52001PC0388

Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen gedurende een periode van ten hoogste drie maanden vrij kunnen reizen op het grondgebied van de lidstaten, alsmede tot invoering van een specifieke reisvergunning en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang met het oog op een bezoek van ten hoogste zes maanden /* COM/2001/0388 def. - CNS 2001/0155 */

Publicatieblad Nr. 270 E van 25/09/2001 blz. 0244 - 0250


Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD betreffende de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen gedurende een periode van ten hoogste drie maanden vrij kunnen reizen op het grondgebied van de lidstaten, alsmede tot invoering van een specifieke reisvergunning en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang met het oog op een bezoek van ten hoogste zes maanden

(door de Commissie ingediend)

INHOUDSOPGAVE

1. Algemeen overzicht

2. Een Uit De Intergouvernementele Schengensamenwerking Voortvloeiend Recht

3. Waarom een nieuwe richtlijn, en wat is de inhoud ervan -

4. Een nieuwe richtlijn: voor welke lidstaten -

4.1. Denemarken :

4.2. Het Verenigd Koninkrijk en Ierland :

4.3. Noorwegen en Ijsland :

5. Rechtsgrondslag

6. Subsidiariteit en evenredigheid

7. Toelichting per artikel

8. Voorstel voor een richtlijn van de Raad

TOELICHTING

1. Algemeen overzicht

Krachtens artikel 62, punt 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, neemt de Raad binnen een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam maatregelen aan "tot vaststelling van de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen vrij kunnen reizen op het grondgebied van de lidstaten gedurende een periode van ten hoogste drie maanden." Bij het nemen van dergelijke maatregelen ter uitvoering van artikel 62, punt 3, moet evenwel rekening worden gehouden met de geldende bepalingen van het in de Unie opgenomen Schengenacquis, die het vrij verkeer van onderdanen van derde landen gedurende een korte periode regelen (hoofdstuk 4 van titel II van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen, artikelen 19-24).

Het "Scorebord van de vorderingen op het gebied van de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid in de Europese Unie" maakt melding van het voorstel en van het feit dat in de loop van 2001 maatregelen zullen worden genomen inzake het vrije verkeer op het grondgebied van de lidstaten. De Commissie en de lidstaten hebben ter zake een initiatiefrecht.

De lidstaten hebben weliswaar beperkte initiatieven genomen met betrekking tot bepaalde aspecten van het vrije verkeer [1] van onderdanen van derde landen, waarvan er een, het Franse initiatief, door de JBZ-Raad van 28-29 mei is goedgekeurd [2], maar de Commissie heeft in een verklaring bij de goedkeuring van dit initiatief onderstreept dat zij het toch wenselijk acht een voorstel in te dienen om alle bepalingen waarin de voorwaarden zijn vastgelegd voor dit vrije verkeer op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden en van ten hoogste zes maanden per periode van twaalf maanden, met een maximumverblijf in één enkele lidstaat van ten hoogste drie maanden, in één enkel rechtsinstrument onder te brengen. Dit voorstel:

[1] Initiatief van de Portugese Republiek met het oog op de aanneming van een verordening van de Raad betreffende de periode gedurende dewelke onderdanen van derde landen die van de visumplicht zijn vrijgesteld, vrij kunnen reizen op het grondgebied van de lidstaten (PB C 164 van 14.6.2000, blz. 6).

[2] PB L 150 van 6.6.2001, blz. 4, Verordening nr. 1091/2001 van de Raad.

- speelt met name in op de conclusies van de Europese Raad van Tampere (punt 22), aangezien het bijdraagt tot de ontwikkeling van "een actief gemeenschappelijk beleid inzake visa";

- houdt een "communautarisering" in, en een aanpassing aan de logica die aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap ten grondslag ligt, alsmede de uitwerking van een belangrijk onderdeel van het Schengenacquis;

- biedt een oplossing, op basis van het gemeenschapsrecht, voor de onderdanen van derde landen die er rechtmatig belang bij hebben toegang te krijgen tot het grondgebied van de lidstaten voor een bezoek van ten hoogste zes maanden, zonder langer dan drie maanden in dezelfde lidstaat te blijven.

2. Een Uit De Intergouvernementele Schengensamenwerking Voortvloeiend Recht

De lidstaten hebben in het kader van Schengen een ruime samenwerking ontwikkeld in verband met de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen tijdens een verblijf van korte duur vrij kunnen reizen in een ruimte zonder binnengrenzen.

In principe kent het Schengenacquis twee soorten bepalingen betreffende het verblijf in een ruimte zonder binnengrenzen:

a) De eerste categorie betreft bepalingen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden. In dit geval wordt een onderscheid gemaakt tussen drie groepen onderdanen van derde landen, namelijk:

- kortverblijvende vreemdelingen die onderworpen zijn aan de visumplicht (artikel 19),

- kortverblijvende vreemdelingen die vrijgesteld zijn van de visumplicht (artikel 20, lid 1),

- vreemdelingen die in het bezit zijn van een door een Schengenstaat afgegeven verblijfstitel (artikel 21).

b) De tweede categorie betreft een verblijf van meer dan drie maanden.

Artikel 18 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen bepaalt dat de visa voor een verblijf van langer dan drie maanden nationale visa zijn welke overeenkomstig de nationale wetgeving worden afgegeven.

Voor onderdanen van derde landen die niet aan de visumplicht onderworpen zijn, voorziet artikel 20, lid 2, van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen in het recht van elke lidstaat om in bijzondere omstandigheden of krachtens de bepalingen van een vóór de inwerkingtreding van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen gesloten bilaterale overeenkomst de verblijfstermijn van drie maanden van een (niet aan de visumplicht onderworpen) onderdaan van een derde land op zijn grondgebied te verlengen.

Sommige derde landen hebben daadwerkelijk bilaterale overeenkomsten gesloten met (een deel van) de Schengenlanden. Daardoor kunnen de onderdanen van die derde landen in de praktijk, indien zij de Schengenruimte niet verlaten, gebruik maken van het korte verblijf dat elk van de lidstaten hun op grond van de visumvrijstelling op bilaterale basis toestaat, en zo verschillende periodes van verblijf van korte duur aaneenrijgen. Zo kunnen zij rondreizen gedurende een verblijfsperiode (S) van ten hoogste drie maanden maal het aantal lidstaten (LS) waarmee hun land een dergelijke bilaterale overeenkomst inzake vrijstelling van visumplicht heeft gesloten (S = LS x 3 maanden).

3. Waarom een nieuwe richtlijn, en wat is de inhoud ervan -

De Commissie is van oordeel dat voor de diverse geldende bepalingen inzake het vrij verkeer van onderdanen van derde landen op het grondgebied van de lidstaten een algemene aanpak nodig is om tot een samenhangend geheel te komen en te garanderen dat de voorwaarden die gelden voor de diverse categorieën onderdanen van derde landen, op eenvormige wijze worden uitgelegd.

Met betrekking tot artikel 20, lid 2, dat het voor sommige onderdanen van derde landen mogelijk maakt van een verblijf van onbeperkte duur te genieten (S = LS x 3 maanden) op grond van bilaterale overeenkomsten, valt op te merken dat de Schengenlanden tot de conclusie zijn gekomen dat een dergelijke regeling niet in overeenstemming is met de geest van een ruimte zonder binnengrenzen: het Uitvoerend Comité heeft een besluit goedgekeurd betreffende de harmonisatie van de overeenkomsten inzake de afschaffing van de visumplicht (SCH/Com-ex (98) 24 van 23.6.1998 [3]), om sommige bepalingen te harmoniseren. Dit besluit van het Uitvoerend Comité verplicht de lidstaten ertoe in de bilaterale overeenkomsten tot afschaffing van de visumplicht die zij sluiten, bepaalde standaardclausules op te nemen, in het bijzonder een clausule die de totale duur van het verblijf met vrijstelling van de visumplicht voor de gehele Schengenruimte beperkt tot drie maanden per periode van zes maanden.

[3] Dit besluit maakt deel uit van de lijst van in het kader van de EU opgenomen elementen van het Schengenacquis waarvoor de Raad evenwel heeft besloten dat ze niet moeten worden ingedeeld bij ofwel de eerste, ofwel de derde pijler omdat "de bepaling (...) een aangelegenheid [betreft] die buiten het optreden van de Gemeenschap en de doelstellingen van de Europese Unie valt, en die derhalve betrekking heeft op een van de gebieden waarop de lidstaten zich vrijheid van optreden voorbehouden" (zie bijlage B, deel 3, en overweging 4 f) van besluit 1999/435/EG van de Raad).

Uit het voorafgaande volgt dat bilaterale overeenkomsten tot afschaffing van de visumplicht na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam geen basis meer kunnen vormen voor de mogelijkheid om feitelijk langer dan drie maanden in de ruimte zonder binnengrenzen rond te reizen. Zulks zou indruisen tegen de idee van de tot stand te brengen gemeenschappelijke ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid en zou onverenigbaar zijn met de beperking van het kort verblijf met vrijstelling van de visumplicht zoals bepaald in artikel 62, punt 3, van het EG-Verdrag. Een ruimte zonder binnengrenzen veronderstelt een gemeenschappelijk beleid inzake het vrij verkeer op het grondgebied van de lidstaten.

Er zijn echter verschillende categorieën personen die een rechtmatig belang kunnen hebben bij een bezoek van drie tot zes maanden aan de ruimte zonder binnengrenzen (toeristen, studenten, musici op tournee, personen die op familiebezoek zijn, enz.), zonder dat sprake is van een situatie die vergelijkbaar is met immigratie. Het is de bedoeling in deze richtlijn de voorwaarden voor toegang met het oog op een dergelijk bezoek te regelen.

Daaruit kunnen de volgende conclusies worden getrokken :

In de eerste plaats moeten de voorwaarden worden vastgesteld waaronder de onderdanen van derde landen vrij op het grondgebied van de lidstaten kunnen reizen gedurende een periode van ten hoogste drie maanden.

In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat de mogelijkheid die de lidstaten krachtens artikel 20, lid 2, van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen hebben om bilaterale overeenkomsten te sluiten, uit het oogpunt van artikel 62, punt 3, van het Verdrag is uitgesloten.

Daarom moet een communautaire regeling worden geformuleerd met betrekking tot personen die voornemens zijn de ruimte zonder binnengrenzen gedurende een periode van tussen de drie en zes maanden te bezoeken, zonder langer dan drie maanden op het grondgebied van dezelfde lidstaat te blijven.

In de derde plaats is regelgeving nodig - binnen de termijn van vijf jaar die in het Verdrag van Amsterdam is vastgelegd voor het omzetten van het Schengenacquis in een "klassiek" rechtsinstrument volgens het Verdrag. Het in punt 1 bedoelde Portugese initiatief heeft betrekking op de periode gedurende welke onderdanen van derde landen die van de visumplicht zijn vrijgesteld, vrij kunnen reizen op het grondgebied van de lidstaten [4]. Het initiatief is alleen gericht op onderdanen van derde landen die zijn vrijgesteld van de visumplicht, en gaat niet in op bepaalde aspecten die gelden voor alle categorieën personen die voor een kort verblijf toegang hebben tot de Schengenruimte.

[4] PB C 164 van 14.6.2000, blz. 6.

Het Franse voorstel betreffende de Verordening inzake vrij verkeer met een visum voor verblijf van langere duur, die door de Raad van 28/29 mei 2001 is goedgekeurd [5], beoogt het visum voor verblijf van langere duur tevens te laten gelden als verblijfstitel voor drie maanden, in afwachting van een verblijfstitel. Tot nu toe konden houders van een visum voor een verblijf van langere duur alleen over het grondgebied van de overige Schengen-lidstaten reizen om zich naar de staat te begeven die het visum heeft verleend. Met het oog op een algemene aanpak heeft evenals de verordening ook deze richtlijn ten doel houders van een visum voor verblijf van langere duur de mogelijkheid te bieden gedurende een periode van drie maanden vrij te reizen.

[5] PB L 150 van 6.6.2001, blz. 4.

Alle hierboven genoemde punten hebben de Commissie ervan overtuigd dat de bepalingen inzake het vrije verkeer van onderdanen van derde landen in een ruimte zonder binnengrenzen, in één instrument moeten worden samengebracht om de nodige doorzichtigheid en de rechtszekerheid te waarborgen.

Samengevat voorziet dit voorstel voor een richtlijn in de volgende maatregelen:

a) vaststelling van de voorwaarden voor vrij verkeer gedurende een periode van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden die gelden voor onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven en die

- zijn onderworpen aan de visumplicht;

- zijn vrijgesteld van de visumplicht;

- beschikken over een door een lidstaat afgegeven verblijfsvergunning (voor deze personen geldt deze verblijfsvergunning als visum voor een kort verblijf indien zij onder de visumregeling vallen);

- beschikken over een visum voor een verblijf van langere duur dat is afgegeven door een lidstaat in afwachting van een verblijfstitel.

b) invoering van een specifieke reisvergunning voor onderdanen van derde landen die een bezoek van maximaal zes maanden op een periode van twaalf maanden willen brengen aan het grondgebied van de lidstaten, alsmede van de bijbehorende voorwaarden en administratieve procedures. Houders van deze specifieke reisvergunning kunnen ten hoogste drie maanden op het grondgebied van dezelfde lidstaat blijven.

c) noodzakelijke omzetting van de bepalingen inzake uitzetting in een "klassiek" rechtsinstrument volgens het Verdrag, in het geval onderdanen van derde landen niet langer voldoen aan de voorwaarden om vrij te kunnen reizen op het grondgebied van de lidstaten of om in aanmerking te komen voor een specifieke reisvergunning.

d) opname van de in artikel 22 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen bedoelde bepaling inzake de aanmelding van onderdanen van derde landen, als facultatieve bepaling. De lidstaten kunnen immers het best beoordelen of onderdanen van derde landen verplicht moeten worden zich aan te melden, en zo ja, op welke manier zo een maatregel toegepast moet worden.

e) overname van de doelstelling van de Verordening van de Raad inzake vrij verkeer met een visum voor verblijf van langere duur;

f) wijziging van de Gemeenschappelijke Visuminstructie en het Gemeenschappelijk Handboek.

In dit verband moeten twee opmerkingen worden gemaakt :

Ten eerste moeten, gezien de aard van de specifieke reisvergunning, de basisvoorschriften betreffende de procedures en de afgifte van een specifieke reisvergunning in dit instrument worden geregeld, waarbij met name de in de Gemeenschappelijke Visuminstructie vastgelegde instructies inzake de procedures en de afgifte van een visum voor kort verblijf mutatis mutandis van toepassing moeten worden verklaard op de specifieke reisvergunning.

Ten tweede moeten dientengevolge de Gemeenschappelijke Visuminstructie en het Gemeenschappelijk Handboek worden aangepast aan de normatieve bepalingen betreffende de specifieke reisvergunning. Deze aanpassingen worden verricht door middel van de bepalingen in de bijlagen.

Daarnaast moeten deze beide instrumenten worden aangepast aan de normatieve bepalingen betreffende het vrije verkeer van onderdanen van derde landen die houder zijn van een visum voor verblijf van langere duur.

Tenslotte wijst de Commissie erop dat rekening moet worden gehouden met de doelstellingen van Tampere, waarin enerzijds sprake is van de wens om onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven rechten en plichten toe te kennen die vergelijkbaar zijn met die van de burgers van de Europese Unie, en anderzijds van de noodzaak om op termijn een uniforme status vast te stellen voor personen aan wie asiel wordt verleend [6].

[6] Zie mededeling van de Commissie COM(2000) 755 def. van 22.11.2000, en met name punt 3.3. daarvan.

4. Een nieuwe richtlijn: voor welke lidstaten -

De rechtsgrondslagen van dit voorstel vallen onder titel IV van het Verdrag en onder de ontwikkeling van het Schengenacquis. Daarom moet het voorstel worden ingediend en goedgekeurd met inachtneming van de Protocollen die aan het Verdrag van Amsterdam zijn gehecht.

De verschillende protocollen hebben onderstaande gevolgen:

4.1. Denemarken :

Overeenkomstig het aan het Verdrag van Amsterdam gehechte Protocol betreffende de positie van Denemarken, neemt Denemarken in beginsel niet deel aan de goedkeuring door de Raad van maatregelen in het kader van titel IV van het EG-Verdrag. Omdat het een voorstel of een initiatief tot uitwerking van het Schengen-acquis uit hoofde van de bepalingen van titel IV betreft, kan Denemarken echter, overeenkomstig artikel 5 van het hierboven bedoelde Protocol, besluiten dit besluit in zijn nationale wetgeving om te zetten. Indien Denemarken daartoe besluit, wordt daarmee een verplichting volgens internationaal publiek recht geschapen tussen Denemarken en de andere lidstaten die genoemd worden in artikel 1 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie.

De specifieke reisvergunning voor onderdanen van derde landen die een bezoek van ten hoogste zes maanden aan het grondgebied van twee of meer lidstaten willen brengen, is bedoeld om de in artikel 20, lid 2, van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen bedoelde gevallen te regelen overeenkomstig de bepalingen van het EG-Verdrag (artikel 62, punt 2), en artikel 63, punt 3)). Zoals gezegd, komen deze gevallen onder de Schengen-regeling in de praktijk inderdaad voor. Er zijn verschillende derde landen die hierover bilaterale overeenkomsten hebben gesloten met alle Schengen-lidstaten. De onderdanen van deze derde landen kunnen nu gedurende een praktisch onbeperkte periode (S = LS x 3 maanden) met vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf in de Schengen-ruimte blijven, omdat zij in elk van deze lidstaten een korte periode kunnen verblijven, en zo verschillende periodes van kort verblijf aaneen kunnen rijgen.

Dit voorstel vormt daarom een maatregel tot uitwerking van het Schengen-acquis.

4.2. Het Verenigd Koninkrijk en Ierland :

Titel IV van het EG-Verdrag is niet van toepassing op het Verenigd Koninkrijk en Ierland, tenzij die landen daaromtrent anderszins besluiten overeenkomstig hetgeen is vastgelegd in het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland dat aan de verdragen is gehecht.

4.3. Noorwegen en Ijsland :

Krachtens artikel 6, eerste alinea, van het Schengen-protocol, heeft de Raad op 17 mei 1999 een overeenkomst gesloten met IJsland en Noorwegen inzake de wijze waarop deze landen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis [7]. Overeenkomstig artikel 1 van die overeenkomst worden IJsland en Noorwegen betrokken bij de werkzaamheden van de Europese Gemeenschap en de Europese Unie op alle gebieden die worden bestreken door de in de bijlagen A en B bij de overeenkomst genoemde bepalingen en de verdere ontwikkeling daarvan. Bijlage A bevat de bepalingen van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen die betrekking hebben op de voorwaarden voor vrij verkeer van onderdanen van derde landen. Deze richtlijn moet dan ook, overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de overeenkomst met IJsland en Noorwegen, worden behandeld door het Gemengd Comité. De artikelen 4 en 8 van die overeenkomst zijn van toepassing bij de goedkeuring van de richtlijn door de Raad.

[7] PB L 176 van 10.7.1999, blz. 35.

5. Rechtsgrondslag

In zijn besluit tot indeling van het Schengen-acquis bij de eerste en de derde pijler (Besluit 1999/436/EG) heeft de Raad artikel 62, punt 3), en artikel 63, punt 3), van het EG-Verdrag aangewezen als rechtsgrondslagen voor de bepalingen van het hoofdstuk "Voorwaarden voor reisverkeer van vreemdelingen" [8].

[8] Daarbij moet worden opgemerkt dat voor artikel 19, lid 2, waarin een overgangsbepaling was opgenomen, geen rechtsgrondslag is aangewezen, omdat deze bepaling ondertussen verouderd was.

Artikel 62, punt 3), is dus de rechtsgrondslag voor de maatregelen inzake het vrije verkeer van onderdanen van derde landen op het grondgebied van de lidstaten gedurende een periode van ten hoogste drie maanden.

Met betrekking tot het voorstel om onderdanen van derde landen toe te laten op het grondgebied van de lidstaten voor een bezoek van ten hoogste zes maanden per periode van twaalf maanden, waarbij zij niet langer dan drie maanden op het grondgebied van dezelfde lidstaat mogen blijven, moet nader worden bekeken welke doelstelling de Commissie daarmee nastreeft.

Artikel 20, lid 1, van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen, bepaalt duidelijk dat de maximumduur van drie maanden binnen een periode van zes maanden geldt voor het gehele "Schengen-grondgebied", zodat de periodes die in de diverse lidstaten worden doorgebracht, bij elkaar worden opgeteld. Krachtens artikel 20, lid 2, heeft iedere lidstaat echter het recht "in bijzondere omstandigheden of krachtens de bepalingen van een ... bilaterale overeenkomst de verblijfstermijn van drie maanden van een vreemdeling op zijn grondgebied te verlengen". De Raad heeft hier artikel 62, punt 3) aangewezen als rechtsgrondslag, en in dit artikel geldt een maximumperiode van drie maanden. Daaruit kan worden afgeleid dat:

- de Raad geen nieuwe maatregelen kan goedkeuren waarbij het onderdanen van derde landen wordt toegestaan vrij te reizen op het grondgebied van de lidstaten gedurende een periode van meer dan drie maanden;

- de in artikel 20 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengen-Akkoord bedoelde bilaterale overeenkomsten moeten worden herzien/opgezegd om rekening te houden met de uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen, overeenkomstig artikel 307 van het EG-Verdrag.

In het licht van het voorgaande heeft de Commissie nota genomen van de wens van bepaalde lidstaten en bepaalde derde landen om onderdanen van derde landen als gebruikers van diensten (zoals toeristen, kuurgasten) en als dienstverleners (zoals artiesten of musici op tournee) toe te laten tot het grondgebied van de lidstaten voor een bezoek van meer dan drie maanden, tot maximaal zes maanden per periode van twaalf maanden.

Artikel 62, punt 3), van het EG-Verdrag vormt in beginsel geen beletsel voor deze doelstelling, die wordt verwezenlijkt door middel van de invoering van een specifieke vergunning voor toegang met oog op een bezoek, waarmee onderdanen van derde landen niet langer dan drie maanden op het grondgebied van dezelfde lidstaat mogen verblijven.

Omdat het om een periode van meer dan drie maanden gaat, moet echter van een andere rechtsgrond worden uitgegaan, namelijk van artikel 63, punt 3), van het EG-Verdrag, dat betrekking heeft op het verblijf in de lidstaten gedurende een periode van meer dan drie maanden, en met name het verblijf in één lidstaat. Dit artikel heeft hoofdzakelijk betrekking op maatregelen op het gebied van het immigratiebeleid en op immigranten die gedurende een lange periode in een lidstaat willen verblijven en daar, over het algemeen, willen integreren. Maar kan daarom de tussensituatie "sui generis", die voor ons van belang is, niet op grond van dit artikel worden geregeld- Waar het om gaat, is dat er een regeling komt voor de situatie waarin onderdanen van derde landen toegang wordt verleend zodat zij gedurende een periode van meer dan drie maanden, die kan oplopen tot maximaal zes maanden, kunnen reizen op het grondgebied van de lidstaten, waarbij zij echter niet langer dan drie maanden in dezelde lidstaat mogen blijven. Artikel 63, punt 3), staat niet in de weg aan de idee om onderdanen van derde landen als afnemers van diensten, met name als toeristen, toegang te verlenen tot het grondgebied van de lidstaten, en is bovendien de enige beschikbare rechtsgrond voor een specifieke reisvergunning zoals in dit voorstel wordt bedoeld. Het zou ook vreemd zijn als de Gemeenschap niet in staat zou zijn een situatie zoals die hierboven is geschetst, te regelen, terwijl zij wel de toegang en het verblijf voor langere duur in één enkele lidstaat kan regelen.

Omdat artikel 63, punt 3), de rechtsgrondslag vormt voor de invoering van een langlopende verblijfstitel, kan worden geconcludeerd dat op grond van dit artikel tevens de toegang van onderdanen van derde landen met het oog op een bezoek van zes maanden aan het grondgebied van de lidstaten kan worden geregeld, in de vorm van de invoering van een specifieke reisvergunning.

Voor de bepalingen die betrekking hebben op de verwijdering van vreemdelingen die niet of niet meer voldoen aan de voorwaarden om vrij te reizen, namelijk artikel 23, leden 2 tot 5 van de Overeenkomst ter uitvoering van het akkoord van Schengen, heeft de Raad een dubbele rechtsgrondslag aangewezen: artikel 62, punt 3), en artikel 63, punt 3) (waarvoor dezelfde besluitvormingsprocedure geldt).

Uit het voorgaande blijkt dat deze richtlijn op beide rechtsgrondslagen moet worden gebaseerd.

6. Subsidiariteit en evenredigheid

Krachtens artikel 67, lid 1, is de Gemeenschap bevoegd een rechtsinstrument op basis van artikel 62, punt 3), goed te keuren dat erop is gericht de voorwaarden vast te stellen waaronder onderdanen van derde landen vrij kunnen reizen op het grondgebied van de lidstaten gedurende een periode van ten hoogste drie maanden. Deze maatregelen moeten binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam worden genomen.

Artikel 63, punt 3) valt onder de bepalingen waarvoor deze periode van vijf jaar niet geldt. Er is echter een duidelijk verband tussen

- enerzijds de bepalingen inzake de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen vrij op het grondgebied van de lidstaten kunnen reizen gedurende een periode van ten hoogste drie maanden, en

- anderzijds de invoering van een specifieke reisvergunning voor onderdanen van derde landen die een bezoek van ten hoogste zes maanden aan het grondgebied van twee of meer lidstaten willen brengen.

Vanwege dit verband is het goed om, met het oog op een algemene aanpak zoals in deze richtlijn wordt voorgesteld, nu ook maatregelen te nemen die moeten worden gebaseerd op artikel 63, punt 3).

De lidstaten hebben vastgesteld dat in een ruimte zonder binnengrenzen een nauwe samenwerking onontbeerlijk is, en zij hebben daarom gemeenschappelijke bepalingen opgesteld tot harmonisatie van het verkeer van onderdanen van derde landen.

Krachtens artikel 5 van het EG-Verdrag gaat het optreden van de Gemeenschap "niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen van dit Verdrag te verwezenlijken".

Voor het door de Gemeenschap genomen initiatief moet de eenvoudigste vorm worden gekozen die het mogelijk maakt de doelstelling van het voorstel te verwezenlijken en dit zo doeltreffend mogelijk ten uitvoer te leggen. In dit licht is als rechtsinstrument gekozen voor een richtlijn. Dit instrument biedt de lidstaten tot welke de richtlijn is gericht, de mogelijkheid om de meest geschikte vorm en middelen te kiezen om de doelstellingen binnen hun juridisch kader en hun nationale context ten uitvoer te leggen.

Dit voorstel maakt zowel het vrije verkeer binnen de ruimte zonder binnengrenzen als de controle aan de buitengrenzen gemakkelijker. Nationale maatregelen zouden niet, zoals wenselijk is, resulteren in regels die voor alle lidstaten gelden.

7. Toelichting per artikel

Artikel 1

In artikel 1 wordt onder punt a) de doelstelling van de richtlijn beschreven, namelijk het vaststellen van de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen vrij kunnen reizen op het grondgebied van de lidstaten gedurende een periode van ten hoogste drie maanden.

Hoewel in artikel 62, punt 3), van het EG-Verdrag slechts sprake is van een periode van ten hoogste drie maanden, zonder dat deze periode wordt ingekaderd in een periode van zes maanden, moet rekening worden gehouden met het feit dat in het Schengen-acquis en in het internationale recht op dit gebied, onder een kort verblijf een verblijf van drie maanden per periode van zes maanden wordt verstaan. Deze beperking tot een periode van zes maanden geldt ook in het nationale recht van de meeste lidstaten.

Zonder deze inkadering zou de extreme situatie kunnen ontstaan waarin een onderdaan van een derde land het grondgebied van de lidstaten voor enkele uren verlaat en vervolgens terugkeert voor een kort verblijf of met een specifieke reisvergunning, hetgeen in feite tot een vorm van immigratie zou leiden die indruist tegen de bedoelingen van dit instrument.

In dit artikel wordt uitdrukkelijk gesteld dat alleen personen die legaal in de Unie verblijven vrij kunnen reizen. Personen die illegaal het grondgebied van de lidstaten van de Unie zijn binnengekomen of daar illegaal verblijven, kunnen dat niet.

Punt b) heeft betrekking op de invoering van een specifieke reisvergunning voor onderdanen van derde landen die toegang willen krijgen tot het grondgebied van de lidstaten voor een bezoek van ten hoogste zes maanden. Het bezoek met een specifieke reisvergunning is gekoppeld aan de voorwaarden die in deze richtlijn worden gesteld.

Artikel 2

In artikel 2 worden de gebruikte begrippen omschreven:

Eenieder die geen burger van de Unie is in de zin van artikel 17, lid 1, van het EG-Verdrag, is een "onderdaan van een derde land". Deze definitie omvat dus ook staatlozen.

Bij artikel 10 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen wordt een eenvormig visum ingesteld dat geldig is voor alle lidstaten. In artikel 11 worden twee soorten van dit visum omschreven: het reisvisum (punt a) en het doorreisvisum (punt b). Alleen met het reisvisum kan vrij worden gereisd. Dit visum is geldig voor één of meer binnenkomsten, waarbij, gerekend vanaf de datum van eerste binnenkomst, noch de duur van een ononderbroken verblijf, noch de totale duur van de achtereenvolgende verblijven meer dan drie maanden per zes maanden mag bedragen.

Onder "verblijfstitel" moet worden verstaan elke door de autoriteiten van een lidstaat afgegeven titel of vergunning waarbij iemand toestemming wordt verleend om in die lidstaat te verblijven.

Deze verblijfstitels kunnen veel verschillende vormen hebben. Daarom heeft het Uitvoerend Comité van Schengen een overzicht opgesteld en dit aan de Gemeenschappelijke Visuminstructie (bijlage 4) en het Gemeenschappelijk Handboek (bijlage 11) waarnaar in dit voorstel wordt verwezen, gehecht. De wijzigingen van deze bijlagen gelden dus ook voor deze richtlijn.

Artikel 3

Deze richtlijn geldt alleen voor onderdanen van derde landen die nog niet beschikken over een recht van toegang en verblijf (voor korte of langere duur) op het grondgebied van een andere lidstaat.

De richtlijn doet derhalve geen afbreuk aan de rechten van familieleden van burgers van de Unie, ongeacht hun nationaliteit, die al over een recht van toegang en verblijf beschikken als zij de burger van de Unie van wie zij familie zijn, vergezellen. De verwantschap wordt gedefinieerd in artikel 10 van Verordening nr. 1612/68 [9].

[9] PB L 257 van 19.10.1968, blz. 2.

De richtlijn laat ook de rechten onverlet waarover onderdanen van derde landen en hun familieleden beschikken krachtens overeenkomsten tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten en derde landen (b.v. de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte).

Er zij op gewezen dat onderdanen van derde landen die familie zijn van burgers van de Unie, krachtens het Schengen-acquis op dit gebied en dus ook krachtens deze richtlijn, onafhankelijk toegang tot het grondgebied van de lidstaten kunnen krijgen voor een kort verblijf, voor zover zij aan de in deze richtlijn gestelde voorwaarden voldoen.

Lid 2 bepaalt uitdrukkelijk dat deze richtlijn geen afbreuk doet aan de op onderdanen van derde landen toepasselijke regelingen inzake verblijf van langere duur of inzake de uitoefening van economische activiteiten. Afhankelijk van de betrokken categorie onderdanen, zijn deze regelingen vastgelegd in het nationale recht of in het gemeenschapsrecht.

Artikel 4

Deze standaardbepaling heeft betrekking op de naleving van het non-discriminatiebeginsel bij de tenuitvoerlegging van de verplichtingen die voortvloeien uit deze richtlijn. Zij komt overeen met artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Artikel 5

Dit artikel is gebaseerd op artikel 19 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen, waarin het vrije verkeer van onderdanen van derde landen die zijn onderworpen aan de visumplicht is geregeld. Deze richtlijn heeft betrekking op het vrije verkeer van onderdanen van derde landen die zich reeds legaal op het grondgebied van een lidstaat bevinden. De verwijzing van artikel 19 naar de legale binnenkomst hoeft daarom niet te worden overgenomen.

Dit artikel maakt duidelijk dat onderdanen van derde landen alleen vrij kunnen reizen als zij gedurende het verblijf voldoen aan alle voorwaarden die in lid 1, punten a) tot e), worden genoemd. Deze voorwaarden komen overeen met de voorwaarden voor binnenkomst van artikel 5, lid 1, onder a) tot e) van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen. Met het oog op de duidelijkheid en de doorzichtigheid voor degenen op wie deze richtlijn van toepassing is, zijn ze in de tekst van het voorstel opgenomen.

Welke reisdocumenten recht geven op overschrijding van de buitengrenzen is vastgesteld in besluit SCH/COM-ex(98) 56 van 16.12.1998 van het Uitvoerend Comité van Schengen [10]. Onderdanen van derde landen die beschikken over een reisdocument dat niet door alle lidstaten wordt erkend, kunnen alleen reizen op het grondgebied van de lidstaten die dit reisdocument wel hebben erkend als grensoverschrijdingsdocument.

[10] PB L 239 van 22.9.2000, blz. 207.

De ingewikkelde situatie waarin onderdanen van derde landen verkeerden die in bepaalde lidstaten wel waren onderworpen aan de visumplicht maar in andere niet (grijze lijst), en die daarom over een visum moesten beschikken om het grondgebied van bepaalde lidstaten te betreden ook al kwamen zij uit een lidstaat waarvoor zij geen visum hoefden te hebben, bestaat niet meer. De goedkeuring van het voorstel van de Commissie voor een "Verordening van de Raad tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van de derde landen waarvan de onderdanen vrijgesteld zijn van deze plicht" heeft de lijst van vereisten van de lidstaten op dit gebied definitief geharmoniseerd.

In lid 2 is rekening gehouden met artikel 11, lid 2, van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen, waarin is bepaald dat een lidstaat in voorkomend geval in de loop van de desbetreffende periode van zes maanden een ander visum kan verlenen waarvan de geldigheid is beperkt tot het eigen grondgebied.

Artikel 6

Dit artikel heeft betrekking op de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen die niet zijn onderworpen aan de visumplicht vrij kunnen reizen, zoals bepaald in artikel 20, lid 1, van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen.

Dit artikel maakt duidelijk dat onderdanen van derde landen die niet zijn onderworpen aan de visumplicht, alleen vrij kunnen reizen als zij gedurende hun verblijf op het grondgebied van de lidstaten voldoen aan de voorwaarden die in lid 5, onder a), c), d) en e), worden gesteld.

Lid 2 bepaalt dat elke lidstaat in bijzondere omstandigheden het recht van onderdanen om op zijn grondgebied te blijven, kan verlengen. Daarbij moet worden benadrukt dat deze verlenging geen verlenging van het vrije verkeer op het grondgebied van de andere lidstaten kan inhouden. Deze bepaling komt overeen met artikel 20, lid 2, van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen.

Het deel van artikel 20, lid 2, van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen dat betrekking heeft op bilaterale overeenkomsten is niet overgenomen, omdat een verblijf van meer dan drie maanden in de ruimte zonder binnengrenzen op basis van bilaterale overeenkomsten tussen de lidstaten met derde landen, niet meer kan voorkomen na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam (zie punt 3).

Artikel 7

Dit artikel beoogt alle aspecten van het vrije verkeer van onderdanen van derde landen die houder zijn van een verblijfstitel te regelen. In dit artikel zijn de bepalingen van de artikelen 21 en 25 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen overgenomen. Houders van een verblijfstitel kunnen gedurende een periode van drie maanden vrij reizen op het grondgebied van de lidstaten. Deze periode van drie maanden is een maximumperiode, die kan worden ingekort indien de geldigheidsduur van de verblijfstitel eerder verstrijkt. Lid 3 bepaalt dat houders van een visum voor een verblijf van langere duur vrij kunnen reizen gedurende maximaal drie maanden. Het betreft hier nationale visa voor langere duur, die zijn afgegeven overeenkomstig artikel 18 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen (D-visa). Volgens het bepaalde in artikel 18, zoals dat was geformuleerd bij de opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie en dat opnieuw wordt ingevoerd in artikel 17 van deze richtlijn, kunnen houders van een visum voor een verblijf van langere duur alleen over het grondgebied van de overige lidstaten reizen om zich te begeven naar het grondgebied van de lidstaat die het visum voor langere duur heeft afgegeven. Om eventuele tegenstrijdigheden te voorkomen, wordt duidelijk gemaakt dat dit voorstel artikel 18 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen onverlet laat.

Dit artikel is bedoeld om te zorgen voor gelijkheid tussen, enerzijds, houders van een visum voor langere duur die zich reeds op het grondgebied van de lidstaten bevinden en in afwachting zijn van de afgifte van een verblijfstitel, en, anderzijds, degenen die al in het bezit zijn van een verblijfstitel. Dit voorstel voorziet dus in de mogelijkheid om gedurende een periode van drie maanden vrij te reizen. Uit het voorgaande blijkt dat duidelijk moet worden gemaakt dat het vrije verkeer pas kan worden uitgeoefend nadat een verblijfstitel is aangevraagd bij de autoriteiten van de lidstaat die het visum voor langere duur heeft afgegeven. Uit deze bepaling blijkt dat het vrije verkeer met een visum voor langer duur van tijdelijke aard is, dat slechts geldt in afwachting van de afgifte van een verblijfstitel.

De indiening van de aanvraag moet worden bevestigd door middel van een stempel dat door de autoriteiten bij welke de aanvraag is ingediend, wordt aangebracht op het reisdocument van de betrokkene.

Het geldende gemeenschapsrecht inzake het vrije verkeer van burgers van de Unie biedt de lidstaten de mogelijkheid de visumplicht te hanteren voor familieleden die de nationaliteit van een derde land hebben. Krachtens de bepalingen van het Schengen-acquis, en bijgevolg ook krachtens dit voorstel, kunnen de lidstaten niet langer een visum voor een kort verblijf verplicht stellen voor familieleden van burgers van de Unie die houder zijn van een door een lidstaat afgegeven verblijfstitel of visum voor langere duur. Met het oog op de samenhang met de bepalingen inzake het vrije verkeer, en met name met die welke betrekking hebben op houders van een verblijfstitel, is in de leden 4 en 5 het bepaalde in artikel 25 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen overgenomen, om te wijzen op de verantwoordelijkheid van lidstaten die een verblijfstitel afgeven waarmee vrij kan worden gereisd op het grondgebied van de overige lidstaten.

De verwijzing naar het gemeenschapsrecht is bedoeld om rekening te houden met de huidige ontwikkelingen, met name met de maatregelen op het gebied van gezinshereniging.

Artikel 8

In lid 1 worden de voorwaarden vastgesteld waaronder onderdanen van derde landen toegang kunnen krijgen tot het grondgebied van de lidstaten voor een bezoek van ten hoogste zes maanden per periode van twaalf maanden, gerekend vanaf de datum van eerste binnenkomst, zonder langer dan drie maanden op het grondgebied van dezelfde lidstaat te blijven. De betrokkene moet de specifieke reisvergunning bij zich dragen. Dat maakt duidelijk dat zij vooraf over de vergunning moeten beschikken om het grondgebied van de lidstaten te kunnen betreden.

In lid 1 worden de voorwaarden voor toegang die in de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen zijn vastgesteld, en die in artikel 5, lid 1, onder a), c), d) en e) zijn overgenomen, herhaald.

Krachtens lid 2 doet het bepaalde in lid 1 geen afbreuk aan het recht van iedere lidstaat om in bijzondere omstandigheden de termijn van drie maanden gedurende welke een onderdaan van een derde land op zijn grondgebied mag verblijven, te verlengen. In deze bepaling is het in artikel 20, lid 2, van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen bepaalde overgenomen voor de categorie personen waarop deze tekst betrekking heeft.

Artikel 9

In artikel 9 zijn de voorwaarden voor de afgifte van de specifieke reisvergunning vastgesteld. Gezien de invoering van de specifieke reisvergunning en de aard van die vergunning, zijn de procedures en voorwaarden voor de afgifte ervan geënt op de bepalingen inzake de afgifte van een visum voor een kort verblijf van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen.

In lid 1 worden de voorwaarden en de procedure voor de afgifte van de specifieke reisvergunning vastgesteld. De vergunning wordt voorafgaand aan de binnenkomst op het grondgebied van de lidstaten afgegeven door de diplomatieke en consulaire autoriteiten van de lidstaten.

Lid 2 bepaalt dat afhankelijk van de behoeften van individuele onderdanen van een derde landen een specifieke reisvergunning voor één of meer binnenkomsten kan worden afgegeven, zoals ook het geval is voor een visum voor een kort verblijf.

In lid 3 wordt de mogelijkheid van afgifte van een specifieke reisvergunning aan de grens uitgesloten. Een visum voor een kort verblijf kan daarentegen wel aan de grens worden afgegeven, maar alleen in uitzonderlijke omstandigheden, voortvloeiend uit dringende redenen en indien het vanwege tijdsgebrek niet mogelijk was vooraf een aanvraag in te dienen. In die gevallen kan een visum voor een kort verblijf worden verstrekt, wat voldoende is om in dit soort situaties te voorzien. In lid 4 worden de criteria aangehouden die worden gehanteerd om vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de afgifte van een visum voor een kort verblijf.

In lid 5 wordt duidelijk gemaakt dat, indien voor onderdanen van derde landen die zijn onderworpen aan de visumplicht over de afgifte van een visum vooraf overleg moet worden gepleegd door de lidstaten, deze procedure ook moet worden gevolgd bij de aanvraag voor een specifieke reisvergunning.

Artikel 10

Krachtens lid 1 mag geen specifieke reisvergunning worden aangebracht in een reisdocument dat verlopen is. Lid 2 bepaalt dat de geldigheidsduur van het reisdocument langer moet zijn dan die van de specifieke reisvergunning. Lid 3 bepaalt dat indien het reisdocument niet door alle lidstaten wordt erkend, het ten minste door twee lidstaten moet worden erkend. De betrokkene kan alleen het grondgebied van de twee of meer lidstaten die het reisdocument erkennen, bezoeken. Het heeft geen zin een specifieke reisvergunning aan te brengen op een reisdocument dat slechts door één enkele lidstaat wordt erkend. Gezien de beperking van de maximale aanwezigheidsduur op het grondgebied van een lidstaat uit hoofde van een specifieke reisvergunning, zou in dat geval een visum voor een kort verblijf moeten worden afgegeven.

In dit artikel worden de criteria voor de afgifte van een visum voor kort verblijf gevolgd.

Artikel 11

De specifieke reisvergunning wordt verstrekt in de vorm van een uniform model (sticker), vergelijkbaar met het model dat wordt gebruikt voor de afgifte van visa, volgens (mutatis mutandis) de regels en overeenkomstig de specificaties van Verordening (EG) nr. 1683/95 van 29 mei 1995 tot invoering van een uniform visummodel [11]. Op deze manier is een hoog niveau van bescherming tegen vervalsing gewaarborgd. Alle bepalingen en wijzigingen betreffende het uniforme visummodel voor kort verblijf die worden goedgekeurd door het comité dat bij de hierboven bedoelde verordening is opgericht, gelden ook voor de specifieke reisvergunning.

[11] PB L 164 van 14.7.1995, blz. 1.

Uiterlijk verschilt de sticker slechts op de volgende punten van het uniforme visummodel:

In de rubriek "type visum" vermeldt de afgevende overheid de letter "E" gevolgd door de vermelding "reis". Daardoor is het verschil met een visum van korte of langere duur in één oogopslag duidelijk.

Artikel 12

Gezien de aard van de specifieke reisvergunning moeten de instructies voor de afgifte ervan in beginsel gelijk zijn aan de instructies van de Gemeenschappelijke Visuminstructie voor de afgifte van een visum voor kort verblijf. Zo wordt gebruik gemaakt van een reeds bestaand mechanisme om de praktische aspecten van het aanvragen en afgeven van de vergunning te regelen. Het is daarom voldoende de bepalingen van de Gemeenschappelijke visuminstructie en de relevante bijlagen mutatis mutandis van toepassing te verklaren.

Artikel 13

Deze richtlijn heeft betrekking op twee soorten verkeer op het grondgebied van de lidstaten: het vrije verkeer op het grondgebied van de lidstaten gedurende ten hoogste drie maanden en het bezoek aan het grondgebied van de lidstaten gedurende ten hoogste zes maanden. Voor elk van deze twee soorten verkeer gelden bepaalde voorwaarden, met name een tijdsbeperking binnen het kader van een bepaalde periode. Daarom moet ook de wisselwerking tussen deze twee soorten verkeer worden geregeld.

Volgens het algemene uitgangspunt van Schengen en van het internationale recht op dit gebied, kunnen onderdanen van derde landen gedurende in totaal zes maanden per periode van twaalf maanden op het grondgebied van de lidstaten verblijven. De invoering van de specifieke reisvergunning verandert niets aan deze totale duur. Dit heeft tot gevolg dat onderdanen van derde landen die gebruik hebben gemaakt van een specifieke reisvergunning, niet onmiddellijk na afloop van hun reis opnieuw het grondgebied van de lidstaten kunnen binnenkomen op basis van de bepalingen inzake kort verblijf, of omgekeerd. De maximumduur van zes maanden moet altijd in acht worden genomen.

Artikel 14

Dit voorstel biedt de lidstaten de mogelijkheid om degenen op wie deze richtlijn betrekking heeft, te verplichten hun aanwezigheid op het grondgebied te melden. Artikel 22 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen, dat ook op dit onderwerp betrekking heeft, stelde deze aanmelding verplicht. In deze richtlijn is het echter een facultatieve bepaling, omdat, volgens de gegevens van de Commissie, de lidstaten twijfelen aan het nut van dit systeem, met name vanwege de problemen bij de praktische tenuitvoerlegging en de controle op de naleving van deze verplichting. Bovendien is het bestaan van de mogelijkheid om, komende uit de ene lidstaat, bij binnenkomst van de andere lidstaat de aanwezigheid te melden, niet verenigbaar met het beginsel van afschaffing van de controle aan de binnengrenzen.

Dit voorstel voorziet in een aanmelding binnen zeven werkdagen. Daarmee wordt voorkomen dat onderdanen van derde landen die een weekend of een lang weekend op reis gaan, aan verplichtingen moeten voldoen waarvan de praktische gevolgen onevenredig zwaar wegen. Het lijkt voldoende om deze aanmelding te vereisen van onderdanen van derde landen die tamelijk lang op het grondgebied van een lidstaat blijven.

Het is aan de lidstaten om te beoordelen of zo'n aanmeldingsregeling al dan niet moet worden ingevoerd. Indien zij daartoe inderdaad besluiten, moeten de lidstaten de Commissie in kennis stellen van de wijze waarop deze aanmelding plaatsvindt (b.v. welke autoriteit bevoegd is). De Commissie zal deze gegevens bekendmaken in het Publicatieblad om ervoor te zorgen dat de verplichtingen van degenen die gebruik maken van het vrije verkeer, doorzichtig zijn.

Artikel 15

In artikel 15 zijn de bepalingen van artikel 23 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen overgenomen, met toevoeging van het visum voor langere duur.

Degenen op wie deze richtlijn betrekking heeft, dienen het grondgebied van de lidstaten onverwijld te verlaten indien zij niet of niet meer voldoen aan de voorwaarden om vrij te kunnen reizen of gebruik te kunnen maken van een specifieke reisvergunning. De tweede alinea van lid 1 is gebaseerd op het uitgangspunt dat de hoofdverantwoordelijkheid voor de aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaten van een houder van een verblijfstitel of een visum voor langere duur, berust bij de lidstaat die het betrokken document heeft afgegeven.

Indien bij een binnenlandse controle door de bevoegde autoriteiten wordt vastgesteld dat iemand niet voldoet aan een of meer van de gestelde voorwaarden, kan de betrokkene die lidstaat worden uitgezet indien het vermoeden bestaat dat hij die lidstaat niet of niet vrijwillig zal verlaten.

Ten aanzien van de gronden voor de uitzetting van iemand waarop deze richtlijn van toepassing is, moet worden opgemerkt dat deze richtlijn, overeenkomstig artikel 3, geen afbreuk doet aan de rechten die het gemeenschapsrecht toekent aan onderdanen van derde landen die familie zijn van burgers van de Unie.

Hierbij moet worden opgemerkt dat de toelating van onderdanen van derde landen voor een verblijf op het grondgebied van een lidstaat, in het geval de nationale wetgeving van de betrokken lidstaat uitzetting niet toelaat, geen maatregel in het kader van het immigratiebeleid is.

Lid 4 verwijst naar het verbod tot uitzetting of terugleiding, om rekening te houden met de jurisprudentie in het kader van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en is gebaseerd op de bepaling van de Overeenkomst van Dublin die in de plaats is gekomen voor artikel 33, lid 1, van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen.

Artikel 16

Dit is een standaardbepaling volgens welke moet worden voorzien in doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties. Zij geeft de lidstaten de discretionaire bevoegdheid de toepasselijke straffen vast te stellen in geval van schending van de nationale bepalingen ter uitvoering van de richtlijn.

Artikel 17

In dit artikel worden de artikelen van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen ingetrokken die als gevolg van dit voorstel verouderd zijn geworden.

De intrekking van Verordening nr. 1091/2001 overeenkomstig artikel 20 van dit voorstel, heeft tot gevolg dat artikel 18 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen opnieuw moet worden ingevoerd zoals het luidde ten tijde van de opname van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie, waarbij het moet worden aangepast aan het communautaire taalgebruik.

Artikel 18

In dit artikel wordt verwezen naar bijlage I van de richtlijn, waarin alle normatieve wijzigingen van de Gemeenschappelijke Visuminstructie zijn ondergebracht die nodig zijn als gevolg van deze richtlijn.

Artikel 19

In dit artikel wordt verwezen naar bijlage II van de richtlijn, waarin alle normatieve wijzigingen van het Gemeenschappelijk Handboek zijn ondergebracht die nodig zijn als gevolg van deze richtlijn.

Artikel 20

De intrekking van Verordening (EG) nr. 1091/2001 van de Raad is een louter technische aangelegenheid en doet niets af aan de doelstelling van die verordening, die ook in deze richtlijn is terug te vinden.

Artikelen 21, 22, 23

Deze artikelen bevatten standaardbepalingen.

Bijlage I

Bijlage I bevat de in de Gemeenschappelijke Visuminstructie aan te brengen normatieve wijzigingen die voortvloeien uit deze richtlijn.

Bijlage II

Bijlage II bevat de in het Gemeenschappelijk Handboek aan te brengen normatieve wijzigingen die voortvloeien uit deze richtlijn.

2001/0155 (CNS)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN DE RAAD

betreffende de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen gedurende een periode van ten hoogste drie maanden vrij kunnen reizen op het grondgebied van de lidstaten, alsmede tot invoering van een specifieke reisvergunning en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang met het oog op een bezoek van ten hoogste zes maanden

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 62, punt 3), en artikel 63, punt 3)

Gezien het voorstel van de Commissie [12],

[12] PB C van , blz. .

Gezien het advies van het Europees Parlement [13],

[13] PB C van , blz. .

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, voorziet artikel 61 van het Verdrag in de aanneming van maatregelen die erop gericht zijn het vrije verkeer van personen te waarborgen overeenkomstig artikel 14 van het Verdrag, in samenhang met daarmee rechtstreeks verband houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot, met name, controles aan de buitengrenzen, asiel en immigratie.

(2) In artikel 61, onder a), van het EG-Verdrag wordt met name verwezen naar maatregelen tot vaststelling van de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen vrij kunnen reizen op het grondgebied van de lidstaten gedurende een periode van ten hoogste drie maanden.

(3) In het Schengen-acquis, dat is opgenomen in het kader van de Europese Unie, zijn reeds bepaalde voorwaarden voor het vrij verkeer van onderdanen van derde landen vastgesteld.

(4) De in artikel 62, punt 3) van het Verdrag bedoelde maatregelen komen in de plaats van de desbetreffende onderdelen van het Schengen-acquis dat is opgenomen in het kader van de Europese Unie. Deze richtlijn voorziet in een algemene harmonisatie van de voorwaarden voor het verkeer van onderdanen van derde landen. Derhalve moeten de bestaande bepalingen van het Schengen-acquis op dit gebied worden vervangen.

(5) Daarom worden in deze richtlijn de voorwaarden vastgesteld waaronder onderdanen van derde landen, ongeacht of zij aan de visumplicht zijn onderworpen of niet, of in het bezit zijn van een verblijfstitel, gedurende een periode van ten hoogste drie maanden vrij kunnen reizen op het grondgebied van de lidstaten.

(6) De Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen voorziet ook in de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden of krachtens de bepalingen van een vóór de inwerkingtreding van deze overeenkomst gesloten bilaterale overeenkomst de verblijfstermijn van drie maanden op het nationale grondgebied te verlengen.

(7) Na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam kunnen de in artikel 20, lid 2, van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen bedoelde bilaterale overeenkomsten tot vrijstelling van de visumplicht niet langer de basis vormen van een verblijf van meer dan drie maanden in de ruimte zonder binnengrenzen met vrijstelling van de visumplicht voor een kort verblijf.

(8) Er moeten echter ook voorwaarden worden vastgesteld waaronder onderdanen van derde landen zich gedurende een periode van tussen de drie en de zes maanden in de ruimte zonder binnengrenzen kunnen bevinden, zonder langer dan drie maanden op het grondgebied van een van de bezochte lidstaten door te brengen.

(9) Daarom moet een specifieke reisvergunning worden ingevoerd voor onderdanen van derde landen - ongeacht of zij aan de visumplicht zijn onderworpen of niet - die een bezoek van ten hoogste zes maanden op een periode van twaalf maanden, gerekend vanaf de datum van eerste binnenkomst, aan het grondgebied van twee of meer lidstaten willen brengen, waarbij zij zich niet langer dan drie maanden op het grondgebied van dezelfde lidstaat mogen ophouden.

(10) Voor Denemarken vormt dit voorstel een uitwerking van het Schengen-acquis in de zin van het Protocol betreffende de positie van Denemarken, dat aan het Verdrag van Amsterdam is gehecht. Voor de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen heeft deze richtlijn betrekking op de uitwerking van het Schengen-acquis in de zin van de overeenkomst die de Raad van de Europese Unie op 17 mei 1999 heeft gesloten met deze twee landen [14]. Na afronding van de in de overeenkomst bedoelde procedures gelden de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit deze richtlijn ook voor deze beide landen.

[14] Krachtens artikel 1 van de Overeenkomst tussen de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis moet deze richtlijn worden behandeld door het Gemengd Comité overeenkomstig artikel 4 van deze overeenkomst.

(11) In deze richtlijn worden de grondrechten en de beginselen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden erkend, in acht genomen.

(12) Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 5 van het Verdrag, kan de doelstelling van het overwogen optreden, namelijk de vaststelling van de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen vrij kunnen reizen op het grondgebied van de lidstaten, niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt en kan daarom wegens de omvang of de gevolgen van het voorgenomen optreden beter door de Gemeenschap worden verwezenlijkt. Deze richtlijn is beperkt tot het vereiste minimum om deze doelstelling te bereiken, en gaat niet verder dan hetgeen hiertoe noodzakelijk is,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Hoofdstuk I

Algemene bepalingen

Artikel 1

Doel

Deze richtlijn heeft ten doel de voorwaarden vast te stellen waaronder

a) onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven, gedurende een periode van ten hoogste drie maanden vrij kunnen reizen op het grondgebied van de lidstaten;

b) onderdanen van derde landen die een bezoek van ten hoogste zes maanden willen brengen aan het grondgebied van twee of meer lidstaten, een specifieke reisvergunning kunnen krijgen waarmee zij toegang tot het grondgebied van de lidstaten krijgen met het oog op zo'n bezoek.

Artikel 2

Definities

In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:

"onderdaan van een derde land": eenieder die geen burger van de Unie is in de zin van artikel 17, lid 1, van het Verdrag;

"eenvormig visum": het visum zoals bedoeld in artikel 10 en artikel 11, lid 1, onder a) van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen;

"verblijfstitel": elke door de autoriteiten van een lidstaat afgegeven titel of vergunning die iemand het recht geeft op het grondgebied van die lidstaat te verblijven, en die is opgenomen in de lijst van bijlage 4 van de Gemeenschappelijke Visuminstructie [15] en van bijlage 11 van het Gemeenschappelijk Handboek [16].

[15] PB L 239 van 22.9.2000, blz. 317, laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2001/329/EG van de Raad van 24 april 2001, PB L 116 van 26.4.2001.

[16] PB van , blz. .

Artikel 3

Toepassingsgebied

1. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan :

a) de rechten inzake het vrij verkeer van burgers van de Europese Unie van onderdanen van derde landen die familie zijn van burgers van de Unie,

b) de rechten van onderdanen van derde landen en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, die krachtens overeenkomsten tussen de Gemeenschap en haar lidstaten en deze landen inzake de toegang tot en het verblijf in een lidstaat, over dezelfde rechten beschikken als burgers van de Unie.

2. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de op onderdanen van derde landen toepasselijke bepalingen van het gemeenschapsrecht of het nationale recht inzake:

a) verblijf van langere duur en

b) de toegang tot en de uitoefening van economische activiteiten.

Artikel 4

Non-discriminatie

De lidstaten passen deze richtlijn toe zonder onderscheid te maken naar met name geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuigingen, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid.

Hoofdstuk II

Voorwaarden om gedurende ten hoogste drie maanden vrij te kunnen reizen

Artikel 5

Onderdanen van derde landen die zijn onderworpen aan de visumplicht

1. Onderdanen van derde landen die houder zijn van een eenvormig visum kunnen vrij reizen op het grondgebied van de lidstaten gedurende de geldigheidsperiode van het visum, mits zij aan de volgende voorwaarden voldoen :

a) in het bezit zijn van een geldig reisdocument of geldige reisdocumenten die recht geven op overschrijding van de buitengrenzen;

b) in het bezit zijn van een visum dat geldig is gedurende de voorgenomen verblijfsduur,

c) zo nodig documenten kunnen overleggen ter staving van het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf en over voldoende bestaansmiddelen beschikken, zowel voor de voorgenomen verblijfsduur als voor de terugkeer naar het land van herkomst of de doorreis naar een derde land waar zij zeker zullen worden toegelaten, of in staat zijn deze middelen op rechtmatige wijze te verkrijgen;

d) niet ter fine van weigering van toegang gesignaleerd staan;

e) niet worden beschouwd als een gevaar voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de internationale betrekkingen van een van de lidstaten.

2. Lid 1 is niet van toepassing op onderdanen van derde landen die beschikken over een visum met een beperkte territoriale geldigheid overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 3 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengen-Akkoord.

Artikel 6

Onderdanen van derde landen die zijn vrijgesteld van de visumplicht

1. Onderdanen van derde landen die zijn vrijgesteld van de visumplicht kunnen gedurende ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden vrij reizen op het grondgebied van de lidstaten, mits zij voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a), c), d) en e) gestelde voorwaarden.

2. Het bepaalde in lid 1 doet geen afbreuk aan het recht van iedere lidstaat om in bijzondere omstandigheden de termijn van drie maanden gedurende welke een onderdaan van een derde land op zijn grondgebied mag verblijven, te verlengen.

Artikel 7

Onderdanen van derde landen die houder zijn van een verblijfstitel

1. Onderdanen van derde landen die houder zijn van een geldige, door een van de lidstaten afgegeven verblijfstitel, kunnen gedurende een periode van ten hoogste drie maanden vrij reizen op het grondgebied van de andere lidstaten, mits zij zijn voorzien van hun verblijfstitel, voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a), c) en e) gestelde voorwaarden en niet voorkomen op de nationale signaleringslijst van de betrokken lidstaat.

2. Lid 1 is tevens van toepassing op onderdanen van derde landen die houder zijn van een door een van de lidstaten afgegeven voorlopige verblijfsvergunning en van een door diezelfde lidstaat afgegeven reisdocument.

3. Onverminderd het bepaalde in artikel 18 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen, is lid 1 ook van toepassing op onderdanen van derde landen die houder zijn van een visum voor een verblijf van langere duur dat is afgegeven door een van de lidstaten. Deze onderdanen van derde landen kunnen pas vrij reizen nadat de verblijfstitel is aangevraagd bij de lidstaat die het visum voor een verblijf van langere duur heeft afgegeven. Ter bevestiging van het feit dat deze aanvraag is ingediend, wordt door de autoriteit bij welke de aanvraag is ingediend, een stempel aangebracht op het reisdocument.

4. Een lidstaat die overweegt een verblijfstitel te verstrekken aan een onderdaan van een derde land die ter fine van weigering van toegang staat gesignaleerd, pleegt vooraf overleg met de signalerende lidstaat en houdt rekening met de belangen van deze lidstaat. De verblijfstitel wordt slechts om ernstige redenen verstrekt, met name uit humanitaire overwegingen of ingevolge internationale verplichtingen of verplichtingen die voortvloeien uit het gemeenschapsrecht.

Indien de verblijfstitel wordt verstrekt, trekt de signalerende lidstaat de signalering in, maar kan de betrokkene wel op de nationale signaleringslijst plaatsen.

5. Indien blijkt dat een onderdaan van een derde land die houder is van een door een lidstaat afgegeven geldige verblijfstitel ter fine van weigering van toegang staat gesignaleerd, pleegt de signalerende lidstaat overleg met de lidstaat die de verblijfstitel heeft afgegeven, om na te gaan of er voldoende grond is om de verblijfstitel in te trekken.

Indien de verblijfstitel niet wordt ingetrokken, trekt de signalerende lidstaat de signalering in, maar kan de betrokkene wel op de nationale signaleringslijst plaatsen.

Hoofdstuk III

Specifieke reisvergunning

Artikel 8

Voorwaarden

1. Onderdanen van derde landen krijgen toegang tot het grondgebied van de lidstaten met het oog op een bezoek van ten hoogste zes maanden per periode van twaalf maanden, gerekend vanaf de datum van eerste binnenkomst, zonder dat zij langer dan drie maanden op het grondgebied van dezelfde lidstaat mogen blijven, mits zij aan de volgende voorwaarden voldoen:

- voorzien zijn van een geldige, door een van de lidstaten afgegeven specifieke reisvergunning;

- voldoen aan de voorwaarden die in artikel 5, lid 1, onder a), c), d) en e) zijn gesteld.

2. Het bepaalde in lid 1 doet geen afbreuk aan het recht van iedere lidstaat om in bijzondere omstandigheden de termijn van drie maanden gedurende welke een onderdaan van een derde land op zijn grondgebied mag verblijven, te verlengen.

Artikel 9

Afgifte

1. De specifieke reisvergunning wordt op verzoek van een onderdaan van een derde land afgegeven door de diplomatieke en consulaire autoriteiten van de lidstaten, voordat de betrokkene het grondgebied van de lidstaten betreedt en mits hij voldoet aan de voorwaarden die in artikel 5, lid 1, onder a), c), d) en e) worden gesteld.

2. De specifieke reisvergunning kan worden afgegeven voor een of meerdere binnenkomsten op het grondgebied van de lidstaten.

3. De specifieke reisvergunning kan niet aan de grens worden verstrekt.

4. De voor de afgifte van de specifieke reisvergunning bevoegde lidstaat is de lidstaat op wiens grondgebied het hoofdreisdoel is gelegen. Indien dit doel niet kan worden bepaald, is de diplomatieke of consulaire post van de lidstaat van eerste binnenkomst bevoegd voor de afgifte van de specifieke reisvergunning.

5. De lidstaten moeten overeenkomstig de procedure van artikel 17, lid 2, van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen vooraf worden geraadpleegd over de afgifte van een specifieke reisvergunning, indien deze procedure ook moet worden gevolgd indien door dezelfde persoon een visumaanvraag wordt ingediend.

Artikel 10

Wijze van verstrekking

1. Er mag geen specifieke reisvergunning worden aangebracht op een reisdocument waarvan de geldigheidsduur is verstreken.

2. De geldigheidsduur van het reisdocument moet langer zijn dan die van de specifieke reisvergunning, vanwege de gebruikstermijn daarvan. Op grond van de geldigheidsduur van het reisdocument moet de onderdaan van een derde land kunnen terugkeren naar zijn land van herkomst of zich naar een derde land kunnen begeven.

3. Er mag geen specifieke reisvergunning worden aangebracht op een reisdocument dat voor geen enkele lidstaat of slecht voor één enkele lidstaat geldig is. Indien het reisdocument slechts voor twee of enkele lidstaten geldig is, blijft de geldigheid van de aan te brengen specifieke reisvergunning beperkt tot deze lidstaten.

Artikel 11

Model

1. De specifieke reisvergunning wordt door de lidstaten afgegeven in de vorm van een uniform stickermodel (zelfklever), mutatis mutandis volgens de voorschriften en de specificaties van Verordening (EG) nr. 1683/95 van de Raad [17].

[17] PB L 164 van 14.7.1995, blz. 1.

2. Op het voor dit doel verstrekte uniforme model wordt in de rubriek 11 "type visum" de letter "E" vermeld, gevolgd door de vermelding "reis".

Artikel 12

Toepassing van de gemeenschappelijke visuminstructie

1. Onverminderd artikel 11, lid 2, en artikel 18 van deze richtlijn zijn de bepalingen van de Gemeenschappelijke Visuminstructie en de bijlagen 1, 5, 7, 9, 10, 11, 12, 13, 14 en 15 mutatis mutandis van toepassing op de afgifte van de specifieke reisvergunning.

2. De rechten die worden geïnd bij de afgifte van een specifieke reisvergunning zijn gelijk aan het bedrag dat wordt geïnd voor een visum voor meerdere binnenkomsten, met een geldigheidsduur van één jaar, zoals bedoeld in bijlage 12 van de Gemeenschappelijke Visuminstructie.

Hoofdstuk IV

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 13

Verband tussen de "voorwaarden om gedurende ten hoogste drie maanden vrij te kunnen reizen" en de "specifieke reisvergunning"

De specifieke reisvergunning kan niet worden gecombineerd met het vrije reizen overeenkomstig hoofdstuk II, om te voorkomen dat de aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaten de maximale periode van zes maanden per periode van twaalf maanden overschrijdt.

Artikel 14

Aanmelding

1. De lidstaten kunnen degenen op wie deze richtlijn betrekking heeft, verplichten zich binnen zeven werkdagen aan te melden bij een autoriteit op hun grondgebied.

2. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de in lid 1 bedoelde aanmelding moet plaatsvinden, alsmede van alle latere wijzigingen. De Commissie maakt deze gegevens bekend in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 15

Verwijdering

1. Onderdanen van derde landen die niet of niet meer voldoen aan de voorwaarden die worden gesteld aan een kort verblijf of een specifieke reisvergunning, dienen het grondgebied van de lidstaten onverwijld te verlaten.

Indien de betrokken onderdaan van een derde land beschikt over een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfstitel, een geldige voorlopige verblijfsvergunning of een geldig nationaal visum voor langere duur, dient hij zich onverwijld naar die lidstaat te begeven.

2. Indien de betrokkene niet vrijwillig vertrekt of indien het vermoeden bestaat dat hij dat niet zal doen of indien onmiddellijk vertrek om redenen van nationale veiligheid of openbare orde geboden is, dient de betrokken onderdaan van een derde land te worden verwijderd van het grondgebied van de lidstaat waarin hij werd aangehouden, overeenkomstig de in het nationale recht van die lidstaat bepaalde voorwaarden. Indien verwijdering volgens dit recht niet is toegestaan, kan die lidstaat de betrokkene toestaan op zijn grondgebied te verblijven.

3. De betrokkene kan worden verwijderd naar zijn land van herkomst of naar enig ander land waar hij kan worden toegelaten, in het bijzonder ingevolgde de relevante bepalingen van de door de Gemeenschap of door de lidstaten gesloten overnameovereenkomsten met het betrokken derde land. 4. Het bepaalde in lid 3 doet geen afbreuk aan het bepaalde in lid 1, tweede alinea, de bepalingen inzake het asielrecht, de verplichtingen van de lidstaten voortvloeiende uit het verbod tot uitzetting of terugleiding, de toepassing van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967, of aan de verplichtingen van de lidstaten inzake de terugname of overname van asielzoekers van wie het asielverzoek in behandeling is en die zich zonder toestemming in een andere lidstaat bevinden.

Hoofdstuk V

Slotbepalingen

Artikel 16

Straffen

De lidstaten stellen vast welke straffen van toepassing zijn op schendingen van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en treffen alle maatregelen die nodig zijn om de toepassing van die straffen te waarborgen. Deze straffen moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op de in artikel 21 genoemde datum van de desbetreffende bepalingen in kennis en delen haar alle latere wijzigingen ervan zo spoedig mogelijk mede.

Artikel 17

Wijziging van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen

De Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 18 wordt vervangen door de volgende tekst :

« Artikel 18

Visa voor een verblijf van langer dan drie maanden zijn nationale visa die door een van de lidstaten overeenkomstig de eigen nationale wetgeving worden afgegeven. Een dergelijk visum geeft de houder ervan het recht over het grondgebied van de andere lidstaten te reizen om zich naar het grondgebied van de lidstaat die het visum heeft verleend, te begeven, tenzij hij niet voldoet aan de in artikel 5, lid 1, onder a), d) en e) gestelde voorwaarden of voorkomt op de nationale signaleringslijst van de lidstaat over wiens grondgebied hij wenst te reizen.

2. De artikelen 19 tot 23 en 25 worden geschrapt en vervangen.

Artikel 18

Wijziging van de gemeenschappelijke visuminstructie

De Gemeenschappelijke Visuminstructie wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I van deze richtlijn.

Artikel 19

Wijziging van het Gemeenschappelijk Handboek

Het Gemeenschappelijk Handboek wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II van deze richtlijn.

Artikel 20

Intrekking

Verordening (EG) nr. 1091/2001 van de Raad wordt ingetrokken.

Artikel 21

Omzetting

De lidstaten zorgen ervoor dat de bepalingen die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen vóór [...] worden goedgekeurd en bekendgemaakt. Zij stellen de Commissie onverwijld in kennis van deze bepalingen.

Zij passen deze bepalingen toe vanaf [...].

In de bepalingen die de lidstaten aannemen of bij de officiële bekendmaking daarvan, wordt naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 22

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 23

Adressaten

Overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is deze richtlijn gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, op

Voor de Raad

De Voorzitter

BIJLAGE I

De Gemeenschappelijke Visuminstructie wordt als volgt gewijzigd :

1) Aan deel I, punt 1, wordt de volgende alinea toegevoegd :

"De houder van een visum voor verblijf van langere duur mag echter op het grondgebied van de lidstaten vrij reizen nadat hij een verblijfstitel heeft aangevraagd bij de lidstaat die het visum voor verblijf van langere duur heeft verleend".

2) In deel I wordt punt 2.2 vervangen door de volgende tekst :

"Een visum voor een verblijf van langer dan drie maanden is een nationaal visum, dat door de lidstaten overeenkomstig hun nationale wetgeving wordt verstrekt.

Dit visum geldt als uniform doorreisvisum, waarmee de houder zich naar het grondgebied van de lidstaat die het visum heeft verstrekt, kan begeven, met dien verstande dat de doorreis, gerekend vanaf de datum van binnenkomst, niet langer dan vijf dagen mag duren, en mits de houder van het visum voldoet aan de voorwaarden voor toegang en niet ter fine van weigering gesignaleerd staat op de lijst van de lidstaat of lidstaten over het grondgebied waarvan hij wenst te reizen.

"De houder van een visum voor verblijf van langere duur mag echter op het grondgebied van de lidstaten vrij reizen nadat hij een verblijfstitel heeft aangevraagd bij de lidstaat die het visum voor verblijf van langere duur heeft verleend". Ter bevestiging van het feit dat deze aanvraag is ingediend, wordt door de autoriteit bij welke de aanvraag is ingediend, een stempel aangebracht op het reisdocument van de betrokken onderdaan van een derde land".

3) Aan deel I, punt 2, wordt het volgende punt toegevoegd :

« 2.5. Specifieke reisvergunning: specifieke reisvergunning op grond waarvan onderdanen van derde landen toegang kunnen vragen tot het grondgebied van de lidstaten om andere redenen dan immigratie, voor een ononderbroken bezoek of voor meerdere bezoeken waarvan de totale duur, gerekend vanaf de datum van eerste binnenkomst, ten hoogste zes maanden per periode van twaalf maanden bedraagt, waarbij zij niet langer dan drie maanden op het grondgebied van dezelfde lidstaat mogen blijven.

De bepalingen van de Gemeenschappelijke Visuminstructie en de bijlagen 1, 5, 7, 9, 10, 11, 12, 13, 14 en 15 daarvan zijn mutatis mutandis van toepassing op de afgifte van de specifieke reisvergunning.

Deze vergunning kan worden afgegeven voor één of meerdere binnenkomsten."

4) Aan deel IV wordt de volgende tekst toegevoegd :

De specifieke reisvergunning kan slechts worden afgegeven als aan de voorwaarden wordt voldaan die in de volgende artikelen worden gesteld:

Artikel 9

1. De specifieke reisvergunning wordt op verzoek van een onderdaan van een derde land afgegeven door de diplomatieke en consulaire autoriteiten van de lidstaten, voordat de betrokkene het grondgebied van de lidstaten betreedt en mits hij voldoet aan de voorwaarden die in artikel 5, lid 1, onder a), c), d) en e) worden gesteld.

Artikel 5

1. Onderdanen van derde landen die houder zijn van een eenvormig visum kunnen vrij reizen op het grondgebied van de lidstaten gedurende de geldigheidsperiode van het visum, mits zij aan de volgende voorwaarden voldoen:

a) in het bezit zijn van een geldig reisdocument of geldige reisdocumenten die recht geven op overschrijding van de buitengrenzen;

b) in het bezit zijn van een visum dat geldig is gedurende de voorgenomen verblijfsduur,

c) zo nodig documenten kunnen overleggen ter staving van het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf en over voldoende bestaansmiddelen beschikken, zowel voor de voorgenomen verblijfsduur als voor de terugkeer naar het land van herkomst of de doorreis naar een derde land waar zij zeker zullen worden toegelaten, of in staat zijn deze middelen op rechtmatige wijze te verkrijgen;

d) niet ter fine van weigering van toegang gesignaleerd staan;

e) niet worden beschouwd als een gevaar voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de internationale betrekkingen van een van de lidstaten.

BIJLAGE II

Het Gemeenschappelijk Handboek wordt als volgt gewijzigd :

1) Aan deel I, punt 1.1, wordt de volgende alinea toegevoegd:

"Houders van een specifieke reisvergunning die legaal via de buitengrens het grondgebied van een lidstaat hebben betreden, mogen het grondgebied van alle lidstaten bezoeken gedurende een periode van ten hoogste zes maanden per periode van twaalf maanden, zonder dat zij langer dan drie maanden op het grondgebied van dezelfde lidstaat mogen blijven".

2) Aan punt 3 van deel I wordt aan de laatste alinea een streepje toegevoegd :

"specifieke reisvergunning"

3) Aan punt 3.3.1. van deel I wordt de volgende alinea toegevoegd :

"De houder van een visum voor verblijf van langere duur mag echter op het grondgebied van de lidstaten vrij reizen nadat hij een verblijfstitel heeft aangevraagd bij de lidstaat die het visum voor verblijf van langere duur heeft verleend". Ter bevestiging van het feit dat deze aanvraag is ingediend, wordt door de autoriteit bij welke de aanvraag is ingediend, een stempel aangebracht op het reisdocument van de betrokken onderdaan van een derde land".

4) Aan deel I wordt het volgende punt toegevoegd:

« 3.4. Specifieke reisvergunning:

Deze specifieke reisvergunning geeft de houder ervan het recht om het grondgebied van de lidstaten te bezoeken gedurende een periode van ten hoogste zes maanden per periode van twaalf maanden, zonder dat het bezoek op het grondgebied van één enkele lidstaat meer dan drie maanden kan bedragen, mits hij voldoet aan de voorwaarden die zijn gesteld in artikel 8 van de richtlijn betreffende de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen gedurende een periode van ten hoogste drie maanden vrij kunnen reizen op het grondgebied van de lidstaten, alsmede tot invoering van een specifieke reisvergunning en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang met het oog op een bezoek van ten hoogste zes maanden.

Artikel 8

1. Onderdanen van derde landen krijgen toegang tot het grondgebied van de lidstaten voor een bezoek van ten hoogste zes maanden per periode van twaalf maanden, gerekend vanaf de datum van eerste binnenkomst, zonder dat zij langer dan drie maanden op het grondgebied van dezelfde lidstaat mogen blijven, mits zij aan de volgende voorwaarden voldoen:

- in het bezit zijn van een geldige, door een van de lidstaten afgegeven specifieke reisvergunning;

- voldoen aan de voorwaarden die in artikel 5, lid 1, onder a), c), d) en e) zijn gesteld.

2. Het bepaalde in lid 1 doet geen afbreuk aan het recht van iedere lidstaat om in bijzondere omstandigheden de termijn van drie maanden gedurende welke een onderdaan van een derde land op zijn grondgebied mag verblijven, te verlengen.

Artikel 5

1. Onderdanen van derde landen die houder zijn van een eenvormig visum kunnen vrij reizen op het grondgebied van de lidstaten gedurende de geldigheidsperiode van het visum, mits zij aan de volgende voorwaarden voldoen :

a) in het bezit zijn van een geldig reisdocument of geldige reisdocumenten die recht geven op overschrijding van de buitengrenzen;

b) in het bezit zijn van een visum dat geldig is gedurende de voorgenomen verblijfsduur,

c) zo nodig documenten kunnen overleggen ter staving van het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf en over voldoende bestaansmiddelen beschikken, zowel voor de voorgenomen verblijfsduur als voor de terugkeer naar het land van herkomst of de doorreis naar een derde land waar zij zeker zullen worden toegelaten, of in staat zijn deze middelen op rechtmatige wijze te verkrijgen;

d) niet ter fine van weigering van toegang gesignaleerd staan;

e) niet worden beschouwd als een gevaar voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de internationale betrekkingen van een van de lidstaten.

5. Aan deel II, punt 5, wordt punt 5.7 toegevoegd:

"5.7 De specifieke reisvergunning kan niet aan de grens worden verstrekt."