ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 355

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

47e jaargang
1 december 2004


Inhoud

 

I   Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

Bladzijde

 

*

Verordening (EG) nr. 2051/2004 van de Raad van 25 oktober 2004 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 337/75 houdende oprichting van een Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding

1

 

*

Verordening (EG) nr. 2052/2004 van de Raad van 22 november 2004 tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij Verordening (EG) nr. 964/2003 werd ingesteld op hulpstukken voor buisleidingen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, tot hulpstukken voor buisleidingen, van ijzer of van staal, die vanuit Indonesië worden verzonden en al dan niet als van oorsprong uit Indonesië worden aangegeven

4

 

*

Verordening (EG) nr. 2053/2004 van de Raad van 22 november 2004 tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij Verordening (EG) nr. 964/2003 werd ingesteld op hulpstukken voor buisleidingen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, tot hulpstukken voor buisleidingen, van ijzer of van staal, die vanuit Sri Lanka worden verzonden en al dan niet als van oorsprong uit Sri Lanka worden aangegeven

9

 

*

Verordening (EG) nr. 2054/2004 van de Commissie van 29 november 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de lijst van landen en gebieden ( 1 )

14

 

 

Verordening (EG) nr. 2055/2004 van de Commissie van 30 november 2004 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

18

 

 

Verordening (EG) nr. 2056/2004 van de Commissie van 30 november 2004 tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 1 december 2004

20

 

 

Verordening (EG) nr. 2057/2004 van de Commissie van 30 november 2004 tot vaststelling van de productierestitutie voor in de chemische industrie gebruikte witte suiker voor de periode van 1 tot en met 31 december 2004

23

 

 

Verordening (EG) nr. 2058/2004 van de Commissie van 30 november 2004 tot vaststelling van de wereldmarktprijs voor niet-geëgreneerde katoen

24

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

1.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 355/1


VERORDENING (EG) Nr. 2051/2004 VAN DE RAAD

van 25 oktober 2004

tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 337/75 houdende oprichting van een Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, en met name op artikel 308,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EEG) nr. 337/75 van de Raad van 10 februari 1975 houdende oprichting van een Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (3) bevat bepalingen over de organisatiestructuur van het Centrum en met name over zijn raad van bestuur. Deze bepalingen zijn naar aanleiding van iedere toetreding van nieuwe lidstaten, waardoor nieuwe leden aan de raad van bestuur moesten worden toegevoegd, een aantal malen gewijzigd.

(2)

In 2001 is extern een evaluatie van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (hierna te noemen „het Centrum”) gemaakt. In de reactie van de Commissie daarop en in het actieplan dat de raad van bestuur aan de hand van deze reactie heeft opgesteld, wordt onderstreept dat Verordening (EEG) nr. 337/75 moet worden aangepast opdat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het Centrum en zijn managementstructuren op peil kunnen blijven.

(3)

Het Europees Parlement heeft de Commissie verzocht om de samenstelling en de werkwijze van de raden van bestuur (beheer) van de agentschappen te herzien en passende voorstellen voor te leggen.

(4)

De raden van bestuur (beheer) van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk, het Centrum en de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden hebben de Commissie een gezamenlijk advies over het toekomstige bestuur en de werkwijze van hun raden van bestuur (beheer) voorgelegd.

(5)

Het tripartiete bestuur van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk, het Centrum en de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden, bestaande uit vertegenwoordigers van de regeringen, de werkgevers- en de werknemersorganisaties, is van fundamenteel belang voor het succes van deze organisaties.

(6)

De deelname van de sociale partners aan het bestuur van deze drie organisaties van de Gemeenschap is een specifiek kenmerk, dat nodig maakt dat zij op basis van gemeenschappelijke regels functioneren.

(7)

De aanwezigheid van drie, respectievelijk door de regeringen, de werkgevers en de werknemers afgevaardigde groepen in de tripartiete raad van bestuur en de benoeming van een coördinator voor de groep werkgevers en de groep werknemers zijn van essentieel belang gebleken. Laatstgenoemde regeling dient dan ook formeel te worden vastgelegd en moet ook gaan gelden voor de groep regeringsvertegenwoordigers.

(8)

Door handhaving van de tripartiete vertegenwoordiging uit iedere lidstaat wordt ervoor gezorgd dat alle belangrijke partijen betrokken zijn en dat rekening wordt gehouden met de diversiteit aan systemen en benaderingswijzen die karakteristiek zijn voor de vraagstukken op het gebied van de beroepsopleiding.

(9)

Er moet ingespeeld worden op de praktische gevolgen die de aanstaande uitbreiding van de Unie voor het Centrum zal hebben. De samenstelling en de werkwijze van de raad van bestuur van het Centrum moeten in het licht van de toetreding van de nieuwe lidstaten aangepast worden.

(10)

Het uitvoerend bureau, waarin bij het huishoudelijk reglement van de raad van bestuur is voorzien, moet met het oog op de continuïteit van de werking van het Centrum en de doelmatigheid van zijn besluitvorming versterkt worden. De samenstelling van het uitvoerend bureau moet de tripartiete structuur van de raad van bestuur blijven weergeven.

(11)

In overeenstemming met artikel 3 van het Verdrag streeft de Gemeenschap ernaar bij elk optreden de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen. Het is dan ook zaak om ten aanzien van de samenstelling van de raad van bestuur en het uitvoerend bureau regelingen te treffen die een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen aanmoedigen.

(12)

Verordening (EEG) nr. 337/75 dient dan ook dienovereenkomstig gewijzigd te worden.

(13)

In het Verdrag zijn voor de goedkeuring van deze verordening geen andere bevoegdheden voorzien dan die van artikel 308,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EEG) nr. 337/75 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 3, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   Bij de uitvoering van zijn opdracht legt het Centrum de terzake dienstige contacten, inzonderheid met gespecialiseerde organen, zowel openbare als particuliere, nationale of internationale, met overheidsinstanties en opleidingsinstituten, alsmede met werkgevers- en werknemersorganisaties. Het Centrum zorgt in het bijzonder voor passende samenwerking met de Europese Stichting voor opleiding zonder daarbij afbreuk te doen aan zijn eigen doelstellingen.”.

2)

Artikel 4 wordt vervangen door:

„Artikel 4

1.   Het Centrum heeft:

a)

een raad van bestuur,

b)

een uitvoerend bureau,

c)

een directeur.

2.   De raad van bestuur bestaat uit:

a)

een lid per lidstaat dat de regering van die lidstaat vertegenwoordigt,

b)

een lid per lidstaat dat de werkgeversorganisaties van die lidstaat vertegenwoordigt,

c)

een lid per lidstaat dat de werknemersorganisaties van die lidstaat vertegenwoordigt,

d)

drie leden die de Commissie vertegenwoordigen.

De onder a), b) en c) bedoelde leden worden door de Raad benoemd op grond van door de lidstaten, de werkgevers en de werknemers ingediende lijsten met kandidaten.

De vertegenwoordigers van de Commissie worden door de Commissie benoemd.

De lijst met de leden van de raad van bestuur wordt door de Raad in het Publicatieblad van de Europese Unie en op de internetsite van het Centrum bekendgemaakt.

3.   De ambtstermijn van de leden van de raad van bestuur bedraagt drie jaar. Deze termijn kan worden verlengd. Na afloop van hun ambtstermijn of bij aftreden, blijven de leden in functie tot hun herbenoeming of vervanging.

4.   De raad van bestuur kiest uit de in lid 5 bedoelde drie groepen en de door de Commissie benoemde leden een voorzitter en drie vice-voorzitters. De ambtstermijn van de voorzitter en vice-voorzitters bedraagt twee jaar en kan worden verlengd.

5.   In de raad van bestuur vormen de vertegenwoordigers van de regeringen, de werknemers- en de werkgeversorganisaties ieder een afzonderlijke groep. Iedere groep benoemt een coördinator. De coördinatoren van de werknemersgroep en van de werkgeversgroep vertegenwoordigen hun respectieve organisaties op Europees niveau en wonen de vergaderingen van de raad van bestuur zonder stemrecht bij.

6.   De voorzitter roept de raad van bestuur een keer per jaar bijeen. Op verzoek van ten minste een derde van de leden van de raad van bestuur belegt de voorzitter extra vergaderingen.

7.   De besluiten van de raad van bestuur worden met absolute meerderheid van stemmen van de leden genomen.

8.   De raad van bestuur richt een uitvoerend bureau op. Het uitvoerend bureau bestaat uit de voorzitter en drie vice-voorzitters van de raad van bestuur, een coördinator per groep zoals bedoeld in lid 5, en nog een vertegenwoordiger van de diensten van de Commissie.

9.   De lidstaten, de in lid 2 bedoelde organisaties, de Raad, de Commissie en de raad van bestuur streven ernaar om, elk binnen hun bevoegdheden, te zorgen voor een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in de in lid 2 bedoelde kandidaturen en benoemingen, bij de in lid 4 bedoelde verkiezingen en de in lid 8 bedoelde benoemingen.

10.   Onverminderd de verantwoordelijkheden van de directeur, zoals beschreven in artikel 7 en artikel 8, ziet het uitvoerend bureau in opdracht van de raad van bestuur toe op de uitvoering van de besluiten van de raad van bestuur en neemt het in de tijd tussen twee vergaderingen van de raad van bestuur alle voor de leiding van het Centrum noodzakelijke maatregelen, met uitzondering van de maatregelen zoals bedoeld in artikel 6, lid 1, artikel 8, lid 1 en artikel 11, lid 1.

11.   Het jaarlijkse vergaderschema van het uitvoerend bureau wordt vastgelegd door de raad van bestuur. Extra vergaderingen worden op verzoek van de leden van het uitvoerend bureau door de voorzitter belegd.

12.   De besluiten van het uitvoerend bureau worden in onderlinge overeenstemming genomen. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt, legt het uitvoerend bureau de zaak voor besluit aan de raad van bestuur voor.”.

3)

In artikel 7 worden de leden 1 en 2 vervangen door:

„1.   De directeur is verantwoordelijk voor de leiding van het Centrum en geeft uitvoering aan de besluiten van de raad van bestuur en het uitvoerend bureau. Hij vertegenwoordigt het Centrum in rechte.

2.   Hij is belast met de voorbereiding en organisatie van de werkzaamheden van de raad van bestuur en het uitvoerend bureau en voert het secretariaat van hun vergaderingen.”.

4)

In artikel 8 wordt lid 1 vervangen door:

„1.   Aan de hand van een door de directeur voorgelegd ontwerp legt de raad van bestuur in overeenstemming met de diensten van de Commissie de prioriteiten voor de middellange termijn en het jaarlijkse werkprogramma vast. In het programma wordt rekening gehouden met de behoeften die door de instellingen van de Gemeenschap als prioritair bestempeld zijn.”.

5)

In een aantal taalversies van de verordening worden de equivalenten van het Nederlandse begrip „raad van bestuur” overal vervangen door meer passende termen. Deze wijziging geldt niet voor de Nederlandse tekst.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 25 oktober 2004.

Voor de Raad

De voorzitster

R. VERDONK


(1)  Advies uitgebracht op 31 maart 2004 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  PB C 112 van 30.4.2004, blz. 53.

(3)  PB L 39 van 13.2.1975, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1665/2003 (PB L 245 van 29.9.2003, blz. 41).


1.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 355/4


VERORDENING (EG) Nr. 2052/2004 VAN DE RAAD

van 22 november 2004

tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij Verordening (EG) nr. 964/2003 werd ingesteld op hulpstukken voor buisleidingen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, tot hulpstukken voor buisleidingen, van ijzer of van staal, die vanuit Indonesië worden verzonden en al dan niet als van oorsprong uit Indonesië worden aangegeven

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) (hierna de „basisverordening” genoemd), en met name op artikel 13,

Gezien het voorstel dat de Commissie na raadpleging van het Raadgevend Comité heeft ingediend,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

1.   Geldende maatregelen

(1)

Na een nieuw onderzoek naar aanleiding van het vervallen van de maatregelen stelde de Raad bij Verordening (EG) nr. 964/2003 (2) (hierna de „oorspronkelijke verordening” genoemd), onder meer, een definitief antidumpingrecht van 58,6 % in op hulpstukken voor buisleidingen (andere dan gegoten hulpstukken, flenzen en hulpstukken met schroefdraad), van ijzer of van staal (doch niet van roestvrij staal), met een grootste uitwendige diameter van niet meer dan 609,6 mm, geschikt voor stomplassen of voor andere doeleinden, ingedeeld onder de GN-codes ex 7307 93 11 (Taric-code 7307931199), ex 7307 93 19 (Taric-code 7307931999), ex 7307 99 30 (Taric-code 7307993098) en ex 7307 99 90 (Taric-code 7307999098), van oorsprong uit de Volksrepubliek China (hierna „VRC” genoemd).

2.   Opening van het onderzoek

(2)

De Commissie beschikte over aanwijzingen dat de antidumpingrechten op de invoer van bepaalde hulpstukken voor buisleidingen van oorsprong uit de VRC werden ontdoken door deze goederen in Indonesië over te laden en onterecht als van oorsprong uit Indonesië aan te geven. Voldoende bewijzen voor de inleiding van de procedure ten aanzien van Indonesië konden slechts worden verkregen doordat de Commissie navraag deed bij de douaneautoriteiten van een lidstaat waardoor aan het licht kwam dat de goederen niet van oorsprong uit Indonesië waren. De Commissie besloot derhalve op eigen initiatief een onderzoek te openen overeenkomstig artikel 13 van de basisverordening.

(3)

Onderzoek dat was verricht in de loop van 2003 door de douaneautoriteiten van een lidstaat had aanwijzingen opgeleverd waaruit met name bleek dat bij de invoer in die lidstaat praktijken werden toegepast waarbij zendingen werden aangegeven als van oorsprong uit Indonesië maar die in feite van oorsprong uit de VRC waren en vanuit Indonesië werden verzonden. Volgens de gegevens van Eurostat bedroeg in 2003 de invoer in deze lidstaat van goederen die werden aangegeven als van oorsprong uit Indonesië tweederde van de invoer van dergelijke goederen in de Gemeenschap. De belangrijke stijging van de invoer uit Indonesië na de instelling van de anti-dumpingmaatregelen op hulpstukken voor buisleidingen van oorsprong uit de VRC bleek een belangrijke wijziging van het handelsverkeer in te houden waarvoor geen voldoende gegronde reden of economische rechtvaardiging kon worden gevonden behalve de op hulpstukken voor buisleidingen van oorsprong uit de VRC ingestelde antidumpingrechten.

(4)

Ten slotte bleek dat de corrigerende werking van de geldende antidumpingrechten op hulpstukken voor buisleidingen van oorsprong uit de VRC teniet werd gedaan, zowel in termen van hoeveelheden als van prijzen en dat dumping plaatsvond gelet op de eerder vastgestelde normale waarde voor hulpstukken voor buisleidingen van oorsprong uit de VRC.

(5)

Overeenkomstig artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5, van de basisverordening opende de Commissie derhalve bij Verordening (EG) nr. 396/2004 (3) (hierna de „inleidingsverordening” genoemd) een onderzoek naar de vermeende ontduiking van de antidumpingmaatregelen op hulpstukken voor buisleidingen van oorsprong uit de VRC door verzending van deze hulpstukken vanuit Indonesië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Indonesië; de Commissie gaf de douaneautoriteiten ook de opdracht de invoer van hulpstukken voor buisleidingen van de GN-codes ex 7307 93 11 (Taric-code 7307931193), ex 7307 93 19 (Taric-code 7307931993), ex 7307 99 30 (Taric-code 7307993093) en ex 7307 99 90 (Taric-code 7307999093) die vanuit Indonesië werden verzonden en al dan niet als van oorsprong uit Indonesië werden aangegeven met ingang van 4 maart 2004 te registreren. De Commissie bracht de autoriteiten van de VRC en Indonesië van de opening van het onderzoek op de hoogte.

3.   Onderzoek

(6)

Er werden vragenlijsten gezonden aan de producenten/ exporteurs in de VRC (er waren geen producenten in Indonesië bekend) alsmede aan de importeurs in de Gemeenschap die de Commissie bekend waren uit het onderzoek dat tot de instelling van de geldende maatregelen op hulpstukken voor buisleidingen van oorsprong uit de VRC (hierna het „vorige onderzoek” genoemd) had geleid. Belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de termijn die in de inleidingsverordening was vastgesteld schriftelijke opmerkingen te maken en te verzoeken te worden gehoord.

(7)

In de VRC beantwoordde geen enkele producent of exporteur de vragenlijst en ook geen enkele producent of exporteur in Indonesië maakte zich bij de Commissie bekend of beantwoordde de vragenlijst. Drie niet-gelieerde importeurs in de Gemeenschap beantwoordden de vragenlijst. Eén van de importeurs verleende verder geen medewerking.

4.   Onderzoektijdvak

(8)

Het onderzoektijdvak bestreek de periode van 1 januari 2003 tot 31 december 2003 (hierna „OT” genoemd). De gegevens van de periode van 2000 tot het einde van het onderzoektijdvak werden gebruikt om het gewijzigde handelsverkeer te onderzoeken.

B.   RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

1.   Algemene overwegingen/niveau van de medewerking

a)   Indonesië

(9)

Geen enkele producent of exporteur van hulpstukken voor buisleidingen van oorsprong uit Indonesië verleende medewerking aan het onderzoek. De autoriteiten van Indonesië verstrekten geen bijkomende informatie. De autoriteiten van Indonesië werd erop gewezen dat het niet verlenen van medewerking kon leiden tot de toepassing van artikel 18 van de basisverordening. Drie niet-gelieerde importeurs beantwoordden de vragenlijst. Eén importeur had antwoorden op de vragenlijst verstrekt waarin evenwel de nodige gegevens om eventuele ontduiking vast te stellen, ontbraken; nadat hij hierop was gewezen in een brief waarmee de Commissie reageerde op zijn oorspronkelijke antwoorden op de vragenlijst verstrekte hij de ontbrekende gegevens nog niet en werd hij derhalve als een niet-medewerkende importeur beschouwd. De invoer van de twee andere importeurs vertegenwoordigde 5,5 % van de totale invoer die tijdens het OT als van oorsprong uit Indonesië werd aangegeven. In het algemeen kan derhalve geconcludeerd worden dat de producenten géén en de importeurs weinig medewerking verleenden.

b)   VRC

(10)

Er werkten geen Chinese producenten of exporteurs mee aan het onderzoek.

(11)

Deze niet-meewerkende ondernemingen werd erop gewezen dat het niet verlenen van medewerking kon leiden tot de toepassing van artikel 18 van de basisverordening.

2.   Product en soortgelijk product

(12)

De producten waarbij naar verluidt rechten werden ontdoken zijn hulpstukken voor buisleidingen (andere dan gegoten hulpstukken, flenzen en hulpstukken met schroefdraad), van ijzer of van staal (doch niet van roestvrij staal), met een grootste uitwendige diameter van niet meer dan 609,6 mm, geschikt voor stomplassen of voor andere doeleinden, die momenteel worden ingedeeld onder de GN-codes ex 7307 93 11 (Taric-code 7307931193), ex 7307 93 19 (Taric-code 7307931993), ex 7307 99 30 (Taric-code 7307993093) en ex 7307 99 90 (Taric-code 7307999093).

(13)

Gezien het zeer lage niveau van medewerking moet geconcludeerd worden dat de hulpstukken voor buisleidingen die uit de VRC naar de Gemeenschap werden uitgevoerd en de producten die vanuit Indonesië werden verzonden dezelfde fysieke en chemische kenmerken vertonen en voor dezelfde doeleinden worden gebruikt. Zij moeten derhalve beschouwd worden als soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

3.   Gewijzigd patroon van het handelsverkeer

(14)

Zoals hierboven werd vermeld bleek uit de aanwijzingen dat het gewijzigde handelsverkeer zijn oorzaak vond in het feit dat de goederen in Indonesië werden overgeladen en met een onjuiste oorsprongsaangife werden ingevoerd aangezien zij werden aangegeven als van oorsprong uit Indonesië terwijl aangetoond kon worden dat de goederen van oorsprong uit de VRC waren.

(15)

Omdat geen enkele onderneming in Indonesië medewerking aan het onderzoek verleende diende de uitvoer uit Indonesië naar de Gemeenschap te worden vastgesteld op basis van de beschikbare gegevens overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening. De gegevens van Eurostat die in dat verband het geschikst waren, werden derhalve gebruikt om vast te stellen welke hoeveelheden uit Indonesië naar de Gemeenschap werden uitgevoerd en tegen welke prijzen.

(16)

De invoer van hulpstukken voor buisleidingen aangegeven als van oorsprong uit Indonesië steeg van 0 t in 2000 tot 866 t tijdens het OT. Deze invoer uit Indonesië nam een aanvang in januari 2002 op een ogenblik dat het voorgaande onderzoek nog liep. De invoer in de Gemeenschap van hulpstukken voor buisleidingen uit de VRC steeg van 44 t in 2000 tot 287 t tijdens het onderzoektijdvak. De stijging van deze uitvoer uit de VRC moet evenwel samen met de uitvoer die plaatsvond in de beoordelingsperiode van het oorspronkelijke onderzoek worden onderzocht (4). De uitvoer uit China tijdens het onderzoektijdvak bedroeg immers minder dan 10 % van de uitvoer die plaatsvond tijdens de beoordelingsperiode van het oorspronkelijke onderzoek. Rekening houdend met het bovenstaande en bij gebrek aan bewijzen van het tegendeel werd vastgesteld dat de invoer van producten die vanuit Indonesië werden verzonden ten dele in de plaats kwam van de eerdere invoer uit de VRC.

4.   Onvoldoende gegronde reden of economische rechtvaardiging

(17)

Gezien het ontbreken van medewerking aan het onderzoek door de partijen in Indonesië en de VRC en van bewijzen om het tegendeel te concluderen wordt — rekening houdend met het feit dat de wijziging in het handelsverkeer samenviel met het vorige onderzoek dat tot de instelling van de thans geldende maatregelen heeft geleid — geconcludeerd dat de antidumpingrechten die werden ingesteld op de invoer van het betrokken product van oorsprong uit de VRC de reden waren voor de wijziging van het handelsverkeer en dat geen andere gegronde reden of economische rechtvaardiging in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening kan worden aangewezen.

(18)

De conclusie luidt derhalve dat er geen andere aanvaardbare verklaring was voor de vastgestelde wijziging in het handelsverkeer dan de ontwijking van de antidumpingrechten die ingesteld waren op de invoer van hulpstukken voor buisleidingen van oorsprong uit de VRC.

5.   De ondermijning van de corrigerende werking van het recht door de ingevoerde hoeveelheden en de prijzen van het soortgelijk product

(19)

Het bovenstaande onderzoek naar de handelsstroom toonde aan dat de wijziging in het patroon van de invoer in de Gemeenschap verband houdt met de ingestelde antidumpingmaatregelen. Invoer die werd aangegeven als van oorsprong uit Indonesië was op de markt van de Gemeenschap niet voorhanden tot januari 2002. Na deze datum steeg de invoer die werd aangegeven als van oorsprong uit Indonesië sterk, namelijk tot 866 t tijdens het onderzoektijdvak. Deze hoeveelheid komt neer op 1,7 % van het verbruik in de Gemeenschap tijdens het onderzoektijdvak van het vorige onderzoek.

(20)

In verband met de prijzen van de uit Indonesië verzonden goederen werd, bij gebrek aan medewerking van de exporteurs en aan bewijzen van het tegendeel, aan de hand van de gegevens van Eurostat vastgesteld dat de gemiddelde prijzen van de uit Indonesië ingevoerde producten tijdens het onderzoektijdvak lager waren dan de gemiddelde prijzen bij uitvoer uit de VRC die in het kader van het vorige onderzoek werden vastgesteld en derhalve ook lager dan de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Er werd vastgesteld dat de prijzen van de uit Indonesië ingevoerde producten tijdens het onderzoektijdvak ongeveer 34 % onder de prijzen van de uit China uitgevoerde producten lagen.

(21)

Op basis van bovenstaande gegevens wordt geconcludeerd dat het gewijzigde handelsverkeer samen met de abnormaal lage prijzen van de uit Indonesië uitgevoerde producten de corrigerende werking van de antidumpingmaatregelen hebben ondermijnd zowel wat de hoeveelheden als wat de prijzen van het soortgelijk product betreft.

6.   Bewijzen van dumping bij vergelijking met de normale waarden die eerder voor soortgelijke producten werden vastgesteld

(22)

Om vast te stellen of bewijzen van dumping konden worden gevonden in verband met het betrokken product dat tijdens het onderzoektijdvak uit Indonesië naar de Gemeenschap werd uitgevoerd, werd gebruik gemaakt van de op Eurostat-gegevens gebaseerde uitvoerprijzen overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening.

(23)

Volgens artikel 13, lid 1, van de basisverordening moet worden bewezen dat dumping plaatsvindt ten aanzien van de voor de soortgelijke producten eerder vastgestelde normale waarden. In het kader van het vorige onderzoek werd Thailand geschikt bevonden als referentieland met een markteconomie om de normale waarde voor de VRC vast te stellen.

(24)

Om een billijke vergelijking van de normale waarde met de uitvoerprijs mogelijk te maken werd in de vorm van correcties terdege rekening gehouden met verschillen die gevolgen hebben voor de prijzen en de vergelijkbaarheid van deze prijzen. Deze correcties vonden plaats overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening voor de kosten voor vervoer en verzekering. Bij gebrek aan andere gegevens werd gebruik gemaakt van de gegevens van het vorige onderzoek.

(25)

De vergelijking — overeenkomstig artikel 2, lid 11 en artikel 2, lid 12, van de basisverordening — van de gewogen gemiddelde normale waarde die in het kader van het vorige onderzoek werd vastgesteld met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs die voor het onderzoektijdvak van onderhavig onderzoek werd vastgesteld, uitgedrukt in percenten van de cif-prijs grens-Gemeenschap, vóór inklaring, toonde aan dat er sprake was van dumping bij de invoer van hulpstukken voor buisleidingen die vanuit Indonesië werden verzonden. De vastgestelde dumpingmarge, uitgedrukt in percenten van de cif-prijs grens-Gemeenschap, vóór inklaring bedroeg 60,5 %.

C.   MAATREGELEN

(26)

Rekening houdend met de bovenstaande bevinding dat de rechten worden ontweken in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening moeten de momenteel geldende antidumpingmaatregelen bij invoer van het betrokken product van oorsprong uit de VRC worden uitgebreid tot hetzelfde product dat vanuit Indonesië wordt verzonden en al dan niet als van oorsprong uit Indonesië wordt aangegeven.

(27)

Het recht dat tot genoemd product wordt uitgebreid moet het recht zijn dat in artikel 1, lid 2, van de oorspronkelijke verordening werd vastgesteld.

(28)

Overeenkomstig artikel 13, lid 3 en artikel 14, lid 5, van de basisverordening waarin is bepaald dat de uitgebreide maatregelen worden toegepast op de geregistreerde invoer met ingang van de datum van registratie moet het antidumpingrecht worden geïnd op de invoer van hulpstukken voor buisleidingen die vanuit Indonesië werden verzonden en die bij hun binnenkomst in de Gemeenschap overeenkomstig de inleidingsverordening werden geregistreerd.

(29)

De ontduiking vindt plaats buiten de Gemeenschap. Artikel 13 van de basisverordening heeft ten doel ontduiking van rechten tegen te gaan zonder ondernemingen te treffen die kunnen aantonen dat ze niet bij dergelijke praktijken betrokken zijn; dit artikel bepaalt evenwel niet specifiek hoe producenten die kunnen aantonen dat zij de antidumpingrechten niet ontduiken, moeten worden behandeld. Derhalve moet producenten die het betrokken product tijdens het onderzoektijdvak niet hebben uitgevoerd en niet gelieerd zijn aan exporteurs of producenten op wier uitvoer het uitgebreide antidumpingrecht van toepassing is de mogelijkheid worden geboden te verzoeken de door hen ingevoerde producten vrij te stellen van de maatregelen. De betrokken producenten die overwegen een verzoek om vrijstelling van het uitgebreide antidumpingrecht in te dienen moeten een vragenlijst beantwoorden teneinde de Commissie in staat te stellen te beoordelen of een vrijstelling al dan niet gerechtvaardigd is. Deze vrijstelling kan worden toegestaan na de beoordeling van bijvoorbeeld: de marktsituatie van het betrokken product, de productiecapaciteit en bezettingsgraad, de aan- en verkoop, het gevaar voor praktijken waarvoor geen voldoende reden of economische rechtvaardiging voorhanden is, of de bewijzen van dumping. Doorgaans verricht de Commissie ook een controle bij de betrokken onderneming. Het verzoek om vrijstelling moet onverwijld aan de Commissie worden gericht en vergezeld gaan van alle relevante informatie met name over wijzigingen in de activiteiten van de onderneming die verband houden met de productie en de verkoop.

(30)

Importeurs kunnen ook vrijgesteld worden van registratie of maatregelen overeenkomstig artikel 13, lid 4, van de basisverordening indien zij het betrokken product aankopen bij exporteurs waaraan een dergelijke vrijstelling is verleend.

(31)

Indien een vrijstelling wordt verleend stelt de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, een dienovereenkomstige wijziging van onderhavige verordening voor. Op verleende vrijstellingen wordt toezicht uitgeoefend om te waarborgen dat aan de voorwaarden wordt voldaan.

D.   PROCEDURE

(32)

Belanghebbenden werden op de hoogte gebracht van de voornaamste gegevens en overwegingen op basis waarvan de Raad voornemens was het geldende definitieve antidumpingrecht uit te breiden en werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken. Er werden geen opmerkingen ontvangen die de bovenstaande conclusies hadden kunnen wijzigen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Het definitieve antidumpingrecht dat werd ingesteld bij Verordening (EG) nr. 964/2003 op hulpstukken voor buisleidingen (andere dan gegoten hulpstukken, flenzen en hulpstukken met schroefdraad), van ijzer of van staal (doch niet van roestvrij staal), met een grootste uitwendige diameter van niet meer dan 609,6 mm, geschikt voor stomplassen of voor andere doeleinden, ingedeeld onder de GN-codes ex 7307 93 11, (Taric-code 7307931199), ex 7307 93 19 (Taric-code 7307931999), ex 7307 99 30 (Taric-code 7307993098) en ex 7307 99 90 (Taric-code 7307999098), van oorsprong uit de Volksrepubliek China wordt uitgebreid tot hulpstukken voor buisleidingen (andere dan gegoten hulpstukken, flenzen en hulpstukken met schroefdraad), van ijzer of van staal (doch niet van roestvrij staal), met een grootste uitwendige diameter van niet meer dan 609,6 mm, geschikt voor stomplassen of voor andere doeleinden, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7307 93 11 (Taric-code 7307931193), ex 7307 93 19 (Taric-code 7307931993), ex 7307 99 30 (Taric-code 7307993093) en ex 7307 99 90 (Taric-code 7307999093) die vanuit Indonesië worden verzonden en al dan niet als van oorsprong uit Indonesië worden aangegeven.

2.   Het bij lid 1 van dit artikel uitgebreide recht wordt geïnd op de ingevoerde producten die geregistreerd werden overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EG) nr. 396/2004 van de Commissie alsmede artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5, van Verordening (EG) nr. 384/96.

3.   De bepalingen inzake douanerechten zijn van toepassing.

Artikel 2

1.   Verzoeken om vrijstelling van het bij artikel 1 uitgebreide recht moeten schriftelijk in één van de officiële talen van de Gemeenschap worden ingediend en worden ondertekend door een persoon die gemachtigd is de indiener van het verzoek te vertegenwoordigen. Het verzoek moet aan onderstaand adres worden gezonden:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Handel

Directoraat B

J-79 5/16

B-1049 Brussel

Fax (32-2) 295 65 05

Telex COMEU B 21877.

2.   De Commissie kan, na raadpleging van het Raadgevend Comité, het besluit nemen producten vrij te stellen van het bij artikel 1 uitgebreide antidumpingrecht, indien wordt aangetoond dat bij de invoer van die producten het antidumpingrecht dat werd ingesteld bij Verordening (EG) nr. 964/2003 niet wordt ontdoken.

Artikel 3

De douaneautoriteiten wordt opgedragen de registratie van de invoer overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EG) nr. 396/2004 te beëindigen.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 november 2004.

Voor de Raad

De voorzitter

B. R. BOT


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 461/2004 (PB L 77 van 13.3.2004, blz. 12).

(2)  PB L 139 van 6.6.2003, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1496/2004 (PB L 275 van 25.8.2004, blz. 3).

(3)  PB L 65 van 3.3.2004, blz. 10.

(4)  Verordening (EG) nr. 584/96 van de Raad (PB L 84 van 3.4.1996, blz. 1). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 778/2003 (PB L 114 van 8.5.2003, blz. 1).


1.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 355/9


VERORDENING (EG) Nr. 2053/2004 VAN DE RAAD

van 22 november 2004

tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij Verordening (EG) nr. 964/2003 werd ingesteld op hulpstukken voor buisleidingen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, tot hulpstukken voor buisleidingen, van ijzer of van staal, die vanuit Sri Lanka worden verzonden en al dan niet als van oorsprong uit Sri Lanka worden aangegeven

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) (hierna de „basisverordening” genoemd), en met name op artikel 13,

Gezien het voorstel dat de Commissie na raadpleging van het Raadgevend Comité heeft ingediend,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

1.   Geldende maatregelen

(1)

Na een nieuw onderzoek naar aanleiding van het vervallen van de maatregelen stelde de Raad bij Verordening (EG) nr. 964/2003 (2) (hierna de „oorspronkelijke verordening” genoemd), onder meer, een definitief antidumpingrecht van 58,6 % in op hulpstukken voor buisleidingen (andere dan gegoten hulpstukken, flenzen en hulpstukken met schroefdraad), van ijzer of van staal (doch niet van roestvrij staal), met een grootste uitwendige diameter van niet meer dan 609,6 mm, geschikt voor stomplassen of voor andere doeleinden, ingedeeld onder de GN-codes ex 7307 93 11 (Taric-code 7307931199), ex 7307 93 19 (Taric-code 7307931999), ex 7307 99 30 (Taric-code 7307993098) en ex 7307 99 90 (Taric-code 7307999098), van oorsprong uit de Volksrepubliek China (VRC).

2.   Verzoek

(2)

Op 20 januari 2004 ontving de Commissie een verzoek overeenkomstig artikel 13, lid 3, van de basisverordening om een onderzoek in te stellen naar de vermeende ontduiking van de antidumpingrechten op hulpstukken voor buisleidingen van oorsprong uit de VRC. Het verzoek was ingediend door het Defence Committee of the Steel Butt-Welding Fittings Industry van de Europese Unie namens vier producenten van de Gemeenschap.

(3)

In het verzoek werd aangevoerd dat het patroon van het handelsverkeer wijzigingen had ondergaan na de instelling van de antidumpingmaatregelen op de hulpstukken voor buisleidingen van oorsprong uit de VRC hetgeen bleek uit de sterke stijging van de invoer van dit product uit Sri Lanka.

(4)

Dit gewijzigde handelsverkeer vond naar verluidt zijn oorzaak in het feit dat de hulpstukken voor buisleidingen van oorsprong uit de VRC in Sri Lanka werden overgeladen en vandaar werden verzonden. Voorts werd aangevoerd dat er voor deze praktijk geen voldoende gegronde reden of economische rechtvaardiging kon worden gevonden behalve het feit dat op hulpstukken voor buisleidingen van oorsprong uit de VRC antidumpingmaatregelen waren ingesteld.

(5)

Ten slotte voerde de indiener van het verzoek aan dat de corrigerende werking van de geldende antidumpingrechten op hulpstukken voor buisleidingen van oorsprong uit de VRC teniet werd gedaan, zowel in termen van hoeveelheden als van prijzen, en dat dumping plaatsvond gelet op de eerder vastgestelde normale waarden voor de hulpstukken voor buisleidingen van oorsprong uit de VRC.

3.   Opening van het onderzoek

(6)

Overeenkomstig artikel 13, lid 3 en artikel 14, lid 5 van de basisverordening opende de Commissie bij Verordening (EG) nr. 395/2004 (3) (hierna de „inleidingsverordening” genoemd) een onderzoek naar de vermeende ontduiking van de antidumpingmaatregelen op hulpstukken voor buisleidingen van oorsprong uit de VRC door verzending van deze hulpstukken vanuit Sri Lanka, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Sri Lanka; de Commissie gaf de douaneautoriteiten ook de opdracht de invoer van hulpstukken voor buisleidingen van de GN-codes ex 7307 93 11 (Taric-code 7307931194), ex 7307 93 19 (Taric-code 7307931994), ex 7307 99 30 (Taric-code 7307993094) en ex 7307 99 90 (Taric-code 7307999094) die vanuit Sri Lanka werden verzonden en al dan niet als van oorsprong uit Sri Lanka werden aangegeven met ingang van 4 maart 2004 te registreren. De Commissie bracht de autoriteiten van de VRC en van Sri Lanka van de opening van het onderzoek op de hoogte.

4.   Onderzoek

(7)

Er werden vragenlijsten gezonden aan de producenten/ exporteurs in de VRC (er waren geen producenten in Sri Lanka bekend) alsmede aan de importeurs in de Gemeenschap die in het verzoek waren vermeld of die de Commissie bekend waren uit het onderzoek dat tot de instelling van de geldende maatregelen op hulpstukken voor buisleidingen van oorsprong uit de VRC (hierna het „vorige onderzoek” genoemd) had geleid. Belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de termijn die in de inleidingsverordening was vastgesteld schriftelijke opmerkingen te maken en te verzoeken te worden gehoord.

(8)

In de VRC beantwoordde geen enkele producent of exporteur de vragenlijst en ook geen enkele importeur in de Gemeenschap diende een antwoord in. Geen enkele producent of exporteur in Sri Lanka maakte zich bij de Commissie bekend of beantwoordde de vragenlijst.

5.   Onderzoektijdvak

(9)

Het onderzoektijdvak bestreek de periode van 1 januari 2003 tot 31 december 2003. De gegevens van de periode van 2000 tot het einde van het onderzoektijdvak werden gebruikt om het gewijzigde handelsverkeer te onderzoeken.

B.   RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

1.   Algemene overwegingen/niveau van de medewerking

a)   Sri Lanka

(10)

Geen enkele producent of exporteur van hulpstukken voor buisleidingen van oorsprong uit Sri Lanka verleende medewerking aan het onderzoek. De autoriteiten van Sri Lanka deelden de Commissie mede dat geen enkele onderneming in Sri Lanka geregistreerd was als producent van hulpstukken voor buisleidingen volgens de definitie van de inleidingsverordening. De enige reacties die van de importeurs werden ontvangen waren mededelingen dat zij geen hulpstukken voor buisleidingen uit Sri Lanka invoerden. De importeurs en de autoriteiten van Sri Lanka werd erop gewezen dat het niet verlenen van medewerking kon leiden tot de toepassing van artikel 18 van de basisverordening. Deze partijen werd ook op de gevolgen van het niet verlenen van medewerking gewezen.

b)   VRC

(11)

Er werkten geen Chinese producenten of exporteurs mee aan het onderzoek.

(12)

Deze ondernemingen werd erop gewezen dat het niet verlenen van medewerking kon leiden tot de toepassing van artikel 18 van de basisverordening. Deze partijen werd ook gewezen op de gevolgen van het niet verlenen van medewerking.

2.   Product en soortgelijk product

(13)

De producten waarbij naar verluidt rechten werden ontdoken zijn hulpstukken voor buisleidingen (andere dan gegoten hulpstukken, flenzen en hulpstukken met schroefdraad), van ijzer of van staal (doch niet van roestvrij staal), met een grootste uitwendige diameter van niet meer dan 609,6 mm, geschikt voor stomplassen of voor andere doeleinden, die momenteel worden ingedeeld onder de GN-codes ex 7307 93 11 (Taric-code 7307931194), ex 7307 93 19 (Taric-code 7307931994), ex 7307 99 30 (Taric-code 7307993094) en ex 7307 99 90 (Taric-code 7307999094).

(14)

Aangezien geen enkele partij in Sri Lanka aan het onderzoek meewerkte en rekening houdend met het gewijzigde handelsverkeer dat in het volgende punt wordt beschreven moet bij gebrek aan bewijzen van het tegendeel geconcludeerd worden dat de hulpstukken voor buisleidingen die uit de VRC naar de Gemeenschap werden uitgevoerd en de producten die vanuit Sri Lanka werden verzonden dezelfde fysieke en chemische kenmerken vertonen en voor dezelfde doeleinden worden gebruikt. Zij moeten derhalve beschouwd worden als soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

3.   Gewijzigd patroon van het handelsverkeer

(15)

Zoals in overweging 4 werd medegedeeld vond het gewijzigde handelsverkeer zijn oorzaak in het feit dat de goederen in Sri Lanka werden overgeladen en vandaar werden verzonden.

(16)

Omdat geen enkele onderneming in Sri Lanka medewerking aan het onderzoek verleende diende de uitvoer uit Sri Lanka naar de Gemeenschap te worden vastgesteld op basis van de beschikbare gegevens overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening. De gegevens van Eurostat die in dat verband het geschikst waren, werden derhalve gebruikt om vast te stellen welke hoeveelheden uit Sri Lanka naar de Gemeenschap werden uitgevoerd en tegen welke prijzen.

(17)

De invoer van hulpstukken voor buisleidingen uit Sri Lanka steeg van 0 t in 2000 tot 302 t tijdens het onderzoektijdvak. Deze invoer uit Sri Lanka nam een aanvang in juli 2002, op een ogenblik dat het voorgaande onderzoek nog liep. De invoer in de Gemeenschap van hulpstukken voor buisleidingen uit de VRC steeg van 44 t in 2000 tot 287 t tijdens het onderzoektijdvak. De stijging van deze uitvoer uit de VRC moet evenwel samen met de uitvoer die plaatsvond in de beoordelingsperiode van het oorspronkelijke onderzoek volgens Verordening (EG) nr. 584/96 worden onderzocht (4). De uitvoer uit China tijdens het onderzoektijdvak bedroeg immers minder dan 10 % van de uitvoer die plaatsvond tijdens de beoordelingsperiode van het oorspronkelijke onderzoek. Rekening houdend met het bovenstaande en bij gebrek aan bewijzen van het tegendeel werd vastgesteld dat de invoer van producten die vanuit Sri Lanka werden verzonden ten dele in de plaats kwam van de eerdere invoer uit de VRC.

(18)

Bovenstaande cijfers leiden tot de conclusie dat het patroon van het handelsverkeer sterke wijzigingen heeft ondergaan; deze namen een aanvang tijdens het vorige onderzoek, dat leidde tot de instelling van de momenteel geldende maatregelen op de invoer van het betrokken product van oorsprong uit de VRC, en hebben zich na de instelling van deze maatregelen snel voltrokken.

4.   Onvoldoende gegronde reden of economische rechtvaardiging

(19)

Gezien het ontbreken van medewerking aan het onderzoek door de partijen in Sri Lanka en de VRC en van bewijzen om het tegendeel te concluderen wordt – rekening houdend met het feit dat de wijziging in het handelsverkeer samenviel met het vorige onderzoek dat tot de instelling van de thans geldende maatregelen heeft geleid – geconcludeerd dat de antidumpingrechten die werden ingesteld op de invoer van het betrokken product van oorsprong uit de VRC de reden waren voor de wijziging van het handelsverkeer en dat geen andere gegronde reden of economische rechtvaardiging in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening kan worden aangewezen.

(20)

De conclusie luidt derhalve dat er geen andere aanvaardbare verklaring was voor de vastgestelde wijziging in het handelsverkeer dan de ontwijking van de antidumpingrechten die ingesteld waren op de invoer van hulpstukken voor buisleidingen van oorsprong uit de VRC.

5.   De ondermijning van de corrigerende werking van het recht door de ingevoerde hoeveelheden en de prijzen van het soortgelijke product

(21)

Het bovenstaande onderzoek naar de handelsstroom toonde aan dat de wijziging in het patroon van de invoer in de Gemeenschap verband hield met de ingestelde antidumpingmaatregelen. Invoer die werd aangegeven als van oorsprong uit Sri Lanka was op de markt van de Gemeenschap niet voorhanden tot juni 2002. Na deze datum steeg de invoer die werd aangegeven als van oorsprong uit Sri Lanka sterk, namelijk tot 302 t tijdens het onderzoektijdvak. Deze hoeveelheid komt neer op 0,6 % van het verbruik in de Gemeenschap tijdens het onderzoektijdvak van het vorige onderzoek. Er mag niet uit het oog worden verloren dat de invoer van het betrokken product in de Gemeenschap sterk verspreid is over verschillende exporterende landen. Zo nam Sri Lanka tijdens het onderzoektijdvak 2,5 % van de totale invoer van het betrokken product in de Gemeenschap voor zijn rekening terwijl de grootste exporteur (de Slowaakse Republiek) gedurende dat jaar 12 % voor zijn rekening nam. Bovendien bekleedt Sri Lanka op een lijst van 36 exporterende landen die het betrokken product naar de Gemeenschap uitvoeren de twaalfde plaats.

(22)

In verband met de prijzen van de uit Sri Lanka verzonden goederen werd, bij gebrek aan medewerking van Sri Lanka en aan bewijzen van het tegendeel, aan de hand van de gegevens van Eurostat vastgesteld dat de gemiddelde prijzen van de uit Sri Lanka ingevoerde producten tijdens het onderzoektijdvak lager waren dan i) de gemiddelde prijzen bij uitvoer uit de VRC die in het kader van het vorige onderzoek werden vastgesteld, ii) de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Er werd vastgesteld dat de prijzen van de uit Sri Lanka ingevoerde producten tijdens het onderzoektijdvak meer dan 12 % onder de prijzen van de uit China uitgevoerde producten lagen.

(23)

Op basis van bovenstaande gegevens wordt geconcludeerd dat het gewijzigde handelsverkeer samen met de abnormaal lage prijzen van de uit Sri Lanka uitgevoerde producten de corrigerende werking van de antidumpingmaatregelen hebben ondermijnd zowel wat de hoeveelheden als wat de prijzen van het soortgelijke product betreft.

6.   Bewijzen van dumping bij vergelijking met de normale waarden die eerder voor soortgelijke producten werden vastgesteld

(24)

Om vast te stellen of bewijzen van dumping konden worden gevonden in verband met het betrokken product dat tijdens het onderzoektijdvak uit Sri Lanka naar de Gemeenschap werd uitgevoerd, werd gebruik gemaakt van de op Eurostat-gegevens gebaseerde uitvoerprijzen overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening.

(25)

Volgens artikel 13, lid 1, van de basisverordening moet worden bewezen dat dumping plaatsvindt ten aanzien van de voor de soortgelijke producten eerder vastgestelde normale waarden. In het kader van het vorige onderzoek werd Thailand geschikt bevonden als referentieland met een markteconomie om de normale waarde voor de VRC vast te stellen.

(26)

Om een billijke vergelijking van de normale waarde met de uitvoerprijs mogelijk te maken werd in de vorm van correcties terdege rekening gehouden met verschillen die gevolgen hebben voor de prijzen en de vergelijkbaarheid van deze prijzen. Deze correcties vonden plaats overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening voor de kosten voor vervoer en verzekering. Bij gebrek aan andere gegevens werd gebruik gemaakt van de gegevens in het verzoek.

(27)

De vergelijking — overeenkomstig artikel 2, lid 11 en artikel 2, lid 12, van de basisverordening — van de gewogen gemiddelde normale waarde die in het kader van het vorige onderzoek werd vastgesteld met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs die voor het onderzoektijdvak van onderhavig onderzoek werd vastgesteld, uitgedrukt in percenten van de cif-prijs grens-Gemeenschap, vóór inklaring, toonde aan dat er sprake was van dumping bij de invoer van hulpstukken voor buisleidingen die vanuit Sri Lanka werden verzonden. De vastgestelde dumpingmarge, uitgedrukt in percenten van de cif-prijs grens-Gemeenschap, vóór inklaring bedroeg 34,3 %.

C.   MAATREGELEN

(28)

Rekening houdend met de bovenstaande bevinding dat de rechten worden ontweken in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening moeten de momenteel geldende antidumpingmaatregelen bij invoer van het betrokken product van oorsprong uit de VRC worden uitgebreid tot hetzelfde product dat vanuit Sri Lanka wordt verzonden en al dan niet als van oorsprong uit Sri Lanka wordt aangegeven.

(29)

Het recht dat tot genoemd product wordt uitgebreid moet het recht zijn dat in artikel 1, lid 2, van de oorspronkelijke verordening werd vastgesteld.

(30)

Overeenkomstig artikel 13, lid 3 en artikel 14, lid 5, van de basisverordening waarin is bepaald dat de uitgebreide maatregelen worden toegepast op de geregistreerde invoer met ingang van de datum van registratie moet het antidumpingrecht worden geïnd op de invoer van hulpstukken voor buisleidingen die vanuit Sri Lanka werden verzonden en die bij hun binnenkomst in de Gemeenschap overeenkomstig artikel 2 van de inleidingsverordening werden geregistreerd.

(31)

De ontduiking vindt plaats buiten de Gemeenschap. Artikel 13 van de basisverordening heeft ten doel ontduiking van rechten tegen te gaan zonder ondernemingen te treffen die kunnen aantonen dat ze niet bij dergelijke praktijken betrokken zijn; dit artikel bepaalt evenwel niet specifiek hoe producenten die kunnen aantonen dat zij de antidumpingrechten niet ontduiken, moeten worden behandeld. Derhalve moet producenten die het betrokken product tijdens het onderzoektijdvak niet hebben uitgevoerd en niet gelieerd zijn met exporteurs of producenten op wier uitvoer het uitgebreide antidumpingrecht van toepassing is de mogelijkheid worden geboden te verzoeken de door hen ingevoerde producten vrij te stellen van de maatregelen. De betrokken producenten die overwegen een verzoek om vrijstelling van het uitgebreide antidumpingrecht in te dienen moeten een vragenlijst beantwoorden teneinde de Commissie in staat te stellen te beoordelen of een vrijstelling al dan niet gerechtvaardigd is. Deze vrijstelling kan worden toegestaan na de beoordeling van bijvoorbeeld: de marktsituatie van het betrokken product, de productiecapaciteit en bezettingsgraad, de aan- en verkoop, het gevaar voor praktijken waarvoor geen voldoende reden of economische rechtvaardiging voorhanden is, of de bewijzen van dumping. Doorgaans verricht de Commissie ook een controle bij de betrokken onderneming. Het verzoek om vrijstelling moet onverwijld aan de Commissie worden gericht en vergezeld gaan van alle relevante informatie met name over wijzigingen in de activiteiten van de onderneming die verband houden met de productie en de verkoop.

(32)

Importeurs kunnen ook vrijgesteld worden van registratie of maatregelen overeenkomstig artikel 13, lid 4, van de basisverordening indien zij het betrokken product aankopen bij exporteurs waaraan een dergelijke vrijstelling is verleend.

(33)

Indien een vrijstelling wordt verleend zal de Commissie, na overleg in het Raadgevend Comité, een dienovereenkomstige wijziging van onderhavige verordening voorstellen. Op verleende vrijstellingen zal toezicht worden uitgeoefend om te waarborgen dat aan de voorwaarden wordt voldaan.

(34)

Belanghebbenden werden op de hoogte gebracht van de voornaamste gegevens en overwegingen op basis waarvan de Raad voornemens was het geldende definitieve antidumpingrecht uit te breiden en werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken. Er werden geen opmerkingen ontvangen die de bovenstaande conclusies hadden kunnen wijzigen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Het definitieve antidumpingrecht dat werd ingesteld bij Verordening (EG) nr. 964/2003 op hulpstukken voor buisleidingen (andere dan gegoten hulpstukken, flenzen en hulpstukken met schroefdraad), van ijzer of van staal (doch niet van roestvrij staal), met een grootste uitwendige diameter van niet meer dan 609,6 mm, geschikt voor stomplassen of voor andere doeleinden, ingedeeld onder de GN-codes ex 7307 93 11 (Taric-code 7307931199), ex 7307 93 19 (Taric-code 7307931999), ex 7307 99 30 (Taric-code 7307993098) en ex 7307 99 90 (Taric-code 7307999098), van oorsprong uit de Volksrepubliek China wordt uitgebreid tot hulpstukken voor buisleidingen (andere dan gegoten hulpstukken, flenzen en hulpstukken met schroefdraad), van ijzer of van staal (doch niet van roestvrij staal), met een grootste uitwendige diameter van niet meer dan 609,6 mm, geschikt voor stomplassen of voor andere doeleinden, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7307 93 11 (Taric-code 7307931194), ex 7307 93 19 (Taric-code 7307931994), ex 7307 99 30 (Taric-code 7307993094) en ex 7307 99 90 (Taric-code 7307999094) die vanuit Sri Lanka worden verzonden en al dan niet als van oorsprong uit Sri Lanka worden aangegeven.

2.   Het bij lid 1 uitgebreide recht wordt geïnd op de ingevoerde producten die geregistreerd werden overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EG) nr. 395/2004, alsmede artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5, van Verordening (EG) nr. 384/96.

3.   De bepalingen inzake douanerechten zijn van toepassing.

Artikel 2

1.   Verzoeken om vrijstelling van het bij artikel 1 uitgebreide recht moeten schriftelijk in een van de officiële talen van de Gemeenschap worden ingediend en worden ondertekend door een persoon die gemachtigd is de indiener van het verzoek te vertegenwoordigen. Het verzoek moet aan onderstaand adres worden gezonden:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Handel

Directoraat B

J-79 5/16

B-1049 Brussel

Fax (32-2) 2956505

Telex COMEU B 21877.

2.   De Commissie kan, na raadpleging van het Raadgevend Comité, het besluit nemen producten vrij te stellen van het bij artikel 1 uitgebreide antidumpingrecht, indien wordt aangetoond dat bij de invoer van die producten het antidumpingrecht dat werd ingesteld bij Verordening (EG) nr. 964/2003 niet wordt ontdoken.

Artikel 3

De douaneautoriteiten wordt opgedragen de registratie van de invoer overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EG) nr. 395/2004 te beëindigen.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 november 2004.

Voor de Raad

De voorzitter

B. R. BOT


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 461/2004 (PB L 77 van 13.3.2004, blz. 12).

(2)  PB L 139 van 6.6.2003, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1496/2004 (PB L 275 van 25.8.2004, blz. 1).

(3)  PB L 65 van 3.3.2004, blz. 7.

(4)  PB L 84 van 3.4.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 778/2003 (PB L 114 van 8.5.2003, blz. 1).


1.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 355/14


VERORDENING (EG) Nr. 2054/2004 VAN DE COMMISSIE

van 29 november 2004

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de lijst van landen en gebieden

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en houdende wijziging van Richtlijn 92/65/EEG van de Raad (1), en met name op de artikelen 10 en 21,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 998/2003 stelt de veterinairrechtelijke voorschriften vast voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren, alsmede de regels betreffende de controle van dat verkeer. Bijlage II, deel C, bij die verordening bevat een lijst van derde landen waarvan is vastgesteld dat het risico dat rabiës de Gemeenschap binnenkomt door verkeer van gezelschapsdieren uit hun grondgebied niet groter is dan het risico bij dergelijk verkeer tussen lidstaten.

(2)

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 998/2003 diende vóór 3 juli 2004 een lijst van derde landen te worden vastgesteld. Om op deze lijst te worden geplaatst, dienen derde landen het bewijs te leveren van hun situatie met betrekking tot rabiës en aan te tonen dat ze beantwoorden aan bepaalde voorwaarden inzake kennisgeving, toezicht, veterinaire diensten, voorkoming van en controle op rabiës en voorschriften betreffende vaccins.

(3)

Teneinde onnodige verstoringen van het verkeer van gezelschapsdieren te voorkomen en derde landen de tijd te geven om indien nodig bijkomende garanties te leveren, dient een voorlopige lijst van derde landen te worden opgesteld. Die lijst moet gebaseerd zijn op de gegevens van het Internationaal Bureau voor besmettelijke veeziekten (OIE), de resultaten van de inspecties van het Voedsel- en Veterinair Bureau van de Commissie in de betrokken derde landen en informatie die door de lidstaten is verzameld.

(4)

De lijst moet ook gebaseerd zijn op de gegevens van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), het WHO-samenwerkingscentrum voor surveillance van en onderzoek naar rabiës in Wusterhausen, en het Rabies Bulletin.

(5)

Op de voorlopige lijst van derde landen dienen landen te worden opgenomen die vrij zijn van rabiës, alsmede landen waarvan is vastgesteld dat het risico dat rabiës de Gemeenschap binnenkomt door verkeer uit hun grondgebied niet groter is dan het risico bij verkeer tussen lidstaten.

(6)

Ingevolge de verzoeken van de bevoegde autoriteiten van de Russische Federatie om te worden opgenomen in bijlage II, deel C, bij Verordening (EG) nr. 998/2003 lijkt het wenselijk de overeenkomstig artikel 10 opgestelde voorlopige lijst te wijzigen.

(7)

Ten behoeve van de duidelijkheid van de Gemeenschapswetgeving dient bijlage II bij Verordening (EG) nr. 998/2003 volledig te worden vervangen.

(8)

Verordening (EG) nr. 998/2003 moet dus dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage II bij Verordening (EG) nr. 998/2003 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 3 december 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 november 2004.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 146 van 13.6.2003, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2004/650/EG van de Raad (PB L 298 van 23.9.2004, blz. 22).


BIJLAGE

„BIJLAGE II

LIJST VAN LANDEN EN GEBIEDEN

DEEL A

 

IE — Ierland

 

MT — Malta

 

SE — Zweden

 

UK — Verenigd Koninkrijk

DEEL B

Deel 1:

a)

DK — Denemarken, inclusief GL — Groenland en FO — Faeröereilanden;

b)

ES — Spanje, inclusief het continentale grondgebied, de Balearen, de Canarische Eilanden, Ceuta en Melilla;

c)

FR — Frankrijk, inclusief GF — Frans Guyana, GP — Guadeloupe, MQ — Martinique en RE — Réunion;

d)

GI — Gibraltar;

e)

PT — Portugal, inclusief het continentale grondgebied, de Azoren en Madeira;

f)

Andere dan de onder deel A en de punten a), b), c) en e) van deze afdeling genoemde lidstaten.

Deel 2

 

AD — Andorra

 

CH — Zwitserland

 

IS — IJsland

 

LI — Liechtenstein

 

MC — Monaco

 

NO — Noorwegen

 

SM — San Marino

 

VA — Vaticaanstad

DEEL C

 

AC — Ascension

 

AE — Verenigde Arabische Emiraten

 

AG — Antigua en Barbuda

 

AN — Nederlandse Antillen

 

AU — Australië

 

AW — Aruba

 

BB — Barbados

 

BH — Bahrein

 

BM — Bermuda

 

CA — Canada

 

CL — Chili

 

FJ — Fiji

 

FK — Falklandeilanden

 

HK — Hongkong

 

HR — Kroatië

 

JM — Jamaica

 

JP — Japan

 

KN — Saint Kitts en Nevis

 

KY — Caymaneilanden

 

MS — Montserrat

 

MU — Mauritius

 

NC — Nieuw-Caledonië

 

NZ — Nieuw-Zeeland

 

PF — Frans-Polynesië

 

PM — Saint-Pierre en Miquelon

 

RU — Russische Federatie

 

SG — Singapore

 

SH — Sint-Helena

 

US — Verenigde Staten van Amerika

 

VC — Saint Vincent en de Grenadines

 

VU — Vanuatu

 

WF — Wallis en Futuna

 

YT — Mayotte”


1.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 355/18


VERORDENING (EG) Nr. 2055/2004 VAN DE COMMISSIE

van 30 november 2004

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 december 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 november 2004.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1947/2002 (PB L 299 van 1.11.2002, blz. 17).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 30 november 2004 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

052

90,5

070

81,3

204

97,7

999

89,8

0707 00 05

052

73,6

204

32,5

999

53,1

0709 90 70

052

89,0

204

62,5

999

75,8

0805 20 10

052

59,1

204

55,4

999

57,3

0805 20 30, 0805 20 50, 0805 20 70, 0805 20 90

052

73,8

204

45,9

624

79,4

720

30,1

999

57,3

0805 50 10

052

46,8

388

41,4

528

25,4

999

37,9

0808 10 20, 0808 10 50, 0808 10 90

052

95,1

388

136,3

400

85,5

404

91,4

512

104,7

720

60,1

800

194,0

804

107,6

999

109,3

0808 20 50

052

120,9

400

96,5

720

54,0

999

90,5


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 2081/2003 van de Commissie (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11). De code „999” staat voor „andere oorsprong”.


1.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 355/20


VERORDENING (EG) Nr. 2056/2004 VAN DE COMMISSIE

van 30 november 2004

tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 1 december 2004

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1249/96 van de Commissie van 28 juni 1996 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad ten aanzien van de invoerrechten in de sector granen (2), en met name op artikel 2, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1784/2003 is bepaald dat bij de invoer van de in artikel 1 van die verordening bedoelde producten de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief worden geheven. Voor de producten als bedoeld in lid 2 van dat artikel is het invoerrecht echter gelijk aan de interventieprijs voor deze producten bij de invoer, verhoogd met 55 % en verminderd met de cif-invoerprijs van de betrokken zending. Dit invoerrecht mag echter niet hoger zijn dan het recht van het gemeenschappelijk douanetarief.

(2)

In artikel 10, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 is bepaald dat de cif-invoerprijzen worden berekend aan de hand van de representatieve prijzen voor het betrokken product op de wereldmarkt.

(3)

Bij Verordening (EG) nr. 1249/96 zijn bepalingen vastgesteld voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1784/2003 ten aanzien van de invoerrechten in de sector granen.

(4)

De vastgestelde invoerrechten zijn van toepassing totdat een nieuwe vaststelling in werking treedt.

(5)

Voor het normaal functioneren van het stelsel van invoerrechten moeten deze rechten worden berekend aan de hand van de in een referentieperiode geconstateerde representatieve marktkoersen.

(6)

De toepassing van Verordening (EG) nr. 1249/96 leidt ertoe de invoerrechten vast te stellen zoals vermeld in bijlage I bij deze verordening,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde invoerrechten in de sector granen worden vastgesteld in bijlage I bij deze verordening en zijn bepaald aan de hand van de in bijlage II vermelde elementen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 december 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 november 2004.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78.

(2)  PB L 161 van 29.6.1996, blz. 125. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1110/2003 (PB L 158 van 27.6.2003, blz. 12).


BIJLAGE I

Vanaf 1 december 2004 geldende invoerrechten voor de in artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde producten

GN-code

Omschrijving

Invoerrecht (1)

(in EUR/ton)

1001 10 00

Harde tarwe van hoge kwaliteit

0,00

van gemiddelde kwaliteit

0,00

van lage kwaliteit

0,00

1001 90 91

Zachte tarwe, zaaigoed

0,00

ex 1001 90 99

Zachte tarwe van hoge kwaliteit, andere dan voor zaaidoeleinden

0,00

1002 00 00

Rogge

33,78

1005 10 90

Maïs, zaaigoed, andere dan hybriden

52,00

1005 90 00

Maïs, andere dan zaaigoed (2)

52,00

1007 00 90

Graansorgho, andere dan hybriden bestemd voor zaaidoeleinden

33,78


(1)  Voor producten die via de Atlantische Oceaan of het Suezkanaal in de Gemeenschap worden aangevoerd (artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1249/96) komt de importeur in aanmerking voor een verlaging van het invoerrecht met:

3 EUR/t, als de loshaven aan de Middellandse Zee ligt, of

2 EUR/t, als de loshaven in Ierland, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Estland, Letland, Litouen, Polen, Finland, Zweden of aan de Atlantische kust van het Iberisch Schiereiland ligt.

(2)  De importeur komt in aanmerking voor een forfaitaire verlaging van het invoerrecht met 24 EUR/t, als aan de in artikel 2, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1249/96 vastgestelde voorwaarden is voldaan.


BIJLAGE II

Berekeningselementen

periode van 15.11.2004-29.11.2004

1)

Gemiddelden over de referentieperiode bepaald in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96:

Beursnotering

Minneapolis

Chicago

Minneapolis

Minneapolis

Minneapolis

Minneapolis

Product (eiwitgehalte bij 12 % vocht)

HRS2 (14 %)

YC3

HAD2

Van gemiddelde kwaliteit (1)

Van lage kwaliteit (2)

US barley 2

Notering (EUR/t)

114,08 (3)

60,17

156,32 (4)

146,32 (4)

126,32 (4)

81,79 (4)

Golfpremie (EUR/t)

13,01

 

 

Grote-Merenpremie (EUR/t)

17,47

 

 

2)

Gemiddelden over de referentieperiode bepaald in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96:

Vrachttarieven/kosten: Golf van Mexico–Rotterdam: 33,28 EUR/t; Grote Meren–Rotterdam: 42,90 EUR/t.

3)

Subsidies bedoeld in artikel 4, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1249/96:

0,00 EUR/t (HRW2)

0,00 EUR/t (SRW2).


(1)  Een korting van 10 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).

(2)  Een korting van 30 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).

(3)  Premie van 14 EUR/t inbegrepen (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).

(4)  Fob Duluth.


1.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 355/23


VERORDENING (EG) Nr. 2057/2004 VAN DE COMMISSIE

van 30 november 2004

tot vaststelling van de productierestitutie voor in de chemische industrie gebruikte witte suiker voor de periode van 1 tot en met 31 december 2004

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 7, lid 5, vijfde streepje,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1260/2001 kan worden besloten om restituties bij de productie te verlenen voor de in artikel 1, lid 1, onder a) en f), genoemde producten, voor de onder d) van dat lid genoemde stropen, en voor chemisch zuivere fructose (levulose) van GN-code 1702 50 00 als tussenproduct, die zich in een van de in artikel 23, lid 2, van het Verdrag bedoelde situaties bevinden en worden gebruikt bij de vervaardiging van bepaalde producten van de chemische industrie.

(2)

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1265/2001 van de Commissie van 27 juni 2001 houdende vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad, wat de productierestitutie voor bepaalde in de chemische industrie gebruikte producten van de sector suiker betreft (2) worden deze restituties bepaald op basis van de voor witte suiker vastgestelde restitutie.

(3)

In artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1265/2001 is bepaald dat de productierestitutie voor witte suiker maandelijks wordt vastgesteld voor perioden die op de eerste van iedere maand beginnen.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor suiker,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1265/2001 bedoelde productierestitutie voor witte suiker wordt voor de periode van 1 tot en met 31 december 2004 vastgesteld op 39,481 EUR/100 kg nettogewicht.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 december 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 november 2004.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 39/2004 van de Commissie (PB L 6 van 10.1.2004, blz. 16).

(2)  PB L 178 van 30.6.2001, blz. 63.


1.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 355/24


VERORDENING (EG) Nr. 2058/2004 VAN DE COMMISSIE

van 30 november 2004

tot vaststelling van de wereldmarktprijs voor niet-geëgreneerde katoen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op het aan de Akte van Toetreding van Griekenland gehechte Protocol nr. 4 betreffende katoen, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1050/2001 van de Raad (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1051/2001 van de Raad van 22 mei 2001 betreffende de steun voor de katoenproductie (2), en met name op artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1051/2001 wordt op gezette tijden een wereldmarktprijs voor niet-geëgreneerde katoen bepaald, rekening houdende met de historische verhouding tussen de in aanmerking genomen wereldmarktprijs voor geëgreneerde katoen en de berekende prijs voor niet-geëgreneerde katoen. Deze historische verhouding is vastgesteld in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1591/2001 van de Commissie van 2 augustus 2001, houdende uitvoeringsbepalingen van de steunregeling voor katoen (3). Als de wereldmarktprijs niet op die wijze kan worden bepaald, wordt hij bepaald op basis van de laatst vastgestelde prijs.

(2)

Krachtens artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1051/2001 wordt de wereldmarktprijs voor niet-geëgreneerde katoen bepaald voor een product met bepaalde kenmerken, waarbij rekening wordt gehouden met de gunstigste, voor de werkelijke markttendens representatief geachte aanbiedingen en noteringen. Om deze prijs te bepalen, wordt het gemiddelde berekend van de aanbiedingen en noteringen op één of meer Europese beurzen voor in een haven van Noord-Europa cif-geleverde producten uit de verschillende, voor de internationale handel als meest representatief beschouwde productielanden. Evenwel is bepaald dat deze criteria voor het bepalen van de wereldmarktprijs voor geëgreneerde katoen worden aangepast, om rekening te houden met de verschillen op grond van de kwaliteit van het geleverde product en de aard van de aanbiedingen en noteringen. In artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr 1591/2001 is bepaald welke aanpassingen kunnen plaatsvinden.

(3)

Op grond van bovenbedoelde criteria moet de wereldmarktprijs voor niet-geëgreneerde katoen op het hieronder aangegeven niveau worden vastgesteld,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1051/2001 bedoelde wereldmarktprijs voor niet-geëgreneerde katoen wordt vastgesteld op 16,679 EUR/100 kg.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 december 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 november 2004.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 148 van 1.6.2001, blz. 1.

(2)  PB L 148 van 1.6.2001, blz. 3.

(3)  PB L 210 van 3.8.2001, blz. 10. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1486/2002 (PB L 223 van 20.8.2002, blz. 3).