ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 325

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

47e jaargang
28 oktober 2004


Inhoud

 

I   Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

Bladzijde

 

 

Verordening (EG) nr. 1858/2004 van de Commissie van 27 oktober 2004 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

1

 

 

Verordening (EG) nr. 1859/2004 van de Commissie van 27 oktober 2004 tot bepaling van de mate waarin de in oktober 2004 ingediende aanvragen voor invoercertificaten voor jonge mannelijke mestrunderen ingewilligd kunnen worden

3

 

*

Verordening (EG) nr. 1860/2004 van de Commissie van 6 oktober 2004 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de de minimis-steun in de landbouwsector en de visserijsector

4

 

*

Verordening (EG) nr. 1861/2004 van de Commissie van 26 oktober 2004 tot vaststelling van de handelsnorm voor perziken en nectarines

10

 

*

Verordening (EG) nr. 1862/2004 van de Commissie van 26 oktober 2004 tot vaststelling van de handelsnorm voor watermeloenen

17

 

*

Verordening (EG) nr. 1863/2004 van de Commissie van 26 oktober 2004 tot vaststelling van de handelsnorm voor champignons

23

 

*

Verordening (EG) nr. 1864/2004 van de Commissie van 26 oktober 2004 betreffende de opening en de wijze van beheer van tariefcontingenten voor uit derde landen ingevoerde conserven van paddestoelen

30

 

 

Verordening (EG) nr. 1865/2004 van de Commissie van 27 oktober 2004 betreffende de afgifte van invoercertificaten voor rijst voor de aanvragen die in de eerste tien werkdagen van oktober 2004 zijn ingediend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 327/98

39

 

 

II   Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

 

 

Raad

 

*

2004/734/EG:Besluit van de Raad van 11 mei 2004 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de regio's

41

 

*

2004/735/EG:Besluit van de Raad van 24 mei 2004 houdende benoeming van nieuwe leden van het Economisch en Sociaal Comité

51

 

*

2004/736/EG:Beschikking van de Raad van 21 oktober 2004 waarbij het Verenigd Koninkrijk wordt gemachtigd tot toepassing van een bijzondere maatregel die afwijkt van artikel 11 van Zesde Richtlijn 77/388/EEG betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting

58

 

*

2004/737/EG:Beschikking van de Raad van 21 oktober 2004 waarbij Italië wordt gemachtigd tot toepassing van een maatregel die afwijkt van artikel 2, lid 1, van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting

60

 

*

2004/738/EG:Beschikking van de Raad van 21 oktober 2004 waarbij Portugal wordt gemachtigd tot toepassing van een maatregel die afwijkt van artikel 21, lid 1, onder a), en artikel 22 van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting

62

 

*

2004/739/GBVB:Besluit BiH/3/2004 van het Politiek en Veiligheidscomité van 29 september 2004 tot instelling van het Comité van contribuanten aan de militaire operatie van de Europese Unie in Bosnië en Herzegovina

64

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

28.10.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 325/1


VERORDENING (EG) Nr. 1858/2004 VAN DE COMMISSIE

van 27 oktober 2004

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 28 oktober 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 oktober 2004.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1947/2002 (PB L 299 van 1.11.2002, blz. 17).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 27 oktober 2004 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

052

56,2

204

43,2

999

49,7

0707 00 05

052

120,2

999

120,2

0709 90 70

052

92,6

204

44,5

628

48,8

999

62,0

0805 50 10

052

51,6

388

53,3

524

67,6

528

38,0

999

52,6

0806 10 10

052

91,9

400

198,2

999

145,1

0808 10 20, 0808 10 50, 0808 10 90

388

81,7

400

103,3

404

95,0

442

61,0

512

106,0

720

99,6

800

206,0

804

105,8

999

107,3

0808 20 50

052

103,7

720

75,4

999

89,6


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 2081/2003 van de Commissie (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11). De code „999” staat voor „andere oorsprong”.


28.10.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 325/3


VERORDENING (EG) Nr. 1859/2004 VAN DE COMMISSIE

van 27 oktober 2004

tot bepaling van de mate waarin de in oktober 2004 ingediende aanvragen voor invoercertificaten voor jonge mannelijke mestrunderen ingewilligd kunnen worden

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1202/2004 van de Commissie van 29 juni 2004 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor de invoer van jonge mannelijke mestrunderen (1 juli 2004 tot en met 30 juni 2005) (2), en met name op artikel 1, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 1, lid 3, onder b), van Verordening (EG) nr. 1202/2004 is vastgesteld hoeveel jonge mannelijke runderen in de periode van 1 oktober tot en met 31 december 2004 onder bijzondere voorwaarden mogen worden ingevoerd. Invoercertificaten zijn aangevraagd voor een zodanige hoeveelheid dat de aanvragen volledig kunnen worden ingewilligd.

(2)

De hoeveelheden, waarvoor met ingang van 1 januari 2005 certificaten kunnen worden aangevraagd, binnen de totale hoeveelheid van 169 000 dieren, dienen te worden vastgesteld volgens artikel 1, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1202/2004,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Aan elke aanvraag voor invoercertificaten die is ingediend in oktober 2004 krachtens artikel 3, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1202/2004 wordt volledig voldaan.

2.   Het aantal voor het in artikel 1, lid 3, onder c), van Verordening (EG) nr. 1202/2004 bedoelde tijdvak is 71 820 dieren.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 28 oktober 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 oktober 2004.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw


(1)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 21. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 (PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1).

(2)  PB L 230 van 30.6.2004, blz. 19.


28.10.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 325/4


VERORDENING (EG) Nr. 1860/2004 VAN DE COMMISSIE

van 6 oktober 2004

betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de de minimis-steun in de landbouwsector en de visserijsector

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 994/98 van de Raad van 7 mei 1998 betreffende de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op bepaalde soorten van horizontale steunmaatregelen (1), en met name op artikel 2, lid 1,

Na bekendmaking van de ontwerpverordening (2),

Na raadpleging van het Adviescomité inzake overheidssteun,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 994/98 geeft de Commissie de bevoegdheid bij verordening een drempel vast te stellen beneden welke steunmaatregelen niet aan alle criteria van artikel 87, lid 1, van het Verdrag worden geacht te voldoen, en derhalve niet onder de aanmeldingsprocedure van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vallen.

(2)

De Commissie heeft in een groot aantal beschikkingen de artikelen 87 en 88 van het Verdrag toegepast en met name het begrip „steun” in de zin van artikel 87, lid 1, van het Verdrag verduidelijkt. Voorts heeft de Commissie, laatstelijk in Verordening (EG) nr. 69/2001 (3), haar beleid vastgelegd ten aanzien van een de minimis-plafond beneden welk artikel 87, lid 1, van het Verdrag kan worden geacht niet van toepassing te zijn. Gelet op de bijzondere regels die in de landbouwsector en de visserijsector van toepassing zijn, en gezien het risico dat in deze sectoren zelfs kleine steunbedragen aan de criteria van artikel 87, lid 1, van het Verdrag voldoen, is Verordening (EG) nr. 69/2001 op deze sectoren niet van toepassing.

(3)

In het licht van de door de Commissie opgedane ervaring, met name sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en intrekking van een aantal verordeningen (4) en de communautaire richtsnoeren voor staatssteun in de landbouwsector (5), kan worden vastgesteld dat zeer kleine, in de landbouwsector toegekende steunbedragen niet voldoen aan de criteria van artikel 87, lid 1, van het Verdrag, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Dit is het geval wanneer het bedrag van de door individuele producenten ontvangen steun laag blijft en het totale bedrag van de aan de landbouwsector toegekende steun niet meer bedraagt dan een klein percentage van de productiewaarde. De landbouwproductie in de Europese Gemeenschap wordt doorgaans gekenmerkt door het feit dat ieder product door een groot aantal zeer kleine producenten wordt geproduceerd, die in het kader van gemeenschappelijke marktordeningen onderling grotendeels verwisselbare producten produceren. De gevolgen van kleine steunbedragen die in een bepaalde periode aan individuele producenten worden toegekend, moeten derhalve worden gerelateerd aan de productiewaarde van de landbouw op sectorniveau in diezelfde periode. Dankzij een plafond in de vorm van een bedrag per lidstaat, dat is vastgesteld op basis van de productiewaarde van de landbouwsector, kan een samenhangende aanpak in alle lidstaten op basis van een objectieve economische referentiewaarde worden gewaarborgd.

(4)

In het licht van de door de Commissie opgedane ervaring bij de beoordeling van staatssteun in de visserijsector, met name sinds de toepassing van de communautaire richtsnoeren voor het onderzoek van de steunmaatregelen van de staten in de visserij- en aquacultuursector (6) en de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 2792/1999 van 17 december 1999 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen en voorwaarden voor de structurele acties van de Gemeenschap in de visserijsector (7), kan worden vastgesteld dat zeer kleine, in de visserijsector toegekende steunbedragen niet voldoen aan de criteria van artikel 87, lid 1, van het Verdrag, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Gezien de overeenkomsten tussen de productiepatronen in de landbouwsector en die in de visserijsector, is dit het geval wanneer het bedrag van de door een onderneming in de visserijsector ontvangen steun gering is en terzelfder tijd het totale bedrag van de in de visserijsector verleende steun een gering percentage van de productiewaarde van de visserij niet overschrijdt.

(5)

Ter bevordering van de doorzichtigheid en de rechtszekerheid lijkt het passend de de minimis-regel voor de landbouwsector en de visserijsector in een verordening neer te leggen.

(6)

Gelet op de Overeenkomst inzake de landbouw van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) (8) mag deze verordening geen vrijstelling verlenen voor exportsteun of steun waardoor binnenlandse producten ten opzichte van ingevoerde producten worden begunstigd. De lidstaten zijn verplicht af te zien van de toekenning van steun die in strijd is met de verplichtingen uit hoofde van deze Overeenkomst. Steun ter compensatie van de kosten van deelname aan handelsbeurzen of van studies of adviesdiensten die noodzakelijk zijn voor het uitbrengen van een nieuw of een bestaand product op een nieuwe markt, is in de regel geen exportsteun. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 19 september 2002 vastgesteld dat de lidstaten, wanneer de Gemeenschap een regeling voor de totstandbrenging van een gemeenschappelijke marktordening in een bepaalde landbouwsector heeft vastgesteld, zich dienen te onthouden van elke maatregel die daarvan afwijkt of er inbreuk op maakt (9). Dit beginsel geldt ook voor de visserijsector. Deze verordening dient derhalve niet van toepassing te zijn op steun waarvan het bedrag is vastgesteld op basis van de prijs of de hoeveelheid op de markt gebrachte producten.

(7)

In het licht van de ervaring van de Commissie kan worden gesteld dat steun waarvan het bedrag over een periode van drie jaar niet meer bedraagt dan 3 000 EUR per begunstigde, voorzover het totale bedrag van de aan alle bedrijven over een periode van drie jaar verleende steun onder een door de Commissie op ongeveer 0,3 % van de jaarlijkse landbouw- of visserijproductie vast te stellen plafond blijft, het handelsverkeer tussen de lidstaten niet ongunstig beïnvloedt en/of de mededinging niet vervalst of dreigt te vervalsen, zodat deze steun niet onder artikel 87, lid 1, van het Verdrag valt. Bij de periode van drie jaar dient het om een verschuivende periode te gaan, zodat bij elke nieuwe verlening van de de minimis-steun het totale bedrag van de in de voorgaande drie jaar verleende de minimis-steun in aanmerking moet worden genomen. De de minimis-steun moet worden geacht te zijn verleend op het tijdstip waarop de begunstigde een wettelijke aanspraak op de steun verwerft. De de minimis regel laat de mogelijkheid onverlet, dat ondernemingen voor hetzelfde project ook staatssteun ontvangen die door de Commissie is goedgekeurd of die binnen het toepassingsgebied van een groepsvrijstellingsverordening valt.

(8)

Ter wille van de doorzichtigheid, de gelijke behandeling en de juiste toepassing van het de minimis-plafond is het passend te bepalen dat de lidstaten dezelfde berekeningsmethode moeten toepassen. Om de berekening te vergemakkelijken en in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 69/2001, dient te worden bepaald dat wanneer steun in een andere vorm dan een subsidie wordt verleend, het steunbedrag in zijn brutosubsidie-equivalent moet worden omgerekend. Bij de berekening van het subsidie-equivalent van in termijnen uitgekeerde steun en steun in de vorm van een zachte lening dienen de marktrentevoeten te worden toegepast die gelden op het ogenblik waarop de steun wordt verleend. Met het oog op een eenvormige, doorzichtige en eenvoudige toepassing van de staatssteunregels dienen voor de toepassing van deze verordening de referentierentevoeten als marktrentevoet te gelden, met dien verstande dat in het geval van een zachte lening daarvoor op de gebruikelijke wijze een zekerheid moet worden gesteld en de lening geen abnormale risico's mag meebrengen. De referentierentevoeten dienen op geregelde tijdstippen door de Commissie op basis van objectieve criteria te worden vastgesteld en in het Publicatieblad van de Europese Unie en op het internet te worden bekendgemaakt.

(9)

De Commissie is verplicht erop toe te zien dat de staatssteunregels worden nageleefd en met name dat, wanneer op grond van de de minimis-regel steun wordt verleend, de desbetreffende voorwaarden in acht worden genomen. Overeenkomstig het in artikel 10 van het Verdrag neergelegde samenwerkingsbeginsel moeten de lidstaten de vervulling van deze taak vergemakkelijken door de nodige maatregelen te treffen om te waarborgen dat het totale bedrag van de op grond van de de minimis-regel verleende steun over een periode van drie jaar niet meer bedraagt dan het plafond van 3 000 EUR per begunstigde of het algemene, door de Commissie op basis van de waarde van de productiewaarde van de landbouw of de visserij per lidstaat vastgestelde plafond. Hiertoe is het passend dat de lidstaten bij het verlenen van de minimis-steun de betrokken onderneming meedelen dat de verleende steun de minimis-steun is, volledige informatie krijgen over andere in de laatste drie jaar ontvangen de minimis-steun, en nauwkeurig nagaan of het de minimis-plafond door de nieuwe de minimis-steun niet zal worden overschreden. Bij wijze van alternatief kan de inachtneming van het plafond ook worden gewaarborgd door middel van een centraal register.

(10)

Gezien de ervaring van de Commissie, en met name de regelmaat waarmee het doorgaans nodig is het staatssteunbeleid te herzien, dient de geldigheidsduur van deze verordening te worden beperkt. Ingeval de geldigheidsduur van deze verordening mocht verstrijken zonder dat zij is verlengd, dienen de lidstaten voor de onder deze verordening vallende de minimis-steunregelingen over een aanpassingsperiode van zes maanden te beschikken. Met het oog op de rechtszekerheid moet het effect van deze verordening op vóór de inwerkingtreding van deze verordening verleende steun worden verduidelijkt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op steun die aan ondernemingen in de landbouwsector of de visserijsector wordt verleend, met uitzondering van:

a)

steun waarvan het bedrag wordt vastgesteld op basis van de prijs of de hoeveelheid op de markt gebrachte producten;

b)

steun voor werkzaamheden die verband houden met de uitvoer, met name steun die rechtstreeks gekoppeld is aan de uitgevoerde hoeveelheden, de oprichting en exploitatie van een distributienet of andere lopende uitgaven in verband met uitvoeractiviteiten;

c)

steun waardoor binnenlandse producten ten opzichte van ingevoerde producten worden begunstigd.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.

„ondernemingen in de landbouwsector”: ondernemingen die werkzaam zijn op het gebied van de productie, de verwerking en de afzet van landbouwproducten;

2.

„landbouwproducten”: de in bijlage I bij het Verdrag vermelde producten, met uitzondering van de in punt 5 van dit artikel omschreven visserijproducten;

3.

„de verwerking van een landbouwproduct”: een bewerking van een landbouwproduct die een product oplevert dat nog steeds een landbouwproduct is;

4.

„ondernemingen in de visserijsector”: ondernemingen die werkzaam zijn op het gebied van de productie, de verwerking en de afzet van visserijproducten;

5.

„visserijproducten”: producten van de visvangst op zee en in de binnenwateren en van de aquacultuur, die zijn opgenomen in de lijst van artikel 1 van Verordening (EG) nr. 104/2000 (10);

6.

„verwerking en afzet van een visserijproduct”: alle activiteiten, met inbegrip van bewerking, behandeling, productie en distributie, tussen het tijdstip van aanlanding of oogst en het stadium van het eindproduct.

Artikel 3

De minimis-steun

1.   Steunmaatregelen worden geacht niet aan alle criteria van artikel 87, lid 1, van het Verdrag te voldoen en vallen derhalve niet onder de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag indien zij aan de in de leden 2 en 3 van dit artikel vastgestelde voorwaarden voldoen.

2.   Het totale bedrag van de aan eenzelfde onderneming verleende de minimis-steun mag, over een periode van drie jaar, nooit meer bedragen dan 3 000 EUR. Dit plafond is van toepassing ongeacht de vorm van de steun of het nagestreefde doel.

Het cumulatieve bedrag van de aan verscheidene ondernemingen in de landbouwsector verleende steun mag, over een periode van drie jaar, nooit meer bedragen dan de voor elke lidstaat in bijlage I vastgestelde waarde.

Het cumulatieve bedrag van de aan verscheidene ondernemingen in de visserijsector verleende steun mag, over een periode van drie jaar, nooit meer bedragen dan de voor elke lidstaat in bijlage II vastgestelde waarde.

3.   De in lid 2 vastgestelde plafonds zijn uitgedrukt als een subsidie. Alle gebruikte cijfers zijn brutocijfers, dat wil zeggen vóór aftrek van de directe belastingen. Wanneer steun in een andere vorm dan een subsidie wordt verleend, is het steunbedrag het brutosubsidie-equivalent van de steun.

Van steun die in termijnen wordt uitgekeerd, wordt door discontering de waarde op het ogenblik van de verlening ervan berekend. De rentevoet die voor de discontering en voor de berekening van het steunbedrag bij een zachte lening wordt gebruikt, is de referentierentevoet die geldt op het ogenblik waarop de steun wordt verleend.

Artikel 4

Cumulering en controle

1.   Wanneer een lidstaat een onderneming de minimis-steun verleent, deelt hij de onderneming mede, dat het om de minimis-steun gaat, en verlangt hij van de betrokken onderneming alle gegevens over andere de minimis-steun die zij in de voorgaande drie jaar heeft ontvangen.

De lidstaat kan slechts nieuwe de minimis-steun verlenen nadat hij is nagegaan of de nieuwe steun het totale bedrag van de in de betrokken periode van drie jaar ontvangen steun niet zodanig doet toenemen dat één van de in artikel 3, lid 2, vastgestelde plafonds wordt overschreden.

2.   Wanneer een lidstaat een centraal register van de minimis-steun voor de landbouw respectievelijk de visserij heeft ingevoerd waarin alle gegevens zijn vervat over alle de minimis-steun die binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt en die door alle autoriteiten in die lidstaat is verstrekt, is de eis van lid 1, eerste alinea, niet langer van toepassing vanaf het tijdstip waarop het register een periode van drie jaar bestrijkt.

3.   De lidstaten verzamelen en bewaren alle informatie die betrekking heeft op de toepassing van deze verordening. Deze dossiers moeten alle informatie bevatten die nodig is om na te gaan of aan de voorwaarden van de verordening is voldaan. Een dossier betreffende een individuele de minimis-steunmaatregel moet worden bewaard gedurende tien jaar te rekenen vanaf het tijdstip van steunverlening, en een dossier betreffende een de minimis-steunregeling gedurende tien jaar vanaf het tijdstip van de laatste individuele steunverlening op grond van deze regeling.

Op schriftelijk verzoek van de Commissie verstrekt de betrokken lidstaat haar binnen 20 werkdagen, of binnen een langere in dit verzoek vastgestelde termijn, alle informatie die de Commissie nodig acht om te kunnen nagaan of aan de voorwaarden van deze verordening is voldaan, met name ten aanzien van het totale bedrag aan de minimis-steun dat elke onderneming en de landbouwsector of de visserijsector van de betrokken lidstaat hebben ontvangen.

Artikel 5

Overgangsbepaling

1.   Deze verordening is van toepassing op steun die is verleend vóór de inwerkingtreding van de verordening, mits aan de in de artikelen 1 en 3 van deze verordening vastgestelde voorwaarden wordt voldaan. Steun die niet aan deze voorwaarden voldoet, wordt door de Commissie beoordeeld overeenkomstig de ter zake relevante kaderregelingen, richtsnoeren, mededelingen en kennisgevingen.

2.   Na het verstrijken van de geldigheidsduur van deze verordening blijft voor de onder deze verordening vallende de minimis-steunregelingen nog een aanpassingsperiode gelden van zes maanden na de in artikel 6, tweede alinea, genoemde datum.

Gedurende deze aanpassingsperiode kunnen de regelingen van toepassing blijven onder de in deze verordening vastgestelde voorwaarden.

Artikel 6

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2005.

Zij verstrijkt op 31 december 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 oktober 2004.

Voor de Commissie

Franz FISCHLER

Lid van de Commissie


(1)  PB L 142 van 14.5.1998, blz. 1.

(2)  PB C 93 van 17.4.2004, blz. 9.

(3)  PB L 10 van 13.1.2001, blz. 30.

(4)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 80. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 583/2004 (PB L 91 van 30.3.2004, blz. 1).

(5)  PB C 232 van 12.8.2000, blz. 19.

(6)  PB C 19 van 20.1.2001, blz. 7.

(7)  PB L 337 van 30.12.1999, blz. 10. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1421/2004 (PB L 260 van 6.8.2004, blz. 1).

(8)  PB L 336 van 23.12.1994, blz. 22.

(9)  Zaak C-113/2000, Spanje/Commissie, Jurispr. 2002, blz. I-7601, punt 73.

(10)  PB L 17 van 21.1.2000, blz. 22.


BIJLAGE I

In artikel 3, lid 2, bedoeld cumulatief bedrag voor de landbouwsector per lidstaat

(in EUR)

BE

22 077 000

DK

27 294 000

DE

133 470 000

EL

34 965 000

ES

106 755 000

FR

195 216 000

IE

17 637 000

IT

130 164 000

LU

789 000

NL

62 232 000

AT

17 253 000

PT

17 832 000

FI

11 928 000

SE

13 689 000

UK

72 357 000

CZ

9 696 000

EE

1 266 000

CY

1 871 100

LV

1 686 000

LT

3 543 000

HU

16 980 000

MT

474 000

PL

44 895 000

SI

3 018 000

SK

4 566 000


BIJLAGE II

In artikel 3, lid 2, bedoeld cumulatief bedrag voor de visserijsector per lidstaat

(in EUR)

BE

1 368 900

DK

6 341 400

DE

7 287 000

EL

2 036 370

ES

15 272 100

FR

11 073 300

IE

1 944 000

IT

9 413 400

LU

0

NL

3 548 100

AT

114 000

PT

2 703 300

FI

460 200

SE

1 557 900

UK

12 651 900

CZ

169 200

EE

407 400

CY

123 000

LV

510 300

LT

906 000

HU

144 180

MT

21 000

PL

1 652 100

SI

21 900

SK

86 100


28.10.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 325/10


VERORDENING (EG) Nr. 1861/2004 VAN DE COMMISSIE

van 26 oktober 2004

tot vaststelling van de handelsnorm voor perziken en nectarines

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit (1) en met name op artikel 2, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Perziken en nectarines maken deel uit van de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2200/96 vastgestelde lijst van producten waarvoor handelsnormen gelden. Aangezien Verordening (EG) nr. 2335/99 van de Commissie van 3 november 1999 tot vaststelling van de handelsnorm voor perziken en nectarines (2) zo vaak is gewijzigd dat de juridische duidelijkheid niet langer kan worden gegarandeerd, dient te worden overgegaan tot een herschikking van die verordening. Omwille van de verdere transparantie op de wereldmarkt moet daarbij rekening worden gehouden met de UN/ECE-norm F-26 betreffende de handel in en de controle op de handelskwaliteit van perziken en nectarines, die door de werkgroep Kwaliteitsnormen in de landbouw van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties wordt aanbevolen, en met de aanbeveling van die werkgroep tot invoering van minimumeisen inzake de rijpheid van perziken en nectarines.

(2)

De toepassing van deze norm moet tot gevolg hebben dat producten van onbevredigende kwaliteit van de markt verdwijnen, dat de productie op de eisen van de consument wordt afgestemd en dat de handel op basis van eerlijke mededinging wordt vergemakkelijkt, waardoor zal worden bijgedragen tot een verbetering van de rentabiliteit van de productie.

(3)

De normen zijn van toepassing op alle handelsstadia. Het vervoer van de producten over grote afstanden, het opslaan ervan gedurende een zekere tijd of de verschillende behandelingen die de producten ondergaan, kunnen kwaliteitsverlies veroorzaken als gevolg van de biologische ontwikkeling van deze producten of de bederfelijkheid ervan. Bij de toepassing van de normen in de handelsstadia na de verzending moet met dit kwaliteitsverlies rekening worden gehouden.

(4)

Voor de producten van de klasse „Extra”, die met bijzondere zorg moeten worden gesorteerd en verpakt, mag alleen verlies aan frisheid en turgescentie in aanmerking worden genomen.

(5)

Om te voorkomen dat de communautaire markt voor perziken en nectarines midden in de verkoopperiode wordt verstoord, moet de toepassing van deze verordening worden uitgesteld tot 1 maart 2005.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor verse groenten en fruit,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De handelsnorm voor perziken en nectarines van GN-code 0809 30 is opgenomen in de bijlage.

De norm is onder de bij Verordening (EG) nr. 2200/96 vastgestelde voorwaarden van toepassing in alle handelsstadia.

In de stadia na de verzending mogen de producten evenwel een licht verlies aan versheid en turgescentie vertonen ten opzichte van de norm; de producten van andere klassen dan de klasse „Extra” mogen bovendien een geringe kwaliteitsachteruitgang vertonen als gevolg van de biologische ontwikkeling van de producten en de mate van bederfelijkheid ervan.

Artikel 2

Verordening (EG) nr. 2335/99 wordt ingetrokken.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 maart 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 oktober 2004.

Voor de Commissie

Franz FISCHLER

Lid van de Commissie


(1)  PB L 297 van 21.11.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 47/2003 van de Commissie (PB L 7 van 11.1.2003, blz. 64).

(2)  PB L 281 van 4.11.1999, blz. 11. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 907/2004 (PB L 163 van 30.4.2004, blz. 50).


BIJLAGE

NORM VOOR PERZIKEN EN NECTARINES

I.   DEFINITIE VAN HET PRODUCT

Deze norm heeft betrekking op perziken en nectarines (1) van de variëteiten (cultivars) van Prunus persica Sieb. et Zucc., bestemd voor levering in verse toestand aan de consument, en niet voor industriële verwerking.

II.   KWALITEITSVOORSCHRIFTEN

In deze norm wordt aangegeven aan welke kwaliteitseisen perziken en nectarines na opmaak en verpakking moeten voldoen.

A.   Minimumeisen inzake kwaliteit

Onverminderd de voor elke klasse geldende specifieke eisen en toegestane toleranties moeten perziken en nectarines in alle kwaliteitsklassen als volgt zijn:

intact,

gezond; de producten mogen niet zijn aangetast door rot of de kwaliteit ervan mag niet zo sterk verminderd zijn dat zij niet meer geschikt zijn voor consumptie,

zuiver, nagenoeg vrij van zichtbare vreemde stoffen,

nagenoeg vrij van plagen,

nagenoeg vrij van beschadiging door plagen,

vrij van abnormaal uitwendig vocht,

vrij van vreemde geur en/of vreemde smaak.

De perziken en de nectarines moeten zorgvuldig geplukt zijn.

Perziken en nectarines moeten zodanig rijp en ontwikkeld zijn dat zij:

bestand zijn tegen vervoer en goederenbehandeling, en

in goede staat op de plaats van bestemming kunnen aankomen.

B.   Minimumeisen inzake rijpheid

Perziken en nectarines moeten een toereikende ontwikkelings- en rijpheidsgraad hebben bereikt.

Perziken en nectarines moeten zodanig ontwikkeld en gerijpt zijn dat ze in staat zijn het rijpingsproces voort te zetten en zo een toereikende rijpingsgraad te bereiken. Met het oog op deze eis moet de brekingsindex van het vruchtvlees, die in het midden van het vruchtvlees ter hoogte van de grootste dwarsdoorsnede wordt gemeten, ten minste 8° Brix bedragen en moet de hardheid, die op twee punten ter hoogte van de grootste dwarsdoorsnede van de vrucht wordt gemeten met een plunjer waarvan het uiteinde een diameter van 8 mm (0,5 cm2) heeft, kleiner zijn dan 6,5 kg.

C.   Indeling in klassen

Perziken en nectarines worden ingedeeld in de drie hieronder omschreven klassen:

i)

Klasse „Extra”

In deze klasse ingedeelde perziken en nectarines moeten van voortreffelijke kwaliteit zijn. Deze perziken en nectarines moeten de specifieke vorm, ontwikkeling en kleur van de variëteit hebben, waarbij rekening wordt gehouden met het productiegebied. Zij mogen geen afwijkingen vertonen, afgezien van zeer geringe oppervlakkige afwijkingen die het algemene uiterlijk, de kwaliteit, de houdbaarheid en de presentatie ervan in de verpakking niet schaden.

ii)

Klasse I

In deze klasse ingedeelde perziken en nectarines moeten van goede kwaliteit zijn. Deze perziken en nectarines moeten de specifieke kenmerken van de variëteit hebben, waarbij rekening wordt gehouden met het productiegebied. Zij mogen evenwel een geringe afwijking in vorm, ontwikkeling of kleur vertonen.

Het vruchtvlees moet volkomen gezond zijn.

Perziken en nectarines die aan het aanhechtingspunt van de steel zijn opengegaan, mogen niet in deze klasse worden ingedeeld.

Zij mogen evenwel geringe afwijkingen aan de schil vertonen op voorwaarde dat deze het algemene uiterlijk, de kwaliteit, de houdbaarheid en de presentatie ervan in de verpakking niet schaden en dat de afwijkingen binnen de volgende grenzen blijven:

1 cm lengte voor langwerpige afwijkingen,

in totaal 0,5 cm2 in oppervlakte voor de overige afwijkingen.

iii)

Klasse II

Tot deze klasse behoren perziken en nectarines die niet in de hogere klassen kunnen worden ingedeeld, maar die voldoen aan de bovenstaande minimumeisen.

Het vruchtvlees mag geen ernstige gebreken vertonen. Bovendien worden vruchten die aan het aanhechtingspunt van de steel zijn opengegaan, slechts toegestaan in het kader van de toleranties in kwaliteit.

Perziken en nectarines mogen aan de schil afwijkingen vertonen, op voorwaarde dat de producten nog hun essentiële kenmerken wat betreft kwaliteit, houdbaarheid en presentatie vertonen en de afwijkingen binnen de volgende grenzen blijven:

2 cm lengte bij langwerpige afwijkingen,

in totaal 1,5 cm2 in oppervlakte voor de overige afwijkingen.

III.   SORTERINGSVOORSCHRIFTEN

De grootteklasse wordt bepaald door:

hetzij de omtrek,

hetzij de maximumdiameter van de grootste dwarsdoorsnede.

Perziken en nectarines worden in de volgende grootteklassen ingedeeld:

Diameter

Identificatie van de grootteklasse

(code)

Omtrek

90 mm en meer

AAAA

28 cm en meer

van 80 mm tot 90 mm

AAA

van 25 cm tot 28 cm

van 73 mm tot 80 mm

AA

van 23 cm tot 25 cm

van 67 mm tot 73 mm

A

van 21 cm tot 23 cm

van 61 mm tot 67 mm

B

van 19 cm tot 21 cm

van 56 mm tot 61 mm

C

van 17,5 cm tot 19 cm

van 51 mm tot 56 mm

D

van 16 cm tot 17,5 cm

Voor de klasse „Extra” geldt een minimumomtrek van 17,5 cm en een minimumdiameter van 56 mm.

Grootteklasse D (vruchten met een diameter van 51 mm tot 56 mm en een omtrek van 16 cm tot 17,5 cm) is niet toegestaan in de periode van 1 juli tot en met 31 oktober.

Sortering is verplicht voor alle kwaliteitsklassen.

IV.   TOLERANTIES

In elke verpakkingseenheid mogen producten voorkomen die qua kwaliteit en grootteklasse niet beantwoorden aan de eisen voor de klasse waarin zij zijn ingedeeld, mits daarbij de onderstaande toleranties in acht worden genomen.

A.   Toleranties in kwaliteit

i)

Klasse „Extra”

5 % van het aantal vruchten of het gewicht mag bestaan uit perziken en nectarines die niet aan de eisen voor deze klasse beantwoorden, maar wel aan die van klasse I, of die, bij uitzondering, binnen de toleranties voor die klasse vallen.

ii)

Klasse I

10 % van het aantal vruchten of het gewicht mag bestaan uit perziken of nectarines die niet aan de eisen voor deze klasse beantwoorden, maar wel aan die van klasse II, of die, bij uitzondering, binnen de toleranties voor die klasse vallen.

iii)

Klasse II

10 % van het aantal vruchten of het gewicht mag bestaan uit perziken en nectarines die noch aan de eisen voor deze klasse, noch aan de minimumeisen beantwoorden, mits deze producten niet zijn aangetast door vruchtrot, niet ernstig gekneusd zijn noch enige andere afwijking vertonen waardoor zij niet meer geschikt zijn voor consumptie.

B.   Toleranties in grootte

Voor alle klassen mag 10 % van het aantal of het gewicht bestaan uit perziken of nectarines die ten hoogste 1 cm groter of kleiner zijn in omtrek of ten hoogste 3 mm groter of kleiner zijn in diameter dan de sortering die op de verpakkingseenheid is vermeld. Voor de in de laagste grootteklasse ingedeelde vruchten kan deze tolerantie echter slechts betrekking hebben op perziken of nectarines met een omtrek die ten hoogste 6 mm of een diameter die ten hoogste 2 mm kleiner is dan de vastgestelde minimumafmeting.

V.   VOORSCHRIFTEN INZAKE PRESENTATIE

A.   Uniformiteit

De inhoud van iedere verpakkingseenheid moet uniform zijn en moet bestaan uit perziken of nectarines van dezelfde oorsprong, dezelfde kwaliteit, dezelfde rijpheidsgraad en dezelfde grootteklasse en, voor de klasse „Extra”, dezelfde kleur.

Het zichtbare gedeelte van de inhoud van de verpakkingseenheid moet representatief zijn voor het geheel.

In afwijking van de bovenstaande, in dit punt vastgestelde bepalingen mogen in verkoopverpakkingen van maximaal 3 kg mengsels van de onder deze verordening vallende producten en verschillende soorten verse groenten en fruit worden aangeboden overeenkomstig de regels van Verordening (EG) nr. 48/2003 van de Commissie (2).

B.   Verpakking

De verpakking moet de perziken en de nectarines degelijk beschermen.

Het materiaal binnen in de verpakkingseenheid moet nieuw en schoon zijn, en mag de producten niet uitwendig of inwendig beschadigen. Er mag materiaal met handelsaanduidingen, met name papier of zegels, worden gebruikt, mits voor de bedrukking of de etikettering niet-giftige inkt of lijm wordt gebruikt.

Het op elk product aangebrachte etiket mag bij het verwijderen ervan geen zichtbaar spoor van lijm achterlaten en de schil niet beschadigen.

In de verpakkingseenheid mogen geen vreemde stoffen voorkomen.

C.   Presentatie

Perziken en nectarines mogen als volgt worden gepresenteerd:

in kleinverpakking,

in één enkele laag, voor de klasse „Extra”; de vruchten van deze klasse moeten van elkaar gescheiden zijn.

Voor de klassen I en II:

in één of twee lagen, of

in ten hoogste vier lagen wanneer de vruchten op voorgevormde pakbladen worden geplaatst die zodanig zijn geconcipieerd dat ze niet op de onderliggende laag vruchten rusten.

VI.   AANDUIDINGSVOORSCHRIFTEN

Op elke verpakkingseenheid moeten, op één kant, duidelijk leesbaar, onuitwisbaar en van buitenaf zichtbaar, de volgende gegevens worden vermeld:

A.   Identificatie

De naam en het adres van de verpakker en/of verzender.

Deze vermelding mag worden vervangen:

voor alle verpakkingen, behalve voorverpakkingen, door de door een officiële dienst afgegeven of erkende code van de verpakker en/of de verzender, voorafgegaan door de vermelding „verpakker en/of verzender” of een gelijkwaardige afkorting;

uitsluitend voor voorverpakkingen, door de naam en het adres van de in de Gemeenschap gevestigde verkoper, voorafgegaan door de vermelding „verpakt voor:” of een gelijkwaardige vermelding. In dat geval moet op het etiket tevens de code van de verpakker en/of de verzender vermeld staan. De verkoper verstrekt alle door de controlediensten noodzakelijk geachte inlichtingen met betrekking tot de betekenis van die code.

B.   Aard van het product

„Perziken” of „Nectarines”, indien de inhoud van de verpakking van buitenaf niet zichtbaar is,

kleur van het vruchtvlees,

naam van de variëteit (facultatief).

C.   Oorsprong van het product

Land van oorsprong en, eventueel, productiegebied of nationale, regionale of lokale benaming.

D.   Handelskenmerken

kwaliteitsklasse,

grootteklasse, door vermelding van de minimum- en maximumdiameter of minimum- en maximumomtrek, of door middel van de in punt III „Sorteringsvoorschriften” vermelde code van de grootteklasse,

aantal stuks (facultatief),

minimumgehalte aan suiker, gemeten met behulp van een refractometer en uitgedrukt in Brixwaarde (facultatief),

maximale hardheid, gemeten met behulp van een penetrometer en uitgedrukt in kg/0,5 cm2 (facultatief).

E.   Officieel controlemerk (facultatief)

De in de eerste alinea genoemde gegevens hoeven niet te worden aangebracht op de verpakkingseenheden (colli) wanneer deze laatste verkoopverpakkingen bevatten die van buitenaf zichtbaar zijn en die elk van die gegevens zijn voorzien. Op deze verpakkingseenheden mag geen enkele aanduiding voorkomen die misverstanden kan veroorzaken. Wanneer deze verpakkingseenheden op een pallet worden aangeboden, moeten de betrokken gegevens zijn aangebracht op een blad dat zichtbaar op ten minste twee zijden van de pallet is bevestigd.


(1)  Deze producten omvatten alle variëteiten van Prunus persica Sieb. et Zucc., zoals perziken en nectarines of soortgelijke vruchten (brugnons en pavies), waarvan de steen loszit of vastzit, en die een donzige of gladde schil hebben.

(2)  PB L 7 van 11.1.2003, blz. 65.


28.10.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 325/17


VERORDENING (EG) Nr. 1862/2004 VAN DE COMMISSIE

van 26 oktober 2004

tot vaststelling van de handelsnorm voor watermeloenen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit (1), en met name op artikel 2, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De watermeloen is één van de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2200/96 vermelde producten waarvoor een handelsnorm moet gelden. Verordening (EG) nr. 1093/97 van de Commissie van 16 juni 1997 tot vaststelling van handelsnormen voor watermeloenen (2) is vele malen gewijzigd. Duidelijkheidshalve dient Verordening (EG) nr. 1093/97 dus te worden ingetrokken en met ingang van 1 januari 2005 door een nieuwe verordening te worden vervangen.

(2)

Voor het behoud van de doorzichtigheid op de internationale markten dient daarbij rekening te worden gehouden met UN/ECE-norm FFV-37 betreffende het in de handel brengen en de controle op de handelskwaliteit van watermeloenen, die is aanbevolen door de „Working Party on Agricultural Quality Standards” (Werkgroep kwaliteitsnormen voor landbouwproducten) van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UN/ECE), alsmede met de recente wijzigingen daarvan.

(3)

De toepassing van de nieuwe normen moet ertoe leiden dat geen producten van onbevredigende kwaliteit meer op de markt komen, dat de productie wordt afgestemd op de eisen van de consument en dat handelsrelaties op basis van eerlijke concurrentie worden vergemakkelijkt, waarbij één en ander de productie rendabeler zal helpen maken.

(4)

De normen zijn van toepassing in alle handelsstadia. Tijdens het vervoer over grote afstanden, de opslag gedurende enige tijd of de verschillende behandelingen van de producten kunnen deze een kwaliteitsverlies ondergaan als gevolg van hun biologische ontwikkeling of hun meer of minder bederfelijke aard. Bij de toepassing van de normen in de handelsstadia na de verzending dient met dit kwaliteitsverlies rekening te worden gehouden.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor verse groenten en fruit,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De handelsnorm voor watermeloenen van GN-code 0807 11 is opgenomen in de bijlage.

De norm is onder de bij Verordening (EG) nr. 2200/96 vastgestelde voorwaarden van toepassing in alle handelsstadia.

In de stadia na de verzending mogen de producten evenwel de volgende afwijkingen ten opzichte van de voorschriften van de norm vertonen:

a)

een lichte vermindering van de versheid en van de turgescentie;

b)

een gering kwaliteitsverlies als gevolg van hun ontwikkeling en hun meer of minder bederfelijke aard.

Artikel 2

Verordening (EG) nr. 1093/97 wordt ingetrokken.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 oktober 2004.

Voor de Commissie

Franz FISCHLER

Lid van de Commissie


(1)  PB L 297 van 21.11.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 47/2003 van de Commissie (PB L 7 van 11.1.2003, blz. 64).

(2)  PB L 158 van 17.6.1997, blz. 21. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 907/2004 (PB L 163 van 30.4.2004, blz. 50).


BIJLAGE

NORM VOOR WATERMELOENEN

I.   DEFINITIE VAN HET PRODUCT

Deze norm heeft betrekking op watermeloenen van variëteiten (cultivars) van Citrullus lanatus (Thunb.) Matsum. et Nakai die bestemd zijn om als vers product aan de consument te worden geleverd, exclusief watermeloenen voor industriële verwerking.

II.   KWALITEITSVOORSCHRIFTEN

In de norm wordt aangegeven aan welke kwaliteitseisen watermeloenen na opmaak en verpakking moeten voldoen.

A.   Minimumeisen inzake de kwaliteit

In alle kwaliteitsklassen moeten watermeloenen, onverminderd de voor elke klasse geldende specifieke eisen en de toegestane toleranties, als volgt zijn:

intact;

gezond; geen vruchten die zijn aangetast door rot of die zodanige afwijkingen vertonen dat zij niet meer geschikt zijn voor consumptie;

zuiver, nagenoeg vrij van zichtbare vreemde stoffen;

nagenoeg vrij van plagen;

nagenoeg vrij van beschadiging door plagen;

vast en voldoende rijp; de kleur en de smaak van het vruchtvlees moeten wijzen op voldoende rijpheid;

niet gebarsten;

vrij van abnormaal uitwendig vocht;

vrij van een vreemde geur en/of smaak.

Watermeloenen moeten zo ontwikkeld en in een zodanige conditie zijn dat zij:

bestand zijn tegen vervoer en goederenbehandeling, en

in goede staat op de plaats van bestemming kunnen aankomen.

B.   Minimumeisen inzake de rijpheid

De watermeloenen moeten voldoende ontwikkeld en rijp genoeg zijn. De brekingsindex van het vruchtvlees uit het midden van het evenaarsvlak moet ten minste 8o Brix bedragen.

C.   Indeling in klassen

Watermeloenen worden ingedeeld in de twee hieronder omschreven klassen:

i)

Klasse I

De in deze klasse ingedeelde watermeloenen moeten van goede kwaliteit zijn. Zij moeten de kenmerken van de variëteit bezitten.

Zij mogen evenwel de volgende kleine afwijkingen vertonen, op voorwaarde dat deze het algemene uiterlijk, de kwaliteit, de houdbaarheid en de presentatie in de verpakking van het product niet nadelig beïnvloeden:

een lichte afwijking in vorm;

een lichte kleurafwijking van de schil; een bleke kleur op de plaats waar de watermeloen tijdens de groei met de grond in aanraking is geweest, wordt niet als een afwijking beschouwd;

dichtgegroeide oppervlakkige barstjes;

lichte schilbeschadigingen als gevolg van wrijving of goederenbehandeling; het beschadigde deel mag niet meer dan een zestiende van het totale oppervlak van de vrucht uitmaken.

De steel van de watermeloen mag niet langer zijn dan 5 cm.

ii)

Klasse II

Tot deze klasse behoren de watermeloenen die niet in klasse I kunnen worden ingedeeld, maar die aan de hierboven omschreven minimumeisen voldoen.

Op voorwaarde dat de watermeloenen nog hun essentiële kenmerken op het gebied van kwaliteit, houdbaarheid en presentatie bezitten, zijn de volgende afwijkingen toegestaan:

afwijkingen in vorm;

dichtgegroeide oppervlakkige barsten;

kleurafwijkingen van de schil; een bleke kleur op de plaats waar de watermeloen tijdens de groei met de grond in aanraking is geweest, wordt niet als een kleurafwijking van de schil beschouwd;

lichte kneuzingen;

schilbeschadigingen als gevolg van wrijving, goederenbehandeling of aantasting door plagen of ziekten; het beschadigde deel mag niet meer dan een achtste van het totale oppervlak van de vrucht uitmaken.

III.   SORTERINGSVOORSCHRIFTEN

De sortering naar grootte is gebaseerd op het gewicht per stuk. Watermeloenen moeten ten minste 1 kg per stuk wegen.

Wanneer watermeloenen in een verpakking worden gepresenteerd, mag het verschil in gewicht tussen de lichtste en de zwaarste vrucht in eenzelfde verpakkingseenheid niet meer bedragen dan 2 kg of, als de lichtste vrucht ten minste 6 kg weegt, dan 3,5 kg.

Voor watermeloenen die los worden gepresenteerd, is deze relatieve uniformiteit van het gewicht niet verplicht.

IV.   TOLERANTIES

Per verpakkingseenheid, of voor los gepresenteerde vruchten per partij, zijn toleranties in kwaliteit en grootte toegestaan voor producten die niet beantwoorden aan de eisen voor de vermelde klasse.

A.   Toleranties in kwaliteit

i)

Klasse I

10 % van het aantal of het gewicht mag bestaan uit watermeloenen die niet aan de eisen voor deze klasse beantwoorden, maar die wel aan de eisen voor klasse II beantwoorden of, bij wijze van uitzondering, binnen de toleranties voor klasse II vallen.

ii)

Klasse II

10 % van het aantal of het gewicht mag bestaan uit watermeloenen die niet aan de eisen voor deze klasse en evenmin aan de minimumeisen beantwoorden, met uitzondering van vruchten die zijn aangetast door rot of enige andere afwijking vertonen waardoor zij niet meer geschikt zijn voor consumptie.

B.   Toleranties in grootte

Voor alle klassen mag 10 % van het aantal of het gewicht bestaan uit watermeloenen die niet beantwoorden aan de vermelde groottesortering, maar ten hoogste 1 kg meer of minder wegen dan de grenzen van die groottesortering.

De tolerantie kan zich echter in geen geval uitstrekken tot watermeloenen die minder dan 800 g wegen.

V.   VOORSCHRIFTEN INZAKE DE PRESENTATIE

A.   Uniformiteit

De inhoud van iedere verpakkingseenheid, of voor los gepresenteerde vruchten van iedere partij, moet uniform zijn en mag slechts bestaan uit watermeloenen van dezelfde oorsprong, dezelfde variëteit en dezelfde kwaliteit.

Het zichtbare gedeelte van de inhoud van de verpakkingseenheid, of voor los gepresenteerde vruchten van de partij, moet representatief zijn voor het geheel.

Voor klasse I moeten bovendien de vorm en de kleur van de schil van de watermeloenen uniform zijn.

In afwijking van de voorgaande bepalingen van dit punt mogen de onder de onderhavige verordening vallende producten in verkoopverpakkingen met een nettogewicht van ten hoogste 3 kg onder de in Verordening (EG) nr. 48/2003 van de Commissie (1) vastgestelde voorwaarden met verschillende soorten verse groenten en fruit worden vermengd.

B.   Verpakking

De verpakking moet de watermeloenen goed beschermen.

Het materiaal binnen in de verpakkingseenheid moet nieuw en schoon zijn en mag de producten niet uitwendig of inwendig kunnen beschadigen. Er mag materiaal, met name papier of zegels, met handelsaanduidingen worden gebruikt, mits de bedrukking of de etikettering met niet-giftige inkt of lijm geschiedt.

Bij het verwijderen van op elk product afzonderlijk aangebrachte etiketten mag geen zichtbaar spoor van lijm achterblijven en mag de schil niet beschadigd raken.

In de verpakkingseenheid, of voor los gepresenteerde vruchten in de partij, mogen geen vreemde stoffen voorkomen.

Los vervoerde watermeloenen mogen niet in aanraking komen met de vloer of de wanden van het vervoermiddel; om dit te voorkomen moet geschikt beschermend materiaal worden gebruikt dat nieuw en schoon is en geen abnormale smaak of geur aan de vruchten kan afgeven.

C.   Presentatie

Watermeloenen mogen als volgt worden gepresenteerd:

verpakt, ook in grote kisten;

los (rechtstreeks in het vervoermiddel geladen).

VI.   AANDUIDINGSVOORSCHRIFTEN

Op iedere verpakkingseenheid moeten, op één kant, duidelijk leesbaar, onuitwisbaar en van buitenaf zichtbaar, de onderstaande gegevens worden vermeld.

De in de eerste alinea bedoelde gegevens hoeven niet te worden aangebracht op de verpakkingseenheden (colli) wanneer deze laatste verkoopverpakkingen bevatten die van buitenaf zichtbaar zijn en elk van die gegevens zijn voorzien. Op deze verpakkingseenheden mag geen enkele aanduiding voorkomen die misverstanden kan veroorzaken. Wanneer deze verpakkingseenheden op een pallet worden aangeboden, moeten de betrokken gegevens zijn aangebracht op een blad dat zichtbaar op ten minste twee zijden van de pallet is bevestigd.

Voor los vervoerde (rechtstreeks in het vervoermiddel geladen) watermeloenen moeten deze gegevens worden vermeld op een document dat de goederen vergezelt en dat goed zichtbaar binnen in het vervoermiddel is aangebracht.

Bij deze presentatiewijze hoeft de groottesortering niet te worden vermeld.

A.   Identificatie

De naam en het adres van de verpakker en/of de verzender.

Deze vermelding mag worden vervangen:

voor alle verpakkingen behalve voorverpakkingen, door de door een officiële dienst bepaalde of goedgekeurde code van de verpakker en/of de verzender, voorafgegaan door de vermelding „verpakker en/of verzender” of een gelijkwaardige afkorting;

uitsluitend voor voorverpakkingen, door de naam en het adres van de in de Gemeenschap gevestigde verkoper, voorafgegaan door de vermelding „verpakt voor :” of een gelijkwaardige vermelding. In dat geval moet de etikettering tevens een code van de verpakker en/of de verzender bevatten. De verkoper verstrekt alle door de controlediensten noodzakelijk geachte inlichtingen met betrekking tot de betekenis van die code.

B.   Aard van het product

„Watermeloenen” indien de inhoud van de verpakking van buitenaf niet zichtbaar is.

Naam van de variëteit (facultatief).

Kleur van het vruchtvlees indien deze niet rood is.

In voorkomend geval „Zonder pitten” (2).

C.   Oorsprong van het product

Land van oorsprong en, eventueel, productiegebied of nationale, regionale of lokale oorsprongsbenaming.

D.   Handelskenmerken

Klasse.

(Indien naar grootte is gesorteerd) groottesortering, aangegeven door middel van het minimum- en het maximumgewicht.

Aantal stuks (facultatief).

Nettogewicht (facultatief).

E.   Officieel controlemerk (facultatief)


(1)  PB L 7 van 11.1.2003, blz. 65.

(2)  Watermeloenen zonder pitten mogen onderontwikkelde pitten en, incidenteel, ontwikkelde pitten bevatten.


28.10.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 325/23


VERORDENING (EG) Nr. 1863/2004 VAN DE COMMISSIE

van 26 oktober 2004

tot vaststelling van de handelsnorm voor champignons

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit (1) en met name op artikel 2, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Champignons maken deel uit van de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2200/96 vastgestelde lijst van producten waarvoor handelsnormen gelden. Verordening (EG) nr. 982/2002 van de Commissie van 7 juni 2002 tot vaststelling van de handelsnorm voor champignons (2) is intussen zo vaak gewijzigd dat het omwille van de duidelijkheid raadzaam is die verordening in te trekken en te vervangen.

(2)

Met het oog op die hierboven vermelde doelstelling en op de verdere transparantie op de wereldmarkt moet rekening worden gehouden met de UN/ECE-norm F-24 betreffende de handel in en de controle op de handelskwaliteit van champignons (Agaricus), die door de werkgroep Kwaliteitsnormen in de landbouw van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties wordt aanbevolen.

(3)

De toepassing van deze norm moet tot gevolg hebben dat producten van onbevredigende kwaliteit van de markt verdwijnen, dat de productie op de eisen van de consument wordt afgestemd en dat de handel op basis van eerlijke mededinging wordt vergemakkelijkt, waardoor zal worden bijgedragen tot een verbetering van de rentabiliteit van de productie.

(4)

De normen zijn van toepassing op alle handelsstadia. Het vervoer van de producten over grote afstanden, het opslaan ervan gedurende een zekere tijd of de verschillende behandelingen die de producten ondergaan, kunnen kwaliteitsverlies veroorzaken als gevolg van de biologische ontwikkeling van deze producten of de bederfelijkheid ervan. Bij de toepassing van de normen in de handelsstadia na de verzending moet met dit kwaliteitsverlies rekening worden gehouden.

(5)

Voor de producten van de klasse „Extra”, die met bijzondere zorg moeten worden gesorteerd en verpakt, mag alleen verlies aan frisheid en turgescentie in aanmerking worden genomen.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor verse groenten en fruit,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De handelsnorm voor champignons van GN-code 0709 51 00 is opgenomen in de bijlage.

Deze norm is onder de bij Verordening (EG) nr. 2200/96 vastgestelde voorwaarden van toepassing in alle handelsstadia.

In de stadia na de verzending mogen de producten evenwel in de volgende zin afwijken van de norm:

a)

zij mogen een licht verlies aan versheid en turgescentie vertonen;

b)

producten van andere klassen dan de klasse „Extra” mogen bovendien een geringe kwaliteitsachteruitgang vertonen als gevolg van de biologische ontwikkeling van de producten en de mate van bederfelijkheid ervan.

Artikel 2

Verordening (EG) nr. 982/2002 wordt ingetrokken.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 oktober 2004.

Voor de Commissie

Franz FISCHLER

Lid van de Commissie


(1)  PB L 297 van 21.11.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 47/2003 van de Commissie (PB L 7 van 11.1.2003, blz. 64).

(2)  PB L 150 van 8.6.2002, blz. 45. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 907/2004 (PB L 163 van 30.4.2004, blz. 50).


BIJLAGE

NORM VOOR CHAMPIGNONS (Agaricus)

I.   DEFINITIE VAN HET PRODUCT

Deze norm heeft betrekking op vruchtlichamen van de variëteiten van Agaricus (syn. Psalliota), bestemd voor levering in verse toestand aan de consument, en niet voor industriële verwerking.

Champignons worden in handelstypen ingedeeld, en in de eerste plaats in twee groepen:

niet-afgesneden champignons, waarvan de voet van de steel niet is afgesneden;

afgesneden champignons, waarvan de voet van de steel is afgesneden.

Binnen deze twee groepen wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende ontwikkelingsstadia:

gesloten champignons (of een vergelijkbare benaming), d.w.z. champignons waarvan de hoed geheel gesloten is;

gevliesde champignons, d.w.z. champignons waarvan hoed en steel door een vlies verbonden zijn;

open champignons, d.w.z. champignons waarvan de hoed open is (uitgespreid of vlak, hoedrand enigszins neerwaarts afgebogen);

vlakke champignons, d.w.z. champignons waarvan de hoed helemaal open is (maar hoedrand niet te sterk naar binnen of naar buiten gebogen).

Voorts worden champignons ingedeeld naar kleur:

„wit”;

„bruin” of „donkerbruin”.

II.   KWALITEITSVOORSCHRIFTEN

De norm heeft tot doel de kwaliteit te bepalen die champignons na opmaak en verpakking moeten hebben.

A.   Minimumeisen

Rekening houdend met de bijzondere bepalingen voor elke klasse en met de toegestane toleranties, moeten champignons in alle kwaliteitsklassen als volgt zijn:

intact; volgens de definitie afgesneden champignons worden als intact beschouwd,

gezond; de producten mogen niet zijn aangetast door vruchtrot, mogen aan de steel niet donkerbruin verkleurd zijn en mogen geen zodanige afwijkingen vertonen dat zij daardoor niet meer geschikt zijn voor consumptie,

zuiver, nagenoeg vrij van zichtbare vreemde stoffen, afgezien van dekaarde,

vers van uiterlijk; er moet rekening worden gehouden met de kleur van de lamellen die kenmerkend is voor de soort en/of het handelstype,

nagenoeg vrij van parasieten,

nagenoeg vrij van beschadiging door parasieten,

vrij van abnormale uitwendige vochtigheid,

vrij van vreemde geur en/of vreemde smaak.

De champignons moeten zo ontwikkeld en in een zodanige staat zijn dat zij:

bestand zijn tegen vervoer en behandeling, en

in goede staat op de plaats van bestemming aankomen.

B.   Indeling in klassen

Champignons worden ingedeeld in de drie hieronder omschreven klassen:

i)

Klasse „Extra”

In deze klasse ingedeelde champignons moeten van voortreffelijke kwaliteit zijn. Zij moeten een vorm, uiterlijk, ontwikkeling en kleur hebben die kenmerkend zijn voor het handelstype. Zij moeten goed gevormd zijn.

Zij mogen geen gebreken vertonen, afgezien van zeer geringe oppervlakkige afwijkingen die het algemene uiterlijk, de kwaliteit, de houdbaarheid en de presentatie van het product in de verpakking niet schaden.

Voor afgesneden champignons moet het snijvlak ongeveer haaks op de lengterichting van de steel staan.

Aan de champignons mag vrijwel geen dekaarde vastkleven; bij niet-afgesneden champignons mogen echter resten van dekaarde op de steel voorkomen.

ii)

Klasse I

In deze klasse ingedeelde champignons moeten van goede kwaliteit zijn. Zij moeten een vorm, uiterlijk, ontwikkeling en kleur hebben die kenmerkend zijn voor het handelstype.

Zij mogen de volgende geringe gebreken vertonen, die echter het algemene uiterlijk, de kwaliteit, de houdbaarheid en de presentatie van het product in de verpakking niet mogen schaden:

een lichte afwijking in vorm,

een geringe kleurafwijking,

lichte kneuzingen aan het oppervlak,

geringe resten van dekaarde, bij niet-afgesneden champignons mag echter een weinig dekaarde op de steel voorkomen.

Voor afgesneden champignons moet het snijvlak ongeveer haaks op de lengterichting van de steel staan.

iii)

Klasse II

Tot deze klasse behoren champignons die niet in de hogere klassen kunnen worden ingedeeld, maar aan de hierboven omschreven minimumeisen voldoen.

Op voorwaarde dat zij de essentiële kenmerken inzake kwaliteit, houdbaarheid en presentatie behouden, mogen zij de volgende afwijkingen vertonen:

afwijking in vorm,

kleurafwijking,

lichte kneuzingen,

lichte afwijking aan de steel,

lichte vochtigheid in de steel,

verkleurde schilfers,

holle stelen,

resten van dekaarde; bij niet-afgesneden champignons mag echter een weinig dekaarde op de steel voorkomen.

III.   SORTERINGSVOORSCHRIFTEN

De grootte wordt bepaald door de diameter van de hoed en de lengte van de steel overeenkomstig de volgende specificaties:

Minimumgrootte

De diameter van de hoed moet bij gesloten, gevliesde en open champignons ten minste 15 mm en bij vlakke champignons ten minste 20 mm bedragen.

Steellengte

De steellengte wordt gemeten,

bij open en vlakke champignons, vanaf de lamellen aan de onderzijde van de hoed,

bij gesloten champignons, vanaf het vlies.

Groottesortering is verplicht voor champignons van de klasse „Extra”, overeenkomstig de in de onderstaande tabel vermelde waarden, terwijl champignons van de klassen I en II aan de vermelde groottesorteringen moeten voldoen wanneer de codes „fijn”, „middel” of „reuzen” zijn aangegeven.

Gesloten, gevliesde en open champignons

Diameter van de hoed

Maximale steellengte

Grootte

Minimum-maximum

Voor afgesneden champignons

Voor niet-afgesneden champignons

Fijn

15-45 mm

1/2 van de diameter van de hoed

2/3 van de diameter van de hoed

Middel

30-65 mm

Reuzen

Minstens 50 mm


Vlakke champignons

Diameter van de hoed

Maximale steellengte

Grootte

Minimum-maximum

Voor afgesneden champignons

Voor niet-afgesneden champignons

Fijn

20-55 mm

2/3 van de diameter van de hoed

Reuzen

Minstens 50 mm

IV.   TOLERANTIES

In elke verpakkingseenheid mogen producten voorkomen die qua kwaliteit en groottesortering niet beantwoorden aan de normen van de klasse waarin zij zijn ingedeeld, mits hierbij de onderstaande toleranties in acht worden genomen.

A.   TOLERANTIES IN KWALITEIT

i)

Klasse „Extra”

5 % van het aantal of het gewicht mag bestaan uit champignons die niet beantwoorden aan de eisen van deze klasse, maar wel aan die van klasse I, of die, bij uitzondering, binnen de toleranties voor die klasse vallen.

ii)

Klasse I

10 % van het aantal of het gewicht mag bestaan uit champignons die niet beantwoorden aan de eisen van deze klasse, maar wel aan die van klasse II, of die, bij uitzondering, binnen de toleranties voor die klasse vallen.

iii)

Klasse II

10 % van het aantal of het gewicht mag bestaan uit champignons zonder steel en 10 % van het totale aantal of gewicht mag bestaan uit champignons die om andere redenen niet beantwoorden aan de eisen van deze klasse, noch aan de minimumeisen, met uitzondering van producten die zijn aangetast door vruchtrot of enige andere afwijking vertonen waardoor zij niet meer geschikt zijn voor consumptie.

B.   Bijzondere toleranties betreffende het ontwikkelingsstadium

i)

Klasse „Extra”

5 % van het totale aantal of gewicht mag bestaan uit champignons van het volgende en het voorafgaande ontwikkelingsstadium.

ii)

Klasse I

10 % van het totale aantal of gewicht mag bestaan uit champignons van het volgende en het voorafgaande ontwikkelingsstadium.

iii)

Klasse II

In eenzelfde verpakkingseenheid mogen champignons in verschillende ontwikkelingsstadia gemengd worden gepresenteerd. Wanneer echter het ontwikkelingsstadium wordt vermeld, mag maximaal 25 % van het totale aantal of gewicht bestaan uit champignons van het volgende en het voorafgaande ontwikkelingsstadium.

C.   Toleranties in grootte

Voor alle klassen: 10 % van het totale aantal of gewicht mag bestaan uit champignons die niet aan de vermelde groottesortering beantwoorden.

V.   VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DE PRESENTATIE

A.   Uniformiteit

De inhoud van iedere verpakkingseenheid moet uniform zijn en moet bestaan uit champignons van dezelfde oorsprong, hetzelfde handelstype, hetzelfde ontwikkelingsstadium (onder voorbehoud van het bepaalde in bovenstaand punt IV.B), dezelfde kwaliteit en dezelfde groottesortering (indien naar grootte gesorteerd).

Verkoopverpakkingen met een nettogewicht van niet meer dan 1 kg mogen mengsels van champignons van verschillende kleur bevatten, op voorwaarde dat de champignons uniform zijn wat betreft kwaliteit, ontwikkelingsstadium, groottesortering (indien naar grootte gesorteerd) en, voor elke aanwezige kleur, oorsprong.

Het zichtbare gedeelte van de inhoud van iedere verpakkingseenheid moet representatief zijn voor het geheel.

In afwijking van de bovenstaande, in dit punt vastgestelde bepalingen mogen, in verkoopverpakkingen van maximaal 3 kg, mengsels van de onder deze verordening vallende producten en verschillende soorten verse groenten en fruit worden aangeboden overeenkomstig de regels van Verordening (EG) nr. 48/2003 van de Commissie (1).

B.   Verpakking

De verpakking moet de champignons degelijk beschermen.

Het materiaal binnen in de verpakkingseenheid moet nieuw en schoon zijn en mag de producten niet uitwendig of inwendig beschadigen. Er mag materiaal met handelsaanduidingen, met name papier of zegels, worden gebruikt, mits voor de bedrukking of de etikettering niet-giftige inkt of lijm wordt gebruikt.

Het op elk product aangebrachte etiket mag bij het verwijderen ervan geen zichtbaar spoor van lijm achterlaten en de schil niet beschadigen.

In de verpakkingseenheid mogen geen vreemde stoffen voorkomen en ook geen te grote hoeveelheid dekaarde.

VI.   AANDUIDINGSVOORSCHRIFTEN

Op iedere verpakkingseenheid moeten, op één kant, duidelijk leesbaar, onuitwisbaar en van buitenaf zichtbaar, de volgende gegevens worden vermeld:

A.   Identificatie

De naam en het adres van de verpakker en/of verzender.

Deze vermelding mag worden vervangen:

voor alle verpakkingen, behalve voorverpakkingen, door de door een officiële dienst afgegeven of erkende code van de verpakker en/of de verzender, voorafgegaan door de vermelding „verpakker en/of verzender” of een gelijkwaardige afkorting;

uitsluitend voor voorverpakkingen, door de naam en het adres van de in de Gemeenschap gevestigde verkoper, voorafgegaan door de vermelding „verpakt voor:” of een gelijkwaardige vermelding. In dat geval moet op het etiket tevens de code van de verpakker en/of de verzender vermeld staan. De verkoper verstrekt alle door de controlediensten noodzakelijk geachte inlichtingen met betrekking tot de betekenis van die code.

B.   Aard van het product

Indien de inhoud van de verpakking van buitenaf niet zichtbaar is:

„Champignons”,

„Afgesneden” of „Niet-afgesneden”,

„Kleur”, wanneer die niet wit is;

Ontwikkelingsstadium (facultatief),

Bij verkoopverpakkingen met een mengsel van champignons van verschillende kleuren, de benamingen van die verschillende kleuren.

C.   Oorsprong van het product

Land van oorsprong en, eventueel, productiegebied of nationale, regionale of lokale benaming,

Wanneer de verkoopverpakkingen een mengsel van champignons van verschillende kleuren en van verschillende oorsprong bevatten, moet in de onmiddellijke nabijheid van elke kleur het land van oorsprong worden vermeld.

D.   Handelskenmerken

Klasse,

Groottesortering (indien naar grootte gesorteerd), aangegeven met de minimale en de maximale diameter van de hoed of met de vermelding: „fijn”, „middel” of „reuzen”,

Nettogewicht.

E.   Officieel controlemerk (facultatief)

De in de eerste alinea genoemde gegevens hoeven niet te worden aangebracht op de verpakkingseenheden (colli) wanneer deze laatste verkoopverpakkingen bevatten die van buitenaf zichtbaar zijn en die elk van die gegevens zijn voorzien. Op deze verpakkingseenheden mag geen enkele aanduiding voorkomen die misverstanden kan veroorzaken. Wanneer deze verpakkingseenheden op een pallet worden aangeboden, moeten de betrokken gegevens zijn aangebracht op een blad dat zichtbaar op ten minste twee zijden van de pallet is bevestigd.


(1)  PB L 7 van 11.1.2003, blz. 65.


28.10.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 325/30


VERORDENING (EG) Nr. 1864/2004 VAN DE COMMISSIE

van 26 oktober 2004

betreffende de opening en de wijze van beheer van tariefcontingenten voor uit derde landen ingevoerde conserven van paddestoelen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op het Verdrag betreffende de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije,

Gelet op de Akte van toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, en met name op artikel 41, eerste alinea,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2201/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector verwerkte producten op basis van groenten en fruit (1), en met name op artikel 15, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van de Overeenkomst inzake de landbouw (2) die is gesloten tijdens de Uruguayronde van multilaterale handelsbesprekingen, heeft de Gemeenschap zich ertoe verbonden om met ingang van 1 juli 1995 onder bepaalde voorwaarden communautaire tariefcontingenten voor conserven van paddestoelen van het geslacht „Agaricus” spp. van de GN-codes 0711 90 40, 2003 10 20 en 2003 10 30 te openen.

(2)

De voorschriften voor het beheer van deze contingenten zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 2125/95 van de Commissie van 6 september 1995 betreffende de opening en de wijze van beheer van tariefcontingenten voor conserven van paddestoelen (3). Gezien de ervaring met de toepassing van die verordening, moeten sommige van de huidige voorschriften worden gewijzigd om de regeling te vereenvoudigen en te verduidelijken. Duidelijkheidshalve moet Verordening (EG) nr. 2125/95 worden ingetrokken en vervangen door een nieuwe verordening die van toepassing is met ingang van 1 januari 2005.

(3)

Gezorgd moet worden voor een zo soepel mogelijke overgang tussen de twee regelingen. Daartoe is het dienstig sommige uitvoeringsbepalingen uit Verordening (EG) nr. 2125/95 over te nemen en de traditionele tijdschema’s voor de invoer te handhaven.

(4)

Bij Verordening (EG) nr. 2031/2001 van de Commissie van 6 augustus 2001 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief (4) is de gecombineerde nomenclatuur gewijzigd voor sommige groente- en fruitsoorten en door verwerking daarvan verkregen producten, waaronder sommige conserven van paddestoelen van het geslacht „Agaricus”.

(5)

Het Protocol tot aanpassing van de handelsaspecten van de Europaovereenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Roemenië, anderzijds, in verband met de resultaten van de onderhandelingen over nieuwe wederzijdse landbouwconcessies, dat is goedgekeurd bij Besluit 2003/18/EG van de Raad (5), bevat bepalingen inzake de invoer in de Gemeenschap van bepaalde conserven van paddestoelen van het geslacht „Agaricus” van oorsprong uit Roemenië.

(6)

Het Protocol tot aanpassing van de handelsaspecten van de Europaovereenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Bulgarije, anderzijds, in verband met de resultaten van de onderhandelingen over nieuwe wederzijdse landbouwconcessies, dat is goedgekeurd bij Besluit 2003/286/EG van de Raad (6), bevat bepalingen inzake de invoer in de Gemeenschap van bepaalde conserven van paddestoelen van het geslacht „Agaricus” van oorsprong uit Bulgarije.

(7)

Onverminderd het resultaat van de onderhandelingen op grond van artikel XXIV.6 van de GATT (1994) moet, om de traditionele handelsstromen in stand te houden en er tegelijk voor te zorgen dat de markt van de Gemeenschap openblijft voor nieuwe leverende derde landen, bij de bepaling van de hoeveelheid conserven van paddestoelen van het geslacht „Agaricus”, die in het kader van de tariefcontingenten in de Gemeenschap kan worden ingevoerd, rekening worden gehouden met de preferenties die zijn vastgesteld in de Europaovereenkomsten met Bulgarije en Roemenië. Daartoe dienen de aan andere derde landen dan Bulgarije en Roemenië toegewezen hoeveelheden duidelijk te worden onderscheiden van de aan Bulgarije en Roemenië toegewezen hoeveelheden. Gezien het gebruik dat is gemaakt van de reserve waarin Verordening (EG) nr. 2125/95 in de afgelopen jaren voorzag, dient deze reserve in de aan China toegewezen hoeveelheid te worden opgenomen om elke onderbreking van de handel met dit specifieke leverende land te voorkomen.

(8)

Een regeling dient te worden getroffen om elk jaar een doelmatige toewijzing van de communautaire tariefcontingenten voor conserven van paddestoelen mogelijk te maken. Om te voorkomen dat de communautaire handel met derde landen wordt onderbroken, dient die regeling te zijn gebaseerd op de gegevens die na het eerste halfjaar beschikbaar zijn.

(9)

Gedetailleerde voorschriften moeten worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat voor de hoeveelheden boven de tariefcontingenten het volle recht wordt geheven dat in het gemeenschappelijk douanetarief is vastgesteld. Die voorschriften moeten voorzien in de afgifte van certificaten na afloop van een termijn waarin de hoeveelheden worden gecontroleerd en de lidstaten de nodige gegevens meedelen. Zij vormen een aanvulling op of wijken af van het bepaalde in Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie van 9 juni 2000 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (7).

(10)

De markt van de Gemeenschap moet verder in toereikende mate en tegen stabiele prijzen van de betrokken producten worden voorzien, terwijl onnodige marktverstoringen in de vorm van hevige prijsschommelingen en negatieve gevolgen voor de communautaire producenten moeten worden voorkomen. Daartoe dient de concurrentie tussen importeurs steeds meer te worden bevorderd en dient de administratieve last voor importeurs te worden beperkt.

(11)

In het belang van de bestaande importeurs, die normaliter aanzienlijke hoeveelheden van de betrokken producten invoeren, en ook in het belang van nieuwe importeurs, die zich op de markt begeven en eveneens een eerlijke kans moeten hebben om certificaten voor een hoeveelheid conserven van paddestoelen in het kader van de tariefcontingenten aan te vragen, dient onderscheid te worden gemaakt tussen traditionele importeurs en nieuwe importeurs. Deze twee categorieën van importeurs dienen duidelijk te worden gedefinieerd en bepaalde criteria met betrekking tot de status van de aanvragers en het gebruik van de toegewezen certificaten dienen te worden vastgesteld.

(12)

Het is dienstig een verdeling tussen de onderscheiden categorieën van importeurs vast te stellen op basis van de feitelijk ingevoerde hoeveelheden, en niet op basis van de afgegeven certificaten. Uit verscheidene jaren ervaring met de toepassing van de huidige regeling blijkt echter dat het in het geval van Bulgarije en Roemenië geen zin heeft een verdeling van de contingenten tussen traditionele en nieuwe importeurs te handhaven, omdat de communautaire vraag naar conserven van paddestoelen uit die landen ruim onder de contingenten blijft.

(13)

Voor de certificaataanvragen die elke categorie van importeurs indient om conserven van paddestoelen in te voeren uit andere derde landen dan Bulgarije en Roemenië, dienen bepaalde beperkingen te gelden. Deze beperkingen zijn nodig om ervoor te zorgen dat niet alleen de importeurs met elkaar blijven concurreren, maar ook dat elke importeur die op de markt voor groenten en fruit een echte commerciële activiteit ontplooit, de kans krijgt om zijn legitieme handelspositie ten opzichte van andere importeurs te verdedigen en dat geen enkele importeur de markt kan beheersen.

(14)

Om het beheer van de tariefcontingenten voor conserven van paddestoelen te verbeteren en te vereenvoudigen dient een duidelijke regeling te worden getroffen met betrekking tot de termijnen en de procedures voor de indiening van de certificaataanvragen en de afgifte van de certificaten door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten.

(15)

Om de administratieve last voor de importeurs te beperken, dient te worden bepaald dat certificaataanvragen uitsluitend kunnen worden ingediend in de lidstaat waar de importeur is ingeschreven in een register.

(16)

Maatregelen zijn ook nodig om speculatieve certificaataanvragen die ertoe kunnen leiden dat de tariefcontingenten niet volledig worden benut, tot een minimum te beperken. Wegens de aard en de waarde van het betrokken product dient overeenkomstig artikel 15, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1291/2000 een zekerheid te worden gesteld per ton uitgelekt gewicht van het product waarvoor een aanvraag om een invoercertificaat wordt ingediend. De zekerheid moet hoog genoeg zijn om speculatieve aanvragen te ontmoedigen, maar niet zo hoog dat ook diegenen worden ontmoedigd die een echte commerciële activiteit ontplooien met betrekking tot verwerkte producten op basis van groenten en fruit. Het meest geschikte objectieve criterium voor de vaststelling van de hoogte van de zekerheid is deze te begrenzen op 2 % van het gemiddelde aanvullende douanerecht dat van toepassing is bij invoer in de Gemeenschap van conserven van paddestoelen van het geslacht „Agaricus” spp. die momenteel onder de GN-codes 0711 51 00, 2003 10 20 en 2003 10 30 vallen.

(17)

Om de importeurs in staat te stellen de vraag op de markt voor conserven van paddestoelen te volgen en snel te reageren op veranderende marktomstandigheden, dient hun de mogelijkheid te worden geboden de bevoegde autoriteiten van de lidstaten te verzoeken de door hen ingediende certificaataanvraag als ingetrokken te beschouwen in het geval dat de hoeveelheid waarvoor het certificaat zou worden afgegeven, kleiner is dan de oorspronkelijk aangevraagde hoeveelheid.

(18)

Met het oog op een goed gebruik van de contingenten dienen de lidstaten regelmatig opgave te doen van de hoeveelheden waarvoor de importeurs de door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten afgegeven certificaten niet hebben gebruikt. Bij de bepaling van de hoeveelheden waarvoor certificaten zijn afgegeven, dient rekening te worden gehouden met de op verzoek van de importeurs als ingetrokken beschouwde certificaataanvragen.

(19)

Ten behoeve van het beheer van de tariefcontingenten voor conserven van paddestoelen moeten de importeurs bij de certificaataanvragen die zij bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat indienen, een verklaring voegen volgens welke zij de bij deze verordening vastgestelde beperkingen aanvaarden en in acht nemen. Ter voorkoming van misbruik van de regeling dient de lidstaten een beoordelingsmarge te worden gelaten voor het opleggen van sancties aan importeurs die valse, misleidende of onjuiste aanvragen en/of verklaringen indienen bij hun bevoegde autoriteiten.

(20)

Overgangsmaatregelen moeten worden vastgesteld om de importeurs uit Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije (hierna „de nieuwe lidstaten” genoemd) in staat te stellen gebruik te maken van deze verordening.

(21)

Voor de jaren 2005 en 2006 dient een regeling te worden getroffen om ervoor te zorgen dat onderscheid wordt gemaakt tussen, enerzijds, traditionele importeurs en nieuwe importeurs uit de Gemeenschap in haar samenstelling op 30 april 2004 en, anderzijds, traditionele importeurs en nieuwe importeurs uit de nieuwe lidstaten.

(22)

Bij Verordening (EG) nr. 359/2004 van de Commissie van 27 februari 2004 tot vaststelling van voor Verordening (EG) nr. 2125/95 geldende overgangsmaatregelen in verband met de toetreding van de Tsjechische Republiek, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije (8) zijn bepaalde overgangsmaatregelen en bepalingen voor het jaar 2004 vastgesteld. Deze overgangsmaatregelen zullen na 31 december 2004 niet langer van toepassing zijn. Daarom moet die verordening met ingang van 1 januari 2005 worden ingetrokken.

(23)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor op basis van groenten en fruit verwerkte producten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Opening van de tariefcontingenten en toe te passen douanerechten

1.   Een stelsel van tariefcontingenten wordt overeenkomstig het bepaalde in deze verordening geopend voor de invoer in de Gemeenschap van conserven van paddestoelen van het geslacht „Agaricus” van de GN-codes 0711 51 00, 2003 10 20 en 2003 10 30 (hierna „conserven van paddestoelen” genoemd). De omvang van elk tariefcontingent en de periode waarvoor dit geldt, worden vastgesteld in bijlage I.

2.   Het toe te passen douanetarief is een ad-valoremrecht van 12 % voor producten van GN-code 0711 51 00 (volgnummer 09.4062) en van 23 % voor producten van de GN-codes 2003 10 20 en 2003 10 30 (volgnummer 09.4063).

Evenwel wordt een enkel tarief van 8,4 % toegepast voor producten van oorsprong uit Roemenië (volgnummer 09.4726) en wordt geen douanerecht toegepast voor producten van oorsprong uit Bulgarije (volgnummer 09.4725).

Artikel 2

Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

„de nieuwe lidstaten”: Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije;

2)

„overige landen”: de andere derde landen dan China, Bulgarije en Roemenië;

3)

„bevoegde autoriteiten”: de instantie of instanties die de lidstaat voor de tenuitvoerlegging van deze verordening heeft aangewezen;

4)

„referentiehoeveelheid”: de grootste hoeveelheid (uitgedrukt in uitgelekt gewicht) conserven van paddestoelen van oorsprong uit China en/of de overige landen die een traditionele importeur in de voorgaande drie kalenderjaren per kalenderjaar heeft ingevoerd. De invoer van conserven van paddestoelen van oorsprong uit de nieuwe lidstaten of de Gemeenschap in haar samenstelling op 30 april 2004 wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van de referentiehoeveelheid.

Artikel 3

Categorieën van importeurs

1.   Onder „traditionele importeurs” wordt verstaan importeurs die kunnen bewijzen dat zij:

a)

in elk van de voorgaande drie kalenderjaren op grond van Verordening (EG) nr. 2125/95 of de onderhavige verordening certificaten hebben ontvangen;

b)

in ten minste twee van de voorgaande drie kalenderjaren conserven van paddestoelen in de Gemeenschap hebben ingevoerd;

c)

in het aan hun aanvraag voorafgaande jaar ten minste 100 t verwerkte producten op basis van groenten en fruit zoals bedoeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2201/96, in de Gemeenschap hebben ingevoerd en/of uit de Gemeenschap hebben uitgevoerd.

2.   Onder „nieuwe importeurs” wordt verstaan natuurlijke of rechtspersonen, individueel of in groepsverband, andere dan de in lid 1 bedoelde importeurs, die in elk van de voorgaande twee kalenderjaren ten minste 50 t verwerkte producten op basis van groenten en fruit zoals bedoeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2201/96, in de Gemeenschap hebben ingevoerd en/of uit de Gemeenschap hebben uitgevoerd. Dat aan deze voorwaarde is voldaan, wordt aangetoond door middel van enerzijds de inschrijving in een handelsregister van de lidstaat of enig ander door de lidstaat aanvaard bewijs, en anderzijds het bewijs van de invoer en/of uitvoer.

Artikel 4

Overlegging van invoercertificaten

Voor alle invoer in de Gemeenschap in het kader van de in artikel 1 bedoelde tariefcontingenten moet een invoercertificaat, hierna „certificaat” genoemd, dat overeenkomstig deze verordening is afgegeven, worden overgelegd.

Artikel 5

Certificaataanvragen en certificaten

1.   Verordening (EG) nr. 1291/2000 is van toepassing op de certificaten tenzij in de onderhavige verordening iets anders is bepaald.

2.   De certificaten zijn geldig gedurende negen maanden te rekenen vanaf de datum van de feitelijke afgifte in de zin van artikel 23, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1291/2000, maar zijn na 31 december van het betrokken jaar niet langer geldig.

3.   De in artikel 15, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1291/2000 bedoelde zekerheid bedraagt 40 EUR per ton uitgelekt gewicht.

4.   In vak 8 van de certificaataanvraag en het certificaat wordt het land van oorsprong ingevuld en wordt het woord „ja” aangekruist. Het certificaat geldt uitsluitend voor invoer van oorsprong uit het vermelde land.

5.   Vak 24 van de certificaten bevat een van de in bijlage II opgenomen vermeldingen.

6.   In afwijking van artikel 9, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1291/2000 kunnen de uit de invoercertificaten voortvloeiende rechten niet worden overgedragen.

7.   Artikel 35, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1291/2000 is van toepassing.

8.   In afwijking van artikel 8, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1291/2000 mag de in het vrije verkeer gebrachte hoeveelheid niet groter zijn dan de in de vakken 17 en 18 van het invoercertificaat vermelde hoeveelheid. Daartoe wordt in vak 19 van het certificaat het cijfer „0” ingevuld.

Artikel 6

Verdeling van de totale hoeveelheden over de traditionele en de nieuwe importeurs

1.   De totale hoeveelheid die overeenkomstig bijlage I aan China en aan de overige landen wordt toegewezen, wordt als volgt verdeeld:

a)

95 % onder de traditionele importeurs;

b)

5 % onder de nieuwe importeurs.

2.   Voor invoer van oorsprong uit China en de overige landen wordt, indien in de tweede helft van het kalenderjaar één categorie van importeurs de toegewezen hoeveelheid niet volledig gebruikt, de resterende hoeveelheid toegewezen aan de andere categorie.

3.   De totale hoeveelheden die overeenkomstig bijlage I aan Bulgarije, respectievelijk Roemenië, worden toegewezen, worden verdeeld zonder onderscheid tussen traditionele en nieuwe importeurs.

4.   Voor invoer van oorsprong uit China en de overige landen wordt in vak 20 van de certificaataanvraag naar gelang van het geval „traditionele importeur” of „nieuwe importeur” ingevuld.

Artikel 7

Beperkingen die gelden voor de door de verschillende importeurs ingediende aanvragen

1.   In de eerste of de tweede helft van het kalenderjaar mogen de door een traditionele importeur ingediende certificaataanvragen voor de invoer in de Gemeenschap van conserven van paddestoelen van oorsprong uit China en/of de overige landen in totaal ten hoogste betrekking hebben op een hoeveelheid (uitgedrukt in uitgelekt gewicht) die gelijk is aan 75 % van de referentiehoeveelheid.

2.   In de eerste of de tweede helft van het kalenderjaar mogen de door een nieuwe importeur ingediende certificaataanvragen voor de invoer in de Gemeenschap van conserven van paddestoelen van oorsprong uit China en/of de overige landen in totaal ten hoogste betrekking hebben op een hoeveelheid (uitgedrukt in uitgelekt gewicht) die gelijk is aan 1 % van de som van de overeenkomstig bijlage I aan China en aan de overige landen toegewezen tariefcontingenten.

Artikel 8

Indiening van certificaataanvragen door de importeurs

1.   Certificaataanvragen kunnen uitsluitend door importeurs worden ingediend.

Certificaataanvragen mogen alleen worden ingediend bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de aanvrager is geregistreerd.

De importeurs, en met name de traditionele importeurs, verstrekken ter staving van hun certificaataanvragen de nodige informatie om de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten in staat te stellen tot hun genoegen na te gaan of aan de in artikel 3 vastgestelde voorwaarden is voldaan.

Nieuwe importeurs die in het voorgaande kalenderjaar op grond van Verordening (EG) nr. 2125/95 of de onderhavige verordening certificaten hebben ontvangen, leveren ook het bewijs dat ten minste 50 % van de aan hen toegewezen hoeveelheid daadwerkelijk in de Gemeenschap in het vrije verkeer is gebracht.

2.   De importeurs dienen hun certificaataanvragen in gedurende de eerste vijf werkdagen van januari en/of gedurende de eerste vijf werkdagen van juli.

3.   De importeurs voegen bij hun certificaataanvragen een verklaring volgens welke zij de in artikel 7 vastgestelde bepalingen aanvaarden en in acht nemen.

De verklaringen worden ondertekend door de importeur, die daarmee de juistheid ervan bevestigt.

Artikel 9

Mededelingen over de certificaataanvragen

De lidstaten delen de Commissie mee voor welke hoeveelheden certificaataanvragen zijn ingediend:

a)

voor de in januari ingediende aanvragen, op de zevende werkdag van januari;

b)

voor de in juli ingediende aanvragen, op de zevende werkdag van juli.

De mededelingen worden uitgesplitst naar product volgens de gecombineerde nomenclatuur en naar oorsprong. Voor de invoer van oorsprong uit China en/of de overige landen wordt in de mededelingen ook afzonderlijk aangegeven welke hoeveelheden van elk product door traditionele, respectievelijk nieuwe importeurs zijn aangevraagd.

De bovenbedoelde gegevens worden met behulp van elektronische middelen meegedeeld volgens het model dat de Commissie de lidstaten daartoe bezorgt.

Artikel 10

Afgifte van de certificaten

1.   Onder voorbehoud van lid 2 worden de certificaten door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten afgegeven op de zevende werkdag na de in artikel 9 voorgeschreven mededeling.

2.   Indien in januari en/of juli wordt geconstateerd dat de aangevraagde hoeveelheden de beschikbare hoeveelheid overtreffen, neemt de Commissie een verordening aan waarbij zij een op de betrokken certificaataanvragen toe te passen forfaitair verlagingspercentage vaststelt en zo nodig de afgifte van certificaten op basis van latere aanvragen schorst.

In dat geval geven de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de certificaten af op de derde werkdag na de inwerkingtreding van de in de eerste alinea bedoelde verordening.

Artikel 11

Intrekking van certificaataanvragen

Indien de hoeveelheid waarvoor een certificaat wordt afgegeven, overeenkomstig artikel 10, lid 2, kleiner is dan de hoeveelheid waarvoor de certificaataanvraag is ingediend, kan de betrokken importeur de bevoegde autoriteiten binnen drie werkdagen na de inwerkingtreding van de overeenkomstig artikel 10, lid 2, aangenomen verordening verzoeken de certificaataanvraag als ingetrokken te beschouwen. In geval van een dergelijke intrekking wordt het hele bedrag voor de zekerheid onmiddellijk vrijgegeven.

Artikel 12

Informatie over de mate waarin de contingenten zijn gebruikt

De Commissie houdt de lidstaten regelmatig, op het geschikte tijdstip en op passende wijze, op de hoogte van de mate waarin de contingenten zijn gebruikt.

Artikel 13

Opgave van de niet-gebruikte certificaten

De lidstaten delen de Commissie de hoeveelheden mee waarvoor certificaten zijn afgegeven door hun bevoegde autoriteiten maar niet zijn gebruikt door de importeurs, zodra zij over deze informatie beschikken. Bij de bepaling van de hoeveelheden waarvoor certificaten zijn afgegeven, wordt rekening gehouden met de overeenkomstig artikel 11 ingetrokken certificaataanvragen.

De in de eerste alinea bedoelde gegevens worden met behulp van elektronische middelen meegedeeld volgens het model dat de Commissie de lidstaten daartoe bezorgt.

Artikel 14

Toe te passen internationale verbintenissen

1.   De conserven van paddestoelen van oorsprong uit Bulgarije en Roemenië worden in de Gemeenschap in het vrije verkeer gebracht overeenkomstig de protocollen tot aanpassing van de handelsaspecten van de Europaovereenkomst met respectievelijk Bulgarije en Roemenië.

2.   De conserven van paddestoelen van oorsprong uit China worden in de Gemeenschap binnen en in het vrije verkeer gebracht overeenkomstig de artikelen 55 tot en met 65 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie (9).

3.   De autoriteiten die bevoegd zijn om het certificaat van oorsprong voor de conserven van paddestoelen van oorsprong uit China af te geven, zijn vermeld in bijlage III.

Artikel 15

Wijziging van certificaten

1.   De titularis van een certificaat kan verzoeken om wijziging van de GN-code waarvoor het certificaat is afgegeven, mits:

a)

de nieuwe GN-code die wordt aangevraagd, voorkomt in artikel 1, lid 1;

b)

de aanvraag wordt ingediend bij de bevoegde autoriteiten die het oorspronkelijke certificaat hebben afgegeven, en vergezeld gaat van dat oorspronkelijke certificaat en van alle eventueel afgegeven uittreksels.

2.   In gevallen zoals bedoeld in lid 1 bewaren de bevoegde autoriteiten die het oorspronkelijke certificaat hebben afgegeven, dit certificaat en alle eventuele uittreksels en geven zij een vervangingscertificaat en in voorkomend geval een of meer uittreksels van het vervangingscertificaat af.

3.   Het vervangingscertificaat en in voorkomend geval de uittreksels:

a)

worden afgegeven voor een hoeveelheid die ten hoogste gelijk is aan de maximumhoeveelheid die volgens het vervangen certificaat of uittreksel beschikbaar is;

b)

bevatten in vak 20 het nummer en de datum van het vervangen certificaat of uittreksel;

c)

bevatten in de vakken 13, 14 en 15 de gegevens over het betrokken nieuwe product;

d)

bevatten in vak 16 de nieuwe GN-code;

e)

bevatten in de overige vakken dezelfde gegevens als die in het vervangen certificaat of uittreksel, en met name dezelfde vervaldatum.

4.   De lidstaten stellen de Commissie onmiddellijk met behulp van elektronische middelen in kennis van alle vervangingscertificaten die zij eventueel hebben afgegeven.

Artikel 16

Sancties ten aanzien van importeurs

1.   Indien door een importeur bij de bevoegde autoriteiten van een lidstaat ingediende aanvragen en/of verklaringen vals, misleidend of onjuist blijken te zijn en tenzij dit duidelijk aan een echte fout is toe te schrijven, sluiten de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat de betrokken importeur uit van de regeling inzake certificaataanvragen voor de twee halfjaren na die constatering.

2.   De lidstaten kunnen aanvullende nationale bepalingen betreffende de indiening van certificaataanvragen bij hun bevoegde autoriteiten vaststellen en kunnen voorzien in sancties die zijn aangepast aan de ernst van enige onregelmatigheid en worden opgelegd aan importeurs die voor BTW-doeleinden op hun nationale grondgebied zijn geregistreerd.

Artikel 17

Administratieve samenwerking tussen de lidstaten

De lidstaten nemen de voor wederzijdse administratieve samenwerking benodigde maatregelen met het doel ervoor te zorgen dat deze verordening naar behoren wordt toegepast.

Artikel 18

Overgangsmaatregelen voor de jaren 2005 en 2006

In afwijking van artikel 3 gelden uitsluitend in de nieuwe lidstaten voor de jaren 2005 en 2006 de volgende begripsomschrijvingen:

1)

Onder „traditionele importeurs” wordt verstaan importeurs die kunnen bewijzen dat:

a)

zij in ten minste twee van de voorgaande drie kalenderjaren conserven van paddestoelen hebben ingevoerd uit andere gebieden van oorsprong dan de nieuwe lidstaten of de Gemeenschap in haar samenstelling op 30 april 2004;

b)

zij in het voorgaande kalenderjaar ook ten minste 100 t verwerkte producten op basis van groenten en fruit zoals bedoeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2201/96 hebben ingevoerd en/of uitgevoerd;

c)

de onder a) en b) bedoelde invoer heeft plaatsgevonden in de nieuwe lidstaat waar de betrokken importeur zijn hoofdkantoor heeft;

d)

de onder b) bedoelde uitvoer is gegaan naar andere bestemmingen dan de nieuwe lidstaten of de Gemeenschap in haar samenstelling op 30 april 2004.

2)

Onder „nieuwe importeurs” wordt verstaan natuurlijke of rechtspersonen, individueel of in groepsverband, die handelaar en geen traditionele importeur in de zin van punt 1 zijn en kunnen bewijzen dat:

a)

zij in elk van de voorgaande twee kalenderjaren ten minste 50 t verwerkte producten op basis van groenten en fruit zoals bedoeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2201/96 uit andere gebieden van oorsprong dan de nieuwe lidstaten of de Gemeenschap in haar samenstelling op 30 april 2004 hebben ingevoerd en/of hebben uitgevoerd;

b)

de onder a) bedoelde invoer heeft plaatsgevonden in de nieuwe lidstaat waar de betrokken importeur zijn hoofdkantoor heeft;

c)

de onder a) bedoelde uitvoer is gegaan naar andere bestemmingen dan de nieuwe lidstaten of de Gemeenschap in haar samenstelling op 30 april 2004.

Artikel 19

Intrekking

De Verordeningen (EG) nr. 2125/95 en (EG) nr. 359/2004 worden met ingang van 1 januari 2005 ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening.

Artikel 20

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 oktober 2004.

Voor de Commissie

Franz FISCHLER

Lid van de Commissie


(1)  PB L 297 van 21.11.1996, blz. 29. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 386/2004 van de Commissie (PB L 64 van 2.3.2004, blz. 25).

(2)  PB L 336 van 23.12.1994, blz. 22.

(3)  PB L 212 van 7.9.1995, blz. 16. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 498/2004 (PB L 80 van 18.3.2004, blz. 20).

(4)  PB L 279 van 23.10.2001, blz. 1.

(5)  PB L 8 van 14.1.2003, blz. 18.

(6)  PB L 102 van 24.4.2003, blz. 60.

(7)  PB L 152 van 24.6.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 636/2004 (PB L 100 van 6.4.2004, blz. 25).

(8)  PB L 63 van 28.2.2004, blz. 11.

(9)  PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1.


BIJLAGE I

Omvang (in ton uitgelekt gewicht) en periode van toepassing van de in artikel 1, lid 1, bedoelde contingenten

Leverend land

Van 1 januari tot en met 31 december van elk jaar

Bulgarije

2 875 (1)

Roemenië

500

China

23 750

Overige landen

3 290


(1)  Vanaf 1 januari 2006 wordt de toewijzing voor Bulgarije jaarlijks met 250 t verhoogd.


BIJLAGE II

In artikel 5, lid 5, bedoelde vermeldingen

—   in het Spaans: Derecho de aduana … % — Reglamento (CE) no 1864/2004,

—   in het Tsjechisch: Celní sazba … % – nařízení (ES) č. 1864/2004,

—   in het Deens: Toldsats … % — forordning (EF) nr. 1864/2004,

—   in het Duits: Zollsatz … % — Verordnung (EG) Nr. 1864/2004,

—   in het Ests: Tollimaks … % – määrus (EÜ) nr 1864/2004,

—   in het Grieks: Δασμός … % — Κανονισμός (ΕΚ) αριθ. 1864/2004,

—   in het Engels: Customs duty … % — Regulation (EC) No 1864/2004,

—   in het Frans: Droit de douane: … % — Règlement (CE) no 1864/2004,

—   in het Italiaans: Dazio: … % — Regolamento (CE) n. 1864/2004,

—   in het Lets: Muitas nodoklis … % – Regula (EK) Nr. 1864/2004,

—   in het Litouws: Muito mokestis … % – Reglamentas (EB) Nr. 1864/2004,

—   in het Hongaars: Vám: … % – 1864/2004/EK rendelet,

—   in het Maltees: Dazju Doganali … % – Regolament (KE) Nru 1864/2004,

—   in het Nederlands: Douanerecht: … % — Verordening (EG) nr. 1864/2004,

—   in het Pools: Cło … % – Rozporządzenie (WE) nr 1864/2004,

—   in het Portugees: Direito aduaneiro: … % — Regulamento (CE) n.o 1864/2004,

—   in het Slowaaks: Clo … % – nariadenie (ES) č. 1864/2004,

—   in het Sloveens: Carina: … % – Uredba (ES) št. 1864/2004,

—   in het Fins: Tulli … prosenttia – Asetus (EY) N:o 1864/2004,

—   in het Zweeds: Tull … % – Förordning (EG) nr 1864/2004.


BIJLAGE III

Lijst van de Chinese autoriteiten die bevoegd zijn om de in artikel 14, lid 3, bedoelde certificaten van oorsprong af te geven:

General Administration of Quality Supervision

Entry-exit Inspection and Quarantine Bureau of the People's Republic of China in:

Beijing

Jiangxi

Shenzhen

Shanxi

Zhuhai

Ningxia

Inner Mongolia

Sichuan

Tianjin

Hebei

Chongqing

Shanghai

Liaoning

Yunnan

Ningbo

Jilin

Guizhou

Jiangsu

Shandong

Shaanxi

Guangxi

Zhejiang

Gansu

Heilongjiang

Anhui

Qinghai

Hainan

Hubei

Tibet

Henan

Guangdong

Fujian

Xinjiang

Xiamen

 

Hunan


28.10.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 325/39


VERORDENING (EG) Nr. 1865/2004 VAN DE COMMISSIE

van 27 oktober 2004

betreffende de afgifte van invoercertificaten voor rijst voor de aanvragen die in de eerste tien werkdagen van oktober 2004 zijn ingediend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 327/98

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1095/96 van de Raad van 18 juni 1996 betreffende de tenuitvoerlegging van de concessies in de lijst CXL die is opgesteld naar aanleiding van de voltooiing van de onderhandelingen in het kader van artikel XXIV, lid 6, van de GATT (1),

Gelet op Besluit 96/317/EG van de Raad van 13 mei 1996 betreffende de aanvaarding van de resultaten van het overleg met Thailand in het kader van artikel XXIII van de GATT (2),

Gelet op Verordening (EG) nr. 327/98 van de Commissie van 10 februari 1998 inzake de opening en de wijze van beheer van bepaalde tariefcontingenten voor de invoer van rijst en breukrijst (3), en met name op artikel 5, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Voor de invoercertificaataanvragen voor rijst die in de eerste tien werkdagen van oktober 2004 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 327/98 zijn ingediend en waarvan de Commissie in kennis is gesteld, worden certificaten afgegeven voor de in de aanvragen vermelde hoeveelheden, verminderd door toepassing van de in de bijlage bij deze verordening vastgestelde percentages.

2.   Het definitieve benuttingspercentage voor het jaar 2004 voor elk betrokken contingent is vermeld in de bijlage.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 28 oktober 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 oktober 2004.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw


(1)  PB L 146 van 20.6.1996, blz. 1.

(2)  PB L 122 van 22.5.1996, blz. 15.

(3)  PB L 37 van 11.2.1998, blz. 5. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2296/2003 (PB L 340 van 24.12.2003, blz. 35).


BIJLAGE

Verminderingspercentage dat moet worden toegepast op de gevraagde hoeveelheden voor de tranche van oktober 2004, en benuttingspercentage voor het jaar 2004:

a)   Volwitte of halfwitte rijst van GN-code 1006 30

Oorsprong

Verminderingspercentage voor de tranche van oktober 2004

Definitief benuttingspercentage voor het contingent voor het jaar 2004

Verenigde Staten van Amerika

99,63

Thailand

0 (1)

93,14

Australië

100

Andere oorsprong

100


b)   Gedopte rijst van GN-code 1006 20

Oorsprong

Verminderingspercentage voor de tranche van oktober 2004

Definitief benuttingspercentage voor het contingent voor het jaar 2004

Verenigde Staten van Amerika

94,90

Thailand

99,72

Australië

3,32

Andere oorsprong

100


c)   Breukrijst van GN-code 1006 40 00

Oorsprong

Definitief benuttingspercentage voor het contingent voor het jaar 2004

Thailand

68,37

Australië

6,81

Guyana

0

Verenigde Staten van Amerika

25

Andere oorsprong

34,36


(1)  Afgifte voor de in de aanvraag vermelde hoeveelheid.


II Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

Raad

28.10.2004   

NL XM XM XM

Publicatieblad van de Europese Unie

L 325/41


BESLUIT VAN DE RAAD

van 11 mei 2004

houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de regio's

(2004/734/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 49,

gelet op de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek, en de aanpassing van de verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, en met name op de artikelen 15 en 49,

gelet op het besluit van de Raad van 22 januari 2002 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de regio's (1),

gezien de voordrachten van de regeringen van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije,

overwegende hetgeen volgt:

(1)

Naar aanleiding van de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije tot de Europese Unie moet het Comité van de regio's worden aangevuld door de benoeming van vijfennegentig leden en vijfennegentig plaatsvervangers die een regionaal of lokaal lichaam uit de nieuwe lidstaten vertegenwoordigen.

(2)

De samenstelling van het Comité moet een vertegenwoordiging van de regionale en lokale lichamen waarborgen,

BESLUIT:

Enig artikel

Tot lid of plaatsvervanger van het Comité van de regio's worden voor de periode tot en met 25 januari 2006 benoemd:

als leden, de personen die per lidstaat zijn vermeld in de lijst in bijlage I,

als plaatsvervangers, de personen die per lidstaat zijn vermeld in de lijst in bijlage II.

Gedaan te Brussel, 11 mei 2004.

Voor de Raad

De voorzitter

C. McCREEVY


(1)  PB L 24 van 26.1.2002, blz. 38.


LISTA DE LOS MIEMBROS Y SUPLENTES DEL COMITÉ DE LAS REGIONES

SEZNAM ČLENŮ A NÁHRADNÍKŮ VÝBORU REGIONŮ

LISTE OVER MEDLEMMERNE OG SUPPLEANTER AF REGIONERNE

LISTE DER MITGLIEDER UND STELLVERTRETER DES AUSSCHUSSES DER REGIONEN

REGIOONIDE KOMITEE LIIKMETE JA ASENDUSLIIKMETE NIMEKIRI

ΚΑΤΑΛΟΓΟΣ ΤΩΝ ΤΑΚΤΙΚΩΝ ΚΑΙ ΑΝΑΠΛΗΡΩΜΑΤΙΚΩΝ ΜΕΛΩΝ ΤΗΣ ΕΠΙΤΡΟΠΗΣ ΤΩΝ ΠΕΡΙΦΕΡΕΙΩΝ

LIST OF THE MEMBERS AND ALTERNATES OF THE COMMITTEE OF THE REGIONS

LISTE DES MEMBRES ET SUPPLÉANTS DU COMITÉ DES RÉGIONS

ELENCO DEI MEMBRI E SUPPLENTI DEL COMITATO DELLE REGIONI

REĢIONU KOMITEJAS LOCEKĻU UN TO AIZSTĀJĒJU SARAKSTS

REGIONŲ KOMITETO NARIŲ IR PAKAITINIŲ NARIŲ SĄRAŠAS

A RÉGIÓK BIZOTTSÁGA TAGJAINAK ÉS PÓTTAGJAINAK LISTÁJA

LISTA TAL-MEMBRI U SOSTITUTI TAL-KUMITAT TAR-REĠJUNI

LIJST VAN LEDEN EN PLAATSVERVANGERS VAN HET COMITÉ VAN DE REGIO’S

WYKAZ CZŁONKÓW KOMITETU REGIONÓW ORAZ ICH ZASTĘPCÓW

LISTA DOS MEMBROS EFECTIVOS E SUPLENTES DO COMITÉ DAS REGIÕES

ZOZNAM ČLENOV A ZÁSTUPCOV VÝBORU REGIÓNOV

SEZNAM ČLANOV IN NAMESTNIKOV ODBORA REGIJ

ALUEIDEN KOMITEAN JÄSENTEN JA VARAJÄSENTEN LUETTELO

FÖRTECKNING ÖVER LEDAMÖTER OCH SUPPLEANTER I REGIONKOMMITTÉN

 

ANEXO I — PŘÍLOHA I — BILAG I — ANHANG I — I LISA — ΠΑΡΑΡΤΗΜΑ Ι — ANNEX I — ANNEXE I — ALLEGATO I — I PIELIKUMS — I PRIEDAS — I. MELLÉKLET — ANNESS I — BIJLAGE I — ZAŁĄCZNIK I — ANEXO I — PRÍLOHA I — PRILOGA I — LIITE I — BILAGA I

Miembros/Členové/Medlemmer/Mitglieder/Liikmed/Μέλη/Members/Membres/Membri/Locekļi/Nariai/Tagok/Membri/Leden/Członkowie/Membros/Členovia/Člani/Jäsenet/Ledamöter

ČESKÁ REPUBLIKA

 

BÉM Pavel

Lord Mayor of the Capital City of Prague

 

BŘEZINA Jan

President of the Regional Council of Olomoucký kraj

 

DOHNAL František

President of the Regional Council of Vysočina kraj

 

LÍNEK Roman

President of the Regional Council of Pardubický kraj

 

PAVEL Josef

President of the Regional Council of Karlovarský kraj

 

TOŠENOVSKÝ Evžen

President of the Regional Council of Moravskoslezský kraj

 

ZAHRADNÍK Jan

President of the Regional Council of Jihočeský kraj

 

VLASÁK Oldřich

Lord Mayor of the City of Hradce Králové, Královéhradecký kraj

 

TESAŘÍK Martin

Mayor of the City of Olomouc, Olomoucký kraj

 

GANDALOVIČ Petr

Lord Mayor of the City of Ústí nad Labem, Ústecký kraj

 

HANÁK Jaroslav

Mayor of the City of Veselí nad Moravou, Jihomoravský kraj

 

LANGŠÁDLOVÁ Helena

Mayor of the Municipality of Černošice, Středočeský kraj

EESTI

 

ANSIP Andrus

Mayor of City of Tartu, Tartu City Government

 

KALLASVEE Teet

Mayor of City of Haapsalu, Haapsalu City Government

 

KÕIV Tõnis

Mayor of City of Paide, Paide City Government

 

MÄEKER Mart

Head of Leisi Municipality, Leisi Municipality Government

 

MÜÜRSEPP Kurmet

Head of Urvaste Municipality, Urvaste Municipality Government

 

SAVISAAR Edgar

Mayor of the City of Tallinn, Tallinn City Government

 

TOBRELUTS Sirje

Head of Laheda Municipality, Laheda Municipality Government

ΚYΠΡΟΣ

 

ZAMBELAS Michael

Mayor of Nicosia

 

MESIS Christos

Mayor of Mesa Yitonia

 

SARIKAS Fidias

Mayor of Paphos

 

GEORGIOU George

Mayor of Kato Polemidia

 

IACOVOU George

President of the Community Council of Ayioi Trimithias

 

ELENODOROU Spyros

President of the Community Council of Oroklini

LATVIJA

 

PURGALE Cilda

Chairman, Trikāta Rural Municipality Council

 

BARTKEVIČS Edvīns

Chairman Ogre County Council

 

JAUNSLEINIS Andris

Chairman, Union of Local and Regional Governments of Latvia

 

KUCINS Arvīds

Chairman Dubna Pagasts Council

 

KRIEVINS Guntars

Deputy of Liepaja Town Council

 

KALNACS Janis

Deputy of Riga City Council

 

NEILANDE Lolita

Chairman of Talsi district Sabile novads Council

LIETUVA

 

GUDELIS Darius

Mayor of Anykščiai district municipality

 

GARBARAVIČIUS Ramūnas

Member of Kaunas city municipal council

 

JAKUTIS Raimundas

Mayor of Šiauliai district municipality

 

LUKOŠIENĖ Virginija

Klaipėda county governor

 

MALINAUSKAS Ričardas

Mayor of Druskininkai municipality

 

MATUZAS Vitas

Mayor of Panevėžys city municipality

 

PAVIRŽIS Gediminas Adolfas

Deputy Mayor of Vilnius city municipality

 

VAIŠNORA Aidas

Member of Kazlų Rūda municipal council

 

VIGELIS Vytautas

Mayor of Švenčioniai district municipality

MAGYARORSZÁG

 

BALOGH László Dr.

President of the Bács-Kiskun County Assembly

 

BENKŐ Ferenc

Mayor of Tiszaladány

 

BOR Imre

Member of local government, Paks

 

BOROS Imre Dr.

Vice-president of Zala County Assembly

 

DEMSZKY Gábor Dr.

Lord Mayor of Budapest

 

DIÓSSY László

Mayor of Veszprém

 

FÁBIÁN Zsolt

Member of local government, Gödöllő

 

KÁLI Sándor

Mayor of Miskolc

 

MOLNÁR Árpád

Mayor of Balatonszabadi

 

SÉRTŐ-RADICS István Dr.

Mayor of Uszka

 

SZABÓ Gyula

Member of Heves County Assembly

 

WEKLER Ferenc Dr.

Mayor of Mecseknádasd

MALTA

 

MICALLEF Ian Dr.

Councillor, Gzira Local council

 

COHEN Michael

Mayor, Kalkara Local Council

 

BORG Doris

Mayor, Birkirkara Local Council

 

FARRUGIA Antonia

Councillor, Zurrieq Local Council

 

FORMOSA Noel

Mayor, San Lawrenz Local Council

POLSKA

 

ARNDT Paweł

Chairman of the Sejmik, Wielkopolskie

 

CIACH Krzysztof

Starosta of the Poviat, Zachodniopomorskie

 

CZARSKI Michał

Marshal of Voivodship, Śląskie

 

CZERNECKI Andrzej

City Mayor, Podkarpackie

 

DUTKIEWICZ Rafał

City President, Dolnośląskie

 

GOŁĘBIEWSKI Henryk

Marshal of Voivodship, Dolnośląskie

 

KARSKI Karol

Deputy Chairman of the City Council, Mazowieckie

 

KROPIWNICKI Jerzy

City President, Łódzkie

 

LECH Mirosław

Wójt of the Commune, Podlaskie

 

MAJCHROWSKI Jacek

City President, Małopolskie

 

MAKAREWICZ Henryk

Marshal of Voivodship, Lubelskie

 

RAKOCZY Stanisław

Starosta of the Poviat, Opolskie

 

RONOWICZ Bożena

City President, Lubuskie

 

RYŃSKI Andrzej

Marshal of Voivodship, Warmińsko-Mazurskie

 

SEPIOŁ Janusz

Marshal of Voivodship, Małopolskie

 

STRUZIK Adam

Marshal of Voivodship, Mazowieckie

 

SYNAK Brunon

Chairman of the Sejmik, Pomorskie

 

SZYMANOWICZ Marian

Deputy City President, Lubelskie

 

TEODORCZYK Mieczysław

Marshal of Voivodship, Łódzkie

 

WOŁODŹKO Franciszek

Marshal of Voivodship, Świętokrzyskie

 

ZAJĄKAŁA Jerzy

Wójt of the Commune, Kujawsko-Pomorskie

SLOVENIJA

 

SOVIČ Boris

Mayor of Urban Municipality Maribor

 

KOVAČIČ Boštjan

Mayor of Urban Municipality Novo mesto

 

PEČAN Breda

Mayor of Municipality Izola

 

SMOLNIKAR Anton

Mayor of Municipality Kamnik

 

HALB Janko

Mayor of Municipality Rogašovci

 

SMRDELJ Robert

Mayor of Municipality Pivka

 

ŠTEBE Tomaž

Mayor of Municipality Mengeš

SLOVENSKO

 

BAUER Rudolf

President of Košice Self-governing Region

 

SLAFKOVSKÝ Alexander

Mayor of Liptovský Mikuláš City

 

BELICA Milan

President of Nitra Self-governing Region

 

TARČÁK Jozef

President of Źilina Self-governing Region

 

MARČOK Milan

President of Banská Bystrica Self-governing Region

 

CHUDÍK Peter

President of Prešov Self-governing Region

 

DEMETEROVÁ Mária

Elected Representative of Bratislava Self-governing Region

 

BOBÍK Jozef

Mayor of Michalovce City

 

PETUŠÍK Jozef

Mayor of Dolný Lopašov

ANEXO II — PŘÍLOHA II — BILAG II — ANHANG II — II LISA — ΠΑΡΑΡΤΗΜΑ IΙ — ANNEX II — ANNEXE II — ALLEGATO II — II PIELIKUMS — II PRIEDAS — II. MELLÉKLET — ANNESS II — BIJLAGE II — ZAŁĄCZNIK II — ANEXO II — PRÍLOHA II — PRILOGA II — LIITE II — BILAGA II

Suplentes/Náhradníci/Suppleanter/Stellvertreter/Asendusliikmed/Αναπληρωτές/Alternates/Suppléants/Supplenti/Aizstājēji Pakaitiniai nariai/Póttagok/Sostituti/Plaatsvervangers/Zastępcy Suplentes/Zástupcovia/Namestniki/Varajäsenet/Suppleanter

ČESKÁ REPUBLIKA

 

BENDL Petr

President of the Regional Council of Středočeský kraj

 

SLAVÍK František

President of the Regional Council of Zlínský krajj

 

JURÁNEK Stanislav

President of the Regional Council of Jihomoravský kraj

 

DERNER Vladimír

Deputy of the President of the Regional Council of Královehradecký kraj

 

ŠULC Jiří

President of the Regional Council of Ústecký kraj

 

ZÁMEČNÍK Jaroslav, CSc.

Member of the Regional Council of Liberecký kraj

 

ZIMMERMANN Petr

President of the Regional Council of Plzeňský kraj

 

BYTEL Jiří

Mayor of the Municipality of Velká Hleďsebe, Karlovarský kraj

 

HALANOVÁ Květa

Mayor of the City of Jílové u Prahy, Středočeský kraj

 

PRŮŠA Luboš

Mayor of the City of Písek, Jihočeský kraj

 

ÚLEHLA Tomáš

Mayor of the City of Zlín, Zlínský kraj

 

DUCHOŇ Petr

Lord Mayor of the City of Brno, Jihomoravský kraj

EESTI

 

ELLRAM Jüri

Head of Imavere Municipality, Imavere Municipality Government

 

ERIKSON Urve

Chairman of Tudulinna Municipality Council

 

KALEV Saima

Head of Municipality of Jõgeva, Jõgeva Municipality Government

 

LEPIK Margus

Mayor of City of Valga, Valga City Government

 

MARIPUU Maret

Chairman of Tallinn City Council, Tallinn City Council

 

SILBERG Uno

Chairman of Kose Municipality Council, Kose Municipality Council

 

TAMKIVI Jaanus

Mayor of Kuressaare City, Kuressaare City Government

ΚYΠΡΟΣ

 

PITTAS Charalambos

Mayor of Morphou

 

PERICLEOUS Barbara

Mayor of Ayia Napa

 

HADJITOPHIS Kyriakos

Mayor of Ayios Athanasios

 

VIOLARIS Christakis

Mayor of Lakatamia

 

MICHAEL Dimitris

President of the Community Council of Ayios Ambrosios

 

KALLIS Nikos

President of the Community Council of Zoopigi

LATVIJA

 

AUGULIS Uldis

Chairman of Local Municipality Bērze

 

ZALĀNS Edgars

Mayor, Chairman of Kuldīga Town Council

 

PUKITIS Talis

Vice-Chairman of Development Council of Riga Region

 

ELKSNĪTIS Andris

Chairman of Dobele District Council

 

VĒTRA Aivars

Member of the Jūrmala City Council

 

KRASTINŠ Edmunds

Member of Riga City Council

 

VAIVODS Andris

Chairman of Līvāni District Council

LIETUVA

 

ABRAMAVIČIUS Arnoldas

Member of Zarasai district municipal council

 

GUSTAITIS Antanas

Mayor of Prienai district municipality

 

JASEVIČIUS Valdemaras

Mayor of Šilalė district municipality

 

KAUBRYS Donatas

Member of Telšiai district municipal council

 

KOLOSAUSKAS Feliksas

Vilnius county governor

 

PEKELIŪNAS Alfredas

Mayor of Panevėžys district municipality

 

ULKĖ Zenonas

Member of Šakiai district municipal council

 

ŠEDŽIUS Alvydas

Šiauliai county governor

 

ŽUKAUSKAS Liudvikas

Mayor of Skuodas district municipality

MAGYARORSZÁG

 

BIHARY Gábor

Member of local government, Budapest

 

GÉMESI György Dr.

Mayor of Gödöllő

 

IPKOVICH György Dr.

Mayor of Szombathely

 

JÓSZAI Attila

Member of local government, Szigetszentmiklós

 

KOCSIS Károlyné

Member of local government, Dunapataj

 

KOVÁCSNÉ HORVÁTH Klára Dr.

Mayor of Bábolna

 

LÁZÁR János Dr.

Mayor of Hódmezővásárhely

 

MÁTIS András

Mayor of Szirák

 

NAGY Sándor

Mayor of Kistelek

 

PAJZS József

Mayor of Szigetvár

 

SZABÓ Lóránt

Mayor of Dombóvár

 

SZAKÁCS Imre Dr.

President of Győr-Moson-Sopron County Assembly

MALTA

 

MIFSUD Malcolm Dr.

Mayor, Pieta‘ Local Council

 

GRECH Keith

Councillor, St Paul’s Bay Local Council

 

BORG Joseph

Councillor, Mellieha Local Council

 

AGIUS Joan

Deputy Mayor, Zejtun Local Council

 

BUTTIGIEG Paul

Mayor, Qala Local Council

POLSKA

 

ACHRAMOWICZ Waldemar

Marshal of Voivodship, Kujawsko-Pomorskie

 

BOROŃ Piotr

Chairman of the Sejmik, Małopolskie

 

DOMBROWICZ Konstanty

City President, Kujawsko-Pomorskie

 

FOGLER Piotr

Chairman of Sejmik, Mazowieckie

 

KOBYLIŃSKI Maciej

City President, Pomorskie

 

KROCHMAL Witold

City Mayor, Dolnośląskie

 

KRZYŻEWSKI Janusz

Marshal of Voivodship, Podlaskie

 

KUBAT Grzegorz

Marshal of Voivodship, Opolskie

 

KUŹNIAR Lucjan

Councilor of the Sejmik, Podkarpackie

 

LEWANDOWSKI Eugeniusz

Starosta of the Poviat, Kujawsko-Pomorskie

 

MIKOŁAJCZAK Stefan

Marshal of Voivodship, Wielkopolskie

 

OLSZEWSKI Marek

Wójt of the Commune, Kujawsko-Pomorskie

 

OSOWSKI Karol

Chairman of the Sejmik, Zachodniopomorskie

 

PAŃTAK Kazimierz

Deputy Chairman of the Sejmik, Lubuskie

 

PRUSZKOWSKI Andrzej

City President, Lubelskie

 

SŁOWIŃSKI Jerzy

City President, Łódzkie

 

ŚWIĘTALSKI Leszek

Wójt of the Commune, Dolnośląskie

 

TRAMŚ Marek

Starosta of the Poviat, Dolnośląskie

 

TROMBSKI Marek

Councilor of the Sejmik, Śląskie

 

WĘGRZYN Ludwik

Starosta of the Poviat, Małopolskie

 

WRONA Tadeusz

City President, Śląskie

SLOVENIJA

 

COLARIČ Anton

Member of City Council in Urban Municipality Ljubljana

 

ČELAN Štefan

Mayor of Urban Municipality Ptuj

 

ŠKRJANEC Breda

Member of Council in Municipality Grosuplje

 

ŽAGAR Ivan

Mayor of Municipality Slovenska Bistrica

 

LEDINEK Branko

Mayor of Municipality Rače — Fram

 

GERMOVŠEK Siniša

Member of Council in Municipality Bovec

 

KOVŠE Anton

Mayor of Municipality Podvelka

SLOVENSKO

 

KUBOVIČ Vladimir

Mayor of Záhorská Bystrica — Bratislava City Distict

 

ORAVEC Vladimír

Mayor of Bojnice City

 

VÍTEK Ferdinand

Mayor of Nitra City

 

ŠTEFANEC Štefan

President of Trenčin Self-governing Region

 

ĎURKOVSKÝ Andrej

Mayor of Bratislava City

 

TOMEČEK Peter

President of Trnava Self-governing Region

 

LUMTZER Ladislav

Mayor of Košice — Dargovských hrdinov City District

 

RICHTER Marián

Mayor of Medzev City

 

JANOČKO Vladimír

Mayor of Košice — Pereš City District


28.10.2004   

NL XM

Publicatieblad van de Europese Unie

L 325/51


BESLUIT VAN DE RAAD

van 24 mei 2004

houdende benoeming van nieuwe leden van het Economisch en Sociaal Comité

(2004/735/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 49,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 259,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name op artikel 166,

Gelet op de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek, en de aanpassing van de verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, en met name op de artikelen 14 en 48,

Gelet op het Besluit van de Raad van 17 september 2002 tot benoeming van de leden van het Economisch en Sociaal Comité voor de periode van 21 september 2002 tot en met 20 september 2006,

Gezien de voordrachten van de regeringen van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije,

Na raadpleging van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Ingevolge de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, het Economisch en Sociaal Comité moet worden aangevuld door de benoeming van 95 leden die de verschillende economische en sociale componenten van de georganiseerde civiele samenleving vertegenwoordigen.

(2)

Bij de samenstelling van het Comité rekening moet worden gehouden met de noodzaak de verschillende economische en sociale componenten van de georganiseerde civiele samenleving van een passende vertegenwoordiging te verzekeren,

BESLUIT:

Enig artikel

De personen van wie de naam en hoedanigheid in de bijlage staan, worden benoemd tot lid van het Economisch en Sociaal Comité voor de periode tot en met 20 september 2006.

Gedaan te Brussel, 24 mei 2004.

Voor de Raad,

De voorzitter

D. AHERN


ANEXO — PŘÍLOHA — BILAG — ANHANG — LISA — ΠΑΡΑΡΤΗΜA — ANNEX — ANNEXE — ALLEGATO — PIELIKUMS — PRIEDAS — MELLÉKLET — ANNESS — BIJLAGE — ZAŁĄCZNIK — ANEXO — PRÍLOHA — PRILOGA — LIITE — BILAGA

LISTA DE LOS MIEMBROS DEL COMITE ECONÓMICO Y SOCIAL

SEZNAM ČLENŮ HOSPODÁŘSKÉHO A SOCIÁLNÍHO VÝBORU

LISTE OVER MEDLEMMERNE AF DET ØKONOMISKE OG SOCIALE UDVALG

LISTE DER MITGLIEDER DES WIRTSCHAFTS- UND SOZIALAUSSCHUSSES

MAJANDUS- JA SOTSIAALKOMITEE LIIKMETE NIMEKIRI

ΚΑΤΑΛΟΓΟΣ ΤΩΝ ΜΕΛΩΝ ΤΗΣ ΟΙΚΟΝΟΜΙΚΗΣ ΚΑΙ ΚΟΙΝΩΝΙΚΗΣ ΕΠΙΤΡΟΠΗΣ

LIST OF THE MEMBERS OF THE ECONOMIC AND SOCIAL COMMITTEE

LISTE DES MEMBRES DU COMITÉ ÉCONOMIQUE ET SOCIAL

ELENCO DEI MEMBRI DEL COMITATO ECONOMICO E SOCIALE

EKONOMIKAS UN SOCIĀLO LIETU KOMITEJAS LOCEKĻU SARAKSTS

EKONOMIKOS IR SOCIALINIŲ REIKALŲ KOMITETO NARIŲ SĄRAŠAS

A GAZDASÁGI ÉS SZOCIÁLIS BIZOTTSÁG TAGJAINAK LISTÁJA

LISTA TAL-MEMBRI TAL-KUMITAT EKONOMIKU U SOĊJALI

LIJST VAN LEDEN VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

LISTA CZŁONKÓW KOMITETU EKONOMICZNO-SPOŁECZNEGO

LISTA DOS MEMBROS DO COMITÉ ECONÓMICO E SOCIAL

ZOZNAM ČLENOV HOSPODÁRSKEHO A SOCIÁLNEHO VÝBORU

SEZNAM ČLANOV EKONOMSKO-SOCIALNEGA ODBORA

TALOUS- JA SOSIAALIKOMITEAN JÄSENTEN LUETTELO

FÖRTECKNING ÖVER LEDAMÖTER I EKONOMISKA OCH SOCIALA KOMMITTÉN

ČESKÁ REPUBLIKA

 

ZBOŘIL Josef

Member of the Management Board, Confederation of Industry of the Czech Republic

 

DRBALOVÁ Vladimíra

Director of the Department of International Organisations and European Affairs,

Confederation of Industry of the Czech Republic

 

ZVOLSKÁ Marie

Member of the Confederation of Employers' and Entrepreneurs' Associations of the Czech Republic

 

VOLEŠ Ivan

Deputy Secretary of the Economic Chamber of the Czech Republic

 

ČORNEJOVÁ Helena

Senior Officer of the Social and Economic Department,

Czech-Moravian Confederation of Trade Unions

 

MATOUŠEK Vladimír

Senior Officer of the International Department, Czech-Moravian Confederation of Trade Unions

 

ŠTECHOVÁ Dana

Specialist of the International Department, Czech-Moravian Confederation of Trade Unions

 

ŠMEHLÍK Ondřej

Junior Officer – Specialist of the Railways' Workers Trade Union

 

JÍROVEC Ludvík

Member of the Agrarian Chamber of the Czech Republic

 

ŠMEJKAL David

Member of the Czech Coalition of Consumer Activities

 

STULÍK David

Member of the Civil Society Development Foundation

 

PLECHATÁ Ivana

Director of the House Sue Ryde, Civic Association SKOK

EESTI

 

PÄÄRENDSON Eve

Estonian Employers’ Confederation

 

TSHISTOVA Kristina

Estonian Chamber of Commerce and Industry

 

CARR Liina

Confederation of Estonian Trade Unions

 

VIIES Mare

Estonian Employees’ Unions’ Confederation

 

HELLAM Mall

Network of the Estonian Nonprofit Associations and Foundations (NENO)

 

KREEGIPUU Kalev

Estonian Chamber of Agriculture and Commerce

 

JOOST Meelis

Estonian Chamber of Disabled People

ΚYΠΡΟΣ

 

ANTONIOU Michalis

Cyprus Employers and Industrialists Federation

 

MAVROMMATIS Manthos

Chamber of Commerce and Industry

 

KYRITSIS Pambis

Pancyprian Federation of Labour

 

KITTENIS Demetris

Cyprus Workers’ Confederation

 

VRACHIMIS Giorgos

Consumers’ Association

 

CONSTANTINIDIS Costakis

Union of Cypriot Farmers

LATVIJA

 

BĒRZIŅŠ Andris

Strategic Consultant for UNDP Latvia

ABkonsultants, owner

 

JAUNZEME Ieva

Director General Latvian Employers Confederation

 

KRĪGERS Pēteris

President – Free Trade Union Confederation of Latvia

 

HOMKO Irina

Free Trade Union Confederation of Latvia

 

ANČA Gunta

Chairperson – The Latvian Umbrella Body for Disability Organisations SUSTENTO

 

KOCIŅŠ Viesturs

Head of European Union Department

Latvian Chamber of Commerce and Industry

 

DANUSĒVIČS Henriks

Chairman of Latvian Traders Association

LIETUVA

 

ARLAUSKAS Danukas

Director General, Lithuanian Confederation of Business Employers

 

LASIAUSKAS Linas

Deputy Director General, Lithuanian Apparel and Textile Industry Association

 

MORKIS Gintaras

Deputy Director General, Lithuanian Confederation of Industrialists

 

ŽYGIS Arvydas

Consultant, Association of Lithuanian Chambers of Commerce, Industry and Crafts

 

BALSIENĖ Aldona

President, Lithuanian Trade Union „Solidarumas”

 

KVEDARAVIČIUS Algirdas Aleksandras

Vice-chairperson, Lithuanian Trade Union Confederation

 

PREIDIENĖ Inga

Vice-chairperson, Lithuanian Labour Federation Youth Organization

 

ARMANAVIČIENĖ Alvita

President, Lithuanian National Consumer Federation

 

DOMEIKA Rolandas

Director, Lithuanian Farmers’ Union

MAGYARORSZÁG

 

NAGY Tamás

National Federation of Agricultural Cooperators and Producers

 

VADÁSZ Péter GRD.

Confederation of Hungarian Employers and Industrialists

 

VÉRTES János

National Federation of Traders and Caterers

 

CSUPORT Antal

National Association of Strategic and Public Utility Companies

 

KOLLER Erika

Democratic Ligue of Independent Trade Unions

 

KAPUVÁRI József

National Confederation of Hungarian Trade Unions

 

PÁSZTOR Miklós GRD.

National Confederation of Workers Councils

 

CSER Ágnes GRD.

Cooperation Forum of Trade Unions; Trade Union Confederation of Intellectual Workers

 

HERCZOG Mária GRD.

Family, Child and Youth Organisation for Public Use

 

TÓTH János GRD.

Association of the Hungarian Industrial Parks

 

GARAI István

National Association for Consumer Protection in Hungary

 

BARABÁS Miklós

European House

MALTA

 

CALLEJA Edwin

Secretary General Federation of Industries (FOI)

 

SCIBERRAS Sylvia

Honorary Assistant Secretary

Malta Chamber of Small and Medium Enterprise (GRTU)

 

PARNIS Michael

Deputy Secretary General (Education and International Affairs)

General Workers’ Union (GWU)

 

DARMANIN Anna Maria

Chairperson Salvino Spiteri Foundation

Union Ħaddiema Maqgħudin (UĦM)

 

ATTARD Grace

President National Council of Women

POLSKA

 

MALINOWSKI Andrzej

Polish Employers’ Confederation

 

DORDA Tadeusz

Polish Employers’ Confederation

 

KRAWCZYK Jacek

Polish Confederation of Private Employers

 

KOMOROWSKI Marek

Polish Confederation of Private Employers

 

MULEWICZ Jarosław Maciej

Business Centre Club – Association of Employers

 

DONOCIK Tadeusz

Polish Chamber of Commerce

 

DRABKO Zbigniew

Federation of the Union of Agricultural Employers

 

ADAMCZYK Andrzej

Independent Self-Governing Trade Union „Solidarity”

 

KRZAKLEWSKI Marian

Independent Self-Governing Trade Union „Solidarity”

 

SOBOŃ Katarzyna

Independent Self-Governing Trade Union „Solidarity”

 

RÓŻYCKI Stanisław

All-Poland Alliance of Trade Unions

 

JASIŃSKI Tomasz

All-Poland Alliance of Trade Unions

 

SZYNAKA Edmund

Trade Unions Forum

 

TORNBERG Markus

National Union of Farmers, Circles and Agricultural Organizations

 

NIEPOKULCZYCKA Małgorzata

Polish Consumer Federation

 

SZADZIŃSKA Elżbieta

Polish Consumer Federation

 

SZYDŁOWSKI Andrzej

Union of Polish Craftsmen

 

KAMIENIECKI Krzysztof

Institute for Sustainable Development

 

CZAJKOWSKI Tomasz

Students’ Parliament of the Republic of Poland

 

MENDZA–DROZD Marzena

Polish Federation of Non-Government Organizations

 

PLAKWICZ Jolanta

Polish Women League

SLOVENIJA

 

STOJAN Dare

Association of Employers for Craft Activities of Slovenia

 

STANTIC Cveto

Chamber of Commerce and Industry of Slovenia

 

ROKSANDIC Metka

Association of Free Trade Unions of Slovenia

 

REBOLJ Dusan

Confederation of Trade Unions of Slovenia PERGAM

 

HRIBAR Bojan

Slovenian Committee of Public Sector Trade Unions

 

NOSE Martin

Cooperative Union of Slovenia

 

GREIF Tatjana

SKUC – Students’ cultural center

SLOVENSKO

 

LIŠKA Ján Ing.

President, Union of Pulp-Paper Industry of the Slovak Republic

 

MIHÓK Peter Doc. Ing.

President of the Slovak Chamber of Trade and Industry (SOPK)

 

ORAVEC Ján, PhDr., CSc.

President, Entrepreneur Association of Slovakia

 

ONDRUŠKA Peter JUDr.

Adviser for Legal Affairs, KOZ SR

 

MEŠŤANOVÁ EVA Paed.GRD.

Director of Foreign Relations Department and Protocol, KOZ SR

National Ecosoc Coordinator

 

ŠKULTÉTY Eugen

Vice-President, KOZ SR

 

PÁLENÍK Viliam PhD Doc. RNDr.

Head of the Department of Economic Modelling, Slovak Academy of Sciences (SAV)

 

ŠTERN Juraj, DrSc. GRD.h.c. prof. Ing.

Honorary Member of Slovak Rectors Conference (SRK)

Professor of the University of Economic Studies

 

ČERNÁ Marta RNDr.

President of the Union of Consumers Forum


28.10.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 325/58


BESCHIKKING VAN DE RAAD

van 21 oktober 2004

waarbij het Verenigd Koninkrijk wordt gemachtigd tot toepassing van een bijzondere maatregel die afwijkt van artikel 11 van Zesde Richtlijn 77/388/EEG betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting

(2004/736/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (1), en met name op artikel 27,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij brief, ingekomen bij het secretariaat-generaal van de Commissie op 13 februari 2004, heeft het Verenigd Koninkrijk verzocht om machtiging tot toepassing van een bijzondere maatregel die afwijkt van artikel 11, A, lid 1, onder a), van Richtlijn 77/388/EEG.

(2)

Deze derogatie moet voorkomen dat door het onderwaarderen van leveringen van goederen en diensten BTW wordt ontweken. Zij is met name gericht tegen de omzeiling van artikel 6, lid 2, van Richtlijn 77/388/EEG door middel van een praktijk die in de autohandelbranche wordt toegepast waarbij het personeel voor een vaste vergoeding een auto mag gebruiken. Aangezien deze vergoeding als tegenprestatie voor de dienst blijkt te gelden, wordt de BTW volgens artikel 11, A, lid 1, onder a), van Richtlijn 77/388/EEG geheven over het werkelijk door de werknemer betaalde bedrag. Wegens het dienstverband tussen de twee betrokken partijen is het werkelijk betaalde bedrag evenwel kunstmatig laag, wat tot fors lagere BTW-inkomsten leidt.

(3)

Het Verenigd Koninkrijk werd eerder al gemachtigd om van artikel 11 af te wijken om het probleem van ondergewaardeerde leveringen tussen verbonden personen waarbij de ontvanger volledig of ten dele is vrijgesteld, aan te pakken. Aangezien het begrip „verbonden” ten tijde van de goedkeuring van deze derogatie niet van toepassing was op werknemers en een werknemer geen belastingplichtige is die volledig of ten dele is vrijgesteld, is een nieuwe, specifiekere derogatie vereist.

(4)

De bijzondere maatregel dient uitsluitend te gelden voor de gevallen waarin de overheid kan vaststellen dat de maatstaf van heffing zoals bepaald overeenkomstig artikel 11, A, lid 1, onder a), werd beïnvloed door het dienstverband tussen de twee betrokken partijen. Deze bevinding mag niet berusten op vermoedens, maar moet telkens worden gestaafd door harde feiten.

(5)

Gezien de beperkte werkingssfeer van de derogatie staat de bijzondere maatregel in verhouding tot het beoogde doel.

(6)

De derogatie heeft geen negatieve gevolgen voor de eigen middelen van de Gemeenschap uit de BTW,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:

Artikel 1

In afwijking van artikel 11, A, lid 1, onder a), van Richtlijn 77/388/EEG wordt het Verenigd Koninkrijk tot 31 december 2009 gemachtigd om ter zake van de terbeschikkingstelling van een auto de normale waarde van die dienst als maatstaf van heffing te hanteren, voorzover de verlener en de ontvanger van de dienst verbonden personen in de autohandelbranche zijn.

Artikel 2

Artikel 1 is slechts van toepassing als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de dienstverlener heeft recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de BTW op de auto;

b)

de ontvanger is niet volledig belastingplichtig en is via een dienstverband met de dienstverlener verbonden overeenkomstig nationale wetgeving;

c)

uit de feitelijke omstandigheden kan redelijkerwijs worden geconcludeerd dat het onder b) genoemde dienstverband de maatstaf van heffing zoals bepaald overeenkomstig artikel 11, A, lid 1, onder a), van Richtlijn 77/388/EEG heeft beïnvloed.

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

Gedaan te Luxemburg, 21 oktober 2004.

Voor de Raad

De voorzitter

G. ZALM


(1)  PB L 145 van 13.6.1977, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/66/EG (PB L 168 van 1.5.2004, blz. 35).


28.10.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 325/60


BESCHIKKING VAN DE RAAD

van 21 oktober 2004

waarbij Italië wordt gemachtigd tot toepassing van een maatregel die afwijkt van artikel 2, lid 1, van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting

(2004/737/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op de Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (1), en met name op artikel 30,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij brief, gericht aan de Commissie en ingekomen bij het secretariaat-generaal van de Commissie op 24 maart 2004, heeft de Italiaanse regering verzocht om een overeenkomst te mogen sluiten met Zwitserland waarin bepalingen zijn opgenomen die afwijken van artikel 2, lid 1, van Richtlijn 77/388/EEG.

(2)

Aan dit verzoek ligt een dubbele reden ten grondslag: enerzijds heeft de invoering van BTW op de tol voor de Grote-Sint-Bernardtunnel per 1 januari 2003 tot concurrentieverstoring bij de abonnementsverkoop geleid, anderzijds veroorzaakt de verdeling van de opbrengsten voor BTW-doeleinden volgens een territoriale parameter (de grenslijn tussen beide landen) hoge administratieve kosten, omdat de opbrengsten worden berekend en verdeeld volgens economische criteria waarbij rekening wordt gehouden met de kosten voor de exploitatie en het onderhoud van de tunnel. Deze kosten voor de exploitatie van de tunnel hebben niet alleen betrekking op de tunnel zelf, maar ook op een autoweg die de tunnel op Italiaans grondgebied met het Italiaanse wegennet verbindt.

(3)

Sinds 1 januari 2003 heft en int de Italiaanse exploitant BTW op de tol voor de Grote-Sint-Bernardtunnel. In Zwitserland wordt de tol evenwel niet aan de BTW noch aan andere soortgelijke belastingen onderworpen; krachtens de overeenkomst die Italië en Zwitserland in 1958 vóór de invoering van een gemeenschappelijk BTW-stelsel hebben gesloten, kan Zwitserland niet worden verplicht Italiaanse BTW te heffen en te innen op de tol voor de Grote-Sint-Bernardtunnel. De invoering van BTW alleen op de tol die door de Italiaanse exploitant wordt geïnd, leidde tot ongelijke kosten voor de gebruikers en concurrentieverstoring bij de abonnementsverkoop. De gebruikers kunnen immers aan weerszijden van de tunnel een abonnement nemen en dit aan de goedkoopste zijde, dat wil zeggen Zwitserland, betalen.

(4)

De exploitatie van de grensoverschrijdende tunnel is toevertrouwd aan een Italiaans-Zwitserse joint venture en aan twee exploitanten die respectievelijk in Italië en in Zwitserland gevestigd zijn. De Italiaanse exploitant zou, overeenkomstig het territorialiteitsbeginsel, de BTW moeten toepassen uitsluitend op de bedragen die betrekking hebben op het op Italiaans grondgebied gelegen deel van de tunnel. Overeenkomstig een juridisch bindende overeenkomst die de exploitanten in 1963 hebben gesloten en die nog steeds wordt toegepast, worden de tolopbrengsten evenwel niet op grond van territoriale, maar op grond van economische criteria verdeeld naar verhouding van ieders aandeel in de exploitatie- en onderhoudskosten. In de exploitatie- en onderhoudskosten voor de tunnel is ook het gebruik van een toeleidende autosnelweg naar de tunnel inbegrepen. Dit betekent dat het precieze bedrag van de volgens deze criteria verdeelde opbrengsten pas a posteriori kan worden vastgesteld. Voor de BTW moet het vastgestelde bedrag vervolgens worden opgesplitst overeenkomstig het territorialiteitsbeginsel, met een extrapolatie van de exploitatie- en onderhoudskosten voor het gebruik van de toeleidende autosnelweg. Zowel deze berekening achteraf als de inning van de BTW is omslachtig en veroorzaakt hoge administratieve kosten. Deze werkwijze kan niet in overeenstemming worden gebracht met een stelsel van verbruiksbelasting dat een onmiddellijke heffing en inning van de BTW vereist.

(5)

In dit opzicht is de enige haalbare optie derhalve dat op de tol voor de grote Sint-Bernardtunnel geen BTW wordt geheven. Deze derogatie vormt een belangrijke vereenvoudiging voor de Italiaans-Zwitserse joint venture en haar twee exploitanten.

(6)

De gevraagde derogatie zal echter gevolgen hebben voor de eigen middelen van de Europese Gemeenschappen uit de BTW en vereist derhalve compenserende maatregelen,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:

Artikel 1

In afwijking van artikel 2, lid 1, van Richtlijn 77/388/EEG wordt de Italiaanse Republiek gemachtigd een overeenkomst met Zwitserland te sluiten teneinde op de tol voor de Grote-Sint-Bernardtunnel geen BTW te heffen. Deze machtiging wordt verleend op voorwaarde dat de Italiaanse Republiek ieder jaar een raming maakt van het verlies aan BTW-inkomsten in het stadium van het eindverbruik en dit bedrag naar evenredigheid compenseert in de BTW-grondslag die wordt gebruikt voor de vaststelling van haar bijdragen aan de eigen middelen van de Gemeenschap.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de Italiaanse Republiek.

Gedaan te Luxemburg, 21 oktober 2004.

Voor de Raad

De voorzitter

G. ZALM


(1)  PB L 145 van 13.6.1977, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/66/EG (PB L 168 van 1.5.2004, blz. 35).


28.10.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 325/62


BESCHIKKING VAN DE RAAD

van 21 oktober 2004

waarbij Portugal wordt gemachtigd tot toepassing van een maatregel die afwijkt van artikel 21, lid 1, onder a), en artikel 22 van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting

(2004/738/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op de Zesde Richtlijn 77/388/EEG van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wet¬gevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (1), en met name op artikel 27, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij door het secretariaat-generaal van de Commissie op 19 februari 2004 geregistreerd schrijven heeft Portugal toestemming gevraagd om een derogatiemaatregel te mogen toe¬passen voor de sector huis-aan-huisverkoop.

(2)

De overige lidstaten zijn van dit verzoek op 26 maart 2004 in kennis gesteld.

(3)

De Commissie heeft Portugal op 30 maart 2004 meegedeeld over alle gegevens te beschikken die zij nodig had voor de beoordeling van het verzoek.

(4)

Met deze bijzondere maatregel kunnen bepaalde ondernemingen in de sector huis-aan-huisverkoop de BTW voor verkochte producten afdragen in de plaats van hun wederverkopers, mits de gehele omzet van de onderneming bestaat uit huis-aan-huisverkoop door wederverkopers die in eigen naam en voor eigen rekening optreden, en er lijsten zijn opgesteld en in acht genomen, van de prijzen bij verkoop van alle producten aan eindverbruikers.

(5)

De toegestane derogatiemaatregel is beperkt tot de gevallen waarin de onderneming haar producten rechtstreeks aan wederverkopers verkoopt, die de producten op hun beurt rechtstreeks aan eindverbruikers verkopen.

(6)

Ondernemingen die aan de hierboven vermelde voorwaarden voldoen en door de belastingautoriteiten hiertoe zijn gemachtigd, dragen de BTW af aan de schatkist op basis van de vooraf vastgestelde prijs bij verkoop aan eindverbruikers.

(7)

De wederverkopers hoeven daardoor geen belasting meer af te dragen over deze verkopen en hebben bijgevolg ook geen recht op aftrek.

(8)

De regeling vormt een derogatie op artikel 21, lid 1, onder a), in die zin dat de groothandelaar wordt aangemerkt als degene die de BTW moet voldoen voor de leveringen van wederverkopers aan eindverbruikers.

(9)

De verplichtingen inzake aangifte, facturering, betaling enz. met betrekking tot deze leveringen komen nu ten laste van de groothandelaren. Kleinhandelaren die hun producten bij bedoelde groothandelaren betrekken zijn derhalve, in afwijking van artikel 22, vrijgesteld van deze verplichtingen bij levering van hun producten aan de eindverbruikers.

(10)

Voor de regeling in kwestie werd reeds eerder een machtiging verleend aan Portugal bij Beschikking 1999/82/EG van de Raad van 18 januari 1999 (2), die van toepassing was van 1 januari 1999 tot 31 december 2000.

(11)

De Commissie is van oordeel dat deze derogatie een vereenvoudigingsmaatregel is en derhalve beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 27 van de Zesde Richtlijn.

(12)

Deze derogatie wordt toegestaan tot 31 december 2009.

(13)

De derogatiemaatregel houdt geen verlies in van de BTW-opbrengsten in het stadium van het eindverbruik en heeft derhalve geen negatieve gevolgen voor de eigen middelen van de Gemeenschap uit de BTW,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:

Artikel 1

De Republiek Portugal wordt gemachtigd om tot 31 december 2009 een bijzondere regeling toe te passen voor de belastingheffing in de sector huis-aan-huisverkoop, die afwijkt van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977.

Ondernemingen waarvan de gehele omzet bestaat uit de huis-aan-huisverkoop door wederverkopers die in eigen naam en voor eigen rekening optreden, kunnen de belastingdienst toestemming vragen om de bepalingen van de artikelen 2 en 3 te mogen toepassen op voorwaarde dat:

a)

alle producten die de onderneming verkoopt, zijn opgenomen op een vooraf opgestelde lijst met de prijzen voor de verkoop aan eindverbruikers;

b)

de onderneming haar producten rechtstreeks verkoopt aan wederverkopers die deze op hun beurt rechtstreeks verkopen aan eindverbruikers.

Artikel 2

In afwijking van artikel 21, lid 1, onder a), van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG zijn de ondernemingen die worden gemachtigd om deze derogatiemaatregel toe te passen, gehouden tot voldoening van de BTW met betrekking tot de leveringen van hun wederverkopers aan eindverbruikers.

Artikel 3

De kleinhandelaren die hun producten bij ondernemingen betrekken die zijn gemachtigd om deze derogatiemaatregel toe te passen, zijn vrijgesteld van de verplichtingen van artikel 22 van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG bij levering van hun producten aan eindverbruikers.

Artikel 4

Deze beschikking is gericht tot de Portugese Republiek.

Gedaan te Luxemburg, 21 oktober 2004.

Voor de Raad

De voorzitter

G. ZALM


(1)  PB L 145 van 13.6.1977, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/66/EG (PB L 168 van 1.5.2004, blz. 35).

(2)  PB L 27 van 2.2.1999, blz. 28.


28.10.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 325/64


BESLUIT BiH/3/2004 VAN HET POLITIEK EN VEILIGHEIDSCOMITÉ

van 29 september 2004

tot instelling van het Comité van contribuanten aan de militaire operatie van de Europese Unie in Bosnië en Herzegovina

(2004/739/GBVB)

HET POLITIEK EN VEILIGHEIDSCOMITÉ,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 25, derde alinea,

Gelet op Gemeenschappelijk Optreden 2004/570/GBVB van de Raad van 12 juli 2004 inzake de militaire operatie van de Europese Unie in Bosnië en Herzegovina (1), en met name op artikel 11, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 11 van Gemeenschappelijk Optreden 2004/570/GBVB heeft de Raad het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) gemachtigd de nodige besluiten te nemen betreffende de instelling van een Comité van contribuanten aan de militaire operatie van de Europese Unie in Bosnië en Herzegovina.

(2)

In de conclusies van de Europese Raad van Nice (7, 8 en 9 december 2000) en Brussel (24 en 25 oktober 2002) zijn de regelingen vastgelegd voor de deelneming van derde staten aan crisisbeheersingsoperaties en voor de instelling van een Comité van contribuanten.

(3)

Het Comité van contribuanten zal een essentiële rol vervullen bij de dagelijkse leiding van de operatie; het comité zal het voornaamste forum vormen waarin de contribuerende staten gezamenlijk problemen in verband met de inzet van hun troepen bij de operatie bespreken; het Politiek en Veiligheidscomité, dat de politieke controle en de strategische leiding van de operatie uitoefent, zal met de opvattingen van het Comité van contribuanten rekening houden.

(4)

Overeenkomstig artikel 6 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken, dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, neemt Denemarken niet deel aan de uitwerking en uitvoering van besluiten en acties van de Europese Unie die gevolgen hebben op defensiegebied. Denemarken neemt derhalve niet deel aan de financiering van de operatie.

(5)

De Europese Raad van Kopenhagen van 12 en 13 december 2002 heeft een verklaring aangenomen waarin staat dat de Berlijn Plus-regeling en de uitvoering daarvan slechts van toepassing zullen zijn op de lidstaten van de EU die ook ofwel NAVO-leden zijn ofwel partijen bij het partnerschap voor de vrede, en die derhalve bilaterale veiligheidsovereenkomsten met de NAVO hebben gesloten,

BESLUIT:

Artikel 1

Instelling

Er wordt een Comité van contribuanten aan de militaire operatie van de Europese Unie in Bosnië en Herzegovina (hierna het CvC genoemd) ingesteld.

Artikel 2

Taken

Het mandaat van het CvC is vastgelegd in de conclusies van de Europese Raad van Nice (7, 8 en 9 december 2000) en Brussel (24 en 25 oktober 2002).

Artikel 3

Samenstelling

1.   Het CvC bestaat uit:

de lidstaten die deelnemen aan EU-operaties die met gemeenschappelijke NAVO-middelen en -capaciteiten worden uitgevoerd, alsmede Denemarken,

vertegenwoordigers van de in de bijlage vermelde derde staten die aan de operatie deelnemen en een aanzienlijke militaire bijdrage leveren, alsmede vertegenwoordigers van andere derde staten.

2.   Ook de directeur-generaal van de Militaire Staf van de EU en de operationeel commandant van de EU zijn gerechtigd op vergaderingen van het CvC aanwezig te zijn of zich daar te laten vertegenwoordigen.

Artikel 4

Voorzitterschap

In overeenstemming met de conclusies van Nice en onverminderd de prerogatieven van het voorzittende land wordt het CvC voor deze operatie voorgezeten door de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger of diens vertegenwoordiger in nauw overleg met het voorzittende land, bijgestaan door de voorzitter van het militair comité van de Europese Unie (CEUMC) of diens vertegenwoordiger.

Artikel 5

Vergaderingen

1.   Het CvC wordt door het voorzitterschap regelmatig bijeengeroepen. Wanneer de omstandigheden dit vereisen, kunnen op initiatief van het voorzitterschap of op verzoek van een lid spoedvergaderingen worden bijeengeroepen.

2.   Het voorzitterschap verspreidt voorafgaand aan de vergadering een voorlopige agenda en alle daarop betrekking hebbende documenten. De notulen worden na elke vergadering verspreid.

3.   In voorkomend geval kunnen vertegenwoordigers van de Commissie en anderen worden uitgenodigd voor relevante gedeelten van de besprekingen.

Artikel 6

Procedure

1.   Behalve in het in lid 3 genoemde geval en onverminderd de bevoegdheden van het Politiek en Veiligheidscomité en de verantwoordelijkheden van de operationeel commandant van de EU,

is eenparigheid van stemmen van de vertegenwoordigers van de staten die aan de operatie bijdragen vereist wanneer het CvC besluiten neemt over de dagelijkse leiding van de operatie;

is eenparigheid van stemmen van de leden van het CvC vereist wanneer het CvC aanbevelingen doet over eventuele bijstellingen van de operationele planning, alsook van de doelstellingen.

Onthouding van een lid vormt geen beletsel voor eenparigheid van stemmen.

2.   Het voorzitterschap stelt vast dat de meerderheid van de vertegenwoordigers van de staten die gerechtigd zijn om aan de beraadslagingen deel te nemen, aanwezig is.

3.   Alle procedurekwesties worden geregeld met een gewone meerderheid van stemmen van de ter vergadering aanwezige leden.

4.   Denemarken neemt niet deel aan de besluiten van het CvC.

Artikel 7

Geheimhouding

1.   De beveiligingsvoorschriften van de Raad zijn van toepassing op de vergaderingen en notulen van het CvC. Vertegenwoordigers in het CvC dienen met name over passende machtigingen te beschikken.

2.   De beraadslagingen van het CvC vallen onder de geheimhoudingsplicht, tenzij het CvC met eenparigheid van stemmen anderszins besluit.

Artikel 8

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt aangenomen.

Gedaan te Brussel, 29 september 2004.

Voor het Politiek en Veiligheidscomité

De voorzitter

A. HAMER


(1)  PB L 252 van 28.7.2004, blz. 10.


BIJLAGE

LIJST VAN DERDE STATEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 3, LID 1

Argentinië

Bulgarije

Canada

Chili

Marokko

Nieuw-Zeeland

Noorwegen

Roemenië

Zwitserland

Turkije