European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

C-serie


C/2024/6905

25.11.2024

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Curtea de Apel București (Roemenië) op 1 juli 2024 – Braila Winds SRL / Președintele Agenției Naționale de Administrare Fiscală, Agenția Națională de Administrare Fiscală, Agenția Națională de Administrare Fiscală – Direcția Generală Proceduri pentru Administrarea Veniturilor, Ministerul Finanțelor Publice – Direcția Generală de Soluționare a Contestațiilor, DGRFP București – Administrația Fiscală pentru Contribuabili Mijlocii București

(Zaak C-462/24, Braila Winds)

(C/2024/6905)

Procestaal: Roemeens

Verwijzende rechter

Curtea de Apel București

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Braila Winds SRL

Verwerende partijen: Președintele Agenției Naționale de Administrare Fiscală, Agenția Națională de Administrare Fiscală, Agenția Națională de Administrare Fiscală – Direcția Generală Proceduri pentru Administrarea Veniturilor, Ministerul Finanțelor Publice – Direcția Generală de Soluționare a Contestațiilor, DGRFP București – Administrația Fiscală pentru Contribuabili Mijlocii București

Prejudiciële vragen

1)

Moeten de artikelen 107 en 108 VWEU aldus worden uitgelegd dat een nationale regeling op grond waarvan slechts aan bepaalde elektriciteitsproducenten, zoals die [welke energie produceren] uit hernieuwbare bronnen, [en] niet aan alle elektriciteitsproducenten een belasting wordt opgelegd, staatssteun vormt die wordt verleend aan degenen die zijn vrijgesteld, waarvoor de aanmeldingsverplichting geldt?

2)

Moeten artikel 3, leden 1 en 4, artikel 9, lid 2, en artikel 58, onder b) tot en met d), van richtlijn 2019/944 (1) en artikel 3, onder f), g), i) en n), van verordening 2019/943 (2), volgens welke de lidstaten ervoor moeten zorgen dat voor elektriciteitsproducenten een gelijk speelveld en niet-discriminerende voorwaarden gelden, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan slechts aan bepaalde elektriciteitsproducenten, waaronder die [welke energie produceren] uit hernieuwbare bronnen, een aanvullende belasting wordt opgelegd, waarbij bepaalde categorieën producenten van betaling van de belasting worden uitgesloten, hoewel alle elektriciteitsproducenten zich in een vergelijkbare situatie bevinden, mede gelet op de vergelijkbare inkomsten uit de verkoop van elektriciteit?

3)

Moeten de artikelen 49, 56 en 63 VWEU en artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling op grond waarvan slechts aan bepaalde producenten van elektriciteit (waaronder die [welke energie produceren] uit hernieuwbare bronnen), met uitsluiting van andere categorieën producenten, een discriminerende en buitensporige belasting wordt opgelegd?

4)

Moeten richtlijn 2019/944 en verordening 2019/943, voorafgaand aan verordening 2022/1854 (3), aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling die leidt tot vaststelling van de verkoopprijs/beperking van de vrijheid om de verkoopprijs vast te stellen?

5)

Moeten het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuverontreiniging aan de bron moet worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt, en [artikel 2, leden 1 en 2] en artikel 4 van verordening 2021/1119 (4), gelezen in samenhang met artikel 191, lid 2, VWEU en artikel 3, leden 1, 3 en 4, van richtlijn 2018/2001 (5), die de doelstellingen van klimaatneutraliteit in de Unie regelt, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling waarmee de Europese doelstellingen inzake de verwezenlijking van klimaatneutraliteit en het beleid van de Unie inzake energiebelasting worden ondermijnd? Zo ja, welke criteria moeten bij de vaststelling van die belasting in acht worden genomen opdat de hierboven genoemde beginselen worden geëerbiedigd?

6)

Moet artikel 401 van richtlijn 2006/112/EG (6) aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling zoals die van OUG nr. 27/2022, die een omzetbelasting heft over de inkomsten uit de verkoop van elektriciteit?


(1)  Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van richtlijn 2012/27/EU (PB 2019, L 158, blz. 125).

(2)  Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (PB 2019, L 158, blz. 54).

(3)  Verordening (EU) 2022/1854 van de Raad van 6 oktober 2022 betreffende een noodinterventie in verband met de hoge energieprijzen (PB 2022, L 261I, blz. 1).

(4)  Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van verordening (EG) nr. 401/2009 en verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB 2021, L 243, blz. 1).

(5)  Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB 2018, L 328, blz. 82).

(6)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).


ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6905/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)