ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 304

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

47e jaargang
30 september 2004


Inhoud

 

I   Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

Bladzijde

 

*

Verordening (EG) nr. 1590/2004 van de Raad van 26 april 2004 tot vaststelling van een communautair programma inzake de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw en houdende intrekking van Verordening (EG) nr. 1467/94 ( 1 )

1

 

*

Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming

12

 

 

II   Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

 

 

Raad

 

*

2004/633/EG:Besluit van de Raad van 30 maart 2004 houdende sluiting van de Overeenkomst betreffende samenwerking en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek India

24

Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek India betreffende samenwerking en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken

25

 

*

2004/634/EG:Besluit van de Raad van 30 maart 2004 betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika inzake intensivering en uitbreiding van de Overeenkomst betreffende samenwerking en wederzijdse bijstand in douanezaken tot samenwerking op het gebied van containerveiligheid en aanverwante zaken

32

Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika inzake intensivering en uitbreiding van de Overeenkomst betreffende samenwerking en wederzijdse bijstand in douanezaken tot samenwerking op het gebied van containerveiligheid en aanverwante zaken

34

 

*

2004/635/EG:Besluit van de Raad van 21 april 2004 betreffende de sluiting van de Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Arabische Republiek Egypte, anderzijds

38

Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Arabische Republiek Egypte, anderzijds

39

 

*

2004/636/EG:Besluit van de Raad van 29 april 2004 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Protocol betreffende de toetreding van de Europese Gemeenschap tot de Europese Organisatie voor de veiligheid van de luchtvaart

209

Protocol betreffende de toetreding van de Europese Gemeenschap tot het Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart (Eurocontrol-verdrag) van 13 december 1960, meermalen gewijzigd en door het Protocol van 27 juni 1997 geconsolideerd

210

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

30.9.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 304/1


VERORDENING (EG) Nr. 1590/2004 VAN DE RAAD

van 26 april 2004

tot vaststelling van een communautair programma inzake de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw en houdende intrekking van Verordening (EG) nr. 1467/94

(Voor de EER relevante tekst)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De biologische en de genetische diversiteit in de landbouw zijn essentieel voor de duurzame ontwikkeling van de landbouwproductie en van de plattelandsgebieden. Het is derhalve dienstig de nodige maatregelen te nemen om het potentieel van die diversiteit op duurzame wijze in stand te houden, te karakteriseren, te verzamelen en te gebruiken als bijdrage aan de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

(2)

De instandhouding en het duurzame gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw dragen ook bij tot het verwezenlijken van de doelstellingen van het bij Besluit 93/626/EEG (1) goedgekeurde Verdrag inzake biologische diversiteit en de daarmee samenhangende strategie van de Europese Gemeenschap inzake biodiversiteit, die een actieplan voor de instandhouding van de biodiversiteit en de bescherming van de genetische hulpbronnen in de landbouw bevat. Voorts is het een van de belangrijkste doelstellingen van het mondiaal actieplan voor het behoud en het duurzame gebruik van de plantaardige genetische hulpbronnen voor voeding en landbouw van de FAO en van het Internationaal Verdrag inzake plantgenetische hulpbronnen voor voeding en landbouw, dat de Commissie en de lidstaten op 6 juni 2002 hebben ondertekend.

(3)

De uitlopende activiteiten in de lidstaten (door overheidsinstanties dan wel natuurlijke of rechtspersonen) en van diverse internationale organisaties en programma's zoals de FAO, het Europese samenwerkingsprogramma voor genetische hulpbronnen (ECP/GR), de Adviesgroep internationaal landbouwonderzoek (CGIAR), het Mondiaal forum voor landbouwkundig onderzoek (GFAR), de door de Gemeenschap gesteunde regionale en subregionale organisaties voor landbouwkundig onderzoek ten behoeve van ontwikkeling (ARD), het Europees regionaal contactpunt (ERFP) van nationale coördinatoren voor het beheer van de genetische hulpbronnen van landbouwhuisdieren, het Europees programma voor genetische hulpbronnen in de bosbouw (Euforgen) en de relevante verbintenissen in het kader van de lopende ministeriële conferenties over de bescherming van de bossen in Europa (MCPFE) vereisen een doeltreffende uitwisseling van gegevens en een nauwe coördinatie tussen de belangrijkste actoren in de Europese Gemeenschap en de betrokken organisaties over de hele wereld op het gebied van de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van de genetische hulpbronnen in de landbouw om de positieve gevolgen daarvan voor de landbouw te versterken.

(4)

De activiteiten op het gebied van de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw kunnen bevorderlijk zijn voor het behoud van de biologische diversiteit, voor de verbetering van de kwaliteit van landbouwproducten, voor een grotere diversificatie in plattelandsgebieden en voor een vermindering van de inputs en de productiekosten in de landbouw, doordat ze een duurzame landbouwproductie bevorderen en bijdragen tot de duurzame ontwikkeling van plattelandsgebieden.

(5)

De instandhouding ex situ en in situ van genetische hulpbronnen in de landbouw (inclusief instandhouding en ontwikkeling in situ/op het landbouwbedrijf) moet worden bevorderd. Dit moet alle voor de landbouw en de plattelandsontwikkeling nuttige of potentieel nuttige plantaardige, microbiële en dierlijke genetische hulpbronnen omvatten, inclusief de genetische hulpbronnen van bosbouwgewassen, overeenkomstig de behoeften van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, teneinde de genetische hulpbronnen in stand te houden en de toepassing van te weinig gebruikte variëteiten of rassen in de landbouwproductie te bevorderen.

(6)

De in de Gemeenschap beschikbare kennis over de genetische hulpbronnen en over de oorsprong en kenmerken daarvan is nog steeds voor verbetering vatbaar. Overeenkomstig de internationale verdragen en overeenkomsten zouden relevante gegevens over bestaande faciliteiten en activiteiten op nationaal of regionaal niveau met betrekking tot de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw in elke lidstaat, gebundeld moeten worden en beschikbaar moeten worden gesteld aan de andere lidstaten, alsmede op communautair en internationaal niveau, met name aan de ontwikkelingslanden.

(7)

De ontwikkeling van gedecentraliseerde, permanente en breed toegankelijke inventarissen op internet om dergelijke kennis te verzamelen en om te waarborgen dat deze beschikbaar blijft op communautair en internationaal niveau, zou moeten worden bevorderd, met name als het gaat om de aanhoudende inspanningen voor de ontwikkeling van een inventaris van verzamelingen ex situ in Europese genenbanken („Epgris” — European Plant Genetic Resources Information Infra-Structure „Eurisco”, gefinancierd uit het vijfde kaderprogramma).

(8)

De Gemeenschap zou de inspanningen in de lidstaten voor de instandhouding en het duurzame gebruik van biologische diversiteit in de landbouw moeten aanvullen en bevorderen. Een communautaire meerwaarde moet worden bevorderd door bestaande acties op elkaar af te stemmen en de ontwikkeling van nieuwe grensoverschrijdende initiatieven met betrekking tot de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw te ondersteunen.

(9)

Derhalve moet worden voorzien in maatregelen die een aanvulling vormen op of verder reiken dan het toepassingsgebied (wat betreft de begunstigden en/of de voor financiering in aanmerking komende acties) van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) (2).

(10)

Om bij te dragen tot de verwezenlijking van deze doelstellingen is bij Verordening (EG) nr. 1467/94 van de Raad van 20 juni 1994 inzake de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw (3) een communautair actieprogramma voor een periode van vijf jaar vastgesteld. Dit programma is op 31 december 1999 afgelopen en zou moeten worden vervangen door een nieuw communautair programma. Derhalve moet Verordening (EG) nr. 1467/94 worden ingetrokken.

(11)

Bij de selectie en de uitvoering van de maatregelen in het kader van het nieuwe communautaire programma moet rekening worden gehouden met de activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie die worden gesteund op nationaal niveau of uit hoofde van de kaderprogramma's van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie. Het in de handel brengen van in het kader van het nieuwe programma te gebruiken zaaizaad en plantaardig teeltmateriaal moet gebeuren onverminderd het bepaalde in Richtlijn 66/401/EEG van de Raad van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van groenvoedergewassen (4), Richtlijn 66/402/EEG van de Raad van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van zaaigranen (5), Richtlijn 68/193/EEG van de Raad van 9 april 1968 betreffende het in de handel brengen van vegetatief teeltmateriaal voor wijnstokken (6), Richtlijn 92/33/EEG van de Raad van 28 april 1992 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal en plantgoed van groentegewassen, met uitzondering van zaad (7), Richtlijn 92/34/EEG van de Raad van 28 april 1992 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van fruitgewassen, alsmede van fruitgewassen die voor de fruitteelt worden gebruikt (8), Richtlijn 98/56/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van siergewassen (9), Richtlijn 1999/105/EG van de Raad van 22 december 1999 betreffende het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal (10), Richtlijn 2002/53/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen (11), Richtlijn 2002/54/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van bietenzaad (12), Richtlijn 2002/55/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van groentezaad (13), Richtlijn 2002/56/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van pootaardappelen (14), Richtlijn 2002/57/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen (15).

(12)

In de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER-overeenkomst) is bepaald dat de landen van de Europese Vrijhandelsassociatie die aan de Europese Economische Ruimte (EVA/EER-landen) deelnemen, onder andere nauwer en op grotere schaal moeten samenwerken in het kader van de communautaire activiteiten op het gebied van de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw.

(13)

Omwille van een betere uitvoering van het communautaire programma moet een werkprogramma voor de periode 2004-2006 worden opgesteld met vermelding van de toe te passen financiële bepalingen.

(14)

Voor de uitvoering van en het toezicht op het communautaire programma moet de Commissie een beroep kunnen doen op de bijstand van wetenschappelijke en technische adviseurs.

(15)

De communautaire bijdrage moet volledig uit rubriek 3 (intern beleid) van de financiële vooruitzichten worden gefinancierd.

(16)

De maatregelen ter uitvoering van deze verordening moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (16),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Doelstellingen

Met het oog op het bereiken van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de nakoming van de op internationaal niveau aangegane verbintenissen wordt een communautair programma voor de periode 2004–2006 ingesteld om de in de lidstaten geleverde inspanningen op het gebied van de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van de genetische hulpbronnen in de landbouw op communautair niveau aan te vullen en te stimuleren.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op voor de landbouw nuttige of potentieel nuttige plantaardige, microbiële en dierlijke genetische hulpbronnen.

2.   In het kader van deze verordening mag geen steun worden verleend voor:

a)

uit hoofde van titel II, hoofdstuk VI, van Verordening (EG) nr. 1257/1999 voor steun in aanmerking komende verbintenissen zoals gespecificeerd in artikel 14 van Verordening (EG) nr. 445/2002 van de Commissie van 26 februari 2002 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) (17),

b)

uit hoofde van het kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie voor steun in aanmerking komende activiteiten.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening moet worden verstaan onder:

a)

„plantaardige genetische hulpbronnen”, de genetische hulpbronnen van landbouwgeassen, tuinbouwgewassen, geneeskrachtige planten en kruiden, fruitgewassen, bosbouwgewassen en voor de landbouw nuttige of potentieel nuttige wilde flora;

b)

„dierlijke genetische hulpbronnen”, de genetische hulpbronnen van (gewervelde en ongewervelde) landbouwhuisdieren en voor de landbouw nuttige of potentieel nuttige wilde fauna;

c)

„genetisch materiaal”, alle materiaal van plantaardige, microbiële en dierlijke oorsprong, waaronder het materiaal voor vermenigvuldiging en plantenvermeerdering, dat functionele eenheden van de erfelijkheid bevat;

d)

„genetische hulpbronnen in de landbouw”, alle materiaal van plantaardige, microbiële en dierlijke oorsprong met een daadwerkelijke of potentiële waarde voor de landbouw;

e)

„instandhouding in situ”, de instandhouding van genetisch materiaal in ecosystemen en natuurlijke habitats en het behoud en herstel van levensvatbare populaties van soorten of wilde rassen in hun natuurlijke omgeving en, in het geval van gedomesticeerde dierenrassen of gecultiveerde plantensoorten, in het agrarische milieu waar zij hun onderscheidende kenmerken hebben ontwikkeld;

f)

„instandhouding in situ/op het landbouwbedrijf”, „instandhouding en ontwikkeling in situ” op het niveau van het landbouwbedrijf;

g)

„instandhouding ex sit” de instandhouding van genetisch materiaal voor de landbouw buiten de natuurlijke habitat;

h)

„verzameling ex situ”, de verzameling van genetisch materiaal voor de landbouw buiten de natuurlijke habitat;

i)

„biogeografisch gebied”, een geografisch gebied met typische kenmerken ten aanzien van de samenstelling en de structuur van fauna en flora.

Artikel 4

Subsidiabele acties

1.   Het in artikel 1 bedoelde communautaire programma omvat gerichte, gecoördineerde en begeleidende acties als omschreven in de artikelen 5, 6 en 7.

2.   Alle acties in het kader van dit programma moeten in overeenstemming zijn met de communautaire wetgeving betreffende het in de handel brengen van zaaizaad en teeltmateriaal en betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst, alsook met de in de Europese Gemeenschap geldende fytosanitaire en zoötechnische regels en de regels betreffende de diergezondheid, waarbij tevens rekening moet worden gehouden met:

a)

andere activiteiten op het niveau van de Gemeenschap;

b)

relevante internationale processen, ontwikkelingen en overeenkomsten, met name in verband met:

het Verdrag inzake biologische diversiteit,

het Internationaal Verdrag inzake plantgenetische hulpbronnen voor voeding en landbouw,

het Mondiaal actieplan voor het behoud en het duurzame gebruik van de plantaardige genetische hulpbronnen voor voeding en landbouw en andere acties van de FAO,

de Europese strategie voor het behoud van planten (EPCS) en de relevante resoluties van de ministeriële conferenties over de bescherming van de bossen in Europa (MCPFE),

de Mondiale strategie voor het beheer van de genetische hulpbronnen van landbouwhuisdieren, en

de programma's in het kader van internationale organisaties zoals het Europese samenwerkingsprogramma voor genetische hulpbronnen (ECP/GR), het Europees regionaal contactpunt (ERFP) van nationale coördinatoren voor het beheer van de genetische hulpbronnen van landbouwhuisdieren, en het Europees programma voor genetische hulpbronnen in de bosbouw (Euforgen) en de Adviesgroep internationaal landbouwonderzoek (CGIAR).

Artikel 5

Gerichte acties

De gerichte acties omvatten:

a)

acties voor de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw ex situ en in situ;

b)

de ontwikkeling van een gedecentraliseerde, permanente en breed toegankelijke inventaris op internet van de genetische hulpbronnen die momenteel in situ worden bewaard, met inbegrip van activiteiten voor de instandhouding van genetische hulpbronnen in situ/op het landbouwbedrijf;

c)

de ontwikkeling van een Europese gedecentraliseerde, permanente en breed toegankelijke inventaris op internet van de verzamelingen ex situ (genenbanken), faciliteiten in situ (hulpbronnen) en databases die momenteel beschikbaar zijn of worden ontwikkeld op basis van nationale inventarissen;

d)

de bevordering van de regelmatige uitwisseling van technische en wetenschappelijke gegevens, met name over de oorsprong en de individuele kenmerken van de beschikbare genetische hulpbronnen, tussen bevoegde organisaties in de lidstaten.

De onder a) bedoelde acties zijn transnationaal, in voorkomend geval rekening houdend met de biogeografische regionale aspecten, en vormen een communautaire ondersteuning van of aanvulling op regionale of nationale activiteiten. In het kader van de acties mag geen steun worden verleend aan de instandhouding van natuurgebieden.

Artikel 6

Gecoördineerde acties

De gecoördineerde acties zijn gericht op de uitwisseling van gegevens over thematische vraagstukken ter verbetering van de coördinatie van acties en programma's met betrekking tot de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw in de Gemeenschap. Deze acties zijn transnationaal.

Artikel 7

Begeleidende acties

De begeleidende acties omvatten voorlichtings-, verspreidings- en adviserende acties, met inbegrip van seminars, technische conferenties, vergaderingen met non-gouvernementele organisaties (NGO's) en andere relevante belanghebbenden, opleidingen en de voorbereiding van technische verslagen.

Artikel 8

Werkprogramma

1.   De Commissie ziet erop toe dat het communautaire programma wordt uitgevoerd op basis van een werkprogramma voor de periode 2004–2006 dat wordt opgesteld volgens de procedure van artikel 15, lid 2, en onder voorbehoud van de beschikbaarheid van begrotingsmiddelen.

2.   De in het kader van het communautaire programma gecofinancierde maatregelen hebben een looptijd van maximaal 4 jaar.

Artikel 9

Selectie van subsidiabele acties

1.   Op basis van het in artikel 8 bedoelde werkprogramma en aan de hand van oproepen tot het indienen van voorstellen voor acties die worden gepubliceerd in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie worden de in het kader van het communautaire programma te financieren acties door de Commissie geselecteerd.

2.   De oproepen tot het indienen van voorstellen hebben betrekking op de in de artikelen 5, 6 en 7 en in bijlage I bedoelde acties. De inhoud van de oproepen tot het indienen van voorstellen wordt vastgesteld volgens de procedure van artikel 15, lid 2, en in overeenstemming met de relevante artikelen van titel VI van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (18).

3.   Voorstellen voor acties als bedoeld in de artikelen 5, 6 en 7 mogen worden ingediend door overheidsinstanties en door iedere natuurlijke of rechtspersoon die onderdaan van een lidstaat is en in de Gemeenschap gevestigd is, met inbegrip van genenbanken, NGO's, kwekers, technische instituten, experimentele landbouwbedrijven, landbouwers en bosbeheerders. Instanties of personen die in een derde land zijn gevestigd mogen met inachtneming van het bepaalde in artikel 10 eveneens voorstellen indienen.

4.   Bij de beoordeling van de voorstellen wordt met de volgende criteria rekening gehouden:

a)

relevantie met betrekking tot de doelstellingen van het programma als bepaald in artikel 1;

b)

technische kwaliteit van het voorgestelde werk;

c)

capaciteit om de werkzaamheden tot een goed einde te brengen en een efficiënt beheer ervan te waarborgen, beoordeeld aan de hand van middelen en competenties, met inbegrip van de door de partijen vastgelegde organisatorische regelingen;

d)

Europese toegevoegde waarde en potentiële bijdrage aan het communautaire beleid.

5.   Voorstellen voor acties die in het kader van het communautaire programma moeten worden gefinancierd, zullen worden geselecteerd op basis van het oordeel van onafhankelijke deskundigen. De onafhankelijke deskundigen zullen hiertoe worden uitgenodigd door de Commissie overeenkomstig het bepaalde in artikel 57, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 en in artikel 178 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (19).

6.   Indien nodig worden uitvoeringsbepalingen voor dit artikel vastgesteld volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 10

Deelname van derde landen

Aan het communautaire programma kan worden deelgenomen door:

a)

de EVA-/EER-landen, overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in de EER-overeenkomst;

b)

geassocieerde landen overeenkomstig de voorwaarden van de respectieve bilaterale overeenkomsten tot vaststelling van de algemene beginselen voor hun deelname aan communautaire programma's.

Artikel 11

Subsidieovereenkomst

1.   Na goedkeuring van de geselecteerde acties sluit de Commissie subsidieovereenkomsten met de deelnemers aan deze acties overeenkomstig het bepaalde in de relevante artikelen van titel VI van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002. De subsidieovereenkomsten bevatten nadere uitvoeringsbepalingen inzake verslaglegging over en verspreiding, bescherming en benutting van de resultaten van de acties.

2.   De Commissie neemt de nodige maatregelen, met name door middel van technische, administratieve en boekhoudkundige controles ten kantore van de begunstigden, om te controleren dat de verstrekte informatie en bewijsstukken accuraat zijn en dat aan alle verplichtingen uit hoofde van de subsidieovereenkomst is voldaan.

Artikel 12

Technische bijstand

1.   Overeenkomstig artikel 57, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 mag de Commissie wetenschappelijke en technische deskundigen voor de uitvoering van het communautaire programma verzoeken om bijstand, met inbegrip van technisch advies over de voorbereiding van oproepen tot het indienen van voorstellen, voor de beoordeling van technische en financiële verslagen, en voor toezicht, verslaglegging en voorlichtingsdoeleinden.

2.   Op basis van een inschrijvingsprocedure voor overheidsopdrachten overeenkomstig het bepaalde in de relevante artikelen van titel V van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002, wordt een dienstenovereenkomst gesloten.

Artikel 13

Communautaire financiële bijdrage

1.   De financiële bijdrage van de Gemeenschap aan acties als bedoeld in artikel 5 bedraagt maximaal 50 % van de totale kosten van de actie.

2.   De financiële bijdrage van de Gemeenschap aan acties als bedoeld in de artikelen 6 en 7 bedraagt maximaal 80 % van de totale kosten van de actie.

3.   De Gemeenschap verleent een financiële bijdrage van maximaal 100 % van de totale kosten voor bijstand als bedoeld in artikel 9, lid 5 (beoordeling van voorstellen), artikel 12 (technische bijstand) en artikel 14 (evaluatie van het communautaire programma).

4.   Uit rubriek 3 (intern beleid) van de financiële vooruitzichten wordt bijgedragen in de financiering van de acties en de bijstand in het kader van het communautaire programma op grond van deze verordening.

5.   Een indicatieve verdeling van de voor dit communautaire programma beschikbare middelen is opgenomen in bijlage II.

Artikel 14

Evaluatie van het communautaire programma

Na afloop van het communautaire programma wijst de Commissie een groep onafhankelijke deskundigen aan om verslag uit te brengen over uitvoering van deze verordening, om de resultaten te evalueren en om passende aanbevelingen te doen. Het verslag van deze groep wordt, tezamen met de opmerkingen van de Commissie, bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité ingediend.

Artikel 15

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité voor de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw („het comité”).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op een maand.

3.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

4.   Het comité wordt regelmatig over de uitvoering van het communautaire programma ingelicht.

Artikel 16

Intrekking

Verordening (EG) nr. 1467/94 wordt ingetrokken, onverminderd de contractuele verplichtingen die voortvloeien uit overeenkomsten die partijen op grond van die verordening zijn aangegaan.

Artikel 17

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 26 april 2004.

Voor de Raad

De voorzitter

J. WALSH


(1)  PB L 309 van 13.12.1993, blz. 1.

(2)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 80. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1783/2003 (PB L 270 van 21.10.2003, blz. 70).

(3)  PB L 159 van 28.6.1994, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 1).

(4)  PB 125 van 11.7.1966, blz. 2298/66. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/61/EG (PB L 165 van 3.7.2003, blz. 23).

(5)  PB 125 van 11.7.1966, blz. 2309/66. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/61/EG.

(6)  PB L 93 van 17.4.1968, blz. 15. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1).

(7)  PB L 157 van 10.6.1992, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 1).

(8)  PB L 157 van 10.6.1992, blz. 10. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003.

(9)  PB L 226 van 13.8.1998, blz. 16. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003.

(10)  PB L 11 van 15.1.2000, blz. 17.

(11)  PB L 193 van 20.7.2002, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1829/2003.

(12)  PB L 193 van 20.7.2002, blz. 12. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1829/2003.

(13)  PB L 193 van 20.7.2002, blz. 33. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1829/2003.

(14)  PB L 193 van 20.7.2002, blz. 60. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/61/EG.

(15)  PB L 193 van 20.7.2002, blz. 74. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/61/EG.

(16)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(17)  PB L 74 van 15.3.2002, blz. 2. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 963/2003 (PB L 138 van 5.6.2003, blz. 32).

(18)  PB L 248 van 10.9.2002, blz. 1.

(19)  PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1.


BIJLAGE I

COMMUNAUTAIR PROGRAMMA: IN AANMERKING KOMENDE ACTIES EN GEBIEDEN

1.   In aanmerking komende acties en gebieden

Het communautaire programma heeft betrekking op de instandhouding, de karakterisering, de evaluatie, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen die momenteel op het grondgebied van de Gemeenschap voorkomen. In aanmerking komende organismen zijn: planten (zaadplanten), dieren (gewervelde dieren en sommige ongewervelde dieren) en micro-organismen.

Zowel actief materiaal als materiaal in rusttoestand (zaden, embryo's, sperma en stuifmeel) valt binnen het toepassingsgebied van het programma. Het omvat zowel collecties ex-situ als collecties in-situ en op het landbouwbedrijf („on farm”). Materiaal van alle types komt in aanmerking, zoals cultivars en inheemse rassen, landrassen, kwekersmateriaal, collecties van genotypes en wilde soorten.

Voorrang wordt gegeven aan soorten die belangrijk zijn voor de landbouw, de tuinbouw of de bosbouw in de Gemeenschap, of waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij dat zullen worden.

De voorkeur wordt gegeven aan acties die gericht zijn op het gebruik van genetische hulpbronnen met het oog op:

a)

diversificatie van de landbouwproductie,

b)

verhoging van de productkwaliteit,

c)

duurzaam beheer en gebruik van natuurlijke en agrarische hulpbronnen,

d)

kwalitatieve verbetering van het milieu en het platteland,

e)

ontwikkeling van producten met nieuwe gebruiks- en afzetmogelijkheden.

Bij het inventariseren van collecties en het opzetten van nieuwe collecties wordt er in het kader van het programma naar gestreefd dat specifiek regionale, traditionele kennis en ervaring van de gebruikers (land- en tuinbouwers) over de manier van telen, bijzondere toepassingen, verwerking, smaak en dergelijke mede worden opgenomen. Deze informatie dient niet als lopende tekst, maar moet zoveel mogelijk in gestandaardiseerde vorm geregistreerd worden waardoor de gegevens in een relationele databank opgeslagen en gemakkelijk teruggevonden kunnen worden.

Alle acties in het kader van dit programma moeten in overeenstemming zijn met de communautaire wetgeving betreffende het in de handel brengen van zaaizaad en teeltmateriaal en betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst, alsook met de in de Europese Gemeenschap geldende fytosanitaire en zoötechnische regels en regels betreffende de diergezondheid.

Overeenkomstig de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de internationale verbintenissen van de Gemeenschap moeten de nodige maatregelen worden getroffen met het oog op de verbreiding en verwerking van alle resultaten van de werkzaamheden op het gebied van de instandhouding, de karakterisering, de evaluatie, de verzameling, de documentatie, de ontwikkeling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw die tot het bereiken van deze doelstellingen en tot het nakomen van deze verbintenissen kunnen bijdragen. Hoofddoel is doeltreffende en praktische ondersteuning te geven aan de huidige en toekomstige eindgebruikers van genetische hulpbronnen in de Europese Gemeenschap.

2.   Uitgesloten acties en gebieden

De hiernavolgende activiteiten komen uitdrukkelijk niet in aanmerking voor financiële steun in het kader van dit programma: theoretische studies, studies om hypothesen te toetsen, studies ter ontwikkeling van instrumenten of technieken, werkzaamheden met onbeproefde technieken of „model”-systemen, alle andere onderzoekwerkzaamheden. Dergelijke werkzaamheden kunnen namelijk in aanmerking worden genomen in het raam van de communautaire kaderprogramma's voor onderzoek en technologische ontwikkeling. Wel kan een aanpassing van bestaande methoden met betrekking tot een binnen deze verordening vallende activiteit in aanmerking komen voor steun in het kader van het communautaire programma.

Acties die voor steun in aanmerking komen op grond van het kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie zijn niet subsidiabel.

In het kader van dit programma kan evenmin steun worden toegekend voor verbintenissen die reeds in de lidstaten lopen en/of die subsidiabel zijn op grond van titel II, hoofdstuk VI, van Verordening (EG) nr. 1257/1999, zoals bepaald in artikel 14 van Verordening (EG) nr. 445/2002. Acties die tot synergie tussen Verordening (EG) nr. 1257/1999 en dit programma leiden, moeten echter worden bevorderd.

Acties met betrekking tot lagere dier- en plantensoorten of micro-organismen, met inbegrip van fungi, komen in het kader van dit programma slechts voor steun in aanmerking wanneer zij op het land zijn geteeld of gekweekt of wanneer ze geschikt zijn om als biologisch bestrijdingsmiddel te worden gebruikt in de landbouw in de ruimste zin van het woord. Op deze regel wordt een uitzondering gemaakt voor het bijzondere geval waarin vaststaat dat er een genspecifieke relatie is tussen parasiet of symbiont en gastheer, en beide organismen in stand moeten worden gehouden. Voor het verzamelen en verkrijgen van materiaal gelden de bovengenoemde prioriteiten.

3.   Soorten acties

De uitvoering van het communautair programma voor de instandhouding, de karakterisering, de evaluatie, de verzameling, de documentatie, de ontwikkeling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw omvat gerichte acties, gecoördineerde acties en begeleidende acties. De volgende acties worden gestimuleerd.

3.1.   Gerichte acties

Deze acties met het oog op de instandhouding, de karakterisering, de evaluatie, de verzameling, de documentatie, de ontwikkeling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw ex situ, in situ en op het landbouwbedrijf („on-farm”) hebben ten doel op Gemeenschapsniveau regionale of nationale activiteiten te ondersteunen of aan te vullen. De acties zijn grensoverschrijdend (waarbij zo nodig ook rekening gehouden wordt met biogeografische regionale aspecten). In het kader van de acties mag geen steun worden verleend voor de instandhouding van natuurgebieden.

De acties moeten een meerwaarde (verbreiding van kennis, toenemend gebruik, verbetering van de methoden, uitwisseling tussen lidstaten) geven aan de agromilieuregelingen in verband met bedreigde soorten, populaties van herkomst, cultivars of rassen waarvoor reeds nationale of regionale steun verleend wordt (bijvoorbeeld karakterisering van genetische verscheidenheid en genetische afstand tussen de respectieve rassen, gebruik van plaatselijke producten, coördinatie en het zoeken naar raakvlakken tussen de beheerders van de verschillende regelingen).

De acties moeten in de regel worden uitgevoerd door in de Gemeenschap gevestigde deelnemers en in het kader van dit programma gefinancierd worden; in voorkomend geval wordt een partnerschap met organisaties uit andere landen aangegaan. Voorrang wordt gegeven aan acties met twee of meer onderling onafhankelijke deelnemers die in verschillende lidstaten gevestigd zijn. De deelname van NGO's en andere betrokkenen bij de instandhouding in situ/op het landbouwbedrijf moet worden bevorderd.

De verspreiding en uitwisseling van Europees genetische hulpbronnen moet worden bevorderd om ervoor te zorgen dat het gebruik van te weinig gebruikte soorten en ook van een grote verscheidenheid aan genetische hulpbronnen in een duurzame landbouwproductie toeneemt.

Voor plantaardige genetische hulpbronnen is nu reeds een Europese gedecentraliseerde, permanente en breed toegankelijke inventaris op internet van de nationale genetische-hulpbronnencollecties ex situ (genenbanken), faciliteiten in situ (hulpbronnen) en op basis van nationale inventarissen opgezette databanken beschikbaar of wordt deze nu ontwikkeld in het kader van Epgris. Er moeten nationale inventarissen van collecties ex situ in Europese landen en een Europese internetcatalogus (Eurisco) worden opgesteld en verder worden verbeterd. Daarnaast moeten inventarissen van hulpbronnen (genenreservaten of eenheden voor de instandhouding van genetisch materiaal) worden ontwikkeld.

Een Europese gedecentraliseerde, permanente en breed toegankelijke inventaris op internet van genetische hulpbronnen voor de bosbouw met inbegrip van hulpbronnen in situ (genenreservaten of eenheden voor instandhouding van genetisch materiaal) en collecties ex situ moet worden opgesteld op basis van nationale inventarissen en met inachtneming van de werkzaamheden van het Euforgen-netwerkprogramma.

Voor op landbouwbedrijven bewaarde dierlijke genetische hulpbronnen moet vooral gestreefd worden naar een Europees netwerk van nationale inventarissen betreffende de administratieve aspecten (financieringsbron en — status, situatie van de rassen en de mate waarin ze bedreigd zijn, plaats waar stamboeken worden gehouden, enz.), dat beheerd moet worden overeenkomstig DAD-IS, het informatiesysteem van de FAO voor de mondiale strategie voor het beheer van de genetische hulpbronnen van landbouwhuisdieren (AnGR).

Voor de instandhouding ex situ van dierlijke genetische hulpbronnen (zaad, embryo's) moet op internet een netwerk van nationale inventarissen en een Europese internetcatalogus voor minimale paspoortgegevens worden ontwikkeld. Het is in de eerste plaats de bedoeling een lijst op te stellen van de voorzieningen (opslag en bewaring) voor in de Gemeenschap verzamelde genetische hulpbronnen in de landbouw en deze regelmatig bij te werken en bekend te maken, alsook van de lopende werkzaamheden in verband met de instandhouding, de karakterisering, de evaluatie, de verzameling, de documentatie, de ontwikkeling en het gebruik van deze genetische hulpbronnen. Daarbij kunnen minimale paspoortgegevens van afzonderlijke aanwinsten worden vermeld.

Voor microbiële genetische hulpbronnen moet op internet een netwerk van nationale inventarissen van hulpbronnen ex situ en in situ worden opgezet in het kader van het Europees netwerk van centra voor biologische hulpbronnen (European Biological Resource Centre Network — EBRCN).

Een regelmatige uitwisseling van gegevens tussen de bevoegde organisaties in de lidstaten, met name over de oorsprong en individuele kenmerken van de beschikbare genetische hulpbronnen, moet worden bevorderd. Dit zal het opzetten van een netwerk van nationale inventarissen vergemakkelijken, dat een overzicht zal bieden van de collecties van bewaarde genetische hulpbronnen en van daarmee verband houdende activiteiten in de Gemeenschap. Het netwerk van nationale inventarissen heeft ten doel de communautaire en nationale werkzaamheden te ondersteunen en een zo ruim mogelijke kennis en aanwending van bewaard genetisch materiaal te bevorderen.

De uitgaven voor de opbouw van de capaciteit van NGO's, de opstelling van en het toezicht op de inventarissen, de regelmatige uitwisselingen van gegevens tussen de bevoegde organisaties in de lidstaten en de opstelling van regelmatig verschijnende publicaties en verslagen moeten worden gefinancierd met de in totaal voor de uitvoering van dit programma uitgetrokken middelen.

3.2.   Gecoördineerde acties

Gecoördineerde acties zijn bedoeld om de coördinatie binnen de Gemeenschap van reeds in de lidstaten uitgevoerde afzonderlijke acties (op nationaal, regionaal of plaatselijk vlak) voor de instandhouding, de karakterisering, de evaluatie, de verzameling, de documentatie, de ontwikkeling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw te verbeteren, vooral door het organiseren van seminars en het voorbereiden van verslagen. Meer in het bijzonder zijn de acties erop gericht de uitwisseling van gegevens tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Commissie over thematische vraagstukken te bevorderen en de plaatselijke (op het landbouwbedrijf), regionale of nationale acties en programma's (die in opdracht van de lidstaat of door andere instanties uitgevoerd of gepland worden), met inbegrip van de acties die in het kader van Verordening (EG) nr. 1257/1999, Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1) en Verordening (EEG) nr. 2082/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de specificiteitscertificering voor landbouwproducten en levensmiddelen (2) of Richtlijn 98/95/EG van de Raad van 14 december 1998 houdende wijziging, in het kader van de consolidatie van de interne markt en ten aanzien van genetisch gemodificeerde plantenrassen en plantgenetische hulpbronnen, van de Richtlijnen 66/400/EEG, 66/401/EEG, 66/402/EEG, 66/403/EEG, 69/208/EEG, 70/457/EEG en 70/458/EEG betreffende het in de handel brengen van bietenzaad, zaaizaad van groenvoedergewassen, zaaigranen, pootaardappelen, zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen en groentezaad, en betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen (3) (kunnen) worden uitgevoerd, beter af te stemmen op elkaar, op de in de hele Gemeenschap toe te passen maatregelen en op de desbetreffende internationale werkwijzen, ontwikkelingen en overeenkomsten. Gecoördineerde acties kunnen ook coördinatiewerkzaamheden van gespecialiseerde technische groepen over thematische vraagstukken (specifieke, plantaardige of dierlijke genetische hulpbronnen) omvatten. De gecoördineerde acties zijn transnationaal.

3.3.   Begeleidende acties

Deze specifieke acties omvatten voorlichtings-, verspreidings- en adviserende acties, onder andere:

het organiseren van seminars, technische conferenties, werkvergaderingen, vergaderingen met NGO's en andere betrokken instanties en belanghebbenden;

opleidingen en maatregelen om de mobiliteit van specialisten te bevorderen;

voorbereiding van technische verslagen;

maatregelen om de benutting van de resultaten door de markt (gebruikers) in de hand te werken.

4.   Gerichte acties: nadere gegevens over de in aanmerking komende deelgebieden

4.1.   Genetische hulpbronnen van landbouwgewassen

1.

Uitbouw op internet van een permanent en breed toegankelijk netwerk van nationale inventarissen van genetische hulpbronnen van landbouwgewassen (in situ en ex situ); bijwerking en verdere verbetering van de Eurisco;

2.

uitwisseling van gegevens over methoden, technieken en ervaringen op het gebied van activiteiten op het landbouwbedrijf, met inbegrip van gebruiks- en marketingconcepten die de aanplant van te weinig gebruikte gewassen kunnen bevorderen en die kunnen bijdragen tot diversifiëring van de landbouw;

3.

inventaris en documentatie van in situ-hulpbronnen van verwante wilde gewassen die gebruikt worden of nuttig kunnen zijn voor de voedselproductie en in de landbouw;

4.

het opzetten, bijwerken en verbeteren op internet van de Europese centrale databanken voor landbouwgewassen (European Central Crop Databases — ECCDB's) met karakteriserings- en evaluatiegegevens en met een link naar het netwerk van nationale inventarissen en naar de Eurisco-catalogus voor de paspoortgegevens;

5.

het tot stand brengen en op elkaar afstemmen van permanente Europese collecties ex situ op basis van de bestaande nationale of institutionele collecties ex situ, waarbij concepten voor taakverdeling onder de Europese landen bij de instandhouding van genetische hulpbronnen van landbouwgewassen ten uitvoer worden gelegd;

6.

opbouw en coördinatie van een Europees netwerk van instandhoudings- en demonstratievelden/-tuinen voor bedreigde en te weinig gebruikte genetische hulpbronnen van landbouwgewassen;

7.

karakterisering en evaluatie van genetische hulpbronnen van landbouwgewassen die voor de Europese landbouw van belang kunnen zijn;

8.

verzameling van genetische hulpbronnen van landbouwgewassen die voor de Europese landbouw van belang kunnen zijn, in overeenstemming met internationale voorschriften en verplichtingen.

4.2.   Genetische hulpbronnen van bosbouwgewassen

1.

Het opzetten op internet van een permanent en breed toegankelijk netwerk van nationale inventarissen van genetische hulpbronnen voor de bosbouw die voor duurzaam bosbeheer in Europa gebruikt worden of nuttig kunnen zijn;

2.

Uitwisseling van gegevens over werkwijzen, technieken en ervaringen op het gebied van instandhouding en beheer van geetische hulpbronnen van bosbouwgewassen;

3.

beoordeling en ontwikkeling van de beste operationele beheerspraktijk voor genetisch bosbouwmateriaal en opname van hiermee verband houdende werkzaamheden in nationale bosbouwprogramma's;

4.

totstandbrenging van Europese netwerken van representatieve genenreservaten of eenheden voor de instandhouding van genen ten behoeve van bepaalde doelsoorten om instandhouding en karakterisering op Europees niveau te verbeteren;

5.

evaluatie van genetische bosbouwhulpbronnen op het niveau van soort en herkomst (met inbegrip van de evaluatie van lopende herkomstproeven) die voor een duurzaam bosbeheer in Europa waardevol kunnen zijn;

6.

totstandbrenging en coördinatie van collecties om in de gehele Europese Gemeenschap het gebruik van genetische hulpbronnen voor bebossing, herbebossing, bosherstel en veredeling te bevorderen;

7.

verzameling van genetische bosbouwhulpbronnen die voor Europa van belang kunnen zijn.

4.3.   Dierlijke genetische hulpbronnen

1.

Het opzetten op internet van een permanent en breed toegankelijk Europees netwerk van nationale inventarissen van dierlijke genetische hulpbronnen ex situ en in situ/op het landbouwbedrijf met inachtneming van de werkzaamheden in het kader van het Europese netwerk van nationale coördinatoren voor dierlijke genetische hulpbronnen en met een link naar het DAD-IS-systeem van de FAO;

2.

vaststelling van voor heel Europa geldende genormaliseerde en vergelijkbare criteria voor het vastleggen van nationale prioriteiten op het gebied van duurzame instandhouding en aanwending van dierlijke genetische hulpbronnen en van daarmee verband houdende eisen inzake internationale samenwerking;

3.

totstandbrenging van Europese collecties van gecryoconserveerde dierlijke genetische hulpbronnen op basis van nationale of institutionele gecryoconserveerde collecties;

4.

karakterisering en evaluatie van dierlijke genetische hulpbronnen (soorten en rassen) die voor de voedselproductie en de landbouw gebruikt worden of nuttig kunnen zijn;

5.

vastlegging van een Europees genormaliseerd prestatietoetsensysteem voor dierlijke genetische hulpbronnen in de landbouw en documentatie van de kenmerken van bedreigde rassen en populaties van landbouwhuisdieren;

6)

totstandbrenging en coördinatie van een Europees netwerk van instandhoudingsboerderijen, reddingscentra en dierenparken voor bedreigde Europese rassen van landbouwhuisdieren;

7.

ontwikkeling van gemeenschappelijke grensoverschrijdende fokprogramma's voor bedreigde rassen en populaties. Vaststelling van regels voor de uitwisseling van gegevens, genetisch materiaal en fokdieren;

8.

ontwikkeling van strategieën om de rentabiliteit van landrassen te verhogen en zodoende een nauwere samenhang met de typische producten daarvan tot stand te brengen, en om de waarde van de landrassen wegens hun bijdrage op milieugebied (bv. landschapsbehoud, beheer van landbouwecosystemen) en aan het multifunctionele karakter van de landbouw (bv. instandhouding van de culturele verscheidenheid van het platteland, plattelandsontwikkeling en - toerisme, enz.) te definiëren en te verhogen;

9.

ontwikkeling van strategieën om de aanwending van te weinig gebruikte dierlijke genetische hulpbronnen die voor Europa van belang kunnen zijn, te bevorderen.


(1)  PB L 208 van 24.7.1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 1).

(2)  PB L 208 van 24.7.1992, blz. 9. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003.

(3)  PB L 25 van 1.2.1999, blz. 1.


BIJLAGE II

INDICATIEVE VERDELING VAN DE FINANCIËLE MIDDELEN VOOR HET COMMUNAUTAIRE PROGRAMMA

 

%

Acties

90

Gerichte acties

73

voor de instandhouding, de karakterisering, en verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw ex situ en in situ om op Gemeenschapsniveau regionale of nationale activiteiten te ondersteunen of aan te vullen;

(53)

voor de ontwikkeling van een Europese gedecentraliseerde, permanente en breed toegankelijke inventaris op internet van genetische hulpbronnen in de landbouw (meer in het bijzonder de oorsprong en kenmerken ervan), instandhoudingsactiviteiten, faciliteiten en databanken die momenteel in de Gemeenschap beschikbaar zijn of ontwikkeld worden.

(20)

Gecoördineerde acties

9

Uitwisseling van gegevens over thematische vraagstukken ter verbetering van de coördinatie van nationale acties en programma's, alsook om deze beter af te stemmen op de communautaire maatregelen en op het verloop van de internationale onderhandelingen.

 

Begeleidende acties

8

Voorlichtings-, verspreidings- en adviserende acties, met inbegrip van seminars, technische conferenties, vergaderingen met NGO's en andere relevante belanghebbenden, opleidingen en de voorbereiding van technische verslagen.

 

Technische bijstand en raadpleging van deskundigen (evaluatie)

10 (8 + 2)

Totaal

100


30.9.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 304/12


RICHTLIJN 2004/83/EG VAN DE RAAD

van 29 april 2004

inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 63, eerste alinea, punt 1, onder c), punt 2, onder a), en punt 3, onder a),

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europees Parlement (2),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (3),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Een gemeenschappelijk asielbeleid, met inbegrip van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel, behoort tot de doelstelling van de Europese Unie geleidelijk een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid tot stand te brengen die openstaat voor degenen die onder druk van de omstandigheden op legale wijze om bescherming in de Gemeenschap verzoeken.

(2)

De Europese Raad is tijdens zijn bijzondere bijeenkomst in Tampere op 15 en 16 oktober 1999 overeengekomen te streven naar de invoering van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel dat stoelt op de volledige en niet-restrictieve toepassing van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951 („Verdrag van Genève”), zoals aangevuld door het Protocol van New York van 31 januari 1967 („Protocol”), en zo het verbod tot uitzetting of terugleiding (non-refoulement) te handhaven en te garanderen dat niemand naar het land van vervolging wordt teruggestuurd.

(3)

Het Verdrag van Genève en het Protocol vormen de hoeksteen van het internationale rechtsstelsel ter bescherming van vluchtelingen.

(4)

Volgens de conclusies van Tampere dient een gemeenschappelijk Europees asielstelsel op korte termijn op elkaar afgestemde regels te omvatten inzake de toekenning en de inhoud van de vluchtelingenstatus.

(5)

De conclusies van Tampere houden tevens in, dat de bepalingen ten aanzien van de vluchtelingenstatus moeten worden aangevuld met maatregelen inzake subsidiaire vormen van bescherming die eenieder die een dergelijke bescherming behoeft een passende status verlenen.

(6)

Het hoofddoel van deze richtlijn is te verzekeren dat er in alle lidstaten een minimaal niveau aan bescherming wordt geboden aan personen die werkelijk bescherming behoeven omdat zij redelijkerwijze niet erop kunnen vertrouwen dat hun land van herkomst of het land van de gewone verblijfplaats deze bescherming verstrekt.

(7)

De onderlinge aanpassing van bepalingen inzake de erkenning en de inhoud van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire bescherming dient ertoe bij te dragen de secundaire migratie van asielzoekers tussen de lidstaten te beperken, voorzover deze migratie louter door verschillen in de wetgevingen wordt veroorzaakt.

(8)

Het ligt in de aard van minimumnormen, dat de lidstaten ten aanzien van onderdanen van derde landen en staatlozen die om internationale bescherming van een lidstaat verzoeken, gunstiger bepalingen kunnen treffen of in stand houden, mits het desbetreffende verzoek door een vluchteling in de zin van artikel 1 A van het Verdrag van Genève of door een persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, wordt geacht te zijn ingediend.

(9)

Onderdanen van derde landen of staatlozen die op het grondgebied van de lidstaten mogen blijven om redenen die geen verband houden met een behoefte aan internationale bescherming, maar, op discretionaire basis, uit mededogen of op humanitaire gronden, vallen niet onder deze richtlijn.

(10)

Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In het bijzonder tracht deze richtlijn de menselijke waardigheid, het recht op asiel van asielzoekers en hun begeleidende familieleden en de bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering op grond van de artikelen 1, 18 en 19 van het Handvest ten volle te eerbiedigen.

(11)

Met betrekking tot de behandeling van personen die onder de werkingssfeer van deze richtlijn vallen, zijn de lidstaten gebonden aan de verplichtingen uit hoofde van de instrumenten van internationaal recht waarbij zij partij zijn en die discriminatie verbieden.

(12)

Het „belang van het kind” dient bij de uitvoering van deze richtlijn een van de hoofdoverwegingen van de lidstaten te zijn.

(13)

Deze richtlijn geldt onverminderd het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie.

(14)

De erkenning van de vluchtelingenstatus heeft declaratoire kracht.

(15)

Het Handboek over procedures en criteria voor het bepalen van de vluchtelingenstatus van het Hoge Commissariaat van de Verenigde Naties voor vluchtelingen bevat voor de lidstaten waardevolle aanwijzingen bij het vaststellen van de vluchtelingenstatus overeenkomstig artikel 1 van het Verdrag van Genève.

(16)

Er dienen minimumnormen voor de omschrijving en de inhoud van de vluchtelingenstatus te worden vastgesteld om de bevoegde nationale instanties van de lidstaten bij de toepassing van het Verdrag van Genève voor te lichten.

(17)

Het is noodzakelijk gemeenschappelijke begrippen in te voeren van de criteria op grond waarvan asielzoekers als vluchtelingen in de zin van artikel 1 van het Verdrag van Genève worden aangemerkt.

(18)

Met name is het nodig tot gemeenschappelijke begrippen te komen ten aanzien van de behoefte aan bescherming ter plaatse; de oorsprong van schade en bescherming; en binnenlandse bescherming en vervolging, met inbegrip van de redenen van de vervolging.

(19)

Bescherming wordt niet alleen geboden door de staat, maar ook door partijen of organisaties, met inbegrip van internationale organisaties, die voldoen aan de criteria van deze richtlijn, leden 2 en 3, en die een regio of een deel van enige omvang van het grondgebied van de staat beheersen.

(20)

Met name is het nodig dat de lidstaten bij de beoordeling van aanvragen om internationale bescherming van minderjarigen, met specifiek op kinderen gerichte vormen van vervolging rekening houden, zoals het ronselen van kinderen voor strijdkrachten, mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting en dwangarbeid.

(21)

Met name is het nodig tot een gemeenschappelijke opvatting te komen aangaande de vervolgingsgrond „het behoren tot een bepaalde sociale groep”, die zodanig moet worden uitgelegd dat daaronder zowel groepen vallen die kunnen worden gedefinieerd op grond van bepaalde fundamentele kenmerken, zoals geslacht of seksuele gerichtheid, als groepen, zoals vakbonden, die uit personen bestaan die een achtergrond of gemeenschappelijke eigenschappen bezitten, die dermate fundamenteel is voor de identiteit of de morele integriteit dat van deze personen niet mag worden gedwongen het lidmaatschap van die groep op te geven.

(22)

Handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties zijn omschreven in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties, en zijn onder andere neergelegd in de resoluties van de Verenigde Naties betreffende maatregelen ter bestrijding van het terrorisme, waarin wordt verklaard dat „terroristische daden, methoden en werkwijzen strijdig zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties”, en dat het doelbewust financieren en plannen van en het aanzetten tot terroristische daden eveneens strijdig zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

(23)

Als bedoeld in artikel 14, kan het begrip „status” ook de vluchtelingenstatus omvatten.

(24)

Tevens dienen minimumnormen te worden vastgesteld voor de omschrijving en inhoud van subsidiaire bescherming. De subsidiaire beschermingsregeling moet de in het Verdrag van Genève vastgelegde regeling ter bescherming van vluchtelingen aanvullen.

(25)

Er dienen criteria te worden vastgesteld om degenen die om internationale bescherming verzoeken, als personen te erkennen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen. Deze criteria dienen in overeenstemming te zijn met de internationale verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van instrumenten op het gebied van de mensenrechten en met de bestaande praktijken in de lidstaten.

(26)

Gevaren waaraan de bevolking van een land of een deel van de bevolking in het algemeen is blootgesteld, vormen normaliter op zich geen individuele bedreiging die als ernstige schade kan worden aangemerkt.

(27)

Zich ervan bewust dat de gezinsleden louter door hun verwantschap met de vluchteling normaal gezien op zodanige wijze kwetsbaar zijn voor daden van vervolging dat zulks een grond voor de toekenning van de status van vluchteling zou kunnen vormen.

(28)

Het begrip nationale veiligheid en openbare orde heeft ook betrekking op gevallen waarin een onderdaan van een derde land behoort tot een vereniging die steun verleent aan het internationale terrorisme of een dergelijke vereniging steunt.

(29)

De voordelen die aan de gezinsleden van personen met subsidiaire bescherming worden toegekend, hoeven niet noodzakelijkerwijs dezelfde te zijn als die welke aan de statushouder worden toegekend, doch moeten in vergelijking daarmee wel billijk zijn.

(30)

Binnen de grenzen van hun internationale verplichtingen kunnen de lidstaten bepalen dat alvorens voordelen inzake de toegang tot werkgelegenheid, sociale zekerheid, gezondheidszorg en integratievoorzieningen kunnen worden toegekend, een verblijfstitel overeenkomstig artikel 22 moet zijn afgegeven.

(31)

Deze richtlijn is niet van toepassing op financiële voordelen die door de lidstaten worden toegekend om onderwijs en opleiding te bevorderen.

(32)

Er dient rekening te worden gehouden met de praktische problemen die personen met de vluchtelingenstatus of de subsidiaire-beschermingsstatus ondervinden bij het waarmerken van hun buitenlandse diploma's, getuigschriften of andere bewijzen van officiële kwalificaties.

(33)

Met name om sociale problemen te voorkomen is het dienstig dat personen met de vluchtelingenstatus of de subsidiaire-beschermingsstatus in het kader van de sociale bijstand zonder discriminatie passende sociale voorzieningen en bestaansmiddelen ontvangen.

(34)

Wat sociale bijstand en gezondheidszorg betreft moeten de gedetailleerde bepalingen inzake de verstrekking van de fundamentele prestaties in de nationale wetgeving worden vastgesteld. De mogelijkheid om de prestaties voor personen met de subsidiaire-beschermingsstatus te beperken tot de fundamentele prestaties moet zodanig worden opgevat dat hieronder ten minste is begrepen minimale inkomenssteun, steun bij ziekte, bij zwangerschap en bij hulpverlening aan ouders, in de mate waarin deze overeenkomstig de wetgeving van de betreffende lidstaat aan eigen onderdanen worden toegekend.

(35)

Personen met de vluchtelingenstatus of de subsidiaire-beschermingsstatus behoren toegang te krijgen tot lichamelijke en geestelijke gezondheidszorg.

(36)

De uitvoering van deze richtlijn dient met regelmatige tussenpozen te worden geëvalueerd, met name rekening houdend met de ontwikkeling van de internationale verplichtingen van de lidstaten inzake non-refoulement, met de ontwikkeling van de arbeidsmarkt in de lidstaten alsook met de ontwikkeling van de gemeenschappelijke basisbeginselen op het stuk van de integratie.

(37)

Aangezien de doelstellingen van de voorgestelde richtlijn, namelijk minimumnormen vast te stellen voor de toekenning door de lidstaten van internationale bescherming aan onderdanen van derde landen en staatlozen en de inhoud van de verleende bescherming, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, en derhalve wegens de omvang en de gevolgen van de voorgestelde maatregel beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat de onderhavige richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(38)

Overeenkomstig artikel 3 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, heeft het Verenigd Koninkrijk bij brief van 28 januari 2002 kennis gegeven van zijn wens deel te nemen aan de aanneming en toepassing van deze richtlijn.

(39)

Overeenkomstig artikel 3 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, heeft Ierland bij brief van 13 februari 2002 kennis gegeven van zijn wens deel te nemen aan de aanneming en toepassing van deze richtlijn.

(40)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming van deze richtlijn en is deze richtlijn niet bindend voor, noch van toepassing in Denemarken,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en werkingssfeer

Het doel van deze richtlijn is minimumnormen vast te stellen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, alsmede de inhoud van de verleende bescherming.

Artikel 2

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)

„internationale bescherming”: de vluchtelingenstatus en de subsidiaire bescherming zoals omschreven in de punten d) en f);

b)

„Verdrag van Genève”: het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen dat op 28 juli 1951 te Genève tot stand is gekomen, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967;

c)

„vluchteling”: een onderdaan van een derde land die zich wegens een gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, wegens deze vrees, niet wil inroepen, dan wel een staatloze die zich om dezelfde reden buiten het land bevindt waar hij vroeger gewoonlijk verbleef en daarheen niet kan, dan wel wegens genoemde vrees niet wil terugkeren, en op wie artikel 12 niet van toepassing is;

d)

„vluchtelingenstatus”: de erkenning door een lidstaat van een onderdaan van een derde land of een staatloze als vluchteling;

e)

„persoon die voor de subsidiaire-beschermingsstatus in aanmerking komt”: een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, leden 1 en 2, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen;

f)

„subsidiaire-beschermingsstatus”, de erkenning door een lidstaat van een onderdaan van een derde land of een staatloze als een persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt;

g)

„verzoek om internationale bescherming”: een verzoek van een onderdaan van een derde land of een staatloze om bescherming van een lidstaat die kennelijk de vluchtelingenstatus of de subsidiaire-beschermingsstatus wenst en niet uitdrukkelijk verzoekt om een andere, niet onder deze richtlijn vallende vorm van bescherming waarom afzonderlijk kan worden gevraagd;

h)

„gezinsleden”: voorzover het gezin reeds bestond in het land van herkomst, de volgende leden van het gezin van de persoon aan wie de vluchtelingenstatus of de subsidiaire-beschermingsstatus is verleend die in verband met het verzoek om internationale bescherming in dezelfde lidstaat aanwezig zijn:

de echtgenoot van de persoon aan wie de vluchtelingenstatus of de subsidiaire-beschermingsstatus is verleend of diens niet-gehuwde partner met wie hij een duurzame relatie onderhoudt, indien de wetgeving of de praktijk van de betrokken lidstaat ongehuwde paren krachtens zijn vreemdelingenwetgeving op een vergelijkbare wijze behandelt als gehuwde paren;

de minderjarige kinderen van de bij het eerste gedachtestreepje bedoelde paren of de persoon aan wie de vluchtelingenstatus of de subsidiaire-beschermingsstatus is verleend, mits zij ongehuwd zijn en ten laste komen, ongeacht de vraag of zij naar nationaal recht wettige, buitenechtelijke of geadopteerde kinderen zijn;

i)

„niet-begeleide minderjarigen”: onderdanen van derde landen en staatlozen jonger dan 18 jaar die zonder begeleiding van een voor hen hetzij wettelijk, hetzij volgens het gewoonterecht verantwoordelijke volwassene op het grondgebied van de lidstaten aankomen, zolang zij niet daadwerkelijk onder de hoede van een dergelijke volwassene zijn gesteld. Ook vallen onder deze definitie minderjarigen die, nadat zij het grondgebied van de lidstaten zijn binnengekomen, zonder begeleiding zijn komen te verkeren;

j)

„verblijfstitel”: iedere door de instanties van een lidstaat overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat verstrekte vergunning of machtiging op grond waarvan een onderdaan van een derde land of staatloze op het grondgebied van die lidstaat mag verblijven;

k)

„land van herkomst”: het land of de landen van de nationaliteit of, voor staatlozen, van de vroegere gewone verblijfplaats.

Artikel 3

Gunstiger normen

De lidstaten kunnen ter bepaling van wie als vluchteling of als voor subsidiaire bescherming in aanmerking komend persoon wordt erkend en ter bepaling van de inhoud van de internationale bescherming, gunstiger normen vaststellen of handhaven indien die met deze richtlijn verenigbaar zijn.

HOOFDSTUK II

BEOORDELING VAN VERZOEKEN OM INTERNATIONALE BESCHERMING

Artikel 4

Beoordeling van feiten en omstandigheden

1.   De lidstaten mogen van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient. De lidstaat heeft tot taak om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen.

2.   De in lid 1 bedoelde elementen bestaan in de verklaringen van de verzoeker en alle documentatie in het bezit van de verzoeker over zijn leeftijd, achtergrond, ook die van relevante familieleden, identiteit, nationaliteit(en), land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere asielverzoeken, reisroutes, identiteits- en reisdocumenten en de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient.

3.   De beoordeling van een verzoek om internationale bescherming moet plaatsvinden op individuele basis en houdt onder meer rekening met:

a)

alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast;

b)

de door de verzoeker afgelegde verklaring en overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de verzoeker aan vervolging of andere ernstige schade is blootgesteld dan wel blootgesteld zou kunnen worden;

c)

de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging of ernstige schade overeenkomen;

d)

de vraag of zijn activiteiten, sedert hij zijn land heeft verlaten, uitsluitend ten doel hadden de nodige voorwaarden te scheppen om een verzoek om internationale bescherming te kunnen indienen, teneinde na te gaan of de betrokkene, in geval van terugkeer naar dat land, door die activiteiten aan vervolging of ernstige schade zal worden blootgesteld;

e)

de vraag of in redelijkheid kan worden verwacht dat de verzoeker zich onder de bescherming kan stellen van een ander land waar hij zich op zijn staatsburgerschap kan beroepen.

4.   Het feit dat de verzoeker in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of aan ernstige schade of dat hij rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of dergelijke schade, is een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is en het risico op het lijden van ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.

5.   Wanneer lidstaten het beginsel toepassen, volgens welk het de taak van de verzoeker is zijn verzoek om internationale bescherming te staven, wordt de verzoeker ondanks het eventuele ontbreken van bewijsmateriaal voor een aantal van de verklaringen van de verzoeker, geloofwaardig geacht en wordt hem het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven;

b)

alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn overgelegd, of er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen;

c)

de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn verzoek;

d)

de verzoeker heeft zijn verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten, en

e)

vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.

Artikel 5

Ter plaatse ontstane behoefte aan internationale bescherming

1.   Een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade kan gegrond zijn op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden nadat de verzoeker het land van herkomst heeft verlaten.

2.   Een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade kan gegrond zijn op activiteiten van de verzoeker sedert hij het land van herkomst heeft verlaten, met name wanneer wordt vastgesteld dat de betrokken activiteiten de uitdrukking en de voortzetting vormen van overtuigingen of strekkingen die de betrokkene in het land van herkomst aanhing.

3.   Onverminderd het Verdrag van Genève, kunnen de lidstaten vaststellen dat een verzoeker die een herhaalde aanvraag indient, normaliter niet de vluchtelingenstatus wordt verleend indien het risico van vervolging gegrond is op omstandigheden die de verzoeker zelf heeft veroorzaakt nadat hij het land van herkomst heeft verlaten.

Artikel 6

Actoren van vervolging of ernstige schade

Actoren van vervolging of ernstige schade kunnen onder meer zijn:

a)

de staat;

b)

partijen of organisaties die de staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen;

c)

niet-overheidsactoren, indien kan worden aangetoond dat de actoren als bedoeld in de punten a) en b), inclusief internationale organisaties, geen bescherming als bedoeld in artikel 7 kunnen of willen bieden tegen vervolging of ernstige schade.

Artikel 7

Actoren van bescherming

1.   Bescherming kan worden geboden door:

a)

de staat, of

b)

partijen of organisaties, inclusief internationale organisaties, die de staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen.

2.   In het algemeen wordt bescherming geboden wanneer de actoren als bedoeld in lid 1 redelijke maatregelen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade treffen, onder andere door de instelling van een doeltreffend juridisch systeem voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing van handelingen die vervolging of ernstige schade vormen, en wanneer de verzoeker toegang tot een dergelijke bescherming heeft.

3.   Bij het beoordelen of een internationale organisatie een staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheerst en bescherming verleent als omschreven in lid 2, houden de lidstaten rekening met de richtsnoeren die worden gegeven in toepasselijke Raadsbesluiten.

Artikel 8

Binnenlandse bescherming

1.   Als onderdeel van de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming kunnen de lidstaten vaststellen dat een verzoeker geen behoefte heeft aan internationale bescherming, indien er in een deel van het land van herkomst geen gegronde vrees bestaat voor vervolging of geen reëel risico op ernstige schade, en van de verzoeker redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij in dat deel van het land blijft.

2.   Bij de beoordeling of een deel van het land van herkomst aan de in lid 1 genoemde voorwaarden voldoet, houden de lidstaten bij hun beslissing over het verzoek rekening met de algemene omstandigheden in dat deel van het land en met de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen.

3.   Lid 1 kan van toepassing zijn ondanks het feit dat er technische belemmeringen bestaan om terug te keren naar het land van herkomst.

HOOFDSTUK III

VOORWAARDEN VOOR HET VERKRIJGEN VAN DE VLUCHTELINGENSTATUS

Artikel 9

Daden van vervolging

1.   Daden van vervolging in de zin van artikel 1 A van het Verdrag van Genève moeten:

a)

zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een ernstige schending vormen van de grondrechten van de mens, met name de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, lid 2, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;

b)

een samenstel zijn van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen als omschreven in punt a).

2.   Daden van vervolging in de zin van lid 1 kunnen onder meer de vorm aannemen van:

a)

daden van lichamelijk of geestelijk geweld, inclusief seksueel geweld;

b)

wettelijke, administratieve, politiële en/of gerechtelijke maatregelen die op zichzelf discriminerend zijn of op discriminerende wijze worden uitgevoerd;

c)

onevenredige of discriminerende vervolging of bestraffing;

d)

ontneming van de toegang tot rechtsmiddelen, waardoor een onevenredig zware of discriminerende straf wordt opgelegd;

e)

vervolging of bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen tijdens een conflict, wanneer het vervullen van militaire dienst strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder de uitsluitingsclausule van artikel 12, lid 2 vallen;

f)

daden van genderspecifieke of kindspecifieke aard.

3.   Overeenkomstig artikel 2, punt c), moet er een verband zijn tussen de in artikel 10 genoemde redenen en de daden die als vervolging worden aangemerkt in de zin van lid 1.

Artikel 10

Gronden van vervolging

1.   Bij de beoordeling van de gronden van vervolging houden de lidstaten rekening met de volgende elementen:

a)

het begrip „ras” omvat met name de aspecten huidskleur, afkomst of het behoren tot een bepaalde etnische groep;

b)

het begrip „godsdienst” omvat met name theïstische, niet-theïstische en atheïstische geloofsovertuigingen, het deelnemen aan of het zich onthouden van formele erediensten in de particuliere of openbare sfeer, hetzij alleen of in gemeenschap met anderen, andere religieuze activiteiten of uitingen, dan wel vormen van persoonlijk of gemeenschappelijk gedrag die op een godsdienstige overtuiging zijn gebaseerd of daardoor worden bepaald;

c)

het begrip „nationaliteit” is niet beperkt tot staatsburgerschap of het ontbreken daarvan, maar omvat met name ook het behoren tot een groep die wordt bepaald door haar culturele, etnische of linguïstische identiteit, door een gemeenschappelijke geografische of politieke oorsprong of door verwantschap met de bevolking van een andere staat;

d)

een groep wordt geacht een specifieke sociale groep te vormen als met name:

leden van de groep een aangeboren kenmerk vertonen of een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden, of een kenmerk of geloof delen dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven, en

de groep in het betrokken land een eigen identiteit heeft, omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd.

Afhankelijk van de omstandigheden in het land van herkomst kan een specifieke sociale groep een groep zijn die als gemeenschappelijk kenmerk seksuele gerichtheid heeft. Seksuele gerichtheid omvat geen handelingen die volgens het nationale recht van de lidstaten als strafbaar worden beschouwd. Genderaspecten kunnen in overweging worden genomen, maar zijn op zichzelf geen aanleiding voor de toepassing van dit artikel;

e)

het begrip „politieke overtuiging” houdt met name in dat de betrokkene een opvatting, gedachte of mening heeft betreffende een aangelegenheid die verband houdt met de in artikel 6 genoemde actoren van vervolging en hun beleid of methoden, ongeacht of de verzoeker zich in zijn handelen door deze opvatting, gedachte of mening heeft laten leiden.

2.   Bij het beoordelen of de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is, doet het niet terzake of de verzoeker in werkelijkheid de raciale, godsdienstige, nationale, sociale of politieke kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven.

Artikel 11

Beëindiging

1.   Een onderdaan van een derde land of staatloze houdt op vluchteling te zijn wanneer hij:

a)

vrijwillig opnieuw de bescherming inroept van het land van zijn nationaliteit; of

b)

na verlies van zijn nationaliteit deze vrijwillig opnieuw heeft verworven; of

c)

een nieuwe nationaliteit heeft verworven en de bescherming geniet van het land van zijn nieuwe nationaliteit; of

d)

zich vrijwillig opnieuw gevestigd heeft in het land dat hij had verlaten of waarbuiten hij zich bevond uit vrees voor vervolging; of

e)

omdat de omstandigheden in verband waarmee hij als vluchteling werd erkend, hebben opgehouden te bestaan, niet langer kan weigeren zich onder de bescherming te stellen van het land van zijn nationaliteit;

f)

indien hij geen nationaliteit bezit, kan terugkeren naar het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, omdat de omstandigheden in verband waarmee hij als vluchteling is erkend, hebben opgehouden te bestaan.

2.   Bij de toepassing van de punten e) en f), van lid 1, dienen de lidstaten na te gaan of de verandering van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om de gegronde vrees van de vluchteling voor vervolging weg te nemen.

Artikel 12

Uitsluiting

1.   Een onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer:

a)

hij onder artikel 1 D van het Verdrag van Genève valt, dat betrekking heeft op het genieten van bescherming of bijstand van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen. Is die bescherming of bijstand om welke reden ook opgehouden zonder dat de positie van de betrokkene definitief geregeld is in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de algemene vergadering van de Verenigde Naties, dan heeft de betrokkene op grond van dit feit recht op de voorzieningen uit hoofde van deze richtlijn;

b)

hij door de bevoegde autoriteiten van het land waar hij zich heeft gevestigd, beschouwd wordt de rechten en verplichtingen te hebben, welke met het bezit van de nationaliteit van dat land verbonden zijn, of daarmee gelijkwaardige rechten en verplichtingen.

2.   Een onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat:

a)

hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten die zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b)

hij buiten het land van toevlucht een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten, dat wil zeggen vóór de afgifte van een verblijfsvergunning op grond van de toekenning van de vluchtelingenstatus; bijzonder wrede handelingen kunnen, zelfs indien zij met een beweerd politiek oogmerk zijn uitgevoerd, als ernstige, niet-politieke misdrijven aangemerkt worden;

c)

hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties als vervat in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties.

3.   Lid 2 is van toepassing op personen die aanzetten tot of anderszins deelnemen aan de in dat lid genoemde misdrijven of daden.

HOOFDSTUK IV

VLUCHTELINGENSTATUS

Artikel 13

Verlening van de vluchtelingenstatus

De lidstaten verlenen de vluchtelingenstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en III als vluchteling wordt erkend.

Artikel 14

Intrekking, beëindiging of weigering tot verlenging van de vluchtelingenstatus

1.   Met betrekking tot verzoeken om internationale bescherming die worden ingediend na de inwerkingtreding van deze richtlijn, trekken de lidstaten de door een regerings-, administratieve, rechterlijke of quasi-rechterlijke instantie verleende vluchtelingenstatus van een onderdaan van een derde land of een staatloze in, beëindigen zij deze of weigeren zij deze te verlengen indien hij volgens de criteria van artikel 11 geen vluchteling meer is.

2.   Onverminderd de plicht van de vluchteling uit hoofde van artikel 4, lid 1, om melding te maken van alle relevante feiten en alle relevante documenten waarover hij beschikt, over te leggen, toont de lidstaat die de vluchtelingenstatus heeft verleend per geval aan dat de betrokken persoon geen vluchteling meer is of dat nooit geweest is, overeenkomstig lid 1.

3.   De lidstaten trekken de vluchtelingenstatus van een onderdaan van een derde land of staatloze in, beëindigen deze of weigeren deze te verlengen, indien, nadat hem de vluchtelingenstatus is verleend, door de betrokken lidstaat wordt vastgesteld dat

a)

hij op grond van artikel 12 van de vluchtelingenstatus uitgesloten is of had moeten zijn;

b)

hij feiten verkeerd heeft weergegeven of heeft achtergehouden, of valse documenten heeft gebruikt, en dit doorslaggevend is geweest voor de verlening van de vluchtelingenstatus.

4.   De lidstaten kunnen de door een regerings-, administratieve, rechterlijke of quasi-rechterlijke instantie aan een vluchteling verleende status intrekken, beëindigen of weigeren te verlengen wanneer:

a)

er goede redenen bestaan om hem te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van de lidstaat waar hij zich bevindt;

b)

hij definitief veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf en een gevaar vormt voor de gemeenschap van die lidstaat.

5.   De lidstaten mogen onder de in lid 4 omschreven omstandigheden besluiten geen status te verlenen aan een vluchteling wanneer nog geen besluit in die zin is genomen.

6.   Personen op wie lid 4 of lid 5 van toepassing is, genieten de rechten die zijn vastgelegd in de artikelen 3, 4, 16, 22, 31, 32 en 33 van het Verdrag van Genève of daarmee vergelijkbare rechten, voorzover zij in de lidstaat aanwezig zijn.

HOOFDSTUK V

VOORWAARDEN OM IN AANMERKING TE KOMEN VOOR SUBSIDIAIRE BESCHERMING

Artikel 15

Ernstige schade

Ernstige schade bestaat uit:

a)

doodstraf of executie; of

b)

foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of:

c)

ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Artikel 16

Beëindiging

1.   Een onderdaan van een derde land of staatloze komt niet meer in aanmerking voor subsidiaire bescherming wanneer de omstandigheden op grond waarvan de subsidiaire bescherming is verleend, niet langer bestaan, of zodanig zijn gewijzigd dat deze bescherming niet langer nodig is.

2.   Bij de toepassing van lid 1, nemen de lidstaten in aanmerking of de wijziging van de omstandigheden zo ingrijpend en niet-voorbijgaand is dat de persoon die in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming niet langer een reëel risico op ernstige schade loopt.

Artikel 17

Uitsluiting

1.   Een onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van subsidiaire bescherming wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat:

a)

hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd, zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven;

b)

hij een ernstig misdrijf heeft gepleegd;

c)

hij zich schuldig heeft gemaakt aan daden die in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties als vervat in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties;

d)

hij een gevaar vormt voor de gemeenschap of voor de veiligheid van de lidstaat waar hij zich bevindt.

2.   Lid 1 is van toepassing op personen die aanzetten tot of anderszins deelnemen aan de daar genoemde misdrijven of daden.

3.   De lidstaten mogen een onderdaan van een derde land of staatloze van subsidiaire bescherming uitsluiten, indien hij, voordat hij tot de betrokken lidstaat werd toegelaten, een of meer andere dan de in lid 1 bedoelde misdrijven heeft gepleegd die strafbaar zouden zijn met gevangenisstraf indien zij in de betrokken lidstaat waren gepleegd, en indien hij zijn land van herkomst alleen heeft verlaten om straffen als gevolg van deze misdrijven te ontlopen.

HOOFDSTUK VI

SUBSIDIAIRE-BESCHERMINGSSTATUS

Artikel 18

Verlening van de subsidiaire-beschermingsstatus

De lidstaten verlenen de subsidiaire-beschermingsstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en V in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming.

Artikel 19

Intrekking, beëindiging of weigering tot verlenging van de subsidiaire-beschermingsstatus

1.   Met betrekking tot na de inwerkingtreding van deze richtlijn ingediende verzoeken om internationale bescherming, trekken de lidstaten de door een regerings-, administratieve, rechterlijke of quasi-rechterlijke instantie verleende subsidiaire-beschermingsstatus van een onderdaan van een derde land of een staatloze in, beëindigen zij deze of weigeren zij deze te verlengen indien hij volgens de criteria van artikel 16 niet langer in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming.

2.   De lidstaten kunnen de door een regerings-, administratieve, rechterlijke of quasi-rechterlijke instantie verleende subsidiaire-beschermingsstatus van een onderdaan van een derde land of een staatloze intrekken, beëindigen of weigeren te verlengen indien hij, nadat hem de subsidiaire-beschermingsstatus was verleend, had moeten worden uitgesloten van subsidiaire bescherming overeenkomstig artikel 17, lid 3.

3.   De lidstaten trekken de subsidiaire-beschermingsstatus van een onderdaan van een derde land of staatloze in, beëindigen deze of weigeren deze te verlengen indien:

a)

hij, nadat hem de subsidiaire-beschermingsstatus is verleend, op grond van artikel 17, leden 1 en 2, van subsidiaire bescherming uitgesloten is of had moeten zijn;

b)

hij feiten verkeerd heeft weergegeven of heeft achtergehouden, of valse documenten heeft gebruikt, en dit doorslaggevend is geweest voor de verlening van de subsidiaire-beschermingsstatus.

4.   Onverminderd de plicht, uit hoofde van artikel 4, lid 1, van de onderdaan van een derde land of staatloze om melding te maken van alle relevante feiten en alle relevante documenten waarover hij beschikt over te leggen, toont de lidstaat die de subsidiaire-beschermingsstatus heeft verleend per geval aan dat de betrokken persoon niet of niet langer in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming, overeenkomstig de leden 1, 2 en 3.

HOOFDSTUK VII

KENMERKEN VAN DE INTERNATIONALE BESCHERMING

Artikel 20

Algemene bepalingen

1.   Dit hoofdstuk geldt onverminderd de in het Verdrag van Genève neergelegde rechten.

2.   Dit hoofdstuk geldt zowel voor vluchtelingen als voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, tenzij anders is bepaald.

3.   Bij de toepassing van dit hoofdstuk houden de lidstaten rekening met de specifieke situatie van kwetsbare personen zoals minderjarigen, niet-begeleide minderjarigen, personen met een handicap, ouderen, zwangere vrouwen, alleenstaande ouders met minderjarige kinderen en personen die folteringen hebben ondergaan, zijn verkracht of aan andere ernstige vormen van psychologisch, fysiek of seksueel geweld zijn blootgesteld.

4.   Lid 3 is uitsluitend van toepassing op personen die volgens een individuele beoordeling van hun situatie bijzondere behoeften hebben.

5.   Bij de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk die betrekking hebben op minderjarigen, laten de lidstaten zich primair leiden door het belang van het kind.

6.   Binnen de beperkingen die het Verdrag van Genève stelt, mogen de lidstaten de voorzieningen van dit hoofdstuk beperken voor vluchtelingen die hun vluchtelingenstatus hebben verkregen op basis van activiteiten die uitsluitend of in hoofdzaak ten doel hadden de nodige voorwaarden te scheppen om als vluchteling te worden erkend.

7.   Binnen de uit de internationale verplichtingen van de lidstaten voortvloeiende beperkingen, mogen de lidstaten de voorzieningen van dit hoofdstuk beperken voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming en hun subsidiaire-beschermingsstatus hebben verkregen op basis van activiteiten die uitsluitend of in hoofdzaak ten doel hadden de nodige voorwaarden te scheppen om te worden erkend als persoon die in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming.

Artikel 21

Bescherming tegen refoulement

1.   De lidstaten eerbiedigen het beginsel van non-refoulement met inachtneming van hun internationale verplichtingen.

2.   Wanneer dit op grond van de in lid 1 genoemde internationale verplichtingen niet verboden is, mogen de lidstaten een al dan niet formeel erkende vluchteling uitzetten of terugleiden wanneer:

a)

redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij een gevaar vormt voor de veiligheid van de lidstaat waar hij zich bevindt; of

b)

hij een gevaar vormt voor de samenleving van die lidstaat, omdat hij definitief veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf.

3.   De lidstaten mogen de verblijfstitel van een vluchteling op wie lid 2 van toepassing is, intrekken, beëindigen of weigeren te verlengen of te verstrekken.

Artikel 22

Informatie

De lidstaten verschaffen personen ten aanzien van wie is erkend dat zij internationale bescherming behoeven zo spoedig mogelijk nadat hun de desbetreffende beschermingsstatus is verleend, toegang tot in een voor hen begrijpelijke taal duidelijke informatie betreffende de rechten en plichten die verband houden met die status.

Artikel 23

Instandhouding van het gezin

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat het gezin in stand kan worden gehouden.

2.   De lidstaten waarborgen dat gezinsleden van de persoon met de vluchtelingenstatus of de subsidiaire-beschermingsstatus die zelf niet in aanmerking komen voor die statussen, aanspraak kunnen maken op de in de artikelen 24 tot en met 34 genoemde voordelen, overeenkomstig de nationale procedures en voorzover verenigbaar met de persoonlijke juridische status van het gezinslid.

Ten aanzien van de gezinsleden van personen met de subsidiaire-beschermingsstatus kunnen de lidstaten de voorwaarden voor de betrokken voordelen bepalen.

In dat geval zien de lidstaten erop toe dat de toegekende rechten een toereikende levensstandaard waarborgen.

3.   De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing wanneer het gezinslid op grond van de hoofdstukken III en V van de vluchtelingenstatus of de subsidiaire-beschermingsstatus uitgesloten is.

4.   Onverminderd de leden 1 en 2 kunnen de lidstaten de daarin verleende rechten weigeren, beperken of intrekken om redenen van nationale veiligheid of openbare orde.

5.   De lidstaten kunnen besluiten dat dit artikel ook geldt voor andere naaste verwanten die ten tijde van het vertrek uit het land van herkomst deel uitmaakten van het gezin van de persoon aan wie de vluchtelingenstatus of de subsidiaire-beschermingsstatus is verleend, en die op dat tijdstip volledig of grotendeels te zijnen laste kwamen.

Artikel 24

Verblijfstitels

1.   Zo spoedig mogelijk nadat de vluchtelingenstatus is verleend en zonder dat afbreuk wordt gedaan aan artikel 19, lid 3, verstrekken de lidstaten aan personen met de vluchtelingenstatus een verblijfstitel die ten minste drie jaar geldig is en kan worden verlengd, tenzij dwingende redenen van nationale veiligheid of openbare orde zich daartegen verzetten.

Onverminderd het bepaalde in artikel 23, lid 1, kan de aan de gezinsleden van de personen met de vluchtelingenstatus af te geven verblijfstitel minder dan drie jaar geldig zijn en verlengbaar zijn.

2.   Zo spoedig mogelijk nadat de subsidiaire-beschermingsstatus is verleend, verstrekken de lidstaten personen die subsidiaire bescherming genieten een verblijfstitel die ten minste één jaar geldig is en kan worden verlengd, tenzij dwingende redenen van nationale veiligheid of openbare orde zich daartegen verzetten.

Artikel 25

Reisdocumenten

1.   De lidstaten verstrekken personen met de vluchtelingenstatus reisdocumenten in de in de bijlage bij het Verdrag van Genève vermelde vorm voor reizen buiten hun grondgebied, tenzij dwingende redenen van nationale veiligheid of openbare orde zich daartegen verzetten.

2.   De lidstaten verstrekken aan personen met de subsidiaire beschermingsstatus die geen nationaal paspoort kunnen verkrijgen documenten waarmee zij kunnen reizen, ten minste indien om ernstige humanitaire redenen hun aanwezigheid in een andere staat is vereist, tenzij dwingende redenen van nationale veiligheid of openbare orde zich daartegen verzetten.

Artikel 26

Toegang tot werk

1.   De lidstaten staan personen met een vluchtelingenstatus toe onmiddellijk nadat hun deze status is verleend, een beroepsactiviteit als werknemer of zelfstandige op te nemen, waarbij de algemene voorschriften die gelden voor het beroep en de overheidsdienst moeten worden nageleefd.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat personen met een vluchtelingenstatus onder vergelijkbare voorwaarden als voor de eigen onderdanen gelden, toegang krijgen tot voorzieningen zoals het werkgebonden onderwijsaanbod voor volwassenen, beroepsopleiding en praktische werkervaring op de arbeidsplaats.

3.   De lidstaten staan personen met de subsidiaire-beschermingsstatus toe onmiddellijk nadat hun deze status is verleend een beroepsactiviteit als werknemer of zelfstandige op te nemen, waarbij de algemene voorschriften die gelden voor het beroep en de overheidsdienst moeten worden nageleefd. Hierbij kan rekening gehouden worden met de toestand van de arbeidsmarkt in de lidstaten, inclusief met het oog op de eventuele prioritering van de toegang tot de arbeidsmarkt voor een beperkte, overeenkomstig de nationale wetgeving vast te stellen periode. De lidstaten zorgen ervoor dat personen met een subsidiare-beschermingsstatus toegang hebben tot banen die hen worden aangeboden overeenkomstig de nationale voorschriften inzake prioritering op de arbeidsmarkt.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat personen met de subsidiaire-beschermingsstatus onder door de lidstaten te bepalen voorwaarden toegang krijgen tot voorzieningen zoals het werkgebonden onderwijsaanbod voor volwassenen, beroepsopleiding en praktische werkervaring op de arbeidsplaats.

5.   Het recht dat in de lidstaten van toepassing is op de beloning, de toegang tot socialezekerheidsstelsels in verband met beroepsactiviteiten als werknemer of zelfstandige, en de andere arbeidsvoorwaarden zijn van toepassing.

Artikel 27

Toegang tot onderwijs

1.   De lidstaten bieden alle minderjarigen aan wie de vluchtelingen- of de subsidiaire-beschermingsstatus is verleend, onder dezelfde voorwaarden als voor de eigen onderdanen gelden, onbeperkt toegang tot het onderwijsstelsel.

2.   De lidstaten bieden volwassenen aan wie de vluchtelingen- of de subsidiaire-beschermingsstatus is verleend, onder de voorwaarden die voor legaal verblijvende onderdanen van derde landen gelden, toegang tot het algemene onderwijsstelsel, voortgezette opleidingsvoorzieningen en om- en herscholing.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat personen met de vluchtelingen- of de subsidiaire-status dezelfde behandeling krijgen als de eigen onderdanen, wat de erkenning van buitenlandse diploma's, getuigschriften en andere bewijzen van officiële kwalificaties betreft.

Artikel 28

Sociale voorzieningen

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat personen met de vluchtelingenstatus of de subsidiaire-beschermingsstatus in de lidstaat die deze statussen heeft toegekend de nodige bijstand in de zin van sociale bijstand ontvangen zoals de onderdanen van die lidstaat.

2.   In afwijking van de algemene regel in lid 1, kunnen de lidstaten de sociale bijstand voor personen met de subsidiaire-beschermingsstatus beperken tot de meest fundamentele prestaties die qua niveau en toegangsvoorwaarden moeten overeenkomen met die welke voor de eigen onderdanen gelden.

Artikel 29

Gezondheidszorg

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat personen met de vluchtelingenstatus of de subsidiaire-beschermingsstatus toegang tot de gezondheidszorg krijgen onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van de lidstaat die de status heeft toegekend.

2.   In afwijking van de algemene regel in lid 1 kunnen de lidstaten de gezondheidszorg voor personen met de subsidiaire-beschermingsstatus beperken tot de meest fundamentele prestaties, die qua niveau en toegangsvoorwaarden moeten overeenkomen met die welke voor de eigen onderdanen gelden.

3.   De lidstaten verstrekken personen met de vluchtelingen- of de subsidiaire-beschermingsstatus die bijzondere behoeften hebben, zoals zwangere vrouwen, gehandicapten, personen die foltering, verkrachting of andere ernstige vormen van psychologisch, fysiek of seksueel geweld hebben ondergaan of minderjarigen die het slachtoffer zijn geweest van enige vorm van mishandeling, verwaarlozing, uitbuiting, foltering, wrede, onmenselijke en vernederende behandeling of die onder een gewapend conflict hebben geleden, passende gezondheidszorg onder dezelfde voorwaarden als onderdanen van de lidstaat die de status heeft toegekend.

Artikel 30

Niet-begeleide minderjarigen

1.   De lidstaten nemen zo spoedig mogelijk nadat de vluchtelingenstatus of de subsidiaire-beschermingsstatus is verleend, de nodige maatregelen om te verzekeren dat niet-begeleide minderjarigen worden vertegenwoordigd door een wettelijke voogd, dan wel, indien nodig, door een organisatie die belast is met de zorg voor en het welzijn van minderjarigen, of op een andere passende wijze worden vertegenwoordigd, zoals op basis van wetgeving of een rechterlijke uitspraak.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de voor elke niet-begeleide minderjarige aangewezen voogd of vertegenwoordiger in verband met de toepassing van deze richtlijn naar behoren in de behoeften van de minderjarige voorziet. De bevoegde instanties evalueren zulks regelmatig.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat niet-begeleide minderjarigen worden geplaatst:

a)

bij volwassen familieleden, of

b)

in een pleeggezin, of

c)

in speciale centra voor minderjarigen, of

d)

in andere voor minderjarigen geschikte tehuizen.

In dit verband krijgt het kind inspraak in overeenstemming met zijn leeftijd en rijpheid.

4.   Voorzover mogelijk, worden broers en zusters bij elkaar gehuisvest, daarbij rekening houdend met het belang van de betrokken minderjarige en in het bijzonder met zijn leeftijd en rijpheid. Veranderingen in de verblijfplaats van niet-begeleide minderjarigen worden tot het strikt noodzakelijke minimum beperkt.

5.   In het belang van niet-begeleide minderjarigen trachten de lidstaten hun gezinsleden zo spoedig mogelijk op te sporen. In gevallen waarin gevaar bestaat voor het leven of de lichamelijke integriteit van de minderjarige of zijn naaste familieleden, met name indien zij in het land van herkomst zijn achtergebleven, moet bij het verzamelen, verwerken en verspreiden van gegevens over deze personen de vertrouwelijkheid worden gewaarborgd.

6.   Personen die met niet-begeleide minderjarigen werken, moeten een passende opleiding met betrekking tot hun behoeften volgen of gevolgd hebben.

Artikel 31

Toegang tot huisvesting

De lidstaten zorgen ervoor dat personen met de vluchtelingenstatus of de subsidiaire-beschermingsstatus toegang tot huisvesting hebben, onder vergelijkbare voorwaarden als andere onderdanen van derde landen die legaal op hun grondgebied verblijven.

Artikel 32

Vrij verkeer binnen de lidstaat

De lidstaten staan op hun grondgebied het vrije verkeer toe van personen met de vluchtelingenstatus of de subsidiaire-beschermingsstatus onder dezelfde voorwaarden en beperkingen als gelden voor de andere onderdanen van derde landen die legaal op hun grondgebied verblijven.

Artikel 33

Toegang tot integratievoorzieningen

1.   Teneinde de integratie van vluchtelingen in de samenleving te vergemakkelijken, voorzien de lidstaten in integratieprogramma's welke zij passend achten of zorgen zij voor de omstandigheden waaronder de toegang tot dergelijke programma's gewaarborgd is.

2.   Wanneer de lidstaten zulks passend achten, wordt personen met de subsidiaire-beschermingsstatus toegang verleend tot de integratieprogramma's.

Artikel 34

Repatriëring

De lidstaten kunnen personen met de vluchtelingenstatus of de subsidiaire-beschermingsstatus die wensen te repatriëren, bijstand verlenen.

HOOFDSTUK VIII

ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel 35

Samenwerking

Elke lidstaat wijst een nationaal contactpunt aan en deelt het adres daarvan mee aan de Commissie, die de andere lidstaten daarvan in kennis stelt.

De lidstaten nemen in overleg met de Commissie alle passende maatregelen om een rechtstreekse samenwerking en uitwisseling van gegevens tussen de bevoegde instanties tot stand te brengen.

Artikel 36

Personeel

De lidstaten zorgen ervoor dat de instanties en andere organisaties die deze richtlijn uitvoeren de nodige opleiding ontvangen en wat de informatie betreft die zij uit hoofde van hun werk verkrijgen, gebonden zijn aan geheimhouding als omschreven in de nationale wetgeving.

HOOFDSTUK IX

SLOTBEPALINGEN

Artikel 37

Verslagen

1.   Uiterlijk op 10 april 2008 brengt de Commissie verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van deze richtlijn en stelt zij eventueel noodzakelijke wijzigingen voor. De wijzigingsvoorstellen hebben bij voorrang betrekking op de artikelen 15, 26 en 33. De lidstaten doen de Commissie alle nuttige informatie toekomen om dat verslag uiterlijk op 10 oktober 2007 te kunnen opstellen.

2.   Na de indiening van het verslag brengt de Commissie ten minste om de vijf jaar verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad omtrent de toepassing van deze richtlijn.

Artikel 38

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 10 oktober 2006 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst mee van de bepalingen van nationaal recht die zij op het door deze richtlijn bestreken gebied vaststellen.

Artikel 39

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 40

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Gedaan te Luxemburg, 29 april 2004.

Voor de Raad

De voorzitter

M. McDOWELL


(1)  PB C 51 E van 26.2.2002, blz. 325.

(2)  PB C 300 E van 11.12.2003, blz. 25.

(3)  PB C 221 van 17.9.2002, blz. 43.

(4)  PB C 278 van 14.11.2002, blz. 44.


II Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

Raad

30.9.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 304/24


BESLUIT VAN DE RAAD

van 30 maart 2004

houdende sluiting van de Overeenkomst betreffende samenwerking en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek India

(2004/633/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 133, juncto artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste volzin,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft de Commissie op27-28 januari 2003 gemachtigd om namens de Gemeenschap over de in dit besluit bedoelde overeenkomst te onderhandelen.

(2)

De overeenkomst dient te worden goedgekeurd,

BESLUIT:

Artikel 1

De Overeenkomst betreffende samenwerking en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek India wordt namens de Gemeenschap goedgekeurd.

De tekst van de overeenkomst is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

In het Gemengd Comité douanesamenwerking, dat bij artikel 21 van de overeenkomst is opgericht, wordt de Gemeenschap vertegenwoordigd door de Commissie, bijgestaan door vertegenwoordigers van de lidstaten.

Artikel 3

De voorzitter van de Raad wordt hierbij gemachtigd de personen aan te wijzen die bevoegd zijn de overeenkomst te ondertekenen teneinde daardoor de Gemeenschap te binden.

Artikel 4

De voorzitter van de Raad gaat namens de Gemeenschap over tot de in artikel 22 van de overeenkomst bedoelde kennisgeving (1).

Gedaan te Brussel, 30 maart 2004.

Voor de Raad

De voorzitter

M. McDOWELL


(1)  De datum van inwerkingtreding van de overeenkomst zal door het secretariaat-generaal van de Raad worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.


OVEREENKOMST

tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek India betreffende samenwerking en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken

De Europese Gemeenschap en de Republiek India (hierna „overeenkomstsluitende partijen” genoemd),

GELET OP het belang van de handelsbetrekkingen tussen de Europese Gemeenschap en India en verlangende, in het voordeel van beide overeenkomstsluitende partijen, bij te dragen tot de harmonieuze ontwikkeling van deze betrekkingen;

ERKENNENDE dat, om dit doel te bereiken, de partijen zich ertoe dienen te verbinden de douanesamenwerking te intensiveren;

REKENING houdende met de ontwikkeling van de douanesamenwerking tussen de overeenkomstsluitende partijen, met name wat de douaneprocedures betreft;

OVERWEGENDE dat overtredingen van de douanewetgeving de economische, fiscale en commerciële belangen van beide overeenkomstsluitende partijen schaden, en erkennende het belang van een nauwkeurige vaststelling van de douanerechten en andere heffingen;

OVERTUIGD dat samenwerking tussen de douaneautoriteiten de maatregelen ter voorkoming van deze overtredingen doeltreffender maakt;

GELET OP de verplichtingen die voortvloeien uit internationale overeenkomsten die reeds door de overeenkomstsluitende partijen zijn aanvaard, op de aanbevelingen van de Internationale Douaneraad (Wereld Douane Organisatie) van 5 december 1953 betreffende wederzijdse administratieve bijstand, alsmede op de activiteiten op het gebied van douaneaangelegenheden van de Wereldhandelsorganisatie;

OVERWEGENDE dat op 20 december 1993 een Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek India inzake partnerschap en ontwikkeling is ondertekend,

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Definities

Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt verstaan onder:

a)

„douanewetgeving”: de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Europese Gemeenschap en India betreffende de invoer, de uitvoer en de doorvoer van goederen en de plaatsing daarvan onder enige andere douaneregeling, met inbegrip van verboden, beperkingen en controlemaatregelen die onder de bevoegdheid van de douaneautoriteiten en andere administratieve autoriteiten vallen;

b)

„douaneautoriteit”: in de Europese Gemeenschap, de bevoegde diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de douaneautoriteiten van de lidstaten van de Europese Gemeenschap, en in India, de Centrale Dienst Douane en Accijnzen binnen de Belastingdienst van het ministerie van Financiën;

c)

„verzoekende autoriteit”: een bevoegde administratieve autoriteit die hiertoe door een overeenkomstsluitende partij is aangewezen en die op grond van deze overeenkomst een verzoek om bijstand indient;

d)

„aangezochte autoriteit”: een bevoegde administratieve autoriteit die hiertoe door een overeenkomstsluitende partij is aangewezen en die op grond van deze overeenkomst een verzoek om bijstand ontvangt;

e)

„persoonsgegevens”: alle informatie betreffende een persoon wiens identiteit bekend is of kan worden vastgesteld;

f)

„met de douanewetgeving strijdige handeling”: elke overtreding of poging tot overtreding van de douanewetgeving;

g)

„persoon”: elke natuurlijke of rechtspersoon;

h)

„informatie”: gegevens, al dan niet verwerkt of geanalyseerd, documenten, verslagen en andere mededelingen in welke vorm dan ook, met inbegrip van de elektronische vorm, of gewaarmerkte kopieën daarvan.

Artikel 2

Territoriaal toepassingsgebied

Deze overeenkomst is, onder de in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vastgestelde voorwaarden, van toepassing op het grondgebied waar dit Verdrag van kracht is, enerzijds, en in India, anderzijds.

Artikel 3

Toekomstige ontwikkelingen

De overeenkomstsluitende partijen kunnen deze overeenkomst in onderling overleg, door middel van overeenkomsten betreffende specifieke sectoren of aangelegenheden, uitbreiden teneinde de douanesamenwerking overeenkomstig hun respectieve douanewetgevingen te intensiveren en aan te vullen.

Artikel 4

Reikwijdte van de samenwerking

1.   De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe de douanesamenwerking te intensiveren. De overeenkomstsluitende partijen zullen met name samenwerken bij:

a)

het opzetten en onderhouden van communicatiekanalen tussen hun douaneautoriteiten om tot een veilige en snelle uitwisseling van informatie te komen;

b)

het bevorderen van een effectieve coördinatie tussen hun douaneautoriteiten;

c)

alle andere administratieve aangelegenheden met betrekking tot deze overeenkomst die een gemeenschappelijk optreden noodzakelijk kunnen maken.

2.   De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich er ook toe om handelsbevorderingsacties op het gebied van douane te ontwikkelen overeenkomstig de internationale normen.

3.   De douanesamenwerking in het kader van deze overeenkomst heeft betrekking op alle aangelegenheden in verband met de toepassing van de douanewetgeving.

Artikel 5

Reikwijdte van de wederzijdse bijstand

1.   De overeenkomstsluitende partijen verlenen elkaar bijstand op de gebieden die onder hun bevoegdheid vallen en voorzover de beschikbare middelen dit toelaten, op de wijze en onder de voorwaarden die in deze overeenkomst zijn vastgesteld, teneinde de correcte toepassing van de douanewetgeving te waarborgen, met name met het oog op het voorkomen, opsporen en bestrijden van met die wetgeving strijdige handelingen.

2.   De bijstand in douanezaken waarin deze overeenkomst voorziet, wordt verleend tussen de douaneautoriteiten en de andere administratieve autoriteiten van de overeenkomstsluitende partijen die bevoegd zijn voor de toepassing van deze overeenkomst. Zij vormt geen beletsel voor de toepassing van de regels betreffende wederzijdse bijstand in strafzaken en geldt niet voor informatie die is verkregen krachtens bevoegdheden die op verzoek van een rechterlijke autoriteit worden uitgeoefend.

3.   De bijstand bij de invordering van rechten, heffingen en boetes valt niet onder deze overeenkomst.

Artikel 6

Verplichtingen uit hoofde van andere overeenkomsten

1.   Onverminderd de respectieve bevoegdheden van de Europese Gemeenschap en de lidstaten:

a)

doet deze overeenkomst geen afbreuk aan de verplichtingen van de overeenkomstsluitende partijen krachtens andere internationale overeenkomsten of conventies;

b)

worden de bepalingen van deze overeenkomst verenigbaar geacht met overeenkomsten inzake douanesamenwerking en wederzijdse administratieve bijstand die tussen individuele lidstaten en India zijn gesloten of kunnen worden gesloten;

c)

doet deze overeenkomst geen afbreuk aan de communautaire bepalingen inzake de uitwisseling, tussen de bevoegde diensten van de Commissie en de douaneautoriteiten van de lidstaten, van informatie die krachtens deze overeenkomst is verkregen en die van belang kan zijn voor de Gemeenschap.

2.   In afwijking van lid 1 prevaleren de bepalingen van deze overeenkomst boven die van alle bilaterale overeenkomsten inzake douanesamenwerking en wederzijdse administratieve bijstand die tussen individuele lidstaten en India zijn gesloten of kunnen worden gesloten, voorzover de bepalingen van de laatstgenoemde overeenkomsten onverenigbaar zijn met die van deze overeenkomst.

3.   De overeenkomstsluitende partijen raadplegen elkaar over alle vraagstukken in verband met de toepasselijkheid van deze overeenkomst en trachten hiervoor een oplossing te vinden in het bij artikel 21 ingestelde Gemengd Comité douanesamenwerking.

TITEL II

DOUANESAMENWERKING

Artikel 7

Samenwerking bij de toepassing van de douaneprocedures

De overeenkomstsluitende partijen bevestigen hun verbintenis het legitieme goederenverkeer te vereenvoudigen en informatie en ervaring uit te wisselen over maatregelen om de douanetechnieken en -procedures te verbeteren, evenals over geautomatiseerde systemen, met het doel deze verbintenis overeenkomstig de overeenkomst uit te voeren.

Artikel 8

Technische bijstand

De douaneautoriteiten kunnen elkaar technische bijstand verlenen en personeel en expertise uitwisselen, wat betreft maatregelen om douanetechnieken en -procedures te verbeteren, en wat betreft computersystemen die bedoeld zijn om deze doelstellingen overeenkomstig deze overeenkomst te bereiken.

Artikel 9

Overleg in internationale organisaties

Het streven van de douaneautoriteiten zal erop gericht zijn de samenwerking op gebieden van gemeenschappelijk belang te ontwikkelen en te intensiveren om de gedachtewisseling over douanezaken in internationale organisaties te vergemakkelijken.

TITEL III

WEDERZIJDSE ADMINISTRATIEVE BIJSTAND

Artikel 10

Bijstand op verzoek

1.   Op aanvraag van de verzoekende autoriteit verschaft de aangezochte autoriteit haar alle terzake dienende informatie die zij nodig kan hebben om ervoor te zorgen dat de douanewetgeving correct wordt toegepast, met inbegrip van informatie over geconstateerde of voorgenomen handelingen die strijdig zijn of kunnen zijn met de douanewetgeving.

Met name verschaffen de douaneautoriteiten elkaar informatie betreffende activiteiten die op het grondgebied van de andere partij tot overtredingen zouden kunnen leiden, zoals bijvoorbeeld onjuiste douaneaangiften, oorsprongscertificaten en facturen of andere documenten waarvan bekend is dat zij onjuist of vervalst zijn, of waarop een dergelijke verdenking rust.

2.   Op aanvraag van de verzoekende autoriteit deelt de aangezochte autoriteit haar mede:

a)

of goederen die uit een van de overeenkomstsluitende partijen zijn uitgevoerd op regelmatige wijze in de andere overeenkomstsluitende partij zijn ingevoerd, onder vermelding, in voorkomend geval, van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst;

b)

of goederen die in een van de overeenkomstsluitende partijen zijn ingevoerd op regelmatige wijze uit de andere overeenkomstsluitende partij zijn uitgevoerd, onder vermelding, in voorkomend geval, van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst.

3.   Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit overeenkomstig haar wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat bijzonder toezicht wordt gehouden op:

a)

personen ten aanzien waarvan een gegrond vermoeden bestaat dat zij met de douanewetgeving strijdige handelingen verrichten of hebben verricht;

b)

plaatsen waar goederen op zodanige wijze zijn of kunnen worden opgeslagen dat redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij bedoeld zijn om bij handelingen in strijd met de douanewetgeving te worden gebruikt;

c)

goederen die op zodanige wijze worden of kunnen worden vervoerd dat redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij bestemd zijn om in strijd met de douanewetgeving te worden gebruikt;

d)

vervoermiddelen die op zodanige wijze worden of kunnen worden gebruikt dat redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij bestemd zijn om in strijd met de douanewetgeving te worden gebruikt.

Artikel 11

Ongevraagde bijstand

De overeenkomstsluitende partijen verlenen elkaar, op eigen initiatief en overeenkomstig hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, bijstand indien zij zulks noodzakelijk achten voor de correcte toepassing van de douanewetgeving, met name in situaties die aanzienlijke schade kunnen toebrengen aan de economie, de volksgezondheid, de openbare veiligheid of vergelijkbare vitale belangen van de andere partij, en in het bijzonder door informatie te verstrekken betreffende:

a)

handelingen die met deze wetgeving in strijd zijn of lijken te zijn en die van belang kunnen zijn voor de andere overeenkomstsluitende partij;

b)

nieuwe middelen of methoden die worden gebruikt bij overtredingen van de douanewetgeving;

c)

goederen waarvan bekend is dat zij het voorwerp vormen van handelingen in strijd met de douanewetgeving;

d)

personen ten aanzien waarvan een gegrond vermoeden bestaat dat zij met de douanewetgeving strijdige handelingen verrichten of hebben verricht;

e)

middelen van vervoer waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij gebruikt zijn of kunnen worden om handelingen te verrichten die met de douanewetgeving in strijd zijn.

Artikel 12

Verstrekking van documenten en kennisgeving van besluiten

1.   Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit overeenkomstig haar wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen alle nodige maatregelen voor:

a)

de afgifte van alle administratieve documenten;

b)

de kennisgeving van alle besluiten van de verzoekende autoriteit die onder het toepassingsgebied van deze overeenkomst vallen, aan een geadresseerde die in het rechtsgebied van de aangezochte autoriteit verblijft of gevestigd is.

2.   Verzoeken om verstrekking van documenten of kennisgeving van besluiten worden schriftelijk aan de aangezochte autoriteit gericht in een officiële taal van die autoriteit of in een voor die autoriteit aanvaardbare taal. Dit geldt niet voor documenten die worden afgegeven overeenkomstig het bepaalde in lid 1.

Artikel 13

Vorm en inhoud van verzoeken om bijstand

1.   Verzoeken in het kader van deze overeenkomst worden schriftelijk gedaan. Zij gaan vergezeld van de bescheiden die voor de behandeling ervan noodzakelijk zijn. In spoedeisende gevallen kunnen verzoeken mondeling worden gedaan, mits zij onmiddellijk schriftelijk worden bevestigd.

2.   Overeenkomstig lid 1 ingediende verzoeken moeten de volgende gegevens bevatten:

a)

de naam van de verzoekende autoriteit;

b)

gevraagde maatregel;

c)

het doel en de reden van het verzoek;

d)

relevante wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen;

e)

zo nauwkeurig en volledig mogelijke informatie over de personen waarop het onderzoek betrekking heeft;

f)

een overzicht van de relevante feiten en van het onderzoek dat reeds is uitgevoerd.

3.   Verzoeken moeten worden ingediend in een officiële taal van de aangezochte autoriteit of in een voor deze autoriteit aanvaardbare taal. Deze eis is niet van toepassing op documenten die bij het in lid 1 bedoelde verzoek zijn gevoegd.

4.   Indien een verzoek niet in de juiste vorm wordt gedaan, kan om correctie of aanvulling worden verzocht; in afwachting daarvan kunnen conservatoire maatregelen worden genomen.

Artikel 14

Behandeling van verzoeken

1.   De aangezochte autoriteit behandelt verzoeken om bijstand, binnen de grenzen van haar bevoegdheden en met de middelen waarover zij beschikt, alsof zij voor eigen rekening of in opdracht van een andere autoriteit van dezelfde overeenkomstsluitende partij handelde, door reeds beschikbare informatie te verstrekken en het nodige onderzoek te verrichten of te doen verrichten. Deze bepaling is eveneens van toepassing op andere diensten waaraan de aangezochte autoriteit het verzoek ingevolge deze overeenkomst doorzendt indien laatstgenoemde autoriteit niet zelfstandig kan handelen.

2.   Verzoeken om bijstand worden behandeld overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de aangezochte overeenkomstsluitende partij.

3.   Daartoe gemachtigde ambtenaren van een overeenkomstsluitende partij kunnen met instemming van de andere overeenkomstsluitende partij en onder de door deze gestelde voorwaarden ten kantore van de aangezochte autoriteit of van een andere betrokken autoriteit in de zin van lid 1, gegevens verzamelen over handelingen die strijdig zijn of kunnen zijn met de douanewetgeving en die de verzoekende autoriteit nodig heeft voor de toepassing van deze overeenkomst.

4.   Daartoe gemachtigde ambtenaren van een overeenkomstsluitende partij kunnen met instemming van de andere overeenkomstsluitende partij en onder de door deze gestelde voorwaarden aanwezig zijn bij onderzoek dat in specifieke gevallen in het rechtsgebied van laatstgenoemde autoriteit wordt verricht.

5.   Indien een verzoek niet kan worden ingewilligd, wordt de verzoekende autoriteit daarvan onmiddellijk in kennis gesteld, met vermelding van de redenen en van alle andere informatie die volgens de aangezochte autoriteit nuttig kan zijn voor de verzoekende autoriteit.

Artikel 15

Vorm waarin de informatie dient te worden verstrekt

1.   De aangezochte autoriteit deelt de uitslag van het ingestelde onderzoek aan de verzoekende autoriteit mede in de vorm van documenten, gewaarmerkte kopieën van documenten, rapporten en dergelijke.

2.   Deze informatie mag in de vorm van computerbestanden worden verstrekt.

3.   De originelen van dossiers en documenten worden uitsluitend op verzoek verstrekt, wanneer gewaarmerkte afschriften niet toereikend zijn. Deze originelen worden ten spoedigste geretourneerd. Aan de rechten die de aangezochte autoriteit of derden aan de originelen ontlenen wordt geen afbreuk gedaan.

Artikel 16

Gevallen waarin geen bijstand behoeft te worden verleend

1.   Bijstand kan worden geweigerd of afhankelijk worden gesteld van bepaalde voorwaarden wanneer een partij van mening is dat het verlenen van bijstand in het kader van deze overeenkomst:

a)

de vitale belangen van India of van de lidstaat van de Europese Gemeenschap die om bijstand in het kader van deze overeenkomst is verzocht, kan aantasten;

b)

de openbare orde, de veiligheid of andere wezenlijke belangen in gevaar kan brengen, in het bijzonder in de in artikel 17, lid 2, bedoelde gevallen; of

c)

tot schending van een industrieel geheim, een handelsgeheim of een beroepsgeheim zou leiden.

2.   De aangezochte autoriteit kan de bijstand uitstellen indien deze een lopend onderzoek, een lopende strafvervolging of procedure zou verstoren. In dat geval pleegt de aangezochte autoriteit overleg met de verzoekende autoriteit om na te gaan of de bijstand kan worden verleend op door de aangezochte autoriteit te stellen voorwaarden.

3.   Wanneer de verzoekende autoriteit om een vorm van bijstand vraagt die zij desgevraagd zelf niet zou kunnen verlenen, vermeldt zij dit in haar verzoek. De aangezochte autoriteit is vrij te bepalen hoe zij op een dergelijk verzoek reageert.

4.   In de in lid 1 en lid 2 bedoelde gevallen dienen het besluit van de aangezochte autoriteit en de redenen die daaraan ten grondslag liggen onverwijld aan de verzoekende autoriteit te worden medegedeeld.

Artikel 17

Uitwisseling van gegevens en geheimhoudingsplicht

1.   Alle informatie die ter uitvoering van deze overeenkomst in welke vorm dan ook wordt verstrekt, heeft een vertrouwelijk karakter, overeenkomstig de regelgeving van elk van de overeenkomstsluitende partijen. De verstrekte gegevens vallen onder de geheimhoudingsplicht en genieten de bescherming die de desbetreffende wetgeving van de partij die ze heeft ontvangen aan dergelijke gegevens biedt, dan wel de desbetreffende bepalingen die op de instellingen van de Gemeenschap van toepassing zijn.

2.   Persoonsgegevens kunnen enkel worden uitgewisseld indien de overeenkomstsluitende partij die ze ontvangt, zich ertoe verbindt deze gegevens ten minste de bescherming te verlenen die zij zouden krijgen in de overeenkomstsluitende partij die ze verstrekt. De overeenkomstsluitende partij die de informatie verstrekt, stelt hiervoor geen eisen die strenger zijn dan die welke in haar eigen rechtsgebied gelden.

De overeenkomstsluitende partijen stellen elkaar in kennis van hun terzake geldende voorschriften, met inbegrip van, in voorkomend geval, de rechtsvoorschriften van de lidstaten van de Gemeenschap.

3.   Geen enkele bepaling van deze overeenkomst vormt een beletsel voor het gebruik van krachtens deze overeenkomst verkregen informatie of documenten als bewijsmateriaal in procedures of vorderingen die achteraf bij rechtbanken of tribunalen worden ingesteld ten aanzien van handelingen die strijdig zijn met de douanewetgeving. De overeenkomstsluitende partijen kunnen derhalve in hun bewijsvoeringen, verslagen en getuigenissen en bij de procedures die achteraf bij rechtbanken en tribunalen aanhangig worden gemaakt, gebruik maken van krachtens deze overeenkomst verkregen informatie en geraadpleegde documenten. De bevoegde autoriteit die de informatie heeft verstrekt of inzage heeft gegeven tot deze documenten wordt van dergelijk gebruik in kennis gesteld.

4.   De verkregen informatie mag uitsluitend worden gebruikt voor de in deze overeenkomst omschreven doeleinden. Indien een van de overeenkomstsluitende partijen dergelijke informatie voor andere doeleinden wenst te gebruiken, dient zij vooraf om de schriftelijke toestemming te verzoeken van de autoriteit die de informatie heeft verstrekt. Voorts gelden voor deze informatie de door deze autoriteit vastgestelde beperkingen.

5.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden door het bij artikel 21 ingestelde Gemengd Comité douanesamenwerking vastgesteld.

Artikel 18

Deskundigen en getuigen

Een ambtenaar van een aangezochte autoriteit kan worden gemachtigd, binnen de grenzen van de hem verleende machtiging, als deskundige of getuige voor een autoriteit van de andere overeenkomstsluitende partij op te treden in verband met aangelegenheden waarop deze overeenkomst van toepassing is en daarbij de voor het onderzoek noodzakelijke voorwerpen, bescheiden of voor echt gewaarmerkte afschriften van bescheiden voorleggen. In de convocatie dient uitdrukkelijk te worden vermeld voor welke autoriteit de ambtenaar moet verschijnen en over welk onderwerp en in welke functie of hoedanigheid hij zal worden gehoord.

Artikel 19

Kosten van de bijstand

1.   De overeenkomstsluitende partijen brengen elkaar geen kosten in rekening voor uitgaven die ter uitvoering van deze overeenkomst zijn gemaakt, met uitzondering, in voorkomend geval, van de uitgaven voor deskundigen, getuigen, tolken en vertalers die niet in overheidsdienst zijn.

2.   Indien tijdens de uitvoering van een verzoek blijkt dat de afronding van de uitvoering van dat verzoek buitengewone uitgaven met zich meebrengt, plegen de douaneautoriteiten overleg om de voorwaarden vast te stellen waarop de uitvoering kan worden voortgezet.

TITEL IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 20

Uitvoering

1.   De bevoegde diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en, in voorkomend geval, de douaneautoriteiten van de lidstaten van de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de Centrale Dienst Douane en Accijnzen binnen de Belastingdienst van het ministerie van Financiën van de Republiek India, anderzijds, dragen zorg voor de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst. Deze instanties stellen alle praktische maatregelen en bepalingen voor de toepassing van dit protocol vast, rekening houdend met de voorschriften op het gebied van gegevensbescherming. Zij kunnen de bevoegde instanties aanbevelingen doen voor wijzigingen die huns inziens in deze overeenkomst dienen te worden aangebracht.

2.   De overeenkomstsluitende partijen raadplegen elkaar en stellen elkaar in kennis van alle uitvoeringsbepalingen die op grond van deze overeenkomst worden vastgesteld.

Artikel 21

Gemengd Comité douanesamenwerking

1.   Er wordt een Gemengd Comité douanesamenwerking ingesteld bestaande uit vertegenwoordigers van de Europese Gemeenschap en India. Het comité stelt met wederzijdse instemming van de partijen de plaats, de data en de agenda van zijn bijeenkomsten vast.

2.   Het Gemengd Comité douanesamenwerking zal, onder meer,

a)

toezien op de correcte werking van de overeenkomst;

b)

alle kwesties onderzoeken die zich bij de toepassing ervan voordoen;

c)

de voor douanesamenwerking nodige maatregelen nemen, overeenkomstig de doelstellingen van deze overeenkomst;

d)

ideeën uitwisselen over onderwerpen van gemeenschappelijk belang op het gebied van de douanesamenwerking, waaronder te nemen maatregelen en de daarvoor benodigde middelen;

e)

oplossingen aanbevelen om de doelstellingen van deze overeenkomst te bereiken.

3.   Het Gemengd Comité douanesamenwerking stelt zijn reglement van orde vast.

4.   Het Gemengd Comité douanesamenwerking zal jaarlijks verslag uitbrengen aan de Gemengde Commissie die is ingesteld bij artikel 22 van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek India inzake partnerschap en ontwikkeling.

Artikel 22

Datum van inwerkingtreding en geldigheid

1.   Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de maand volgende op de datum waarop de overeenkomstsluitende partijen elkaar ervan in kennis hebben gesteld dat de daartoe benodigde procedures zijn voltooid.

2.   Elke overeenkomstsluitende partij kan deze overeenkomst beëindigen door de andere partij daarvan schriftelijk in kennis te stellen. De overeenkomst vervalt drie maanden na de dag van opzegging aan de andere overeenkomstsluitende partij. Verzoeken om bijstand die vóór de beëindiging van de overeenkomst werden ontvangen, worden overeenkomstig de overeenkomst afgehandeld.

Artikel 23

Authentieke teksten

Deze overeenkomst is opgesteld in tweevoud, in de volgende talen: Deens, Duits, Engels, Fins, Frans, Grieks, Italiaans, Nederlands, Portugees, Spaans, Zweeds en Hindi, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

Ten blijke waarvan de ondergetekende gevolmachtigden, daartoe naar behoren gemachtigd, deze overeenkomst hebben ondertekend.

Hecho en Bruselas, el veintiocho de abril de dos mil cuatro.

Udfærdiget i Bruxelles den otteogtyvende april to tusind og fire.

Geschehen zu Brüssel am achtundzwanzigsten April zweitausendundvier.

Έγινε στις Βρυξέλλες, στις είκοσι οκτώ Απριλίου δύο χιλιάδες τέσσερα.

Done at Brussels on the twenty-eighth day of April in the year two thousand and four.

Fait à Bruxelles, le vingt-huit avril deux mille quatre.

Fatto a Bruxelles, addì ventotto aprile duemilaquattro.

Gedaan te Brussel, de achtentwintigste april tweeduizendvier.

Feito em Bruxelas, em vinte e oito de Abril de dois mil e quatro.

Tehty Brysselissä kahdentenakymmenentenäkahdeksantena päivänä huhtikuuta vuonna kaksituhattaneljä.

Som skedde i Bryssel den tjugoåttonde april tjugohundrafyra.

Por la Comunidad Europea

For Det Europæiske Fællesskab

Für die Europäische Gemeinschaft

Για την Ευρωπαïκή Κοινότητα

For the European Community

Pour la Communauté européenne

Per la Comunità europea

Voor de Europese Gemeenschap

Pela Comunidade Europeia

Euroopan yhteisön puolesta

På Europeiska gemenskapens vägnar

Image

Image

Por la República de la India

For Republikken Indien

Für die Republik Indien

Για τη Δημοκρατία της Ινδίας

For the Republic of India

Pour la République de l'Inde

Per la Repubblica d'India

Voor de Republiek India

Pela República da Índia

Intian tasavallan puolesta

För Republiken Indien

Image

Image


30.9.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 304/32


BESLUIT VAN DE RAAD

van 30 maart 2004

betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika inzake intensivering en uitbreiding van de Overeenkomst betreffende samenwerking en wederzijdse bijstand in douanezaken tot samenwerking op het gebied van containerveiligheid en aanverwante zaken

(2004/634/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 133 juncto artikel 300, lid 2, eerste zin,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika betreffende samenwerking en wederzijdse bijstand in douanezaken (1) (hierna „OSWB” te noemen) voorziet in de mogelijkheid de overeenkomst uit te breiden om de douanesamenwerking te intensiveren en met overeenkomsten betreffende specifieke sectoren of aangelegenheden aan te vullen.

(2)

De Commissie heeft namens de Gemeenschap onderhandelingen gevoerd over een overeenkomst met de Verenigde Staten van Amerika inzake intensivering en uitbreiding van de OSWB tot samenwerking op het gebied van containerveiligheid en aanverwante zaken (hierna „de overeenkomst” te noemen).

(3)

Met de overeenkomst wordt de douanesamenwerking tussen de Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika uitgebreid tot containerveiligheid en aanverwante zaken. De overeenkomst beoogt de onmiddellijke en succesvolle uitbreiding van het Container Security Initiative tot alle havens in de Gemeenschap die aan de toepasselijke voorschriften voldoen. De overeenkomst bevat ook een werkprogramma voor verdere samenwerking op het stuk van de uitvoeringsmaatregelen, met inbegrip van de ontwikkeling van normen voor risicomanagementtechnieken, de informatie die nodig is voor de identificatie van ladingen met een hoog risico die worden ingevoerd in de landen die partij zijn bij de overeenkomst, en programma's voor partnerschappen met de industrie.

(4)

Externe coördinatie van de douanecontrolenormen met de Verenigde Staten van Amerika is nodig om de veiligheid van de toeleveringsketen te waarborgen en daarbij de continuïteit van de legitieme handel in containers te verzekeren. In het bijzonder is het van essentieel belang dat alle communautaire havens op basis van eenvormige beginselen kunnen deelnemen aan het Container Security Initiative, en dat in de VS-havens vergelijkbare normen worden bevorderd. Het rechtstreekse doel van de overeenkomst is dan ook facilitering van de legitieme handel tussen de Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika, waarbij op basis van wederkerigheid wordt gezorgd voor een hoog veiligheidsniveau door middel van samenwerking bij de uitwerking van maatregelen op specifieke controlegebieden waarvoor de Gemeenschap bevoegd is.

(5)

De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om het Container Security Initiative uit te breiden tot alle communautaire havens door middel van regelingen met de Verenigde Staten van Amerika waarin wordt bepaald welke communautaire havens deelnemen aan het Container Security Initiative en waarin bepalingen zijn opgenomen betreffende de detachering van VS-douaneambtenaren aldaar, dan wel eventuele bestaande beginselverklaringen in die zin te handhaven, op voorwaarde dat die regelingen in overeenstemming zijn met het Verdrag en verenigbaar zijn met de bij de overeenkomst uitgebreide OSWB.

(6)

Er dient te worden gezorgd voor nauwe samenwerking tussen de lidstaten en de instellingen van de Gemeenschap met het oog op verdere intensivering en uitbreiding van de douanesamenwerking in het kader van de OSWB.

(7)

Daartoe wordt een overlegprocedure ingesteld op grond waarvan lidstaten die voornemens zijn om met de Verenigde Staten van Amerika te onderhandelen over regelingen inzake aangelegenheden die onder de uitgebreide OSWB vallen, onmiddellijk kennis geven van dat voornemen en de desbetreffende informatie verstrekken. Indien een lidstaat of de Commissie na korte tijd daarom verzoekt, wordt over de informatie overleg gepleegd tussen de lidstaten en de Commissie.

(8)

Het belangrijkste doel van het overleg is de uitwisseling van informatie te vergemakkelijken en ervoor te zorgen dat de regelingen in overeenstemming zijn met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en met het gemeenschappelijk beleid, in het bijzonder het gemeenschappelijk kader voor samenwerking met de Verenigde Staten van Amerika als vastgesteld in de uitgebreide OSWB.

(9)

Wanneer de Commissie van oordeel is dat een regeling die een lidstaat met de Verenigde Staten van Amerika wenst uit te voeren, niet verenigbaar is met de uitgebreide OSWB of dat de betrokken aangelegenheid in het kader van de uitgebreide OSWB moet worden behandeld, stelt zij de lidstaat daarvan in kennis.

(10)

De overlegprocedure laat de respectieve bevoegdheden van de lidstaten en de Europese Gemeenschap om de beoogde regelingen vast te stellen onverlet.

(11)

De overeenkomst dient te worden goedgekeurd,

BESLUIT:

Artikel 1

De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika inzake intensivering en uitbreiding van de Overeenkomst betreffende samenwerking en wederzijdse bijstand in douanezaken tot samenwerking op het gebied van containerveiligheid en aanverwante zaken (hierna „de overeenkomst” genoemd) wordt namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd.

De tekst van de overeenkomst is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon aan te wijzen die bevoegd is de overeenkomst te ondertekenen teneinde daardoor de Gemeenschap te binden.

Artikel 3

1.   De lidstaten kunnen regelingen met de Verenigde Staten van Amerika handhaven of vaststellen om communautaire havens op te nemen in het Container Security Initiative. Elke regeling verwijst naar de uitgebreide OSWB en is daarmee in overeenstemming, ook de minimumnormen zodra deze zijn aangenomen.

De Commissie en de betrokken lidstaten kunnen overleg plegen om ervoor te zorgen dat deze regelingen in overeenstemming zijn met de uitgebreide OSWB.

2.   Alvorens een lidstaat met de Verenigde Staten begint te onderhandelen over regelingen die betrekking hebben op andere dan de in lid 1 bedoelde aangelegenheden, maar wel onder de uitgebreide OSWB vallen, stelt hij de Commissie en de andere lidstaten daarvan in kennis en verstrekt hij in die kennisgeving de nodige informatie.

3.   De lidstaten of de Commissie kunnen binnen acht werkdagen na ontvangst van de kennisgeving verzoeken om overleg met de andere lidstaten en de Commissie. Dat overleg vindt plaats binnen drie weken na ontvangst van de kennisgeving. In dringende gevallen wordt onverwijld overleg gepleegd.

4.   De Commissie brengt binnen vijf dagen na de afsluiting van het overleg schriftelijk advies uit over de verenigbaarheid van de ter kennis gebrachte regelingen met de uitgebreide OSWB, en in voorkomend geval over de noodzaak om de aangelegenheid in het kader van de uitgebreide OSWB te behandelen.

5.   Het overleg vindt plaats in het bij artikel 247 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (2) ingestelde comité.

6.   De lidstaten zenden aan de Commissie en de andere lidstaten een afschrift toe van de in de leden 1 en 2 bedoelde regelingen, alsmede van eventuele opzeggingen of wijzigingen.

Gedaan te Brussel, 30 maart 2004.

Voor de Raad

De voorzitter

M. McDOWELL


(1)  PB L 222 van 12.8.1997, blz. 17.

(2)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 311 van 12.12.2000, blz. 17).


OVEREENKOMST

tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika inzake intensivering en uitbreiding van de Overeenkomst betreffende samenwerking en wederzijdse bijstand in douanezaken tot samenwerking op het gebied van containerveiligheid en aanverwante zaken

DE EUROPESE GEMEENSCHAP EN DE VERENIGDE STATEN VAN AMERIKA,

Gelet op de op 28 mei 1997 ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika betreffende samenwerking en wederzijdse bijstand in douanezaken, hierna „de OSWB” te noemen,

Overwegende:

(1)

Erkennende dat, in het kader van de OSWB, de U.S. Customs and Border Protection per 1 maart 2003 in de plaats is getreden van de United States Customs Service,

(2)

Eraan herinnerend dat de overeenkomstsluitende partijen op grond van artikel 3 van de OSWB in onderling overleg tot uitbreiding van de samenwerkingsgebieden kunnen besluiten,

(3)

Eraan herinnerend dat, op grond van artikel 22 van de OSWB, het Gemengd Comité douanesamenwerking is samengesteld uit vertegenwoordigers van de douaneautoriteiten van de overeenkomstsluitende partijen. Voor de Europese Gemeenschap zijn dat de bevoegde diensten van de Commissie, bijgestaan door de douaneautoriteiten van de lidstaten van de Europese Gemeenschap; voor de Verenigde Staten van Amerika is dat de U.S. Customs and Border Protection, Department of Homeland Security,

(4)

Erkennende dat het Gemengd Comité douanesamenwerking bij artikel 22 van de OSWB is opgericht,

(5)

Erkennende dat de douaneautoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika en van de Europese Gemeenschap van oudsher nauwe en vruchtbare betrekkingen onderhouden,

(6)

Overtuigd dat deze samenwerking verder kan worden verbeterd, onder meer door intensivering van de uitwisseling van relevante informatie en beste praktijken tussen de U.S. Customs and Border Protection, de Commissie en de douaneautoriteiten van de lidstaten van de Europese Gemeenschap, opdat bij de algemene douanecontroles met betrekking tot het internationale handelsverkeer naar behoren rekening wordt gehouden met het veiligheidsaspect,

(7)

Erkennende dat het van belang is dat deze samenwerking tot alle vormen van internationaal vervoer en alle soorten goederen wordt uitgebreid — aanvankelijk met de nadruk op het zeecontainervervoer,

(8)

Erkennende dat de omvang van de handel in zeecontainers en andere handelsvormen tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika groot is, en dat de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika een belangrijke spilfunctie voor het containervervoer uit tal van landen vervullen,

(9)

Erkennende dat zeecontainers van overal ter wereld in de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Gemeenschap worden ingevoerd, overgeladen of in doorvoer zijn,

(10)

Overtuigd dat terroristische pogingen om de wereldhandel te ontwrichten door overal ter wereld terroristische wapens in zeecontainers of in andere ladingen te verbergen, of door die ladingen als wapen te gebruiken, moeten worden afgeschrikt, voorkomen en verboden,

(11)

Overtuigd dat zowel voor de Europese Gemeenschap als voor de Verenigde Staten van Amerika de veiligheid moet worden verbeterd en tegelijkertijd de legitieme handel moet worden vergemakkelijkt,

(12)

Erop wijzend dat het van belang is om — voorzover haalbaar — op basis van wederkerigheid systemen op te zetten om de legitieme handel veilig te stellen en te vergemakkelijken en daarbij naar behoren rekening te houden met bedreigingsevaluaties,

(13)

Erkennende dat de veiligheid van de legitieme handel sterk kan worden verbeterd met behulp van een systeem waarbij de douaneautoriteiten van het land van invoer samenwerken met de bij eerdere stadia van de toeleveringsketen betrokken douaneautoriteiten, teneinde tijdig gebruik te kunnen maken van informatie- en inspectietechnologie om containers met een hoog risico op te sporen en te onderzoeken voordat zij de haven of de laad- of overlaadplaats verlaten,

(14)

Hun steun betuigend aan het Container Security Initiative (CSI), dat bedoeld is om het mondiale handelsverkeer over zee veilig te stellen door middel van een betere samenwerking in de zeehavens overal ter wereld, die gericht is op het opsporen en onderzoeken van containers met een hoog risico en het waarborgen dat deze tijdens de doorvoer intact blijven,

(15)

Eraan herinnerend dat in artikel 5 van de OSWB is bepaald hoe die overeenkomst zich verhoudt tot bilaterale overeenkomsten inzake douanesamenwerking en wederzijdse bijstand die tussen afzonderlijke lidstaten van de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika zijn of worden gesloten,

(16)

Erkennende dat het CSI zo snel mogelijk moet worden uitgebreid tot alle havens in de Europese Gemeenschap waar het handelsverkeer per zeecontainer met de Verenigde Staten van Amerika de de minimis-drempel overschrijdt, waar aan bepaalde minimumvereisten is voldaan en waar adequate inspectietechnologie beschikbaar is,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT OVER HETGEEN VOLGT:

Artikel 1

De douanesamenwerking in het kader van de OSWB wordt geïntensiveerd en uitgebreid om de veiligheid van zeecontainers en andere ladingen die van ongeacht welke plaats in de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika worden ingevoerd, aldaar worden overgeladen of aldaar in doorvoer zijn, te verbeteren.

Artikel 2

Er wordt naar behoren rekening gehouden met artikel 5 van de OSWB, waarin is bepaald hoe de OSWB zich verhoudt tot bilaterale overeenkomsten inzake douanesamenwerking en wederzijdse bijstand tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika, alsmede tot beginselverklaringen betreffende het CSI die deze bilaterale overeenkomsten aanvullen.

Artikel 3

De doelstellingen van de geïntensiveerde en uitgebreide samenwerking zijn onder meer:

1.

ondersteuning van de onmiddellijke en succesvolle uitbreiding van het CSI tot alle havens in de Europese Gemeenschap die aan de toepasselijke voorschriften voldoen, en bevordering van de toepassing van vergelijkbare normen in de betrokken VS-havens;

2.

samenwerking ter versterking van de met de douane verband houdende aspecten van de beveiliging van de logistieke keten van de internationale handel en in het bijzonder — als hoogste prioriteit — verbetering van de opsporing en het veiligheidsonderzoek van alle zeecontainerladingen met een hoog risico;

3.

voorzover haalbaar, vaststelling van minimumnormen voor risicomanagementtechnieken en daarmee samenhangende vereisten en programma's, en

4.

voorzover haalbaar, coördinatie van standpunten in multilaterale fora waar aangelegenheden in verband met de veiligheid van containers op passende wijze aan de orde kunnen worden gesteld en besproken.

Artikel 4

Het Gemengd Comité douanesamenwerking beraadt zich op de juiste vorm en inhoud van documenten en/of maatregelen voor de verdere uitvoering van de geïntensiveerde en uitgebreide douanesamenwerking in het kader van deze overeenkomst.

Artikel 5

Een werkgroep, die is samengesteld uit vertegenwoordigers van de U.S. Customs and Border Protection en van de Commissie en wordt bijgestaan door de belanghebbende lidstaten van de Gemeenschap, buigt zich onder meer over de in de bijlage genoemde aangelegenheden en formuleert terzake aanbevelingen voor het Gemengd Comité douanesamenwerking.

Artikel 6

De werkgroep brengt aan het hoofd van de U.S. Customs and Border Protection en aan de directeur-generaal van het directoraat-generaal Belastingen en douane-unie van de Commissie regelmatig, en aan het Gemengd Comité douanesamenwerking jaarlijks, verslag uit over de stand van haar werkzaamheden.

Artikel 7

Deze overeenkomst treedt in werking bij de ondertekening door de overeenkomstsluitende partijen, waarmee zij uiting geven aan hun instemming om door de overeenkomst te zijn gebonden. Indien de overeenkomst niet op dezelfde dag door beide overeenkomstsluitende partijen wordt ondertekend, treedt zij in werking op de dag waarop de tweede ondertekening plaatsvindt.

Hecho en Bruselas, el veintiocho de abril de dos mil cuatro.

Udfærdiget i Bruxelles den otteogtyvende april to tusind og fire.

Geschehen zu Brüssel am achtundzwanzigsten April zweitausendundvier.

Έγινε στις Βρυξέλλες, στις είκοσι οκτώ Απριλίου δύο χιλιάδες τέσσερα.

Done at Brussels on the twenty-eighth day of April in the year two thousand and four.

Fait à Bruxelles, le vingt-huit avril deux mille quatre.

Fatto a Bruxelles, addì ventotto aprile duemilaquattro.

Gedaan te Brussel, de achtentwintigste april tweeduizendvier.

Feito em Bruxelas, em vinte e oito de Abril de dois mil e quatro.

Tehty Brysselissä kahdentenakymmenentenäkahdeksantena päivänä huhtikuuta vuonna kaksituhattaneljä.

Som skedde i Bryssel den tjugoåttonde april tjugohundrafyra.

Voor de Europese Gemeenschap

Image

Voor de Verenigde Staten van Amerika

Image

BIJLAGE

Bijlage bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika inzake intensivering en uitbreiding van de Overeenkomst betreffende samenwerking en wederzijdse bijstand in douanezaken tot samenwerking op het gebied van containerveiligheid en aanverwante zaken

Opdat bij de algemene douanecontroles met betrekking tot het internationale handelsverkeer naar behoren rekening wordt gehouden met het veiligheidsaspect, moet de werkgroep die is opgericht bij artikel 5 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika inzake intensivering en uitbreiding van de Overeenkomst betreffende samenwerking en wederzijdse bijstand in douanezaken tot samenwerking op het gebied van containerveiligheid en aanverwante zaken, zich buigen over aangelegenheden op onder meer de volgende gebieden van samenwerking tussen de U.S. Customs and Border Protection en de douaneautoriteiten in de Europese Gemeenschap, en terzake aanbevelingen formuleren:

a)

Het vaststellen van minimumnormen, in het bijzonder met het oog op deelneming aan het CSI, en het aanbevelen van methoden waarmee aan deze normen kan worden voldaan.

b)

Het bepalen en ruimer doen toepassen van beste praktijken op het gebied van de veiligheidscontroles met betrekking tot het internationale handelsverkeer, in het bijzonder die welke in het kader van het CSI zijn ontwikkeld.

c)

Voorzover haalbaar, het uitwerken en vaststellen van normen met betrekking tot de informatie die nodig is voor de opsporing van ladingen met een hoog risico die in de Verenigde Staten en de Europese Gemeenschap worden ingevoerd, overgeladen of in doorvoer zijn.

d)

Voorzover haalbaar, het verbeteren en vaststellen van normen voor de opsporing en het onderzoek van ladingen met een hoog risico, onder meer wat betreft de uitwisseling van informatie, het gebruik van geautomatiseerde opsporingssystemen en de ontwikkeling van minimumnormen voor inspectietechnologieën en onderzoeksmethoden.

e)

Voorzover haalbaar, het verbeteren en vaststellen van normen voor programma's voor partnerschappen met de industrie die bedoeld zijn om de veiligheid van de toeleveringsketen te verbeteren en de legitieme handel te vergemakkelijken.

f)

Het in kaart brengen van de wijzigingen die in de wet- en regelgeving moeten worden aangebracht om de aanbevelingen van de werkgroep op te volgen.

g)

Het onderzoeken met welke documenten en maatregelen de geïntensiveerde en uitgebreide douanesamenwerking op de in deze bijlage genoemde gebieden verder kan worden geïmplementeerd.


30.9.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 304/38


BESLUIT VAN DE RAAD

van 21 april 2004

betreffende de sluiting van de Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Arabische Republiek Egypte, anderzijds

(2004/635/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 310, juncto artikel 300, lid 2, tweede zin, en artikel 300, lid 3, tweede alinea (1),

Gezien het voorstel van de Commissie (2),

Gezien de instemming van het Europees Parlement (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Arabische Republiek Egypte, anderzijds, die namens de Europese Gemeenschap op 25 juni 2001 te Luxemburg is ondertekend, dient te worden goedgekeurd.

(2)

De bepalingen van deze overeenkomst die binnen de toepassingssfeer van deel III, titel IV, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vallen, binden het Verenigd Koninkrijk en Ierland als afzonderlijke overeenkomstsluitende partijen, en niet als deel van de Europese Gemeenschap, totdat het Verenigd Koninkrijk of Ierland (naar gelang van het geval) de Arabische Republiek Egypte ervan in kennis stelt dat het Verenigd Koninkrijk of Ierland is gebonden als deel van de Europese Gemeenschap overeenkomstig het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland dat aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is gehecht. Hetzelfde geldt voor Denemarken, overeenkomstig het Protocol betreffende de positie van Denemarken dat aan die Verdragen is gehecht,

BESLUIT:

Artikel 1

De Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Arabische Republiek Egypte, anderzijds, hierna de „associatieovereenkomst” te noemen, de daaraan gehechte bijlagen, protocollen, alsmede de aan de Slotakte gehechte gemeenschappelijke verklaringen, verklaringen van de Europese Gemeenschap en briefwisseling, worden namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd.

De in de eerste alinea bedoelde teksten zijn aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

1.   Het standpunt dat de Gemeenschap inneemt in de Associatieraad en in het Associatiecomité, wanneer dit laatste door de Associatieraad is gemachtigd, wordt vastgesteld door de Raad op voorstel van de Commissie overeenkomstig de verdragsbepalingen dienaangaande.

2.   Het voorzitterschap van de Associatieraad wordt overeenkomstig artikel 75 van de associatieovereenkomst bekleed door de voorzitter van de Raad. Het voorzitterschap van het Associatiecomité wordt bekleed door een vertegenwoordiger van de Commissie, overeenkomstig het reglement van orde van het Associatiecomité.

3.   Per geval wordt door de Raad besloten tot bekendmaking van de besluiten van de Associatieraad en het Associatiecomité in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 3

De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de personen aan te wijzen die bevoegd zijn namens de Europese Gemeenschap de akte van kennisgeving neder te leggen, als bedoeld in artikel 92 van de associatieovereenkomst.

Gedaan te Luxemburg, 21 april 2004.

Voor de Raad

De voorzitter

J. WALSH


(1)  Na het verstrijken van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal op 23 juli 2002 (PB L 194 van 23.7.2002, blz. 35) heeft de Europese Gemeenschap alle rechten en verplichtingen van de EGKS overgenomen.

(2)  PB C 304 E van 30.10.2001, blz. 2.

(3)  PB C 153 E van 27.6.2002, blz. 264.


EUROPEES-MEDITERRANE OVEREENKOMST

waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Arabische Republiek Egypte, anderzijds

HET KONINKRIJK BELGIË,

HET KONINKRIJK DENEMARKEN,

DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND,

DE HELLEENSE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK SPANJE,

DE FRANSE REPUBLIEK,

IERLAND,

DE ITALIAANSE REPUBLIEK,

HET GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG,

HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN,

DE REPUBLIEK OOSTENRIJK,

DE PORTUGESE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK FINLAND,

HET KONINKRIJK ZWEDEN,

HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND,

verdragsluitende partijen bij het Verdrag tot oprichting van de EUROPESE GEMEENSCHAP en het Verdrag tot oprichting van de EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR KOLEN EN STAAL, hierna de „lidstaten” genoemd, en

DE EUROPESE GEMEENSCHAP, en DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR KOLEN EN STAAL, hierna „de Gemeenschap” genoemd,

enerzijds, en

DE ARABISCHE REPUBLIEK EGYPTE, hierna „Egypte” genoemd,

anderzijds,

GELET OP het belang van de traditionele banden tussen de Gemeenschap, haar lidstaten en Egypte en hun gemeenschappelijke waarden,

OVERWEGENDE dat de Gemeenschap, de lidstaten en Egypte deze banden wensen te versterken en duurzame betrekkingen op basis van partnerschap en wederkerigheid tot stand wensen te brengen,

GELET OP het belang dat de partijen hechten aan de eerbiediging van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, en in het bijzonder aan de eerbiediging van de mensenrechten, de democratische beginselen en de politieke en economische vrijheden waarop de Associatie is gegrondvest,

VERLANGENDE een regelmatige politieke dialoog over bilaterale en internationale kwesties van wederzijds belang in te stellen en te ontwikkelen,

GELET OP de verschillen tussen Egypte en de Gemeenschap wat betreft economische en sociale ontwikkeling, en de noodzaak het proces van economisch en sociale ontwikkeling in Egypte te versterken,

VERLANGENDE hun economische betrekkingen te versterken en met name hun onderlinge handelsverkeer, investeringen en technische samenwerking te ontwikkelen, en dit proces te ondersteunen door een regelmatige dialoog inzake economische, wetenschappelijke, technologische, culturele, audiovisuele en sociale aangelegenheden, teneinde de kennis van en het begrip voor elkander te bevorderen,

GELET OP de keuze van de Gemeenschap en Egypte voor vrijhandel en met name de verbintenis tot naleving van de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994 en de andere multilaterale overeenkomsten welke aan de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie zijn gehecht,

ZICH BEWUST VAN de noodzaak samen te werken teneinde de politieke stabiliteit en de economische ontwikkeling in de regio te bevorderen, door regionale samenwerking aan te moedigen,

ERVAN OVERTUIGD dat de associatieovereenkomst een nieuw klimaat voor hun betrekkingen zal scheppen,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT OMTRENT DE VOLGENDE BEPALINGEN:

Artikel 1

1.   Er wordt een associatie tot stand gebracht tussen de Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Egypte, anderzijds.

2.   De doelstellingen van deze overeenkomst zijn:

een passend kader tot stand te brengen voor politieke dialoog met het oog op het versterken van de politieke betrekkingen tussen de partijen;

de voorwaarden vast te leggen voor de geleidelijke liberalisering van het goederen-, diensten- en kapitaalverkeer;

de ontwikkeling van evenwichtige economische en sociale betrekkingen tussen de partijen te bevorderen door middel van dialoog en samenwerking;

bij te dragen tot de economische en sociale ontwikkeling van Egypte;

regionale samenwerking aan te moedigen, teneinde de vreedzame coëxistentie en economische en politieke stabiliteit te consolideren;

samenwerking op andere gebieden van wederzijds belang te bevorderen.

Artikel 2

De betrekkingen tussen de partijen en alle bepalingen van deze overeenkomst zijn gegrondvest op de eerbiediging van de democratische beginselen en de fundamentele rechten van de mens, als vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die aan hun binnen- en buitenlands beleid ten grondslag liggen en een wezenlijk onderdeel van de overeenkomst zijn.

TITEL I

POLITIEKE DIALOOG

Artikel 3

1.   Er wordt een regelmatige politieke dialoog tussen de partijen ingesteld. Deze dient hun onderlinge betrekkingen te verstevigen, bij te dragen tot de ontwikkeling van een duurzaam partnerschap en het wederzijdse begrip en de onderlinge solidariteit te versterken.

2.   De politieke dialoog en de samenwerking zijn met name gericht op het volgende:

ontwikkeling van een sterker wederzijds begrip en convergentie van de standpunten over internationale vraagstukken, met name over aangelegenheden die belangrijke gevolgen voor een partij kunnen hebben;

versterking van het vermogen van elke partij om het standpunt en de belangen van de andere partij in acht te nemen;

versterking van de regionale veiligheid en stabiliteit;

bevordering van gezamenlijke initiatieven.

Artikel 4

De politieke dialoog heeft betrekking op alle onderwerpen van gemeenschappelijke belang, met name vrede, veiligheid, democratie en regionale ontwikkeling.

Artikel 5

1.   De politieke dialoog vindt plaats met regelmatige tussenpozen en telkens wanneer nodig, en wel:

a)

op ministerieel niveau, voornamelijk in het kader van de Associatieraad;

b)

op het niveau van enerzijds hoge ambtenaren van Egypte en anderzijds het voorzitterschap van de Raad en de Commissie;

c)

met optimale gebruikmaking van alle diplomatieke kanalen, in het bijzonder door middel van regelmatige briefings door ambtenaren, overleg bij gelegenheid van internationale vergaderingen en contacten tussen diplomatieke vertegenwoordigers in derde landen;

d)

via alle andere wegen die een nuttige bijdrage leveren tot het consolideren, ontwikkelen en intensiveren van deze dialoog.

2.   Een politieke dialoog wordt gevoerd tussen het Europees Parlement en de Volksvergadering van Egypte.

TITEL II

VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN

BASISBEGINSELEN

Artikel 6

De Gemeenschap en Egypte brengen stapsgewijs een vrijhandelszone tot stand in de loop van een overgangsperiode van ten hoogste twaalf jaar, te beginnen bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst, overeenkomstig de bepalingen van deze titel en in overeenstemming met de bepalingen van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel van 1994 en andere multilaterale overeenkomsten inzake de handel in goederen die opgenomen zijn in de bijlagen bij de overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), hierna „GATT” te noemen.

HOOFDSTUK 1

Industrieproducten

Artikel 7

Het bepaalde in dit hoofdstuk is van toepassing op producten van oorsprong uit de Gemeenschap en Egypte, opgenomen in de hoofdstukken 25 tot en met 97 van de gecombineerde nomenclatuur en het Egyptische douanetarief, met uitzondering van de producten genoemd in bijlage I.

Artikel 8

Producten van oorsprong uit Egypte worden bij invoer in de Gemeenschap toegelaten met vrijstelling van douanerechten of heffingen van gelijke werking en zonder kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking.

Artikel 9

1.   De douanerechten en heffingen van gelijke werking bij invoer die in Egypte van toepassing zijn op de producten van oorsprong uit de Gemeenschap vermeld in bijlage II, worden geleidelijk afgeschaft overeenkomstig het hiernavolgende tijdschema:

bij de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 75 % van het basisrecht;

een jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 50 % van het basisrecht;

twee jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 25 % van het basisrecht;

drie jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle resterende rechten en heffingen ingetrokken.

2.   De douanerechten en heffingen van gelijke werking bij invoer die in Egypte van toepassing zijn op de producten van oorsprong uit de Gemeenschap vermeld in bijlage III, worden geleidelijk afgeschaft overeenkomstig het hiernavolgende tijdschema:

drie jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 90 % van het basisrecht;

vier jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 75 % van het basisrecht;

vijf jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 60 % van het basisrecht;

zes jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 45 % van het basisrecht;

zeven jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 30 % van het basisrecht;

acht jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 15 % van het basisrecht;

negen jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle resterende rechten en heffingen ingetrokken.

3.   De douanerechten en heffingen van gelijke werking bij invoer die in Egypte van toepassing zijn op de producten van oorsprong uit de Gemeenschap vermeld in bijlage IV, worden geleidelijk afgeschaft overeenkomstig het hiernavolgende tijdschema:

vijf jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 95 % van het basisrecht;

zes jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 90 % van het basisrecht;

zeven jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 75 % van het basisrecht;

acht jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 60 % van het basisrecht;

negen jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 45 % van het basisrecht;

tien jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 30 % van het basisrecht;

elf jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 15 % van het basisrecht;

twaalf jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle resterende rechten en heffingen ingetrokken.

4.   De douanerechten en heffingen van gelijke werking bij invoer die in Egypte van toepassing zijn op de producten van oorsprong uit de Gemeenschap vermeld in bijlage V, worden geleidelijk afgeschaft overeenkomstig het hiernavolgende tijdschema:

zes jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 90 % van het basisrecht;

zeven jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 80 % van het basisrecht;

acht jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 70 % van het basisrecht;

negen jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 60 % van het basisrecht;

tien jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 50 % van het basisrecht;

elf jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 40 % van het basisrecht;

twaalf jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 30 % van het basisrecht;

dertien jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 20 % van het basisrecht;

veertien jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 10 % van het basisrecht;

vijftien jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden alle resterende rechten en heffingen ingetrokken.

5.   De douanerechten en heffingen van gelijke werking bij invoer die in Egypte van toepassing zijn op de producten van oorsprong uit de Gemeenschap, andere dan die genoemd in de bijlagen II, III, IV en V, worden afgeschaft volgens het tijdschema dat voor die producten bij besluit van het Associatiecomité zal worden vastgesteld.

6.   Indien zich met betrekking tot een bepaald product ernstige problemen voordoen, kunnen de overeenkomstig de leden 1, 2, 3 en 4 van toepassing zijnde tijdschema's in overleg worden herzien door het Associatiecomité, met dien verstande dat het tijdschema waarvoor de herziening is aangevraagd voor het betrokken product niet verder verlengd kan worden dan de maximale overgangsperiode. Indien het Associatiecomité geen besluit heeft genomen binnen 30 dagen na de kennisgeving van het verzoek van Egypte om herziening van het tijdschema, kan Egypte het tijdschema voorlopig opschorten voor een periode van maximaal een jaar.

7.   Het basisrecht waarop de verlagingen van de leden 1, 2, 3 en 4 worden toegepast, is voor elk betrokken product het recht bedoeld in artikel 18.

Artikel 10

De bepalingen betreffende de afschaffing van de douanerechten bij invoer zijn tevens van toepassing op douanerechten van fiscale aard.

Artikel 11

1.   In afwijking van het bepaalde in artikel 9 mag Egypte buitengewone maatregelen van beperkte duur vaststellen, waarbij douanerechten worden verhoogd of opnieuw ingesteld.

2.   Dergelijke maatregelen mogen uitsluitend worden genomen ten behoeve van jonge industrieën of van sectoren waarin herstructureringen plaatsvinden of die met grote moeilijkheden te kampen hebben, met name wanneer deze moeilijkheden ernstige sociale gevolgen hebben.

3.   Invoerrechten die krachtens dergelijke uitzonderlijke maatregelen door Egypte worden toegepast ten aanzien van producten van oorsprong uit de Gemeenschap mogen niet meer dan 25 % ad valorem bedragen en dienen een preferentiële marge voor producten van oorsprong uit de Gemeenschap in te houden. De totale waarde van de ingevoerde producten waarop dergelijke maatregelen van toepassing zijn, mag niet meer bedragen van 20 % van de totale invoer van industrieproducten uit de Gemeenschap gedurende het laatste jaar waarvoor statistische gegevens beschikbaar zijn.

4.   Deze maatregelen mogen gedurende niet meer dan vijf jaar worden toegepast, tenzij het Associatiecomité de toepassing ervan over een langere periode toestaat. Zij treden uiterlijk bij het verstrijken van de overgangsperiode buiten werking.

5.   Deze maatregelen kunnen voor een gegeven product niet langer worden getroffen, indien meer dan drie jaar is verstreken sinds de opheffing van alle rechten en kwantitatieve beperkingen of heffingen en maatregelen van gelijke werking die op het betrokken product van toepassing waren.

6.   Egypte stelt het Associatiecomité in kennis van alle buitengewone maatregelen die het voornemens is te treffen. Op verzoek van de Gemeenschap vindt vooraf overleg plaats over deze maatregelen en de sectoren waarop zij betrekking hebben. Indien het dergelijke maatregelen neemt, legt Egypte aan het comité een tijdschema voor de afschaffing van de overeenkomstig dit artikel ingestelde douanerechten voor. Dit tijdschema dient te voorzien in de geleidelijke afschaffing van deze rechten in gelijke jaarlijkse percentages, beginnende uiterlijk twee jaar nadat zij werden ingesteld. Het Associatiecomité kan een ander tijdschema vaststellen.

7.   In afwijking van het bepaalde in lid 4 kan het Associatiecomité, in verband met de problemen bij het opzetten van een nieuwe industrie, Egypte toestaan bij uitzondering de in lid 1 bedoelde maatregelen te handhaven gedurende ten hoogste vier jaar na afloop van de overgangsperiode van twaalf jaar.

HOOFDSTUK 2

Landbouwproducten, visserijproducten en bewerkte landbouwproducten

Artikel 12

Het bepaalde in dit hoofdstuk is van toepassing op producten van oorsprong uit de Gemeenschap en Egypte, opgenomen in de hoofdstukken 1 tot en met 24 van de gecombineerde nomenclatuur en het Egyptische douanetarief, alsmede op de producten genoemd in bijlage I.

Artikel 13

De Gemeenschap en Egypte liberaliseren geleidelijk het onderlinge handelsverkeer in landbouwproducten, visserijproducten en bewerkte landbouwproducten die voor beide partijen van belang zijn.

Artikel 14

1.   Voor de invoer in de Gemeenschap van de landbouwproducten van oorsprong uit Egypte genoemd in Protocol nr. 1 gelden de regelingen van dat protocol.

2.   Voor de invoer in Egypte van de landbouwproducten van oorsprong uit de Gemeenschap genoemd in Protocol nr. 2 gelden de regelingen van dat protocol.

3.   Voor de handel in onder dit hoofdstuk vallende verwerkte landbouwproducten gelden de regelingen van Protocol nr. 3.

Artikel 15

1.   Gedurende het derde uitvoeringsjaar van de overeenkomst onderzoeken de Gemeenschap en Egypte de situatie, teneinde vast te stellen welke maatregelen door de Gemeenschap en Egypte vanaf het begin van het vierde jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst moeten worden toegepast om het in artikel 13 genoemde doel te bereiken.

2.   Onverminderd het bepaalde in lid 1, en de handelsstromen voor landbouwproducten, visserijproducten en bewerkte landbouwproducten tussen de partijen alsmede de bijzondere gevoeligheid van deze producten in aanmerking genomen, onderzoeken de Gemeenschap en Egypte in de Associatieraad per product op basis van wederkerigheid de mogelijkheid om passende wederzijdse concessies in te stellen.

Artikel 16

1.   Indien ten gevolge van de tenuitvoerlegging van het landbouwbeleid een specifieke regeling wordt ingesteld of indien de bestaande regelingen worden gewijzigd of in geval van wijziging of uitbreiding van de bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging van het landbouwbeleid, kan de betrokken partij voor de betrokken producten de in deze overeenkomst vervatte regeling wijzigen.

2.   De betrokken partij stelt in een dergelijk geval het Associatiecomité op de hoogte. Op verzoek van de andere partij komt het Associatiecomité bijeen om te voorzien in de belangen van de verzoekende partij.

3.   Indien de Gemeenschap of Egypte krachtens lid 1 de regeling van deze overeenkomst voor landbouwproducten wijzigt, wordt voor de invoer van producten van oorsprong uit de andere partij een voordeel toegekend dat vergelijkbaar is met het voordeel waarin deze overeenkomst voorziet.

4.   Over de toepassing van dit artikel wordt in de Associatieraad overleg gepleegd.

HOOFDSTUK 3

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 17

1.   In het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Egypte worden geen nieuwe kwantitatieve invoerbeperkingen of maatregelen van gelijke werking ingesteld.

2.   Ten aanzien van het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Egypte worden kwantitatieve invoerbeperkingen of maatregelen van gelijke werking bij de inwerkingtreding van de overeenkomst afgeschaft.

3.   De Gemeenschap en Egypte passen onderling geen douanerechten bij uitvoer of heffingen van gelijke werking, noch kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking toe.

Artikel 18

1.   De rechten van toepassing op de onderlinge invoer van de partijen zijn de bij de WTO geconsolideerde rechten of de op 1 januari 1999 toegepaste rechten, indien deze lager zijn. Indien de rechten na 1 januari 1999 erga omnes zijn verlaagd, is het verlaagde recht van toepassing.

2.   In het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Egypte worden geen nieuwe douanerechten bij invoer of bij uitvoer of heffingen van gelijke werking ingesteld, noch worden de rechten of heffingen welke reeds van toepassing zijn verhoogd, tenzij deze overeenkomst anders bepaalt.

3.   De partijen stellen elkander in kennis van de door hen per 1 januari 1999 toegepaste rechten.

Artikel 19

1.   Voor producten van oorsprong uit Egypte geldt bij invoer in de Gemeenschap geen gunstiger regeling dan die welke tussen de lidstaten onderling geldt.

2.   De bepalingen van deze overeenkomst zijn van toepassing onverminderd de bijzondere bepalingen inzake de toepassing van het gemeenschapsrecht op de Canarische Eilanden.

Artikel 20

1.   De partijen onthouden zich van alle binnenlandse maatregelen of praktijken van fiscale aard die, rechtstreeks of onrechtstreeks, discrimineren tussen producten van de ene partij en soortgelijke producten van oorsprong uit de andere partij.

2.   Terugbetaling van binnenlandse belasting voor producten die naar een der partijen worden uitgevoerd, mag de bedragen van de op deze producten rustende directe of indirecte belastingen niet overschrijden.

Artikel 21

1.   Deze overeenkomst vormt geen beletsel voor de handhaving of de instelling van douane-unies, vrijhandelszones of regelingen voor grensverkeer, mits de in deze overeenkomst neergelegde handelsregelingen daardoor niet worden gewijzigd.

2.   De partijen plegen overleg in de Associatieraad over overeenkomsten tot instelling van douane-unies of vrijhandelszones en desgewenst over andere belangrijke onderwerpen in verband met hun handelspolitiek ten aanzien van derde landen. Een dergelijk overleg vindt met name plaats bij de toetreding van een derde land tot de Unie, teneinde rekening te kunnen houden met de wederzijdse belangen van de partijen.

Artikel 22

Indien een der partijen constateert dat in het handelsverkeer met de andere partij dumping in de zin van artikel VI van de GATT 1994 plaatsvindt, kan zij passende maatregelen nemen tegen deze praktijk op grond van de WTO-overeenkomst betreffende de toepassing van artikel VI van de GATT 1994 en haar binnenlandse wetgeving op dit gebied.

Artikel 23

Onverminderd het bepaalde in artikel 34 is de WTO-overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen van toepassing in de betrekkingen tussen de partijen.

Tot de in artikel 34, lid 2, bedoelde regels zijn vastgesteld, kan, indien een der partijen constateert dat in het handelsverkeer met de andere partij dumping in de zin van de artikelen VI en XVI van de GATT 1994 plaatsvindt, zij passende maatregelen nemen tegen deze praktijk op grond van de WTO-overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen en haar binnenlandse wetgeving op dit gebied.

Artikel 24

1.   De bepalingen van artikel XIX van de GATT 1994 en van de WTO-overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen zijn van toepassing in de betrekkingen tussen de partijen.

2.   Vóór een partij vrijwaringsmaatregelen toepast krachtens artikel XIX van de GATT 1994 en de WTO-overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen, verstrekt zij het Associatiecomité alle terzake doende informatie die nodig is voor een grondig onderzoek van de situatie, om een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te vinden.

Teneinde een dergelijke oplossing te vinden voeren de partijen in het Associatiecomité onverwijld overleg. Indien de partijen niet binnen dertig dagen na de aanvang van dit overleg tot overeenstemming komen over een oplossing waarbij de toepassing van vrijwaringsmaatregelen kan worden vermeden, kan de partij die voornemens is vrijwaringsmaatregelen te nemen, de bepalingen van artikel XIX van de GATT 1994 en de WTO-overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen toepassen.

3.   Indien krachtens dit artikel vrijwaringsmaatregelen worden toegepast, kiezen de partijen bij voorrang maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst het minst verstoren.

4.   De vrijwaringsmaatregelen worden onmiddellijk ter kennis gebracht van het Associatiecomité, dat hierover periodiek overleg pleegt, in het bijzonder met het oog op afschaffing van deze maatregelen, zodra de omstandigheden zulks toelaten.

Artikel 25

1.   Indien als gevolg van de naleving van artikel 17, lid 3,

i)

goederen worden wederuitgevoerd naar een derde land ten aanzien waarvan de exporterende partij voor het betrokken product kwantitatieve uitvoerbeperkingen, uitvoerrechten of maatregelen van gelijke werking toepast, of

ii)

een ernstig tekort aan producten die van wezenlijk belang zijn voor de exporterende partij ontstaat of dreigt te ontstaan,

en de bovenbedoelde situaties aanleiding geven of vermoedelijk zullen geven tot ernstige moeilijkheden voor de exporterende partij, kan deze partij passende maatregelen nemen volgens de procedures van artikel 2.

2.   De moeilijkheden die voortvloeien uit de in lid 1 bedoelde omstandigheden worden ter beoordeling aan het Associatiecomité voorgelegd. Het Associatiecomité kan alle besluiten nemen die nodig zijn om aan de moeilijkheden een einde te maken. Indien het Associatiecomité niet binnen 30 dagen nadat de zaak aan het comité is voorgelegd een dergelijk besluit heeft genomen, kan de exporterende partij passende maatregelen nemen ten aanzien van de uitvoer van het betrokken product. Deze maatregelen mogen geen discriminerend karakter hebben en dienen te worden ingetrokken zodra de redenen voor hun toepassing niet meer bestaan.

Artikel 26

Niets in deze overeenkomst vormt een beletsel voor verboden of beperkingen op de invoer, uitvoer of doorvoer die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het leven van mensen en dieren of het behoud van planten, de bescherming van het nationaal cultuurgoed van artistieke, historische of archeologische waarde, of uit hoofde van de bescherming van de intellectuele, industriële en commerciële eigendom, noch voor voorschriften betreffende goud en zilver. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie of een verkapte beperking van de handel tussen de partijen vormen.

Artikel 27

Het begrip „producten van oorsprong” voor de toepassing van deze titel en de regelingen voor administratieve samenwerking op dit gebied zijn gedefinieerd in Protocol nr. 4.

Artikel 28

Bij invoer in de Gemeenschap worden de goederen ingedeeld overeenkomstig de gecombineerde nomenclatuur. Bij invoer in Egypte worden de goederen ingedeeld overeenkomstig het Egyptische douanetarief.

TITEL III

RECHT VAN VESTIGING EN VERLENING VAN DIENSTEN

Artikel 29

1.   De partijen bevestigen opnieuw hun verbintenissen op grond van de Algemene overeenkomst inzake de handel in diensten (GATS), die aan de WTO-Overeenkomst is gehecht, en met name de verbintenis tot wederzijdse toekenning van een meestbegunstigingsbehandeling ten aanzien van de handel in dienstensectoren waarop deze verbintenissen betrekking hebben.

2.   Overeenkomstig de GATS is deze behandeling niet van toepassing op:

a)

door een partij toegekende voordelen overeenkomstig de bepalingen van een overeenkomst als gedefinieerd in artikel V van de GATS of maatregelen die genomen zijn op grond van een dergelijke overeenkomst;

b)

andere voordelen toegekend overeenkomstig de lijst van uitzonderingen op de meestbegunstigingsclausule die door een partij aan de GATS is gehecht.

Artikel 30

1.   De partijen zullen overwegen de toepassingssfeer van de overeenkomst uit te breiden met het recht van vestiging van vennootschappen van een partij op het grondgebied van de andere partij en de liberalisering van de dienstverlening door vennootschappen van een partij aan ontvangers van diensten in een andere partij.

2.   De Associatieraad doet de nodige aanbevelingen voor de uitvoering van de in lid 1 vermelde doelstelling.

Bij het opstellen van deze aanbevelingen houdt de Associatieraad rekening met de ervaring die is opgedaan met de uitvoering van de meestbegunstigingsbehandeling die de partijen elkander wederzijds toekennen overeenkomstig hun wederzijdse verplichtingen in het kader van de GATS, met name artikel V.

3.   De uitvoering van de in lid 1 genoemde doelstelling wordt door de Associatieraad uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst aan een eerste onderzoek onderworpen.

TITEL IV

KAPITAALVERKEER EN ANDERE ECONOMISCHE VRAAGSTUKKEN

HOOFDSTUK 1

Betalings- en kapitaalverkeer

Artikel 31

Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 33 verbinden de partijen zich ertoe machtiging te verlenen tot alle betalingen op de lopende rekening in volledig converteerbare valuta.

Artikel 32

1.   Vanaf de inwerkingtreding van de overeenkomst zien de Gemeenschap en Egypte toe op de liberalisering van het kapitaalverkeer voor rechtstreekse investeringen in ondernemingen die volgens het recht van het gastland zijn opgericht, alsmede de vereffening en repatriëring van deze investeringen en daaruit voortvloeiende winst.

2.   De partijen voeren overleg om het verkeer van kapitaal tussen de Gemeenschap en Egypte te vergemakkelijken, en geheel vrij te geven zodra de omstandigheden zulks toelaten.

Artikel 33

Indien een of meer lidstaten van de Gemeenschap dan wel Egypte in ernstige betalingsbalansproblemen verkeren of dreigen te verkeren, kan de Gemeenschap, respectievelijk Egypte, overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in het kader van de GATT en de artikelen VIII en XIV van de statuten van het Internationaal Monetair Fonds, beperkingen instellen ten aanzien van de lopende betalingen, indien dergelijke beperkingen strikt noodzakelijk zijn. De Gemeenschap, respectievelijk Egypte, stelt de andere partij hiervan onmiddellijk in kennis en doet deze partij zo spoedig mogelijk een tijdschema toekomen voor de opheffing van deze maatregelen.

HOOFDSTUK 2

Mededinging en andere economische vraagstukken

Artikel 34

1.   Onverenigbaar met de goede werking van de overeenkomst zijn, voorzover de handel tussen de Gemeenschap en Egypte daardoor ongunstig kan worden beïnvloed:

i)

alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen welke ertoe strekken of die ten gevolge hebben dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst;

ii)

het misbruik van een machtspositie door een of meer ondernemingen op het gehele grondgebied van de Gemeenschap of van Egypte of op een wezenlijk deel daarvan;

iii)

alle overheidssteun die de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen door begunstiging van bepaalde ondernemingen of van de productie van bepaalde goederen.

2.   De Associatieraad neemt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst een besluit tot vaststelling van de nodige bepalingen voor de uitvoering van lid 1.

In afwachting van de vaststelling van deze bepalingen worden de bepalingen van artikel 23 toegepast voor de tenuitvoerlegging van lid 1, onder iii).

3.   Elke partij voorziet in doorzichtigheid ten aanzien van de overheidssteun, met name door ieder jaar aan de andere partij mededeling te doen van het totale bedrag en de verdeling van de verstrekte steun en door op verzoek informatie over steunprogramma's te verstrekken. Indien een partij daarom verzoekt, verstrekt de andere partij informatie over bepaalde afzonderlijke steunmaatregelen van de overheid.

4.   Lid 1, onder iii), is niet van toepassing op de landbouwproducten vermeld in titel II, hoofdstuk 2. Op deze producten zijn de WTO-overeenkomst inzake de landbouw en de desbetreffende bepalingen van de WTO-overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen van toepassing.

5.   Indien de Gemeenschap of Egypte van mening is dat een bepaalde praktijk onverenigbaar is met lid 1 kunnen zij passende maatregelen nemen na overleg in het kader van het Associatiecomité of na een termijn van 30 werkdagen volgende op het verzoek om dergelijk overleg, mits:

met de in lid 2 bedoelde uitvoeringsmaatregelen die praktijk niet afdoende kan worden tegengegaan, of

indien deze uitvoeringsbepalingen ontbreken, de praktijk de belangen van de andere partij ernstig schaadt of dreigt te schaden of aan haar nationale industrie, met inbegrip van de dienstverlenende sector, aanmerkelijke schade toebrengt of dreigt toe te brengen,

Met betrekking tot praktijken die onverenigbaar zijn met lid 1, onder iii), kunnen, indien de WTO-regels erop van toepassing is, deze passende maatregelen alleen worden vastgesteld volgens de procedures en voorwaarden bepaald door de WTO of in een ander in het kader daarvan tot stand gekomen instrument dat voor beide partijen van toepassing is.

6.   Niettegenstaande eventueel daarmee strijdige bepalingen die overeenkomstig lid 2 zijn vastgesteld, wisselen de partijen informatie uit met inachtneming van de beperkingen welke voortvloeien uit het beroeps- of zakengeheim.

Artikel 35

De lidstaten en Egypte passen, zonder afbreuk te doen aan de in het kader van de GATT aangegane verplichtingen, alle staatsmonopolies van commerciële aard geleidelijk aan, zodanig dat uiterlijk vanaf het einde van het vijfde jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst tussen onderdanen van de lidstaten en van Egypte geen discriminatie meer bestaat wat de voorwaarden voor aankoop en verkoop van goederen betreft. Het Associatiecomité wordt in kennis gesteld van de maatregelen die daartoe worden genomen.

Artikel 36

Met betrekking tot overheidsondernemingen en ondernemingen waaraan speciale of exclusieve rechten zijn toegekend, ziet de Associatieraad erop toe dat vanaf het vijfde jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst geen maatregelen die het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Egypte verstoren en strijdig zijn met de belangen van de partijen, worden vastgesteld of gehandhaafd. Deze bepaling vormt geen beletsel voor de uitvoering, de jure of de facto, van bijzondere taken die aan deze ondernemingen zijn opgedragen.

Artikel 37

1.   Overeenkomstig het bepaalde in dit artikel en in bijlage VI zien de partijen toe op adequate en effectieve bescherming van intellectuele-, industriële- en commerciële-eigendomsrechten, overeenkomstig de gebruikelijke internationale normen, met inbegrip van effectieve middelen om deze rechten te doen gelden.

2.   De tenuitvoerlegging van dit artikel en van bijlage VI wordt regelmatig door de partijen geëvalueerd. Bij problemen op het gebied van intellectuele-, industriële- en commerciële-eigendomsrechten die afbreuk doen aan het handelsverkeer, wordt op verzoek van een partij spoedoverleg overleg gevoerd om tot een voor beide partijen bevredigende oplossing te komen.

Artikel 38

De partijen stellen zich een geleidelijke liberalisering van de overheidsopdrachten ten doel. De Associatieraad voert overleg over de tenuitvoerlegging van deze doelstelling.

TITEL V

ECONOMISCHE SAMENWERKING

Artikel 39

Doelstellingen

1.   De partijen verbinden zich ertoe tot wederzijds voordeel hun economische samenwerking te versterken.

2.   De economische samenwerking heeft als doel:

bevordering van de verwezenlijking van de algemene doelstellingen van deze overeenkomst;

bevordering van de totstandkoming van evenwichtige economische betrekkingen tussen de partijen;

ondersteuning van de inspanningen van Egypte om duurzame economische en sociale ontwikkeling tot stand te brengen.

Artikel 40

Toepassingsgebied

1.   De samenwerking is in de eerste plaats gericht op sectoren waar zich interne problemen voordoen of die gevolgen ondervinden van de liberalisering van de gehele Egyptische economie, met name de liberalisering van het handelsverkeer tussen Egypte en de Gemeenschap.

2.   Voorts wordt bij de samenwerking prioriteit gegeven aan de sectoren die de economieën van Egypte en de Gemeenschap dichter tot elkander brengen, met name sectoren die groei en werkgelegenheid scheppen.

3.   De samenwerking moedigt maatregelen om de intraregionale samenwerking te stimuleren aan.

4.   Bij de uitvoering van de verschillende terreinen van de economische samenwerking wordt de bescherming van het milieu en het ecologische evenwicht in acht genomen, voor zover relevant voor die terreinen.

5.   De partijen kunnen overeenkomen hun economische samenwerking uit te breiden tot sectoren die niet onder de bepalingen van deze titel vallen.

Artikel 41

Methoden en procedures

De economische samenwerking wordt met name verwezenlijkt door middel van:

a)

een regelmatige economische dialoog tussen de partijen die alle terreinen van het macro-economisch beleid bestrijkt;

b)

regelmatige uitwisseling van informatie en ideeën op alle terreinen van de samenwerking; in dit verband worden onder meer bijeenkomsten van ambtenaren en deskundigen gehouden;

c)

uitwisseling van advies, deskundigheid en scholing;

d)

gezamenlijke activiteiten als seminars en werkgroepen;

e)

technische en administratieve bijstand en bijstand op het gebied van regelgeving.

Artikel 42

Onderwijs en opleiding

De partijen stellen in onderlinge samenwerking welke de meest effectieve methoden zijn om onderwijs en beroepsopleidingen significant te verbeteren, en passen deze methoden toe, met name ten aanzien van overheidsondernemingen en particuliere ondernemingen, handelsgerelateerde dienstverlening, de overheid, technische instellingen, instanties voor normalisatie en certificatie en andere relevante organisaties. In dit verband wordt bijzondere aandacht geschonken aan de toegang voor vrouwen tot hoger onderwijs en opleidingsfaciliteiten.

De samenwerking stimuleert tevens de totstandkoming van betrekkingen tussen gespecialiseerde instanties in de Gemeenschap en Egypte en bevordert de uitwisseling van informatie en ervaring en het gezamenlijk gebruik van technische faciliteiten.

Artikel 43

Wetenschappelijke en technologische samenwerking

De samenwerking heeft als doel:

a)

het bevorderen van duurzame betrekkingen tussen de wetenschappelijke gemeenschap in de Gemeenschap en die in Egypte, met name door middel van:

openstelling van onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma's van de Gemeenschap voor Egypte, overeenkomstig de geldende bepalingen inzake de deelname van derde landen;

deelname van Egypte aan netwerken voor gedecentraliseerde samenwerking;

bevordering van synergie tussen opleiding en onderzoek;

b)

het versterken van de onderzoekscapaciteit in Egypte;

c)

het stimuleren van technologische innovatie, uitwisseling van nieuwe technologieën en verspreiding van kennis.

Artikel 44

Milieu

1.   De samenwerking heeft als doel het voorkomen van de aantasting van het milieu, het terugdringen van verontreiniging en het rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen, teneinde duurzame ontwikkeling te waarborgen.

2.   Specifiek richt de samenwerking zich op de volgende terreinen:

woestijnvorming;

de kwaliteit van het water van de Middellandse Zee en de bestrijding en voorkoming van verontreiniging van de zee;

waterbeheer;

energiebeheer;

afvalbeheer;

verzilting;

beheer van het milieu van gevoelige kustgebieden;

de effecten van industriële ontwikkeling en met name de veiligheid van industriële installaties;

de gevolgen van de landbouw voor de kwaliteit van bodem en water;

milieueducatie en -voorlichting.

Artikel 45

Industriële samenwerking

De samenwerking bevordert en stimuleert met name:

het debat over industriebeleid en concurrentie in een open economie;

de industriële samenwerking tussen bedrijven in de Gemeenschap en in Egypte: dit houdt onder meer toegang voor Egypte in tot communautaire netwerken voor samenwerking tussen ondernemingen en tot netwerken voor gedecentraliseerde samenwerking;

de modernisering en herstructurering van de Egyptische industrie;

totstandbrenging van een voor de ontwikkeling van het particuliere bedrijfsleven gunstig klimaat, teneinde groei en diversifiëring van de industriële productie te stimuleren;

overdracht van technologie, innovatie en onderzoek en ontwikkeling;

ontwikkeling van het menselijk potentieel;

toegang tot de kapitaalmarkt ten behoeve van de financiering van productieve investeringen.

Artikel 46

Investeringen en stimulering van investeringen

De samenwerking is gericht op versterking van de instroom van kapitaal, deskundigheid en technologie naar Egypte door onder meer:

op gepaste wijze investeringsmogelijkheden en bronnen van informatie over investeringsregels te identificeren;

informatie te verstrekken over Europese investeringsregelingen (technische bijstand, rechtstreekse financiële ondersteuning, fiscale stimuleringsmaatregelen, investeringsverzekering en dergelijke) voor investeringen buiten de EG, en de Egypte beter in staat te stellen daarvan te profiteren;

een juridisch klimaat tot stand te brengen dat bevorderlijk is voor de onderlinge investeringen, eventueel door sluiting door Egypte en de lidstaten van overeenkomsten ter bescherming van investeringen en overeenkomsten ter vermijding van dubbele belastingheffing;

de mogelijkheden voor de oprichting van joint ventures te onderzoeken, met name voor het midden- en kleinbedrijf, en voor de sluiting van overeenkomsten tussen de lidstaten en Egypte;

mechanismen voor de stimulering van investeringen in te stellen.

De samenwerking kan zich uitstrekken tot planning en uitvoering van projecten waarmee ter plaatse de doeltreffende verwerving en gebruik van basistechnologieën, het gebruik van normen, de ontwikkeling van het menselijk potentieel en het scheppen van werkgelegenheid kan worden gedemonstreerd.

Artikel 47

Normalisatie en conformiteitsbeoordeling

De partijen streven ernaar de verschillen op het gebied van harmonisatie en conformiteitsbeoordeling te beperken. Specifiek richt de samenwerking in dit verband zich op de volgende terreinen:

a)

voorschriften op het gebied van normalisatie, metrologie, kwaliteitsnormen en erkenning van conformiteit, met name wat betreft sanitaire en fytosanitaire normen voor landbouwproducten en voedingsmiddelen;

b)

modernisering van de Egyptische instanties voor conformiteitsbeoordeling, teneinde te zijner tijd overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning van conformiteitsbeoordeling te sluiten;

c)

het ontwikkelen van structuren voor de bescherming van intellectuele, industriële en commerciële eigendom, normalisatie en kwaliteitsnormen.

Artikel 48

Aanpassing van wetgeving

De partijen doen wat in hun vermogen ligt om hun wetgeving onderling aan te passen, teneinde de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst te vereenvoudigen.

Artikel 49

Financiële diensten

De partijen werken samen om hun normen en voorschriften te harmoniseren, onder andere met het oog op:

a)

versterking en herstructurering van de financiële sector in Egypte;

b)

verbetering van de boekhoudings- en boekhoudcontrolesystemen, alsmede het toezicht op en de reglementering van het bankwezen, het verzekeringswezen en andere segmenten van de financiële sector in Egypte.

Artikel 50

Landbouw en visserij

De samenwerking is gericht op:

a)

modernisering en herstructurering van landbouw en visserij, onder meer door modernisering van infrastructuur en uitrusting, ontwikkeling van technologie voor verpakking, opslag en marketing en verbetering van particuliere distributieketens;

b)

diversificatie van productie en externe afzetmarkten, onder meer door stimulering van de oprichting van joint ventures in de agro-industriële sector;

c)

hechtere samenwerking op veterinair en fytosanitair gebied en inzake teelttechnieken teneinde handelsverkeer tussen de partijen te vergemakkelijken. De partijen wisselen hiertoe informatie uit.

Artikel 51

Vervoer

De samenwerking is gericht op:

herstructurering en modernisering van weg-, spoorweg-, haven- en luchthaveninfrastructuur die gekoppeld is aan de belangrijkste trans-Europese verbindingen van gemeenschappelijk belang;

definitie en toepassing van exploitatienormen die vergelijkbaar zijn met die welke in de Gemeenschap gangbaar zijn;

vernieuwing van technische installaties voor multimodaal vervoer, containervervoer en overslag;

verbetering van het beheer van luchthavens, de luchtverkeersleiding en de spoorwegen, mede inhoudende samenwerking tussen de verantwoordelijke nationale instanties;

verbetering van navigatiehulpmiddelen.

Artikel 52

Telecommunicatie en informatiemaatschappij

De partijen erkennen dat informatie- en communicatietechnologieën een cruciaal element zijn van een moderne samenleving, een vitale factor voor de economische en sociale ontwikkeling en een hoeksteen van de opkomende informatiemaatschappij.

De samenwerkingsactiviteiten van de partijen op dit gebied zijn gericht op:

een dialoog over vraagstukken die verband houden met de verschillende aspecten van de informatiemaatschappij, zoals het telecommunicatiebeleid;

uitwisseling van informatie en mogelijke technische bijstand op het gebied van regelgeving, normalisatie, conformiteitsbeoordeling en certificering in verband met informatietechnologieën en telecommunicatie;

verspreiding van nieuwe informatie- en communicatietechnologieën en verfijning van nieuwe toepassingen op dit gebied;

uitvoering van gezamenlijke projecten voor onderzoek, technische ontwikkeling of industriële toepassingen op het gebied van informatietechnologieën, communicatie, telematica en de informatiemaatschappij;

deelname van Egyptische organisaties, binnen de gevestigde kaders, aan proefprojecten en Europese programma's;

onderlinge koppeling van netwerken en interoperabiliteit van telematicadiensten in de Gemeenschap en Egypte.

Artikel 53

Energie

Bij de samenwerking genieten prioriteit:

bevordering van duurzame energie;

bevordering van energiebesparing en efficiënt energiegebruik;

toegepast onderzoek naar datanetwerken in de economische en sociale sector, met name ten behoeve van de verbinding tussen ondernemingen in de Gemeenschap en in Egypte;

ondersteuning voor de modernisering en ontwikkeling van energienetwerken en koppeling daarvan aan de netwerken van de Gemeenschap.

Artikel 54

Toerisme

De prioriteiten voor de samenwerking zijn:

stimulering van investeringen in het toerisme;

verbetering van de kennis van de toeristenindustrie en versterking van de consistentie van beleid dat op het toerisme van invloed is;

betere seizoensspreiding van het toerisme;

bevordering van de samenwerking met regio's en steden in buurlanden;

benadrukking van het belang van het culturele erfgoed voor het toerisme;

zorgen voor een passende wisselwerking tussen toerisme en het milieu;

versterking van het concurrentievermogen van het toerisme door steun voor professionalisering.

Artikel 55

Douane

1.   De partijen ontwikkelen de samenwerking op douanegebied teneinde erop toe te zien dat de handelsbepalingen worden nageleefd. Bij de samenwerking hebben prioriteit:

a)

vereenvoudiging van controles en procedures voor in- en uitklaring van goederen;

b)

toepassing van het „enig document” en een systeem om de douanevervoerregelingen van de Gemeenschap en Egypte te koppelen.

2.   Onverminderd het bepaalde in de overeenkomst inzake verdere samenwerking, in het bijzonder wat de bestrijding van drugs en het witwassen van geld betreft, verlenen de douaneadministraties van de partijen elkander administratieve bijstand overeenkomstig Protocol nr. 5.

Artikel 56

Statistiek

De samenwerking is met name gericht op harmonisatie van de door de partijen gebruikte methoden, zodat betrouwbare statistieken kunnen worden opgesteld voor alle gebieden die onder deze overeenkomst vallen en voor statistische verwerking in aanmerking komen.

Artikel 57

Witwassen van geld

1.   De partijen werken samen om te voorkomen dat hun financiële systemen worden gebruikt voor het witwassen van de opbrengst van criminele activiteiten in het algemeen en drugsmisdrijven in het bijzonder.

2.   De samenwerking op dit gebied omvat mede technische en administratieve bijstand voor het opzetten van effectieve normen voor de bestrijding van witwassen, die met de internationale normen overeenstemmen.

Artikel 58

Bestrijding van drugs

1.   De samenwerking is met name gericht op:

verbetering van de effectiviteit van beleid en maatregelen ter voorkoming en bestrijding van het aanbod van en de illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, almede op bestrijding van het misbruik van deze producten;

bevordering van een gezamenlijke aanpak voor het terugdringen van de vraag.

2.   De partijen bepalen gezamenlijk, in overeenstemming met hun respectieve wetgeving, welke strategieën en samenwerkingsmethoden geboden zijn om deze doelstellingen te bereiken. Hun optreden, voor zover niet gemeenschappelijk, wordt gebaseerd op overleg en nauwe coördinatie.

Aan dit optreden kunnen de betrokken overheidsinstellingen en particuliere instellingen deelnemen, alle overeenkomstig hun bevoegdheden, in samenwerking met de bevoegde instanties van Egypte, de Gemeenschap en haar lidstaten.

3.   De samenwerking wordt verwezenlijkt door middel van uitwisseling van informatie en waar nodig gezamenlijke activiteiten met betrekking tot:

oprichting of uitbreiding van instellingen voor sociale dienstverlening en gezondheidszorg en informatiecentra voor de behandeling en sociale reïntegratie van drugsverslaafden;

uitvoering van projecten op het gebied van preventie, voorlichting, opleiding, en epidemiologisch onderzoek;

het opstellen van effectieve normen voor de voorkoming van het onrechtmatig gebruik van precursoren en andere essentiële stoffen die worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen, overeenkomend met de internationale normen.

Artikel 59

Bestrijding van terrorisme

Overeenkomstig internationale verdragen en hun nationale wetgeving werken de partijen samen op dit gebied, waarbij de nadruk ligt op:

uitwisseling van informatie over middelen en methoden voor de bestrijding van terrorisme;

uitwisseling van ervaringen met betrekking tot de voorkoming van terrorisme;

gezamenlijk onderzoek naar de voorkoming van terrorisme.

Artikel 60

Regionale samenwerking

De samenwerking is met name gericht op:

ontwikkeling van de economische infrastructuur;

wetenschappelijk en technologisch onderzoek;

intraregionale handel;

douanezaken;

cultuur;

milieuvraagstukken.

Artikel 61

Bescherming van de consument

De samenwerking op dit gebied is gericht op de harmonisatie van de regelingen voor de bescherming van de consument in de Europese Gemeenschap en in Egypte en dient voorzover mogelijk gericht te zijn op:

versterking van de onderlinge compatibiliteit van de consumentenwetgeving, teneinde handelsbelemmeringen te voorkomen;

instelling, ontwikkeling en onderlinge koppeling van systemen voor wederzijdse informatieverstrekking over gevaarlijke voedingsmiddelen en industrieproducten (systemen voor vroegtijdige waarschuwing);

uitwisseling van informatie en deskundigen;

organisatie van opleidingsregelingen en verlening van technische bijstand.

TITEL VI

HOOFDSTUK 1

Dialoog en samenwerking op sociaal gebied

Artikel 62

De partijen bevestigen opnieuw het belang dat zij hechten aan billijke behandeling van hun werknemers die legaal op het grondgebied van de andere partij verblijven en werkzaam zijn. De lidstaten en Egypte komen overeen, indien een van hen daarom verzoekt, besprekingen te openen over onderlinge bilaterale overeenkomsten inzake arbeidsvoorwaarden voor en socialezekerheidsrechten van werknemers uit Egypte en de lidstaten die legaal verblijven en werkzaam zijn op hun grondgebied.

Artikel 63

1.   Tussen de partijen wordt een regelmatige dialoog ingesteld over onderwerpen op sociaal gebied die voor hen van belang zijn.

2.   In het kader van deze dialoog wordt onderzocht hoe vooruitgang kan worden bewerkstelligd wat betreft het verkeer van werknemers, gelijke behandeling en sociale integratie van onderdanen van Egypte en van de lidstaten van de Gemeenschap die legaal op het grondgebied van de andere partij verblijven.

3.   De dialoog heeft met name betrekking op alle vraagstukken betreffende:

a)

leef- en werkomstandigheden van migrantengemeenschappen;

b)

migratie;

c)

illegale migratie;

d)

activiteiten ter bevordering van de gelijke behandeling van onderdanen van Egypte en van de lidstaten van de Gemeenschap, wederzijdse kennis van cultuur en beschaving, bevordering van tolerantie en afschaffing van discriminatie.

Artikel 64

De dialoog over sociale aangelegenheden wordt gevoerd volgens dezelfde procedures als die waarin in titel I van deze overeenkomst wordt voorzien.

Artikel 65

Teneinde de samenwerking op sociaal gebied tussen de partijen te consolideren, worden activiteiten en programma's uitgevoerd op alle gebieden die voor hen van belang zijn.

Hierbij hebben de volgende onderwerpen prioriteit:

a)

vermindering van de migratiedruk, met name door het verbeteren van de levensomstandigheden, het scheppen van werkgelegenheid en inkomensgenerende activiteiten en het ontwikkelen van het onderwijs in de gebieden waaruit emigranten afkomstig zijn;

b)

bevordering van de betrokkenheid van vrouwen bij het economische en sociale ontwikkelingsproces;

c)

ontwikkeling en versterking van Egyptische programma's voor gezinsplanning en de bescherming van moeder en kind;

d)

verbetering van het stelsel van sociale zekerheid;

e)

verbetering van de gezondheidszorg;

f)

verbetering van de levensomstandigheden in arme gebieden;

g)

uitvoering en financiering van uitwisselings- en vrijetijdsprogramma's voor gemengde groepen Europese en Egyptische jongeren die in de lidstaten verblijven ter bevordering van de kennis van elkanders cultuur en van de tolerantie.

Artikel 66

De samenwerkingsactiviteiten kunnen worden uitgevoerd in samenwerking met de lidstaten en bevoegde internationale organisaties.

Artikel 67

De Associatieraad richt voor het einde van het eerste jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst een werkgroep op. Deze wordt belast met de permanente en regelmatige evaluatie van de tenuitvoerlegging van de bepalingen van de hoofdstukken 1 tot en met 3.

HOOFDSTUK 2

Samenwerking inzake voorkoming van en controle op illegale immigratie en andere consulaire aangelegenheden

Artikel 68

De partijen werken samen teneinde illegale immigratie te voorkomen ente controleren. Hiertoe geldt het volgende:

iedere lidstaat van de Europese Gemeenschap verbindt zich ertoe eigen onderdanen die illegaal op het grondgebied van Egypte verblijven op verzoek van Egypte zonder verdere formaliteiten over te nemen, zodra de betrokken personen uitdrukkelijk als zodanig zijn geïdentificeerd;

Egypte verbindt zich ertoe eigen onderdanen die illegaal op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Gemeenschap verblijven op verzoek van die lidstaat zonder verdere formaliteiten over te nemen, zodra de betrokken personen uitdrukkelijk als zodanig zijn geïdentificeerd;

Voor dergelijke doeleinden verstrekken de lidstaten en Egypte hun onderdanen passende identiteitsdocumenten.

Wat de lidstaten van de Europese Unie betreft zijn de verplichtingen van dit artikel uitsluitend van toepassing op personen die voor de toepassing van het Gemeenschapsrecht geacht worden hun onderdanen te zijn.

Wat Egypte betreft zijn de verplichtingen van dit artikel uitsluitend van toepassing op personen die overeenkomstig het Egyptische rechtsstelsel en alle relevante wetgeving betreffende het staatsburgerschap geacht worden onderdanen van Egypte te zijn.

Artikel 69

Na de inwerkingtreding van de overeenkomst openen de partijen op verzoek van een van hen onderhandelingen over de sluiting van onderlinge bilaterale overeenkomsten waarin hun specifieke verplichtingen betreffende de overname van hun onderdanen worden geregeld. Indien een partij zulks noodzakelijk acht, bevatten dergelijke overeenkomsten tevens regelingen voor de overname van onderdanen van derde landen. In die regelingen wordt bepaald welke categorieën personen onder de regelingen vallen, alsmede op welke wijze de overname dient te geschieden.

Egypte wordt passende financiële en technische steun verleend voor de tenuitvoerlegging van deze regelingen.

Artikel 70

De Associatieraad onderzoekt welke andere gezamenlijke inspanningen kunnen worden verricht voor de voorkoming van en de controle op illegale immigratie en met betrekking tot andere consulaire aangelegenheden.

HOOFDSTUK 3

Samenwerking op het gebied van cultuur, audiovisuele media en informatie

Artikel 71

1.   De partijen bevorderen de culturele samenwerking ten aanzien van terreinen van wederzijds belang, in een geest van respect voor elkanders cultuur. Er wordt een duurzame dialoog inzake cultuur ingesteld. De samenwerking is met name gericht op het bevorderen van:

het conserveren en restaureren van historisch en cultureel erfgoed (monumenten en locaties van cultuurhistorische waarde, artefacten, zeldzame boeken en handschriften en dergelijke);

de uitwisseling van tentoonstellingen, theatergroepen, kunstenaars, letterkundigen, intellectuelen, culturele evenementen en dergelijke;

vertalingen;

de opleiding van personen die in de cultuursector werkzaam zijn.

2.   De samenwerking op het gebied van de audiovisuele media bevordert coproducties en gezamenlijke opleidingsactiviteiten. De partijen streven ernaar de deelname van Egypte aan communautaire initiatieven op dit gebied te stimuleren.

3.   De partijen zijn het erover eens dat cultuurprogramma's van de Gemeenschap en een of meer lidstaten, alsmede andere activiteiten van wederzijds belang, tot Egypte kunnen worden uitgebreid.

4.   De partijen stimuleren culturele samenwerking van commerciële aard, met name door middel van gezamenlijke projecten (voor productie, investering en marketing), opleiding en uitwisseling van informatie.

5.   Bij de vaststelling van samenwerkingsactiviteiten en -programma's en gezamenlijke activiteiten besteden de partijen bijzondere aandacht aan jongeren, aan zelfexpressie en communicatievaardigheden met gebruikmaking van schriftelijke en audiovisuele media, en aan monumentenzorg en verbreiding van cultuur.

6.   De samenwerking wordt met name verwezenlijkt door middel van:

een regelmatige dialoog tussen de partijen;

regelmatige uitwisseling van informatie en ideeën in alle sectoren van samenwerking, onder meer door middel van bijeenkomsten van ambtenaren en deskundigen;

activiteiten op het gebied van adviesverlening, expertise en opleiding;

gezamenlijke activiteiten als seminars en workshops;

technische en administratieve bijstand en bijstand op het gebied van de regelgeving;

verspreiding van informatie over samenwerkingsinitiatieven.

TITEL VII

FINANCIËLE SAMENWERKING

Artikel 72

Ter verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst wordt een financieel samenwerkingspakket aan Egypte ter beschikking gesteld volgens de passende procedures en met de vereiste financiële middelen.

De financiële samenwerking is met name gericht op:

het bevorderen van hervormingen die gericht zijn op de modernisering van de economie;

het op peil brengen van de economische infrastructuur;

het bevorderen van particuliere investeringen en activiteiten die werkgelegenheid scheppen;

het opvangen van de gevolgen voor Egypte van de geleidelijke instelling van een vrijhandelsgebied, met name door de industrie te moderniseren en te herstructureren en Egyptes exportcapaciteit te vergroten;

flankerende maatregelen voor beleid in de sociale sector;

het bevorderen van de capaciteit en het vermogen van Egypte op het gebied van de bescherming van intellectuele eigendomsrechten;

aanvullende maatregelen, waar nodig, ter uitvoering van bilaterale overeenkomsten ter voorkoming en beheersing van illegale immigratie;

flankerende maatregelen ten behoeve van de formulering en tenuitvoerlegging van de concurrentiewetgeving.

Artikel 73

Met het oog op een gecoördineerde benadering van uitzonderlijke macro-economische en financiële problemen die uit de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst zouden kunnen voortvloeien, schenken de partijen bijzondere aandacht aan de ontwikkelingen in het handelsverkeer en de financiële betrekkingen tussen de Gemeenschap en Egypte in het kader van de krachtens titel V ingestelde regelmatige economische dialoog.

TITEL VIII

INSTITUTIONELE, ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 74

Er wordt een Associatieraad opgericht, die eenmaal per jaar, of telkens wanneer de omstandigheden zulks vereisen, op ministerieel niveau bijeenkomt op initiatief van zijn voorzitter, overeenkomstig het reglement van orde.

De Associatieraad behandelt alle belangrijke vraagstukken die zich in het kader van de overeenkomst voordoen en alle andere bilaterale of internationale vraagstukken van gemeenschappelijk belang.

Artikel 75

1.   De Associatieraad bestaat uit enerzijds leden van de Raad van de Europese Unie en leden van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en anderzijds leden van de regering van Egypte.

2.   De leden van de Associatieraad kunnen regelingen treffen om zich te doen vertegenwoordigen, overeenkomstig de daartoe in het reglement van orde van deze Associatieraad vast te stellen voorwaarden.

3.   De Associatieraad stelt zijn reglement van orde vast.

4.   De Associatieraad wordt beurtelings voorgezeten door een lid van de Raad van de Europese Unie en een lid van de regering van Egypte, zulks overeenkomstig het bepaalde in het reglement van orde van de Associatieraad.

Artikel 76

Voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de overeenkomst heeft de Associatieraad beslissingsbevoegdheid in de gevallen die in de overeenkomst worden genoemd.

De besluiten van de Associatieraad zijn bindend voor de partijen, die de nodige maatregelen treffen voor de uitvoering ervan. De Associatieraad kan tevens alle nuttige aanbevelingen doen.

De besluiten en aanbevelingen van de Associatieraad worden vastgesteld in onderlinge overeenstemming tussen de partijen.

Artikel 77

1.   Er wordt een Associatiecomité opgericht, dat toezicht houdt op het beheer van deze overeenkomst, onder voorbehoud van de aan de Associatieraad toegekende bevoegdheden.

2.   De Associatieraad kan alle of een deel van zijn bevoegdheden aan het Associatiecomité delegeren.

Artikel 78

1.   Het Associatiecomité vergadert op het niveau van hoge ambtenaren en bestaat uit enerzijds vertegenwoordigers van de leden van de Raad van de Europese Unie en van leden van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, en anderzijds vertegenwoordigers van de regering van Egypte.

2.   Het Associatiecomité stelt zijn reglement van orde vast.

3.   Het Associatiecomité wordt beurtelings voorgezeten door een vertegenwoordiger van het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie en een vertegenwoordiger van de regering van Egypte.

Artikel 79

1.   Het Associatiecomité heeft beslissingsbevoegdheid inzake het beheer van deze overeenkomst en op de terreinen waarop de Associatieraad bevoegdheden aan het Associatiecomité heeft gedelegeerd.

2.   De besluiten van het Associatiecomité worden vastgesteld in onderlinge overeenstemming tussen de partijen. Deze besluiten zijn bindend voor de partijen, die de nodige maatregelen treffen voor de uitvoering ervan.

Artikel 80

De Associatieraad kan besluiten werkgroepen of lichamen in te stellen die voor de uitvoering van de overeenkomst nodig zijn. Hij stelt voor alle aldus aan hem ondergeschikte werkgroepen of lichamen de werkopdracht vast.

Artikel 81

De Associatieraad neemt alle nuttige maatregelen ter bevordering van de samenwerking en de contacten tussen het Europees Parlement en de Volksvergadering van Egypte.

Artikel 82

1.   Elk der partijen kan ieder geschil dat verband houdt met de toepassing of de interpretatie van deze overeenkomst aan de Associatieraad voorleggen.

2.   De Associatieraad kan het geschil bij besluit beslechten.

3.   Beide partijen zijn verplicht de maatregelen te treffen die voor de uitvoering van besluiten als bedoeld in lid 2 noodzakelijk zijn.

4.   Indien het geschil niet overeenkomstig lid 2 kan worden beslecht, kan elk der partijen de andere partij ervan in kennis stellen dat zij een scheidsrechter heeft aangewezen, waarop de andere partij binnen twee maanden een tweede scheidsrechter dient aan te wijzen. Voor de toepassing van deze procedure worden de Gemeenschap en de lidstaten geacht één partij bij het geschil te zijn.

De Associatieraad wijst een derde scheidsrechter aan.

De scheidsrechters besluiten bij meerderheid van stemmen.

Elke partij bij het geschil treft de maatregelen die voor de tenuitvoerlegging van het besluit van de scheidsrechters noodzakelijk zijn.

Artikel 83

Niets in deze overeenkomst belet een overeenkomstsluitende partij maatregelen te nemen:

a)

die zij nodig acht om onthulling van informatie die tegen haar vitale veiligheidsbelangen indruist te beletten;

b)

die verband houden met de productie van of de handel in wapens, munitie of oorlogsmaterieel of met onderzoek, ontwikkeling of productie die onmisbaar zijn voor defensiedoeleinden, mits deze maatregelen geen afbreuk doen aan de concurrentievoorwaarden voor producten die niet voor specifiek militaire doeleinden bestemd zijn;

c)

die zij van vitaal belang acht voor haar eigen veiligheid in geval van ernstige binnenlandse problemen die de openbare orde bedreigen, in tijden van oorlog of ernstige internationale spanningen die een oorlogsdreiging inhouden, of om verplichtingen na te komen die zij voor de bewaring van de vrede en de internationale veiligheid is aangegaan.

Artikel 84

Op de door deze overeenkomst bestreken terreinen en onverminderd eventueel daarin neergelegde bijzondere bepalingen, geldt het volgende:

de regelingen die Egypte ten opzichte van de Gemeenschap toepast mogen geen aanleiding geven tot onderlinge discriminatie van de lidstaten, hun onderdanen of hun vennootschappen;

de regelingen die de Gemeenschap ten opzichte van Egypte toepast mogen geen aanleiding geven tot onderlinge discriminatie van Egyptische onderdanen of vennootschappen.

Artikel 85

Ten aanzien van directe belastingen heeft geen der bepalingen van de overeenkomst tot gevolg dat:

de door een partij toegekende voordelen op fiscaal gebied in enige internationale overeenkomst of regeling waardoor deze partij gebonden is worden uitgebreid;

de vaststelling of toepassing door een partij van maatregelen ter voorkoming van fraude of belastingontduiking wordt verhinderd;

afbreuk wordt gedaan aan het recht van een partij de ter zake doende bepalingen van haar fiscale wetgeving toe te passen op belastingplichtigen die zich niet in een zelfde situatie bevinden, met name ten aanzien van hun woonplaats.

Artikel 86

1.   De partijen treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die vereist zijn om aan hun verplichtingen krachtens deze overeenkomst te voldoen. Zij zien erop toe dat de in de overeenkomst aangegeven doelstellingen worden bereikt.

2.   Indien een der partijen van mening is dat de andere partij een verplichting die uit de overeenkomst voortvloeit niet is nagekomen, kan zij passende maatregelen treffen. Alvorens dit te doen, behalve in geval van wezenlijke inbreuk op deze overeenkomst door de andere partij, verstrekt zij de Associatieraad alle terzake doende informatie die nodig is voor een grondig onderzoek van de situatie, teneinde een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te vinden.

Wezenlijke inbreuk op deze overeenkomst houdt in: verbreking van deze overeenkomst in strijd met de algemene regels van het internationale recht of ernstige schending van een essentieel element van deze overeenkomst, waardoor een klimaat wordt geschapen dat niet bevorderlijk is voor overleg, alsmede situaties waarin uitstel afbreuk zou doen aan de doelstellingen van deze overeenkomst.

3.   Bij de keuze van maatregelen als bedoeld in lid 2 wordt voorrang gegeven aan maatregelen die de werking van deze overeenkomst het minst verstoren. De partijen komen voorts overeen dat deze maatregelen in overeenstemming dienen te zijn met het internationale recht en in verhouding dienen te staan tot de schending.

De genomen maatregelen worden onmiddellijk ter kennis van de Associatieraad gebracht en op verzoek van de andere partij in de Associatieraad besproken. Indien een der partijen in geval van wezenlijke inbreuk op de overeenkomst als bedoeld in lid 2 een maatregel neemt, kan de andere partij een beroep doen op de procedure voor geschillenbeslechting.

Artikel 87

De protocollen 1 tot en met 5 en de bijlagen I tot en met VI vormen een integrerend onderdeel van de overeenkomst.

Artikel 88

Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt onder „partijen” verstaan: enerzijds Egypte, en anderzijds de Gemeenschap, dan wel de lidstaten, dan wel de Gemeenschap en de lidstaten, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden.

Artikel 89

Deze overeenkomst wordt voor onbepaalde tijd gesloten.

Elk der partijen kan deze overeenkomst door kennisgeving aan de andere partij opzeggen. Zes maanden na de datum van die kennisgeving houdt deze overeenkomst op van toepassing te zijn.

Artikel 90

Deze overeenkomst is van toepassing op enerzijds het grondgebied waar het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal van toepassing zijn, overeenkomstig het bepaalde in die Verdragen, en anderzijds op het grondgebied van Egypte.

Artikel 91

Deze overeenkomst is opgesteld in tweevoud in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Portugese, de Spaanse, de Zweedse en de Arabische taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

Artikel 92

1.   Deze overeenkomst wordt door de partijen volgens hun eigen procedures goedgekeurd.

Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na de datum waarop de partijen elkander ervan kennisgeving doen dat de in de eerste alinea bedoelde procedures zijn voltooid.

2.   Bij inwerkingtreding vervangt deze overeenkomst de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Egypte en de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en Egypte, ondertekend te Brussel op 18 januari 1997.

Hecho en Luxemburgo, el veinticinco de junio de dos mil uno.

Udfærdiget i Luxembourg den femogtyvende juni to tusind og et.

Geschehen zu Luxemburg am fünfundzwanzigsten Juni zweitausendundeins.

Έγινε στο Λουξεμβούργο, στις είκοσι πέντε Ιουνίου δύο χιλιάδες ένα.

Done at Luxembourg on the twenty-fifth day of June in the year two thousand and one.

Fait à Luxembourg, le vingt-cinq juin deux mille un.

Fatto a Lussemburgo, addì venticinque giugno duemilauno.

Gedaan te Luxemburg, de vijfentwintigste juni tweeduizendeneen.

Feito no Luxemburgo, em vinte e cinco de Junho de dois mil e um.

Tehty Luxemburgissa kahdentenakymmenentenäviidentenä päivänä kesäkuuta vuonna kaksituhattayksi.

Som skedde i Luxemburg den tjugofemte juni tjugohundraett.

Image

Pour le Royaume de Belgique

Voor het Koninkrijk België

Für das Königreich Belgien

Image

Cette signature engage également la Communauté française, la Communauté flamande, la Communauté germanophone, la Région wallonne, la Région flamande et la Région de Bruxelles-Capitale.

Deze handtekening verbindt eveneens de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Diese Unterschrift bindet zugleich die Deutschsprachige Gemeinschaft, die Flämische Gemeinschaft, die Französische Gemeinschaft, die Wallonische Region, die Flämische Region und die Region Brüssel-Hauptstadt.

På Kongeriget Danmarks vegne

Image

Für die Bundesrepublik Deutschland

Image

Για την Ελληνική Δημοκρατία

Image

Por el Reino de España

Image

Pour la République française

Image

Thar cheann Na hÉireann

For Ireland

Image

Per la Repubblica italiana

Image

Pour le Grand-Duché de Luxembourg

Image

Voor het Koninkrijk der Nederlanden

Image

Für die Republik Österreich

Image

Pela República Portuguesa

Image

Suomen tasavallan puolesta

Image

För Konungariket Sverige

Image

For the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland

Image

Por las Comunidades Europeas

For De Europæiske Fællesskaber

Für die Europäischen Gemeinschaften

Για τις Ευρωπαïκές Κοινότητες

For the European Communities

Pour les Communautés européennes

Per le Comunità europee

Voor de Europese Gemeenschappen

Pelas Comunidades Europeias

Euroopan yhteisöjen puolesta

På Europeiska gemenskapernas vägnar

Image

Image

BIJLAGEN EN PROTOCOLLEN

Bijlage I:

Landbouwproducten en verwerkte landbouwproducten van de hoofdstukken 25 tot en met 97 van het geharmoniseerde systeem, bedoeld in de artikelen 7 en 12

Bijlage II:

Industriële producten van oorsprong uit de Gemeenschap waarop bij invoer in Egypte het in artikel 9, lid 1, bedoelde tijdschema voor de afschaffing van de rechten van toepassing is

Bijlage III:

Industriële producten van oorsprong uit de Gemeenschap waarop bij invoer in Egypte het in artikel 9, lid 2, bedoelde tijdschema voor de afschaffing van de rechten van toepassing is

Bijlage IV:

Industriële producten van oorsprong uit de Gemeenschap waarop bij invoer in Egypte het in artikel 9, lid 3, bedoelde tijdschema voor de afschaffing van de rechten van toepassing is

Bijlage V:

Industriële producten van oorsprong uit de Gemeenschap, bedoeld in artikel 9, lid 4

Bijlage VI:

Intellectuele eigendom, bedoeld in artikel 37

Protocol nr. 1:

Regeling van toepassing bij de invoer in de Gemeenschap van landbouwproducten van oorsprong uit Egypte

Protocol nr. 2:

Regeling van toepassing bij de invoer in Egypte van landbouwproducten van oorsprong uit de Gemeenschap

Protocol nr. 3:

Regeling van toepassing op verwerkte landbouwproducten

Protocol nr. 4:

Definitie van het begrip „producten van oorsprong” en regelingen voor administratieve samenwerking

Protocol nr. 5:

Wederzijdse bijstand tussen administratieve autoriteiten in douanezaken

BIJLAGE I

Landbouwproducten en verwerkte landbouwproducten van de hoofdstukken 25 tot en met 97 van het geharmoniseerde systeem, bedoeld in de artikelen 7 en 12

GS-code

2905 43

(mannitol)

GS-code

2905 44

(sorbitol)

GS-code

2905 45

(glycerol)

GS-post

3301

(etherische oliën)

GS-code

3302 10

(reukstoffen)

GS-code

3501 t/m 3505

(eiwitstoffen; gewijzigd zetmeel; lijm)

GS-code

3809 10

(appreteermiddelen)

GS-post

3823

(industriële vetzuren; bij raffinage verkregen acid-oils; industriële vetalcoholen)

GS-code

3824 60

(sorbitol, niet elders genoemd)

GS-code

4101 t/m 4103

(huiden en vellen)

GS-post

4301

(pelterijen, niet gelooid noch anderszins bereid)

GS-code

5001 t/m 5003

(ruwe zijde; afval van zijde)

GS-code

5101 t/m 5103

(wol; fijn haar; grof haar)

GS-code

5201 t/m 5203

(katoen, niet gekaard en niet gekamd; afval van katoen; katoen, gekaard of gekamd)

GS-post

5301

(ruwe vlas)

GS-post

5302

(ruwe hennep)

BIJLAGE II

Industriële producten van oorsprong uit de Gemeenschap waarop bij invoer in Egypte het in artikel 9, lid 1, bedoelde tijdschema voor de afschaffing van de rechten van toepassing is

 

2501001

 

2502000

 

2503100

 

2503900

 

2504100

 

2504900

 

2505109

 

2505909

 

2506100

 

2506210

 

2506290

 

2507000

 

2508100

 

2508200

 

2508300

 

2508400

 

2508500

 

2508600

 

2508700

 

2509000

 

2511100

 

2511200

 

2512000

 

2513110

 

2513190

 

2513210

 

2513290

 

2514000

 

2517100

 

2517200

 

2517300

 

2517411

 

2517491

 

2518100

 

2518200

 

2518300

 

2519100

 

2519900

 

2520201

 

2521000

 

2522100

 

2522200

 

2522300

 

2524000

 

2525100

 

2525200

 

2525300

 

2526201

 

2527000

 

2528100

 

2528900

 

2529100

 

2529210

 

2529220

 

2529300

 

2530100

 

2530200

 

2530400

 

2530909

 

2601110

 

2601120

 

2601200

 

2602000

 

2603000

 

2604000

 

2605000

 

2606000

 

2607000

 

2608000

 

2609000

 

2610000

 

2611000

 

2612100

 

2612200

 

2613100

 

2613900

 

2614000

 

2615100

 

2615900

 

2616100

 

2616900

 

2617100

 

2617900

 

2618000

 

2619000

 

2620110

 

2620190

 

2620200

 

2620300

 

2620400

 

2620500

 

2620900

 

2621000

 

2701110

 

2701120

 

2701190

 

2701200

 

2702100

 

2702200

 

2703000

 

2709000

 

2710001

 

2710002

 

2711110

 

2711120

 

2711139

 

2711140

 

2711190

 

2711210

 

2711290

 

2712100

 

2712200

 

2712900

 

2713110

 

2713120

 

2713200

 

2713900

 

2714100

 

2714900

 

2715000

 

2716000

 

2801200

 

2801300

 

2802000

 

2804210

 

2804290

 

2804500

 

2804610

 

2804690

 

2804700

 

2804800

 

2804900

 

2805110

 

2805190

 

2805210

 

2805220

 

2805300

 

2805400

 

2809100

 

2809201

 

2810001

 

2812100

 

2812900

 

2813100

 

2813900

 

2814100

 

2814200

 

2815200

 

2815300

 

2816100

 

2816200

 

2816300

 

2817000

 

2818100

 

2818200

 

2818300

 

2819100

 

2819900

 

2820100

 

2820900

 

2821100

 

2821200

 

2822000

 

2823000

 

2825101

 

2825109

 

2825200

 

2825300

 

2825400

 

2825500

 

2825600

 

2825700

 

2825800

 

2825900

 

2826110

 

2826120

 

2826190

 

2826200

 

2826300

 

2826900

 

2827100

 

2827200

 

2827310

 

2827320

 

2827330

 

2827340

 

2827350

 

2827360

 

2827370

 

2827380

 

2827390

 

2827410

 

2827490

 

2827510

 

2827590

 

2827600

 

2828909

 

2829110

 

2829199

 

2829900

 

2830100

 

2830200

 

2830300

 

2830900

 

2831100

 

2831900

 

2832100

 

2832200

 

2832300

 

2833210

 

2833220

 

2833230

 

2833240

 

2833250

 

2833260

 

2833270

 

2833290

 

2833300

 

2833400

 

2834100

 

2834210

 

2834220

 

2834290

 

2835000

 

2835210

 

2835220

 

2835230

 

2835240

 

2835250

 

2835260

 

2835290

 

2835310

 

2835390

 

2836100

 

2836201

 

2836301

 

2836401

 

2836409

 

2836500

 

2836600

 

2836700

 

2836910

 

2836920

 

2836930

 

2836990

 

2837110

 

2837190

 

2837200

 

2838000

 

2839000

 

2839190

 

2839200

 

2839900

 

2840110

 

2840190

 

2840200

 

2840300

 

2841100

 

2841200

 

2841300

 

2841400

 

2841500

 

2841600

 

2841700

 

2841800

 

2841900

 

2842100

 

2842900

 

2843100

 

2843210

 

2843290

 

2843300

 

2843900

 

2844101

 

2844109

 

2844200

 

2844300

 

2844400

 

2844500

 

2845100

 

2845900

 

2846100

 

2846900

 

2847000

 

2848100

 

2848900

 

2849100

 

2849200

 

2849900

 

2850000

 

2851000

 

2901109

 

2901210

 

2901220

 

2901230

 

2901240

 

2901290

 

2901299

 

2902110

 

2902190

 

2902300

 

2902410

 

2902420

 

2902430

 

2902440

 

2902500

 

2902600

 

2902700

 

2902900

 

2902909

 

2903110

 

2903120

 

2903130

 

2903140

 

2903150

 

2903160

 

2903190

 

2903210

 

2903220

 

2903230

 

2903290

 

2903300

 

2903400

 

2903510

 

2903590

 

2903610

 

2903620

 

2903690

 

2904100

 

2904200

 

2904201

 

2904209

 

2904900

 

2905110

 

2905120

 

2905130

 

2905140

 

2905150

 

2905160

 

2905170

 

2905190

 

2905210

 

2905220

 

2905290

 

2905310

 

2905320

 

2905390

 

2905410

 

2905420

 

2905490

 

2905500

 

2906110

 

2906120

 

2906130

 

2906140

 

2906190

 

2906210

 

2906290

 

2907110

 

2907120

 

2907130

 

2907140

 

2907150

 

2907190

 

2907210

 

2907220

 

2907230

 

2907290

 

2907300

 

2908100

 

2908200

 

2908900

 

2909110

 

2909190

 

2909200

 

2909300

 

2909410

 

2909420

 

2909430

 

2909440

 

2909490

 

2909500

 

2909600

 

2910100

 

2910200

 

2910300

 

2910900

 

2911000

 

2912110

 

2912120

 

2912130

 

2912190

 

2912210

 

2912290

 

2912300

 

2912410

 

2912420

 

2912490

 

2912500

 

2913000

 

2914110

 

2914120

 

2914130

 

2914190

 

2914210

 

2914220

 

2914230

 

2914290

 

2914300

 

2914410

 

2914490

 

2914500

 

2914600

 

2914690

 

2914700

 

2915110

 

2915120

 

2915130

 

2915211

 

2915220

 

2915230

 

2915240

 

2915290

 

2915310

 

2915320

 

2915330

 

2915340

 

2915350

 

2915390

 

2915400

 

2915500

 

2915600

 

2915700

 

2915901

 

2915909

 

2916110

 

2916120

 

2916130

 

2916140

 

2916150

 

2916190

 

2916200

 

2916310

 

2916320

 

2916330

 

2916390

 

2917110

 

2917120

 

2917130

 

2917140

 

2917190

 

2917200

 

2917310

 

2917320

 

2917330

 

2917340

 

2917350

 

2917360

 

2917370

 

2917390

 

2918110

 

2918120

 

2918130

 

2918140

 

2918150

 

2918160

 

2918170

 

2918190

 

2918210

 

2918220

 

2918230

 

2918290

 

2918300

 

2918900

 

2919000

 

2920100

 

2920900

 

2921110

 

2921120

 

2921190

 

2921210

 

2921220

 

2921290

 

2921300

 

2921410

 

2921420

 

2921430

 

2921440

 

2921450

 

2921490

 

2921510

 

2921590

 

2922110

 

2922120

 

2922130

 

2922190

 

2922210

 

2922220

 

2922300

 

2922410

 

2922420

 

2922490

 

2922500

 

2923100

 

2923200

 

2923900

 

2924100

 

2924210

 

2924291

 

2924299

 

2925110

 

2925190

 

2925200

 

2926100

 

2926200

 

2926900

 

2927000

 

2928000

 

2929100

 

2929900

 

2930100

 

2930200

 

2930300

 

2930400

 

2930900

 

2931000

 

2932110

 

2932120

 

2932130

 

2932190

 

2932210

 

2932290

 

2932900

 

2933110

 

2933190

 

2933210

 

2933290

 

2933310

 

2933390

 

2933400

 

2933510

 

2933590

 

2933610

 

2933690

 

2933710

 

2933790

 

2933900

 

2934100

 

2934200

 

2934300

 

2934900

 

2935000

 

2936100

 

2936210

 

2936220

 

2936230

 

2936240

 

2936250

 

2936260

 

2936270

 

2936280

 

2936290

 

2936900

 

2937100

 

2937210

 

2937220

 

2937290

 

2937910

 

2937920

 

2937990

 

2938100

 

2938900

 

2939100

 

2939210

 

2939290

 

2939300

 

2939400

 

2939500

 

2939600

 

2939700

 

2939909

 

2940000

 

2941100

 

2941200

 

2941300

 

2941400

 

2941500

 

2941900

 

2942000

 

3001100

 

3001200

 

3001900

 

3002100

 

3002200

 

3002310

 

3002390

 

3002901

 

3002909

 

3003310

 

3003901

 

3004310

 

3004901

 

3006109

 

3006200

 

3006300

 

3006400

 

3006600

 

3101000

 

3102210

 

3104100

 

3104200

 

3104300

 

3104900

 

3105100

 

3105200

 

3105300

 

3105400

 

3105510

 

3105590

 

3105600

 

3105900

 

3201100

 

3201200

 

3201300

 

3201900

 

3202100

 

3202900

 

3203000

 

3205000

 

3211001

 

3212100

 

3214101

 

3401202

 

3402119

 

3402129

 

3402139

 

3402199

 

3403119

 

3403199

 

3403919

 

3403999

 

3404100

 

3404200

 

3404909

 

3407001

 

3507100

 

3507900

 

3701100

 

3701302

 

3701992

 

3702100

 

3702511

 

3702521

 

3702522

 

3702551

 

3702559

 

3702561

 

3702911

 

3702921

 

3702922

 

3702941

 

3702951

 

3703101

 

3703201

 

3703901

 

3801100

 

3801200

 

3801300

 

3801900

 

3802100

 

3802900

 

3803000

 

3804000

 

3805100

 

3805200

 

3805900

 

3806100

 

3806200

 

3806300

 

3806900

 

3807001

 

3807009

 

3809910

 

3809920

 

3809930

 

3809990

 

3810100

 

3810900

 

3811119

 

3811199

 

3811219

 

3811299

 

3811909

 

3812100

 

3812200

 

3812300

 

3813000

 

3814000

 

3815110

 

3815120

 

3815190

 

3815900

 

3816000

 

3817100

 

3817200

 

3818000

 

3819000

 

3820000

 

3821000

 

3822000

 

3822600

 

3901100

 

3901200

 

3901300

 

3901901

 

3901909

 

3902100

 

3902200

 

3902300

 

3902900

 

3903110

 

3903190

 

3903200

 

3903300

 

3903900

 

3904101

 

3904300

 

3904400

 

3904500

 

3904610

 

3904690

 

3904900

 

3905110

 

3905190

 

3905900

 

3906100

 

3906900

 

3907100

 

3907200

 

3907300

 

3907400

 

3907501

 

3907509

 

3907600

 

3907910

 

3907990

 

3908100

 

3908900

 

3909100

 

3909200

 

3909300

 

3909409

 

3909500

 

3910000

 

3911100

 

3911900

 

3912110

 

3912120

 

3912209

 

3912310

 

3912390

 

3912900

 

3913100

 

3913900

 

3914000

 

3915100

 

3915200

 

3915300

 

3915900

 

3917101

 

3920101

 

3921901

 

3923301

 

3923501

 

3926903

 

3926907

 

4001100

 

4001210

 

4001220

 

4001291

 

4001301

 

4002110

 

4002191

 

4002201

 

4002311

 

4002391

 

4002410

 

4002491

 

4002510

 

4002591

 

4002601

 

4002701

 

4002801

 

4002910

 

4002991

 

4003000

 

4004000

 

4014100

 

4016101

 

4016921

 

4016992

 

4016993

 

4017001

 

4104101

 

4104102

 

4104291

 

4105191

 

4106191

 

4110000

 

4205001

 

4206101

 

4401100

 

4401210

 

4401220

 

4401300

 

4402000

 

4403100

 

4403200

 

4403201