European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

C-serie


C/2024/6871

28.11.2024

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Sectorale initiatieven en algemeen concurrentievermogen van de EU

(verkennend advies op verzoek van het Hongaarse voorzitterschap van de Raad van de EU)

(C/2024/6871)

Rapporteur:

András EDELÉNYI

Corapporteur:

Guido NELISSEN

Adviseur

Benjamin DENIS (van de corapporteur van groep II)

 

 

Raadpleging

Hongaars voorzitterschap van de Raad van de EU, 14.3.2024

Rechtsgrond

Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Adviescommissie Industriële Reconversie

Goedkeuring door de voltallige vergadering

18.9.2024

Zitting nr.

590

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

153/2/0

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

De reikwijdte van het begrip concurrentievermogen is snel veranderd door recente crises en geopolitieke ontwikkelingen die de wereldeconomie beïnvloeden. De elementen productiviteit en efficiëntie van concurrentievermogen worden nu aangevuld met aspecten als duurzaamheid, slimheid en veerkracht. Er is een sterke industriële basis nodig om oplossingen voor de toekomst te creëren.

1.2.

Sectoraal/verticaal beleid wint aan belang en biedt begeleiding en ondersteuning aan belangrijke ecosystemen. Dit heeft verschillende vormen — wetgevend, financieel en institutioneel — aangenomen.

1.3.

Het concurrentievermogen van de EU staat onder druk, met name in energie-intensieve industrieën, schone technologie en informatietechnologieën, en als gevolg van mercantilistisch beleid van derde landen. Deze achteruitgang kan tot staan worden gebracht door de drijvende krachten op een holistische en geharmoniseerde manier te versterken. In dit verband roept het EESC de volgende Commissie op om naast de nieuwe deal voor het concurrentievermogen een industriële deal te ontwikkelen en uit te voeren, op basis van de verwezenlijkingen van het Europees sociaal model.

1.4.

De eengemaakte markt moet worden voltooid, de regels moeten worden gehandhaafd en de marktbelemmeringen moeten worden weggenomen. De financiële, communicatie- en energiemarkten moeten worden geïntegreerd en aangevuld met de gezondheidszorg en digitale sector en met de “vijfde vrijheid” van O&O&I.

1.5.

Er moet worden gezorgd voor een eerlijke toegang tot kritieke grondstoffen, door middel van duurzame mijnbouw en door diversificatie minder risicovol te maken, maar ook door de ontwikkeling van een circulaire economie, efficiënte vergunningsprocedures en de ontwikkeling van nieuwe substitutiemethoden, zoals geavanceerde materialen en innovatieve (bio)technologieën. Daarnaast moeten strategische partnerschappen met niet-EU-landen worden onderzocht om de veiligheid van de toeleveringsketen te waarborgen en knelpunten te voorkomen.

1.6.

Financiële beleidsondersteuning moet onder meer bestaan uit gecoördineerde, meer geïntegreerde financiering en staatssteun. Tegelijkertijd moeten publiek-private ecosystemen worden gestimuleerd, moet publiek toezicht worden afgedwongen en moet worden gezorgd voor een efficiënte toewijzing van middelen.

1.7.

Koolstofarme energie moet betaalbaar worden gemaakt door in te zetten op energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen en door meer te investeren in geïntegreerde, slimme energiesystemen in combinatie met gerichte steunregelingen.

1.8.

De snelle invoering van digitalisering moet worden vergemakkelijkt door de infrastructuur te ontwikkelen, nieuwe technologieën uit te rollen, naar soevereiniteit toe te werken, de nadruk te leggen op bijscholing/opleiding en de beleidsdoelstellingen van het digitale decennium 2030 te verwezenlijken.

1.9.

Het menselijk kapitaal in de EU, dat een belangrijke troef is voor de Europese industrie, moet in staat worden gesteld om zich aan te passen aan het snel veranderende spectrum van de vraag naar vaardigheden door middel van toezicht, flexibele trajecten, sociale cohesie, participatieve dialoog en overleg. Onderwijsinstellingen en bedrijven moeten samenwerken om dynamische leerplannen op te stellen die inspelen op de veranderende behoeften van de industrie, met bijzondere aandacht voor het bevorderen van digitale, groene en STEM-vaardigheden.

1.10.

De uitgaven voor O&O moeten die van de concurrenten van de EU evenaren en worden gericht op gebieden van haar industriële ecosystemen en aanjagers van innovatie waarvoor de meeste toegevoegde waarde kan worden gecreëerd. Er moeten prikkels worden geboden voor grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van O&O om een efficiënt gebruik van middelen te waarborgen en technologische doorbraken te versnellen. Een gunstig regelgevingsklimaat is van essentieel belang om de voordelen van O&O voor concurrentievermogen en cohesie ten volle te benutten en talent en bedrijven in de EU te behouden.

1.11.

Een ander cruciaal aspect is een geharmoniseerd beleidsklimaat dat het bedrijfsleven, met name kmo’s, niet overbelast en dat de coherentie van de regelgeving voor industriële ecosystemen herstelt. Het EESC pleit voor toepassing van de concurrentievermogenstoets en de invoering van een innovatiestresstest.

2.   De uitdaging van concurrentievermogen

2.1.

Volgens de economische theorie kunnen concurrerende bedrijven de kosten beheersen en toch producten leveren waar de markt om vraagt. Ze vergroten hun marktaandeel ten koste van minder efficiënte bedrijven. Concurrerende economieën kunnen op hun beurt toegevoegde waarde genereren, zodat alle leden van de samenleving op een duurzame manier kunnen bijdragen aan en profiteren van welvaart. Door comparatieve voordelen te benutten, leidt handel met andere landen zelfs tot win-winsituaties. Concurrerende economieën moeten een sterke industriële basis hebben, omdat de industrie de oplossingen biedt om samenlevingen op weg te helpen naar een slimme, duurzame en klimaatneutrale toekomst.

2.2.

De gangbare perceptie van concurrentievermogen is altijd gericht geweest op productiviteit en efficiëntie. Er zijn echter nieuwe dimensies toegevoegd aan het begrip concurrentievermogen. Economieën zullen duurzaam moeten worden (klimaatneutraliteit tegen 2050, bestand tegen klimaatverandering), slim (gegevens als dominante grondstof) en veerkrachtig (economische zekerheid als nieuw publiek goed). Het EESC is van mening dat de vier dimensies van een duurzaam concurrentievermogen (milieu, productiviteit, sociale rechtvaardigheid, economische stabiliteit) op gelijke voet moeten worden geplaatst en elkaar moeten versterken.

2.3.

De EU geloofde lange tijd dat ze de wereldeconomie naar haar eigen beeld kon herscheppen als een vrije en eerlijke markt, niet verstoord door staatssteun of andere vormen van concurrentievervalsend gedrag en gebaseerd op de WTO-regels. De hoop van de EU dat globalisering en handel andere landen zouden veranderen in sociale markteconomieën en verantwoordelijke belanghebbenden van de op regels gebaseerde multilaterale orde, is echter niet uitgekomen. Wereldwijd wordt de Europese industrie nu geconfronteerd met een ongelijk speelveld op het gebied van subsidies, energieprijzen en klimaatbeleid, evenals economische relaties die gebaseerd zijn op macht. Toch zijn de Europese instellingen, besluitvorming en financiën nog steeds grotendeels ontworpen voor “de wereld van gisteren”.

2.4.

De drievoudige uitdaging (zie paragraaf 2.2), die overvloedige (publieke en private) investeringen vereist en enorme risico’s met zich meebrengt, heeft geleid tot een steeds assertiever Europees industriebeleid, inclusief EU-financiering. Deze trend werd alleen maar sterker nadat de VS de Inflation Reduction Act (IRA) had geïntroduceerd, een investeringsplan van 369 miljard USD voor energiezekerheid en klimaat, ondersteund door genereuze belastingkredieten, subsidies voor consumenten en localcontentvoorschriften. De “Made in China 2025”-strategie, die tot doel heeft strategische industriële waardeketens (met inbegrip van greentech) naar China te verplaatsen, vormt een steeds grotere uitdaging voor Europa.

3.   Sectoraal beleid, soorten interventies

3.1.

Verticale sectoren bevatten de volledige waardeketens van ecosystemen. Horizontale sectoren zijn de belangrijkste technologieën en/of methodologieën die bijdragen aan de waardetoevoeging van sommige of alle verticale sectoren (digitalisering, AI enz.).

3.2.

De derde dimensie is de reeks factoren die het concurrentievermogen vergroten en die in het laatste hoofdstuk worden geanalyseerd. De belangrijkste zijn de gemeenschappelijke eengemaakte markt, eerlijke toegang tot belangrijke hulpbronnen (grondstoffen, water, energie, vaardigheden, gegevens, connectiviteit, financiering), innovatie en een stimulerende en samenhangende beleidsomgeving.

3.3.

De opleving van een directer sectoraal industriebeleid in de EU heeft verschillende vormen aangenomen: regelgeving (het CBAM, de chipsverordening), publiek-private samenwerking (IPCEI’s), coördinatie en samenwerking (industriële allianties, transitietrajecten voor industriële ecosystemen), uitbreiding van handelsbeschermingsinstrumenten, versoepeling van de regels voor staatssteun en gemeenschappelijke financiering (bijvoorbeeld InvestEU, NGEU).

4.   Stand van zaken, indicaties

4.1.

Momenteel zijn er aanwijzingen dat het concurrentievermogen van de Europese industrie onder druk staat. In februari 2024 lag de industriële productie namelijk 5,4 % lager dan een jaar eerder. De daling was vooral uitgesproken in de volgende sectoren: kapitaalgoederen (–9,5 %) en duurzame consumptiegoederen zoals auto’s en elektronica (–7,2 %). Tegelijkertijd nam de investeringsgroei in Europa in 2023 af tot 1,5 %, waar deze vóór de pandemie nog 4,5 % bedroeg (2015-2019). Op het gebied van schone technologie, essentieel voor het behalen van onze klimaatdoelstellingen, is de EU een netto-importeur geworden, want het is voor de EU-industrie lastig om op te schalen en te concurreren als gevolg van een stagnerende vraag en/of als gevolg van concurrentie uit derde landen die gesponsord wordt door de staat (bijv. op het gebied van elektrische voertuigen, batterijen, windenergie, zonne-energie).

4.2.

Het EESC is er dan ook stellig van overtuigd dat het Europese industriebeleid de drijvende krachten achter het concurrentievermogen van de Europese industrie moet blijven versterken, teneinde de industriële capaciteit van Europa te behouden, te herstellen en verder te ontwikkelen en tegelijkertijd hoogwaardige banen te scheppen. Daarom roept het EESC de volgende Commissie op om een industriële deal te ontwikkelen en uit te voeren die gebaseerd is op de verwezenlijkingen van het Europees sociaal model: stabiele investeringsvoorwaarden, een inclusieve samenleving, een geëngageerde en goed opgeleide beroepsbevolking, hoogwaardige overheidsdiensten, collectieve onderhandelingen en sociale dialoog.

5.   De belangrijkste factoren die het concurrentievermogen vergroten, specifieke opmerkingen

5.1.   Integratie en consolidatie van de eengemaakte markt

5.1.1.

De eengemaakte markt is een hoeksteen van de Europese integratie en waarden en een belangrijke hefboom voor economische groei, welvaart en solidariteit gebleken. Dit werd opnieuw duidelijk tijdens de pandemie en de energiecrisis. De convergentie van nationale wetgeving en wederzijdse erkenning verloopt echter te traag en is te complex om het volledige potentieel van marktintegratie te benutten.

5.1.2.

De interne handel van de EU wordt nog steeds belemmerd door verschillen in nationale regelgeving, waardoor het voor de EU-industrie moeilijker wordt om schaalvoordelen te behalen. De interne markt is nog steeds onvolledig in sectoren als communicatie (de EU heeft 34 mobielenetwerkgroepen) en defensie (de VS gebruiken dertig wapensystemen, de EU 178), de energiemarkten zijn niet voldoende onderling verbonden en er zijn onvoldoende gezamenlijke EU-aanbestedingen (minder dan 20 % van de uitgaven).

5.1.3.

Derhalve benadrukt het EESC:

de noodzaak om te zorgen voor een functionerende eengemaakte markt en om de vrijheden ervan te bevorderen door de regels te handhaven, terwijl marktbelemmeringen worden weggenomen en voorkomen;

dat het mededingingsbeleid en het industriebeleid elkaar moeten versterken om beter rekening te houden met het strategische industriebeleid van derde landen. In dit verband is het EESC ingenomen met het geactualiseerde verslag van de Commissie over door de staat veroorzaakte verstoringen in de Chinese economie;

dat interconnectiviteit systematisch moet worden ontwikkeld in termen van toegang tot en vervoer van zowel materiële hulpmiddelen (elektriciteit, olie, gas, waterwegen, wegen, spoorwegen enz.), als immateriële hulpmiddelen (internet, gegevensoverdracht, informatiestromen, netwerken enz.);

dat de pandemie de oprichting van een gezondheidsunie in een stroomversnelling heeft gebracht, terwijl de energiecrisis het belang van de energie-unie met al haar dimensies aan het licht heeft gebracht;

de noodzaak om de financiële, communicatie- en energiemarkten verder te integreren, aangezien zij belangrijke factoren zijn voor het concurrentievermogen;

de noodzaak om de digitale eengemaakte markt te voltooien, bijvoorbeeld door het creëren van dataruimten en het bevorderen van de uitwisseling van gegevens binnen en tussen industriële ecosystemen;

de noodzaak om de “vijfde vrijheid” te ontwerpen en te implementeren, zoals voorgesteld in het rapport van Letta, om onderzoek, innovatie en onderwijs in de eengemaakte markt te bevorderen;

dat de eengemaakte markt ook een sterke sociale pijler (bijv. de EPSR) nodig heeft die bijdraagt aan het concurrentievermogen.

5.2.   Zorgen voor eerlijke toegang tot essentiële grondstoffen

5.2.1.

Om haar strategische afhankelijkheid van kritieke grondstoffen te verminderen, heeft de EU een alomvattende strategie nodig die alle stadia van de toeleveringsketens van kritieke grondstoffen omvat. 53 toeleveringsketens zijn aangemerkt als zeer kwetsbaar. Hoewel de EU redelijk sterk blijft in de vervaardiging van eindproducten, blijkt dat vijf toptechnologieën (namelijk batterijen, zonnepanelen, gegevensopslag en servers, smartphones, tablets en laptops, en drones) kwetsbaar zijn in de hele toeleveringsketen. Daarbij wordt duidelijk dat de EU ook wat eindproducten betreft afhankelijk is.

5.2.2.

Om toekomstige risico’s op verstoring van essentiële toeleveringsketens te vermijden en de afhankelijkheden alleen maar te verschuiven, moet de EU alle alternatieve inkoopopties onderzoeken en erin investeren.

5.2.3.

Het EESC wijst op de noodzaak om:

nieuwe ontdekkingen en groene, duurzame mijnbouw van belangrijke mineralen te intensiveren, de basisverwerking ervan op te voeren, gekoppeld aan een sterk verhoogde productiviteit, en de doeltreffendheid van de sociale dialoog en vergunningsprocedures te vergroten;

de toepassing van de circulaire economie op te voeren, met speciale aandacht voor recycling gericht op het terugwinnen van strategische en kritieke grondstoffen, met inbegrip van zowel geavanceerde ontwerptechnieken als speciale gebieden zoals “afval- en watermijnbouw”;

onderzoek naar substitutie te ontwikkelen, waarbij gebruik wordt gemaakt van geavanceerde materialen en alternatieve technologieën, zoals biotechnologie en biofabricage. Een efficiëntere inkoop en een efficiënter gebruik van materialen zijn ook van het allergrootste belang;

de toeleveringsketens van kritieke grondstoffen nauwlettend in de gaten te houden, teneinde de diversificatie van de inkoop en toeleveringsketens te sturen en met het oog op risicobeperking en -beheer. Duurzame inkoop en passende zorgvuldigheid in de hele waardeketen moeten de ecologische voetafdruk van de winning verkleinen en ethische praktijken en eerlijke handel bevorderen;

te streven naar overeenkomsten met derde landen, via vrijhandelsovereenkomsten of sectorspecifieke, flexibelere partnerschappen.

5.3.   Bevordering van investeringen

5.3.1.

Ondersteunend begrotingsbeleid stimuleerde tijdens de pandemie en de energieschok zowel publieke als private investeringen. Hierdoor kon de EU een langdurige recessie vermijden en banen behouden, en tegelijkertijd de economische transformatie ondersteunen. Door de hogere rente, de begrotingsconsolidatie, de geleidelijke afschaffing van het tijdelijke staatssteunkader en het aflopen van de herstel- en veerkrachtfaciliteit na 2026 zal het echter moeilijker worden om de investeringen op peil te houden.

5.3.2.

Toch zal er jaarlijks 650 miljard EUR nodig zijn voor de dubbele transitie en voor de economische veerkracht van Europa.

5.3.3.

Om het investeringsniveau op peil te houden, stelt het EESC voor:

de instrumenten te versterken die helpen om strategische particuliere investeringen minder risicovol te maken en de transformatie van basisindustrieën te ondersteunen, zoals Europese overheidsgaranties of een gemeenschappelijke Europese regeling voor belastingkredieten;

het Innovatiefonds en de verordening voor een nettonulindustrie te versterken door een gemeenschappelijk Europees veilig actief te creëren;

nationale staatssteunregelingen te vervangen door Europese programma’s (of ze ten minste op Europees niveau te coördineren) om een “race to the bottom” op het vlak van subsidies te voorkomen;

de onvolledige kapitaalmarktenunie om te vormen tot een spaar- en investeringsunie, zoals voorgesteld in het rapport van Letta, aangezien dit van cruciaal belang is om (slapende) Europese spaartegoeden om te zetten in productieve investeringen;

publiek-private ecosystemen en industriële samenwerking te bevorderen door industriële allianties, IPCEI’s, gemeenschappelijke ondernemingen in het kader van Horizon Europa en industriële clusters verder te ontwikkelen. Deze expertisenetwerken in strategische industriële waardeketens zijn van cruciaal belang om de Europese strategische autonomie te behouden en de beleidsinitiatieven van de EU af te stemmen op de industriële strategieën van Europese bedrijven;

van overheidsopdrachten (14 % van het bbp) een instrument te maken voor de ontwikkeling van strategische Europese industriële waardeketens. De focus op het laagste bod moet plaats maken voor een meer holistische benadering waarbij de levenscycluskosten, bredere sociale, veerkracht- en milieucriteria en het scheppen van hoogwaardige banen evenveel aandacht krijgen;

leidende markten voor duurzame producten te creëren;

ervoor te zorgen dat overheidsgeld het algemeen belang dient door sociale voorwaarden en overheidscontrole in te voeren voor bedrijven die staatssteun ontvangen.

5.4.   Zorgen voor toegang tot veilige en betaalbare koolstofarme energie

5.4.1.

De EU is de meest energie-efficiënte regio ter wereld en dit concurrentievoordeel moet behouden blijven. Desondanks heeft Europa een structureel concurrentienadeel als het gaat om de energieprijzen en dit heeft gevolgen voor zijn energie-intensieve, voornamelijk traditionele industrieën.

5.4.2.

Als de EU deze industrieën, die essentieel zijn voor de strategische autonomie van Europa, koolstofvrij wil maken en tegelijkertijd haar concurrentievermogen wil behouden, moet zij een uitgebreide combinatie van beleidsmaatregelen nemen met betrekking tot:

Het waarborgen van de beschikbaarheid en betaalbaarheid van koolstofarme energie door:

het integreren en versterken van energie-infrastructuur en -markten. De voordelen van integratie zullen groter worden naarmate hernieuwbare energiebronnen toenemen, omdat dit flexibiliteit mogelijk maakt en de behoefte aan investeringen vermindert. Voor een ambitieuze koolstofarme elektrificatie van de industrie zijn betere interconnectoren, slimme netten, systeemintegratie, vraagflexibiliteit en opslagoplossingen nodig;

het ontwikkelen van een langetermijnmarkt voor elektriciteit om de prijsvolatiliteit te verminderen;

het verminderen van de correlatie tussen gas- en elektriciteitsprijzen.

Het financieel aantrekkelijker maken van het koolstofvrij maken van de industrie door:

het bevorderen van het “niveau van technologische paraatheid” van de verschillende koolstofarme technologieën door O&O-ondersteuning of het opzetten van publiek-private partnerschappen voor de initiële marktintroductie ervan;

het ontwikkelen van steunregelingen (zowel exploitatiekosten als kapitaaluitgaven) voor het opstellen van businesscases en de voortdurende opschaling van koolstofarme oplossingen;

het uitrollen van een doeltreffend CBAM (waarbij ook mazen in de invoer worden aangepakt, het concurrentievermogen van de export wordt behouden en rekening wordt gehouden met de impact op downstreamindustrieën);

zorgen voor een degelijk regelgevingskader voor koolstofafvang, -gebruik en -opslag (CCUS).

Het opzetten van een IPCEI voor de “CO2-arme industrie”.

5.5.   Het potentieel van de digitale transformatie benutten

5.5.1.

Digitale technologieën zullen de kern vormen van toekomstige productieprocessen en bedrijfsmodellen. Maar ondanks het essentiële karakter van de ICT-industrie voor het concurrentievermogen van veel sectoren, is het aandeel van de EU in de wereldwijde ICT-markt gedaald van 21,8 % in 2013 tot 11,3 % in 2022 en wordt 90 % van de EU-gegevens buiten de EU beheerd. Als de EU haar industriële leiderschap wil behouden, moet zij de ambitie hebben om een leidende rol te spelen op het gebied van belangrijke digitale technologieën en infrastructuren.

5.5.2.

Volgens het EESC betekent dit:

het verwezenlijken van de doelstellingen van het beleidsprogramma van het digitaal decennium 2030 (bijvoorbeeld 90 % van de kmo’s moet een basisniveau van digitale intensiteit bereiken, en ten minste 75 % van de bedrijven moet gebruikmaken van clouddiensten, big data of AI-technologieën);

het ondersteunen van aanzienlijke investeringen in veilige en duurzame digitale infrastructuren: de uitrol van netwerken met zeer hoge capaciteit en van een wereldwijd toonaangevende Europese supercomputer- en kwantumcomputergegevensinfrastructuur;

het investeren in nieuwe digitale technologieën zoals generatieve AI, kwantumcomputing, digitale tweelingen, edge/cloudcomputing enz.;

het verbeteren van digitale soevereiniteit door het creëren van industriële dataruimten, open normen, test- en experimenteerfaciliteiten en het ontwikkelen en opschalen van innovatieve digitale ecosystemen;

het bevorderen van digitale oplossingen die de transitie naar een klimaatneutrale, circulaire en hulpbronnenefficiënte economie ondersteunen, bijvoorbeeld de invoering van digitale productpaspoorten voor producten zoals batterijen;

het massaal investeren in bij- en omscholing, zowel om de digitale basisvaardigheden binnen de beroepsbevolking te vergroten als om de enorme kloof tussen de vraag naar en het aanbod van digitale deskundigen te overbruggen (waarbij het genderevenwicht wordt hersteld).

5.6.   Het versterken van het menselijk kapitaal

5.6.1.

Het tekort aan vakkrachten in de EU is structureel geworden en belemmert de groei in veel sectoren van de economie. Derhalve is de beschikbaarheid van geschoolde arbeidskrachten een essentieel element geworden voor investeringsbeslissingen. Er moet speciale aandacht worden besteed aan banen voor laag- en middelbaar opgeleiden die dreigen te verdwijnen (vervangen door digitale hulpmiddelen en automatisering), terwijl de vraag naar digitale en groene vaardigheden alleen maar zal toenemen. Er moet aandacht worden besteed aan oudere werknemers wier vaardigheden verouderd dreigen te raken.

5.6.2.

Een hoge mate van sociale cohesie en de beschikbaarheid van hoogopgeleide en toegewijde arbeidskrachten is een van de belangrijkste troeven van Europa. Derhalve is de participatie van werknemers essentieel voor het succes van industriële transformaties. Dit vereist een goed functionerende sociale dialoog vanaf de werkvloer tot aan de strategische besluitvorming. Het tijdig informeren en raadplegen van werknemers en hun vertegenwoordigers als het gaat om het anticiperen op en beheren van industriële verandering zou moeten helpen om gezamenlijke visies te ontwikkelen met betrekking tot de strategie van het bedrijf en om transitietrajecten vast te stellen voor elke werknemer die te maken krijgt met herstructurering.

5.6.3.

Derhalve stelt het EESC voor:

inzicht in vaardigheden op te bouwen en het proces van het vernietigen en creëren van banen en vaardigheden te monitoren;

flexibele trajecten (bijvoorbeeld duale leersystemen) tussen de wereld van het werk en de wereld van het onderwijs (die altijd achter zal blijven) tot stand te brengen en een cultuur van een leven lang leren te creëren, ondersteund door de validatie van verworven competenties of door het instellen van individuele leerrekeningen;

sterke sectorale partnerschappen voor vaardigheden tot stand te brengen tussen de sociale partners en alle relevante belanghebbenden (bijv. door het aantal leerlingplaatsen drastisch te verhogen);

de “mensgerichte” benadering van de EU-industrie 5.0 te bevorderen om industriële banen aantrekkelijker te maken;

bedrijven om te vormen tot “leerorganisaties” die de capaciteiten van werknemers optimaal benutten;

een Europese arbeidsmarkt tot stand te brengen: overdraagbaarheid van de rechten van werknemers, convergentie van onderwijsstelsels, erkenning van competenties, convergentie van arbeidsomstandigheden.

5.7.   Stimuleren van innovatie en onderzoek en ontwikkeling

5.7.1.

De algemene innovatieprestaties van de EU zijn sinds 2016 slechts langzaam gestegen, met 8,3 %. Dit is deels te wijten aan de crises van de afgelopen twee à drie jaar en de stijgingen van de energieprijzen en de inflatie, vooral in Europa, en heeft negatieve gevolgen gehad voor de uitgaven voor innovatie en durfkapitaal en voor de verkoop van innovatieve producten. Tussen 2016 en 2023 was de prestatiegroei van China echter vier keer, die van Korea en Canada twee keer en die van de VS en Brazilië anderhalf keer groter dan die van de EU.

5.7.2.

De totale uitgaven voor O&O zijn in de EU blijven steken op 2,2 % van het bbp (doel: 3 % van het bbp), terwijl die in China 2,3 %, in de VS 3,4 % en in Korea 4,8 % bedroegen

5.7.3.

Tegelijkertijd is de prestatiekloof tussen de sterkste en de zwakste Europese presteerders nauwelijks kleiner geworden (hetgeen wijst op een grote marge voor vooruitgang door meer coördinatie en samenwerking).

5.7.4.

Als we kijken naar de analytische matrix van “sterke punten van innovatie” versus “innovatiewaardeketen”, zien we dat de sterke punten van de EU zich concentreren aan het begin (basis-O&O) en aan het einde (marktintroductie) van de innovatiecyclus. De zwakke punten bevinden zich in het middengebied, bij het brengen van innovaties van “laboratorium naar productie”, waar de meeste toegevoegde waarde wordt gegenereerd.

5.7.5.

Derhalve pleit het EESC voor:

invoering van de vijfde vrijheid van de eengemaakte markt om onderzoek, innovatie en onderwijs in de hele EU te bevorderen, zodat synergieën en schaalvoordelen kunnen worden benut;

een meer geïntegreerd gebruik van publieke O&O-financiering om particuliere investeringen aan te moedigen, zodat snel het beoogde financieringsniveau van ten minste 3 % van het bbp kan worden bereikt;

zorgvuldige effectbeoordelingen waarbij naar de kosten en baten wordt gekeken om investeringen te optimaliseren in de segmenten van de innovatiewaardeketen van ecosystemen die de meeste waarde toevoegen;

beheer en financiering van startende ondernemingen, doorgroeiende ondernemingen, proefprojecten en industrialiseringsactiviteiten om talent, bedrijven en winst in de EU te houden;

de uitvoering van de nieuwe Europese innovatieagenda, met inbegrip van de herziene kaderregeling betreffende staatssteun voor O&O&I, de wetgeving inzake beursnotering, de talentenpool en de initiatieven voor regionale innovatievalleien;

het volgende kaderprogramma (KP10) te benutten door de begroting te verhogen tot 200 miljard EUR (met een meer pragmatische benadering van innovatie voor tweeërlei gebruik);

speciale inspanningen te leveren om het innovatiepotentieel van kmo’s te ontsluiten, bijvoorbeeld door hen beter te integreren in innovatienetwerken.

5.8.   Beter worden in regelgeven

5.8.1.

De EU moet zich duidelijk richten op gecoördineerd en samenhangend gedrag en acties teneinde gemeenschappelijke grootschalige doelen te bereiken, zoals de dubbele transitie van de Green Deal. Anderzijds hebben de economie en het bedrijfsleven behoefte aan een ondersteunend en geharmoniseerd beleidskader dat ondernemingen aanmoedigt om op een concurrerende en duurzame manier te innoveren, te investeren en handel te drijven. Tussen 2017 en 2022 heeft de Europese wetgever echter 850 nieuwe verplichtingen aan bedrijven opgelegd, hetgeen neerkomt op meer dan 5 000 pagina’s wetgeving (en een nog groter aantal gedelegeerde handelingen) die extra lasten voor bedrijven met zich meebrengen. Deze toename aan regelgeving brengt grote rapportage- en nalevingskosten met zich mee voor Europese bedrijven, met name voor kmo’s. Overlappende regelgeving en administratieve complexiteit als gevolg van het multilevel governancesysteem van de EU moeten worden vermeden.

5.8.2.

Derhalve doet het EESC de volgende voorstellen:

bij de totstandkoming van beleid en regelgeving in de EU moet worden uitgegaan van de principes van betere regelgeving, zoals de correcte toepassing van het “one in, one out”-beginsel, wegneming van administratieve rompslomp en naleving van het evenredigheidsbeginsel;

de concurrentievermogenstoets moet diep worden ingebed in de besluitvormingsprocessen van de EU;

er moet een innovatiestresstest worden ingevoerd als essentieel onderdeel van de toolbox voor betere regelgeving;

de beoogde verlaging van de rapportageverplichtingen voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen met 25 % moet worden doorgevoerd;

het gebruik van gedelegeerde handelingen moet streng worden aangepakt, aangezien dit soort regelgeving onzekerheid met zich meebrengt voor het ondernemingsklimaat;

de doorlooptijden van vergunningen moeten worden verkort door het procesontwerp te verbeteren en de capaciteit en efficiëntie van de autoriteiten te vergroten;

de belangrijke openbare raadplegingsprocedures moeten waar nodig worden versneld;

verordeningen moeten voorrang krijgen boven richtlijnen om harmonisatie in de hele EU te bewerkstelligen;

de uitvoering van de agenda voor betere regelgeving moet in overeenstemming zijn met het Europese “sociaal acquis”.

Brussel, 18 september 2024.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Oliver RÖPKE


ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6871/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)