ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 381

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

47e jaargang
28 december 2004


Inhoud

 

I   Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

Bladzijde

 

*

Verordening (EG) nr. 2243/2004 van de Raad van 22 december 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2505/96 betreffende de opening en wijze van beheer van autonome communautaire tariefcontingenten voor bepaalde landbouw- en industrieproducten

1

 

*

Verordening (EG) nr. 2244/2004 van de Commissie van 23 december 2004 tot opening, voor 2005, van tariefcontingenten voor de invoer in de Europese Gemeenschap van bepaalde verwerkte landbouwproducten van oorsprong uit Roemenië

8

 

*

Verordening (EG) nr. 2245/2004 van de Commissie van 27 december 2004 tot wijziging van de bijlagen I, II, III en IV bij Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

10

 

*

Verordening (EG) nr. 2246/2004 van de Commissie van 27 december 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1555/96 met betrekking tot de drempelvolumes voor de toepassing van de aanvullende rechten voor peren, citroenen, appelen en courgettes

12

 

*

Verordening (EG) nr. 2247/2004 van de Commissie van 27 december 2004 tot intrekking van een aantal verordeningen in de sector rundvlees en van Verordening (EEG) nr. 3882/90 in de sector schapen- en geitenvlees

14

 

*

Verordening (EG) nr. 2248/2004 van de Commissie van 27 december 2004 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van een communautair tariefcontingent voor 2005 voor maniok van oorsprong uit Thailand

16

 

*

Verordening (EG) nr. 2249/2004 van de Commissie van 27 december 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 686/2004 tot vaststelling van overgangsmaatregelen betreffende telersverenigingen op de markt voor verse groenten en fruit in verband met de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije tot de Europese Unie

23

 

*

Verordening (EG) nr. 2250/2004 van de Commissie van 27 december 2004 tot wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 429/90, (EG) nr. 2571/97, (EG) nr. 174/1999, (EG) nr. 2771/1999, (EG) nr. 2799/1999, (EG) nr. 214/2001, (EG) nr. 580/2004, (EG) nr. 581/2004 en (EG) nr. 582/2004 wat de termijnen voor de indiening van de offertes en de mededeling ervan aan de Commissie betreft

25

 

 

Verordening (EG) nr. 2251/2004 van de Commissie van 27 december 2004 tot wijziging van de vanaf 28 december 2004 geldende invoerrechten in de sector granen

29

 

 

II   Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

 

 

Raad

 

*

2004/903/EG:Besluit van de Raad van 29 november 2004 betreffende de ondertekening van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek San Marino waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in Richtlijn 2003/48/EG betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling, alsmede de goedkeuring en ondertekening van het bijbehorende memorandum van overeenstemming

32

Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek San Marino waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in Richtlijn 2003/48/EG betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling

33

Memorandum van overeenstemming

45

 

*

2004/904/EG:Beschikking van de Raad van 2 december 2004 tot instelling van het Europees Vluchtelingenfonds voor de periode 2005-2010

52

 

 

Commissie

 

*

2004/905/EG:Beschikking van de Commissie van 14 december 2004 tot vaststelling van richtsnoeren voor het melden van gevaarlijke consumentenproducten aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten door producenten en distributeurs overeenkomstig artikel 5, lid 3, van Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 4772)  ( 1 )

63

 

*

2004/906/EG:Besluit van de Commissie van 23 december 2004 betreffende de benoeming van leden van het Comité van hoge functionarissen van de arbeidsinspectie voor een mandaat

78

 

*

2004/907/EG:Besluit van de Commissie van 27 december 2004 betreffende de financiële bijdrage van de Gemeenschap voor de organisatie van een internationaal seminar over dierenwelzijn in de context van de Overeenkomst EG-Chili inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen van toepassing op de handel in dieren en dierlijke producten, planten, plantaardige producten en andere goederen alsmede dierenwelzijn

80

 

*

2004/908/EG:Beschikking van de Commissie van 23 december 2004 tot vaststelling van beschermende maatregelen tegen de ziekte van Newcastle in Bulgarije (Kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 5650)  ( 1 )

82

 

 

Besluiten aangenomen krachtens titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie

 

*

Gemeenschappelijk Optreden 2004/909/GBVB van de Raad van 26 november 2004 tot oprichting van een deskundigenteam met het oog op een mogelijke geïntegreerde missie van de Europese Unie voor politie, rechtsstaat en civiel bestuur voor Irak

84

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

28.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 381/1


VERORDENING (EG) Nr. 2243/2004 VAN DE RAAD

van 22 december 2004

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2505/96 betreffende de opening en wijze van beheer van autonome communautaire tariefcontingenten voor bepaalde landbouw- en industrieproducten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 26,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 20 december 1996 Verordening (EG) nr. 2505/96 aangenomen betreffende de opening en wijze van beheer van autonome communautaire tariefcontingenten voor bepaalde landbouw- en industrieproducten (1). Er moet in de levering van deze producten aan de Gemeenschap worden voorzien en deze levering dient tegen de meest gunstige voorwaarden plaats te vinden. Daarom dienen er nieuwe communautaire tariefcontingenten te worden geopend op grond waarvan voldoende hoeveelheden van deze producten tegen verlaagd recht of nulrecht kunnen worden ingevoerd, en moet de geldigheid van bepaalde bestaande tariefcontingenten worden verlengd zonder de markt van deze producten hierbij te verstoren.

(2)

Daar het volume van bepaalde communautaire tariefcontingenten niet toereikend is om in de huidige contingentperiode in de behoeften van de industrie van de Gemeenschap te voorzien, moeten deze contingentvolumes met ingang van 1 januari 2005 worden verhoogd.

(3)

Voor bepaalde producten waarvoor de rechten in 2004 geschorst waren, is handhaving van communautaire tariefcontingenten in 2005 niet langer in het belang van de Gemeenschap. Deze producten dienen dan ook in de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2505/96 opgenomen tabel geschrapt te worden.

(4)

Gezien het grote aantal wijzigingen en om de gebruiker meer duidelijkheid te verschaffen dient bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2505/96 volledig te worden vervangen.

(5)

Gezien het economisch belang van deze verordening moet gebruik worden gemaakt van de redenen voor de urgentie van de zaak die worden genoemd in punt 1, onder 3), van het Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen is gehecht.

(6)

Verordening (EG) nr. 2505/96 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2505/96 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Voor de contingentperiode van 1 januari tot 30 juni 2005, in bijlage I van Verordening (EG) nr. 2505/96:

is de geldigheid van het tariefcontingent 09.2021 beperkt tot 30 juni 2005; het volume blijft ongewijzigd,

wordt het volume van tariefcontingent 09.2613 vastgesteld op 400 ton met nulrecht.

Artikel 3

Voor de contingentperiode van 1 januari tot en met 31 december 2005 is in bijlage I van Verordening (EG) nr. 2505/96:

de omvang van tariefcontingent 09.2023 vastgesteld op 700 000 stuks,

de omvang van tariefcontingent 09.2603 vastgesteld op 3 400 ton,

de omvang van tariefcontingent 09.2612 vastgesteld op 500 ton met nulrecht,

de omvang van tariefcontingent 09.2619 vastgesteld op 80 ton,

de omvang van tariefcontingent 09.2620 vastgesteld op 500 000 eenheden,

de omvang van tariefcontingent 09.2621 vastgesteld op 1 500 ton en de geldigheidsduur ervan beperkt tot 31 december 2005,

de omvang van tariefcontingent 09.2985 vastgesteld op 300 000 stuks en de geldigheidsduur ervan beperkt tot 31 december 2005.

Artikel 4

De tariefcontingenten 09.2605, 09.2606, 09.2607, 09.2609, 09.2614, 09.2918, 09.2957, 09.2966, 09.2993 en 09.2999 zijn gesloten vanaf 31 december 2004.

Artikel 5

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2005.

Deze verordening is bindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 december 2004.

Voor de Raad

De voorzitter

C. VEERMAN


(1)  PB L 345 van 31.12.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij de Verordening (EG) nr. 1329/2004 (PB L 247 van 21.7.2004, blz. 1).


BIJLAGE

„BIJLAGE I

Volgnummer

GN-code

TARIC-onderverdeling

Omschrijving

Omvang van het contingent

Toepasselijk recht

(in %)

Contingentperiode

09.2021

ex 7011 20 00

45

Beeldschermen van glas, met een diagonaal van 72 cm (± 0,2 cm), gemeten van buitenkant tot buitenkant, met een lichtdoorlaatbaarheid van 56,8 % (± 3 %) bij een referentiedikte van het glas van 10,16 mm

70 000 stuks

0

1.1.-30.6.2005

09.2022

ex 8504 90 11

20

Kernen van ferriet bestemd voor de vervaardiging van afbuigspoelen (1)

2 400 000 stuks (3)

0

1.7.2004-30.6.2005

09.2023

ex 8540 91 00

34

Platte maskers met een lengte van 597,1 mm (± 0,2 mm) en een hoogte van 356,2 (± 0,2) mm, bij het einde van de verticale middellijn voorzien van sleuven (slots) met een breedte van 179,1 (± 9) μm

700 000 stuks

0

1.1.-31.12.2005

09.2602

ex 2921 51 19

10

o-Fenyleendiamine

1 800 ton

0

1.1.-31.12.

09.2603

ex 2931 00 95

15

Bis(3-triethoxysilylpropyl)tetrasulfide

3 400 ton

0

1.1.-31.12.2005

09.2604

ex 3905 30 00

10

Poly(vinylalcohol), gedeeltelijk via een acetaalbinding gekoppeld aan het natriumzout van 5-(4-azido-2-sulfobenzylideen)-3-(formylpropyl)-rhodanine

100 ton

0

1.1.-31.12.

09.2610

ex 2925 20 00

20

(Chlooromethyleen) dimethylammoniumchloride

100 ton

0

1.1.-31.12.

09.2611

ex 2826 19 00

10

Calciumfluoride in poedervorm met een totaalgehalte aan aluminium, magnesium en natrium van niet meer dan 0,25 mg/kg

55 ton

0

1.1.-31.12.

09.2612

ex 2921 59 90

30

3,3’-dichloorbenzidinedihydrochloride

500 ton

0

1.1.-31.12.2005

09.2613

ex 2932 99 70

40

1,3:2,4-Bis-O-(3,4-dimethylbenzylideen)-D-glucitol

400 ton

0

1.1.-30.6.2005

09.2615

ex 2934 99 90

70

Ribonucleïnezuur

110 ton

0

1.1.-31.12.

09.2616

ex 3910 00 00

30

Polydimethylsiloxaan met een polymerisatiegraad van 2 800 monomeereenheden (± 100)

1 300 ton

0

1.1.-31.12.

09.2618

ex 2918 19 80

40

(R)-2-chlooramandelzuur

100 ton

0

1.1.-31.12.

09.2619

ex 2934 99 90

71

2-Thiënylacetonitril

80 ton

0

1.1.2005-31.12.2005

09.2620

ex 8526 91 90

10

Assemblages voor satellietnavigatiesystemen met een functie voor het bepalen van een positie

500 000 stuks

0

1.1.-31.12.2005

09.2621

ex 3812 30 80

50

Aluminiummagnesiumzink hydroxidecarbonaathydraat, bedekt met een tensioactieve stof

1 500 ton

0

1.1.-31.12.2005

09.2622

ex 1108 12 00

10

Maïszetmeel bevattende 40 of meer doch niet meer dan 60 gewichtspercenten onoplosbare voedingsvezels

600 ton

0

1.1.-31.12.2005

09.2623

ex 2710 19 61

10

Stookolie, met een zwavelgehalte van niet meer dan 2 gewichtspercenten, bestemd om te worden gebruikt in brandstof voor zeeschepen (1)

80 000 ton

0

1.1.-31.12.

ex 2710 19 63

10

09.2624

2912 42 00

 

Ethylvanilline (3-ethoxy-4-hydroxybenzaldehyd)

352 ton

0

1.1.-31.12.

09.2625

ex 3920 20 21

20

Biaxiaal georiënteerde foliën van polymeren van polypropyleen, met een dikte van 3,5 of meer, doch minder dan 15 μm, en een breedte van 490 of meer doch niet meer dan 620 mm, voor de vervaardiging van foliecondensatoren (1)

170 ton

0

1.1.-31.12.

09.2626

ex 4205 00 00

10

Stukken grijsblauw of beige geverfd leer met ingeperste nerven, gesneden uit geverfde en gelooide huiden of vellen van runderen, bestemd om te worden gebruikt bij de vervaardiging van producten bedoeld bij onderverdeling 9401 20 00 (1)

400 000 stuks

0

1.1.-31.12.

09.2627

ex 7011 20 00

55

Beeldschermen van glas, met een diagonaal van 814,8 (± 1,5) mm gemeten van buitenkant tot buitenkant, met een lichtdoorlaatbaarheid van 51,1 (± 2,2) % bij een referentiedikte van het glas 12,5 mm

500 000 stuks

0

1.1.-31.12.

09.2628

ex 7019 52 00

10

Netten van geweven glasvezels bedekt met kunststof, met een gewicht van 120 g/m2 (± 10 g/m2), van de soort gebruikt voor de vervaardiging van insectenwerende rolhorren of van horren met een vaste omlijsting

350 000 m2

0

1.1.-31.12.

09.2629

ex 7616 99 90

85

Telescopische handgrepen van aluminium, bestemd om te worden gebruikt bij de vervaardiging van reisartikelen (1)

240 000 stuks

0

1.1.-31.12.

09.2630

ex 3908 90 00

30

Thermoplastisch polyamidehars met een brandpunt van meer dan 70 °C, bestemd om te worden gebruikt bij de vervaardiging van afbuigspoelen voor kathodestraalbuizen (1)

40 ton

0

1.1.-30.6.2005

09.2703

ex 2825 30 00

10

Vanadiumoxiden en -hydroxiden, uitsluitend bestemd voor de vervaardiging van legeringen (1)

13 000 ton

0

1.1.-31.12.

09.2713

ex 2008 60 19

10

Zoete kersen op alcohol, met een diameter van niet meer dan 19,9 mm, ontpit, bestemd voor de vervaardiging van chocoladeproducten (1)

met een suikergehalte van meer dan 9 gewichtspercenten

met een suikergehalte van niet meer dan 9 gewichtspercenten

2 000 ton

10 (4)

1.1.-31.12.

ex 2008 60 39

10

10

09.2719

ex 2008 60 19

20

Zure kersen (Prunus cerasus) op alcohol, met een diameter van niet meer dan 19,9 mm, bestemd voor de vervaardiging van chocoladeproducten (1):

met een suikergehalte van meer dan 9 gewichtspercenten

met een suikergehalte van niet meer dan 9 gewichtspercenten

2 000 ton

10 (4)

1.1.-31.12.

ex 2008 60 39

20

10

09.2727

ex 3902 90 90

93

Synthetisch poly-alfa-oléfine met een viscositeit van 38 × 10-6m2 s-1 (38 centistokes) of meer bij 100 °C, volgens de methode ASTM D 445

10 000 ton

0

1.1.-31.12.

09.2799

ex 7202 49 90

10

Ferrochroom bevattende 1,5 of meer, doch niet meer dan 4 gewichtspercenten koolstof en niet meer dan 70 gewichtspercenten chroom

50 000 ton

0

1.1.-31.12.

09.2809

ex 3802 90 00

10

Met zuur geactiveerd montmorilloniet, bestemd voor de vervaardiging van zogenaamd „zelfkopiërend” papier (1)

10 000 ton

0

1.1.-31.12.

09.2829

ex 3824 90 99

19

Extract van het residu dat is verkregen bij de extractie van colofonium uit hout, in de vorm van een vaste stof, onoplosbaar in alifatische oplosmiddelen, met de volgende kenmerken:

een gehalte aan harszuren van niet meer dan 30 gewichtspercenten,

een zuurgetal van niet meer dan 110 en

een smeltpunt van 100 °C of meer

1 600 ton

0

1.1.-31.12.

09.2837

ex 2903 49 80

10

Broomchloormethaan

450 ton

0

1.1.-31.12.

09.2841

ex 2712 90 99

10

Mengsels van 1-alkenen bevattende 80 of meer gewichtspercenten 1-alkenen met een ketenlengte van 20 en 22 koolstofatomen

10 000 ton

0

1.1.-31.12.

09.2849

ex 0710 80 69

10

Paddestoelen van de soort Auricularia polytricha, ook indien gestoomd of in water gekookt, bevroren, bestemd voor de vervaardiging van „kant-en-klaar maaltijden” (1)  (2)

700 ton

0

1.1.-31.12.

09.2851

ex 2907 12 00

10

o-Kresol met een zuiverheidsgraad van 98,5 of meer gewichtspercenten

20 000 ton

0

1.1.-31.12.

09.2853

ex 2930 90 70

35

Glutathion

15 ton

0

1.1.-31.12.

09.2881

ex 3901 90 90

92

Gechloorsulfoneerd polyethyleen

6 000 ton

0

1.1.-31.12.

09.2882

ex 2908 90 00

20

2,4-Dichloor-3-ethyl-6-nitrofenol, in poedervorm

90 ton

0

1.1.-31.12.

09.2889

3805 10 90

Sulfaatterpentijnolie

20 000 ton

0

1.1.-31.12.

09.2904

ex 8540 11 19

95

Kathodestraalbuizen voor het weergeven van beelden in kleur, met een vlak scherm, met een verhouding breedte/hoogte van het beeldscherm van 4/3, een diagonaal van het beeldscherm van 79 of meer, doch niet meer dan 81 cm en een krommingsstraal van het beeldscherm van 50 m of meer

8 500 stuks

0

1.1.-31.12.

09.2913

ex 2401 10 41

10

Ruwe en niet tot verbruik bereide tabak, ook indien in regelmatige vorm gesneden, met een douanewaarde van niet minder dan 450 EUR/100 kg netto, bestemd om als dekblad of als omblad te worden gebruikt bij de vervaardiging van producten bedoeld bij onderverdeling 2402 10 00 (1)

6 000 ton

0

1.1.-31.12.

ex 2401 10 49

10

ex 2401 10 50

10

ex 2401 10 70

10

ex 2401 10 90

10

ex 2401 20 41

10

ex 2401 20 49

10

ex 2401 20 50

10

ex 2401 20 70

10

ex 2401 20 90

10

09.2914

ex 3824 90 99

26

Waterige oplossing, bevattende 40 of meer gewichtspercenten droge extracten van betaïne en 5 of meer, doch niet meer dan 30 gewichtspercenten organische of anorganische zouten

38 000 ton

0

1.1.-31.12.

09.2917

ex 2930 90 13

90

Cystine

600 ton

0

1.1.-31.12.

09.2919

ex 8708 29 90

10

Vouwbalgen bestemd voor de vervaardiging van gelede autobussen (1)

2 600 stuks

0

1.1.-31.12.

09.2933

ex 2903 69 90

30

1,3-Dichloorbenzeen

2 600 ton

0

1.1.-31.12.

09.2935

3806 10 10

Gomhars

120 000 ton

0

1.1.-30.6.

09.2935

3806 10 10

Gomhars

80 000 ton

0

1.7.-31.12.

09.2945

ex 2940 00 00

20

D-Xylose

400 ton

0

1.1.-31.12.

09.2947

ex 3904 69 90

95

Poly(vinylideenfluoride) in de vorm van poeder, bestemd voor de vervaardiging van verven of lakken voor het bedekken van metaal (1)

1 300 ton

0

1.1.-31.12.

09.2950

ex 2905 59 10

10

2-Chloorethanol, bestemd voor de vervaardiging van vloeibare thioplasten bedoeld bij onderverdeling 4002 99 90 (1)

8 400 ton

0

1.1.-31.12.

09.2955

ex 2932 19 00

60

Flurtamon (ISO)

300 ton

0

1.1.-31.12.

09.2964

ex 5502 00 80

20

Kabels van cellulosefilamenten gesponnen in organisch oplosmiddel (Lyocell), bestemd voor de papierindustrie (1)

1 200 ton

0

1.1.-31.12.

09.2975

ex 2918 30 00

10

Benzofenon-3,3':4,4'-tetracarbonzuurdianhydride

500 ton

0

1.1.-31.12.

09.2976

ex 8407 90 10

10

Viertaktbenzinemotoren met een cilinderinhoud van niet meer dan 250 cm3, bestemd voor de vervaardiging van gazonmaaimachines bedoeld bij onderverdeling 8433 11 of van maaimachines met motor bedoeld bij onderverdeling 8433 20 10 (1)

750 000 stuks (3)

0

1.7.2004-30.6.2005

09.2979

ex 7011 20 00

15

Beeldschermen van glas, met een diagonaal van 81,5 (± 0,2) cm, gemeten van buitenkant tot buitenkant, met een lichtdoorlaatbaarheid van 80 % (± 3 %) bij een referentiedikte van het glas van 11,43 mm

600 000 stuks

0

1.1.-31.12.

09.2981

ex 8407 33 90

10

Zuigermotoren met vonkontsteking, wankelmotoren daaronder begrepen, met een cilinderinhoud van 300 cm3 of meer en een vermogen van 6 of meer doch niet meer dan 15,5 kW, bestemd voor de vervaardiging van:

gazonmaaimachines met eigen beweegkracht en uitgerust met een zitplaats bedoeld bij onderverdeling 8433 11 51

tractors, bedoeld bij onderverdeling 8701 90 11, die hoofdzakelijk worden gebruikt als gazonmaaimachines of

maaimachines bedoeld bij onderverdeling 8433 20 10 met een viertaktmotor met een cilinderinhoud van 300 m3 of meer (1)

210 000 stuks

0

1.1.-31.12.

ex 8407 90 80

10

ex 8407 90 90

10

09.2985

ex 8540 91 00

33

Platte maskers met een lengte van 685,6 mm (± 0,2 mm) of 687,2 mm (± 0,2 mm) en een hoogte van 406,9 mm (± 0,2 mm) of 408,9 mm (± 0,2 mm), met een breedte van de sleuven gemeten bij het einde van de verticale middellijn van 174 micrometer (± 8 micrometer)

300 000 stuks

0

1.1.-31.12.2005

09.2986

ex 3824 90 99

76

Mengsel van tertiaire aminen, bevattende:

60 of meer gewichtspercenten dodecyldimethylamine

20 of meer gewichtspercenten dimethyl(tetradecyl)amine

0,5 % of meer gewichtspercenten hexadecyldimethylamine, bestemd om te worden gebruikt voor de vervaardiging van amineoxiden (1)

14 000 ton

0

1.1.-31.12.

09.2992

ex 3902 30 00

93

Propyleen-butyleencopolymeer bevattende 60 of meer doch niet meer dan 68 gewichtspercenten propyleen en 32 of meer doch niet meer dan 40 gewichtspercenten butyleen, met een smeltviscositeit van niet meer dan 3 000 mPa bij 190 °C volgens de methode ASTM D 3236, bestemd om te worden gebruikt als kleefstof bij de vervaardiging van producten bedoeld bij onderverdeling 4818 40 (1)

1 000 ton

0

1.1.-31.12.

09.2995

ex 8536 90 85

95

Toetsenborden,

bevattende een laag siliconen en toetsen van polycarbonaat, of

geheel van siliconen of geheel van polycarbonaat, met bedrukte toetsen bestemd voor de vervaardiging of de reparatie van zogenaamde „zaktelefoons” bedoeld bij onderverdeling 8525 20 91 (1)

20 000 000 stuks

0

1.1.-31.12.

ex 8538 90 99

93

09.2998

ex 2924 29 95

80

5'-Chloor-3-hydroxy-2',4'-dimethoxy-2-naftanilide

26 ton

0

1.1.-31.12.”.


(1)  De controle op het gebruik voor deze bijzondere betemming geschiedt volgens de EG-wetgeving terzake.

(2)  Het contingent is echter niet van toepassing indien de behandeling wordt verricht door de kleinhandel of door horecabedrijven.

(3)  De hoeveelheden goederen waarop dit contingent van toepassing is en die in het vrije verkeer werden gebracht met ingang van 1 juli 2004, zoals bepaald bij Verordening (EG) nr. 1329/2004, worden volledig afgeboekt op deze hoeveelheid.

(4)  Het bijzondere aanvullende recht is van toepassing.


28.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 381/8


VERORDENING (EG) Nr. 2244/2004 VAN DE COMMISSIE

van 23 december 2004

tot opening, voor 2005, van tariefcontingenten voor de invoer in de Europese Gemeenschap van bepaalde verwerkte landbouwproducten van oorsprong uit Roemenië

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad van 6 december 1993 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen (1), en met name op artikel 7, lid 2,

Gelet op Besluit 98/626/EG van de Raad van 5 oktober 1998 betreffende de sluiting van het Protocol tot aanpassing van de handelsaspecten van de Europaovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Roemenië, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Finland, de Republiek Oostenrijk en het Koninkrijk Zweden tot de Europese Unie en de resultaten van de landbouwonderhandelingen van de Uruguayronde, met inbegrip van de verbeteringen van de huidige preferentiële regeling (2), en met name op artikel 2, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Protocol nr. 3 betreffende de handel in verwerkte landbouwproducten bij de Europaovereenkomst met Roemenië, zoals gewijzigd bij het Protocol tot aanpassing van de handelsaspecten van die overeenkomst, voorziet in de verlaging, binnen contingenten, van het agrarisch element van de rechten die van toepassing zijn op de invoer van bepaalde verwerkte landbouwproducten van oorsprong uit Roemenië. Deze contingenten moeten worden geopend voor 2005.

(2)

Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (3) bevat voorschriften voor het beheer van tariefcontingenten. De bij deze verordening geopende tariefcontingenten moeten overeenkomstig deze voorschriften worden beheerd.

(3)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor horizontale vraagstukken inzake het handelsverkeer in verwerkte landbouwproducten die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage genoemde jaarlijkse communautaire tariefcontingenten voor verwerkte landbouwproducten van oorsprong uit Roemenië zijn van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 geopend onder de in die bijlage genoemde voorwaarden.

Artikel 2

De in artikel 1 bedoelde communautaire tariefcontingenten worden door de Commissie beheerd overeenkomstig de artikelen 308 bis, 308 ter en 308 quater van Verordening (EEG) nr. 2454/93.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 december 2004.

Voor de Commissie

Günter VERHEUGEN

Vice-voorzitter


(1)  PB L 318 van 20.12.1993, blz. 18. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2580/2000 (PB L 298 van 25.11.2000, blz. 5).

(2)  PB L 301 van 11.11.1998, blz. 1.

(3)  PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2286/2003 (PB L 343 van 31.12.2003, blz. 1).


BIJLAGE

Nummer

GN-code

Omschrijving

Contingent voor 2005

(in ton)

Toepasselijk recht (1)

09.5431

ex 1704

Suikerwerk zonder cacao (witte chocolade daaronder begrepen), ander dan zoethoutextract (drop) bevattende meer dan 10 gewichtspercent sacharose, zonder andere toegevoegde stoffen, bedoeld bij GN-code 1704 90 10 (2)

2 100

0 + EAR

09.5433

ex 1806

Chocolade en andere bereidingen voor menselijke consumptie die cacao bevatten (2), andere dan bedoeld bij de GN-codes 1806 10 15 en 1806 20 70

1 500

0 + EAR

09.5435

ex 1902

Deegwaren, ook indien gekookt of gevuld dan wel op andere wijze bereid, andere dan de bij de GN-codes 1902 20 10 en 1902 20 30 bedoelde gevulde deegwaren; koeskoes, ook indien bereid

600

0 + EAR

09.5437

ex 1904

Graanpreparaten verkregen door poffen of roosteren (bijvoorbeeld cornflakes); granen (andere dan maïs) in de vorm van korrels of in de vorm van vlokken of van andere bewerkte korrels (met uitzondering van meel en gries), voorgekookt of op andere wijze bereid, elders genoemd noch elders onder begrepen, andere dan bedoeld bij GN-code 1904 20 10

438

0 + EAR

09.5439

1905

Brood, gebak, biscuits en andere bakkerswaren, ook indien deze producten cacao bevatten; ouwel in bladen, hosties, ouwels voor geneesmiddelen, plakouwels en dergelijke producten van meel of van zetmeel

1 875

0 + EAR

09.5441

2101 30 19

2101 30 99

Gebrande koffiesurrogaten

Extracten, essences en concentraten van gebrande koffiesurrogaten, met uitzondering van die van gebrande cichorei

163

0 + EAR

09.5443

2105 00

Consumptie-ijs, ook indien cacao bevattend

114

0 + EAR

09.5445

0405 20 10

0405 20 30

ex 2106

ex 3302 10

3302 10 29

Zuivelpasta's met een vetgehalte van ten minste 39 maar niet meer dan 75 gewichtspercenten

Producten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen, andere dan bedoeld bij de GN-codes 2106 10 20, 2106 90 20 en 2106 90 92 en andere dan suikersiroop met toegevoegde aroma's of kleurstoffen (2)

Mengsels van reukstoffen en mengsels (oplossingen in alcohol daaronder begrepen) op basis van een of meer van deze stoffen, van de soort gebruikt als grondstof voor de vervaardiging van dranken:

andere

1 050

0 + EAR

09.5447

2202 90 91

2202 90 95

2202 90 99

Alcoholvrije dranken, andere dan de bij GN-code 2009 bedoelde vruchten- en groentesappen, die onder de bij de GN-codes 0401 tot en met 0404 bedoelde producten of vetstoffen afkomstig van de bij de GN-codes 0401 tot en met 0404 bedoelde producten bevatten

100

0 + EAR


(1)  EAR = Verlaagde agrarische elementen (berekend overeenkomstig de basisbedragen als vermeld in Protocol nr. 3 bij de overeenkomst) die binnen de kwantitatieve grenzen van de contingenten van toepassing zijn. Deze EAR's zijn onderworpen aan het maximumrecht waarin het gemeenschappelijk douanetarief in voorkomend geval voorziet en, voor de producten bedoeld bij de GN-codes 1704 10 91, 1704 10 99, 2105 00 10, 2105 00 91 en 2106 90 10, aan het maximumrecht waarin de overeenkomst voorziet.

(2)  Met uitzondering van de bij de GN-codes ex 1704 90 51, ex 1704 90 99, ex 1806 20 80, ex 1806 20 95, ex 1806 90 90 en ex 2106 90 98 bedoelde producten waarvan het gehalte aan sacharose (het gehalte aan invertsuiker, berekend als sacharose, daaronder begrepen) 70 gewichtspercenten of meer bedraagt.


28.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 381/10


VERORDENING (EG) Nr. 2245/2004 VAN DE COMMISSIE

van 27 december 2004

tot wijziging van de bijlagen I, II, III en IV bij Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (1), en met name op artikel 74,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 44/2001 zijn de nationale bevoegdheidsregels opgesomd. In bijlage II zijn de lijsten opgenomen van de gerechten of autoriteiten die in de lidstaten bevoegd zijn voor de behandeling van verzoeken om een verklaring van uitvoerbaarheid. In bijlage III zijn de gerechten opgesomd waarbij rechtsmiddelen tegen dergelijke beslissingen kunnen worden ingesteld en in bijlage IV zijn de overeenkomstige rechtsmiddelen opgenomen.

(2)

De bijlagen I, II, III en IV bij Verordening (EG) nr. 44/2001 werden gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003 teneinde de nationale bevoegdheidsregels, de lijsten van gerechten of bevoegde autoriteiten en de rechtsmiddelen van de toetredende landen op te nemen.

(3)

Frankrijk, Letland, Litouwen, Slovenië en Slowakije hebben de Commissie in kennis gesteld van teksten tot wijziging van de in de bijlagen I, II, III en IV opgenomen lijsten.

(4)

Verordening (EG) nr. 44/2001 dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 44/2001 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a)

Het op Letland betrekking hebbende streepje wordt vervangen door de volgende tekst:

„—

in Letland: artikel 27 en artikel 28, leden 3, 5, 6 en 9, van Civilprocesa likums (Wet betreffende het burgerlijk procesrecht),”.

b)

Het op Slovenië betrekking hebbende streepje wordt vervangen door de volgende tekst:

„—

in Slovenië: artikel 48, lid 2, van Zakon o medarodnem zasebnem pravu in postopku (Wet betreffende het internationaal privaatrecht en de internationale privaatrechtelijke procesvoering), in samenhang met artikel 47, lid 2, van Zakon o pravdnem postopku (Wet betreffende het burgerlijk procesrecht) en artikel 58, lid 1, van Zakon o medarodnem zasebnem pravu in postopku (Wet betreffende het internationaal privaatrecht en de internationale privaatrechtelijke procesvoering), in samenhang met artikel 57, lid 1, en artikel 47, lid 2, van Zakon o pravdnem postopku (Wet betreffende het burgerlijk procesrecht),”.

c)

Het op Slowakije betrekking hebbende streepje wordt vervangen door de volgende tekst:

„—

in Slowakije: artikel 37 tot en met artikel 37, onder e, van Wet 97/1963 betreffende het internationaal privaatrecht en de internationale privaatrechtelijke procesvoering.”.

2)

Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:

a)

Het op Frankrijk betrekking hebbende streepje wordt vervangen door de volgende tekst:

„—

in Frankrijk:

a)

de „greffier en chef du tribunal de grande instance”,

b)

de „président de la chambre départementale des notaires” in geval van een verzoek om een verklaring van uitvoerbaarheid van een authentieke notariële akte.”.

b)

Het op Slovenië betrekking hebbende streepje wordt vervangen door de volgende tekst:

„—

in Slovenië, de „okrožno sodišce”,”.

c)

Het op Slowakije betrekking hebbende streepje wordt vervangen door de volgende tekst:

„—

in Slowakije, de „okresný súd”.”.

3)

Bijlage III wordt als volgt gewijzigd:

a)

Het op Frankrijk betrekking hebbende streepje wordt vervangen door de volgende tekst:

„—

in Frankrijk:

a)

de „cour d’appel” in geval van beslissingen waarbij het verzoek wordt ingewilligd,

b)

de president van het „tribunal de grande instance” in geval van beslissingen waarbij het verzoek wordt afgewezen.”.

b)

Het op Litouwen betrekking hebbende streepje wordt vervangen door de volgende tekst:

„—

in Litouwen, de „Lietuvos apeliacinis teismas”,”.

c)

Het op Slovenië betrekking hebbende streepje wordt vervangen door de volgende tekst:

„—

in Slovenië, de „okrožno sodišce”,”.

d)

Het op Slowakije betrekking hebbende streepje wordt vervangen door de volgende tekst:

„—

in Slowakije, de „okresný súd”.”.

4)

Bijlage IV wordt als volgt gewijzigd:

a)

Het op Litouwen betrekking hebbende streepje wordt vervangen door de volgende tekst:

„—

in Litouwen: beroep bij de „Lietuvos Aukščiausiasis Teismas”,”.

b)

Het op Slovenië betrekking hebbende streepje wordt vervangen door de volgende tekst:

„—

in Slovenië: beroep bij de „Vrhovno sodišče Republike Slovenije”,”.

c)

Het op Slowakije betrekking hebbende streepje wordt vervangen door de volgende tekst:

„—

in Slowakije de „dovolanie”.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 december 2004.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 12 van 16.1.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.


28.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 381/12


VERORDENING (EG) Nr. 2246/2004 VAN DE COMMISSIE

van 27 december 2004

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1555/96 met betrekking tot de drempelvolumes voor de toepassing van de aanvullende rechten voor peren, citroenen, appelen en courgettes

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit (1) , en met name op artikel 33, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1555/96 van de Commissie van 30 juli 1996 houdende uitvoeringsbepalingen van de regeling met betrekking tot de aanvullende invoerrechten in de sector groenten en fruit (2) voorziet in toezicht op de invoer van de in de bijlage bij die verordening genoemde producten. Voor dit toezicht gelden de uitvoeringsbepalingen die in artikel 308 quinquies van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (3) zijn vastgesteld.

(2)

Met het oog op de toepassing van artikel 5, lid 4, van de in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde gesloten Overeenkomst inzake de landbouw (4), en op grond van de meest recente gegevens over 2001, 2002 en 2003, moeten de drempelvolumes voor de toepassing van de aanvullende rechten worden gewijzigd voor peren, citroenen, appelen en courgettes.

(3)

Verordening (EG) nr. 1555/96 moet derhalve worden gewijzigd.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor verse groenten en fruit,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Verordening (EG) nr. 1555/96 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 december 2004.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 297 van 21.11.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 47/2003 (PB L 7 van 11.1.2003, blz. 64).

(2)  PB L 193 van 3.8.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1844/2004 (PB L 322 van 23.10.2004, blz. 12).

(3)  PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2286/2003 (PB L 343 van 31.12.2003, blz. 1).

(4)  PB L 336 van 23.12.1994, blz. 22.


BIJLAGE

„BIJLAGE

Onverminderd de regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, wordt de tekst van de omschrijving als louter indicatief beschouwd. De werkingssfeer van de aanvullende rechten wordt in het kader van deze bijlage bepaald door de draagwijdte van de GN-codes zoals deze bij de vaststelling van de onderhavige verordening bestaan. Indien de GN-code wordt voorafgegaan door „ex”, wordt de werkingssfeer van de aanvullende rechten zowel door de draagwijdte van de GN-code als door de corresponderende periode van toepassing bepaald.

Volgnummer

GN-code

Omschrijving van de producten

Toepassingsperiode

Drempelvolumes

(t)

78.0015

ex 0702 00 00

Tomaten

van 1 oktober tot en met 31 mei

596 477

78.0020

van 1 juni tot en met 30 september

552 167

78.0065

ex 0707 00 05

Komkommer

van 1 mei tot en met 31 oktober

39 640

78.0075

van 1 november tot en met 30 april

30 932

78.0085

ex 0709 10 00

Artisjokken

van 1 november tot en met 30 juni

2 071

78.0100

0709 90 70

Courgettes

van 1 januari tot en met 31 december

65 658

78.0110

ex 0805 10 10

ex 0805 10 30

ex 0805 10 50

Sinaasappelen

van 1 december tot en met 31 mei

620 166

78.0120

ex 0805 20 10

Clementines

van 1 november tot eind februari

88 174

78.0130

ex 0805 20 30

ex 0805 20 50

ex 0805 20 70

ex 0805 20 90

Mandarijnen (tangerines en satsuma's daaronder begrepen); wilkings en soortgelijke kruisingen van citrusvruchten

van 1 november tot eind februari

94 302

78.0155

ex 0805 50 10

Citroenen

van 1 juni tot en met 31 december

341 887

78.0160

van 1 januari tot en met 31 mei

13 010

78.0170

ex 0806 10 10

Tafeldruiven

van 21 juli tot en met 20 november

227 815

78.0175

ex 0808 10 20

ex 0808 10 50

ex 0808 10 90

Appelen

van 1 januari tot en met 31 augustus

730 999

78.0180

van 1 september tot en met 31 december

32 266

78.0220

ex 0808 20 50

Peren

van 1 januari tot en met 30 april

274 921

78.0235

van 1 juli tot en met 31 december

28 009

78.0250

ex 0809 10 00

Abrikozen

van 1 juni tot en met 31 juli

4 123

78.0265

ex 0809 20 95

Kersen, andere dan zure kersen

van 21 mei tot en met 10 augustus

32 863

78.0270

ex 0809 30

Perziken, nectarines daaronder begrepen

van 11 juni tot en met 30 september

6 808

78.0280

ex 0809 40 05

Pruimen

van 11 juni tot en met 30 september

51 276”


28.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 381/14


VERORDENING (EG) Nr. 2247/2004 VAN DE COMMISSIE

van 27 december 2004

tot intrekking van een aantal verordeningen in de sector rundvlees en van Verordening (EEG) nr. 3882/90 in de sector schapen- en geitenvlees

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (1), en met name op artikel 28, lid 2, artikel 29, lid 2, artikel 33, lid 12, en artikel 41,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2529/2001 van de Raad van 19 december 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schapen- en geitenvlees (2), en met name op de artikelen 15 en 24,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Verordeningen (EEG) nr. 2182/77 (3), (EEG) nr. 2173/79 (4), (EEG) nr. 2326/79 (5), (EEG) nr. 2539/84 (6), (EEG) nr. 2824/85 (7),(EG) nr. 2271/95 (8), (EG) nr. 773/96 (9), (EG) nr. 793/97 (10), (EG) nr. 1495/97 (11), (EG) nr. 23/2001 (12), (EG) nr. 252/2002 (13) en (EG) nr. 496/2003 (14) van de Commissie zijn niet langer relevant voor de goede werking van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees.

(2)

Verordening (EEG) nr. 3882/90 van de Commissie (15) inzake het toezicht op de invoerprijzen voor schapenvlees is inmiddels overbodig, aangezien de Commissie geen heffingen op de invoer van levende schapen en vers, gekoeld of bevroren schapenvlees meer vaststelt. Bovendien is gebleken dat de extra meerwaarde van de op grond van die verordening vereiste mededeling van de invoerprijzen door de lidstaten geenszins opweegt tegen het werk en de kosten die de betrokken instanties in het verzamelen en rapporteren van de gegevens moeten investeren. Derhalve moet de verplichting waarbij de lidstaten deze gegevens moeten meedelen, worden afgeschaft.

(3)

In het belang van de duidelijkheid en de rechtszekerheid moeten de bovengenoemde verordeningen bijgevolg worden ingetrokken.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor rundvlees en het Comité van beheer „schapen en geiten”,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De Verordeningen (EEG) nr. 2182/77, (EEG) nr. 2173/79, (EEG) nr. 2326/79, (EEG) nr. 2539/84, (EEG) nr. 2824/85, (EEG) nr. 3882/90, (EG) nr. 2271/95, (EG) nr. 773/96, (EG) nr. 793/97, (EG) nr. 1495/97, (EG) nr. 23/2001, (EG) nr. 252/2002 en (EG) nr. 496/2003 worden ingetrokken.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 december 2004.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 21. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1899/2004 van de Commissie (PB L 328 van 30.10.2004, blz. 67).

(2)  PB L 341 van 22.12.2001, blz. 3. Verordening laatstelijk gewijzigd bij de Akte van toetreding van 2003.

(3)  PB L 251 van 1.10.1977, blz. 60. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2417/95 (PB L 248 van 14.10.1995, blz. 39).

(4)  PB L 251 van 5.10.1979, blz. 12. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2417/95.

(5)  PB L 266 van 24.10.1979, blz. 5.

(6)  PB L 238 van 6.9.1984, blz. 13. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2417/95.

(7)  PB L 268 van 10.10.1985, blz. 14. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 251/93 (PB L 28 van 5.2.1993, blz. 47).

(8)  PB L 231 van 28.9.1995, blz. 23. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1185/98 (PB L 164 van 9.6.1998, blz. 11).

(9)  PB L 104 van 27.4.1996, blz. 19. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1349/96 (PB L 174 van 12.7.1996, blz. 13).

(10)  PB L 114 van 1.5.1997, blz. 29.

(11)  PB L 202 van 30.7.1997, blz. 35.

(12)  PB L 3 van 6.1.2001, blz. 7. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1840/2001 (PB L 251 van 20.9.2001, blz. 4).

(13)  PB L 40 van 12.2.2002, blz. 6.

(14)  PB L 74 van 20.3.2003, blz. 3.

(15)  PB L 367 van 29.12.1990, blz. 127. Verordening gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 3890/92 (PB L 391 van 31.12.1992, blz. 51).


28.12.2004   

NL XM

Publicatieblad van de Europese Unie

L 381/16


VERORDENING (EG) Nr. 2248/2004 VAN DE COMMISSIE

van 27 december 2004

houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van een communautair tariefcontingent voor 2005 voor maniok van oorsprong uit Thailand

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1095/96 van de Raad van 18 juni 1996 betreffende de tenuitvoerlegging van de concessies in de lijst CXL, die is opgesteld naar aanleiding van de voltooiing van de onderhandelingen in het kader van artikel XXIV, lid 6, van de GATT (1), en met name op artikel 1, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Gemeenschap heeft zich er bij de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Wereldhandelsorganisatie toe verbonden om voor producten van de GN-codes 0714 10 10, 0714 10 91 en 0714 10 99, van oorsprong uit Thailand, een tariefcontingent te openen van maximaal 21 miljoen t per periode van vier jaar, waarvoor het douanerecht tot 6 % wordt verlaagd. Dit contingent moet door de Commissie worden geopend en beheerd.

(2)

Een beheersysteem moet worden toegepast dat garandeert dat in het kader van het betrokken tariefcontingent alleen producten van oorsprong uit Thailand kunnen worden ingevoerd. Daarom moet blijven gelden dat voor de afgifte van een invoercertificaat een door de Thaise autoriteiten afgegeven uitvoercertificaat moet worden overgelegd, waarvan het model aan de Commissie is meegedeeld.

(3)

Aangezien de invoer van de betrokken producten in de Gemeenschap traditioneel wordt beheerd op kalenderjaarbasis, is het dienstig dit systeem te handhaven. Derhalve moet een contingent voor 2005 worden geopend.

(4)

Voor invoer van producten van de GN-codes 0714 10 10, 0714 10 91 en 0714 10 99 moet een invoercertificaat worden overgelegd, overeenkomstig de voorschriften die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie van 9 juni 2000 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (2) alsmede overeenkomstig de voorschriften die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1342/2003 van de Commissie van 28 juli 2003 houdende bijzondere uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer- en uitvoercertificaten in de sector granen en rijst (3).

(5)

In het licht van de opgedane ervaring en aangezien de communautaire concessie voor vier jaar en per jaar voor maximaal 5 500 000 t geldt, is het dienstig maatregelen te handhaven waardoor het mogelijk wordt om hetzij de hoeveelheid boven de in het invoercertificaat vermelde hoeveelheid onder bepaalde voorwaarden in het vrije verkeer te brengen, hetzij toe te staan dat het verschil wordt overgeboekt wanneer de werkelijk ingevoerde hoeveelheid kleiner is dan de in het invoercertificaat vermelde hoeveelheid.

(6)

Met het oog op een correcte toepassing van de overeenkomst moet een strikte en stelselmatige controle worden ingevoerd waarbij rekening wordt gehouden met de in het Thaise uitvoercertificaat vermelde gegevens en met de werkwijze die de Thaise autoriteiten volgen met betrekking tot de afgifte van de uitvoercertificaten.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

OPENING VAN HET CONTINGENT

Artikel 1

1.   Er wordt een tariefcontingent geopend voor de invoer van 5 500 000 t maniok van de GN-codes 0714 10 10, 0714 10 91 en 0714 10 99, van oorsprong uit Thailand, in de periode van 1 januari tot en met 31 december 2005.

In het kader van dit contingent wordt een douanerecht van 6 % ad valorem toegepast.

Dit contingent heeft volgnummer 09.4008.

2.   De in lid 1 bedoelde producten vallen onder de in deze verordening vastgestelde regeling indien ze worden ingevoerd met een invoercertificaat dat wordt afgegeven tegen overlegging van een door het Department of Foreign Trade, Ministry of Commerce, Government of Thailand, afgegeven certificaat voor uitvoer naar de Europese Gemeenschap, hierna te noemen „uitvoercertificaat”.

HOOFDSTUK II

UITVOERCERTIFICATEN

Artikel 2

1.   Het uitvoercertificaat bestaat uit een origineel en ten minste één kopie en wordt opgemaakt met gebruikmaking van een formulier van het model in de bijlage.

Het formaat van het formulier is ongeveer 210 × 297 mm. Het origineel wordt gedrukt op wit papier met een geguillocheerde gele onderdruk die vervalsingen met behulp van mechanische of chemische middelen zichtbaar maakt.

2.   Het uitvoercertificaat wordt in het Engels ingevuld.

3.   Het origineel en de kopieën van het uitvoercertificaat worden met de schrijfmachine of met de hand ingevuld. In het laatste geval moeten zij met inkt en in drukletters worden ingevuld.

4.   Elk uitvoercertificaat heeft een voorgedrukt volgnummer; bovendien wordt in het bovenste vak een certificaatnummer aangebracht. Het origineel en de kopieën hebben dezelfde nummers.

Artikel 3

1.   Tussen 1 januari en 31 december 2005 afgegeven uitvoercertificaten zijn 120 dagen geldig vanaf de datum van afgifte. De datum van afgifte van het certificaat is begrepen in de geldigheidsduur.

Het uitvoercertificaat is slechts geldig indien de vakken op het certificaat naar behoren zijn ingevuld, overeenkomstig de aanwijzingen, en het naar behoren is geviseerd overeenkomstig lid 2. In het vak „Shipped weight” moet de hoeveelheid worden aangegeven in cijfers en in letters.

2.   Het uitvoercertificaat is naar behoren geviseerd wanneer de datum van afgifte is vermeld en wanneer het is voorzien van het stempel van de instantie van afgifte en de handtekening van de bevoegde personen.

HOOFDSTUK III

INVOERCERTIFICATEN

Artikel 4

De aanvraag om een invoercertificaat voor producten van de GN-codes 0714 10 10, 0714 10 91 en 0714 10 99, van oorsprong uit Thailand, opgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1291/2000 en Verordening (EG) nr. 1342/2003 moet bij de bevoegde instanties van de lidstaten worden ingediend samen met het origineel van het uitvoercertificaat.

Het origineel van dit uitvoercertificaat wordt bewaard door de instantie die het invoercertificaat afgeeft. Als het invoercertificaat echter slechts voor een gedeelte van de op het uitvoercertificaat vermelde hoeveelheid wordt aangevraagd, vermeldt de instantie die het invoercertificaat afgeeft, op het origineel van het uitvoercertificaat de hoeveelheid waarvoor dat uitvoercertificaat is gebruikt, voorziet het van haar stempel en geeft het terug aan de belanghebbende.

Voor de afgifte van het invoercertificaat dient alleen rekening te worden gehouden met de op het uitvoercertificaat als „Shipped weight”vermelde hoeveelheid.

Artikel 5

Wanneer wordt geconstateerd dat bij een levering hoeveelheden worden gelost die groter zijn dan de hoeveelheden die zijn vermeld in de voor deze levering afgegeven invoercertificaten, doen de bevoegde autoriteiten die de betrokken invoercertificaten op verzoek van de importeur hebben afgegeven, voor ieder geval afzonderlijk en zo spoedig mogelijk per telex of per fax aan de Commissie mededeling van de nummers van de Thaise uitvoercertificaten, de nummers van de invoercertificaten, de geloste extra hoeveelheid en de naam van het schip.

De Commissie stelt zich in verbinding met de Thaise autoriteiten voor het opstellen van nieuwe uitvoercertificaten.

In afwachting dat de certificaten worden opgesteld, mogen de overtollige hoeveelheden niet onder de in deze verordening bepaalde voorwaarden in het vrije verkeer worden gebracht zolang voor de betrokken hoeveelheden geen nieuwe invoercertificaten worden overgelegd.

De nieuwe invoercertificaten worden afgegeven overeenkomstig het bepaalde in artikel 10.

Artikel 6

Wanneer echter wordt vastgesteld dat de bij een levering feitelijk geloste hoeveelheden niet meer dan 2 % groter zijn dan de in de overgelegde invoercertificaten vermelde hoeveelheden, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar het betrokken product in het vrije verkeer wordt gebracht, op verzoek van de importeur in afwijking van artikel 5, derde alinea, toestaan dat de geloste extra hoeveelheden tegen betaling van een tot 6 % ad valorem beperkt douanerecht in het vrije verkeer worden gebracht, voorzover de importeur een zekerheid stelt waarvan het bedrag gelijk is aan het verschil tussen het in het douanetarief vastgestelde douanerecht en het door hem betaalde douanerecht.

De zekerheid wordt vrijgegeven tegen overlegging van een aanvullend invoercertificaat voor de betrokken hoeveelheden aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar deze hoeveelheden in het vrije verkeer worden gebracht. De aanvraag om een aanvullend certificaat houdt niet de verplichting in om de in artikel 15, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1291/2000 of in artikel 8 van deze verordening bedoelde zekerheid met betrekking tot het certificaat te stellen.

Het aanvullende invoercertificaat wordt afgegeven onder de in artikel 10 bepaalde voorwaarden en tegen overlegging van één of meer nieuwe door de Thaise autoriteiten afgegeven uitvoercertificaten.

In vak 20 van het aanvullende invoercertificaat moet een van de volgende vermeldingen voorkomen:

Certificado complementario, artículo 6 del Reglamento (CE) no 2248/2004,

Licence pro dodatečné množství, čl. 6 nařízení (ES) č. 2248/2004,

Supplerende licens, forordning (EF) nr. 2248/2004, artikel 6,

Zusätzliche Lizenz — Artikel 6 der Verordnung (EG) Nr. 2248/2004,

Lisakoguse litsents, määruse (EÜ) nr 2248/2004 artikkel 6,

Συμπληρωματικό πιστοποιητικό — Άρθρο 6 του κανονισμού (ΕΚ) αριθ. 2248/2004,

Licence for additional quantity, Article 6 of Regulation (EC) No 2248/2004,

Certificat complémentaire, règlement (CE) no 2248/2004, article 6,

Titolo complementare, regolamento (CE) n. 2248/2004 articolo 6,

Atļauja par papildu daudzumu, Regulas (EK) Nr. 2248/2004 6. pants,

Papildomoji licencija, Reglamento (EB) Nr. 2248/2004 6 straipsnio,

Kiegészítő engedély, 2248/2004/EK rendelet 6. cikk,

Aanvullend certificaat — artikel 6 van Verordening (EG) nr. 2248/2004,

Uzupełniające pozwolenie, rozporządzenie (WE) nr 2248/2004 art. 6,

Certificado complementar, artigo 6.o do Regulamento (CE) n.o 2248/2004,

Dodatočné povolenie, článok 6 nariadenia (ES) č. 2248/2004,

Dovoljenje za dodatne količine, člen 6, Uredba (ES) št. 2248/2004,

Lisätodistus, asetus (EY) N:o 2248/2004 6 artikla,

Kompletterande licens, artikel 6 i förordning (EG) nr 2248/2004.

Behoudens overmacht wordt de zekerheid verbeurd voor de hoeveelheden waarvoor geen aanvullend invoercertificaat is overgelegd binnen vier maanden te rekenen vanaf de datum waarop de in de eerste alinea bedoelde aangifte tot het in het vrije verkeer brengen is aanvaard. Meer in het bijzonder wordt de zekerheid verbeurd voor de hoeveelheden waarvoor op grond van artikel 10, eerste alinea, geen aanvullend invoercertificaat kon worden afgegeven.

Nadat het aanvullende invoercertificaat door de bevoegde autoriteit is afgeboekt en geviseerd, wordt het bij de vrijgave van de in de eerste alinea bedoelde zekerheid zo spoedig mogelijk aan de instantie van afgifte teruggezonden.

Artikel 7

De invoercertificaataanvragen op grond van deze verordening kunnen in elke lidstaat worden ingediend en de afgegeven certificaten zijn in de gehele Gemeenschap geldig.

Artikel 5, lid 1, eerste alinea, vierde streepje, van Verordening (EG) nr. 1291/2000 geldt niet voor invoer in het kader van deze verordening.

Artikel 8

In afwijking van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1342/2003 bedraagt de zekerheid voor de in deze verordening bedoelde invoercertificaten 5 EUR per ton.

Artikel 9

1.   In vak 8 van de aanvraag om het invoercertificaat en van het certificaat zelf moet de vermelding „Thailand” worden aangebracht.

2.   In het invoercertificaat moeten worden aangebracht:

a)

in vak 24, één van de volgende vermeldingen:

Derechos de aduana limitados al 6 % ad valorem [Reglamento (CE) no 2248/2004],

Clo limitované 6 % ad valorem (nařízení (ES) č. 2248/2004),

Toldsatsen begrænses til 6 % af værdien (forordning (EF) nr. 2248/2004),

Beschränkung des Zolls auf 6 % des Zollwerts (Verordnung (EG) Nr. 2248/2004),

Väärtuseline tollimaks piiratud 6 protsendini (määrus (EÜ) nr 2248/2004),

Τελωνειακός δασμός κατ' ανώτατο όριο 6 % κατ' αξία [κανονισμός (ΕΚ) αριθ. 2248/2004],

Customs duties limited to 6 % ad valorem (Regulation (EC) No 2248/2004),

Droits de douane limités a 6 % ad valorem [règlement (CE) no 2248/2004],

Dazi doganali limitati al 6 % ad valorem [regolamento (CE) n. 2248/2004],

Muitas nodokļi nepārsniedz 6 % ad valorem (Regula (EK) Nr. 2248/2004),

Muito mokestis neviršija 6 % ad valorem (Reglamentas (EB) Nr. 2248/2004),

Mérsékelt, 6 %-os értékvám (2248/2004/EK rendelet),

Douanerechten beperkt tot 6 % ad valorem (Verordening (EG) nr. 2248/2004),

Należności celne ograniczone do 6 % ad valorem (Rozporządzenie (WE) nr 2248/2004),

Direitos aduaneiros limitados a 6 % ad valorem [Regulamento (CE) n.o 2248/2004],

Dovozné clo so stropom 6 % ad valorem (Nariadenie (ES) č 2248/2004),

Omejitev carinskih dajatev na 6 % ad valorem (Uredba (ES) št. 2248/2004),

Arvotulli rajoitettu 6 prosenttiin (asetus (EY) N:o 2248/2004),

Tullsatsen begränsad till 6 % av värdet (förordning (EG) nr 2248/2004);

b)

in vak 20, de volgende vermeldingen:

i)

de naam van het schip zoals aangegeven in het Thaise uitvoercertificaat,

ii)

het nummer en de datum van het Thaise uitvoercertificaat.

3.   Het invoercertificaat kan slechts tot staving van de aangifte tot het in het vrije verkeer brengen worden aanvaard wanneer met name uit een kopie van het connossement die door de belanghebbende wordt overgelegd, blijkt dat de producten waarvoor de toelating tot het vrije verkeer wordt gevraagd, naar de Gemeenschap zijn vervoerd met het schip dat is vermeld op het invoercertificaat.

4.   Onder voorbehoud van artikel 6 van deze verordening en in afwijking van artikel 8, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1291/2000 mag de in het vrije verkeer gebrachte hoeveelheid niet groter zijn dan de in de vakken 17 en 18 van het invoercertificaat vermelde hoeveelheid. In dit verband wordt in vak 19 van dat certificaat het cijfer 0 ingevuld.

Artikel 10

Het invoercertificaat wordt afgegeven op de vijfde werkdag na de dag waarop de aanvraag is ingediend, tenzij de Commissie de bevoegde instanties van de lidstaat per telex of per fax heeft meegedeeld dat de in deze verordening vastgestelde voorwaarden niet in acht zijn genomen.

Op verzoek van de belanghebbende en als de Commissie daarmee per telex of per fax heeft ingestemd, mag het invoercertificaat op een kortere termijn worden afgegeven.

Als de voorwaarden voor afgifte van het invoercertificaat niet in acht zijn genomen, kan de Commissie eventueel na overleg met de Thaise autoriteiten passende maatregelen nemen.

Artikel 11

In afwijking van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1342/2003 is de laatste dag waarop het invoercertificaat geldig is, de dertigste dag volgende op de laatste dag van de geldigheidsduur van het overeenkomstige uitvoercertificaat.

Artikel 12

1.   De lidstaten verstrekken de Commissie elke werkdag per telex of per fax de volgende gegevens over elke invoercertificaataanvraag:

a)

de hoeveelheid waarvoor het invoercertificaat wordt aangevraagd met, eventueel, de vermelding „Aanvullend invoercertificaat”;

b)

de naam van de aanvrager van het certificaat;

c)

het nummer van het overgelegde uitvoercertificaat, dat is vermeld in het bovenste vak van het certificaat;

d)

de datum van afgifte van het uitvoercertificaat;

e)

de totale hoeveelheid waarvoor het uitvoercertificaat is afgegeven;

f)

de naam van de exporteur, zoals vermeld op het uitvoercertificaat.

2.   Uiterlijk op het einde van het eerste halfjaar van 2006 delen de met de afgifte van de invoercertificaten belaste autoriteiten de Commissie per telex of per fax de volledige lijst mee van de niet afgeboekte hoeveelheden die op de achterzijde van de invoercertificaten voorkomen, alsmede de namen van de schepen en de nummers van de betrokken uitvoercertificaten.

HOOFDSTUK IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 13

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 december 2004.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 146 van 20.6.1996, blz. 1.

(2)  PB L 152 van 24.6.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1741/2004 (PB L 311 van 8.10.2004, blz. 17).

(3)  PB L 189 van 29.7.2003, blz. 12. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1092/2004 (PB L 209 van 11.6.2004, blz. 9).


ANEXO — PŘÍLOHA — BILAG — ANHANG — LISA — ΠΑΡΑΡΤΗΜΑ — ANNEX — ANNEXE — ALLEGATO — PIELIKUMS — PRIEDAS — MELLÉKLET — BIJLAGE — ZAŁĄCZNIK — ANEXO — PRÍLOHA — PRILOGA — LIITE — BILAGA

Image


28.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 381/23


VERORDENING (EG) Nr. 2249/2004 VAN DE COMMISSIE

van 27 december 2004

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 686/2004 tot vaststelling van overgangsmaatregelen betreffende telersverenigingen op de markt voor verse groenten en fruit in verband met de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije tot de Europese Unie

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op het Verdrag betreffende de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije,

Gelet op de Akte van toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, en met name op artikel 41, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 686/2004 van de Commissie (1) voorziet in de mogelijkheid om, bij wijze van overgangsmaatregel, operationele programma’s op te zetten voor telersverenigingen in Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije.

(2)

Krachtens artikel 16, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1433/2003 van de Commissie van 11 augustus 2003 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van Verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad voor wat de actiefondsen, de operationele programma's en de toekenning van financiële steun betreft (2), worden de operationele programma's uitgevoerd in jaarperioden die van 1 januari tot en met 31 december lopen. Met de tenuitvoerlegging van operationele programma's mag evenwel pas worden begonnen nadat de bevoegde nationale autoriteiten deze hebben goedgekeurd. Derhalve moet de mogelijkheid worden ingeruimd om voor de operationele programma's die bij wijze van overgangsmaatregel zijn opgezet, een looptijd vast te stellen die in 2004 enkele maanden bedraagt en in 2005 12 maanden. Bijgevolg moeten bepalingen worden vastgesteld inzake de berekening van de referentieperiode en de steun voor de bij wijze van overgangsmaatregel opgezette operationele programma's.

(3)

Verduidelijkt moet worden dat de steun bestemd is voor het deel van het bij wijze van overgangsmaatregel opgezette operationele programma, dat daadwerkelijk in 2004 wordt uitgevoerd, en dat de steun dienovereenkomstig wordt berekend met ingang van de dag waarop het programma is goedgekeurd.

(4)

Verordening (EG) nr. 686/2004 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor verse groenten en fruit,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 686/2004 wordt als volgt gewijzigd:

1)

aan lid 3 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„In afwijking van artikel 16, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1433/2003 hebben de operationele programma’s in 2004 een looptijd die begint op de datum waarop ze worden goedgekeurd door de bevoegde nationale autoriteiten, en eindigt op 31 december 2004.”.

2)

het volgende lid 4 bis wordt ingevoegd:

„4 bis.   In afwijking van artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1433/2003 wordt, met betrekking tot de steunaanvraag voor 2004, de waarde van de in de referentieperiode verkochte productie vermenigvuldigd met het aantal dagen in de periode die loopt vanaf de datum van goedkeuring van het operationele programma tot 31 december 2004 (inclusief die twee dagen), en vervolgens gedeeld door 366.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 december 2004.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 106 van 15.4.2004, blz. 10.

(2)  PB L 203 van 12.8.2003, blz. 25. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1813/2004 (PB L 319 van 20.10.2004, blz. 5).


28.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 381/25


VERORDENING (EG) Nr. 2250/2004 VAN DE COMMISSIE

van 27 december 2004

tot wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 429/90, (EG) nr. 2571/97, (EG) nr. 174/1999, (EG) nr. 2771/1999, (EG) nr. 2799/1999, (EG) nr. 214/2001, (EG) nr. 580/2004, (EG) nr. 581/2004 en (EG) nr. 582/2004 wat de termijnen voor de indiening van de offertes en de mededeling ervan aan de Commissie betreft

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (1), en met name op de artikelen 10, 15 en 31,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In de volgende verordeningen zijn de termijnen vastgesteld waarbinnen de inschrijvers hun offertes moeten indienen bij de bevoegde autoriteiten en de lidstaten de offertes aan de Commissie moeten meedelen:

Verordening (EEG) nr. 429/90 van de Commissie van 20 februari 1990 betreffende de toekenning, via openbare inschrijving, van steun voor boterconcentraat voor rechtstreekse consumptie in de Gemeenschap (2),

Verordening (EG) nr. 2571/97 van de Commissie van 15 december 1997 betreffende de verkoop van boter tegen verlaagde prijs en de toekenning van steun voor room, boter en boterconcentraat voor de vervaardiging van banketbakkerswerk, consumptie-ijs en andere voedingsmiddelen (3),

Verordening (EG) nr. 2771/1999 van de Commissie van 16 december 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad ten aanzien van de interventiemaatregelen op de markt voor boter en room (4),

Verordening (EG) nr. 2799/1999 van de Commissie van 17 december 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad ten aanzien van de toekenning van steun voor ondermelk en mageremelkpoeder voor voederdoeleinden en de verkoop van voornoemd mageremelkpoeder (5),

Verordening (EG) nr. 214/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad ten aanzien van de interventiemaatregelen op de markt voor boter en room (6),

Verordening (EG) nr. 580/2004 van de Commissie van 26 maart 2004 houdende een inschrijvingsprocedure tot vaststelling van de uitvoerrestituties voor bepaalde zuivelproducten (7),

Verordening (EG) nr. 581/2004 van de Commissie van 26 maart 2004 tot opening van een permanente inschrijving voor de bepaling van de uitvoerrestituties voor bepaalde soorten boter (8), en

Verordening (EG) nr. 582/2004 van de Commissie van 26 maart 2004 tot opening van een permanente inschrijving voor de bepaling van de uitvoerrestituties voor mageremelkpoeder (9).

(2)

Om het systeem van de openbare inschrijvingen soepel te laten werken, en met name de betrokken bevoegde autoriteiten en de diensten van de Commissie voldoende tijd te geven om de gegevens voor elke inschrijving te behandelen, moet de termijn waarbinnen de marktdeelnemers de offertes moeten indienen en de bevoegde autoriteiten de gegevens aan de Commissie moeten meedelen, worden vervroegd.

(3)

Met het oog op het minimaliseren van het speculatiegevaar dat samenhangt met de vervroegde indiening van offertes in het kader van de in de Verordeningen (EG) nr. 581/2004 en (EG) nr. 582/2004 vastgestelde inschrijvingsprocedure moet het onmogelijk worden gemaakt om na de termijn voor indiening van offertes nog over te gaan tot voorfixatie van uitvoerrestituties overeenkomstig Verordening (EG) nr. 174/1999 van de Commissie van 26 januari 1999 tot vaststelling van de specifieke uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad inzake de uitvoercertificaten en de uitvoerrestituties in de sector melk en zuivelproducten (10).

(4)

De Verordeningen (EEG) nr. 429/90, (EG) nr. 2571/97, (EG) nr. 174/1999, (EG) nr. 2771/1999, (EG) nr. 2799/1999, (EG) nr. 214/2001, (EG) nr. 580/2004, (EG) nr. 581/2004 en (EG) nr. 582/2004 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor melk en zuivelproducten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 429/90 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Lid 2 wordt vervangen door:

„2.   De termijn voor het indienen van de offertes voor deze bijzondere inschrijvingen loopt af op de tweede en de vierde dinsdag van iedere maand om 11.00 uur (plaatselijke tijd Brussel), met uitzondering van de tweede dinsdag in augustus en vierde dinsdag in december. Wanneer de betrokken dinsdag een feestdag is, loopt de termijn af op de laatste werkdag die daaraan voorafgaat, om 11.00 uur (plaatselijke tijd Brussel).”.

2.

Het volgende lid 4 wordt toegevoegd:

„4.   Op de dag waarop de in artikel 3, lid 2, bedoelde termijn verstrijkt, delen de lidstaten aan de Commissie mee op welke hoeveelheden en prijzen de offertes van de inschrijvers betrekking hebben.

Indien geen offertes zijn ingediend, delen de lidstaten dit binnen dezelfde termijn aan de Commissie mee.”.

Artikel 2

Artikel 14 van Verordening (EG) nr. 2571/97 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Lid 2 wordt vervangen door:

„2.   De termijn voor het indienen van de offertes voor deze bijzondere inschrijvingen loopt af op de tweede en de vierde dinsdag van iedere maand om 11.00 uur (plaatselijke tijd Brussel), met uitzondering van de tweede dinsdag in augustus en vierde dinsdag in december. Wanneer de betrokken dinsdag een feestdag is, loopt de termijn af op de laatste werkdag die daaraan voorafgaat, om 11.00 uur (plaatselijke tijd Brussel).”.

2.

Het volgende lid 3 wordt toegevoegd:

„3.   Op de dag waarop de in artikel 14, lid 2, bedoelde termijn verstrijkt, delen de lidstaten aan de Commissie mee op welke hoeveelheden en prijzen de offertes van de inschrijvers betrekking hebben.

Indien geen offertes zijn ingediend, delen de lidstaten dit binnen dezelfde termijn aan de Commissie mee, indien in de betrokken lidstaat boter beschikbaar is voor de verkoop.”.

Artikel 3

Artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 174/1999 wordt vervangen door:

„3.   Met betrekking tot certificaataanvragen voor alle in artikel 1, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad (11) genoemde producten, die overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie (12) zijn ingediend op de woensdag en de donderdag volgende op het einde van de inschrijvingsperiode zoals bedoeld in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 581/2004 van de Commissie (13) en artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 582/2004 van de Commissie (14), wordt de op die donderdag volgende werkdag als de datum van indiening beschouwd.”.

Artikel 4

Verordening (EG) nr. 2771/1999 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Artikel 16, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   De termijn voor het indienen van de offertes voor deze bijzondere inschrijvingen loopt af op de tweede en de vierde dinsdag van iedere maand om 11.00 uur (plaatselijke tijd Brussel), met uitzondering van de tweede dinsdag in augustus. Wanneer de betrokken dinsdag een feestdag is, loopt de termijn af op de laatste werkdag die daaraan voorafgaat, om 11.00 uur (plaatselijke tijd Brussel).”.

2.

Artikel 17 ter, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   Op de dag waarop de in artikel 16, lid 3, bedoelde termijn verstrijkt, delen de lidstaten aan de Commissie mee op welke hoeveelheden en prijzen de offertes van de inschrijvers betrekking hebben.

Indien geen offertes zijn ingediend, delen de lidstaten dit binnen dezelfde termijn aan de Commissie mee.”.

3.

Artikel 22, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De termijn voor het indienen van de offertes voor deze bijzondere inschrijvingen loopt af op de tweede en de vierde dinsdag van iedere maand om 11.00 uur (plaatselijke tijd Brussel), met uitzondering van de tweede dinsdag in augustus en vierde dinsdag in december. Wanneer de betrokken dinsdag een feestdag is, loopt de termijn af op de laatste werkdag die daaraan voorafgaat, om 11.00 uur (plaatselijke tijd Brussel).”.

4.

Artikel 24 bis, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   Op de dag waarop de in artikel 22, lid 2, bedoelde termijn verstrijkt, delen de lidstaten aan de Commissie mee op welke hoeveelheden en prijzen de offertes van de inschrijvers betrekking hebben.

Indien geen offertes zijn ingediend, delen de lidstaten dit binnen dezelfde termijn aan de Commissie mee, indien in de betrokken lidstaat boter beschikbaar is voor de verkoop.”.

Artikel 5

Verordening (EG) nr. 2799/1999 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Artikel 27, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De termijn voor het indienen van de biedingen voor deze bijzondere inschrijvingen loopt af op de tweede en de vierde dinsdag van iedere maand om 11.00 uur (plaatselijke tijd Brussel), met uitzondering van de tweede dinsdag in augustus en vierde dinsdag in december. Wanneer de betrokken dinsdag een feestdag is, loopt de termijn af op de laatste werkdag die daaraan voorafgaat, om 11.00 uur (plaatselijke tijd Brussel).”.

2.

In artikel 30, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Indien geen biedingen zijn ingediend, delen de lidstaten dit binnen dezelfde termijn aan de Commissie mee, indien in de betrokken lidstaat mageremelkpoeder beschikbaar is voor de verkoop.”.

Artikel 6

Verordening (EG) nr. 214/2001 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Artikel 14, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De termijn voor het indienen van de offertes voor deze bijzondere inschrijvingen loopt af op de tweede en de vierde dinsdag van iedere maand om 11.00 uur (plaatselijke tijd Brussel), met uitzondering van de tweede dinsdag in augustus. Wanneer de betrokken dinsdag een feestdag is, loopt de termijn af op de laatste werkdag die daaraan voorafgaat, om 11.00 uur (plaatselijke tijd Brussel).”.

2)

Artikel 17, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   Op de dag waarop de in artikel 14, lid 2, bedoelde termijn verstrijkt, delen de lidstaten aan de Commissie mee op welke hoeveelheden en prijzen de offertes van de inschrijvers betrekking hebben.

Indien geen offertes zijn ingediend, delen de lidstaten dit binnen dezelfde termijn aan de Commissie mee.”.

3.

Artikel 22, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De termijn voor het indienen van de offertes voor deze bijzondere inschrijvingen loopt af op de tweede en de vierde dinsdag van iedere maand om 11.00 uur (plaatselijke tijd Brussel), met uitzondering van de tweede dinsdag in augustus en vierde dinsdag in december. Wanneer de betrokken dinsdag een feestdag is, loopt de termijn af op de laatste werkdag die daaraan voorafgaat, om 11.00 uur (plaatselijke tijd Brussel).”.

4.

Artikel 24 bis, lid 1, derde alinea, wordt vervangen door:

„Indien geen offertes zijn ingediend, delen de lidstaten dit binnen dezelfde termijn aan de Commissie mee, indien in de betrokken lidstaat mageremelkpoeder beschikbaar is voor de verkoop.”.

Artikel 7

Artikel 4, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 580/2004 wordt vervangen door:

„Binnen drie uur na afloop van elke inschrijvingsperiode delen de lidstaten de Commissie alle geldige offertes overeenkomstig het model in de bijlage mee, zonder de inschrijvers met name te noemen.”.

Artikel 8

Artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 581/2004 wordt vervangen door:

„2.   Elke inschrijvingsperiode begint om 13.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) op de eerste en de derde dinsdag van de maand, met uitzondering van de eerste dinsdag in augustus en de derde dinsdag in december. Indien de betrokken dinsdag een feestdag is, begint de periode om 13.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) op de volgende werkdag.

Elke inschrijvingsperiode eindigt om 13.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) op de tweede en de vierde dinsdag van de maand, met uitzondering van de tweede dinsdag in augustus en de vierde dinsdag in december. Indien de betrokken dinsdag een feestdag is, eindigt de periode om 13.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) op de voorgaande werkdag.”.

Artikel 9

Artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 582/2004 wordt vervangen door:

„2.   Elke inschrijvingsperiode begint om 13.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) op de eerste en de derde dinsdag van de maand, met uitzondering van de eerste dinsdag in augustus en de derde dinsdag in december. Indien de betrokken dinsdag een feestdag is, begint de periode om 13.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) op de volgende werkdag.

Elke inschrijvingsperiode eindigt om 13.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) op de tweede en de vierde dinsdag van de maand, met uitzondering van de tweede dinsdag in augustus en de vierde dinsdag in december. Indien de betrokken dinsdag een feestdag is, eindigt de periode om 13.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) op de voorgaande werkdag.”.

Artikel 10

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 december 2004.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 186/2004 van de Commissie (PB L 29 van 3.2.2004, blz. 6).

(2)  PB L 45 van 21.2.1990, blz. 8. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 921/2004 (PB L 163 van 30.4.2004, blz. 94).

(3)  PB L 350 van 20.12.1997, blz. 3. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 921/2004.

(4)  PB L 333 van 24.12.1999, blz. 11. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1932/2004 (PB L 333 van 9.11.2004, blz. 4).

(5)  PB L 340 van 31.12.1999, blz. 3. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1992/2004 (PB L 344 van 20.11.2004, blz. 11).

(6)  PB L 37 van 7.2.2001, blz. 100. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1838/2004 (PB L 322 van 23.10.2004, blz. 3).

(7)  PB L 90 van 27.3.2004, blz. 58.

(8)  PB L 90 van 27.3.2004, blz. 64.

(9)  PB L 90 van 27.3.2004, blz. 67.

(10)  PB L 20 van 27.1.1999, blz. 8. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1846/2004 (PB L 322 van 23.10.2004, blz. 16).

(11)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48.

(12)  PB L 152 van 24.6.2000, blz. 1.

(13)  PB L 90 van 27.3.2004, blz. 64.

(14)  PB L 90 van 27.3.2004, blz. 67.


28.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 381/29


VERORDENING (EG) Nr. 2251/2004 VAN DE COMMISSIE

van 27 december 2004

tot wijziging van de vanaf 28 december 2004 geldende invoerrechten in de sector granen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1249/96 van de Commissie van 28 juni 1996 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad ten aanzien van de invoerrechten in de sector granen (2), en met name op artikel 2, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De invoerrechten in de sector granen zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 2142/2004 van de Commissie (3).

(2)

In artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1249/96 is bepaald dat, indien in de loop van een toepassingsperiode het berekende gemiddelde van de invoerrechten 5 EUR per ton verschilt van het vastgestelde recht, een overeenkomstige aanpassing wordt uitgevoerd. Dit verschil heeft zich voorgedaan. De in Verordening (EG) nr. 2142/2004 vastgestelde invoerrechten moeten derhalve worden aangepast,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I en II bij de Verordening (EG) nr. 2142/2004 worden vervangen door de bijlagen I en II bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 28 december 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 december 2004.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 270 van 29.9.2003, blz. 78.

(2)  PB L 161 van 29.6.1996, blz. 125. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1110/2003 (PB L 158 van 27.6.2003, blz. 12).

(3)  PB L 369 van 16.12.2004, blz. 55. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2215/2004 (PB L 374 van 22.12.2004, blz. 61).


BIJLAGE I

Vanaf 28 december 2004 geldende invoerrechten voor de in artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde producten

GN-code

Omschrijving

Invoerrecht (1)

(in EUR/ton)

1001 10 00

Harde tarwe van hoge kwaliteit

0,00

van gemiddelde kwaliteit

0,00

van lage kwaliteit

9,66

1001 90 91

Zachte tarwe, zaaigoed

0,00

ex 1001 90 99

Zachte tarwe van hoge kwaliteit, andere dan voor zaaidoeleinden

0,00

1002 00 00

Rogge

47,57

1005 10 90

Maïs, zaaigoed, andere dan hybriden

52,37

1005 90 00

Maïs, andere dan zaaigoed (2)

52,37

1007 00 90

Graansorgho, andere dan hybriden bestemd voor zaaidoeleinden

47,57


(1)  Voor producten die via de Atlantische Oceaan of het Suezkanaal in de Gemeenschap worden aangevoerd (artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1249/96) komt de importeur in aanmerking voor een verlaging van het invoerrecht met:

3 EUR/t, als de loshaven aan de Middellandse Zee ligt, of

2 EUR/t, als de loshaven in Ierland, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Estland, Letland, Litouen, Polen, Finland, Zweden of aan de Atlantische kust van het Iberisch Schiereiland ligt.

(2)  De importeur komt in aanmerking voor een forfaitaire verlaging van het invoerrecht met 24 EUR/t, als aan de in artikel 2, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1249/96 vastgestelde voorwaarden is voldaan.


BIJLAGE II

Berekeningselementen

periode van 15.12.2004-23.12.2004

1)

Gemiddelden over de referentieperiode bepaald in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96:

Beursnotering

Minneapolis

Chicago

Minneapolis

Minneapolis

Minneapolis

Minneapolis

Product (eiwitgehalte bij 12 % vocht)

HRS2 (14 %)

YC3

HAD2

Van gemiddelde kwaliteit (1)

Van lage kwaliteit (2)

US barley 2

Notering (EUR/t)

109,43 (3)

59,79

147,01

137,01

117,01

78,13

Golfpremie (EUR/t)

11,13

 

 

Grote-Merenpremie (EUR/t)

23,12

 

 

2)

Gemiddelden over de referentieperiode bepaald in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96:

Vrachttarieven/kosten: Golf van Mexico–Rotterdam: 31,79 EUR/t; Grote Meren–Rotterdam: 46,26 EUR/t.

3)

Subsidies bedoeld in artikel 4, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1249/96:

0,00 EUR/t (HRW2)

0,00 EUR/t (SRW2).


(1)  Een korting van 10 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).

(2)  Een korting van 30 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).

(3)  Premie van 14 EUR/t inbegrepen (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).


II Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

Raad

28.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 381/32


BESLUIT VAN DE RAAD

van 29 november 2004

betreffende de ondertekening van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek San Marino waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in Richtlijn 2003/48/EG betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling, alsmede de goedkeuring en ondertekening van het bijbehorende memorandum van overeenstemming

(2004/903/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 94 juncto artikel 300, lid 2, eerste alinea,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 16 oktober 2001 heeft de Raad de Commissie gemachtigd onderhandelingen te voeren met de Republiek San Marino over een passende overeenkomst om te bereiken dat de Republiek San Marino maatregelen aanneemt van gelijke strekking als die welke binnen de Gemeenschap zullen worden toegepast met het oog op effectieve belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling.

(2)

De tekst van de overeenkomst die het resultaat vormt van de onderhandelingen, sluit aan bij de onderhandelingsrichtsnoeren van de Raad. Bij de overeenkomst gaat een memorandum van overeenstemming tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en de Republiek San Marino anderzijds.

(3)

Onder voorbehoud van de vaststelling van een besluit betreffende de sluiting van de overeenkomst op een later tijdstip is het wenselijk dat de twee documenten, die op 12 juli 2004 werden geparafeerd, worden ondertekend en dat de goedkeuring van het memorandum van overeenstemming door de Raad wordt bevestigd,

BESLUIT:

Artikel 1

Onder voorbehoud van de vaststelling van een besluit betreffende de sluiting van de overeenkomst op een later tijdstip van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek San Marino waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in Richtlijn 2003/48/EG betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling wordt de voorzitter van de Raad gemachtigd de personen aan te wijzen die bevoegd zijn de overeenkomst, het bijbehorende memorandum van overeenstemming en de in artikel 21, lid 2, van de overeenkomst en de laatste alinea van het memorandum van overeenstemming bedoelde brieven namens de Europese Gemeenschap te ondertekenen.

Het memorandum van overeenstemming wordt door de Raad goedgekeurd.

De tekst van het memorandum van overeenstemming is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 29 november 2004.

Voor de Raad

De voorzitter

L. J. BRINKHORST


OVEREENKOMST

tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek San Marino waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in Richtlijn 2003/48/EG betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling

DE EUROPESE GEMEENSCHAP,

en

DE REPUBLIEK SAN MARINO,

dan wel al naar gelang de context „overeenkomstsluitende partij” of „overeenkomstsluitende partijen” genoemd,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT OMTRENT DE VOLGENDE BEPALINGEN:

Artikel 1

Doel

1.   Deze overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek San Marino strekt ertoe de bestaande nauwe banden tussen beide partijen te consolideren en uit te breiden door middel van de vaststelling van maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (hierna „de richtlijn” genoemd) ten gunste van uiteindelijk gerechtigden die een natuurlijke persoon zijn en hun fiscale woonplaats in een lidstaat van de Europese Gemeenschap hebben.

2.   De Republiek San Marino stelt de nodige maatregelen vast en voorziet met name in procedure- en sanctiebepalingen opdat de op haar grondgebied gevestigde uitbetalende instanties de voor de uitvoering van deze overeenkomst noodzakelijke taken uitvoeren, ongeacht de vestigingsplaats van de debiteur van de rentedragende schuldvordering.

Artikel 2

Definitie van uiteindelijk gerechtigde

1.   Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt onder „uiteindelijk gerechtigde” verstaan elke natuurlijke persoon die een rentebetaling ontvangt of ten gunste van wie een rentebetaling wordt bewerkstelligd, tenzij deze aantoont dat de rentebetaling niet te zijner gunste is ontvangen of bewerkstelligd is. Dit betekent:

a)

dat hij handelt als uitbetalende instantie in de zin van artikel 4, of

b)

dat hij handelt namens een rechtspersoon, een beleggingsfonds of een vergelijkbaar of daarmee gelijkgesteld lichaam voor collectieve belegging in effecten, of

c)

dat hij handelt namens een andere natuurlijke persoon die de uiteindelijk gerechtigde is en hij aan de uitbetalende instantie overeenkomstig artikel 3 de identiteit van die uiteindelijk gerechtigde bekendmaakt.

2.   Indien de uitbetalende instantie beschikt over gegevens die doen vermoeden dat de natuurlijke persoon die een rentebetaling ontvangt of ten gunste van wie een rentebetaling wordt bewerkstelligd, niet de uiteindelijk gerechtigde is, en die persoon noch onder a) noch onder b) van lid 1 valt, moet zij redelijke maatregelen nemen om de identiteit van de uiteindelijk gerechtigde vast te stellen, overeenkomstig artikel 3. Indien de uitbetalende instantie de uiteindelijk gerechtigde niet kan identificeren, behandelt zij de natuurlijke persoon in kwestie als de uiteindelijk gerechtigde.

Artikel 3

Identiteit en woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde

Om de identiteit en de woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde in de zin van artikel 2 te bepalen, houdt de uitbetalende instantie gegevens bij met betrekking tot diens naam, voornaam, adres en woonplaats in overeenstemming met de Sanmarinese woeker- en antiwitwaswet. Voor contractuele betrekkingen die zijn aangegaan of transacties die bij ontstentenis van contractuele betrekkingen zijn verricht op of na 1 januari 2004, wordt de woonplaats van natuurlijke personen die een door een lidstaat van de Europese Unie, hierna „lidstaat” genoemd, uitgereikt paspoort of officieel identiteitsbewijs overleggen en die verklaren ingezetene te zijn van een ander land dan de Republiek San Marino of een lidstaat, vastgesteld op basis van een fiscale woonplaatsverklaring die is afgegeven door de bevoegde autoriteit van het land waarvan de natuurlijke persoon verklaart ingezetene te zijn. Wordt een dergelijke verklaring niet overgelegd, dan wordt de natuurlijke persoon geacht zijn woonplaats te hebben in de lidstaat die het paspoort of enig ander officieel identiteitsbewijs heeft uitgereikt.

Artikel 4

Definitie van uitbetalende instantie

Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt onder „uitbetalende instantie” in de Republiek San Marino verstaan banken volgens het Sanmarinese bankrecht evenals marktdeelnemers inclusief in San Marino ingezeten dan wel gevestigde natuurlijke en rechtspersonen, personenvennootschappen en vaste inrichtingen van buitenlandse vennootschappen, die, zelfs als dit slechts incidenteel geschiedt, activa van derde partijen in ontvangst nemen, houden, daarmee beleggingen verrichten of die overdragen, of die tijdens hun activiteiten enkel rente betalen of bewerkstelligen.

Artikel 5

Definitie van bevoegde autoriteit

1.   Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt onder „bevoegde autoriteiten” van de overeenkomstsluitende partijen verstaan de in bijlage I genoemde autoriteiten.

2.   Voor landen die niet tot de overeenkomstsluitende partijen behoren, is de bevoegde autoriteit de voor de toepassing van bilaterale of multilaterale verdragen aangewezen autoriteit of, bij ontstentenis daarvan, iedere andere autoriteit die bevoegd is om een fiscale woonplaatsverklaring af te geven.

Artikel 6

Definitie van rentebetaling

1.   Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt onder „rentebetaling” verstaan:

a)

rente, uitbetaald of bijgeschreven op een rekening, die is terug te voeren op enigerlei schuldvordering, al dan niet gedekt door hypotheek of voorzien van een winstdelingsclausule, en met name de opbrengsten van overheidspapier en obligatieleningen, inclusief daaraan gehechte premies en prijzen; boete voor te late betaling wordt niet als rentebetaling aangemerkt;

b)

rente die is aangegroeid of gekapitaliseerd op het moment van de verkoop, terugbetaling of aflossing van de onder a) bedoelde schuldvorderingen;

c)

inkomsten uit rentebetalingen, hetzij rechtstreeks, hetzij via een entiteit zoals bedoeld in artikel 4, lid 2, van de richtlijn, uitgekeerd door:

i)

instellingen voor collectieve belegging of vergelijkbare of daarmee gelijkgestelde lichamen voor collectieve belegging in effecten die op het in artikel 19 bedoelde grondgebied zijn gevestigd,

ii)

in een lidstaat gevestigde entiteiten die van de keuzemogelijkheid van artikel 4, lid 3, van de richtlijn gebruikmaken en de uitbetalende instantie daarvan op de hoogte brengen,

iii)

instellingen voor collectieve belegging of vergelijkbare of daarmee gelijkgestelde lichamen voor collectieve belegging in effecten die buiten het in artikel 19 bedoelde grondgebied zijn gevestigd;

d)

inkomsten die zijn gerealiseerd bij de verkoop, terugbetaling of aflossing van aandelen of bewijzen van deelneming in de volgende instellingen en entiteiten, indien deze rechtstreeks of middelijk via andere hierna bedoelde instellingen voor collectieve belegging of entiteiten meer dan 40 % van hun vermogen beleggen in de onder a) bedoelde schuldvorderingen:

i)

instellingen voor collectieve belegging of vergelijkbare of daarmee gelijkgestelde lichamen voor collectieve belegging in effecten die op het in artikel 19 bedoelde grondgebied zijn gevestigd,

ii)

in een lidstaat gevestigde entiteiten die van de keuzemogelijkheid van artikel 4, lid 3, van de richtlijn gebruikmaken en de uitbetalende instantie daarvan op de hoogte brengen,

iii)

instellingen voor collectieve belegging of vergelijkbare of daarmee gelijkgestelde lichamen voor collectieve belegging in effecten die buiten het in artikel 19 bedoelde grondgebied zijn gevestigd.

De Republiek San Marino beschikt echter slechts over de mogelijkheid de inkomsten vermeld onder d) onder de definitie van rente te laten vallen voorzover deze inkomsten rechtstreeks of middellijk afkomstig zijn van rentebetalingen in de zin van de punten a) en b).

2.   Wat betreft lid 1, onder c) en d), wordt, indien een uitbetalende instantie geen informatie heeft over het deel van de inkomsten dat voortkomt uit rentebetalingen, het volledige bedrag aan inkomsten als rentebetaling aangemerkt.

3.   Wat betreft lid 1, onder d), wordt, indien een uitbetalende instantie geen informatie heeft over het percentage van het vermogen dat is belegd in schuldvorderingen of in aandelen of bewijzen van deelneming als omschreven onder dat punt, dat percentage geacht meer dan 40 % te bedragen. Indien zij het bedrag van de door de uiteindelijk gerechtigde gerealiseerde inkomsten niet kan bepalen, worden de inkomsten geacht de opbrengst van de verkoop, aflossing of terugbetaling van de aandelen of bewijzen van deelneming te zijn.

4.   Wat betreft lid 1, onder b) en d), kan de Republiek San Marino op haar grondgebied gevestigde uitbetalende instanties ertoe verplichten om de rente over een periode van ten hoogste één jaar op jaarbasis te berekenen, en kan zij deze geannualiseerde rente als een rentebetaling beschouwen, zelfs als tijdens die periode geen verkoop, terugbetaling of aflossing heeft plaatsgevonden.

5.   In afwijking van lid 1, onder c) en d), kan de Republiek San Marino de in die bepalingen bedoelde inkomsten die afkomstig zijn van op haar grondgebied gevestigde instellingen of entiteiten, van de definitie van rentebetaling uitsluiten wanneer beleggingen in schuldvorderingen zoals bedoeld in lid 1, onder a), niet meer dan 15 % van het vermogen van de desbetreffende entiteiten uitmaken.

Als de Republiek San Marino besluit deze mogelijkheid te benutten, wordt deze keuze na kennisgeving van de andere overeenkomstsluitende partij bindend voor beide overeenkomstsluitende partijen.

6.   Het percentage zoals bedoeld in lid 1, onder d), en in lid 3 wordt na 31 december 2010 25 %.

7.   De in lid 1, onder d), en in lid 5 genoemde percentages worden bepaald aan de hand van de beleggingspolitiek zoals die in het fondsreglement of de statuten van de betrokken instellingen of entiteiten is neergelegd en, bij ontstentenis daarvan, op basis van de feitelijke samenstelling van de beleggingsportefeuille van de instellingen of entiteiten.

Artikel 7

Bronbelasting

1.   Indien de uiteindelijk gerechtigde woonachtig is in een lidstaat van de Europese Gemeenschap, heft de Republiek San Marino gedurende de eerste drie jaar vanaf de datum van toepassing van deze overeenkomst een bronbelasting tegen een tarief van 15 %, gedurende de volgende drie jaar tegen een tarief van 20 % en daarna tegen een tarief van 35 %.

2.   De uitbetalende instantie houdt de bronbelasting op de volgende wijze in:

a)

in het geval van een rentebetaling in de zin van artikel 6, lid 1, onder a): op het bedrag van de uitbetaalde of bijgeschreven rente;

b)

in het geval van een rentebetaling in de zin van artikel 6, lid 1, onder b) of d): op het bedrag van de rente of inkomsten zoals bedoeld onder die punten, of door een heffing van vergelijkbare omvang, ten laste van de ontvanger, op het totaalbedrag van de opbrengst van de verkoop, terugbetaling of aflossing;

c)

in het geval van een rentebetaling in de zin van artikel 6, lid 1, onder c): op het bedrag van de inkomsten zoals bedoeld onder dat punt;

d)

wanneer de Republiek San Marino van de keuzemogelijkheid van artikel 6, lid 4, gebruikmaakt: op het bedrag van de op jaarbasis berekende rente.

3.   Voor de toepassing van het bepaalde in lid 2, onder a) en b), wordt de bronbelasting geheven naar rata van de periode dat de uiteindelijk gerechtigde houder van de schuldvordering was. Ingeval de uitbetalende instantie de duur van die periode niet kan vaststellen met de informatie waarover zij beschikt, gaat zij ervan uit dat de uiteindelijk gerechtigde over de gehele periode dat de vordering heeft bestaan, de houder ervan is geweest, tenzij hij de datum van verkrijging aantoont.

4.   Belastingen, andere dan die waarin deze overeenkomst voorziet, op eenzelfde rentebetaling, en met name de door de Republiek San Marino geheven bronbelastingen op rente-inkomsten van Sanmarinese bron, worden in mindering gebracht op het overeenkomstig dit artikel berekende bedrag van de bronbelasting.

5.   De heffing van bronbelasting door de in de Republiek San Marino gevestigde uitbetalende instantie belet de lidstaat waar de uiteindelijk gerechtigde zijn fiscale woonplaats heeft, niet de inkomsten te belasten overeenkomstig zijn nationale recht. Indien een belastingplichtige inkomsten uit rente, uitgekeerd door een in de Republiek San Marino gevestigde uitbetalende instantie, meldt aan de belastingautoriteiten van de lidstaat waar hij woonachtig is, worden deze inkomsten uit rente in die lidstaat tegen dezelfde tarieven belast als die welke worden toegepast op de rente die in die lidstaat wordt ontvangen.

Artikel 8

Verdeling van belastingopbrengsten

1.   De Republiek San Marino behoudt 25 % van de opbrengsten van de in artikel 7 genoemde bronbelasting en draagt 75 % van de opbrengsten over aan de lidstaat waar de uiteindelijk gerechtigde van de rentebetaling woonachtig is.

2.   Die overdrachten vinden in een tranche per lidstaat plaats, uiterlijk binnen een periode van zes maanden volgend op het eind van het belastingjaar in de Republiek San Marino.

3.   De Republiek San Marino ziet erop toe dat het systeem voor de verdeling van de belastingopbrengsten correct functioneert.

Artikel 9

Vrijwillige verstrekking van gegevens

1.   De Republiek San Marino voorziet in een procedure die de in artikel 2 gedefinieerde uiteindelijk gerechtigde de mogelijkheid biedt de in artikel 7 genoemde bronbelasting te vermijden door zijn in de Republiek San Marino gevestigde uitbetalende instantie uitdrukkelijk te machtigen de rentebetalingen ter kennis te brengen van de bevoegde autoriteit van de Republiek San Marino. Die machtiging betreft alle rentebetalingen welke door die uitbetalende instantie worden verricht aan of bewerkstelligd ten onmiddellijke gunste van de uiteindelijk gerechtigde.

2.   De minimale gegevens die door de uitbetalende instantie dienen te worden verstrekt ingeval van uitdrukkelijke machtiging door de uiteindelijk gerechtigde zijn:

a)

de overeenkomstig artikel 3 van deze overeenkomst bepaalde identiteit en woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde, zo mogelijk aangevuld met het fiscaal identificatienummer dat werd toegekend door de lidstaat van de Europese Gemeenschap waar de uiteindelijk gerechtigde woonachtig is;

b)

de naam en het adres van de uitbetalende instantie;

c)

het rekeningnummer van de uiteindelijk gerechtigde of, bij ontstentenis daarvan, een eenduidige omschrijving van de rentedragende schuldvordering, en

d)

het in overeenstemming met artikel 6 van deze overeenkomst vastgestelde bedrag van de rentebetaling.

3.   De bevoegde autoriteit van de Republiek San Marino verstrekt de in lid 2 bedoelde gegevens aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van de Europese Gemeenschap waar de uiteindelijk gerechtigde woonachtig is. Deze gegevensverstrekking geschiedt automatisch en ten minste eenmaal per jaar, binnen zes maanden na afloop van het belastingjaar in de Republiek San Marino, voor alle gedurende dat jaar verrichte rentebetalingen.

Artikel 10

Voorkoming van dubbele belasting

1.   De lidstaat die de fiscale woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde is, ziet erop toe dat de heffing van de in artikel 7 genoemde bronbelasting niet tot dubbele belasting leidt, overeenkomstig het bepaalde in de leden 2 en 3.

2.   Indien door de uiteindelijk gerechtigde ontvangen rente in de Republiek San Marino aan de in artikel 7 genoemde bronbelasting werd onderworpen, kent de lidstaat die de fiscale woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde is, hem overeenkomstig zijn nationale recht een belastingverrekening toe die gelijk is aan het bedrag van de ingehouden belasting. Indien dit bedrag hoger is dan de krachtens zijn nationale recht verschuldigde belasting over het totale bedrag van de rentebetaling waarover de in artikel 7 genoemde bronbelasting werd geheven, restitueert de lidstaat die de fiscale woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde is, het bedrag dat teveel is ingehouden aan laatstgenoemde.

3.   Indien rente die de uiteindelijk gerechtigde heeft ontvangen, behalve aan de in artikel 7 genoemde bronbelasting ook onderworpen is geweest aan andere bronbelastingen, en de lidstaat die de fiscale woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde is, naar nationaal recht of overeenkomstig verdragen ter voorkoming van dubbele belasting voor een dergelijke bronbelasting belastingverrekening toekent, wordt deze andere bronbelasting verrekend alvorens de procedure van lid 2 wordt toegepast.

4.   De lidstaat die de fiscale woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde is, kan de belastingverrekeningsregeling zoals bedoeld in de leden 2 en 3 hierboven vervangen door restitutie van de in artikel 7 genoemde bronbelasting.

Artikel 11

Overgangsbepalingen voor verhandelbare schuldinstrumenten

1.   Vanaf de toepassingsdatum van deze overeenkomst en zolang ten minste één lidstaat van de Europese Gemeenschap ook soortgelijke bepalingen toepast, maar uiterlijk tot 31 december 2010, worden binnenlandse en internationale obligaties en andere verhandelbare schuldinstrumenten die voor het eerst zijn uitgegeven vóór 1 maart 2001 of waarvan het oorspronkelijke emissieprospectus vóór die datum is goedgekeurd door de daartoe bevoegde autoriteiten van de uitgevende staat, niet aangemerkt als schuldvorderingen in de zin van artikel 6, lid 1, onder a), op voorwaarde dat op of na 1 maart 2002 geen vervolgemissies van dergelijke verhandelbare schuldinstrumenten plaatsvinden.

Zolang echter ten minste één lidstaat ook bepalingen toepast van soortgelijke strekking als die welke in artikel 7 van deze overeenkomst zijn vastgesteld, blijven de bepalingen van dit artikel na 31 december 2010 gelden voor verhandelbare schuldinstrumenten:

die clausules inzake „gross-up” en vroegtijdige aflossing bevatten en

wanneer de uitbetalende instantie, zoals gedefinieerd in artikel 4, is gevestigd in de Republiek San Marino en

wanneer die uitbetalende instantie de rente rechtstreeks betaalt aan, of een rentebetaling bewerkstelligt ten onmiddellijke gunste van, een uiteindelijk gerechtigde die zijn woonplaats heeft in een lidstaat.

Indien en vanaf het moment dat geen enkele lidstaat nog bepalingen toepast van gelijke strekking als die welke in artikel 7 van deze overeenkomst zijn vastgesteld, zijn de bepalingen van dit artikel nog slechts van toepassing op verhandelbare schuldinstrumenten:

die clausules inzake „gross-up” en vroegtijdige aflossing bevatten en

wanneer de uitbetalende instantie van de emittent gevestigd is in de Republiek San Marino en

wanneer die uitbetalende instantie de rente rechtstreeks betaalt aan, of een rentebetaling bewerkstelligt ten onmiddellijke gunste van, een uiteindelijk gerechtigde die zijn woonplaats heeft in een lidstaat.

Indien op of na 1 maart 2002 een vervolgemissie plaatsvindt van een van de vorenvermelde verhandelbare schuldinstrumenten, uitgegeven door een overheid of een gelijkgestelde entiteit die als overheidsinstantie optreedt of waarvan de rol erkend is bij internationaal verdrag (genoemd in bijlage II bij deze overeenkomst), wordt de emissie van een dergelijk instrument, bestaande uit de oorspronkelijke emissie en vervolgemissies, in haar geheel beschouwd als een schuldvordering in de zin van artikel 6, lid 1, onder a).

Indien op of na 1 maart 2002 een vervolgemissie plaatsvindt van een van de vorenvermelde verhandelbare schuldinstrumenten, uitgegeven door een andere emittent die niet valt onder het bepaalde in de vierde alinea, wordt die emissie aangemerkt als een schuldvordering in de zin van artikel 6, lid 1, onder a).

2.   Dit artikel vormt geen belet voor de Republiek San Marino en de lidstaten om overeenkomstig hun nationale wetgeving belasting te blijven heffen op inkomsten uit de in lid 1 genoemde verhandelbare schuldvorderingen.

Artikel 12

Andere bronbelastingen — verband met andere overeenkomsten

1.   Deze overeenkomst belet de partijen niet om behalve de in deze overeenkomst genoemde bronbelasting ook andere bronbelastingen te heffen overeenkomstig hun nationale wetten of verdragen ter voorkoming van dubbele belasting.

2.   De bepalingen van de verdragen ter voorkoming van dubbele belasting tussen de Republiek San Marino en de lidstaten vormen geen belet voor de heffing van de bronbelasting waarin deze overeenkomst voorziet.

Artikel 13

Uitwisseling van informatie op verzoek

1.   De bevoegde autoriteiten van de Republiek San Marino en de lidstaten wisselen gegevens uit over gedragingen die worden beschouwd als belastingfraude overeenkomstig de wetgeving van de staat aan welke het verzoek is gericht, of soortgelijke aangelegenheden met betrekking tot de onder deze overeenkomst vallende inkomsten. Onder „soortgelijke aangelegenheden” worden uitsluitend overtredingen verstaan met dezelfde graad van onrechtmatigheid als het geval is voor belastingfraude overeenkomstig de wetgeving van de staat aan welke het verzoek is gericht, die op enigerlei wijze afbreuk kunnen doen aan de fiscale belangen van de verzoekende staat. In antwoord op een zorgvuldig gemotiveerd verzoek verstrekt de staat aan welke het verzoek is gericht, gegevens met betrekking tot de gedragingen waarnaar de verzoekende staat een onderzoek instelt, of mogelijk wenst in te stellen, op strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke basis.

2.   Bij het bepalen of informatie in antwoord op een verzoek kan worden verstrekt, past de staat aan welke het verzoek is gericht, de regels betreffende verjaring toe overeenkomstig de wetgeving van de verzoekende staat.

3.   De staat aan welke het verzoek is gericht, verstrekt de informatie indien de verzoekende staat een redelijk vermoeden heeft dat de gedragingen belastingfraude vormen of soortgelijke aangelegenheden betreffen. Het vermoeden van de verzoekende staat dat de gedragingen belastingfraude vormen of soortgelijke aangelegenheden betreffen, kan zijn gebaseerd op:

a)

documenten, al dan niet geauthentiseerd, omvattende, maar niet daartoe beperkt, bescheiden van het bedrijf, boeken, of bankrekeninginformatie;

b)

verklaringen van de belastingbetaler;

c)

gegevens van een informant of een derde persoon, die onafhankelijk zijn gecontroleerd of waarvan kan worden aangenomen dat die betrouwbaar zijn; of

d)

indirect bewijs.

4.   De bevoegde autoriteit van de verzoekende staat verstrekt de bevoegde autoriteit van de staat aan welke het verzoek is gericht, de volgende gegevens wanneer hij krachtens deze overeenkomst om informatie verzoekt, teneinde het verwachte belang van de informatie voor het verzoek aan te tonen:

a)

de identiteit van de persoon naar wie een enquête of onderzoek is ingesteld;

b)

een verklaring met betrekking tot de gewenste informatie, waaronder de aard van die informatie en de vorm waarin de verzoekende staat deze wil ontvangen van de staat aan welke het verzoek is gericht;

c)

het fiscale doel waarvoor de informatie wordt gevraagd;

d)

redenen op grond waarvan wordt aangenomen dat de gevraagde informatie wordt bijgehouden in de staat aan welke het verzoek is gericht, dan wel in het bezit of het beheer is van een persoon in het rechtsgebied van de staat aan welke het verzoek is gericht;

e)

voorzover bekend, de naam en het adres van de persoon (personen) die vermoedelijk in het bezit van de gevraagde informatie is (zijn);

f)

een verklaring waarin wordt bevestigd dat het verzoek in overeenstemming is met de wetten en de bestuursrechtelijke praktijken van de verzoekende staat, dat de bevoegde autoriteit van de verzoekende staat de informatie zou kunnen verkrijgen overeenkomstig de wetten van die staat of de gebruikelijke bestuursrechtelijke procedures indien de gevraagde informatie zich in het rechtsgebied van de verzoekende staat bevond, alsmede dat het verzoek in overeenstemming is met deze overeenkomst;

g)

een verklaring waarin wordt bevestigd dat de verzoekende staat alle op zijn grondgebied beschikbare middelen heeft aangewend om de informatie te verkrijgen, met uitzondering van die welke onevenredige inspanningen zouden vereisen.

5.   De bevoegde autoriteit van de staat aan welke het verzoek is gericht, verstrekt de gevraagde informatie zo spoedig mogelijk aan de verzoekende staat.

6.   De Republiek San Marino opent bilaterale onderhandelingen met elke lidstaat om individuele categorieën te definiëren van gevallen vallende onder „soortgelijke aangelegenheden” overeenkomstig de belastingprocedure die door die staat wordt toegepast.

Artikel 14

Vertrouwelijkheid van informatie

Alle door een overeenkomstsluitende partij krachtens deze overeenkomst ontvangen gegevens worden op vertrouwelijke wijze behandeld en mogen uitsluitend worden verstrekt aan personen of autoriteiten (daaronder begrepen rechtbanken en bestuurslichamen) in het rechtsgebied van de overeenkomstsluitende partij die betrokken zijn bij de vaststelling of inning van, de handhaving of vervolging in verband met, dan wel de behandeling van bezwaarschriften met betrekking tot de belastingen die onder deze overeenkomst vallen. Deze personen of autoriteiten gebruiken de gegevens uitsluitend voor die doelstellingen. Zij mogen de gegevens tijdens openbare rechtszittingen of bij rechterlijke uitspraken bekendmaken. De gegevens mogen slechts met uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de bevoegde autoriteit van de partij aan welke het verzoek is gericht, aan enig andere persoon, entiteit, autoriteit of rechtsgebied worden verstrekt.

Artikel 15

Overleg en toetsing

1.   Indien de bevoegde autoriteit van de Republiek San Marino en een of meer van de andere in bijlage I genoemde bevoegde autoriteiten het niet eens zijn over de interpretatie of toepassing van deze overeenkomst, trachten zij in onderling overleg tot een oplossing te komen. Zij brengen de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten onmiddellijk op de hoogte van de resultaten van hun overleg. Met betrekking tot interpretatievraagstukken kan de Commissie op verzoek van een van de in bijlage I genoemde bevoegde autoriteiten deelnemen aan het overleg.

2.   De overeenkomstsluitende partijen treden ten minste om de drie jaar of op verzoek van een van de partijen met elkaar in overleg om de technische werking van deze overeenkomst te evalueren en, indien de overeenkomstsluitende partijen zulks nodig achten, te verbeteren en om internationale ontwikkelingen te beoordelen. Het overleg wordt gehouden binnen een maand na het verzoek daartoe of, in dringende gevallen, zo spoedig mogelijk.

3.   Op basis van een dergelijke beoordeling kunnen de overeenkomstsluitende partijen overleg plegen om te bestuderen op welke punten de overeenkomst moet worden aangepast, rekening houdende met internationale ontwikkelingen.

4.   Zodra er voldoende ervaring is opgedaan met de volledige implementatie van deze overeenkomst, plegen de overeenkomstsluitende partijen overleg om te bestuderen op welke punten de overeenkomst moet worden aangepast, rekening houdende met internationale ontwikkelingen.

5.   Met het oog op het in de leden 1, 2 en 3 bedoelde overleg stellen de overeenkomstsluitende partijen elkaar op de hoogte van mogelijke ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op de goede werking van deze overeenkomst. Dit omvat mede relevante overeenkomsten tussen een der overeenkomstsluitende partijen en een derde land.

Artikel 16

Ondertekening, inwerkingtreding en beëindiging

1.   Deze overeenkomst dient door de overeenkomstsluitende partijen volgens hun eigen procedures te worden bekrachtigd of goedgekeurd. De overeenkomstsluitende partijen zullen elkaar in kennis stellen van de voltooiing van deze procedures. De overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de laatste kennisgeving.

2.   Op voorwaarde dat is voldaan aan 's lands constitutionele eisen inzake de sluiting van internationale overeenkomsten en onverminderd artikel 17 dient de Republiek San Marino deze overeenkomst effectief te implementeren en toe te passen vanaf 1 juli 2005 en de Europese Gemeenschap daarvan in kennis te stellen.

3.   Deze overeenkomst blijft van kracht totdat zij door een overeenkomstsluitende partij wordt beëindigd.

4.   Iedere overeenkomstsluitende partij kan deze overeenkomst beëindigen door de andere overeenkomstsluitende partij daarvan in kennis te stellen. In dat geval eindigt de geldigheid van de overeenkomst twaalf maanden na een dergelijke kennisgeving.

Artikel 17

Toepassing

1.   De toepassing van deze overeenkomst is afhankelijk van de vaststelling en implementatie door de afhankelijke of geassocieerde gebieden van de lidstaten genoemd in het verslag van de Raad (Economische en Financiële Zaken) aan de Europese Raad van Santa Maria da Feira van 19 en 20 juni 2000, alsmede door, respectievelijk, de Verenigde Staten van Amerika, de Zwitserse Bondsstaat, Andorra, Liechtenstein en Monaco, van dezelfde of gelijkwaardige maatregelen als die welke in de richtlijn of deze overeenkomst zijn vervat.

2.   De overeenkomstsluitende partijen besluiten, in onderling overleg, ten minste zes maanden voor de in artikel 16, lid 2, genoemde datum of aan de in bovenstaand lid genoemde voorwaarde wordt voldaan met betrekking tot de datum van inwerkingtreding van de betreffende maatregelen in de betrokken derde landen en afhankelijke of geassocieerde gebieden. Indien de overeenkomstsluitende partijen besluiten dat niet aan de voorwaarde wordt voldaan, stellen zij, in onderling overleg, een nieuwe datum vast voor de toepassing van artikel 16, lid 2.

3.   De toepassing van deze overeenkomst of gedeelten daarvan kan met onmiddellijke ingang door een van de overeenkomstsluitende partijen worden geschorst door kennisgeving aan de andere partij, indien de richtlijn of een gedeelte van de richtlijn overeenkomstig de wetgeving van de Europese Gemeenschap, hetzij tijdelijk, hetzij definitief niet langer van toepassing is of in het geval dat een lidstaat de toepassing van de betreffende uitvoeringsbepalingen schorst.

4.   Elke overeenkomstsluitende partij kan de toepassing van deze overeenkomst schorsen door kennisgeving aan de andere overeenkomstsluitende partij, indien een van de in lid 1 bedoelde derde landen of gebieden besluit de in dat lid bedoelde maatregelen niet langer toe te passen. De schorsing van de toepassing geschiedt ten vroegste twee maanden na de kennisgeving. Zodra de maatregelen opnieuw van kracht zijn, wordt de schorsing van de toepassing van deze overeenkomst opgeheven.

Artikel 18

Vorderingen en eindafrekening

1.   Indien deze overeenkomst wordt beëindigd of de toepassing ervan geheel of gedeeltelijk wordt geschorst, blijven de vorderingen van individuele personen overeenkomstig artikel 10 onverlet.

2.   De Republiek San Marino stelt in een dergelijk geval aan het eind van de toepassingsduur van de overeenkomst een eindafrekening op en verricht een eindbetaling aan de lidstaten.

Artikel 19

Territoriale werkingssfeer

Deze overeenkomst is van toepassing, enerzijds, op ieder grondgebied waar het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is, onder de in dat verdrag neergelegde voorwaarden, en, anderzijds, op het grondgebied van de Republiek San Marino.

Artikel 20

Bijlagen

1.   De bijlagen maken integrerend deel uit van deze overeenkomst.

2.   De in bijlage I opgenomen lijst van bevoegde autoriteiten kan door eenvoudige kennisgeving aan de andere overeenkomstsluitende partij worden gewijzigd door, wat de in punt a) van deze bijlage genoemde autoriteit betreft, de Republiek San Marino en door, wat de overige autoriteiten betreft, de Europese Gemeenschap.

De in bijlage II opgenomen lijst van gelijkgestelde entiteiten kan in onderling overleg worden gewijzigd.

Artikel 21

Talen

1.   Deze overeenkomst is opgesteld in twee exemplaren in de Deense, Duitse, Engelse, Estse, Finse, Franse, Griekse, Hongaarse, Italiaanse, Letse, Litouwse, Nederlandse, Poolse, Portugese, Sloveense, Slowaakse, Spaanse, Tsjechische en Zweedse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

2.   De versie in de Maltese taal wordt door de verdragsluitende partijen op basis van een briefwisseling geauthentiseerd. Deze versie is eveneens authentiek op dezelfde wijze als de in lid 1 genoemde teksten.

EN FE DE LO CUAL, los plenipotenciarios abajo firmantes suscriben el presente Acuerdo.

NA DŮKAZ ČEHOŽ připojili níže podepsaní zplnomocnění zástupci k této smlouvě své podpisy.

TIL BEKRÆFTELSE HERAF har undertegnede befuldmægtigede underskrevet denne aftale.

ZU URKUND DESSEN haben die unterzeichneten Bevollmächtigten ihre Unterschriften unter dieses Abkommen gesetzt.

SELLE KINNITUSEKS on täievolilised esindajad käesolevale lepingule alla kirjutanud.

ΣΕ ΠΙΣΤΩΣΗ ΤΩΝ ΑΝΩΤΕΡΩ, οι υπογράφοντες πληρεξούσιοι έθεσαν την υπογραφή τους κάτω από την παρούσα συμφωνία.

IN WITNESS WHEREOF, the undersigned Plenipotentiaries have hereunto set their hands.

EN FOI DE QUOI, les plénipotentiaires soussignés ont apposé leurs signatures au bas du présent accord.

IN FEDE DI CHE, i plenipotenziari sottoscritti hanno apposto la propria firma in calce al presente accordo.

TO APLIECINOT, attiecīgi pilnvarotas personas ir parakstījušas šo nolīgumu.

TAI PALIUDYDAMI, šį Susitarimą pasirašė toliau nurodyti įgaliotieji atstovai.

FENTIEK HITELÉÜL e megállapodást az alulírott meghatalmazottak alább kézjegyükkel látták el.

B'XIEHDA TA' DAN, il-Plenipotenzjari hawn taħt iffirmati ffirmaw dan il-Ftehim.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder deze overeenkomst hebben geplaatst.

W DOWÓD CZEGO, niżej podpisani pełnomocnicy złożyli swoje podpisy.

EM FÉ DO QUE, os plenipotenciários abaixo assinados apuserem as suas assinaturas no final do presente Acordo.

NA DÔKAZ ČOHO dolupodpísaní splnomocnení zástupcovia podpísali túto dohodu.

V POTRDITEV TEGA so spodaj podpisani pooblaščenci podpisali ta sporazum.

TÄMÄN VAKUUDEKSI allamainitut täysivaltaiset edustajat ovat allekirjoittaneet tämän sopimuksen.

TILL BEVIS HÄRPÅ har undertecknade befullmäktigade undertecknat detta avtal.

Hecho en Bruselas, el siete de diciembre del dos mil cuatro.

V Bruselu dne sedmého prosince dva tisíce čtyři.

Udfærdiget i Bruxelles den syvende december to tusind og fire.

Geschehen zu Brüssel am siebten Dezember zweitausendundvier.

Kahe tuhande neljanda aasta detsembrikuu seitsmendal päeval Brüsselis.

Έγινε στις Βρυξέλλες, στις εφτά Δεκεμβρίου δύο χιλιάδες τέσσερα.

Done at Brussels on the seventh day of December in the year two thousand and four.

Fait à Bruxelles, le sept décembre deux mille quatre.

Fatto a Bruxelles, addì sette dicembre duemilaquattro.

Briselē, divi tūkstoši ceturtā gada septītajā decembrī.

Pasirašyta du tūkstančiai ketvirtų metų gruodžio septintą dieną Briuselyje.

Kelt Brüsszelben, a kettőezer negyedik év december hetedik napján.

Magħmul fi Brussel fis-seba' jum ta' Diċembru tas-sena elfejn u erbgħa.

Gedaan te Brussel, de zevende december tweeduizendvier.

Sporządzono w Brukseli dnia siódmego grudnia roku dwutysięcznego czwartego.

Feito em Bruxelas, em sete de Dezembro de dois mil e quatro.

V Bruseli siedmeho decembra dvetisícštyri.

V Bruslju, dne sedmega decembra leta dva tisoč štiri.

Tehty Brysselissä seitsemäntenä päivänä joulukuuta vuonna kaksituhattaneljä.

Som skedde i Bryssel den sjunde december tjugohundrafyra.

Por la Comunidad Europea

Za Evropské společenství

For Det Europæiske Fællesskab

Für die Europäische Gemeinschaft

Euroopa Ühenduse nimel

Για την Ευρωπαϊκή Κοινότητα

For the European Community

Pour la Communauté européenne

Per la Comunità europea

Eiropas Kopienas vārdā

Europos bendrijos vardu

az Európai Közösség részéről

Għall-Komunità Ewropea

Voor de Europese Gemeenschap

W imieniu Wspólnoty Europejskiej

Pela Comunidade Europeia

Za Európske spoločenstvo

za Evropsko skupnost

Euroopan yhteisön puolesta

På Europeiska gemenskapens vägnar

Image

Image

Per la Repubblica di San Marino

Image

BIJLAGE I

LIJST VAN BEVOEGDE AUTORITEITEN VAN DE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN

Voor de toepassing van deze overeenkomst zijn de volgende instanties „bevoegde autoriteiten”:

a)

in de Republiek San Marino: il Segretario di Stato per le Finanze e il Bilancio of een gemachtigd vertegenwoordiger,

b)

in het Koninkrijk België: de minister van Financiën/Le ministre des Finances of een gemachtigd vertegenwoordiger,

c)

in de Tsjechische Republiek: Ministr financí of een gemachtigd vertegenwoordiger,

d)

in het Koninkrijk Denemarken: Skatteministeren of een gemachtigd vertegenwoordiger,

e)

in de Bondsrepubliek Duitsland: der Bundesminister der Finanzen of een gemachtigd vertegenwoordiger,

f)

in de Republiek Estland: Rahandusminister of een gemachtigd vertegenwoordiger,

g)

in de Helleense Republiek: Ο Υπουργός Οικονομίας και Οικονομικών of een gemachtigd vertegenwoordiger,

h)

in het Koninkrijk Spanje: el Ministro de Economía y Hacienda of een gemachtigd vertegenwoordiger,

i)

in de Franse Republiek: le ministre chargé du budget of een gemachtigd vertegenwoordiger,

j)

in Ierland: the Revenue Commissioners of hun gemachtigd vertegenwoordiger,

k)

in de Italiaanse Republiek: il Capo del Dipartimento per le Politiche Fiscali of een gemachtigd vertegenwoordiger,

l)

in de Republiek Cyprus: Υπουργός Οικονομικών of een gemachtigd vertegenwoordiger,

m)

in de Republiek Letland: Finanšu ministrs of een gemachtigd vertegenwoordiger,

n)

in de Republiek Litouwen: Finansų ministras of een gemachtigd vertegenwoordiger,

o)

in het Groothertogdom Luxemburg: le ministre des Finances of een gemachtigd vertegenwoordiger; voor de toepassing van artikel 13 is de bevoegde autoriteit evenwel „le Procureur Général d'Etat luxembourgeois”,

p)

in de Republiek Hongarije: a pénzügyminiszter of een gemachtigd vertegenwoordiger,

q)

in de Republiek Malta: il-Ministru responsabbli ghall-Finanzi of een gemachtigd vertegenwoordiger,

r)

in het Koninkrijk der Nederlanden: de minister van Financiën of een gemachtigd vertegenwoordiger,

s)

in de Republiek Oostenrijk: der Bundesminister für Finanzen of een gemachtigd vertegenwoordiger,

t)

in de Republiek Polen: Minister Finansów of een gemachtigd vertegenwoordiger,

u)

in de Portugese Republiek: o Ministro das Finanças of een gemachtigd vertegenwoordiger,

v)

in de Republiek Slovenië: Minister za finance of een gemachtigd vertegenwoordiger,

w)

in de Slowaakse Republiek: Minister financií of een gemachtigd vertegenwoordiger,

x)

in de Republiek Finland: Valtiovarainministeriö/Finansministeriet of een gemachtigd vertegenwoordiger,

y)

in het Koninkrijk Zweden: Chefen for Finansdepartementet of een gemachtigd vertegenwoordiger,

z)

in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en in de Europese gebiedsdelen voor de buitenlandse betrekkingen waarvan het Verenigd Koninkrijk verantwoordelijk is: de Commissioners of Inland Revenue of hun gemachtigd vertegenwoordiger en de bevoegde autoriteit in Gibraltar, die door het Verenigd Koninkrijk wordt aangewezen overeenkomstig het Akkoord met betrekking tot de autoriteiten van Gibraltar in de context van EU- en EG-instrumenten en daarmee verband houdende verdragen welke zijn aangemeld bij de lidstaten en instellingen van de Europese Unie van 19 april 2000, waarvan de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie de Republiek San Marino een exemplaar zal doen toekomen, en dat van toepassing zal zijn op deze overeenkomst.

BIJLAGE II

LIJST VAN GELIJKGESTELDE ENTITEITEN

Voor de toepassing van artikel 11 van deze overeenkomst worden de volgende entiteiten beschouwd als „gelijkgestelde entiteit die als overheidsinstantie optreedt of waarvan de rol erkend is bij internationaal verdrag”:

 

ENTITEITEN IN DE EUROPESE UNIE:

 

België

Vlaams Gewest

Région wallonne (Waals Gewest)

Brussels Hoofdstedelijk Gewest/Région de Bruxelles-Capitale

Communauté française (Franstalige Gemeenschap)

Vlaamse Gemeenschap

Deutschsprachige Gemeinschaft (Duitstalige Gemeenschap)

 

Spanje

Xunta de Galicia (regering van de Autonome Gemeenschap van Galicië)

Junta de Andalucía (regering van de Autonome Gemeenschap van Andalusië)

Junta de Extremadura (regering van de Autonome Gemeenschap van Extremadura)

Junta de Castilla- La Mancha (regering van de Autonome Gemeenschap van Castilië-La Mancha)

Junta de Castilla-León (regering van de Autonome Gemeenschap van Castilië-León)

Gobierno Foral de Navarra (regering van de Autonome Gemeenschap van Navarra)

Govern de les Illes Balears (regering van de Autonome Gemeenschap van de Balearen)

Generalitat de Catalunya (regering van de Autonome Gemeenschap van Catalonië)

Generalitat de Valencia (regering van de Autonome Gemeenschap van Valencia)

Diputación General de Aragón (regering van de Autonome Gemeenschap van Aragón)

Gobierno de las Islas Canarias (regering van de Autonome Gemeenschap van de Canarische Eilanden)

Gobierno de Murcia (regering van de Autonome Gemeenschap van Murcia)

Gobierno de Madrid (regering van de Autonome Gemeenschap van Madrid)

Gobierno de la Comunidad Autónoma del País Vasco/Euzkadi (regering van de Autonome Gemeenschap van Baskenland)

Diputación Foral de Guipúzcoa (Provincieraad van Guipúzcoa)

Diputación Foral de Vizcaya/Bizkaia (Provincieraad van Biskaje)

Diputación Foral de Alava (Provincieraad van Alava)

Ayuntamiento de Madrid (Gemeente Madrid)

Ayuntamiento de Barcelona (Gemeente Barcelona)

Cabildo Insular de Gran Canaria (Eilandraad van Gran Canaria)

Cabildo Insular de Tenerife (Eilandraad van Tenerife)

Instituto de Crédito Oficial (Officiële Kredietinstelling)

Instituto Catalán de Finanzas (Catalaans Instituut voor Financiën)

Instituto Valenciano de Finanzas (Valenciaans Instituut voor Financiën)

 

Griekenland

Оργανισμός Тηλεπικοινωνιών Ελλάδος (Griekse Organisatie voor Telecommunicatie)

Оργανισμός Σιδηροδρόμων Ελλάδος (Organisatie van de Griekse Spoorwegen)

ημόσια Επιχείρηση Ηλεκτρισμού (Openbaar Elektriciteitsbedrijf)

 

Frankrijk

La Caisse d'amortissement de la dette sociale (CADES) (Fonds voor de aflossing van de sociale schuld)

L'Agence française de développement (AFD) (Frans Agentschap voor Ontwikkeling)

Réseau Ferré de France (RFF) (Spoorwegennet van Frankrijk)

Caisse Nationale des Autoroutes (CNA) (Nationaal Autosnelwegenfonds)

Assistance publique Hôpitaux de Paris (APHP) (Openbare Bijstand Parijse Ziekenhuizen)

Charbonnages de France (CDF) (Franse Steenkoolwinning)

Entreprise minière et chimique (EMC) (Mijnbouw- en chemiebedrijf)

 

Italië

Regio's

Provincies

Gemeenten

Cassa Depositi e Prestiti (Deposito- en Consignatiefonds)

 

Letland

Pašvaldības (lokale overheden)

 

Polen

gminy (gemeenten)

powiaty (districten)

województwa (provincies)

związki gmin (associaties van gemeenten)

związki powiatów (associaties van districten)

związki województw (associaties van provincies)

miasto stoleczne Warszawa (hoofdstad Warschau)

Agencja Restrukturyzacji i Modernizacji Rolnictwa (Agentschap voor herstructurering en modernisering van de landbouw)

Agencja Nieruchomości Rolnych (Agentschap voor landbouweigendom)

 

Portugal

Região Autónoma da Madeira (Autonome Regio Madeira)

Região Autónoma dos Açores (Autonome Regio der Azoren)

Gemeenten

 

Slowakije

mestá a obce (gemeenten)

Železnice Slovenskej republiky (Slowaakse spoorwegmaatschappij)

Štátny fond cestného hospodárstva (Staatsfonds voor beheer van het wegennet)

Slovenské elektrárne (Slowaakse elektriciteitscentrales)

Vodohospodárska výstavba (Bouwmaatschappij voor waterbeheer)

 

INTERNATIONALE ENTITEITEN:

Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling

Europese Investeringsbank

Aziatische Ontwikkelingsbank

Afrikaanse Ontwikkelingsbank

Wereldbank/IBRD/IMF

Internationale Financieringsmaatschappij

Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank

Fonds voor sociale ontwikkeling van de Raad van Europa

Euratom

Europese Gemeenschap

Corporación Andina de Fomento (CAF) (Andes-ontwikkelingsmaatschappij)

Eurofima

Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal

Noordse Investeringsbank

Caribische Ontwikkelingsbank

Het bepaalde in artikel 11 laat internationale verplichtingen die de overeenkomstsluitende partijen mogelijk ten overstaan van voornoemde internationale entiteiten zijn aangegaan, onverlet.

 

ENTITEITEN IN DERDE LANDEN:

 

De entiteiten die aan de volgende criteria voldoen:

1)

De entiteit wordt ondubbelzinnig geacht, overeenkomstig de nationale criteria, een publieke entiteit te zijn.

2)

Deze publieke entiteit is een niet-commerciële producent die een cluster van activiteiten beheert en financiert, waarbij hij voornamelijk niet-commerciële goederen en diensten levert, die bestemd zijn om aan de gemeenschap ten goede te komen en die effectief worden gecontroleerd door de centrale overheid.

3)

De publieke entiteit is een grote en regelmatige emittent van schuldinstrumenten.

4)

De betrokken staat is in staat te waarborgen dat de publieke entiteit niet tot vroegtijdige aflossing zal overgaan in het geval van gross-up-clausules.


MEMORANDUM VAN OVEREENSTEMMING

tussen de Europese Gemeenschap, het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Republiek San Marino

DE EUROPESE GEMEENSCHAP,

HET KONINKRIJK BELGIË,

DE TSJECHISCHE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK DENEMARKEN,

DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND,

DE REPUBLIEK ESTLAND,

DE HELLEENSE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK SPANJE,

DE FRANSE REPUBLIEK,

IERLAND,

DE ITALIAANSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK CYPRUS,

DE REPUBLIEK LETLAND,

DE REPUBLIEK LITOUWEN,

HET GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG,

DE REPUBLIEK HONGARIJE,

DE REPUBLIEK MALTA,

HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN,

DE REPUBLIEK OOSTENRIJK,

DE REPUBLIEK POLEN,

DE PORTUGESE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK SLOVENIË,

DE SLOWAAKSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK FINLAND,

HET KONINKRIJK ZWEDEN,

HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND

EN

DE REPUBLIEK SAN MARINO

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT OMTRENT DE VOLGENDE BEPALINGEN:

Ter gelegenheid van de sluiting van een overeenkomst waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (hierna „de richtlijn” genoemd), hebben de Europese Gemeenschap, het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, en de Republiek San Marino dit Memorandum van overeenstemming ondertekend, dat een aanvulling is op die overeenkomst.

1.

De ondertekenaars van dit memorandum van overeenstemming zijn van oordeel dat de overeenkomst tussen de Republiek San Marino en de Europese Gemeenschap waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in de richtlijn, een aanvaardbare en evenwichtige overeenkomst vormt die de belangen van beide partijen beschermt. Zij zullen de overeengekomen maatregelen derhalve in goed vertrouwen toepassen en geen eenzijdige stappen ondernemen die afbreuk kunnen doen aan deze overeenkomst, zonder geldige reden. Indien er enig substantieel verschil wordt bemerkt tussen het toepassingsgebied van de op 3 juni 2003 aangenomen richtlijn (Richtlijn 2003/48/EG van de Raad) en dat van de overeenkomst, met name met betrekking tot de artikelen 4 en 6 van de overeenkomst, treden de overeenkomstsluitende partijen onmiddellijk met elkaar in overleg overeenkomstig artikel 15, lid 1, van de overeenkomst, teneinde ervoor te zorgen dat de gelijke strekking van de maatregelen waarin de overeenkomst voorziet, wordt gehandhaafd. De ondertekenaars van dit memorandum van overeenstemming nemen ervan akte dat de definitie van belastingfraude met het oog op de toepassing van artikel 13 van de overeenkomst uitsluitend ziet op de behoeften inzake belasting van spaargelden in het kader van deze overeenkomst en op generlei wijze vooruitloopt op ontwikkelingen en/of beslissingen met betrekking tot belastingfraude in andere omstandigheden en andere fora.

2.

Tijdens de overgangsperiode waarin bij de richtlijn wordt voorzien, opent de Europese Gemeenschap besprekingen met andere belangrijke financiële centra om ertoe bij te dragen dat in deze rechtsgebieden maatregelen van gelijke strekking worden aangenomen als die welke door de Gemeenschap worden toegepast.

3.

Overwegende dat de Republiek San Marino naar een sterkere integratie in de Europese economische ruimte streeft en te dien einde volledige participatie in het Europese bancaire en financiële systeem passend en wenselijk acht, zullen San Marino en de Europese Gemeenschap zo spoedig mogelijk met elkaar in overleg treden teneinde de voorwaarden vast te stellen voor een wederzijdse erkenning van de prudentiële voorschriften en systemen van beide partijen op het gebied van de financiële diensten, inclusief verzekeringen. Teneinde te garanderen dat het goede functioneren van de interne markt in de desbetreffende economische sectoren niet in het gedrang komt, verbindt de Republiek San Marino zich er in dit verband toe het toepasselijke bestaande en toekomstige acquis communautaire, met inbegrip van de desbetreffende prudentiële regels en het toezicht op de betrokken Sanmarinese marktdeelnemers, over te nemen en ten uitvoer te leggen. Een eventuele overeenkomst terzake kan er tevens in voorzien dat de Republiek San Marino zich ertoe verbindt andere relevante communautaire regels, zowel de huidige als die welke in de toekomst zullen worden vastgesteld, bijvoorbeeld op het gebied van mededinging en belastingen, ten uitvoer te leggen.

4.

In deze context waarin de betrekkingen worden aangehaald, zouden de sluiting van belastingovereenkomsten met lidstaten van de Europese Unie en San Marino’s toezegging om in dit kader informatie uit te wisselen overeenkomstig de OESO-normen, de samenwerking op economisch en fiscaal gebied versterken. Als erkenning van de door San Marino geleverde inspanningen zou overleg kunnen plaatsvinden tussen San Marino en de lidstaten van de Europese Unie teneinde de dubbele belasting van verschillende vormen van inkomsten op bilaterale basis te verminderen of te voorkomen.

5.

De Europese Gemeenschap en de Republiek San Marino zullen voorts in overleg treden teneinde:

vast te stellen op welke wijze de procedures in hun overeenkomst tot instelling van een douane-unie en samenwerking kunnen worden vereenvoudigd. In dit verband is de Republiek San Marino bereid geautomatiseerde procedures vast te leggen naar analogie van het Intrastat-systeem.

de mogelijkheden die onderdanen en ondernemingen van de Republiek San Marino thans hebben om deel te nemen aan communautaire programma’s en activiteiten op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, beter te benutten.

Gedaan te Brussel op 7 december 2004 en opgesteld in twee exemplaren in de Deense, Duitse, Engelse, Estse, Finse, Franse, Griekse, Hongaarse, Italiaanse, Letse, Litouwse, Nederlandse, Poolse, Portugese, Sloveense, Slowaakse, Spaanse, Tsjechische en Zweedse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

De versie in de Maltese taal wordt door de overeenkomstsluitende partijen geauthentiseerd op basis van een briefwisseling. Deze versie is eveneens authentiek, op dezelfde wijze als de teksten in de in voorgaande alinea genoemde teksten.

Pour le Royaume de Belgique

Voor het Koninkrijk België

Für das Königreich Belgien

Image

Za Českou republiku

Image

På Kongeriget Danmarks vegne

Image

Für die Bundesrepublik Deutschland

Image

Eesti Vabariigi nimel

Image

Για την Ελληνική Δημοκρατία

Image

Por el Reino de España

Image

Pour la République française

Image

Thar cheann Na hÉireann

For Ireland

Image

Per la Repubblica italiana

Image

Για την Κυπριακή Δημοκρατία,

Image

Latvijas Republikas vārdā

Image

Lietuvos Respublikos vardu

Image

Pour le Grand-Duché de Luxembourg

Image

A Magyar Köztársaság részéről

Image

Għar-Republikka ta' Malta

Image

Voor het Koninkrijk der Nederlanden

Image

Für die Republik Österreich

Image

W imieniu Rzeczypospolitej Polskiej

Image

Pela República Portuguesa

Image

Za Republiko Slovenijo

Image

Za Slovenskú republiku

Image

Suomen tasavallan puolesta

För Republiken Finland

Image

För Konungariket Sverige

Image

For the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland

Image

Por la Comunidad Europea

Za Evropské společenství

For Det Europæiske Fællesskab

Für die Europäische Gemeinschaft

Euroopa Ühenduse nimel

Για την Ευρωπαϊκή Κοινότητα

For the European Community

Pour la Communauté européenne

Per la Comunità europea

Eiropas Kopienas vārdā

Europos bendrijos vardu

az Európai Közösség részéről

Għall-Komunità Ewropea

Voor de Europese Gemeenschap

W imieniu Wspólnoty Europejskiej

Pela Comunidade Europeia

Za Európske spoločenstvo

za Evropsko skupnost

Euroopan yhteisön puolesta

På Europeiska gemenskapens vägnar

Image

Image

Per la Repubblica di San Marino

Image


28.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 381/52


BESCHIKKING VAN DE RAAD

van 2 december 2004

tot instelling van het Europees Vluchtelingenfonds voor de periode 2005-2010

(2004/904/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 63, lid 2, onder b),

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Een gemeenschappelijk asielbeleid, dat een gemeenschappelijk Europees asielstelsel omvat, is een wezenlijk aspect van de doelstelling van de Europese Unie om geleidelijk een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid tot stand te brengen die openstaat voor diegenen die onder druk van de omstandigheden op wettige wijze bescherming in de Europese Unie trachten te verkrijgen.

(2)

De uitvoering van een dergelijk beleid moet berusten op solidariteit tussen de lidstaten en veronderstelt het bestaan van mechanismen die een evenwicht bevorderen tussen de inspanningen van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van vluchtelingen en ontheemden. Daartoe is voor de periode 2000-2004 bij Beschikking 2000/596/EG (3) het Europees Vluchtelingenfonds ingesteld.

(3)

Er dient een Europees Vluchtelingenfonds (hierna het „Fonds” genoemd) voor de periode 2005-2010 te worden ingesteld met het oog op de onverminderde solidariteit van de lidstaten, in het licht van de recentelijk aangenomen communautaire wetgeving op asielgebied en rekening houdend met de ervaring die is opgedaan met de tenuitvoerlegging van de eerste fase van het Fonds in de periode 2000-2004.

(4)

De door de lidstaten geleverde inspanningen om vluchtelingen en ontheemden passende opvang te bieden en billijke en doeltreffende asielprocedures toe te passen, moeten worden gesteund, teneinde de rechten van hen die internationale bescherming behoeven te beschermen.

(5)

De integratie van vluchtelingen in de samenleving van het land waarin zij zijn gevestigd, is een van de doelstellingen van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951, dat is aangevuld met het Protocol van New York van 31 januari 1967. Voor deze personen moeten ook de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie opgenomen waarden gelden. Met het oog daarop dienen maatregelen van de lidstaten waarmee hun sociale, economische en culturele integratie wordt bevorderd te worden gesteund, daar die integratie bijdraagt tot de economische en sociale samenhang, waarvan de handhaving en de versterking in artikel 2 en in artikel 3, lid 1, onder k), van het Verdrag als een van de fundamentele doelstellingen van de Gemeenschap worden genoemd.

(6)

Het is in het belang van zowel de lidstaten als de betrokkenen dat de vluchtelingen en de ontheemden die worden toegelaten om op het grondgebied van de lidstaten te verblijven, de mogelijkheid hebben door arbeid in hun behoeften te voorzien, overeenkomstig de bepalingen van de desbetreffende communautaire instrumenten.

(7)

De maatregelen die door de structuurfondsen worden gesteund, evenals de andere communautaire maatregelen op het gebied van onderwijs en beroepsopleiding, zijn op zich niet toereikend om deze integratie te bevorderen en daarom is het dienstig steun te geven aan specifieke maatregelen om vluchtelingen en ontheemden in staat te stellen ten volle profijt te trekken van de georganiseerde programma's.

(8)

Concrete hulp is nodig om omstandigheden te scheppen of te verbeteren die de vluchtelingen en ontheemden in staat stellen met kennis van zaken te besluiten om het grondgebied van de lidstaten te verlaten en naar hun land van herkomst terug te keren, indien zij zulks wensen.

(9)

Maatregelen waarbij instanties van twee of meer lidstaten betrokken zijn en maatregelen van communautair belang op dit gebied dienen in aanmerking te komen voor ondersteuning door het Fonds en uitwisseling tussen de lidstaten dient te worden bevorderd om vast te stellen wat de doeltreffendste methoden zijn en deze te stimuleren.

(10)

Voor de uitvoering van noodmaatregelen in verband met het bieden van tijdelijke bescherming in geval van een massale toestroom van vluchtelingen dient een financiële reserve te worden aangelegd overeenkomstig Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen (4).

(11)

Om de financiële solidariteit op doeltreffende en evenredige wijze gestalte te geven en rekening te houden met de ervaring die is opgedaan bij de uitvoering van het Fonds in de periode 2000-2004, moeten de respectieve verantwoordelijkheden van de Commissie en de lidstaten voor de uitvoering en het beheer van het Fonds worden vastgesteld. De lidstaten moeten passende nationale instanties aanwijzen, wier taken moeten worden omschreven.

(12)

De steun uit het Fonds zal doeltreffender en gerichter zijn indien de medefinanciering van de subsidiabele maatregelen gebaseerd wordt op twee meerjarenprogrammeringen en een jaarlijks werkprogramma die door elke lidstaat worden opgesteld op grond van de situatie waarin hij verkeert en de geconstateerde behoeften.

(13)

Het is billijk de middelen te verdelen naar evenredigheid van de last die elke lidstaat te dragen heeft als gevolg van de inspanningen die hij zich getroost om vluchtelingen en ontheemden op te vangen, met inbegrip van vluchtelingen die internationale bescherming genieten in het kader van nationale programma's.

(14)

De voor de uitvoering van deze beschikking vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (5).

(15)

Een van de waarborgen voor de doeltreffendheid van de door het Fonds gesteunde maatregelen is een doelmatige follow-up. Het is nodig de voorwaarden vast te stellen waaronder deze follow-up plaatsvindt.

(16)

Onverminderd de bevoegdheden van de Commissie op het gebied van financiële controle, dient op dit gebied samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie tot stand te worden gebracht.

(17)

De lidstaten dienen voldoende waarborgen te bieden ten aanzien van de voorschriften betreffende alsmede de kwaliteit van de uitvoering. Het is nodig de verantwoordelijkheid van de lidstaten ten aanzien van de vervolging en correctie van onregelmatigheden en inbreuken, en die van de Commissie in geval van tekortschieten van de lidstaten vast te stellen.

(18)

De doelmatigheid en het effect van de door het Fonds gesteunde maatregelen hangen tevens af van de evaluatie daarvan. Dienaangaande dienen de verantwoordelijkheden van de lidstaten en de Commissie, alsmede regelingen die de betrouwbaarheid van de evaluatie waarborgen, duidelijk te worden omschreven.

(19)

De maatregelen dienen te worden geëvalueerd met het oog op de tussentijdse herziening en de beoordeling van hun effect en het evaluatieproces dient in de follow-up van de maatregelen te worden geïntegreerd.

(20)

Aangezien de doelstelling van deze beschikking, namelijk het bevorderen van een evenwicht tussen de inspanningen van de lidstaten voor de opvang van vluchtelingen en ontheemden, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze beschikking niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(21)

Overeenkomstig artikel 3 van het protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, heeft het Verenigd Koninkrijk kennis gegeven van zijn wens deel te nemen aan de aanneming en toepassing van deze beschikking.

(22)

Overeenkomstig artikel 3 van het protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, heeft Ierland kennis gegeven van zijn wens deel te nemen aan de aanneming en toepassing van deze beschikking.

(23)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het protocol betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming van deze beschikking die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in Denemarken,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKKING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

DOELSTELLINGEN EN TAKEN

Artikel 1

Instelling en doelstellingen

1.   Bij deze beschikking wordt voor het tijdvak van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2010 het Europees Vluchtelingenfonds (hierna „het Fonds” genoemd) ingesteld.

2.   Het Fonds is bestemd om, rekening houdend met de communautaire wetgeving terzake, de inspanningen van de lidstaten voor de opvang van vluchtelingen en ontheemden te steunen en aan te moedigen en de gevolgen van de opvang te dragen door medefinanciering van de in deze beschikking bedoelde acties.

Artikel 2

Financiële bepalingen

1.   Het financiële referentiebedrag voor de uitvoering van het Fonds van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 bedraagt 114 miljoen EUR.

2.   De jaarlijkse kredieten van het Fonds worden door de begrotingsautoriteit toegestaan binnen de grenzen van de financiële vooruitzichten.

Artikel 3

Doelgroepen van de maatregelen

Voor de doeleinden van deze beschikking bestaan de doelgroepen uit onderstaande categorieën:

1.

onderdanen van een derde land of staatlozen die de in het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951 en het bijbehorende Protocol van 1967 omschreven status bezitten en aan wie het is toegestaan als vluchteling in een van de lidstaten te verblijven;

2.

onderdanen van een derde land of staatlozen die een vorm van subsidiaire bescherming genieten in de zin van Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 van de Raad inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft en de inhoud van de verleende bescherming (6);

3.

onderdanen van een derde land of staatlozen die een verzoek om een van de in de punten 1 en 2 bedoelde vormen van bescherming hebben ingediend;

4.

onderdanen van een derde land of staatlozen die onder een regeling inzake tijdelijke bescherming in de zin van Richtlijn 2001/55/EG vallen.

Artikel 4

Maatregelen

1.   Het Fonds ondersteunt in de lidstaten uitgevoerde maatregelen met betrekking tot een of meer van de onderstaande punten:

a)

de voorwaarden voor opvang en de asielprocedures;

b)

de integratie van de in artikel 3 bedoelde personen wier verblijf in de betrokken lidstaat een duurzaam en stabiel karakter draagt;

c)

de vrijwillige terugkeer van de in artikel 3 bedoelde personen, mits deze personen geen nieuwe nationaliteit hebben verworven en het grondgebied van de lidstaat niet hebben verlaten.

2.   De in lid 1 bedoelde maatregelen dienen voornamelijk te bevorderen dat de bepalingen van de bestaande en toekomstige communautaire wetgeving op het gebied van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel worden uitgevoerd.

3.   Deze acties houden rekening met de specifieke situatie van kwetsbare personen zoals minderjarigen, alleenstaande minderjarigen, personen met een handicap, ouderen, zwangere vrouwen, alleenstaande ouders met minderjarige kinderen en personen die folteringen hebben ondergaan, zijn verkracht of aan andere ernstige vormen van psychologisch, fysiek of seksueel geweld zijn blootgesteld.

Artikel 5

Subsidiabele nationale maatregelen op het gebied van opvangvoorzieningen en asielprocedures

Maatregelen op het gebied van opvangvoorzieningen en asielprocedures, en in het bijzonder de volgende, komen in aanmerking voor steun uit het Fonds:

a)

infrastructuur of diensten in verband met huisvesting;

b)

materiële steun en medische en psychologische zorg;

c)

sociale bijstand, voorlichting of hulp bij administratieve formaliteiten;

d)

rechtsbijstand en taalkundige bijstand;

e)

onderwijs, taalonderricht en andere initiatieven die aansluiten bij de status van de persoon;

f)

het verlenen van ondersteunende diensten, zoals vertaling en opleiding, ter verbetering van de opvangvoorzieningen en de doeltreffendheid en de kwaliteit van de asielprocedures;

g)

informatie voor de lokale gemeenschappen die te maken krijgen met degenen die in het land van ontvangst worden opgevangen.

Artikel 6

Subsidiabele nationale maatregelen op het gebied van integratie

Maatregelen om de in artikel 4, lid 1, onder b), bedoelde personen en hun gezinnen in de samenleving van de lidstaat te integreren, en in het bijzonder de volgende, komen in aanmerking voor steun uit het Fonds:

a)

advies en bijstand op gebieden als huisvesting, bestaansmiddelen, integratie in de arbeidsmarkt, en medische, psychologische en sociale zorg;

b)

maatregelen die de begunstigden in staat stellen zich op sociaal-cultureel vlak aan te passen aan de samenleving van de lidstaat en de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde waarden te onderschrijven;

c)

maatregelen die moeten bevorderen dat de begunstigden duurzaam deelnemen en blijven deelnemen aan het maatschappelijke en culturele leven;

d)

maatregelen die gericht zijn op onderwijs, beroepsopleiding, erkenning van kwalificaties en diploma's;

e)

maatregelen om de zelfredzaamheid te bevorderen en om deze personen in staat te stellen zelf in hun onderhoud te voorzien;

f)

maatregelen ter bevordering van verrijkende contacten en een constructieve dialoog tussen deze personen en de samenleving waarin zij worden opgenomen, inclusief acties die bevorderen dat daarbij belangrijke partners worden betrokken, zoals het grote publiek, plaatselijke autoriteiten, vluchtelingenorganisaties, vrijwilligersgroepen, sociale partners en de ruimere civiele samenleving;

g)

maatregelen om deze personen te ondersteunen bij het verwerven van vaardigheden, waaronder taallessen;

h)

maatregelen ter bevordering van gelijke toegang en gelijke behandeling bij de contacten van deze personen met overheidsinstellingen.

Artikel 7

Subsidiabele nationale maatregelen op het gebied van vrijwillige terugkeer

Maatregelen op het gebied van vrijwillige terugkeer, en in het bijzonder de volgende, komen in aanmerking voor steun uit het Fonds:

a)

voorlichting en advies over initiatieven of programma's op het gebied van vrijwillige terugkeer;

b)

voorlichting over de situatie in de landen of regio's van herkomst of de voormalige gewone verblijfplaats;

c)

algemene of beroepsopleiding en steun bij herintegratie;

d)

maatregelen van in de Europese Unie gevestigde herkomstgemeenschappen die de vrijwillige terugkeer van de in deze beschikking bedoelde personen vergemakkelijken;

e)

maatregelen ter vergemakkelijking van het opzetten en uitvoeren van nationale programma's voor vrijwillige terugkeer.

Artikel 8

Communautaire maatregelen

1.   In aanvulling op de projecten zoals bedoeld in de artikelen 5, 6 en 7 kan, op initiatief van de Commissie, maximaal 7 % van de voor het Fonds beschikbare middelen worden gebruikt ter financiering van transnationale maatregelen of maatregelen van communautair belang met betrekking tot het asielbeleid en maatregelen, zoals bedoeld in lid 2, ten aanzien van vluchtelingen en ontheemden.

2.   Subsidiabele communautaire maatregelen hebben voornamelijk betrekking op:

a)

bevordering van de communautaire samenwerking bij de uitvoering van communautaire wetgeving en goede praktijken;

b)

steun voor het opzetten van transnationale samenwerkingsnetwerken en op transnationale partnerschappen gebaseerde proefprojecten tussen instanties in twee of meer lidstaten, die bedoeld zijn om innovatie te stimuleren, de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken te vergemakkelijken en de kwaliteit van het asielbeleid te verbeteren;

c)

steun voor transnationale bewustmakingscampagnes betreffende het Europese asielbeleid en de situatie en omstandigheden waarin de in artikel 3 bedoelde personen verkeren;

d)

steun voor de verspreiding en uitwisseling van gegevens, onder meer door gebruik van ICT, over beste praktijken en alle andere aspecten van het Fonds.

3.   Het jaarlijkse werkprogramma waarin de prioriteiten voor communautaire acties zijn vastgelegd, wordt aangenomen volgens de procedure van artikel 11, lid 2.

Artikel 9

Noodmaatregelen

1.   Bij de toepassing van tijdelijke beschermingsmechanismen in de zin van Richtlijn 2001/55/EG van de Raad kunnen uit het Fonds, als aanvulling op de in artikel 4 bedoelde maatregelen, noodmaatregelen ten gunste van de lidstaten worden gefinancierd.

2.   Subsidiabele noodmaatregelen hebben betrekking op de volgende soorten acties:

a)

opvang en huisvesting;

b)

het verstrekken van middelen van bestaan, met inbegrip van voedsel en kleding;

c)

medische, psychologische of andere bijstand;

d)

personeels- en administratiekosten in verband met de opvang van de betrokkenen en de uitvoering van de maatregelen;

e)

logistieke en vervoersuitgaven.

HOOFDSTUK II

UITVOERING EN BEHEER

Artikel 10

Uitvoering

De Commissie is verantwoordelijk voor de uitvoering van deze beschikking en stelt de nodige uitvoeringsbepalingen vast.

Artikel 11

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

4.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 12

Respectieve verantwoordelijkheden van de Commissie en de lidstaten

1.   De Commissie:

a)

stelt volgens de procedure van artikel 11, lid 2, richtsnoeren vast voor de prioriteiten van de in artikel 15 bedoelde meerjarenprogramma's en stelt de lidstaten in kennis van de indicatieve financiële toewijzingen voor het Fonds;

b)

ziet er in het kader van haar verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie op toe dat de lidstaten over passende, goed functionerende beheers- en controlesystemen beschikken zodat de communautaire middelen op correcte en doeltreffende wijze worden gebruikt. Deze maatregelen omvatten voorafgaande documentencontroles en controles ter plaatse van de procedures voor de uitvoering van deze beschikking, de controlesystemen, de boekhoudsystemen en de door de verantwoordelijke instanties gevolgde procedures voor het plaatsen van opdrachten en het toekennen van subsidies. Bij ingrijpende wijzigingen in de procedures of systemen verricht de Commissie een nieuw onderzoek;

c)

zorgt voor de uitvoering van de in artikel 8 bedoelde communautaire maatregelen.

2.   De lidstaten:

a)

zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de nationale maatregelen waarvoor steun uit het Fonds wordt ontvangen;

b)

nemen de nodige maatregelen voor een doeltreffende werking van het Fonds op nationaal niveau en betrekken daarbij alle partijen die met het asielbeleid te maken hebben, overeenkomstig de nationale praktijken;

c)

wijzen een verantwoordelijke autoriteit aan voor het beheer van de door het Fonds gesteunde nationale projecten overeenkomstig de toepasselijke communautaire wetgeving en het beginsel van goed financieel beheer;

d)

zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor de financiële controle van de maatregelen en zien erop toe dat de beheers- en controlesystemen zodanig worden toegepast dat een correct en doeltreffend gebruik van de communautaire middelen wordt gegarandeerd. Zij verstrekken de Commissie een beschrijving van deze systemen;

e)

verklaren dat de bij de Commissie ingediende uitgavendeclaraties accuraat zijn en zien erop toe dat hieraan op controleerbare bewijsstukken gebaseerde boekhoudsystemen ten grondslag liggen;

f)

werken met de Commissie samen bij het verzamelen van de statistische gegevens die nodig zijn voor de toepassing van artikel 17.

3.   In samenwerking met de lidstaten is de Commissie verantwoordelijk voor:

a)

de verspreiding van de resultaten van de acties die in de fase 2000-2004 van het Fonds zijn uitgevoerd en van die welke in de fase 2005-2010 zullen worden uitgevoerd;

b)

passende voorlichting en publiciteit over en follow-up van de door het Fonds gesteunde acties;

c)

de samenhang en complementariteit van de acties met andere relevante communautaire beleidsterreinen, instrumenten en initiatieven.

Artikel 13

Verantwoordelijke autoriteiten

1.   Elke lidstaat wijst een verantwoordelijke autoriteit aan, die de enige gesprekspartner van de Commissie zal zijn. De autoriteit is een functioneel orgaan van de lidstaat of een nationale overheidsinstantie. Deze verantwoordelijke autoriteit kan haar uitvoerende taken geheel of gedeeltelijk delegeren aan een andere overheidsinstantie of een privaatrechtelijke entiteit met een openbaredienstverleningstaak. Indien de lidstaat een andere verantwoordelijke autoriteit dan zichzelf aanwijst, stelt hij alle regelingen vast voor zijn betrekkingen met deze autoriteit en voor de betrekkingen van de autoriteit met de Commissie.

2.   Het als verantwoordelijke autoriteit aangewezen orgaan of elke instantie waaraan de autoriteit taken heeft voorgedragen, moet aan de volgende minimumvoorwaarden voldoen:

a)

rechtspersoonlijkheid hebben, behalve wanneer het gaat om een functioneel orgaan van de lidstaat;

b)

beschikken over financiële en beheerscapaciteiten die in verhouding staan tot de omvang van de door haar te beheren communautaire middelen en waarmee zij zich naar behoren van haar taken kan kwijten, conform de regels die van toepassing zijn op het beheer van fondsen van de Europese Unie.

3.   De verantwoordelijke autoriteiten vervullen onder meer de volgende taken:

a)

de relevante partners raadplegen bij de opstelling van het meerjarenprogramma;

b)

aanbestedingen en oproepen tot het indienen van voorstellen organiseren en publiceren;

c)

procedures voor selectie voor en toekenning van medefinanciering uit het Fonds instellen, met inachtneming van het transparantiebeginsel en het beginsel van gelijke behandeling, en alle maatregelen nemen om eventuele belangenconflicten te vermijden;

d)

zorgen voor samenhang en complementariteit tussen de medefinanciering uit het Fonds en die in het kader van andere relevante nationale en communautaire financiële instrumenten;

e)

zorgen voor het administratief, contractueel en financieel beheer van de maatregelen;

f)

voorlichting en advies geven, en de resultaten verspreiden;

g)

zorgen voor monitoring en evaluatie;

h)

samenwerken en contact onderhouden met de Commissie en de verantwoordelijke instanties van de andere lidstaten.

4.   De lidstaat verstrekt de verantwoordelijke autoriteit of de instantie waaraan de autoriteit taken heeft overgedragen, toereikende middelen, zodat zij haar taken naar behoren kan blijven uitvoeren gedurende de gehele periode waarin door het Fonds gefinancierde acties worden uitgevoerd. De uitvoeringsactiviteiten kunnen worden gefinancierd in het kader van de in artikel 18 bedoelde regelingen voor technische en administratieve bijstand.

5.   De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 11, lid 2, de regels met betrekking tot de beheers- en controlesystemen van de lidstaten vast, met inbegrip van de regels voor het administratieve en financiële beheer van de nationale projecten die medefinanciering uit het Fonds ontvangen.

Artikel 14

Selectiecriteria

De verantwoordelijke autoriteit selecteert projecten aan de hand van de volgende criteria:

a)

de situatie en de behoeften in de lidstaat;

b)

de kosteneffectiviteit van de uitgaven in verhouding tot het aantal mensen dat bij het project is betrokken;

c)

de ervaring, deskundigheid, betrouwbaarheid en financiële bijdrage van de organisatie die financiering aanvraagt en van eventuele partnerorganisaties;

d)

de mate waarin de projecten een aanvulling vormen op andere acties die uit de algemene begroting van de Europese Unie of in het kader van nationale programma's worden gefinancierd.

HOOFDSTUK III

PROGRAMMERING

Artikel 15

Meerjarenprogramma's

1.   De maatregelen in de lidstaten worden op basis van twee meerjarenprogramma's uitgevoerd die elk drie jaar duren (2005-2007 en 2008-2010).

2.   Op basis van de in artikel 12, lid 1, onder a), bedoelde richtsnoeren betreffende de prioriteiten van de meerjarenprogramma's en de indicatieve financiële toewijzingen van de Commissie stelt elke lidstaat voor elke periode van drie jaar een ontwerp-meerjarenprogramma op met daarin:

a)

een beschrijving van de actuele situatie in de lidstaat met betrekking tot regelingen in verband met opvang, asielprocedures, integratie en vrijwillige terugkeer voor de in artikel 3 bedoelde personen;

b)

een analyse van de behoeften van de betrokken lidstaat op het gebied van opvang, asielprocedures, integratie en vrijwillige terugkeer, alsmede een indicatie van de operationele doelstellingen om in de loop van de programmeringsperiode in deze behoeften te voorzien;

c)

een beschrijving van een geschikte strategie om deze doelstellingen te verwezenlijken en de prioriteit die daaraan moet worden toegekend, rekening houdend met de resultaten van de in artikel 13, lid 3, onder a), bedoelde raadpleging van de partners, alsmede een beknopte beschrijving van de geplande maatregelen om de prioriteiten uit te voeren;

d)

een overzicht waaruit blijkt dat deze strategie strookt met de overige regionale, nationale en communautaire instrumenten;

e)

een indicatief financieringsplan waarin per doelstelling en per jaar de geplande financiële bijdrage van het Fonds staat vermeld, alsmede het totaalbedrag van de publieke of particuliere medefinanciering.

3.   Uiterlijk vier maanden nadat de Commissie de richtsnoeren en de indicatieve financiële toewijzingen voor de betrokken periode heeft meegedeeld, dienen de lidstaten hun ontwerp-meerjarenprogramma bij haar in.

4.   Uiterlijk drie maanden na ontvangst van de ontwerp-meerjarenprogramma's keurt de Commissie deze overeenkomstig de in artikel 11, lid 3, bedoelde procedure goed in het licht van de aanbevelingen in de richtsnoeren die in overeenstemming met artikel 12, lid 1, onder a), zijn aangenomen.

Artikel 16

Jaarprogramma's

1.   De door de Commissie goedgekeurde meerjarenprogramma's worden uitgevoerd door middel van jaarlijkse werkprogramma's.

2.   De Commissie verschaft de lidstaten jaarlijks uiterlijk op 1 juli een raming van de bedragen die hun voor het volgende jaar worden toegekend uit de totale kredieten die in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure aan het Fonds worden toegewezen, waarbij de in artikel 17 beschreven verdeelsleutel wordt toegepast.

3.   De lidstaten dienen jaarlijks uiterlijk op 1 november bij de Commissie een voorstel voor een jaarprogramma voor het volgende jaar in. Dit jaarprogramma wordt opgesteld overeenkomstig het goedgekeurde meerjarenprogramma en omvat:

a)

de algemene selectievoorwaarden voor de projecten die worden gefinancierd in het kader van het jaarprogramma indien zij verschillen van de uitvoeringsmaatregelen van het meerjarenprogramma;

b)

een beschrijving van de taken waarmee de verantwoordelijke autoriteit bij de uitvoering van het jaarprogramma is belast;

c)

de geplande verdeling van de bijdrage van het Fonds over de verschillende maatregelen in het kader van het programma, alsmede het gevraagde bedrag voor de in artikel 18 bedoelde technische en administratieve bijstand voor de uitvoering van het jaarprogramma.

4.   De Commissie onderzoekt het voorstel van de lidstaat, waarbij rekening wordt gehouden met het definitieve bedrag dat in het kader van de begrotingsprocedure aan het Fonds is toegekend, en neemt uiterlijk op 1 maart van het betreffende jaar een besluit over de medefinanciering door het Fonds. In dat besluit wordt vermeld welk bedrag aan de lidstaat wordt toegewezen en gedurende welke periode de uitgaven subsidiabel zijn.

5.   In geval van ingrijpende wijzigingen met gevolgen voor de uitvoering van het jaarprogramma, waardoor tussen acties een overdracht van middelen plaatsvindt voor meer dan 10 % van het totale bedrag dat voor dat jaar aan een lidstaat is toegekend, legt de lidstaat uiterlijk bij de indiening van het in artikel 23, lid 3, bedoelde voortgangsverslag een herzien jaarprogramma ter goedkeuring voor aan de Commissie.

Artikel 17

Jaarlijkse verdeling van de middelen voor de in de artikelen 5, 6 en 7 bedoelde maatregelen in de lidstaten

1.   Iedere lidstaat ontvangt 300 000 EUR van de jaarlijkse toewijzing aan het Fonds. Conform de nieuwe financiële vooruitzichten beloopt dit bedrag voor 2005, 2006 en 2007 500 000 EUR per jaar voor de lidstaten die op 1 mei 2004 tot de Europese Unie toetraden.

2.   De resterende beschikbare middelen worden jaarlijks naar evenredigheid als volgt onder de lidstaten verdeeld:

a)

30 % van deze middelen: naar verhouding van het aantal personen in één van de categorieën van artikel 3, punten 1 en 2, dat in de loop van de drie voorgaande jaren is toegelaten;

b)

70 % van deze middelen: naar verhouding van het aantal personen bedoeld in artikel 3, punten 3 en 4, dat in de loop van de drie voorgaande jaren een lidstaat is binnengekomen.

3.   De referentiecijfers zijn de meest recente statistieken die het Bureau voor de statistiek van de Europese Gemeenschappen heeft verstrekt overeenkomstig de communautaire wetgeving inzake het verzamelen en analyseren van statistische gegevens op het gebied van asiel.

Artikel 18

Technische en administratieve bijstand

Een deel van de jaarlijkse medefinanciering die aan een lidstaat wordt toegekend, kan worden gereserveerd voor uitgaven in verband met technische en administratieve bijstand bij de voorbereiding, de controle en de evaluatie van de maatregelen.

Het bedrag dat per jaar wordt uitgetrokken voor technische en administratieve bijstand mag niet hoger zijn dan 7 % van de aan de lidstaat toegekende jaarlijkse medefinanciering, vermeerderd met 30 000 EUR.

Artikel 19

Bijzondere bepalingen betreffende noodmaatregelen

1.   De lidstaten dienen bij de Commissie een overzicht in van de behoeften en een plan voor de uitvoering van de in artikel 9 bedoelde noodmaatregelen, met een beschrijving van de geplande maatregelen en van de organisaties die zijn belast met de uitvoering daarvan.

2.   De financiële steun uit het Fonds voor de in artikel 9 bedoelde noodmaatregelen kan ten hoogste gedurende zes maanden worden verleend en niet meer bedragen dan 80 % van de kosten van de maatregel.

3.   De beschikbare middelen worden tussen de lidstaten verdeeld naar verhouding van het aantal personen dat in elke lidstaat de in artikel 9, lid 1, bedoelde tijdelijke bescherming geniet.

4.   Artikel 20, leden 1 en 2, artikel 21 en de artikelen 23 tot en met 26 zijn van toepassing.

HOOFDSTUK IV

FINANCIEEL BEHEER EN FINANCIËLE CONTROLE

Artikel 20

Financieringsstructuur

1.   De financiële bijdrage van het Fonds wordt verstrekt in de vorm van niet-terugvorderbare subsidies.

2.   De maatregelen die door het Fonds worden gesteund, worden medegefinancierd door publieke of particuliere bronnen, hebben geen winstoogmerk en komen niet in aanmerking voor financiering uit andere bronnen ten laste van de algemene begroting van de Europese Unie.

3.   De kredieten van het Fonds dienen ter aanvulling van de overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen uitgaven van de lidstaten voor de maatregelen en activiteiten waarop deze beschikking betrekking heeft.

4.   De communautaire bijdrage aan de projecten bedraagt ten hoogste:

a)

voor de in de artikelen 5, 6 en 7 bedoelde maatregelen in de lidstaten: 50 % van de totale kosten van een maatregel. Dit percentage kan oplopen tot 60 % voor bijzonder vernieuwende maatregelen, zoals maatregelen via transnationale partnerschappen of maatregelen met actieve deelname van de in artikel 3 bedoelde personen of van door deze doelgroepen opgerichte organisaties, en tot 75 % voor maatregelen in de lidstaten die steun uit het Cohesiefonds ontvangen;

b)

voor uitnodigingen tot het indienen van voorstellen in het kader van de in artikel 8 bedoelde communautaire maatregelen: 80 % van de totale kosten van een maatregel.

5.   De financiële steun van de Gemeenschap voor projecten in het kader van het Fonds wordt in de regel voor ten hoogste drie jaar toegekend, onder voorbehoud van een periodieke controle van de voortgang.

Artikel 21

Subsidiabiliteit

1.   De uitgaven moeten overeenkomen met betalingen die zijn verricht door de eindbegunstigde van de subsidie en moeten worden gestaafd met facturen die zijn voldaan of met vergelijkbare boekhoudkundige stukken.

2.   Alleen uitgaven die zijn verricht op of na 1 januari van het jaar waarop het in artikel 16, lid 4 bedoelde medefinancieringsbesluit van de Commissie betrekking heeft, komen in aanmerking voor steun uit het Fonds.

3.   De Commissie stelt overeenkomstig de procedure van artikel 11, lid 3, de regels vast voor de subsidiabiliteit van de uitgaven in het kader van de in de artikelen 5, 6 en 7 bedoelde maatregelen in de lidstaten die worden medegefinancierd door het Fonds.

Artikel 22

Vastleggingskredieten

De communautaire kredieten worden jaarlijks vastgelegd op basis van het in artikel 16, lid 4, bedoelde medefinancieringsbesluit van de Commissie.

Artikel 23

Betaling

1.   De Commissie betaalt de bijdragen uit het Fonds aan de verantwoordelijke autoriteit overeenkomstig de vastleggingen.

2.   Van het bedrag dat in het jaarlijkse besluit van de Commissie over de medefinanciering uit het Fonds aan de lidstaat wordt toegekend, wordt 50 % binnen 60 dagen na de goedkeuring van dit medefinancieringsbesluit aan de lidstaat uitbetaald als eerste voorschot.

3.   Een tweede voorschot wordt uitbetaald uiterlijk drie maanden nadat de Commissie haar goedkeuring heeft gehecht aan een voortgangsverslag over de uitvoering van het jaarlijkse werkprogramma, alsmede aan een uitgavendeclaratie die betrekking heeft op minstens 70 % van het bedrag van het eerste voorschot. Het tweede voorschot bedraagt ten hoogste 50 % van het in het medefinancieringsbesluit toegewezen totaalbedrag, of, in ieder geval, het verschil tussen het bedrag aan communautaire middelen dat daadwerkelijk door de lidstaat is vastgelegd voor in het kader van het jaarprogramma geselecteerde maatregelen en het bedrag van het eerste voorschot.

4.   Uiterlijk drie maanden nadat de Commissie haar goedkeuring heeft gehecht aan het eindverslag en aan de definitieve uitgavendeclaratie van het jaarprogramma zoals bedoeld in artikel 24, lid 3, en artikel 28, lid 2, wordt het saldo uitbetaald of wordt er een verzoek ingediend tot terugbetaling van de in het kader van het eerste of tweede voorschot uitbetaalde bedragen die de voor het Fonds goedgekeurde uitgaven overschrijden.

Artikel 24

Declaraties

1.   Voor alle uitgaven die zij bij de Commissie declareert, waarborgt de verantwoordelijke autoriteit dat de nationale uitvoeringsprogramma's worden beheerd overeenkomstig de toepasselijke communautaire regelgeving en dat de middelen worden gebruikt in overeenstemming met de beginselen van goed financieel beheer.

2.   De uitgavendeclaraties worden gecertificeerd door een persoon of dienst die functioneel onafhankelijk is van de diensten die bij de verantwoordelijke instantie de uitgaven fiatteert.

3.   Binnen negen maanden na de in het medefinancieringsbesluit vastgestelde uiterste datum voor de uitvoering van de uitgaven, dient de verantwoordelijke autoriteit een definitieve uitgavendeclaratie in bij de Commissie. Indien deze declaratie niet binnen deze termijn bij de Commissie is ingediend, wordt het jaarprogramma automatisch door de Commissie afgesloten en worden de kredieten voor het programma geannuleerd.

Artikel 25

Controles en financiële correcties van de lidstaten

1.   Onverminderd de verantwoordelijkheid van de Commissie voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen dragen in eerste instantie de lidstaten de verantwoordelijkheid voor de financiële controle van de maatregelen. Daartoe nemen zij met name de volgende maatregelen:

a)

zij voeren steekproefsgewijs controles uit, waarbij de gecontroleerde maatregelen ten minste 10 % van de totale subsidiabele uitgaven van de jaarlijkse werkprogramma's bestrijken en betrekking hebben op een representatieve steekproef van de goedgekeurde maatregelen. De lidstaten waarborgen een passende scheiding tussen deze controles en de uitvoerings- of betalingsprocedures betreffende de maatregelen;

b)

zij doen het nodige om onregelmatigheden te voorkomen, op te sporen en recht te zetten; zij stellen de Commissie overeenkomstig de voorschriften in kennis van onregelmatigheden en houden haar op de hoogte van het verloop van de administratieve en gerechtelijke stappen;

c)

zij werken samen met de Commissie om ervoor te zorgen dat de middelen van de Gemeenschap overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer worden gebruikt.

2.   De lidstaten voeren de financiële correcties uit die nodig zijn in verband met geconstateerde onregelmatigheden, waarbij rekening wordt gehouden met het incidentele, dan wel structurele karakter ervan. Deze financiële correcties van de lidstaten bestaan uit het geheel of gedeeltelijk intrekken van de communautaire bijdrage. Indien de terugbetaling niet plaatsvindt binnen de daarvoor door de lidstaat gestelde termijn, is achterstandsrente verschuldigd tegen de in artikel 26, lid 4, bedoelde rentevoet.

3.   De Commissie stelt overeenkomstig de procedure van artikel 11, lid 3, de regels en procedures vast voor de financiële correcties van de lidstaten in het kader van de in de artikelen 5, 6 en 7 bedoelde projecten in de lidstaten die worden medegefinancierd door het Fonds.

Artikel 26

Controles en financiële correcties van de Commissie

1.   Onverminderd de bevoegdheden van de Rekenkamer en de controles van de lidstaten overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, mogen ambtenaren of andere personeelsleden van de Commissie de uit het Fonds gefinancierde maatregelen en de beheers- en controlesystemen ter plaatse controleren, bijvoorbeeld door middel van steekproeven. Deze controles moeten ten minste drie werkdagen van tevoren worden aangekondigd. De Commissie stelt de betrokken lidstaat in kennis van de controle teneinde de nodige medewerking te verkrijgen. Ambtenaren of andere personeelsleden van de lidstaat mogen aan deze controles deelnemen.

De Commissie kan de betrokken lidstaat verzoeken een controle ter plaatse uit te voeren om de regelmatigheid van een of meer transacties na te gaan. Ambtenaren of andere personeelsleden van de Commissie mogen aan deze controles deelnemen.

2.   Indien de Commissie, nadat zij de nodige verificaties heeft verricht, concludeert dat een lidstaat de krachtens artikel 25 op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, wordt in de volgende gevallen de betaling van het voorschot of van het saldo van de medefinancieringsbedragen van het Fonds voor de betrokken jaarprogramma's opgeschort:

a)

indien een lidstaat de acties niet uitvoert zoals in het medefinancieringsbesluit is overeengekomen; of

b)

indien de medefinanciering van een of meer acties uit het Fonds geheel of gedeeltelijk ongerechtvaardigd is;

of

c)

indien er in de beheers- en controlesystemen sprake is van ernstige tekortkomingen, die tot stelselmatige onregelmatigheden kunnen leiden.

In die gevallen verzoekt de Commissie de lidstaat met opgave van redenen om een reactie en, in voorkomend geval, om correcties binnen een bepaalde termijn.

3.   Na het verstrijken van de door de Commissie gestelde termijn kan de Commissie, indien geen overeenstemming is bereikt en de lidstaat de correcties niet heeft aangebracht, rekening houdend met de eventuele opmerkingen van de lidstaat, binnen een termijn van drie maanden besluiten:

a)

het voorschot of het eindsaldo te verlagen; of

b)

de vereiste financiële correcties aan te brengen door de bijdrage van het Fonds aan de betrokken maatregelen geheel of gedeeltelijk in te trekken.

Indien geen besluit wordt genomen om overeenkomstig punt a) of punt b) op te treden, eindigt de opschorting van de betalingen onmiddellijk.

4.   Elk terug te vorderen of onverschuldigd betaald bedrag moet aan de Commissie worden terugbetaald. Indien dit bedrag niet binnen de door de Commissie gestelde termijn is terugbetaald, wordt het verschuldigde bedrag vermeerderd met achterstandsrente, berekend tegen de door de Europese Centrale Bank toegepaste rentevoet voor de basisherfinancieringstransacties in EUR, verhoogd met drieënhalf procentpunt. De referentierentevoet waarop de verhoging wordt toegepast, is de rentevoet die geldt op de eerste dag van de maand waarin de uiterste betaaldatum valt en die is bekendgemaakt in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie.

5.   De Commissie stelt overeenkomstig de procedure van artikel 11, lid 3, de regels en procedures vast voor de financiële correcties van de Commissie in het kader van de in de artikelen 5, 6 en 7 bedoelde maatregelen in de lidstaten die worden medegefinancierd uit het Fonds.

HOOFDSTUK V

FOLLOW-UP, EVALUATIE EN VERSLAGEN

Artikel 27

Follow-up en evaluatie

1.   De Commissie zorgt in samenwerking met de lidstaten voor een regelmatige follow-up van het Fonds.

2.   Er vindt regelmatig een evaluatie van het Fonds plaats, waarbij de Commissie in samenwerking met de lidstaten de relevantie, de doeltreffendheid en het effect van de uitgevoerde maatregelen toetst aan de in artikel 1 geformuleerde doelstellingen. Er wordt ook geëvalueerd in hoeverre de maatregelen die in het kader van het Fonds worden uitgevoerd, complementair zijn aan activiteiten uit hoofde van andere communautaire beleidsterreinen, instrumenten en maatregelen.

Artikel 28

Verslagen

1.   In elke lidstaat neemt de verantwoordelijke autoriteit de nodige maatregelen met het oog op de follow-up en de evaluatie van de projecten.

Daartoe worden in de overeenkomsten die deze autoriteit sluit in verband met de uitvoering van de acties, bepalingen opgenomen inzake de verplichting om geregeld gedetailleerde voortgangsverslagen uit te brengen over de uitvoering van de maatregelen en een gedetailleerd eindverslag over de mate waarin de doelstellingen zijn verwezenlijkt.

2.   Uiterlijk negen maanden na de in het medefinancieringsbesluit vastgestelde einddatum van de subsidiabiliteit van de uitgaven dient de verantwoordelijke instantie bij de Commissie een eindverslag in over de uitvoering van de maatregelen, alsmede de in artikel 24, lid 3, genoemde definitieve declaratie.

3.   De lidstaten dienen de volgende stukken in bij de Commissie:

a)

uiterlijk op 31 december 2006: een evaluatieverslag over de uitvoering van de maatregelen die medefinanciering uit het Fonds hebben ontvangen;

b)

uiterlijk op 30 juni 2009 en op 30 juni 2012: een evaluatieverslag over de resultaten en het effect van de maatregelen die medefinanciering uit het Fonds hebben ontvangen.

4.   De Commissie legt de volgende verslagen voor aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's:

a)

uiterlijk op 30 april 2007: een tussentijds verslag over de resultaten en over de kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de uitvoering van het Fonds, eventueel vergezeld van voorstellen voor aanpassingen;

b)

uiterlijk op 31 december 2009: een tussentijds evaluatieverslag met een voorstel over de voortzetting van het Fonds;

c)

uiterlijk op 31 december 2012: een ex post-evaluatieverslag.

HOOFDSTUK VI

OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 29

Meerjarenprogramma 2005-2007

In afwijking van artikel 15 geldt het volgende tijdschema voor de uitvoering van de meerjarenprogrammering 2005-2007:

a)

uiterlijk op 31 januari 2005 deelt de Commissie de programmeringsrichtsnoeren en de indicatieve financiële toewijzingen aan de lidstaten mee;

b)

uiterlijk op 1 mei 2005 wijzen de lidstaten de in artikel 13 bedoelde verantwoordelijke autoriteit aan en dienen zij bij de Commissie het voorstel voor het in artikel 15 bedoelde meerjarenprogramma voor de periode 2005-2007 in;

c)

overeenkomstig de in artikel 11, lid 3, bedoelde procedure keurt de Commissie uiterlijk twee maanden na ontvangst van de desbetreffende voorstellen de meerjarenprogramma's goed.

Artikel 30

Jaarprogramma 2005

In afwijking van artikel 16 geldt het volgende tijdschema voor de uitvoering in het begrotingsjaar 2005:

a)

de Commissie verstrekt de lidstaten uiterlijk op 31 januari 2005 een raming van de hun toegewezen bedragen;

b)

de lidstaten dienen het in artikel 16 bedoelde voorstel voor een jaarprogramma uiterlijk op 1 juni 2005 bij de Commissie in; dit voorstel gaat vergezeld van een overzicht van de beheerssystemen en controles die zullen worden toegepast om ervoor te zorgen dat de communautaire middelen op correcte en doeltreffende wijze worden gebruikt;

c)

de Commissie keurt uiterlijk twee maanden na ontvangst van het voorstel voor het jaarprogramma de medefinancieringsbesluiten goed, nadat zij de in artikel 12, lid 1, onder b), genoemde elementen heeft geverifieerd.

De uitgaven die tussen 1 januari 2005 en de datum van goedkeuring van de medefinancieringsbesluiten daadwerkelijk zijn verricht, komen voor steun uit het Fonds in aanmerking.

HOOFDSTUK VII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 31

Toetsing

Op basis van een voorstel van de Commissie beziet de Raad deze beschikking uiterlijk op 31 december 2010 opnieuw.

Artikel 32

Adressaten

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten, overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Gedaan te Brussel, 2 december 2004.

Voor de Raad

De voorzitter

J. P. H. DONNER


(1)  Advies uitgebracht op 20 april 2004 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  PB C 241 van 28.9.2004, blz. 27.

(3)  PB L 252 van 6.10.2000, blz. 12.

(4)  PB L 212 van 7.8.2001, blz. 12.

(5)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(6)  PB L 304 van 30.9.2004, blz. 12.


Commissie

28.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 381/63


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 14 december 2004

tot vaststelling van richtsnoeren voor het melden van gevaarlijke consumentenproducten aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten door producenten en distributeurs overeenkomstig artikel 5, lid 3, van Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 4772)

(Voor de EER relevante tekst)

(2004/905/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid (1), en met name op artikel 5, lid 3, tweede alinea,

Na raadpleging van het bij artikel 15 van Richtlijn 2001/95/EG opgerichte comité,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 5, lid 3, van Richtlijn 2001/95/EG is bepaald dat producenten en distributeurs de bevoegde autoriteiten ervan in kennis moeten stellen wanneer zij weten, of op grond van de hun ter beschikking staande gegevens beroepshalve behoren te weten, dat een door hen op de markt gebracht product volgens de definities en criteria van de richtlijn gevaarlijk is.

(2)

Overeenkomstig bijlage I, punt 2, bij Richtlijn 2001/95/EG moet de Commissie, daarin bijgestaan door een comité van vertegenwoordigers van de lidstaten, de inhoud en de vorm vaststellen van het standaardformulier voor de kennisgeving betreffende de door de producenten en distributeurs aan de bevoegde nationale autoriteiten te verstrekken informatie over producten die niet aan de algemene veiligheidsvereisten voldoen, en erop toezien dat het kennisgevingssysteem efficiënt functioneert. In het bijzonder moet de Commissie, eventueel in de vorm van een gids, eenvoudige, duidelijke criteria opstellen om te bepalen onder welke bijzondere voorwaarden, met name in verband met op zichzelf staande producten of omstandigheden, de kennisgeving niet noodzakelijk is.

(3)

De verplichting om de autoriteiten kennis te geven van gevaarlijke producten is een belangrijk onderdeel van de verbetering van het markttoezicht, omdat de bevoegde autoriteiten hierdoor kunnen nagaan of de bedrijven passende maatregelen hebben genomen om het probleem van de risico’s van een product dat al op de markt is gebracht, aan te pakken, en zo nodig aanvullende maatregelen ter voorkoming van risico’s kunnen nemen of laten nemen.

(4)

Om te voorkomen dat de producenten, distributeurs en bevoegde autoriteiten buitensporig worden belast en om de doeltreffende uitvoering van deze verplichting te vereenvoudigen, moeten naast een standaardformulier ook operationele richtsnoeren voor de meest relevante kennisgevingscriteria en de praktische aspecten van de kennisgeving worden vastgesteld, die met name worden opgesteld om de producenten en distributeurs te helpen bij de toepassing van artikel 5, lid 3, van Richtlijn 2001/95/EG,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De Commissie stelt richtsnoeren vast voor het melden van gevaarlijke consumentenproducten aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten door producenten en distributeurs overeenkomstig artikel 5, lid 3, van Richtlijn 2001/95/EG.

De richtsnoeren zijn in de bijlage opgenomen.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 14 december 2004.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 11 van 15.1.2002, blz. 4.


BIJLAGE

Richtsnoeren voor het melden van gevaarlijke consumentenproducten aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten door producenten en distributeurs overeenkomstig artikel 5, lid 3, van Richtlijn 2001/95/EG

1.   INLEIDING

1.1.   Achtergrond en doelstellingen van de richtsnoeren

Richtlijn 2001/95/EG inzake algemene productveiligheid (hierna „RAPV” genoemd) is bedoeld om te waarborgen dat de niet voor voeding bestemde consumentenproducten die in de Europese Unie in de handel worden gebracht, veilig zijn. De RAPV verplicht producenten en distributeurs de bevoegde autoriteit te informeren over waarnemingen en maatregelen betreffende gevaarlijke producten.

Krachtens de RAPV moet de Commissie, daarin bijgestaan door het RAPV-comité van de lidstaten, een gids met eenvoudige, duidelijke criteria opstellen om de doeltreffende uitvoering van deze verplichting te vereenvoudigen. De gids moet bovendien het werk van het bedrijfsleven en de bevoegde autoriteiten vergemakkelijken doordat er bijzondere voorwaarden in worden vastgesteld, met name in verband met op zichzelf staande producten of omstandigheden, waaronder de kennisgeving niet noodzakelijk is. In de gids moeten tevens de inhoud en vorm van het standaardformulier voor de kennisgeving door producenten en distributeurs aan de autoriteiten worden vastgesteld.

De Commissie is in het bijzonder verantwoordelijk voor het waarborgen van de doeltreffendheid en de goede werking van de kennisgevingsprocedure.

De doelstellingen van deze richtsnoeren zijn dan ook:

a)

de reikwijdte van de verplichtingen van producenten en distributeurs uit operationeel oogpunt zodanig te verduidelijken dat uitsluitend informatie wordt verstrekt die voor het risicobeheer van belang is, en een overvloed aan informatie wordt voorkomen;

b)

relevante criteria te geven voor de toepassing van het begrip „gevaarlijke producten”;

c)

criteria aan te reiken voor het identificeren van „op zichzelf staande producten of omstandigheden”, waarvoor kennisgeving niet noodzakelijk is;

d)

de inhoud van de kennisgevingen, in het bijzonder de vereiste informatie en gegevens, en het te gebruiken formulier te omschrijven;

e)

aan te geven bij wie en op welke wijze de kennisgeving moet worden ingediend;

f)

uiteen te zetten welk gevolg lidstaten aan een door hen ontvangen kennisgeving moeten geven en welke informatie ze over het gegeven gevolg moeten verstrekken.

1.2.   Status en verdere ontwikkeling van de richtsnoeren

Status

Dit zijn operationele richtsnoeren. De richtsnoeren zijn door de Commissie vastgesteld na raadpleging van de lidstaten in het RAPV-comité overeenkomstig de raadplegingsprocedure.

Zij vormen daarom het referentiedocument voor de toepassing van de bepalingen van de RAPV die betrekking hebben op het melden van gevaarlijke consumentenproducten aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten door producenten en distributeurs.

Verdere ontwikkeling

Deze richtsnoeren zullen in het licht van ervaringen en nieuwe ontwikkelingen moeten worden aangepast. De Commissie zal ze zo nodig actualiseren of wijzigen in overleg met het comité zoals bedoeld in artikel 15 van de RAPV.

1.3.   Voor wie zijn de richtsnoeren bedoeld

Deze richtsnoeren zijn bedoeld voor de lidstaten. De richtsnoeren moeten dienen als hulpmiddel voor producenten en distributeurs van consumentenproducten, alsook voor nationale autoriteiten die als contactpunt voor de ontvangst van informatie van producenten en distributeurs zijn aangewezen, zodat wordt gewaarborgd dat de kennisgevingsplicht doeltreffend en consequent wordt vervuld.

2.   SAMENVATTING VAN DE BEPALINGEN VAN DE RAPV BETREFFENDE DE KENNISGEVING DOOR PRODUCENTEN EN DISTRIBUTEURS

2.1.   Verplichting om de bevoegde autoriteiten in de lidstaten te informeren

In de RAPV is bepaald dat producenten en distributeurs de bevoegde autoriteiten ervan in kennis moeten stellen wanneer zij weten, of op grond van de hun ter beschikking staande gegevens beroepshalve behoren te weten, dat een door hen op de markt gebracht product (volgens de definities en criteria van de RAPV) gevaarlijk is.

De kennisgevingsplicht geldt niet voor „op zichzelf staande” producten of omstandigheden.

Zodra zij erover beschikken kunnen producenten en distributeurs de autoriteiten voorlopige informatie over de mogelijke risico’s van een product geven. Deze informatie kan de autoriteiten in staat stellen producenten en distributeurs te helpen op correcte wijze aan hun kennisgevingsplicht te voldoen. Bovendien worden zij opgeroepen bij twijfel over het bestaan van een productrisico om hun nationale autoriteiten te raadplegen.

2.2.   Redenen voor en doel van de kennisgevingsbepaling

De verplichting om de autoriteiten kennis te geven van gevaarlijke producten is een belangrijk onderdeel van de verbetering van het markttoezicht en het risicobeheer.

De producenten en distributeurs zijn, elk binnen de grenzen van hun activiteiten, als eersten verantwoordelijk voor het vermijden van risico’s van gevaarlijke producten. Het is echter mogelijk dat zij niet alle vereiste maatregelen hebben genomen (of hebben kunnen nemen). Bovendien kunnen andere producten van hetzelfde type soortgelijke risico’s opleveren als de producten in kwestie.

De kennisgevingsprocedure is bedoeld om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen na te gaan of de bedrijven passende maatregelen hebben genomen om het probleem van de risico’s van een product dat al op de markt is gebracht, aan te pakken en zo nodig aanvullende maatregelen ter voorkoming van risico’s te nemen of laten nemen. De bevoegde autoriteiten kunnen door de kennisgeving ook beoordelen of zij soortgelijke andere producten op de markt moeten controleren. Daarom moeten de bevoegde autoriteiten adequate informatie ontvangen aan de hand waarvan zij kunnen beoordelen of een bedrijf ten aanzien van een gevaarlijk product passende maatregelen heeft genomen. In dit verband moet erop worden gewezen dat de RAPV de bevoegde autoriteiten toestaat aanvullende informatie te vragen indien zij van mening zijn dat zij niet kunnen beoordelen of een bedrijf ten aanzien van een gevaarlijk product passende maatregelen heeft genomen.

3.   KENNISGEVINGSCRITERIA

3.1.   Toepassingsgebied

Het eerste vereiste voor kennisgeving uit hoofde van de RAPV is dat het product binnen het toepassingsgebied van de RAPV moet vallen en dat aan de voorwaarden van artikel 5, lid 3, moet worden voldaan.

Opgemerkt zij dat in de EU-levensmiddelenwetgeving (Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad (1) afzonderlijke voorschriften voor de kennisgeving van gevaarlijke levensmiddelen zijn vastgesteld.

Indien in de communautaire sectoriële wetgeving inzake productveiligheid kennisgevingsverplichtingen met dezelfde doelstellingen zijn vastgesteld, zijn de categorieën producten waarvoor de sectoriële voorschriften gelden daardoor van de RAPV-verplichting uitgesloten. Zie voor meer informatie over de relatie tussen de kennisgevingsprocedures en de doeleinden ervan de „Gids over de relatie tussen de richtlijn inzake algemene productveiligheid (RAPV) en bepaalde sectorale richtlijnen met bepalingen inzake productveiligheid” (2). Dit document zal, met name wanneer de ervaring uitwijst dat sprake is van overlapping of onduidelijkheid met betrekking tot de toepassing van artikel 5, lid 3, van de RAPV en de sectoriële informatie- of kennisgevingsvoorschriften in de specifieke Gemeenschapswetgeving, verder worden ontwikkeld.

Bovendien moet erop worden gewezen dat deze richtsnoeren niet van belang zijn voor de toepassing van de voorschriften ten aanzien van „vrijwaringsclausules” of andere bij verticale Gemeenschapswetgeving inzake productveiligheid vastgestelde kennisgevingsprocedures en de toepassing ervan niet in de weg staan.

Belangrijke kennisgevingscriteria zijn:

dat het product aan de definitie van artikel 2, onder a), van de RAPV voldoet: een product dat bestemd is voor de consument of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat het door de consument kan worden gebruikt (ook in het kader van een dienstverrichting en met inbegrip van tweedehands producten);

dat artikel 5 van de RAPV van toepassing is (dat wil zeggen dat geen specifieke soortgelijke verplichting bij andere communautaire wetgeving is vastgesteld, zie artikel 1, lid 2, onder b), van de RAPV);

dat het product op de markt is;

dat de producent of distributeur (op grond van toezicht op de veiligheid van de producten in de handel, tests, kwaliteitscontrole of andere bronnen) aanwijzingen heeft dat het product gevaarlijk is, zoals gedefinieerd door de RAPV (het stemt niet overeen met het algemene veiligheidsvereiste, rekening houdend met de veiligheidscriteria van de RAPV), of niet voldoet aan de veiligheidsvoorschriften van de desbetreffende communautaire sectoriële wetgeving die op het product van toepassing is;

dat de risico’s bijgevolg zodanig zijn dat het product niet op de markt mag blijven en de producenten (en distributeurs) verplicht zijn passende preventieve en corrigerende maatregelen te nemen (productaanpassing, waarschuwingen, uit de handel nemen, terugroepen enz., afhankelijk van de specifieke omstandigheden).

3.2.   Algemeen veiligheidsvereiste en conformiteitscriteria

De producenten en distributeurs moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaten ervan in kennis stellen indien een door hen op de markt gebracht product voor consumenten risico’s oplevert „die onverenigbaar zijn met het algemene veiligheidsvereiste”. De producenten zijn gehouden uitsluitend „veilige” producten op de markt te brengen. In artikel 2, onder b), is een veilig product gedefinieerd als een product dat „bij normale of redelijkerwijs te verwachten gebruiksomstandigheden, - ook wat gebruiksduur en eventueel indienststelling, installatie en onderhoudseisen betreft -, geen enkel risico oplevert, dan wel slechts beperkte risico's die verenigbaar zijn met het gebruik van het product en vanuit het oogpunt van een hoog beschermingsniveau voor de gezondheid en de veiligheid van personen, aanvaardbaar worden geacht, met name rekening houdende met:

i)

de kenmerken van het product, met name de samenstelling, de verpakking, de voorschriften voor assemblage, en, in voorkomend geval, voor installatie en onderhoud;

ii)

het effect ervan op andere producten, ingeval redelijkerwijs kan worden verwacht dat het product in combinatie met die andere producten zal worden gebruikt;

iii)

de aanbiedingsvorm van het product, de etikettering, eventuele waarschuwingen en aanwijzingen voor het gebruik en de verwijdering ervan, alsmede iedere andere aanwijzing of informatie over het product;

iv)

de categorieën consumenten die bij het gebruik van het product grote risico's lopen, in het bijzonder kinderen en ouderen.

De mogelijkheid om een hoger veiligheidsniveau te bereiken of andere producten met een kleiner risico aan te schaffen, volstaat niet om een product als „gevaarlijk” te beschouwen.”

Elk product dat niet aan deze definitie voldoet, wordt als een gevaarlijk product beschouwd (artikel 2, onder c)), met andere woorden, een product is „gevaarlijk” indien het niet voldoet aan het algemene veiligheidsvereiste (de producten op de markt moeten veilig zijn).

In artikel 3 van de RAPV is beschreven op welke wijze de conformiteit wordt beoordeeld, onder verwijzing naar de nationale regelgeving, Europese normen en ander referentiemateriaal. Wanneer geen geschikte Europese normen bestaan, staat de RAPV toe dat bij de beoordeling van de veiligheid van een product rekening wordt gehouden met andere elementen: nationale normen, gedragscodes enz.

Bovendien wordt in de RAPV gesproken van een „ernstig risico”, dat in artikel 2, onder d), is gedefinieerd als „een ernstig risico dat snel ingrijpen van de overheid vereist, met inbegrip van risico’s waarvan de gevolgen zich niet onmiddellijk voordoen”.

In de RAPV is echter ook vermeld dat de mogelijkheid om een hoger veiligheidsniveau te bereiken of andere producten met een kleiner risico aan te schaffen, niet volstaat om een product als „gevaarlijk” te beschouwen.

Het veiligheidsniveau kan van een aantal factoren afhangen, zoals het soort gebruiker en de kwetsbaarheid van de gebruiker en de mate waarin de producent voorzorgsmaatregelen heeft genomen om de gebruiker tegen het gevaar te beschermen en hem ervoor te waarschuwen. Deze factoren moeten eveneens een rol spelen bij de vaststelling van het veiligheidsniveau dat gevaarlijk wordt geacht en waarbij de producenten de bevoegde autoriteiten op de hoogte moeten stellen.

Een risico kan het gevolg zijn van een fabricage- of productiefout of van het productontwerp, dan wel van de toegepaste materialen. Een risico kan tevens voortvloeien uit de inhoud, constructie, afwerking, verpakking, waarschuwingen of voorschriften van een product.

Bij de bepaling of een product overeenkomstig de RAPV gevaarlijk is moeten diverse aspecten worden onderzocht: het nut van het product, de aard van het risico, de blootgestelde delen van de bevolking, eerdere ervaringen met soortgelijke producten enz. Een veilig product levert geen enkel risico op, dan wel slechts beperkte risico’s die verenigbaar zijn met het gebruik van het product en nodig zijn om het nuttige gebruik van het product te waarborgen.

Van producenten wordt verwacht dat zij een risicobeoordeling uitvoeren alvorens zij hun producten op de markt te brengen. Hierop baseren zij hun conclusie dat het product aan het algemene veiligheidsvereiste voldoet en op de markt kan worden gebracht; de risicobeoordeling dient tevens als referentie voor de latere herbeoordeling van nieuwe informatie over risico’s en of het product nog aan de definitie van een „veilig product” voldoet, dan wel dat kennisgeving moet worden gedaan.

Indien producenten of distributeurs kennis krijgen van informatie of nieuwe aanwijzingen waaruit blijkt dat een product gevaarlijk zou kunnen zijn, moeten zij beoordelen of op grond van die informatie kan worden geconcludeerd dat het product daadwerkelijk gevaarlijk is.

De in dit document vermelde richtsnoeren zijn ontwikkeld voor de „Richtsnoeren voor het beheer van het communautaire systeem voor snelle uitwisseling van informatie (RAPEX) en voor kennisgevingen overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 2001/95/EG” (3). Ze worden hier opgenomen om producenten of distributeurs te helpen bij het nemen van de beslissing of in een specifieke, door een consumentenproduct veroorzaakte situatie een kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten gerechtvaardigd is. De richtsnoeren vormen een methodologisch kader dat bedoeld is om de consistentie te bevorderen. Niet met alle mogelijke factoren wordt rekening gehouden, maar de richtsnoeren moeten bijdragen tot een consequente, gemotiveerde professionele inschatting van de risico’s van specifieke consumentenproducten. Wanneer producenten of distributeurs echter op grond van andere overwegingen menen dat er duidelijke feiten zijn waaruit blijkt dat kennisgeving nodig is, moeten zij niet nalaten kennisgeving te doen.

De producenten of distributeurs moeten de verzamelde informatie analyseren en besluiten of een specifieke gevaarlijke situatie aan de autoriteiten moet worden gemeld, met inachtneming van:

de ernst van het resultaat van een gevaar, afhankelijk van de ernst en waarschijnlijkheid van mogelijke gezondheidsschade/veiligheidsverlies. De combinatie van de ernst en de waarschijnlijkheid levert een beoordeling van de ernst van het risico op. De nauwkeurigheid van deze beoordeling hangt af van de kwaliteit van de informatie waarover de producent of distributeur beschikt.

De ernst van de gezondheidsschade/het veiligheidsverlies voor een bepaald gevaar moet worden gebaseerd op een redelijk bewijs dat de aan het product toe te schrijven gezondheidsschade/veiligheidsverlies zich bij het te verwachten gebruik kan voordoen. Dit bewijs kan bijvoorbeeld bestaan in de ergste ervaringen met gezondheidsschade/veiligheidsverlies bij soortgelijke producten.

De waarschijnlijkheid van gezondheidsschade/veiligheidsverlies voor een normale gebruiker wiens blootstelling overeenkomt met het bedoelde of het redelijkerwijs te verwachten gebruik van het product met gebreken, moet eveneens in aanmerking worden genomen, evenals de waarschijnlijkheid dat het product een gebrek heeft of krijgt.

Het besluit om kennisgeving te doen mag niet worden beïnvloed door het aantal producten op de markt of door het aantal personen dat nadeel van een gevaarlijk product zou kunnen ondervinden. Deze factoren mogen wel een rol spelen bij de keuze van het soort maatregel dat wordt genomen om het probleem op te lossen;

de factoren die de risicograad beïnvloeden, zoals het soort gebruiker en, voor niet-kwetsbare volwassenen, of het product van passende waarschuwingen en beveiligingen is voorzien en het gevaar voldoende evident is.

In sommige omstandigheden (bv. autorijden) aanvaardt de samenleving grotere risico’s dan in andere omstandigheden (bv. kinderspeelgoed). Tot de belangrijke factoren die de risicograad beïnvloeden worden gerekend de kwetsbaarheid van het type persoon en, voor niet-kwetsbare volwassenen, de kennis van het risico en de mogelijkheid om voorzorgsmaatregelen te nemen.

Er moet rekening worden gehouden met het type persoon dat een product gebruikt. Indien het waarschijnlijk is dat het product door kwetsbare personen (zoals kinderen of ouderen) zal worden gebruikt, moet bij een lagere risicograad kennisgeving worden gedaan.

Met betrekking tot niet-kwetsbare volwassenen is voor de risicograad waarbij kennisgeving moet worden gedaan, bepalend of het gevaar evident is en noodzakelijk is voor de functie van het product en of de fabrikant passende voorzorgsmaatregelen heeft genomen om het product van beveiligingen en waarschuwingen te voorzien, vooral wanneer het gevaar niet evident is.

Bijlage II bevat meer details over de methode voor risico-inschatting en -beoordeling die is ontwikkeld voor de „Richtsnoeren voor het beheer van het communautaire systeem voor snelle uitwisseling van informatie (RAPEX) en voor kennisgevingen overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 2001/95/EG”. Ook andere methoden kunnen geschikt zijn en de keuze van de methode kan van de beschikbare middelen en informatie afhangen.

Producenten en distributeurs moeten worden opgeroepen contact met de autoriteiten op te nemen indien zij aanwijzingen hebben dat mogelijk een probleem bestaat, zodat besproken kan worden of kennisgeving noodzakelijk is. Het is de taak van de autoriteiten om hen te helpen hun kennisgevingsplicht correct te vervullen.

3.3.   Criteria voor niet-kennisgeving

Voor beide partijen (bedrijfsleven en autoriteiten) moet de informatiestroom beheersbaar zijn. De kennisgevingsprocedure moet uitsluitend worden gebruikt in gevallen waarin dit op grond van de bovengenoemde criteria gerechtvaardigd is, en voorkomen moet worden dat het systeem met niet-relevante kennisgevingen wordt overbelast.

Om te kunnen beoordelen of kennisgeving door producenten of distributeurs aan de bevoegde autoriteiten gerechtvaardigd is, is het tevens van belang te weten onder welke omstandigheden kennisgeving niet vereist is.

Beoogd wordt te voorkomen dat een stortvloed van kennisgevingen van maatregelen, acties of besluiten ontstaat betreffende „op zichzelf staande producten of omstandigheden” waarvoor controle, toezicht of actie van de autoriteiten niet nodig is en die geen informatie bevatten die nuttig is voor de risicobeoordeling en consumentenbescherming. Dit kan het geval zijn wanneer duidelijk is dat het risico slechts voor een beperkt aantal, duidelijk geïdentificeerde producten (of partijen) geldt en de producent of distributeur kan aantonen dat het risico volledig onder controle is en een zodanige oorzaak heeft dat kennis van het incident voor de autoriteiten niet nuttig is (bv. storing aan een productielijn, fouten bij de behandeling of verpakking enz.).

Producenten en distributeurs behoeven uit hoofde van de RAPV geen kennisgeving te doen van:

producten die niet onder het toepassingsgebied van artikel 1 en artikel 2, onder a), van de RAPV vallen, zoals antiek, producten die niet bestemd zijn voor gebruik door consumenten en waarvan niet kan worden verwacht dat ze door consumenten kunnen worden gebruikt, tweedehands producten die voor reparatie worden geleverd;

producten die niet binnen het toepassingsgebied van artikel 5, lid 3, van de RAPV vallen, zoals producten waarvoor specifieke kennisgevingsprocedures van andere communautaire wetgeving gelden;

producten waarvoor de fabrikant onmiddellijk corrigerende maatregelen heeft kunnen nemen voor alle betrokken exemplaren. Het gebrek is beperkt tot duidelijk geïdentificeerde exemplaren of partijen en de producent heeft de betrokken exemplaren uit de handel genomen;

problemen die de functionele kwaliteit en niet de veiligheid van het product betreffen;

problemen in verband met het niet-voldoen aan de toepasselijke regels, die de veiligheid niet zodanig beïnvloeden dat het product als „gevaarlijk” kan worden beschouwd;

wanneer de producent/distributeur weet dat de autoriteiten reeds zijn geïnformeerd en over alle vereiste informatie beschikken. In het bijzonder wanneer detailhandelaars informatie over een gevaarlijk product ontvangen van hun producent/distributeur of van een beroepsorganisatie die de door een producent/distributeur verstrekte informatie verspreidt, dienen zij de autoriteiten niet op de hoogte te stellen indien zij weten dat de autoriteiten reeds door de producent of distributeur zijn geïnformeerd.

4.   KENNISGEVINGSPROCEDURE

4.1.   Wie moet kennisgeving doen

De kennisgevingsplicht geldt voor zowel producenten als distributeurs, elk binnen de grenzen van hun activiteiten en in verhouding tot hun verantwoordelijkheden.

Er kan onduidelijkheid bestaan over de vraag wie als eerste informatie moet geven. Daarom is het nuttig dat alle betrokkenen in de toeleveringsketen vooraf praktische afspraken maken over de verantwoordelijkheid voor kennisgeving. Wanneer vervolgens kennisgeving nodig is, weten de diverse betrokkenen wat hen te doen staat en wordt overbodige dubbele kennisgeving voorkomen. Bovendien is het buitengewoon belangrijk dat bedrijven rechtstreeks contact met de autoriteiten opnemen wanneer zij twijfelen over het vervullen van hun kennisgevingsplicht.

Indien de fabrikant of importeur van een product de eerste is die aanwijzingen heeft dat het product gevaarlijk is, moet hij de bevoegde nationale autoriteit daarvan op de hoogte stellen en de detailhandelaars en distributeurs een kopie van deze informatie sturen. Wanneer een distributeur of detailhandelaar informatie over een gevaar van een product van een fabrikant of importeur ontvangt, informeert hij de autoriteiten tenzij hij weet dat de nationale autoriteit reeds voldoende informatie van de producent of van een andere autoriteit heeft ontvangen.

Indien de detailhandelaars of distributeurs van een product de eersten zijn die aanwijzingen hebben dat het product gevaarlijk is, moeten zij de bevoegde nationale autoriteit daarvan op de hoogte stellen en de fabrikant of importeur een kopie van deze informatie sturen. Wanneer een fabrikant of importeur informatie over een gevaar van een product van een detailhandelaar of distributeur ontvangt, moet hij de verstrekte informatie aanvullen door de autoriteit(en) alle hem over het gevaarlijke product ter beschikking staande informatie te geven die voor de traceerbaarheid van het product van belang is, in het bijzonder informatie over andere distributeurs of detailhandelaars van het product.

Distributeurs die aan de veiligheid van een product twijfelen of zich afvragen of een gevaarlijk product een „op zichzelf staand geval” is, moeten de producent de hun ter beschikking staande informatie verstrekken. Ook kunnen zij de bevoegde autoriteiten om advies over de te volgen handelswijze vragen.

Veel gevaarlijke situaties worden door de producenten slechts als zodanig herkend door de optelsom van de beoordeling van afzonderlijke meldingen van verschillende detailhandelaars of distributeurs. De producent is verantwoordelijk voor de beoordeling van de informatie om de precieze oorsprong van het mogelijke risico vast te stellen en maatregelen te nemen die noodzakelijk blijken, waaronder het doen van kennisgeving aan de autoriteiten.

De verantwoordelijkheid voor de te melden informatie moet door bedrijven worden gegeven aan iemand met voldoende kennis van het product.

4.2.   Bij wie moet kennisgeving worden gedaan

In de RAPV is bepaald dat producenten en distributeurs hun kennisgevingen moeten indienen bij de markttoezichts- of handhavingsautoriteiten van alle lidstaten waar het product op de markt is gebracht of anderszins aan de consument wordt geleverd. Elke lidstaat moet de autoriteit aanwijzen die met de ontvangst van deze kennisgevingen wordt belast. Op de website van de Commissie staat een lijst van de hiervoor aangewezen autoriteiten.

In bijlage I bij de RAPV is bepaald dat de in artikel 5, lid 3, bedoelde informatie moet worden verstrekt aan de bevoegde autoriteiten in de lidstaten waar de producten op de markt worden of zijn gebracht of anderszins aan de consument worden geleverd.

Het is echter gewenst dat producenten en distributeurs minder worden belast door regelingen in te voeren ter vereenvoudiging van de praktische toepassing van de betrokken voorschriften, terwijl tegelijkertijd wordt gewaarborgd dat alle betrokken autoriteiten worden geïnformeerd. Deze regelingen zullen er ook toe bijdragen dat wordt voorkomen dat voor één gebrek diverse kennisgevingen worden gedaan.

Daarom mogen de producenten en distributeurs ervoor kiezen de vereiste informatie in te dienen bij de autoriteit van de lidstaat waar zij gevestigd zijn, mits aan een van de volgende twee voorwaarden wordt voldaan:

in de kennisgeving is aangegeven dat het risico „ernstig” is of het risico wordt door de ontvangende autoriteit als „ernstig” beoordeeld en deze autoriteit besluit een kennisgeving voor het product te doen in het kader van het RAPEX-systeem. In dit geval moet de ontvangende autoriteit de producent of distributeur die de informatie heeft ingediend, onverwijld op de hoogte stellen van haar besluit om de overige lidstaten via RAPEX te informeren;

in de kennisgeving is aangegeven dat het risico niet „ernstig” is of het risico wordt door de ontvangende autoriteit niet als ernstig beoordeeld, maar de autoriteit heeft de producent of distributeur die de informatie heeft ingediend, meegedeeld dat zij de informatie via de Commissie zal doorzenden naar de autoriteiten van de overige lidstaten waar het product, volgens de door de producent of distributeur verstrekte informatie, op de markt wordt of is gebracht (4). In dit geval moet de ontvangende autoriteit de producent of distributeur onverwijld op de hoogte stellen.

Een producent of distributeur die alleen de autoriteit van zijn land van vestiging informeert, moet deze autoriteit altijd de beschikbare informatie geven over andere landen waar het product op de markt is gebracht.

Indien de nationale autoriteiten concluderen of aanwijzingen krijgen dat een op de markt gebracht product gevaarlijk is zonder dat zij daarvan door de producent of distributeurs van dat product op de hoogte zijn gesteld, onderzoeken zij of en wanneer de betrokken bedrijven kennisgeving hadden moeten doen en nemen zij een besluit over passende maatregelen, waaronder mogelijke sancties.

4.3.   Wijze van kennisgeving

Bedrijven doen kennisgeving door het formulier van bijlage I in te vullen en onverwijld bij de betrokken bevoegde autoriteit(en) in te dienen. Zij verstrekken daarbij de in het formulier verlangde informatie. De kennisgeving mag echter niet worden uitgesteld ingeval een deel van de informatie nog niet beschikbaar is.

Het kan nuttig zijn om het formulier in twee delen te splitsen. Het eerste deel (de punten 1 tot en met 5) moet onmiddellijk worden ingevuld en het tweede deel (punt 6) moet worden ingevuld wanneer de informatie is verzameld (voor de indiening van de ontbrekende informatie moet een tijdschema worden ingediend) en wanneer sprake is van een ernstige risicosituatie of wanneer de producent of distributeur ervoor kiest de kennisgeving uitsluitend in te dienen bij de autoriteit van de lidstaat waar hij gevestigd is. De kennisgeving mag niet worden uitgesteld wanneer een deel van de informatie in een punt niet kan worden ingevuld.

De RAPV schrijft voor dat de bevoegde autoriteiten onverwijld worden geïnformeerd. Daarom moeten bedrijven hen zodra de relevante informatie beschikbaar is, onverwijld op de hoogte stellen, en in ieder geval binnen tien dagen (5) nadat zij over rapporteerbare informatie beschikken die op het bestaan van een gevaarlijk product wijst (zelfs wanneer het onderzoek nog niet is afgerond). Wanneer sprake is van een ernstig risico, moeten de bedrijven de autoriteit(en) onmiddellijk informeren en in geen geval later dan drie dagen nadat zij rapporteerbare informatie hebben verkregen.

In een noodsituatie, bijvoorbeeld wanneer een bedrijf onmiddellijke maatregelen neemt, moet het bedrijf de autoriteiten onmiddellijk en met de snelste middelen op de hoogte stellen.

5.   INHOUD VAN KENNISGEVINGEN

5.1.   Achtergrond van kennisgevingen (verplicht toezicht na het in de handel brengen)

Producenten en distributeurs moeten niet alleen ervoor zorgen dat hun producten aan het algemene veiligheidsvereiste voldoen, maar tevens beroepshalve en binnen het bestek van hun activiteiten waarborgen dat toezicht wordt gehouden op de veiligheid van de door hen geleverde producten. De plichten voor producenten en distributeurs in dit opzicht uit hoofde van de RAPV, zoals het verstrekken van informatie aan consumenten, het toezicht op productrisico’s na het in de handel brengen en het uit de handel nemen van gevaarlijke producten, zijn hierboven genoemd. De plichten voor producenten gelden voor fabrikanten, maar ook voor eventuele andere actoren in de toeleveringsketen die de veiligheidskenmerken van een product kunnen beïnvloeden.

Bedrijven kunnen in het kader van hun verantwoordelijkheden na het in de handel brengen verschillende soorten aanwijzingen krijgen die tot een kennisgeving kunnen leiden, zoals onder meer:

verslagen of andere informatie over ongelukken met producten van het bedrijf;

klachten van consumenten die met de veiligheid verband houden, die zij rechtstreeks of via distributeurs of consumentenverenigingen kunnen ontvangen;

verzekeringsclaims of rechtsvorderingen betreffende gevaarlijke producten;

niet-overeenstemming om veiligheidsredenen, gemeld volgens de kwaliteitscontroleprocedures van het bedrijf;

alle informatie die door andere organisaties, zoals markttoezichtsautoriteiten, consumentenorganisaties of andere bedrijven, onder de aandacht van het bedrijf wordt gebracht en die erop kan duiden dat niet aan de veiligheidsvoorschriften wordt voldaan;

informatie over relevante wetenschappelijke ontwikkelingen op het gebied van productveiligheid.

5.2.   Kennisgevingsformulier

De vereiste informatie is in de volgende punten ingedeeld:

1)

Gegevens van de autoriteiten of bedrijven die het kennisgevingsformulier ontvangen: de persoon die het formulier invult wordt verzocht te vermelden welke autoriteiten en bedrijven de kennisgeving zullen ontvangen en welke rol deze bedrijven spelen bij het in de handel brengen van het product.

2)

Gegevens van de producent (zoals gedefinieerd in artikel 2, onder e), van de RAPV) of distributeur die het kennisgevingsformulier invult: de persoon die het formulier invult moet alle gegevens betreffende zijn identiteit en die van het bedrijf opgeven en de rol van het bedrijf bij het in de handel brengen van het product vermelden.

3)

Gegevens van het betrokken product: nauwkeurige beschrijving van het product, met vermelding van merk, model enz., om verwarring te voorkomen aangevuld met foto’s.

4)

Gegevens van het gevaar (soort en aard), inclusief ongelukken en effecten op de gezondheid of veiligheid en conclusies van de overeenkomstig hoofdstuk 3 (Kennisgevingscriteria) en in het licht van bijlage II (Methodologisch kader) uitgevoerde risico-inschatting en –beoordeling.

5)

Gegevens van de genomen of voorgenomen corrigerende maatregelen om het risico voor consumenten te beperken of weg te nemen, bijvoorbeeld door het product uit de handel te nemen, terug te roepen of aan te passen of door voorlichting van consumenten, en van het bedrijf dat daarvoor verantwoordelijk is.

6)

Gegevens van alle bedrijven in de toeleveringsketen die de betrokken producten in hun bezit hebben, en benadering van het aantal producten dat in handen is van bedrijven en van consumenten (dit punt is van toepassing bij een ernstig risico of wanneer de producent of distributeur ervoor kiest de kennisgeving uitsluitend in te dienen bij de autoriteit van de lidstaat waar hij gevestigd is) (6).

Bij een ernstig risico moeten de producenten en distributeurs alle beschikbare informatie vermelden die van belang is voor het traceren van het product. Voor het verzamelen van de voor punt 6 van het kennisgevingsformulier (zie bijlage I) vereiste informatie kan meer tijd nodig zijn dan voor de andere punten, omdat deze informatie mogelijk van verschillende organisaties moet worden verkregen. De bedrijven moeten de punten 1 tot en met 5 zo snel mogelijk invullen en opsturen; punt 6 sturen zij op zodra de informatie beschikbaar is en bij een ernstig risico of wanneer de producent of distributeur ervoor kiest de kennisgeving uitsluitend in te dienen bij de autoriteit van de lidstaat waar hij gevestigd is.

6.   FOLLOW-UP VAN KENNISGEVINGEN

Na verzending van een kennisgeving kan de procedure zich op verschillende manieren verder ontwikkelen, namelijk:

zo nodig zendt de autoriteit die de kennisgeving heeft ontvangen, een reactie om aanvullende informatie te vragen of om de producent of distributeur te verzoeken verdere stappen of maatregelen te nemen;

de producenten en distributeurs kunnen op eigen initiatief of op verzoek van de autoriteiten aanvullende informatie verstrekken over eventuele nieuwe ontwikkelingen, waarnemingen en/of over het succes van de genomen maatregelen, dan wel de problemen die zich daarbij voordoen;

de autoriteit besluit zo nodig tot handhavingsmaatregelen en/of verplicht de producenten en distributeurs samen te werken bij het markttoezicht dan wel het publiek te informeren over de identiteit van de producten, de aard van het risico en de genomen maatregelen, met inachtneming van het beroepsgeheim;

indien aan de eisen voor RAPEX-kennisgeving wordt voldaan (ernstig risico, product in verschillende lidstaten op de markt), zendt de bevoegde autoriteit de Commissie een RAPEX-kennisgeving, die de Commissie aan alle lidstaten doorstuurt.


(1)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1642/2003 (PB L 245 van 29.9.2003, blz. 4).

(2)  http://europa.eu.int/comm/consumers/cons_safe/prod_safe/gpsd/revisedGPSD_en.htm

(3)  Beschikking 2004/418/EG van de Commissie (PB L 151 van 30.4.2004, blz. 86).

(4)  Het netwerk voor de productveiligheid van de RAPV biedt een kader voor passende regelingen om deze uitwisseling te vergemakkelijken.

(5)  Alle in deze tekst genoemde termijnen zijn uitgedrukt in kalenderdagen.

(6)  Ook wanneer een product in slechts één lidstaat in de handel is, is het van belang dat een lijst wordt gegeven van de bedrijven die de betrokken producten in hun bezit hebben omdat de bevoegde autoriteit(en) aan de hand van die lijst de doeltreffendheid van de genomen maatregel kunnen beoordelen.

BIJLAGE I

Kennisgevingsformulier voor het melden van gevaarlijke producten aan de autoriteiten door producenten of distributeurs

Punt 1: Gegevens van de autoriteiten of bedrijven die het kennisgevingsformulier ontvangen

Autoriteit/contactpersoon/adres/telefoonnummer/faxnummer/e-mailadres/website

 

Gegevens van de bedrijven die de kennisgeving ontvangen met vermelding van hun rol bij het in de handel brengen van het product

 

Punt 2: Gegevens van de producent of distributeur

Producent of vertegenwoordiger van de producent of distributeur die het formulier invult

 

Contactpersoon, bevoegdheid/adres/telefoonnummer/faxnummer/e-mailadres/website

 

Punt 3: Gegevens van de betrokken producten

Categorie. Merk of handelsmerk. Naam van het model of de modellen of streepjescode/GN-tarief. Land van oorsprong

 

Beschrijving/foto

 

Punt 4: Gegevens van het gevaar

Beschrijving van het gevaar en mogelijke gezondheidsschade/veiligheidsverlies en conclusies van de uitgevoerde risico-inschatting en -beoordeling

 

Vermelding van ongelukken

 

Punt 5: Gegevens van de reeds genomen corrigerende maatregelen

Soort/reikwijdte/duur van de maatregel(en) en genomen voorzorgsmaatregelen en gegevens van het bedrijf dat daarvoor verantwoordelijk is

 


Punt 6 moeten de bedrijven invullen en opsturen bij een ernstig risico of wanneer de producent of distributeur ervoor kiest de kennisgeving uitsluitend in te dienen bij de autoriteit van de lidstaat waar hij gevestigd is

Punt 6: Gegevens van andere bedrijven in de toeleveringsketen die de betrokken producten in hun bezit hebben

Lijst van fabrikanten of importeurs, dan wel van hun gemachtigde vertegenwoordigers per lidstaat: naam/adres/telefoonnummer/faxnummer/e-mailadres/website

 

Lijst van distributeurs of detailhandelaars per lidstaat: naam/adres/telefoonnummer/faxnummer/e-mailadres/website

 

Aantal producten (serienummers of datumcodes) in bezit van de producent/importeur/distributeur/detailhandelaar/consumenten per lidstaat

 

BIJLAGE II

Methodologisch kader ter bevordering van consequente risico-inschatting en -beoordeling

De volgende tekst is gebaseerd op het kader dat ontwikkeld is voor de RAPEX-richtsnoeren en wordt hier weergegeven om bedrijven te helpen bij het beoordelen van de risicograad en bij het nemen van de beslissing, of kennisgeving aan de autoriteiten nodig is. De richtsnoeren in deze bijlage zijn niet uitputtend en er is niet geprobeerd met alle mogelijke factoren rekening te houden. De bedrijven moeten elk geval afzonderlijk beoordelen. Daarbij moeten ze rekening houden met de in deze richtsnoeren uiteengezette criteria, alsook met hun eigen ervaring en praktijk, andere belangrijke overwegingen en passende methoden.

Een consumentenproduct kan één of meer intrinsieke gevaren inhouden. Er zijn verschillende typen gevaren (chemische, mechanische, elektrische of thermische eigenschappen, straling enz.). Het gevaar vertegenwoordigt de intrinsieke potentie van het product om onder bepaalde omstandigheden de gezondheid en veiligheid van gebruikers aan te tasten.

Aan de ernst van elk type gevaar kan een graad worden toegekend, gebaseerd op kwalitatieve en soms kwantitatieve criteria die betrekking hebben op het type schade dat kan ontstaan.

Het kan gebeuren dat niet alle afzonderlijke producten het gevaar in kwestie inhouden, maar slechts enkele van de in de handel gebrachte exemplaren. In het bijzonder kan het gevaar verband houden met een gebrek dat slechts voorkomt bij enkele exemplaren van een bepaald type product (merk, model enz.) dat in de handel is gebracht. In dergelijke gevallen moet worden overwogen hoe groot de kans is dat het gebrek/gevaar in het product aanwezig is.

De kans dat een gevaar daadwerkelijk negatieve gevolgen voor de gezondheid/veiligheid heeft, hangt af van de mate waarin de consument aan dat gevaar wordt blootgesteld wanneer hij het product gebruikt zoals de bedoeling is of zoals redelijkerwijs kan worden verwacht gedurende de levensduur van het product. In sommige gevallen kunnen ook meer dan één persoon tegelijk aan bepaalde gevaren worden blootgesteld. Bij de uiteindelijke bepaling van de risicograad van een product, door combinatie van de ernst van het gevaar en de blootstelling aan het gevaar, moet ook worden overwogen in hoeverre de blootgestelde consument de gevaarlijke situatie kan voorkomen of hierop kan reageren. Dit zal ervan afhangen of het gevaar evident is, of er passende waarschuwingen zijn en of de blootgestelde consument kwetsbaar is.

Rekening houdend met bovenstaande overwegingen, kan de volgende conceptuele benadering bedrijven helpen bepalen of voor een specifieke gevaarlijke situatie als gevolg van een consumentenproduct kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten moet worden gedaan.

Aanbevolen wordt dat de beoordelingen worden uitgevoerd door een klein team dat het product en de gevaren ervan kent en er ervaring mee heeft. Soms moeten de beoordelaars, bij gebrek aan objectieve gegevens, een subjectief oordeel vellen. Hopelijk helpt deze procedure hen bij het maken van consequente, gemotiveerde inschattingen van de feitelijke of potentiële risico’s.

De beoordelaar moet de verzamelde informatie analyseren en de risicobeoordelingstabel als volgt toepassen:

1.

Eerst bepaalt hij in tabel A de ernst van het resultaat van het gevaar door combinatie van de ernst van het gevaar en de waarschijnlijkheid dat het gevaar zich onder de gebruiksomstandigheden voordoet, alsook van de mogelijke gevolgen van de intrinsieke gevaarlijke eigenschappen van het product voor de gezondheid/veiligheid.

2.

Vervolgens beoordeelt hij in tabel B de ernst van het resultaat nader aan de hand van het type consument en, voor niet-kwetsbare volwassenen, het gegeven, of het product over adequate waarschuwingen en beveiligingen beschikt en of het gevaar voldoende evident is om de risicograad kwalitatief te kunnen bepalen.

Tabel A: Risico-inschatting: ernst en waarschijnlijkheid van gezondheidsschade/ veiligheidsverlies

In tabel A worden de twee belangrijkste factoren voor de inschatting van het risico gecombineerd, namelijk de ernst en de waarschijnlijkheid van gezondheidsschade/ veiligheidsverlies. De volgende definities van ernst en waarschijnlijkheid zijn vastgesteld om de keuze van de juiste waarden te vergemakkelijken.

Ernst van het letsel

De ernst wordt beoordeeld aan de hand van de mogelijke gevolgen van de gevaren van het product in kwestie voor de gezondheid/veiligheid. Er moet speciaal voor elk type gevaar een categorie worden vastgesteld (1).

Bij de beoordeling van de ernst moet ook rekening worden gehouden met het aantal mensen dat nadeel zou kunnen ondervinden van een gevaarlijk product. Dit betekent dat het risico van een product dat voor meer dan één persoon tegelijk een gevaar zou kunnen inhouden (bijvoorbeeld brand of gasvergiftiging door een gastoestel), in een hogere ernstcategorie moet worden ingedeeld dan een gevaar dat alleen één persoon kan treffen.

De eerste inschatting van het risico moet zich richten op het risico voor één persoon die aan het product wordt blootgesteld, en mag niet worden beïnvloed door de omvang van de populatie die gevaar loopt. Het kan echter wel gerechtvaardigd zijn dat bedrijven het totale aantal aan een product blootgestelde mensen een rol laten spelen wanneer zij besluiten welk soort maatregel moet worden genomen.

Voor vele gevaren kan men onwaarschijnlijke omstandigheden bedenken die tot zeer ernstige letsels zouden kunnen leiden, bijvoorbeeld over een kabel struikelen, vallen, het hoofd stoten en hieraan overlijden, ofschoon een minder ernstig gevolg waarschijnlijker is. De beoordeling van de ernst van het gevaar moet worden gebaseerd op redelijk bewijs dat de gevolgen, geselecteerd voor het kenmerken van het gevaar, zich tijdens het te verwachten gebruik kunnen voordoen. Dit bewijs kan bijvoorbeeld bestaan uit de ergste ervaringen met soortgelijke producten.

Totale waarschijnlijkheid

Dit begrip verwijst naar de waarschijnlijkheid van negatieve gevolgen voor de gezondheid/veiligheid van een persoon die aan een gevaar wordt blootgesteld. Het houdt geen rekening met het totale aantal mensen dat gevaar loopt. Daar waar in de gids wordt verwezen naar de waarschijnlijkheid dat een product gebreken heeft, moet dit begrip niet worden toegepast indien het mogelijk is elk van de exemplaren met gebreken te identificeren. In die situatie worden de gebruikers van de producten met gebreken aan het volle risico blootgesteld, terwijl de gebruikers van de overige producten aan geen enkel risico worden blootgesteld.

De totale waarschijnlijkheid is de som van alle relevante waarschijnlijkheden:

de waarschijnlijkheid dat het product een gebrek heeft of krijgt (indien alle producten het gebrek hebben, is de waarschijnlijkheid 100 %);

de waarschijnlijkheid dat het product negatieve gevolgen heeft voor een normale gebruiker die gedurende het bedoelde of het redelijkerwijs te verwachten gebruik van het product met gebreken wordt blootgesteld.

Deze twee waarschijnlijkheden worden in de volgende tabel gecombineerd tot een totale waarschijnlijkheid die in tabel A wordt overgenomen.

Totale waarschijnlijkheid van gezondheidsschade/veiligheidsverlies

Waarschijnlijkheid van gevaarlijk product

1 %

10 %

100 %

(Alle)

Waarschijnlijkheid van gezondheidsschade/ veiligheidsverlies bij regelmatige blootstelling aan gevaarlijk product

Gevaar is altijd aanwezig; gezondheidsschade/ veiligheidsverlies is waarschijnlijk bij te verwachten gebruik

Middelhoog

Hoog

Zeer hoog

Gevaar kan zich voordoen als één onwaarschijnlijke of twee mogelijke voorwaarden vervuld zijn

Laag

Middelhoog

Hoog

Gevaar doet zich alleen voor als diverse onwaarschijnlijke voorwaarden vervuld zijn

Zeer laag

Laag

Middelhoog

De combinatie van de ernst en de totale waarschijnlijkheid in tabel A levert een schatting van de ernst van het risico op. De nauwkeurigheid van deze beoordeling hangt af van de kwaliteit van de informatie waarover het bedrijf beschikt. De beoordeling moet echter worden aangepast aan wat de samenleving als risico aanvaardbaar vindt. De samenleving aanvaardt in sommige omstandigheden, zoals bij autorijden, veel grotere risico’s dan in andere omstandigheden, zoals bij kinderspeelgoed. Tabel B wordt gebruikt om deze factor in te calculeren.

Tabel B: — Bepaling van risicograad: type persoon, kennis van het risico en voorzorgsmaatregelen

De maatschappij aanvaardt in sommige omstandigheden grotere risico’s dan in andere. Tot de voornaamste factoren die de risicograad beïnvloeden, worden gerekend de kwetsbaarheid van het type persoon en voor niet-kwetsbare volwassenen de kennis van het risico en de mogelijkheid om voorzorgsmaatregelen te nemen.

Kwetsbare personen

Er moet rekening worden gehouden met het type persoon dat een product gebruikt. Indien het waarschijnlijk is dat het product door kwetsbare personen zal worden gebruikt, moet bij een lagere risicograad kennisgeving worden gedaan. Hierna worden twee categorieën kwetsbare personen voorgesteld, met voorbeelden:

Zeer kwetsbaar

Kwetsbaar

Blind

Slechtziend

Zwaar gehandicapt

Gedeeltelijk gehandicapt

Hoogbejaard

Bejaard

Zeer jong (<3 jaar)

Jong (3-11 jaar)

Normale volwassenen

De ernst van het risico moet voor niet-kwetsbare volwassenen alleen worden aangepast, indien het gevaar evident is en noodzakelijk is voor het functioneren van het product. Met betrekking tot niet-kwetsbare volwassenen is voor de risicograad bepalend of het gevaar evident is en of de fabrikant passende voorzorgsmaatregelen heeft genomen om het product veilig te maken en van beveiligingen en waarschuwingen te voorzien, vooral wanneer het gevaar niet evident is. Bijvoorbeeld, indien een product van passende waarschuwingen en beveiligingen is voorzien en het gevaar evident is, hoeft een hoge ernstgraad van het resultaat niet gepaard te gaan met een hoge risicograad (tabel B), hoewel maatregelen noodzakelijk kunnen zijn om de veiligheid van het product te verbeteren. Omgekeerd, indien het product niet van passende beveiligingen en waarschuwingen is voorzien en het gevaar niet evident is, kan de risicograad hoog zijn ondanks een middelhoge ernstgraad van het resultaat (tabel B).

Risicobeoordeling consumentenproducten voor de RAPV

Deze procedure wordt voorgesteld om bedrijven te helpen bepalen of in een specifieke gevaarlijke situatie als gevolg van een consumentenproduct kennisgeving aan de autoriteiten noodzakelijk is.

Image

Tabel A wordt gebruikt om de ernst van het resultaat van een gevaar te bepalen aan de hand van de ernst en de waarschijnlijkheid van gezondheidsschade/veiligheidsverlies (zie tabellen in tekst).

Tabel B wordt gebruikt om de risicograad te bepalen aan de hand van het type gebruiker en, voor niet-kwetsbare volwassenen, de vraag of een product van passende waarschuwingen en beveiligingen is voorzien en het gevaar voldoende evident is.

Voorbeeld (aangegeven door pijlen hierboven):

Een gebruiker van een kettingzaag loopt een diepe snijwond in zijn hand op. De kettingzaag blijkt een slecht ontworpen beveiliging te hebben waardoor de hand van de gebruiker naar voren kon glijden en met de zaag in aanraking kon komen. De beoordelaar van het bedrijf maakt de volgende risicobeoordeling:

Tabel A — De waarschijnlijkheid is Hoog, omdat het gevaar bij alle producten aanwezig is en zich onder bepaalde omstandigheden voordoet. De ernstcategorie is Ernstig, dus de algemene ernstgraad is Hoog.

Tabel B — De kettingzaag is bestemd voor gebruik door niet-kwetsbare volwassenen, heeft een evident gevaar, maar slechte beveiligingen.

De ernstgraad Hoog is onaanvaardbaar. Er is sprake van een situatie met een ernstig risico.


(1)  Zo kunnen bij bepaalde mechanische risico’s de volgende omschrijvingen van de ernstcategorieën worden voorgesteld, met letsels die typerend zijn voor die categorieën:

Gering

Ernstig

Zeer ernstig

< 2 % arbeidsongeschiktheid,

gewoonlijk omkeerbaar, behandeling in ziekenhuis niet vereist

2-15 % arbeidsongeschiktheid,

gewoonlijk onomkeerbaar, behandeling in ziekenhuis vereist

> 15 % arbeidsongeschiktheid,

gewoonlijk onomkeerbaar

Kleine snijwonden

Ernstige snijwonden

Ernstig letsel aan interne organen

 

Fracturen

Verlies van ledematen

 

Verlies van vinger of teen

Verlies van gezichtsvermogen

 

Schade aan gezichtsvermogen

Gehoorverlies

 

Gehoorschade

 


28.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 381/78


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 23 december 2004

betreffende de benoeming van leden van het Comité van hoge functionarissen van de arbeidsinspectie voor een mandaat

(2004/906/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op Besluit 95/319/EG van de Commissie van 12 juli 1995 inzake de instelling van een comité van hoge functionarissen van de arbeidsinspectie (1), en met name op artikel 5,

Gelet op besluit C/2004/1542 van de Commissie van 27 april 2004 (2),

Gezien de door de tien nieuwe lidstaten ingediende lijst van kandidaten,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 5, lid 1, van Besluit 95/319/EG bepaalt dat het Comité bestaat uit twee vertegenwoordigers van iedere lidstaat.

(2)

Artikel 5, lid 2, van Besluit 95/319/EG bepaalt dat de leden van het Comité op voordracht van de lidstaten door de Commissie worden benoemd.

(3)

Artikel 5, lid 3, van Besluit 95/319/EG bepaalt dat de duur van het mandaat van de leden van het Comité drie jaar bedraagt en kan worden verlengd. Aangezien het huidige mandaat van de leden van het Comité op 31 december 2006 verstrijkt, is het dienstig dat de duur van het mandaat van de te benoemen leden van de tien nieuwe lidstaten op dezelfde datum eindigt.

(4)

Ingevolge de toetreding van tien nieuwe lidstaten tot de Europese Unie op 1 mei 2004 en op grond van de van hen ontvangen voordrachten overeenkomstig artikel 5 van Besluit 95/319/EG moet de Commissie de leden van het Comité benoemen die de tien nieuwe lidstaten in de periode mei 2004 — december 2006 zullen vertegenwoordigen,

BESLUIT:

Enig artikel

De in de bijlage vermelde personen worden benoemd tot lid van het Comité van hoge functionarissen van de arbeidsinspectie voor een periode die ingaat op 1 mei 2004 en eindigt op 31 december 2006.

Gedaan te Brussel, 23 december 2004.

Voor de Commissie

Vladimír ŠPIDLA

Lid van de Commissie


(1)  PB L 188 van 9.8.1995, blz. 11.

(2)  Nog niet gepubliceerd.


BIJLAGE

Benoeming van leden van het Comité van hoge functionarissen van de arbeidsinspectie

Het Comité van hoge functionarissen van de arbeidsinspectie werd ingesteld bij Besluit 95/319/EG.

De Commissie heeft besloten de volgende leden te benoemen voor een periode die ingaat op 1 mei 2004 en eindigt op 31 december 2006:

Tsjechische Republiek

De heer Jaromir Elbel

Mevrouw Daniela Kubičová

Estland

De heer Priit Siitan

Mevrouw Katrin Lepisk

Cyprus

De heer Leandros Nicolaides

De heer Anastasios Yiannaki

Letland

De heer Jānis Bērzinš

Mevrouw Tatjana Zabarovska

Litouwen

De heer Mindaugas Pluktas

Mevrouw Dalia Legiené

Hongarije

De heer András Békés

Mevrouw Kornélia Molnár

Malta

De heer Mark Gauci

De heer Silvio Farrugia

Polen

Mevrouw Anna Hintz

Mevrouw Katarzyna Kitajewska

Slovenië

De heer Borut Brezovar

De heer Boriz Ruzic

Slowakije

De heer Gabriel Hrabovsky

Mevrouw Ludmila Mikleticova


28.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 381/80


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 27 december 2004

betreffende de financiële bijdrage van de Gemeenschap voor de organisatie van een internationaal seminar over dierenwelzijn in de context van de Overeenkomst EG-Chili inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen van toepassing op de handel in dieren en dierlijke producten, planten, plantaardige producten en andere goederen alsmede dierenwelzijn

(2004/907/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Beschikking 90/424/EEG van de Raad van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (1), en met name op artikel 20,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst EG-Chili inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen van toepassing op de handel in dieren en dierlijke producten, planten, plantaardige producten en andere goederen alsmede dierenwelzijn (hierna „de overeenkomst” genoemd) beoogt, gezien het belang van het welzijn van dieren en het verband daarvan met veterinaire aangelegenheden, de ontwikkeling van dierenwelzijnsnormen en de bestudering van dergelijke normen, rekening houdende met de ontwikkelingen in de bevoegde internationale normenorganisaties. Ingevolge aanhangsel IC van de overeenkomst is zij met name van toepassing op de ontwikkeling van dierenwelzijnsnormen met betrekking tot het bedwelmen en het slachten van dieren.

(2)

De speciale werkgroep inzake dierenwelzijn, die door het gemengd comité van beheer van de overeenkomst is opgericht, heeft geconcludeerd dat het om de doelstellingen beter te bereiken nuttig zou zijn dat informatie over wetenschappelijke expertise werd uitgewisseld en dat actieve contacten tussen wetenschappers van beide partijen werden gelegd.

(3)

In november 2004 wordt in Santiago, Chili, door het Chileense ministerie van Landbouw en de delegatie van de Commissie van de Europese Gemeenschappen in Chili een internationaal seminar over dierenwelzijn georganiseerd om in het kader van de doelstelling van de overeenkomst bij te dragen aan het gelijkstemmen van de interpretatie van dierenwelzijnsnormen door de partijen.

(4)

Krachtens Beschikking 90/424/EEG moet de Gemeenschap de acties op technisch en wetenschappelijk gebied ondernemen die voor de ontwikkeling van de communautaire wetgeving op veterinair gebied en voor de ontwikkeling van onderwijs en opleiding op veterinair gebied nodig zijn.

(5)

In lijn met de verplichting van de Gemeenschap om bij het formuleren en uitvoeren van het beleid van de Gemeenschap ten volle rekening te houden met hetgeen vereist is voor het welzijn van dieren en het in de overeenkomst vastgelegde doel om de interpretatie van dierenwelzijnsnormen voor de bescherming van dieren door de partijen gelijk te stemmen, is het dienstig dat de Gemeenschap steun verleent aan de organisatie van dit seminar waarvan de uitkomst zal bijdragen aan de verdere ontwikkeling van de communautaire wetgeving op veterinair gebied en de ontwikkeling van onderwijs en opleiding op dit gebied.

(6)

Met het oog op de verdere ontwikkeling van onderwijs en opleiding op veterinair gebied is het dienstig dat de Gemeenschap bijdraagt aan de communicatie en de verspreiding van de uitkomst van het seminar en opkomt voor de kosten van de publicatie en de verspreiding van het wetenschappelijke verslag van het seminar, te organiseren in het kader van een openbare oproep tot het indienen van inschrijvingen.

(7)

Het is dienstig dat de uitbetaling van deze financiële steun wordt gecoördineerd door de delegatie van de Commissie van de Europese Gemeenschappen in Chili, een van de gezamenlijke organisatoren van het seminar.

(8)

De financiële middelen die de Gemeenschap nodig heeft voor de ondersteuning van de organisatie van dit seminar moeten daarom worden vastgelegd en toegekend, op voorwaarde dat het geplande seminar daadwerkelijk en doelmatig plaatsvindt.

(9)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

BESLUIT:

Enig artikel

De actie ter ondersteuning van de organisatie van een internationaal seminar over dierenwelzijn in de context van de Overeenkomst EG-Chili inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen van toepassing op de handel in dieren en dierlijke producten, planten, plantaardige producten en andere goederen alsmede dierenwelzijn, te financieren uit begrotingspost 17.04.02 van de begroting van de Europese Unie voor 2004 voor een maximumbedrag van 35 000 EUR, wordt hierbij goedgekeurd. De financiering door de Gemeenschap van de kosten voor de publicatie en de verspreiding van het wetenschappelijke verslag van het seminar mag met name niet meer bedragen dan in totaal 35 000 EUR.

Gedaan te Brussel, 27 december 2004.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 19. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 325 van 12.12.2003, blz. 31).


28.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 381/82


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 23 december 2004

tot vaststelling van beschermende maatregelen tegen de ziekte van Newcastle in Bulgarije

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 5650)

(Voor de EER relevante tekst)

(2004/908/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 91/496/EEG van de Raad van 15 juli 1991 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht en tot wijziging van de Richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG en 90/675/EEG (1), en met name op artikel 18, lid 1,

Gelet op Richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (2), en met name op artikel 22, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De ziekte van Newcastle is een hoogst besmettelijke virusziekte bij pluimvee en vogels, die snel kan uitgroeien tot een epizoötie die een ernstige bedreiging voor de diergezondheid kan vormen en de rentabiliteit van de pluimveehouderij ernstig in het gedrang kan brengen.

(2)

Het gevaar bestaat dat de ziekteverwekker via de internationale handel in levend pluimvee en pluimveeproducten wordt binnengebracht.

(3)

Op 23 december 2004 heeft Bulgarije een uitbraak van de ziekte van Newcastle in de regio Kardjali bevestigd.

(4)

Gezien de risico's voor de diergezondheid bij insleep van de ziekte in de Gemeenschap dient daarom bij wijze van onmiddellijke maatregel de invoer van levend pluimvee, loopvogels, gekweekt en vrij vederwild en broedeieren van deze soorten uit Bulgarije te worden opgeschort.

(5)

Bovendien moet de invoer uit Bulgarije in de Gemeenschap van vers vlees van pluimvee, loopvogels en gekweekt en vrij vederwild en van vleesbereidingen en vleesproducten van of met vlees van die soorten, die verkregen zijn van vogels die na 16 november 2004 zijn geslacht, worden opgeschort.

(6)

Bij Beschikking 97/222/EG van de Commissie (3) is een lijst vastgesteld van derde landen waaruit de lidstaten de invoer toestaan van vleesproducten en is bepaald welke behandelingen moeten worden toegepast om het risico van ziekteoverdracht via dergelijke producten te voorkomen. De op het product toe te passen behandeling verschilt naar gelang van de gezondheidsstatus van het land van herkomst ten aanzien van de diersoort waarvan het vlees is verkregen. Om het handelsverkeer niet onnodig te belemmeren, moet de invoer van vleesproducten van pluimvee van oorsprong uit Bulgarije die een hittebehandeling hebben ondergaan bij een temperatuur van ten minste 70 oC in het gehele product, toegestaan blijven.

(7)

Zodra Bulgarije nadere informatie over de ziektesituatie en de in dit verband genomen bestrijdingsmaatregelen heeft verstrekt, moeten de op communautair niveau genomen maatregelen in verband met deze uitbraak opnieuw worden bezien.

(8)

De bepalingen van deze beschikking worden opnieuw bezien op de eerstvolgende vergadering van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, die gepland is voor 11 en 12 januari 2005,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De lidstaten schorten de invoer uit Bulgarije op van levend pluimvee, loopvogels, gekweekt en vrij vederwild en broedeieren van deze soorten.

Artikel 2

De lidstaten schorten de invoer uit het grondgebied van Bulgarije op van:

vers vlees van pluimvee, loopvogels, gekweekt en vrij vederwild en

vleesbereidingen en vleesproducten van of met vlees van bovengenoemde soorten.

Artikel 3

1.   In afwijking van artikel 2 staan de lidstaten de invoer toe van daarin genoemde producten die zijn verkregen van vogels die vóór 16 november 2004 zijn geslacht.

2.   In de veterinaire certificaten die de zendingen van de in lid 1 genoemde producten vergezellen, wordt de volgende vermelding opgenomen:

„Vers vlees van pluimvee/vers vlees van loopvogels/vers vlees van vrij vederwild/vers vlees van gekweekt vederwild/vleesproduct van of met vlees van pluimvee, loopvogels, gekweekt of vrij vederwild/vleesbereiding van of met vlees van pluimvee, loopvogels, gekweekt of vrij vederwild (4) verkregen van vogels die vóór 16 november 2004 zijn geslacht, overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Beschikking 2004/908/EG.”.

3.   In afwijking van artikel 2 staan de lidstaten de invoer toe van vleesproducten van of met vlees van pluimvee, loopvogels of gekweekt of vrij vederwild, indien het vlees van deze soorten een specifieke behandeling heeft ondergaan zoals bedoeld in deel IV, punt B, C of D, van de bijlage bij Beschikking 97/222/EG.

Artikel 4

De lidstaten brengen de maatregelen die zij ten aanzien van de invoer toepassen, in overeenstemming met deze beschikking en zij maken de getroffen maatregelen onmiddellijk bekend. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 5

Deze beschikking wordt op de voor 11 en 12 januari 2005 geplande vergadering van het Permanent Comité opnieuw bezien in het licht van het verloop van de ziekte en de door de veterinaire autoriteiten van Bulgarije verstrekte informatie.

Artikel 6

Deze beschikking is van toepassing tot en met 31 januari 2005.

Artikel 7

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 23 december 2004.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 268 van 24.9.1991, blz. 56. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Akte van toetreding van 2003.

(2)  PB L 24 van 31.1.1998, blz. 9. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Akte van toetreding van 2003.

(3)  PB L 98 van 4.4.1997, blz. 39. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2004/857/EG (PB L 369 van 16.12.2004, blz. 65).

(4)  Doorhalen wat niet van toepassing is.


Besluiten aangenomen krachtens titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie

28.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 381/84


GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN 2004/909/GBVB VAN DE RAAD

van 26 november 2004

tot oprichting van een deskundigenteam met het oog op een mogelijke geïntegreerde missie van de Europese Unie voor politie, rechtsstaat en civiel bestuur voor Irak

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op de artikelen 14 en 26,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Unie streeft naar een veilig, stabiel, verenigd, welvarend en democratisch Irak dat een positieve bijdrage zal leveren tot de stabiliteit van de regio. De Europese Unie steunt de bevolking en de interimregering van Irak in hun inspanningen voor de economische, sociale en politieke wederopbouw van Irak in het kader van de uitvoering van Resolutie 1546 van de VN-Veiligheidsraad van 8 juni 2004.

(2)

De Europese Raad heeft op 5 november 2004 zijn voldoening uitgesproken over de gezamenlijke onderzoeksmissie voor een mogelijke geïntegreerde politiële en rechtsstaatoperatie voor Irak en heeft het rapport van de missie besproken. De Europese Raad acht het van belang dat het strafrechtstelsel wordt versterkt onder eerbiediging van de rechtsstaat, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden. Hij heeft er nota van genomen dat de Irakese autoriteiten wensen dat de Europese Unie een actievere rol in Irak gaat spelen en dat de versterking van de strafrechtspleging tegemoet komt aan de behoeften en prioriteiten van Irak.

(3)

De Europese Raad heeft besloten dat er voor eind november 2004 een team van deskundigen moet worden gestuurd om de dialoog met de Irakese autoriteiten voort te zetten, om de eerste plannen te maken voor een mogelijke geïntegreerde missie voor politie, rechtsstaat en civiel bestuur die naar verwacht na de op 30 januari 2005 te houden verkiezingen van start zal gaan, en om met name de dringende veiligheidsbehoeften van die missie te beoordelen. Ook moet een dialoog met andere landen in de regio over deze en andere kwesties worden aangemoedigd.

(4)

De Europese Unie zal haar dialoog met Irak en diens buurlanden gebruiken om een doorlopende regionale inzet en steun voor meer veiligheid en voor het politieke proces en het wederopbouwproces in Irak te stimuleren op basis van inclusiviteit, democratische beginselen, eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat, alsmede steun voor veiligheid en samenwerking in de regio.

(5)

Een dergelijke missie moet veilig en onafhankelijk zijn en een duidelijk profiel hebben, maar zal een aanvulling zijn op en waarde toevoegen aan de huidige internationale inspanningen en zo synergiëen ontwikkelen met de huidige inspanningen van de Gemeenschap en de lidstaten. Voor een missie binnen Irak moet voor alle veiligheidsvraagstukken een goede oplossing zijn gevonden alvorens een besluit kan worden genomen.

(6)

Tegen de achtergrond van de huidige veiligheidssituatie in Irak en Bagdad moet een besluit over het inzetten, binnen Irak, van een deskundigenteam, of onderdelen daarvan, (en over de omvang en de duur daarvan) genomen worden op basis van passende veiligheidsadviezen en -beoordelingen en op voorwaarde dat er adequate veiligheids- en logistieke voorzieningen zijn getroffen om de risico's zo klein mogelijk te maken.

(7)

Het deskundigenteam zal zijn mandaat uitvoeren in een situatie die bedreigend is voor de openbare orde, de beveiliging en de veiligheid van personen en de stabiliteit van Irak, en die de doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid zoals omschreven in artikel 11 van het Verdrag betreffende de Europese Unie zou kunnen schaden.

(8)

Volgens de richtsnoeren die de Europese Raad tijdens zijn bijeenkomst van 7 tot en met 9 december 2000 te Nice heeft gegeven, moet in dit gemeenschappelijk optreden de rol van de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger (hierna de „SG/HV” genoemd) worden bepaald overeenkomstig de artikelen 18 en 26 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

STELT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN VAST:

Artikel 1

Missie

1.   Bij dit gemeenschappelijk optreden wordt een deskundigenteam ingesteld, dat de taak heeft de dialoog met de Irakese autoriteiten voort te zetten, de eerste plannen te maken voor een mogelijke geïntegreerde missie voor politie, rechtsstaat en civiel bestuur die naar verwacht na de verkiezingen van januari 2005 van start zal gaan, en met name de dringende beveiligingsbehoeften van die missie te evalueren. Ook moet een dialoog met andere landen in de regio over deze en andere kwesties worden aangemoedigd.

2.   Het deskundigenteam zal eind november 2004 worden uitgezonden.

3.   Het deskundigenteam handelt overeenkomstig het in artikel 2 omschreven mandaat.

Artikel 2

Mandaat

1.   Ten laatste eind januari 2005 wordt van het deskundigenteam een verslag met gedetailleerde opties voor het verwezenlijken van bovenvermelde doelstellingen verwacht. De bevindingen van het team worden geschraagd door een gedetailleerde analyse van zowel de haalbaarheid van de opties, hun meerwaarde ten opzichte van bestaande en geplande nationale en internationale initiatieven op dit gebied als de veiligheidsproblemen.

2.   Het deskundigenteam baseert zijn eerste plannen op de verklaring van de Europese Raad dat „activiteiten buiten Irak met een aanwezigheid van verbindingselementen in Irak op dit moment haalbaar zijn, maar dat voor een missie binnen Irak voor alle veiligheidsvraagstukken een goede oplossing moet zijn gevonden alvorens de Raad een besluit kan nemen”. Met andere landen in de regio moet een dialoog worden gevoerd.

3.   In dit verslag komen met name aan de orde:

een alomvattende en gedetailleerde analyse van de veiligheidssituatie in Irak, welke een gedetailleerde dreigingsbeoordeling voor alle aspecten van de mogelijke missie in Irak bevat. In de analyse moet rekening worden gehouden met de jongste ontwikkelingen in het land in de aanloop naar de presentatie van het verslag. Ook moet de analyse uitsluitsel geven over noodplannen voor alle onderdelen van de missie binnen Irak, ingeval de veiligheidssituatie verslechtert;

de gebieden waarop beleidsadviezen zouden kunnen worden verstrekt en de specifieke doelstellingen van dergelijke adviezen en het profiel van de daarvoor vereiste deskundigheid;

de specifieke opleidingsbehoeften, de precieze doelgroep voor die opleiding en de relatieve verdiensten van de verschillende opleidingsmodellen (binnenlands en buitenlands);

eventuele relevante internationale normen (met name normen van de Verenigde Naties, de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa) die in de leerstof tot uitdrukking moeten komen;

mogelijkheden voor samenwerking met de Verenigde Naties, overeenkomstig de gezamenlijke EU-VN-verklaring inzake crisisbeheersing;

bestaande of geplande bijstand van andere donoren op gebieden die relevant zijn voor de geplande operatie;

de raakvlakken met bestaande kaders voor coördinatie van bijstand binnen Irak en nationale ontwikkelingskaders;

mogelijke inzetgebieden, binnen en buiten Irak;

inzettermijnen;

personele, logistieke, technische en beveiligingsbehoeften;

de nodige elementen voor een begroting betreffende de verschillende opties;

de nodige elementen voor een ontwerpovereenkomst inzake de status van een missie.

4.   Het deskundigenteam voert een passende dialoog met de Irakese autoriteiten op zowel nationaal als regionaal niveau, de verschillende actoren van de strafrechtspleging en andere relevante actoren. Het onderhoudt regelmatig contact met het Irakese ministerie van Planning dat verantwoordelijk is voor de algehele coördinatie van bijstandsinspanningen. Het team legt tevens nauw contact met het kantoor van de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor Irak (momenteel gevestigd in Amman), de bilaterale programma's van de lidstaten, UNAMI en de VN-Ontwikkelingsgroep, andere belangrijke internationale bijstandsverleners en de autoriteiten van de regio.

5.   Binnen het deskundigenteam werkt een klein kernteam dat waar nodig kan worden aangevuld met kortetermijndeskundigheid.

Artikel 3

Hoofd en leden van het deskundigenteam

1.   De heer Pieter Feith wordt aangesteld als hoofd van het deskundigenteam. Hij selecteert, onder het gezag van de SG/HV, de leden van het deskundigenteam. Het hoofd van het deskundigenteam overlegt met het Politiek en Veiligheidscomité (hierna het „PVC” genoemd) over de omvang en de samenstelling van het deskundigenteam.

2.   Het hoofd en de leden van het deskundigenteam worden gedetacheerd door lidstaten of instellingen van de Europese Unie. Alle leden van het deskundigenteam blijven onder het gezag van de detacherende lidstaat of instelling van de Europese Unie en voeren hun taken uit en handelen in het belang van het deskundigenteam. Zowel tijdens als na de missie betrachten de leden van het deskundigenteam de grootst mogelijke discretie met betrekking tot alle feiten en gegevens in verband met het team.

3.   De lidstaat of instelling van de Europese Unie die een personeelslid heeft gedetacheerd, is verantwoordelijk voor de afhandeling van met de detachering verband houdende schade-eisen van of betreffende het personeelslid. De lidstaat of instelling van de Europese Unie stelt in voorkomend geval vorderingen tegen het gedetacheerde personeelslid in.

4.   Het hoofd van het deskundigenteam leidt en beheert het deskundigenteam.

Artikel 4

Politiek toezicht en rapportage

1.   Het hoofd van het deskundigenteam handelt onder het gezag van de SG/HV en brengt verslag uit aan hem. Het PVC ontvangt regelmatig verslagen van het hoofd van het deskundigenteam.

2.   Het PVC oefent onder de verantwoordelijkheid van de Raad het politieke toezicht uit. Het PVC brengt regelmatig verslag uit aan de Raad.

Artikel 5

Veiligheid

1.   Het hoofd van het deskundigenteam is, in overleg met de vertegenwoordiger van het Veiligheidsbureau van de Raad in de missie, verantwoordelijk voor de naleving van de minimumbeveiligingsnormen ten aanzien van het deskundigenteam.

2.   De lidstaten spannen zich in om het deskundigenteam beveiligde huisvesting, lichaamspantsering en gedegen bescherming binnen Irak te verstrekken.

3.   Het hoofd van het deskundigenteam overlegt met het PVC over beveiligingskwesties die te maken hebben met de inzet van het team, overeenkomstig de door de SG/HV verstrekte richtsnoeren.

Artikel 6

Financiële regelingen

1.   Het financiële referentiebedrag dat de uitgaven in verband met het deskundigenteam moet dekken, bedraagt 1 058 000 EUR.

2.   De uitgaven die uit het in lid 1 genoemde bedrag gefinancierd worden, worden beheerd overeenkomstig de procedures en voorschriften die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Europese Unie, met dien verstande dat eventuele prefinanciering niet het eigendom van de Gemeenschap blijft.

3.   De Commissie tekent een contract met het hoofd van het deskundigenteam. Deze brengt over de begrotingsaspecten van de in het kader van zijn contract ondernomen activiteiten volledig verslag uit aan de Commissie, onder wier toezicht hij staat. Het hoofd van het deskundigenteam is voor alle uitgaven verantwoording verschuldigd aan de Commissie.

4.   De financiële regelingen doen recht aan de operationele behoeften van het deskundigenteam, met inbegrip van de veiligheidsbehoeften.

5.   De uitgaven komen voor financiering in aanmerking vanaf de datum van inwerkingtreding van dit gemeenschappelijk optreden.

Artikel 7

Inwerkingtreding

Dit gemeenschappelijk optreden treedt in werking op de dag waarop het wordt aangenomen.

Het verstrijkt op 15 februari 2005.

Artikel 8

Bekendmaking

Dit gemeenschappelijk optreden zal worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 26 november 2004.

Voor de Raad

De voorzitter

B. R. BOT