ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 47

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

66e jaargang
7 februari 2023


Inhoud

Bladzijde

 

 

EUROPEES PARLEMENT
ZITTING 2022-2023
Vergaderingen van 4 t/m 7 juli 2022
AANGENOMEN TEKSTEN

1


 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

RESOLUTIES

 

Europees Parlement

 

Dinsdag, 5 juli 2022

2023/C 47/01

Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2022 over armoede onder vrouwen in Europa (2021/2170(INI))

2

2023/C 47/02

Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2022 over de Indo-Pacifische strategie op het gebied van handel en investeringen (2021/2200(INI)

15

2023/C 47/03

Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2022 over de toekomstige samenwerking tussen de EU en India op het gebied van handel en investeringen (2021/2177(INI))

23

2023/C 47/04

Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2022Naar gemeenschappelijke Europese maatregelen op het gebied van zorg (2021/2253(INI))

30

2023/C 47/05

Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2022 over geestelijke gezondheid in de digitale arbeidswereld (2021/2098(INI))

63

2023/C 47/06

Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2022 over de bankenunie — jaarverslag 2021 (2021/2184(INI))

75

 

Woensdag, 6 juli 2022

2023/C 47/07

Resolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2022 over het verslag 2021 van de Commissie over Bosnië en Herzegovina (2021/2245(INI))

87

2023/C 47/08

Resolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2022 over het Commissieverslag 2021 over Servië (2021/2249(INI))

102

2023/C 47/09

Resolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2022 over het Commissieverslag 2021 over Kosovo (2021/2246(INI))

118

2023/C 47/10

Resolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2022 over de EU en de verdediging van het multilateralisme (2020/2114(INI))

130

2023/C 47/11

Resolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2022 over de aanpak van voedselzekerheid in ontwikkelingslanden (2021/2208(INI))

149

2023/C 47/12

Resolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2022 over het EU-actieplan voor de sociale economie (2021/2179(INI))

171

2023/C 47/13

Resolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2022 inzake de intersectionele discriminatie in de Europese Unie: de sociaal-economische situatie van vrouwen van Afrikaanse, Midden-Oosterse, Latijns-Amerikaanse en Aziatische afkomst (2021/2243(INI))

184

2023/C 47/14

Resolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2022 over nationale veto’s die de wereldwijde belastingovereenkomst ondermijnen (2022/2734(RSP))

198

 

Donderdag, 7 juli 2022

2023/C 47/15

Resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2022 over de arrestatie van kardinaal Zen en de beheerders van het 612-hulpfonds in Hongkong (2022/2751(RSP))

202

2023/C 47/16

Resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2022 over de situatie van degenen die opkomen voor de inheemse bevolking en het milieu in Brazilië, waaronder de moorden op Dom Phillips en Bruno Pereira (2022/2752(RSP))

205

2023/C 47/17

Resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2022 over de situatie in de autonome provincie Gorno-Badachsjan van Tadzjikistan (2022/2753(RSP))

209

2023/C 47/18

Resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2022 over de financiële activiteiten van de Europese Investeringsbank — jaarverslag 2021 (2021/2203(INI))

213

2023/C 47/19

Resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2022 over de controle van de financiële activiteiten van de Europese Investeringsbank — jaarverslag 2020 (2021/2235(INI))

225

2023/C 47/20

Resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2022 over de bescherming van de belangen van de Europese Unie — fraudebestrijding — jaarverslag 2020 (2021/2234(INI))

236

2023/C 47/21

Resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2022 over betere regelgeving: samen zorgen voor betere regelgeving (2021/2166(INI))

250

2023/C 47/22

Resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2022 over het besluit van het Amerikaanse Hooggerechtshof om het recht op abortus in de Verenigde Staten af te schaffen en de noodzaak om het recht op abortus en de gezondheid van de vrouw te beschermen, ook binnen de EU (2022/2742(RSP))

268

 

AANBEVELINGEN

 

Europees Parlement

 

Dinsdag, 5 juli 2022

2023/C 47/23

Aanbeveling van het Europees Parlement van 5 juli 2022 aan de Raad en de Commissie voor de onderhandelingen over een samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Internationale Organisatie van Criminele Politie (ICPO-Interpol) (2022/2025(INI))

273


 

II   Mededelingen

 

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Europees Parlement

 

Woensdag, 6 juli 2022

2023/C 47/24

Besluit van het Europees Parlement van 6 juli 2022 tot wijziging van het Reglement van het Europees Parlement met betrekking tot artikel 216 inzake commissievergaderingen (2022/2069(REG))

283


 

III   Voorbereidende handelingen

 

Europees Parlement

 

Dinsdag, 5 juli 2022

2023/C 47/25

P9_TA(2022)0269
Digitaledienstenverordening ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten (wet inzake digitale diensten) en tot wijziging van Richtlijn 2000/31/EG (COM(2020)0825 — C9-0418/2020 — 2020/0361(COD))
P9_TC1-COD(2020)0361
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 5 juli 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten en tot wijziging van Richtlijn 2000/31/EG (digitaledienstenverordening)

285

2023/C 47/26

P9_TA(2022)0270
Digitalemarktenverordening ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad over betwistbare en eerlijke markten in de digitale sector (wet inzake digitale markten) (COM(2020)0842 — C9-0419/2020 — 2020/0374(COD))
P9_TC1-COD(2020)0374
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 5 juli 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad over betwistbare en eerlijke markten in de digitale sector, en tot wijziging van Richtlijnen (EU) 2019/1937 en (EU) 2020/1828 (digitalemarktenverordening)

288

2023/C 47/27

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2022 over het voorstel voor een beschikking van de Raad betreffende de invoering door Kroatië van de euro op 1 januari 2023 (COM(2022)0282 — C9-0195/2022 — 2022/0179(NLE))

289

2023/C 47/28

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2022 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het protocol over de uitvoering van de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en de regering van de Cookeilanden (12640/2021 — C9-0006/2022 — 2021/0312(NLE))

292

2023/C 47/29

P9_TA(2022)0273
Tijdelijke handelsliberaliseringsmaatregelen voor Moldavië ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake tijdelijke handelsliberaliseringsmaatregelen bovenop de handelsconcessies die op Moldavische producten van toepassing zijn krachtens de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds (COM(2022)0288 — C9-0198/2022 — 2022/0188(COD))
P9_TC1-COD(2022)0188
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 5 juli 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad inzake tijdelijke handelsliberaliseringsmaatregelen bovenop de handelsconcessies die op producten uit de Republiek Moldavië van toepassing zijn krachtens de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds

293

 

Woensdag, 6 juli 2022

2023/C 47/30

P9_TA(2022)0282
De invasie van Rusland in Oekraïne: crisismaatregelen in de visserij- en aquacultuursector ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging en rectificatie van Verordening (EU) nr. 508/2014 wat betreft specifieke maatregelen om de impact van de militaire agressie van Rusland tegen Oekraïne op de visserijactiviteiten en de impact van de marktverstoring als gevolg van die militaire agressie op de toeleveringsketen van visserij- en aquacultuurproducten, te beperken (COM(2022)0179 — C9-0149/2022 — 2022/0118(COD))
P9_TC1-COD(2022)0118
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 6 juli 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 508/2014 wat betreft specifieke maatregelen ter verlichting van de gevolgen van de aanvalsoorlogvan Rusland tegen Oekraïne op de visserijactiviteiten en ter beperking van de effecten van de marktverstoring als gevolg van die aanvalsoorlog op de toeleveringsketen van visserij- en aquacultuurproducten

294

 

Donderdag, 7 juli 2022

2023/C 47/31

P9_TA(2022)0294
De Russische invasie van Oekraïne: tijdelijke maatregelen in verband met door Oekraïne afgegeven bestuurdersdocumenten ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2022 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van specifieke en tijdelijke maatregelen, naar aanleiding van de Russische invasie van Oekraïne, met betrekking tot door Oekraïne overeenkomstig zijn wetgeving afgegeven bestuurdersdocumenten (COM(2022)0313 — C9-0201/2022 — 2022/0204(COD))
P9_TC1-COD(2022)0204
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 7 juli 2022 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van specifieke en tijdelijke maatregelen, naar aanleiding van de Russische invasie van Oekraïne, met betrekking tot door Oekraïne overeenkomstig zijn wetgeving afgegeven bestuurdersdocumenten

295

2023/C 47/32

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2022 betreffende het ontwerpbesluit van de Raad betreffende het aanmerken van de schending van beperkende maatregelen van de Unie als een vorm van criminaliteit die voldoet aan de in artikel 83, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie genoemde criteria (10287/1/2022 — C9-0219/2022 — 2022/0176(NLE))

296

2023/C 47/33

P9_TA(2022)0296
Buitengewone macrofinanciële bijstand aan Oekraïne ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2022 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van buitengewone macrofinanciële bijstand aan Oekraïne (COM(2022)0450 — C9-0221/2022 — 2022/0213(COD))
P9_TC1-COD(2022)0213
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 7 juli 2022 met het oog op de vaststelling van Besluit (EU) 2022/… van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van buitengewone macrofinanciële bijstand aan Oekraïne

297

2023/C 47/34

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 7 juli 2022 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het waarborgen van een gelijk speelveld voor duurzaam luchtvervoer (COM(2021)0561 — C9-0332/2021 — 2021/0205(COD))

298


Verklaring van de gebruikte tekens

*

Raadplegingsprocedure

***

Goedkeuringsprocedure

***I

Gewone wetgevingsprocedure, eerste lezing

***II

Gewone wetgevingsprocedure, tweede lezing

***III

Gewone wetgevingsprocedure, derde lezing

(De aangeduide procedure is gebaseerd op de in de ontwerptekst voorgestelde rechtsgrond)

Amendementen van het Parlement:

Nieuwe tekstdelen worden in vet cursief aangegeven. Geschrapte tekstdelen worden aangegeven met het symbool ▌of worden doorgestreept. Waar tekstdelen worden vervangen, wordt de nieuwe tekst in vet cursief aangegeven, terwijl de vervangen tekst wordt geschrapt of doorgestreept.

NL

 


7.2.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 47/1


EUROPEES PARLEMENT

ZITTING 2022-2023

Vergaderingen van 4 t/m 7 juli 2022

AANGENOMEN TEKSTEN

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

RESOLUTIES

Europees Parlement

Dinsdag, 5 juli 2022

7.2.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 47/2


P9_TA(2022)0274

Armoede onder vrouwen in Europa

Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2022 over armoede onder vrouwen in Europa (2021/2170(INI))

(2023/C 47/01)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

gezien de artikelen 8, 9, 151, 153 en 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het “Handvest”), en in het bijzonder de bepalingen ervan met betrekking tot sociale rechten en gelijkheid van mannen en vrouwen,

gezien het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen van 1979,

gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, het beginsel “niemand uitsluiten”, en met name doelstelling 1, die erop gericht is armoede uit te bannen, doelstelling 5, die erop gericht is gendergelijkheid te verwezenlijken en de levensomstandigheden van vrouwen te verbeteren, en doelstelling 8, die erop gericht is duurzame economische groei te verwezenlijken,

gezien de groeistrategie van de EU, Europa 2020, en met name doelstelling daarvan het aantal personen in de EU dat onder de nationale armoedegrens leeft uiterlijk in 2020 met 25 % te verminderen, waardoor meer dan 20 miljoen mensen niet langer in armoede zullen leven, en gezien de noodzaak om volledig gebruik te maken van de socialezekerheids- en pensioenstelsels van de lidstaten om adequate inkomenssteun te waarborgen,

gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul),

gezien Verdrag nr. 190 van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) betreffende de uitbanning van geweld en intimidatie in de wereld van werk,

gezien het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten,

gezien Aanbeveling (EU) 2021/1004 van de Raad van 14 juni 2021 tot instelling van een Europese kindergarantie (1),

gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (2),

gezien Richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers (3),

gezien de mededeling van de Commissie van 5 maart 2020 getiteld “Een Unie van gelijkheid: strategie voor gendergelijkheid 2020-2025” (COM(2020)0152),

gezien zijn resolutie van 13 oktober 2005 over vrouwen en armoede in de Europese Unie (4),

gezien zijn resolutie van 8 maart 2011 over armoede bij vrouwen in de Europese Unie (5),

gezien zijn resolutie van 13 september 2011 over ondernemerschap voor vrouwen in het midden- en kleinbedrijf (6),

gezien zijn resolutie van 26 mei 2016 over armoede: een genderperspectief (7),

gezien zijn resolutie van 4 april 2017 over vrouwen en hun rol in plattelandsgebieden (8),

gezien zijn resolutie van 14 juni 2017 over de noodzaak van een EU-strategie tot beëindiging en preventie van de genderpensioenkloof (9),

gezien zijn resolutie van 3 oktober 2017 over de economische empowerment van vrouwen in de particuliere en openbare sector in de EU (10),

gezien zijn resolutie van 15 november 2018 over de zorgdiensten in de EU ter bevordering van gendergelijkheid (11),

gezien zijn resolutie van 15 januari 2019 over gendergelijkheid en belastingbeleid in de EU (12),

gezien zijn resolutie van 30 januari 2020 over de loonkloof tussen mannen en vrouwen (13),

gezien zijn resolutie van 21 januari 2021 over het genderperspectief in de COVID-19-crisis en de periode na de crisis (14),

gezien de resolutie van 7 juli 2021 getiteld“Het oude continent veroudert — mogelijkheden en uitdagingen voor het vergrijzingsbeleid na 2020” (15),

gezien zijn resolutie van 10 februari 2021 over het terugdringen van ongelijkheid, met speciale aandacht voor armoede onder werkenden (16),

gezien de conclusies van de Raad van 10 december 2019 getiteld “Gendergelijke economieën in de EU: volgende stappen”,

gezien het verslag van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) van 5 maart 2020 getiteld “Beijing + 25: vijfde evaluatie van de uitvoering van het Actieplatform van Beijing door de EU-lidstaten”,

gezien het verslag van de Internationale Arbeidsorganisatie van 27 mei 2020 getiteld “COVID-19 and the world of work. Fourth edition” (COVID-19 en de arbeidsmarkt. Vierde editie),

gezien het verslag van Eurofound en het EIGE van 15 juli 2021 getiteld “Upward convergence in gender equality: How close is the Union of equality?” (Opwaartse convergentie: hoe ver nog naar de Unie van gelijkheid?),

gezien de studie van de beleidsondersteunende afdeling Rechten van de burger en Constitutionele Zaken van het directoraat-generaal Intern Beleid van het Parlement van december 2017 getiteld “Gender perspective on access to energy in the EU” (Toegang tot energie in de EU vanuit genderperspectief),

gezien de gendergelijkheidsindex van het EIGE van 2019 en 2020,

gezien de standpuntnota van Make Mothers Matter van juni 2021 getiteld “Mothers’ Poverty in the EU” (Armoede van moeders in de EU),

gezien de beoordeling van de jaarlijkse strategie voor duurzame groei 2021 en het voorstel voor een gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2021 van Europees Netwerk Armoedebestrijding van februari 2021 getiteld “Working towards a Socially Inclusive and Poverty-proof Recovery from the COVID-19 Pandemic” (Werken aan een sociaal inclusief en armoedebestendig herstel van de COVID-19-pandemie),

gezien de studie van de beleidsondersteunende afdeling Rechten van de burger en Constitutionele Zaken van het directoraat-generaal Intern Beleid van het Parlement van 19 mei 2021 getiteld “COVID-19 and its economic impact on women and women’s poverty: Insight from 5 European Countries” (COVID-19 en de economische effecten daarvan op vrouwen en de armoede onder vrouwen: inzichten uit vijf Europese landen),

gezien de studie van de beleidsondersteunende afdeling Rechten van de burger en Constitutionele Zaken van het directoraat-generaal Intern Beleid van het Parlement van 14 juni 2021 getiteld “Gender equality: Economic value of care from the perspective of the applicable EU funds” (Gendergelijkheid: de economische waarde van zorg vanuit het perspectief van de toepasselijke EU-fondsen),

gezien zijn resolutie van 14 april 2016 over het halen van de armoedebestrijdingsdoelen in het licht van stijgende huishoudelijke kosten (17) en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid daarover,

gezien de werkzaamheden van het in juni 2021 opgerichte Europees platform voor de bestrijding van dakloosheid,

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

gezien het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

gezien het verslag van de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid (A9-0194/2022),

A.

overwegende dat gendergelijkheid een kernwaarde van de Unie is, zoals verankerd in artikel 2 VEU; overwegende dat in artikel 8 VWEU het beginsel van gendermainstreaming is neergelegd;

B.

overwegende dat uitbanning van armoede voor de EU een prioriteit is, die is verankerd in artikel 3 VEU en artikel 34 van het Handvest, en een kerndoel is in het actieplan van de Europese pijler van sociale rechten (EPSR), hetgeen laat zien dat de EU zich inzet om via haar beleid aan armoedebestrijding te doen;

C.

overwegende dat het aantal vrouwen dat in de EU in armoede leeft nog altijd hoger is dan het aantal mannen dat in armoede leeft (18); overwegende dat ondanks een afname van de armoede in de EU onder zowel vrouwen als mannen, vrouwen nog steeds onevenredig vaak kampen met armoede en met het risico op sociale uitsluiting in vergelijking met mannen, en dat dit in het bijzonder geldt voor vrouwen die met intersectionele vormen van discriminatie worden geconfronteerd; overwegende dat in 2020 het risico van armoede en sociale uitsluiting in de EU hoger was voor vrouwen (22,9 %) dan voor mannen (20,9 %), hoewel beide percentages sinds 2015 (waarin zij respectievelijk 24,9 % en 23,1 % bedroegen) zijn gedaald; overwegende dat de armoedekloof tussen vrouwen en mannen sinds 2017 in 21 lidstaten is toegenomen (19); overwegende dat de cijfers laten zien dat de percentages van armoede onder vrouwen sterk verschillen van lidstaat tot lidstaat; overwegende dat als gevolg van de sterke correlatie tussen armoede onder vrouwen en armoede onder kinderen één op de vier kinderen in de EU het risico loopt met armoede of sociale uitsluiting te worden geconfronteerd;

D.

overwegende dat in de EU-27 volgens schattingen betreffende 2019 met name vrouwen het risico op armoede lopen, met een armoedecijfer van 17,1 % na sociale overdrachten; overwegende dat vrouwen sinds het begin van de COVID-19-pandemie sociaal-economisch gezien onevenredig hard zijn getroffen, waaronder — in sommige gevallen — door het verlies van hun werk; overwegende dat de arbeidsparticipatie van vrouwen in de bedoelde periode zelfs nog sterker is gedaald dan tijdens de recessie van 2008; overwegende dat dit onder andere het gevolg is van de toename van onbetaalde zorgtaken, huishoudelijke taken en onderwijsondersteuning, die hoofdzakelijk voor rekening van vrouwen kwamen, en ook tot grotere armoede onder vrouwen heeft geleid; overwegende dat tijdelijke en deeltijdfuncties, met name in de dienstensector, ook vóór de COVID-19-pandemie al voornamelijk door vrouwen werden vervuld, en verder overwegende dat de pandemie deze trend nog heeft versterkt; overwegende dat er nog geen volledig inzicht is in de gevolgen van de COVID-19-pandemie, en verder overwegende dat de sociaal-economische gevolgen in de komende jaren voelbaar zullen blijven; overwegende dat het derhalve van essentieel belang is onderzoek te doen naar armoede onder vrouwen in de context van het omgaan met de COVID-19-crisis en de nasleep daarvan; overwegende dat de maatregelen die zijn genomen met het oog op een uitweg uit de financiële crisis van 2008 niet hebben volstaan om de armoede onder vrouwen terug te dringen; overwegende dat de bezuinigingen op de socialedienstverlening enerzijds en de lagere lonen anderzijds vrouwen onevenredig zwaar hebben getroffen, omdat zij in grotere mate een beroep doen op publieke sociale diensten en afhankelijk zijn van uitkeringen;

E.

overwegende dat gendermainstreaming inhoudt dat gedurende de hele beleidscyclus rekening wordt gehouden met genderverschillen en dat een intersectionele aanpak wordt gehanteerd waarbij rekening wordt gehouden met de verschillen tussen mannen en vrouwen bij het ontwerpen, toepassen en beoordelen van beleid, programma’s en projecten, teneinde gendergelijkheid te bevorderen; overwegende dat de EU-beleidsmaatregelen tot nu toe geen echt mainstreamingsbeleid of een intersectionele aanpak omvatten;

F.

overwegende dat artikel 3, lid 3, VEU bepaalt dat de Unie tot doel heeft sociale uitsluiting en discriminatie te bestrijden en sociale rechtvaardigheid en de gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen, in overeenstemming met het concept van de socialemarkteconomie; overwegende dat het actieplan van de Europese pijler van sociale rechten specifiek tot doel heeft het aantal mensen dat risico loopt op armoede tegen 2030 met minstens 15 miljoen mensen — waaronder 5 miljoen kinderen — te verminderen; overwegende dat de sociale, de groene en de gendergelijkheidsagenda met elkaar verbonden zijn en de gemeenschappelijke doelstelling hebben duurzame groei en een rechtvaardige verdeling van middelen te waarborgen; overwegende dat bij de besprekingen over de herziening van het huidige sociaal-economische beleidsmodel van de EU rekening moet worden gehouden met de belofte van de EU om ongelijkheden te verminderen en armoede uit te bannen, met name de armoede onder vrouwen;

G.

overwegende dat de speciale VN-rapporteur voor extreme armoede en mensenrechten, Olivier De Schutter, erop heeft gewezen dat de Europese Unie een EU-brede strategie voor armoedebestrijding moet ontwikkelen ter waarborging van een structurele, brede aanpak ten aanzien van de uitbanning van armoede onder vrouwen; overwegende dat een eerlijker sociaal contract voor de Europese Unie voor de periode na de pandemie nodig is, met inbegrip van economisch beleid dat erop is gericht economische ongelijkheden te verminderen;

H.

overwegende dat armoede van ouders vaak leidt tot armoede van de kinderen; overwegende dat investeren in een beleid dat vrouwen ondersteunt ook de levensomstandigheden van hun gezin verbetert, en dan vooral van hun kinderen; overwegende dat de EU en de lidstaten de rechten van kinderen moeten eerbiedigen, beschermen en in de praktijk moeten brengen in overeenstemming met het VEU; overwegende dat in situaties van armoede de rechten van kinderen in gevaar zijn; overwegende dat uitbanning van kinderarmoede is opgenomen onder beginsel 11 van de Europese pijler van sociale rechten;

I.

overwegende dat eenoudergezinnen een groter risico op armoede en sociale uitsluiting lopen en een grotere kans hebben om armoede aan volgende generaties door te geven; overwegende dat 85 % van de eenoudergezinnen uit alleenstaande moeders bestaat; overwegende dat in 2020 42,1 % van de EU-bevolking die deel uitmaakte van een eenoudergezin met afhankelijke kinderen risico op armoede of sociale uitsluiting liep;

J.

overwegende dat armoede onder vrouwen het resultaat is van levenslange discriminatie; overwegende dat genderstereotypen nog altijd van invloed zijn op de verdeling van taken in het huishouden, in het onderwijs, op de werkvloer en in de samenleving als geheel, alsook op de machtsverhoudingen en besluitvorming; overwegende dat onbetaalde zorg en huishoudelijke taken, die veelal door vrouwen worden verricht, een onevenredig zware last voor vrouwen vormen; overwegende dat meer dan 70 % van de werknemers in de gezondheids- en zorgsector, vrouw is; overwegende dat dit soort taken structureel worden ondergewaardeerd omdat ze van oudsher — en ook nu nog — binnen het gezin onbetaald door vrouwen worden verricht; overwegende dat vrouwen minder betaald krijgen dan mannen; overwegende dat vrouwen als gevolg van tijdarmoede vaker deeltijdbanen hebben dan mannen; overwegende dat vrouwen te kampen hebben met armoede onder werkenden, die tot een groter risico op armoede en sociale uitsluiting leidt als gevolg van een lage arbeidsintensiteit;

K.

overwegende dat terdege rekening moet worden gehouden met de aanbevelingen van de Europese pijler van sociale rechten over gendergelijkheid, gelijke kansen en actieve ondersteuning bij het vinden van werk;

L.

overwegende dat armoede onder vrouwen meerdere dimensies kent en dat we derhalve alle oorzaken en gevolgen van armoede onder vrouwen in al haar facetten moeten bestrijden, waaronder niet alleen materiële deprivatie, maar ook de gebrekkige toegang tot verschillende voorzieningen en diensten, die hun vermogen om hun burgerschapsrechten ten volle uit te oefenen, beperkt; overwegende dat armoede onder vrouwen rechtstreeks wordt beïnvloed door het gebrek aan waardering voor werkzaamheden die hoofdzakelijk door vrouwen worden verricht, loopbaanonderbrekingen als gevolg van zwangerschapsverlof of zorgtaken, een ongelijke verdeling van onbetaalde zorgtaken en huishoudelijk werk, en segregatie in het onderwijs en vervolgens op de arbeidsmarkt; overwegende dat armoede onder vrouwen resulteert in hun uitsluiting van bepaalde sociale en politieke aspecten van het leven; overwegende dat de ontoereikende toegang tot voorzieningen en diensten tegelijkertijd tot een groter risico leidt dat vrouwen in armoede terechtkomen of vast blijven zitten, hetgeen laat zien dat armoede en sociale en politieke uitsluiting onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn;

M.

overwegende dat armoede voor vrouwen en mannen verschillende gevolgen heeft, en verder overwegende dat daarom ook rekening moet worden gehouden met andere indicatoren, zoals leeftijd, levensverwachting, inkomensongelijkheden, de loonkloof tussen mannen en vrouwen, type huishoudens, en sociale overdrachten; overwegende dat synergieën tussen verschillende uitgevoerde acties en beleidsmaatregelen ter ondersteuning van gendergelijkheid in beroep, onderwijs, belastingheffing en huisvesting, de diepere oorzaken van armoede en sociale uitsluiting doeltreffender kunnen verhelpen;

N.

overwegende dat er een groter risico op armoede en sociale uitsluiting bestaat onder bepaalde groepen vrouwen, zoals alleenstaande moeders, vrouwen van ouder dan 65 jaar, vrouwen met een handicap, vrouwen met een laag opleidingsniveau en vrouwen met een migratieachtergrond;

O.

overwegende dat er binnen de bevolking van de EU-27 meer vrouwen dan mannen op leeftijd zijn; overwegende dat er in 2019 meer dan twee keer zoveel hoogbejaarde vrouwen (85 jaar of ouder) als hoogbejaarde mannen waren; overwegende dat de ontwikkelingen op het gebied van vergrijzing ingrijpende gevolgen zullen hebben voor overheden, bedrijven en het maatschappelijk middenveld, en met name gevolgen zullen hebben voor de gezondheidszorg- en socialezekerheidsstelsels, de arbeidsmarkten, de overheidsfinanciën en de aanspraak op pensioenen;

P.

overwegende dat uit de cijfers blijkt dat gemiddeld 29,5 % van de vrouwen met een handicap in de EU risico loopt op armoede en sociale uitsluiting, tegenover 27,5 % van de mannen met een handicap;

Q.

overwegende dat vrouwen uit kwetsbare groepen, zoals jonge vrouwen, vrouwen met een handicap, vrouwen met een migratieachtergrond, Romavrouwen, vrouwen uit religieuze of etnische minderheden, alsook lbtqi+-vrouwen, bij de toegang tot onderwijs, gezondheidszorg, werkgelegenheid en sociale dienstverlening te maken krijgen met aanvullende en elkaar overlappende vormen van discriminatie, en daardoor een hoger risico op armoede lopen;

R.

overwegende dat Roma worden gediscrimineerd bij de toegang tot werkgelegenheidsinitiatieven zoals de jongerengarantie; overwegende dat openbare diensten voor arbeidsvoorziening vaak niet in staat zijn hen te bereiken of indirecte discriminatiepraktijken toepassen;

S.

overwegende dat bij gegevens over armoede met de statistische eenheid “huishouden” de armoede binnen huishoudens wordt vastgesteld, maar genderongelijkheden binnen de interne verdeling van de middelen worden veronachtzaamd, waardoor het moeilijk is betrouwbare, naar gender uitgesplitste gegevens te verkrijgen;

T.

overwegende dat armoede onder vrouwen het risico op dakloosheid, op gebrek aan toegang tot adequate huisvesting en op energiearmoede vergroot; overwegende dat beleidsmaatregelen nodig zijn die specifiek zijn afgestemd op alleenstaande ouders;

U.

overwegende dat gendergelijkheid op de arbeidsmarkt een belangrijk instrument is voor het uitbannen van armoede onder vrouwen, dat niet alleen vrouwen maar de economie in haar geheel ten goede komt, en wel in de vorm van een positief effect op het bbp, het werkgelegenheidsniveau en de productiviteit; overwegende dat meer gendergelijkheid zou leiden tot een stijging van het bbp van de EU per hoofd van de bevolking met 6,1 à 9,6 % en de creatie van 10,5 miljoen extra banen tegen 2050, hetgeen voor zowel vrouwen als mannen voordelen oplevert;

V.

overwegende dat werk in sterk door vrouwen gedomineerde sectoren van essentieel belang is en een hoge sociaal-economische waarde heeft, maar ondergewaardeerd wordt en minder betaald wordt dan werk in door mannen gedomineerde sectoren; overwegende dat het dringend noodzakelijk is om de hoogte van de lonen in door vrouwen gedomineerde sectoren beter af te stemmen op de sociale en economische waarde van hun werk en meer vooruitgang te boeken in de EU-regelgeving met betrekking tot de minimumlonen, het minimuminkomen en loontransparantie;

W.

overwegende dat het recht op werk een essentiële voorwaarde is voor de economische onafhankelijkheid en de beroepsmatige ontplooiing van vrouwen en om gelijke rechten in de praktijk te kunnen brengen;

X.

overwegende dat de arbeidsparticipatiekloof tussen vrouwen en mannen gemiddeld 11,5 % bedraagt en dat vrouwen sterk oververtegenwoordigd zijn in sectoren met laagbetaalde, onzekere banen; overwegende dat vrouwen vaker met flexibele werkroosters en atypische en flexibele contracten werken (deeltijdwerk, tijdelijke banen enz.); overwegende dat vrouwen te maken hebben met discriminatie op grond van zwangerschap en moederschap; overwegende dat de loonkloof tussen vrouwen en mannen in 2019 op het niveau van de EU 14,1 % bedroeg, waarbij er evenwel aanzienlijke verschillen waren tussen de lidstaten (20); overwegende dat de genderkloof in inkomsten sinds 2010 in 17 lidstaten is toegenomen, terwijl de genderkloof in inkomen in 19 lidstaten is toegenomen, hetgeen heeft geleid tot een algehele toename van de genderongelijkheid in inkomsten en inkomen in de EU (21); overwegende dat ongeveer 10 % van de beroepsbevolking in de EU met armoede wordt bedreigd en dat vooral vrouwen het minimumloon of minder dan een leefbaar loon ontvangen, onder meer doordat vrouwen vaker in de informele economie werken; overwegende dat de bestrijding van zwartwerk en de vaststelling van toereikende en billijke minimumlonen voor een fatsoenlijke levensstandaard kunnen bijdragen tot het verminderen van de loonongelijkheid, de loonkloof tussen vrouwen en mannen en de armoede onder vrouwen;

Y.

overwegende dat in het Europees Sociaal Handvest het recht van alle werknemers, dus ook van vrouwelijke werknemers, wordt erkend op een billijke beloning die hun en hun gezin een behoorlijk levenspeil verschaft, evenals het recht op gelijke beloning voor arbeid van gelijke waarde; overwegende dat het Handvest bovendien voorziet in het recht op bescherming tegen armoede en sociale uitsluiting en bijdraagt tot het verkleinen van de bestaande loonkloof tussen vrouwen en mannen;

Z.

overwegende dat bij transpersonen slechts 51 % betaald werk heeft, terwijl dit percentage voor de hele bevolking 69,3 % bedraagt; overwegende dat werkloosheid vooral voor transvrouwen een probleem is, aangezien de kans dat zij werkloos zijn voor hen bijna drie keer zo hoog is als voor de hele bevolking (22);

AA.

overwegende dat slechts 20,7 % van de vrouwen met een handicap en 28,6 % van de mannen met een handicap voltijds werkt; overwegende dat personen met een handicap in sommige lidstaten bij het aanvaarden van een baan vaak hun invaliditeitsuitkering verliezen, waardoor het risico op armoede onder werkenden voor deze groep groter wordt;

AB.

overwegende dat de genderkloof op het gebied van pensioenen in 2019 gemiddeld 29,4 % bedroeg (23) ten gevolge van de levenslange structurele ongelijkheden; overwegende dat deze pensioenkloof ertoe leidt dat vrouwen vaker onder de armoedegrens terechtkomen naarmate zij ouder worden, waarbij niet vergeten mag worden dat de levensverwachting van vrouwen hoger is dan die van mannen en de gevolgen van armoede en sociale uitsluiting voor vrouwen derhalve nog groter zijn; overwegende dat een grotere arbeidsintegratie gedurende het hele leven zal bijdragen tot het dichten van de genderkloof op het gebied van pensioenen;

AC.

overwegende dat de technologische en digitale revolutie die we zien, de digitale vooruitgang en nieuwe zakelijke kansen vergroot en dat de economische patronen, de sociale stelsels en de arbeidsmarkt veranderen als gevolg van deze technologische en digitale revolutie; overwegende dat allen in onze samenleving, en vrouwen in het bijzonder, moeten kunnen delen in deze welvaart;

AD.

overwegende dat beleidsmaatregelen ter bevordering van de deelname van vrouwen in de domeinen van wetenschap, technologie, engineering en wiskunde (STEM) en artificiële intelligentie verder moeten worden bevorderd, evenals de vaststelling van een aanpak op meerdere niveaus om de genderkloof te dichten op elk niveau van onderwijs en werkgelegenheid in de digitale sector;

AE.

overwegende dat meisjes op school beter presteren dan jongens, maar vaak grotere moeilijkheden ondervinden of niet de kans krijgen om dit succes in het onderwijs om te zetten in prestaties op het werk door de druk van het gezin of andere factoren;

AF.

overwegende dat vrouwen die in plattelandsgebieden wonen, in het bijzonder door armoede worden getroffen; overwegende dat veel vrouwen die in plattelandsgebieden wonen, niet eens als werkzoekend of werkloos worden geregistreerd; overwegende dat de werkloosheid onder vrouwen in plattelandsgebieden buitengewoon hoog is en dat vrouwen met werk er zeer lage inkomens hebben; overwegende dat vrouwen in plattelandsgebieden slechts beperkte toegang hebben tot onderwijs;

AG.

overwegende dat een gemeenschappelijke EU-benadering van de zorgsector, ter aanvulling van het beleid van de lidstaten, een aanzienlijke meerwaarde zou opleveren; overwegende dat vrouwen vaker onbetaalde zorgtaken verrichten dan mannen, en dat de zorg voor kinderen of afhankelijke personen daarom een van de vaakst voorkomende redenen is voor vrouwen om minder uren of helemaal niet meer te werken; overwegende dat vrouwen vaker hun loopbaan onderbreken of kortdurende, deeltijdse, onzekere of zelfs informele arbeid verrichten die kan worden gecombineerd met zorgtaken, en dat dit gevolgen heeft voor hun inkomsten en pensioenbijdragen en dus van invloed is op hun economische onafhankelijkheid op oudere leeftijd; overwegende dat universele toegang tot hoogwaardige gezondheidszorg en sociale diensten en voorzieningen tegen betaalbare prijzen, zoals onderwijs en opvang voor jonge kinderen of zorg voor andere afhankelijke personen, niet alleen essentieel is om meer armoede te voorkomen, met name voor vrouwen, maar ook van cruciaal belang is voor een economie die het algemeen belang dient; overwegende dat investeringen in deze diensten daarom een positief effect hebben op de economische onafhankelijkheid van vrouwen en op hun vermogen om deel te nemen aan de arbeidsmarkt; overwegende dat maatregelen op het gebied van sociale bescherming absoluut essentieel zijn voor de bestrijding van armoede onder vrouwen, niet alleen in economisch opzicht, maar ook vanwege het multidimensionale karakter ervan;

AH.

overwegende dat armoede de gevolgen van gendergerelateerd geweld voor vrouwen verergert, aangezien de grotere economische moeilijkheden het lastig maken voor vrouwen om hun partner te verlaten in het geval van partnergeweld; overwegende dat gendergerelateerd geweld een structureel probleem is dat in alle sociaal-economische groepen kan worden aangetroffen, ongeacht herkomst of overtuiging; overwegende dat vrouwen als gevolg van armoede een groter risico lopen het slachtoffer te worden van mensenhandel en seksuele uitbuiting, aangezien zij en hun gezin door armoede economisch afhankelijk worden van de personen die hen misbruiken; overwegende dat gendergerelateerd geweld ook armoede en sociale uitsluiting kan doen ontstaan, aangezien geweld gevolgen heeft voor de gezondheid en kan leiden tot verlies van werk en tot dakloosheid;

AI.

overwegende dat intimidatie op het werk, met inbegrip van seksuele en psychologische intimidatie, waar doorgaans vrouwen het slachtoffer van zijn, een afschrikkend effect heeft op vrouwen, met onder meer een verhoogd arbeidsverzuim, een verlaagde productiviteit en hieruit voortvloeiend inkomensverlies tot gevolg, en er mee toe leidt dat zij van de arbeidsmarkt worden verdrongen, wat negatieve gevolgen heeft voor de loopbaan en de economische onafhankelijkheid van de betrokken personen; overwegende dat het melden van intimidatie op de werkplek kan leiden tot ontslag of isolement van het slachtoffer;

AJ.

overwegende dat naar schatting een op de tien meisjes zich momenteel geen hygiënische producten kan veroorloven; overwegende dat het Parlement er in zijn resolutie van 15 januari 2019 over gendergelijkheid en belastingbeleid in de EU bij alle lidstaten op heeft aangedrongen om geen btw te heffen op zorgproducten en producten bestemd voor de hygiënische bescherming van de vrouw door gebruik te maken van de flexibiliteit die de btw-richtlijn ter zake biedt en dus voor deze essentiële basisproducten een verlaagd tarief van 0 % in te voeren;

AK.

overwegende dat de Russische oorlog tegen Oekraïne leidt tot een verdere toename van de armoede, met name onder vrouwen, zowel omdat de oorlog Oekraïense vrouwen en kinderen dwingt te vluchten naar de buurlanden als vanwege de stijgende prijzen van basisdiensten en -goederen, waarmee alle Europeanen te maken krijgen, maar die met name gevolgen hebben voor wie reeds over minder middelen beschikt;

1.

merkt op dat er volgens Eurostat in de lidstaten momenteel 64,6 miljoen vrouwen en 57,6 miljoen mannen in armoede leven, waaruit blijkt dat armoede voor vrouwen en mannen niet dezelfde gevolgen heeft; verzoekt de Commissie om een ambitieuze Europese armoedebestrijdingsstrategie voor 2030 te ontwikkelen, met concrete streefdoelen voor de vermindering van armoede, waarin de nadruk wordt gelegd op de beëindiging van de armoede onder vrouwen en het doorbreken van de armoedespiraal, waarbij het risico op armoede van de ene op de andere generatie overgaat;

2.

onderstreept dat armoede onder vrouwen ook moet worden geanalyseerd aan de hand van een intersectionele benadering, die een genderbewuste analyse omvat waarin rekening wordt gehouden met elkaar overlappende vormen van discriminatie op grond van kenmerken zoals sociaal-economische achtergrond, migratieachtergrond, etnische afkomst, leeftijd, seksuele gerichtheid, genderidentiteit en genderexpressie; dringt erop aan de gendergelijkheidsindex van het EIGE op te nemen in het sociaal scorebord; verzoekt het EIGE intersectioneel en naar gender uitgesplitste gegevens te verstrekken, en verzoekt de lidstaten gebruik te maken van deze gegevens om de landspecifieke uitdagingen beter aan te pakken en nationale herstelplannen op te stellen, alsook om de synergieën tussen de verschillende pakketten, fondsen en beleidsmaatregelen te verbeteren;

3.

onderstreept het belang van beleid waarin rekening wordt gehouden met de demografische uitdaging en waarmee gelijke kansen voor iedereen worden bevorderd, met name voor degenen die het zwaarst door de crisis worden getroffen, zoals kwetsbare groepen, gezinnen in al hun diversiteit, de jongere generatie en ouderen, en onderstreept dat ervoor moet worden gezorgd dat alle zakelijke kansen die de huidige technologische en digitale revolutie biedt, gericht zijn op vrouwen;

4.

verzoekt de lidstaten regelmatig vergelijkbare werkzaamheden te verrichten om bij het ontwerp of de evaluatie van hun beleidsmaatregelen en praktijken uitgesplitste gegevens te verzamelen en te analyseren, met het oog op informatie en cijfers over de situatie van vrouwen die zich in specifieke onzekere omstandigheden bevinden, zoals vrouwen die te kampen hebben met energieonzekerheid, de digitale kloof, beroepsziekten of ondervoeding;

5.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de ongelijkheden waarmee vrouwen worden geconfronteerd, doeltreffend te bestrijden, de belangrijkste aspecten ervan — en dus ook de belemmeringen op de arbeidsmarkt en inzake de toegang tot betaalbare hoogwaardige diensten zoals kinderopvang en diensten voor langdurige zorg — aan te pakken, en de toegang te bevorderen tot openbare pensioenregelingen voor zelfstandigen, niet-actieve personen en (kortstondig of langdurig) werklozen of personen die atypische vormen van werk verrichten;

6.

merkt op dat armoede nog steeds wordt gemeten op basis van het totale inkomen van het huishouden, waarbij er vanuit wordt gegaan dat alle leden van het huishouden evenveel verdienen en dat de financiële middelen eerlijk worden verdeeld; vraagt om geïndividualiseerde rechten en berekeningen die gebaseerd zijn op individuele inkomens, zodat de armoede onder vrouwen in haar ware omvang kan worden bestreden;

7.

dringt erop aan bij het meten van armoede rekening te houden met het multidimensionale karakter ervan en onder meer met tijdsarmoede; verzoekt Eurostat om samen met de lidstaten te coördineren hoe het Europese tijdsbestedingsonderzoek genderbewust moet worden opgezet en hoe regelmatig dit moet worden uitgevoerd;

8.

is ingenomen met de aankondiging van de Commissie van een “Europese zorgstrategie”, maar dringt er bij de Commissie op aan verder te gaan dan maatregelen in de zorgsector en de overgang te waarborgen naar een zorgeconomie die uitgaat van een holistische, genderresponsieve en op het hele leven gerichte benadering van zorg en die onder meer maatregelen omvat ter bevordering van ecologische duurzaamheid, billijke arbeidsomstandigheden en toereikende lonen, teneinde de aantrekkelijkheid van het werk in de zorgsector te behouden, een einde te maken aan discriminatie, armoede, geweld en misbruik te bestrijden, minimumnormen en adequate kwaliteitsrichtsnoeren voor zorg vast te stellen voor de hele levensloop van de persoon, en steun te verlenen aan formele zorgverleners en mantelzorgers, onbetaalde verzorgers en de personen voor wie zij zorgen; verzoekt de lidstaten stimulansen voor werkgevers te creëren met het oog op een beter evenwicht tussen werk en privéleven;

9.

merkt op dat alle lidstaten hun ondersteuningsaanbod tijdens de pandemie hebben uitgebreid en speciale maatregelen hebben getroffen voor eenoudergezinnen; dringt er bij de lidstaten op aan dergelijke maatregelen te verlengen tijdens de herstelperiode;

10.

is ervan overtuigd dat de stelregel “werk is de beste remedie tegen armoede” vandaag niet meer geldt, gezien de sectoren met lage lonen, atypische en onzekere arbeidsomstandigheden en de ontmanteling van de socialezekerheidsstelsels, en dat doeltreffende collectieve arbeidsovereenkomsten en stelsels voor minimumlonen nodig zijn om een samenleving zonder armoede tot stand te brengen;

11.

verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor voldoende financiële bescherming, niet alleen voor mensen die hun hele leven werken, maar ook voor mensen die huishoudelijke taken of educatieve zorg verlenen, of onbetaalde zorgdiensten ten behoeve van mensen die afhankelijk zijn van zorg, evenals voor mensen die een onzeker dienstverband hebben en voor mensen die langdurig werkloos zijn;

12.

verzoekt de Commissie en de lidstaten beleid te bevorderen dat erop gericht is onzekere vormen van arbeid en onvrijwillige deeltijdarbeid uit te bannen om de situatie van vrouwen op de arbeidsmarkt te verbeteren;

13.

wijst op de fundamentele rol van vrouwen in de sociale sector, de zorg, de schoonmaak- en onderwijssector, de gezondheidszorg en de detailhandel, die ervoor zorgen dat onze samenleving kan blijven functioneren, zoals uit de COVID-19-crisis is gebleken; dringt erop aan dat de arbeid in doorgaans door vrouwen gedomineerde sectoren opnieuw wordt beoordeeld en wordt geherwaardeerd, dat sectoroverschrijdende en genderneutrale functiewaarderingsmethoden worden ontwikkeld en toegepast om dit werk beter te beoordelen en eerlijker te belonen en om een gelijke beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid te waarborgen, en dat tegelijkertijd het ondernemerschap van vrouwen in kleine en middelgrote ondernemingen wordt versterkt;

14.

wijst erop dat de overgrote meerderheid van de werknemers in de detailhandel en de schoonmaaksector vrouw is en vaak slechts het minimumloon betaald krijgt, en dat de COVID-19-pandemie het risico op armoede voor deze werknemers nog heeft vergroot; wijst op de dringende noodzaak om de lonen te verhogen en onzekere vormen van werk te bestrijden; dringt er bij de lidstaten op aan om de status van zorgverleners te verhogen door het bieden van fatsoenlijke lonen en arbeidsvoorwaarden en meer bepaald door het sluiten van behoorlijke arbeidsovereenkomsten;

15.

benadrukt dat om de veelzijdige aspecten van de armoede onder vrouwen aan te pakken, een einde moet worden gemaakt aan de segregatie van onbetaalde huishoudelijke taken en zorgtaken die hoofdzakelijk door vrouwen worden verricht en de bestrijding van stereotypen moet worden aangescherpt, om zorgdiensten, maatregelen ter verbetering van het evenwicht tussen werk en privéleven en gezinsvriendelijke werkregelingen, zoals flexibele werktijden en telewerk, te versterken om het model van gelijke verdieners en gelijke verzorgers (arbeidstijdenbeleid) (24) te bevorderen en vrouwen en mannen zo de mogelijkheid te bieden hun werk en privéleven beter te combineren; verzoekt de lidstaten met klem de richtlijn betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven volledig om te zetten en ten uitvoer te leggen om een eerlijke verdeling tussen werk en gezinsleven te waarborgen; verzoekt de lidstaten daarbij verder te gaan dan de minimumnormen die in de richtlijn zijn opgenomen; beklemtoont dat de onderliggende oorzaken van armoede onder werkenden moeten worden aangepakt, bijvoorbeeld door onderwijs en opleiding te bevorderen, minimumlonen vast te stellen en sociale bescherming te waarborgen; verzoekt de Commissie er bij de lidstaten op aan te dringen te investeren in onderwijs en opleiding van hoge kwaliteit en hen daarbij te ondersteunen, goede werkmethoden uit te wisselen en bijzondere aandacht te besteden aan een leven lang leren;

16.

onderstreept dat vrouwen naar verhouding veel vaker en veelal onvrijwillig in onzekere banen terechtkomen, waarbij zij vaak deeltijds werken op basis van slecht betaalde arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd of nulurencontracten; verzoekt de lidstaten met klem uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Internationale Arbeidsorganisatie ter verlaging van het aantal onzekere banen, waaronder de aanbeveling om de omstandigheden waaronder gebruik kan worden gemaakt van onzekere contracten te beperken en de aanbeveling om de duur waarvoor werknemers op basis van een dergelijk contract kunnen worden aangenomen, in te korten;

17.

verzoekt de lidstaten actief en doeltreffend beleid ten uitvoer te leggen om intimidatie op de werkvloer, met inbegrip van seksuele intimidatie en pesterijen, te voorkomen en tegen te gaan; verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor goede, passende financieringsmechanismen voor programma’s en maatregelen ter bestrijding van intimidatie op de werkvloer, waaronder mechanismen ter ondersteuning van vrouwen bij het melden van intimidatie; verzoekt de lidstaten en de EU Verdrag nr. 190 van de Internationale Arbeidsorganisatie inzake het uitbannen van geweld en pesterijen op de werkvloer te ratificeren;

18.

benadrukt dat de gevolgen van de keuzen van vrouwen op de arbeidsmarkt en het belang van de economische onafhankelijkheid van vrouwen beter onder de aandacht moeten worden gebracht om vrouwen voor armoede en sociale uitsluiting te behoeden;

19.

vreest dat vrouwen met kinderen op de werkplek worden gediscrimineerd omdat zij moeders zijn en niet omdat zij minder goed presteren dan hun collega’s; verzoekt de lidstaten met klem actief een positief beeld van moeders als werknemers te bevorderen;

20.

vestigt de aandacht op de cruciale rol die hoogwaardige openbare voorzieningen spelen bij de bestrijding van armoede onder vrouwen, met name onderwijs en opvang voor jonge kinderen of zorg voor andere afhankelijke personen, zoals ouderen; verzoekt de lidstaten passende mechanismen in te stellen om deze verworvenheden in het leven te erkennen;

21.

benadrukt dat ook de klimaatverandering een grote invloed heeft op de armoede onder vrouwen, aangezien vrouwen afhankelijker zijn van natuurlijke hulpbronnen en, vanwege het feit dat zij de meerderheid van de armen in de EU uitmaken, minder middelen tot hun beschikking hebben om zich tegen de negatieve gevolgen van de klimaatverandering te beschermen; betreurt dat in het klimaatbeleid van de EU niet consequent een genderperspectief is opgenomen; verzoekt de Commissie gendergelijkheid op te nemen in het beleid en de wetgeving van de EU inzake klimaatverandering; is van mening dat het “Fit for 55”-pakket en het Sociaal Klimaatfonds moeten worden vormgegeven en uitgevoerd met een duidelijke genderdimensie en in gelijke mate ten goede moeten komen aan vrouwen en mannen;

22.

roept de EU en de lidstaten op vrouwen die met energiearmoede kampen, te beschermen door middel van een tijdige, gecoördineerde respons voor de aanpak van de langetermijneffecten van de energiecrisis; benadrukt dat de toegang tot betaalbare nutsvoorzieningen voor huishoudens met lagere inkomens moet worden gegarandeerd, met name voor oudere vrouwen en alleenstaande moeders;

23.

verzoekt de Commissie en de lidstaten gendergelijkheid in alle beleidsmaatregelen, programma’s en maatregelen op te nemen en een beter beleid inzake het evenwicht tussen werk en privéleven vast te stellen, alsook passende maatregelen om de deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt te waarborgen, waaronder beter zwangerschapsverlof, aanzienlijk langer vaderschapsverlof, betaald en niet-overdraagbaar ouderschapsverlof, flexibele werktijden, kinderopvangvoorzieningen op de werkvloer, zorgdiensten en telewerkregelingen; vestigt de aandacht op het belang van gendermainstreaming en de afstemming van de economische beleidsrespons op de COVID-19-pandemie op de specifieke behoeften van vrouwen en de structuur van hun economische activiteiten;

24.

verzoekt de Commissie en de lidstaten gendergelijkheid op te nemen in alle wetgeving, beleidsmaatregelen, programma’s en maatregelen op het gebied van vervoer en een genderperspectief in acht te nemen bij de vormgeving van beleid op het gebied van mobiliteit, betaalbare huisvesting en stadsplanning;

25.

onderstreept dat dakloosheid onder vrouwen niet mag worden onderschat en niet ten onrechte mag worden gezien als een klein sociaal probleem in de EU; wijst op het gebrek aan alomvattende, uitgesplitste gegevens over de aard en omvang van dakloosheid onder vrouwen, waardoor dit probleem minder zichtbaar is; verzoekt de EU en de lidstaten met klem een genderperspectief op te nemen in beleidsmaatregelen en methoden voor het tegengaan van dakloosheid en met betrekking tot de toegang tot betaalbare en passende huisvesting en energie, en specifieke strategieën vast te stellen die erop gericht zijn deze problemen voor 2030 uit te bannen, en er daarbij voor te zorgen dat diensten naar behoren en op doeltreffende wijze aan de behoeften van dakloze vrouwen tegemoetkomen; benadrukt dat gendergerelateerd geweld moet worden erkend als een van de onderliggende oorzaken die dakloosheid onder vrouwen verergeren, en dat moet worden gekeken naar de manier waarop de behoeften van vrouwen samenvallen met bredere sociaal-economische en structurele belemmeringen; verzoekt alle actoren dit genderperspectief op te nemen in het Europees platform voor de bestrijding van dakloosheid; is ervan overtuigd dat het beginsel “huisvesting eerst” een belangrijke rol kan spelen bij de bestrijding van dakloosheid en pleit voor de uitrol van projecten op dit gebied in alle lidstaten;

26.

merkt op dat de verslechterende sociale en economische situatie als gevolg van de COVID-19-pandemie alle vormen van misbruik en geweld tegen vrouwen alsmede de prostitutie heeft doen toenemen, hetgeen een inbreuk vormt op hun mensenrechten; onderstreept dat de beschikbare overheids-, financiële en personele middelen moeten worden uitgebreid om groepen te ondersteunen die het risico lopen in armoede te vervallen en situaties aan te pakken die een risico vormen voor kinderen en jongeren, ouderen, mensen met een handicap en daklozen;

27.

merkt op dat de economische onafhankelijkheid van vrouwen een cruciale rol speelt in hun vermogen om aan situaties van gendergerelateerd geweld te ontsnappen; pleit daarom voor steunverlening en beschermingsmaatregelen ter ondersteuning van vrouwen die in deze situaties verkeren, alsmede voor de vaststelling van een alomvattende richtlijn inzake de voorkoming en bestrijding van alle vormen van gendergerelateerd geweld, de opname van gendergerelateerd geweld in de lijst van EU-misdrijven en de ratificatie van het Verdrag van Istanbul door de EU, alsook door Bulgarije, Hongarije, Letland, Litouwen en Slowakije, Tsjechië; benadrukt dat een leven zonder geweld van essentieel belang is om te waarborgen dat vrouwen kunnen deelnemen aan de arbeidsmarkt, hun potentieel ten volle kunnen benutten, en financieel onafhankelijk kunnen zijn; veroordeelt bewuste desinformatie over instrumenten en initiatieven ter bestrijding van gendergebaseerd geweld in de EU; is bezorgd dat deze desinformatie in Europa voet aan de grond krijgt en het nog moeilijker maakt om vrouwen tegen geweld te beschermen;

28.

verzoekt de lidstaten op te treden tegen schadelijke praktijken zoals vrouwelijke genitale verminking, huwelijken op jonge leeftijd, gedwongen huwelijken en zogeheten eergerelateerd geweld, dat met name een schadelijk en beperkend effect heeft op jonge vrouwen en meisjes;

29.

beschouwt prostitutie als ernstige vorm van geweld en uitbuiting die voornamelijk vrouwen en kinderen treft; verzoekt de lidstaten specifieke maatregelen te nemen tegen de economische, sociale en culturele oorzaken van prostitutie, zodat vrouwen die in armoede verkeren en het slachtoffer zijn van sociale uitsluiting niet aan dergelijke uitbuiting ten prooi vallen; verzoekt de lidstaten specifieke maatregelen te nemen om prostituees te helpen bij hun re-integratie in de maatschappij en op de arbeidsmarkt;

30.

verzoekt de Commissie via de Europese sociale fondsen en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling proactieve maatregelen voor te stellen om de aanwerving van vrouwen, de vergemakkelijking van de toegang tot sociale diensten en de sociaal-economische ontwikkeling in plattelandsgebieden te bevorderen; spoort de lidstaten ertoe aan in samenwerking met regionale en lokale instanties het risico op armoede onder vrouwen in plattelandsgebieden te beperken door de positie van vrouwen en hun levenskwaliteit te versterken door middel van onderwijsprogramma’s en arbeidsvoorwaarden van hoge kwaliteit, waaronder telewerk en een fatsoenlijk inkomen; pleit voor positieve maatregelen om met name vrouwelijke landbouwers ertoe aan te sporen in plattelandsgebieden te blijven, onder meer door gemeenschapscentra te stimuleren die technisch advies en technische bijstand kunnen verlenen om ervoor te zorgen dat landbouwbedrijven blijven draaien en bestaan, en om jongeren ertoe aan te sporen in landbouw en vee te investeren om het voortbestaan van deze bestaansmiddelen te waarborgen;

31.

wijst op de cruciale rol van alle Europese sociale fondsen en programma’s, en met name het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) en het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG), het Fonds voor een rechtvaardige transitie (JTF), de herstel- en veerkrachtfaciliteit en het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF); benadrukt dat de lidstaten en de Commissie ernaar moeten streven om via het ESF+ de sociaal-economische gevolgen van de crisis, met name voor vrouwen, te verzachten, meer vrouwen aan het werk te krijgen en werkende vrouwen te helpen hun werk en privéleven te combineren, armoede en de genderdimensie daarvan te bestrijden, de feminisering van de armoede en genderdiscriminatie op de arbeidsmarkt, in het onderwijs en bij opleidingen tegen te gaan, de kwetsbaarste mensen te helpen en kinderarmoede te bestrijden; verzoekt de lidstaten ten volle gebruik te maken van fondsen die een genderperspectief omvatten;

32.

benadrukt dat nationale inspanningen ter waarborging van de inclusie van Roma in alle EU-lidstaten moeten worden versneld; verzoekt de Commissie aan te sporen tot inclusie en aldus de deelname van Roma-meisjes en -vrouwen op alle niveaus te waarborgen, ook wanneer zij werkzaam zijn op lokaal, regionaal of EU-niveau; wijst erop dat hierbij rekening moet worden gehouden met de gelijkheid van mannen en vrouwen en dat de EU in het bijzonder de optimale werkmethoden van de lidstaten moet overnemen;

33.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de financiële steun van de EU aan te vullen met studieprogramma’s en -projecten die getalenteerde Roma-meisjes en -vrouwen de kans bieden zich via volwassenonderwijs uit de intergenerationele armoede te bevrijden door beter in de maatschappij te integreren en kennis te vergaren, om de situatie van de Roma-gemeenschap te verbeteren; verzoekt de lidstaten aan te geven hoeveel steun zij nodig zouden hebben om uitvoering te geven aan de aanbevolen maatregelen voor de integratie van de Roma-bevolking;

34.

onderstreept dat de toename van de armoede onder vrouwen grote gevolgen heeft voor de hele samenleving; toont zich bezorgd over de gevolgen die dit zal hebben in termen van kinderarmoede; is in dit verband ingenomen met de vaststelling van Aanbeveling (EU) 2021/1004 van de Raad van 14 juni 2021 tot instelling van een Europese kindergarantie;

35.

vestigt de aandacht op de belangrijke bijdrage die vrouwen leveren op het gebied van werkgelegenheid, cultuur, onderwijs, wetenschap en onderzoek; constateert dat er sprake is van een ernstige verslechtering van de levensomstandigheden van vrouwen die werkzaam zijn in de sector kunst en cultuur, in micro- en kleine landbouwbedrijven en in plattelandsbedrijven als gevolg van de opschorting van economische en culturele activiteiten tijdens de pandemie;

36.

pleit voor een genderbewuste benadering van de digitale transitie; verzoekt de Commissie met klem gebruik te maken van bestaande programma’s en financiering en aanvullende financiering beschikbaar te stellen voor de bestrijding van digitale armoede onder vrouwen, zodat vrouwen de nodige vaardigheden kunnen verwerven om veilig de digitale wereld te kunnen betreden en hun digitale geletterdheid kunnen verbeteren;

37.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de belemmeringen voor vrouwelijk ondernemerschap onder de loep te nemen en met name een uitgebreide analyse uit te voeren van de toegang van vrouwen tot financiële middelen om op deze manier een einde te maken aan de armoede onder vrouwen in de Europese Unie door vrouwen in staat te stellen ondernemers te worden en kleine en middelgrote ondernemingen op te richten, en daarmee bij te dragen aan de dubbele transitie; merkt op dat vrouwelijk ondernemerschap nieuwe banen schept, de eengemaakte markt versterkt en de werkloosheid terugdringt; merkt op dat de vermindering van de bureaucratische lasten voor ondernemers ervoor kan zorgen dat vrouwen minder belemmeringen ondervinden bij het starten van een bedrijf; benadrukt dat het belangrijk is vanaf jonge leeftijd over ondernemerschap te leren en praktijkervaring op te doen op school; verzoekt de Commissie en de lidstaten de positie van vrouwen te versterken door middel van onderwijs, beroepsopleiding en een leven lang leren; pleit er in het bijzonder voor dat meer wordt ingezet op STEM-vakken, digitale vaardigheden, artificiële intelligentie en financiële geletterdheid om heersende stereotypen te bestrijden en ervoor te zorgen dat meer vrouwen actief worden in deze sectoren en bijdragen aan de ontwikkeling ervan;

38.

verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat alle vormen van sociaal-economische en genderongelijkheden worden aangepakt en uitgebannen in al het nieuwe begrotingsbeleid, waaronder in de belastingheffing, die een duidelijke genderdimensie heeft (25); verzoekt de lidstaten discriminatie op grond gender in hun belastingbeleid te vermijden en de btw op sanitaire goederen voor vrouwen af te schaffen, aangezien deze de waardigheid van vrouwen met een lager inkomen in gevaar brengt, om er zo voor te zorgen dat alle vrouwen toegang hebben tot deze essentiële producten;

39.

verzoekt de lidstaten bij de hervorming van pensioenstelsels en de aanpassing van de pensioenleeftijd de genderdimensie in acht te nemen en rekening te houden met de uiteenlopende werkgewoonten van vrouwen en mannen, alsook met alle onbetaalde arbeidspraktijken, en het hogere risico dat vrouwen, en met name oudere vrouwen, op de arbeidsmarkt lopen op discriminatie; verzoekt de lidstaten met klem specifieke maatregelen te nemen om het risico op armoede voor oudere en gepensioneerde vrouwen dat voortvloeit uit de vergrijzing en het aantal oudere vrouwen dat in een kansarme of kwetsbare situatie verkeert, te voorkomen en tegen te gaan; verzoekt de lidstaten perioden van onbetaalde zorgtaken in hun pensioenstelsels mee te nemen, bijvoorbeeld door zorgkredieten of andere maatregelen aan het pensioen van de verzorger toe te voegen, ongeacht of het zorg voor minderjarige kinderen, ouderen, zieken of mensen met een handicap betreft; verzoekt de lidstaten voorts mannen ertoe aan te sporen zorgtaken op zich te nemen;

40.

verzoekt de Commissie geen beleidsaanbevelingen te bevorderen die zouden leiden tot een toename van onzekere arbeidsverhoudingen, de deregulering van werktijden, de verlaging van lonen, een aanval op collectieve onderhandelingen of de privatisering van overheidsdiensten en socialezekerheidsvoorzieningen;

41.

is verheugd over de lopende onderhandelingen over de vaststelling van een richtlijn inzake toereikende minimumlonen in de Europese Unie; verzoekt de EU-instellingen een EU-kader tot stand te brengen ter bevordering van de vaststelling of aanpassing van een minimumloon per land, onder meer op basis van een nationaal pakket van goederen en diensten tegen realistische prijzen, waaronder voor degelijke huisvesting, gezonde en evenwichtige voeding, kleding, duurzaam vervoer en duurzame energie, gezondheid en zorg, en middelen die mensen ertoe in staat stellen op zinvolle wijze aan de samenleving, de cultuur en het onderwijs deel te nemen, om een fatsoenlijke levensstandaard te waarborgen en zo armoede onder werkenden, en met name onder werkende vrouwen, gedeeltelijk te helpen beperken; pleit voor eerlijke en degelijke minimumlonen in de lidstaten als noodzakelijke waarborg om te zorgen voor een eerlijkere loonverdeling, alsook voor een ondergrens voor lonen ter bescherming van vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt; is van mening dat de vaststelling van een kader voor minimumlonen moet worden verwezenlijkt en gehandhaafd door middel van duidelijke regels, transparante procedures en doeltreffende praktijken; meent dat daarbij gebruik moet worden gemaakt van criteria en leidende indicatoren om te beoordelen of de lonen gepast zijn, dat onder meer moet worden gewerkt met de inbreng van raadgevende organen, en dat sociale partners bij de zaken moeten worden betrokken;

42.

verzoekt de lidstaten te zorgen voor een ambitieuze tenuitvoerlegging van de Europese kindergarantie, de richtlijn betreffende loontransparantie alsmede de toekomstige richtlijn betreffende minimumlonen en de toekomstige aanbeveling over een minimuminkomen;

43.

betreurt het dat gendermainstreaming nog altijd niet op de hele EU-begroting is toegepast, zoals door de Europese Rekenkamer is opgemerkt, en pleit ervoor dat hier zo spoedig mogelijk verandering in wordt gebracht; onderstreept dat gendermainstreaming op alle niveaus van de EU-beleidscyclus moet worden toegepast en op betrouwbare gegevens moet stoelen; beklemtoont dat genderbudgettering ten uitvoer moet worden gelegd, onder meer in alle programma’s die deel uitmaken van de begroting voor 2022, om gendergelijkheid te verwezenlijken en armoede onder vrouwen uit te bannen; verzoekt de Commissie in dit verband vaart te zetten achter de invoering van een doeltreffende, transparante en alomvattende methodologie en nauw samen te werken met het Parlement om relevante genderuitgaven te meten, zoals bepaald in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (26), zodat er voor de begroting voor 2022 concrete resultaten kunnen worden getoond en de methodologie tot alle programma’s van het meerjarig financieel kader kan worden uitgebreid;

44.

wijst erop dat het huidig economisch en sociaal bestuur van de begrotingscapaciteit van de EU mogelijk moet worden herzien om ongelijkheden en armoede onder vrouwen te verminderen en gendergelijkheid te verwezenlijken; pleit voor consistentie tussen het economisch en sociaal bestuur en de verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van gendergelijkheid en de uitbanning van armoede onder vrouwen;

45.

verzoekt de Raad een specifieke Raadsformatie op te zetten die gewijd is aan gendergelijkheid om gemeenschappelijke en concrete maatregelen in te voeren om de uitdagingen op het gebied van vrouwenrechten en gendergelijkheid aan te gaan en ervoor te zorgen dat kwesties inzake gendergelijkheid op het hoogste politieke niveau worden besproken;

46.

verzoekt de Commissie en de lidstaten een analyse te maken van de ongelijke genderimpact van de inflatie en stijging van de energieprijzen als gevolg van de Russische oorlog tegen Oekraïne en hiermee rekening te houden bij de tenuitvoerlegging van maatregelen om de gevolgen ervan voor de armsten te verlichten;

47.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 223 van 22.6.2021, blz. 14.

(2)  PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.

(3)  PB L 188 van 12.7.2019, blz. 79.

(4)  PB C 233 E van 28.9.2006, blz. 130.

(5)  PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 77.

(6)  PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 56.

(7)  PB C 76 van 28.2.2018, blz. 93.

(8)  PB C 298 van 23.8.2018, blz. 14.

(9)  PB C 331 van 18.9.2018, blz. 60.

(10)  PB C 346 van 27.9.2018, blz. 6.

(11)  PB C 363 van 28.10.2020, blz. 80.

(12)  PB C 411 van 27.11.2020, blz. 38.

(13)  PB C 331 van 17.8.2021, blz. 5.

(14)  PB C 456 van 10.11.2021, blz. 191.

(15)  PB C 99 van 1.3.2022, blz. 122.

(16)  PB C 465 van 17.11.2021, blz. 62.

(17)  PB C 58 van 15.2.2018, blz. 192.

(18)  Website van Eurostat getiteld “Living conditions in Europe — poverty and social exclusion” (Levensomstandigheden in Europa — armoede en sociale uitsluiting), geraadpleegd op 30 mei 2022. Beschikbaar op: https://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php?title=Living_conditions_in_Europe_-_poverty_and_social_exclusion&oldid=544210

(19)  Europees Instituut voor gendergelijkheid, “Gender Equality Index 2020: Digitalisation and the future of work” (Gendergelijkheidsindex 2020: digitalisering en de toekomst van arbeid), Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, 2020.

(20)  Webpagina van Eurostat, getiteld “Gender pay gap statistics”, geraadpleegd op 30 mei 2022. Beschikbaar op: https://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php?title=Gender_pay_gap_statistics

(21)  “Gender pay gap statistics”.

(22)  https://op.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/7341d588-ddd8-11ea-adf7-01aa75ed71a1/language-en

(23)  Artikel van Eurostat van 3 februari 2021, getiteld “Closing the gender pension gap?”.

(24)  Gegevensbank van het EIGE voor genderstatistieken, geraadpleegd op 30 mei 2022. Te raadplegen op: https://eige.europa.eu/gender-statistics/dgs/browse/ta/ta_timeuse

(25)  Verslag van de beleidsondersteunende afdeling Rechten van de burger en Constitutionele Zaken van het Europees Parlement van april 2017, getiteld “Gender equality and taxation in the European Union” (Gendergelijkheid en belastingheffing in de Europese Unie).

(26)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.


7.2.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 47/15


P9_TA(2022)0276

Indo-Pacifische strategie op het gebied van handel en investeringen

Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2022 over de Indo-Pacifische strategie op het gebied van handel en investeringen (2021/2200(INI)

(2023/C 47/02)

Het Europees Parlement,

gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 16 september 2021 over de EU-strategie voor samenwerking in de Indo-Pacifische regio (JOIN(2021)0024),

gezien de conclusies van de Raad van 16 april 2021 over de EU-strategie voor samenwerking in de Indo-Pacifische regio,

gezien de strategie van Nederland voor de Indo-Pacifische regio van 13 november 2020, getiteld “Indo-Pacific: een leidraad voor versterking van de Nederlandse en EU-samenwerking met partners in Azië”,

gezien de beleidsrichtsnoeren voor de Indo-Pacifische regio van de Duitse Bondsregering van september 2020,

gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 1 december 2021 getiteld “De Global Gateway” (JOIN(2021)0030),

gezien de mededeling van de Commissie van 18 februari 2021 getiteld “Evaluatie van het handelsbeleid — Een open, duurzaam en assertief handelsbeleid” (COM(2021)0066),

gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 12 maart 2019 getiteld “EU-China — Een strategische visie” (JOIN(2019)0005),

gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 19 september 2018 getiteld “Versterken van de banden tussen Europa en Azië — Bouwstenen voor een EU-strategie” (JOIN(2018)0031),

gezien de mededeling van de Commissie van 9 maart 2021 getiteld “Digitaal kompas 2030: de Europese aanpak voor het digitale decennium” (COM(2021)0118),

gezien de toespraak over de Staat van de Unie 2021 van voorzitter van de Commissie Ursula von der Leyen van 15 september 2021,

gezien het gezamenlijke persbericht van de Europese Dienst voor extern optreden en het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken van 3 december 2021 over het overleg op hoog niveau over de Indo-Pacifische regio,

gezien de elfde bijeenkomst van het parlementair samenwerkingsverband Azië-Europa, die op 16 november 2021 plaatsvond in Cambodja,

gezien het één-China-beleid van de EU, zoals uiteengezet in de strategische visie EU-China van 12 maart 2019,

gezien de brede investeringsovereenkomst die de EU en China op 30 december 2020 in beginsel hebben gesloten,

gezien zijn aanbeveling van 21 oktober 2021 aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid betreffende de politieke betrekkingen en samenwerking tussen de EU en Taiwan (1),

gezien zijn aanbeveling van 29 april 2021 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over de betrekkingen tussen de EU en India (2),

gezien de non-paper van de diensten van de Commissie van 26 februari 2018 getiteld “Feedback and way forward on improving the implementation and enforcement of Trade and Sustainable Development chapters in EU Free Trade Agreements” en het daarin vervatte 15-puntenactieplan over hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling,

gezien de vrijhandelsovereenkomst van 16 september 2010 tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds (3),

gezien de vrijhandelsovereenkomst (4) en investeringsbeschermingsovereenkomst van 19 oktober 2018 tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Singapore, anderzijds,

gezien de vrijhandelsovereenkomst (5) en investeringsbeschermingsovereenkomst van 30 juni 2019 tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Socialistische Republiek Vietnam, anderzijds,

gezien de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Japan betreffende een economisch partnerschap (6),

gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie, enerzijds, en de leden van de Organisatie van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (OACPS), anderzijds,

gezien de lopende onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten tussen de EU en Australië, Nieuw-Zeeland en Indonesië, en de onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten tussen de EU en Maleisië, Thailand en de Filipijnen, die momenteel stilliggen,

gezien zijn resolutie van 3 oktober 2017 over politieke betrekkingen tussen de EU en Asean (7),

gezien het op 21 januari 2019 tijdens de ministeriële bijeenkomst van de Asean genomen besluit om een strategisch partnerschap EU-Asean tot stand te brengen,

gezien de 29e vergadering van het gemengd samenwerkingscomité EU-Asean op 11 februari 2022,

gezien de op 22 juni 2021 georganiseerde inaugurele interregionale dialoog tussen het Europees Parlement en de interparlementaire assemblee van de Asean (AIPA),

gezien de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering van 12 december 2015 en de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (COM(2019)0640),

gezien het verslag van de Commissie van 27 oktober 2021 over de tenuitvoerlegging en handhaving van de handelsovereenkomsten van de EU (COM(2021)0654),

gezien zijn resolutie van 26 november 2020 over de toetsing van het handelsbeleid van de EU (8),

gezien zijn resolutie van 20 mei 2021 over de Chinese sancties als vergelding tegen EU-instanties, EP-leden en leden van nationale parlementen (9),

gezien zijn resolutie van 16 september 2021 over een nieuwe EU-strategie ten aanzien van China (10),

gezien zijn resolutie van 21 januari 2021 over connectiviteit en de betrekkingen EU-Azië (11),

gezien zijn resolutie van 9 juni 2021 over de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030: de natuur terug in ons leven brengen (12),

gezien zijn resolutie van 7 oktober 2020 over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk handelsbeleid — jaarverslag 2018 (13),

gezien zijn resolutie van 18 mei 2017 over de tenuitvoerlegging van de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en de Republiek Korea (14),

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

gezien het advies van de Commissie visserij,

gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A9-0170/2022),

A.

overwegende dat de Indo-Pacifische regio een geopolitieke en geo-economische realiteit is geworden; overwegende dat de regio dankzij haar toenemende economische, demografische en politieke gewicht een belangrijke rol speelt bij de vormgeving van de internationale orde en de aanpak van wereldwijde uitdagingen; overwegende dat het zwaartepunt van de wereldeconomie is verschoven van de Atlantische naar de Stille Oceaan;

B.

overwegende dat Europa en de Indo-Pacifische regio samen goed zijn voor meer dan 70 % van de wereldwijde handel in goederen en diensten en meer dan 60 % van de buitenlandse directe investeringen, en dat hun jaarlijkse handel in 2019 goed was voor 1,5 biljoen EUR; overwegende dat de Indo-Pacifische regio goed is voor 60 % van het mondiale bruto binnenlands product (bbp) en twee derde van de wereldwijde economische groei; overwegende dat de EU de grootste investeerder is in de regio, die vier van de tien belangrijkste handelspartners van de EU in de wereld omvat (China, Japan, Zuid-Korea en India) (15);

C.

overwegende dat de EU momenteel vier bilaterale handelsovereenkomsten in de regio heeft (met Japan, Singapore, Zuid-Korea en Vietnam), vijf strategische partnerschappen (met Asean, China, India, Japan en Zuid-Korea) en twee connectiviteitspartnerschappen (met Japan en India);

D.

overwegende dat de EU en de Asean met het aangaan van een strategisch partnerschap in december 2020 een nieuw hoofdstuk hebben geopend in hun reeds lang bestaande betrekkingen;

E.

overwegende dat in de versterkte interparlementaire betrekkingen en parlementaire diplomatie tussen het Europees Parlement en de parlementen van Zuidoost-Azië — via de interparlementaire assemblee van de Asean (AIPA) — de toekomstige agenda van bredere en diepere betrekkingen tussen de EU en de Asean tot uitdrukking moet komen; overwegende dat het Europees Parlement en de AIPA vanzelfsprekende partners zijn die een aanzienlijk potentieel hebben om bij te dragen tot het versterken van de betrekkingen tussen de EU en de Asean;

F.

overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en de Asean gebaseerd zijn op de gedeelde waarden en beginselen van een op regels gebaseerde internationale orde, doeltreffend en duurzaam multilateralisme en vrije en eerlijke handel; overwegende dat in de EU gevestigde entiteiten de grootste verstrekker van buitenlandse directe investeringen in de Asean-regio zijn; overwegende dat de EU de op twee na grootste handelspartner van de Asean is en dat de Asean als geheel de op twee na grootste handelspartner van de EU buiten Europa is; overwegende dat de onderhandelingen over een vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en de Asean sinds 2009 in onderling overleg zijn opgeschort;

G.

overwegende dat de inspanningen van Korea met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling minder dan optimaal zijn; overwegende dat concretere verbeteringen nodig zijn;

H.

overwegende dat verscheidene landen in de Indo-Pacifische regio in het kader van het stelsel van algemene preferenties (SAP) EU-tariefpreferenties genieten, waardoor de toegang tot de EU-markten wordt vergemakkelijkt, en dat de minst ontwikkelde landen in de regio profiteren van de rechtenvrije, quotavrije “alles behalve wapens”-regeling; overwegende dat Pakistan, de Filipijnen en Sri Lanka profiteren van de bijzondere stimuleringsregeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur (SAP+-regeling); overwegende dat deze instrumenten hebben bijgedragen tot de economische ontwikkeling van deze landen, de eerbiediging van de mensenrechten en arbeidsrechten door die landen, de bescherming van het milieu en verbeteringen op het gebied van goed bestuur;

I.

overwegende dat de geopolitieke concurrentie tussen belangrijke spelers op het wereldtoneel, met name tussen de Verenigde Staten en China, blijft toenemen, met aanzienlijke gevolgen voor de wereldhandel; overwegende dat recente gebeurtenissen van invloed zijn geweest op de mondiale duurzame toeleveringsketens en de aanvoer van kritieke grondstoffen, waardoor de energie- en voedselprijzen zijn gestegen; overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en China veelzijdig zijn, waarbij China zowel een samenwerkingspartner als een economische concurrent en een systeemrivaal op verschillende gebieden is;

J.

overwegende dat het alomvattend en vooruitstrevend trans-Pacifisch partnerschap (CPTPP) een open, toekomstgerichte handelsovereenkomst is, die gericht is op het waarborgen van een gelijk speelveld en een op regels gebaseerd handelsklimaat in de Indo-Pacifische regio en een model biedt voor regionale handelsintegratie; overwegende dat de VS zich in januari 2017 uit de overeenkomst hebben teruggetrokken, en dat China, Taiwan en het Verenigd Koninkrijk in 2021 formeel een verzoek tot toetreding hebben ingediend;

K.

overwegende dat het regionaal alomvattend economisch partnerschap (RCEP) — geleid door de Asean en tevens ondertekend door Australië, China, Japan, de Republiek Korea en Nieuw-Zeeland — in januari 2022 in werking is getreden, waardoor het grootste handelsblok ter wereld is ontstaan; overwegende dat het RCEP erop gericht is meer regionale samenwerking te bevorderen op het gebied van handel en investeringen, alsook op het gebied van digitale handel, en regelgevingskwesties aan te pakken om grensoverschrijdend verkeer te vergemakkelijken, maar dat het slechts beperkte bepalingen inzake arbeid en milieu bevat;

L.

overwegende dat de COVID-19-crisis verschillende geopolitieke trends die reeds aan de gang waren, heeft versneld; overwegende dat uit de crisis is gebleken dat de internationale samenwerking moet worden verdiept, bijvoorbeeld in de gezondheidssector; overwegende dat de crisis ook de gebrekkige veerkracht van de economieën van de lidstaten en de kwetsbaarheden in de mondiale toeleveringsketens aan het licht heeft gebracht en duidelijk heeft gemaakt dat er behoefte is aan meer diversificatie;

M.

overwegende dat de geopolitieke situatie drastisch is veranderd sinds Rusland in februari 2022 Oekraïne is binnengevallen en dat het in dit verband nog belangrijker en dringender is om de banden met de Indo-Pacifische partners verder aan te halen om onze handelsbetrekkingen te diversifiëren, onze samenwerking op het gebied van kritieke en opkomende technologieën, digitale vraagstukken en grondstoffen te verdiepen, de toeleveringsketens veerkrachtiger en duurzamer te maken en te diversifiëren, en mondiale problemen aan te pakken;

N.

overwegende dat de klimaatverandering en aantasting van het milieu existentiële bedreigingen vormen voor de Indo-Pacifische regio, Europa en de rest van de wereld; overwegende dat alleen in 2021 meer dan 57 miljoen mensen in de Indo-Pacifische regio te maken hebben gehad met rampen als gevolg van de klimaatverandering (16);

O.

overwegende dat de EU, zoals opgemerkt in de evaluatie van het handelsbeleid, met haar partners samenwerkt om de eerbiediging van universele waarden te waarborgen, in het bijzonder de bevordering en bescherming van de mensenrechten; overwegende dat het hierbij gaat om fundamentele arbeidsnormen, sociale bescherming, gendergelijkheid en de bestrijding van de klimaatverandering en het biodiversiteitsverlies;

P.

overwegende dat de ultraperifere regio’s en overzeese landen en gebieden van de EU, die constitutioneel met haar lidstaten zijn verbonden, een belangrijk onderdeel vormen van de EU-benadering ten aanzien van de Indo-Pacifische regio;

1.

is ingenomen met de EU-strategie voor samenwerking in de Indo-Pacifische regio, waarin duurzame en eerlijke handel en investeringen als prioriteit worden aangemerkt; is van mening dat het van essentieel belang is dat de strategie vooral gericht is op inclusiviteit en samenwerking, uitgaande van gedeelde waarden en beginselen, waaronder de verbintenis om de democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat te eerbiedigen; dringt erop aan dat de strategische benadering van de EU ten aanzien van en haar betrekkingen met de Indo-Pacifische regio worden gebaseerd op een multilaterale, op regels gebaseerde internationale orde, waarbij een gemoderniseerde Wereldhandelsorganisatie een centrale plaats inneemt, met als beginselen een open klimaat voor handel en investeringen, een gelijk speelveld, wederkerigheid en wederzijds voordeel; benadrukt dat deze nieuwe benadering een grondige heroriëntatie moet inhouden op basis van gedeelde belangen, aangezien de regio van vitaal belang is voor de welvaart van de EU; merkt op dat er zich in de Indo-Pacifische regio belangrijke waterwegen bevinden die van essentieel belang zijn voor de EU-handel, aangezien 40 % van de buitenlandse handel van de EU via de Zuid-Chinese Zee verloopt, waardoor oceaangovernance en de stabiliteit in deze regio een gedeeld punt van zorg en een samenwerkingsgebied zijn; onderstreept dat de Indo-Pacifische regio vrij en open moet zijn voor iedereen en dat vrije en open aanvoerroutes over zee in stand moeten worden gehouden, met volledige inachtneming van het internationaal recht, met name het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, en het beginsel van vrije scheepvaart;

2.

roept de Commissie op de partnerschappen met alle relevante actoren in de Indo-Pacifische regio te versterken, rekening houdend met de subregionale dynamiek en kenmerken die de op regels gebaseerde internationale orde versterken en de gemeenschappelijke mondiale uitdagingen aanpakken, en nauw samen te werken met haar gelijkgestemde partners in de Indo-Pacifische regio om de waardeketens te versterken door onze economieën veerkrachtiger, duurzamer en circulairder te maken en de handelsbetrekkingen te verdiepen en te diversifiëren, teneinde de strategische afhankelijkheid in cruciale toeleveringsketens te verminderen, met bijzondere aandacht voor technologieën, grondstoffen en landbouwproducten, door te werken aan de volledige uitvoering en betere handhaving van bestaande handelsovereenkomsten, lopende handelsbesprekingen af te ronden en samenwerking in strategische sectoren te ontwikkelen; wijst op het belang van samenwerking met gelijkgestemde landen in de Indo-Pacifische regio bij de vaststelling van technische en industriële normen, teneinde de rol van de EU als mondiale normsteller te versterken; onderstreept hoe belangrijk het is nieuwe overeenkomsten inzake digitaal partnerschap uit te werken door voort te bouwen op adequaatheidsbesluiten in verband met de gegevensbescherming, te beginnen met Japan, de Republiek Korea en Singapore; verzoekt de Commissie voorts nauw samen te werken met de Indo-Pacifische partners bij de uitvoering van het geplande zorgvuldigheidskader;

3.

herinnert aan de toezegging van de EU om de naleving van de vrouwen- en de mensenrechten te handhaven en om de gendereffecten van haar handelspreferenties te monitoren; herhaalt zijn steun voor gendermainstreaming in het handelsbeleid en dringt aan op doeltreffende maatregelen om de uitbuiting van vrouwen in exportgerichte sectoren te bestrijden;

4.

benadrukt dat de EU haar economische invloed beter en strategischer moet aanwenden, met inachtneming van de politieke en economische kenmerken van haar partnerlanden en hun belangen, om haar geopolitieke en transformationele doelstellingen te verwezenlijken door haar volledige, geïntegreerde scala aan beleidsinstrumenten, inclusief het SAP-mechanisme, in te zetten, alsook om mondiale normen te bevorderen met betrekking tot duurzame ontwikkeling, de Agenda 2030 en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen, de circulaire economie, de mensenrechten, met inbegrip van de rechten van etnische en religieuze minderheden, arbeidsrechten, de verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie, gendergelijkheid, goed bestuur, de strijd tegen de klimaatverandering, de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs, het tegengaan van ontbossing en biodiversiteitsverlies en duurzame visserij;

5.

roept op tot een spoedige uitvoering van de onlangs aangenomen Global Gateway-strategie van de EU, in coördinatie met de strategie voor de Indo-Pacifische regio, teneinde duurzame connectiviteit in en met de Indo-Pacifische regio te stimuleren; is in dit verband ingenomen met de vooruitgang die is geboekt bij de connectiviteitspartnerschappen met Japan en India; pleit voor de vaststelling van een connectiviteitspartnerschap met de Asean om aansluiting te vinden bij het bestaande algemene plan van de Asean inzake connectiviteit; pleit voor verdere samenwerking met andere partners in de regio, zoals Australië en de Republiek Korea; benadrukt dat de Global Gateway-strategie moet worden gekoppeld aan andere initiatieven met betrekking tot betrouwbare connectiviteit, zoals Build Back Better World en het Blue Dot Network, en dat voorts de samenwerking op het gebied van hoogwaardige infrastructuur met de quadrilaterale veiligheidsdialoog (QUAD) moet worden bevorderd;

Van kracht zijnde vrijhandelsovereenkomsten en investeringsbeschermingsovereenkomsten: handhaving, uitvoering en opwaardering

6.

is ingenomen met de aanzienlijke toename van de bilaterale handel tussen de EU en Zuid-Korea sinds de inwerkingtreding van de vrijhandelsovereenkomst in 2011; is verheugd over de recente stappen die Zuid-Korea heeft gezet met betrekking tot de ratificatie en uitvoering van de IAO-verdragen nrs. 29, 87 en 98 en met de wijzigingen die na het verslag van het deskundigenpanel inzake handel en duurzame ontwikkeling zijn doorgevoerd in de arbeidswetgeving; wacht op de concrete uitvoering van de ratificaties; herinnert eraan dat het panel opmerkt dat de tekst van de vrijhandelsovereenkomst geen expliciete doelstellingen en mijlpalen bevat met betrekking tot de ratificatie van de IAO-verdragen; roept Zuid-Korea op spoedig de nodige stappen te ondernemen om ook IAO-verdrag nr. 105 te ratificeren en vooruitgang te blijven boeken op het gebied van gendergelijkheid en vrouwenrechten; is voorstander van verdere samenwerking tussen de EU en Zuid-Korea op het gebied van halfgeleiders;

7.

verzoekt de overige EU-lidstaten voort te gaan met de interne ratificatie van de in oktober 2018 ondertekende investeringsbeschermings- en partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Singapore, met name gezien het belang van Singapore als belangrijkste bestemming van buitenlandse directe investeringen van de EU in Azië, waarbij de buitenlandse directe investeringen van de EU in Singapore eind 2020 256 miljard EUR bedroegen; roept Singapore op meer inspanningen te leveren om de fundamentele IAO-verdragen te ratificeren en uit te voeren;

8.

is van mening dat de economische partnerschapsovereenkomst tussen de EU en Japan een belangrijke rol heeft gespeeld bij het creëren van duurzamere handel; is ingenomen met de stijging van de benuttingsgraad van preferenties voor de uitvoer van de EU naar Japan in 2020; roept op tot het starten van onderhandelingen om bepalingen inzake gegevensstromen in de economische partnerschapsovereenkomst op te nemen; benadrukt dat er vooruitgang is geboekt bij de uitbreiding van de lijst met beschermde geografische aanduidingen van beide partijen, de benuttingsgraad van tariefcontingenten die door Japan voor EU-exporteurs zijn geopend en het proces met betrekking tot de ratificatie van IAO-verdrag nr. 105 door Japan; benadrukt dat verdere snelle vooruitgang nodig is bij de uitvoering van de overeenkomst, inclusief de liberalisering van de handel in diensten en de ratificatie van IAO-verdrag nr. 111; herhaalt zijn oproep tot een vroegtijdige herziening van het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling om de handhavingsbepalingen ervan te versterken;

9.

verzoekt de lidstaten de investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de EU en Vietnam te ratificeren, zodat deze overeenkomst in werking treedt en gunstige voorwaarden schept om EU-investeringen in Vietnam en in de regio te stimuleren, in het bijzonder op gebieden ter bevordering van de groene transformatie en de circulaire economie; onderstreept hoe belangrijk het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling is voor de EU en dringt aan op de spoedige voltooiing van de oprichting van de interne adviesgroepen; herinnert aan de bezorgdheid over mensenrechtenschendingen; is van mening dat een herziening van het Vietnamese wetboek van strafrecht van belang is om ervoor te zorgen dat de IAO-kernverdragen doeltreffend worden uitgevoerd; dringt er bij Vietnam op aan zijn belangrijkste arbeidsmarkthervormingen in overeenstemming met de overeenkomst te voltooien en te waarborgen dat IAO-verdrag nr. 87 uiterlijk in 2023 wordt geratificeerd; spoort Vietnam aan zich te blijven inzetten voor de gelijke behandeling van de EU-lidstaten met betrekking tot farmaceutische producten en de volledige uitvoering van de sanitaire en fytosanitaire bepalingen te waarborgen;

10.

dringt aan op voortgezette acties om bedrijven, belanghebbenden, het maatschappelijk middenveld, de sociale partners en burgers bewust te maken van bestaande vrijhandelsovereenkomsten in de regio en de kansen die zij bieden; roept op om waar nodig meer technische en financiële steun te verlenen om partnerlanden te helpen vrijhandelsovereenkomsten, met name de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling, doeltreffend uit te voeren; verzoekt de Commissie ook in het kader van de evaluatie van de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling samen te werken met onze partners in de Indo-Pacifische regio;

11.

wijst op het belang van parlementaire diplomatie om de onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten tussen de EU- en de Asean-lidstaten te bespoedigen;

Bilaterale vrijhandelsovereenkomsten waarover wordt onderhandeld en/of waarvan de ratificatieprocedure loopt (positieve handelsagenda)

12.

dringt erop aan aanzienlijke vooruitgang te boeken en de onderhandelingen over de vrijhandelsovereenkomsten tussen de EU en Australië en tussen de EU en Nieuw-Zeeland uiterlijk medio 2022 af te ronden, zodat het Europees Parlement deze evenwichtige overeenkomsten in de huidige zittingsperiode naar behoren kan ratificeren, zonder omwille van de kalender concessies te doen aan de inhoud; is van mening dat het, met name gezien de huidige geopolitieke situatie, van het allergrootste belang is dat democratieën hun wederzijdse betrekkingen versterken, ook op handelsgebied; onderstreept het belang van een alomvattend en afdwingbaar hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling en herinnert eraan dat de Overeenkomst van Parijs als essentiële clausule moet worden opgenomen om de ambitie te weerspiegelen om op deze gebieden een goudenstandaardovereenkomst te worden; herhaalt dat het nodig is rekening te houden met het specifieke karakter en de gevoeligheid van de landbouwsector en dat de geografische aanduidingen in beide landen moeten worden beschermd;

13.

is ingenomen met het besluit om de onderhandelingen met India over een brede en wederzijds voordelige handelsovereenkomst te hervatten en daarbij gedeelde democratische waarden, de mensenrechten, fundamentele arbeidsrechten en gendergelijkheid te bevorderen, en zich in te zetten voor een inclusieve, coherente en op regels gebaseerde wereldorde, effectief multilateralisme en een versterkte handhaving op het gebied van handel en duurzame ontwikkeling, met de nadruk op de strijd tegen de klimaatverandering en het biodiversiteitsverlies; is ingenomen met het besluit om de onderhandelingen over een afzonderlijke investeringsbeschermingsovereenkomst en over een overeenkomst inzake geografische aanduidingen op te starten; is ingenomen met het opzetten van permanente structuren tussen de EU en India, zoals dialogen op hoog niveau in verschillende sectoren; is ingenomen met de inspanningen die India wil leveren om te voldoen aan de ambitie van de EU wat betreft de inhoud en het tijdschema; is ingenomen met het gezamenlijke voorstel van voorzitter Von der Leyen en premier Modi om een Handels- en Technologieraad EU-India op te richten;

14.

wijst erop dat de EU een alomvattende dialoog met China moet voeren en krachtig moet opkomen voor onze belangen en waarden, rekening houdend met de huidige moeilijke mondiale geopolitieke context, onder meer over de Russische invasie in Oekraïne; onderstreept dat China een samenwerkings- en onderhandelingspartner voor de EU is, maar dat het land op steeds meer gebieden ook een concurrent en een systeemrivaal is; herhaalt zijn oproep aan de EU om, zoals in zijn resolutie van 16 september 2021 over een nieuwe EU-strategie ten aanzien van China wordt onderstreept, een assertievere, meer omvattende en samenhangendere EU-strategie ten aanzien van China te ontwikkelen die alle lidstaten verenigt en in de betrekkingen met China het belang van de EU als geheel vooropstelt; benadrukt dat deze strategie een op regels gebaseerde multilaterale orde moet bevorderen, de verdediging van de waarden en belangen van de EU centraal moet stellen en moet stoelen op de volgende drie beginselen: samenwerking waar mogelijk, concurrentie waar nodig en confrontatie waar vereist; benadrukt dat het met name belangrijk is een dialoog met China in stand te houden om oplossingen voor gemeenschappelijke uitdagingen te bevorderen en samen te werken op gebieden van gemeenschappelijk belang, zoals de bestrijding van de klimaatverandering; erkent dat de steun van China van vitaal belang was om de Overeenkomst van Parijs te sluiten;

15.

erkent dat de aanhoudende vertraging van China om aan alle WTO-regels te voldoen de handelsbetrekkingen tussen de EU en China blijft bemoeilijken; is van mening dat de voornaamste problemen die moeten worden opgelost, de talrijke obstakels zijn waarop Europese bedrijven stuiten bij het betreden van de Chinese markt, alsook de bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten, namaak, zorgen over productveiligheid, sociale en milieunormen, gedwongen technologieoverdracht, verplichte joint ventures, oneerlijke subsidies en oneerlijke concurrentie door staatsbedrijven;

16.

erkent dat de besprekingen over de ratificatie van de brede investeringsovereenkomst tussen de EU en China zijn opgeschort in het Europees Parlement vanwege het besluit van China om sancties op te leggen aan onder meer vijf leden van het Europees Parlement en van de Subcommissie mensenrechten, omdat zij kritiek hadden geuit op de Chinese staat van dienst met betrekking tot de mensenrechten; onderstreept dat het Europees Parlement de behandeling van en het ratificatieproces voor de brede investeringsovereenkomst niet kan starten totdat de Chinese sancties tegen EP-leden en EU-instellingen zijn opgeheven; herinnert voorts aan de zware druk die China heeft uitgeoefend op lidstaten, waaronder Litouwen, en is sterk tegen deze praktijk gekant; herinnert eraan dat het essentieel is dat China de internationale normen naleeft, onder meer met betrekking tot de gevolgen voor het klimaat, het milieu, de biodiversiteit, de armoede, de gezondheid, de arbeids- en de mensenrechten, en met betrekking tot de preventie en bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij);

17.

spoort de EU aan met Taiwan een gestructureerde dialoog aan te gaan over samenwerking op het gebied van groene technologie en de digitale economie, met inbegrip van de halfgeleiderindustrie, teneinde een memorandum van overeenstemming te ondertekenen dat zowel de EU als Taiwan ten goede komt; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om van start te gaan met een effectbeoordeling, openbare raadpleging en verkennend onderzoek inzake de bilaterale investeringsovereenkomst met Taiwan ter voorbereiding van de onderhandelingen over het verdiepen van de bilaterale economische betrekkingen; verzoekt de Commissie voorts de mogelijkheden te onderzoeken om de samenwerking inzake veerkrachtige toeleveringsketens met Taiwan te verbeteren; onderstreept dat Taiwan lid is van de WTO; dringt aan op een nauwere samenwerking bij wereldwijde gezondheidscrises en de handel in medische benodigdheden;

18.

is ingenomen met de recente vooruitgang met de onderhandelingen over de brede economische partnerschapsovereenkomst met Indonesië, onder meer op het gebied van duurzaamheid, en de hernieuwde inzet van beide partijen om deze overeenkomst te sluiten; benadrukt dat de overeenkomst volgens de Wereldbank (17) het bbp van Indonesië tegen 2030 met 2,13 % zou kunnen doen groeien; benadrukt dat er verdere stappen moeten worden overwogen voordat er een overeenkomst kan worden gesloten, met name op het gebied van duurzaamheid, ontbossing met de nadruk op palmolie, en een beter afdwingbaar hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling en de Overeenkomst van Parijs;

19.

herinnert eraan dat de Filipijnen een laaginkomensland zijn dat uit het SAP+-mechanisme van de EU voordelen haalt; herinnert eraan dat de Filipijnen in 2024 in het kader van de nieuwe SAP-verordening opnieuw een aanvraag zullen moeten indienen voor de SAP+-voordelen; merkt op dat de onderhandelingen over een bilaterale handels- en investeringsovereenkomst met de Filipijnen, die in 2015 van start zijn gegaan, zijn opgeschort; herinnert aan de ernstige bezorgdheid over mensenrechtenschendingen; brengt in herinnering dat de onderhandelingen alleen mogen worden hervat als de zorgwekkende en kritieke situatie met betrekking tot de mensenrechten, goed bestuur en de rechtsstaat in de Filipijnen is verbeterd;

20.

neemt nota van het feit dat de onderhandelingen over een bilaterale handels- en investeringsovereenkomst met Maleisië sinds 2012 zijn opgeschort; verzoekt de Maleisische autoriteiten een standpunt in te nemen over de mogelijke hervatting van de onderhandelingen en nodigt beide partijen uit de balans op te maken van de bevindingen van de duurzaamheidseffectbeoordeling; onderstreept dat de onderhandelingen pas kunnen worden hervat zodra de mensenrechtensituatie in het land duidelijk is verbeterd;

21.

merkt op dat de onderhandelingen over een bilaterale handels- en investeringsovereenkomst met Thailand in 2013 van start zijn gegaan en in 2014 zijn opgeschort; erkent dat de EU de afgelopen jaren stappen heeft gezet om haar betrekkingen met Thailand te verbreden; benadrukt dat (overeenkomstig de conclusies van de Raad van 2019) de nodige stappen moeten worden gezet om de onderhandelingen over een ambitieuze en alomvattende vrijhandelsovereenkomst te hervatten en verzoekt de Thaise autoriteiten in dit verband duidelijke signalen af te geven en structurele hervormingen aan te vatten; onderstreept dat de onderhandelingen over een alomvattende vrijhandelsovereenkomst pas kunnen worden hervat zodra de democratische situatie in het land duidelijk is verbeterd;

22.

verzoekt de Commissie de situatie in Myanmar na de staatsgreep van 2021 nauwlettend te volgen en na te gaan of een onderzoek moet worden ingesteld met het oog op de mogelijke intrekking van de handelspreferenties in het kader van de “alles behalve wapens”-regeling (EBA);

23.

verzoekt de Commissie en de autoriteiten van Cambodja een consensus te bereiken over de stappen die moeten worden genomen om te voldoen aan de voorwaarden om de handelspreferenties voor Cambodja in het kader van de “alles behalve wapens”-regeling weer in te kunnen stellen;

24.

is ingenomen met de herziening van de SAP-verordening; wijst erop dat de huidige landen die SAP+-preferenties genieten en de EBA-landen die zijn gepromoveerd tot lagermiddeninkomenslanden de SAP+-status (opnieuw) zullen moeten aanvragen in het kader van de nieuwe SAP-verordening; verzoekt de landen in de regio die SAP-, SAP+- en EBA-preferenties genieten zich in te spannen voor een krachtigere uitvoering van hun internationale verbintenissen op het gebied van mensenrechten, arbeidsrechten, milieu, goed bestuur en duurzame ontwikkeling;

25.

is verheugd over het langverwachte principeakkoord over het internationale aanbestedingsinstrument van de EU, teneinde wederkerigheid en een gelijk speelveld op de internationale aanbestedingsmarkten tot stand te brengen; onderstreept dat de instrumenten van de EU op het gebied van handelsbescherming verder moeten worden versterkt door spoedig een krachtige verordening inzake buitenlandse subsidies vast te stellen en een duidelijk standpunt in te nemen tegen economische dwang door derde landen, zoals de onaanvaardbare druk die China eind 2021 uitoefende op Litouwen, door middel van een nieuw antidwanginstrument;

Houding van de EU ten aanzien van regionale en multilaterale betrekkingen en onderhandelingen

26.

dringt aan op verdere samenwerking met de Asean en haar lidstaten en op de ontwikkeling en bevordering van het strategisch partnerschap EU-Asean; verzoekt beide partijen de in 2022 geplande EU-Asean-top ter gelegenheid van 45 jaar bilaterale betrekkingen tussen de EU en de Asean aan te grijpen om een nieuw actieplan EU-Asean voor de komende periode te presenteren, teneinde meer en veelzijdige samenwerking op belangrijke gebieden aan te moedigen, en benadrukt de noodzaak om het initiatief voor een interregionale vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en de Asean opnieuw op te starten, gebaseerd op gedeelde waarden en beginselen zoals duurzame ontwikkeling en de bevordering van de grondrechten en gendergelijkheid, zodra aan de voorwaarden wordt voldaan; roept op om de top ter gelegenheid van het 45-jarig jubileum een parlementaire dimensie te geven en herhaalt zijn voornemen om een parlementaire assemblee EU-Asean op te richten om de democratische dimensie van het partnerschap te versterken;

27.

dringt aan op een nieuwe strategische benadering van het alomvattend en vooruitstrevend trans-Pacifisch partnerschap als kernelement van de Indo-Pacifische strategie van de EU; benadrukt dat nauwere samenwerking de EU belangrijke economische voordelen zou opleveren in de vorm van een mogelijke toename van de welvaart, diversificatie van de toeleveringsketens en vermindering van strategische afhankelijkheid, en de EU de kans zou geven normen in de Indo-Pacifische regio en wereldwijd te blijven vormgeven; benadrukt dat de EU de mogelijkheid om in de toekomst toe te treden tot het alomvattend en vooruitstrevend trans-Pacifisch partnerschap moet bekijken, en ook de mogelijkheden moet verkennen om bestaande overeenkomsten met partners aan elkaar te koppelen, bijvoorbeeld via hun protocollen inzake oorsprongsregels, teneinde de benuttingsgraad van de preferenties in het kader van die overeenkomsten te verhogen en de toegevoegde waarde ervan te maximaliseren;

28.

verzoekt de Commissie de directe economische gevolgen van het RCEP voor de EU-economie nauwgezet te blijven volgen en de strategische en geopolitieke gevolgen ervan op de lange termijn te beoordelen;

o

o o

29.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Asean, de secretaris-generaal van de interparlementaire assemblee van de Asean en de landen in de Indo-Pacifische regio.

(1)  PB C 184 van 5.5.2022, blz. 170.

(2)  PB C 506 van 15.12.2021, blz. 109.

(3)  PB L 127 van 14.5.2011, blz. 6.

(4)  PB L 294 van 14.11.2019, blz. 3.

(5)  PB L 186 van 12.6.2020, blz. 3.

(6)  PB L 330 van 27.12.2018, blz. 3.

(7)  PB C 346 van 27.9.2018, blz. 44.

(8)  PB C 425 van 20.10.2021, blz. 155.

(9)  PB C 15 van 12.1.2022, blz. 170.

(10)  PB C 117 van 11.3.2022, blz. 40.

(11)  PB C 456 van 10.11.2021, blz. 117.

(12)  PB C 67 van 8.2.2022, blz. 25.

(13)  PB C 395 van 29.9.2021, blz. 14.

(14)  PB C 307 van 30.8.2018, blz. 109.

(15)  Gezamenlijke mededeling van 16 september 2021 over de EU-strategie voor samenwerking in de Indo-Pacifische regio (JOIN(2021)0024).

(16)  Observer Research Foundation, “Climate change and geostrategic ocean governance in the Indo-Pacific”, 14 januari 2022.

(17)  Zie het werkdocument beleidsonderzoek van de Wereldbank getiteld “Economic and Distributional Impacts of Free Trade Agreements — The Case of Indonesia”, blz. 9.


7.2.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 47/23


P9_TA(2022)0277

De toekomstige samenwerking tussen de EU en India op het gebied van handel en investeringen

Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2022 over de toekomstige samenwerking tussen de EU en India op het gebied van handel en investeringen (2021/2177(INI))

(2023/C 47/03)

Het Europees Parlement,

gezien de gezamenlijke verklaring die op 8 mei 2021 is aangenomen tijdens de bijeenkomst van de leiders van de EU en India in Porto,

gezien de gezamenlijke verklaring en de routekaart naar 2025 voor een strategisch partnerschap tussen de EU en India, die tijdens de 15e top EU-India op 15 juli 2020 zijn aangenomen, en gezien de andere gezamenlijke verklaringen die zijn aangenomen op het gebied van terrorismebestrijding, klimaat en energie, verstedelijking, migratie en mobiliteit, en het waterpartnerschap,

gezien de allereerste dialogen op hoog niveau over handel en investeringen die in februari en april 2021 zijn gehouden tussen de uitvoerend vicevoorzitter van de Commissie en de Indiase minister van Handel en Industrie,

gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 20 november 2018 getiteld “Elementen voor een EU-strategie inzake India” (JOIN(2018)0028) en de desbetreffende conclusies van de Raad van 10 december 2018,

gezien het besluit van de Raad van 19 april 2007 over een onderhandelingsmandaat betreffende handels- en investeringsonderhandelingen met India en het besluit van de Raad van 14 juli 2011 over een mandaat betreffende handels- en investeringsonderhandelingen met India: onderhandelingsrichtsnoeren voor onderhandelingen over handel en investeringen,

gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 16 september 2021 getiteld “De EU-strategie voor samenwerking in de Indo-Pacifische regio” (JOIN(2021)0024),

gezien de mededeling van de Commissie van 18 februari 2021 getiteld “Evaluatie van het handelsbeleid — Een open, duurzaam en assertief handelsbeleid” (COM(2021)0066),

gezien Verordening (EU) 2021/947 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juni 2021 tot vaststelling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking — Europa in de wereld (1),

gezien zijn resolutie van 13 september 2017 over de politieke betrekkingen van de EU met India (2) en zijn resolutie van 21 januari 2021 over connectiviteit en de betrekkingen EU-Azië (3),

gezien zijn aanbeveling van 29 april 2021 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over de betrekkingen tussen de EU en India (4),

gezien zijn resolutie van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal (5),

gezien zijn verslag van 7 juli 2021 over de handelsgerelateerde aspecten en gevolgen van de uitbraak van COVID-19 (6),

gezien de gezamenlijke ontwerpresolutie van 29 januari 2020 over de in 2019 gewijzigde Indiase wet op het staatsburgerschap,

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

gezien het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,

gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A9-0193/2022),

A.

overwegende dat de EU en India in mei 2021 een bijeenkomst van leiders hebben belegd op grond van hun afspraak om regelmatig op het hoogste niveau bijeen te komen en hun strategisch partnerschap te versterken met het oog op meer economische en politieke samenwerking;

B.

overwegende dat de EU en India, als de twee grootste democratieën ter wereld, sterke politieke, economische, sociale en culturele banden hebben; overwegende dat de bilaterale handelsbetrekkingen echter nog niet hun volledige potentieel hebben bereikt;

C.

overwegende dat de leiders van de EU en India te kennen hebben gegeven dat zij vasthouden aan en zich willen inzetten voor effectief multilateralisme en een op regels gebaseerde multilaterale orde waarin de VN en de Wereldhandelsorganisatie (WTO) centraal staan;

D.

overwegende dat India zich tijdens de 11e bijzondere spoedzitting van de Algemene Vergadering van de VN over de resolutie van 24 maart 2022 over de humanitaire gevolgen van de aanval op Oekraïne van stemming heeft onthouden, terwijl 140 landen vóór stemden;

E.

overwegende dat de EU de op twee na grootste handelspartner van India en de grootste buitenlandse investeerder is, terwijl India de op acht na grootste handelspartner van de EU is en in 2021 minder dan 2,1 % van de totale handel in goederen van de EU voor zijn rekening nam; overwegende dat er, mits de Europese normen worden beschermd, nog onbenut potentieel is voor een sterkere, diepere en wederzijds voordelige economische samenwerking, die voor beide partners tot nieuwe banen en meer opportuniteiten zou kunnen leiden;

F.

overwegende dat de vrijhandelsruimte Asean-India (AIFTA), met inbegrip van de overeenkomst inzake de handel in goederen, de overeenkomst inzake de handel in diensten en de investeringsovereenkomst, sinds 2003 bestaat;

G.

overwegende dat in het strategisch kader van de EU ten aanzien van India, dat gebaseerd is op het strategisch partnerschap tussen de EU en India, haar integrale strategie, haar strategie inzake India, haar EU-Azië-connectiviteitsstrategie, haar EU-India connectiviteitspartnerschap, de mensenrechtendialoog tussen India en de EU en de EU-strategie voor samenwerking in de Indo-Pacifische regio, wordt benadrukt dat het van vitaal belang is om met India samen te werken aan de mondiale agenda van de EU; overwegende dat de EU en India op 25 april 2022 zijn overeengekomen om een Raad voor handel en technologie op te richten;

H.

overwegende dat India nog steeds voor belangrijke uitdagingen staat op het gebied van duurzame ontwikkeling, mensenrechten en het milieu, met name wat de situatie van minderheden en fundamentele vrijheden betreft; overwegende dat het Parlement zijn bezorgdheid heeft geuit over de in 2019 gewijzigde Indiase wet op het staatsburgerschap, die moslims uitsluit van bescherming door staatsburgerschap;

I.

overwegende dat India nog niet alle basisverdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) heeft geratificeerd, namelijk Verdrag nr. 87 betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht en Verdrag nr. 98 betreffende het recht zich te organiseren en het recht om collectief te onderhandelen; overwegende dat nog steeds meer dan 90 % van de totale beroepsbevolking in India in de informele economie werkt; overwegende dat hierdoor miljoenen mensen geen sociale verzekering hebben en in onzekerheid leven (7);

1.

verzoekt de Commissie, de Raad van de Europese Unie en de Europese Dienst voor extern optreden alles in het werk te stellen om de betrekkingen met India, een strategische partner van de EU, te verbeteren en te verdiepen; wijst opnieuw op de noodzaak van een diepgaander partnerschap op basis van de gedeelde waarden van vrijheid, democratie, pluralisme, de rechtsstaat, goed bestuur, gelijkheid, eerbiediging van de mensenrechten, arbeidsrechten, vrouwenrechten en gendergelijkheid, inzet voor de bevordering van een inclusieve, samenhangende en op regels gebaseerde wereldorde, doeltreffend multilateralisme en duurzame ontwikkeling, bestrijding van de klimaatverandering en bevordering van vrede en stabiliteit in de wereld;

2.

verwelkomt de overeenkomst tussen de EU en India inzake de oprichting van een Raad voor handel en technologie, die ons strategisch partnerschap zal versterken, en zegt zijn steun toe voor de tenuitvoerlegging ervan; beschouwt dit nieuwe mechanisme als een belangrijk forum om nieuwe uitdagingen op het gebied van handel, technologie en veiligheid aan te pakken, en onderstreept hoe belangrijk het is de handel in technologie te stimuleren, met bijzondere aandacht voor technologieën om klimaatverandering tegen te gaan;

3.

wijst erop dat de handel tussen de EU en India tussen 2009 en 2019 met meer dan 70 % is toegenomen en dat beide partijen een gemeenschappelijk belang hebben bij het aanhalen en verdiepen van de economische banden; erkent dat India voor de EU een belangrijke partner is om haar toeleveringsketens te diversifiëren; erkent voorts dat er aan beide zijden gevoeligheden bestaan, maar is van mening dat daar zodanig mee kan worden omgegaan dat voor beide partners een win-winsituatie wordt gecreëerd;

4.

herinnert eraan dat de “van boer tot bord”-strategie de verplichting omvat om het gebruik van bestrijdingsmiddelen tegen 2030 met 50 % te verminderen en het biologische landbouwareaal tot 25 % uit te breiden;

5.

rekent op een spoedige follow-up van de bijeenkomst van de leiders van de EU en India van mei 2021, zodat open kan worden gesproken over een op waarden gebaseerde samenwerking op het hoogste niveau op het gebied van handel en investeringen; is verheugd dat beide partijen bereid zijn om toe te werken naar een ambitieuze, op waarden gebaseerde, evenwichtige, alomvattende en voor beide partijen voordelige handelsovereenkomst, alsook naar een afzonderlijke investeringsbeschermingsovereenkomst en een overeenkomst inzake geografische aanduidingen;

6.

benadrukt het economische en strategische belang van deze overeenkomst, die slechts een succes zal zijn als zij erin slaagt de EU en India geleidelijk op één lijn te brengen ten aanzien van een gemeenschappelijke agenda en gedeelde waarden met betrekking tot duurzame ontwikkeling, teneinde te komen tot gedeelde welvaart, groei en werkgelegenheid en teneinde het concurrentievermogen te stimuleren, armoede te bestrijden, vooruitgang te boeken met de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s), de bestrijding van klimaatverandering en de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs te bevorderen, de rechten van werknemers en fundamentele vrijheden te steunen en gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen te bevorderen, en als uitdrukkelijk rekening wordt gehouden met de resultaten van de lopende herziening van het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling;

7.

merkt op dat de EU de grootste handelspartner van India is in de agrovoedingssector; herinnert eraan dat de landbouwsector een aanzienlijk deel uitmaakt van de Indiase economie en goed is voor 41 % van de werkgelegenheid in India; wijst op de gevoeligheid, maar ook op het potentieel van bepaalde landbouwsectoren in zowel de EU als India; benadrukt dat een grotere markttoegang voor landbouwproducten voor geen van beide partijen mag leiden tot een oneerlijk concurrentievoordeel; wijst erop dat ervoor moet worden gezorgd dat ingevoerde agrovoedingsmiddelen uit India voldoen aan de gezondheids- en veiligheidsnormen van de EU; is van mening dat de EU India moet ondersteunen om zijn landbouwers te helpen minder pesticiden te gebruiken; benadrukt dat de EU en India nauw moeten samenwerken om de gevolgen van de Russische inval in Oekraïne voor de voedselzekerheid aan te pakken;

8.

wijst erop dat een van de doelstellingen van de toekomstige handels- en investeringsovereenkomsten tussen de EU en India erin bestaat de economische, handels- en investeringsbetrekkingen tussen de EU en India te versterken met volledige inachtneming van internationaal erkende mensenrechten-, milieu- en arbeidsnormen en -overeenkomsten, een gezond, transparant, open, niet-discriminerend en voorspelbaar regelgevings- en ondernemingsklimaat voor bedrijven aan beide zijden tot stand te brengen en het onbenutte potentieel van economische samenwerking in beide richtingen tussen de EU en India te ontsluiten;

9.

veroordeelt nogmaals in de krachtigste bewoordingen de onwettige, onuitgelokte en ongerechtvaardigde aanvalsoorlog van de Russische Federatie tegen Oekraïne; neemt er nota van dat India sinds zijn onafhankelijkheid een neutrale positie inneemt; wijst erop dat de EU en India bereid zijn samen te werken aan een welvarende en vreedzame wereld, maar betreurt de terughoudendheid van India om de militaire agressie van de Russische Federatie tegen Oekraïne te veroordelen; onderstreept hoe belangrijk het is dat democratieën op kerngebieden samenwerken en op één lijn staan, met name op het gebied van fundamentele waarden en open, op regels gebaseerde en duurzame handel;

10.

is van oordeel dat het bestaande onderhandelingsmandaat voor een handelsovereenkomst, een afzonderlijke investeringsbeschermingsovereenkomst en een overeenkomst inzake geografische aanduidingen omvattend en ruim genoeg is om de onderhandelingen te hervatten en volgens moderne normen geïnterpreteerd moet worden; is van mening dat ervoor moet worden gezorgd dat milieu- en mensenrechtennormen centrale elementen van de toekomstige brede handelsovereenkomst zijn en dat een specifiek hoofdstuk over kmo’s, een specifiek hoofdstuk over digitale handel, een specifiek hoofdstuk over grondstoffen met het oog op het vergroten van de markttoegang, en een ambitieus en afdwingbaar hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling dat in overeenstemming is met de Overeenkomst van Parijs, integrerende onderdelen van de overeenkomst vormen; is voorts van mening dat de overeenkomst bepalingen over duurzame voedselsystemen en over gender moet bevatten;

11.

verzoekt de Indiase regering een routekaart te presenteren voor de ratificatie van de twee resterende IAO-basisverdragen, nr. 87 en nr. 98, en is van mening dat de beginselen van die verdragen naar behoren, correct en tijdig ten uitvoer moeten worden gelegd; benadrukt dat er, gezien de informele aard van de Indiase arbeidsmarkt, veel uitdagingen zijn met betrekking tot de tenuitvoerlegging en handhaving van internationale arbeidsnormen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de grondbeginselen van de IAO in de toekomstige handelsovereenkomst worden toegepast; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de toekomstige handelsovereenkomst tussen de EU en India in overeenstemming is met de Europese Green Deal, de “van boer tot bord”-strategie en de COP26;

12.

is het met de leiders van de EU en India eens dat het, om het momentum voor het heropstarten van de onderhandelingen vast te houden, absoluut noodzakelijk is oplossingen te vinden voor reeds lang aanslepende problemen in verband met markttoegang; moedigt de onderhandelaars daarom aan om snel oplossingen te vinden voor de reeds lang aanslepende problemen in verband met markttoegang op diverse bestuursniveaus en in diverse sectoren (bv. auto’s, auto-onderdelen, landbouwproducten, medische hulpmiddelen, farmaceutische producten, sanitaire en fytosanitaire irritantia, overheidsopdrachten, niet-tarifaire belemmeringen zoals voorschriften inzake kwaliteitscontrole, certificering, naleving van internationale normen, lokalisatievereisten), waarbij een snelle afronding evenwel niet ten koste mag gaan van de inhoud;

13.

moedigt de onderhandelaars aan om goede vorderingen te maken met de totstandbrenging van een alomvattende, wederzijds voordelige, met de WTO verenigbare en op regels gebaseerde vrijhandelsovereenkomst, en daarbij prioriteit te geven aan gebieden die bevorderlijk zijn voor duurzame groei, het tegengaan van ongelijkheid, en een rechtvaardige digitale en groene transitie, zoals:

(i)

de wederzijdse volledige afschaffing van tarieven en contingenten, met aandacht voor gevoelige producten en met de garantie dat verlagingen niet zullen worden gecompenseerd door een verhoging van binnenlandse belastingen en heffingen op ingevoerde producten, ook niet op het niveau van de staten;

(ii)

snellere, transparantere en minder omslachtige douaneformaliteiten, alsook een compleet elektronisch certificeringsproces met één loket en de opheffing van onevenredige invoerverboden;

(iii)

transparante en snelle procedures voor de verlening van markttoegang, regionalisering en audits, geschraagd door wetenschappelijk verantwoorde SPS-importmaatregelen, internationale normen en regelingen die verder gaan dan de SPS-overeenkomst van de WTO; met de overeenkomst moet worden beoogd te zorgen voor samenwerking rond SPS en een snelle goedkeuring door India van alle bestaande en toekomstige verzoeken om markttoegang, met inbegrip van verzoeken die vertraging hebben opgelopen door proefzendingen en certificeringskwesties, en SPS-gerelateerde samenwerking;

(iv)

het wegnemen van een toenemend aantal technische handelsbelemmeringen, met een herziening van de belemmeringen op het gebied van ICT, medische apparatuur, speelgoed, alcoholhoudende dranken, geslepen diamant, landbouwproducten, levensmiddelen en staal; de overeenkomst moet naleving van de internationale normen van de Internationale Organisatie voor normalisatie (ISO), de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC) en de Internationale Telecommunicatie-unie (ITU) beogen, verder gaan dan de WTO-overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen, ervoor zorgen dat tests en certificering niet tweemaal hoeven te worden uitgevoerd, en de vergunningsregelingen, verplichte kwaliteitscontroles en klinische onderzoeken stroomlijnen;

(v)

een uitgebreid hoofdstuk over overheidsopdrachten op alle bestuursniveaus, teneinde de beginselen van transparantie en non-discriminatie bij overheidsopdrachten te handhaven door middel van doeltreffende beroepsprocedures; vraagt in dit verband dat India toetreedt tot de WTO-overeenkomst inzake overheidsopdrachten en dat het discriminerende “buy national”-praktijken, zoals bepaalde praktijken in verband met “Make in India” en “Atmanirbhar Bharat” (“zelfvoorzienend India”), verbiedt, aangezien die tot doel hebben binnenlandse productie te begunstigen en invoer te ontmoedigen en de markttoegang voor EU-bedrijven aanzienlijk belemmeren;

(vi)

zorgen voor een gelijk speelveld bij de verlening van subsidies en bij handelspraktijken van staatsbedrijven;

(vii)

een alomvattend hoofdstuk over een hoog niveau van bescherming van intellectuele-eigendomsrechten (IER), met onder andere aandacht voor samenwerkingsbepalingen en technologieoverdracht, dat moet bijdragen tot een niet-restrictieve en snelle aanvraagprocedure voor octrooien en een snelle en doeltreffende handhaving van IER-normen, met inbegrip van de bescherming van geografische aanduidingen; er moet echter bijzondere aandacht worden besteed aan het vermogen van India om betaalbare generieke geneesmiddelen te produceren voor binnenlandse gezondheidsbehoeften of voor uitvoer naar andere ontwikkelingslanden die daar behoefte aan hebben, overeenkomstig de Verklaring van Doha over de Trips-Overeenkomst inzake volksgezondheid;

(viii)

een speciaal hoofdstuk over kmo’s om rekening te houden met de specifieke behoeften van kmo’s en rechtszekerheid te bieden; onderstreept de noodzaak van een bedrijfsvriendelijk regelgevingsklimaat voor kmo’s, met geharmoniseerde en vereenvoudigde douaneprocedures en minder administratieve en regelgevingslasten, teneinde alle tarifaire en niet-tarifaire belemmeringen weg te nemen die kmo’s beletten de Indiase markt te betreden; benadrukt dat het delen van informatie over markttoegang, handelswetgeving, handelsprocedures en oorsprongsregels moet worden vergemakkelijkt;

(ix)

de opneming van een ambitieus hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling waarmee op waarden gebaseerde samenwerking op het gebied van handel en investeringen wordt gewaarborgd en de hoogste internationale normen inzake arbeidsrechten worden bevorderd, met sterke maatregelen om kinderarbeid en dwangarbeid uit te bannen, milieubeschermingsmaatregelen en maatregelen ter bevordering van gendergelijkheid, geïnspireerd op de meest recente en moderne vrijhandelsovereenkomsten van de EU; onderstreept dat duurzaamheid op alle vlakken van de overeenkomst aan bod moet komen door middel van afdwingbare bepalingen, rekening houdend met de herziening van het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling;

(x)

de vaststelling van moderne, kmo-vriendelijke, geharmoniseerde en wederkerige oorsprongsregels, in overeenstemming met de meest moderne en brede vrijhandelsovereenkomsten van de EU;

(xi)

de opneming van het onlangs gepresenteerde actieplan voor de circulaire economie, dat tot doel heeft minder afval te produceren, de consument te empoweren, van duurzame producten de norm te maken en het voortouw te nemen bij de wereldwijde inspanningen om een circulaire economie tot stand te brengen;

(xii)

een verbod op niet-automatische procedures voor het verlenen van in- of uitvoervergunningen, behalve in gerechtvaardigde gevallen;

(xiii)

de opheffing van alle discriminerende en onevenredige belemmeringen voor vestiging in zowel de dienstensector als de maakindustrie, alsook voor grensoverschrijdende dienstverlening, teneinde een gelijk speelveld voor dienstverleners uit de EU en India te waarborgen;

(xiv)

betere regels voor digitale handel die berusten op EU-normen en mondiale praktijken; is met name van oordeel dat 5G niet mag worden uitgerold door middel van verplichte technologieoverdracht zoals gedwongen openbaarmaking van broncodes, algoritmen en encryptiesleutels;

(xv)

de bevestiging van de rechten en verplichtingen van beide partijen uit hoofde van de WTO-overeenkomsten (antidumping, antisubsidie en vrijwaring), de verkenning van gebieden van gemeenschappelijk belang die verder gaan dan deze WTO-normen, en de opneming van een tijdelijk bilateraal vrijwaringsmechanisme;

(xvi)

het garanderen van goed bestuur en de rechtsstaat en een oplossing voor de belemmeringen die door rechtsonzekerheid worden opgeworpen;

14.

herinnert eraan dat kmo’s de ruggengraat vormen van de sociaal-economische ontwikkeling van India en goed zijn voor 45 % van de totale industriële productie van het land; is van mening dat India en de EU moeten blijven streven naar een gunstig en stabiel ondernemingsklimaat voor kmo’s, door hun toegang tot internationale markten te vergemakkelijken en hen in staat te stellen ten volle van handelsmogelijkheden gebruik te maken; is in dit verband ingenomen met de oprichting van de “India IP SME Helpdesk”, die kmo’s eerstelijnsondersteuning biedt bij de bescherming en handhaving van hun intellectuele-eigendomsrechten, en verzoekt de Commissie op dit initiatief voort te bouwen om nog meer digitale platforms te creëren die de handelskosten en administratieve lasten kunnen helpen verminderen en de deelname van kmo’s aan de internationale handel kunnen helpen vergroten;

15.

verzoekt beide partijen te zorgen voor interoperabele gegevensstromen tussen de jurisdicties van India en de EU, met volledige inachtneming van de algemene verordening gegevensbescherming (8) en op basis van een beoordeling; verzoekt India zijn nieuwe wet inzake gegevensbescherming in overeenstemming te brengen met de hoogste internationaal erkende normen inzake gegevensbescherming en privacyregels; verzoekt India zich aan te sluiten bij het EU-initiatief inzake internationale normen voor gegevensbescherming;

16.

verzoekt het onderhandelingsteam van de EU, de EU-instellingen en de lidstaten optimaal gebruik te maken van het belang dat India hecht aan multilateralisme en een internationale op regels gebaseerde handelsorde, en verzoekt India een constructieve rol te spelen om tijdens de 12e en 13e ministeriële conferentie resultaten van betekenis te bereiken; juicht het door de EU en India gezamenlijk ingediende hervormingsvoorstel voor het Orgaan voor Geschillenbeslechting van de WTO toe en verzoekt India zich aan te sluiten bij de tijdelijke regeling met verschillende partijen inzake beroep en arbitrage; is verheugd dat de leiders van de EU en India zich ertoe hebben verbonden de coördinatie van het mondiaal economisch bestuur, met name in de WTO en de G20, te versterken; verwacht te worden ingelicht over de resultaten van de dialoog van hoge ambtenaren van de EU en India, die tot doel heeft de bilaterale samenwerking inzake WTO-kwesties te verdiepen in het kader van de dialogen op hoog niveau over handel en investeringen;

17.

betreurt dat er onzekerheden blijven bestaan voor investeerders uit de EU, met name doordat India in 2016 heeft besloten al zijn bilaterale investeringsverdragen eenzijdig op te zeggen;

18.

neemt er nota van dat beide partijen bereid zijn onderhandelingen aan te gaan over een afzonderlijke investeringsbeschermingsovereenkomst, waarmee investeerders aan beide kanten meer echtszekerheid zouden krijgen en de bilaterale handelsbetrekkingen verder zouden worden versterkt zodat India meer investeringen uit de EU kan aantrekken, en waarbij partijen nog steeds de mogelijkheid hebben om nationale rechtsmiddelen uit te putten; beveelt aan om toe te werken naar de verwezenlijking van gemeenschappelijke en wederzijds voordelige doelstellingen op deze gebieden, teneinde duurzame economische groei en innovatie te bevorderen; benadrukt dat een dergelijke overeenkomst onder meer bescherming moet bieden tegen discriminatie op grond van oorsprong, onrechtmatige onteigening, rechtsweigering, fundamentele schendingen van het recht op een eerlijk proces, kennelijke willekeur, gerichte discriminatie op kennelijk onjuiste gronden en onrechtmatige behandeling; stelt voor om vóór het einde van de onderhandelingen een uitgebreide effectbeoordeling uit te voeren; verwelkomt Indiase investeringen in Europa als aanjager van economische dynamiek, meer concurrentievermogen en gediversifieerde productie;

19.

bevestigt opnieuw dat een investeringsbeschermingsovereenkomst een goed uitgangspunt zou kunnen zijn voor de verdere versterking van de bilaterale handelsbetrekkingen; moedigt de onderhandelaars aan om afspraken te maken over de instelling van een multilateraal investeringsgerecht en over een specifiek stelsel van investeringsgerechten voor de EU en India als tussentijdse oplossing in afwachting van de instelling van een multilateraal investeringsgerecht, waartoe zowel de EU als India moeten toetreden;

20.

is verheugd dat de leiders zich ertoe hebben verbonden om een afzonderlijke overeenkomst over geografische aanduidingen te sluiten, hetzij als een op zichzelf staande overeenkomst, hetzij geïntegreerd in de brede handelsovereenkomst; beschouwt een dergelijke overeenkomst als een prioriteit voor de landbouw- en agrovoedingssector van de EU met het oog op de bescherming van geografische aanduidingen van de EU; verzoekt de Commissie werk te maken van de opstelling van een volledige lijst van geografische aanduidingen van de EU;

21.

benadrukt dat de EU de mensenrechten en het recht op voedsel moet verdedigen als centraal beginsel en prioriteit van voedselsystemen en als fundamenteel instrument om voedselsystemen te transformeren; vraagt de EU de VN-Verklaring over de rechten van landbouwers en andere mensen die werkzaam zijn in plattelandsgebieden ten uitvoer te leggen en ervoor te zorgen dat de meest gemarginaliseerde mensen toegang hebben tot voedzame levensmiddelen;

22.

merkt op dat de Indiase rechtsorde welswaar toestaat dat genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) worden geteeld voor verwerking tot levensmiddelen en diervoeders, maar dat de Indiase ggo-reglementering ongeveer even rigoureus en streng is als die van de EU;

23.

merkt op dat het belangrijk is resoluut vorderingen te maken met het verbieden van alle antibiotica en diergeneesmiddelen die niet voldoen aan de voedselnormen van de Codex Alimentarius;

24.

benadrukt dat de EU ervoor moet zorgen dat de samenwerkingsovereenkomst met India de wederzijdse samenwerking naar een hoger niveau tilt en dat beide partijen alle economische, sociale, milieu-, gezondheids-, veiligheids- en kwaliteitsnormen van de EU in acht nemen;

25.

verzoekt de Commissie een studie uit te voeren naar de mogelijke economische gevolgen van deze overeenkomst, aangezien de landbouw en de veeteelt in India niet onderworpen zijn aan de EU-voorschriften die in Europa hogere productiekosten met zich meebrengen, hetgeen kan leiden tot oneerlijke concurrentie, zoals reeds het geval was bij andere overeenkomsten met niet-EU-landen;

26.

verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de tekst van de overeenkomst, zoals steevast gebeurd is in eerdere vrijhandelsovereenkomsten van de EU, de gemeenschappelijke interne markt van de EU beschermt door te voorkomen dat:

(i)

niet-toegelaten ggo’s in levensmiddelen, diervoeders en zaden worden ingevoerd;

(ii)

landbouwproducten en levensmiddelen worden ingevoerd met hogere gehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen dan in de EU-wetgeving is toegestaan, door de EU-voorschriften inzake maximumgehalten aan residuen systematisch toe te passen;

(iii)

landbouwproducten en levensmiddelen worden ingevoerd die zijn geproduceerd met gebruikmaking van hormonale producten die in de EU verboden zijn;

(iv)

microbiële stammen met antimicrobiële resistentie worden binnengebracht;

27.

wijst erop dat India op 14 december 2021 door de WTO is terechtgewezen wegens de enorme subsidies die worden toegekend aan de Indiase productie en uitvoer van suiker; vraagt daarom dat de CXL-quota van 10 000 metrische ton voor Indiase suiker worden opgeschort, aangezien momenteel niet wordt overwogen om subsidies die in strijd zijn met de WTO-regels te herzien; vraagt dat er bij de komende handelsbesprekingen tussen de EU en India voor wordt gezorgd dat suikersubsidies die in strijd zijn met de WTO-regels worden afgeschaft;

28.

is verheugd dat er twee gezamenlijke werkgroepen zijn opgericht om nauwer te gaan samenwerken op het gebied van regelgeving inzake goederen en diensten, onder meer met betrekking tot groene en digitale technologie en veerkrachtige toeleveringsketens, waarbij op voet van gelijkheid zal worden overlegd met diverse belanghebbenden; benadrukt de cruciale rol van de dialogen op hoog niveau over handel en investeringen voor de goede voortgang in het algemeen, ook met betrekking tot reeds lang aanslepende kwesties in verband met markttoegang; verwacht onverwijld en regelmatig over de resultaten van deze dialogen te worden geïnformeerd;

29.

verzoekt de onderhandelaars prioritair overeenstemming te bereiken over de instelling van een bilateraal platform voor voorafgaand en aansluitend overleg tussen de EU en India, met als doel besprekingen en overleg te faciliteren voordat nieuwe maatregelen of subsidies worden vastgesteld die een negatief effect zouden kunnen hebben op de handel of investeringen; is van mening dat een dergelijk platform de dialoog met vertegenwoordigers van een breed scala aan belanghebbenden, onder wie de sociale partners en maatschappelijke organisaties, moet faciliteren; is van mening dat bedrijfs- en brancheorganisaties eventuele nieuwe wrijvingen op handels- of investeringsgebied onder de aandacht van het secretariaat van dit platform moeten kunnen brengen; is van mening dat het platform uiteindelijk een integrerend deel moet gaan uitmaken van het governancekader van de toekomstige handelsovereenkomst;

30.

is van mening dat de governance van een potentiële vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en India moet worden geschraagd door een gemengd comité dat zorg draagt voor gezamenlijke monitoring, een gestructureerde dialoog en controle door het Europees Parlement en beide kamers van het Indiase parlement; benadrukt dat betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij het toezicht op de uitvoering van de overeenkomst van cruciaal belang is, en pleit ervoor snel na de inwerkingtreding van de overeenkomst interne adviesgroepen op te richten en te zorgen voor een evenwichtige vertegenwoordiging van bedrijfsorganisaties, vakbonden en het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van onafhankelijke arbeids- en milieuorganisaties;

31.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de

(1)  PB L 209 van 14.6.2021, blz. 1.

(2)  PB C 337 van 20.9.2018, blz. 48.

(3)  PB C 456 van 10.11.2021, blz. 117.

(4)  PB C 506 van 15.12.2021, blz. 109.

(5)  PB C 270 van 7.7.2021, blz. 2.

(6)  PB C 99 van 1.3.2022, blz. 10.

(7)  https://www.ilo.org/wcmsp5/groups/public/---ed_emp/---ifp_skills/documents/publication/wcms_734503.pdf

(8)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).


7.2.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 47/30


P9_TA(2022)0278

Gemeenschappelijke Europese maatregelen op het gebied van zorg

Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2022“Naar gemeenschappelijke Europese maatregelen op het gebied van zorg” (2021/2253(INI))

(2023/C 47/04)

Het Europees Parlement,

gezien de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

gezien de doelstellingen van artikel 3 VEU, met name de bestrijding van sociale uitsluiting en discriminatie, de bevordering van sociale rechtvaardigheid, de gelijkheid van vrouwen en mannen, de solidariteit tussen generaties en de bescherming van de rechten van het kind, alsmede de economische, sociale en territoriale samenhang,

gezien artikel 8 inzake gendermainstreaming, waarin de doelstelling van de EU is vastgelegd om ongelijkheden op te heffen en de gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen, alsmede de horizontale sociale clausule in artikel 9 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien de doelstellingen van het sociaal beleid uiteengezet in de artikelen 151 en 153 VWEU,

gezien het herziene Europees Sociaal Handvest, met name artikel 15 over het recht van personen met een handicap op onafhankelijkheid, sociale integratie en participatie, en artikel 23 over het recht van ouderen op sociale bescherming,

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het “Handvest”), met name artikel 25 over het recht van ouderen om een waardig en zelfstandig leven te leiden en artikel 26 over de integratie van personen met een handicap, en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, als bedoeld in artikel 6 VEU,

gezien de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten (EPSR), met name beginsel 17 inzake de inclusie van personen met een handicap en beginsel 18 inzake het recht op langdurige zorg,

gezien het VN-decennium voor gezond ouder worden 2021-2030 en het WHO-kader voor landen met het oog op een geïntegreerd continuüm van langdurige zorg (1),

gezien het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten (EPSR-actieplan) en de bijbehorende kerndoelen voor 2030,

gezien de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG’s), met name de doelstellingen nr. 3 inzake “Goede gezondheid en welzijn”, nr. 5 inzake “Gendergelijkheid”, nr. 8 inzake “Eerlijk werk en economische groei” en nr. 10 inzake “Ongelijkheid verminderen”,

gezien het thematische verslag van de onafhankelijke VN-deskundige over het genot van alle mensenrechten door oudere personen van 22 juli 2020 en over de impact van het coronavirus (COVID-19) op het genot van alle mensenrechten door ouderen, A/75/2020 (2), en haar verklaring over autonomie en zorg voor ouderen voor de 30e zitting van de VN-Mensenrechtenraad (3),

gezien de verdragen en aanbevelingen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), met name het Verdrag inzake verplegend personeel (nr. 149) van 1977 en de bijbehorende Aanbeveling (nr. 157), het Verdrag betreffende de bescherming van het moederschap (nr. 183) van 2000 en de bijbehorende Aanbeveling (nr. 191), het Verdrag inzake fatsoenlijk werk voor huishoudelijk personeel (nr. 189) van 2011 en de bijbehorende Aanbeveling (nr. 201), het Verdrag inzake geweld en pesterijen (nr. 190) van 2019 en de bijbehorende Aanbeveling (nr. 206), en de Aanbeveling inzake sociale beschermingsvloeren (nr. 202),

gezien het verslag van de IAO van 19 december 2019 getiteld “The Employment Generation Impact of Meeting SDG Targets on Early Childhood Care, Education, Health and Long-Term Care in 45 countries”,

gezien de resolutie van de IAO over een wereldwijde oproep tot actie voor een op de mens gerichte aanpak van de COVID-19-crisis die inclusief, duurzaam en veerkrachtig is, aangenomen tijdens de 109e zitting van de Internationale Arbeidsconferentie in juni 2021,

gezien het verslag van de IAO van 7 maart 2022 getiteld “Care at work: Investing in care leave and services for a more gender equal world of work”,

gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD),

gezien het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind (VRK),

gezien de politieke beleidslijnen van Ursula von der Leyen, voorzitter van de Commissie,

gezien het werkprogramma van de Commissie voor 2022,

gezien Verordening (EU) 2021/1057 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) (4),

gezien Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (5),

gezien Verordening (EU) 2020/2221 van het Europees Parlement en de Raad van 23 december 2020 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat betreft extra middelen en uitvoeringsregelingen om bijstand te verlenen ter bevordering van het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan en ter voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie (React-EU) (6),

gezien Verordening (EU) 2021/522 tot vaststelling van een actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid (“EU4Health-programma”) voor de periode 2021-2027 (7),

gezien het gezamenlijke initiatief “State of Health” van de OESO en de Europese Commissie,

gezien Richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad (8),

gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (9),

gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (10),

gezien Richtlijn (EU) 2022/431 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2022 tot wijziging van Richtlijn 2004/37/EG betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk (11),

gezien Aanbeveling (EU) 2021/1004 van de Raad van 14 juni 2021 tot instelling van een Europese kindergarantie (12),

gezien de mededeling van de Commissie van 5 maart 2020 getiteld “Een Unie van gelijkheid: strategie voor gendergelijkheid 2020-2025” (COM(2020)0152),

gezien de mededeling van de Commissie van 26 april 2017, getiteld “Een initiatief om het evenwicht tussen werk en privéleven voor werkende ouders en mantelzorgers te ondersteunen” (COM(2017)0252),

gezien het actieplan van de Commissie van 9 december 2021 voor de stimulering van de sociale economie en het scheppen van banen,

gezien het Groenboek van de Commissie van 27 januari 2021 over de vergrijzing (COM(2021)0050),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld “Een langetermijnvisie voor de plattelandsgebieden” van 2021,

gezien de ministeriële verklaring die tijdens de vierde ministeriële conferentie van de Economische Commissie voor Europa van de VN over vergrijzing in Lissabon werd aangenomen op 22 september 2017, getiteld “A Sustainable Society for All Ages: Realizing the potential of living longer”,

gezien het voorstel van de Commissie van 4 maart 2021 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter versterking van de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannen en vrouwen voor gelijke of gelijkwaardige arbeid door middel van beloningstransparantie en handhavingsmechanismen (COM(2021)0093),

gezien het voorstel van de Commissie van 28 oktober 2020 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende toereikende minimumlonen in de Europese Unie (COM(2020)0682),

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 januari 2022 getiteld “Naar een nieuw zorgmodel voor ouderen: leren van COVID-19” (SOC/687-EESC-2021),

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 september 2012 getiteld “De rechten van inwonende zorgverleners” (SOC/535-EESC-2016),

gezien het “Long-term care report” van 2021 van het Comité voor sociale bescherming (SPC) en de Europese Commissie (DG EMPL) over “Trends, uitdagingen en kansen in een vergrijzende samenleving”,

gezien het advies van de deskundigengroep van 23 juni 2021 inzake doeltreffende manieren om te investeren in gezondheid, getiteld “Supporting mental health of health workforce and other essential workers”,

gezien de conclusies van de Raad Epsco van 14 juni 2021 over de sociaal-economische impact van COVID-19 op gendergelijkheid (ST 8884/21),

gezien zijn resolutie van 15 november 2018 over de zorgdiensten in de EU ter bevordering van gendergelijkheid (13),

gezien zijn resolutie van 21 januari 2021 over het genderperspectief in de COVID-19-crisis en de periode na de crisis (14),

gezien zijn resolutie van 21 januari 2021 over de EU-strategie inzake gendergelijkheid (15),

gezien zijn resolutie van 10 maart 2022 over het EU-genderactieplan III (16),

gezien zijn resolutie van 21 januari 2021 over toegang tot fatsoenlijke en betaalbare huisvesting voor iedereen (17),

gezien de aanbeveling van de Raad van 22 mei 2019 betreffende stelsels voor kwaliteitsvolle voor- en vroegschoolse educatie en kinderopvang (18),

gezien zijn resolutie van 11 maart 2021 over de rechten van het kind in het licht van de EU-strategie voor de rechten van het kind (19),

gezien zijn resolutie van 10 juli 2020 over de EU-strategie voor volksgezondheid na COVID-19 (20),

gezien zijn resolutie van 16 februari 2022 over versterking van Europa in de strijd tegen kanker — naar een alomvattende en gecoördineerde strategie (21),

gezien zijn resolutie van 17 december 2020 over een sterk sociaal Europa voor rechtvaardige transities (22),

gezien zijn resolutie van 7 juli 2021 inzake “Het oude continent vergrijst — mogelijkheden en uitdagingen in verband met het ouderdomsbeleid na 2020” (23),

gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2021 getiteld “Unie van gelijkheid: Strategie inzake de rechten van personen met een handicap 2021-2030” (COM(2021)0101),

gezien zijn resolutie van 18 juni 2020 over de Europese strategie inzake handicaps post-2020 (24),

gezien zijn resolutie van 29 november 2018 over de situatie van vrouwen met een handicap (25),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld “Strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2021-2027 — Gezondheid en veiligheid op het werk in een veranderende arbeidswereld”, van 28 juni 2021 (COM(2021)0323),

gezien zijn resolutie van 10 maart 2022 over een nieuw strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk voor de periode na 2020 (met inbegrip van een betere bescherming van werknemers tegen de blootstelling aan schadelijke stoffen, stress op het werk en lichamelijke klachten als gevolg van repeterende bewegingen) (26),

gezien het verslag van EVI/EPSU over loontransparantie en de rol van genderneutrale functiebeoordeling en functieclassificatie in overheidsdiensten,

gezien de aanbeveling van de Raad van 8 november 2019 met betrekking tot de toegang tot sociale bescherming voor werknemers en zelfstandigen (27),

gezien de activiteiten van de ELA, en met name de samenwerking met de lidstaten bij de bestrijding van zwartwerk,

gezien de gendergelijkheidsindex 2021 van het Europees Instituut voor gendergelijkheid, en de thematische focus daarvan op gezondheid,

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid (A9-0189/2022),

A.

overwegende dat sociale rechten deel uitmaken van de mensen- en constitutionele rechten en dat vrouwenrechten fundamentele mensenrechten zijn; overwegende dat de Commissie van Venetië van de Raad van Europa en het EHRM benadrukken dat mensenrechten deel uitmaken van de rechtsstaat en dat dit tevens wordt benadrukt in het Handvest; overwegende dat het EPSR-actieplan concrete initiatieven bevat voor de tenuitvoerlegging van beginselen die cruciaal zijn voor de opbouw van een sterker sociaal Europa voor rechtvaardige transities en herstel, zoals gendergelijkheid, gelijke kansen, evenwicht tussen werk en privéleven, kinderopvang en ondersteuning van kinderen, inclusie van personen met een handicap en langdurige zorg; overwegende dat uitbreiding en versterking van de waarde en de rechten van de zorgwerkers een eerste vereiste zal zijn voor de tenuitvoerlegging van deze initiatieven, met inbegrip van die welke specifiek betrekking hebben op zowel beginsel 17 als beginsel 18; overwegende dat het Europees Semester en het sociaal scorebord moeten worden gebruikt om een rechtvaardigere, gelijke, duurzame en veerkrachtige samenleving tot stand te brengen; overwegende dat het genot van de hoogst bereikbare standaard van gezondheid een grondrecht is en dat een hoog niveau van gezondheidsbescherming moet worden gewaarborgd en ten uitvoer moet worden gelegd via alle beleidsmaatregelen en activiteiten van de Unie; overwegende dat de toegang tot openbare diensten van goede kwaliteit een doorslaggevende factor is voor de kwaliteit van het bestaan als onderdeel van de zorgstrategie en van meer investeringen in de sector;

B.

overwegende dat kinderen 18,3 % van de EU-bevolking uitmaken (28); overwegende dat in 2020 47,5 % van de huishoudens in de EU ten minste één kind had en dat 14 % van de huishoudens bestond uit kinderen en een alleenstaande ouder (29), waarvan de meerderheid vrouw was;

C.

overwegende dat de overgrote meerderheid van formele en informele, betaalde en onbetaalde zorgverleners en mantelzorgers vrouw is; overwegende dat de verantwoordelijkheid voor de zorg binnen het huishouden bepalend is voor de mogelijkheden, de duur en het soort betaald werk dat vrouwen gedurende hun gehele arbeidsleven kunnen verrichten, en aldus van invloed is op hun deelname aan het sociale, economische, culturele en politieke leven; overwegende dat stereotypen over vrouwen als betere zorgverleners en de perceptie dat onbetaalde zorg en huishoudelijk werk “vrouwenwerk” zijn, het model “mannelijke kostwinner — vrouwelijke verzorger” versterken, dat nog steeds bepalend is voor de toegang tot sociale rechten en daardoor de economische onafhankelijkheid van vrouwen beïnvloedt, en ook bijdraagt tot de onderwaardering en de economische onzichtbaarheid van de zorg, met name de bijdrage van mantelzorgers, alsook tot de onderwaardering van zorgpersoneel in particuliere en overheidsinstellingen;

D.

overwegende dat 80 % van alle langdurige zorg in Europa wordt verleend door mantelzorgers (30), voor het overgrote deel vrouwen, die verstoken zijn van eerlijke arbeidsomstandigheden, meestal niet betaald worden en/of onvoldoende sociale steun ontvangen, waardoor zorg bij uitstek een genderkwestie is; overwegende dat het verlenen van mantelzorg gepaard gaat met het ontbreken van rechten zoals ziekteverlof en vakantiedagen, alsmede zwangerschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof, een daling van de arbeidsparticipatie, een toename van armoede en sociale uitsluiting, een verminderde geestelijke gezondheid en meer gevoelens van sociaal isolement en eenzaamheid, hetgeen een negatief effect heeft op de lichamelijke en geestelijke gezondheid, het welzijn en de sociale inclusie; overwegende dat de bijdrage van vrouwen aan onbetaalde zorgtaken jaarlijks naar schatting 11 biljoen USD (31) toevoegt aan de wereldeconomie, hetgeen neerkomt op 9 % van het mondiale bbp (32);

E.

overwegende dat 15,4 % van de jongeren zonder scholing, werk of stage (NEET’s) in deze situatie verkeert omdat zij zorgen voor kinderen of arbeidsongeschikte volwassenen of andere gezinstaken hebben; overwegende dat 88 % van de NEET’s vrouwen zijn (33);

F.

overwegende dat erkend moet worden dat alle mensen vanaf de kindertijd tot op hoge leeftijd in verschillende mate zorg nodig hebben, afhankelijk van onder meer leeftijd, sociaal-economische status, fysieke begaafdheid en persoonlijke achtergrond; overwegende dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen zorg en ondersteuning voor personen met een handicap of een slechte gezondheid; overwegende dat de maatschappelijke en economische waarde van zorgarbeid, zowel betaald als onbetaald, niet wordt gewaardeerd en erkend en opnieuw moet worden geëvalueerd en de kern van het economisch beleid moet gaan vormen; overwegende dat er dringend werk moet worden gemaakt van de sociale, gendergelijkheids- en economische invloed van personen met zorgtaken, met name in het licht van de demografische veranderingen;

G.

overwegende dat alle lidstaten en de EU gebonden zijn door het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD), met inbegrip van artikel 19 daarvan betreffende het nemen van doeltreffende en passende maatregelen die garanderen dat alle personen met een handicap gelijke rechten hebben om onafhankelijk te leven, deel uit te maken van en te participeren in de gemeenschap; overwegende dat gelijke en effectieve toegang tot betaalbare kwaliteitszorg en ondersteunende diensten een essentiële voorwaarde is voor het zelfstandig leven van personen met een handicap, hun deelname aan het gemeenschapsleven en hun sociale inclusie;

H.

overwegende dat zorg alle diensten omvat die de autonomie en onafhankelijkheid van zorgbehoevende personen ondersteunen, alsook de fysieke, psychologische, emotionele, sociale, persoonlijke en huishoudelijke behoeften van individuen en groepen in kwetsbare situaties; overwegende dat zorg moet worden erkend als een recht dat de gelijke uitoefening van rechten, waardigheid, autonomie, inclusie en welzijn waarborgt voor alle mensen die zorgbehoevend zijn; overwegende dat de Europese Unie de maatregelen van de lidstaten ter verbetering van de zorgdiensten kan aanvullen en ondersteunen, zowel voor de zorgontvangers als voor de zorgverleners;

I.

overwegende dat zorgtaken een verscheidenheid aan diensten vormen die worden verricht door individuen, gezinnen, gemeenschappen, aanbieders van betaalde diensten, openbare organisaties en overheidsinstellingen in verschillende soorten omgevingen, variërend van instellingen tot particuliere huishoudens;

J.

overwegende dat de Commissie persoonlijke en huishoudelijke diensten (PHD) definieert als een breed scala aan activiteiten die bijdragen tot het welzijn thuis van gezinnen en individuen, met inbegrip van kinderopvang, langdurige zorg en zorg voor personen met een handicap, huishoudelijke taken, remedial teaching, thuisreparaties, tuinieren en ICT-ondersteuning; overwegende dat PHD zorg en niet-zorg, alsook directe en indirecte diensten omvatten; overwegende dat op mondiaal niveau PHD gewoonlijk worden omschreven met de term “huishoudelijk werk”; overwegende dat met de opname van huishoudelijk personeel in het zorgpersoneel derhalve wordt erkend dat zorgverlening niet alleen persoonlijke zorg omvat, maar ook niet-relationele indirecte zorg, hetgeen de noodzakelijke voorwaarden biedt voor het verlenen van persoonlijke zorg; overwegende dat zorg- en niet-zorgactiviteiten op het gebied van persoonlijke en huishoudelijke diensten sterk met elkaar verweven zijn en dat een groot deel van de werknemers beide prestaties levert en dus behoort tot de zorgwerkers;

K.

overwegende dat toegang tot hoogwaardige zorg en het creëren van leeftijdsvriendelijke omgevingen essentieel zijn voor een langer, gezond en actief leven; overwegende dat het aantal personen in de EU dat langdurige zorg nodig heeft, naar verwachting zal stijgen van 30,8 miljoen in 2019 tot 38,1 miljoen in 2050 (34); overwegende dat verschillende lidstaten reeds te kampen hebben met tekorten aan arbeidskrachten in de sector langdurige zorg, die alleen maar groter dreigen te worden naarmate de vraag naar langdurige zorg toeneemt, en overwegende dat hiervoor investeringen in de beroepsbevolking en hun fatsoenlijke werkgelegenheid en arbeidsomstandigheden nodig zijn;

L.

overwegende dat de COVID-19-crisis de sleutelrol van werknemers in persoonlijke en huishoudelijke diensten in onze samenlevingen heeft benadrukt, waaruit blijkt dat deze werknemers in alle lidstaten dringend volledig moeten worden erkend, samen met de rechten op collectieve onderhandelingen, sociale zekerheid en sociale bescherming; overwegende dat door het aanhoudende gebrek aan behoorlijke erkenning van deze werknemers in verschillende lidstaten, velen van hen hun baan hebben verloren tijdens de COVID-19-pandemie zonder te kunnen profiteren van regelingen voor looncompensatie en behoud van banen door de overheid; overwegende dat de pandemie heeft geleid tot het verlies van huisvesting voor veel werknemers in persoonlijke en huishoudelijke diensten en hen heeft blootgesteld aan geweld en intimidatie op het werk;

M.

overwegende dat er, ondanks het feit dat ieder individu gedurende zijn leven ten minste eenmaal de rol van verzorger en van zorgontvanger op zich neemt, stigmatisering en stereotypen bestaan rond onderlinge afhankelijkheid, lichamelijke of geestelijke handicap, ziekte en kwetsbaarheid en de behoefte aan zorg en ondersteuning, die samengaan met andere redenen voor discriminatie, met name geslacht, seksuele gerichtheid, leeftijd, handicap, nationaliteit, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, alsmede sociaal-economische of immigrantenachtergrond en andere achtergestelde achtergronden, waardoor het risico van armoede of sociale uitsluiting toeneemt;

N.

overwegende dat de EU-bevolking vergrijst: in 2018 was 19 % van de EU-burgers 65 jaar of ouder (35); overwegende dat leeftijdsdiscriminatie en onvervulde, ongeziene en niet-erkende zorgbehoeften in Europa nog steeds een hardnekkig probleem in de zorg vormen; overwegende dat het aantal mensen dat afhankelijk is van de hulp van anderen en dat gezondheidszorg en langdurige zorg nodig heeft, toeneemt met de leeftijd;

O.

overwegende dat reumatische en musculoskeletale ziekten (rheumatic and musculoskeletal diseases — RMD’s) behoren tot ’s werelds meest voorkomende, tot invaliditeit leidende en belastende niet-overdraagbare ziekten, die meer dan 100 miljoen Europeanen treffen en goed zijn voor meer dan 50 % van de “verloren jaren door invaliditeit” (Years Lived with Disabilities — YLD’s) in Europa; overwegende dat mensen met RMD’s vanwege de prevalentie, de tot invaliditeit leidende gevolgen en het verband met een hoge incidentie van comorbiditeiten een belangrijke bron van vraag naar langdurige formele en mantelzorg in Europa zijn;

P.

overwegende dat veel zorg- en huishoudelijk personeel tot een etnische minderheid behoort of migrant is (36), met een zeer onzekere situatie wordt geconfronteerd en intersectionele discriminatie ervaart als gevolg van hun ras of etniciteit, geslacht, sociaal-economische status en nationaliteit, en inwonende zorgarbeid verricht met vaak onbeperkte werktijden, wat in strijd is met de arbeidstijdwetgeving in de formele en informele economie; overwegende dat deze werknemers meestal vrouwen zijn die geen officieel arbeidscontract hebben, dus kwetsbaarder zijn voor uitbuiting en vaak geen toegang hebben tot hun rechten, met name op fatsoenlijk werk en sociale bescherming;

Q.

overwegende dat er in alle lidstaten een gebrek is aan kwalitatief hoogwaardige, toegankelijke, beschikbare en betaalbare zorgdiensten, ook in plattelandsgebieden die in het bijzonder door de vergrijzing worden getroffen; overwegende dat het toezicht op formele en mantelzorg en op de vorm en de middelen van de bestaande zorgdiensten wordt bemoeilijkt door het gebrek aan gegevens, met inbegrip van uitgesplitste gegevens, het gebrek aan kwaliteitsindicatoren, zoals het Europees tijdsbestedingsonderzoek (ETUS) voor de evaluatie van en het toezicht op de verleende diensten, routekaarten voor de uitvoering, en gebrek aan kennis bij zorgverleners over tijdelijk invaliderende ziekten;

R.

overwegende dat een van de meest fundamentele rechten met betrekking tot zorg en ondersteuning het recht is om het type en de locatie van de dienst te kiezen; overwegende dat het recht om het type zorg te kiezen door de ontoereikende beschikbaarheid van persoonlijke en thuisondersteuning vaak wordt ondermijnd; overwegende dat persoonlijke ondersteuning maar al te zelden voldoende wordt ondersteund door de lidstaten en voor te veel mensen onbetaalbaar blijft; overwegende dat 75 % van de ouderen die langdurige zorg nodig heeft, meldt dat zij zich onder de armoederisicodrempel zouden bevinden indien zij gedwongen zouden worden om thuiszorgdiensten tegen de volledige marktprijs in te kopen (37); overwegende dat zelfs in de meerderheid van de economisch meest ontwikkelde landen de socialezekerheidsstelsels minder dan 40 % van de totale kosten van langdurige zorg voor mensen met gematigde behoeften dekken (38); overwegende dat de lidstaten moeten zorgen voor hoogwaardige en adequaat gefinancierde en functionerende zorgdiensten, socialezekerheidsstelsels en een betere integratie van hoogwaardige langdurige zorg daarin, hetgeen van cruciaal belang is voor de verbetering van de sociale rechtvaardigheid en zal bijdragen tot gendergelijkheid;

S.

overwegende dat de COVID-19-pandemie de bestaande ongelijkheden en uitdagingen heeft verscherpt en zichtbaarder heeft gemaakt — waarbij de vele structurele problemen die in de sociale zorg in Europa verankerd zijn, zoals onderbezette zorgfaciliteiten en zorgstelsels of een gebrek aan investeringen, duidelijk naar voren zijn gekomen in termen van toegang tot formele zorg en huishoudelijke diensten, met inbegrip van tijdige, betaalbare en hoogwaardige medische behandeling — en de aandacht heeft gevestigd op reeds bestaande crises in de zorgsector als gevolg van de sterk toegenomen werkdruk in de sector, tekorten aan zorgpersoneel, ondergefinancierde, overbelaste gezondheidszorgstelsels en te grote afhankelijkheid van informele, onbetaalde zorg of zwartwerk; overwegende dat hierdoor de psychosociale risico’s toenemen voor de zorgverleners die in de sector blijven, die meestal vrouw zijn; overwegende dat de uitdagingen van de pandemie hebben geleid tot eenzaamheid en sociaal isolement en het risico van misstanden, verwaarlozing, verslechtering van de lichamelijke en geestelijke gezondheid van zorgbehoevenden, en het algemene welzijn van alle generaties in de hele EU hebben vergroot, met name daar waar het investeringsniveau in de zorg vóór de pandemie lager was (39); overwegende dat deze langetermijneffecten op de gezondheid en het welzijn van personen, alsook de sociale en economische gevolgen ervan nog niet volledig zijn beoordeeld en geïntegreerd in de relevante beleidsterreinen;

T.

overwegende dat in Europa niet wordt voorzien in de behoeften van mantelzorgers en dat de COVID-19-pandemie de moeilijkheden van mantelzorg en van mensen die mantelzorg ontvangen aan het licht heeft gebracht en heeft aangetoond dat vrouwen en meisjes een onevenredig groot deel van deze zorg op zich nemen (40); overwegende dat het gebrek aan erkenning van persoonlijke en huishoudelijke dienstverleners en/of de onjuiste classificatie van hun arbeidsstatus ertoe hebben geleid dat velen die tijdens de COVID-19-pandemie hun baan hebben verloren, geen toegang hadden tot socialezekerheidsmechanismen;

U.

overwegende dat de COVID-19-pandemie de bestaande ongelijkheden tussen mannen en vrouwen heeft verergerd, vooral wat betreft de toename van onbetaalde zorgarbeid en de verstoring van het evenwicht tussen werk en privéleven, en heeft geleid tot een dubbele belasting voor veel vrouwen, die langere diensten op het werk moesten draaien en thuis extra mantelzorg moesten verlenen; overwegende dat vóór de COVID-19-pandemie (41)37,5 % van de vrouwen in de EU dagelijks zorgde voor kinderen, ouderen of personen met een handicap, tegenover 24,7 % van de mannen; overwegende dat de pandemie voor vrouwen neerkomt op een gemiddelde van 13 extra onbetaalde werkuren per week (42); overwegende dat vrouwen die thuis werken, in deeltijd werken of werkloos zijn, onder nog grotere druk hebben gestaan, aangezien zij het meeste huishoudelijk werk en de meeste zorgtaken in het gezin blijven verrichten (43); overwegende dat er nog geen volledig inzicht is in alle effecten van de COVID-19-pandemie en dat de sociaal-economische gevolgen ervan voor vrouwen zullen aanhouden;

V.

overwegende dat volgens de Wereldgezondheidsorganisatie tot wel de helft van de sterfgevallen ten gevolge van COVID-19 in Europa betrekking had op personen die in voorzieningen voor langdurige zorg verbleven (44); overwegende dat meer dan 70 % van de sociale en gezondheidswerkers die COVID-19 in de frontlinie bestreden, vrouwen waren, van wie velen de gevolgen en ook langdurige gevolgen van een COVID-19-besmetting hebben ondervonden, geïsoleerd zijn geraakt en ongekende niveaus van stress, angst, depressie, zelfmoorden en zelfs posttraumatische stressstoornis hebben ervaren; overwegende dat in 2021 30 % van de verpleegkundigen het beroep in de EU heeft verlaten (45); overwegende dat de hoge incidentie- en sterftecijfers als gevolg van COVID-19 in voorzieningen voor langdurige zorg, waaronder die ten gevolge van gebrek aan toegang tot beschermingsmiddelen, tests en medische behandeling, tekortkomingen in het systeem aan het licht hebben gebracht in verband met de te trage transitie van institutionele zorg naar gezins- en gemeenschapsgebaseerde zorgdiensten, personeelstekorten als gevolg van moeilijkheden bij het aantrekken en behouden van werknemers, slechte werkgelegenheid en arbeidsomstandigheden, het gebrek aan mogelijkheden voor loopbaanontwikkeling voor werknemers in de zorgsector, moeilijkheden voor grensoverschrijdende verzorgers en het gebrek aan steun voor en toegang tot sociale zekerheid voor mantelzorgers;

W.

overwegende dat de COVID-19-pandemie, naast de onvervulde medische behoeften, dramatisch negatieve gevolgen heeft gehad voor de toegang tot onderwijs, fatsoenlijke huisvesting en diensten die essentieel zijn voor het welzijn en de ontwikkeling van kinderen, waardoor alle ouders, met name vrouwen en alleenstaande ouders, extra zorg- en onderwijstaken kregen (46); overwegende dat het empirische bewijs bevestigt dat de vermindering van de zorgdiensten en de toename van het aantal onbetaalde zorgtaken die vrouwen tijdens de COVID-19-pandemie verrichtten, de genderongelijkheid heeft hersteld en versterkt;

X.

overwegende dat de verlening van hoogwaardige zorg afhankelijk is van de aanwezigheid van voldoende, goed opgeleid, gemotiveerd en gespecialiseerd personeel, het scheppen van aantrekkelijke en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden door middel van sociale dialoog en collectieve onderhandelingen, passende en eerlijke lonen, geïntegreerde diensten en toereikende overheidsfinanciering; overwegende dat de zorgsector al lang te kampen heeft met een tekort aan arbeidskrachten en dat in de jaren 2019 en 2020, 421 000 werknemers de zorgsector hebben verlaten (47); overwegende dat kwaliteitszorg een vakkundig beroep is waarvoor opleiding en ervaring vereist zijn, en dat de vraag naar goed geschoolde zorgverleners de komende jaren alleen maar zal toenemen; overwegende dat werkgelegenheid en permanente opleiding op de werkplek door professionalisering van de sector tot een betere kwaliteit van het aanbod van zorgdiensten kunnen bijdragen; overwegende dat in een context van langere zorgtrajecten en de ontwikkeling van praktijken en technologieën zorgverleners expertise opdoen die moet worden erkend; overwegende dat de richtlijn betreffende het behoud van de rechten (2001/23/EG) bij de overdracht van arbeidsovereenkomsten aan een overnemende zorgverlener moet worden toegepast;

Y.

overwegende dat in de Europese Unie ten minste 3,1 miljoen werknemers in de persoonlijke en huishoudelijke dienstverlening zwartwerken, zonder erkenning en zonder fundamentele arbeidsrechten zoals collectieve onderhandelingen, sociale zekerheid en sociale bescherming (48); overwegende dat zwartwerk leidt tot een geringere bescherming van werknemers, uitbuiting en misbruik van arbeidskrachten in de hand werkt, en tevens een verlies aan inkomsten voor de lidstaten betekent; overwegende dat de omstandigheden van onderdanen van derde landen zonder papieren die in de zorgsector werken bijzonder problematisch zijn wat betreft hun sociale rechten en de toegang tot fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden;

Z.

overwegende dat het Europese platform tegen zwartwerk is omgevormd tot een permanente werkgroep van de Europese Arbeidsautoriteit (ELA), met het doel om de samenwerking met de autoriteiten van de lidstaten bij de bestrijding van zwartwerk te versterken;

AA.

overwegende dat uit studies blijkt dat meer dan 90 % van de ouderen op gevorderde leeftijd in hun eigen huis wil wonen; overwegende dat echter slechts 20 % de laatste jaren van hun leven in hun privéwoning doorbrengt en dat velen van hen in institutionele zorgvoorzieningen wonen (49); overwegende dat er een gebrek is aan zorgdiensten die op de behoeften en voorkeuren van het individu zijn afgestemd; overwegende dat hiervoor de zorgstructuren moeten (50) worden veranderd van gecentraliseerde instellingen naar patiëntgerichte, op familie en gemeenschap gebaseerde zorg om de autonomie van personen die zorg en ondersteuning behoeven beter te ondersteunen, wat tastbare economische en sociale voordelen oplevert en het niveau van welzijn van de zorgontvangers verhoogt; overwegende dat residentiële zorg vaak niet voldoet aan de normen inzake de ondersteuning van de onafhankelijkheid van personen die van deze diensten gebruikmaken, en vaak wordt geassocieerd met het einde van het leven, in plaats van als een plaats om waardig te leven, te bloeien en verder deel te nemen aan het sociale en culturele leven; overwegende dat die verschuiving niet heeft plaatsgevonden of te traag is verlopen en dat er te weinig middelen beschikbaar zijn, en dat er rekening moet worden gehouden met de verschillende behoeften en kwetsbaarheden van gemeenschappen, bijvoorbeeld op het gebied van inkomens- en andere ongelijkheden; overwegende dat de lidstaten in die richting moeten investeren;

AB.

overwegende dat het belangrijk is verder onderzoek te verrichten naar misstanden in alle zorgomgevingen, informatie te verstrekken over de factoren die tot deze praktijken hebben geleid, bewustmaking, opleiding, opsporing en bestrijding van misstanden voor alle bij de zorg betrokken beroepen te bevorderen, en openbare platforms te creëren voor het melden van dergelijke praktijken;

AC.

overwegende dat de arbeidsmarkt de neiging vertoont gesegregeerd te zijn naar geslacht en de sectoren waarin vrouwen de meerderheid van de beroepsbevolking uitmaken, onderwaardeert; overwegende dat het bruto-uurloon van vrouwen in de EU in 2020 gemiddeld 13,0 % lager lag dan dat van mannen (51);

AD.

overwegende dat zorg vaak ondergewaardeerd blijft, weinig erkenning krijgt, en er onvoldoende en dikwijls geen financiële compensatie is voor mantelzorgers; overwegende dat de onderwaardering in termen van loon en arbeidsvoorwaarden, alsook het gebrek aan zichtbaarheid van zorg en huishoudelijk werk, nauw verband houden met de heersende genderrollen en -normen waarbij vrouwen worden gezien als verzorger en mannen als kostwinner, met een vicieuze cirkel van “dubbele devaluatie”, waarbij zorg vaak wordt overgelaten aan de meest machteloze groepen in de samenleving vanwege het gebrek aan waarde en de zorgactiviteit op haar beurt wordt gedevalueerd omdat deze wordt uitgevoerd door de meest machteloze groepen, en met het feit dat thuiszorg en andere persoonlijke en huishoudelijke zorg wordt verleend achter gesloten deuren;

AE.

overwegende dat de feminisering van de zorgsector bijdraagt aan de genderkloof op het gebied van werkgelegenheid, beloning en pensioenen als gevolg van het percentage vrouwen dat in de formele en mantelzorg werkzaam is, en kan leiden tot een verhoogd risico op armoede en tot lagere belastingen die aan de lidstaten worden betaald, met een jaarlijks verlies van 370 miljard EUR aan bbp voor Europa (52);

AF.

overwegende dat vrouwen en migranten, met name mobiele werknemers uit de EU en van buiten de EU, de zorgsector domineren: vrouwen vertegenwoordigen 76 % van de 49 miljoen gedocumenteerde zorgwerkers in de EU (53) en meer dan 85 % in de onbetaalde zorg in alle lidstaten wanneer er zowel naar de dagelijkse als de wekelijkse inzet wordt gekeken (54);

AG.

overwegende dat 6,3 miljoen professionals werkzaam zijn in de langdurige zorg, in die sector vrouwen (81 %) oververtegenwoordigd zijn en er steeds meer werknemers van vijftig jaar en ouder, deeltijdwerkers, werknemers met een onzeker dienstverband en platformwerkers zijn, alsmede migrerende, informele en mobiele werknemers, met inbegrip van inwonende verzorgers (8 % van de werknemers in de zorgsector is niet-autochtoon); overwegende dat in 2020 migrerende en mobiele werknemers 28 % van de persoonlijke zorgverleners uitmaakten (55); overwegende dat de tekorten in de zorg in sommige regio’s van de EU nog worden verergerd door deze “zorgvlucht” en door het verschijnsel van de mondiale zorgketens; overwegende dat dit het onmogelijk maakt om alleen langs de nationale grenzen aandacht aan zorg te besteden; overwegende dat er nog steeds belemmeringen zijn die het gratis aanbod van zorgdiensten in de EU bemoeilijken; overwegende dat deze arbeidskrachten van levensbelang zijn voor onze samenlevingen, met het oog op zowel de volksgezondheid als sociale inclusie van de soms geïsoleerde zorgontvangers;

AH.

overwegende dat de lonen in de zorg en het huishoudelijk werk in alle lidstaten ver onder het gemiddelde loon liggen en lager zijn dan de lonen die werknemers krijgen voor dezelfde baan in andere sectoren, met name in de gezondheidszorg (56); overwegende dat dit te wijten is aan informeel werk, een lagere dekkingsgraad van de collectieve onderhandelingen in deze sectoren, alsook aan de onderwaardering van door vrouwen gedomineerde sectoren, zoals de zorg; overwegende dat werknemers in de sectoren met winstoogmerk en zonder winstoogmerk vaak geen toegang hebben tot werknemersvertegenwoordiging en collectieve onderhandelingen; overwegende dat het verschil ten opzichte van het gemiddelde loon het kleinst is in de lidstaten met collectieve arbeidsovereenkomsten voor delen van de sector (57); overwegende dat werknemersvertegenwoordiging, met inbegrip van vakbonden, en collectieve onderhandelingen van cruciaal belang zijn voor de vertegenwoordiging en verdediging van de rechten en belangen van werknemers in alle zorgomgevingen, en voor de verhoging en handhaving van normen in de gehele zorgsector;

AI.

overwegende dat de COVID-19-crisis verschillende uitdagingen met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden van werknemers in de langdurige zorg heeft benadrukt; overwegende dat langdurige zorgverleners een nog groter risico lopen COVID-19 op te lopen dan gezondheidswerkers in ziekenhuizen, vanwege een gebrek aan persoonlijke beschermingsmiddelen en passende opleiding om infectieprotocollen en andere preventieve maatregelen toe te passen;

AJ.

overwegende dat zorg, hoewel het voor een grote meerderheid van de mantelzorgers emotioneel bevredigend is, vaak negatieve gevolgen heeft voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid van mantelzorgers en problemen veroorzaakt bij het combineren van zorg met betaald werk, hetgeen met name van belang is voor vrouwelijke mantelzorgers (58); overwegende dat de geestelijke gezondheid van formele zorgverleners en mantelzorgers tijdens de COVID-19-pandemie onevenredig is getroffen; overwegende dat de geestelijke problemen zijn toegenomen tijdens de pandemie, waardoor de zorglast is toegenomen; overwegende dat zorgtaken vaak gepaard gaan met werken in ploegendienst, op korte termijn en met lange werktijden; overwegende dat gezondheidsrisico’s en slechte arbeidsduurkwaliteit de belangrijkste oorzaken zijn van relatief hoog ziekteverzuim in de sector van de langdurige zorg; overwegende dat 38 % van de zorgverleners van mening is dat zij door de nadelige gevolgen van hun werk niet tot hun 60e zullen kunnen blijven werken (59);

AK.

overwegende dat in Europa 33 % van de werknemers in de langdurige zorg is blootgesteld aan een of andere vorm van schadelijk sociaal gedrag (waaronder verbaal geweld, bedreigingen en vernederend gedrag) en dat slechts 22 % van de werknemers in de langdurige zorg zeer tevreden is over hun arbeidsomstandigheden (60);

AL.

overwegende dat er verschillende vormen van werkgelegenheid zijn van inwonende zorgverleners, zoals via zorgbedrijven of uitzendbureaus en tussenpersonen;

AM.

overwegende dat vrouwen de meerderheid van de zorgontvangers vormen en dat 44 miljoen mensen in de EU, waarvan de meesten vrouwen zijn, langdurige mantelzorg verlenen aan familieleden, buren of vrienden (61), en dat 12 % van de vrouwen en 7 % van de mannen die langdurige mantelzorg verlenen dit meer dan 40 uur per week doen (62); overwegende dat bijna 30 % van de 65+’ers met twee of meer niet-overdraagbare ziekten leeft; overwegende dat niet-overdraagbare ziekten een aanzienlijke en toenemende belasting vormen voor patiënten, verzorgers, samenlevingen en gezondheidszorgstelsels;

AN.

overwegende dat het grote aantal zorgontvangers dat informele zorg nodig heeft rechtstreeks verband houdt met de onbeschikbaarheid, ontoegankelijkheid en onbetaalbaarheid van hoogwaardige professionele diensten die zijn toegesneden op hun behoeften, alsook met de standaardkeuze van veel lidstaten voor onbetaalde mantelzorg als de belangrijkste bron van zorgverlening (63); overwegende dat het verlenen van mantelzorg een keuze zou moeten zijn en geen noodzaak als gevolg van een gebrek aan beschikbare zorgdiensten;

AO.

overwegende dat een aanzienlijk deel van de formele inwonende-zorgsector actief is in een grijze zone, hetgeen de kwaliteit van de thuiszorg nadelig beïnvloedt; overwegende dat er een gebrek is aan gegevens aan de hand waarvan het aantal verzorgers in de grijze zone nauwkeurig kan worden vastgesteld;

AP.

overwegende dat vrouwen in de EU per week 13 uur meer onbetaalde zorg verlenen en huishoudelijk werk verrichten dan mannen (64); overwegende dat toegang tot betaalbare en hoogwaardige formele diensten voor langdurige zorg voor afhankelijke familieleden en de ongelijke verdeling van onbetaalde zorg en huishoudelijk werk tussen mannen en vrouwen cruciale factoren zijn om te bepalen of vrouwen aan het werk gaan en blijven, evenals de kwaliteit van de banen die zij hebben; overwegende dat 7,7 miljoen vrouwen in de EU vanwege hun mantelzorgtaken buiten de arbeidsmarkt blijven, tegenover slechts 450 000 mannen, en dat 29 % van de vrouwen met een deeltijdbaan zorgtaken noemt als de belangrijkste reden om in deeltijd te gaan werken (65); overwegende dat slechts 6 % van de mannen zegt dat de belangrijkste reden voor deeltijdwerk te wijten is aan zorgtaken, tegenover 29 % van de vrouwen, en dat slechts 64 % van de vaders in de EU dagelijks zorg verleent (66);

AQ.

overwegende dat vrouwen ook meer loopbaanonderbrekingen ervaren, over het algemeen korter werken en vaker deeltijd-, onzekere of tijdelijke banen hebben; overwegende dat sectorale segregatie, ongelijke verdeling van onbetaalde zorg en huishoudelijk werk de belangrijkste oorzaken zijn van de aanhoudende arbeids-, loon- en pensioenkloof, alsook van een groter risico op armoede en sociale uitsluiting van vrouwen; overwegende dat de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen in 2020 gemiddeld 27 % bedraagt (67); overwegende dat een gelijke verdeling van onbetaalde zorg en huishoudelijk werk, hetgeen een gelijke betrokkenheid van mannen inhoudt, een duidelijk positief effect heeft op het percentage vrouwen dat betaald werk verricht en op de verkleining van de loonkloof tussen mannen en vrouwen; overwegende dat verantwoordelijkheden op het gebied van kinderopvang een oorzaak zijn van verandering in de werkgelegenheid voor 60 % van de vrouwen tegenover 17 % van de werkende mannen, en leiden tot een vermindering van de werkuren voor 18 % van de werkende vrouwen en slechts 3 % van de mannen (68); overwegende dat de beschikbaarheid, toegankelijkheid en betaalbaarheid van kinderopvangfaciliteiten van hoge kwaliteit cruciaal zijn om mensen, met name vrouwen met zorgtaken, in staat te stellen actief te zijn op de arbeidsmarkt; overwegende dat uitdagingen op het gebied van de volksgezondheid zoals migraine vaker voorkomen bij vrouwen (69) en dat een groot deel van de getroffen vrouwen nog steeds in de frontlinie staat als het aankomt op de zorg voor kinderen en huishoudelijke taken;

AR.

overwegende dat deze discrepanties op mondiaal niveau worden bevestigd, waarbij vrouwen gemiddeld 3,2 keer meer tijd (201 werkdagen per jaar) besteden aan onbetaalde zorgtaken dan mannen (63 werkdagen) en dat dit het sterkst geldt voor meisjes en vrouwen in middeninkomenslanden, met lagere onderwijsresultaten, die in plattelandsgebieden wonen en kinderen onder de leerplichtige leeftijd hebben (70);

AS.

overwegende dat vrouwen de overgrote meerderheid uitmaken van de essentiële werknemers (vier van de 16 andere beroepscategorieën die als essentieel worden beschouwd, hebben meer dan 50 % van de vrouwen in hun beroepsbevolking in de EU) (71), zoals zorgverleners, wier taken grotendeels niet via telewerk kunnen worden uitgevoerd, en in de sectoren die het zwaarst door de pandemie zijn getroffen, en dus zijn blootgesteld aan een hoog risico op besmetting, zware werkdruk, verstoorde balans tussen werk en privéleven en baanverlies; overwegende dat de arbeids- en levensomstandigheden in het bijzonder zijn ondermijnd voor vrouwen met jonge kinderen die een betaalde baan hebben (72);

AT.

overwegende dat zorg een van de belangrijkste reproductiegebieden van genderarchetypen blijft, die verder worden versterkt door het gebrek aan investeringen in hoogwaardige diensten en door gendervooroordelen in andere beleidsmaatregelen die onevenredig van invloed zijn op de zelfbeschikking van vrouwen in het sociale en beroepsleven, zoals het belasting- en uitkeringsstelsel;

AU.

overwegende dat ondernemingen in de sociale economie een aanzienlijk potentieel kunnen hebben en een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren aan het vergemakkelijken van de re-integratie van zorgverleners op de arbeidsmarkt;

AV.

overwegende dat verschillende lidstaten en regio’s in de EU nog steeds niet voldoen aan de doelstelling om te voorzien in kinderopvang voor 90 % van de kinderen tussen drie jaar en de leerplichtige leeftijd en voor 33 % van de kinderen van drie jaar en jonger; overwegende dat het ontbreken van voldoende infrastructuur voor kwalitatief goede en toegankelijke kinderopvang voor iedereen, met name voor jonge kinderen, vooral kinderen uit kansarme gezinnen treft, hetgeen tot uiting komt in een lager inschrijvingspercentage dan het gemiddelde van kinderen met een handicap, kinderen uit Roma-gemeenschappen en andere minderheidsgemeenschappen, migrantenkinderen, kinderen die in armoede leven en kinderen uit andere kansarme groepen, die het meest van kinderopvang zouden hebben geprofiteerd (73);

AW.

overwegende dat in 2020 24,2 % van de kinderen in de EU, bijna 18 miljoen, het risico liep op armoede of sociale uitsluiting; overwegende dat kinderen uit gezinnen met een laag inkomen, dakloze kinderen, kinderen met een handicap, kinderen met een migratieachtergrond, kinderen behorende tot een etnische minderheid, met name Romakinderen, kinderen in instellingen, kinderen in onveilige gezinssituaties, kinderen uit eenoudergezinnen, lhbtiq+-gezinnen en gezinnen waarvan de ouders in het buitenland werken, met ernstige problemen kampen, zoals ernstige woningnood of overbezetting, en belemmeringen ondervinden bij de toegang tot essentiële diensten en basisvoorzieningen; overwegende dat kinderen met een handicap in de EU onevenredig meer risico lopen in een instelling te worden geplaatst dan kinderen zonder handicap en veel minder kans lijken te maken te kunnen profiteren van de mogelijkheden om over te stappen van zorg in een instelling naar zorg in de gemeenschap en de familiekring (74); overwegende dat de Europese kindergarantie een EU-instrument is dat tot doel heeft sociale uitsluiting te voorkomen en te bestrijden door te zorgen voor vrije en doeltreffende toegang tot essentiële zorgdiensten voor kinderen in nood, zoals voor- en vroegschoolse educatie en opvang, onderwijs- en schoolactiviteiten, gezondheidszorg en ten minste één gezonde maaltijd per schooldag, alsmede tot gezonde voeding en adequate huisvesting (75); overwegende dat de toegankelijkheid van betaalbare kinderopvang en onderwijs van hoge kwaliteit cruciaal is voor de persoonlijke ontwikkeling en het welzijn van kinderen; overwegende dat er een ondubbelzinnig positief verband bestaat tussen de toegang tot kinderopvang enerzijds en de werkgelegenheid en het inkomen van mannen en met name van vrouwen anderzijds (76);

AX.

overwegende dat toegang tot hoogwaardige zorgdiensten, met name langdurige zorg, in toenemende mate afhankelijk is van het inkomen van het individu en het gezin, de woonplaats, de beschikbaarheid van diensten en leveringscapaciteit en de geografische beschikbaarheid, alsmede van de vrije capaciteit van de zorgverleners; overwegende dat naar schatting twee op de drie personen die zorg nodig hebben geen toegang hebben tot zorgdiensten, voornamelijk vanwege de onbeschikbaarheid en onbetaalbaarheid ervan (77); overwegende dat huishoudens met een laag inkomen of een lager onderwijsniveau en migrantenhuishoudens de grootste moeilijkheden ondervinden om toegang tot formele thuiszorgdiensten voor langdurige zorg te krijgen; overwegende dat in de hele EU een derde, en in vijf lidstaten zelfs meer dan de helft van de huishoudens meldt dat zij professionele langdurige zorg nodig hebben, maar om financiële redenen geen toegang tot deze diensten hebben (78); overwegende dat de toegang tot gezondheidszorg en zorg universeel en doeltreffend moet zijn, ongeacht iemands economische omstandigheden of de verschillende verblijfs- of administratieve situaties en statussen; overwegende dat personen met een lager inkomen ook een groep vormen waarin zorgbehoeften vaker voorkomen (79);

AY.

overwegende dat digitale technologieën zowel formele als mantelzorgers kunnen ondersteunen en hun lasten kunnen verminderen, bijvoorbeeld bij het vervoer van patiënten naar raadplegingen die online zouden kunnen worden gehouden; overwegende dat uit een enquête van Eurocarers in 2021 blijkt dat 78 % van de mantelzorgers nooit gebruik heeft gemaakt van zorggerelateerde technologieën (80); overwegende dat digitalisering en het internet der dingen in de zorgsector in aanmerking moeten worden genomen, maar niet volledig in de plaats mogen komen van de onvervangbare menselijke interactie in verband met de zorg; overwegende dat onderzoek en proefprojecten moeten worden aangemoedigd om de uitvoerbaarheid en de effectiviteit van digitale diensten te testen; overwegende dat ouderen, met inbegrip van ouderen die zorg ontvangen, moeilijkheden ondervinden bij het verkrijgen van toegang tot digitale diensten; overwegende dat de toegang tot digitale diensten, met inbegrip van de toegang tot digitale geletterdheid, moet worden beschouwd als een recht van de zorgontvangers; overwegende dat de drastische verschuiving naar telewerk heeft aangetoond dat de wetgeving inzake arbeidsomstandigheden in de digitale omgeving en het gebruik van artificiële intelligentie op het werk beter moet worden gehandhaafd, herzien en geactualiseerd;

AZ.

overwegende dat vrouwen die worden geconfronteerd met intersectionele discriminatie te maken krijgen met extra belemmeringen bij de toegang tot gezondheidszorg en zorgdiensten en dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan de gevolgen van impliciete vooroordelen bij de toegang tot particuliere en openbare diensten die worden gegenereerd als gevolg van aanhoudende stereotypen en de ondervertegenwoordiging van bepaalde groepen in deze instellingen;

BA.

overwegende dat ook bijzondere aandacht moet worden besteed aan hoge ouderdom om, wanneer dat nodig is, personen te helpen die niet meer zelfstandig kunnen leven en te voorkomen dat zij in een isolement terechtkomen;

BB.

overwegende dat terdege rekening moet worden gehouden met het belang van preventie en geriatrische revalidatie voor gezond en waardig ouder worden;

BC.

overwegende dat de verpleegkundige zorg moet worden hervormd door, waar mogelijk, gratis of betaalbare thuisverpleegkundige ondersteuning te bieden;

BD.

overwegende dat de toegenomen investeringen in de zorgeconomie in overeenstemming met de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling tegen 2035 wereldwijd zouden leiden tot bijna 300 miljoen extra banen (81); overwegende dat dit zou bestaan uit 96 miljoen directe banen in kinderopvang, 136 miljoen directe banen in langdurige zorg en 67 miljoen indirecte banen in niet-zorgsectoren; overwegende dat dit niveau van het scheppen van banen een investering van 3,2 % van het mondiale bbp vereist, rekening houdend met de totale kosten minus belastinginkomsten (82); overwegende dat de Europese Commissie schat dat er in de EU tegen 2030 naar verwachting 8 miljoen nieuwe banen in de zorgsector bij zullen komen (83);

BE.

overwegende dat demografische veranderingen en de daarmee gepaard gaande vergrijzing van de bevolking de vraag naar zorgdiensten zullen doen toenemen; overwegende dat zorgbanen waarschijnlijk niet zullen worden vervangen of verminderd door automatisering; overwegende dat dit de EU en de lidstaten in het kader van de digitale transitie moet motiveren om te investeren in de zorgeconomie als een veelbelovende sector voor het scheppen van banen, teneinde het aantal gekwalificeerde personeelsleden te vergroten en meer mensen naar deze sector te lokken;

BF.

overwegende dat kwaliteitsnormen voor zorg, met name voor sociale zorg, nog steeds ontbreken of ontoereikend zijn;

BG.

overwegende dat de zorgsector aanzienlijke investeringen, middelen en hervormingen nodig heeft; overwegende dat in 2018 het geraamde jaarlijkse investeringstekort in de sociale infrastructuur in Europa 100-150 miljard EUR bedroeg (84); overwegende dat in het vergrijzingsverslag 2021 wordt uitgegaan van de stijging van de overheidsuitgaven die nodig zijn om de kosten van langdurige zorg te dekken en om steun te verlenen tot 2,9 % van het bbp per jaar in 2070, vergeleken met 1,7 % in 2016, terwijl een scenario van “gezond ouder worden” deze kosten aanzienlijk kan verlagen en dat de volledige dekking van de behoefte aan langdurige zorg deze aanzienlijk kan doen toenemen;

BH.

overwegende dat het van cruciaal belang is de interactie tussen formele en mantelzorg te begrijpen; overwegende dat formele zorgdiensten ondersteuning kunnen bieden aan mantelzorgers, bijvoorbeeld door hen de mogelijkheid te bieden om vrij te nemen en door hen een opleiding te geven; overwegende dat het gebrek aan officiële erkenning van mantelzorgers en het daarmee verband houdende gebrek aan gegevens over hen en hun behoeften een belemmering voor deze interactie vormen;

BI.

overwegende dat zorgverlening afhankelijk is van goed gefinancierde en goed functionerende openbare diensten en socialezekerheidsstelsels;

BJ.

overwegende dat er een aanzienlijke diversiteit bestaat in de populatie van mantelzorgers; overwegende dat hun behoeften variëren op basis van hun sociaal-economische context, hun arbeidsmarktparticipatie, de behoeften van hun zorgontvangers en de hoeveelheid tijd die zij besteden aan de zorg voor afhankelijke personen;

BK.

overwegende dat neurodegeneratieve ziekten, zoals de ziekte van Alzheimer en andere vormen van geheugenstoornissen, in de meeste Europese landen niet altijd als zodanig worden gediagnosticeerd; overwegende dat er een duidelijke indicatie is dat het huidige aantal van 9 miljoen bevestigde gevallen van dementie tegen 2050 verdubbeld zal zijn; overwegende dat vrouwen nog steeds onevenredig door dementie worden getroffen (85);

BL.

overwegende dat de Europese Ombudsman in februari 2021 op eigen initiatief een onderzoek naar de rol van de Commissie in het proces van de-institutionalisering in de EU heeft ingesteld, waarbij de nadruk lag op de nakoming van de verplichting van de Commissie om ervoor te zorgen dat de lidstaten de EU-middelen gebruiken op een manier die de transitie van speciale woonvoorzieningen naar zelfstandig wonen en deelname aan het gemeenschapsleven bevordert;

BM.

overwegende dat het mechanisme waarin de richtlijn van 2001 betreffende tijdelijke bescherming voorziet, voor het eerst is geactiveerd als reactie op de massale toestroom van vluchtelingen, met name vrouwen met kinderen en andere afhankelijke personen, die de oorlog in Oekraïne ontvluchten, waardoor de ontheemden gelijke toegang tot de arbeidsmarkt en huisvesting, medische bijstand en toegang tot onderwijs voor kinderen wordt gegarandeerd; overwegende dat de activering van bovengenoemd mechanisme aanzienlijke rechtstreekse gevolgen zal hebben voor de zorgsector, waardoor het aantal personen in de EU dat behoefte heeft aan uitgebreide en gepersonaliseerde zorgdiensten, maar ook het aantal mantelzorgers en formele zorgverleners, zal toenemen;

BN.

overwegende dat de gegevens over de kwaliteit van de zorgdiensten bijna uitsluitend gebaseerd zijn op niet-standaardenquêtes naar klanttevredenheid;

BO.

overwegende dat problemen in verband met het bieden van adequate, fatsoenlijke en betaalbare huisvesting, met name voor ouderen, alleenstaanden, personen met een handicap, personen die het risico lopen op armoede en sociale uitsluiting, gezinnen met jonge kinderen en alleenstaande ouders, de toegang tot hoogwaardige zorgdiensten aanzienlijk belemmeren;

BP.

overwegende dat in elf OESO-landen de mediane lonen van werknemers in de langdurige zorg slechts 9 EUR per uur bedragen, terwijl de lonen van ziekenhuismedewerkers, waarvan de meeste mannen, gemiddeld 14 EUR per uur bedragen (86);

BQ.

overwegende dat meer dan de helft van de zorgverleners zegt dat zij niet genoeg verdienen om te voorzien in basisbehoeften zoals huisvesting en voedsel, en dat 31 % onvoldoende toegang heeft tot persoonlijke beschermingsmiddelen (87);

BR.

overwegende dat de meeste zorgverleners niet genoeg verdienen om zichzelf en hun gezinnen een fatsoenlijke levensstandaard te bieden (88);

Een Europa dat zich bekommert

1.

merkt op dat het van essentieel belang is waardigheid, onafhankelijkheid, autonomie, welzijn en deelname aan het maatschappelijk leven te waarborgen door middel van kwaliteitszorg gedurende het gehele leven, van opvang en onderwijs voor jonge kinderen tot zorgdiensten voor ouderen en ondersteuning van personen met een handicap, indachtig het feit dat mensen van elkaar afhankelijk zijn en dat iedereen op een bepaald moment in zijn leven zorg nodig kan hebben;

2.

onderstreept het belang van de toegankelijkheid en beschikbaarheid van openbare zorg en van de kwaliteit, de bereikbaarheid, de beschikbaarheid, de betaalbaarheid en de toereikendheid van de zorg, en dat alle zorgbehoevenden en hun verzorgers recht moeten hebben op een reële keuze wat betreft de zorgdiensten die geschikt zijn voor henzelf en hun gezin en wat betreft de vorm (thuiszorg, gemeenschapszorg, zorg waarbij de patiënt centraal staat, zorg op maat of andere vormen), de plaats waar de zorg wordt verleend en de intensiteit ervan, met bijzondere aandacht voor de verstrekking aan en de toegang voor mensen die in afgelegen gebieden wonen (433), zoals plattelandsgebieden of ultraperifere gebieden; is van oordeel dat investeringen in openbare en sociale diensten van goede kwaliteit essentiële hefbomen zijn om te voorkomen dat achterstand van de ene generatie op de andere overgaat;

3.

merkt op dat de zorg en de verschillende beleidsbenaderingen daarvan moeten worden ontwikkeld en bijgesteld naar gelang van de behoeften van het individu, erkent dat de modellen en patronen voor het organiseren van de zorg in de lidstaten uiteenlopen, en benadrukt dat iedereen het recht heeft om de zorgdiensten te kiezen die voor zijn individuele situatie het meest geschikt zijn, en dat de lidstaten en de EU dit recht in al hun beleidssectoren moeten waarborgen; wijst erop dat overeenkomstig beginsel 18 van de Europese pijler van sociale rechten (EPSR), “iedereen recht [heeft] op betaalbare langdurige zorg van goede kwaliteit, en met name op thuiszorg en gemeenschapsgerichte diensten”, en benadrukt dat de zorgverlening moet worden uitgebreid om aan dit beginsel te voldoen;

4.

merkt op dat vrouwen de meerderheid van de beroepsbevolking (76 %) in de formele zorgsector uitmaken en het grootste deel van het informele zorgwerk verrichten, terwijl zij ook de meerderheid van de zorgontvangers uitmaken, dat zorg ondergewaardeerd blijft, niet wordt erkend en dat er voor de zorgverleners onvoldoende of vaak geen financiële compensatie tegenover staat, en dat deze onderwaardering in termen van beloning, arbeidsomstandigheden en gebrek aan zichtbaarheid nauw samenhangt met de feminisering van de sector als gevolg van het hoge percentage vrouwen dat in de formele en informele zorg werkzaam is; benadrukt dat met dit genderaspect rekening moet worden gehouden bij het uitstippelen van zorgstrategieën en -beleid;

5.

spreekt zijn bezorgdheid uit over de gevolgen van structurele beperkingen en financiële restricties voor het soort zorgdiensten dat voor individuele personen beschikbaar is, en erkent dat de integratie van zorg in heel Europa beperkt is door een gebrek aan passende stimulansen en structuren;

6.

benadrukt het belang van een geïntegreerde en op rechten gebaseerde aanpak van gemeenschappelijke Europese zorgmaatregelen waarbij evenveel aandacht wordt besteed aan de fysieke, mentale, psychologische en sociale behoeften van mensen, zowel van hen persoonlijk als van hun huishouden; benadrukt hoe belangrijk het is, naast horizontale en sectorale integratie, om de weg vrij te maken voor een meer coherente benadering tussen gezondheids- en sociale stelsels en tussen formele en mantelzorg, alsook voor de coördinatie tussen lokaal, regionaal en nationaal zorgbeleid binnen de EU-lidstaten;

7.

onderstreept de noodzaak van de ontwikkeling van een ambitieuze en inclusieve Europese zorgstrategie die gelijke toegang tot zorg voor allen waarborgt, met bijzondere aandacht voor personen in kwetsbare situaties, en bijdraagt tot sociale rechtvaardigheid;

8.

is van mening dat preventie van het grootste belang is; dringt erop aan dat primaire, secundaire en tertiaire preventie (89), met inbegrip van een adequaat gebruik van relevante voorlichting en informatie, screening, vroegtijdige opsporing, preventie en een passende follow-up voor niet-overdraagbare ziekten (NCD’s), deel uitmaken van de componenten van een holistische Europese zorgstrategie; dringt er bij de Commissie op aan een alomvattende en holistische benadering van de zorg te volgen;

9.

dringt er bij de Commissie op aan de veerkracht en de capaciteitsopbouw van de EU tijdens gezondheidscrises te versterken; dringt er bij de Commissie op aan onderzoek en innovatie te bevorderen door prioritaire gebieden voor toekomstig O&O vast te stellen op basis van huidige en toekomstige ziekten, alsmede de verdere ontwikkeling van mogelijkheden die verband houden met de zorgsector, ook voor particuliere actoren;

10.

benadrukt dat de bevordering van een gelijkverdieners-/gelijkverzorgersmodel, waarbij mannen en vrouwen gelijkelijk betaalde arbeid verrichten op de arbeidsmarkt en onbetaald werk in het kader van huishoudelijke en zorgtaken, een doel moet zijn van alle EU-maatregelen op het gebied van zorg, arbeidsmarkten en sociale diensten; herinnert eraan dat het belangrijk is gendermainstreaming in alle beleidsmaatregelen toe te passen;

11.

verzoekt de Commissie en de lidstaten in de zorgsector te investeren en te zorgen voor duurzame, meer en adequate investeringen en financiering, teneinde te garanderen dat zorgbehoevenden gelijke toegang hebben tot betaalbare en adequaat bemenste kwaliteitszorg en huishoudelijke diensten, en dat zorgverleners een actief en bevredigend beroepsleven kunnen leiden, met een passend loon dat een fatsoenlijk bestaan en carrièremogelijkheden in de sector biedt, door middel van certificering en validering van vaardigheden;

12.

roept de Commissie en de lidstaten op de beschikbaarheid van financiering voor alle soorten zorgdiensten te verbeteren en optimaal gebruik te maken van de Europese structuur- en investeringsfondsen voor investeringen in kinderopvang en zorg voor ouderen en andere zorgbehoevenden, via het ESF+, InvestEU en andere financiële instrumenten waarmee sociale investeringen worden aangemoedigd, alsook via de herstel- en veerkrachtfaciliteit, het EU4Health-programma en de Europese structuur- en investeringsfondsen voor investeringen in door de overheid gegarandeerde zorg en het faciliteren van toegankelijke en betaalbare diensten voor iedereen; verzoekt de Commissie maatregelen te nemen en synergieën tot stand te brengen met gendergelijkheid, inclusie van personen uit kwetsbare groepen en de normen die zijn vastgesteld voor investeringen in de digitale en groene transitie, bijvoorbeeld om de vergroening van de zorg en van zorgprojecten te ondersteunen en een initiatief op het gebied van ecologisch duurzame zorg te starten, aangezien zorginfrastructuren aanzienlijke negatieve milieueffecten hebben die moeten worden opgelost en afgezwakt, met inachtneming van de leidende beginselen; verzoekt de Commissie in dit verband richtsnoeren en een routekaart voor gemeenschappelijke normen voor de lidstaten op te stellen; verzoekt de Europese Investeringsbank te overwegen om de ontwikkeling van de zorgsector en de zorgeconomie op te nemen in haar jaarlijkse begroting als onderdeel van de uitvoering van haar eigen strategie inzake gendergelijkheid en economische empowerment van vrouwen;

13.

dringt aan op een specifiek investeringspakket om de zorgsector en de zorgeconomie in de EU te bevorderen en te zorgen voor coördinatie tussen de verschillende programma’s en initiatieven met het oog op een doeltreffende uitvoering van de strategie; roept nogmaals op tot de ontwikkeling van genderbudgetteringsinstrumenten in het MFK en aanverwante programma’s waarmee kan worden nagegaan welke specifieke financiering is toegewezen om gendergelijkheid te bevorderen;

14.

herinnert aan de verplichtingen en verbintenissen van de EU en de lidstaten met betrekking tot de transitie van gecentraliseerde institutionele omgevingen naar zorg in gemeenschaps- en gezinsverband, en de bevordering van verschillende modellen van zelfstandig wonen en ondersteuning; roept de lidstaten op de beschikbare Europese en nationale middelen aan te wenden om deze transitie te bespoedigen en individuele autonomie en zelfstandig wonen te ondersteunen door steun te verlenen aan manieren om de onafhankelijkheid te vergroten, zoals aanpassing van de woning of installatie van digitale detectiesystemen en ondersteunende technologieën thuis, met volledige inachtneming van de bepalingen en doelstellingen van het UNCRPD; dringt er bij de Commissie op aan doeltreffende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de EU-middelen worden gebruikt voor de transitie van geïnstitutionaliseerde zorg naar zorg in gemeenschaps- en gezinsverband, waarbij thuiszorg in al zijn diversiteit wordt gewaarborgd;

15.

benadrukt dat het met het oog op het verminderen van zwartwerk in de formele zorg belangrijk is overheidsfinanciering te verstrekken voor echte zorgdienstverleners binnen socialezekerheidsstelsels of via belastinguitgaven, wat de verlening van wettelijke en eerlijke zorgverleningsdiensten betaalbaar zal maken;

16.

verzoekt de lidstaten te zorgen voor universele gezondheidsdekking, investeringen in de gezondheidszorg te vergroten en prioriteit te geven aan financiering van gemeenschaps- en primaire zorg; verzoekt de lidstaten dringend bestaande hindernissen voor gezondheidszorg voor iedereen weg te werken, ook voor migranten zonder papieren, met speciale aandacht voor vrouwen die te kampen hebben met intersectionele discriminatie; dringt erop aan te zorgen voor hogere en eerlijke betaling en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden voor gezondheidswerkers, gezondheidszorgassistenten en ander ondersteunend personeel;

17.

benadrukt dat een aanzienlijk deel van de zorgmodellen, -diensten en -voorzieningen gebaseerd is op een geïnstitutionaliseerd, verouderd model dat niet aan moderne kwaliteitscriteria voldoet en niet beantwoordt aan de fysieke, sociale en psychologische behoeften en wensen van de zorgontvangers; benadrukt dat zorgbehoevenden in alle stadia van het ontwerp, de uitvoering en de evaluatie van zorgbeleid en zorgdiensten een centrale plaats in de zorgplannen moeten krijgen door innovatieve oplossingen, nieuwe modellen en instrumenten voor zorgverlening te verkennen, sociale inclusie en begrip van verschillende generaties voor de individuele behoeften van zorgbehoevenden te bevorderen, de overgang van institutionele zorg naar zorg in gezins- en gemeenschapsverband als doel te stellen en verschillende modellen van zelfstandig wonen en ondersteuning te bevorderen;

18.

is van mening dat zorg waarin de persoon centraal staat en geïndividualiseerde zorg nodig zijn om de waardigheid van zorgontvangers en hun verzorgers te waarborgen, alsook hun volledige deelname aan en inclusie in de gemeenschap; benadrukt dat deze verschuiving naar een persoonsgerichte aanpak een grotere integratie van de zorg in meer holistische zorgtrajecten vereist om zowel de voordelen voor de zorgontvangers als de kwaliteit van de zorg te verbeteren;

19.

benadrukt dat ten volle gebruik moet worden gemaakt van digitale oplossingen om zorgbehoevenden te helpen een onafhankelijk en autonoom leven te leiden, dat hun zelfbeschikkingsrecht beter moet worden geëerbiedigd en dat de autonomie van zowel zorgverleners als zorgontvangers moet worden ontwikkeld, door middel van een gepersonaliseerde aanpak van het ontwerp en de budgettering van de zorg, met inbegrip van op maat gesneden gezondheidszorg en persoonsgerichte zorg met behulp van geschikte instrumenten, waarbij ervoor wordt gezorgd dat er menselijk contact van hoge kwaliteit is voor personen die zorg en ondersteuning nodig hebben;

20.

is van mening dat bij de ontwikkeling van zorg rekening moet worden gehouden met alle categorieën gebruikers en de verschillen daartussen; stelt dat degenen die zorgdiensten plannen, programmeren en verlenen, de verantwoordelijkheid hebben om zich bewust te zijn van deze behoeften, van de versterking van de positie van zorggebruikers en van het belang van een gebruikersgerichte benadering bij het ontwikkelen van diensten, en dat bij de planning en ontwikkeling van zorgdiensten voor ouderen en mensen met een handicap moet worden samengewerkt met de gebruikers;

21.

verzoekt de lidstaten informatie en optimale praktijken uit te wisselen met het oog op de ontwikkeling van een gemeenschappelijk Europees kwaliteitskader voor formele en mantelzorg dat gebaseerd is op het recht op onafhankelijkheid, autonomie en welzijn en dat onder andere is afgestemd op het kader van de WHO, teneinde landen te ondersteunen bij het verwezenlijken van een geïntegreerd continuüm van langdurige zorg, dat alle zorgstructuren omvat, zorgt voor opwaartse sociale convergentie, gelijke rechten voor alle burgers waarborgt en de kwaliteit van leven versterkt;

22.

verzoekt de Commissie de lidstaten te ondersteunen bij het verbeteren van hun infrastructuren voor gegevensverzameling in overeenstemming met dit kwaliteitskader;

23.

dringt er daarenboven op aan beste praktijken uit te wisselen over de beste manier van ondersteuning van groepen met bijzondere zorgbehoeften (zoals alleenstaande ouders — een groep die hoofdzakelijk uit vrouwen bestaat –, ouders met kinderen die aan een ernstige ziekte lijden en ouderen);

24.

benadrukt dat de toename van zorgbehoeften vraagt om een gezamenlijke EU-aanpak en roept op tot een concrete Europese strategie inzake preventieve gezondheidszorg als onderdeel van de oplossing voor de toenemende druk op de gezondheidszorg; neemt er nota van dat de zorgdiensten zodanig moeten worden vormgegeven dat de continuïteit van de zorg, de preventieve gezondheidszorg, de revalidatie en het zelfstandig wonen worden verbeterd, en onderstreept het belang van programma’s voor levenslange gezondheidsbevordering en -educatie, ziektepreventie en regelmatig onderzoek, samen met doeltreffendere gezondheidszorgprogramma’s om het proces van gezond ouder worden te stimuleren; verzoekt de Commissie en de lidstaten actief deel te nemen aan het Decennium voor gezond ouder worden van de WHO door plannen voor gezond ouder worden in de EU op te stellen met betrekking tot de toegang tot gezondheids- en zorgvoorzieningen, alsook strategieën voor gezondheidsbevordering en ziektepreventie;

25.

roept de Commissie op het voortouw te nemen op het gebied van zorg door op EU-niveau ambitieuze doelstellingen vast te stellen voor de financiering, toegang, kwaliteit, doelmatigheid en duurzaamheid van zorgdiensten, in overleg met de lidstaten en de belanghebbenden, waaronder de sociale partners, en geharmoniseerde definities en indicatoren te ontwikkelen om deze doelstellingen voor kinderen, ouderen en personen met een handicap te evalueren;

26.

onderstreept de behoefte aan een scorebord om de tenuitvoerlegging van het recht op kwaliteitszorg in openbare, particuliere, formele en informele contexten te monitoren;

27.

herinnert eraan dat de EU gebruik moet maken van het 5R-kader van de IAO voor waardig werk in de zorg (erkennen, verminderen en herverdelen van onbetaald zorgwerk, belonen van betaald zorgwerk), in combinatie met het waarborgen van de vertegenwoordiging van zorgpersoneel, sociale dialoog en collectieve onderhandelingen;

28.

herinnert eraan dat er vooruitgang moet worden geboekt op weg naar een zorgeconomie die uitgaat van een geïntegreerde, holistische, genderbewuste en levenslange benadering van de zorg; benadrukt dat deze ook wetgevingsmaatregelen en investeringen op EU-niveau moet omvatten om fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en eerlijke lonen, alsook de aantrekkelijkheid van het werk in de zorgsector te bevorderen;

29.

benadrukt hoe belangrijk het is om in de op te volgen conclusies van de Conferentie over de toekomst van Europa de noodzaak van een Europese benadering van de zorg te benadrukken, aangezien de zorg een sleutelsector is voor de toekomst van Europa;

30.

verzoekt de Commissie een ambitieuze, robuuste en toekomstbestendige Europese zorgstrategie te presenteren die voortbouwt op het recht van iedereen op betaalbare, toegankelijke en hoogwaardige zorg, alsook op andere beginselen die zijn vastgelegd in de EPSR en strategische documenten van de EU, en op de individuele rechten en behoeften van zowel zorgontvangers als verzorgers, en die de gehele levensloop bestrijkt, die toegespitst is op en beantwoordt aan de behoeften van mensen in kritieke perioden tijdens hun leven, die de basis legt voor continuïteit van zorgdiensten tijdens het hele leven en die solidariteit tussen generaties stimuleert;

31.

benadrukt dat deze strategie gebaseerd moet zijn op betrouwbare, volledige en vergelijkbare, openbaar toegankelijke gegevens over de situatie en de categorieën van zowel verzorgers als zorgontvangers, uitgesplitst naar geslacht, leeftijd, nationaliteit, etnische afstamming (90), handicap, sociaal-economische status, beschikbaarheid en betaalbaarheid, soort verleende of ontvangen zorg en verschillende zorgomgevingen (particulier of openbaar, institutioneel, in familieverband of in de gemeenschap), en concrete en progressieve doelstellingen moet omvatten met een tijdschema en indicatoren om de vooruitgang te evalueren en ongelijkheden aan te pakken, rekening houdend met de zorgbehoeften in de Europese samenlevingen; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie en de lidstaten om het statistisch kader voor het verzamelen van betrouwbare, vergelijkbare en uitgesplitste gegevens te actualiseren, met volledige eerbiediging van de privacy en de grondrechten; verzoekt de Commissie op centraal niveau beheerde gedetailleerde en naar bovengenoemde parameters uitgesplitste enquêtes over tijdsbesteding te ontwikkelen om de waarde van onbetaald werk in de lidstaten te bepalen;

32.

benadrukt de noodzaak om bij de voorbereiding van de Europese zorgstrategie alle relevante belanghebbenden op EU-, nationaal en lokaal niveau te raadplegen, met inbegrip van vertegenwoordigers van mantelzorgers en patiëntenorganisaties, teneinde rekening te houden met de diversiteit van hun situaties en behoeften, en benadrukt dat in de strategie de doelgroepen ervan moeten worden vastgesteld;

33.

roept de Commissie op om alomvattende maatregelen tegen geweld en intimidatie, met name de bestrijding van alle vormen van mishandeling van ouderen en geweldpleging tegen mantelzorgers, in de Europese zorgstrategie op te nemen, teneinde zorgwekkende verschijnselen zoals het niet verlenen van hulp, verwaarlozing en het ongeoorloofd gebruik van fysieke of chemische dwangmaatregelen te bestrijden, met name op het gebied van langdurige zorg en ondersteuning; verzoekt de lidstaten opleidingen te ontwikkelen voor informele en formele verzorgers om zorggerelateerd geweld en intimidatie te voorkomen, te verbieden en te bestrijden, alsook onafhankelijke en doeltreffende mechanismen in te voeren om dit te melden en aan te pakken;

34.

verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat investeringen die zijn bestemd voor de zorgeconomie worden opgenomen in de (herziene) nationale plannen voor herstel en veerkracht, de cohesiefondsen en alle andere relevante financieringsinstrumenten van de EU;

35.

benadrukt dat de opkomende zilveren economie een van de voornaamste aanjagers van de economie kan worden, met name in plattelandsgebieden, en de gezondheidszorg- en langdurigezorgsector mogelijkheden kan bieden om op efficiëntere wijze hoogwaardige zorg te verlenen;

36.

verzoekt de Europese Commissie om op elke schrikkeldag, d.w.z. op 29 februari, een Europese Equal Care Day in te stellen om mensen bewust te maken van de onderwaardering en onzichtbaarheid van zorg en verzorgers in onze samenlevingen;

37.

verzoekt de Commissie en de lidstaten niet alleen te reageren op de onmiddellijke zorgbehoeften, maar ook de beleidslijnen en maatregelen vast te stellen om de oorzaken ervan — zoals armoede, sociale uitsluiting en andere structurele hindernissen die universele en gelijke toegang tot hoogwaardige zorg in de weg staan — aan te pakken, en bovenal de uitdagingen op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs en opleiding, alsmede fatsoenlijke en betaalbare huisvesting het hoofd te bieden;

Hoogwaardige zorg voor elk kind

38.

is ingenomen met de plannen van de Commissie voor de herziening van de Barcelona-doelstellingen als onderdeel van het pakket Europese zorgstrategie; dringt aan op aanmoediging van opwaartse convergentie en op meer investeringen in hoogwaardige openbare zorg voor elk kind in de EU, onder meer door de streefcijfers te herzien, het ambitieniveau voor toegankelijkheid van hoogwaardige kinderopvang voor alle kinderen, met inbegrip van kinderen jonger dan 3 jaar en kinderen die worden geconfronteerd met armoede, sociale uitsluiting en intersectionele vormen van discriminatie, aanzienlijk te verhogen en specifieke verfijnde indicatoren in te voeren om de toegang tot kinderopvang voor kinderen jonger dan 1 jaar te monitoren; verzoekt de Commissie in de doelstellingen een nieuw streefcijfer voor het aanbod van naschoolse kinderopvang op te nemen; verzoekt de lidstaten die achterop hinken bij de doelstellingen van Barcelona uit 2002 om alle nodige maatregelen vast te stellen om de doelstelling te behalen om zo snel mogelijk te voorzien in kinderopvang voor minstens 90 % van de kinderen tussen de leeftijd van 3 jaar en de verplichte schoolleeftijd en voor minstens 33 % van de kinderen jonger dan 3 jaar;

39.

herinnert eraan dat EU-fondsen (de Europese structuur- en investeringsfondsen en met name het Europees Sociaal Fonds+, alsook de herstel- en veerkrachtfaciliteit) moeten worden gebruikt als aanvulling op de investeringen van de lidstaten in kinderopvang; roept de Commissie op investeringen in kinderopvangdiensten te bevorderen via het gebruik van de financiële instrumenten van de EU door de lidstaten; onderstreept dat overheidsinvesteringen en de kwaliteit van de werkgelegenheid en de arbeidsomstandigheden van de werknemers in de kinderopvangsector van essentieel belang zijn voor het aanbieden van kinderopvang van goede kwaliteit;

40.

roept de lidstaten op om kinderopvang, onderwijs, met inbegrip van naschoolse activiteiten, en ander beleid en andere maatregelen ter ondersteuning van alle kinderen en hun gezinnen op inclusieve en geïntegreerde wijze vorm te geven, waarbij een kindgerichte aanpak wordt gehanteerd met bijzondere aandacht voor kinderen in kwetsbare situaties, zoals kinderen die in armoede en sociale achterstand verkeren of daarin dreigen te vervallen, alsook voor kinderen met een handicap, migrantenkinderen en kinderen behorende tot minderheidsgroepen, en waarbij de snelle en efficiënte uitvoering van de Europese kindergarantie wordt gehandhaafd, met inbegrip van de toezegging om effectief en kosteloos kwalitatief hoogwaardig onderwijs en opvang in de vroege kinderjaren te waarborgen voor kinderen die dit nodig hebben (91); roept de lidstaten op persoonlijke hulpdiensten voor kinderen met een handicap te ontwikkelen en te zorgen voor fatsoenlijke en goede arbeidsomstandigheden voor de beroepskrachten die met kinderen met een handicap werken;

41.

wijst erop dat de COVID-19-crisis en de komst van vluchtelingen na de oorlog in Oekraïne de situatie van kinderen die met armoede en sociale uitsluiting worden bedreigd of van kinderen die toegang tot hoogwaardige zorg nodig hebben, nog verder kunnen verergeren; herhaalt daarom zijn verzoeken (92) aan de lidstaten en de Commissie om de financiering van de kindergarantie te verhogen met een specifiek budget van ten minste 20 miljard EUR om de armoede die kinderen en hun gezinnen treft, te bestrijden en bij te dragen aan de doelstelling dat tegen 2030 ten minste 15 miljoen minder mensen in armoede leven, waaronder ten minste 5 miljoen kinderen in alle lidstaten samen;

42.

herinnert eraan dat sociale bescherming en ondersteuning van personen en gezinnen, met speciale aandacht voor groepen in kwetsbare situaties, zoals grote gezinnen, eenoudergezinnen of gezinnen met een kind met een handicap, van essentieel belang zijn, en verzoekt de bevoegde nationale autoriteiten de beschikbaarheid van universele, adequate en toegankelijke socialebeschermingsstelsels voor iedereen en geïntegreerde kinderbeschermingssystemen te waarborgen opdat niemand wordt achtergelaten, met inbegrip van doeltreffende preventie, vroegtijdige interventie en gezinsondersteuning, om de veiligheid van kinderen zonder ouderlijke zorg of kinderen die hun ouderlijke zorg dreigen te verliezen, te waarborgen, alsmede maatregelen te treffen ter ondersteuning van de overgang van institutionele naar thuis- en gemeenschapsgebaseerde zorg; verzoekt de lidstaten de investeringen in de stelsels voor kinderbescherming en diensten van de sociale zekerheid op te voeren als belangrijk onderdeel van de uitvoering van de kindergarantie;

43.

dringt er bij de lidstaten op aan permanente holistische en geïntegreerde steun aan ouders te verlenen, met inbegrip van betaalde moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsrechten en maatregelen, die ook tot uiting komen in pensioenregelingen, laagdrempelige sociale diensten, zoals dagopvang, counseling, bemiddeling of psychosociale ondersteuning, die een substantiëlere rol aanmoedigen en aldus zorgen voor gelijke participatie van mannen in onbetaalde zorg en huishoudelijke taken, met inbegrip van de zorg voor zeer jonge kinderen en voor kinderen met een handicap; onderstreept dat adequate, toegankelijke en betaalbare zorgstructuren en -diensten van groot belang zijn voor met name alleenstaande ouders, van wie de meerderheid vrouw is, en voor gezinnen met lage en instabiele inkomens die het risico lopen op armoede en sociale uitsluiting; verzoekt de Commissie en de lidstaten gestandaardiseerde gegevens over gelijkheid te verzamelen, uitgesplitst naar de gronden die worden beschermd uit hoofde van Richtlijnen2000/43/EG, 2000/78/EG en 2006/54/EG, op basis van vrijwillige deelname, vertrouwelijkheid, zelfidentificatie en geïnformeerde toestemming, en met inachtneming van de kernbeginselen en -normen inzake gegevensbescherming en de grondrechten van de EU;

44.

onderstreept dat het van belang is te zorgen voor toegankelijke, beschikbare, betaalbare en inclusieve kinderopvang van goede kwaliteit, waarbij gebruik wordt gemaakt van een op rechten en kinderen gerichte aanpak, die tegemoetkomt aan de vraag tijdens de werkuren en schoolvakanties van de ouders, gelijke kansen voor ouders om terug te keren naar het werk bevordert en het evenwicht tussen werk en privéleven herstelt, aangezien dit een van de belangrijkste factoren is voor de volledige participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt; onderstreept dat deze aanpak tegelijkertijd moet inspelen op de specifieke behoeften van kinderen en hun ouders, die bijvoorbeeld verband houden met handicaps, ziekte en werk in een specifieke sector; herinnert eraan dat genderonevenwichtigheden in zorg en werkgelegenheid voor veel vrouwen levenslange negatieve gevolgen hebben op hun deelname aan de arbeidsmarkt en hun loopbaan, wat leidt tot een aanzienlijke genderkloof in pensioenen en tot grote verschillen in armoedepercentages op latere leeftijd;

Gelijke toegang tot hoogwaardige zorgdiensten

45.

verzoekt de lidstaten het recht op zorg te erkennen en hun sociale diensten en socialezekerheidsstelsels zodanig te hervormen en te integreren dat zij gedurende de hele levensloop effectieve, alomvattende, gelijke en tijdige toegang tot zorgdiensten en behandelingen bieden, en in hun socialezekerheidsstelsels oplossingen op te nemen die zorgen voor een gepersonaliseerde aanpak en meer autonomie van gebruikers bij de keuze van de diensten en het type contractuele of arbeidsrelatie die het best past bij de behoeften van zowel gebruikers als zorgverleners, met inbegrip van persoonlijke huishoudelijke diensten, persoonlijk assistentschap en andere arbeidsmodellen voor thuiszorgdiensten, teneinde de continuïteit van zorg, preventieve gezondheidszorg, revalidatie, betere preventie, diagnose en behandeling van beroepsziekten, zelfstandig leven en inclusie in de gemeenschap te verbeteren; vestigt de aandacht erop dat toegang tot zorgrechten moet worden losgekoppeld van het in aanmerking komen voor andere sociale overdrachten en dat andere structurele hindernissen moeten worden weggewerkt, aangezien deze ertoe leiden dat zorg en andere ondersteunende diensten niet worden uitgevoerd of uitgesteld; wijst voorts op de behoeften van alle verzorgers, met name de migrerende werknemers met verschillende statussen, die bij de toegang tot zorg te maken kunnen krijgen met specifieke belemmeringen, intersectionele discriminatie, marginalisering en armoede onder werkenden;

46.

merkt op dat de toegankelijkheid van de zorg afhangt van een combinatie van factoren, zoals de beschikbaarheid van op maat gesneden diensten van een gediversifieerd spectrum, kosten en flexibiliteit, maar ook geschikt zorgpersoneel, fatsoenlijke arbeidsomstandigheden, wachttijden, geografische afstanden tot de dichtstbijzijnde zorgvoorziening, adequate openbare infrastructuur en vervoer; is van mening dat in dit verband verschillende vormen van zorgverlening beschikbaar moeten zijn en moeten worden bevorderd, gewaardeerd en erkend, en dat in het bijzonder het aanbod van in familie- en gemeenschapsverband verleende zorg moet worden opgeschaald en prioriteit moet krijgen bij de transitie van institutionele zorg naar zorg in gezins- en gemeenschapsverband; wijst op de demografische verandering als een belangrijke factor voor de toegenomen zorgbehoeften, die aanzienlijke investeringen van de EU en de lidstaten zullen vergen, alsmede het in kaart brengen en wegnemen van de administratieve belemmeringen die een tijdige en effectieve toegang van zorgontvangers en hun gezinnen tot passende zorg- en ondersteuningsoplossingen in de weg staan;

47.

wijst op het positieve effect van groene omgevingen en dagelijkse toegang tot verschillende vormen van natuur en buitenleven op de leefomstandigheden van zorgbehoevenden; merkt op dat studies uitwijzen dat toegang tot de natuur zowel de lichamelijke als de geestelijke gezondheid van eenieder aanzienlijk ten goede komt, in het bijzonder van zorgbehoevenden, en benadrukt dat zorgbehoevenden makkelijker toegang moeten krijgen tot natuur en buitenleven en dat op de natuur gebaseerde oplossingen in de zorgsector moeten worden ondersteund;

48.

merkt op dat digitale technologieën een beloftevolle ontwikkeling zijn in de ondersteuning van zorgverlening, maar alleen als ze worden ontwikkeld vanuit het standpunt van de gebruiker en modulair (93) en op maat gesneden zijn; wijst er in dit verband op dat de Commissie en de lidstaten het tekort aan digitale vaardigheden onder formele zorgverleners en mantelzorgers en onder zorgontvangers moeten aanpakken met op deze groepen toegespitste specifieke programma’s; benadrukt dat dit moet worden aangevuld met verbetering van de toegang tot internet en vooral met gebruiksvriendelijke, op maat gemaakte digitale oplossingen die voor alle zorgontvangers en zorgverleners toegankelijk zijn, teneinde de ontwikkeling van digitale gezondheids- en onlinezorgdiensten te ondersteunen, alsook het potentieel van technologische ontwikkelingen om de ongelijkheden in de toegang tot gezondheids- en zorgdiensten en de belemmeringen voor de grensoverschrijdende verstrekking ervan weg te werken; roept de lidstaten op gebruik te maken van de financiering in het kader van EU4Health en Digital Europa om de digitale geletterdheid van zowel zorgontvangers als verzorgers te ondersteunen en te vergroten;

49.

benadrukt dat zorg niet mag worden gecommercialiseerd;

50.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de instrumenten te ontwikkelen die nodig zijn voor de stelselmatige beoordeling van de toegankelijkheid, beschikbaarheid en betaalbaarheid van zorgdiensten en behandelingen; onderstreept dat het beginsel van toegankelijkheid in gelijke mate van toepassing is en aanzienlijk moet worden versterkt in alle zorg- en ondersteuningsdiensten, die waardigheid en autonomie waarborgen, zowel in de fysieke als in de digitale omgeving; verzoekt de Commissie en de lidstaten voorrang te geven aan resultaatgerichte indicatoren voor toegang tot zorg, zoals gerapporteerde zorgbehoeften waaraan niet is voldaan;

51.

benadrukt het belang van tijdige investeringen in zorgfaciliteiten, het in kaart brengen van vaardigheidstekorten en de evaluatie van toekomstige personeels- en opleidingsbehoeften op het niveau van afzonderlijke beroepen, sectoren en regio’s, met bijzondere aandacht voor de bevolkingsdichtheid en de zorgbehoeften van de bevolking, als middel om een toereikend en duurzaam personeelsbestand te waarborgen en ongelijkheden in de toegang tot diensten en zorg aan te pakken; verzoekt de Commissie en de lidstaten alomvattende kwaliteitsnormen en -indicatoren voor te stellen voor formele en informele zorgdiensten, zowel thuis als in particuliere en openbare structuren, met inbegrip van de competenties en opleidingseisen voor zorgverleners, alsmede de instrumenten voor een effectief toezicht op de uitvoering ervan;

52.

benadrukt dat grensoverschrijdende zorgdiensten, waaronder inwonende zorg, die zowel door mobiele werknemers binnen de EU als door migrerende werknemers van buiten de EU worden verleend, vaak van cruciaal belang zijn om in de toenemende zorgbehoeften te voorzien; herinnert eraan dat de meeste van deze migrerende werknemers vrouwen zijn en dat zij de gevolgen ondervinden van de mondiale zorgketens; benadrukt dat het vrije verkeer van personen en werknemers een van de belangrijkste pijlers van de EU is, maar dat er nog steeds uitdagingen zijn met betrekking tot grensoverschrijdende zorg; dringt aan op de bescherming van de socialezekerheidsrechten van alle zorgwerkers en zorgontvangers als onderdeel van het recht op vrij verkeer van personen in deze sector, alsook op het waarborgen van zowel fatsoenlijke arbeidsomstandigheden als de uitroeiing van zwartwerk; moedigt de lidstaten aan grensoverschrijdende opleiding te ontwikkelen, met name in grensoverschrijdende regio’s, om grensoverschrijdende zorg te vergemakkelijken en beste praktijken in de zorgsector uit te wisselen, onder meer als middel om de zorgvlucht en het gebrek aan toegang tot kwaliteitszorg aan te pakken in regio’s of landen waar de zorgverleners vandaan komen;

53.

herhaalt zijn verzoek voor een gemeenschappelijke definitie van handicap en wederzijdse erkenning van de gehandicaptenstatus in de lidstaten, in overeenstemming met de slotopmerkingen van het UNCPRD-comité over het eerste rapport van de Europese Unie dat in 2015 werd goedgekeurd, met als doel de fundamentele hindernis voor mobiliteit van personen met een handicap binnen de EU weg te nemen en hun toegang te verlenen tot gezondheids-, zorg- en andere diensten die zelfstandig leven vergemakkelijken, alsook tot gelijke kansen op onderwijs en arbeid; roept op tot de invoering van de Europese gehandicaptenkaart en de uitbreiding daarvan tot alle lidstaten, zodat de weg wordt vrijgemaakt voor een Europese definitie van handicaps en personen met een handicap hun recht op vrij verkeer in een drempelvrij Europa kunnen uitoefenen;

54.

dringt aan op het prioriteren en centraal stellen van geestelijke gezondheid binnen het volksgezondheids- en zorgbeleid op EU-niveau en op het niveau van de lidstaten; verzoekt de Commissie een Europese strategie inzake geestelijke gezondheid voor te stellen, teneinde een goede geestelijke gezondheid voor iedereen te waarborgen, de uitdagingen op het gebied van de geestelijke gezondheid van alle generaties in alle relevante kaders in kaart te brengen, en stereotypen en de bijbehorende stigmatisering in verband met geestelijke gezondheid te bestrijden; benadrukt dat dit op een gendergevoelige manier moet gebeuren, met bijzondere aandacht voor degenen in kwetsbare situaties en de meest achtergestelde groepen; onderstreept het belang van een goede geestelijke gezondheid en geestelijke zorg gedurende het hele leven, met inbegrip van de kindertijd, het onderwijs en de arbeidswereld, alsmede van strategieën voor preventie, opsporing en snelle toegang tot een effectief beschikbare, betaalbare en adequate hoogwaardige behandeling die bijdraagt tot de levenskwaliteit van alle volwassenen, met inbegrip van personen die langdurige zorg behoeven;

55.

benadrukt het belang van emotionele, psychologische, sociale en spirituele zorg en ondersteuning, alsmede van geestelijkegezondheidsdiensten die verder gaan dan medicatie, voor het verbeteren van de levenskwaliteit van personen die palliatieve zorg ontvangen; roept de Commissie en de lidstaten derhalve op de toegang tot geïntegreerde palliatieve-zorgdiensten te bevorderen, teneinde de pijn en het ongemak van personen die aan een terminale ziekte lijden te verlichten en hun waardigheid en levenskwaliteit overeind te houden wanneer alle middelen voor actieve zorg naar behoren zijn overwogen en ondoeltreffend zijn gebleken, en te zorgen voor adequate ondersteuning van hun verzorgers;

56.

dringt erop aan dat verpleegkundigen eenvoudigere toegang hebben tot diensten die ondersteuning bieden voor geestelijke en fysieke gezondheid;

57.

verzoekt de lidstaten te waarborgen dat personen die tijdelijke bescherming genieten onmiddellijke en volledige toegang hebben tot hoogwaardige zorgdiensten, zonder discriminatie op enige grond en met speciale aandacht voor hun fysieke en psychologische behoeften die voortvloeien uit de oorlogsomstandigheden en hun ontheemding, en tegelijkertijd te zorgen voor gelijke en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en -voorwaarden en een eerlijk loon voor personen die tijdelijke bescherming genieten en in de zorgsector willen werken; benadrukt dat aanvullende capaciteiten en investeringen in de zorgsector hiervoor essentieel zijn;

Hoogwaardige langdurige zorg voor een lang leven van goede kwaliteit

58.

verzoekt de Commissie een alomvattende, ambitieuze en op rechten gebaseerde reeks streefcijfers en bijbehorende indicatoren voor langdurige zorg vast te stellen, alsmede een rapportagemechanisme en instrumenten voor uitgesplitste gegevens over en toezicht op de toegankelijkheid, beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit van zorgbehandelingen en -diensten en van de personeelsbezetting, die van toepassing zijn op alle soorten faciliteiten en aanbieders, vergelijkbaar met de doelstellingen van Barcelona voor kinderopvang; benadrukt dat er streefcijfers en indicatoren moeten komen inzake fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en de blijvende arbeidsparticipatie van vrouwen, die als richtsnoer kunnen dienen voor investeringen, financiering en opleiding, teneinde te zorgen voor een betere toegang tot kwaliteitsdiensten voor degenen die daar behoefte aan hebben, alsook voor de blijvende arbeidsparticipatie van vrouwen, die wordt vergemakkelijkt door gelijke zorgtaken;

59.

is ervan overtuigd dat de Commissie gelijke en universele toegang voor iedereen tot hoogwaardige langdurige zorgdiensten op basis van de individuele behoeften van de personen die zorg en ondersteuning ontvangen als hoofddoel moet stellen, en daarbij bijzondere aandacht moet schenken aan het wegnemen van ongelijkheden en aan personen in kwetsbare situaties, zoals ouderen, personen met een handicap en vrouwen die informeel en zwart zorgwerk verrichten; merkt op dat de behoefte aan langdurige zorg niet beperkt blijft tot ouderen, maar zich uitstrekt tot verschillende groepen die gedurende het hele leven zorg nodig hebben, zoals mensen met zeldzame ziekten, waarvan de meeste hun oorsprong vinden in de kindertijd; benadrukt dat gelijke, effectieve en tijdige toegang tot zorgdiensten en ondersteuning het best kan worden bereikt door zorgontvangers erbij te betrekken en door, zoals is aanbevolen door het Comité voor sociale bescherming, langdurige zorg te integreren in de nationale socialezekerheidsstelsels, die om redenen van billijkheid en efficiëntie het best in staat zijn dit te kunnen aanbieden (94);

60.

benadrukt de noodzaak van kwaliteitsindicatoren voor alle sociale en gezondheidsdiensten die gebaseerd zijn op de rechten van de zorgbehoevenden, het behoud en de versterking van hun onafhankelijkheid en autonomie, alsook hun sociale inclusie, en gericht zijn op de aspiraties van de langdurige zorg, zoals de verbetering van het welzijn en de levenskwaliteit van mensen die langdurige zorg en ondersteunende diensten nodig hebben, de evolutie van het aantal gezonde levensjaren en andere indicatoren die de gehele zorgervaring in het middelpunt van de belangstelling plaatsen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om erkenning van de voordelen van geïntegreerde zorgbenaderingen bij preventie van fysieke en cognitieve achteruitgang en de verlenging van autonomie van de zorgontvangers; benadrukt dat oudere leeftijd, handicap, ernstige ziekte of welke andere omstandigheden ook die leiden tot langdurige zorgbehoeften geen hindernis mogen vormen voor actieve deelname van personen aan het sociale en gemeenschapsleven; herinnert eraan dat sociale uitsluiting van personen die behoefte hebben aan zorg en ondersteuning in de eerste plaats een product is van wijdverspreide negatieve percepties, een sociaal geconstrueerd zelfbeeld en hardnekkige structurele discriminatie;

61.

verzoekt de Commissie een zorgtop te organiseren waarvan de uitkomst als input kan dienen voor de werkzaamheden van de groep op hoog niveau inzake de toekomst van de sociale bescherming en de verzorgingsstaat in de EU, met het oog op een grondige en inclusieve discussie met alle relevante belanghebbenden, zoals de sociale partners, belangengroepen, patiëntenorganisaties, organisaties van zorgverleners, zorgontvangers en hun vertegenwoordigers, overheidsinstanties, het maatschappelijk middenveld, non-profitorganisaties, dienstverleners en andere deskundigen inzake de tegen 2030 beoogde zorg in gemeenschapsverband, met als doel een platform op lange termijn op te richten, innovatieve zorgoplossingen te vinden, te zorgen voor toekomstbestendige zorgstelsels, geïnstitutionaliseerde zorg geleidelijk af te bouwen en te vervangen door zorg in gezins- en gemeenschapsverband en/of gebruik te maken van persoonsgebonden budgetten en een gepersonaliseerde opzet van de zorg; verzoekt de Commissie om bij het gebruik van de financiële instrumenten van de EU sturing te geven aan overheidsinvesteringen in diensten voor langdurige zorg, en een kaderrichtlijn inzake formele en informele zorg op lange termijn te presenteren, waarin fundamentele beginselen worden vastgelegd en empirisch onderbouwde criteria worden aangereikt voor toegankelijke en geïntegreerde kwalitatief hoogwaardige diensten voor langdurige zorg en ondersteuning in de gehele EU;

62.

roept de lidstaten op nationale, wederzijds erkende registers van zorgverleners in te stellen, teneinde toe te zien op de minimale naleving van de normen en wettelijke voorschriften voor de verlening van zorgdiensten; neemt nota van de certificeringssystemen of -mechanismen in sommige lidstaten voor de erkenning van de kwalificaties en competenties van personen die langdurige zorg verlenen op specifieke gebieden van zorgverlening; dringt aan op de centrale rol van opleiding voor formele zorgverleners en mantelzorgers, alsook op strengere kwaliteitscontroles en klokkenluidersregelingen voor zorgketens met en zonder winstoogmerk, met het oog op de verlening van hoogwaardige langdurige zorg;

63.

wijst erop dat het risico dat niet in hun behoeften aan langdurige zorg wordt voorzien bijzonder groot is voor oudere vrouwen, die een meerderheid vormen van de bevolking die langdurige zorg nodig heeft; benadrukt dat vrouwen ook de grootste moeilijkheden ondervinden om de kosten van langdurige zorg te dekken als gevolg van de aanhoudende loon- en pensioenkloven tussen mannen en vrouwen, armoede onder vrouwen, horizontale en verticale segregatie van de arbeidsmarkt, meer breuken in en onderbrekingen van hun loopbaan als gevolg van de aanhoudende traditionele rolpatronen waarbij vrouwen nog steeds de meeste zorgverplichtingen op zich nemen, arbeidsmarktstructuren en -stereotypen, alsook hun oververtegenwoordiging in onzekere of deeltijdbanen; is bezorgd over het feit dat met name de keuze voor de eerste zorgverlener door zorgontvangers en hun naasten vaak wordt gemaakt in een context van stress, financiële beperkingen en beperkte beschikbaarheid van diensten (95);

Mantelzorg

64.

stelt vast dat in de gehele EU tussen 40 en 50 miljoen mensen regelmatig en 44 miljoen mensen ten minste eenmaal per week mantelzorg verlenen (96), waarvan de meerderheid vrouwen zijn, waaronder vrouwen met een handicap, die ongeveer 60 % van de mantelzorgers uitmaken en meer uren mantelzorg verlenen dan mannen (97); merkt op dat dit een rem zet op de gelijkheid van mannen en vrouwen en de mogelijkheid om formeel te werken kan beperken, vooral voor jongere mantelzorgers;

65.

merkt op dat mantelzorg vaak een gevolg is van het gebrek aan beschikbaarheid en toegankelijkheid van onder meer professionele diensten, vaak lang aanhoudt en gevolgen kan hebben voor het genot van politieke, burgerlijke, economische, sociale en culturele rechten van de mantelzorgers, zoals minder carrièremogelijkheden of het aanvaarden van banen onder vaardigheidsniveau en het belemmeren of uitsluiten van formele arbeidsmarktparticipatie; is met name bezorgd over de negatieve gevolgen van zorgtaken voor de financiële onafhankelijkheid van vrouwen, alsook over het verhoogde risico op armoede, sociale uitsluiting en geestelijke en lichamelijke gezondheidsproblemen;

66.

merkt op dat het verlenen van mantelzorg kan leiden tot inkomensverlies, verergering van discriminatie op grond van geslacht, zoals de loon- en pensioenkloven tussen mannen en vrouwen, armoede op oudere leeftijd en feminisering van armoede; benadrukt dat deze nadelige effecten nauw samenhangen met de intensiteit van de verleende zorg en wijst erop dat onbetaald huishoudelijk en zorgwerk, dat voornamelijk door vrouwen wordt verricht, beter moet worden verdeeld, dat genderstereotypen krachtiger moeten worden bestreden, en dat er werkregelingen moeten worden ingevoerd waarbij het evenwicht tussen werk en privéleven in acht wordt genomen;

67.

merkt op dat in de EU van de ouderen van 65 jaar en ouder meer dan 7 miljoen mensen, d.w.z. 8 %, mantelzorg ontvangen en dat voor mensen van 75 jaar en ouder het aantal mensen dat afhankelijk is van mantelzorg 11 % bedraagt (98); merkt op dat de meerderheid van de ouderen die zorg nodig hebben bestaat uit vrouwen;

68.

merkt op dat, om ervoor te zorgen dat mensen thuis verzorgd kunnen blijven worden, de mobiele zorg en ondersteuning moeten worden uitgebreid en verder ontwikkeld om de zorgtaken van mantelzorgers te verlichten, niet alleen door bewustmakingsactiviteiten, maar ook door adequate ondersteuning, waaronder financiële compensatie, zodat familieleden die zorg verlenen hun baan kunnen voortzetten en toe kunnen werken naar de verenigbaarheid van zorg en een betaalde baan; benadrukt de centrale rol van mantelzorgers en de noodzaak van nauwe betrokkenheid van en steun voor mantelzorgers door professionele zorgverleners, en wijst erop dat de behoeften van mantelzorgers op zichzelf moeten worden beoordeeld en aangepakt, zonder te worden gekoppeld aan de dienstverlening of ondersteuning voor de verzorgde persoon;

69.

merkt op dat ten minste 8 % van alle kinderen in Europa betrokken is bij de verlening van informele langdurige zorg, hetgeen een negatieve weerslag heeft op hun geestelijke en lichamelijke gezondheid, hun opleidingsniveau, hun sociale inclusie en hun toekomstige deelname aan de arbeidsmarkt (99);

70.

benadrukt de noodzaak om een gemeenschappelijke Europese minimumdefinitie voor mantelzorg te ontwikkelen, dat de lidstaten zich daartoe moeten verbinden en dat de Raad aanbevelingen moet doen over mantelzorg, met inbegrip van nationale aanbevelingen; benadrukt dat in deze definitie moet worden benadrukt dat de verlening van mantelzorg een keuze moet zijn en niet moet voortkomen uit noodzaak en een gebrek aan beschikbare zorgdiensten, en de eerbiediging moet bevatten van het recht op zelfbeschikking van personen die zorg ontvangen met betrekking tot hun keuze voor de vorm van zorg die zij willen ontvangen;

71.

verzoekt de Commissie met gemeenschappelijke Europese richtsnoeren te komen voor de status van en de steun aan mantelzorgers, aangezien mantelzorg momenteel niet voldoende in al zijn diversiteit wordt erkend en herkend; verzoekt de lidstaten met klem een actief arbeids- en werkgelegenheidsbeleid te bevorderen dat is toegespitst op onbetaalde mantelzorgers om hun re-integratie en ontplooiing op de arbeidsmarkt te ondersteunen en de vaardigheden die zij in informeel verband hebben opgedaan te erkennen;

72.

verzoekt de Commissie met klem aan het Parlement en de Raad een Europees programma voor mantelzorgers voor te leggen en als onderdeel daarvan een Europees programma voor mantelzorgers met een pakket acties op EU-niveau inzake mantelzorg, en verzoekt de lidstaten, voor zover de bevoegdheden op nationaal niveau liggen, deze Europese strategie te ondersteunen met ambitieuze en gecoördineerde acties en nationale programma’s om de verschillende soorten informele zorg die in Europa worden verleend, te erkennen en te herkennen, en de verschillende behoeften van de verschillende groepen mantelzorgers, waaronder jonge mantelzorgers en mobiele mantelzorgers, in kaart te brengen om het aangeven van werk te vergemakkelijken en te zorgen voor dekking door verzekeringen en sociale bescherming, ongeacht hun verschillende verblijfplaats of administratieve situatie en status;

73.

roept de lidstaten op zich te beraden op de formalisering van mantelzorg en op verschillende opties voor financiële steun op basis van hun verschillende behoeften en realiteiten, teneinde mantelzorgers goede standaarden met betrekking tot rechten, financiële steun en sociale bescherming te garanderen;

74.

herinnert eraan dat het bovenstaande zou kunnen worden bereikt door bijvoorbeeld zorg- of pensioenkredieten ter bescherming van degenen die hun loopbaan tijdelijk onderbreken om zorg te verlenen aan een familielid of iemand anders die zorg nodig heeft, en door de waarde van het werk dat deze mantelzorgers voor de samenleving als geheel verrichten te erkennen door middel van andere aanvullende ondersteunende diensten (counseling of uitwisseling tussen gelijken), duidelijk vastgelegde vrije tijd voor verzorgers, een gezond evenwicht tussen werk en privéleven, verlof, vervangende diensten in geval van ziekte, dagopvang, arbeidsre-integratiediensten, psychologische en revalidatiediensten voor zorgverleners en zorgontvangers, en toegang tot onderwijs, opleiding en een leven lang leren, en onderstreept het belang van niet-overdraagbaar ouderschapsverlof; verzoekt in dit verband de lidstaten zich te beraden op en van gedachten te wisselen over de beste praktijken voor het opnemen van perioden van zorgtaken in pensioenregelingen, en Richtlijn (EU) 2019/1158 van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers, waarbij zorgverlof wordt ingevoerd en de mogelijkheid wordt geboden flexibele arbeidstijdregelingen aan te vragen, alsmede een minimumaantal dagen zorgverlof om persoonlijke zorg of steun te verlenen aan een familielid of een persoon die deel uitmaakt van hetzelfde huishouden als de werknemer, snel en volledig om te zetten;

75.

verzoekt de lidstaten na te gaan hoe de verlening van mantelzorg en bijgevolg de belastingheffing op dit gebied (100) het best kunnen worden geformaliseerd, onder meer via belastingaftrek en het gebruik van dienstencheques;

76.

onderstreept dat dit pakket maatregelen betreffende mantelzorg zowel wetgevende als niet-wetgevende voorstellen moet omvatten, alsmede adequate investeringen om de rechten en plichten van mantelzorgers als onderdeel van hun rol te erkennen, met inachtneming van het recht op zelfbeschikking van de personen die zorg ontvangen en onder vaststelling van bepaalde criteria voor de toegang van mantelzorgers tot sociale en andere aanvullende ondersteunende diensten (met inbegrip van vrije tijd en ziekteverlof); wijst nogmaals op de druk op de geestelijke en lichamelijke gezondheid die gepaard gaat met zorgverlening, en benadrukt hoe belangrijk het is te waarborgen dat verzorgers toegang hebben tot informatie en advies over zorg en het combineren van zorg en privéleven; onderstreept dat het pakket maatregelen daarnaast moet voorzien in rapportageverantwoordelijkheden voor de lidstaten, in het opzetten in alle lidstaten van één aanspreekpunt waar mantelzorgers terecht kunnen voor de ondersteuning die zij nodig hebben, en de bevordering van de interoperabiliteit tussen de gezondheids- en socialezekerheidssystemen teneinde de bestaande gegevens te gebruiken en de administratieve lasten van mantelzorgers terug te dringen;

77.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de maatschappelijke organisaties en sociale partners te ondersteunen om de vertegenwoordiging van mantelzorgers zeker te stellen, teneinde hun bijdragen in aanmerking te nemen bij het ontwerpen, uitvoeren en evalueren van beleid inzake informele zorg, met inbegrip van het ontwerpen van de Europese zorgstrategie;

78.

benadrukt dat het van belang is de te grote afhankelijkheid van mantelzorg aan te pakken door de vaardigheden van mantelzorgers te formaliseren en te erkennen via een certificeringsproces en door programma’s voor opleiding en de validering van vaardigheden te bevorderen waarmee de bevordering en wederzijdse erkenning van vaardigheden mogelijk wordt gemaakt, alsook door gerichte bij- en omscholingsactiviteiten uit te voeren; benadrukt dat bij deze inspanningen onder meer gebruik moet worden gemaakt van de Europese vaardighedenagenda, het pact voor vaardigheden, ESF+, het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, het Fonds voor een rechtvaardige transitie, en het EU4Health-programma; verzoekt de lidstaten om vergemakkelijking van de re-integratie op de arbeidsmarkt van werknemers die hun loopbaan langdurig hebben onderbroken om te zorgen voor familieleden;

79.

verzoekt de Commissie de problemen te erkennen die de toegang tot passende zorg beperken voor personen met specifieke ziekten die veel zorg vereisen, zoals reumatische en musculoskeletale aandoeningen; beklemtoont dat het grootste obstakel voor de toegang tot passende zorg voor personen met een reumatische of musculoskeletale aandoening gelegen is in het gebrek aan reumatologen en aan medisch onderricht in reumatologie in de lidstaten; verzoekt de lidstaten derhalve om reumatologie als standaardonderdeel op te nemen in de medische opleiding en het aantal praktiserende reumatologen te verhogen;

Fatsoenlijke arbeidsomstandigheden voor alle werknemers in de zorgsector

80.

dringt er bij de lidstaten op aan een toereikend personeelsbestand en investeringen in zorgpersoneel centraal te stellen in hun zorgbeleid; verzoekt de lidstaten de aantrekkelijkheid van beroepen in de zorgsector te vergroten door te zorgen voor sociale erkenning, fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en een eerlijke beloning, met inbegrip van passende arbeidstijden, wat ertoe zou bijdragen de bestaande arbeidstekorten aan te pakken en de behoefte aan werk op korte termijn en een snelle en ernstige uitstroom van arbeidskrachten te verminderen, met name in de regio’s en de lidstaten die als gevolg van de zorgvlucht met grote problemen worden geconfronteerd, en de veerkracht van de zorgstelsels voor de toekomst te vergroten en tegelijkertijd banen in de sector te scheppen;

81.

verzoekt de Commissie en de lidstaten het scheppen van dergelijke hoogwaardige banen in de sector te ondersteunen met onder meer duidelijke, duurzame en aantrekkelijke loopbaantrajecten en mogelijkheden voor opleiding en de verbetering van vaardigheden, die een permanente professionele en persoonlijke ontwikkeling mogelijk maken; verzoekt de Commissie en de lidstaten concrete initiatieven te ontplooien en stimulansen te bieden om werken in de zorgsector ook voor jongeren aantrekkelijker te maken en een evenwichtige verdeling van zorgberoepen tussen mannen en vrouwen te bevorderen;

82.

neemt nota van de bijkomende uitdagingen in verband met het toenemende aandeel van platformwerk in de zorgsector; benadrukt dat in de Europese richtlijn betreffende platformwerk en de nationale wetgeving ter regulering van de platformeconomie terdege rekening moet worden gehouden met de specifieke aard van zorgwerk door minimumnormen vast te stellen inzake de kwaliteit van de dienstverlening en fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden voor werknemers;

83.

erkent dat deze zorg vaak zwart wordt verleend of dat niet alle inkomsten worden aangegeven, en dat hierbij vaak sprake is van uitbuiting, waardoor de rechten en het welzijn van de werkers, hun gezinnen en de zorgontvangers worden aangetast; is ook bezorgd over de arbeidsomstandigheden van inwonende verzorgers, die voornamelijk uit vrouwen bestaan, waaronder migrantenvrouwen, van wie velen te maken hebben met onduidelijke beloningsvoorwaarden, het risico op sociaal isolement en het ontbreken van mechanismen om hun rechten naar behoren te doen gelden; verzoekt de Commissie en de lidstaten het probleem omtrent zwartwerk in de zorgsector aan te pakken en een duidelijk rechtskader tot stand te brengen om hoogwaardige banen te bevorderen waarbij alle zorgwerkers sociale bescherming genieten;

84.

benadrukt dat fatsoenlijk werk een integraal onderdeel moet zijn bij het vaststellen van de prioriteiten met betrekking tot duurzame en kwaliteitsvolle zorgstelsels; wijst erop dat ontvangers van openbare EU- en nationale financiering, leningen en contracten het toepasselijke arbeidsrecht en strenge normen moeten naleven;

85.

verzoekt de lidstaten, als leden van de IAO, IAO-verdrag nr. 189 inzake fatsoenlijk werk voor huishoudelijk personeel, verdrag nr. 190 betreffende de uitbanning van geweld en pesterijen op het werk en verdrag nr. 149 inzake verplegend personeel te ratificeren en uit te voeren wanneer zij dat nog niet hebben gedaan;

86.

is bezorgd over het hoge percentage zorgwerkers dat het minimumloon of minder dan het minimumloon ontvangt, waarvan de meerderheid bestaat uit vrouwen, en over de als gevolg daarvan aanhoudende loonkloof tussen mannen en vrouwen en de discrepanties in het salaris van bepaalde zorgberoepen (101); is derhalve ingenomen met de voorstellen van de Commissie voor een richtlijn betreffende toereikende minimumlonen, die de levens- en arbeidsomstandigheden in de EU moet verbeteren, waaronder die voor de laagstbetaalden in de zorgsector, en voor een richtlijn inzake beloningstransparantie, waarmee de aanhoudend tekortschietende handhaving van het grondrecht op gelijke beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid in de EU moet worden aangepakt; benadrukt dat, om de lage lonen in de sterk door vrouwen gedomineerde zorgsector aan te passen, de sociaal-economische waarde van zorgarbeid opnieuw moet worden beoordeeld in vergelijking met de waarde van werk in andere, vaak meer door mannen gedomineerde sectoren, op basis van objectieve criteria door middel van genderneutrale instrumenten voor functiewaardering of -classificatie, zoals vereisten inzake opleiding, beroep en training, vaardigheden, inzet, verantwoordelijkheid, verrichte arbeid en de aard van de taken die erbij komen kijken; benadrukt dat een geschikte referentiepersoon een belangrijke parameter is om te bepalen of arbeid als gelijkwaardig kan worden beschouwd; is van mening dat in gevallen waarin geen werkelijke referentiepersoon bestaat (zoals vaak het geval is in de sterk door vrouwen gedomineerde sectoren), een hypothetische referentiepersoon kan worden gebruikt; moedigt zowel openbare als particuliere aanbieders van zorgdiensten aan om een fatsoenlijke en toereikende beloning te garanderen, die hoger is dan het minimumloon; benadrukt dat loonsverhogingen volgens de OESO (102) leiden tot de aanwerving van meer werknemers in de langdurige zorg, langere dienstverbanden en een geringer personeelsverloop; dringt er bij de lidstaten op aan hervormingen te bevorderen om de rechten van zorgverleners en -ontvangers te erkennen en maatregelen uit te voeren om de fundamentele arbeidsrechten te beschermen en de arbeidsvoorwaarden van zorgwerkers te verbeteren en daarbij hun vaak onzekere omstandigheden aan te pakken, zoals informeel werk, lange werkdagen, een ontoereikend salaris, een gebrek aan opleiding en een rammelend beleid inzake gezondheid en veiligheid op het werk, alsook onder meer misbruik, intimidatie en geweld;

87.

benadrukt de centrale rol die onderwijs en opleiding alsook programma’s voor inclusieve bij- en omscholing van werknemers spelen bij de verlening van hoogwaardige zorgdiensten en de professionalisering van de zorg, gelet op de voortdurende evolutie van zorgberoepen en -diensten; benadrukt de centrale rol van betaald onderwijs en betaalde opleiding voor werkenden, ook bij de transitie van zorg in tehuizen naar zorg in gemeenschaps- en gezinsverband; moedigt de lidstaten ten zeerste aan om, met de steun van EU-fondsen (de Europese structuur- en investeringsfondsen en met name het Europees Sociaal Fonds +, alsook de herstel- en veerkrachtfaciliteit), zorgpersoneel op te leiden inzake de rechten van personen die zorg en ondersteuning behoeven, met name de rechten die zijn vastgelegd in het UNCRPD en in het VRK; betreurt dat de EU-richtlijn betreffende de erkenning van beroepskwalificaties geen geharmoniseerde minimumvereisten inzake opleiding omvat voor werknemers in de langdurige zorg, waardoor de automatische erkenning van deze werknemers in de hele Unie wordt belemmerd;

88.

benadrukt dat zorgwerk in wezen een vorm van dienstverlening tussen mensen is die complexe vaardigheden vereist, waarvan sommige worden erkend noch beloond; benadrukt dat de rol van verzorgers er in de eerste plaats in moet bestaan zorg en ondersteuning te verlenen aan de zorgontvangers, en acht het daarom noodzakelijk onnodige bureaucratische rompslomp te verminderen en te voorkomen dat verzorgers onnodige administratieve taken krijgen toebedeeld; benadrukt dat bepaalde medische taken door gezondheidswerkers kunnen worden gedeeld en onderstreept de voordelen van nauwere samenwerking tussen zorg- en gezondheidswerkers, zoals een betere verdeling van de werklast, meer tijd voor de zorgontvangers en continuïteit van de zorg, alsook multidisciplinaire praktijken en harmonisatie van loopbaantrajecten;

89.

verzoekt de Commissie een EU-initiatief inzake vaardigheden voor de zorg op te zetten om de lidstaten te ondersteunen bij het verbeteren van de bij- en omscholingsmogelijkheden voor zorgprofessionals, door vaardigheidskloven en behoeften, veelbelovende praktijken en succesvolle initiatieven in kaart te brengen, en een kader te bieden voor de erkenning en certificering van de deskundigheid, vaardigheden en kwalificaties die zijn verworven door ervaring met bijvoorbeeld mantelzorg, teneinde de toegang tot formele werkgelegenheid in de sector te vergemakkelijken; verzoekt de lidstaten met behulp van de EU-vaardighedenagenda te waarborgen dat zorgwerkers worden bij- en omgeschoold, en alle zorgverleners — met inbegrip van migrerende mantelzorgers en zorgwerkers — te ondersteunen en door de overheid gesubsidieerde mogelijkheden te bieden om deel te nemen aan beroepsonderwijs en -opleiding en kwalificaties te verwerven, met bijzondere aandacht voor vrouwen na zorgverlof;

90.

verzoekt de Commissie en de lidstaten fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en het recht voor alle werknemers om een representatieve vakbond op te richten en zich daarbij aan te sluiten, en om deel te nemen aan collectieve onderhandelingen in de zorgsector, zowel formeel als informeel, te waarborgen en te handhaven, en hoge normen inzake gezondheid en veiligheid op het werk vast te stellen, die in overeenstemming zijn met en verder gaan dan de ambitie van het onlangs vastgestelde strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2021-2027; benadrukt dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de specifieke uitdagingen van het werk in de zorgsector, waaronder de blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen of geneesmiddelen, werk in een mogelijk besmettelijke omgeving, alsook mentale en psychosociale risico’s in verband met emotioneel veeleisend werk en het geconfronteerd worden met ongunstig sociaal gedrag, teneinde arbeidsongevallen en beroepsziekten, en daarmee verzuim, personeelsverloop en een slechte gezondheid van de werknemers, te voorkomen;

91.

verzoekt de lidstaten COVID-19 te erkennen als beroepsziekte in de zorgsector; roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat elke zorgverlener een programma voor infectiepreventie en -bestrijding opstelt en te waarborgen dat zorgpersoneel jaarlijks een opleiding en actuele informatie over infectieziekten krijgt;

92.

herinnert eraan dat bepaalde geneesmiddelen die regelmatig door zorgwerkers worden gebruikt een of meerdere kankerverwekkende, mutagene of reprotoxische stoffen bevatten, die derhalve vallen binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2004/37/EG betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan carcinogene, mutagene of reprotoxische agentia op het werk; herinnert in dit verband aan de vierde herziening van deze richtlijn en de opname daarin van werkzaamheden die blootstelling aan gevaarlijke geneesmiddelen met zich meebrengen; ziet uit naar de geplande publicatie in 2022 van de richtsnoeren inzake het hanteren van die stoffen, alsook naar de opstelling van een definitie en een indicatieve lijst van dergelijke gevaarlijke geneesmiddelen;

93.

verzoekt de Commissie en de lidstaten leeftijdsvriendelijke arbeidsomstandigheden te bevorderen en te ondersteunen; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om meer ambitie aan de dag te leggen en een bredere en meer omvattende richtlijn voor te stellen betreffende betere preventie en een beter beheer van werkgerelateerde musculoskeletale aandoeningen en reumatische ziekten, en om de psychosociale risico’s en de negatieve effecten van zorgwerk op het welzijn van werknemers te verminderen;

94.

wijst erop dat de Europese zorgstrategie onder meer grondig moet ingaan op de gevolgen van de digitalisering voor de arbeidsomstandigheden van werknemers en op de gevolgen van afstands- en telewerk voor de geestelijke gezondheid, alsook op de omvang en de ongelijke verdeling tussen mannen en vrouwen van onbetaalde zorg en onbetaald huishoudelijk werk; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om in overleg met de sociale partners een richtlijn inzake psychosociale risico’s en welzijn op het werk voor te stellen;

95.

verzoekt de lidstaten minimumnormen vast te stellen voor werk in de thuiszorg op gebieden als arbeidstijd, beloning en huisvesting van verzorgers, teneinde rekening te houden met het specifieke karakter van hun werk, vooral met het feit dat zij leven en werken in een gemeenschappelijk huishouden met een zorgbehoevende; merkt op dat er een gemiddelde arbeidstijd moet worden berekend, aangezien verzorgers in ploegendienst werken; merkt op dat de beloning moet afhangen van de zorgbehoeften en van de vaardigheden van de verzorgers; merkt op dat inwonende zorgverleners die samenwonen met afhankelijke personen toegang moeten hebben tot een eigen kamer, een toilet, een keuken en, zo mogelijk, internet;

96.

verzoekt de lidstaten de sociale dialoog te versterken en collectieve onderhandelingen en collectieve arbeidsovereenkomsten te bevorderen in de zorgsector — zowel openbaar als particulier, met en zonder winstoogmerk, in institutionele en op gezin en op de gemeenschap gebaseerde zorgomgevingen — als cruciale mechanismen voor de verbetering van de werkgelegenheid en de arbeidsomstandigheden en voor het aanpakken van de loonkloof tussen mannen en vrouwen, en als de meest doeltreffende instrumenten om een verhoging van het minimumloon en de lonen in het algemeen te waarborgen;

97.

verzoekt de lidstaten een bredere toepassing van collectieve onderhandelingen in de zorgsector te bevorderen en het recht op vrijheid van vereniging in de zorgsector te waarborgen door werknemersvertegenwoordigers en vakbonden die werknemers in de zorgsector willen vertegenwoordigen en willen aantrekken als lid, betere toegang en meer informatie te verschaffen, en door alle belemmeringen voor het oprichten van vakbonden alsmede onnodige hinderpalen op werkplekken in de publieke sector weg te nemen, met inbegrip van particuliere contractanten die werken op basis van overheidscontracten, hetgeen vakbonden belemmert bij het organiseren van de werknemers in de publieke sector en het vergroten van hun ledenbestand; wijst erop dat met name mobiele werknemers, die vaak als inwonende verzorger werken en 24 uur per dag beschikbaar moeten zijn, onvoldoende op de hoogte zijn van of worden voorgelicht over de voor hen geldende arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden; wijst erop dat de collectieve overeenkomsten onder andere de pensioenrechten moeten waarborgen van werknemers die genoodzaakt zijn hun betaalde baan terug te schroeven of op te zeggen om voor anderen te zorgen;

98.

herinnert eraan dat mobiele en migrerende werknemers, met inbegrip van ongedocumenteerde werknemers, een belangrijke rol spelen bij de verstrekking van zorg in tehuizen en zorg in gemeenschaps- en gezinsverband; is ervan overtuigd dat dit feit in de komende Europese zorgstrategie tot uiting moet komen en dienovereenkomstig moet worden aangepakt; verzoekt de Commissie en de lidstaten zich te committeren aan en concrete maatregelen te nemen om het probleem van zwartwerk en illegale vormen van arbeid aan te pakken en fatsoenlijk werk te bevorderen voor alle zorgverleners, ongeacht hun status; benadrukt dat migrerende werknemers te maken hebben met specifieke kwetsbaarheden en uitdagingen, zoals de toegang tot een werkvergunning of tot formele arbeid, dekking door sociale bescherming en het risico van zwartwerk; roept op tot hun bescherming door middel van de toepassing, handhaving en monitoring van de desbetreffende wetgeving;

99.

verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor eerlijke mobiliteit en een eerlijke aanwerving van werknemers uit de EU en uit derde landen door de onderlinge erkenning van hun kwalificaties te verbeteren en de tekortkomingen in de transnationale sociale bescherming te verhelpen; herhaalt zijn oproep om de mobiliteitsregels naar behoren te monitoren en te handhaven en werknemers beter voor te lichten over hun rechten; vestigt de aandacht op de rol die de ELA speelt bij de verlening van bijstand aan de lidstaten en de Commissie met het oog op de doeltreffende toepassing en handhaving van het EU-recht op het gebied van arbeidsmobiliteit en de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels in de EU; benadrukt dat het mandaat van de ELA in het kader van de evaluatie van 2024 moet worden herzien en dat hierin bepalingen moeten worden opgenomen inzake gezondheid en veiligheid op het werk; verzoekt EU-OSHA en de ELA samen te werken om de Commissie en de lidstaten te ondersteunen bij het verbeteren van de gezondheid en veiligheid van mobiele en migrerende werknemers op het werk; benadrukt dat de organisatie van inwonende zorgwerkers voornamelijk verloopt via een complexe keten van detacheringsbureaus en dat zij bijgevolg onder de detacheringsrichtlijn vallen (103);

100.

erkent de rol van werknemers in de persoonlijke en huishoudelijke dienstverlening bij het garanderen dat de EU-burgers het zorgmodel van hun voorkeur daadwerkelijk kunnen kiezen; verzoekt de Commissie om in de Europese zorgstrategie aandacht te besteden aan de moeilijke werk- en arbeidsomstandigheden van alle persoonlijke en huishoudelijke werkers, met inbegrip van zorgpersoneel en andere persoonlijke en huishoudelijke dienstverleners, en de basis te leggen voor de erkenning, regulering en professionalisering van persoonlijke en huishoudelijke diensten; verzoekt de Commissie en de lidstaten zwartwerk in de zorgsector doeltreffend aan te pakken door sociale bescherming en veilige en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden te waarborgen en nieuwe arbeidskansen in de huishoudelijke zorgsector te creëren; roept op tot een doelgerichte herziening van Richtlijn 89/391/EEG zodat huishoudelijke werknemers onder het toepassingsgebied ervan vallen; verzoekt de lidstaten te komen met een passend kader voor de aangifte van persoonlijke en huishoudelijke diensten bij de belastingdienst, zoals regelingen voor dienstenchèques, mechanismen en instrumenten te ontwikkelen voor beter toezicht op zorgwerk in huis, en te investeren in op maat gesneden hoogwaardige professionele diensten om de ontwikkeling in de richting van onzekerder werk in de zorg een halt toe te roepen en het gebruik van zorgdiensten waarbij zwartwerk wordt verricht, te ontmoedigen;

101.

verzoekt de lidstaten daarom de richtlijn betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven snel en volledig om te zetten en spoort hen aan om verder te gaan dan de in deze richtlijn vastgestelde minimumnormen; benadrukt dat alleen een gelijke verdeling van onbetaalde zorgtaken tussen mannen en vrouwen door middel van gelijke, niet-overdraagbare en naar behoren betaalde verlofperioden vrouwen in staat zou stellen in toenemende mate voltijdswerk te verrichten, een evenwicht te bereiken tussen werk en privéleven en zich zowel persoonlijk als sociaal te ontplooien; benadrukt verder het belang van de bevordering van extra flexibiliteit van werkregelingen voor groepen werknemers, zoals ouders met jonge kinderen, alleenstaande ouders, ouders met een handicap en ouders van kinderen met een handicap; verzoekt de lidstaten een minimale duur van zwangerschaps- en vaderschapsverlof in acht te nemen, ongeacht het statuut van de betrokkene; herinnert eraan dat het beleid inzake het evenwicht tussen werk en privéleven mannen moet aansporen om op voet van gelijkheid met vrouwen zorgtaken op zich te nemen, en wijst erop dat geleidelijk moet worden toegewerkt naar volledig betaald moederschaps- en vaderschapsverlof van gelijke duur; dringt er bij alle lidstaten met klem op aan te stimuleren en te waarborgen dat vaders hun vaderschapsverlof kunnen opnemen zonder dat zij hoeven te vrezen voor benadeling of discriminatie door hun werkgevers, als doeltreffende manier om hen aan te moedigen verantwoordelijkheid te nemen voor de zorg voor hun kinderen en gezin en als nuttig middel om echte gendergelijkheid tot stand te brengen; benadrukt dat dit niet alleen veranderingen ten aanzien van stereotypen en gendernormen vereist, maar ook teweeg zal brengen, waardoor de samenleving rechtvaardiger wordt en mannen en vrouwen gelijkwaardiger worden; verzoekt de Commissie en de lidstaten acties te bevorderen die aanzetten tot verandering, zoals bewustmakingscampagnes over de gedeelde verantwoordelijkheid voor zorg, waarbij een einde wordt gemaakt aan het stereotiepe idee dat vrouwen verantwoordelijk zijn voor de zorgtaken;

102.

verzoekt de lidstaten een alomvattend pakket aan maatregelen en prikkels uit te werken om de re-integratie op de arbeidsmarkt van werknemers, met name van vrouwen — wier carrière en inkomen vaker worden beïnvloed door ongelijke genderrollen en door zorgverlof, met inbegrip van het opnemen daarvan of langere loopbaanonderbrekingen — na zorgverlof of langere loopbaanonderbrekingen te stimuleren en te vergemakkelijken en om het recht van werknemers op terugkeer naar dezelfde of een gelijkwaardige baan te waarborgen;

103.

verzoekt de lidstaten om, in nauwe samenwerking met de sociale partners, loopbaantrajecten te ondersteunen om aanpassing aan werksituaties te vergemakkelijken, met name door middel van een leven lang leren en beroepsopleidingen, toereikende werkloosheidsuitkeringen, overdraagbaarheid van sociale rechten en een actief en doeltreffend arbeidsmarktbeleid; verzoekt de Commissie en de lidstaten doeltreffende bescherming en gelijke beloning voor mannen en vrouwen te bevorderen en te waarborgen middels gendertransformatieve wetgeving en beleidsreacties met als doel onzekere dienstverbanden en de onderwaardering van werk in bepaalde door vrouwen gedomineerde sectoren, zoals de zorgsector, aan te pakken, en loopbaantrajecten en een behoorlijke socialezekerheidsbescherming te waarborgen; herhaalt dat mensen in alle soorten dienstverbanden en zelfstandigen rechten moeten kunnen accumuleren die inkomenszekerheid bieden in omstandigheden als werkloosheid, ziekte, ouderdom, loopbaanonderbreking om kinderen op te voeden of andere zorgsituaties, of om redenen van opleiding, in overeenstemming met de aanbeveling van de Raad betreffende de toegang tot sociale bescherming van werknemers en zelfstandigen;

104.

verzoekt de Commissie voort te bouwen op de Europese zorgstrategie, met name op de twee aanbevelingen van de Raad, inzake kinderopvang (herziening van de doelstellingen van Barcelona) en inzake langdurige zorg, en na de zorgstrategie een “zorgdeal” voor Europa te presenteren, die een reeks beleidsmaatregelen, programma’s, aanbevelingen en investeringen op EU-niveau moet omvatten, gericht op het bevorderen van een transitie naar een gendertransformatieve zorgeconomie waarin zorg als recht wordt erkend en wordt gewaardeerd als ruggengraat van onze samenleving; wijst erop dat deze deal een geïntegreerde, holistische en levenslange benadering van zorg moet volgen en fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en eerlijke lonen moet bevorderen, de aantrekkelijkheid van werk in de zorgsector moet vergroten en discriminatie, genderongelijkheid en armoede in de sector moet aanpakken;

Erkenning en waardering van de rol van zorg in onze samenlevingen en economieën

105.

benadrukt dat het van het grootste belang is zorg en maatregelen voor de versterking van de positie van vrouwen en voor hun professionele ontwikkeling als mantelzorgers, personen die zorg en ondersteuning nodig hebben en ook als kwetsbare personen te integreren in alle relevante nationale en EU-beleidsmaatregelen, en daarbij meer investeringen in toegankelijke, betaalbare en hoogwaardige zorgdiensten te stimuleren;

106.

dringt erop aan dat deze prioriteiten dat deze prioriteiten ook tot uiting komen in de externe dimensies van het EU-beleid, met inbegrip van de pretoetredingssteun en de officiële ontwikkelingshulp; benadrukt dat een op rechten gebaseerde aanpak van de zorg, gebaseerd op het beginsel van non-discriminatie, een dergelijke integratie op alle relevante beleidsterreinen mogelijk zou maken; onderstreept dat ervoor moet worden gezorgd dat gender en gelijkheid stelselmatig worden geïntegreerd in alle relevante fasen van het begrotingsproces, zowel in de centrale begrotingen van de Commissie als in de door de EU ondersteunde beleidsmaatregelen en programma’s; verzoekt de lidstaten en de Europese Commissie het sterk gestigmatiseerde beeld van beroepen in de formele en mantelzorg om te buigen, en roept de lidstaten op doeltreffende beleidsmaatregelen en programma’s vast te stellen ter bestrijding van discriminatie op grond van handicap, leeftijd, geslacht en andere vormen van discriminatie die samenhangen met vooroordelen en stereotypen over zorg, paternalisme en het concept van afhankelijkheid; merkt op dat vrouwen ook in de zorgsector een waardevolle en onaangeboorde bron van ondernemerspotentieel in Europa zijn, die kunnen bijdragen aan nieuwe innovaties zoals nieuwe technologieën;

107.

merkt op dat het aanpakken van diepgewortelde gendernormen en -stereotypen een eerste stap is in de herverdeling van onbetaalde zorgtaken en huishoudelijk werk tussen mannen en vrouwen, en verzoekt de Commissie en de lidstaten een positief publiek imago en de aantrekkelijkheid van werk in de zorgsector voor zowel mannen als vrouwen te bevorderen door educatieve en voorlichtingscampagnes te plannen en proefprojecten te ondersteunen die dit doel dichterbij brengen en erop gericht zijn meer mannen in de zorg te krijgen en gelijke participatie en kansen voor vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt in de zorgsector te bevorderen;

108.

verzoekt de Commissie toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van de beginselen van de EPSR en de SDG’s in het kader van het Europees Semester; dringt met name aan op een regelmatige verslaglegging over de uitvoering van de EU-zorgstrategie, alsmede op zorggerelateerde indicatoren die in het Europees Semester en in de landenspecifieke aanbevelingen in aanmerking worden genomen; is van oordeel dat de zorgeconomie een pijler van de economieën na de pandemie moet zijn en roept de Commissie en de lidstaten op de zorg centraal te stellen in het herstel na de pandemie; is er stellig van overtuigd dat in het kader van de nationale herstel- en veerkrachtplannen gerichte acties moeten worden uitgevoerd ter verbetering van de gendergelijkheid in alle domeinen van het leven en van de zorg, met inbegrip van maatregelen om onbetaalde zorg en onbetaald huishoudelijk werk te verminderen en te herverdelen;

109.

merkt op dat de zorg moet worden erkend en naar waarde worden geschat in de Europese economieën, begrotingen en statistieken; verzoekt de Commissie en de lidstaten benaderingen te hanteren voor het meten en waarderen van de sociale en economische bijdrage en output van zorg, met name onbetaalde zorg, thuiswerk en huishoudelijk werk, via het toevoegen van mantelzorg aan de waardeketen, onder meer door te overwegen om nieuwe indicatoren op te nemen in de volgende revisie van het sociaal scorebord; verzoekt Eurostat en EIGE om de economische bijdrage van informele zorgverleners aan de economieën van de lidstaten te ramen en verzoekt de Commissie en de lidstaten om in het beleidsvormingsproces gerelateerde alternatieve maatstaven van economisch en sociaal welzijn op te nemen;

110.

wijst op de duidelijke voordelen van minimuminkomens- en minimumpensioenregelingen voor een tijdige en effectieve toegang tot zorg- en ondersteuningsdiensten met het oog op de komende aanbeveling van de Commissie betreffende een adequaat minimuminkomen, alsook voor het waarborgen van een fatsoenlijke levensstandaard voor verzorgers, waarvan het merendeel vrouw is, met name degenen die onbetaalde mantelzorg verlenen, en verzoekt de Commissie te benadrukken dat het van belang is beste praktijken in aanmerking te nemen en uit te wisselen over de wijze waarop zorgtaken gedurende de gehele levenscyclus in de pensioenregelingen tot uiting kunnen komen;

111.

verzoekt de Commissie de komende zorgstrategie te koppelen aan het Europees actieplan voor de sociale economie, om zo het bewustzijn van het potentieel van de sociale economie voor het verbeteren van de arbeidsvoorwaarden in de zorgsector te vergroten, alsmede om kansen te creëren voor een betere toegang van vrouwen tot hoogwaardige banen, en roept de lidstaten op investeringen te doen om de zorgeconomie te ontwikkelen, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de menselijke aspecten van de sector;

112.

erkent en waardeert zorg die wordt verleend door het maatschappelijk middenveld en non-profitorganisaties, zoals ngo’s, patiëntenorganisaties, liefdadigheidsinstellingen en religieuze of andere instellingen;

113.

verzoekt de lidstaten hun zorgbeleid te formuleren en te herzien in permanente sociale en maatschappelijke dialoog met de sociale partners, deskundigen, het maatschappelijk middenveld, ngo’s, overheden op nationaal en EU-niveau, vertegenwoordigende organisaties van zorgontvangers, formele zorgverleners en mantelzorgers, om steun te verlenen bij de totstandkoming van doeltreffende beleidsoplossingen voor sociale zorg die zijn toegesneden op de behoeften van de mensen in de praktijk; benadrukt hoe belangrijk het is om verzorgers en zorgontvangers en hun vertegenwoordigende organisaties actief te raadplegen bij de ontwikkeling, uitvoering en monitoring van de komende Europese zorgstrategie; verzoekt de Commissie en de lidstaten een discussie te starten over het verband tussen technologie en de kwaliteit van de zorg;

114.

verzoekt de Europese Commissie onderzoek te doen om een beter inzicht te krijgen in de economische en maatschappelijke gevolgen van de ontoereikende zorgverlening aan personen die zorg en ondersteuning nodig hebben, en te zorgen voor financiering, met name in het kader van het toekomstige platform, van onderzoeksprojecten naar de maatschappelijke gevolgen van zeldzame ziekten, vanuit het perspectief van de patiënt, en van EU-brede netwerken en innovatieve projecten die de lidstaten in staat stellen goede praktijken en innovatieve zorgmodellen te co-creëren en over te dragen, ook met bijzondere aandacht voor de meest voorkomende ziekten en aandoeningen die handicaps veroorzaken, waaronder reumatische aandoeningen en spier- en skeletaandoeningen (RMD’s);

115.

verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat EIGE, Eurofound en andere relevante agentschappen over voldoende middelen beschikken om na te gaan of en hoe het beleid de beoogde verbeteringen in de zorgsector tot stand brengt, onder meer op het gebied van toegang, kwaliteit, gendergelijkheid, infrastructuur en het evenwicht tussen werk en privéleven;

116.

dringt aan op een externe wetenschappelijke en ethische evaluatie van de aanpak van de COVID-19-pandemie in de zorgsector, van het optreden van de Europese Unie als geheel en van het optreden van de lidstaten, en op een evaluatie van de mate waarin de EU thans voorbereid is op pandemieën, en verzoekt de lidstaten en de Commissie een onderzoek in te stellen naar de oorzaken van het grote aantal COVID-19-besmettingen en -doden die hebben plaatsgevonden in tehuizen voor ouderen, personen met een handicap en andere sociale diensten, en na te gaan of de mensenrechten en de rechten van patiënten zijn veronachtzaamd of geschonden, teneinde daaruit de nodige lering te trekken en te voorkomen dat dergelijke tragedies zich in toekomstige crises opnieuw voordoen;

o

o o

117.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  https://www.who.int/news/item/14-03-2022-who-launches-new-framework-to-support-countries-achieve-integrated-continuum-of-long-term-care

(2)  https://www.ohchr.org/en/documents/thematic-reports/impact-coronavirus-disease-covid-19-enjoyment-all-human-rights-older

(3)  https://undocs.org/Home/Mobile?FinalSymbol=A%2FHRC%2F30%2F43AAuage=E&DeviceType=DesktopAARequested=False

(4)  PB L 231 van 30.6.2021, blz. 21.

(5)  PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17.

(6)  PB L 437 van 28.12.2020, blz. 30.

(7)  PB L 107 van 26.3.2021, blz. 1.

(8)  PB L 188 van 12.7.2019, blz. 79.

(9)  PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22

(10)  PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.

(11)  PB L 88 van 16.3.2022, blz. 1.

(12)  PB L 223 van 22.6.2021, blz. 14.

(13)  PB C 363 van 28.10.2020, blz. 80.

(14)  PB C 456 van 10.11.2021, blz. 191.

(15)  PB C 456 van 10.11.2021, blz. 208.

(16)  Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0072.

(17)  PB C 456 van 10.11.2021, blz. 145.

(18)  PB C 189 van 5.6.2019, blz. 4.

(19)  PB C 474 van 24.11.2021, blz. 146.

(20)  PB C 371 van 15.9.2021, blz. 102.

(21)  Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0038.

(22)  PB C 445 van 29.10.2021, blz. 75.

(23)  PB C 99 van 1.3.2022, blz. 122.

(24)  PB C 362 van 8.9.2021, blz. 8.

(25)  PB C 363 van 28.10.2020, blz. 164.

(26)  Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0068.

(27)  PB C 387 van 15.11.2019, blz. 1.

(28)  EU-strategie voor de rechten van het kind (2021) van de Europese Commissie.

(29)  Eurostat (2020) statistieken over de samenstelling van huishoudens.

(30)  Studie van de Europese Commissie, “Informal care in Europe — Exploring Formalisation, Availability and Quality”, 2018.

(31)  https://www.ilo.org/wcmsp5/groups/public/---dgreports/---dcomm/documents/publication/wcms_838653.pdf

(32)  https://www.unwomen.org/sites/default/files/Headquarters/Attachments/Sections/Library/Publications/2020/Policy-brief-COVID-19-and-the-care-economy-en.pdf

(33)  https://www.eurofound.europa.eu/fr/topic/neets

(34)  “Long-term care report” (2021) van de Europese Commissie en het Comité voor sociale bescherming.

(35)  Onderzoeksdienst van het Europees Parlement, “Demographic outlook of the European Union”, maart 2020, blz. 3.

(36)  “The social construction of migrant care work. At the intersection of care, migration and gender” / Amelita King-Dejardin; Internationaal Arbeidsbureau — Genève: ILO, 2019

(37)  Comité voor sociale bescherming en de Europese Commissie (2021) “Long-term care report”.

(38)  OESO (2020) “The effectiveness of social protection for long-term care in old age: Is social protection reducing the risk of poverty associated with care needs”.

(39)  Studie van het Europees Parlement (2021) “Ageing policies — access to services in different Member States”.

(40)  Economisch Wereldforum: “COVID-19 highlights how caregiving fuels gender inequality” — https://www.weforum.org/agenda/2020/04/covid-19-highlights-how-caregiving-fuels-gender-inequality/

(41)  2019

(42)  https://eige.europa.eu/about-eige/director-speeches/beyond-beijing-declaration-assessment-and-main-challenges

(43)  https://data.unwomen.org/features/covid-19-pandemic-has-increased-care-burden-how-much-0 https://www.unwomen.org/en/digital-library/publications/2020/04/policy-brief-the-impact-of-covid-19-on-women

(44)  “Preventing and managing COVID-19 across long-term care services: Policy brief,” WHO, 24 juli 2020; Toezichtgegevens van openbare nationale onlinerapporten over COVID-19 in instellingen voor langdurige zorg, ECDC, 2022 (https://www.ecdc.europa.eu/en/all-topics-z/coronavirus/threats-and-outbreaks/covid-19/prevention-and-control/LTCF-data).

(45)  http://www.efnweb.be/wp-content/uploads/EFN-MHE-Joint-Statement-October-2021.pdf

(46)  Resumé van Eurofound (2021), “Education, healthcare and housing: How access changed for children and families in 2020”.

(47)  https://www.epsu.org/sites/default/files/article/files/Resilience_of% 20the%20LTC%20sector_V3.pdf

(48)  https://effat.org/in-the-spotlight/european-alliance-calls-on-eu-governments-to-ratify-convention-on-domestic-workers/#:~:text=Among%20them%2C%206.3%20million%20are,workers%20in%20their%20respective%20country

(49)  Europees Instituut voor arbeidsmobiliteit (https://www.mobilelabour.eu/)

(50)  Studie van de Europese Commissie, getiteld “Challenges in long-term care in Europe — A study of national policies 2018”.

(51)  https://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php?title=Gender_pay_gap_statistics

(52)  https://ec.europa.eu/info/policies/justice-and-fundamental-rights/gender-equality/women-labour-market-work-life-balance/womens-situation-labour-market_en

(53)  Studie van het Europees Parlement (2021) “Gender equality: Economic value of care from the perspective of the applicable EU funds”.

(54)  EIGE, verslag uit 2020 inzake het actieprogramma van Peking, 2021.

(55)  Eurofound-verslag (2020) “Long-term care workforce: Employment and working conditions”.

(56)  Eurofound-verslag (2020) “Long-term care workforce: Employment and working conditions”.

(57)  Eurofound-verslag (2020) “Long-term care workforce: Employment and working conditions”.

(58)  “Long-term care report” (2021) van de Europese Commissie en het Comité voor sociale bescherming.

(59)  Studie van het Europees Parlement (2021) “Policies for long-term carers”.

(60)  Eurofound, “Long-term Care Workforce: Employment and working conditions”, Publicatiebureau van de Europese Unie, Luxemburg, 2021.

(61)  Eurofound-verslag (2020) “Long-term care workforce: Employment and working conditions”.

(62)  Verslag van de Europese Commissie over langdurige zorg https://ec.europa.eu/social/BlobServlet?docId=24079&langId=en

(63)  Verslag van de Europese Commissie over langdurige zorg https://ec.europa.eu/social/BlobServlet?docId=24079&langId=en

(64)  EIGE-rapport uit 2020: “Gender inequalities in care and consequences for the labour market”, https://eige.europa.eu/publications/gender-inequalities-care-and-consequences-labour-market

(65)  EIGE-studie (2021) “Gender inequalities in care and consequences for the labour market”.

(66)  Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound), “European Quality of Life Survey 2016 — Quality of life, quality of public services, and quality of society”, Publicatiebureau van de Europese Unie, Luxemburg, 2018.

(67)  https://ec.europa.eu/eurostat/web/main/eurostat/web/main/help/faq/data-services

(68)  EIGE-studie (2021), “Gender inequalities in care and consequences for the labour market”.

(69)  The Global Burden of Disease Study 2019: https://www.thelancet.com/journals/lancet/issue/vol396no10258/PIIS0140-6736(20)X0042-0#

(70)  IAO (2018), “Care work and care jobs for the future of decent work”.

(71)  Studie van het Europees Parlement (2021), “Policies for long-term carers”.

(72)  Studie van het Europees Parlement (2021), “Gender equality: Economic value of care from the perspective of the applicable EU funds”.

(73)  Gezamenlijke verklaring van de Europese sociale partners over kinderopvangvoorzieningen in de EU. https://www.etuc.org/en/document/european-social-partners-joint-statement-childcare-provisions-eu

(74)  Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2021 over de Europese kindergarantie.

(75)  Aanbeveling (EU) 2021/1004 van de Raad tot instelling van een Europese kindergarantie.

(76)  EIGE-studie (2021), “Gender inequalities in care and consequences for the labour market”.

(77)  Verslag van de Europese Commissie over langdurige zorg https://ec.europa.eu/social/BlobServlet?docId=24079&langId=en

(78)  Comité voor sociale bescherming en de Europese Commissie (2021), “Long-term care report”.

(79)  Verslag van de Europese Commissie over langdurige zorg https://ec.europa.eu/social/BlobServlet?docId=24079&langId=en

(80)  Eindverslag van Eurocarers (2021), “Impact of COVID-19 on outbreak on informal carers across Europe”.

(81)  IAO (2022), “Care at work: Investing in care leave and services for a more gender equal world of work”.

(82)  IAO (2022), “Care at work: Investing in care leave and services for a more gender equal world of work”.

(83)  Europese Commissie (2021), Groenboek over vergrijzing.

(84)  https://ec.europa.eu/info/sites/default/files/economy-finance/dp074_en.pdf

(85)  Alzheimer Europe, Dementia in Europe Yearbook 2019 (2020) Estimating the prevalence of dementia in Europe.

(86)  https://www.oecd.org/fr/publications/who-cares-attracting-and-retaining-elderly-care-workers-92c0ef68-en.htm

(87)  https://www.finanzwende-recherche.de/wp-content/uploads/2021/10/Finanzwende_BourgeronMetzWolf_2021_Private-Equity-Investoren-in-der-Pflege_20211013.pdf

(88)  https://www.eurofound.europa.eu/publications/article/2021/wages-in-long-term-care-and-other-social-services-21-below-average

(89)  Primaire preventie is gericht op het voorkomen van het eerste optreden van een aandoening. Secundaire en tertiaire preventie zijn gericht op het stoppen of vertragen van bestaande ziekten en de gevolgen daarvan door middel van vroegtijdige opsporing en passende behandeling; of op het terugdringen van recidiven en het ontstaan van chronische aandoeningen door, bijvoorbeeld, effectieve revalidatie. Referentie: WHO, Health promotion glossary, 1998.

(90)  De gegevens over etnische afstamming moeten op vrijwillige en anonieme basis worden verzameld, uitsluitend met het oog op het opsporen en bestrijden van discriminerende handelingen.

(91)  Zoals vastgelegd in Aanbeveling (EU) 2021/1004 van de Raad van 14 juni 2021 tot instelling van een Europese kindergarantie.

(92)  Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2020 over een sterk sociaal Europa voor rechtvaardige transities (2020/2084(INI)); Resolutie van het Europees Parlement van 7 april 2022 over de EU-bescherming van kinderen en jongeren die vanwege de oorlog in Oekraïne op de vlucht zijn (2022/2618(RSP)).

(93)  Digitale oplossingen, bijvoorbeeld applicaties die zijn samengesteld uit verschillende modules en functies die met de basisvorm van de applicatie kunnen worden gecombineerd, met als resultaat een applicatie die is afgestemd op de behoeften en wensen van de individuele gebruikers.

(94)  https://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=738&langId=en&pubId=7724

(95)  Comité voor sociale bescherming en Europese Commissie (2021), “Long-term care report: Trends, challenges and opportunities in an ageing society”, deel 1.

(96)  Eurofound (2020), “Long-term care workforce: Employment and working conditions”.

(97)  Beleidsondersteunende afdeling Economische Zaken, Wetenschapsbeleid en Levenskwaliteit (2021), EP-studie op verzoek van het DG EMPL: “Policies for long-term carers”.

(98)  Beleidsondersteunende afdeling Economische Zaken, Wetenschapsbeleid en Levenskwaliteit (2021), EP-studie op verzoek van het DG EMPL: “Policies for long-term carers”.

(99)  Santini, Socci e.a. (2020), “Positive and Negative Impacts of Caring among Adolescents Caring for Grandparents. Results from an Online Survey in Six European Countries and Implications for Future Research, Policy and Practice” (https://me-we.eu/wp-content/uploads/2020/10/Positive-and-Negative-Impacts-of-Caring.pdf).

(100)  Met het oog op de overheidsinkomsten moeten de lidstaten nagaan wat de beste manier is om de diensten te formaliseren, en op die manier de inkomsten uit deze diensten te verhogen. Daarbij dienen zij bij de berekeningen rekening te houden met regelingen voor belastingaftrek en het gebruik van dienstencheques.

(101)  Eurofound (2021), “Understanding the gender pay gap: What difference do sector and occupation make?” Publicatiebureau van de Europese Unie, Luxemburg. Eurofound (2021), “Minimum wages in 2021: Annual review”, in de reeks “Minimum wages in the EU”, Publicatiebureau van de Europese Unie, Luxemburg.

(102)  https://www.oecd-ilibrary.org/social-issues-migration-health/who-cares-attracting-and-retaining-elderly-care-workers_92c0ef68-en;jsessionid=CUiqVaYYMpv7-fVciq3IIhh787q6ZHLU19L9LeR1.ip-10-240-5-42

(103)  https://www.eesc.europa.eu/sites/default/files/files/report_on_the_ eesc_country_visits_to_uk_germany_italy_poland_0.pdf.


7.2.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 47/63


P9_TA(2022)0279

Geestelijke gezondheid in de digitale arbeidswereld

Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2022 over geestelijke gezondheid in de digitale arbeidswereld (2021/2098(INI))

(2023/C 47/05)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

gezien de artikelen 4, 6, 9, 114, 153, 169 en 191, en met name artikel 168 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de artikelen 2, 3, 14, 15, 21, 31, 32 en 35 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het “Handvest”),

gezien de Europese pijler van sociale rechten, en met name beginsel 10,

gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap,

gezien de VN-strategie inzake geestelijke gezondheid en welzijn van 2018,

gezien het manifest van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor een gezond herstel van COVID-19 van 18 mei 2020,

gezien de Werelddag van de geestelijke gezondheid 2021 van de WHO met als thema “Geestelijke gezondheidszorg voor iedereen: laten we het waarmaken”,

gezien het Europees kader voor actie inzake geestelijke gezondheid 2021-2025 van de WHO,

gezien de studie over gezondheidsbeleid van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) van 8 juni 2021 getiteld “A New Benchmark for Mental Health Systems: Tackling the Social and Economic Costs of Mental Ill Health” (Een nieuwe benchmark voor stelsels voor geestelijke gezondheidszorg: de sociale en economische kosten van geestelijke gezondheidsproblemen aanpakken), en de evaluatie van de OESO van 4 november 2021 over geestelijke gezondheid en werk getiteld “Fitter Minds, Fitter Jobs: From Awareness to Change in Integrated Mental Health Skills and Work Policies” (Gezondere geest, gezondere banen: van bewustzijn naar verandering met een geïntegreerd beleid voor geestelijke gezondheid, vaardigheden en werk),

gezien Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (1),

gezien Richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers (2),

gezien Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (3),

gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (4),

gezien Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (5),

gezien Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (6),

gezien Richtlijn 89/654/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor arbeidsplaatsen (7),

gezien Richtlijn 90/270/EEG van de Raad van 29 mei 1990 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid met betrekking tot het werken met beeldschermapparatuur (8),

gezien zijn resolutie van 17 april 2020 over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden (9),

gezien zijn resolutie van 10 juli 2020 over de EU-strategie voor volksgezondheid na COVID-19 (10),

gezien zijn resolutie van 21 januari 2021 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende het recht om offline te zijn (11),

gezien zijn resolutie van 17 februari 2022 over de empowerment van Europese jongeren: werkgelegenheid en sociaal herstel na de pandemie (12),

gezien zijn resolutie van 16 september 2021 over eerlijke arbeidsvoorwaarden, rechten en sociale bescherming voor platformwerkers — nieuwe vormen van werkgelegenheid die gekoppeld zijn aan de digitale ontwikkeling (13),

gezien de conclusies van de Raad van 24 oktober 2019 over de economie van het welzijn (14), waarin wordt gepleit voor een alomvattende EU-strategie inzake geestelijke gezondheid,

gezien de conclusies van de Raad van 8 juni 2020 over het verbeteren van het welzijn op het werk,

gezien de mededeling van de Commissie van 28 juni 2021 getiteld “Strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2021-2027 — Gezondheid en veiligheid op het werk in een veranderende arbeidswereld” (COM(2021)0323),

gezien het groenboek van de Commissie van 14 oktober 2005 getiteld “De geestelijke gezondheid van de bevolking verbeteren. Naar een strategie inzake geestelijke gezondheid voor de Europese Unie” (COM(2005)0484),

gezien het verslag van de Commissie van 14 juli 2021 getiteld “Employment and Social Developments in Europe — towards a strong social Europe in the aftermath of the COVID-19 crisis: reducing disparities and addressing distributional impacts” (Werkgelegenheids- en sociale ontwikkelingen in Europa — naar een sterk sociaal Europa in de nasleep van de COVID-19-crisis: verschillen verkleinen en verdelingseffecten aanpakken),

gezien het Europees pact voor geestelijke gezondheid en welzijn van 2008,

gezien het verslag van het Europees Jeugdforum van 17 juni 2021 getiteld “Beyond Lockdown: the “pandemic scar” on young people” (Na de lockdown: het “litteken van de pandemie” bij jongeren),

gezien het verslag van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound) van 9 november 2021 getiteld “Gevolgen van COVID-19 voor jongeren in de EU” en haar verslag van 10 mei 2021 getiteld “Leven, werken en COVID-19: Geestelijke gezondheid en vertrouwen in de EU afgenomen in tweede pandemiejaar”,

gezien het verslag van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk (EU-OSHA) van 7 december 2020 getiteld “Preventie van spier- en skeletaandoeningen bij een divers personeelsbestand: risicofactoren voor vrouwen, migranten en lhbti-werknemers”,

gezien het verslag van EU-OSHA van 7 oktober 2011 getiteld “Mental health promotion in the workplace — a good practice report” (Bevordering van geestelijke gezondheid op het werk — overzicht van goede praktijken),

gezien het verslag van EU-OSHA van 22 oktober 2021 getiteld “Telewerken en gezondheidsrisico’s in de context van de COVID-19-pandemie: gegevens uit de praktijk en beleidsimplicaties”,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 12 december 2012 getiteld “Europees Jaar van de geestelijke gezondheid — Beter werk en meer levenskwaliteit” (15),

gezien het advies van de deskundigengroep inzake doeltreffende manieren om te investeren in gezondheid van de Commissie van 23 juni 2021 getiteld “Supporting mental health of the health workforce and other essential workers” (De geestelijke gezondheid van gezondheidswerkers en andere essentiële werknemers ondersteunen),

gezien het gezamenlijk verslag van EU-OSHA en Eurofound van 13 oktober 2014 getiteld “Psychosociale risico’s in Europa: prevalentie en strategieën voor preventie”,

gezien de “2021 Employee Experience Survey” (Enquête over werknemerservaringen 2021) van Willis Towers Watson,

gezien de verzoekschriften die zijn ingediend bij de Commissie verzoekschriften, bijvoorbeeld nr. 0956/2018 en nr. 1186/2018,

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A9-0184/2022),

A.

overwegende dat het recht op lichamelijke en geestelijke gezondheid een fundamenteel mensenrecht is en dat iedere mens recht heeft op het hoogst haalbare niveau van gezondheid; overwegende dat de WHO geestelijke gezondheid definieert als “een staat van geestelijk welzijn die mensen in staat stelt om te gaan met de stressfactoren van het leven, hun potentieel te vervullen, goed te leren en te werken en een bijdrage te leveren aan hun gemeenschap” (16); overwegende dat geestelijke gezondheid tevens gekoppeld is aan andere grondrechten, zoals het recht op menselijke waardigheid dat is verankerd in artikel 1 van het Handvest van de grondrechten van de EU, en het recht op menselijke integriteit, met inbegrip van geestelijke integriteit, dat is verankerd in artikel 3 van het Handvest;

B.

overwegende dat uit onderzoek blijkt dat de COVID-19-pandemie invloed heeft gehad op organisatorische en managementpraktijken en de arbeidsomstandigheden voor veel werknemers in Europa heeft veranderd, met gevolgen voor de arbeidstijd, het welzijn en de fysieke omgeving van de werkplek; overwegende dat gezondheidswerkers en essentiële werknemers aan buitengewone eisen moesten voldoen; overwegende dat deze werknemers te maken kregen met een veeleisende werkomgeving, een gebrek aan bescherming en angst voor hun veiligheid, hetgeen negatieve psychologische sporen heeft nagelaten; overwegende dat inzicht in geestelijke gezondheidsproblemen op het werk niet alleen inhoudt dat men op de hoogte is van psychische stoornissen volgens de diagnostische criteria van de International Classification of Diseases for Mortality and Morbidity Statistics (bijvoorbeeld depressie) (17), maar ook dat men streeft naar het bevorderen van welzijn, het voorkomen van onbegrip en stigmatisering en het uitwerken en invoeren van de juiste maatregelen en behandelingen om met deze stoornissen om te gaan (18);

C.

overwegende dat de pandemie een forse toename van zorgtaken in combinatie met werk heeft veroorzaakt, hetgeen onevenredig grote gevolgen heeft gehad voor vrouwen en de genderkloof op het gebied van onbetaalde zorg groter heeft gemaakt; overwegende dat dit negatieve gevolgen heeft gehad voor de geestelijke gezondheid van mensen met zorgtaken, aangezien veel werknemers veel meer stress te verwerken kregen doordat ze tijdens lockdowns meer zorgtaken op het gebied van thuisonderwijs en kinderopvang op zich moesten nemen of mantelzorg moesten verlenen dan wel andere vormen van werk voor afhankelijke familieleden moesten verrichten;

D.

overwegende dat uit onderzoek blijkt dat de pandemie aanleiding heeft gegeven tot telewerkregelingen op grote schaal, hetgeen een aantal positieve gevolgen heeft gehad, zoals meer flexibiliteit en autonomie, en in sommige gevallen een beter evenwicht tussen werk en privéleven; overwegende dat deze voordelen echter niet altijd opwegen tegen de negatieve gevolgen, zoals een overdreven mate van connectiviteit, een vervaging van de grenzen tussen werk en privéleven, een grotere arbeidsintensiteit en technologiegerelateerde stress; overwegende dat uit de COVID-19-enquêtes van Eurofound naar voren is gekomen dat de pandemie voor werknemers die op afstand werkten gepaard ging met tal van uitdagingen; overwegende dat de aanzienlijke toename van telewerken weliswaar voordelen kan opleveren voor werknemers en bedrijven, maar dat het recht op lichamelijke en geestelijke gezondheid ook in deze context moet worden gewaarborgd en bevorderd;

E.

overwegende dat psychosociale risico’s de meest voorkomende gezondheidsrisico’s zijn bij telewerken; overwegende dat een toegenomen prevalentie van telewerken gepaard gaat met lange werktijden en werkgerelateerde stress; overwegende dat psychosociale risico’s volgens EU-OSHA kunnen uitmonden in negatieve psychologische, lichamelijke en sociale effecten zoals werkgerelateerde angstgevoelens, burn-out of depressie; overwegende dat de werkomstandigheden die psychosociale risico’s inhouden onder meer kunnen bestaan uit een te hoge werkbelasting, tegenstrijdige eisen, een gebrek aan duidelijkheid over de rol die men moet vervullen, een gebrek aan inspraak bij de besluitvorming over zaken die de werknemer aanbelangen, een gebrek aan invloed op de manier waarop men zijn werk moet doen, organisatorische veranderingen waarvan het beheer te wensen overlaat, een gebrek aan werkzekerheid, ondoeltreffende communicatie, een gebrek aan ondersteuning door leidinggevenden of collega’s, psychologische en seksuele intimidatie, en geweld door derden; overwegende dat in de lidstaten geen gemeenschappelijke wettelijk bindende normen en beginselen gelden met betrekking tot psychosociale risico’s, wat in feite neerkomt op een ongelijke wettelijke bescherming van werknemers;

F.

overwegende dat steeds meer werkgevers digitale hulpmiddelen als apps, software en artificiële intelligentie (AI) inzetten om hun werknemers aan te sturen; overwegende dat management op basis van algoritmen als zodanig nieuwe uitdagingen met zich meebrengt voor de toekomst van werk, zoals door technologie ondersteunde controle en bewaking via voorspellings- en signaleringsinstrumenten, het in real time van op afstand volgen van vooruitgang en prestaties, alsook tijdregistratie, hetgeen aanzienlijke risico’s kan inhouden voor de gezondheid en veiligheid van werknemers, met name hun geestelijke gezondheid en hun recht op privacy en menselijke waardigheid; overwegende dat de aard van werk aan het veranderen is door digitalisering en geavanceerde nieuwe technologieën zoals AI en op AI gebaseerde machines; overwegende dat inmiddels ongeveer 40 % van de personeelsafdelingen bij internationale bedrijven gebruikmaakt van AI-toepassingen en dat 70 % dit als een hoge prioriteit voor hun organisatie beschouwt; overwegende dat de nieuwe digitale economie moet worden gereguleerd om gedeelde welvaart te bevorderen en het welzijn van de samenleving als geheel te waarborgen;

G.

overwegende dat deze nieuwe situatie ons dwingt een nieuwe en ruimere definitie van gezondheid en veiligheid op het werk te hanteren, die niet langer los van geestelijke gezondheid kan worden gezien;

H.

overwegende dat de COVID-19-pandemie onevenredig grote gevolgen heeft gehad voor het geestelijke welzijn van werknemers in de gezondheidszorg en langdurige zorg — voor het merendeel vrouwen — en kwetsbare bevolkingsgroepen, waaronder etnische minderheden, de lhbtiq+-gemeenschap, ouderen, alleenstaande ouders, personen met een handicap en personen met een voorgeschiedenis van geestelijke gezondheidsproblemen, mensen met een lagere sociaal-economische status, werklozen, en mensen die in de ultraperifere regio’s of in afgelegen, slecht verbonden gebieden wonen; overwegende dat de geestelijke gezondheid van jongeren tijdens de pandemie aanzienlijk is verslechterd, waarbij de problemen op het gebied van geestelijke gezondheid in diverse lidstaten zijn verdubbeld en waardoor er sprake is van ernstige gevolgen voor de werkgelegenheid bij jongeren en een daling van hun inkomen, onder meer door banenverlies; overwegende dat negen miljoen adolescenten in Europa (jongeren van 10 tot 19 jaar) met een psychische stoornis leven, waarbij angst en depressie meer dan de helft van de gevallen uitmaken;

I.

overwegende dat al te veel mensen in de EU geen toegang hebben tot openbare geestelijke gezondheidszorg en bedrijfsgeneeskundige diensten; overwegende dat geestelijk welzijn in alle leeftijdsgroepen op een dieptepunt is beland sinds het begin van de pandemie, waarbij de verslechtering van de geestelijke gezondheid kan worden toegeschreven aan verstoringen van de toegang tot geestelijke gezondheidszorg, een toegenomen werkbelasting en een arbeidsmarktcrisis die jongeren onevenredig hard heeft getroffen; overwegende dat bekend is dat openbare geestelijke gezondheidszorg en bedrijfsgeneeskundige diensten ondergefinancierd zijn; overwegende dat er bij werkgerelateerde stress diverse factoren in het spel kunnen zijn, zoals tijdsdruk, lange of onregelmatige werktijden, alsook slechte communicatie en samenwerking binnen de organisatie; overwegende dat er een sterk onderling verband bestaat tussen migraine of ernstige hoofdpijn en comorbide psychiatrische stoornissen als depressie en angst, hetgeen op zijn beurt de prestaties op het werk beïnvloedt en leidt tot arbeidsverzuim; overwegende dat klinisch en toegepast onderzoek naar de preventie, diagnose en behandeling van geestelijke gezondheidsproblemen eveneens zwaar ondergefinancierd is; overwegende dat geestelijke gezondheidsproblemen momenteel de belangrijkste oorzaak zijn van de wereldwijde morbiditeit en dat zelfmoord de op één na belangrijkste doodsoorzaak bij jongeren in Europa is; overwegende dat preventie, bewustmaking, welzijnsactiviteiten en bevordering van de geestelijke gezondheid en een gezonde cultuur op het werk positieve resultaten kunnen opleveren om de gezondheid van werknemers te verbeteren (19);

J.

overwegende dat het bij problemen op het werk die van invloed zijn op de geestelijke gezondheid onder meer gaat over arbeidsgerelateerde burn-out, bore-out, stress, intimidatie, geweld, stigmatisering, discriminatie en beperkte groei- of promotiemogelijkheden, aspecten die online nog kunnen worden verergerd; overwegende dat de WHO vorig jaar aan het licht heeft gebracht dat wereldwijd meer dan 300 miljoen mensen te kampen hebben met werkgerelateerde psychische stoornissen zoals burn-out, angst, depressie of posttraumatische stress, hetgeen overeenstemt met het feit dat een op de vier Europese werknemers van mening is dat werk negatieve gevolgen heeft voor hun gezondheid (20); overwegende dat een negatieve werkomgeving kan leiden tot lichamelijke en geestelijke gezondheidsproblemen, schadelijk gebruik van middelen of alcohol, ziekteverzuim en productiviteitsverlies;

K.

overwegende dat de kosten van geestelijke gezondheidsproblemen in 2015 in alle EU-lidstaten naar schatting ruim 4 % van het bbp bedroegen; overwegende dat de kosten van werkgerelateerde depressie, een van de voornaamste oorzaken van arbeidsongeschiktheid en depressie, worden geraamd op 620 miljard EUR per jaar, wat neerkomt op een verlies aan economische output van 240 miljard EUR (21); overwegende dat de totale geraamde kosten in verband met alle vormen van hoofdpijn in de EU ruim 110 miljard EUR per jaar bedragen, waarvan ongeveer 50 miljard EUR wordt toegeschreven aan migraine; overwegende dat de preventiegerelateerde begrotingen in alle EU-lidstaten op een laag niveau van 3 % van de totale gezondheidsuitgaven blijven;

L.

overwegende dat werkgevers op grond van de EU-regelgeving inzake gezondheid en veiligheid op het werk (22) de plicht hebben de veiligheid en gezondheid van werknemers in alle aspecten van hun werk te beschermen; overwegende dat werkgevers ook in de context van telewerken verantwoordelijk blijven voor de gezondheid en veiligheid op het werk; overwegende dat vakbonden en instanties voor gezondheid en veiligheid op het werk een cruciale rol spelen bij de verdediging van het fundamentele mensenrecht van werknemers op een veilige en betrouwbare werkplek, ook bij telewerken;

M.

overwegende dat bij jongeren stabiele werkgelegenheid, gezondheid (met inbegrip van geestelijke gezondheid), goede omstandigheden om zich ten volle te kunnen ontplooien en het gevoel invloed te hebben en betrokken te zijn de basisvoorwaarden vormen om uit de crisis te komen, de samenlevingen te versterken en de economieën weer op te bouwen;

Geestelijke gezondheid en digitaal werk: lessen die uit de COVID-19-pandemie zijn getrokken

1.

betreurt dat de geestelijke gezondheid van werknemers en zelfstandigen tijdens de COVID-19-pandemie werd aangetast door verstoringen van tal van diensten zoals onderwijs, gezondheidszorg en sociale ondersteuning, en door toegenomen stressfactoren zoals financiële onzekerheid, angst om werkloos te worden, beperkte toegang tot gezondheidszorg, isolement, technologiegerelateerde stress, veranderingen in werktijden, gebrekkige werkorganisatie en telewerken; roept op om dringend aandacht te besteden aan geestelijke gezondheid door middel van terreinoverschrijdend en geïntegreerd beleid, als onderdeel van een allesomvattende EU-strategie inzake geestelijke gezondheid en een Europese zorgstrategie die worden aangevuld met nationale actieplannen; herinnert de Commissie er met name aan dat de bescherming van de gezondheid van werknemers een integraal onderdeel moet zijn van de paraatheidsplannen van EU-OSHA ter preventie van toekomstige gezondheidscrises;

2.

benadrukt dat de COVID-19-pandemie en de daaropvolgende economische crisis een enorme druk hebben uitgeoefend op de geestelijke gezondheid en het welzijn van alle burgers, maar vooral van werknemers, zelfstandigen, jongeren, studenten die de arbeidsmarkt betreden en ouderen, waardoor er sprake is van een toenemende prevalentie van werkgerelateerde psychosociale risico’s en hogere stress-, angst- en depressiecijfers;

3.

benadrukt dat de COVID-19-pandemie een nadelige uitwerking heeft gehad op de overgang van onderwijs naar werk en daardoor grote stress, angst en onzekerheid kan veroorzaken bij jongeren die aan het begin van hun loopbaan staan, hetgeen waarschijnlijk ook hun kansen op een baan zal verslechteren en ertoe kan leiden dat zij in een vicieuze cirkel van problemen op het vlak van hun geestelijke gezondheid en welzijn belanden; dringt aan op meer steun voor geestelijke gezondheid, ook voor openbare diensten voor arbeidsvoorziening, zodat aandacht kan worden besteed aan het welzijn van werklozen;

4.

betreurt dat aan geestelijke gezondheid niet dezelfde prioriteit wordt toegekend als aan lichamelijke gezondheid en dat de sector in alle lidstaten over onvoldoende middelen en gekwalificeerd personeel beschikt, in weerwil van de intrinsieke voordelen die gepaard gaan met een betere gezondheid en toegenomen welzijn, en de aanzienlijke winst op het vlak van economische productiviteit en grotere arbeidsparticipatie als gevolg van openbare investeringen in geestelijke gezondheid; is van mening dat snel handelen geboden is om de huidige situatie te verbeteren;

5.

verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten om het hoge niveau van werkgerelateerde geestelijke gezondheidsproblemen in de hele EU te erkennen en zich er nadrukkelijk toe te verbinden maatregelen te treffen om een digitale arbeidswereld te reguleren en ten uitvoer te leggen die bijdraagt tot de preventie van geestelijke gezondheidsproblemen, de bescherming van de geestelijke gezondheid en het evenwicht tussen werk en privéleven, en een versterking van de rechten inzake sociale bescherming op het werk; doet een oproep om met het oog hierop een dialoog aan te gaan en inspanningen te leveren, in samenspraak met vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers, met inbegrip van vakbonden; benadrukt in dit verband dat het van essentieel belang is dat op elke werkplek preventieplannen voor geestelijke gezondheidsrisico’s worden vastgesteld; dringt aan op een follow-up van de uitvoering van het Europees kader voor actie inzake geestelijke gezondheid 2021-2025 van de WHO;

6.

betreurt de discrepantie tussen de hoeveelheid maatregelen die de EU daadwerkelijk heeft genomen op het gebied van gezondheid en de reikwijdte die wordt geboden door het Verdrag betreffende de Europese Unie, en dringt erop aan dat er binnen de grenzen van deze bevoegdheden meer EU-maatregelen worden genomen; is van mening dat de volgende gezondheidscrisis om geestelijke gezondheid zal gaan en dat de Commissie moet optreden en alle mogelijke risico’s moet aanpakken door middel van bindende en niet-bindende maatregelen, voor zover noodzakelijk, en dat zij een allesomvattende EU-strategie inzake geestelijke gezondheid moet opstellen, in overeenstemming met de conclusies van de Raad van 24 oktober 2019 over de economie van het welzijn;

7.

merkt op dat met een EU-strategie inzake geestelijke gezondheid moet worden beoogd de lidstaten ertoe te verplichten geestelijke gezondheidszorg te integreren in lichamelijke gezondheidszorg, gezien de nauwe verbondenheid tussen beide, de verlening van empirisch onderbouwde en op mensenrechten gebaseerde doeltreffende zorg te verzekeren, het aanbod van diensten uit te breiden zodat meer mensen toegang krijgen tot een behandeling en mensen bij te staan bij het vinden van werk of het behouden van hun baan, naast andere initiatieven; benadrukt dat een slechte geestelijke gezondheid het welzijn van werknemers aantast en de stelsels van sociale voorzieningen op kosten jaagt met extra uitgaven voor gezondheidszorg en sociale zekerheid; benadrukt de verantwoordelijkheid van de werkgever en de essentiële rol van zowel de werkgever als de sociale partners bij het ontwerpen en uitvoeren van dergelijke initiatieven;

8.

herinnert eraan dat de pandemie licht heeft geworpen op de wijdverbreide crisis op het vlak van geestelijke gezondheid in heel Europa en de uiteenlopende respons hierop in de lidstaten, en heeft aangetoond hoe belangrijk het is beste praktijken uit te wisselen om op noodsituaties op gezondheidsgebied te reageren, waarbij lacunes op het gebied van prognoses, met inbegrip van paraatheid, responsinstrumenten en toereikende financiering aan het licht zijn gekomen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om in hun paraatheids- en responsplannen voor noodsituaties bij een gezondheidscrisis of pandemie ook rekening te houden met de effecten op de geestelijke gezondheid; is van mening dat de huidige crisis op het vlak van geestelijke gezondheid moet worden beschouwd als een noodsituatie op gezondheidsgebied;

9.

is ingenomen met de lopende onderhandelingen over een verordening tot intrekking van Besluit nr. 1082/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 over ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid (23), alsook met de lopende onderhandelingen over de hervorming van het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding en de versterking van het mandaat van het Europees Geneesmiddelenbureau;

10.

prijst de essentiële werknemers en eerstelijnswerkers die hun eigen welzijn hebben opgeofferd om gedurende de pandemie levensreddend werk te verrichten; maakt zich zorgen over de grotere werkgerelateerde risico’s voor de geestelijke gezondheid die werknemers in de gezondheidszorg en de langdurige zorg lopen; verzoekt de Commissie om in haar komende voorstellen over geestelijke gezondheid op het werk bijzondere aandacht te schenken aan essentiële werknemers en eerstelijnswerkers; verzoekt de lidstaten hun arbeidsomstandigheden te verbeteren, personeelstekorten aan te pakken en de nodige middelen uit te trekken om ervoor te zorgen dat dergelijke offers niet opnieuw nodig zijn, en ervoor te zorgen dat werknemers onmiddellijk toegang hebben tot adequate voorzieningen en bescherming op het gebied van geestelijke gezondheid, alsook tot psychosociale interventies, die ook na de acute crisisperiode beschikbaar moeten blijven; benadrukt dat de overgrote meerderheid van essentiële werknemers en eerstelijnswerkers vrouwen zijn en vaak een lager inkomen hebben, met grotere werkgerelateerde geestelijke gezondheidsrisico’s tot gevolg;

De digitale transitie en geestelijke gezondheid

11.

erkent dat een kwaliteitsvolle baan er mee voor kan zorgen dat mensen een doel hebben, en tevens financiële zekerheid en onafhankelijkheid kan helpen bieden; benadrukt het positieve verband tussen een goede geestelijke gezondheid, goede arbeidsvoorwaarden, een toereikend salaris, arbeidsproductiviteit, welzijn en levenskwaliteit; merkt op dat het gevoel bij werknemers om een doel en een identiteit te hebben onder druk kan komen te staan in een context van toenemende digitalisering, hetgeen kan leiden tot lichamelijke en geestelijke gezondheidsproblemen; bevestigt dat preventie daarom van cruciaal belang is; is van mening dat adequate arbeidsomstandigheden en actieve arbeidsmarktprogramma’s psychosociale risico’s kunnen helpen bestrijden door kansen te bieden voor kwaliteitsvolle banen en sociale bescherming; merkt op dat depressie en psychische stoornissen een belemmering kunnen vormen om te blijven werken en om een baan te vinden, en dat er aanvullende steun nodig is voor werkzoekenden;

12.

erkent de mogelijkheden die de digitale transformatie kan bieden voor de arbeidsparticipatie van personen met een handicap op de open arbeidsmarkt; benadrukt in dit verband dat de digitale transformatie niet mag leiden tot isolement en sociale uitsluiting; vestigt bovendien de aandacht op de moeilijkheden die worden ervaren door ouderen, die een bijzonder groot risico op digitale uitsluiting lopen als gevolg van veranderende arbeidsomstandigheden en nieuwe digitale hulpmiddelen; benadrukt het belang van toegang voor alle werknemers, en met name voor alle ouderen, tot een leven lang leren en professionele ontwikkeling, afgestemd op hun individuele behoeften; roept de lidstaten op om het aanbod van digitaal onderwijs voor ouderen uit te breiden; benadrukt het belang van intergenerationele uitwisseling in de werkomgeving;

13.

herinnert eraan dat proactieve benaderingen van digitalisering, zoals het versterken van digitale vaardigheden op de werkvloer of het toestaan van flexibele werkuren, kunnen helpen om werkgerelateerde stress te beperken; wijst erop dat AI het potentieel heeft om de arbeidsomstandigheden en de levenskwaliteit te verbeteren, met inbegrip van een beter evenwicht tussen werk en privéleven en een betere toegankelijkheid voor personen met een handicap, alsook het potentieel om de ontwikkeling van de arbeidsmarkt te voorspellen en het personeelsbeleid te ondersteunen als hulpmiddel om menselijke vooroordelen te voorkomen; waarschuwt echter dat AI ook aanleiding geeft tot bezorgdheid in verband met privacy en gezondheid en veiligheid op het werk, zoals het recht om offline te zijn, en kan leiden tot onevenredige en illegale bewaking en monitoring van werknemers, waardoor hun waardigheid en privacy worden geschonden, alsook tot discriminerende behandeling in aanwervingsprocedures en op andere gebieden als gevolg van vertekende algoritmen, onder meer op grond van gender, ras en etniciteit; is voorts bezorgd dat AI de vrijheid en autonomie van mensen kan ondermijnen, onder meer via voorspellings- en signaleringsinstrumenten, realtime monitoring en tracering, en geautomatiseerde gedragsnudging, en kan bijdragen tot geestelijke gezondheidsproblemen bij werknemers, zoals burn-out, technologiegerelateerde stress, psychologische overbelasting en vermoeidheid; benadrukt dat AI-oplossingen op het werk transparant en eerlijk moeten zijn, geen negatieve gevolgen voor werknemers mogen hebben en moeten worden besproken tijdens onderhandelingen tussen vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers, met inbegrip van vakbonden; verzoekt de Commissie en de lidstaten in dit verband om een wetgevingsvoorstel over AI op het werk te ontwikkelen om passende bescherming te waarborgen wat de rechten en het welzijn van werknemers betreft, met inbegrip van hun geestelijke gezondheid en hun grondrechten, onder meer op het vlak van non-discriminatie, privacy en menselijke waardigheid op een werkplek die steeds digitaler wordt; merkt op dat met name kwetsbare groepen van werknemers, waaronder jongeren, vrouwen en lhbtqi+-ers, doorgaans onevenredig zwaar te lijden hebben onder online-intimidatie; benadrukt dat slechts 60 % van de lidstaten over specifieke wetgeving beschikt om pesten en geweld op het werk aan te pakken en verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom met gerichte verplichte maatregelen te komen om dit groeiende probleem op de werkplek te keren en aan te pakken en de slachtoffers met alle noodzakelijke middelen te beschermen;

14.

verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat de preventieve en beschermingsmaatregelen om een einde te maken aan geweld, discriminatie en intimidatie op het werk, in voorkomend geval met inbegrip van geweld en intimidatie door derden (d.w.z. door klanten, cliënten, bezoekers of patiënten), van toepassing zijn ongeacht de reden of oorzaak van de intimidatie en niet beperkt blijven tot gevallen waarbij sprake is van discriminatie; verzoekt de lidstaten verdrag nr. 190 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) inzake het uitbannen van geweld en pesterijen op de werkvloer en IAO-aanbeveling nr. 206 inzake geweld en pesterijen te ratificeren en de noodzakelijke wetgeving en beleidsmaatregelen vast te stellen om geweld en intimidatie op het werk te verbieden, te voorkomen en aan te pakken; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het toepassingsgebied van de voorgestelde richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (24) ten volle betrekking heeft op geweld en intimidatie op het werk als misdrijf, en dat werknemers passende bescherming wordt geboden in overleg met de vakbonden;

15.

benadrukt dat werknemers moeten worden beschermd tegen uitbuiting door hun werkgevers in het geval van gebruik van AI en management op basis van algoritmen, waaronder voorspellings- en signaleringsinstrumenten waarmee het gedrag van werknemers kan worden voorspeld en overtredingen van de regels of fraude door werknemers kunnen worden opgespoord of ontmoedigd, en het in real time volgen van vooruitgang en prestaties, software voor tijdregistratie en geautomatiseerde gedragsnudging; dringt aan op een verbod op bewaking van werknemers;

16.

is van mening dat er een nieuw paradigma moet worden ontwikkeld waarin rekening wordt gehouden met de complexiteit van de hedendaagse werkomgeving wat geestelijke gezondheid betreft, aangezien de regelgevingsinstrumenten die momenteel van toepassing zijn niet volstaan om de gezondheid en veiligheid van werknemers te garanderen en moeten worden geactualiseerd en verbeterd;

17.

benadrukt dat het gebruik van technologie en AI op het werk nooit ten koste mag gaan van de geestelijke gezondheid en het welzijn van werknemers; merkt op dat de toepassing van AI op het werk niet mag leiden tot buitensporige monitoring ter wille van de productiviteit of tot bewaking van werknemers;

18.

wijst op het bestaan van een grote digitale genderkloof op het gebied van specialistische vaardigheden en werkgelegenheid in de ICT-sector, waar slechts 18 % van de werknemers vrouw is en 82 % man (25); acht het van vitaal belang dat technologische systemen op inclusieve wijze worden ontworpen, teneinde discriminatie, geestelijke gezondheidsproblemen of andere schadelijke effecten als gevolg van een niet-inclusief ontwerp te voorkomen; verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem samen te werken om de digitale genderkloof voor vrouwen op het gebied van wetenschap, technologie, engineering en wiskunde (STEM) te dichten en te onderzoeken of het mogelijk is ICT-organisaties stimulansen te bieden om divers personeel aan te werven;

19.

is ingenomen met Richtlijn (EU) 2019/1158 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers, omdat deze flexibiliteit biedt en kan worden gebruikt om werkgerelateerde problemen te verlichten; benadrukt echter dat vrouwen nog steeds onevenredig zwaar worden getroffen, zoals is gebleken tijdens de pandemie; is van mening dat telewerken weliswaar veel mogelijkheden biedt, maar ook uitdagingen met zich meebrengt wat de sociale, professionele en digitale kloof betreft; benadrukt dat vrouwen nog steeds het vaakst verlof om gezinsredenen opnemen, waardoor de hiermee samenhangende negatieve gevolgen voor hun loopbaanontwikkeling, zelfontplooiing, loon en pensioenrechten blijven bestaan; verzoekt de lidstaten om verder te gaan dan wat op grond van de richtlijn vereist is en het aantal dagen zorgverlof te verhogen en mantelzorgers die verlof opnemen een financiële tegemoetkoming te geven; dringt er bij de lidstaten op aan zich sterk te maken voor de bescherming van de tijd die werknemers met hun gezin doorbrengen en van het evenwicht tussen werk en privéleven; verzoekt de lidstaten een gelijke verdeling van zorgtaken tussen vrouwen en mannen aan te moedigen door middel van niet-overdraagbare betaalde verlofperioden voor ouders, hetgeen vrouwen in staat zou stellen meer voltijds te gaan werken; merkt op dat vrouwen meer risico lopen op stress, uitputting, burn-out en psychologisch geweld als gevolg van nieuwe telewerkregelingen en het gebrek aan regelgeving om arbeidspraktijken die neerkomen op misbruik te beheersen;

20.

wijst op de verschuiving naar telewerken tijdens de pandemie en de flexibiliteit die dit bood voor veel werknemers en voor zelfstandigen; erkent echter dat telewerken ook bijzonder problematisch is gebleken voor de meest kansarme personen en eenoudergezinnen; erkent dat telewerken in combinatie met kinderopvang, met name voor kinderen met speciale behoeften, een gevaar kan vormen voor het gezinsleven en het welzijn van zowel ouders als kinderen; moedigt werkgevers aan te voorzien in duidelijke en transparante regels inzake telewerkregelingen om ervoor te zorgen dat de werktijden worden gerespecteerd en om sociaal en professioneel isolement en de vervaging tussen arbeidstijd en andere thuis doorgebrachte tijd te voorkomen; stelt vast dat telewerken een grote impact blijkt te hebben op de organisatie van de arbeidstijd doordat er meer flexibiliteit mogelijk is en werknemers hierdoor voortdurend beschikbaar zijn, waardoor er vaak conflicten ontstaan tussen werk en privéleven; wijst erop dat telewerken, mits dit naar behoren wordt gereguleerd en toegepast, werknemers flexibiliteit kan bieden om hun werktijden en -roosters aan te passen aan hun eigen behoeften en die van hun gezin; benadrukt in dit verband dat een volledige of gedeeltelijke verschuiving naar telewerken het resultaat moet zijn van een overeenkomst tussen de vertegenwoordigers van de werkgever en de werknemers;

21.

stelt met bezorgdheid vast dat telewerken nog niet voor alle werknemers beschikbaar is; benadrukt de effecten van de verschuiving naar telewerken op de geestelijke gezondheid van personen die het risico op digitale uitsluiting lopen; benadrukt dat de digitale kloof in Europa moet worden bestreden en dat omscholing van jongeren en ouderen noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat alle werknemers over een voldoende hoog niveau van digitale vaardigheden beschikken; dringt aan op meer gerichte investeringen in het bijbrengen van digitale vaardigheden, met name aan groepen die vaker met digitale uitsluiting te maken krijgen, zoals mensen met een lagere sociaal-economische status, mensen met een laag opleidingsniveau, ouderen en mensen die in landelijke en afgelegen gebieden wonen; verzoekt de Commissie een wetgevingskader voor te stellen om in de hele EU minimumvereisten voor telewerken vast te stellen zonder de arbeidsomstandigheden van telewerkers te ondermijnen; benadrukt dat een dergelijk wetgevingskader duidelijkheid moet verschaffen over arbeidsomstandigheden en ervoor moet zorgen dat dit soort werk op vrijwillige basis wordt uitgevoerd en dat voor telewerkers dezelfde rechten, hetzelfde evenwicht tussen werk en privéleven, dezelfde werkbelasting en dezelfde prestatienormen gelden als voor vergelijkbare werknemers die op de werkvloer aanwezig zijn; verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te treffen met betrekking tot toegankelijkheid en inclusieve technologie voor personen met een handicap; merkt op dat dit kader moet worden ontwikkeld in overleg met de lidstaten en de Europese sociale partners, met volledige eerbiediging van de nationale arbeidsmarktmodellen en met inachtneming van de kaderovereenkomst inzake telewerken en de kaderovereenkomst inzake digitalisering van de Europese sociale partners; verzoekt de Commissie en de lidstaten om bijzondere aandacht te schenken aan personen met een geestelijke of lichamelijke beperking; benadrukt dat de arbeidsomstandigheden van telewerkers gelijkwaardig zijn aan die van mensen die op de werkplek aanwezig zijn en dat er specifieke maatregelen moeten worden getroffen om het welzijn van telewerkers op te volgen en te ondersteunen;

22.

is van mening dat het recht om offline te zijn van essentieel belang is om het geestelijk welzijn van werknemers en zelfstandigen te waarborgen, vooral voor vrouwelijke werknemers en werknemers met atypische vormen van werk, en moet worden aangevuld met een preventieve en collectieve aanpak van werkgerelateerde psychosociale risico’s; verzoekt de Commissie om in overleg met de sociale partners met een voorstel te komen voor een richtlijn betreffende minimumnormen en -voorwaarden om ervoor te zorgen dat alle werknemers hun recht om offline te zijn daadwerkelijk kunnen uitoefenen en om het gebruik van bestaande en nieuwe digitale hulpmiddelen voor werk te reguleren, in overeenstemming met de resolutie van het Parlement van 21 januari 2021 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende het recht om offline te zijn, en met inachtneming van de kaderovereenkomst inzake digitalisering van de Europese sociale partners; verzoekt de lidstaten voorts de uitwisseling van beste praktijken beter te coördineren, aangezien sommige lidstaten een aantal zeer innovatieve beleidsmaatregelen en projecten invoeren;

23.

merkt op dat indien de Richtlijnen 89/654/EEG en 90/270/EEG van de Raad betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor arbeidsplaatsen en met betrekking tot het werken met beeldschermapparatuur worden herzien en geactualiseerd, zij kunnen bijdragen tot de bescherming van alle werknemers, met inbegrip van platformwerkers en zelfstandigen, samen met de verschillende projecten die door EU-agentschappen en de lidstaten zijn ontwikkeld;

24.

benadrukt dat in een werkgerelateerde digitale omgeving moet worden gezorgd voor toegankelijkheid en redelijke aanpassingen, en dat werkgevers in die zin maatregelen moeten treffen om de arbeidsomstandigheden voor personen met een handicap, met inbegrip van mensen met geestelijke gezondheidsproblemen, aan te passen en erop toe te zien dat deze eerlijk en gelijk zijn, waarbij wordt voldaan aan de desbetreffende normen inzake digitale toegankelijkheid die voortvloeien uit Richtlijn (EU) 2019/882;

25.

is ingenomen met de toezegging van de Commissie om het wetgevingskader voor veiligheid en gezondheid op het werk te moderniseren door een herziening van de Richtlijnen 89/654/EEG en 90/270/EEG van de Raad betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor arbeidsplaatsen en met betrekking tot het werken met beeldschermapparatuur;

Gezondheid en veiligheid op het werk

26.

stelt bezorgd vast dat er geen koppeling is tussen het huidige beleid op het gebied van geestelijke gezondheid en attitudes op de werkplek, waarbij wordt voorbijgegaan aan het feit dat bescherming van de werknemers een belangrijke troef is voor EU-leiders in de komende jaren van dit decennium; benadrukt dat werknemers als gevolg van stigmatisering en discriminatie vaak het gevoel hebben dat zij problemen niet kunnen bespreken; verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat werkgevers voldoen aan hun verplichtingen om steun en duidelijke informatie te verstrekken aan alle werknemers en ervoor te zorgen dat de werknemers in kwestie op eerlijke wijze kunnen re-integreren op hun werk; dringt erop aan dat op de werkplek de toegang van werknemers die mogelijk met psychische stoornissen kampen tot ondersteuningsdiensten en externe diensten voor geestelijke gezondheidszorg en tot preventie, vroegtijdige erkenning en behandeling wordt vergemakkelijkt, dat hun re-integratie wordt ondersteund en dat er hulp wordt geboden om terugval te voorkomen, en dringt er tevens op aan dat er in bedrijven preventieplannen op het gebied van geestelijke gezondheid worden opgesteld, waarin onder meer aandacht wordt besteed aan zelfmoordpreventie; dringt bovendien aan op de vaststelling van duidelijke en doeltreffende preventiestrategieën, evenals ondersteuningsstrategieën voor werknemers die na een lange periode van afwezigheid terugkeren op het werk;

27.

wijst erop dat intimidatie en discriminatie op meerdere gronden zich voordoen op de werkplek en dat dit vaak stress veroorzaakt en ervoor zorgt dat werknemers zich niet verbonden voelen met hun werkplek; herinnert eraan dat met name discriminatie op grond van leeftijd, handicap, geslacht, gender, seksuele gerichtheid, ras, onderwijsniveau, sociaal-economische status en het behoren tot een kwetsbare groep wijdverbreid is en door werkgevers moet worden aangepakt; benadrukt dat het van belang is om in de gezondheids- en veiligheidsmaatregelen in de digitale arbeidswereld een beleid ter bestrijding van intimidatie op te nemen en steun te bieden aan bedrijven, met name kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), om hen te helpen bij het invoeren van beleid ter bestrijding van intimidatie en pesten; dringt aan op een EU-brede bewustmakingscampagne over geestelijke gezondheid om de aandacht te vestigen op de stigmatisering, misvattingen en sociale uitsluiting waarmee een slechte geestelijke gezondheid vaak gepaard gaat;

28.

is van mening dat de huidige maatregelen om een verbetering van de gezondheid en veiligheid van werknemers teweeg te brengen ontoereikend zijn, met name wat het beoordelen en aanpakken van psychosociale risico’s betreft; verzoekt de Commissie mechanismen op te zetten om angst, depressie en burn-out te voorkomen en om werknemers die getroffen zijn door psychosociale problemen te re-integreren in het arbeidsproces; herinnert eraan dat het in dit verband van cruciaal belang is een benadering van werk op het niveau van het individu en van de organisatie te hanteren (26); merkt echter op dat deze gezondheidsproblemen kunnen afhangen van verscheidene factoren; verzoekt de Commissie om in overleg met de sociale partners haar aanbeveling van 19 september 2003 betreffende de Europese lijst van beroepsziekten (27) te herzien door hier een aantal toevoegingen in op te nemen, zoals werkgerelateerde spier- en skeletaandoeningen, werkgerelateerde psychische stoornissen, met name depressie, burn-out, angst en stress, alle ziekten die verband houden met asbest, alsook huidkanker, reuma en chronische ontstekingen; verzoekt de Commissie deze aanbeveling na overleg met de sociale partners om te vormen tot een richtlijn tot vaststelling van een minimumlijst van beroepsziekten waarin de minimumeisen voor de erkenning van deze beroepsziekten en een passende vergoeding voor getroffen personen worden opgenomen;

29.

erkent dat nationale arbeidsinspecties een belangrijke rol kunnen spelen bij het aanpakken van psychosociale risico’s door preventieve en/of corrigerende maatregelen in het kader van het werk op te leggen; verzoekt de Europese Arbeidsautoriteit te werken aan een gemeenschappelijke strategie voor nationale arbeidsinspecties om psychosociale risico’s aan te pakken, waarbij zij onder meer een gemeenschappelijk kader ontwikkelt voor de evaluatie en het beheer van psychosociale risico’s en inspeelt op de verschillende opleidingsbehoeften van arbeidsinspecteurs;

30.

wijst erop dat in het nieuwe strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2021-2027 weliswaar terecht wordt opgemerkt dat er veranderingen in de werkomgeving nodig zijn om risico’s voor het psychosociaal welzijn aan te pakken, maar dat de nadruk alleen ligt op maatregelen op individueel niveau, hetgeen slechts een beperkt deel uitmaakt van wat bij de beperking van psychosociale risico’s komt kijken; benadrukt dat er dringend behoefte is aan een gemeenschappelijke basis om de geestelijke gezondheid van alle werknemers in de EU te beschermen, aangezien zij niet in alle lidstaten op uniforme wijze worden beschermd — zelfs niet in het kader van de huidige EU-wetgeving; verzoekt de Commissie in dit verband om in overleg met de sociale partners een wetgevingsinitiatief betreffende het beheer van psychosociale risico’s en welzijn op het werk voor te stellen, teneinde psychosociale risico’s op de werkplek, ook online, op doeltreffende wijze te voorkomen, te voorzien in opleiding voor leidinggevenden en werknemers, periodieke evaluaties van de vorderingen te verrichten en de werkomgeving te verbeteren; is van mening dat preventief beleid op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk ook moet inhouden dat de sociale partners worden betrokken bij het in kaart brengen en voorkomen van psychosociale risico’s; merkt op dat anonieme enquêtes onder werknemers, zoals vragenlijsten en andere vormen van gegevensverzameling, nuttige informatie kunnen opleveren over de mate waarin en de redenen waarom werknemers gestresseerd zijn, waardoor het voor leidinggevenden gemakkelijker wordt problemen in kaart te brengen en waar nodig aanpassingen door te voeren;

31.

verzoekt de Commissie en de lidstaten rekening te houden met de meest recente wetenschappelijke gegevens en onderzoeksresultaten op het gebied van geestelijke gezondheid, met name met betrekking tot de mogelijkheden van innovatieve benaderingen voor de behandeling van geestelijke gezondheidsproblemen; verzoekt de Commissie de beste praktijken die reeds met succes zijn toegepast op dit gebied nauwlettend te volgen en te monitoren, en de uitwisseling van die beste praktijken tussen de lidstaten te bevorderen; roept de lidstaten er met name toe op ervoor te zorgen dat zij beschikken over doeltreffende comités voor veiligheid en gezondheid op het werk zodat er vaker nauwkeurigere risicobeoordelingen worden uitgevoerd, en de bevoegdheden van bestaande comités voor veiligheid en gezondheid te versterken door deze het recht te verlenen een beroep te doen op externe deskundigheid, onder meer in de vorm van onafhankelijke evaluaties door derden van de blootstelling aan werkgerelateerde psychosociale risico’s;

32.

is van mening dat het essentieel is dat leidinggevenden de nodige psychosociale opleiding krijgen om zich aan te passen aan verschillende manieren om het werk te organiseren en een grondig inzicht in geestelijke gezondheidsproblemen op het werk te verwerven; acht het evenzeer van essentieel belang dat ook werknemers de nodige opleiding krijgen over de preventie van werkgerelateerde psychosociale risico’s; moedigt werkgevers ertoe aan positieve benaderingen, beleidsmaatregelen en praktijken ten aanzien van een goede geestelijke gezondheid en welzijn op het werk te bevorderen; benadrukt in dit verband dat bedrijven kunnen overwegen een werknemer aan te wijzen en op te leiden bij wie men terecht kan met vragen over geestelijke gezondheid, of een specifieke rubriek op het interne communicatieplatform van het werk te plaatsen met informatie om werknemers door te verwijzen naar de geestelijke gezondheidszorg; is van mening dat de sociale partners een centrale rol kunnen spelen bij het opzetten en uitvoeren van dergelijke opleidingen en benadrukt dat het met name noodzakelijk is te voorzien in opleidingen voor arbeidsinspecties om ervoor te zorgen dat zij werknemers adequaat kunnen beschermen;

33.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de gevolgen voor de geestelijke gezondheid van werknemers van vaak voorkomende en slopende neurologische aandoeningen als migraine te erkennen en het bewustzijn hierover te vergroten; wijst erop dat er op de werkplek meer aandacht moet worden besteed aan het opsporen en voorkomen van migraine door het vermijden van de factoren die migraine veroorzaken;

34.

roept de arbeidsinspecties in de EU ertoe op om bij hun inspecties met name te letten op de psychosociale werkomgeving; verzoekt het Comité van hoge functionarissen van de arbeidsinspectie van de Commissie een nieuwe campagne over psychosociale risico’s op te zetten waarbij wordt voortgebouwd op de bevindingen van de campagne van 2012 en meer recente ontwikkelingen;

Een moderne arbeidswereld voor het welzijn van de werknemers

35.

benadrukt dat werknemers gezien het gebrek aan toereikende ondersteuning en preventief beleid op het gebied van geestelijke gezondheid op het werk vaak een beroep moeten doen op particuliere diensten die veel geld kosten en op de diensten van niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) en nationale ziekenhuisvoorzieningen die soms lange wachtlijsten hebben en zelf onvoldoende steun en middelen krijgen; dringt erop aan dat op de werkplek wordt gewaarborgd dat werknemers over toegankelijke, professionele en onpartijdige ondersteuning en oplossingen op het gebied van geestelijke gezondheid beschikken, met inachtneming van de privacy van werknemers en de vertrouwelijkheid, en verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat openbare gezondheidszorg gemakkelijke toegang tot counseling op afstand omvat;

36.

spoort de Commissie aan om voorlichtings- en bewustmakingsinitiatieven over geestelijke gezondheid op het werk en in onderwijsprogramma’s op te zetten en vraagt de Commissie en de lidstaten ten volle gebruik te maken van EU-middelen om digitale platforms en toepassingen voor geestelijke gezondheid tot stand te brengen; verzoekt de Commissie te onderzoeken of het haalbaar is een gemeenschappelijke EU-hulplijn voor ondersteuning op het gebied van geestelijke gezondheid in het leven te roepen; verzoekt de Commissie in dit verband om te voorzien in een toereikende begroting voor de desbetreffende EU-programma’s; dringt er bij de Commissie op aan 2023 uit te roepen tot het EU-Jaar van een goede geestelijke gezondheid, teneinde bovengenoemde initiatieven op het gebied van voorlichting en bewustmaking over geestelijke gezondheid uit te voeren;

37.

verzoekt de Commissie om ervoor te zorgen dat lokale en andere relevante overheden over voldoende personeel en openbare middelen beschikken om ondersteuning en diensten op het gebied van geestelijke gezondheid te verschaffen aan al wie dit nodig heeft;

38.

erkent dat door het gebrek aan statistieken over de prevalentie van geestelijke gezondheidsproblemen op de werkplek, met name bij kmo’s en hun eigenaren en bij zelfstandigen, de schijn wordt gewekt dat het niet nodig is dringend op te treden; verzoekt de lidstaten, Eurostat, openbare instellingen, deskundigen, sociale partners en de onderzoeksgemeenschap samen te werken en actuele gegevens te verzamelen over werkgerelateerde risico’s voor geestelijke gezondheidsproblemen en de negatieve gevolgen daarvan, uitgesplitst naar gender en andere relevante aspecten, alsook gegevens over de doeltreffendheid van de verschillende soorten interventies om op geharmoniseerde wijze een betere geestelijke gezondheid op de werkplek te bevorderen;

39.

verzoekt de lidstaten na te gaan of het mogelijk is lokale of regionale bemiddelingsdiensten voor psychosociale risico’s op te zetten die advies en technische ondersteuning verlenen aan zelfstandigen en werkgevers, leidinggevenden en werknemers in micro-ondernemingen en kmo’s met betrekking tot de preventie van psychosociale risico’s en psychosociale conflicten op de werkplek, en die informatie verspreiden over psychosociale risico’s en het voorkomen daarvan; is bezorgd dat ondernemers en kmo’s bijzondere ondersteuning nodig hebben om de effecten van alledaagse factoren van druk en stress te beheren en het bewustzijn rond geestelijke gezondheid op de werkplek te bevorderen, en dringt aan op EU-inspanningen om hen bij te staan bij risicobeoordelingen, preventie- en bewustmakingscampagnes en het invoeren van goede praktijken; wijst op de rol van EU-OSHA om micro-ondernemingen en kmo’s de hulpmiddelen en normen aan te reiken die zij nodig hebben om de risico’s voor hun personeel te beoordelen en passende preventieve maatregelen te treffen; is van mening dat de rol van EU-OSHA in dit opzicht moet worden versterkt opdat het concept van een gezonde en veilige werkplek in de hele EU beter kan worden bevorderd en verdere initiatieven kunnen worden ontwikkeld om preventie op het werk in alle bedrijfstakken te verbeteren;

40.

wijst erop dat de geestelijke gezondheid van jongeren tijdens de pandemie aanzienlijk is verslechterd, waarbij jonge vrouwen en jongeren in gemarginaliseerde situaties zwaarder zijn getroffen; betreurt dat jongeren niet centraal staan bij investeringen in onderzoek op het gebied van geestelijke gezondheid, ondanks de duidelijke langetermijnvoordelen van vroegtijdige interventie; wijst erop dat 64 % van de jongeren tussen 18 en 34 jaar in 2021 het risico liep op depressie als gevolg van een gebrek aan werkgelegenheids-, financiële en onderwijsvooruitzichten, alsook vanwege eenzaamheid en sociaal isolement; benadrukt dat geestelijke gezondheidsproblemen onder jongeren het best kunnen worden aangepakt (28) door hun zinvolle vooruitzichten op onderwijs en werkgelegenheid van goede kwaliteit te bieden; verzoekt de Commissie om iets te doen aan de verstoring van de toegang tot de arbeidsmarkt waardoor jongeren een groter risico op psychische stoornissen lopen, en maatregelen te treffen om jongeren te ondersteunen bij het vinden en behouden van een passende baan;

41.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om, in samenwerking met het Parlement en met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, een gemeenschappelijk rechtskader voor te stellen om een billijke vergoeding voor stages en leerlingplaatsen te waarborgen, teneinde uitbuitingspraktijken te voorkomen; verzoekt de Commissie een aanbeveling te formuleren om te waarborgen dat stages, leerlingplaatsen en bemiddelde arbeidsplaatsen als werkervaring worden beschouwd en bijgevolg toegang tot sociale uitkeringen bieden;

o

o o

42.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17.

(2)  PB L 188 van 12.7.2019, blz. 79.

(3)  PB L 151 van 7.6.2019, blz. 70.

(4)  PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.

(5)  PB L 299 van 18.11.2003, blz. 9.

(6)  PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1.

(7)  PB L 393 van 30.12.1989, blz. 1.

(8)  PB L 156 van 21.6.1990, blz. 14.

(9)  PB C 316 van 6.8.2021, blz. 2.

(10)  PB C 371 van 15.9.2021, blz. 102.

(11)  PB C 456 van 10.11.2021, blz. 161.

(12)  Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0045.

(13)  PB C 117 van 11.3.2022, blz. 53.

(14)  PB C 400 van 26.11.2019, blz. 9.

(15)  PB C 44 van 15.2.2013, blz. 36.

(16)  Factsheet van de WHO, Mental Health: strengthening our response, 17 juni 2022.

(17)  International Classification of Diseases for Mortality and Morbidity Statistics, “Problems associated with employment or unemployment”.

(18)  Lijst van psychische stoornissen zoals vermeld in de factsheet van de WHO over psychische stoornissen, 8 juni 2022.

(19)  Vóór de pandemie werd geschat dat 25 % van de EU-burgers tijdens hun leven ooit te maken zouden krijgen met een geestelijk gezondheidsprobleem. Bron: European Network for Workplace Health Promotion, A guide for employers to promote mental health in the workplace, maart 2011.

(20)  Eurofound, Zesde Europese enquête naar de arbeidsomstandigheden, 2017.

(21)  Advies van de deskundigengroep inzake doeltreffende manieren om te investeren in gezondheid van de Commissie, Supporting mental health of the health workforce and other essential workers, 23 juni 2021.

(22)  Samenvatting van EU-OSHA over Richtlijn 89/391/EEG van de Raad, voor het laatst bijgewerkt op 3 mei 2021.

(23)  PB L 293 van 5.11.2013, blz. 1.

(24)  Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 8 maart 2022 ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (COM(2022)0105).

(25)  Europese Commissie, Scorebord voor vrouwen in het digitale tijdperk 2020.

(26)  EU-OSHA, Telewerken en gezondheidsrisico’s in de context van de COVID-19-pandemie: gegevens uit de praktijk en beleidsimplicaties, 22 oktober 2021.

(27)  PB L 238 van 25.9.2003, blz. 28.

(28)  OESO, Supporting young people’s mental health through the COVID-19 crisis, 12 mei 2021, en Europees Jeugdforum, Beyond Lockdown: the “pandemic scar” on young people, 17 juni 2021.


7.2.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 47/75


P9_TA(2022)0280

Bankenunie — jaarverslag 2021

Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2022 over de bankenunie — jaarverslag 2021 (2021/2184(INI))

(2023/C 47/06)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 114, artikel 127, lid 6, en artikel 140, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien zijn resolutie van 7 oktober 2021 over de bankenunie — jaarverslag 2020 (1),

gezien de follow-up die de Commissie heeft gegeven aan de resolutie van het Parlement van 7 oktober 2021 over de bankenunie — jaarverslag 2020,

gezien het document van de Europese Centrale Bank (ECB), getiteld “Feedback on the input provided by the European Parliament as part of its “Resolution on Banking Union — Annual Report 2020”” (Feedback op de bijdrage van het Europees Parlement zoals verwerkt in zijn resolutie over de bankenunie — jaarverslag 2020) (2),

gezien het jaarverslag 2020 van de ECB over haar toezichtswerkzaamheden van 23 maart 2021 (3),

gezien de toezichtsprioriteiten van de ECB voor de periode 2022-2024, gepubliceerd op 7 december 2021 (4),

gezien het antwoord van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) naar aanleiding van de resolutie van het Parlement van 7 oktober 2021 over de bankenunie — jaarverslag 2020,

gezien zijn resolutie van 8 oktober 2020, getiteld “Digitaal geldwezen: opkomende risico’s in verband met cryptovaluta — uitdagingen inzake regelgeving en toezicht op het gebied van financiële diensten, instellingen en markten” (5),

gezien zijn resolutie van 8 oktober 2020, getiteld “Verdere ontwikkeling van de kapitaalmarktenunie (KMU): de toegang tot kapitaalmarktfinanciering verbeteren, met name voor kmo’s, en de deelname van kleine beleggers bevorderen” (6),

gezien het verslag van de vijf voorzitters van 22 juni 2015, getiteld “De voltooiing van Europa’s Economische en Monetaire Unie”,

gezien het bankenpakket van de Commissie van 27 oktober 2021 (7),

gezien de gerichte raadpleging door de Commissie betreffende verbetering van het macroprudentiële kader van de EU voor de banksector, waarmee op 30 november 2021 een begin is gemaakt (8),

gezien het wetgevingspakket van de Commissie van 20 juli 2021 inzake de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering (9),

gezien het verslag van de ECB van november 2021 over de stabiliteit van het financiële stelsel in de eurozone (Financial Stability Review) (10),

gezien de studie over een digitale euro: beleidsimplicaties en -perspectieven, aangevraagd door de Commissie economische en monetaire zaken en gepubliceerd door het directoraat-generaal Intern Beleid in januari 2022 (11),

gezien het verslag van de ECB van 2 oktober 2020 over een digitale euro (12),

gezien het verslag van de ECB over het bereik en de voornaamste lessen van het experimenteren met een digitale euro (13),

gezien het memorandum van overeenstemming tussen de ECB en de autoriteiten van het VK, dat op 1 januari 2021 in werking is getreden (14),

gezien het document van het projectteam voor het monitoren van klimaatrisico’s van de ECB samen met het Europees Comité voor systeemrisico’s (ESRB) van juli 2021 over klimaatrisico’s en financiële stabiliteit (15),

gezien de economiebrede klimaatstresstest van de ECB van september 2021 (16),

gezien de in april 2021 gepubliceerde gerichte toetsing van interne modellen van de ECB,

gezien het verslag van de ECB van november 2021, getiteld “The state of climate and environmental risk management in the banking sector: Report on the supervisory review of banks’ approaches to manage climate and environmental risks” (De stand van zaken met betrekking tot de beheersing van klimaat- en milieurisico’s in de banksector: verslag over de toetsing van door banken gebezigde strategieën voor de beheersing van klimaat- en milieurisico’s) (17),

gezien de Overeenkomst van Parijs en het Klimaatpact van Glasgow, dat is overeengekomen in het kader van de Conferentie van de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering,

gezien het jaarverslag 2020 van de GAR van 30 juni 2021 (18),

gezien het meerjarig werkprogramma van de GAR voor 2021-2023 en zijn werkprogramma voor 2021 (19),

gezien het werkprogramma van de GAR voor 2022 (20),

gezien het verslag van de Europese Bankautoriteit (EBA) van 24 november 2021, getiteld “IFRS 9 implementation by EU institutions — monitoring report” (Tenuitvoerlegging van IFRS 9 door EU-instellingen — monitoringverslag) (21),

gezien de aanbeveling van de ECB van 15 december 2020 over dividenduitkeringen tijdens de COVID-19-pandemie (22),

gezien de mededeling van de Commissie van 16 december 2020 over de aanpak van niet-renderende leningen in de nasleep van de COVID-19-pandemie (COM(2020)0822),

gezien zijn resolutie van 14 maart 2019 over genderevenwicht bij benoemingen in de EU op het gebied van economische en monetaire zaken (23),

gezien zijn resolutie van 25 maart 2021 over het versterken van de internationale rol van de euro (24),

gezien het monitoringverslag van de GAR van november 2021 over risicobeperkingsindicatoren,

gezien de brief met feedback van de ECB op de input van het Parlement in het kader van zijn resolutie van 7 oktober 2021 over de bankenunie — jaarverslag 2020,

gezien het voorstel van de Commissie van 24 november 2015 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 806/2014 met het oog op de instelling van een Europees depositoverzekeringsstelsel (COM(2015)0586),

gezien het tweede gezamenlijke risicobeoordelingsverslag van de Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA’s) van september 2021,

gezien het jaarverslag van de EBA van december 2021, getiteld “Risk Assessment of the European Banking System” (Risicobeoordeling van het Europese bankwezen) (25),

gezien de studie van de EBA van 16 december 2021, getiteld “Guidelines on cooperation and information exchange between prudential supervisors, AML / CFT supervisors and financial intelligence units under Directive 2013/36/EU” (Richtsnoeren voor de samenwerking en uitwisseling van informatie tussen prudentiële toezichthouders, AML/CFT-toezichthouders en financiële-inlichtingeneenheden uit hoofde van Richtlijn 2013/36/EU) (26),

gezien het document van het ESRB, getiteld “Monitoring the financial stability implications of COVID-19 support measures” (Het monitoren van de effecten van COVID-19-steunmaatregelen op de financiële stabiliteit), gebaseerd op notities die werden opgesteld voorafgaand aan de vergaderingen van de algemene raad van het ESRB van 25 maart en 24 juni 2021 (27),

gezien het verslag van de deskundigengroep op het vlak van macroprudentieel gedrag (fase II — tenuitvoerlegging) van het ESRB van december 2021 (28),

gezien het eindverslag van de Raad voor financiële stabiliteit van 1 april 2021, getiteld “Evaluation of the Effects of Too-Big-To-Fail Reforms” (Evaluatie van de effecten van hervormingen die “too big to fail” zijn) (29),

gezien de diepgaande analyse van oktober 2021 in opdracht van de Commissie economische en monetaire zaken, getiteld “Don’t let up. The EU needs to maintain high standards for its banking sector as the European economy emerges from the Covid-19 pandemic” (De noodzaak voor de EU om ook na de COVID-19-pandemie hoge normen voor de Europese banksector te handhaven) (30),

gezien de analyse van de afdeling Ondersteuning economische governance (EGOV) van het directoraat-generaal Intern Beleid van het Parlement van oktober 2021, getiteld “Preventing money laundering in the banking sector — reinforcing the supervisory and regulatory framework” (Het voorkomen van witwassen in de banksector — versterking van het kader voor toezicht en regelgeving) (31),

gezien de diepgaande analyse van oktober 2021 in opdracht van de Commissie economische en monetaire zaken, getiteld “Did the pandemic lead to structural changes in the banking sector?” (Heeft de pandemie tot structurele veranderingen in de banksector geleid?) (32),

gezien de analyse van de afdeling Ondersteuning economische governance (EGOV) van het directoraat-generaal Intern Beleid van het Parlement van oktober 2021, getiteld “Impediments to resolvability — what is the status quo?” (Belemmeringen voor bankafwikkeling — de huidige stand van zaken) (33),

gezien de EGOV-studie van oktober 2021, getiteld “Review of the crisis management and depository insurance framework — Summary of certain related issues” (Evaluatie van het kader voor crisisbeheer en depositoverzekering — Samenvatting van aanverwante thema’s) (34),

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0186/2022),

A.

overwegende dat de bankenunie, die momenteel uit het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTM) en het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (GAM) bestaat met het gemeenschappelijke rulebook als basis, volledige afstemming tussen leden van de bankenunie waarborgt wat betreft het toezicht op bankactiviteiten en het beheer van bankencrises en faillissementen, maar tegelijkertijd integraal deel uitmaakt van de financiële stabiliteit van de Unie; overwegende dat de richtlijn depositogarantiestelsels (35) weliswaar voorziet in hoge minimumnormen op het gebied van depositobescherming, maar dat de bankenunie nog steeds niet voltooid is omdat de derde pijler, het Europees depositoverzekeringsstelsel (EDIS), nog niet is ingesteld;

B.

overwegende dat voor een stabielere en meer concurrerende en convergerende economische en monetaire unie (EMU) een solide bankenunie en een beter ontwikkelde en veiligere kapitaalmarktenunie (KMU) vereist is; overwegende dat beide projecten samenhangen en dat de ontwikkeling van het ene tot vooruitgang en vorderingen bij het andere moet leiden; overwegende dat zowel de bankenunie als de KMU onmisbaar zijn om de economie in de Unie te versterken na COVID-19;

C.

overwegende dat het vangnet voor het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (GAF) uiterlijk in 2022 zal zijn ingevoerd, twee jaar eerder dan gepland;

D.

overwegende dat de bankenunie openstaat voor alle EU-lidstaten; overwegende dat Bulgarije en Kroatië zich hebben aangesloten bij het Europese wisselkoersmechanisme (WKM II) en zodoende zijn toegetreden tot de bankenunie;

E.

overwegende dat de Russische agressie tegen Oekraïne en de economische gevolgen daarvan directe en indirecte gevolgen zullen hebben voor de banksector in de EU; overwegende dat het momenteel moeilijk is de reikwijdte en de omvang van deze gevolgen te meten; overwegende dat EU-banken een centrale rol spelen bij het waarborgen van de tenuitvoerlegging en naleving van de sancties die de EU naar aanleiding van de invasie aan Rusland heeft opgelegd;

F.

overwegende dat de reactie van de banksector van de EU op de door de pandemie veroorzaakte crisis heeft aangetoond dat de sector veerkrachtig is, dankzij de herziening van de regelgeving die is doorgevoerd na de wereldwijde financiële crisis en mogelijk is gemaakt door het gemeenschappelijk rulebook en het gecoördineerde toezicht in de bankenunie; overwegende dat er met buitengewone en noodzakelijke steun- en kapitaalconserveringsmaatregelen van overheidswege ook aanzienlijke steun is verleend aan de banksector; overwegende dat het geaggregeerde percentage niet-renderende leningen in het derde kwartaal van 2021 verder is gedaald tot 2,17 %, hoewel het absolute volume niet-renderende leningen in sommige lidstaten hoog blijft;

G.

overwegende dat de tijdige en gerichte steun die tijdens de COVID-19-pandemie is verleend banken in staat heeft gesteld kredieten te blijven verschaffen aan de economie, banen te beschermen en te blijven bijdragen aan de economische groei; overwegende dat deze maatregelen een geschikte methode waren om de crisis aanvankelijk te bedwingen; overwegende dat het ernaar uitziet dat ondersteunende maatregelen geleidelijk kunnen worden afgebouwd en dat dan de herstelinstrumenten voor de economie als geheel kunnen worden ingezet; overwegende dat de nog altijd bestaande systeemrisico’s die het gevolg zijn van de interconnecties en de complexiteit van het bankenstelsel van de EU, waardoor het “too big to fail”-probleem in stand wordt gehouden, moeten worden teruggedrongen;

H.

overwegende dat het ECB-Bankentoezicht heeft aangegeven dat het banken zal toestaan ten minste tot eind 2022 onder het niveau van de pijler 2-richtsnoeren en de gecombineerde buffervereiste te opereren, zonder automatisch toezichtmaatregelen in werking te stellen; overwegende dat dit besluit tot doel heeft te waarborgen dat banken leningen kunnen blijven verstrekken aan de reële economie;

I.

overwegende dat de Unie, nu we de COVID-19-pandemie achter ons laten, strikte normen moet aanhouden, met name wat betreft kapitaalvereisten en risicobeheer, om de bestendigheid van de sector in de toekomst te waarborgen;

J.

overwegende dat er ondanks de grote veerkracht van de banksector tijdens de COVID-19-crisis een risico bestaat dat de sector bloot komt te staan aan kwetsbaarheden, met name met betrekking tot de kwaliteit van activa, zoals niet-renderende leningen, wanneer de tijdelijke steunmaatregelen worden afgebouwd, hetgeen nauwlettend toezicht en beheer vereist;

K.

overwegende dat de bankenunie moet helpen de nog steeds bestaande link tussen banken en staten aan te pakken; overwegende dat het niveau van blootstelling aan staatsschulden bij een aantal banken is toegenomen; overwegende dat de prudentiële behandeling van staatsschulden in overeenstemming moet zijn met de internationale normen;

L.

overwegende dat de rol van het bankwezen en de financiële markten van cruciaal belang is voor het herstel en voor de overgang naar een koolstofneutrale en gedigitaliseerde economie, met name door het kanaliseren van belangrijke financiering om investeringen (met name in kmo’s) te stimuleren; overwegende dat een dergelijke uitdaging een sterke, stabiele, veerkrachtige en goed gekapitaliseerde banksector vereist, in combinatie met geïntegreerde kapitaalmarkten;

M.

overwegende dat er bij de beoordeling van de duurzaamheid van de balansen van banken rekening moet worden gehouden met de overgang naar een koolstofneutrale economie, aangezien deze factor in verschillende regio’s en sectoren invloed kan hebben op investeringen; overwegende dat er behoefte is aan een verdere beoordeling van deze potentiële risico’s en aan het inzetten van toekomstgerichte risicobeheersinstrumenten waarmee klimaat- en milieurisico’s op langere termijn in kaart kunnen worden gebracht;

N.

overwegende dat de digitalisering van het geldwezen een groot potentieel heeft, aangezien daarmee belangrijke technologische verbeteringen in de banksector in de EU teweeggebracht zijn door een toegenomen efficiëntie bij de verlening van bankdiensten en een grotere innovatiebereidheid; overwegende dat de digitalisering van het geldwezen ook uitdagingen voor de banksector in de EU met zich meebrengt als gevolg van cyberbeveiligingsrisico’s, risico’s voor gegevensbescherming, risico’s op het vlak van de bestrijding van witwassen (AML) en zorgen in verband met consumentenbescherming; overwegende dat de banksector van de EU zijn cyberveerkracht moet versterken zodat ICT-systemen bestand zijn tegen verschillende vormen van cyberdreiging; overwegende dat de digitalisering van het geldwezen aanzienlijke gevolgen zal hebben voor de persoonlijke verlening van bankdiensten, alsook voor de beschikbaarheid van bankdiensten in plattelandsgebieden;

O.

overwegende dat er uitdagingen verbonden zijn aan cryptoactiva en cryptovaluta — complexe verschijnselen die vragen om krachtige beleidsreacties waarbij er een evenwicht moet worden gevonden tussen het stimuleren van innovatie en het beschermen van investeerders en consumenten; overwegende dat banken op dit gebied een toenemende verantwoordelijkheid hebben; overwegende dat er rekening moet worden gehouden met de milieueffecten van cryptomijnbouw en met de veiligheidsdreiging die uitgaat van anonieme cryptoportemonnees;

P.

overwegende dat er, gezien de resterende mazen in het antiwitwaskader van de EU, behoefte is aan versterkt, geharmoniseerd en doeltreffend toezicht op en handhaving van witwaspraktijken, hetgeen noodzakelijk is om de integriteit van het financiële stelsel van de EU te beschermen en bescherming te bieden tegen dreigingen uit derde landen met een hoog risico; overwegende dat er nog steeds grote verschillen bestaan in de aanpak van het toezicht op AML/de bestrijding van de financiering van terrorisme (CFT) door nationale autoriteiten in de EU en bij de toepassing van de AML-wetgeving van de EU;

Q.

overwegende dat de EU en het VK zich er momenteel toe verbonden hebben de samenwerking op het gebied van regelgeving en toezicht inzake financiële diensten te handhaven, en dat deze op samenwerking gebaseerde aanpak de basis moet vormen voor betrekkingen tussen de EU en het VK op lange termijn; overwegende dat de Commissie haar tijdelijke vergunning op grond waarvan banken en fondsbeheerders in de EU gebruik kunnen maken van Britse clearinginstellingen, zal verlengen;

R.

overwegende dat consumenten, beleggers en alle depositohouders goed beschermd moeten zijn in de bankenunie en goed op de hoogte moeten worden gehouden van besluiten die hen aangaan; overwegende dat de bescherming van consumenten en beleggers ook van het allergrootste belang is voor de verdieping van de KMU; overwegende dat het EU-recht een gemeenschappelijk basisbeschermingsniveau biedt voor alle consumenten die in de EU wonen; overwegende dat de nationale regels ter uitvoering van de EU-vereisten inzake consumentenbescherming uiteenlopen in de bankenunie en dat er daarom behoefte is aan meer geharmoniseerde en verbeterde consumentenbescherming in de hele EU; overwegende dat de bankenunie nog steeds niet beschikt over doeltreffende instrumenten om de problemen aan te pakken waarmee consumenten te maken krijgen, zoals kunstmatige complexiteit, oneerlijke handelspraktijken en de uitsluiting van kwetsbare bevolkingsgroepen van het gebruik van basisdiensten;

S.

overwegende dat een van de hoofddoelstellingen van de bankenunie erin bestaat dat de belastingbetaler niet voor de kosten van corrigerende maatregelen mag opdraaien wanneer een bank failliet gaat;

T.

overwegende dat het kader voor crisisbeheer en depositoverzekering moet zorgen voor een consistente en efficiënte aanpak voor alle banken, ongeacht hun omvang of bedrijfsmodel, en ertoe moet bijdragen de financiële stabiliteit te beschermen, het gebruik van belastinggeld tot een minimum te beperken en een gelijk speelveld in de hele EU te waarborgen, waarbij tegelijkertijd rekening moet worden gehouden met het subsidiariteitsbeginsel;

Algemene overwegingen

1.

herinnert eraan dat de bankenunie, waarmee de verantwoordelijkheid voor zowel het toezicht op als de afwikkeling van banken in de eurozone wordt afgestemd en banken in het hele bankenstelsel van de EU verplicht worden activiteiten uit te voeren in overeenstemming met hetzelfde rulebook, een essentieel element is voor de voltooiing van de EMU en de interne markt; merkt op dat de eerste twee pijlers van de bankenunie — het GTM en het GAM — nu in stelling zijn gebracht en volledig operationeel zijn; merkt echter op dat er nog geen gemeenschappelijk systeem voor depositobescherming (EDIS) is ingesteld;

2.

herinnert eraan dat het kerndoel van de bankenunie is dat het bankenstelsel in de eurozone en de rest van de EU veilig en stabiel is en dat bankreddingsoperaties niet door de belastingbetaler gefinancierd worden; herinnert eraan dat er sinds de financiële crisis van 2008 aanzienlijke vooruitgang is geboekt door de instelling van het GTM en het GAM: de Europese banken bevinden zich nu in een sterkere positie om financiële schokken op te vangen en er zijn afwikkelingsmechanismen voorhanden om failliete banken te liquideren zonder het geld van de belastingbetaler daarvoor te hoeven gebruiken; steunt de inspanningen om de bankenunie te versterken en te voltooien en onderstreept dat er tegelijkertijd in verschillende aspecten van de bankenunie vooruitgang moet worden geboekt; benadrukt dat de aanzienlijke inspanningen die zijn geleverd om een bankenunie te creëren, hebben geleid tot een groter vertrouwen in de banksector van de EU en de veerkracht en het concurrentievermogen daarvan hebben vergroot, en dat als gevolg daarvan banken in de EU gedurende de hele COVID-19-pandemie robuust en beter gekapitaliseerd waren en in staat waren om een essentiële rol te spelen bij het waarborgen van de toegang tot financiering;

3.

herinnert eraan dat alle lidstaten die behoren tot de eurozone deel uitmaken van de bankenunie en dat ook lidstaten buiten de eurozone de mogelijkheid hebben om toe te treden; is van mening dat de bankenunie op transparante, coherente en robuuste wijze gestalte moet krijgen, ook voor lidstaten buiten de eurozone; wijst erop dat ook lidstaten die niet tot de bankenunie behoren, gebonden zijn aan de regels van het gemeenschappelijke rulebook, dat is ontstaan als gevolg van het proces van harmonisatie en integratie van het bankenstelsel van de EU, en dat hun bankenstelsels de facto sterk met de bankenunie verbonden zijn; is ingenomen met de toetreding van Bulgarije en Kroatië tot de bankenunie en de opname van de Bulgaarse lev en de Kroatische kuna in WKM II; onderkent dat deelname aan de bankenunie naleving van de EU-normen en -wetgeving vereist;

4.

uit zijn diepe bezorgdheid over de Russische invasie van Oekraïne en de economische gevolgen daarvan voor de Europese economie; wijst erop dat de directe en indirecte gevolgen van deze oorlog gevolgen zullen hebben voor de economie van de EU, die momenteel moeilijk te kwantificeren zijn en potentiële risico’s vormen voor de stabiliteit van de banksector in de EU; verzoekt de ECB, de ETA’s en de nationale bevoegde autoriteiten dan ook nauwlettend toe te zien op de gevolgen van de oorlog voor de banksector in de EU;

5.

benadrukt dat de banksector zich relatief goed bestand heeft getoond tegen de COVID-19-crisis en een belangrijke rol heeft gespeeld bij het minimaliseren van de negatieve gevolgen van de pandemie voor de economie; wijst erop dat deze veerkracht het gevolg is van de hervormingen van de regelgeving die in de nasleep van de vorige wereldwijde financiële crisis zijn doorgevoerd; onderstreept tevens de rol van tijdelijke maatregelen, waaronder die in het kader van Verordening (EU) nr. 575/2013 (36) (snelle oplossingen in het kader van de VKV), die banken in staat hebben gesteld leningen te blijven verstrekken aan huishoudens en bedrijven, en de rol van extra kapitaalruimte die door de ECB wordt geboden; benadrukt dat de hervormingen van de regelgeving na de financiële crisis van 2008 moeten worden beschermd en dat de resterende leemtes in de regelgeving moeten worden opgevuld;

6.

merkt op dat de noodmaatregelen ter ondersteuning van de capaciteit van banken om leningen aan huishoudens en bedrijven te verstrekken, zo lang van kracht moeten blijven als nodig is; wijst erop dat het belangrijk is te zorgen voor een goed gecoördineerde, behoedzame, geleidelijke en gerichte overschakeling van maatregelen ter verlichting van de gevolgen van de pandemie naar instrumenten ter ondersteuning van het herstel, waaronder hervormingen in de lidstaten door middel van de herstel- en veerkrachtplannen; benadrukt dat er uitzicht is op een geleidelijke afbouw van de noodmaatregelen; onderstreept in dit verband dat bij de beslissing over de mogelijke geleidelijke afbouw van deze maatregelen rekening moet worden gehouden met de grote instabiliteit die is ontstaan door de Russische inval in Oekraïne; neemt nota van het besluit van de Raad van bestuur van de ECB van 16 december 2021 om de nettoaankopen van activa in het kader van het pandemie-noodaankoopprogramma (PEPP) te beëindigen;

7.

wijst op de sleutelrol van de banksector en de kapitaalmarkten van de EU bij de financiering van de veerkracht, het herstel en de groene en digitale transformatie van de Europese economie, met inbegrip van het waarborgen van toegang tot krediet voor kmo’s; herinnert eraan dat de banksector van de EU om deze taken aan te kunnen, sterk, veerkrachtig, goed gereguleerd en goed gekapitaliseerd moet zijn;

8.

wijst erop dat een sterke en goed gestructureerde KMU, naast de ontwikkeling van de bankenunie, zal helpen betere voorwaarden te creëren voor de financiering van de Europese economie, zowel voor huishoudens als voor bedrijven, die nog altijd sterk afhankelijk zijn van bancaire kredieten, teneinde investeringen en banencreatie te bevorderen, bij te dragen tot de veerkracht van de Europese economie en als katalysator te werken op de groene transitie; benadrukt dat het voor de voltooiing van de KMU noodzakelijk is de evenredigheid van de vastgestelde regels en de bescherming van retailcliënten te waarborgen; is ingenomen met de op 25 november 2021 ingediende wetgevingsvoorstellen om vooruitgang te boeken met de KMU; verzoekt de Commissie en de ETA’s na te gaan of de schaduwbanksector beter moet worden gereguleerd, in voorkomend geval wetgevingsvoorstellen in te dienen en de veerkracht van de kapitaalmarkten voortdurend te monitoren;

9.

is ingenomen met de toezichtsprioriteiten van de ECB voor 2022-2024, namelijk: (1) gezond uit de pandemie komen, (2) de kans grijpen om structurele zwakheden aan te pakken door middel van doeltreffende digitaliseringsstrategieën en beter bestuur, en (3) opkomende risico’s, zoals klimaatgerelateerde, milieu-, IT- en cyberrisico’s, aanpakken; erkent de aanzienlijke inspanningen die de banksector de afgelopen jaren heeft geleverd om deze uitdagingen aan te pakken en de resultaten die daarbij zijn geboekt; is in dit verband ingenomen met de verlaging van de geaggregeerde NPL-ratio’s; benadrukt dat de toezichthouders van de EU en de lidstaten deze risico’s nauwlettend in het oog moeten houden nu de noodsteunmaatregelen van de overheid geleidelijk worden afgebouwd; wijst op het belang van prudent risicobeheer en passende voorzieningen; herinnert eraan dat risicoreductie, samen met risicodeling in de banksector, zou bijdragen tot een stabielere, sterkere en op economische groei gerichte bankenunie;

10.

steunt de lopende werkzaamheden voor de uitvoering van de Bazel III-regels en verwelkomt in dit verband het door de Commissie voorgestelde bankenpakket van 27 oktober 2021; is van mening dat de EU tijdens het uitvoeringsproces moet zorgen voor volledige afstemming op de normen van Bazel, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, in voorkomend geval de specifieke kenmerken en de diversiteit van de banksector in de EU moet eerbiedigen, en ervoor moet zorgen dat EU-banken kunnen blijven concurreren met hun mondiale concurrenten;

11.

is ingenomen met het feit dat de banksector zich aanpast aan de uitdagingen en kansen van de digitalisering, die banken in staat zal stellen hun klanten beter op afstand te bedienen en nieuwe producten aan te bieden, en die kansen biedt voor grotere kostenefficiëntie; onderstreept dat de banksector bijzonder kwetsbaar is voor het gevaar van cyberaanvallen; is in dit verband ingenomen met de vooruitgang die is geboekt met de voorstellen voor een verordening en een richtlijn betreffende digitale operationele veerkracht voor de financiële sector (DORA) en een richtlijn betreffende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van cyberbeveiliging in de Unie, tot intrekking van Richtlijn (EU) 2016/1148 (NIS 2.0), die de basis vormen van het regelgevingskader om de banksector te helpen cybercriminaliteit te bestrijden; verzoekt de ETA’s en het Enisa meer inspanningen te leveren om de risico’s in verband met derde ICT-aanbieders van buiten de EU te monitoren en te beperken; benadrukt dat verdere investeringen en onderzoek nodig zijn om innovatieve manieren te ontwikkelen om de cyberbeveiliging van de banksector te versterken; is van mening dat de veiligheid van de klant, financiële stabiliteit en integriteit, en technologische neutraliteit de prioriteiten moeten zijn; vraagt dat financiële inclusie wordt bevorderd, met name voor kwetsbare groepen met een lage digitale of financiële geletterdheid; is verheugd over de vooruitgang die is geboekt met het pakket digitaal geldwezen; benadrukt dat banken uitgebreide persoonlijke dienstverlening moeten blijven bieden, met name in plattelandsgebieden; verwelkomt met belangstelling de werkzaamheden rond de digitale euro, die naast contant geld zal functioneren; verzoekt de ECB bij toekomstige werkzaamheden rekening te houden met de mogelijke gevolgen van de digitale euro voor het betalingsverkeer, de kredietverleningscapaciteit van banken en de financiële stabiliteit;

12.

herinnert eraan dat de samenwerking tussen het GTM en de Financial Conduct Authority van het VK gebaseerd is op het memorandum van overeenstemming tussen de ECB en de Britse autoriteiten, dat op 1 januari 2021 in werking is getreden; merkt op dat de Commissie onlangs heeft aangekondigd dat zij haar tijdelijke vergunning om banken en fondsbeheerders in de EU toe te staan van Britse clearinginstellingen gebruik te maken, zal verlengen, waardoor eventuele cliff-effecten op korte termijn worden vermeden; verzoekt de Commissie maatregelen te nemen om op middellange termijn meer clearing in de EU mogelijk te maken;

13.

betreurt dat er nog steeds geen volledig genderevenwicht is in de financiële instellingen en organen van de EU, en met name dat vrouwen nog steeds ondervertegenwoordigd zijn in leidinggevende functies in de banksector en de financiëledienstensector; is van mening dat de selectie van kandidaten voor functies bij financiële instellingen en organen van de EU gebaseerd moet zijn op criteria van verdienste, diversiteit en bekwaamheid, zodat de betrokken instelling of het betrokken orgaan zo doeltreffend mogelijk kan functioneren; verzoekt de regeringen en alle instellingen en organen voor alle toekomstige benoemingen bij EU-organen een genderevenwichtige shortlist van kandidaten voor te leggen, en herhaalt dat het zich voorneemt kandidatenlijsten waarop het beginsel van genderevenwicht niet in acht is genomen, niet in aanmerking te nemen; betreurt ten zeerste dat op de door de Eurogroep overwogen shortlist voor de volgende Raad van bewind van het Europees Stabiliteitsmechanisme geen enkele vrouwelijke kandidaat staat; benadrukt dat genderevenwicht in raden van bestuur en onder het personeel zowel maatschappelijke als economische voordelen oplevert; verzoekt financiële instellingen hun diversiteits- en integratiebeleid regelmatig te actualiseren en een gezonde arbeidscultuur te helpen bevorderen waarin inclusiviteit voorop staat;

Toezicht

14.

Verzoekt de ECB, de EBA en het ESRB de risico’s voor de banksector als gevolg van de Russische inval in Oekraïne en de economische gevolgen daarvan nauwlettend in het oog te houden; wijst erop dat verschillende scenario’s in overweging moeten worden genomen en dat voorbereidingen moeten worden getroffen voor verschillende mogelijke opties;

15.

is van mening dat het beheer, de monitoring en de vermindering van kredietrisico’s tot de topprioriteiten moeten blijven behoren; is ingenomen met het feit dat de geaggregeerde NPL-ratio in de eurozone in het derde kwartaal van 2021 verder is gedaald tot 2,17 %; merkt op dat de situatie weliswaar voorlopig stabiel is, maar nauwlettend in het oog moet worden gehouden gezien de geleidelijke afbouw van de noodmaatregelen; wijst op het belang van naleving van prudentiële regelgeving, vroegtijdige onderkenning en proactief beheer van NPL’s, en van het aanleggen van adequate voorzieningen; benadrukt dat moet worden samengewerkt met kwetsbare debiteuren, en erkent dat de banksector in dit verband tijdens de pandemie oplossingen heeft aangedragen (zoals het uitstel van afbetaling van leningen); is ingenomen met de vaststelling van Richtlijn (EU) 2021/2167 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2021 inzake kredietservicers en kredietkopers (37), die het aantal NPL’s op de balans van banken in de EU zal helpen verminderen en een secundaire markt voor NPL’s zal bevorderen;

16.

neemt nota van de aanzienlijke hoeveelheid staatsschulden op de balansen van een aantal banken in de bankenunie; neemt nota van de werkzaamheden die het Bazels Comité voor bankentoezicht in dit verband rond staatsschuldrisico’s heeft verricht en benadrukt dat de kwestie van de regelgevingsbehandeling van staatsschuldrisico’s in internationale fora grondig moet worden onderzocht in internationale fora, rekening houdend met de gevolgen van verschillende benaderingen, en dat de tenuitvoerlegging van de oplossing in de EU in overeenstemming moet zijn met de internationale normen; is van mening dat potentiële oplossingen evenwichtig moeten zijn, alle EU-lidstaten billijk moeten behandelen en ook moeten zorgen voor voldoende liquiditeit op de markten voor overheidsobligaties; benadrukt dat de creatie van veilige EU-activa de vicieuze cirkel tussen staten en de binnenlandse banksector zou kunnen helpen beperken; is in dit verband ingenomen met de oprichting van Next Generation EU, dat Europese activa met een laag risico ter beschikking stelt;

17.

is van mening dat de transitie naar een koolstofneutrale economie een groot potentieel biedt voor economische groei in verschillende sectoren; merkt op dat voor zo’n transitie enorme investeringen van de publieke en private sector nodig zijn, maar dat, zoals ook door de ECB wordt erkend, de kosten ervan lager zullen zijn dan de kosten van niets doen; benadrukt dat de banksector belangrijk is om de transitie naar een koolstofneutrale economie te helpen financieren en ervoor te zorgen dat de EU haar milieuverbintenissen kan nakomen; verzoekt banken deze kwesties op te nemen in hun transitieplannen; onderstreept dat de taxonomieverordening (38) van belang is voor dat streven en dat de uitvoering ervan moet stroken met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de Europese Green Deal; is bezorgd over het feit dat klimaatgerelateerde risico’s op de balansen van banken na verloop van tijd banken in financiële moeilijkheden kunnen brengen; is van mening dat deze risico’s moeten worden verminderd om bankfaillissementen te voorkomen; dringt erop aan dat banken in dit verband duidelijke richtsnoeren op basis van harde economische gegevens krijgen; is ingenomen met de inspanningen van het GTM om banken richtsnoeren en duidelijkheid te verschaffen over de zelfbeoordeling van klimaatgerelateerde risico’s en milieurisico’s; herinnert eraan dat de ECB haar allereerste grootschalige beoordeling van het beheer van klimaat- en milieurisico’s van banken in de EU in 2021 heeft afgerond, en is ingenomen met de toezegging van de ECB om in 2022 klimaatstresstests uit te voeren als een belangrijk onderdeel van de aanpak van klimaatgerelateerde risico’s; vraagt dat dergelijke tests worden gebaseerd op realistische gegevens en aannames; maakt zich zorgen over het toenemende aantal NPL’s als gevolg van gestrande investeringen in fossiele brandstoffen; vraagt dat dergelijke risicovolle activa vroegtijdig worden gedetecteerd en proactief worden beheerd; moedigt het GTM aan om daar verder en nog meer werk van te maken; vraagt dat milieu- en transitierisico’s naar behoren in de kredietbeoordelingsmodellen worden geïntegreerd; benadrukt dat de openbaarmaking van klimaatgerelateerde risico’s en milieurisico’s door banken verder moet worden verbeterd, en dat de openbaarmaking van transitiestrategieën door entiteiten moet worden verbeterd om de risicobeoordeling door banken en toezichthouders te vergemakkelijken; verzoekt banken bij de beoordeling van hun klimaatgerelateerde risico’s het beginsel van dubbele materialiteit toe te passen; onderstreept dat duidelijke wetgeving belangrijk is om greenwashing te voorkomen; merkt op dat de groene transitie nieuwe uitdagingen, risico’s en kansen voor de banksector met zich meebrengt;

18.

herinnert eraan dat bij de beoordeling van de huidige toestand van banken rekening moet worden gehouden met het effect van de speciale maatregelen die tijdens de pandemie door de regeringen van de afzonderlijke lidstaten zijn genomen; neemt nota van de Financial Stability Review van de ECB van 17 november 2021, waarin wordt gesteld dat het nog twee jaar kan duren voordat het volledige effect van de pandemie op de kwaliteit van bankactiva volledig merkbaar wordt;

19.

benadrukt dat de rentetarieven die aan huishoudens en kmo’s worden aangeboden, sterk verschillen van lidstaat tot lidstaat; dringt er bij de Commissie en de bankentoezichthouders op aan maatregelen te overwegen om de lasten voor hypotheekhouders en kmo’s in lidstaten met hogere rentetarieven te verlichten zodat alle burgers en bedrijven tegen billijke en concurrerende tarieven toegang kunnen krijgen tot het broodnodige kapitaal;

20.

neemt nota van de trend van toenemende consolidatie in de banksector in Europa in de afgelopen jaren, en merkt op dat de fusie- en overnameactiviteiten onder Europese banken in 2021 naar verwachting het niveau van zowel 2020 als 2019 zullen overtreffen als gevolg van een reeks factoren, waaronder kostendruk, lagere rentetarieven en digitalisering (39); wijst op de mogelijke voordelen van consolidatie in de banksector, zoals het aanpakken van de lage winstgevendheid, overcapaciteit en versnippering in de sector, maar onderkent ook de mogelijke negatieve effecten van consolidatie en de uitdagingen die grote systeemrelevante instellingen met zich meebrengen voor het bankentoezicht omdat mogelijke problemen bij die instellingen de financiële stabiliteit in veel rechtsgebieden kunnen aantasten; verwelkomt de handleiding van de ECB voor het toezicht op consolidatie in de banksector, waarin de verwachtingen van de toezichthouders ten aanzien van consolidatieprojecten worden uiteengezet (40); benadrukt de voordelen van een gediversifieerde en concurrerende banksector in Europa die bestaat uit banken met verschillende bedrijfsmodellen en juridische structuren en van verschillende omvang;

21.

neemt nota van de problemen en uitdagingen in verband met “home/host”-kwesties; merkt op dat het versterken van de grensoverschrijdende integratie en het mogelijk maken van meer flexibiliteit in de kapitaalstroom tussen bankgroepen, met inachtneming van de risicoprofielen van dochterondernemingen, geloofwaardige en efficiënte waarborgen voor de lidstaten van ontvangst vereist, met name om ervoor te zorgen dat belangrijke dochterondernemingen in moeilijke situaties worden gesteund; onderstreept dat de voltooiing van de bankenunie van het grootste belang is om “home/host”-problemen op te lossen; benadrukt dat de grensoverschrijdende dienstverlening moet worden verbeterd om een daadwerkelijk EU-brede banksector tot stand te brengen en het concurrentievermogen ervan te verbeteren;

22.

benadrukt dat er behoefte is aan een goed functionerende eengemaakte markt voor financiële retaildiensten; verzoekt de Commissie na te gaan met welke belemmeringen en barrières consumenten worden geconfronteerd wanneer zij grensoverschrijdend gebruikmaken van retailbankingproducten, zoals hypothecaire leningen, en oplossingen voor te stellen om ervoor te zorgen dat consumenten over de grenzen heen kunnen profiteren van financiële retaildiensten;

23.

benadrukt dat er behoefte is aan doeltreffender toezicht op de bestrijding van het witwassen van geld, aangezien het bestaande kader nog steeds een aantal tekortkomingen vertoont; betreurt dat nog niet alle lidstaten de vijfde antiwitwasrichtlijn (41) volledig hebben omgezet en herinnert eraan dat de financiële inlichtingeneenheden (FIE’s) in heel Europa beter moeten worden gecoördineerd; onderstreept dat banken als poortwachters fungeren in de strijd tegen witwassen en daarom over solide risicobeheersingskaders moeten beschikken en onder doeltreffend toezicht moeten staan, en wijst op de noodzaak van samenwerking en coördinatie tussen prudentiële toezichthouders, antiwitwastoezichthouders en FIE’s; neemt nota van de inspanningen die de ECB de afgelopen twee jaar heeft geleverd om de uitwisseling van informatie tussen het GTM en de AML/CFT-toezichthouders te verbeteren; is verheugd dat de Commissie het AML-pakket heeft goedgekeurd en dringt erop aan snel overeenstemming te bereiken over alle voorstellen; is met name ingenomen met het voorstel voor een nieuwe Autoriteit voor de bestrijding van witwassen (AMLA), die rechtstreeks toezicht zal houden op bepaalde banken en de handhaving van de AML/CFT-regels door de autoriteiten van de lidstaten zal coördineren; benadrukt dat de AMLA pas echt doeltreffend kan zijn als er voldoende middelen voor worden uitgetrokken; benadrukt dat een sterk antiwitwaskader belangrijk is in de context van de Russische agressie tegen Oekraïne en om de doeltreffendheid van de sancties te waarborgen;

24.

verwelkomt strengere transparantienormen in het bankentoezicht, bijvoorbeeld voor de resultaten van de procedure voor toetsing en evaluatie door de toezichthouder, die het vertrouwen in de kapitaalmarkten en de financiële markten kunnen versterken en een consistente behandeling in alle lidstaten kunnen waarborgen; betreurt dat de voorschriften voor de beoordeling van de geschiktheid en de betrouwbaarheid van de leden van het leidinggevend orgaan van kredietinstellingen niet in alle lidstaten op uniforme wijze worden toegepast;

25.

onderstreept dat de uiteindelijke begunstigden van de bankenunie de consumenten en de bedrijven in de reële economie moeten zijn; benadrukt hoe belangrijk het is consumenten en beleggers beter te beschermen tegen misbruik, schadelijke praktijken en schadelijke producten; wenst dat de toegang van de consument tot grensoverschrijdende financiële retaildiensten wordt gewaarborgd; merkt op dat de EU weliswaar strenge regels inzake consumentenbescherming heeft, maar dat de nationale regels tot omzetting van die EU-regels in de bankenunie uiteenlopen, en dat verdere harmonisatie derhalve geboden is;

Afwikkeling

26.

is ingenomen met de activiteiten van de GAR in 2021; is ingenomen met het feit dat de banken die onder de bevoegdheid van de GAR vallen, over het algemeen goede vooruitgang hebben geboekt wat betreft hun afwikkelbaarheid en het opbouwen van verliesabsorberend vermogen; neemt kennis van het werkprogramma van de GAR voor de komende jaren, waarin onder andere staat dat men tegen 2023 een effectieve afwikkeling van alle banken die binnen de opdracht van de GAR vallen mogelijk wil maken;

27.

herinnert aan de belangrijke rol die het GAM speelt bij het verschaffen van stabiliteit en duidelijkheid voor de banksector, beleggers en consumenten en bij het beschermen van de belastingbetalers; is ingenomen met de invoering van een achtervang voor het GAF in 2022, twee jaar eerder dan oorspronkelijk gepland, in de vorm van een doorlopende kredietlijn van het ESM, waarmee een vangnet wordt geboden voor de afwikkeling van banken in de bankenunie; benadrukt het belang van het GAF voor de versterking van het kader voor crisisbeheersing en als belangrijke stap in de richting van de voltooiing van de bankenunie;

28.

is ingenomen met de maatregelen die de GAR heeft genomen ten aanzien van Sberbank; onderstreept dat snel en adequaat moet worden gereageerd indien de gevolgen van de Russische agressie tegen Oekraïne een aanzienlijk risico voor de banksector en de financiële stabiliteit van de EU zouden inhouden;

29.

steunt de herziening en verduidelijking van de criteria voor de beoordeling van het openbaar belang, zodat het GAM op een meer consistente en voorspelbare wijze wordt toegepast en op objectieve drempels berust; vraagt dat er een studie wordt verricht om na te gaan of specifieke aspecten van de insolventiewetgeving op elkaar moeten worden afgestemd, mede met het oog op de vaststelling van het nulscenario van insolventie bij afwikkeling, teneinde de prikkels op elkaar af te stemmen en een gelijk speelveld te waarborgen; wijst erop dat het van belang is dat de GAR een evenredige benadering hanteert als het erom gaat banken hun minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (MREL) te laten opbouwen; wijst erop dat de SRB een alomvattende beoordeling van de afwikkelbaarheid van elke bank moet maken opdat de afwikkelingsplannen volledig in overeenstemming zijn met de wettelijke vereisten;

30.

steunt het idee om in het kader voor crisisbeheersing rekening te houden met de rol van groepsherstel- en -afwikkelingsplannen, zodat de afstemming van het MREL en de bijdragen van banken aan de verschillende vangnetten daadwerkelijk risicogebaseerd zouden zijn, en een afspiegeling zouden vormen van de waarschijnlijkheid dat en de mate waarin die vangnetten zouden worden gebruikt in het kader van de crisisbeheersingsstrategie die de voorkeur krijgt;

31.

erkent dat alternatieve maatregelen in het kader van depositogarantiestelsels (DGS’en) ter financiering van overboekingen van deposito’s in gevallen van insolventie een belangrijke rol kunnen spelen, met name voor kleine en middelgrote banken, mits ze aan dezelfde voorwaarden zijn onderworpen als overboekingen van deposito’s bij afwikkeling en niet ten koste gaan van de bescherming van deposanten, en mits het DGS voldoende gefinancierd is, als een manier om de bijdragen van de belastingbetaler en de waardevernietiging tot een minimum te beperken en de financiële stabiliteit te waarborgen, en in andere gevallen ook de kloof kunnen overbruggen tussen de bail-invereiste van 8 % om toegang te krijgen tot het afwikkelingsfonds en de daadwerkelijke verliesabsorptiecapaciteit van de bank, zonder deposito’s die zijn bedoeld voor overdracht; benadrukt dat dergelijke ingrepen moeten worden onderworpen aan een strikt toegepaste laagstekostentoets; verzoekt de Commissie daarom verduidelijking te verschaffen over het laagstekostenbeginsel en over de voorwaarden voor het gebruik van middelen van DGS’en; benadrukt evenwel dat in deze gevallen de staatssteunregels wellicht moeten worden herzien om een samenhangend kader te behouden;

32.

steunt de herziening van de staatssteunregels, met inbegrip van een herziening van de bankenmededeling van 30 juli 2013 (42), om ervoor te zorgen dat ze in overeenstemming met het GAM-kader zijn en om de verschillen te verkleinen tussen de regels inzake staatssteun bij liquidatie en de afwikkelingsregeling uit hoofde van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken (43); benadrukt dat een van de doelstellingen van een dergelijke actualisering erin moet bestaan snelle en doeltreffende interventies in het kader van het GAM of de alternatieve liquidatieregeling mogelijk te maken en minder prikkels te geven om afwikkeling of liquidatie te vermijden, met behoud van de concurrentie en de integriteit van de bankenunie;

33.

is verheugd dat de Raad en het Parlement een voorlopig akkoord hebben bereikt over het “daisy chain”-voorstel, waarmee het afwikkelingskader kan worden verbeterd en een gelijk speelveld voor toezicht kan worden gecreëerd voor de verschillende afwikkelingsstrategieën;

Depositoverzekering

34.

herinnert eraan dat het GTM en het GAM in de bankenunie functioneren, terwijl DGS’en momenteel op nationaal niveau worden beheerd en gefinancierd; wijst erop dat de tenuitvoerlegging van de richtlijn depositogarantiestelsels, waarbij tot 100 000 EUR aan bankdeposito’s wordt gegarandeerd, deposanten een minimale basisbescherming biedt; benadrukt dat het belangrijk is dat deposanten in de hele bankenunie hetzelfde niveau van bescherming van hun spaargeld genieten, ongeacht waar hun bank zich bevindt; benadrukt dat een EDIS de bescherming van deposanten in de EU en hun vertrouwen in de banksector zou verbeteren en zou bijdragen tot de versterking van de bankenunie door de koppeling tussen staten en banken losser te maken; is verheugd dat het voorstel voor een verordening tot instelling van een EDIS is opgenomen in de gezamenlijke verklaring van de EU-instellingen waarin de belangrijkste wetgevingsprioriteiten voor 2022 worden vastgesteld;

35.

herinnert eraan dat het Parlement medewetgever is voor de EDIS-wetgeving en dat rekening moet worden gehouden met het standpunt van het Parlement ter zake; is ingenomen met de hernieuwde inspanningen van de Eurogroep om vooruitgang te boeken met de bankenunie teneinde een akkoord te bereiken over de verschillende werkstromen en dossiers, waaronder het EDIS; herhaalt de toezegging van het Parlement om naar een akkoord over het EDIS toe te werken en de noodzakelijke inspanningen op het gebied van risicovermindering te blijven steunen;

36.

neemt nota van de verklaring die de Eurogroep op haar vergadering van 16 december 2021 heeft aangenomen, waarin zij nogmaals haar volledige politieke steun voor de bankenunie betuigt en pleit voor een werkplan en een tijdschema voor de voltooiing van de bankenunie; wenst op de hoogte te worden gehouden van de lopende besprekingen over het EDIS op het niveau van de Eurogroep en de werkgroep op hoog niveau; betreurt dat de lidstaten buiten het EU-kader blijven handelen en daarmee de rol van het Parlement als medewetgever voor de EDIS-wetgeving ondergraven;

37.

benadrukt dat het belangrijk is dat de bijdragen aan DGS’en in verhouding staan tot het risico; waarschuwt dat de afwezigheid van een op risico’s gebaseerde aanpak een moreel risico en een risico van “free-riding” kan creëren, wat ertoe kan leiden dat speculatieve bedrijfsmodellen worden gesubsidieerd door conservatieve bedrijfsmodellen; benadrukt dat ook bijdragen aan een toekomstig EDIS in verhouding moeten staan tot het risico; wijst erop dat de residuele risico’s in verschillende instellingen binnen de bankenunie nog steeds uiteenlopen; wijst er nogmaals op dat alle leden van de bankenunie de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en de richtlijn depositogarantiestelsels moeten omzetten om te zorgen voor een homogene risicovermindering in de hele bankenunie;

38.

wijst erop dat een verdere harmonisatie van de depositoverzekeringsstelsels de financiële stabiliteit van het EU-banksysteem moet versterken en dat daarbij rekening moet worden gehouden met duidelijke regels voor deelname of niet-deelname van lidstaten die niet tot de eurozone behoren;

39.

steunt de actualisering van het kader voor crisisbeheersing; wijst erop dat de beoogde gerichte aanpassingen van de crisisbeheersingsregeling het kader samenhangender, geloofwaardiger en doeltreffender moeten maken;

o

o o

40.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Centrale Bank, alle banken die lid zijn van het Europees Stelsel van centrale banken, de Europese Bankautoriteit en de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad.

(1)  PB C 132 van 24.3.2022, blz. 151.

(2)  https://www.bankingsupervision.europa.eu/ecb/pub/pdf/ssm~59811d5fb7.feedback_ar 2020.pdf

(3)  https://www.bankingsupervision.europa.eu/press/publications/annual-report/html/ssm.ar2020~1a59f5757c.nl.html

(4)  https://www.bankingsupervision.europa.eu/banking/priorities/html/ssm.supervisory_ priorities2022~0f890c6b70.nl.html

(5)  PB C 395 van 29.9.2021, blz. 72.

(6)  PB C 395 van 29.9.2021, blz. 89.

(7)  https://ec.europa.eu/info/publications/211027-banking-package_en

(8)  https://ec.europa.eu/info/consultations/finance-2021-banking-macroprudential-framework_en

(9)  https://ec.europa.eu/info/publications/210720-anti-money-laundering-countering-financing-terrorism_nl

(10)  https://www.ecb.europa.eu/press/pr/date/2021/html/ecb.pr211117~43fea9f9ce.nl.html

(11)  https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2022/703337/IPOL_STU (2022)703337_EN.pdf

(12)  https://www.ecb.europa.eu/pub/pdf/other/Report_on_a_digital_euro~4d7268b458.en. pdf

(13)  https://www.ecb.europa.eu/pub/pdf/other/ecb.digitaleuroscopekeylearnings202107~ 564d89045e.en.pdf

(14)  https://www.bankingsupervision.europa.eu/legalframework/mous/html/ssm.mou_2019_pra~fbad08a4bc.en.pdf?57221907ef3ce290b35bd2ab650868bb

(15)  https://www.esrb.europa.eu/pub/pdf/recommendations/2021/esrb.climateriskfinancials tability202107_annex~35e1822ff7.en.pdf

(16)  https://www.ecb.europa.eu/pub/pdf/scpops/ecb.op281~05a7735b1c.en.pdf

(17)  https://www.bankingsupervision.europa.eu/ecb/pub/pdf/ssm.202111guideonclimate-relatedandenvironmentalrisks~4b25454055.en.pdf

(18)  https://www.srb.europa.eu/system/files/media/document/Annual%20Report%202020_ Final_web.pdf

(19)  https://www.srb.europa.eu/system/files/media/document/2020-11-30%20SRB%20Multi-Annual%20Work%20Programme%202021-2023.pdf

(20)  https://www.srb.europa.eu/system/files/media/document/2021-11-26_Work-Programme-2022.pdf

(21)  https://www.eba.europa.eu/sites/default/documents/files/document_library/Publications/Reports/2021/1024609/IFRS9%20monitoring%20report.pdf

(22)  PB C 437 van 18.12.2020, blz. 1.

(23)  PB C 23 van 21.1.2021, blz. 105.

(24)  PB C 494 van 8.12.2021, blz. 118.

(25)  https://www.eba.europa.eu/sites/default/documents/files/document_library/Risk%20Analysis%20and%20Data/EU%20Wide%20Transparency%20Exercise/2021/1025102/Risk_Assessment_Report_December_2021.pdf

(26)  https://www.eba.europa.eu/sites/default/documents/files/document_library/Publication s/Guidelines/2021/EBA-GL-2021-15%20GL%20on%20CFT%20cooperation/1025384/Final%20AML-CFT%20Cooperation%20Guidelines.pdf

(27)  https://www.esrb.europa.eu/pub/pdf/reports/esrb.20210908.monitoring_the_financial_stability_implications_of_COVID-19_support_measures~3b86797376.en.pdf

(28)  https://www.esrb.europa.eu/pub/pdf/reports/esrb.report_of_the_Expert_Group_on_Macroprudential_Stance_Phase_II202112~e280322d28.en.pdf

(29)  https://www.fsb.org/wp-content/uploads/P010421-1.pdf

(30)  https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/IDAN/2021/689461/IPOL_IDA(2021 )689461_EN.pdf

(31)  https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/IDAN/2021/659654/IPOL_IDA(2021 )659654_EN.pdf

(32)  https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/IDAN/2021/689460/IPOL_IDA(2021 )689460_EN.pdf

(33)  https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/IDAN/2021/689468/IPOL_IDA(2021 )689468_EN.pdf

(34)  https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/BRIE/2021/659632/IPOL_BRI(2021) 659632_EN.pdf

(35)  Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 149).

(36)  Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).

(37)  PB L 438 van 8.12.2021, blz. 1.

(38)  Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).

(39)  https://www.spglobal.com/marketintelligence/en/news-insights/blog/a-new-dawn-for-european-bank-ma-top-5-trends

(40)  https://www.bankingsupervision.europa.eu/press/pr/date/2021/html/ssm.pr210112~92 0b511a1c.en.html

(41)  Richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 43).

(42)  PB C 216 van 30.7.2013, blz. 1.

(43)  Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).


Woensdag, 6 juli 2022

7.2.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 47/87


P9_TA(2022)0283

Verslag 2021 over Bosnië en Herzegovina

Resolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2022 over het verslag 2021 van de Commissie over Bosnië en Herzegovina (2021/2245(INI))

(2023/C 47/07)

Het Europees Parlement,

gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina (BiH), anderzijds,

gezien de eerste bijeenkomst van het Parlementair Stabilisatie- en Associatiecomité (SAPC) EU-BiH op 5 en 6 november 2015 en de tweede bijeenkomst van het SAPC EU-BiH op 17 juni 2021,

gezien de derde bijeenkomst van de Stabilisatie- en Associatieraad EU-Servië op 13 juli 2018,

gezien de bijeenkomst van het SAPC EU-BiH op 7 november 2019,

gezien het verzoek van BiH om toetreding tot de Europese Unie van 15 februari 2016,

gezien de verklaring van Sofia van de top EU-Westelijke Balkan van 17 mei 2018 en de hieraan gehechte Verklaring van Sofia,

gezien de top EU-Westelijke Balkan van 6 mei 2020 in Zagreb en de verklaring in het kader daarvan,

gezien de top in Sofia van 10 november 2020, met inbegrip van de verklaring over de gemeenschappelijke regionale markt en de verklaring over de groene agenda voor de Westelijke Balkan,

gezien de achtste top in het kader van het proces van Berlijn van 5 juli 2021,

gezien de top EU-Westelijke Balkan van 6 oktober 2021 in Brdo pri Kranju en de verklaring daarvan,

gezien Besluit (EU) 2021/1923 van de Raad van 4 november 2021 betreffende een steunmaatregel in het kader van de Europese Vredesfaciliteit ter ondersteuning van de capaciteitsopbouw voor de strijdkrachten van Bosnië en Herzegovina (1),

gezien de conclusies van de Raad van 18 oktober 2021 over BiH en operatie EUFOR Althea, naar aanleiding van de derde strategische evaluatie van de operatie,

gezien de conclusies van de Raad van 14 december 2021 over de uitbreiding en het stabilisatie- en associatieproces,

gezien de conclusies van de Raad van 24 en 25 maart 2022 over de aanhoudende politieke crisis in Bosnië en Herzegovina en het feit dat de leiders van het land blijk moeten geven van de wil om spoedig de laatste hand te leggen aan de hervorming van de grondwet en de kieswet,

gezien Verordening (EU) 2021/1529 van het Europees Parlement en de Raad van 15 september 2021 tot vaststelling van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III) (2),

gezien de mededeling van de Commissie van 5 februari 2020 getiteld “Bevordering van het toetredingsproces — Een geloofwaardig EU-perspectief voor de Westelijke Balkan” (COM(2020)0057),

gezien de mededeling van de Commissie van 29 mei 2019 getiteld “Mededeling inzake het uitbreidingsbeleid van de EU voor 2019” (COM(2019)0260),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld “Advies van de Commissie betreffende het verzoek van Bosnië en Herzegovina om toetreding tot de EU” (COM(2019)0261) en het begeleidende analytische verslag (SWD(2019)0222),

gezien de mededeling van de Commissie van 29 april 2020 getiteld “Steun aan de Westelijke Balkan voor de bestrijding van COVID-19 en het herstel na de pandemie”,

gezien de mededeling van de Commissie van 24 juli 2020 getiteld “EU-actieplan 2020-2025 inzake illegale vuurwapenhandel” (COM(2020)0608),

gezien de mededeling van de Commissie van 6 oktober 2020 getiteld “Een economisch en investeringsplan voor de Westelijke Balkan” (COM(2020)0641),

gezien de mededeling van de Commissie van 14 april 2021 over de EU-strategie voor de aanpak van georganiseerde criminaliteit (2021-2025) (COM(2021)0170),

gezien de mededeling van de Commissie van 14 april 2021 over de EU-strategie voor de bestrijding van mensenhandel 2021-2025 (COM(2021)0171),

gezien de mededeling van de Commissie van 19 oktober 2021 getiteld “Mededeling 2021 inzake het uitbreidingsbeleid van de EU” (COM(2021)0664), vergezeld van het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld “Bosnia and Herzegovina 2021 Report” (SWD(2021)0291),

gezien het deskundigenverslag over problemen met de rechtsstaat in Bosnië en Herzegovina van 5 december 2019,

gezien het Speciaal verslag van de Europese Rekenkamer van 10 januari 2022 getiteld “EU-steun voor de rechtsstaat in de Westelijke Balkan: ondanks inspanningen nog steeds fundamentele problemen”,

gezien het advies over de constitutionele situatie in Bosnië en Herzegovina en de bevoegdheden van de hoge vertegenwoordiger, dat tijdens de 62e zitting (Venetië, 11-12 maart 2005) is aangenomen door de Commissie van Venetië, en de daaropvolgende aanbevelingen van de Commissie van Venetië over constitutionele aangelegenheden in BiH,

gezien de verzamelde adviezen en verslagen van de Commissie van Venetië over de stabiliteit van het kiesstelsel van 14 december 2020,

gezien de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het voordeel van de eisers, onder wie Azra Zornić, Dervo Sejdić, Jakob Finci, en anderen,

gezien de gezamenlijke verklaring van hoge vertegenwoordiger Josep Borrell en commissaris Olivér Várhelyi van 21 december 2020 over het houden van gemeenteraadsverkiezingen in Mostar,

gezien het zestigste verslag en de eerdere verslagen van de hoge vertegenwoordiger voor de uitvoering van het vredesakkoord betreffende Bosnië en Herzegovina aan de secretaris-generaal van de Verenigde Naties,

gezien Resolutie 2604 (2021) van de VN-Veiligheidsraad van 3 november 2021 over de situatie in Bosnië en Herzegovina, waarbij het mandaat van de militaire operatie van de Europese Unie in Bosnië en Herzegovina (EUFOR Althea) werd verlengd tot november 2022,

gezien het besluit van de autoriteiten van de Verenigde Staten van 5 januari 2022 om sancties op te leggen aan het Servische lid van het voorzitterschap van BiH wegens zijn corrupte activiteiten en de aanhoudende dreiging die hij vormt voor de stabiliteit en de territoriale integriteit van BiH, en gezien het besluit van de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk van 11 april 2022 om sancties op te leggen aan het Servische lid van het presidentschap en de president van de entiteit Republika Srpska wegens hun destabiliserende activiteiten in BiH,

gezien de politieke verklaring over de beginselen voor een goed functionerend Bosnië en Herzegovina dat vorderingen maakt op zijn Europees traject, die is aangenomen op 12 juni 2022 in Brussel,

gezien de conclusies van de Europese Raad van 23 juni 2022 over Oekraïne en de lidmaatschapsverzoeken van Oekraïne, de Republiek Moldavië en Georgië, de Westelijke Balkan, en externe betrekkingen,

gezien het op 25 februari 1991 aangenomen Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband,

gezien de slotverklaring van het achtste Forum voor het maatschappelijk middenveld van de Westelijke Balkan van 1 oktober 2021,

gezien de verklaring van Poznań van 2019 over de integratie van de Roma in het kader van het uitbreidingsproces van de EU,

gezien het Verdrag van de Raad van Europa van 16 mei 2005 inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven en de financiering van terrorisme,

gezien de grondwetten van de Federatie van Bosnië en Herzegovina en de Republika Srpska,

gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over de herdenking van Srebrenica (3),

gezien zijn resolutie van 17 december 2015 over het vredesakkoord van Dayton, dat twintig jaar geleden werd gesloten (4),

gezien zijn aanbeveling van 19 juni 2020 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid betreffende de Westelijke Balkan, naar aanleiding van de top van 2020 (5),

gezien zijn resolutie van 15 december 2021 over samenwerking bij de bestrijding van georganiseerde misdaad in de Westelijke Balkan (6),

gezien zijn resolutie van 17 februari 2022 over de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — jaarverslag 2021 (7),

gezien zijn resolutie van 9 maart 2022 over buitenlandse inmenging in alle democratische processen in de Europese Unie, met inbegrip van desinformatie (8),

gezien zijn eerdere resoluties over het land,

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A9-0188/2022),

A.

overwegende dat de burgers van BiH streven naar Euro-Atlantische integratie met het oog op duurzame vrede, democratie en welvaart; overwegende dat de toekomst van de Westelijke Balkan binnen de EU ligt en dat de burgers van de Westelijke Balkan, met inbegrip van BiH, tijdens de top van Thessaloniki in 2003 toekomstige integratie in de EU in het vooruitzicht is gesteld;

B.

overwegende dat de EU, en het Europees Parlement, het traject van BiH in de richting van de EU en zijn democratische transformatie, geschraagd door zijn strategische oriëntatie en inzet voor Europese integratie, steeds hebben gesteund; overwegende dat toetreding tot de EU de inzet van alle politieke leiders, autoriteiten, instellingen en ambtsdragers van BiH vereist;

C.

overwegende dat de EU de grootste handels- en investeringspartner van BiH en de grootste verstrekker van financiële bijstand is, meer bepaald door middel van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III);

D.

overwegende dat de voortgang van BiH op de weg naar toetreding tot de EU afhangt van de verwezenlijking van de 14 kernprioriteiten die in het advies van de Commissie over het verzoek van het land om toetreding tot de EU worden genoemd, en dat de bijstand van de EU gericht moet zijn op het corrigeren van het aanhoudende gebrek aan vooruitgang ter zake van de kant van de tegenhangers in BiH;

E.

overwegende dat de geloofwaardigheid van het uitbreidingsproces stoelt op duidelijke vooruitgang op belangrijke gebieden van de rechtsstaat en hervorming van het gerechtelijk apparaat, de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad, veiligheid, grondrechten, democratische instellingen, hervorming van het openbaar bestuur, en economische ontwikkeling en concurrentievermogen;

F.

overwegende dat wat met het vredesakkoord van Dayton is bereikt, moet worden gehandhaafd;

G.

overwegende dat de internationale hoge vertegenwoordiger en zijn Bureau (OHR) op grond van bijlage 10 bij het vredesakkoord van Dayton nog steeds tot taak hebben toezicht te houden op de uitvoering van de civiele aspecten van de vredesakkoorden totdat de in 2008 vastgestelde 5+2-agenda is voltooid;

H.

overwegende dat de Europese Unie sinds 2004 een militaire operatie in BiH (EUFOR Althea) uitvoert, met een uitvoeringsmandaat van de VN-Veiligheidsraad om de autoriteiten bij te staan bij het handhaven van een veilige omgeving; overwegende dat EUFOR Althea verder moet worden versterkt om echt doeltreffend te zijn; overwegende dat er een concreet risico bestaat dat het mandaat van EUFOR Althea niet door de VN-Veiligheidsraad wordt verlengd;

I.

overwegende dat het OHR en EUFOR Althea integraal deel uitmaken van de handhaving van vrede, veiligheid en stabiliteit in BiH en in de regio, en van de handhaving van het vredesakkoord van Dayton, overeenkomstig hun respectieve mandaat;

J.

overwegende dat de hoge vertegenwoordiger de in Bonn verleende bevoegdheden heeft gebruikt om de wet op onroerend goed van de Republika Srpska op te schorten;

K.

overwegende dat het sterke internationale toezichtmechanisme de internationale gemeenschap, waaronder de EU, een grote verantwoordelijkheid geeft met betrekking tot het democratisch functioneren van en een welvarende en vreedzame toekomst voor BiH;

L.

overwegende dat alle burgers van BiH krachtens het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op het gehele grondgebied van BiH gelijke rechten en plichten moeten genieten, ongeacht hun etnische achtergrond; overwegende dat het land internationale en binnenlandse verplichtingen is aangegaan om een einde te maken aan systematische discriminatie op grond van etniciteit en woonplaats en om de gelijkheid van de burgers voor de wet te waarborgen, met inachtneming van de grondwettelijke orde van het land, die volledig in overeenstemming moet worden gebracht met de Europese normen en beginselen;

M.

overwegende dat het van cruciaal belang is te zorgen voor een voldoende diverse vertegenwoordiging op alle bestuursniveaus;

N.

overwegende dat BiH een groot aantal arresten van het Europees Hof voor de rechten van de mens ten gunste van gediscrimineerde Bosnische burgers nog steeds niet heeft uitgevoerd; overwegende dat dergelijke arresten alle burgers van BiH in staat stellen hun fundamentele burger- en politieke rechten daadwerkelijk uit te oefenen;

O.

overwegende dat wijzigingen in de grondwet en de kieswet de status van BiH als multi-etnische, inclusieve en democratische staat moeten versterken en het kiesstelsel moeten zuiveren van discriminatie en corruptie;

P.

overwegende dat het rechtskader van BiH moet worden herzien in het licht van internationale jurisprudentie;

Q.

overwegende dat de overgang van BiH van het Dayton-kader naar het EU-kader een voorwaarde vormt voor het behoud van de soevereiniteit van het land en de voortzetting van zijn democratische transformatie;

R.

overwegende dat volgens enquêtes van de VN 47 procent van de Bosniërs tussen 18 en 29 jaar overweegt tijdelijk of voorgoed te emigreren omdat zij teleurgesteld zijn over het gebrek aan vooruitzichten in eigen land; overwegende dat volgens een rapport van het Bevolkingsfonds van de VN elk jaar gemiddeld 50 000 à 55 000 mensen — veelal geschoolde werknemers en vakmensen — BiH verlaten;

S.

overwegende dat — al dan niet officiële — verheerlijking van veroordeelde oorlogsmisdadigers, etnische of religieuze segregatie en discriminatie indruisen tegen de essentie van het Europese project; overwegende dat het dringend noodzakelijk is de ontkenning van de Holocaust, genocide, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid daadwerkelijk te verbieden;

T.

overwegende dat BiH sinds de oorlog tussen 1992 en 1995 nog nooit zo instabiel was; overwegende dat bepaalde politieke leiders van de entiteit Republika Srpska in BiH opruiende taal bezigen en destabiliserende acties ondernemen, die erop gericht zijn een terugtrekking uit de staatsinstellingen (waaronder de strijdkrachten, het belastingstelsel en de rechtspraak) voor te bereiden en onafhankelijke autoriteiten op te richten, hetgeen een schending van het vredesakkoord van Dayton is; overwegende dat bepaalde buitenlandse politieke actoren de pogingen tot ontwrichting en afscheiding van het Bosnisch-Servische leiderschap onder leiding van Milorad Dodik actief steunen;

U.

overwegende dat de Raad op 18 maart 2022 Besluit (GBVB) 2022/450 (9) tot verlenging van het bestaande sanctiekader voor personen die de soevereiniteit, de territoriale integriteit en de constitutionele orde van BiH of het vredesakkoord van Dayton ondermijnen, heeft aangenomen;

V.

overwegende dat de Raad regelmatig zijn steun betuigt aan de soevereiniteit, eenheid en territoriale integriteit van BiH;

W.

overwegende dat door middel van kwaadwillige directe en indirecte buitenlandse inmenging en desinformatie wordt getracht verdeeldheid te zaaien tussen de verschillende gemeenschappen en de regio te destabiliseren, met name in het licht van de Russische inval in Oekraïne;

Functioneren van de democratische instellingen

1.

onderstreept dat het tempo van de toetreding tot de EU wordt bepaald door de uitvoering van hervormingen die tot doel hebben de goede werking van de democratische instellingen, waarvan de rechtsstaat, goed bestuur en grondrechten de grondvesten vormen, te waarborgen;

2.

dringt er bij BiH en al zijn politieke actoren op aan engagement te tonen en belangrijke stappen in de richting van EU-lidmaatschap te zetten door vooruitgang te boeken met de 14 kernprioriteiten, met name door de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te herstellen, de rechtsstaat en zijn waarden en beginselen in alle overheidsinstellingen te versterken, de strijd tegen corruptie en georganiseerde criminaliteit op te voeren en te intensiveren, de mediavrijheid en een gunstig klimaat voor het maatschappelijk middenveld te bevorderen en te waarborgen, en kwetsbare groepen te beschermen;

3.

betreurt dat het land meer dan 25 jaar na het einde van de oorlog nog steeds te kampen heeft met door politieke elites in de hand gewerkte verdeeldheid, pogingen tot afscheiding en een hoge mate van corruptie, hetgeen bijdraagt tot een massale braindrain en demografische achteruitgang door een gebrek aan vooruitzichten;

4.

is ingenomen met de bijeenkomst van het SAPC EU-BiH van 17 juni 2021 en de goedkeuring van zijn reglement van orde, en onderstreept dat het van belang is de werking ervan te waarborgen door een inclusieve politieke dialoog en regelmatige samenwerking; betreurt evenwel dat de Bosnische tegenhangers zich niet echt inzetten om proactief een constructieve parlementaire samenwerking tot stand te brengen, hetgeen zou bijdragen tot prioriteit 3 van de 14 kernprioriteiten;

5.

spreekt andermaal zijn duidelijke steun uit voor de democratische transformatie van BiH door middel van Europese integratie, op basis van eenheid, soevereiniteit en territoriale integriteit, gegrondvest op de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie van alle burgers van BiH, zoals vastgelegd in de grondwet en in overeenstemming met de uitspraken van het Europees Hof voor de rechten van de mens;

6.

onderstreept dat hetgeen met het vredesakkoord van Dayton is verwezenlijkt, moet worden geëerbiedigd en herinnert aan het doel ervan, namelijk de oorlog beëindigen en de vrede waarborgen; neemt nota van het concept van constituerende volkeren, maar benadrukt dat dit concept op geen enkele wijze mag leiden tot discriminatie van andere burgers of extra rechten mag inhouden voor mensen die zich met een van deze groepen identificeren ten opzichte van andere burgers van BiH; hekelt verklaringen en voorstellen die erop gericht zijn het staatsbestel en de constitutionele waarden van BiH te ondermijnen, en herinnert eraan dat BiH de tekortkomingen in zijn grondwettelijke kader moet aanpakken en het in overeenstemming moet brengen met de Europese normen en beginselen;

7.

benadrukt dat de handhaving van het vredesakkoord van Dayton de verplichting inhoudt om de besluiten van de hoge vertegenwoordiger uit te voeren, zonder afbreuk te doen aan de uitvoering van hoognodige politieke en structurele hervormingen in het land; onderstreept dat de burgers en politici van BiH meer zeggenschap moeten krijgen over de ontwikkeling van het land;

8.

is er sterk voorstander van dat het OHR zijn mandaat ten volle uitvoert, ook door als uiterste middel de in Bonn verleende bevoegdheden te gebruiken als dat nodig is om de volledige eerbiediging van het vredesakkoord van Dayton en de soevereiniteit en integriteit van BiH te waarborgen; verzoekt de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten met klem zich publiekelijk en ondubbelzinnig uit te spreken vóór het volledige mandaat van de hoge vertegenwoordiger en nauw samen te werken om de hoge vertegenwoordiger te steunen bij de uitvoering van de 5+2-agenda; verzoekt alle leden van de VN-Veiligheidsraad te zorgen voor de verlenging en de continuïteit van het mandaat van de hoge vertegenwoordiger, omdat dit cruciaal is voor de stabiliteit van BiH;

9.

neemt nota van het recente besluit van de hoge vertegenwoordiger om de wet op onroerend goed in de entiteit Republika Srpska (RS) op te schorten en het verbod op het van de hand doen van staatseigendommen uit te breiden; veroordeelt in de sterkst mogelijke bewoordingen alle haatzaaiende retoriek en dreigingen met geweld aan het adres van de hoge vertegenwoordiger, met inbegrip van die welke zijn geuit tijdens een bijeenkomst in Banja Luka op 20 april 2022 in aanwezigheid van de leiders van de entiteit RS; verzoekt de autoriteiten dergelijke bedreigingen te voorkomen en mensen die dergelijke bedreigingen uiten, te vervolgen;

10.

is gekant tegen schadelijke toegevingen met betrekking tot eigendommen van de staat en van defensie; verzoekt de internationale belanghebbenden, met name de Commissie en de EU-delegatie, het OHR en zijn deskundigengroep te steunen bij hun inspanningen om een duurzame oplossing te vinden die het hele land en alle burgers ten goede komt, en met een krachtdadigere en geloofwaardigere aanpak te reageren op de afscheidingspogingen van de leiders van de entiteit RS;

11.

betreurt de impasse in de onderhandelingen over de hervorming van de grondwet en de kieswet in BiH en het gebrek aan politieke wil om die impasse te doorbreken, alsook het feit dat die hervormingen, hoewel er in oktober 2022 verkiezingen worden gehouden, nog steeds niet zijn uitgevoerd, ondanks diverse pogingen van de EU en de Verenigde Staten om de hervormingen te faciliteren; verzoekt alle actoren ervoor te zorgen dat de verkiezingen in oktober volgens plan verlopen, en in goede wil te onderhandelen en tot een evenwichtig akkoord te komen, overeenkomstig de Europese normen, de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de aanbevelingen van de Commissie van Venetië, de grondwettelijke plicht tot democratisch bestuur na te komen, en de transparantie, integriteit en efficiëntie van het verkiezingsproces te waarborgen door het integriteitspakket onmiddellijk uit te voeren;

12.

veroordeelt ten stelligste de veronachtzaming van internationale en nationale normen en verplichtingen, alle haatzaaiende retoriek en ontwrichtende maatregelen, waaronder de terugtrekking uit en de daaruit voortvloeiende blokkade, boycot en obstructie van overheidsinstellingen, met name door de leiders van de entiteit RS, waardoor het land wordt gedestabiliseerd, het staatsbestel wordt ondermijnd, de grondwet en het vredesakkoord van Dayton worden geschonden en de besluitvorming over belangrijke wetten en hervormingen, die van essentieel belang zijn om vooruitgang te boeken op de weg naar integratie in de EU, stelselmatig wordt gedwarsboomd en de uitvoering ervan wordt verhinderd; keurt alle pogingen af om parallelle parastatale instellingen te vormen, die de staatsinstellingen, de grondwettelijke orde en de rechtsorde, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de soevereiniteit van het land ondermijnen; vraagt de entiteit RS dergelijke wetten onmiddellijk in te trekken en te herroepen;

13.

veroordeelt de conclusies van 10 december 2021 van de nationale vergadering van de entiteit RS over de terugtrekking uit de instellingen op staatsniveau, de aanneming van de wet op onroerend goed dat wordt gebruikt voor de werking van overheidsdiensten, die op 10 februari 2022 door de nationale vergadering is goedgekeurd, en de stemming in de nationale vergadering met het oog op de instelling van een eigen Hoge Raad voor justitie en rechtsvervolging; uit zijn bezorgdheid over de beschuldigingen in verband met de rol van de commissaris voor Nabuurschap en Uitbreiding bij de stemming van de nationale vergadering van de entiteit RS over de routekaart voor de terugtrekking uit de staatsinstellingen van Bosnië en Herzegovina; herinnert aan de verplichtingen van de commissaris op het gebied van integriteit, discretie en onafhankelijkheid, in overeenstemming met de gedragscode voor de leden van de Commissie, en roept de Commissie derhalve op de recente acties van commissaris Várhelyi in dit licht te beoordelen;

14.

roept alle actoren in BiH op een einde te maken aan de blokkering op verschillende niveaus en in alle staatsinstellingen onmiddellijk, onvoorwaardelijk, effectief, volledig en op niet-selectieve wijze weer aan het werk te gaan om een einde te maken aan de aanhoudende politieke patstelling in het land en de werking van de overheid en de instellingen te herstellen ten bate van alle burgers;

15.

dringt er bij de EU, de lidstaten en de EDEO op aan om, mede in het licht van de Russische agressie tegen Oekraïne en de separatistische dreigementen van de pro-Russische leiders van de entiteit RS, hun voornaamste inspanningen onmiddellijk te richten op het waarborgen van een veilige omgeving en de veiligheid op middellange en lange termijn in het land; roept de internationale gemeenschap op bij te dragen tot het vinden van een alomvattende oplossing voor de huidige complexe situatie in BiH;

16.

roept de EU, haar lidstaten en de internationale gemeenschap op het voorbeeld van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk te volgen en alle beschikbare instrumenten, met name gerichte sancties en de opschorting van middelen, in te zetten tegen destabiliserende actoren in het land, met inbegrip van degene die de territoriale orde van Bosnië en Herzegovina bedreigen, met name Milorad Dodik; verzoekt alle lidstaten ervoor te zorgen dat de Raad zulke sancties kan vaststellen; betreurt in verband hiermee de wijziging van de besluitvormingsprocedure in het kader van de verlenging van de sanctieregeling van de EU voor Bosnië en Herzegovina in maart 2022;

17.

is ingenomen met de politieke overeenkomst die op 12 juni 2022 in Brussel is bereikt; dringt er bij alle politieke actoren in Bosnië en Herzegovina op aan de overeenkomst na te leven;

18.

is ingenomen met de oproep van de Europese Raad aan alle politieke leiders in Bosnië en Herzegovina, zoals verwoord in zijn conclusies van 23 juni 2022, om snel uitvoering te geven aan de toezeggingen in het politieke akkoord van 12 juni 2022 en de hervormingen van de grondwet en de kieswetgeving snel te voltooien, zodat het land beslissende vorderingen kan maken op zijn Europese traject, in overeenstemming met het advies van de Commissie;

Verzoening

19.

betuigt zijn solidariteit met de overlevenden en de gezinnen van de slachtoffers van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, ontheemding, verdwijningen, executies, foltering, seksueel geweld, genocide en etnische zuivering;

20.

benadrukt dat de toekomst van Bosnië en Herzegovina binnen de EU afhangt van permanente en duurzame vrede, het aanpakken van het verleden en het mogelijk maken van daadwerkelijke verzoening, zowel onder burgers als onder hooggeplaatste politici, ter garantie van het democratische, inclusieve, pluralistische en multi-etnische karakter van het land; dringt er bij Bosnië en Herzegovina op aan vaart te zetten achter een doeltreffende en onpartijdige vervolging van oorlogsmisdaden in het kader van de herziene nationale strategie voor de behandeling van oorlogsmisdaden; verzoekt alle regionale regeringen, parlementen en politieke leiders om snel de Regionale Commissie voor de vaststelling van feiten met betrekking tot alle slachtoffers van oorlogsmisdaden en andere schendingen van de mensenrechten die zijn begaan op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië (Recom) op te zetten, voortbouwend op het belangrijke werk van de Coalitie voor Recom;

21.

wijst erop dat de hardnekkige problemen in het verzoeningsproces voortvarender moeten worden aangepakt; verzoekt de Commissie te voorzien in kaders voor dialoog over erfenissen uit het verleden;

22.

verzoekt alle autoriteiten zich te houden aan hun internationale verplichtingen inzake de mensenrechten om verzoening te bevorderen door toegang te garanderen tot de waarheid, de rechter en effectieve, niet-selectieve herstelbetalingen, onder meer voor de overlevenden van seksueel geweld, en door maatregelen te treffen om herhaling te voorkomen door middel van onderwijs, cultuur, bescherming van de mensenrechten, institutionele doorlichting, hulp bij wederopbouw, banencreatie, sociale maatregelen en toegang tot gezondheidszorg, alsmede door ervoor te zorgen dat plegers van oorlogsmisdaden worden geweerd uit openbare ambten;

23.

moedigt de autoriteiten aan de samenwerking en uitwisseling van gegevens met betrekking tot vermiste personen te intensiveren en ervoor te zorgen dat de families van burgerslachtoffers worden vergoed en garanties krijgen dat het gebeurde zich niet zal herhalen, alsmede te zorgen voor de veilige en duurzame terugkeer van vluchtelingen en intern ontheemden, de volledige eerbiediging zowel op nationaal als op regionaal niveau van hun rechten en de teruggave van hun eigendommen, dan wel compensatie voor eigendommen die niet teruggegeven worden kunnen;

24.

is verheugd over de inspanningen van lokale en internationale organisaties, waaronder de Internationale Commissie voor Vermiste Personen, om opheldering te brengen over meer dan 30 000 personen die tijdens de conflicten op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië in de jaren negentig vermist zijn geraakt en over de meer dan 8 000 slachtoffers van de genocide in Srebrenica; herinnert eraan dat 7 200 mensen nog steeds vermist zijn;

25.

is verheugd over de door de hoge vertegenwoordiger uitgevaardigde wijzigingen in het wetboek van strafrecht van Bosnië en Herzegovina waarbij de verheerlijking van oorlogsmisdadigers en de ontkenning van genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden strafbaar worden gesteld, na het verzuim door de lokale actoren om een voorstel goed te keuren, en steunt deze wijzigingen; betreurt en verwerpt alle pogingen om dit besluit niet uit te voeren; veroordeelt ten stelligste alle vormen van historisch revisionisme en ontkenning, minimalisering of verheerlijking van oorlogsmisdaden, met inbegrip van de niet-naleving van beslissingen van internationale en binnenlandse tribunalen; dringt aan op een snelle uitvoering van de wijzigingen en op effectief onderzoek naar en effectieve vervolging van de ontkenning van de genocide;

26.

herhaalt dat het ontkennen van genocide, het vieren van oorlogsmisdaden, het huldigen van oorlogsmisdadigers en het bedreigen van de regionale stabiliteit en verzoening indruisen tegen de Europese waarden en aspiraties; veroordeelt tegen deze achtergrond krachtig de opruiende gebeurtenissen die hebben plaatsgehad ter gelegenheid van de zogenaamde “Dag van de Republika Srpska” op 9 januari 2022, die schending inhielden van de grondwet van Bosnië en Herzegovina; veroordeelt tevens de schennis van de partizanenbegraafplaats in Mostar en verzoekt de autoriteiten dit grondig te onderzoeken en de daders voor de rechter te brengen;

Hervormingsproces

27.

dringt er bij de politieke actoren van Bosnië en Herzegovina op aan vooruitgang te boeken met de gerechtelijke, electorale, bestuurlijke en economische hervormingen die nodig zijn om het land dichter bij de EU te brengen, en het maatschappelijk middenveld bij dit proces te betrekken; hekelt alle pogingen om deze hervormingen te blokkeren, waardoor de naleving door Bosnië en Herzegovina van de EU-toetredingscriteria wordt vertraagd en de toegang tot EU-financiering uit hoofde van IPA III in gevaar wordt gebracht, die gebaseerd is op de naleving van strikte voorwaarden en afhankelijk van de medewerking van diverse autoriteiten;

28.

benadrukt dat de IPA III-financiering moet worden gedifferentieerd of zelfs opgeschort in geval van een aanzienlijke achteruitgang of een aanhoudend gebrek aan vooruitgang op het gebied van de rechtsstaat en de grondrechten, met inbegrip van de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad en mediavrijheid, en verzoekt de Commissie richtsnoeren te ontwikkelen voor de toepassing ervan, overeenkomstig de aanbevelingen in Speciaal verslag nr. 1/2022 van de Rekenkamer; verzoekt de EU en de landen van de Westelijke Balkan in dit verband een kader vast te stellen voor effectieve samenwerking met het Europees Openbaar Ministerie;

29.

is ingenomen met de recente opschorting van de corridor Vc-projecten in de Republika Srpska ter waarde van 600 miljoen EUR, en herinnert eraan dat deze middelen pas zullen worden toegewezen nadat de vertegenwoordigers van de Republika Srpska volledig zijn teruggekeerd naar de overheidsinstellingen; dringt aan op een grondige heroverweging en toetsing van alle door de EU gefinancierde projecten en bijstand die van toepassing zijn op en binnen de Republika Srpska, met inbegrip van macrofinanciële bijstand, met het oog op het bevriezen van de directe en indirecte financiering ten gunste van de autoriteiten van deze entiteit; merkt op dat de Duitse regering heeft besloten vier infrastructuurprojecten in de Republika Srpska ter waarde van 105 miljoen EUR op te schorten;

30.

betreurt ten zeerste de schade en het verlies van mensenlevens als gevolg van een krachtige aardbeving in de buurt van Stolac op 22 april 2022;

31.

herinnert eraan dat het belangrijk is het democratische beginsel te eerbiedigen van regelmatige verkiezingen; benadrukt dat het belangrijk is in 2022 zoals gepland eerlijke, open, transparante en inclusieve verkiezingen te houden en dringt er bij alle politieke actoren op aan niet op te roepen tot een blokkade van de verkiezingen en burgers in staat te stellen hun democratische keuze kenbaar te maken; dringt aan op tijdige parlementaire goedkeuring van wetgeving inzake de integriteit van de verkiezingen; herinnert eraan en betreurt het feit dat er als gevolg van de voortdurende vertraging bij de goedkeuring van de overheidsbegroting niet tijdig is voorzien in verkiezingsmiddelen; benadrukt dat het houden van geloofwaardige verkiezingen en het ten uitvoer leggen van de resultaten wezenlijke kenmerken zijn van een goed functionerende democratie, evenals een vereiste voor elk land dat wil toetreden tot de EU; is tevreden met het besluit van het OHR van 7 juni 2022 om ten volle gebruik te maken van zijn mandaat om de politieke grondrechten van de Bosnische burgers op vrije en eerlijke verkiezingen te waarborgen, door het goedkeuren van de vereiste begroting, aangezien de nationale autoriteiten dit verzuimen;

32.

steunt transparante en inclusieve hervormingen van de grondwet en de kieswet om de gelijkheid en non-discriminatie van alle burgers te waarborgen, de verantwoordingsmechanismen te versterken en Bosnië en Herzegovina om te vormen tot een volledig functionele en inclusieve staat, door de vonnissen, adviezen en aanbevelingen van de bevoegde binnenlandse en internationale rechtbanken en organen onverwijld uit te voeren, om zo de integriteit van de verkiezingen en het proces te garanderen; onderstreept dat institutionele hervormingen afhangen van de wil en het engagement van de politieke leiders en de democratische koers van de instellingen in het land; neemt kennis van de trans-Atlantische inspanningen die worden ondernomen om dit te faciliteren en veroordeelt de obstructie en inactiviteit van de politieke actoren op dit gebied; dringt erop aan dat de faciliteringspogingen van de EDEO en de EU-delegatie worden onderworpen aan een evaluatie en dat uit die pogingen lessen worden getrokken, en verzoekt de EDEO en de EU-delegatie altijd te handelen overeenkomstig de strengste democratische normen van de EU; dringt aan op voortdurende aandacht voor en integratie van de voorstellen van burgers;

33.

betreurt ten zeerste het feit dat Bosnië en Herzegovina nog steeds het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens schendt door geen uitvoering te geven aan de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaken Sejdić-Finci, Zornić, Pilav en Šlaku; betreurt het feit dat Bosnië en Herzegovina nog steeds geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van het Grondwettelijk Hof van Bosnië en Herzegovina in de zaak-Ljubić;

34.

benadrukt het feit dat het belangrijk is uitvoering te geven aan de aanbevelingen van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE/ODIHR), de Commissie van Venetië en de Groep van Staten tegen Corruptie van de Raad van Europa (Greco);

35.

benadrukt het feit dat met een inclusieve hervorming van de kieswet een einde moet worden gemaakt aan alle vormen van ongelijkheid, discriminatie en vooringenomenheid in het verkiezingsproces en de voorwaarden moeten worden gecreëerd voor concurrerende verkiezingen; herinnert eraan dat dit moet geschieden door de regels voor de registratie van partijen te harmoniseren, de financiering van politieke partijen transparant te maken en de onafhankelijkheid en de bevoegdheden van de kiescommissies te garanderen;

36.

verzoekt alle belanghebbenden overeenstemming te bereiken over een hervorming van de kieswet die strookt met de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Grondwettelijk Hof, om te zorgen voor een voldoende diverse politieke vertegenwoordiging op alle bestuursniveaus;

37.

roept op tot de invoering van consistente, voor het gehele land geldende, op verdiensten gebaseerde normen voor het ambtenarenapparaat, om een gestroomlijnd, gedepolitiseerd en verantwoordingsplichtig openbaar bestuur mogelijk te maken, zodat de effecten van patronage bij aanstellingen kunnen worden verminderd die corruptie in de hand werken; benadrukt dat er geen sprake mag zijn van discriminatie in de mogelijkheden voor alle burgers om in de publieke ruimte te worden vertegenwoordigd;

Economie, energie, milieu, duurzame ontwikkeling en connectiviteit

38.

benadrukt het feit dat de economische harmonisatie en connectiviteit op nationaal en regionaal niveau moeten worden versterkt; is ingenomen met de Europese investeringen in de weg- en spoorweginfrastructuur in Bosnië en Herzegovina, met name de ontwikkeling van corridor Vc die Midden-Europa verbindt met de haven van Ploče aan de Adriatische kust, en benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat internationale middelen die de connectiviteit verbeteren, worden ingezet voor het opvullen van lacunes en het verminderen van discrepanties en voor het verbeteren van de situatie voor het hele land, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel;

39.

dringt er bij de autoriteiten op aan strategieën voor het hele land vast te stellen, de strategische planning, het financieel beheer en het toezicht en de evaluatie te verbeteren en controle- en auditstructuren op te zetten; benadrukt het feit dat dringend moet worden gezorgd voor verantwoordingsplicht en transparantie met betrekking tot de economie en dat overheids- en privéondernemingen moeten worden beschermd tegen patronage en criminele netwerken;

40.

moedigt het gebruik aan van de mogelijkheden van digitalisering voor het moderniseren van de bestuurlijke, electorale, gerechtelijke, fiscale en economische processen, hetgeen kan helpen de versnippering, de administratieve rompslomp, de informele economie, de douane- en belastingfraude en het witwassen van geld tegen te gaan, en tegelijk het concurrentievermogen van kmo’s kan vergroten;

41.

is ingenomen met de inspanningen van de EU en haar lidstaten alsook van de buurlanden in de regio om het land bij te staan bij het beperken van de gevolgen van de COVID-19-pandemie; wijst erop dat een gecoördineerde strategische respons voor het hele land van groot belang is om te helpen een van de laagste vaccinatiepercentages in Europa op te krikken;

42.

is ingenomen met de opheffing van de roamingkosten tussen de zes landen van de Westelijke Balkan; verzoekt alle relevante partijen dringend te onderhandelen over een plan dat moet leiden tot de afschaffing van de roamingtarieven tussen de zes landen van de Westelijke Balkan en de EU-lidstaten; verzoekt Bosnië en Herzegovina en zijn buurlanden te werken aan een verbetering van hun betrekkingen en het mogelijk maken van visumvrij reizen tussen Bosnië en Herzegovina en Kosovo;

43.

verzoekt de autoriteiten van Bosnië en Herzegovina meer inspanningen te leveren voor de totstandbrenging van de gemeenschappelijke regionale markt, met het oog op een hechtere integratie in de hele Westelijke Balkan, en voor het invoeren en garanderen van vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal in de regio als opstapje naar toetreding tot de EU; benadrukt dat alle regelingen op het gebied van regionale economische samenwerking in de Westelijke Balkan inclusief en aanvaardbaar moeten zijn voor alle zes landen, dat hierbij een samenwerking op gelijke voet tot stand moet worden gebracht, terwijl de aanpassing aan de EU-normen en het EU-acquis voort wordt versterkt; spreekt in dit verband zijn voorbehoud uit ten aanzien van het Open Balkan-initiatief, waar niet alle zes landen aan deelnemen, en is ervan overtuigd dat dit initiatief op EU-regels gebaseerd moet zijn en moet bijdragen aan het EU-integratieproces;

44.

herinnert eraan dat er verbeterde wetgeving op staatsniveau inzake gas en elektriciteit, hernieuwbare energiebronnen, energie-efficiëntie en klimaat moet worden aangenomen, die moet leiden tot een duurzame sociaal-economische transitie van steenkool en een aanzienlijke vermindering van de energiearmoede, en dat de milieu- en natuurbescherming en de ambitie met betrekking tot een groene transitie moeten worden opgevoerd door een harmonisatie van de milieuwetgeving en de vaststelling van een milieubeschermingsstrategie; dringt er bij de autoriteiten van Bosnië en Herzegovina op aan te zorgen voor een betere aanpassing aan de EU-normen en -beleidsdoelstellingen inzake klimaatbescherming en energie, in overeenstemming met de Europese Green Deal en de groene agenda voor de Westelijke Balkan;

45.

verzoekt Bosnië en Herzegovina de laatste hand te leggen aan de opstelling van het nationaal energie- en klimaatplan in overeenstemming met de noodzakelijke energie- en klimaatambitie voor 2030;

46.

wijst op enkele positieve ontwikkelingen op het gebied van milieubescherming die zijn geïnitieerd door lokale milieu- en maatschappelijke organisaties; dringt er bij Bosnië en Herzegovina op aan de verzoeken van zijn burgers om bescherming van rivieren te eerbiedigen, met name bij de aanleg van infrastructuurprojecten en andere collectieve goederen;

47.

uit zijn bezorgdheid over de lopende plannen om de productiecapaciteit voor energie uit steenkool te vergroten; dringt aan op meer inspanningen om te komen tot een klimaatbestendige en duurzame energietransitie op basis van hernieuwbare energiebronnen, energie-efficiëntie en integratie van de energiemarkt, waarbij investeringen worden aangestuurd en steun wordt verleend aan werknemers die omscholing nodig hebben; dringt er bij de autoriteiten van Bosnië en Herzegovina op aan een streep te zetten door nieuwe, door China gefinancierde steenkoolgestookte elektriciteitscentrales, die haaks staan op de EU-richtlijnen inzake staatssteun en de toezeggingen van het land in het kader van de groene agenda;

48.

beveelt aan de overheidsinvesteringen te richten op duurzame projecten die gericht zijn op het bevorderen van de sociale markteconomie, het faciliteren van de groene en de digitale transitie en het verminderen van de ernstige luchtverontreiniging, ook in grensoverschrijdende natuurgebieden, en ten volle gebruik te maken van het economisch en investeringsplan voor de Westelijke Balkan; benadrukt dat de milieueffectbeoordelingen vooraf aanzienlijk moeten worden verbeterd door een zinvolle participatie van de lokale gemeenschappen, het maatschappelijk middenveld en onafhankelijke deskundigen, teneinde de transparantie te vergroten, en benadrukt dat milieumisdrijven efficiënter moeten worden vervolgd;

49.

benadrukt dat het belangrijk is de soevereiniteit van Bosnië en Herzegovina te eerbiedigen bij de uitvoering van infrastructuurprojecten in het land, met name projecten waarbij bedrijven uit derde landen betrokken zijn;

Rechtsstaat

50.

onderstreept dat de hervorming van de rechtsstaat en het justitiële stelsel de ruggengraat van een democratische transformatie vormen, die zorgen voor rechtszekerheid, transparantie, toegang tot de rechter en non-discriminatie;

51.

vraagt dat dringend wordt opgetreden tegen de wijdverspreide selectieve rechtspraak, gijzeling van de staat, nepotisme, vriendjespolitiek, corruptie op hoog niveau en criminele infiltratie, onder meer door de langverbeide actualisering van de wetgeving inzake rechterlijke integriteit, controle van vermogensbestanddelen, belangenconflicten, overheidsopdrachten, toegang tot informatie, getuigenbescherming en herstructurering van staatsbedrijven; wijst nogmaals op de dringende noodzaak van justitiële hervormingen in heel Bosnië en Herzegovina om het professionalisme en de integriteit van de rechterlijke macht te verbeteren op basis van de 14 kernprioriteiten en de aanbevelingen in het v