ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 358

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

47e jaargang
3 december 2004


Inhoud

 

I   Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

Bladzijde

 

*

Verordening (EG) nr. 2067/2004 van de Raad van 22 november 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 527/2003 houdende machtiging tot het aanbieden en leveren voor rechtstreekse menselijke consumptie van bepaalde uit Argentinië ingevoerde wijnen waarop oenologische procédés zijn toegepast waarin niet is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1493/1999

1

 

*

Verordening (EG) nr. 2068/2004 van de Raad van 29 november 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2667/2000 betreffende het Europees Bureau voor wederopbouw

2

 

 

Verordening (EG) nr. 2069/2004 van de Commissie van 2 december 2004 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

4

 

*

Verordening (EG) nr. 2070/2004 van de Commissie van 1 december 2004 tot machtiging van overboekingen tussen de kwantitatieve maxima voor textiel- en kledingproducten van oorsprong uit de Republiek India

6

 

 

Verordening (EG) nr. 2071/2004 van de Commissie van 2 december 2004 tot vaststelling van de maximumrestitutie bij uitvoer van gerst in het kader van de inschrijving bedoeld in Verordening (EG) nr. 1757/2004

8

 

 

Verordening (EG) nr. 2072/2004 van de Commissie van 2 december 2004 betreffende de offertes voor de uitvoer van haver, die zijn meegedeeld in het kader van de openbare inschrijving bedoeld in Verordening (EG) nr. 1565/2004

9

 

 

II   Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

 

 

Raad

 

*

2004/823/EG, Euratom:
Besluit van de Raad van 22 november 2004 betreffende de toetreding van de Republiek Moldavië tot een op 25 oktober 1993 gesloten overeenkomst waarbij een Centrum voor wetenschap en technologie in Oekraïne werd opgericht, tussen Canada, Zweden, Oekraïne en de Verenigde Staten van Amerika

10

 

 

Commissie

 

*

2004/824/EG:
Beschikking van de Commissie van 1 december 2004 tot vaststelling van een modelcertificaat voor het niet-commerciële verkeer van honden, katten en fretten uit derde landen naar de Gemeenschap (Kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 4421)
 ( 1 )

12

 

*

2004/825/EG:
Beschikking van de Commissie van 29 november 2004 betreffende beschermingsmaatregelen ten aanzien van de invoer van paardachtigen uit Roemenië (Kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 4440)
 ( 1 )

18

 

*

2004/826/EG:
Beschikking van de Commissie van 29 november 2004 tot wijziging van Beschikking 2002/887/EG houdende machtiging om voor op natuurlijke of kunstmatige wijze opgekweekte miniatuurplanten van Chamaecyparis Spach, Juniperus L. en Pinus L., van oorsprong uit Japan, afwijking van sommige bepalingen van Richtlijn 2000/29/EG van de Raad toe te staan (Kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 4441)

32

 

*

2004/827/EG:
Beschikking van de Commissie van 29 november 2004 houdende machtiging om voor de invoer van grond van oorsprong uit Australië een tijdelijke afwijking van sommige bepalingen van Richtlijn 2000/29/EG van de Raad toe te staan (Kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 4449)

33

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten ( PB L 134 van 30.4.2004 )

35

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

3.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 358/1


VERORDENING (EG) Nr. 2067/2004 VAN DE RAAD

van 22 november 2004

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 527/2003 houdende machtiging tot het aanbieden en leveren voor rechtstreekse menselijke consumptie van bepaalde uit Argentinië ingevoerde wijnen waarop oenologische procédés zijn toegepast waarin niet is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1493/1999

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (1), en met name op artikel 45, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In afwijking van artikel 45, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1493/1999 mag, krachtens Verordening (EG) nr. 527/2003 (2), in Argentinië geproduceerde wijn waarop oenologische procédés zijn toegepast waarin niet is voorzien bij de communautaire regelgeving, worden ingevoerd in de Gemeenschap. Deze toelating loopt af op 30 september 2004.

(2)

Tussen de Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, en Argentinië worden momenteel onderhandelingen gevoerd met het oog op de sluiting van een overeenkomst over de handel in wijn. Deze onderhandelingen hebben met name betrekking op de respectieve oenologische procédés van de twee partijen en op de bescherming van de geografische aanduidingen.

(3)

Om het goede verloop van deze onderhandelingen te bevorderen, lijkt het dienstig de afwijking waarbij toevoeging van appelzuur aan op het grondgebied van Argentinië geproduceerde wijnen die in de Gemeenschap worden ingevoerd, wordt toegestaan, te verlengen tot de inwerkingtreding van de overeenkomst die uit deze onderhandelingen zal voortvloeien en uiterlijk tot en met 30 september 2005.

(4)

Verordening (EG) nr. 527/2003 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In artikel 1, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 527/2003 wordt „30 september 2004” vervangen door „30 september 2005”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 oktober 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 november 2004

Voor de Raad

De voorzitter

C. VEERMAN


(1)  PB L 179 van 14.7.1999, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1795/2003 van de Commissie (PB L 262 van 14.10.2003, blz. 13).

(2)  PB L 78 van 25.3.2003, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1776/2003 (PB L 260 van 11.10.2003, blz. 1).


3.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 358/2


VERORDENING (EG) Nr. 2068/2004 VAN DE RAAD

van 29 november 2004

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2667/2000 betreffende het Europees Bureau voor wederopbouw

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 181 A, lid 2, eerste zin,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Europees Bureau voor wederopbouw voert de in Verordening (EG) nr. 2666/2000 (2) genoemde communautaire bijstand uit in Servië en Montenegro met inbegrip van Kosovo, zoals gedefinieerd in Resolutie nr. 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 10 juni 1999, en in de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië.

(2)

Verordening (EG) nr. 2667/2000 (3) is van toepassing tot 31 december 2004.

(3)

Verordening (EG) nr. 2667/2000 bepaalt dat de Commissie een evaluatieverslag over de toepassing ervan en een voorstel betreffende de status van het Bureau aan de Raad voorlegt.

(4)

De Commissie maakte dat verslag op 4 juni 2004 bekend.

(5)

De programmering van de communautaire bijstand aan Servië en Montenegro met inbegrip van Kosovo, zoals gedefinieerd in Resolutie nr. 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 10 juni 1999, en aan de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië is in de nationale strategiedocumenten vastgelegd voor de periode 2002-2006 overeenkomstig de financiële vooruitzichten van de Gemeenschap. De Commissie is nu bezig met het formuleren van voorstellen voor indicatieve meerjarenprogramma’s voor de periode 2005-2006 voor deze landen en gebieden.

(6)

In het licht van de positieve evaluatie van de activiteiten van het Bureau en het feit dat het kader van de communautaire bijstand de periode tot 2006 bestrijkt, dient te worden voorzien in continuïteit bij de uitvoering van de communautaire bijstand. Het mandaat van het Europees Bureau voor wederopbouw dient derhalve te worden verlengd tot 31 december 2006.

(7)

In de Federale Republiek Joegoslavië werd op 4 februari 2003 een grondwettelijk handvest goedgekeurd waarbij de naam van dit land werd gewijzigd tot „Servië en Montenegro” (4). Met deze naamswijziging dient rekening te worden gehouden.

(8)

Verordening (EG) nr. 2667/2000 wordt dienovereenkomstig gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 2667/2000 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 1, lid 1, i), wordt de benaming „Federale Republiek Joegoslavië” vervangen door de benaming „Servië en Montenegro”.

2)

In artikel 2, lid 1, onder b), wordt de benaming „Federale Republiek Joegoslavië” vervangen door de benaming „Servië en Montenegro”.

3)

In artikel 4, lid 10, wordt de benaming „Federale Republiek Joegoslavië” vervangen door de benaming „Servië en Montenegro”.

4)

Artikel 14 wordt vervangen door:

„Artikel 14

Uiterlijk op 31 december 2005 zal de Commissie aan de Raad verslag uitbrengen over de toekomst van het mandaat van het Europees Bureau voor wederopbouw. Een voorstel om het Bureau na 31 december 2006 voort te zetten, moet in voorkomend geval uiterlijk op 31 maart 2006 door de Commissie bij de Raad worden ingediend”.

5)

Artikel 15 wordt vervangen door:

„Artikel 15

De Commissie kan de communautaire bijstand waartoe in het kader van Verordening (EG) nr. 1628/96 ten gunste van Servië en Montenegro en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië is besloten, aan het Bureau delegeren”.

6)

In artikel 16 wordt de datum „31 december 2004” vervangen door de datum „31 december 2006”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 november 2004

Voor de Raad

De voorzitter

L. J. BRINKHORST


(1)  Advies van 17 november 2004 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt).

(2)  PB L 306 van 7.12.2000, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2415/2001 (PB L 327 van 12.12.2001, blz. 3).

(3)  PB L 306 van 7.12.2000, blz. 7. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1646/2003 (PB L 245 van 29.9.2003, blz. 16).

(4)  Met inbegrip van Kosovo zoals gedefinieerd bij Resolutie nr. 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 10 juni 1999.


3.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 358/4


VERORDENING (EG) Nr. 2069/2004 VAN DE COMMISSIE

van 2 december 2004

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 3 december 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 december 2004.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1947/2002 (PB L 299 van 1.11.2002, blz. 17).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 2 december 2004 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

052

102,7

070

81,3

204

95,1

999

93,0

0707 00 05

052

98,6

204

32,5

999

65,6

0709 90 70

052

95,2

204

67,8

999

81,5

0805 10 10, 0805 10 30, 0805 10 50

388

45,6

999

45,6

0805 20 10

204

50,6

999

50,6

0805 20 30, 0805 20 50, 0805 20 70, 0805 20 90

052

74,4

204

57,0

624

99,7

720

30,1

999

65,3

0805 50 10

052

55,0

388

41,4

528

25,5

999

40,6

0808 10 20, 0808 10 50, 0808 10 90

052

90,5

388

136,9

400

85,8

404

97,0

512

104,5

720

77,9

804

107,6

999

100,0

0808 20 50

400

96,5

720

66,4

999

81,5


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 2081/2003 van de Commissie (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11). De code „999” staat voor „andere oorsprong”.


3.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 358/6


VERORDENING (EG) Nr. 2070/2004 VAN DE COMMISSIE

van 1 december 2004

tot machtiging van overboekingen tussen de kwantitatieve maxima voor textiel- en kledingproducten van oorsprong uit de Republiek India

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 3030/93 van de Raad van 12 oktober 1993 betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bepaalde textielproducten uit derde landen (1), inzonderheid op artikel 7,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Memorandum van overeenstemming tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek India inzake regelingen op het gebied van de toegang tot de markt voor textielproducten, dat op 31 december 1994 is geparafeerd (2), bepaalt dat verzoeken van India om zogenoemde „uitzonderlijke flexibiliteit” met welwillende aandacht zullen worden behandeld.

(2)

De Republiek India heeft op 13 oktober 2004 een verzoek om overboekingen tussen categorieën ingediend.

(3)

De door de Republiek India gevraagde overboekingen vallen binnen de grenzen van de flexibiliteitsbepalingen bedoeld in artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 3030/93 en vastgesteld in bijlage VIII, kolom 9, bij die verordening.

(4)

Het verzoek dient te worden ingewilligd.

(5)

Het is wenselijk dat deze verordening in werking treedt op de dag volgende op die van haar bekendmaking, zodat de ondernemingen ze zo spoedig mogelijk kunnen toepassen.

(6)

De in deze verordening vastgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 17 van Verordening (EEG) nr. 3030/93 vastgestelde Comité Textielproducten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor het contingentjaar 2004 worden overeenkomstig de bijlage overboekingen tussen de kwantitatieve maxima voor textielproducten van oorsprong uit de Republiek India toegestaan.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 1 december 2004.

Voor de Commissie

Peter MANDELSON

Lid van de Commissie


(1)  PB L 275 van 8.11.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1627/2004 (PB L 295 van 18.9.2004, blz. 1).

(2)  PB L 153 van 27.6.1996, blz. 53.


BIJLAGE

664 India

Aanpassing

Groep

Categorie

Eenheid

Maximum 2004

Aangepast werkniveau

Hoeveelheid (eenheid)

Hoeveelheid (t)

%

Flexibiliteit

Nieuw aangepast werkniveau

IA

3

kg

38 567 000

34 138 690

– 4 000 000

– 4 000

– 10,4

Overboeking naar categorieën 4, 5, 6

30 138 690

IB

4

stuks

100 237 000

118 908 122

6 480 000

1 000

6,5

Overboeking vanuit categorie 3

125 388 122

IB

5

kg

53 303 000

51 901 809

9 060 000

2 000

17,0

Overboeking vanuit categorie 3

60 961 809

IB

6

stuks

13 706 000

15 876 615

1 760 000

1 000

12,8

Overboeking vanuit categorie 3

17 636 615


3.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 358/8


VERORDENING (EG) Nr. 2071/2004 VAN DE COMMISSIE

van 2 december 2004

tot vaststelling van de maximumrestitutie bij uitvoer van gerst in het kader van de inschrijving bedoeld in Verordening (EG) nr. 1757/2004

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 13, lid 3, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1757/2004 van de Commissie (2) is een openbare inschrijving voor de restitutie bij uitvoer van gerst naar bepaalde derde landen opengesteld.

(2)

Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1501/95 van de Commissie van 29 juni 1995 tot vaststelling van enkele toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad voor wat de toekenning, in de graansector, van uitvoerrestituties en van bij verstoring van de graanmarkt te treffen maatregelen betreft (3) kan de Commissie, op grond van de meegedeelde offertes, besluiten een maximumrestitutie bij uitvoer vast te stellen, daarbij rekening houdend met de in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1501/95 bedoelde criteria. In dat geval wordt gegund aan de inschrijver(s) wiens (wier) offerte niet hoger is dan de vastgestelde maximumrestitutie.

(3)

De toepassing van de bovenbedoelde criteria op de huidige marktsituatie leidt voor de betrokken graansoort tot de vaststelling van de maximumrestitutie bij uitvoer.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de offertes die op 26 november tot en met 2 december 2004 in het kader van de inschrijving bedoeld in Verordening (EG) nr. 1757/2004 werden meegedeeld, wordt de maximumrestitutie bij uitvoer van gerst vastgesteld op 17,99 EUR/t.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 3 december 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 december 2004.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78.

(2)  PB L 313 van 12.10.2004, blz. 10.

(3)  PB L 147 van 30.6.1995, blz. 7. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 777/2004 (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 50).


3.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 358/9


VERORDENING (EG) Nr. 2072/2004 VAN DE COMMISSIE

van 2 december 2004

betreffende de offertes voor de uitvoer van haver, die zijn meegedeeld in het kader van de openbare inschrijving bedoeld in Verordening (EG) nr. 1565/2004

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 7,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1501/95 van de Commissie van 29 juni 1995 tot vaststelling van enkele toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad voor wat de toekenning, in de graansector, van uitvoerrestituties en van bij verstoring van de graanmarkt te treffen maatregelen betreft (2), en met name op artikel 7,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1565/2004 van de Commissie van 3 september 2004 betreffende een bijzondere interventiemaatregel voor haver in Finland en Zweden voor het verkoopseizoen 2004/2005 (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Een openbare inschrijving voor de vaststelling van de restitutie bij uitvoer uit Finland en Zweden van in die landen geproduceerde haver naar alle derde landen met uitzondering van Bulgarije, Noorwegen, Roemenië en Zwitserland is opengesteld bij Verordening (EG) nr. 1565/2004.

(2)

Het is, met name rekening houdend met de in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1501/95 genoemde criteria, niet wenselijk een maximumrestitutie vast te stellen.

(3)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Er wordt geen gevolg gegeven aan de offertes die in de periode van 26 november tot en met 2 december 2004 zijn meegedeeld in het kader van de in Verordening (EG) nr. 1565/2004 bedoelde inschrijving voor de restitutie bij uitvoer van haver.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 3 december 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 december 2004.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78.

(2)  PB L 147 van 30.6.1995, blz. 7. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1431/2003 (PB L 203 van 12.8.2003, blz. 16).

(3)  PB L 285 van 4.9.2004, blz. 3.


II Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

Raad

3.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 358/10


BESLUIT VAN DE RAAD

van 22 november 2004

betreffende de toetreding van de Republiek Moldavië tot een op 25 oktober 1993 gesloten overeenkomst waarbij een Centrum voor wetenschap en technologie in Oekraïne werd opgericht, tussen Canada, Zweden, Oekraïne en de Verenigde Staten van Amerika

(2004/823/EG, Euratom)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1766/98 van de Raad van 30 juli 1998 betreffende de toetreding van de Europese Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, optredende als één partij, tot de overeenkomst van 25 oktober 1993 tussen Canada, Zweden, Oekraïne en de Verenigde Staten van Amerika, betreffende de oprichting van een Centrum voor wetenschap en technologie in Oekraïne (1), inzonderheid artikel 3, leden 1, 3, en 4,

Gezien Verordening (Euratom) nr. 2387/98 van de Commissie van 3 november 1998 betreffende de toetreding van de Europese Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, optredende als één partij, tot de overeenkomst van 25 oktober 1993 tussen Canada, Zweden, Oekraïne en de Verenigde Staten van Amerika, betreffende de oprichting van een Centrum voor wetenschap en technologie in Oekraïne (2), inzonderheid artikel 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 25 oktober 1993 hebben Canada, Zweden, Oekraïne en de Verenigde Staten van Amerika de overeenkomst gesloten waarbij een Centrum voor wetenschap en technologie in Oekraïne werd opgericht (hierna „de overeenkomst” genoemd).

(2)

Bij Verordening (EG) nr. 1766/98 van de Raad en Verordening (Euratom) nr. 2387/98 van de Commissie zijn de Europese Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna „de Gemeenschappen” genoemd), optredende als één partij, tot de overeenkomst toegetreden.

(3)

Op 12 februari 2004 heeft de Republiek Moldavië de akte van toetreding van Moldavië tot de overeenkomst bij het secretariaat van het Centrum gedeponeerd. Overeenkomstig artikel XIII van de overeenkomst is het aan de Raad van Bestuur van het Centrum deze toetreding goed te keuren.

(4)

De Gemeenschappen worden in de Raad van Bestuur van het Centrum vertegenwoordigd door het voorzitterschap van de Raad en door de Commissie. Het standpunt van de Gemeenschappen voor aangelegenheden die vallen onder artikel XIII van de overeenkomst worden bepaald door de Raad en in de regel verwoord door het voorzitterschap,

BESLUIT:

Artikel 1

De toetreding van de Republiek Moldavië tot de op 25 oktober 1993 gesloten overeenkomst waarbij een Centrum voor wetenschap en technologie in Oekraïne werd opgericht, tussen Canada, Zweden, Oekraïne en de Verenigde Staten van Amerika, wordt namens de Gemeenschappen goedgekeurd.

Artikel 2

Het voorzitterschap van de Raad verwoordt voor de Raad van Bestuur van het Centrum de goedkeuring door de Gemeenschappen van de toetreding van de Republiek Moldavië tot de overeenkomst.

Gedaan te Brussel, 22 november 2004.

Voor de Raad

De voorzitter

B. R. BOT


(1)  PB L 225 van 12.8.1998, blz. 2.

(2)  PB L 297 van 6.11.1998, blz. 4.


Commissie

3.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 358/12


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 1 december 2004

tot vaststelling van een modelcertificaat voor het niet-commerciële verkeer van honden, katten en fretten uit derde landen naar de Gemeenschap

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 4421)

(Voor de EER relevante tekst)

(2004/824/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en houdende wijziging van Richtlijn 92/65/EEG van de Raad (1), en met name op artikel 8, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 998/2003 zijn de voorwaarden vastgesteld voor het niet-commerciële verkeer van honden, katten en fretten uit derde landen naar de Gemeenschap. Deze voorwaarden verschillen al naar gelang van de gezondheidsstatus van het derde land van oorsprong en van de lidstaat van bestemming.

(2)

In Beschikking 2004/203/EG van de Commissie van 18 februari 2004 tot vaststelling van een modelcertificaat voor het niet-commerciële verkeer van honden, katten en fretten uit derde landen (2) wordt het modelcertificaat vastgesteld dat bedoelde dieren moet vergezellen wanneer zij in de Gemeenschap worden binnengebracht; hiervoor is een rectificatie (3) gepubliceerd.

(3)

Beschikking 2004/539/EG van de Commissie van 1 juli 2004 tot vaststelling van een overgangsmaatregel voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 998/2003 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren (4) maakt het mogelijk dat tot 1 oktober 2004 naast elkaar certificaten worden gebruikt, die zijn afgegeven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 998/2003 respectievelijk de nationale voorschriften die vóór 3 juli 2004 van kracht waren.

(4)

Bij Beschikking 2004/650/EG van de Raad van 13 september 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren in verband met Malta (5) is Malta toegevoegd aan de lijst van landen in deel A van bijlage II bij de verordening. Bijgevolg moeten de specifieke bepalingen voor het binnenbrengen van gezelschapsdieren in Ierland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk tot Malta worden uitgebreid.

(5)

Omwille van de duidelijkheid moet Beschikking 2004/203/EG worden ingetrokken en door deze beschikking worden vervangen.

(6)

Wegens de specifieke aard van de dieren en het verkeer is het dienstig dat de opstelling en het gebruik van het certificaat voor de betrokken dierenartsen en reizigers worden vergemakkelijkt.

(7)

Aangezien Verordening (EG) nr. 998/2003 en Beschikking 2004/203/EG, als vervangen door deze beschikking, met ingang van 3 juli 2004 van toepassing zijn, moet ook deze beschikking onverwijld worden toegepast.

(8)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

1.   Bij deze beschikking worden het in artikel 8, lid 4, van Verordening (EG) nr. 998/2003 bedoelde modelcertificaat en de voorwaarden voor het gebruik daarvan vastgesteld voor het niet-commerciële verkeer van als gezelschapsdier gehouden honden, katten en fretten uit derde landen.

2.   Het modelcertificaat wordt vastgesteld in de bijlage bij deze beschikking.

Artikel 2

1.   Het in artikel 1, lid 2, bedoelde certificaat is vereist voor het niet-commerciële verkeer van als gezelschapsdier gehouden honden, katten en fretten („de gezelschapsdieren”) die afkomstig zijn uit:

a)

alle derde landen en worden binnengebracht in een andere lidstaat dan Ierland, Malta, Zweden en het Verenigd Koninkrijk, en

b)

in bijlage II, deel B, afdeling 2, en deel C, van Verordening (EG) nr. 998/2003 opgenomen derde landen en worden binnengebracht in Ierland, Malta, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. Het certificaat mag niet worden gebruikt voor dieren, afkomstig uit of voorbereid in derde landen die niet voorkomen in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 998/2003, wanneer zij vervoerd worden naar Ierland, Malta, Zweden of het Verenigd Koninkrijk, in welk geval artikel 8, lid 1, onder b), ii), van de verordening van toepassing is.

2.   In afwijking van lid 1 staan de lidstaten het niet-commerciële verkeer van honden, katten en fretten, vergezeld van een paspoort overeenkomstig het bij Beschikking 2003/803/EG van de Commissie (6) vastgestelde model, toe uit in bijlage II, deel B, afdeling 2, van Verordening (EG) nr. 998/2003 opgenomen derde landen die de Commissie en de lidstaten in kennis hebben gesteld van hun voornemen om het paspoort in plaats van het certificaat te gebruiken.

3.   Niettegenstaande de regels die van toepassing zijn op het vervoer van dieren naar Malta, aanvaarden de lidstaten een certificaat van het model in de bijlage bij Beschikking 2004/203/EG.

Artikel 3

1.   Het in artikel 1 bedoelde certificaat bestaat uit één blad en is gesteld in ten minste de taal van de lidstaat van binnenkomst en in het Engels. Het moet in blokletters worden ingevuld in de taal van de lidstaat van binnenkomst of in het Engels.

2.   Het in artikel 1 bedoelde certificaat wordt als volgt afgegeven:

a)

de delen I tot en met V van het certificaat worden:

i)

hetzij ingevuld en ondertekend door een door de bevoegde autoriteit van het land van verzending aangewezen officiële dierenarts,

ii)

hetzij ingevuld en ondertekend door een door de bevoegde autoriteit gemachtigde dierenarts en daarna door de bevoegde autoriteit bekrachtigd;

b)

de delen VI en VII worden, indien nodig, ingevuld en ondertekend door een dierenarts die in het land van verzending bevoegd is tot de uitoefening van de diergeneeskunde.

3.   Het certificaat gaat vergezeld van bewijsstukken of een gewaarmerkte kopie daarvan, met inbegrip van de identificatiegegevens van het betrokken dier, de vaccinatiegegevens en het resultaat van de serologische test.

4.   Het certificaat is voor het intracommunautaire verkeer geldig gedurende vier maanden, gerekend vanaf de datum van afgifte, of tot de vervaldatum van de in deel IV vermelde vaccinatie, indien deze datum vroeger valt.

Artikel 4

De in deel IV voorgeschreven vaccinatie wordt uitgevoerd met een geïnactiveerd vaccin dat ten minste volgens de in het Manual of Diagnostic Tests and Vaccines for Terrestrial Animals, laatste editie, van het Internationaal Bureau voor besmettelijke veeziekten (OIE) beschreven normen is geproduceerd.

Artikel 5

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de in artikel 8, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 998/2003 bedoelde voorwaarden alleen van toepassing zijn op gezelschapsdieren uit een derde land dat is opgenomen in bijlage II, deel B, afdeling 2, of deel C, van die verordening, wanneer de dieren:

rechtstreeks naar de lidstaat van binnenkomst worden vervoerd, of

zich tussen het derde land van verzending en de lidstaat van binnenkomst uitsluitend ophouden in een of meer van de in bijlage II, deel B, afdeling 2, of deel C, van Verordening (EG) nr. 998/2003 opgenomen landen.

2.   In afwijking van lid 1 mag rechtstreeks vervoer echter de doorvoer door de lucht of over zee door een derde land omvatten dat niet in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 998/2003 is opgenomen, op voorwaarde dat het gezelschapsdier het luchthaventerrein in dit derde land of het schip niet verlaat.

Artikel 6

Beschikking 2004/203/EG wordt ingetrokken.

Artikel 7

Deze beschikking is van toepassing met ingang van 6 december 2004.

Artikel 8

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 1 december 2004.

Voor de Commissie

David BYRNE

Lid van de Commissie


(1)  PB L 146 van 13.6.2003, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 592/2004 van de Commissie (PB L 94 van 31.3.2004, blz. 7).

(2)  PB L 65 van 3.3.2004, blz. 13. Beschikking gewijzigd bij Beschikking 2004/301/EG (PB L 98 van 2.4.2004, blz. 55).

(3)  PB L 111 van 17.4.2004, blz. 83.

(4)  PB L 237 van 8.7.2004, blz. 21.

(5)  PB L 298 van 23.9.2004, blz. 22.

(6)  PB L 312 van 27.11.2003, blz. 1.


BIJLAGE

Modelcertificaat voor het niet-commerciële verkeer van als gezelschapsdier gehouden honden, katten en fretten uit derde landen, als bedoeld in artikel 8, lid 4, van Verordening (EG) nr. 998/2003.

Image

Image

Image


3.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 358/18


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 29 november 2004

betreffende beschermingsmaatregelen ten aanzien van de invoer van paardachtigen uit Roemenië

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 4440)

(Voor de EER relevante tekst)

(2004/825/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 91/496/EEG van de Raad van 15 juli 1991 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht en tot wijziging van de Richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG en 90/675/EEG (1), en met name op artikel 18, lid 7,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Richtlijn 90/426/EEG van de Raad van 26 juni 1990 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van paardachtigen en de invoer van paardachtigen uit derde landen (2) zijn onder andere categorieën van paardachtigen gedefinieerd en identificatievoorschriften vastgesteld.

(2)

Bij Beschikking 2004/211/EG van de Commissie van 6 januari 2004 (3) is de lijst vastgesteld van derde landen en delen van hun grondgebied waaruit de lidstaten de invoer toestaan van levende paardachtigen en sperma, eicellen en embryo's van paarden en zijn de Beschikkingen 93/195/EEG en 94/63/EG gewijzigd.

(3)

Overeenkomstig bovengenoemde lijst staan de lidstaten de invoer van alle categorieën paardachtigen uit Roemenië toe onder de voorwaarden voor landen in gezondheidsgroep B die bij de Beschikkingen 92/260/EEG (4), 93/195/EEG (5), 93/196/EEG (6) en 93/197/EEG (7) zijn vastgesteld voor respectievelijk de tijdelijke toelating van geregistreerde paarden, het opnieuw binnenbrengen, na tijdelijke uitvoer, van geregistreerde paarden, de invoer van voor de slacht bestemde paardachtigen en de invoer van geregistreerde paardachtigen en voor als fok- en gebruiksdier gehouden paardachtigen.

(4)

Overeenkomstig Beschikking 93/197/EEG moeten de gezondheidstests voor de invoer van paardachtigen uit bepaalde in gezondheidscategorie B ingedeelde landen worden uitgevoerd in een door de lidstaat van bestemming erkend laboratorium.

(5)

Bij Beschikking 94/467/EG van de Commissie van 13 juli 1994 worden gezondheidsgaranties vastgesteld voor het vervoer van paardachtigen van een derde land naar een ander derde land overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder c), van Richtlijn 91/496/EEG (8).

(6)

Overeenkomstig Beschikking 2000/68/EG van de Commissie van 22 december 1999 houdende wijziging van Beschikking 93/623/EEG en tot vaststelling van de identificatievoorschriften voor als fok- en gebruiksdier gehouden paardachtigen (9) moeten paardachtigen bij verplaatsingen, en met name tijdens het vervoer naar het slachthuis, van een identificatiedocument vergezeld gaan.

(7)

Bij een reeks follow-upinspectiebezoeken van het Voedsel- en Veterinair Bureau in Roemenië en bij controles van de lidstaten in erkende grensinspectieposten zijn geregeld tekortkomingen vastgesteld met betrekking tot de omstandigheden waaronder paardachtigen uit Roemenië voor uitvoer naar de lidstaten worden voorbereid en naar hun bestemming worden vervoerd. Deze tekortkomingen zijn niet verholpen overeenkomstig de aanbevelingen in de desbetreffende verslagen.

(8)

Daarom moeten de vastgestelde maatregelen ter bescherming van de gezondheid van paardachtigen in de Gemeenschap en het welzijn van paardachtigen op het grondgebied van de lidstaten worden versterkt door het vaststellen van beschermingsmaatregelen met een speciale regeling voor de invoer van voor de slacht bestemde paardachtigen en als fok- en gebruiksdier gehouden paardachtigen uit Roemenië en door het versterken van de controlemaatregelen.

(9)

Als de afgegeven certificaten door de centrale bevoegde autoriteit in Roemenië worden geviseerd, zal dat de garanties die met name krachtens artikel 12, lid 2, onder d), van Richtlijn 90/426/EEG worden gegeven, versterken.

(10)

Ook een betere identificatie van paardachtigen en tests op paardachtigen die vanuit Roemenië in de Gemeenschap worden ingevoerd in door de lidstaat van bestemming erkende laboratoria kunnen bijdragen tot de handhaving van de invoerregeling.

(11)

Om de situatie te volgen en met het oog op het herroepen van de maatregelen moet regelmatig informatie worden ontvangen over de resultaten van de controles die worden verricht in erkende grensinspectieposten of tijdens een periode van verblijf in een lidstaat.

(12)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

1.   De lidstaten verbieden de invoer van paardachtigen van oorsprong of herkomst uit Roemenië, tenzij in deze beschikking anders wordt bepaald.

2.   Het in lid 1 vastgestelde verbod geldt niet voor:

de tijdelijke toelating, overeenkomstig Beschikking 92/260/EEG, en de permanente invoer, overeenkomstig Beschikking 93/197/EEG, van geregistreerde paarden uit Roemenië;

het opnieuw binnenbrengen van geregistreerde paarden voor wedrennen, wedstrijden en culturele manifestaties na tijdelijke uitvoer naar Roemenië, overeenkomstig Beschikking 93/195/EEG;

het vervoer van paardachtigen van Roemenië naar een ander derde land, overeenkomstig Beschikking 94/467/EEG;

het vervoer van paardachtigen uit derde landen naar de Europese Gemeenschap via het grondgebied van Roemenië, overeenkomstig artikel 6 van Beschikking 2004/211/EG;

de invoer van zendingen paardachtigen bestemd om direct te worden geslacht, overeenkomstig artikel 2;

de permanente invoer van als fok- en gebruiksdier gehouden paardachtigen, overeenkomstig artikel 3.

Artikel 2

De lidstaten van eindbestemming staan de invoer van paardachtigen bestemd om direct te worden geslacht uit Roemenië toe onder de volgende voorwaarden:

1)

de zending dieren gaat vergezeld van één naar behoren ingevuld veterinair certificaat overeenkomstig bijlage I bij deze beschikking, dat door de centrale bevoegde autoriteit in Roemenië wordt geviseerd;

2)

naast de gebrandmerkte „S” van ten minste 3 cm op de linker voorhoef wordt elk dier actief gemerkt met een injecteerbaar elektronisch identificatiemiddel (transponder) dat aan de ISO 11784- en ISO 11785-normen voldoet en bovenaan in het midden van de linkerkant van de hals wordt geïnjecteerd;

3)

elk dier wordt geïdentificeerd door en gaat vergezeld van een identificatiedocument overeenkomstig bijlage II bij deze beschikking, waarin met name het nummer en de plaats van implantatie van het in lid 2 bedoelde identificatiemiddel worden vermeld;

4)

de overeenkomstig het in lid 1 bedoelde certificaat vereiste laboratoriumtests zijn in een door de lidstaat van bestemming erkend laboratorium uitgevoerd op monsters die duidelijk zijn geïdentificeerd met verwijzing naar het door het in lid 2 bedoelde identificatiemiddel aangegeven nummer. De door het laboratorium gecertificeerde testresultaten worden gehecht aan het diergezondheidscertificaat dat de dieren vergezelt.

Artikel 3

De lidstaten van eindbestemming staan de invoer van als fok- en gebruiksdier gehouden paardachtigen uit Roemenië toe onder de volgende voorwaarden:

1)

elk dier gaat vergezeld van een naar behoren ingevuld veterinair certificaat overeenkomstig bijlage III bij deze beschikking, dat door de centrale bevoegde autoriteit in Roemenië wordt geviseerd;

2)

elk dier wordt actief gemerkt met een injecteerbaar elektronisch identificatiemiddel (transponder) dat aan de ISO 11784- en ISO 11785-normen voldoet en bovenaan in het midden van de linkerkant van de hals wordt geïnjecteerd;

3)

elk dier wordt geïdentificeerd door en gaat vergezeld van een identificatiedocument overeenkomstig bijlage II bij deze beschikking, waarin met name het nummer en de plaats van implantatie van het in lid 2 bedoelde identificatiemiddel worden vermeld;

4)

de overeenkomstig het in lid 1 bedoelde certificaat vereiste laboratoriumtests zijn in een door de lidstaat van bestemming erkend laboratorium uitgevoerd op monsters die duidelijk zijn geïdentificeerd met verwijzing naar het door het in lid 2 bedoelde identificatiemiddel aangegeven nummer. De door het laboratorium gecertificeerde testresultaten worden gehecht aan het diergezondheidscertificaat dat het dier vergezelt.

Artikel 4

1.   Lidstaten die de in artikel 4 van Richtlijn 91/496/EG bedoelde controles bij binnenkomst in de Gemeenschap uitvoeren, weigeren niet om de volgende paardachtigen op het grondgebied van de Gemeenschap toe te laten:

a)

zendingen paardachtigen bestemd om direct te worden geslacht die volledig aan de voorwaarden van artikel 2 voldoen en met name van de vereiste leesbare elektronische identificatiemiddelen zijn voorzien, mits de bevoegde autoriteit in de lidstaat van eindbestemming haar instemming met deze zending en ten minste de gegevens in de punten 1, 2, 5, 6 en 8.5 van het in artikel 2, lid 1, bedoelde certificaat heeft meegedeeld aan de grensinspectiepost van binnenkomst op het grondgebied van de Europese Gemeenschap;

b)

als fok- en gebruiksdier gehouden paardachtigen die aan de voorwaarden van artikel 3 voldoen, mits de bevoegde autoriteit in de lidstaat van eindbestemming haar algemene instemming met dergelijke invoer heeft meegedeeld aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de grensinspectiepost van binnenkomst op het grondgebied van de Europese Gemeenschap.

2.   De bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de controles bij het binnenbrengen van paardachtigen in de Gemeenschap dient uiterlijk op de vijfentwintigste van elke maand een verslag over elke desbetreffende plaats van binnenkomst overeenkomstig het formaat in bijlage IV in bij de Commissie. In dit verslag wordt vermeld welke controles gedurende de voorafgaande maand zijn verricht en welke maatregelen zijn genomen om vastgestelde tekortkomingen inzake diergezondheid en dierenwelzijn te verhelpen.

Artikel 5

1.   De bevoegde autoriteit in de lidstaat van bestemming van paardachtigen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 ziet erop toe dat:

a)

overeenkomstig artikel 2 ingevoerde paardachtigen bestemd om direct te worden geslacht rechtstreeks naar het slachthuis van bestemming worden gebracht en daar binnen 72 uur en uiterlijk vijf dagen na aankomst in de Gemeenschap worden geslacht;

b)

de injecteerbare identificatiemiddelen (transponders) in het slachthuis van bestemming worden verwijderd en onder officieel toezicht worden vernietigd. Voor controledoeleinden dienen de exploitanten van de slachthuizen maandelijks bij de bevoegde autoriteit een verslag in waarin voor elk geslacht dier het nummer van het veterinair certificaat, de datum waarop het dier is geslacht en de datum waarop de in de desbetreffende certificaten vermelde transponder is vernietigd, worden vermeld;

c)

overeenkomstig artikel 3 ingevoerde als fok- en gebruiksdier gehouden paardachtigen de eerste 30 dagen na binnenkomst in de lidstaat van bestemming op het bedrijf van bestemming zoals vermeld in het in artikel 2, lid 1, bedoelde certificaat blijven, tenzij het overeenkomstig Beschikking 2000/68/EG geïdentificeerde dier onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit naar het slachthuis wordt gebracht om direct te worden geslacht.

2.   De bevoegde autoriteit in de lidstaat van bestemming neemt bij de aankomst in het slachthuis of gedurende de periode van verblijf op het bedrijf van bestemming zoals bedoeld in lid 1, onder c), de volgende maatregelen:

a)

een controle van de identiteit van de dieren;

b)

een inspectie van de diergezondheid en het dierenwelzijn;

c)

een willekeurige herhaling van de overeenkomstig de respectievelijke diergezondheidscertificaten in de bijlagen I en III bij deze beschikking vereiste laboratoriumtests;

d)

indien de resultaten van de overeenkomstig punt c) uitgevoerde tests niet stroken met de verklaring in de certificaten zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, en artikel 3, lid 1, wordt verplicht een genetische controle van de herkomst van de monsters verricht op schaduwmonsters die gedurende twee maanden worden bewaard door het laboratorium dat de eerste tests heeft uitgevoerd.

3.   De bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de controles in de slachthuizen dient uiterlijk op de vijfentwintigste van elke maand een verslag overeenkomstig het formaat in bijlage V in bij de Commissie. In dit verslag wordt vermeld welke controles gedurende de voorafgaande maand zijn verricht en welke maatregelen zijn genomen om vastgestelde tekortkomingen inzake diergezondheid en dierenwelzijn te verhelpen.

Artikel 6

De lidstaten stellen de nodige maatregelen, waaronder zo nodig wettelijke bepalingen, vast om ervoor te zorgen dat de kosten van de administratieve procedures, waaronder eventuele laboratoriumtests, met betrekking tot de invoer van paardachtigen uit Roemenië overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van deze beschikking volledig ten laste van de invoerder komen.

Artikel 7

Deze beschikking wordt van toepassing op 23 december 2004.

Artikel 8

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 29 november 2004.

Voor de Commissie

David BYRNE

Lid van de Commissie


(1)  PB L 268 van 24.9.1991, blz. 56. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.

(2)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 42. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/68/EG (PB L 139 van 30.4.2004, blz. 320). Richtlijn gerectificeerd in PB L 226 van 25.6.2004, blz. 128.

(3)  PB L 73 van 11.3.2004, blz. 1.

(4)  PB L 130 van 15.5.1992, blz. 67. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2004/241/EG (PB L 74 van 12.3.2004, blz. 19).

(5)  PB L 86 van 6.4.1993, blz. 1. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2004/211/EG (PB L 73 van 11.3.2004, blz. 1).

(6)  PB L 86 van 6.4.1993, blz. 7. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.

(7)  PB L 86 van 6.4.1993, blz. 16. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2004/241/EG (PB L 74 van 12.3.2004, blz. 19).

(8)  PB L 190 van 26.7.1994, blz. 28. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2001/662/EG (PB L 232 van 30.8.2001, blz. 28).

(9)  PB L 23 van 28.1.2000, blz. 72.


BIJLAGE I

Image

Image

Image

Image


BIJLAGE II

IDENTIFICATIEDOCUMENT

Image


BIJLAGE III

Image

Image

Image

Image


BIJLAGE IV

Verslag van de grensinspectieposten als bedoeld in artikel 4, lid 2

Lidstaat: …

Naam van de grensinspectiepost: …

Jaar: … Maand: …

Aantal voor invoer aangegeven paardachtigen

Aantal gevallen van niet-naleving (in aantal paardachtigen)

Bij controle van de documenten

Bij overeenstemmingscontrole

Bij fysieke controle

Diergezondheid

Dierenwelzijn

 

 

 

 

 


BIJLAGE V

Verslag van de lidstaten als bedoeld in artikel 5, lid 3

Lidstaat: …

Jaar: … Maand: …

Aantal ontvangen paardachtigen (1)

Aantal op de plaats van bestemming gecontroleerde paardachtigen

Overeenstemmingscontrole

Vergelijkende tests

Genetische controles

Dierenwelzijnscontroles

Totaal

Niet-conform

Totaal

Niet-conform

Totaal

Niet-conform

Totaal

Niet-conform

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


(1)  Dit aantal komt overeen met het aantal paardachtigen dat via het TRACE- of ANIMO-systeem wordt aangegeven voor vervoer naar de lidstaten.


3.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 358/32


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 29 november 2004

tot wijziging van Beschikking 2002/887/EG houdende machtiging om voor op natuurlijke of kunstmatige wijze opgekweekte miniatuurplanten van Chamaecyparis Spach, Juniperus L. en Pinus L., van oorsprong uit Japan, afwijking van sommige bepalingen van Richtlijn 2000/29/EG van de Raad toe te staan

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 4441)

(2004/826/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (1), en met name op artikel 15, lid 1,

Gelet op het door het Verenigd Koninkrijk ingediende verzoek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Beschikking 2002/887/EG van de Commissie (2) machtigt de lidstaten om, gedurende beperkte perioden en met inachtneming van specifieke voorwaarden, te voorzien in afwijkingen van sommige bepalingen van Richtlijn 2000/29/EG van de Raad voor planten van Chamaecyparis Spach, Juniperus L. en Pinus L., van oorsprong uit Japan.

(2)

Aangezien de omstandigheden die de machtiging rechtvaardigen, nog steeds van toepassing zijn en er geen nieuwe gegevens beschikbaar zijn die aanleiding geven tot herziening van de specifieke voorwaarden, moet de machtiging worden verlengd.

(3)

Beschikking 2002/887/EG moet dan ook dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Plantenziektekundig Comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:

Artikel 1

Beschikking 2002/887/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 2, leden 1 en 2, wordt „vóór 1 augustus 2003 en vóór 1 augustus 2004” vervangen door „vóór 1 augustus 2005 en vóór 1 augustus 2006”.

2)

De tabel in artikel 4 wordt vervangen door de onderstaande tabel:

„Plant

Periode

Chamaecyparis:

1.1.2005 tot en met 31.12.2006

Juniperus:

15.11.2004 tot en met 31.3.2005, en 1.11.2005 tot en met 31.3.2006

Pinus:

1.1.2005 tot en met 31.12.2006”.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 29 november 2004.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/102/EG van de Commissie (PB L 309 van 6.10.2004, blz. 9).

(2)  PB L 309 van 12.11.2002, blz. 8.


3.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 358/33


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 29 november 2004

houdende machtiging om voor de invoer van grond van oorsprong uit Australië een tijdelijke afwijking van sommige bepalingen van Richtlijn 2000/29/EG van de Raad toe te staan

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 4449)

(2004/827/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (1), en met name op artikel 15, lid 1,

Gezien het door Australië ingediende verzoek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Richtlijn 2000/29/EG mag grond van oorsprong uit bepaalde derde landen in principe niet in de Gemeenschap worden binnengebracht.

(2)

Australië heeft toestemming gevraagd om een kleine hoeveelheid grond van oorsprong uit Australië, die voor ceremoniële doeleinden op het graf van een in België begraven Australische burger zal worden gedeponeerd, naar de Gemeenschap uit te voeren.

(3)

De grond in kwestie zal een passende behandeling ondergaan voordat het Australië verlaat, en zal vergezeld gaan van een door de Australische autoriteiten afgegeven officieel certificaat ten bewijze daarvan.

(4)

De Commissie is van oordeel dat er geen gevaar is voor de verspreiding van voor planten of plantaardige producten schadelijke organismen indien de grond wordt behandeld zoals door Australië wordt voorgesteld.

(5)

De lidstaten moeten derhalve gedurende een beperkte periode worden gemachtigd te voorzien in een afwijking om de invoer van kleine hoeveelheden grond toe te staan, mits aan specifieke voorwaarden betreffende de behandeling ervan wordt voldaan.

(6)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Plantenziektekundig Comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De lidstaten worden hierbij gemachtigd te voorzien in een afwijking van artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2000/29/EG met betrekking tot de verbodsbepalingen in punt 14 van deel A van bijlage III bij die richtlijn voor grond van oorsprong uit Australië.

Om voor de afwijking in aanmerking te komen, moet de grond voldoen aan de in de bijlage vermelde specifieke voorwaarden, tussen 20 november 2004 en 31 januari 2005 in de Gemeenschap worden binnengebracht en bestemd zijn voor ceremoniele doeleinden.

De machtiging geldt onverminderd eventuele verdere vergunningen of procedures die krachtens andere wetgeving vereist zijn.

Artikel 2

De lidstaten die op grond van deze beschikking afwijkingen toestaan, dienen vóór 1 maart 2005 een verslag daarover bij de Commissie in.

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 29 november 2004.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/102/EG van de Commissie (PB L 309 van 6.10.2004, blz. 9).


BIJLAGE

Specifieke voorwaarden waaraan grond van oorsprong uit Australië moet voldoen om in aanmerking te komen voor de in artikel 1 van deze beschikking vastgestelde afwijking

1)

De grond is:

a)

verhit in hete lucht bij minstens 121o C gedurende minstens 2 uren vanaf het bereiken van de kerntemperatuur; of

b)

met gammastralen behandeld bij 50 kGray (5Mrad).

2)

De grond gaat vergezeld van een in Australië afgegeven fytosanitair certificaat overeenkomstig bijlage VII van Richtlijn 2000/29/EG. In het certificaat wordt onder „Aanvullende verklaring” de volgende vermelding opgenomen: „Deze zending voldoet aan de in Beschikking 2004/…/EG van de Commissie vastgestelde voorwaarden”.

3)

Voordat de grond in de Gemeenschap wordt binnengebracht, moet de importeur de verantwoordelijke officiële instanties in de lidstaat van binnenkomst officieel in kennis stellen van:

a)

de hoeveelheid grond;

b)

de oorsprong van de grond;

c)

de geplande datum van invoer;

d)

de bestemming van de grond.

4)

De grond is uitsluitend bestemd voor de plaats die overeenkomstig punt 3, onder d), aan de verantwoordelijke officiële instanties is meegedeeld.

Wanneer de plaats van bestemming zich bevindt in een andere lidstaat dan de lidstaat waar de grond in de Gemeenschap binnenkomt, stellen de verantwoordelijke officiële instanties van de lidstaat van binnenkomst, zodra zij de bovenvermelde voorafgaande kennisgeving van de importeur hebben ontvangen, de verantwoordelijke officiële instanties van de lidstaat van bestemming in kennis van de plaats waarvoor de grond is bestemd.


Rectificaties

3.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 358/35


Rectificatie van Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten

( Publicatieblad van de Europese Unie L 134 van 30 april 2004 )

Bladzijde 36, artikel 55, lid 1, onder a):

in plaats van:

„a)

hetzij, indien de gunning uit het oogpunt van de aanbestedende dienst aan de inschrijver met de economisch voordeligste inschrijving plaatsvindt, verschillende criteria die verband houden met het voorwerp van de opdracht, zoals de leveringstermijn, de uitvoeringstermijn, de gebruikskosten, de rentabiliteit, de kwaliteit, de esthetische en functionele kenmerken, de milieutechnische eigenschappen, met inbegrip van zulke kenmerken die de productiemethoden betreffen, de technische waarde, de klantenservice en technische bijstand, de verbintenissen met betrekking tot reserveonderdelen, de gewaarborgde materiaalvoorziening en de prijs;”

te lezen:

„a)

hetzij, indien de gunning aan de inschrijver met de vanuit het oogpunt van de aanbestedende dienst economisch meest voordelige inschrijving plaatsvindt, verschillende criteria die verband houden met het voorwerp van de opdracht, zoals de kwaliteit, de prijs, de technische waarde, de esthetische en functionele kenmerken, de milieukenmerken, de gebruikskosten, de rentabiliteit, de klantenservice en de technische bijstand, de datum van levering en de termijn voor levering of uitvoering;”.

Bladzijde 104, bijlage XXVI, concordantietabel:

in plaats van:

„Artikel 1(9), (d)

Artikel 1(16),

Aangepast

Artikel 1(10)

 

Nieuw

Artikel 1(11)

 

Nieuw

Artikel 1(12)

 

Nieuw”

te lezen:

„Artikel 1(10)

Artikel 1(16)

Aangepast

Artikel 1(11)

 

Nieuw

Artikel 1(12)

 

Nieuw

Artikel 1(13)

 

Nieuw”