ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 296

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

47e jaargang
21 september 2004


Inhoud

 

I   Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

Bladzijde

 

 

Verordening (EG) nr. 1644/2004 van de Commissie van 20 september 2004 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

1

 

*

Verordening (EG) nr. 1645/2004 van de Commissie van 20 september 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2287/2003 inzake de vangstmogelijkheden voor lodde in de wateren van Groenland

3

 

*

Verordening (EG) nr. 1646/2004 van de Commissie van 20 september 2004 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad houdende een communautaire procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong ( 1 )

5

 

 

Verordening (EG) nr. 1647/2004 van de Commissie van 20 september 2004 betreffende de invoercertificaten voor producten van de sector rundvlees van oorsprong uit Botswana, Kenia, Madagaskar, Swaziland, Zimbabwe en Namibië

10

 

 

Verordening (EG) nr. 1648/2004 van de Commissie van 20 september 2004 tot wijziging van de vanaf 21 september 2004 geldende invoerrechten in de sector granen

12

 

 

Verordening (EG) nr. 1649/2004 van de Commissie van 20 september 2004 tot vaststelling van de wereldmarktprijs voor niet-geëgreneerde katoen

15

 

 

II   Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

 

 

Raad

 

*

2004/644/EG:Besluit van de Raad van 13 september 2004 tot aanneming van uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens

16

 

 

Commissie

 

*

2004/645/EG:Aanbeveling van de Commissie van 16 september 2004 betreffende de tenuitvoerlegging door de consulaten van de lidstaten van het memorandum van overeenstemming tussen de Europese Gemeenschap en de overheidsdienst voor toerisme van de Volksrepubliek China inzake visa en aanverwante kwesties met betrekking tot het bezoek van groepen toeristen vanuit China (ADS) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 2886)

23

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

21.9.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 296/1


VERORDENING (EG) Nr. 1644/2004 VAN DE COMMISSIE

van 20 september 2004

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 21 september 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 september 2004.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1947/2002 (PB L 299 van 1.11.2002, blz. 17).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 20 september 2004 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

052

34,1

999

34,1

0707 00 05

052

81,1

096

12,9

999

47,0

0709 90 70

052

91,7

999

91,7

0805 50 10

382

67,7

388

55,9

508

37,1

524

39,7

528

51,6

999

50,4

0806 10 10

052

87,8

220

121,0

400

170,3

624

146,2

999

131,3

0808 10 20, 0808 10 50, 0808 10 90

388

87,4

400

92,4

508

68,9

512

106,1

528

86,4

800

177,0

804

93,0

999

101,6

0808 20 50

052

102,7

388

79,0

999

90,9

0809 30 10, 0809 30 90

052

117,7

999

117,7

0809 40 05

066

82,3

094

29,3

624

117,4

999

76,3


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 2081/2003 van de Commissie (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11). De code „999” staat voor „andere oorsprong”.


21.9.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 296/3


VERORDENING (EG) Nr. 1645/2004 VAN DE COMMISSIE

van 20 september 2004

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2287/2003 inzake de vangstmogelijkheden voor lodde in de wateren van Groenland

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2287/2003 van de Raad van 19 december 2003 tot vaststelling, voor 2004, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften (1), en met name op artikel 5, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De voor 2004 geldende communautaire vangstmogelijkheden voor lodde in deelgebied V, XIV (wateren van Groenland) zijn op voorlopige basis vastgesteld in bijlage I C bij Verordening (EG) nr. 2287/2003.

(2)

Overeenkomstig het Vierde Protocol tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de visserij zoals bedoeld in de Visserijovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap, enerzijds, en de regering van Denemarken en de plaatselijke regering van Groenland, anderzijds (2), krijgt de Gemeenschap 7,7 % van de totaal toegestane vangst (TAC) voor lodde in deelgebied V, XIV (wateren van Groenland), d.i. 70 % van het Groenlandse aandeel in de TAC voor lodde.

(3)

Bij brief van 9 juli 2004 hebben de autoriteiten van Groenland aan de Commissie gemeld dat de voor 2004 geldende TAC voor lodde is vastgesteld op 335 000 ton. Dit betekent dat de definitieve hoeveelheid lodde die de door Gemeenschap in 2004 mag worden gevangen in deelgebied V, XIV (wateren van Groenland), moet worden vastgesteld op 25 795 ton.

(4)

De verlaging van de TAC mag echter niet tot gevolg hebben dat voor de vangsten die vóór de inwerkingtreding van deze verordening op wettige wijze zijn gevangen, een korting op het quotum wordt toegepast op grond van artikel 23, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad (3), artikel 5 van Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad (4) of artikel 26 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad (5).

(5)

Verordening (EG) nr. 2287/2003 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I C bij Verordening (EG) nr. 2287/2003 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Artikel 23, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2847/93, artikel 5 van Verordening (EG) nr. 847/96 en artikel 26 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 zijn niet van toepassing op vangsten van lodde die voor de inwerkingtreding van de onderhavige verordening hebben plaatsgevonden in deelgebied V, XIV (wateren van Groenland) en die de quota overschrijden die zijn vastgesteld in bijlage IC bij Verordening (EG) nr. 2287/2003, zoals gewijzigd bij de onderhavige verordening.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel 20 september 2004.

Voor de Commissie

Franz FISCHLER

Lid van de Commissie


(1)  PB L 344 van 31.12.2003, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 867/2004 (PB L 161 van 30.4.2004, blz. 144).

(2)  PB L 209 van 2.8.2001, blz. 2. Protocol gewijzigd bij Protocol (PB L 237 van 8.7.2004, blz. 1).

(3)  PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1954/2003 (PB L 289 van 7.11.2003, blz. 1).

(4)  PB L 115 van 9.5.1996, blz. 3.

(5)  PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.


BIJLAGE

In bijlage I C bij Verordening (EG) nr. 2287/2003 wordt de informatie inzake de vangsten van lodde in deelgebied V, XIV (wateren van Groenland) vervangen door het volgende:

„Soort

:

Lodde

Mallotus villosus

Deelgebied

:

V, XIV (wateren van Groenland)

CAP/514/GRN

Alle lidstaten

0 (1)

 

EG

25 795 (2)

 

TAC

Niet relevant

 


(1)  Beschikbaar voor alle lidstaten.

(2)  Dit quotum wordt volledig toegewezen aan de Faeröer, IJsland en Noorwegen op basis van bilaterale visserijovereenkomsten.”


21.9.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 296/5


VERORDENING (EG) Nr. 1646/2004 VAN DE COMMISSIE

van 20 september 2004

tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad houdende een communautaire procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad van 26 juni 1990 houdende een communautaire procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong (1), en met name op de artikelen 6, 7 en 8,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Verordening (EEG) nr. 2377/90 moeten geleidelijk maximumwaarden worden vastgesteld voor residuen van alle farmacologisch werkzame substanties die in de Gemeenschap worden gebruikt in aan voedselproducerende dieren toegediende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik.

(2)

Alvorens maximumwaarden voor residuen worden vastgesteld, moeten alle relevante gegevens betreffende de veiligheid van de residuen van de stof in kwestie voor de consument van levensmiddelen van dierlijke oorsprong, alsmede het effect van residuen op de industriële verwerking van de levensmiddelen, door het Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik zijn onderzocht.

(3)

Bij het vaststellen van maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong dient te worden omschreven in welke diersoorten residuen mogen worden aangetroffen, welke concentraties daarvan in elk voor consumptie in aanmerking komend weefsel van een behandeld dier toelaatbaar zijn (te onderzoeken weefsel) en welk type residu voor de controle van de residuen van belang is (indicatorresidu).

(4)

In verband met de verminderde beschikbaarheid van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik voor sommige voor de productie van levensmiddelen bestemde diersoorten (2) kunnen op strikt wetenschappelijke basis met behulp van extrapolatiemethoden maximumwaarden voor residuen worden vastgesteld aan de hand van maximumwaarden voor residuen die voor andere diersoorten zijn vastgesteld.

(5)

Voor de controle van residuen zoals door de desbetreffende communautaire wetgeving wordt voorgeschreven, zullen meestal maximumwaarden voor residuen in de te onderzoeken weefsels, de lever of de nieren, moeten worden vastgesteld. Lever en nieren worden echter vaak uit voor de internationale handel bestemde karkassen verwijderd en bijgevolg moeten ook steeds maximumwaarden voor residuen in spier- of vetweefsel worden vastgesteld.

(6)

Wat geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik betreft die aan legpluimvee, melkvee of honingbijen worden toegediend, moeten ook maximumwaarden voor residuen in eieren, melk en honing worden vastgesteld.

(7)

Albendazool, febantel, fenbendazool, oxfendazool, thiabendazool, oxyclozanide, amitraz, cypermethrin, deltamethrin en dexamethason moeten in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2377/90 worden opgenomen.

(8)

Er moet worden voorzien in een voldoende lange termijn alvorens deze verordening van kracht wordt, teneinde de lidstaten in staat te stellen om, met het oog op de bepalingen van deze verordening, eventueel de nodige aanpassingen aan te brengen in de reeds eerder overeenkomstig Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) verleende vergunningen voor het in de handel brengen van de bedoelde geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2377/90 wordt overeenkomstig de bijlage bij deze verordening gewijzigd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf de zestigste dag na haar bekendmaking.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 september 2004.

Voor de Commissie

Olli REHN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1101/2004 van de Commissie (PB L 211 van 12.6.2004, blz. 3).

(2)  Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement — Beschikbaarheid van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, COM(2000) 806 definitief.

(3)  PB L 311 van 28.11.2001, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/28/EG (PB L 136 van 30.4.2004, blz. 58).


BIJLAGE

De volgende stoffen worden opgenomen in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2377/90:

2.

Antiparasitaire middelen

2.1.

Geneesmiddelen tegen endoparasieten

2.1.3.

Benzimidazolen en pro-benzimidazolen

Farmacologisch werkzame substantie(s)

Indicatorresidu

Diersoorten

Maximumwaarden voor residuen

Te onderzoeken weefsels

„Albendazool

Totaalgehalte aan albendazoolsulfoxide, albendazoolsulfon en albendazool-2-aminosulfon, uitgedrukt als albendazool

Alle herkauwers

100 μg/kg

Spier

100 μg/kg

Vetweefsel

1 000 μg/kg

Lever

500 μg/kg

Nieren

100 μg/kg

Melk

Febantel

Som van de extraheerbare residuen die tot oxfendazoolsulfon geoxideerd kunnen worden

Alle herkauwers

50 μg/kg

Spier

50 μg/kg

Vetweefsel

500 μg/kg

Lever

50 μg/kg

Nieren

10 μg/kg

Melk

Fenbendazool

Som van de extraheerbare residuen die tot oxfendazoolsulfon geoxideerd kunnen worden

Alle herkauwers

50 μg/kg

Spier

50 μg/kg

Vetweefsel

500 μg/kg

Lever

50 μg/kg

Nieren

10 μg/kg

Melk

Oxfendazool

Som van de extraheerbare residuen die tot oxfendazoolsulfon geoxideerd kunnen worden

Alle herkauwers

50 μg/kg

Spier

50 μg/kg

Vetweefsel

500 μg/kg

Lever

50 μg/kg

Nieren

10 μg/kg

Melk

Thiabendazool

Totaalgehalte aan thiabendazool en 5-hydroxythiabendazool

Geiten

100 μg/kg

Spier

100 μg/kg

Vetweefsel

100 μg/kg

Lever

100 μg/kg

Nieren

100 μg/kg

Melk”

2.1.4.

Fenolderivaten met inbegrip van salicylaniliden

Farmacologisch werkzame substantie(s)

Indicatorresidu

Diersoorten

Maximumwaarden voor residuen

Te onderzoeken weefsels

„Oxyclozanide

Oxyclozanide

Alle herkauwers

20 μg/kg

Spier

20 μg/kg

Vetweefsel

500 μg/kg

Lever

100 μg/kg

Nieren

10 μg/kg

Melk”

2.2.

Geneesmiddelen tegen ectoparasieten

2.2.2.

Formamidines

Farmacologisch werkzame substantie(s)

Indicatorresidu

Diersoorten

Maximumwaarden voor residuen

Te onderzoeken weefsels

„Amitraz

Totaalgehalte aan amitraz en alle metabolieten die de 2,4-dimethylaniline-groep bevatten, uitgedrukt als amitraz

Geiten

200 μg/kg

Vetweefsel

100 μg/kg

Lever

200 μg/kg

Nieren

10 μg/kg

Melk”

2.2.3.

Pyretrine en pyrethroïden

Farmacologisch werkzame substantie(s)

Indicatorresidu

Diersoorten

Maximumwaarden voor residuen

Te onderzoeken weefsels

„Cypermethrin

Cypermethrin (som van de isomeren)

Alle herkauwers

20 μg/kg

Spier

200 μg/kg

Vetweefsel

20 μg/kg

Lever

20 μg/kg

Nieren

20 μg/kg

Melk (1)

Deltamethrin

Deltamethrin

Alle herkauwers

10 μg/kg

Spier

50 μg/kg

Vetweefsel

10 μg/kg

Lever

10 μg/kg

Nieren

20 μg/kg

Melk

5.

Corticoïden

5.1.

Glucocorticoïden

Farmacologisch werkzame substantie(s)

Indicatorresidu

Diersoorten

Maximumwaarden voor residuen

Te onderzoeken weefsels

„Dexamethason

Dexamethason

Geiten

0,75 μg/kg

Spier

2 μg/kg

Lever

0,75 μg/kg

Nieren

0,3 μg/kg

Melk”


(1)  De nadere bepalingen in Richtlijn 98/82/EG van de Commissie moeten worden nageleefd (PB L 290 van 29.10.1998, blz. 25).”


21.9.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 296/10


VERORDENING (EG) Nr. 1647/2004 VAN DE COMMISSIE

van 20 september 2004

betreffende de invoercertificaten voor producten van de sector rundvlees van oorsprong uit Botswana, Kenia, Madagaskar, Swaziland, Zimbabwe en Namibië

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 2286/2002 van de Raad van 10 december 2002 tot vaststelling van de regeling voor landbouwproducten en door verwerking daarvan verkregen goederen, van oorsprong uit de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (de ACS-staten) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1706/98 (2),

Gelet op Verordening (EG) nr. 2247/2003 van de Commissie van 19 december 2003 houdende bepalingen ter uitvoering, in de sector rundvlees, van Verordening (EG) nr. 2286/2002 van de Raad tot vaststelling van de regeling voor landbouwproducten en door verwerking daarvan verkregen goederen, van oorsprong uit de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (de ACS-staten) (3), en met name op artikel 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 1 van Verordening (EG) nr. 2247/2003 kunnen voor producten van de sector rundvlees van oorsprong uit Botswana, Kenia, Madagaskar, Swaziland, Zimbabwe en Namibië invoercertificaten worden afgegeven. De invoer mag evenwel de voor ieder van de betrokken uitvoerende derde landen vastgestelde hoeveelheid niet overschrijden.

(2)

Voor producten van oorsprong uit Botswana, Kenia, Madagaskar, Swaziland, Zimbabwe en Namibië overstijgen de hoeveelheden, uitgedrukt in vlees zonder been, waarvoor van 1 tot en met 10 september 2004 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2247/2003 certificaten zijn aangevraagd, niet de voor deze landen beschikbare hoeveelheden. Bijgevolg kunnen voor de aangevraagde hoeveelheden invoercertificaten worden afgegeven.

(3)

De hoeveelheden, waarvoor met ingang van 1 oktober 2004 certificaten kunnen worden aangevraagd binnen de totale hoeveelheid van 52 100 t, dienen te worden vastgesteld.

(4)

Er dient op te worden gewezen dat deze verordening Richtlijn 72/462/EEG van de Raad van 12 december 1972 inzake gezondheidsvraagstukken en veterinairrechtelijke vraagstukken bij de invoer van runderen, varkens, schapen en geiten, van vers vlees of van vleesproducten uit derde landen (4) onverlet laat,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De hieronder vermelde lidstaten geven op 21 september 2004 voor de onderstaande hoeveelheden producten van de sector rundvlees, uitgedrukt in vlees zonder been, van oorsprong uit sommige staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, invoercertificaten af voor de daarbij vermelde landen van oorsprong:

 

Verenigd Koninkrijk:

500 t van oorsprong uit Botswana,

545 t van oorsprong uit Namibië;

 

Duitsland:

550 t van oorsprong uit Botswana,

315 t van oorsprong uit Namibië.

Artikel 2

Certificaataanvragen kunnen overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2247/2003 in de eerste tien dagen van de maand oktober 2004 worden ingediend voor de volgende hoeveelheden rundvlees zonder been:

Botswana:

11 876 t,

Kenia:

142 t,

Madagaskar:

7 579 t,

Swaziland:

3 234 t,

Zimbabwe:

9 100 t,

Namibië:

5 625 t.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op 21 september 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 september 2004.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw


(1)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 21. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 (PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1).

(2)  PB L 348 van 21.12.2002, blz. 5.

(3)  PB L 333 van 20.12.2003, blz. 37. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1118/2004 (PB L 217 van 17.6.2004, blz. 10).

(4)  PB L 302 van 31.12.1972, blz. 28. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 807/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 36).


21.9.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 296/12


VERORDENING (EG) Nr. 1648/2004 VAN DE COMMISSIE

van 20 september 2004

tot wijziging van de vanaf 21 september 2004 geldende invoerrechten in de sector granen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1249/96 van de Commissie van 28 juni 1996 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad ten aanzien van de invoerrechten in de sector granen (2), en met name op artikel 2, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De invoerrechten in de sector granen zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1612/2004 van de Commissie (3).

(2)

In artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1249/96 is bepaald dat, indien in de loop van een toepassingsperiode het berekende gemiddelde van de invoerrechten 5 EUR per ton verschilt van het vastgestelde recht, een overeenkomstige aanpassing wordt uitgevoerd. Dit verschil heeft zich voorgedaan. De in Verordening (EG) nr. 1612/2004 vastgestelde invoerrechten moeten derhalve worden aangepast,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I en II bij de Verordening (EG) nr. 1612/2004 worden vervangen door de bijlagen I en II bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 21 september 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 september 2004.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw


(1)  PB L 270 van 29.9.2003, blz. 78.

(2)  PB L 161 van 29.6.1996, blz. 125. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1110/2003 (PB L 158 van 27.6.2003, blz. 12).

(3)  PB L 293 van 16.9.2004, blz. 7. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1643/2004 (PB L 295 van 18.9.2004, blz. 32).


BIJLAGE I

Vanaf 21 september 2004 geldende invoerrechten voor de in artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde producten

GN-code

Omschrijving

Invoerrecht (1)

(in EUR/ton)

1001 10 00

Harde tarwe van hoge kwaliteit

0,00

van gemiddelde kwaliteit

0,00

van lage kwaliteit

3,69

1001 90 91

Zachte tarwe, zaaigoed

0,00

ex 1001 90 99

Zachte tarwe van hoge kwaliteit, andere dan voor zaaidoeleinden

0,00

1002 00 00

Rogge

43,08

1005 10 90

Maïs, zaaigoed, andere dan hybriden

55,86

1005 90 00

Maïs, andere dan zaaigoed (2)

55,86

1007 00 90

Graansorgho, andere dan hybriden bestemd voor zaaidoeleinden

53,17


(1)  Voor producten die via de Atlantische Oceaan of het Suezkanaal in de Gemeenschap worden aangevoerd (artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1249/96) komt de importeur in aanmerking voor een verlaging van het invoerrecht met:

3 EUR/t, als de loshaven aan de Middellandse Zee ligt, of

2 EUR/t, als de loshaven in Ierland, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Estland, Letland, Litouen, Polen, Finland, Zweden of aan de Atlantische kust van het Iberisch Schiereiland ligt.

(2)  De importeur komt in aanmerking voor een forfaitaire verlaging van het invoerrecht met 24 EUR/t, als aan de in artikel 2, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1249/96 vastgestelde voorwaarden is voldaan.


BIJLAGE II

Berekeningselementen

periode van 17.9.2004

1.

Gemiddelden over de referentieperiode bepaald in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96:

Beursnotering

Minneapolis

Chicago

Minneapolis

Minneapolis

Minneapolis

Minneapolis

Product (eiwitgehalte bij 12 % vocht)

HRS2 (14 %)

YC3

HAD2

Van gemiddelde kwaliteit (1)

Van lage kwaliteit (2)

US barley 2

Notering (EUR/t)

124,11 (3)

72,93

151,18 (4)

141,18 (4)

121,18 (4)

82,38 (4)

Golfpremie (EUR/t)

11,62

 

 

Grote-Merenpremie (EUR/t)

13,74

 

 

2.

Gemiddelden over de referentieperiode bepaald in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96:

Vrachttarieven/kosten: Golf van Mexico-Rotterdam: 26,70 EUR/t; Grote Meren-Rotterdam: 32,16 EUR/t.

3.

Subsidies bedoeld in artikel 4, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1249/96:

0,00 EUR/t (HRW2)

0,00 EUR/t (SRW2).


(1)  Een korting van 10 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).

(2)  Een korting van 30 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).

(3)  Premie van 14 EUR/t inbegrepen (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).

(4)  Fob Duluth.


21.9.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 296/15


VERORDENING (EG) Nr. 1649/2004 VAN DE COMMISSIE

van 20 september 2004

tot vaststelling van de wereldmarktprijs voor niet-geëgreneerde katoen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op het aan de Akte van Toetreding van Griekenland gehechte Protocol nr. 4 betreffende katoen, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1050/2001 van de Raad (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1051/2001 van de Raad van 22 mei 2001 betreffende de steun voor de katoenproductie (2), en met name op artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1051/2001 wordt op gezette tijden een wereldmarktprijs voor niet-geëgreneerde katoen bepaald, rekening houdende met de historische verhouding tussen de in aanmerking genomen wereldmarktprijs voor geëgreneerde katoen en de berekende prijs voor niet-geëgreneerde katoen. Deze historische verhouding is vastgesteld in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1591/2001 van de Commissie van 2 augustus 2001, houdende uitvoeringsbepalingen van de steunregeling voor katoen (3). Als de wereldmarktprijs niet op die wijze kan worden bepaald, wordt hij bepaald op basis van de laatst vastgestelde prijs.

(2)

Krachtens artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1051/2001 wordt de wereldmarktprijs voor niet-geëgreneerde katoen bepaald voor een product met bepaalde kenmerken, waarbij rekening wordt gehouden met de gunstigste, voor de werkelijke markttendens representatief geachte aanbiedingen en noteringen. Om deze prijs te bepalen, wordt het gemiddelde berekend van de aanbiedingen en noteringen op één of meer Europese beurzen voor in een haven van Noord-Europa cif-geleverde producten uit de verschillende, voor de internationale handel als meest representatief beschouwde productielanden. Evenwel is bepaald dat deze criteria voor het bepalen van de wereldmarktprijs voor geëgreneerde katoen worden aangepast, om rekening te houden met de verschillen op grond van de kwaliteit van het geleverde product en de aard van de aanbiedingen en noteringen. In artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr 1591/2001 is bepaald welke aanpassingen kunnen plaatsvinden.

(3)

Op grond van bovenbedoelde criteria moet de wereldmarktprijs voor niet-geëgreneerde katoen op het hieronder aangegeven niveau worden vastgesteld,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1051/2001 bedoelde wereldmarktprijs voor niet-geëgreneerde katoen wordt vastgesteld op 20,530 EUR/100 kg.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 21 september 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 september 2004.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw


(1)  PB L 148 van 1.6.2001, blz. 1.

(2)  PB L 148 van 1.6.2001, blz. 3.

(3)  PB L 210 van 3.8.2001, blz. 10. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1486/2002 (PB L 223 van 20.8.2002, blz. 3).


II Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

Raad

21.9.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 296/16


BESLUIT VAN DE RAAD

van 13 september 2004

tot aanneming van uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens

(2004/644/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 286,

Gelet op Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (1), en met name op artikel 24, lid 8,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 45/2001, hierna „de verordening” genoemd, bevat de beginselen en voorschriften die van toepassing zijn op alle communautaire instellingen en organen en voorziet in de aanstelling door elke communautaire instelling en elk communautair orgaan van een functionaris voor gegevensbescherming.

(2)

In artikel 24, lid 8, van de verordening staat dat nadere uitvoeringsvoorschriften betreffende de functionaris voor gegevensbescherming door de communautaire instelling of door het communautaire orgaan worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage. De uitvoeringsvoorschriften hebben met name betrekking op de taken, verplichtingen en bevoegdheden van de functionaris voor gegevensbescherming.

(3)

In de uitvoeringsvoorschriften moeten de procedures voor de uitoefening van de rechten van de betrokkene worden vastgesteld, alsmede de naleving van verplichtingen door alle betrokken actoren binnen de communautaire instellingen of organen die verband houden met de verwerking van persoonsgegevens.

(4)

De uitvoeringsvoorschriften van de verordening doen geen afbreuk aan Verordening (EG) nr. 1049/2001 (2), Besluit 2002/682/EG, Euratom (3), en in het bijzonder bijlage II daarvan, Besluit 2001/264/EG (4), en in het bijzonder afdeling VI van deel II van de bijlage daarvan, alsmede het besluit van de secretaris-generaal van de Raad/hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid van 25 juni 2001 (5),

BESLUIT:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderzoek en werkingssfeer

Bij dit besluit worden voor wat betreft de Raad van de Europese Unie nadere uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad, hierna „de verordening” genoemd, vastgesteld.

Artikel 2

Definities

Voor de doeleinden van dit besluit en onverminderd de in de verordening vervatte definities wordt verstaan onder:

a)

„verantwoordelijke voor de verwerking”, de instelling, het directoraat-generaal, de afdeling of eenheid die, alleen of tezamen met andere(n), het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt, die overeenkomstig artikel 25 van de verordening aan de functionaris voor gegevensbescherming (hierna „DPO” genoemd) moeten worden verstrekt;

b)

„contactpersoon”, de adjunct-assistent(en) van het directoraat-generaal of ieder personeelslid dat in overleg met de DPO door zijn directoraat-generaal als zijn vertegenwoordiger wordt aangewezen om zich, in nauwe samenwerking met de DPO, met gegevensbeschermingskwesties bezig te houden;

c)

„personeel van het SGR”, alle ambtenaren van het secretariaat-generaal van de Raad (hierna „SGR” genoemd) en iedere andere persoon die valt onder het statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Gemeenschappen, vastgesteld bij Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 (6), hierna „het statuut” genoemd, of op contractuele basis voor het SGR werkt (stagiaires, consultants, contractanten, door de lidstaten gedetacheerde ambtenaren).

AFDELING 2

DE FUNCTIONARIS VOOR GEGEVENSBESCHERMING

Artikel 3

Aanstelling en statuut van de functionaris voor gegevensbescherming

1.   De plaatsvervangend secretaris-generaal van de Raad benoemt de DPO en registreert hem bij de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (hierna „EDPS” genoemd). De DPO brengt rechtstreeks verslag uit bij de plaatsvervangend secretaris-generaal van de Raad.

2.   De ambtstermijn van de functionaris voor gegevensbescherming duurt drie jaar en kan tweemaal worden verlengd.

3.   Met betrekking tot de uitoefening van zijn functie, handelt de DPO onafhankelijk en in samenwerking met de EDPS. In het bijzonder mag de functionaris voor gegevensbescherming van het tot aanstelling bevoegd gezag van het SGR of van anderen geen enkele instructie krijgen betreffende de interne toepassing van de bepalingen van de verordening of zijn samenwerking met de EDPS.

4.   De wijze waarop de DPO zijn taken en plichten vervult, wordt beoordeeld na overleg met de EDPS. De DPO kan, indien hij niet langer aan de voor de uitoefening van zijn functie vereiste voorwaarden voldoet, alleen met instemming van de EDPS worden ontslagen.

5.   Onverminderd de procedure voor zijn benoeming, wordt de DPO geïnformeerd over alle contacten met externe instanties die verband houden met de toepassing van de verordening, met name de betrekkingen met de EDPS.

6.   Onverminderd de desbetreffende bepalingen van de verordening, zijn de DPO en zijn personeel onderworpen aan de regelingen en verordeningen van toepassing op de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 4

Taken

De DPO

a)

zorgt ervoor dat de verantwoordelijken voor de verwerking en de betrokkenen van hun rechten en plichten in kennis worden gesteld. Bij de uitvoering van die taak stelt hij in het bijzonder informatie- en meldingsformulieren op, raadpleegt hij belangstellenden en bevordert hij het algemeen bewustzijn in verband met kwesties op het gebied van gegevensbescherming;

b)

gaat in op verzoeken van de EDPS en werkt, binnen het kader van zijn bevoegdheden, met de EDPS samen, op verzoek van deze laatste of op eigen initiatief;

c)

draagt op onafhankelijke wijze zorg voor de interne toepassing van de bepalingen van de verordening in het SGR;

d)

houdt een register bij van de door de verantwoordelijke voor de verwerking verrichte verwerkingen en verleent eenieder toegang daartoe, direct of indirect via de EDPS;

e)

stelt de EDPS in kennis van de verwerkingen die waarschijnlijk bijzondere risico's in de zin van artikel 27, lid 2, van de verordening inhouden;

f)

draagt er daarmee zorg voor dat schending van de rechten en vrijheden van de betrokkene, ten gevolge van de verwerkingen, onwaarschijnlijk is.

Artikel 5

Opgaven

1.   Naast de algemene taken heeft de DPO de volgende opgaven:

a)

hij verstrekt het tot aanstelling bevoegd gezag van het SGR en de verantwoordelijken voor de verwerking advies over kwesties die verband houden met de toepassing van de bepalingen inzake gegevensbescherming. Hij kan door het tot aanstelling bevoegd gezag, de betrokken verantwoordelijke voor de verwerking, het personeelscomité en elke particulier, zonder de officiële weg te volgen, over elke aangelegenheid betreffende de uitlegging of de toepassing van deze verordening worden geraadpleegd;

b)

hij onderzoekt op eigen initiatief of op verzoek van het tot aanstelling bevoegd gezag, de verantwoordelijken voor de verwerking, het personeelscomité of van elke particulier de zaken en gebeurtenissen die rechtstreeks verband houden met zijn taken en waarvan hij op de hoogte is, en brengt hierover verslag uit aan het tot aanstelling bevoegd gezag of aan de persoon die om het onderzoek verzocht heeft. Zo nodig worden alle betrokken partijen daarvan in kennis gesteld. Indien de klacht afkomstig is van een particulier, of indien de klager namens een particulier optreedt, moet de DPO er zo veel mogelijk voor zorgen dat het verzoek vertrouwelijk blijft, tenzij de betrokkene uitdrukkelijk toestemming verleent om het verzoek anders te behandelen;

c)

bij de uitoefening van zijn functies werkt de DPO samen met de DPO's van andere communautaire instellingen en organen, in het bijzonder door ervaringen en beste praktijken uit te wisselen;

d)

hij vertegenwoordigt het SGR in alle aangelegenheden die verband houden met gegevensbescherming; onverminderd Besluit 2004/338/EG, Euratom, dit kan inhouden dat de DPO aan desbetreffende comités of fora deelneemt;

e)

hij legt een jaarverslag over zijn activiteiten voor aan de plaatsvervangend secretaris-generaal van de Raad en stelt het ter beschikking van het personeel.

2.   Onverminderd de artikelen 4, punt b), artikel 5, lid 1, punten b) en c), en artikel 15, mogen de DPO en zijn personeel inlichtingen of bescheiden die zij in het kader van de uitoefening van hun taken verkrijgen, niet openbaar maken.

Artikel 6

Bevoegdheden

Bij de uitoefening van zijn functie

a)

heeft de DPO te allen tijde toegang tot de gegevens die het voorwerp van verwerking vormen en tot alle kantoren, gegevensverwerkingsapparatuur en gegevensdragers;

b)

kan de DPO de Juridische dienst van de Raad om advies verzoeken;

c)

kan de DPO, met toestemming van de ordonnateur, overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (7) een beroep doen op externe deskundigen op het gebied van de informatietechnologie, met inachtneming van het financieel reglement en de uitvoeringsbepalingen daarvan;

d)

kan de DPO, onverminderd de taken en bevoegdheden van de EDPS, aan het SGR bestuursmaatregelen voorstellen en algemene aanbevelingen doen betreffende de passende toepassing van de verordening;

e)

kan de DPO, in bepaalde gevallen, het SGR en/of alle andere betrokken partijen andere aanbevelingen doen voor de praktische verbetering van de gegevensbescherming;

f)

kan de DPO het feit dat een personeelslid de verplichtingen uit hoofde van de verordening niet nakomt onder de aandacht van het tot aanstelling bevoegd gezag van het SGR brengen en voorstellen dat er een administratief onderzoek wordt ingesteld met het oog op de mogelijke toepassing van artikel 49 van de verordening.

Artikel 7

Middelen

De DPO krijgt de beschikking over het nodige personeel en de nodige financiële middelen om zijn taak uit te voeren.

AFDELING 3

RECHTEN EN PLICHTEN VAN DE ACTOREN OP HET GEBIED VAN DE GEGEVENSBESCHERMING

Artikel 8

Het tot aanstelling bevoegd gezag

1.   In het geval van een klacht, in de zin van artikel 90 van het statuut, betreffende de schending van de verordening, raadpleegt het tot aanstelling bevoegd gezag de DPO, die uiterlijk vijftien dagen na ontvangst van het verzoek schriftelijk advies uitbrengt. Indien na het verstrijken van die termijn de DPO het tot aanstelling bevoegd gezag geen advies heeft verstrekt, is dit advies niet langer vereist. Het tot aanstelling bevoegd gezag is niet gebonden door het advies van de DPO.

2.   De DPO wordt in kennis gesteld van elke kwestie met mogelijke implicaties voor de gegevensbescherming.

Artikel 9

Verantwoordelijken voor de verwerking

1.   De verantwoordelijken voor de verwerking zien erop toe dat bij alle verwerkingen die onder hun toezicht plaatsvinden, de verordening wordt nageleefd.

2.   In het bijzonder moeten de verantwoordelijken voor de verwerking

a)

alvorens een verwerking of een reeks verwerkingen met een enkel doel of met verscheidene samenhangende doeleinden uit te voeren, de DPO daarvan in kennis stellen, alsmede van iedere belangrijke wijziging van een bestaande verwerking. Van verwerkingen die voor de inwerkingtreding van de verordening op 1 februari 2001 verricht zijn, geeft de verantwoordelijke voor de verwerking onmiddellijk kennis;

b)

de DPO en de EDPS bijstaan bij de vervulling van hun taken, in het bijzonder door in antwoord op hun verzoeken binnen dertig dagen informatie te verstrekken;

c)

passende technische en organisatorische maatregelen treffen en het personeel van het SGR op passende wijze instrueren om de vertrouwelijkheid van de verwerking te garanderen en een beveiligingsniveau te waarborgen dat afgestemd is op de risico's die verwerking met zich mee brengt;

d)

waar passend, de DPO raadplegen over de vraag of de verwerking overeenstemt met de verordening, in het bijzonder wanneer zij reden hebben om aan te nemen dat bepaalde verwerkingen strijdig zijn met de artikelen 4 tot en met 10 van de verordening. Tevens kunnen zij de DPO en/of de deskundigen inzake de beveiliging van informatietechnologie van directoraat-generaal A, het Beveiligingsbureau en de informatiebeveiligingdienst (INFOSEC) raadplegen betreffende kwesties die verband houden met de vertrouwelijkheid van de verwerking en de overeenkomstig artikel 22 van de verordening genomen beveiligingsmaatregelen.

Artikel 10

Contactpersonen

1.   Onverminderd de bevoegdheden van de DPO:

a)

helpt de contactpersoon zijn directoraat-generaal of afdeling een register bij te houden van alle bestaande verwerkingen van persoonsgegevens;

b)

helpt de contactpersoon zijn directoraat-generaal of afdeling een lijst op te stellen van de respectieve verantwoordelijken voor de verwerking;

c)

heeft de contactpersoon het recht om van de verantwoordelijken voor de verwerking en van het personeel de informatie te verkrijgen die passend en noodzakelijk is voor de vervulling van zijn bestuurlijke taken binnen zijn directoraat-generaal of eenheid. Dit omvat niet het recht van toegang tot persoonsgegevens die onder de verantwoordelijkheid van de verantwoordelijken voor de verwerking worden verwerkt.

2.   Onverminderd de bevoegdheden van de verantwoordelijken voor de verwerking

a)

helpt de contactpersoon de verantwoordelijken voor de verwerking hun verplichtingen na te komen;

b)

bevordert de contactpersoon, waar nodig, de contacten tussen de DPO en de verantwoordelijken voor de verwerking.

Artikel 11

Het personeel van het SGR

1.   Het personeel van het SGR draagt in het bijzonder bij tot de toepassing van de regels inzake vertrouwelijkheid en beveiliging van de verwerking van persoonsgegevens, zoals bepaald in de artikelen 21 en 22 van de verordening. Geen enkel personeelslid van het SGR dat toegang heeft tot persoonsgegevens, verwerkt die gegevens op een andere wijze dan op instructie van de verantwoordelijke voor de verwerking, tenzij de nationale of communautaire wetgeving in een andere regeling voorziet.

2.   Ieder personeelslid van het SGR kan bij de EDPS een klacht indienen wegens vermeende schending van de verordening betreffende de verwerking van persoonsgegevens, zonder daarvoor via de officiële weg te moeten gaan, zoals bepaald in de door EDPS vastgestelde regels.

Artikel 12

Betrokkenen

1.   Naast het recht van betrokkenen om, overeenkomstig de artikelen 11 en 12 van de verordening, naar behoren te worden geïnformeerd over elke hen betreffende verwerking van persoonsgegevens, kunnen de betrokkenen de verantwoordelijken voor de verwerking benaderen om hun in de artikelen 13 tot en met 19 van de verordening genoemde rechten uit te oefenen, zoals vastgesteld in afdeling 5 van dit besluit.

2.   Elke betrokkene kan, onverminderd de mogelijkheden van beroep voor de rechter, een klacht indienen bij de EDPS, indien hij van oordeel is dat de hem krachtens de verordening verleende rechten geschonden zijn door de verwerking van zijn persoonsgegevens door de Raad, zoals bepaald in de door de EDPS vastgestelde regels.

3.   Niemand mag nadeel ondervinden van het feit dat bij de EDPS een klacht is ingediend of dat een zaak onder de aandacht van de DPO is gebracht wegens een vermeende inbreuk op de bepalingen van de verordening.

AFDELING 4

REGISTER VAN GEMELDE VERWERKINGEN

Artikel 13

Meldingsprocedure

1.   De verantwoordelijke voor de verwerking stelt de DPO in kennis van elke verwerking van persoonsgegevens door middel van een meldingsformulier dat via het Intranet van het SGR (gegevensbescherming) toegankelijk is. De melding aan de DPO geschiedt elektronisch. Binnen tien werkdagen wordt de DPO een nota ter bevestiging van de melding toegezonden. De bevestiging van de melding wordt na ontvangst door de DPO in het register bekendgemaakt.

2.   De melding bevat alle in artikel 25, lid 2, van de verordening genoemde informatie. De DPO wordt onverwijld van elke wijziging in deze informatie in kennis gesteld.

3.   Nadere regels en procedures betreffende de meldingsprocedure die de verantwoordelijke voor de verwerking in acht moeten nemen, maken deel uit van de algemene aanbevelingen van de DPO.

Artikel 14

Inhoud en doel van het register

1.   De DPO houdt een register van de verwerkingen van persoonsgegevens bij, dat wordt samengesteld op basis van de van de verantwoordelijke voor de verwerking ontvangen meldingen.

2.   Het register bevat ten minste de in artikel 25, lid 2, onder a) tot en met g), van de verordening bedoelde informatie. De door de DPO in het register ingevoerde informatie kan evenwel bij wijze van uitzondering worden beperkt, wanneer zulks nodig is om de beveiliging van een specifieke verwerking te garanderen.

3.   Het register doet dienst als een index van verwerkingen van persoonsgegevens die bij de Raad worden uitgevoerd. Het verschaft de betrokkenen informatie en vergemakkelijkt de uitoefening van hun in artikel 13 tot en met 19 van de verordening genoemde rechten.

Artikel 15

Toegang tot het register

1.   De DPO neemt passende maatregelen zodat eenieder direct of indirect via de EDPS, toegang heeft tot het register. De DPO verstrekt met name informatie en verleent belangstellenden bijstand over de wijze waarop en waar verzoeken om toegang tot het register kunnen worden ingediend.

2.   Tenzij er toegang on line is verleend, worden verzoeken om toegang tot het register schriftelijk ingediend of in elektronische vorm, in één van de in artikel 314 van het Verdrag genoemde talen en op voldoende nauwkeurige wijze om de DPO in staat te stellen de desbetreffende verwerkingen te identificeren. Aan de aanvrager wordt onverwijld een ontvangstbewijs toegezonden.

3.   Indien een verzoek niet nauwkeurig genoeg is, vraagt de DPO de aanvrager om zijn verzoek te specificeren en biedt hij hem daarbij hulp. Bij verzoeken die een zeer groot aantal verwerkingen betreffen, kan de DPO informeel met de aanvrager overleggen om tot een redelijke oplossing te komen.

4.   Eenieder kan de DPO verzoeken om een afschrift van de informatie die met betrekking tot elke gemelde verwerking in het register beschikbaar is.

AFDELING 5

PROCEDURE VOLGENS WELKE BETROKKENEN HUN RECHTEN KUNNEN UITOEFENEN

Artikel 16

Algemene bepalingen

1.   De in deze afdeling genoemde rechten van de betrokkenen kunnen alleen worden uitgeoefend door de betrokkenen zelf of, in uitzonderlijke gevallen en met een passende toestemming, namens de betrokkenen. Verzoeken worden schriftelijk aan de betrokken verantwoordelijke voor de verwerking toegezonden, met een afschrift aan de DPO. Zo nodig, helpt de DPO de betrokkene vast te stellen wie ter zake de verantwoordelijke voor de verwerking is. De DPO stelt specifieke formulieren ter beschikking. De verantwoordelijken voor de verwerking willigen een verzoek alleen in, indien de formulieren volledig ingevuld zijn en de identiteit van de klager naar behoren is geverifieerd. De betrokkenen oefenen hun rechten kosteloos uit.

2.   De verantwoordelijke voor de verwerking zendt de aanvrager binnen vijf werkdagen na registratie van het verzoek een ontvangstbewijs toe. Tenzij anders bepaald, beantwoordt de verantwoordelijke voor de verwerking een verzoek binnen vijftien dagen na de registratie ervan en willigt het verzoek in of deelt schriftelijk de redenen voor de gehele of gedeeltelijke weigering mee, in het bijzonder wanneer de aanvrager niet als een betrokkene beschouwd wordt.

3.   In geval van onregelmatigheden of kennelijk misbruik door de betrokkene bij de uitoefening van zijn rechten, en indien de verwerking naar zijn zeggen onwettig is, dient de verantwoordelijke voor de verwerking de DPO over het verzoek te raadplegen en/of de betrokkene door te verwijzen naar de DPO, die over de ontvankelijkheid en de follow-up van het verzoek een besluit neemt.

4.   Iedere betrokken persoon kan de DPO raadplegen met betrekking tot zijn rechten in een specifiek geval. Elke betrokkene kan, onverminderd de mogelijkheden van beroep voor de rechter, een klacht indienen bij de EDPS, indien hij van oordeel is dat de hem krachtens de verordening verleende rechten ten gevolge van de verwerking van zijn persoonsgegevens geschonden zijn.

Artikel 17

Recht van toegang

De betrokkene heeft het recht om, zonder beperking, binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek, van de verantwoordelijke voor de verwerking de in de punten a) tot en met d) van artikel 13 van de verordening bedoelde informatie te ontvangen door hetzij deze informatie ter plaatse te raadplegen, hetzij een afschrift ervan te ontvangen, waar passend en indien de aanvrager dat wenst, in elektronische vorm.

Artikel 18

Recht van rectificatie

Elk verzoek van een betrokkene om rectificatie van onnauwkeurige of onvolledige persoonsgegevens bevat een opsomming van de betrokken gegevens en de aan te brengen rectificatie. Het verzoek wordt onverwijld door de verantwoordelijke voor de verwerking behandeld.

Artikel 19

Recht van afscherming

De verantwoordelijke voor de verwerking behandelt zo spoedig mogelijk elk verzoek om afscherming van gegevens uit hoofde van artikel 15 van de verordening. Het verzoek bevat een opsomming van de betrokken gegevens en de motivering voor de afscherming. De verantwoordelijke voor de verwerking licht de betrokkene die het verzoek heeft ingediend in alvorens de afscherming wordt opgeheven.

Artikel 20

Recht van wissing

De betrokkene kan de verantwoordelijke voor de verwerking verzoeken onverwijld gegevens te wissen in geval van onwettige verwerking, in het bijzonder wanneer er inbreuk op de bepalingen van de artikelen 4 tot en met 10 van de verordening is gepleegd. Het verzoek bevat een opsomming van de betrokken gegevens en de redenen of het bewijs van de onwettigheid van de verwerking. In geautomatiseerde gegevensbestanden wordt voor afscherming in beginsel met technische middelen zorg gedragen, waarbij de mogelijkheid wordt uitgesloten dat gewiste gegevens nog langer verwerkt worden. Als wissing om technische redenen niet mogelijk is, gaat de verantwoordelijke voor de verwerking over tot onmiddellijke afscherming van die gegevens, na raadpleging van de DPO en de betrokken persoon.

Artikel 21

Kennisgeving aan derde partijen

Wanneer naar aanleiding van een verzoek gegevens van een betrokkene gerectificeerd, afgeschermd of gewist zijn, kan de betrokkene van de verantwoordelijke voor de verwerking verlangen dat derden aan wie zijn persoonsgegevens verstrekt zijn, daarvan in kennis worden gesteld, tenzij dit onmogelijk blijkt of onevenredig veel moeite kost.

Artikel 22

Recht van bezwaar

De betrokkene kan, overeenkomstig artikel 18 van de verordening, bezwaar aantekenen tegen de verwerking van hem betreffende gegevens en tegen verstrekking of gebruik van zijn persoonsgegevens. Het verzoek daartoe bevat een opsomming van de betrokken gegevens en de motivering van het verzoek. In het geval van gerechtvaardigd bezwaar mag de verwerking in kwestie niet langer deze gegevens betreffen.

Artikel 23

Geautomatiseerde individuele besluiten

De betrokkene heeft het recht niet te worden onderworpen aan geautomatiseerde individuele besluiten als bedoeld in artikel 19 van de verordening, tenzij het besluit krachtens nationale of communautaire wetgeving uitdrukkelijk is toegestaan, dan wel door een besluit van de EDPS ter bescherming van de legitieme belangen van de betrokkene. In beide gevallen krijgt de betrokkene de gelegenheid vooraf zijn standpunt bekend te maken en de DPO te raadplegen.

Artikel 24

Uitzonderingen en beperkingen

1.   Voorzover legitieme redenen als bedoeld in artikel 20 van de verordening zulks duidelijk rechtvaardigen, kan de verantwoordelijke voor de verwerking de in de artikelen 17 tot en met 21 van dit besluit bedoelde rechten beperken. Behoudens gevallen van absolute noodzaak, raadpleegt de verantwoordelijke voor de verwerking eerst de DPO, wiens advies voor de instelling niet bindend is. De verantwoordelijke voor de verwerking beantwoordt onverwijld verzoeken met betrekking tot de toepassing van uitzonderingen op en beperkingen van de uitoefening van rechten, en motiveert dit besluit.

2.   Elke betrokken persoon kan de EDPS verzoeken artikel 47, lid 1, onder c), van de verordening toe te passen.

AFDELING 6

ONDERZOEKSPROCEDURE

Artikel 25

Praktische uitvoering

1.   Verzoeken om instelling van een onderzoek worden schriftelijk aan de DPO toegezonden door gebruikmaking van een specifiek door hem ter beschikking gesteld formulier. Ingeval het recht van verzoek om instelling van een onderzoek duidelijk misbruikt wordt, bijvoorbeeld wanneer dezelfde persoon recentelijk een identiek verzoek heeft gedaan, is de DPO niet verplicht de verzoeker te antwoorden.

2.   Binnen 15 dagen na ontvangst zendt de DPO het tot aanstelling bevoegd gezag of de opdrachtgever van het onderzoek een ontvangstbewijs toe en gaat hij na of het verzoek als vertrouwelijk moet worden behandeld.

3.   De DPO verzoekt de betrokken verantwoordelijke voor de verwerking om een schriftelijke verklaring over de zaak. De verantwoordelijke voor de verwerking doet zijn antwoord binnen 15 dagen aan de DPO toekomen. De DPO kan van andere partijen, zoals het Beveiligingsbureau en de informatiebeveiligingsdienst van het SGR (INFOSEC), aanvullende informatie verlangen. Zo nodig, kan hij de Juridische dienst van de Raad om advies verzoeken. De DPO ontvangt de informatie of het advies binnen 30 dagen.

4.   De DPO brengt uiterlijk drie maanden na ontvangst van het verzoek verslag uit aan het tot aanstelling bevoegd gezag of aan de persoon die het verzoek heeft ingediend.

AFDELING 7

SLOTBEPALINGEN

Artikel 26

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag volgende op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 13 september 2004.

Voor de Raad

De voorzitter

B. R. BOT


(1)  PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).

(3)  Besluit 2004/338/EG, Euratom van de Raad van 22 maart 2004 houdende vaststelling van zijn reglement van orde (PB L 106 van 15.4.2004, blz. 22).

(4)  Besluit 2001/264/EG van de Raad van 19 maart 2001 tot vaststelling van beveiligingsvoorschriften van de Raad (PB L 101 van 11.4.2001, blz. 1). Besluit gewijzigd bij Besluit 2004/194/EG (PB L 63 van 28.2.2004, blz. 48).

(5)  Besluit van de secretaris-generaal van de Raad/hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid van 25 juni 2001 betreffende een code voor correct bestuurlijk gedrag van het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie en zijn personeel in de contacten die zij om professionele redenen met het publiek hebben (PB C 189 van 5.7.2001, blz. 1).

(6)  PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 (PB L 124 van 27.4.2004, blz. 1).

(7)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.


Commissie

21.9.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 296/23


AANBEVELING VAN DE COMMISSIE

van 16 september 2004

betreffende de tenuitvoerlegging door de consulaten van de lidstaten van het memorandum van overeenstemming tussen de Europese Gemeenschap en de overheidsdienst voor toerisme van de Volksrepubliek China inzake visa en aanverwante kwesties met betrekking tot het bezoek van groepen toeristen vanuit China (ADS)

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 2886)

(2004/645/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 211, tweede streepje,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het memorandum van overeenstemming tussen de Europese Gemeenschap en de overheidsdienst voor toerisme van de Volksrepubliek China inzake visa en aanverwante kwesties met betrekking tot het bezoek van groepen toeristen vanuit China (1) houdt een specifieke aanvraagprocedure in die afwijkt van de gebruikelijke, in de Gemeenschappelijke Visuminstructie (CCI) vastgestelde visumvoorschriften, teneinde de afgifte van visa met een korte geldigheidsduur aan groepen Chinese staatsburgers die op het grondgebied van de Gemeenschap willen reizen, te vergemakkelijken. Het memorandum van overeenstemming trad op 1 mei 2004 in werking.

(2)

Om te zorgen voor een hoog niveau van veiligheid, met name wat betreft de preventie van illegale immigratie en teneinde elk risico van „visumshopping” tussen de consulaten van de lidstaten in de Volksrepubliek China te vermijden, dienen alle lidstaten het memorandum van overeenstemming op uniforme wijze uit te voeren en derhalve is het noodzakelijk gemeenschappelijke procedures voor de uitvoering te formuleren voor de consulaten van de lidstaten in de Volksrepubliek China.

(3)

Met de gemeenschappelijke procedures, die zijn gebaseerd op de bepalingen in het memorandum van overeenstemming, is een uniforme geharmoniseerde aanpak opgezet die verschillende punten bestrijkt variërend van de visumaanvraagprocedure tot de intrekking van accreditering in geval van overtreding van de EU- en/of Chinese regelgeving.

(4)

Uitgangspunt voor de gemeenschappelijke procedure waren de basisvoorschriften van de Gemeenschappelijke Visuminstructie inzake visumaanvragen en met name de voorschriften inzake de plaatselijke consulaten.

(5)

In dit kader dienen de lidstaten een gemeenschappelijke aanpak te volgen bij de accreditering van de door de Volksrepubliek China aangewezen reisbureaus en bij het opstellen van een lijst van door de Chinese reisbureaus aangewezen tussenpersonen.

(6)

Bij overtreding van de communautaire regelgeving door een geaccrediteerd Chinees reisbureau dienen de lidstaten gemeenschappelijke, uniforme sancties toe te passen, overeenkomstig de voorschriften van de Gemeenschappelijke Visuminstructie inzake visumaanvragen die worden verwerkt door particuliere administratiekantoren, reisbureaus en organisatoren van pakketreizen.

(7)

De lidstaten moeten een gemeenschappelijke lijst toepassen van ondersteunende documenten en informatie die vereist zijn bij het indienen van een visumaanvraag, met eventuele toelichtingen over de inhoud ervan. In individuele gevallen kan, na onderzoek van een visumaanvraag, aanvullende informatie worden gevraagd.

(8)

De lidstaten die betrokken zijn bij de tenuitvoerlegging van het memorandum van overeenstemming moeten meer samenwerken in de Volksrepubliek China en mechanismen ontwikkelen voor de uitwisseling van informatie over onregelmatigheden en andere verdachte handelingen van door de geaccrediteerde reisbureaus aangewezen tussenpersonen en de verwerking van informatie vergemakkelijken.

(9)

De Commissie treedt op als vertegenwoordiger van de Gemeenschap in het bij het memorandum van overeenstemming opgerichte ADS-comité, en deelt de Chinese autoriteiten (CNTA) relevante informatie over de tenuitvoerlegging van dit memorandum mee. De lidstaten moeten de Commissie, als vertegenwoordiger van de Europese Gemeenschap in het ADS-comité derhalve betrekken bij het plaatselijke samenwerkingsmechanisme om ervoor te zorgen dat informatie over de tenuitvoerlegging van het memorandum van overeenstemming regelmatig en snel wordt doorgegeven.

(10)

De lidstaten die niet deelnemen aan het memorandum van overeenstemming, maar soortgelijke bilaterale overeenkomsten hebben gesloten met de Volksrepubliek China zouden ook in de mogelijkheid moeten worden gesteld deel te nemen aan het mechanisme voor plaatselijke samenwerking. Noorwegen en IJsland zouden ook moeten worden gevraagd deel te nemen aan het mechanisme voor plaatselijke consulaire samenwerking wanneer zij eenmaal soortgelijke bilaterale overeenkomsten hebben ondertekend met de Volksrepubliek China,

BEVEELT AAN:

Om de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van het memorandum van overeenstemming te vergemakkelijken, zouden de lidstaten de volgende gemeenschappelijke procedures moeten toepassen bij de tenuitvoerlegging.

1.

De consulaten van de lidstaten in de Volksrepubliek China verstrekken elk erkend reisbureau in de Volksrepubliek China een certificaat. Dergelijke certificaten hebben een identiek formaat en op het certificaat zijn onder meer het serienummer, het nummer van de bedrijfsvergunning, de naam en andere relevante gegevens van het reisbureau vermeld. Het certificaat is niet langer dan één jaar geldig.

Certificaten die door een lidstaat zijn afgegeven moeten worden erkend door de andere lidstaten.

Het consulaat van een lidstaat dient, wanneer het erkende reisbureau zich voor de eerste maal aanmeldt, datum en tijdstip van het bezoek van de vertegenwoordiger te registreren en de Commissie alle relevante informatie door te geven. Het consulaat geeft alleen een certificaat af indien de Commissie bevestigt dat dit het eerste consulaat is dat door het erkende reisbureau werd benaderd.

2.

Elke door een erkend reisbureau aangewezen tussenpersoon moet in het bezit zijn van een identiteitsbadge met pasfoto, waarop onder meer zijn/haar naam, geboortedatum, het nummer van zijn/haar identiteitskaart alsmede naam, adres en telefoonnummer van het erkend reisbureau zijn vermeld.

De badge heeft over het algemeen een geldigheidsduur van één jaar, wordt afgegeven door het consulaat van de lidstaten in de Volksrepubliek China en is identiek van formaat.

De Commissie stelt, op basis van de door de Volksrepubliek China ingediende informatie en na verificatie door de lidstaten, een gemeenschappelijke lijst op van tussenpersonen en geeft deze door aan alle lidstaten. De Commissie werkt de gemeenschappelijke lijst van tussenpersonen bij telkens wanneer zij een wijziging ontvangt en deelt deze wijzigingen mee aan de consulaten van alle lidstaten in de Volksrepubliek China.

3.

Wanneer de EU- en/of Chinese regelgeving wordt overtreden, en met name wanneer illegale immigratie wordt bevorderd, trekt het consulaat van een lidstaat in de Volksrepubliek China de accreditatie van een Chinees reisbureau in. De intrekking door een consulaat van een lidstaat geldt onmiddellijk voor elke lidstaat. Om ervoor te zorgen dat de sanctie door alle lidstaten uniform wordt toegepast, stelt het consulaat de Commissie en de overige consulaten van de lidstaten in de Volksrepubliek China in kennis van de intrekking. Intrekking van een accreditatie kan eventueel worden herzien, bijvoorbeeld wanneer het erkende reisbureau kan aantonen dat de EU- en/of Chinese regelgeving alleen werd overtreden door één van zijn werknemers die niet langer werkzaam is bij het reisbureau.

Consulaten van de lidstaten in de Volksrepubliek China kunnen een erkend reisbureau in de Volksrepubliek China waarschuwen wanneer zij vermoeden dat dit reisbureau betrokken is bij kleine overtredingen. De Commissie en andere consulaten van de lidstaten dienen hiervan in dat geval onverwijld in kennis te worden gesteld.

De Commissie stelt de CNTA in kennis van eventuele intrekkingen en waarschuwingen aan het adres van erkende reisbureaus.

4.

Lidstaten dienen erop te staan dat een ADS-visumaanvraag vergezeld gaat van de in de bijlage bij deze aanbeveling vermelde documenten. Indien nodig dienen de lidstaten aanvullende informatie te vragen. Zij kunnen de indiener van de aanvraag met name vragen om een persoonlijk of telefonisch onderhoud, hem verzoeken bewijzen voor te leggen van zijn financiële middelen, (bankafschrift), een bewijs van een arbeidscontract of de schriftelijke toestemming van beide ouders wanneer het minderjarigen betreft.

5.

Om te zorgen voor een soepele tenuitvoerlegging van het memorandum van overeenstemming dienen de lidstaten in de Volksrepubliek China personeel van de erkende reisbureaus die betrokken zijn bij de tenuitvoerlegging van het memorandum van overeenstemming specifieke opleidingen te verschaffen.

6.

De lidstaten en de Commissie werken nauw samen in de Volksrepubliek China en komen regelmatig bijeen om te zorgen voor een regelmatige en snelle overdracht en verwerking van informatie, de uitwisseling van ervaringen met betrekking tot het opsporen van onregelmatigheden en andere verdachte handelingen van erkende reisbureaus en de ontwikkeling van beste praktijken bij de praktische toepassing van het memorandum van overeenstemming.

7.

Deze aanbeveling is gericht tot de lidstaten die deelnemen aan het memorandum van overeenstemming tussen de Europese Gemeenschap en de Volksrepubliek China.

Gedaan te Brussel,16 september 2004.

Voor de Commissie

António VITORINO

Lid van de Commissie


(1)  PB L 83 van 20.3.2004, blz. 14.


BIJLAGE

Algemene informatie over de groep

1)

Een lijst met namen van alle leden van de groep, met vermelding van het nummer van hun paspoort, een kopie van de bladzijden met de identiteitsgegevens in het paspoort en kopieën van de identiteitskaarten.

2)

Een door de vertegenwoordiger van het erkende reisbureau ondertekende mededeling waarin een uitvoerige routebeschrijving is opgenomen met inbegrip van de vluchtgegevens voor de heen- en terugreis van en naar de Volksrepubliek China, naam, adres, telefoon- en faxnummer van de hotels waar de groep tijdens de reis verblijft met vermelding van de data van het verblijf in elk hotel en de wijze waarop de groep zich tijdens de reis verplaatst; voorts eventuele veranderingen van de route die zich voordoen tijdens het onderzoek van de visumaanvraag.

3)

Vluchtreservering met een bevestiging van de luchtvaartmaatschappij van de heen- en terugvlucht van en naar de Volksrepubliek China (met een lijst van namen van de reizigers).

4)

Betaling van de reiskosten.

5)

Reisverzekeringspolis voor de groep (of individueel voor elk lid van het gezelschap) die geldig is op het gehele grondgebied van de lidstaten die worden bezocht op basis van de uitgestippelde route. De verzekering dient geldig te zijn voor de volledige reisperiode. De waarde van de verzekeringspolis dient ten minste 30 000 EUR te bedragen en eventuele onkosten te bestrijken in verband met repatriëring op medische gronden, dringende medische verzorging en/of een spoedbehandeling in een ziekenhuis.

6)

De naam van de reisleider.

7)

Naam en andere gegevens om in contact te kunnen komen met de als partner aangewezen touroperator in Europa.

8)

Bevestiging van de als partner aangewezen touroperator in Europa dat de in de reisbeschrijving opgegeven accommodatie en vervoer in Europa aan alle leden van het reisgezelschap zullen worden verstrekt.

Voor elk lid van de groep

9)

Een naar behoren ingevuld formulier voor de visumaanvraag, ondertekend door de aanvrager, vergezeld van een recente pasfoto.

10)

Een paspoort dat ten minste 90 dagen na het verstrijken van het visum geldig is.