een lager tarief. Het is derhalve redelijk om aan te nemen dat een voorzichtig en bezonnen ondernemer, handelend in goed vertrouwen, gegronde redenen had om ervan te mogen uitgaan dat hij, door te kiezen voor de minder gunstige regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen in plaats van voor de onbetwist rechtmatige (in staatssteunbewoordingen, bestaande) regeling inzake vrijgestelde vennootschappen, eveneens gebruik zou maken van een regeling waarvan de rechtmatigheid niet ter discussie stond. Om die reden concludeert de Commissie dat een eis tot terugvordering, in de buitengewone omstandigheden die zich in de onderhavige zaak voordoen, in strijd is met een algemeen beginsel van het Gemeenschapsrecht.

VIII.   CONCLUSIES

(101)

Geconcludeerd wordt dat de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen van Gibraltar staatssteun is in de zin van artikel 87, lid 1, van het Verdrag en dat geen van de in artikel 87, lid 2 of lid 3, genoemde afwijkingen van toepassing is. Geconcludeerd wordt ook dat het Verenigd Koninkrijk de betrokken regeling onrechtmatig heeft uitgevoerd, in strijd met artikel 88, lid 3, van het Verdrag. De begunstigden van de regeling mochten echter uitgaan van het gewettigde vertrouwen dat de rechtmatigheid van de regeling niet ter discussie stond. Derhalve dient de steun die in het kader van de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen is verleend, niet te worden teruggevorderd,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De staatssteun die het Verenigd Koninkrijk in het kader van de regeling inzake gekwalificeerde vennootschappen heeft verleend, zoals vervat in de Gibraltar Income Tax (Amendment) Ordinance (ordonnantie tot wijziging van de ordonnantie inzake inkomstenbelasting in Gibraltar) van 14 juli 1983 en de Gibraltar Income Tax (Qualifying Companies) Rules (regels inzake de inkomstenbelasting voor gekwalificeerde vennootschappen in Gibraltar) van 22 september 1983, is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.

Artikel 2

Het Verenigd Koninkrijk trekt de in artikel 1 bedoelde regeling in.

Artikel 3

Het Verenigd Koninkrijk deelt de Commissie binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van deze beschikking mee welke maatregelen het heeft genomen om hieraan te voldoen.

Artikel 4

Deze beschikking is gericht tot het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

Gedaan te Brussel, 30 maart 2004.

Voor de Commissie

Mario MONTI

Lid van de Commissie


(1)  PB C 26 van 30.1.2002, blz. 9.

(2)  Gevoegde zaken T-195/01 R en T-207/01 R (Gibraltar/Commissie), Jurisprudentie 2001, blz. II-3915.

(3)  Gevoegde zaken T-195/01 en T-207/01 (Gibraltar/Commissie), Jurisprudentie 2002, blz. II-2309.

(4)  Zie voetnoot 1.

(5)  Circa twaalf ondernemingen vallen buiten deze 2-10 %-schaal. De belastingtarieven voor die ondernemingen worden van geval tot geval overeengekomen. Ze lopen uiteen van 0,5 % tot 1,5 % en van 21 % tot 34 %. Er is geen verband tussen het belastingtarief dat wordt toegepast en het terrein waarop de onderneming haar activiteiten ontplooit. De ondernemingen zijn in verschillende sectoren werkzaam zoals bijvoorbeeld holdings voor particuliere investeringen, marketing en de verkoop van vakantiehuizen, buitenlandse bankzaken, scheepsreparaties en marketingadvisering.

(6)  Vrijgestelde ondernemingen betalen geen belasting op hun winst, maar betalen in plaats daarvan een vaste jaarlijkse belasting van 225 tot 300 GBP.

(7)  PB C 2 van 6.1.1998, blz. 2.

(8)  PB L 150 van 23.6.2000, blz. 50 (overwegingen 90, 91 en 93).

(9)  PB C 384 van 10.12 1998, blz. 3.

(10)  PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1. Verordening gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.

(11)  PB C 395 van 18.12.1998, blz. 19.

(12)  Zaak 43-75 (Defrenne/Sabena), Jurisprudentie 1976, blz. 455, rechtsoverwegingen 72, 73 en 74.

(13)  Gevoegde zaken T-132/96 en T-143/96 (Freistaat Sachsen en anderen/Commissie), Jurisprudentie 1999, blz. II-3663, rechtsoverweging 167 e.v.

(14)  Zie voetnoot 1.

(15)  Gevoegde zaken T-195/01 R en T-207/01, rechtsoverwegingen 104 en 113.

(16)  Zaak 223/85 (Rijn-Schelde-Verolme/Commissie), Jurisprudentie 1987, blz. 4617.

(17)  Zie voetnoot 1.

(18)  Zie bijvoorbeeld zaak C-156/98 (Duitsland/Commissie), Jurisprudentie 2000, blz. I-6857, rechtsoverweging 26.

(19)  Beschikking van de Commissie van 30 maart 2004 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(20)  Zie de gevoegde zaken T-195/01 en T-207/01 (rechtsoverwegingen 117 tot en met 131).

(21)  Zaak 173/73 (Italië/Commissie), Jurisprudentie 1974, blz. 709, rechtsoverweging 13.

(22)  Gevoegde zaken T-269/99, T-271/99 en T-272/99 (Diputación Foral de Guipúzcoa en anderen/Commissie), Jurisprudentie 2002, blz. II-4217, rechtsoverweging 79.

(23)  Zie de gevoegde zaken T-195/01 en T-207/01.

(24)  PB C 395 van 18.12.1998, blz. 14.

(25)  Gevoegde zaken T-195/01 en T-207/01, rechtsoverwegingen 120 en 123.

(26)  Zaak C-295/97 (Piaggio/Ifitalia en anderen), Jurisprudentie 1999, blz. I-3735.

(27)  Gevoegde zaken T-195/01 en T-207/01, rechtsoverweging 121.

(28)  Zie punt 6 van de mededeling.

(29)  PB C 74 van 10.3.1998, blz. 9.

(30)  PB C 272 van 23.9.2000, blz. 43, en goedkeuringsbrief SG(2000) D/106293 van de Commissie van 17 augustus 2000.

(31)  Zie de gevoegde zaken T-132/96 en T-143/96 (Freistaat en anderen/Commissie), Jurisprudentie 1999, blz. II-3663, rechtsoverwegingen 166, 167 en 168.

(32)  Gevoegde zaken T-132/96 en T-143/96.

(33)  Zie bijvoorbeeld zaak C-169/95 (Spanje/Commissie), Jurisprudentie 1997, blz. I-135, rechtsoverweging 47.

(34)  Zie bijvoorbeeld zaak C-5/89 (Commissie/Duitsland), Jurisprudentie 1990, blz. I-3437, zaak T-67/94 (Ladbroke Racing/Commissie), Jurisprudentie 1998, blz. II-1, en zaak T-459/93 (Siemens/Commissie) Jurisprudentie 1995, blz. I-1675.

(35)  Zie voetnoot 23.

(36)  Zie bijvoorbeeld overweging 10 van Beschikking 95/452/EG van de Commissie van 12 april 1995 betreffende steunmaatregelen in de vorm van belastingvoordelen voor ondernemingen die hun bedrijf uitoefenen in het „Centro di servizi finanziari ed assicurativi” (Centrum voor dienstverlening op financieel en op verzekeringsgebied) van Triëst, uit hoofde van de Italiaanse wet nr. 19 van 9 januari 1991, artikel 3 (PB L 264 van 7.11.1995, blz. 30).

(37)  Gevoegde zaken T-195/01 R en T-207/01 (Gibraltar/Commissie), rechtsoverweging 113.

(38)  Zie bijvoorbeeld de gevoegde zaken C-278/92, C-279/92 en C-280/92 (Spanje/Commissie), Jurisprudentie 1994, blz. I-4103.

(39)  Zie bijvoorbeeld zaak C-24/95 (Rheinland Pfalz/Alcan), Jurisprudentie 1997, blz. I-1591.

(40)  Gevoegde zaken T-195/01 R en T-207/01 (Gibraltar/Commissie), rechtsoverwegingen 94 tot en met 105.

(41)  Gevoegde zaken T-195/01 en T-207/01, rechtsoverweging 115.

(42)  Gevoegde zaken T-195/01 en T-207/01, rechtsoverweging 111.

(43)  Gevoegde zaken T-195/01 en T-207/01, rechtsoverweging 113.

(44)  Zie bijvoorbeeld zaak 265/85 (Van den Bergh en Jurgens/Commissie), Jurisprudentie 1987, blz. 1155, rechtsoverweging 44.


2.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/39


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 1 februari 2005

tot wijziging van Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom

(2005/78/EG, Euratom)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 218, lid 2,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name op artikel 131, lid 2,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 28, lid 1, en artikel 41, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Met het oog op een vlot verloop van het besluitvormingsproces van de Europese Unie werd bij het opzetten van het veiligheidssysteem van de Commissie uitgegaan van de beginselen van Besluit 2001/264/EG van de Raad van 19 maart 2001 tot vaststelling van beveiligingsvoorschriften van de Raad (1).

(2)

De veiligheidsvoorschriften van de Commissie zijn opgenomen in de bijlage bij Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom van de Commissie van 29 november 2001 tot wijziging van haar reglement van orde (2).

(3)

In Aanhangsel 1 bij deze veiligheidsvoorschriften is een vergelijkend overzicht van de nationale beveiligingsrubriceringen opgenomen.

(4)

Op 16 april 2003 hebben Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije het Verdrag betreffende hun toetreding tot de Europese Unie (3) ondertekend. Aanhangsel 1 bij de veiligheidsvoorschriften dient te worden gewijzigd teneinde met deze staten rekening te houden.

(5)

Op 14 maart 2003 hebben de Europese Unie en de NAVO een overeenkomst inzake gegevensbeveiliging (4) ondertekend. Aanhangsel 1 bij de veiligheidsvoorschriften dient derhalve tevens met de NAVO-rubriceringsgraden in overeenstemming te worden gebracht.

(6)

Frankrijk en Nederland hebben hun wetgeving betreffende rubricering gewijzigd.

(7)

Aanhangsel 1 bij de veiligheidsvoorschriften dient omwille van de duidelijkheid te worden vervangen.

(8)

Tevens dient de bijlage bij Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom te worden gecorrigeerd teneinde ervoor te zorgen dat de vier rubriceringen in alle taalversies op homogene wijze worden gebruikt,

BESLUIT:

Artikel 1

Aanhangsel 1 bij de veiligheidsvoorschriften die zijn opgenomen in de bijlage bij Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom wordt vervangen door de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

De bijlage bij Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom wordt gecorrigeerd door in alle taalversies de vier rubriceringen waar nodig te vervangen door de volgende rubriceringen, die steeds in hoofdletters dienen te worden geschreven:

„RESTREINT UE”,

„CONFIDENTIEL UE”,

„SECRET UE”,

„TRES SECRET UE/EU TOP SECRET”.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 1 februari 2005.

Voor de Commissie

Siim KALLAS

Vice-voorzitter


(1)  PB L 101 van 11.4.2001, blz. 1. Besluit gewijzigd bij Besluit 2004/194/EG (PB L 63 van 28.2.2004, blz. 48).

(2)  PB L 317 van 3.12.2001, blz. 1.

(3)  PB L 236 van 23.9.2003, blz. 17.

(4)  PB L 80 van 27.3.2003, blz. 36.


BIJLAGE

„Aanhangsel 1

VERGELIJKING VAN DE NATIONALE RUBRICERINGEN

EU-rubricering

TRES SECRET UE/EU TOP SECRET

SECRET UE

CONFIDENTIEL UE

RESTREINT UE

WEU-rubricering

FOCAL TOP SECRET

WEU SECRET

WEU CONFIDENTIAL

WEU RESTRICTED

Euratom-rubricering

EURA TOP SECRET

EURA SECRET

EURA CONFIDENTIAL

EURA RESTRICTED

NAVO-rubricering

COSMIC TOP SECRET

NATO SECRET

NATO CONFIDENTIAL

NATO RESTRICTED

Oostenrijk

Streng Geheim

Geheim

Vertraulich

Eingeschränkt

België

Très Secret

Secret

Confidentiel

Diffusion restreinte

Zeer Geheim

Geheim

Vertrouwelijk

Beperkte Verspreiding

Cyprus

Άκρως Απόρρητο

Απόρρητο

Εμπιστευτικό

Περιορισμένης Χρήσης

Tsjechië

Přísně tajné

Tajné

Důvěrné

Vyhrazené

Denemarken

Yderst hemmeligt

Hemmeligt

Fortroligt

Til tjenestebrug

Estland

Täiesti salajane

Salajane

Konfidentsiaalne

Piiratud

Duitsland

Streng geheim

Geheim

VS (1) — Vertraulich

VS — Nur für den Dienstgebrauch

Griekenland

Άκρως Απόρρητο

Απόρρητο

Εμπιστευτικό

Περιορισμένης Χρήσης

Abr: ΑΑΠ

Abr: (ΑΠ)

Αbr: (ΕΜ)

Abr: (ΠΧ)

Finland

Erittäin salainen

Erittäin salainen

Salainen

Luottamuksellinen

Frankrijk

Très Secret Défense (2)

Secret Défense

Confidentiel Défense

 

Ierland

Top Secret

Secret

Confidential

Restricted

Italië

Segretissimo

Segreto

Riservatissimo

Riservato

Letland

Sevišķi slepeni

Slepeni

Konfidenciāli

Dienesta vajadzībām

Litouwen

Visiškai slaptai

Slaptai

Konfidencialiai

Riboto naudojimo

Luxemburg

Très Secret

Secret

Confidentiel

Diffusion restreinte

Hongarije

Szigorúan titkos !

Titkos !

Bizalmas !

Korlátozott terjesztésű !

Malta

L-Ghola Segretezza

Sigriet

Kunfidenzjali

Ristrett

Nederland

Stg (3). Zeer Geheim

Stg. Geheim

Stg. Confidentieel

Departementaalvertrouwelijk

Polen

Ściśle Tajne

Tajne

Poufne

Zastrzeżone

Portugal

Muito Secreto

Secreto

Confidencial

Reservado

Slovenië

Strogo tajno

Tajno

Zaupno

SVN Interno

Slowakije

Prísne tajné

Tajné

Dôverné

Vyhradené

Spanje

Secreto

Reservado

Confidencial

Difusión Limitada

Zweden

Kvalificerat hemlig

Hemlig

Hemlig

Hemlig

Verenigd Koninkrijk

Top Secret

Secret

Confidential

Restricted”


(1)  VS = Verschlusssache.

(2)  De rubricering „Très Secret Défense”, die gebruikt wordt voor belangrijke dossiers van de regering, mag slechts worden gewijzigd met toestemming van de eerste minister.

(3)  Stg = staatsgeheim.


2.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/42


BESLUIT Nr. 1/2005 VAN HET GEMENGD COMITÉ EG-ZWITSERLAND

van 1 februari 2005

tot vervanging van de tabellen III en IV b) van Protocol nr. 2

(2005/79/EG)

HET GEMENGD COMITÉ,

Gelet op de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat, ondertekend in Brussel op 22 juli 1972, hierna de „Overeenkomst” genoemd, zoals gewijzigd bij de Overeenkomst inzake de bepalingen betreffende verwerkte landbouwproducten, ondertekend in Luxemburg op 26 oktober 2004, en op Protocol nr. 2 daarvan, en met name op artikel 7 van de Overeenkomst;

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Voor de uitvoering van Protocol nr. 2 bij de Overeenkomst stelt het Gemengd Comité de binnenlandse referentieprijzen voor de overeenkomstsluitende partijen vast.

(2)

Op de binnenlandse markten van de overeenkomstsluitende partijen zijn de feitelijke prijzen van de grondstoffen waarvoor prijscompenserende maatregelen worden toegepast, gewijzigd.

(3)

De referentieprijzen en bedragen in de tabellen III en IV b) in Protocol nr. 2 moeten daarom dienovereenkomstig worden aangepast.

(4)

Dit besluit moet in werking treden op de dag waarop de voorlopige toepassing van de op 26 oktober 2004 ondertekende wijzigingsovereenkomst effectief wordt, namelijk op de eerste dag van de vierde maand na de datum van ondertekening, mits de uitvoeringsmaatregelen zoals bedoeld in artikel 5, lid 4, van Protocol nr. 2 ook op die dag worden goedgekeurd,

BESLUIT:

Artikel 1

In Protocol nr. 2 worden tabel III en de tabel onder tabel IV, punt b), vervangen door de tabellen in de bijlagen I en II bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op 1 februari 2005.

Gedaan te Brussel, 1 februari 2005.

Voor het Gemengd Comité

De voorzitter

Richard WRIGHT


BIJLAGE I

„TABEL III

Binnenlandse referentieprijzen van de EG en Zwitserland

(CHF per 100 kg nettogewicht)

Agrarische grondstof

Binnenlandse referentieprijs van Zwitserland

Binnenlandse referentieprijs van de EG

Verschil referentieprijs Zwitserland/EG

Zachte tarwe

58,34

16,10

42,24

Harde tarwe

37,85

25,40

12,45

Rogge

48,01

16,10

31,91

Gerst

27,14

16,10

11,04

Maïs

31,79

16,10

15,69

Meel van zachte tarwe

103,38

37,20

66,18

Vollemelkpoeder

590,00

395,00

195,00

Mageremelkpoeder

468,60

333,00

135,60

Boter

917,00

468,00

449,00

Witte suiker

0,00

Eieren (1)

255,00

205,50

49,50

Verse aardappelen

42,00

21,00

21,00

Plantaardig vet (2)

390,00

160,00

230,00”


(1)  Afgeleid van de prijzen voor vloeibare vogeleieren uit de schaal, vermenigvuldigd met een factor 0,85.

(2)  Prijzen voor plantaardige vetten (voor bakkerijen en de voedingsmiddelenindustrie) met een vetgehalte van 100 %.


BIJLAGE II

„TABEL IV

b)

Basisbedragen voor de agrarische grondstoffen die bij de berekening van de agrarische elementen in aanmerking worden genomen:


(CHF per 100 kg nettogewicht)

Agrarische grondstof

Basisbedrag bij de inwerkingtreding

Basisbedrag drie jaar na de inwerkingtreding

Zachte tarwe

38,00

36,00

Harde tarwe

11,00

10,00

Rogge

29,00

27,00

Gerst

10,00

9,00

Maïs

14,00

13,00

Meel van zachte tarwe

57,00

54,00

Vollemelkpoeder

176,00

166,00

Mageremelkpoeder

122,00

115,00

Boter

449,00 (1)

449,00 (1)

Witte suiker

nul

nul

Eieren

36,00

36,00

Verse aardappelen

19,00

18,00

Plantaardig vet

207,00

196,00”.


(1)  Gezien de voordelen van de steun voor boter in het kader van Verordening (EG) nr. 2571/97 van de Commissie van 15 december 1997 wordt het basisbedrag voor boter niet verlaagd ten opzichte van het prijsverschil in tabel III.


Besluiten aangenomen krachtens titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie

2.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/45


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT 2005/80/GBVB VAN DE RAAD

van 31 januari 2005

tot uitbreiding en wijziging van Gemeenschappelijk Standpunt 2004/133/GBVB betreffende restrictieve maatregelen tegen extremisten in de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (FYROM)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 15,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 10 februari 2004 heeft de Raad Gemeenschappelijk Standpunt 2004/133/GBVB betreffende restrictieve maatregelen tegen extremisten in de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (FYROM) en tot intrekking van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/542/GBVB vastgesteld (1).

(2)

Gemeenschappelijk Standpunt 2004/133/GBVB is van toepassing voor een periode van 12 maanden.

(3)

Na een evaluatie van Gemeenschappelijk Standpunt 2004/133/GBVB wordt het passend geacht de toepassing ervan met 12 maanden te verlengen en de lijst van personen in de bijlage uit te breiden,

HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT VASTGESTELD:

Artikel 1

Gemeenschappelijk Standpunt 2004/133/GBVB wordt hierbij verlengd tot en met 9 februari 2006.

Artikel 2

De bijlage bij gemeenschappelijk Standpunt 2004/133/GBVB wordt vervangen door de bijlage bij dit Gemeenschappelijk Standpunt.

Artikel 3

Dit gemeenschappelijk Standpunt wordt van kracht op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Het is van toepassing met ingang van 10 februari 2005.

Artikel 4

Dit gemeenschappelijk Standpunt wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 31 januari 2005.

Voor de Raad

De voorzitter

J. ASSELBORN


(1)  PB L 39 van 11.2.2004, blz. 19.


BIJLAGE

„BIJLAGE

Lijst van de in artikel 1 bedoelde personen

 

Naam

ADILI Gafur

Alias

Valdet Vardari

Geboren op

5.1.1959

Geboren in/afkomstig uit

Kicevo (Harandjell)

 

Naam

BAJRAMI Hamdi

Alias

Breza

Geboren op

16.8.1981

Geboren in/afkomstig uit

Brest (FYROM)

 

Naam

BEQIRI Idajet

Alias

 

Geboren op

20.2.1951

Geboren in/afkomstig uit

Mallakaster, Fier (Albania)

 

Naam

BUTKA Spiro

Alias

Vigan Gradica

Geboren op

29.5.1949

Geboren in/afkomstig uit

Kosovo

 

Naam

GEORGIEVSKI Goran

Alias

Mujo

Geboren op

2.12.1969

Geboren in/afkomstig uit

Kumanovo

 

Naam

HYSENI Xhemail

Alias

Xhimi Shea

Geboren op

15.8.1958

Geboren in/afkomstig uit

Lipkovo (Lojane)

 

Naam

JAKUPI Avdil

Alias

Cakalla

Geboren op

20.4.1974

Geboren in/afkomstig uit

Tanusevce

 

Naam

JAKUPI Lirim

Alias

„Commandant Nazi”

Geboren op

1.8.1979

Geboren in/afkomstig uit

Bujanovac (Servië en Montenegro)

 

Naam

KRASNIQI Agim

Alias

 

Geboren op

15.9.1979

Geboren in/afkomstig uit

Kondovo (FYROM)

 

Naam

LIMANI Fatmir

Alias

 

Geboren op

14.1.1973

Geboren in/afkomstig uit

Kicevo (FYROM)

 

Naam

MATOSHI Ruzhdi

Alias

 

Geboren op

6.3.1970

Geboren in/afkomstig uit

Tetovo (FYROM)

 

Naam

MISIMI Naser

Alias

 

Geboren op

8.1.1959

Geboren in/afkomstig uit

Mala Recica, Tetovo, (FYROM)

 

Naam

MUSTAFAJ Taip

Alias

Mustafai, Mustafi dan wel Mustafa

Geboren op

23.1.1964

Geboren in/afkomstig uit

Bacin Dol, Gostivar, (FYROM)

 

Naam

REXHEPI Daut

Alias

Leka

Geboren op

6.1.1966

Geboren in/afkomstig uit

Poroj

 

Naam

RUSHITI Sait

Geboren op

7.7.1966

Geboren in/afkomstig uit

Tetovo

 

Naam

SAMIU Izair

Alias

Baci

Geboren op

23.7.1963

Geboren in/afkomstig uit

Semsevo

 

Naam

STOJKOV Goran

Geboren op

25.2.1970

Geboren in/afkomstig uit

Strumica

 

Naam

SUMA Emrush

Alias

 

Geboren op

27.5.1974

Geboren in/afkomstig uit

Dirnce, Kosovo, Servië en Montenegro

 

Naam

SULEJMANI Fadil

Geboren op

5.12.1940

Geboren in/afkomstig uit

Tetovo (Bosovce)

 

Naam

SULEJMANI Gyner

Geboren op

3.3.1954

Geboren in/afkomstig uit

Turkije

 

Naam

UKSHINI Sami

Alias

„Commandant Sokoli (Valk)”

Geboren op

5.3.1963

Geboren in/afkomstig uit

Djakovo, (Gjakova), Kosovo, Servië en Montenegro”


2.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/48


BESLUIT 2005/81/GBVB VAN DE RAAD

van 31 januari 2005

tot verlenging van het mandaat van het hoofd van de missie/de directeur van politie van de Politiemissie van de Europese Unie (EUPM) in Bosnië en Herzegovina

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 23, lid 2,

Gezien Gemeenschappelijk Optreden 2002/210/GBVB van de Raad van 11 maart 2002 inzake de Politiemissie van de Europese Unie (1), en met name op artikel 4,

Gezien Besluit 2004/188/GBVB van de Raad van 23 februari 2004 betreffende de benoeming van het hoofd van de missie/directeur van politie van de Politiemissie van de Europese Unie (EUPM) (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 23 februari 2004 heeft de Raad Besluit 2004/188/GBVB aangenomen, waarbij de heer Bartholomew Kevin Carty met ingang van 1 maart 2004 voor de duur van één jaar benoemd wordt tot hoofd van de missie/directeur van politie van de EUPM.

(2)

Besluit 2004/188/GBVB verstrijkt op 1 maart 2005.

(3)

De secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger heeft voorgesteld het mandaat van Bartholomew Kevin Carty als hoofd van de missie/directeur van politie van de EUPM te verlengen tot en met 31 december 2005.

(4)

Het mandaat van het hoofd van de missie van de EUPM dient derhalve te worden verlengd,

BESLUIT:

Artikel 1

Het mandaat van de heer Bartholomew Kevin Carty als hoofd van de missie/directeur van politie van de EUPM wordt hierbij verlengd tot en met 31 december 2005.

Artikel 2

Dit besluit wordt van kracht op de dag waarop het wordt aangenomen.

Artikel 3

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 31 januari 2005.

Voor de Raad

De voorzitter

J. ASSELBORN


(1)  PB L 70 van 13.3.2002, blz. 1. Gemeenschappelijk optreden laatstelijk gewijzigd bij Gemeenschappelijk Optreden 2003/188/GBVB (PB L 73 van 19.3.2003, blz. 9).

(2)  PB L 58 van 26.2.2004, blz. 27.


2.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/49


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT 2005/82/GBVB VAN DE RAAD

van 31 januari 2005

houdende intrekking van de Gemeenschappelijke Standpunten van de Raad 2002/401/GBVB betreffende Nigeria, 2002/495/GBVB betreffende Angola, 2002/830/GBVB betreffende Rwanda en 2003/319/GBVB betreffende de staakt-het-vuren-overeenkomst van Lusaka en het vredesproces in de Democratische Republiek Congo

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 15,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft conclusies aangenomen over het beleid van de Europese Unie ten aanzien van Nigeria op 17 mei 2003, ten aanzien van Angola op 13 oktober 2003, ten aanzien van Rwanda op 8 december 2003 en ten aanzien van het gebied van de grote meren in Afrika op 14 juni 2004. In deze conclusies is het algemenere beleid van de Europese Unie ten aanzien van deze landen en dit gebied uiteengezet.

(2)

Bijgevolg dienen de gemeenschappelijke standpunten die de Raad ten aanzien van deze landen en dit gebied heeft vastgesteld, welke geen gemeenschappelijke basisbeginselen voor de langere termijn bevatten en niet nodig zijn als rechtsgrondslag voor de uitvoering van het beleid van de Europese Unie, te worden ingetrokken,

HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT VASTGESTELD:

Artikel 1

De Gemeenschappelijke Standpunten 2002/401/GBVB betreffende Nigeria (1), 2002/495/GBVB betreffende Angola (2), 2002/830/GBVB betreffende Rwanda (3), 2003/319/GBVB betreffende de staakt-het-vuren-overeenkomst van Lusaka en het vredesproces in de Democratische Republiek Congo (4), worden hierbij ingetrokken.

Artikel 2

Dit gemeenschappelijk standpunt wordt van kracht op de dag van zijn bekendmaking.

Artikel 3

Dit gemeenschappelijk standpunt wordt in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.

Gedaan te Brussel, 31 januari 2005.

Voor de Raad

De voorzitter

J. ASSELBORN


(1)  PB L 139 van 29.5.2002, blz. 1.

(2)  PB L 167 van 26.6.2002, blz. 9.

(3)  PB L 285 van 23.10.2002, blz. 3.

(4)  PB L 115 van 9.5.2003, blz. 87.


2.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/50


BESLUIT 2005/83/GBVB VAN DE RAAD

van 31 januari 2005

betreffende de uitvoering van Gemeenschappelijk Standpunt 2004/293/GBVB tot verlenging van de maatregelen ter ondersteuning van de daadwerkelijke uitvoering van het mandaat van het Internationaal oorlogstribunaal voor het voormalige Joegoslavië (ICTY)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien Gemeenschappelijk Standpunt 2004/293/GBVB (1), en met name artikel 2, in samenhang met artikel 23, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft in Gemeenschappelijk Standpunt 2004/293/GBVB maatregelen aangenomen om het binnenkomen in of de doorreis over het grondgebied van de lidstaten te ontzeggen aan personen die betrokken zijn bij activiteiten waardoor voortvluchtige personen geholpen worden zich te blijven onttrekken aan berechting voor misdaden waarvoor het Internationaal oorlogstribunaal voor het voormalige Joegoslavië (ICTY) hen in staat van beschuldiging heeft gesteld of die anderszins handelen op een wijze waardoor de effectieve uitvoering van het mandaat van het ICTY zou kunnen worden belemmerd.

(2)

De Raad heeft op 28 juni 2004 Besluit 2004/528/GBVB aangenomen, waarin de lijst in de bijlage bij Gemeenschappelijk Standpunt 2004/293/GBVB wordt gewijzigd.

(3)

Ingevolge aanbevelingen van het Bureau van de hoge vertegenwoordiger voor Bosnië en Herzegovina moeten die maatregelen voor meer personen gelden.

(4)

De lijst in de bijlage bij Gemeenschappelijk Standpunt 2004/293/GBVB dient dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

BESLUIT:

Artikel 1

De lijst van personen in de bijlage bij Gemeenschappelijk Standpunt 2004/293/GBVB wordt vervangen door de lijst in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit wordt van kracht op de datum waarop het wordt aangenomen.

Artikel 3

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 31 januari 2005.

Voor de Raad

De voorzitter

J. ASSELBORN


(1)  PB L 94 van 31.3.2004, blz. 65. Gemeenschappelijk standpunt zoals laatst gewijzigd bij Besluit 2004/528/GBVB (PB L 233 van 2.7.2004, blz. 15).


BIJLAGE

Lijst van de in artikel 1 bedoelde personen

1.

BAGIC, Zeljiko

Zoon van Josip

Geboortedatum en -plaats: 29.3.1960, Zagreb

Paspoort nr.:

Identiteitskaart nr.:

Persoonsnummer:

Bijnaam: Cicko

Adres:

2.

BILBIJA, Milorad

Zoon van Svetko Bilbija

Geboortedatum en -plaats: 13.8.1956, Sanski Most

Paspoort nr.: 3715730

Identiteitskaart nr.: 03GCD9986

Persoonsnummer: 1308956163305

Bijnamen:

Adres: Brace Pantica 7, Banja Luka

3.

BJELICA, Milovan

Zoon van

Geboortedatum en -plaats: 19.10.1958, Rogatica, Bosnië en Herzegovina, SFRJ

Paspoort nr.: 0000148 afgegeven op 26.7.1998 in Srpsko Sarajevo (vervallen)

Identiteitskaart nr.: 03ETA0150

Persoonsnummer: 1910958130007

Bijnaam: Cicko

Adres: CENTREK Company, Pale

4.

CESIC, Ljubo

Zoon van Jozo

Geboortedatum en -plaats: 20.2.1958 of 9.6.1966 (referentiedocument van het Kroatische ministerie van Justitie), Batin, Posusje, SFRJ

Paspoort nr.:

Identiteitskaart nr.:

Persoonsnummer:

Bijnaam: Rojs

Adres: V Poljanice 26, Dubrava, Zagreb — andere verblijfplaats: Novacka 62c, Zagreb

5.

DILBER, Zeljko

Zoon van Drago

Geboortedatum en -plaats: 2.2.1955, Travnik

Paspoort nr.:

Identiteitskaart nr.: 185581

Persoonsnummer:

Bijnamen:

Adres: 17 Stanka Vraza, Zadar

6.

ECIM, Ljuban

Zoon van

Geboortedatum en -plaats: 6.1.1964, Sviljanac, Bosnië en Herzegovina, SFRJ

Paspoort nr.: 0144290 afgegeven op 21.11.1998 in Banja Luka (vervallen)

Identiteitskaart nr.: 03GCE3530

Persoonsnummer: 0601964100083

Bijnamen:

Adres: Ulica Stevana Mokranjca 26, Banja Luka, Bosnië en Herzegovina

7.

JOVICIC, Predrag

Zoon van Desmir Jovicic

Geboortedatum en -plaats: 1.3.1963, Pale

Paspoort nr.: 4363551

Identiteitskaart nr.: 03DYA0852

Persoonsnummer: 0103963173133

Bijnamen:

Adres: Milana Simovica 23, Pale, Pale-RS

8.

KARADZIC, Aleksandar

Zoon van

Geboortedatum en -plaats: 14.5.1973, Sarajevo Centar, Bosnië en Herzegovina, SFRJ

Paspoort nr.: 0036395. Geldigheidsduur verstreken op 12.10.1998

Identiteitskaart nr.:

Persoonsnummer:

Bijnaam: Sasa

Adres:

9.

KARADZIC, Ljiljana (meisjesnaam: ZELEN)

Dochter van Vojo en Anka

Geboortedatum en -plaats: 27.11.1945, Sarajevo Centar, Bosnië en Herzegovina, SFRJ

Paspoort nr.:

Identiteitskaart nr.:

Persoonsnummer:

Bijnamen:

Adres:

10.

KESEROVIC, Dragomir

Zoon van Slavko

Geboortedatum en -plaats: 8.6.1957, Piskavica/Banja Luka

Paspoort nr.: 4191306

Identiteitskaart nr.: 04GCH5156

Persoonsnummer: 0806957100028

Bijnamen:

Adres:

11.

KIJAC, Dragan

Zoon van

Geboortedatum en -plaats: 6.10.1955, Sarajevo

Paspoort nr.:

Identiteitskaart nr.:

Persoonsnummer:

Bijnamen:

Adres:

12.

KOJIC, Radomir

Zoon van Milanko en Zlatana

Geboortedatum en -plaats: 23.11.1950, Bijela Voda, Kanton Sokolac, Bosnië en Herzegovina, SFRJ

Paspoort nr.: 4742002, afgegeven in 2002 in Sarajevo. Geldig tot 2007

Identiteitskaart nr.: 03DYA1935. Afgegeven op 7.7.2003 in Sarajevo

Persoonsnummer: 2311950173133

Bijnamen: Mineur, Ratko

Adres: 115 Trifka Grabeza, Pale of Hotel KRISTAL, Jahorina

13.

KOVAC, Tomislav

Zoon van Vaso

Geboortedatum en -plaats: 4.12.1959, Sarajevo, Bosnië en Herzegovina, SFRJ

Paspoort nr.:

Identiteitskaart nr.:

Persoonsnummer: 0412959171315

Bijnamen: Tomo

Adres: Bijela, Montenegro en Pale, Bosnië en Herzegovina

14.

KRASIC, Petar

Zoon van

Geboortedatum en -plaats:

Paspoort nr.:

Identiteitskaart nr.:

Persoonsnummer:

Bijnamen:

Adres:

15.

KUJUNDZIC, Predrag

Zoon van Vasilija

Geboortedatum en -plaats: 30.1.1961, Suho Pole, Doboj, Bosnië en Herzegovina, SFRJ

Paspoort nr.:

Identiteitskaart nr.: 03GFB1318

Persoonsnummer: 3001961120044

Bijnamen: Predo

Adres: Doboj, Bosnië en Herzegovina

16.

LUKOVIC, Milorad Ulemek

Zoon van

Geboortedatum en -plaats: 15.5.1968, Belgrado, Servië, SFRJ

Paspoort nr.:

Identiteitskaart nr.:

Persoonsnummer:

Bijnamen: Legija (vals identiteitsbewijs als IVANIC, Zeljko)

Adres: voortvluchtig

17.

MAKSAN, Ante

Zoon van Blaz

Geboortedatum en -plaats: 7.2.1967, Pakostane, nabij Zadar

Paspoort nr.: 1944207

Identiteitskaart nr.:

Persoonsnummer:

Bijnamen: Djoni

Adres: Proloska 15, Pakostane, Zadar

18.

MALIS, Milomir

Zoon van Dejan Malis

Geboortedatum en -plaats: 3.8.1966, Bjelice

Paspoort nr.:

Identiteitskaart nr.:

Persoonsnummer: 0308966131572

Bijnamen:

Adres: Vojvode Putnika, Foca/Srbinje

19.

MANDIC, Momcilo

Zoon van

Geboortedatum en -plaats: 1.5.1954, Kalinovik, Bosnië en Herzegovina, SFRJ

Paspoort nr.: 0121391, afgegeven op 12.5.1999 in Srpsko Sarajevo, Bosnië en Herzegovina (vervallen)

Identiteitskaart nr.:

Persoonsnummer: 0105954171511

Bijnamen: Momo

Adres: discotheek GITROS, Pale

20.

MARIC, Milorad

Zoon van Vinko Maric

Geboortedatum en -plaats: 9.9.1957, Visoko

Paspoort nr.: 4587936

Identiteitskaart nr.: 04GKB5268

Persoonsnummer: 0909957171778

Bijnamen:

Adres: Vuka Karadzica 148, Zvornik

21.

MICEVIC, Jelenko

Zoon van Luka en Desanka (meisjesnaam: Simic)

Geboortedatum en -plaats: 8.8.1947, Borci, nabij Konjic, Bosnië en Herzegovina, SFRJ

Paspoort nr.: 4166874

Identiteitskaart nr.: 03BIA3452

Persoonsnummer: 0808947710266

Bijnamen: Filaret

Adres: Milesevo-klooster, Servië en Montenegro

22.

NINKOVIC, Milan

Zoon van Simo

Geboortedatum en -plaats: 15.6.1943, Doboj

Paspoort nr.: 3944452

Identiteitskaart nr.: 04GFE3783

Persoonsnummer: 1506943120018

Bijnamen:

Adres:

23.

OSTOJIC, Velibor

Zoon van Jozo

Geboortedatum en -plaats: 8.8.1945, Celebici, Foca

Paspoort nr.:

Identiteitskaart nr.:

Persoonsnummer:

Bijnamen:

Adres:

24.

OSTOJIC, Zoran

Zoon van Mico Ostojic

Geboortedatum en -plaats: 29.3.1961, Sarajevo

Paspoort nr.:

Identiteitskaart nr.: 04BSF6085

Persoonsnummer: 2903961172656

Bijnamen:

Adres: Malta 25, Sarajevo

25.

PAVLOVIC, Petko

Zoon van Milovan Pavlovic

Geboortedatum en -plaats: 6.6.1957, Ratkovici

Paspoort nr.: 4588517

Identiteitskaart nr.: 03GKA9274

Persoonsnummer: 0606957183137

Bijnamen:

Adres: Vuka Karadjica 148, Zvornik

26.

PETRAC, Hrvoje

Zoon van

Geboortedatum en -plaats: 25.8.1955, Slavonski Brod

Paspoort nr.: Kroatisch paspoort nummer 01190016

Identiteitskaart nr.:

Persoonsnummer:

Bijnamen:

Adres:

27.

POPOVIC, Cedomir

Zoon van Radomir Popovic

Geboortedatum en -plaats: 24.3.1950, Petrovici

Paspoort nr.:

Identiteitskaart nr.: 04FAA3580

Persoonsnummer: 2403950151018

Bijnamen:

Adres: Crnogroska 36, Bileca

28.

PUHALO, Branislav

Zoon van Djuro

Geboortedatum en -plaats: 30.8.1963, Foca

Paspoort nr.:

Identiteitskaart nr.:

Persoonsnummer: 3008963171929

Bijnamen:

Adres:

29.

RADOVIC, Nade

Zoon van Milorad Radovic

Geboortedatum en -plaats: 26.1.1951, Foca

Paspoort nr.: oud 0123256 (vervallen)

Identiteitskaart nr.: 03GJA2918

Persoonsnummer: 2601951131548

Bijnamen:

Adres: Stepe Stepanovica 12, Foca/Srbinje

30.

RATIC, Branko

Zoon van

Geboortedatum en -plaats: 26.11.1957, Mihaljevci sl Pozega, Bosnië en Herzegovina, SFRJ

Paspoort nr.: 0442022, afgegeven op 17.9.1999 in Banja Luka

Identiteitskaart nr.: 03GCA8959

Persoonsnummer: 2611957173132

Bijnamen:

Adres: Ulica Krfska 42, Banja Luka, Bosnië en Herzegovina

31.

ROGULJIC, Slavko

Zoon van

Geboortedatum en -plaats: 15.5.1952, Srpska Crnja Hetin, Servië, SFRJ

Paspoort nr.: geldig paspoort 3747158, afgegeven op 12.4.2002 in Banja Luka. Geldig tot 12.4.2007. Ongeldig paspoort nr. 0020222, afgegeven op 25.8.1988 in Banja Luka. Geldig tot 25.8.2003

Identiteitskaart nr.: 04EFA1053

Persoonsnummer: 1505952103022

Bijnamen:

Adres: 21 Vojvode Misica, Laktasi, Bosnië en Herzegovina

32.

SAROVIC, Mirko

Zoon van

Geboortedatum en -plaats: 16.9.1956, Rusanovici-Rogatica

Paspoort nr.: 4363471, afgegeven in Srpsko Sarajevo, geldig tot 8 oktober 2008

Identiteitskaart nr.: 04PEA4585

Persoonsnummer: 1609956172657

Bijnamen:

Adres: Bjelopoljska 42, 71216 Srpsko Sarajevo

33.

SKOCAJIC, Mrksa

Zoon van Dejan Skocajic

Geboortedatum en -plaats: 5.8.1953, Blagaj

Paspoort nr.: 3681597

Identiteitskaart nr.: 04GDB9950

Persoonsnummer: 0508953150038

Bijnamen:

Adres: Trebinjskih Brigade, Trebinje

34.

SPAJIC, Ratomir

Geboortedatum en -plaats: 8.4.1957, Konjic

Zoon van Krsto

Paspoort nr.: 3667966

Identiteitskaart nr.: 04DYA7675

Persoonsnummer: 0804957172662

Bijnamen:

Adres:

35.

VRACAR, Milenko

Zoon van

Geboortedatum en -plaats: 15.5.1956, Nisavici, Prijedor, Bosnië en Herzegovina, SFRJ

Paspoort nr.: geldig paspoort 3865548, afgegeven op 29.8.2002 in Banja Luka. Geldig tot 29.8.2007. Ongeldige paspoorten 0280280, afgegeven op 4.12.1999 in Banja Luka (vervaldatum 4.12.2004) en 0062130, afgegeven op 16.9.1998 in Banja Luka

Identiteitskaart nr.: 03GCE6934

Persoonsnummer: 1505956160012

Bijnamen:

Adres: 14 Save Ljuboje, Banja Luka, Bosnië en Herzegovina

36.

ZOGOVIC, Milan

Zoon van Jovan

Geboortedatum en -plaats: 7.10.1939, Dobrusa

Paspoort nr.:

Identiteitskaart nr.:

Persoonsnummer:

Bijnamen:

Adres:


Rectificaties

2.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/57


Rectificatie van Verordening (EG) nr. 103/2005 van de Commissie van 21 januari 2005 met betrekking tot de opening van een permanente openbare inschrijving voor verkoop op de interne markt van padie die in het bezit is van het Griekse interventiebureau

( Publicatieblad van de Europese Unie L 20 van 22 januari 2005 )

Op bladzijde 5, artikel 2, aan het eind van lid 3:

in plaats van:

„Tel. (30-10) 212 47 87 en 212 47 89

Fax (30-10) 862 93 73”,

te lezen:

„Tel. +30(210) 212 48 46 en +30(210) 212 47 88

Fax +30(210) 212 47 91”.


2.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/57


Rectificatie van Verordening (EG) nr. 165/2005 van de Commissie van 31 januari 2005 tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 1 februari 2005

( Publicatieblad van de Europese Unie L 28 van 1 februari 2005 )

Bladzijde 16, Bijlage I, GN-code 1001 10 00, omschrijving „van lage kwaliteit”, kolom invoerrecht (1) (in EUR/ton):

in plaats van:

„6,58”,

te lezen:

„6,08”.