ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 340

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

65e jaargang
5 september 2022


Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie van de Europese Unie

2022/C 340/01

Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

1


 

V   Bekendmakingen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2022/C 340/02

Gevoegde zaken C-59/18 en C-182/18: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 juli 2022 — Italiaanse Republiek, Comune di Milano / Raad van de Europese Unie [Beroep tot nietigverklaring – Institutioneel recht – Organen en instanties van de Europese Unie – Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) – Bevoegdheid om de plaats van de zetel te bepalen – Artikel 341 VWEU – Werkingssfeer – Besluit dat door de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten is genomen in de marge van een bijeenkomst van de Raad – Bevoegdheid van het Hof krachtens artikel 263 VWEU – Auteur en rechtskarakter van de handeling – Geen bindende gevolgen in de rechtsorde van de Unie]

2

2022/C 340/03

Gevoegde zaken C-106/19 en C-232/19: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 juli 2022 — Italiaanse Republiek (C-106/19), Comune di Milano (C-232/19) / Raad van de Europese Unie, Europees Parlement [Beroep tot nietigverklaring – Institutioneel recht – Verordening (EU) 2018/1718 – Aanwijzing van Amsterdam (Nederland) als zetel van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) – Artikel 263 VWEU – Ontvankelijkheid – Procesbelang – Procesbevoegdheid – Rechtstreeks en individueel geraakt – In de marge van een bijeenkomst van de Raad vastgestelde beslissing van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten om de zetel van een agentschap van de Europese Unie te bepalen – Geen bindende gevolgen in de rechtsorde van de Unie – Prerogatieven van het Europees Parlement]

3

2022/C 340/04

Zaak C-743/19: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 juli 2022 — Europees Parlement / Raad van de Europese Unie [Beroep tot nietigverklaring – Institutioneel recht – Instanties en organen van de Europese Unie – Europese Arbeidsautoriteit (ELA) – Bevoegdheid inzake de vaststelling van de plaats van de zetel – Artikel 341 VWEU – Werkingssfeer – Besluit dat door de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten wordt vastgesteld in de marge van een vergadering van de Raad – Bevoegdheid van het Hof krachtens artikel 263 VWEU – Auteur en juridische aard van de handeling – Geen bindende gevolgen in de rechtsorde van de Unie]

3

2022/C 340/05

Zaak C-817/19: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 21 juni 2022 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Grondwettelijk Hof — België) — Ligue des droits humains / Ministerraad [Prejudiciële verwijzing – Verwerking van persoonsgegevens – Persoonsgegevens van passagiers (PNR) – Verordening (EU) 2016/679 – Artikel 2, lid 2, onder d) – Werkingssfeer – Richtlijn (EU) 2016/681 – Gebruik van PNR-gegevens van passagiers van vluchten tussen de Europese Unie en derde landen – Mogelijkheid om ook gegevens van passagiers van vluchten binnen de Unie te gebruiken – Geautomatiseerde verwerking van deze gegevens – Bewaartermijn – Bestrijding van terroristische misdrijven en ernstige criminaliteit – Geldigheid – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikelen 7, 8 en 21 en artikel 52, lid 1 – Nationale wetgeving die het PNR-systeem bij uitbreiding toepast op andere soorten vervoer binnen de Unie – Vrijheid van verkeer binnen de Unie – Handvest van de grondrechten – Artikel 45]

4

2022/C 340/06

Zaak C-128/20: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 juli 2022 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landesgericht Klagenfurt — Oostenrijk) — GSMB Invest GmbH & Co. KG / Auto Krainer GesmbH [Prejudiciële verwijzing – Harmonisatie van wetgevingen – Verordening (EG) nr. 715/2007 – Typegoedkeuring van motorvoertuigen – Artikel 3, punt 10 – Artikel 5, leden 1 en 2 – Manipulatie-instrument – Motorvoertuigen – Dieselmotor – Uitstoot van vervuilende stoffen – Emissiecontrolesysteem – In het motormanagementsysteem ingebouwde software – Uitlaatgasrecirculatieklep (EGR-klep) – Door een thermovenster beperkte vermindering van de uitstoot van stikstofoxide (NOx) – Verbod op het gebruik van manipulatie-instrumenten die de doelmatigheid van de emissiecontrolesystemen verminderen – Artikel 5, lid 2, onder a) – Uitzondering op dit verbod]

6

2022/C 340/07

Zaak C-134/20: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 juli 2022 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landesgericht Eisenstadt — Oostenrijk) — IR / Volkswagen AG [Prejudiciële verwijzing – Harmonisatie van wetgevingen – Verordening (EG) nr. 715/2007 – Typegoedkeuring van motorvoertuigen – Artikel 3, punt 10 – Artikel 5, leden 1 en 2 – Manipulatie-instrument – Motorvoertuigen – Dieselmotor – Uitstoot van vervuilende stoffen – Emissiecontrolesysteem – In het motormanagementsysteem ingebouwde software – Uitlaatgasrecirculatieklep (EGR-klep) – Door een thermovenster beperkte vermindering van de uitstoot van stikstofoxide (NOx) – Verbod op het gebruik van manipulatie-instrumenten die de doelmatigheid van de emissiecontrolesystemen verminderen – Artikel 5, lid 2, onder a) – Uitzondering op dit verbod – Richtlijn 1999/44/EG – Verkoop van en garanties voor consumptiegoederen – Artikel 3, lid 2 – Instrument dat is ingebouwd bij de reparatie van een voertuig]

7

2022/C 340/08

Zaak C-145/20: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 juli 2022 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof — Oostenrijk) — DS / Porsche Inter Auto GmbH & Co KG, Volkswagen AG [Prejudiciële verwijzing – Harmonisatie van wetgevingen – Verordening (EG) nr. 715/2007 – Typegoedkeuring van motorvoertuigen – Artikel 5, lid 2 – Manipulatie-instrument – Motorvoertuigen – Dieselmotor – Emissiecontrolesysteem – In het motormanagementsysteem ingebouwde software – Uitlaatgasrecirculatieklep (EGR-klep) – Door een thermovenster beperkte vermindering van de uitstoot van stikstofoxide (NOx) – Verbod op het gebruik van manipulatie-instrumenten die de doelmatigheid van de emissiecontrolesystemen verminderen – Artikel 5, lid 2, onder a) – Uitzondering op dit verbod – Bescherming van de consument – Richtlijn 1999/44/EG – Verkoop van en garanties voor consumptiegoederen – Artikel 2, lid 2, onder d) – Begrip ‚goederen die de kwaliteit en prestaties bieden die voor goederen van dezelfde soort normaal zijn en die de consument redelijkerwijs mag verwachten, gelet op de aard van de goederen’ – Voertuig waarvoor EG-typegoedkeuring is verleend – Artikel 3, lid 6 – Begrip ‚gebrek aan overeenstemming van geringe betekenis’]

8

2022/C 340/09

Zaak C-159/20: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 14 juli 2022 — Europese Commissie / Koninkrijk Denemarken [Niet-nakoming – Verordening (EU) nr. 1151/2012 – Kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen – Artikel 13 – Gebruik van de beschermde oorsprongsbenaming (BOB) feta ter aanduiding van kaas die in Denemarken wordt geproduceerd en voor uitvoer naar derde landen bestemd is – Artikel 4, lid 3, VEU – Beginsel van loyale samenwerking]

9

2022/C 340/10

Zaak C-436/20: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 14 juli 2022 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Valenciana — Spanje) — Asociación Estatal de Entidades de Servicios de Atención a Domicilio (ASADE) / Consejería de Igualdad y Políticas Inclusivas (Prejudiciële verwijzing – Artikelen 49 en 56 VWEU – Zuiver interne situatie – Diensten op de interne markt – Richtlijn 2006/123/EG – Werkingssfeer – Artikel 2, lid 2, onder j) – Plaatsing van overheidsopdrachten – Richtlijn 2014/24/EU – Begrip overheidsopdrachten – Artikelen 74 tot en met 77 – Verrichting van sociale diensten aan personen – Akkoorden met private maatschappelijke organisaties voor de uitvoering van die diensten – Uitsluiting van deelnemers die winst nastreven – Vestigingsplaats van de organisatie als selectiecriterium)

10

2022/C 340/11

Zaak C-500/20: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 14 juli 2022 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Oberste Gerichtshof — Oostenrijk) — ÖBB-Infrastruktur Aktiengesellschaft / Lokomotion Gesellschaft für Schienentraktion mbH [Prejudiciële verwijzing – Internationale overeenkomsten – Spoorwegvervoer – Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) – Uniforme Regelen betreffende de overeenkomst inzake het gebruik van de infrastructuur bij internationaal spoorwegvervoer (CUI) – Artikel 4 – Dwingend recht – Artikel 8 – Aansprakelijkheid van de beheerder – Artikel 19 – Andere vorderingen – Bevoegdheid van het Hof – Schade aan de locomotieven van de vervoerder na een ontsporing – Huur van vervangende locomotieven – Verplichting van de infrastructuurbeheerder om de huurkosten te vergoeden – Overeenkomst die voorziet in de uitbreiding van de aansprakelijkheid van de partijen door een verwijzing naar het nationale recht]

11

2022/C 340/12

Zaak C-36/21: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 14 juli 2022 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het College van Beroep voor het bedrijfsleven — Nederland) — Sense Visuele Communicatie en Handel vof (tevens handelend onder de naam De Scharrelderij)/Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Verordening (EU) nr. 1307/2013 – Regelingen inzake rechtstreekse steunverlening – Gemeenschappelijke voorschriften – Artikel 30, lid 6, en artikel 50, lid 2 – Verzoek om toewijzing van betalingsrechten uit de nationale reserve voor jonge landbouwers – Nationale bestuurlijke instantie die onjuiste informatie heeft verstrekt over de kwalificatie van een persoon als ‚jonge landbouwer’ – Beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen – Schadevordering wegens niet-inachtneming van het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel)

12

2022/C 340/13

Zaak C-110/21 P: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 14 juli 2022 — Universität Bremen/Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek (REA) (Hogere voorziening – Beroep tot nietigverklaring – Artikel 19 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie – Vertegenwoordiging van niet-bevoorrechte partijen in het kader van een rechtstreeks beroep bij de rechterlijke instanties van de Europese Unie – Hoogleraar – Hoogleraar die lesgeeft aan de in het kader van dit beroep vertegenwoordigde universiteit en die tevens werkzaam is als coördinator en teamleider van het project waarop het geding betrekking heeft – Voorwaarde van onafhankelijkheid – Bestaan van een rechtstreeks en persoonlijk belang bij de uitkomst van het geding)

12

2022/C 340/14

Zaak C-722/21: Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 19 mei 2022 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door een notaris van de Ilustre Colegio Notarial de Andalucía — Spanje) — Frontera Capital SARL (Prejudiciële verwijzing – Artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Artikel 267 VWEU – Notaris – Begrip rechterlijke instantie – Criteria – Geen geding aanhangig bij het verwijzende orgaan – Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

13

2022/C 340/15

Zaak C-25/22: Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 14 juli 2022 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzgericht — Oostenrijk) — CM / Finanzamt Österreich (Prejudiciële verwijzing – Artikel 53, lid 2, en artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Vereiste om de redenen te vermelden waarom een antwoord op de gestelde vragen noodzakelijk is – Onvoldoende preciseringen – Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

13

2022/C 340/16

Zaak C-194/22 P: Hogere voorziening ingesteld op 4 maart 2022 door Magic Box Int. Toys SLU tegen het arrest van het Gerecht (Tiende kamer) van 21 december 2021 in zaak T-549/20, Magic Box Int. Toys / EUIPO — KMA Concepts

14

2022/C 340/17

Zaak C-233/22 P: Hogere voorziening ingesteld op 4 april 2022 door Meta Cluster GmbH tegen het arrest van het Gerecht (Negende kamer) van 26 januari 2022 in zaak T-233/21, Meta Cluster GmbH/Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie

14

2022/C 340/18

Zaak C-300/22 P: Hogere voorziening ingesteld op 3 mei 2022 door de Govern d’Andorra tegen het arrest van het Gerecht (Negende kamer) van 23 februari 2022 in zaak T-806/19, Govern d’Andorra / EUIPO

14

2022/C 340/19

Zaak C-319/22: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht Köln (Duitsland) op 11 mei 2022 — Gesamtverband Autoteile-Handel e.V. / Scania CV AB

15

2022/C 340/20

Zaak C-329/22: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varhoven administrativen sad (Bulgarije) op 17 mei 2022 — Zamestnik izpalnitelen direktor na Darzhaven fond Zemedelie / IW

16

2022/C 340/21

Zaak C-343/22: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) op 27 mei 2022 — PT/VB

17

2022/C 340/22

Zaak C-355/22: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent (België) op 1 juni 2022 — BV Osteopathie Van Hauwermeiren tegen Belgische Staat

17

2022/C 340/23

Zaak C-358/22: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour de cassation (Frankrijk) op 1 juni 2022 — Bolloré logistics SA / Direction interrégionale des douanes et droits indirects de Caen, Recette régionale des douanes et droits indirects de Caen, Bolloré Ports de Cherbourg SAS

18

2022/C 340/24

Zaak C-364/22: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Verwaltungsgericht Minden (Duitsland) op 7 juni 2022 — J.B., S.B. en F.B./Bundesrepublik Deutschland

19

2022/C 340/25

Zaak C-390/22: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Okrazhen sad Burgas (Bulgarije) op 14 juni 2022 — Obshtina Pomorie / Anhialo auto OOD

20

2022/C 340/26

Zaak C-407/22: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d’État (Frankrijk) op 20 juni 2022 — Ministre de l’Économie, des Finances et de la Relance / Manitou BF SA

20

2022/C 340/27

Zaak C-408/22: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d’État (Frankrijk) op 20 juni 2022 — Ministre de l’Économie, des Finances et de la Relance / Bricolage Investissement France SA

21

2022/C 340/28

Zaak C-426/22: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Szegedi Törvényszék (Hongarije) op 28 juni 2022 — SOLE-MiZo Zrt. / Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatósága

21

2022/C 340/29

Zaak C-444/22 P: Hogere voorziening ingesteld op 5 juli 2022 door Leon Leonard Johan Veen tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 27 april 2022 in zaak T-436/21, Veen / Europol

22

2022/C 340/30

Zaak C-445/22 P: Hogere voorziening ingesteld op 4 juli 2022 door Larko Generiki Metalytiki i Metallourgiki tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 4 mei 2022 in zaak T-423/14 RENV, Larko/Commissie

23

2022/C 340/31

Zaak C-458/22 P: Hogere voorziening ingesteld op 5 juli 2022 door Robert Roos e.a. tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer — uitgebreid) van 27 april 2022 in de gevoegde zaken T-710/21, T-722/21 en T-723/21 Robert Roos e.a / Europees Parlement

24

2022/C 340/32

Zaak C-479/22 P: Hogere voorziening ingesteld op 14 juli 2022 door OC tegen het arrest van het Gerecht (Negende kamer) van 4 mei 2022 in zaak T-384/20, OC/Commissie

25

2022/C 340/33

Zaak C-494/22 P: Hogere voorziening ingesteld op 22 juli 2022 door de Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 11 mei 2022 in zaak T-151/20, Tsjechische Republiek / Commissie

25

 

Gerecht

2022/C 340/34

Zaak T-280/18: Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — ABLV Bank/GAR [Economische en monetaire unie – Bankenunie – Gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme voor kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen (GAM) – Afwikkelingsprocedure die van toepassing is indien een entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen – Besluit van de GAR om geen afwikkelingsregeling vast te stellen – Beroep tot nietigverklaring – Bezwarende handeling – Procesbelang – Procesbevoegdheid – Gedeeltelijke ontvankelijkheid – Artikel 18 van verordening (EU) nr. 806/2014 – Bevoegdheid van degene die de handeling heeft vastgesteld – Recht om te worden gehoord – Motiveringsplicht – Evenredigheid – Gelijke behandeling]

27

2022/C 340/35

Zaak T-388/19: Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — Puigdemont i Casamajó en Comín i Oliveres/Parlement (Institutioneel recht – Lid van het Parlement – Weigering door de voorzitter van het Parlement om gekozen kandidaten te erkennen als lid van het Europees Parlement met de daaraan verbonden rechten – Beroep tot nietigverklaring – Handeling waartegen geen beroep kan worden ingesteld – Niet-ontvankelijkheid)

27

2022/C 340/36

Zaak T-886/19: Arrest van het Gerecht van 13 juli 2022 — Design Light & Led Made in Europe en Design Luce & Led Made in Italy/Commissie [Mededinging – Misbruik van machtspositie – Mededingingsregelingen – Ledverlichtingsector – Programma voor octrooilicenties (Patent Licensing Program) – Besluit tot afwijzing van een klacht – Artikel 7 van verordening (EG) nr. 773/2004 – Kennelijk onjuiste beoordeling – Motiveringsplicht – Geen belang van de Unie – Waarschijnlijkheid dat het bestaan van een inbreuk kan worden aangetoond]

28

2022/C 340/37

Zaak T-150/20: Arrest van het Gerecht van 13 juli 2022 — Tartu Agro/Commissie (Staatssteun – Landbouw – Pachtovereenkomst voor landbouwgrond in Estland – Besluit waarbij de steunmaatregel onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard en terugvordering van de steun wordt gelast – Voordeel – Bepaling van de marktprijs – Beginsel van de particuliere marktdeelnemer – Ingewikkelde economische beoordelingen – Rechterlijke toetsing – Inaanmerkingneming van alle relevante elementen – Zorgvuldigheidsplicht)

29

2022/C 340/38

Zaak T-179/20: Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — JP/Commissie [Openbare dienst – Algemeen vergelijkend onderzoek – Aankondiging van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/363/18 voor de aanwerving van administrateurs op het gebied belastingen (AD 7) – Niet-plaatsing op de reservelijst – Samenstelling van de jury – Stabiliteit – Kennelijke beoordelingsfout – Aansprakelijkheid]

29

2022/C 340/39

Zaak T-246/20: Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — Aerospinning Master Franchising/EUIPO — Mad Dogg Athletics (SPINNING) [Uniemerk – Vervallenverklaringsprocedure – Uniewoordmerk SPINNING – Merk dat de in de handel gebruikelijke benaming is geworden van een waar of dienst waarvoor het ingeschreven is – Artikel 51, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 58, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001] – Relevant publiek]

30

2022/C 340/40

Zaak T-278/20: Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — Zhejiang Hangtong Machinery Manufacture en Ningbo Hi-Tech Zone Tongcheng Auto Parts/Commissie [Dumping – Invoer van stalen wielen van oorsprong uit China – Instelling van een definitief antidumpingrecht en definitieve inning van het voorlopige recht – Artikel 17, lid 4, en de artikelen 18 en 20 van verordening (EU) 2016/1036 – Niet-medewerking – Ontoereikendheid van de aan de Commissie verstrekte informatie]

30

2022/C 340/41

Zaak T-631/20: Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — MZ / Europese Commissie (Openbare dienst – Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek EPSO/AD/363/18 voor de aanwerving van administrateurs op het vakgebied belastingen – Beperking van de keuze van de tweede taal waarin de toetsen plaatsvinden – Niet-opneming op de reservelijst – Exceptie van onwettigheid – Ontvankelijkheid – Discriminatie op grond van taal – Bijzondere aard van het ambt – Rechtvaardiging – Dienstbelang – Evenredigheid)

31

2022/C 340/42

Zaak T-681/20: Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — OC/EDEO (Aansprakelijkheid – Openbare dienst – In een derde land tewerkgesteld personeel van EDEO – Melding van onregelmatigheden – Inspectieverslag – Overplaatsing – Bezwarende handelingen – Gedragingen die geen besluit vormen – Eerbiediging van de voorschriften van de precontentieuze procedure – Bescherming van klokkenluiders – Artikel 22 bis van het Statuut – Zorgplicht – Artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten – Eerbiediging van het privéleven – Bescherming van persoonsgegevens)

32

2022/C 340/43

Zaak T-20/21: Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — VI/Commissie (Openbare dienst – Ambtenaren – Aanwerving – Algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AD/363/18 – Niet-plaatsing op de reservelijst – Gelijke behandeling – Stabiliteit van de samenstelling van de jury)

32

2022/C 340/44

Zaak T-129/21: Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — Colombani/EDEO (Openbare dienst – Ambtenaren – Personeel van EDEO – Ambt van hoofd van de delegatie van de Unie in Canada – Ambt van directeur Noord-Afrika en Midden-Oosten – Afwijzing van de sollicitatie)

33

2022/C 340/45

Zaak T-250/21: Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — Zdút/EUIPO — Nehera e.a. (nehera) [Uniemerk – Nietigheidsprocedure – Uniebeeldmerk NEHERA – Absolute nietigheidsgrond – Geen kwade trouw – Artikel 52, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 59, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001]]

33

2022/C 340/46

Zaak T-251/21: Arrest van het Gerecht van 13 juli 2022 — Tigercat International/EUIPO — Caterpillar (Tigercat) [Uniemerk – Oppositieprocedure – Aanvraag voor Uniewoordmerk Tigercat – Ouder Uniebeeldmerk CAT – Relatieve weigeringsgrond – Verwarringsgevaar – Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001]]

34

2022/C 340/47

Zaak T-283/21: Arrest van het Gerecht van 13 juli 2022 — Pejovič/EUIPO — ETA živilska industrija (TALIS) [Uniemerk – Nietigheidsprocedure – Uniewoordmerk TALIS – Absolute nietigheidsgrond – Kwade trouw – Artikel 52, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 59, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001]]

35

2022/C 340/48

Zaak T-284/21: Arrest van het Gerecht van 13 juli 2022 — Pejovič/EUIPO — ETA živilska industrija (RENČKI HRAM) [Uniemerk – Nietigheidsprocedure – Uniebeeldmerk RENČKI HRAM – Absolute nietigheidsgrond – Kwade trouw – Artikel 52, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 59, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001]]

35

2022/C 340/49

Zaak T-286/21: Arrest van het Gerecht van 13 juli 2022 — Pejovič/EUIPO — ETA živilska industrija (RENŠKI HRAM) [Uniemerk – Nietigheidsprocedure – Uniewoordmerk RENŠKI HRAM – Absolute nietigheidsgrond – Kwade trouw – Artikel 52, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 59, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001]]

36

2022/C 340/50

Zaak T-287/21: Arrest van het Gerecht van 13 juli 2022 — Pejovič / EUIPO — ETA živilska industrija (SALATINA) [Uniemerk – Nietigheidsprocedure – Uniewoordmerk SALATINA – Absolute nietigheidsgrond – Kwade trouw – Artikel 52, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 59, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001]]

37

2022/C 340/51

Zaak T-288/21: Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — ALO jewelry CZ/EUIPO — Cartier International (ALOve) [Uniemerk – Oppositieprocedure – Aanvraag voor Uniebeeldmerk ALOve – Ouder internationaal beeldmerk LOVe – Relatieve weigeringsgrond – Ongerechtvaardigd voordeel uit het onderscheidend vermogen of de reputatie van het oudere merk – Artikel 8, lid 5, van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 5, van verordening (EU) 2017/1001]]

37

2022/C 340/52

Zaak T-408/21: Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — HB/Commissie (Overheidsopdrachten voor diensten – Diensten op het gebied van technische ondersteuning voor de Hoge Raad voor Justitie en de Oekraïense autoriteiten – Onregelmatigheden in de aanbestedingsprocedure – Terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen – Besluiten die executoriale titels vormen – Artikel 299 VWEU – Bevoegdheid van degene die de handeling heeft vastgesteld – Niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie)

38

2022/C 340/53

Zaak T-478/21: Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — Les Éditions P. Amaury/EUIPO — Golden Balls (BALLON D’OR) [Uniemerk – Vervallenverklaringsprocedure – Uniewoordmerk BALLON D’OR – Normaal gebruik van het merk – Gedeeltelijke vervallenverklaring – Artikel 51, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 58, lid 1, onder a), van verordening (EU) 2017/1001] – Bewijs van het normale gebruik – Beoordeling van de bewijzen – Kwalificatie van de diensten]

39

2022/C 340/54

Zaak T-664/21: Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — YF/EFCA („Openbare dienst – Tijdelijke functionarissen – Overeenkomst voor onbepaalde tijd – Beëindiging van de overeenkomst – Onvoldoende geschiktheid voor het ambt – Kennelijke beoordelingsfout – Beginsel van behoorlijk bestuur)

39

2022/C 340/55

Zaak T-125/22: Arrest van het Gerecht van 27 juli 2022 — RT France/Raad (Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren – Tijdelijk uitzendverbod en schorsing van vergunningen om de inhoud van bepaalde media uit te zenden – Opneming op de lijst van entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn – Bevoegdheid van de Raad – Rechten van verdediging – Recht om te worden gehoord – Vrijheid van meningsuiting en van informatie – Evenredigheid – Vrijheid van ondernemerschap – Beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit)

40

2022/C 340/56

Zaak T-638/20: Beschikking van het Gerecht van 6 juli 2022 — JP / Commissie (Beroep tot nietigverklaring en tot schadevergoeding – Openbare dienst – Algemeen vergelijkend onderzoek – Aankondiging van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/363/18 voor de werving van administrateurs op het gebied van belastingen (AD 7) – Niet op de reservelijst geplaatst – Aanhangigheid – Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

41

2022/C 340/57

Zaak T-203/21: Beschikking van het Gerecht van 14 juli 2022 — IN.PRO.DI / EUIPO — Aiello (CAPRI) (Uniemerk – Herroeping van de bestreden beslissing – Geding zonder voorwerp geraakt – Afdoening zonder beslissing)

41

2022/C 340/58

Zaak T-728/21: Beschikking van het Gerecht van 12 juli 2022 — LW / Commissie (Openbare dienst – Verzoeker die geen gehoor meer geeft aan de uitnodigingen van het Gerecht – Afdoening zonder beslissing)

42

2022/C 340/59

Zaak T-792/21: Beschikking van het Gerecht van 6 juli 2022 — ClientEarth / Europese Commissie [Toegang tot documenten – Verordening (EG) nr. 1049/2001 – Verdrag van Aarhus – Verordening (EG) nr. 1367/2006 – Effectenbeoordelingsrapport en andere documenten betreffende een wetgevend initiatief op milieugebied – Stilzwijgende weigering van toegang – Uitdrukkelijk besluit dat wordt genomen nadat beroep is ingesteld – Afdoening zonder beslissing]

42

2022/C 340/60

Zaak T-31/22: Beschikking van het Gerecht van 6 juli 2022 — Perez Lopes Pargana Calado / Hof van Justitie van de Europese Unie (Overheidsopdrachten voor dienstverlening – Intrekking van de bestreden besluiten – Afdoening zonder beslissing)

43

2022/C 340/61

Zaak T-170/22 R: Beschikking van de president van het Gerecht van 14 juli 2022 — Telefónica de España / Commissie (Kortgeding – Overheidsopdrachten voor dienstverlening – Beveiligde trans-Europese diensten voor telematica tussen overheidsdiensten (TESTA) – Verzoek om voorlopige maatregelen – Geen spoedeisendheid)

43

2022/C 340/62

Zaak T-345/22: Beroep ingesteld op 3 juni 2022 — Stöttingfjällets Miljöskyddsförening/Commissie

44

2022/C 340/63

Zaak T-381/22: Beroep ingesteld op 30 juni 2022 — Good Services /EUIPO — ITV Studios Global Distribution (EL ROSCO)

45

2022/C 340/64

Zaak T-382/22: Beroep ingesteld op 30 juni 2022 — Good Services EUIPO — ITV Studios Global Distribution (EL ROSCO)

46

2022/C 340/65

Zaak T-383/22: Beroep ingesteld op 30 juni 2022 — Good Services/EUIPO — ITV Studios Global Distribution (EL ROSCO)

47

2022/C 340/66

Zaak T-384/22: Beroep ingesteld op 1 juli 2022 — Productos Ibéricos Calderón y Ramos / EUIPO — Hijos de Rivera (ESTRELLA DE CASTILLA)

48

2022/C 340/67

Zaak T-385/22: Beroep ingesteld op 24 juni 2022 — Carmeuse Holding/Commissie

48

2022/C 340/68

Zaak T-416/22: Beroep ingesteld op 1 juli 2022 — Fresenius Kabi Austria e.a./Commissie

49

2022/C 340/69

Zaak T-424/22: Beroep ingesteld op 11 juli 2022 — D’Agostino e Dafin / ECB

50

2022/C 340/70

Zaak T-430/22: Beroep ingesteld op 6 juli 2022 — Nordea Bank/GAR

52

2022/C 340/71

Zaak T-436/22: Beroep ingesteld op 12 juli 2022 — Machková/EUIPO — Aceites Almenara (ALMARA SOAP)

52

2022/C 340/72

Zaak T-438/22: Beroep ingesteld op 13 juli 2022 — International British Education XXI / EUIPO — Saint George’s School (IBE ST. GEORGE’S)

53

2022/C 340/73

Zaak T-452/22: Beroep ingesteld op 19 juli 2022 — Hofmeir Magnetics/EUIPO — Healthfactories (Hofmag)

54

2022/C 340/74

Zaak T-454/22: Beroep ingesteld op 22 juli 2022 — Sky/EUIPO — Skyliners (SKYLINERS)

55

2022/C 340/75

Zaak T-459/22: Beroep ingesteld op 21 juli 2022 — Laboratorios Ern/EUIPO — Biolark (BIOLARK)

55

2022/C 340/76

Zaak T-462/22: Beroep ingesteld op 20 juli 2022 — Millennium BCP Participações en BCP África/Commissie

56

2022/C 340/77

Zaak T-542/19: Beschikking van het Gerecht van 15 juli 2022 — FV / Raad

57

2022/C 340/78

Zaak T-713/21: Beschikking van het Gerecht van 8 juli 2022 — Agentur für Globale Gesundheitsverantwortung/EMA

57

2022/C 340/79

Zaak T-40/22: Beschikking van het Gerecht van 13 juli 2022 — Dado Ceramica e.a. / EUIPO — Italcer (Tuile)

57

2022/C 340/80

Zaak T-157/22: Beschikking van het Gerecht van 14 juli 2022 — Dehaen/EUIPO — National Geographic Society (NATIONAL GEOGRAPHIC)

58

2022/C 340/81

Zaak T-158/22: Beschikking van het Gerecht van 14 juli 2022 — Dehaen/EUIPO — National Geographic Society (NATIONAL GEOGRAPHIC)

58


NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie van de Europese Unie

5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/1


Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

(2022/C 340/01)

Laatste publicatie

PB C 326 van 29.8.2022

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 318 van 22.8.2022

PB C 311 van 16.8.2022

PB C 303 van 8.8.2022

PB C 294 van 1.8.2022

PB C 284 van 25.7.2022

PB C 276 van 18.7.2022

Deze teksten zijn beschikbaar in:

EUR-Lex: https://eur-lex.europa.eu


V Bekendmakingen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/2


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 juli 2022 — Italiaanse Republiek, Comune di Milano / Raad van de Europese Unie

(Gevoegde zaken C-59/18 en C-182/18) (1)

(Beroep tot nietigverklaring - Institutioneel recht - Organen en instanties van de Europese Unie - Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) - Bevoegdheid om de plaats van de zetel te bepalen - Artikel 341 VWEU - Werkingssfeer - Besluit dat door de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten is genomen in de marge van een bijeenkomst van de Raad - Bevoegdheid van het Hof krachtens artikel 263 VWEU - Auteur en rechtskarakter van de handeling - Geen bindende gevolgen in de rechtsorde van de Unie)

(2022/C 340/02)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partijen: Italiaanse Republiek (vertegenwoordiger: G. Palmieri, gemachtigde, bijgestaan door C. Colelli, S. Fiorentino en G. Galluzzo, avvocati dello Stato), Comune di Milano (vertegenwoordigers: M. Condinanzi, A. Neri en F. Sciaudone, avvocati)

Interveniënte aan de zijde van verzoekende partij Comune di Milano: Regione Lombardia (vertegenwoordiger: M. Tamborino, avvocato)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Bauer, J. Bauerschmidt, F. Florindo Gijón en E. Rebasti, gemachtigden)

Interveniënten aan de zijde van de verwerende partij: Koninkrijk der Nederlanden (vertegenwoordigers: M. K. Bulterman en J. Langer, gemachtigden), Europese Commissie (vertegenwoordigers: K. Herrmann, M. Konstantinidis en D. Nardi, gemachtigden)

Dictum

1)

De beroepen worden verworpen.

2)

De Italiaanse Republiek, de Comune di Milano en de Raad van de Europese Unie dragen hun eigen kosten.

3)

De Regione Lombardia, het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Commissie dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 94 van 12.3.2018.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/3


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 juli 2022 — Italiaanse Republiek (C-106/19), Comune di Milano (C-232/19) / Raad van de Europese Unie, Europees Parlement

(Gevoegde zaken C-106/19 en C-232/19) (1)

(Beroep tot nietigverklaring - Institutioneel recht - Verordening (EU) 2018/1718 - Aanwijzing van Amsterdam (Nederland) als zetel van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) - Artikel 263 VWEU - Ontvankelijkheid - Procesbelang - Procesbevoegdheid - Rechtstreeks en individueel geraakt - In de marge van een bijeenkomst van de Raad vastgestelde beslissing van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten om de zetel van een agentschap van de Europese Unie te bepalen - Geen bindende gevolgen in de rechtsorde van de Unie - Prerogatieven van het Europees Parlement)

(2022/C 340/03)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partijen: Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: G. Palmieri, gemachtigde, bijgestaan door C. Colelli, S. Fiorentino en G. Galluzzo, avvocati dello Stato) (C-106/19), Comune di Milano (vertegenwoordigers: J. Alberti, M. Condinanzi, A. Neri en F. Sciaudone, avvocati) (C-232/19)

Verwerende partijen: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Bauer, J. Bauerschmidt, F. Florindo Gijón en E. Rebasti, gemachtigden), Europees Parlement (vertegenwoordigers: I. Anagnostopoulou, A. Tamás en L. Visaggio, gemachtigden)

Interveniënten aan de zijde van de verwerende partijen: Koninkrijk der Nederlanden (vertegenwoordigers: M. K. Bulterman en J. Langer, gemachtigden), Europese Commissie (vertegenwoordigers: K. Herrmann, D. Nardi en P. J. O. Van Nuffel, gemachtigden)

Dictum

1)

De beroepen worden verworpen.

2)

De Italiaanse Republiek, de Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement dragen hun eigen kosten in zaak C-106/19.

3)

De Comune di Milano, de Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement dragen hun eigen kosten in zaak C-232/19.

4)

Het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Commissie dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 112 van 25.3.2019.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/3


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 juli 2022 — Europees Parlement / Raad van de Europese Unie

(Zaak C-743/19) (1)

(Beroep tot nietigverklaring - Institutioneel recht - Instanties en organen van de Europese Unie - Europese Arbeidsautoriteit (ELA) - Bevoegdheid inzake de vaststelling van de plaats van de zetel - Artikel 341 VWEU - Werkingssfeer - Besluit dat door de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten wordt vastgesteld in de marge van een vergadering van de Raad - Bevoegdheid van het Hof krachtens artikel 263 VWEU - Auteur en juridische aard van de handeling - Geen bindende gevolgen in de rechtsorde van de Unie)

(2022/C 340/04)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: I. Anagnostopoulou, C. Biz en L. Visaggio, gemachtigden)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Bauer, J. Bauerschmidt en E. Rebasti, gemachtigden)

Interveniënten aan de zijde van de verwerende partij: Koninkrijk België (vertegenwoordigers: J.-C. Halleux, M. Jacobs, C. Pochet en L. Van den Broeck, gemachtigden), Tsjechische Republiek (vertegenwoordigers: L. Březinová, D. Czechová, K. Najmanová, M. Smolek en J. Vláčil, gemachtigden), Koninkrijk Denemarken (vertegenwoordigers: M. Jespersen, V. Pasternak Jørgensen, J. Nymann-Lindegren en M. Søndahl Wolff, gemachtigden), Ierland (vertegenwoordigers: M. Browne, G. Hodge, A. Joyce en J. Quaney, gemachtigden, bijgestaan door D. Fennelly, BL), Helleense Republiek (vertegenwoordigers: K. Boskovits en E.-M. Mamouna, gemachtigden), Koninkrijk Spanje (vertegenwoordigers: S. Centeno Huerta en A. Gavela Llopis, gemachtigden), Franse Republiek (vertegenwoordigers: A. Daly, A.-L. Desjonquères, E. Leclerc en T. Stehelin, gemachtigden), Groothertogdom Luxemburg (vertegenwoordigers: A. Germeaux, C. Schiltz en T. Uri, gemachtigden), Hongarije (vertegenwoordigers: M. Z. Fehér en K. Szíjjártó, gemachtigden), Koninkrijk der Nederlanden (vertegenwoordigers: M. K. Bulterman, J. M. Hoogveld en J. Langer, gemachtigden), Republiek Polen (vertegenwoordigers: B. Majczyna, gemachtigde), Slowaakse Republiek (vertegenwoordigers: E. V. Drugda en B. Ricziová, gemachtigden), Republiek Finland (vertegenwoordigers M. Pere, gemachtigde)

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie dragen hun eigen kosten.

3)

Het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Polen, de Slowaakse Republiek en de Republiek Finland dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 399 van 25.11.2019.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/4


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 21 juni 2022 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Grondwettelijk Hof — België) — Ligue des droits humains / Ministerraad

(Zaak C-817/19) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Verwerking van persoonsgegevens - Persoonsgegevens van passagiers (PNR) - Verordening (EU) 2016/679 - Artikel 2, lid 2, onder d) - Werkingssfeer - Richtlijn (EU) 2016/681 - Gebruik van PNR-gegevens van passagiers van vluchten tussen de Europese Unie en derde landen - Mogelijkheid om ook gegevens van passagiers van vluchten binnen de Unie te gebruiken - Geautomatiseerde verwerking van deze gegevens - Bewaartermijn - Bestrijding van terroristische misdrijven en ernstige criminaliteit - Geldigheid - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikelen 7, 8 en 21 en artikel 52, lid 1 - Nationale wetgeving die het PNR-systeem bij uitbreiding toepast op andere soorten vervoer binnen de Unie - Vrijheid van verkeer binnen de Unie - Handvest van de grondrechten - Artikel 45)

(2022/C 340/05)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Grondwettelijk Hof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Ligue des droits humains

Verwerende partij: Ministerraad

Dictum

1)

Artikel 2, lid 2, onder d), en artikel 23 van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) moeten aldus worden uitgelegd dat deze verordening van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens die wordt voorgeschreven in nationale wetgeving die tegelijkertijd richtlijn 2004/82/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verplichting voor vervoerders om passagiersgegevens door te geven, richtlijn 2010/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens van de lidstaten en tot intrekking van richtlijn 2002/6/EG, en richtlijn (EU) 2016/681 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 over het gebruik van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische misdrijven en ernstige criminaliteit, in nationaal recht beoogt om te zetten, wanneer de verwerking door particuliere marktdeelnemers gebeurt of wanneer zij door overheidsinstanties wordt verricht en enkel of ook onder richtlijn 2004/82 of richtlijn 2010/65 valt. Die verordening is daarentegen niet van toepassing op door dergelijke wetgeving voorgeschreven gegevensverwerking die enkel onder richtlijn 2016/681 valt, die de passagiersinformatie-eenheid (PIE) of de bevoegde autoriteiten verrichten voor de doeleinden die worden genoemd in artikel 1, lid 2, van deze richtlijn.

2)

Een uitlegging van richtlijn 2016/681 in het licht van de artikelen 7, 8 en 21 en artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie garandeert dat deze richtlijn in overeenstemming is met deze artikelen van het Handvest van de grondrechten. Bij het onderzoek van de tweede tot en met de vierde prejudiciële vraag en de zesde prejudiciële vraag is dus niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van deze richtlijn kunnen aantasten.

3)

Artikel 6 van richtlijn 2016/681, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 8 en artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale wetgeving die toestaat dat overeenkomstig deze richtlijn verzamelde persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) worden verwerkt voor andere doeleinden dan die welke uitdrukkelijk worden genoemd in artikel 1, lid 2, van deze richtlijn.

4)

Artikel 12, lid 3, onder b), van richtlijn 2016/681 moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale wetgeving waarbij de instantie die wordt opgericht om als passagiersinformatie-eenheid (PIE) op te treden ook de hoedanigheid heeft van nationale instantie die bevoegd is om de mededeling van PNR-gegevens na het verstrijken van de periode van zes maanden na doorgifte ervan aan de PIE goed te keuren.

5)

Artikel 12, lid 1, van richtlijn 2016/681, gelezen in samenhang met de artikelen 7 en 8 en artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale wetgeving die voor PNR-gegevens een algemene bewaartermijn van vijf jaar voorschrijft die zonder onderscheid geldt voor alle luchtreizigers, ook luchtreizigers van wie noch uit de voorafgaande beoordeling [artikel 6, lid 2, onder a), van deze richtlijn], noch uit eventuele controles tijdens de periode van zes maanden (artikel 12, lid 2, van deze richtlijn), noch uit andere omstandigheden is gebleken dat er objectieve aanwijzingen bestaan dat zij een gevaar vormen op het gebied van terroristische misdrijven of ernstige criminaliteit met een minstens indirect objectief verband met het luchtvervoer van passagiers.

6)

Richtlijn 2004/82 moet aldus worden uitgelegd dat zij niet van toepassing is op geregelde of niet-geregelde vluchten door een luchtvaartmaatschappij die vanaf het grondgebied van een lidstaat volgens plan zullen aankomen op het grondgebied van een of meer andere lidstaten, zonder tussenlandingen op het grondgebied van een derde land (vluchten binnen de EU).

7)

Het Unierecht en met name artikel 2 van richtlijn 2016/681, gelezen in het licht van artikel 3, lid 2, VEU, artikel 67, lid 2, VWEU en artikel 45 van het Handvest van de grondrechten, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen:

nationale wetgeving die ter bestrijding van terroristische misdrijven en ernstige criminaliteit een systeem invoert van doorgifte door luchtvaartmaatschappijen en reisoperatoren en verwerking door de bevoegde autoriteiten van PNR-gegevens voor alle vluchten binnen de EU en andere soorten vervoer binnen de Unie vanuit, naar of door de betrokken lidstaat, indien deze lidstaat niet met een werkelijke en actuele of voorzienbare terroristische dreiging wordt geconfronteerd. In een dergelijke situatie moet het systeem van richtlijn 2016/681 worden beperkt tot het doorgeven en verwerken van PNR-gegevens voor vluchten en/of transportmiddelen die met name verband houden met bepaalde verbindingen, reisroutes of luchthavens, treinstations of zeehavens waarvoor er aanwijzingen bestaan dat deze toepassing gerechtvaardigd is. De betrokken lidstaat moet dan selecteren voor welke vluchten binnen de EU en/of andere soorten vervoer binnen de Unie er dergelijke aanwijzingen bestaan, en die toepassing regelmatig herzien in het licht van wijzigingen in de omstandigheden die die selectie rechtvaardigden, om te verzekeren dat dat systeem steeds in de mate van het strikt noodzakelijke op die vluchten en/of dat vervoer wordt toegepast, en

nationale wetgeving die een dergelijk systeem van doorgifte en verwerking van die gegevens invoert om controles aan de buitengrenzen te verbeteren en illegale immigratie te bestrijden.

8)

Het Unierecht moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een nationale rechter de werking in de tijd beperkt van de ongeldigverklaring, die hij op grond van het nationale recht dient uit te spreken, van nationale wetgeving die luchtvaartmaatschappijen, spoorwegvervoerders, wegvervoerders en reisoperatoren verplicht om PNR-gegevens door te geven en die een verwerking en bewaring van deze gegevens voorschrijft die onverenigbaar is met de bepalingen van richtlijn 2016/681, gelezen in het licht van artikel 3, lid 2, VEU, artikel 67, lid 2, VWEU en de artikelen 7, 8 en 45 en artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten. De ontvankelijkheid van de op deze manier verkregen bewijzen is een kwestie die overeenkomstig het beginsel van de procedurele autonomie van de lidstaten onder het nationale recht valt, op voorwaarde dat met name de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid worden geëerbiedigd.


(1)  PB C 36 van 3.2.2020.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/6


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 juli 2022 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landesgericht Klagenfurt — Oostenrijk) — GSMB Invest GmbH & Co. KG / Auto Krainer GesmbH

(Zaak C-128/20) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Harmonisatie van wetgevingen - Verordening (EG) nr. 715/2007 - Typegoedkeuring van motorvoertuigen - Artikel 3, punt 10 - Artikel 5, leden 1 en 2 - Manipulatie-instrument - Motorvoertuigen - Dieselmotor - Uitstoot van vervuilende stoffen - Emissiecontrolesysteem - In het motormanagementsysteem ingebouwde software - Uitlaatgasrecirculatieklep (EGR-klep) - Door een “thermovenster” beperkte vermindering van de uitstoot van stikstofoxide (NOx) - Verbod op het gebruik van manipulatie-instrumenten die de doelmatigheid van de emissiecontrolesystemen verminderen - Artikel 5, lid 2, onder a) - Uitzondering op dit verbod)

(2022/C 340/06)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Landesgericht Klagenfurt

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: GSMB Invest GmbH & Co. KG

Verwerende partij: Auto Krainer GesmbH

Dictum

1)

Artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, van deze verordening, moet aldus worden uitgelegd dat een instrument dat enkel bij een buitentemperatuur tussen 15 en 33 graden Celsius en op een rijhoogte van minder dan 1 000 meter waarborgt dat de in die verordening vastgestelde emissiegrenswaarden worden nageleefd, een “manipulatie-instrument” in de zin van dit artikel 3, punt 10, vormt.

2)

Artikel 5, lid 2, onder a), van verordening nr. 715/2007 moet aldus worden uitgelegd dat een manipulatie-instrument dat enkel bij een buitentemperatuur tussen 15 en 33 graden Celsius en op een rijhoogte van minder dan 1 000 meter waarborgt dat de in die verordening vastgestelde emissiegrenswaarden worden nageleefd, niet onder de in deze bepaling neergelegde uitzondering op het verbod op het gebruik van dergelijke instrumenten kan vallen louter omdat met dit instrument onderdelen zoals de uitlaatgasrecirculatieklep, de uitlaatgasrecirculatiekoeler en de roetfilter voor dieselvoertuigen worden ontzien, tenzij wordt aangetoond dat dit instrument uitsluitend dient tot het voorkomen van acute risico’s voor de motor in de vorm van schade of ongevallen die voortvloeien uit een zodanig gebrekkige werking van een van deze onderdelen dat daardoor tijdens het rijden met een met dat instrument uitgerust voertuig een concreet gevaar ontstaat. Hoe dan ook kan een manipulatie-instrument dat onder normale verkeersomstandigheden het grootste deel van het jaar zou moeten functioneren om de motor te beschermen tegen schade of ongevallen en om de veilige werking van het voertuig te verzekeren, niet onder de uitzondering van artikel 5, lid 2, onder a), van verordening nr. 715/2007 vallen.


(1)  PB C 271 van 17.8.2020.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/7


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 juli 2022 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landesgericht Eisenstadt — Oostenrijk) — IR / Volkswagen AG

(Zaak C-134/20) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Harmonisatie van wetgevingen - Verordening (EG) nr. 715/2007 - Typegoedkeuring van motorvoertuigen - Artikel 3, punt 10 - Artikel 5, leden 1 en 2 - Manipulatie-instrument - Motorvoertuigen - Dieselmotor - Uitstoot van vervuilende stoffen - Emissiecontrolesysteem - In het motormanagementsysteem ingebouwde software - Uitlaatgasrecirculatieklep (EGR-klep) - Door een “thermovenster” beperkte vermindering van de uitstoot van stikstofoxide (NOx) - Verbod op het gebruik van manipulatie-instrumenten die de doelmatigheid van de emissiecontrolesystemen verminderen - Artikel 5, lid 2, onder a) - Uitzondering op dit verbod - Richtlijn 1999/44/EG - Verkoop van en garanties voor consumptiegoederen - Artikel 3, lid 2 - Instrument dat is ingebouwd bij de reparatie van een voertuig)

(2022/C 340/07)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Landesgericht Eisenstadt, Oostenrijk

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: IR

Verwerende partij: Volkswagen AG

Dictum

1)

Artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, van deze verordening, moet aldus worden uitgelegd dat een instrument dat enkel bij een buitentemperatuur tussen 15 en 33 graden Celsius en op een rijhoogte van minder dan 1 000 meter waarborgt dat de in die verordening vastgestelde emissiegrenswaarden worden nageleefd, een “manipulatie-instrument” in de zin van dit artikel 3, punt 10, vormt.

2)

Artikel 5, lid 2, onder a), van verordening nr. 715/2007 moet aldus worden uitgelegd dat een manipulatie-instrument dat enkel bij een buitentemperatuur tussen 15 en 33 graden Celsius en op een rijhoogte van minder dan 1 000 meter waarborgt dat de in die verordening vastgestelde emissiegrenswaarden worden nageleefd, niet onder de in deze bepaling neergelegde uitzondering op het verbod op het gebruik van dergelijke instrumenten kan vallen louter omdat dit instrument de uitlaatgasrecirculatieklep beschermt, tenzij wordt aangetoond dat dit instrument uitsluitend dient tot het voorkomen van acute risico’s voor de motor in de vorm van schade of ongevallen die voortvloeien uit een zodanig gebrekkige werking van dit onderdeel dat daardoor tijdens het rijden met een met dat instrument uitgerust voertuig een concreet gevaar ontstaat. Hoe dan ook kan een manipulatie-instrument dat onder normale verkeersomstandigheden het grootste deel van het jaar zou moeten functioneren om de motor te beschermen tegen schade of ongevallen en om de veilige werking van het voertuig te verzekeren, niet onder de uitzondering van artikel 5, lid 2, onder a), van verordening nr. 715/2007 vallen.

3)

Artikel 5, leden 1 en 2, van verordening nr. 715/2007, gelezen in samenhang met artikel 3, punt 10, van deze verordening, moet aldus worden uitgelegd dat de omstandigheid dat een manipulatie-instrument in de zin van deze laatste bepaling ná het in het verkeer brengen van een voertuig, bij wijze van herstelling in de zin van artikel 3, lid 2, van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, werd geïnstalleerd, niet van belang is ter beoordeling of het gebruik van dit instrument op grond van dit artikel 5, lid 2, verboden is.


(1)  PB C 271 van 17.8.2020.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/8


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 juli 2022 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof — Oostenrijk) — DS / Porsche Inter Auto GmbH & Co KG, Volkswagen AG

(Zaak C-145/20) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Harmonisatie van wetgevingen - Verordening (EG) nr. 715/2007 - Typegoedkeuring van motorvoertuigen - Artikel 5, lid 2 - Manipulatie-instrument - Motorvoertuigen - Dieselmotor - Emissiecontrolesysteem - In het motormanagementsysteem ingebouwde software - Uitlaatgasrecirculatieklep (EGR-klep) - Door een “thermovenster” beperkte vermindering van de uitstoot van stikstofoxide (NOx) - Verbod op het gebruik van manipulatie-instrumenten die de doelmatigheid van de emissiecontrolesystemen verminderen - Artikel 5, lid 2, onder a) - Uitzondering op dit verbod - Bescherming van de consument - Richtlijn 1999/44/EG - Verkoop van en garanties voor consumptiegoederen - Artikel 2, lid 2, onder d) - Begrip ‚goederen die de kwaliteit en prestaties bieden die voor goederen van dezelfde soort normaal zijn en die de consument redelijkerwijs mag verwachten, gelet op de aard van de goederen’ - Voertuig waarvoor EG-typegoedkeuring is verleend - Artikel 3, lid 6 - Begrip ‚gebrek aan overeenstemming van geringe betekenis’)

(2022/C 340/08)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Oberster Gerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: DS

Verwerende partijen: Porsche Inter Auto GmbH & Co KG, Volkswagen AG

Dictum

1)

Artikel 2, lid 2, onder d), van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, moet aldus worden uitgelegd dat een motorvoertuig dat binnen de werkingssfeer van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, valt, niet de kwaliteit biedt die voor goederen van dezelfde soort normaal is en die de consument redelijkerwijs mag verwachten, indien dit voertuig weliswaar een geldige EG-typegoedkeuring heeft en dus in het wegverkeer mag worden gebruikt, maar uitgerust is met een manipulatie-instrument waarvan het gebruik op grond van artikel 5, lid 2, van deze verordening verboden is.

2)

Artikel 5, lid 2, onder a), van verordening nr. 715/2007 moet aldus worden uitgelegd dat een manipulatie-instrument dat met name enkel bij een buitentemperatuur tussen 15 en 33 graden Celsius waarborgt dat de in die verordening vastgestelde emissiegrenswaarden worden nageleefd, op grond van deze bepaling slechts kan worden gerechtvaardigd op voorwaarde dat wordt aangetoond dat dit instrument uitsluitend dient tot het voorkomen van acute risico’s voor de motor in de vorm van schade of ongevallen die voortvloeien uit een zodanig gebrekkige werking van een onderdeel van het uitlaatgasrecirculatiesysteem dat daardoor tijdens het rijden met een met dit instrument uitgerust voertuig een concreet gevaar ontstaat. Hoe dan ook kan een manipulatie-instrument dat onder normale verkeersomstandigheden het grootste deel van het jaar zou moeten functioneren om de motor te beschermen tegen schade of ongevallen en om de veilige werking van het voertuig te verzekeren, niet onder de uitzondering van artikel 5, lid 2, onder a), van verordening nr. 715/2007 vallen.

3)

Artikel 3, lid 6, van richtlijn 1999/44 moet aldus worden uitgelegd dat een gebrek aan overeenstemming dat erin bestaat dat een voertuig is uitgerust met een manipulatie-instrument waarvan het gebruik op grond van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 715/2007 verboden is, niet kan worden aangemerkt als een gebrek “van geringe betekenis”, zelfs al zou de consument dat voertuig ook hebben gekocht wanneer de aanwezigheid van dit manipulatie-instrument en de werking ervan hem bekend waren geweest.


(1)  PB C 279 van 24.8.2020.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/9


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 14 juli 2022 — Europese Commissie / Koninkrijk Denemarken

(Zaak C-159/20) (1)

(Niet-nakoming - Verordening (EU) nr. 1151/2012 - Kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen - Artikel 13 - Gebruik van de beschermde oorsprongsbenaming (BOB) “feta” ter aanduiding van kaas die in Denemarken wordt geproduceerd en voor uitvoer naar derde landen bestemd is - Artikel 4, lid 3, VEU - Beginsel van loyale samenwerking)

(2022/C 340/09)

Procestaal: Deens

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: M. Konstantinidis, I. Naglis en U. Nielsen, gemachtigden)

Verwerende partij: Koninkrijk Denemarken (vertegenwoordigers: M. P. Brøchner Jespersen, J. Nymann-Lindegren, V. Pasternak Jørgensen, M. Søndahl Wolff en L. Teilgård, gemachtigden)

Interveniënten aan de zijde van de verzoekende partij: Helleense Republiek (vertegenwoordigers: E.-E. Krompa, E. Leftheriotou, E. Tsaousi en A.-E. Vasilopoulou, gemachtigden), Republiek Cyprus (vertegenwoordigers: V. Christoforou en E. Zachariadou, gemachtigden)

Dictum

1)

Het Koninkrijk Denemarken is zijn verplichtingen krachtens artikel 13, lid 3, van verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen niet nagekomen door niet te hebben voorkomen dat Deense zuivelproducenten de beschermde oorsprongsbenaming (BOB) “feta” gebruiken ter aanduiding van kaas die niet voldoet aan het productdossier van die BOB, en door dat gebruik niet te hebben beëindigd.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

Het Koninkrijk Denemarken draagt zijn eigen kosten en vier vijfde van de kosten van de Europese Commissie.

4)

De Europese Commissie draagt een vijfde van haar kosten.

5)

De Helleense Republiek en de Republiek Cyprus dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 201 van 15.6.2020.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/10


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 14 juli 2022 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Valenciana — Spanje) — Asociación Estatal de Entidades de Servicios de Atención a Domicilio (ASADE) / Consejería de Igualdad y Políticas Inclusivas

(Zaak C-436/20) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Artikelen 49 en 56 VWEU - Zuiver interne situatie - Diensten op de interne markt - Richtlijn 2006/123/EG - Werkingssfeer - Artikel 2, lid 2, onder j) - Plaatsing van overheidsopdrachten - Richtlijn 2014/24/EU - Begrip “overheidsopdrachten” - Artikelen 74 tot en met 77 - Verrichting van sociale diensten aan personen - Akkoorden met private maatschappelijke organisaties voor de uitvoering van die diensten - Uitsluiting van deelnemers die winst nastreven - Vestigingsplaats van de organisatie als selectiecriterium)

(2022/C 340/10)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Valenciana

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Asociación Estatal de Entidades de Servicios de Atención a Domicilio (ASADE)

Verwerende partij: Consejería de Igualdad y Políticas Inclusivas

Dictum

1)

De artikelen 76 en 77 van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling die enkel aan private non-profitorganisaties de mogelijkheid biedt om, door een oproep tot mededinging van inschrijvingen, akkoorden te sluiten op grond waarvan die organisaties sociale hulpverlening aan personen bieden, tegen vergoeding van de door hen gemaakte kosten, ongeacht de geschatte waarde van die hulpverlening, ook al voldoen deze organisaties niet aan de vereisten van dat artikel 77, mits het wettelijke en contractuele kader waarbinnen die organisaties werken daadwerkelijk bijdraagt tot het sociale doel en tot het nastreven van de aan die regeling ten grondslag liggende doelstellingen van solidariteit en kostenefficiëntie en mits het transparantiebeginsel, zoals met name verduidelijkt in artikel 75 van deze richtlijn, wordt nageleefd.

2)

Artikel 76 van richtlijn 2014/24 moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling volgens welke, in het kader van de gunning van een overheidsopdracht voor sociale diensten als bedoeld in bijlage XIV bij die richtlijn, de vestiging van de marktdeelnemers op de plaats waar de diensten moeten worden verricht, een criterium voor de selectie van de marktdeelnemers vormt dat voorafgaat aan het onderzoek van hun inschrijvingen.


(1)  PB C 423 van 7.12.2020.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/11


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 14 juli 2022 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Oberste Gerichtshof — Oostenrijk) — ÖBB-Infrastruktur Aktiengesellschaft / Lokomotion Gesellschaft für Schienentraktion mbH

(Zaak C-500/20) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Internationale overeenkomsten - Spoorwegvervoer - Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) - Uniforme Regelen betreffende de overeenkomst inzake het gebruik van de infrastructuur bij internationaal spoorwegvervoer (CUI) - Artikel 4 - Dwingend recht - Artikel 8 - Aansprakelijkheid van de beheerder - Artikel 19 - Andere vorderingen - Bevoegdheid van het Hof - Schade aan de locomotieven van de vervoerder na een ontsporing - Huur van vervangende locomotieven - Verplichting van de infrastructuurbeheerder om de huurkosten te vergoeden - Overeenkomst die voorziet in de uitbreiding van de aansprakelijkheid van de partijen door een verwijzing naar het nationale recht)

(2022/C 340/11)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Oberster Gerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: ÖBB-Infrastruktur Aktiengesellschaft

Verwerende partij: Lokomotion Gesellschaft für Schienentraktion mbH

Dictum

1)

Het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat overeenkomstig artikel 267 VWEU wordt aangezocht, is bevoegd om artikel 4, artikel 8, lid 1, onder b), en artikel 19, lid 1, van aanhangsel E bij het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980, zoals gewijzigd bij het Protocol van Vilnius van 3 juni 1999, met als opschrift “Uniforme Regelen betreffende de overeenkomst inzake het gebruik van de infrastructuur in het internationale spoorwegverkeer (CUI)”, uit te leggen.

2)

Artikel 8, lid 1, onder b), van aanhangsel E bij het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer van 9 mei 1980, zoals gewijzigd bij het Protocol van Vilnius van 3 juni 1999, moet aldus worden uitgelegd dat de aansprakelijkheid van de infrastructuurbeheerder voor zaakschade niet de kosten dekt die de spoorwegonderneming heeft gemaakt voor de huur van vervangende locomotieven tijdens de duur van de reparatieperiode van de beschadigde locomotieven.

3)

Artikel 4 en artikel 19, lid 1, van aanhangsel E bij het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer van 9 mei 1980, zoals gewijzigd bij het Protocol van Vilnius van 3 juni 1999, moeten aldus worden uitgelegd dat de partijen bij de overeenkomst hun aansprakelijkheid kunnen uitbreiden door een algemene verwijzing naar het nationale recht, op grond waarvan de aansprakelijkheid van de infrastructuurbeheerder wordt verruimd en als voorwaarde voor die aansprakelijkheid wordt gesteld dat er sprake is van schuld.


(1)  PB C 19 van 18.1.2021.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/12


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 14 juli 2022 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het College van Beroep voor het bedrijfsleven — Nederland) — Sense Visuele Communicatie en Handel vof (tevens handelend onder de naam De Scharrelderij)/Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

(Zaak C-36/21) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Gemeenschappelijk landbouwbeleid - Verordening (EU) nr. 1307/2013 - Regelingen inzake rechtstreekse steunverlening - Gemeenschappelijke voorschriften - Artikel 30, lid 6, en artikel 50, lid 2 - Verzoek om toewijzing van betalingsrechten uit de nationale reserve voor jonge landbouwers - Nationale bestuurlijke instantie die onjuiste informatie heeft verstrekt over de kwalificatie van een persoon als ‚jonge landbouwer’ - Beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen - Schadevordering wegens niet-inachtneming van het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel)

(2022/C 340/12)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Sense Visuele Communicatie en Handel vof (tevens handelend onder de naam De Scharrelderij)

Verwerende partij: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Dictum

Het Unierecht, en in het bijzonder het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, moet aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een justitiabele op grond van het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel, en louter op basis van het nationale recht, vergoeding krijgt van schade die het gevolg is van een onjuiste uitlegging van een duidelijke Unierechtelijke bepaling door een nationale instantie, mits deze schadevergoeding niet neerkomt op de toekenning van een met het Unierecht strijdig voordeel, niet de begroting van de Europese Unie belast en niet kan leiden tot verstoring van de mededinging tussen de lidstaten.


(1)  PB C 128 van 12.4.2021.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/12


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 14 juli 2022 — Universität Bremen/Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek (REA)

(Zaak C-110/21 P) (1)

(Hogere voorziening - Beroep tot nietigverklaring - Artikel 19 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie - Vertegenwoordiging van niet-bevoorrechte partijen in het kader van een rechtstreeks beroep bij de rechterlijke instanties van de Europese Unie - Hoogleraar - Hoogleraar die lesgeeft aan de in het kader van dit beroep vertegenwoordigde universiteit en die tevens werkzaam is als coördinator en teamleider van het project waarop het geding betrekking heeft - Voorwaarde van onafhankelijkheid - Bestaan van een rechtstreeks en persoonlijk belang bij de uitkomst van het geding)

(2022/C 340/13)

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirante: Universität Bremen (vertegenwoordiger: C. Schmid)

Andere partij in de procedure: Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek (REA) (vertegenwoordigers: V. Canetti en S. Payan-Lagrou, gemachtigden, bijgestaan door R. van der Hout, advocaat, en C. Wagner, Rechtsanwalt)

Dictum

1)

De beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 16 december 2020, Universität Bremen/REA (T-660/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:633), wordt vernietigd.

2)

Zaak T-660/19 wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie.

3)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


(1)  PB C 182 van 10.5.2021.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/13


Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 19 mei 2022 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door een notaris van de Ilustre Colegio Notarial de Andalucía — Spanje) — Frontera Capital SARL

(Zaak C-722/21) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Artikel 267 VWEU - Notaris - Begrip “rechterlijke instantie” - Criteria - Geen geding aanhangig bij het verwijzende orgaan - Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

(2022/C 340/14)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Notario del Ilustre Colegio Notarial de Andalucía

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Frontera Capital SARL

Dictum

Het verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door een notaris van de Ilustre Colegio Notarial de Andalucía (kamer van notarissen van Andalusië, Spanje) bij beslissing van 25 november 2021, is kennelijk niet-ontvankelijk.


(1)  Datum van neerlegging: 25.11.2021.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/13


Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 14 juli 2022 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzgericht — Oostenrijk) — CM / Finanzamt Österreich

(Zaak C-25/22) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Artikel 53, lid 2, en artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Vereiste om de redenen te vermelden waarom een antwoord op de gestelde vragen noodzakelijk is - Onvoldoende preciseringen - Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

(2022/C 340/15)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesfinanzgericht

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: CM

Verwerende partij: Finanzamt Österreich

Dictum

Het verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Bundesfinanzgericht (federale belastingrechter in eerste aanleg, Oostenrijk) bij beslissing van 31 december 2021, is kennelijk niet-ontvankelijk.


(1)  Datum van indiening: 10.1.2022.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/14


Hogere voorziening ingesteld op 4 maart 2022 door Magic Box Int. Toys SLU tegen het arrest van het Gerecht (Tiende kamer) van 21 december 2021 in zaak T-549/20, Magic Box Int. Toys / EUIPO — KMA Concepts

(Zaak C-194/22 P)

(2022/C 340/16)

Procestaal: Spaans

Partijen

Rekwirante: Magic Box Int. Toys SLU (vertegenwoordiger: J. L. Rivas Zurdo, abogado)

Andere partijen in de procedure: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie, KMA Concepts Ltd.

Bij beschikking van 7 juni 2022 heeft het Hof van Justitie (Kamer voor toelating van hogere voorzieningen) beslist dat de hogere voorziening niet wordt toegelaten en dat Magic Box Int. Toys haar eigen kosten zal dragen.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/14


Hogere voorziening ingesteld op 4 april 2022 door Meta Cluster GmbH tegen het arrest van het Gerecht (Negende kamer) van 26 januari 2022 in zaak T-233/21, Meta Cluster GmbH/Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie

(Zaak C-233/22 P)

(2022/C 340/17)

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirante: Meta Cluster GmbH (vertegenwoordiger: H. Baumann, Rechtsanwalt)

Andere partij in de procedure: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (Kamer voor toelating van hogere voorzieningen) heeft bij beschikking van 15 juli 2022 de hogere voorziening niet toegelaten en rekwirante verwezen in haar eigen kosten.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/14


Hogere voorziening ingesteld op 3 mei 2022 door de Govern d’Andorra tegen het arrest van het Gerecht (Negende kamer) van 23 februari 2022 in zaak T-806/19, Govern d’Andorra / EUIPO

(Zaak C-300/22 P)

(2022/C 340/18)

Procestaal: Spaans

Partijen

Rekwirante: Govern d’Andorra (vertegenwoordiger: P. González-Bueno Catalán de Ocón, abogado)

Andere partij in de procedure: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie

Bij beschikking van 12 mei 2022 heeft de vicepresident van het Hof de hogere voorziening niet-ontvankelijk verklaard en de Govern d’Andorra verwezen in de eigen kosten.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/15


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht Köln (Duitsland) op 11 mei 2022 — Gesamtverband Autoteile-Handel e.V. / Scania CV AB

(Zaak C-319/22)

(2022/C 340/19)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Landgericht Köln

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Gesamtverband Autoteile-Handel e.V.

Verwerende partij: Scania CV AB

Prejudiciële vragen

I.

Heeft het in artikel 61, lid 1, tweede zin, van verordening (EU) 2018/858 (1) geformuleerde vereiste dat

“informatie […] op gemakkelijk toegankelijk[e] wijze [wordt gepresenteerd] in de vorm van machineleesbare en elektronisch verwerkbare gegevensbestanden”,

ook betrekking op de reparatie- en onderhoudsinformatie van een voertuig in de zin van artikel 3, punt 48, van deze verordening, of is dat vereiste beperkt tot zogenoemde informatie over reserveonderdelen [“voertuigonderdelen […] die kunnen worden vervangen door reserveonderdelen”] als bedoeld in punt 6.1 van bijlage X bij die verordening?

II.

Moeten artikel 61, lid 1, tweede zin, van verordening (EU) 2018/858, waarin is bepaald dat informatie

“op gemakkelijk toegankelijk[e] wijze in de vorm van machineleesbare en elektronisch verwerkbare gegevensbestanden”

moet worden gepresenteerd, en artikel 61, lid 2, tweede alinea, waarin is bepaald dat aan andere onafhankelijke marktdeelnemers dan reparateurs

“[…] de informatie ook [wordt] verstrekt in een machineleesbaar formaat dat elektronisch kan worden verwerkt met behulp van algemeen beschikbare IT-instrumenten en software, zodat onafhankelijke marktdeelnemers de taak kunnen uitvoeren die verband houdt met hun activiteiten in de aftermarkettoeleveringsketen,”

aldus worden uitgelegd dat de voertuigfabrikant zijn overeenkomstige verplichtingen alleen nakomt indien hij

1.

de informatie via het internet toegankelijk maakt door middel van een machinaal gestuurde raadpleging via een database-interface, waarbij de resultaten kunnen worden gedownload, of volstaat het dat hij op een website enkel voorziet in de mogelijkheid van een handmatige opzoeking door een menselijke gebruiker op een beeldscherm en dat het resultaat van de raadpleging beperkt is tot de zichtbare inhoud van de pagina’s op het beeldscherm,

en

2.

ervoor zorgt dat de informatie die in de databank is gekoppeld aan zijn voertuigidentificatienummers (VIN), kan worden opgezocht aan de hand van die voertuigidentificatienummers, die hij in een afzonderlijke lijst beschikbaar stelt, en los daarvan ook kan worden opgezocht

aan de hand van andere criteria ter identificatie van voertuigen, als bedoeld in punt 6.1, derde alinea, van bijlage X bij verordening [(EU) 2018/858]

en aan de hand van overige door hem gebruikte begrippen voor categorieën (zoals bijvoorbeeld categorieën van componenten, reserveonderdelen, reparatie- en onderhoudsinstructies en technische illustraties) en andere vermeldingen in de databanken in willekeurige combinaties,

of is het voldoende dat de fabrikant enkel voorziet in de mogelijkheid van een gerichte opzoeking aan de hand van het voertuigidentificatienummer van een specifiek voertuig, zonder dat hij een bijgewerkte lijst van alle voertuigidentificatienummers van zijn voertuigen ter beschikking stelt?

en

3.

deze gegevensbestanden ter beschikking stelt in bestanden waarvan het formaat van die aard is dat de daarin vervatte gegevensbestanden onmiddellijk elektronisch (verder) kunnen worden verwerkt, met vermelding van de overeenkomstige beschrijving van de gegevensbestanden (in geval van teksten en tabellen), of is het hiervoor voldoende dat hij louter een beeldschermafdruk in een willekeurig gebruikelijk bestandsformaat, zoals een pdf-bestand, ter beschikking stelt?

III.

Houdt artikel 61, lid 1, van verordening (EU) 2018/858 een wettelijke verplichting in de zin van artikel 6, lid 1, onder c), van de algemene verordening gegevensbescherming voor voertuigfabrikanten in, die de openbaarmaking van voertuigidentificatienummers of informatie in verband met voertuigidentificatienummers aan onafhankelijke marktdeelnemers als andere verwerkingsverantwoordelijken in de zin van artikel 4, punt 7, van de algemene verordening gegevensbescherming rechtvaardigt?


(1)  Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van richtlijn 2007/46/EG (PB 2018, L 151, blz. 1).


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/16


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varhoven administrativen sad (Bulgarije) op 17 mei 2022 — Zamestnik izpalnitelen direktor na Darzhaven fond “Zemedelie” / IW

(Zaak C-329/22)

(2022/C 340/20)

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Varhoven administrativen sad

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij tot cassatie: Zamestnik izpalnitelen direktor na Darzhaven fond “Zemedelie”

Verwerende partij in cassatie: IW

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 29, lid 3, tweede volzin, van verordening (EU) nr. 1305/2013 (1) van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad [hierna: „verordening (EU) nr. 1305/2013] aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale bepaling als artikel 11, lid 5 (voorheen lid 4), van de Naredba no 4 ot 24.02.2015 za prilagane na myarka 11 “Biologichno zemedelie” ot Programata za razvitie na selskite rayoni za perioda 2014-2020 (besluit nr. 4 van 24 februari 2015 betreffende de toepassing van maatregel 11 “Biologische landbouw” van het plattelandsontwikkelingsprogramma voor de periode 2014-2020), waarbij de mogelijkheid om financiële steun te verkrijgen voor biologische productie tijdens de omschakeling wordt beperkt tot een periode die niet langer duurt dan de minimale omschakelingsperiodes als bedoeld in artikel 36, lid 1, artikel 37, lid 1, en artikel 38 van verordening (EG) nr. 889/2008 (2) van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 29, lid 3, tweede volzin, van verordening (EU) nr. 1305/2013 dan aldus worden uitgelegd dat de lidstaten bevoegd zijn om een maximumperiode voor de toekenning van steun voor de omschakeling naar de biologische landbouw uitsluitend op basis van het soort productie vast te stellen, en niet op basis van de specifieke omstandigheden van het concrete geval?

3)

Hoe moet de formulering “de lidstaten [kunnen], in overeenstemming met de omschakelingsperiode, kortere eerste periodes vaststellen” [artikel 29, lid 3, (tweede) volzin, van verordening (EU) nr. 1305/2013], worden uitgelegd? Worden de begrippen “eerste periode” en “omschakelingsperiode” als synoniemen gebruikt of hebben zij verschillende betekenissen?

4)

Moet de formulering “de lidstaten [kunnen], in overeenstemming met de omschakelingsperiode, kortere eerste periodes vaststellen” in artikel 29, lid 3, (tweede) volzin, van verordening nr. 1305/2013 aldus worden uitgelegd dat de maatregel “Biologische landbouw” met betrekking tot activiteiten voor de “omschakeling” naar biologische landbouw in zijn geheel kan worden aangevraagd en gefinancierd voor een kortere periode dan die in artikel 29, lid 3, eerste volzin, van deze verordening, dan wel aldus dat er in het kader van de totale verplichting tot “biologische landbouw” sprake is van een eerste periode voor activiteiten tijdens de omschakeling naar biologische landbouw?


(1)  PB 2013, L 347, blz. 487.

(2)  PB 2008, L 250, blz. 1.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/17


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) op 27 mei 2022 — PT/VB

(Zaak C-343/22)

(2022/C 340/21)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesgerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verweerder en verzoeker in het hoofdgeding: PT

Verzoeker en verweerder in het hoofdgeding: VB

Prejudiciële vraag

Moet artikel 34, punt 2, van het Verdrag van Lugano betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van 30 oktober 2007 (1) aldus worden uitgelegd dat het verzoekschrift in een vereenvoudigde procedure voor het instellen van een vermogensrechtelijke vordering van geringe waarde die na de voorafgaande uitvaardiging van een Zwitsers betalingsbevel is ingeleid zonder dat is verzocht om het tegen het betalingsbevel ingediende bezwaar op te heffen, het stuk is dat het geding inleidt?


(1)  PB 2009, L 147, blz. 1.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/17


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent (België) op 1 juni 2022 — BV Osteopathie Van Hauwermeiren tegen Belgische Staat

(Zaak C-355/22)

(2022/C 340/22)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen Afdeling Gent

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekster: BV Osteopathie Van Hauwermeiren

Verweerder: Belgische Staat

Prejudiciële vragen

1)

Moet het arrest van het Hof van Justitie van 8 april 1976 in de zaak C-43/75, Defrenne/SABENA (1), aldus worden uitgelegd dat dit arrest aan de nationale rechter de autonome bevoegdheid verleent om — sua sponte en zonder verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU — op basis van een zuiver internrechtelijke bepaling, de gevolgen voor het verleden van een nationale regeling inzake de BTW vrijstelling voor medische en paramedische diensten te handhaven waarvan dezelfde rechter (na dienaangaande voordien in hetzelfde geding 3 verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU te hebben voorgelegd aan uw Hof die uw Hof bij arrest van 27 juni 2019 in zaak C-597/17 (2) heeft beantwoord) vervolgens de strijdigheid met het Unierecht vaststelt van de bestreden bepaling en deze bestreden internrechtelijke bepaling deels vernietigt doch de gevolgen voor het verleden van de met het EU recht strijdige internrechtelijke norm handhaaft en derwijze de aan de BTW onderworpen belastingplichtigen het recht tot terugbetaling van de in strijd met het Unierecht geheven BTW, volledig ontzegt?

2)

Staat het aan de nationale rechter om de gevolgen voor het verleden van een met de BTW richtlijn strijdig bevonden nationale bepaling — autonoom en zonder verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU — te handhaven op basis van een algemene verwijzing naar 'dwingende overwegingen van rechtszekerheid met betrekking tot alle betrokken openbare zowel als particuliere belangen' en een beweerde 'praktische onmogelijkheid om ten onrechte geinde btw alsnog te doen terugvloeien naar de afnemers van de door de belastingplichtige gedane leveringen of verrichte diensten of van hen alsnog betaling te eisen ingeval van onterechte niet-onderwerping, inzonderheid wanneer het een groot aantal niet nader geïdentificeerde personen betreft, dan wel de belastingplichtigen niet beschikken over een boekhoudkundig systeem dat hun toelaat alsnog de betrokken leveringen of diensten en de waarde ervan te identificeren' wanneer aan de belastingplichtigen zelfs niet de mogelijkheid werd geboden om aan te tonen dat een dergelijke 'praktische onmogelijkheid' niet voorligt?


(1)  EU:C:1976:56.

(2)  EU:C:2019:544.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/18


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour de cassation (Frankrijk) op 1 juni 2022 — Bolloré logistics SA / Direction interrégionale des douanes et droits indirects de Caen, Recette régionale des douanes et droits indirects de Caen, Bolloré Ports de Cherbourg SAS

(Zaak C-358/22)

(2022/C 340/23)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Cour de cassation

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Bolloré logistics SA

Verwerende partijen: Direction interrégionale des douanes et droits indirects de Caen, Recette régionale des douanes et droits indirects de Caen, Bolloré Ports de Cherbourg SAS

Prejudiciële vragen

1)

Moeten de artikelen 195, 217 en 221 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (2), aldus worden uitgelegd dat de douaneadministratie de hoofdelijke borg niet kan verplichten tot betaling van een douaneschuld zolang de rechten niet naar behoren aan de schuldenaar zijn meegedeeld?

2)

a)

Brengt de eerbiediging van de rechten van de verdediging, met name het recht om opmerkingen in te dienen vóór enig bezwarend besluit, zijnde een algemeen beginsel van Unierecht, mee dat wanneer de schuldenaar de douaneschuld niet binnen de gestelde termijn betaalt en de invordering van de schuld wordt voortgezet tegen de borg, de douaneadministratie die borg vooraf in de gelegenheid moet stellen om naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop zij haar besluit om betaling van hem te vorderen wil baseren?

b)

Is het voor het antwoord op de tweede vraag, onder a), van belang dat de schuldenaar van de douaneschuld zelf in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken voordat de rechten werden meegedeeld?

c)

Indien het antwoord op de tweede vraag, onder a), bevestigend luidt, welk is dan het voor de borg bezwarende besluit dat moet worden voorafgegaan door een contradictoire fase: het besluit van de douaneadministratie om de rechten te boeken en aan de schuldenaar van de douaneschuld mee te delen, of het besluit om betaling van de borg te vorderen?”


(1)  PB 1992, L 302, blz. 1.

(2)  PB 2009, L 324, blz. 23.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/19


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Verwaltungsgericht Minden (Duitsland) op 7 juni 2022 — J.B., S.B. en F.B./Bundesrepublik Deutschland

(Zaak C-364/22)

(2022/C 340/24)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Verwaltungsgericht Minden

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: J.B., S.B. en F.B.

Verwerende partij: Bundesrepublik Deutschland

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 33, lid 2, onder d), van richtlijn 2013/32/EU (1) aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan een volgend verzoek om internationale bescherming als niet-ontvankelijk moet worden afgewezen, ongeacht of de betrokken asielzoeker naar zijn land van herkomst is teruggekeerd nadat een verzoek om internationale bescherming is afgewezen en voordat een volgend verzoek om internationale bescherming is ingediend?

2)

Maakt het voor de beantwoording van de eerste vraag een verschil of de betrokken asielzoeker naar zijn land van herkomst is verwijderd dan wel vrijwillig is teruggekeerd?

3)

Moet artikel 33, lid 2, onder d), van richtlijn 2013/32/EU aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat een volgend verzoek om internationale bescherming als niet-ontvankelijk afwijst wanneer de beslissing over het eerdere verzoek geen beslissing over de verlening van de subsidiairebeschermingsstatus bevatte, maar een verbod op verwijdering is onderzocht en dit onderzoek inhoudelijk vergelijkbaar is met het onderzoek naar de verlening van de subsidiairebeschermingsstatus?

4)

Zijn het onderzoek naar het verbod op verwijdering en het onderzoek naar de verlening van de subsidiairebeschermingsstatus met elkaar vergelijkbaar wanneer bij het onderzoek naar het verbod op verwijdering cumulatief moest worden nagegaan of de betrokken asielzoeker in het land waarnaar hij zal worden verwijderd, blootgesteld is aan een van de volgende risico’s

a)

het reële gevaar dat hij wordt onderworpen aan foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing;

b)

de doodstraf of executie;

c)

een schending van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; of

d)

een ernstig en reëel gevaar voor leven of vrijheid;

dan wel of hij blootgesteld is aan

e)

een ernstige en individuele bedreiging van het leven van een burger in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict?


(1)  Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60).


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/20


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Okrazhen sad Burgas (Bulgarije) op 14 juni 2022 — Obshtina Pomorie / “Anhialo auto” OOD

(Zaak C-390/22)

(2022/C 340/25)

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Okrazhen sad Burgas

Partijen in het hoofdgeding

Appellante: Obshtina Pomorie

Geïntimeerde:“Anhialo auto” OOD

Prejudiciële vragen

1)

Staan de voorschriften van verordening (EG) nr. 1370/2007 (1) toe dat een lidstaat bij nationale wetgeving of interne regelingen extra eisen en beperkingen met betrekking tot de betaling van compensaties aan een vervoerbedrijf voor de nakoming van een openbaredienstverplichting invoert, waarin deze verordening niet voorziet?

2)

Staat artikel 4, lid 1, onder b), i), van verordening (EG) nr. 1370/2007 toe dat compensatie aan het vervoerbedrijf wordt betaald voor de nakoming van een openbaredienstverplichting, wanneer de parameters voor de berekening van de compensatie voordien niet in een openbaredienstcontract zijn vastgesteld, maar in algemene regels en het netto financiële effect of de hoogte van de verschuldigde compensatie werd bepaald in overeenstemming met de procedure van verordening (EG) nr. 1370/2007?


(1)  Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad (PB 2007, L 315, blz. 1).


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/20


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d’État (Frankrijk) op 20 juni 2022 — Ministre de l’Économie, des Finances et de la Relance / Manitou BF SA

(Zaak C-407/22)

(2022/C 340/26)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Conseil d’État

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Ministre de l’Économie, des Finances et de la Relance

Verwerende partij: Manitou BF SA

Prejudiciële vraag

Verzet artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zich tegen een wettelijke fiscale-integratieregeling van een lidstaat op grond waarvan een moedervennootschap in een groep neutralisatie geniet van het heropgenomen aandeel voor kosten en lasten in verband met de door haar van ingezeten vennootschappen in de fiscale eenheid ontvangen dividenden alsook, teneinde rekening te houden met het arrest van 2 september 2015 (Groupe Steria SCA, C-386/14), in verband met de dividenduitkeringen van haar in een andere lidstaat gevestigde dochtervennootschappen, die, zouden zij ingezetenen zijn geweest, objectief in aanmerking waren gekomen om voor die integratieregeling te opteren, wanneer deze wettelijke regeling een dergelijke neutralisatie ontzegt aan een ingezeten moedervennootschap die, ondanks bestaande kapitaalbanden met andere ingezeten vennootschappen die de oprichting van een fiscale eenheid mogelijk maakten, ervoor heeft gekozen om niet tot een dergelijke eenheid toe te treden, en dit zowel in verband met de dividenduitkeringen van haar ingezeten dochterondernemingen als in verband met de dividenduitkeringen van haar in andere lidstaten gevestigde dochterondernemingen die, op de vestigingsplaats na, voldoen aan de overige criteria?


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/21


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d’État (Frankrijk) op 20 juni 2022 — Ministre de l’Économie, des Finances et de la Relance / Bricolage Investissement France SA

(Zaak C-408/22)

(2022/C 340/27)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Conseil d’État

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Ministre de l’Économie, des Finances et de la Relance

Verwerende partij: Bricolage Investissement France SA

Prejudiciële vraag

Verzet artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zich tegen een wettelijke fiscale-integratieregeling van een lidstaat op grond waarvan een moedervennootschap in een groep neutralisatie geniet van het heropgenomen aandeel voor kosten en lasten in verband met de door haar van ingezeten vennootschappen in de fiscale eenheid ontvangen dividenden alsook, teneinde rekening te houden met het arrest van 2 september 2015 (Groupe Steria SCA, C-386/14), in verband met de dividenduitkeringen van haar in een andere lidstaat gevestigde dochtervennootschappen, die, zouden zij ingezetenen zijn geweest, objectief in aanmerking waren gekomen om voor die integratieregeling te opteren, wanneer deze wettelijke regeling een dergelijke neutralisatie ontzegt aan een ingezeten moedervennootschap die, ondanks bestaande kapitaalbanden met andere ingezeten vennootschappen die de oprichting van een fiscale eenheid mogelijk maakten, ervoor heeft gekozen om niet tot een dergelijke eenheid toe te treden, en dit zowel in verband met de dividenduitkeringen van haar ingezeten dochterondernemingen als in verband met de dividenduitkeringen van haar in andere lidstaten gevestigde dochterondernemingen die, op de vestigingsplaats na, voldoen aan de overige criteria?


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/21


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Szegedi Törvényszék (Hongarije) op 28 juni 2022 — SOLE-MiZo Zrt. / Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatósága

(Zaak C-426/22)

(2022/C 340/28)

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Szegedi Törvényszék

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: SOLE-MiZo Zrt.

Verwerende partij: Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatósága

Prejudiciële vragen

1)

Moeten het Unierecht, in het bijzonder artikel 183 van richtlijn 2006/112/EG (1) van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: “btw-richtlijn”), de beginselen van doeltreffendheid, gelijkwaardigheid, rechtstreekse werking en evenredigheid, en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 april 2020 in de gevoegde zaken C-13/18 en C-126/18, Sole-Mizo en Dalmandi Mezőgazdasági (hierna: “arrest Sole-Mizo en Dalmandi Mezőgazdasági”) aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een praktijk van een lidstaat, zoals die welke in casu aan de orde is, waarbij het niet is toegestaan dat naast de rente over het overschot aan aftrekbare btw ook rente wordt berekend om de belastingplichtige te vergoeden voor de door het tijdsverloop veroorzaakte geldontwaarding, waardoor het betrokken bedrag in waarde is verminderd na het betrokken aangiftetijdvak tot op het ogenblik waarop de rente daadwerkelijk wordt betaald, wanneer volgens het recht van de lidstaat de rente over het overschot aan aftrekbare btw dat als gevolg van de toepassing van de “voorwaarde inzake de betaalde tegenprestatie” niet kon worden teruggevorderd (hierna: “btw-rente”), wordt berekend over het btw-aangiftetijdvak door toepassing van een rentevoet die onbetwistbaar de rente op kredieten op de kortetermijngeldmarkt dekt en die wordt vastgesteld tegen de basisrentevoet van de centrale bank, vermeerderd met twee procentpunten, op zodanige wijze dat de rente loopt vanaf de dag na die waarop het btw-aangifteformulier is ingediend waarin de belastingplichtige een btw-overschot heeft opgenomen dat wegens de voorwaarde inzake de betaalde tegenprestatie naar het volgende aangiftetijdvak moest worden overgebracht, tot op de laatste dag voor indiening van het volgende btw-aangifteformulier?

2)

Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, moet dan worden geconcludeerd dat de praktijk van de nationale rechter om de rentevoet bij geldontwaarding vast te stellen door deze aan te passen aan het inflatiepercentage, in overeenstemming is met het genoemde Unierecht en het arrest Sole-Mizo en Dalmandi Mezőgazdasági?

3)

Moeten het in de eerste prejudiciële vraag genoemde Unierecht en het arrest Sole-Mizo en Dalmandi Mezőgazdasági aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de praktijk van een lidstaat waarbij bij de berekening van het bedrag van de geldontwaarding ook rekening wordt gehouden met het feit dat de betrokken belastingplichtige, zolang de “voorwaarde inzake de betaalde tegenprestatie” niet is vervuld, dat wil zeggen tot de betaling van de tegenprestatie voor de goederen of diensten, beschikte over de tegenprestatie voor de verwervingen, vermeerderd met de overeenkomstige belasting, en waarbij naast het inflatiepercentage tijdens de periode van geldontwaarding tevens wordt beoordeeld hoelang de belastingplichtige van de btw heeft moeten afzien (geen teruggaaf heeft kunnen vragen)?


(1)  PB 2006, L 347, blz. 1.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/22


Hogere voorziening ingesteld op 5 juli 2022 door Leon Leonard Johan Veen tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 27 april 2022 in zaak T-436/21, Veen / Europol

(Zaak C-444/22 P)

(2022/C 340/29)

Procestaal: Slowaaks

Partijen

Rekwirant: Leon Leonard Johan Veen (vertegenwoordiger: M. Mandzák, advokát)

Verwerende partij: Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol)

Conclusies

het bestreden arrest in zijn geheel vernietigen.

de zaak naar het Gerecht terugverwijzen.

verklaren dat het Gerecht moet beslissen over de kosten van de procedure

Middelen en voornaamste argumenten

In hogere voorziening worden in totaal vier middelen aangevoerd. Bij de beoordeling van de zaak heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en het materiële recht onjuist toegepast, meer bepaald met betrekking tot de aansprakelijkheid van verweerder voor de schade en zijn verplichtingen bij de verwerking van persoonsgegevens in het kader van een kruiscontrole. Het Gerecht heeft tevens onterecht vastgesteld dat er geen causaal verband bestaat tussen de gedraging van verweerder en het schadebrengende feit, en heeft het arrest ontoereikend gemotiveerd.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/23


Hogere voorziening ingesteld op 4 juli 2022 door Larko Generiki Metalytiki i Metallourgiki tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 4 mei 2022 in zaak T-423/14 RENV, Larko/Commissie

(Zaak C-445/22 P)

(2022/C 340/30)

Procestaal: Grieks

Partijen

Rekwirante: Larko Generiki Metalytiki i Metallourgiki AE (vertegenwoordigers: N. Korogiannakis, I. Drillerakis en E. Rantos, advocaten)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

vernietiging van het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 4 mei 2022 in zaak T-423/14 RENV, Larko/Commissie (T-423/14 RENV, EU:T:2022:268),

terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht voor een nieuwe beslissing, en

aanhouding van de beslissing omtrent de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert de verzoekende partij het volgende middel aan:

Middel: schending van artikel 107, lid 1, VWEU met betrekking tot het oordeel dat maatregel 2 (garantie van de Staat 2008) de verzoekende partij een voordeel had verschaft

Volgens de verzoekende partij heeft het Gerecht bij de beoordeling dat maatregel 2 (garantie van de Staat 2008) haar een voordeel heeft verschaft in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, blijk gegeven van meerdere onjuiste rechtsopvattingen.

De verzoekende partij voert inzonderheid aan dat de conclusie van het Gerecht ten eerste blijk geeft van een onjuiste uitlegging van punt 3.2, onder d), van de garantiemededeling en ten tweede een onjuiste verdeling behelst van de bewijslast tussen de Commissie en de betrokken lidstaat, die in strijd is met de leer uit de rechtspraak van het Hof.

Daarnaast berust de conclusie van het bestreden arrest op gegevens die volstrekt onvoldoende zijn en hoe dan ook niet voorafgaan aan het moment van toekenning van maatregel 2, in strijd met de leer van het Hof in het arrest van 26 maart 2020, Larko/Commissie (C-244/18 P, EU:C:2020:238).

Tot slot voert de verzoekende partij aan dat deze conclusie is gebaseerd op een negatief vermoeden, gegrond op het ontbreken van informatie die kan leiden tot de tegengestelde conclusie, en dat er geen andere gegevens zijn aan de hand waarvan een dergelijk voordeel positief kan worden vastgesteld.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/24


Hogere voorziening ingesteld op 5 juli 2022 door Robert Roos e.a. tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer — uitgebreid) van 27 april 2022 in de gevoegde zaken T-710/21, T-722/21 en T-723/21 Robert Roos e.a / Europees Parlement

(Zaak C-458/22 P)

(2022/C 340/31)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwiranten: Robert Roos e.a. (vertegenwoordigers: P. de Bandt, M. R. Gherghinaru, V. Heinen, advocaten)

Andere partijen in de procedure: Europees Parlement, IC e.a.

Conclusies

Rekwiranten verzoeken het Hof:

de punten 1 en 2 van het dictum van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 27 april 2022 in de zaken T-710/21, T-722/21 en T-723/21 te vernietigen;

het Europees Parlement te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure voor het Hof, inclusief de advocatenkosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun hogere voorziening voeren rekwiranten twee middelen aan.

Het eerste middel betreft een onjuiste rechtsopvatting, gezien het ontbreken van een geldige rechtsgrond voor het bestreden besluit.

Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar het heeft geoordeeld dat artikel 25, lid 2, van het reglement van het Europees Parlement een geldige rechtsgrond was om de toegang tot de gebouwen van het Europees Parlement te beperken tot personen met een geldig elektronisch COVID-certificaat van de EU en om de zeer gevoelige persoonsgegevens van rekwiranten te kunnen verwerken. Het bestreden arrest levert in het bijzonder schending op van de volgende rechtsvoorschriften en algemene rechtsbeginselen: (i) artikel 8 en artikel 52, leden 1 en 3, van het Handvest; (ii) artikel 7 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie; (iii) artikel 2 van besluit 2005/684/EG, Euratom van het Europees Parlement van 28 september 2005 houdende aanneming van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (1); (iv) artikel 5, lid 2, van verordening 2018/1725 (2); (v) de verplichting om de arresten van het Gerecht te motiveren zoals deze is neergelegd in artikel 36 en artikel 53, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie; (vi) het algemene rechtsbeginsel van het parallellisme van vormvoorschriften, en (vii) het beginsel van de hiërarchie der normen.

Het tweede middel betreft een onjuiste rechtsopvatting wegens schending van het beginsel van de doelgebonden verwerking van persoonsgegevens en van het legaliteitsbeginsel.

Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het Europees Parlement de persoonsgegevens op de nationale COVID-certificaten van rekwiranten mag verwerken om de toegang tot de gebouwen van het Europees Parlement te beperken, hoewel deze doelstelling niet voorkomt in het Belgische of het Franse recht. Het Gerecht heeft ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de persoonsgegevensverwerking die het Europees Parlement heeft verricht onder de uitzondering valt van artikel 6 van verordening 2018/1725.

Daardoor levert het bestreden arrest schending op van de volgende rechtsvoorschriften en algemene rechtsbeginselen: (i) artikel 4, lid 1, a), b) en c), en de artikelen 5 en 6 van verordening 2018/1725, en (ii) de verplichting om de arresten van het Gerecht te motiveren zoals deze is neergelegd in artikel 36 en artikel 53, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.


(1)  PB 2005, L 262, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 45/2001 en besluit nr. 1247/2002/EG (PB 2019, L 295, blz. 39).


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/25


Hogere voorziening ingesteld op 14 juli 2022 door OC tegen het arrest van het Gerecht (Negende kamer) van 4 mei 2022 in zaak T-384/20, OC/Commissie

(Zaak C-479/22 P)

(2022/C 340/32)

Procestaal: Grieks

Partijen

Rekwirante: OC (vertegenwoordiger: I. Ktenidis, advocaat)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Europese Commissie

Conclusies

Vernietiging van het arrest van het Gerecht (Negende kamer) van 4 mei 2022 in zaak T-384/20, OC/Commissie (EU:T:2022:273)

vernietiging van het bestreden arrest in zijn geheel;

afdoening van de zaak door het Hof;

verwijzing van de Commissie in de kosten van de hogere voorziening en van de procedure voor het Gerecht.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert de verzoekende partij drie middelen aan:

1.

Eerste middel: onjuiste uitlegging van artikel 3, punt 1, van verordening (EU) 2018/1725 (1) wat betreft, ten eerste, het begrip “identificeerbare” natuurlijke persoon en, ten tweede, het begrip middelen waarvan redelijkerwijs te verwachten valt dat zij zullen worden gebruikt om de natuurlijke persoon te identificeren, en onjuiste opvatting van de bewijselementen met betrekking tot de identificatie van rekwirante door een bepaalde persoon.

2.

Tweede middel: onjuiste uitlegging van artikel 9, lid 1, van verordening nr. 883/2013 (2) en van artikel 48, lid 1, van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 2, EVRM, wat betreft de omvang van het vermoeden van onschuld.

3.

Derde middel: onjuiste opvatting van het bewijselement met betrekking tot de schending van het recht op behoorlijk bestuur in de zin van artikel 41 van het Handvest.


(1)  Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 45/2001 en besluit nr. 1247/2002/EG (PB 2018, L 295, blz. 39).

(2)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB 2013, L 248, blz. 1).


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/25


Hogere voorziening ingesteld op 22 juli 2022 door de Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 11 mei 2022 in zaak T-151/20, Tsjechische Republiek / Commissie

(Zaak C-494/22 P)

(2022/C 340/33)

Procestaal: Tsjechisch

Partijen

Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J.–P. Keppenne, T. Materne en P. Němečková, gemachtigden)

Andere partijen in de procedure: Tsjechische Republiek, Koninkrijk België, Republiek Polen

Conclusies

punt 1 van het dictum van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 11 mei 2022, Tsjechische Republiek/Commissie (T-151/20, EU:T:2022:281) vernietigen;

het beroep in zaak T-151/20 verwerpen of, subsidiair, de zaak terugverwijzen naar het Gerecht voor een uitspraak over de vorderingen die nog niet zijn onderzocht;

mocht het Hof de zaak zelf afdoen, de Tsjechische Republiek verwijzen in de kosten van de Europese Commissie in de procedure voor het Gerecht en voor het Hof, dan wel, mocht de zaak worden terugverwezen naar het Gerecht, de beslissing omtrent de kosten aanhouden.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van haar beroep voert rekwirante twee middelen aan:

1)

Ten eerste heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 6, lid 3, onder b), en artikel 17, lid 2, van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 (1) van de Raad van 22 mei 2000.

In dat verband heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 6, lid 3, van die verordening door te oordelen dat de opneming in de B-boekhouding van de overeenkomstig artikel 2 van die verordening vastgestelde rechten een zuiver boekhoudkundige handeling is, en dat de uiterste termijn voor die opneming in de boekhouding derhalve niet moet worden berekend vanaf de datum waarop die rechten hadden moeten worden vastgesteld, maar vanaf de datum dat die rechten daadwerkelijk door de bevoegde Tsjechische autoriteiten zijn vastgesteld.

Het Gerecht heeft dientengevolge tevens blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Tsjechische Republiek zich kon beroepen op de mogelijkheid krachtens artikel 17, lid 2, van die verordening om te worden vrijgesteld van de verplichting om het litigieuze bedrag ter beschikking van de Commissie te stellen (middel gericht tegen de punten 85-93 van het bestreden arrest).

2)

Ten tweede heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 2, lid 1, en artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1150/2000, gelezen in samenhang met artikel 217, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2913/92 (2) van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, en artikel 325 VWEU, op grond waarvan lidstaten fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad bestrijden, door te oordelen dat de Tsjechische Republiek de betreffende douanerechten niet te laat heeft vastgesteld toen deze lidstaat die douanerechten niet had vastgesteld in de dagen na de terugkeer van de vertegenwoordiger van de Tsjechische douaneautoriteiten die had deelgenomen aan de controlemissie die in november 2007 door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) in Laos was uitgevoerd (middel gericht tegen de punten 94-126 van het bestreden arrest).

Het Gerecht heeft de toepasselijke bepalingen dus onjuist beoordeeld, in die zin dat het heeft geoordeeld dat de Tsjechische Republiek op grond van de toepasselijke bepalingen kon wachten totdat OLAF het tijdens de controlemissie verzamelde bewijs verstrekte (en dus niet hoefde te voldoen aan de verplichting, een recht van de Unie op eigen middelen vast te stellen), ten nadele van de financiële belangen van de Unie. Het Gerecht had het toepasselijke Unierecht aldus moeten uitleggen dat de Tsjechische Republiek op grond van haar zorgvuldigheidsplicht OLAF onmiddellijk na de terugkeer van haar vertegenwoordiger bij de inspectiemissie had moeten verzoeken om het bewijs dat tijdens die missie was verzameld, waardoor het recht van de Unie op eigen middelen in de dagen na de terugkeer van de Tsjechische vertegenwoordiger van de controlemissie naar Laos hadden kunnen worden vastgesteld.


(1)  Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB 2000, L 130, blz. 1).

(2)  PB. 1992, L 302, blz. 1.


Gerecht

5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/27


Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — ABLV Bank/GAR

(Zaak T-280/18) (1)

(“Economische en monetaire unie - Bankenunie - Gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme voor kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen (GAM) - Afwikkelingsprocedure die van toepassing is indien een entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen - Besluit van de GAR om geen afwikkelingsregeling vast te stellen - Beroep tot nietigverklaring - Bezwarende handeling - Procesbelang - Procesbevoegdheid - Gedeeltelijke ontvankelijkheid - Artikel 18 van verordening (EU) nr. 806/2014 - Bevoegdheid van degene die de handeling heeft vastgesteld - Recht om te worden gehoord - Motiveringsplicht - Evenredigheid - Gelijke behandeling”)

(2022/C 340/34)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: ABLV Bank AS (Riga, Letland) (vertegenwoordiger: O. Behrends, advocaat)

Verwerende partij: Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (vertegenwoordigers: J. De Carpentier, E. Muratori en H. Ehlers, gemachtigden, bijgestaan door J. Rivas Andrés, advocaat, en B. Heenan, solicitor)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Europese Centrale Bank (vertegenwoordigers: R. Ugena, A. Witte en A. Lefterov, gemachtigden)

Voorwerp

Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster nietigverklaring van de besluiten van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) van 23 februari 2018 om met betrekking tot de kredietinstellingen ABLV Bank AS en ABLV Bank Luxembourg SA geen afwikkelingsregeling vast te stellen in de zin van artikel 18, lid 1, van verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 225, blz. 1).

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

ABLV Bank AS wordt behalve in haar eigen kosten ook verwezen in de kosten van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR).

3)

De Europese Centrale Bank (ECB) zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 259 van 23.7.2018.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/27


Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — Puigdemont i Casamajó en Comín i Oliveres/Parlement

(Zaak T-388/19) (1)

(“Institutioneel recht - Lid van het Parlement - Weigering door de voorzitter van het Parlement om gekozen kandidaten te erkennen als lid van het Europees Parlement met de daaraan verbonden rechten - Beroep tot nietigverklaring - Handeling waartegen geen beroep kan worden ingesteld - Niet-ontvankelijkheid”)

(2022/C 340/35)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Carles Puigdemont i Casamajó (Waterloo, België), Antoni Comín i Oliveres (Waterloo) (vertegenwoordigers: P. Bekaert, G. Boye, S. Bekaert, advocaten, en B. Emmerson, QC)

Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: N. Görlitz, T. Lukácsi en C. Burgos, gemachtigden)

Interveniënt aan de zijde van verwerende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: A. Gavela Llopis, gemachtigde)

Voorwerp

Met hun beroep krachtens artikel 263 VWEU vorderen verzoekers nietigverklaring van, ten eerste, de instructie van de voorzitter van het Europees Parlement van 29 mei 2019 waarbij hen de toegang tot de ontvangstdienst en ondersteunende dienst voor nieuwe leden van het Europees Parlement alsmede de verlening van een tijdelijke erkenning wordt geweigerd en, ten tweede, de in de brief van 27 juni 2019 vervatte weigering van de voorzitter van het Parlement om hen als lid van het Europees Parlement te erkennen.

Dictum

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Carles Puigdemont i Casamajó en Antoni Comín i Oliveres worden verwezen in hun eigen kosten en in die van het Europees Parlement, daaronder begrepen in het kader van de zaken T-388/19 R, C-646/19 P(R), en T-388/19 R-RENV.

3)

Het Koninkrijk Spanje zal zijn eigen kosten dragen.


(1)  PB C 270 van 12.8.2019.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/28


Arrest van het Gerecht van 13 juli 2022 — Design Light & Led Made in Europe en Design Luce & Led Made in Italy/Commissie

(Zaak T-886/19) (1)

(“Mededinging - Misbruik van machtspositie - Mededingingsregelingen - Ledverlichtingsector - Programma voor octrooilicenties (Patent Licensing Program) - Besluit tot afwijzing van een klacht - Artikel 7 van verordening (EG) nr. 773/2004 - Kennelijk onjuiste beoordeling - Motiveringsplicht - Geen belang van de Unie - Waarschijnlijkheid dat het bestaan van een inbreuk kan worden aangetoond”)

(2022/C 340/36)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partijen: Design Light & Led Made in Europe (Milaan, Italië), Design Luce & Led Made in Italy (Rome, Italië) (vertegenwoordigers: M. Maresca, D. Maresca en S. Pelleriti, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: B. Ernst, C. Sjödin en J. Szczodrowski, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van de verwerende partij: Signify Holding BV (Eindhoven, Nederland) (vertegenwoordigers: R. Snelders, R. Lepetska en N. Van Belle, advocaten)

Voorwerp

Met hun beroep krachtens artikel 263 VWEU vorderen verzoeksters nietigverklaring van besluit C(2019) 7805 final van de Commissie van 25 oktober 2019 houdende afwijzing van hun klacht inzake inbreuken op artikel 101 VWEU of artikel 102 VWEU die zouden zijn begaan door Koninklijke Philips NV (zaak AT.39913 — LED).

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Design Light & Led Made in Europe en Design Luce & Led Made in Italy worden verwezen in de kosten.

3)

Signify Holding BV zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 61 van 24.2.2020.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/29


Arrest van het Gerecht van 13 juli 2022 — Tartu Agro/Commissie

(Zaak T-150/20) (1)

(“Staatssteun - Landbouw - Pachtovereenkomst voor landbouwgrond in Estland - Besluit waarbij de steunmaatregel onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard en terugvordering van de steun wordt gelast - Voordeel - Bepaling van de marktprijs - Beginsel van de particuliere marktdeelnemer - Ingewikkelde economische beoordelingen - Rechterlijke toetsing - Inaanmerkingneming van alle relevante elementen - Zorgvuldigheidsplicht”)

(2022/C 340/37)

Procestaal: Ests

Partijen

Verzoekende partij: Tartu Agro AS (Tartu, Estland) (vertegenwoordigers: T. Järviste, T. Kaurov, M. Valberg en M. Peetsalu, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: V. Bottka en E. Randvere, gemachtigden)

Voorwerp

Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster nietigverklaring van besluit C(2020) 252 final van de Commissie van 24 januari 2020 betreffende steunmaatregel SA.39182 (2017/C) (ex 2017/NN) (ex 2014/CP) — Vermoedelijk illegale steun aan AS Tartu Agro.

Dictum

1)

Besluit C(2020) 252 final van de Commissie van 24 januari 2020 betreffende steunmaatregel SA.39182 (2017/C) (ex 2017/NN) (ex 2014/CP) — Vermoedelijk illegale steun aan AS Tartu Agro, wordt nietig verklaard.

2)

De Commissie wordt, behalve in haar eigen kosten, verwezen in de kosten van Tartu Agro, met inbegrip van de kosten van de procedure in kort geding.


(1)  PB C 175 van 25.5.2020.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/29


Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — JP/Commissie

(Zaak T-179/20) (1)

(“Openbare dienst - Algemeen vergelijkend onderzoek - Aankondiging van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/363/18 voor de aanwerving van administrateurs op het gebied belastingen (AD 7) - Niet-plaatsing op de reservelijst - Samenstelling van de jury - Stabiliteit - Kennelijke beoordelingsfout - Aansprakelijkheid”)

(2022/C 340/38)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: JP (vertegenwoordigers: S. Rodrigues en A. Champetier, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: T. Lilamand, D. Milanowska en A.-C. Simon, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 270 VWEU tot, ten eerste, nietigverklaring van het besluit van 10 december 2019 waarbij de jury van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/363/18 na heronderzoek heeft geweigerd om verzoeksters naam op de lijst van voor dat vergelijkend onderzoek geslaagde kandidaten te plaatsen en, ten tweede, vergoeding van de schade die zij door dat besluit zou hebben geleden

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

JP wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 209 van 22.6.2020.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/30


Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — Aerospinning Master Franchising/EUIPO — Mad Dogg Athletics (SPINNING)

(Zaak T-246/20) (1)

(“Uniemerk - Vervallenverklaringsprocedure - Uniewoordmerk SPINNING - Merk dat de in de handel gebruikelijke benaming is geworden van een waar of dienst waarvoor het ingeschreven is - Artikel 51, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 58, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001] - Relevant publiek”)

(2022/C 340/39)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Aerospinning Master Franchising s. r. o. (Praag, Tsjechië) (vertegenwoordiger: K. Labalestra, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: D. Walicka en V. Ruzek, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: Mad Dogg Athletics, Inc. (Venice, Californië, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: J. Steinberg, advocaat)

Voorwerp

Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU verzoekt verzoekster om de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 26 februari 2020 (zaak R 369/2019-4) inzake een vervallenverklaringsprocedure tussen haar en interveniënte te vernietigen.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Aerospinning Master Franchising s. r. o. wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 215 van 29.6.2020.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/30


Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — Zhejiang Hangtong Machinery Manufacture en Ningbo Hi-Tech Zone Tongcheng Auto Parts/Commissie

(Zaak T-278/20) (1)

(“Dumping - Invoer van stalen wielen van oorsprong uit China - Instelling van een definitief antidumpingrecht en definitieve inning van het voorlopige recht - Artikel 17, lid 4, en de artikelen 18 en 20 van verordening (EU) 2016/1036 - Niet-medewerking - Ontoereikendheid van de aan de Commissie verstrekte informatie”)

(2022/C 340/40)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Zhejiang Hangtong Machinery Manufacture Co. Ltd (Taizhou, China), Ningbo Hi-Tech Zone Tongcheng Auto Parts Co. Ltd (Ningbo, China) (vertegenwoordigers: K. Adamantopoulos en P. Billiet, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: K. Blanck en G. Luengo, gemachtigden)

Voorwerp

Met hun beroep krachtens artikel 263 VWEU vorderen verzoeksters de gedeeltelijke nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) 2020/353 van de Commissie van 3 maart 2020 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op stalen wielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2020, L 65, blz. 9).

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Zhejiang Hangtong Machinery Manufacture Co. Ltd en Ningbo Hi-Tech Zone Tongcheng Auto Parts Co. Ltd worden in de kosten verwezen.


(1)  PB C 222 van 6.7.2020.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/31


Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — MZ / Europese Commissie

(Zaak T-631/20) (1)

(“Openbare dienst - Ambtenaren - Vergelijkend onderzoek EPSO/AD/363/18 voor de aanwerving van administrateurs op het vakgebied belastingen - Beperking van de keuze van de tweede taal waarin de toetsen plaatsvinden - Niet-opneming op de reservelijst - Exceptie van onwettigheid - Ontvankelijkheid - Discriminatie op grond van taal - Bijzondere aard van het ambt - Rechtvaardiging - Dienstbelang - Evenredigheid”)

(2022/C 340/41)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: MZ (vertegenwoordiger: M. Velardo, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordiger: T. Lilamand, D. Milanowska en A.-C. Simon, gemachtigden, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat)

Voorwerp

Met haar beroep krachtens artikel 270 VWEU vraagt verzoekster, MZ, om nietigverklaring van het besluit van 10 december 2019 waarbij de jury van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/363/18 na heronderzoek heeft geweigerd om haar naam op te nemen op de reservelijst voor de aanwerving van administrateurs van de rang AD 7 op het vakgebied belastingen.

Dictum

1)

Het besluit van 10 december 2019 waarbij de jury van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/363/18 na heronderzoek heeft geweigerd om de naam van MZ op te nemen op de reservelijst voor de aanwerving van administrateurs van de rang AD 7 op het vakgebied belastingen, wordt nietig verklaard.

2)

De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 423 van 7.12.2020.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/32


Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — OC/EDEO

(Zaak T-681/20) (1)

(“Aansprakelijkheid - Openbare dienst - In een derde land tewerkgesteld personeel van EDEO - Melding van onregelmatigheden - Inspectieverslag - Overplaatsing - Bezwarende handelingen - Gedragingen die geen besluit vormen - Eerbiediging van de voorschriften van de precontentieuze procedure - Bescherming van klokkenluiders - Artikel 22 bis van het Statuut - Zorgplicht - Artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten - Eerbiediging van het privéleven - Bescherming van persoonsgegevens”)

(2022/C 340/42)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: OC (vertegenwoordigers: L. Levi en A. Champetier, advocaten)

Verwerende partij: Europese Dienst voor extern optreden (vertegenwoordigers: S. Marquardt en R. Spáč, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 270 VWEU tot herstel van de schade die verzoeker zou hebben geleden door de handelingen en gedragingen van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO)

Dictum

1)

De Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van 10 000 EUR aan OC voor de geleden immateriële schade.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

EDEO draagt zijn eigen kosten en de helft van de kosten van OC.


(1)  PB C 19 van 18.1.2021.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/32


Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — VI/Commissie

(Zaak T-20/21) (1)

(“Openbare dienst - Ambtenaren - Aanwerving - Algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AD/363/18 - Niet-plaatsing op de reservelijst - Gelijke behandeling - Stabiliteit van de samenstelling van de jury”)

(2022/C 340/43)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: VI (vertegenwoordigers: D. Rovetta en V. Villante, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: T. Lilamand, D. Milanowska en A.-C. Simon, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 270 VWEU tot 1) nietigverklaring van, ten eerste, het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/363/18 om verzoekster niet op te nemen op de reservelijst van dat vergelijkend onderzoek, ten tweede, het besluit van die jury tot afwijzing van verzoeksters verzoek tot herziening van het oorspronkelijke besluit, ten derde, het besluit van de Commissie van 20 augustus 2019 tot afwijzing van haar klacht, ten vierde, aankondiging van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/363/18 van 11 oktober 2018, georganiseerd met het oog op de vorming van twee reservelijsten waaruit de Commissie kan putten voor de aanwerving van administrateurs (AD 7) op de gebieden douane en belastingen en, ten vijfde, de reservelijst van dat vergelijkend onderzoek, en 2) vergoeding van de schade die verzoekster zou hebben geleden

Dictum

1)

Het na heronderzoek genomen besluit van de jury van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AD/363/18 van 27 februari 2020 om de naam van VI niet op te nemen op de reservelijst van dat vergelijkend onderzoek wordt nietig verklaard.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 128 van 12.4.2021.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/33


Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — Colombani/EDEO

(Zaak T-129/21) (1)

(“Openbare dienst - Ambtenaren - Personeel van EDEO - Ambt van hoofd van de delegatie van de Unie in Canada - Ambt van directeur Noord-Afrika en Midden-Oosten - Afwijzing van de sollicitatie”)

(2022/C 340/44)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Jean-Marc Colombani (Oudergem, België) (vertegenwoordiger: N. de Montigny, advocaat)

Verwerende partij: Europese Dienst voor extern optreden (vertegenwoordigers: S. Marquardt en R. Spáč, gemachtigden, bijgestaan door M. Troncoso Ferrer en F.-M. Hislaire, advocaten)

Voorwerp

Beroep krachtens artikel 270 VWEU tot nietigverklaring van het besluit van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 17 april 2020 tot afwijzing van verzoekers sollicitatie naar het ambt van directeur Noord-Afrika en Midden-Oosten (kennisgeving van vacature 2020/48) en van het besluit van EDEO van 6 juli 2020 tot afwijzing van zijn sollicitatie naar het ambt van hoofd van de delegatie van de Europese Unie in Canada (kennisgeving van vacature 2020/134)

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Jean-Marc Colombani wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 182 van 10.5.2021.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/33


Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — Zdút/EUIPO — Nehera e.a. (nehera)

(Zaak T-250/21) (1)

(“Uniemerk - Nietigheidsprocedure - Uniebeeldmerk NEHERA - Absolute nietigheidsgrond - Geen kwade trouw - Artikel 52, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 59, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001]”)

(2022/C 340/45)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Ladislav Zdút (Bratislava, Slowakije) (vertegenwoordiger: Y. Echevarría García, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: D. Gája, gemachtigde)

Andere partijen in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: Isabel Nehera (Sutton, Ontario, Canada), Jean-Henri Nehera (Burnaby, British Columbia, Canada), Natacha Sehnal (Montferrier-sur-Lez, Frankrijk) (vertegenwoordiger: W. Woll, advocaat)

Voorwerp

Met zijn beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoeker vernietiging van de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 10 maart 2021 (zaak R 1216/2020-2).

Dictum

1)

De beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 10 maart 2021 (zaak R 1216/2020-2) wordt vernietigd.

2)

Het EUIPO wordt verwezen in zijn eigen kosten, alsmede in de kosten van Ladislav Zdút, daaronder begrepen de kosten die noodzakelijkerwijs zijn gemaakt in verband met de beroepsprocedure voor de kamer van beroep van het EUIPO.

3)

Isabel Nehera, Jean-Henri Nehera en Natacha Sehnal dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 278 van 12.7.2021.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/34


Arrest van het Gerecht van 13 juli 2022 — Tigercat International/EUIPO — Caterpillar (Tigercat)

(Zaak T-251/21) (1)

(“Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniewoordmerk Tigercat - Ouder Uniebeeldmerk CAT - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001]”)

(2022/C 340/46)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Tigercat International Inc. (Cambridge, Ontario, Canada) (vertegenwoordigers: B. Führmeyer en E. Matthes, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: P. Georgieva, D. Gája en V. Ruzek, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: Caterpillar Inc. (Peoria, Illinois, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: A. Renck en S. Petivlasova, advocaten)

Voorwerp

Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster vernietiging en wijziging van de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 25 februari 2021 (zaak R 16/2020-2) inzake een oppositieprocedure tussen interveniënte en verzoekster.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Tigercat International Inc. wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 263 van 5.7.2021.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/35


Arrest van het Gerecht van 13 juli 2022 — Pejovič/EUIPO — ETA živilska industrija (TALIS)

(Zaak T-283/21) (1)

(“Uniemerk - Nietigheidsprocedure - Uniewoordmerk TALIS - Absolute nietigheidsgrond - Kwade trouw - Artikel 52, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 59, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001]”)

(2022/C 340/47)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Edvin Pejovič (Pobegi, Slovenië) (vertegenwoordiger: U. Pogačnik, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: J. Ivanauskas, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: ETA živilska industrija d.o.o. (Kamnik, Slovenië) (vertegenwoordiger: J. Sibinčič, advocaat)

Voorwerp

Met zijn beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert de verzoekende partij vernietiging en herziening van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 23 maart 2021 (zaak R 888/2020-4).

Dictum

1)

De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 23 maart 2021 (zaak R 888/2020-4) wordt vernietigd.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

Het EUIPO draagt zijn eigen kosten alsook de kosten die Edvin Pejovič heeft gemaakt in de onderhavige procedure en de procedure voor de kamer van beroep.

4)

ETA živilska industrija d.o.o. draagt haar eigen kosten.


(1)  PB C 278 van 12.7.2021.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/35


Arrest van het Gerecht van 13 juli 2022 — Pejovič/EUIPO — ETA živilska industrija (RENČKI HRAM)

(Zaak T-284/21) (1)

(“Uniemerk - Nietigheidsprocedure - Uniebeeldmerk RENČKI HRAM - Absolute nietigheidsgrond - Kwade trouw - Artikel 52, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 59, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001]”)

(2022/C 340/48)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Edvin Pejovič (Pobegi, Slovenië) (vertegenwoordiger: U. Pogačnik, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: J. Ivanauskas, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: ETA živilska industrija d.o.o. (Kamnik, Slovenië) (vertegenwoordiger: J. Sibinčič, advocaat)

Voorwerp

Met zijn beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert de verzoekende partij vernietiging en herziening van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 23 maart 2021 (zaak R 1050/2020-4).

Dictum

1)

De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 23 maart 2021 (zaak R 1050/2020-4) wordt vernietigd.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

Het EUIPO draagt zijn eigen kosten alsook de kosten die Edvin Pejovič heeft gemaakt in de onderhavige procedure en de procedure voor de kamer van beroep.

4)

ETA živilska industrija d.o.o. draagt haar eigen kosten.


(1)  PB C 278 van 12.7.2021.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/36


Arrest van het Gerecht van 13 juli 2022 — Pejovič/EUIPO — ETA živilska industrija (RENŠKI HRAM)

(Zaak T-286/21) (1)

(“Uniemerk - Nietigheidsprocedure - Uniewoordmerk RENŠKI HRAM - Absolute nietigheidsgrond - Kwade trouw - Artikel 52, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 59, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001]”)

(2022/C 340/49)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Edvin Pejovič (Pobegi, Slovenië) (vertegenwoordiger: U. Pogačnik, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) (vertegenwoordiger: J. Ivanauskas, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: ETA živilska industrija d.o.o. (Kamnik, Slovenië) (vertegenwoordiger: J. Sibinčič, advocaat)

Voorwerp

Met zijn beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert de verzoekende partij vernietiging en herziening van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 23 maart 2021 (zaak R 679/2020-4).

Dictum

1)

De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 23 maart 2021 (zaak R 679/2020-4) wordt vernietigd.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

Het EUIPO draagt zijn eigen kosten alsook de kosten die Edvin Pejovič heeft gemaakt in de onderhavige procedure en de procedure voor de kamer van beroep.

4)

ETA živilska industrija d.o.o. draagt haar eigen kosten.


(1)  PB C 278 van 12.7.2021.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/37


Arrest van het Gerecht van 13 juli 2022 — Pejovič / EUIPO — ETA živilska industrija (SALATINA)

(Zaak T-287/21) (1)

(“Uniemerk - Nietigheidsprocedure - Uniewoordmerk SALATINA - Absolute nietigheidsgrond - Kwade trouw - Artikel 52, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 59, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001]”)

(2022/C 340/50)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Edvin Pejovič (Pobegi, Slovenië) (vertegenwoordiger: U. Pogačnik, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: J. Ivanauskas, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: ETA živilska industrija d.o.o. (Kamnik, Slovenië) (vertegenwoordiger: J. Sibinčič, advoocaat)

Voorwerp

Met zijn beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert de verzoekende partij vernietiging en herziening van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 23 maart 2021 (zaak R 889/2020-4).

Dictum

1)

De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 23 maart 2021 (zaak R 889/2020-4) wordt vernietigd.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

Het EUIPO draagt zijn eigen kosten alsook de kosten die Edvin Pejovič heeft gemaakt in de onderhavige procedure en de procedure voor de kamer van beroep.

4)

ETA živilska industrija d.o.o. draagt haar eigen kosten.


(1)  PB C 278 van 12.7.2021.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/37


Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — ALO jewelry CZ/EUIPO — Cartier International (ALOve)

(Zaak T-288/21) (1)

(“Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniebeeldmerk ALOve - Ouder internationaal beeldmerk LOVe - Relatieve weigeringsgrond - Ongerechtvaardigd voordeel uit het onderscheidend vermogen of de reputatie van het oudere merk - Artikel 8, lid 5, van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 5, van verordening (EU) 2017/1001]”)

(2022/C 340/51)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: ALO jewelry CZ s. r. o. (Praag, Tsjechië) (vertegenwoordiger: K. Čermák, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: M. Capostagno, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: Cartier International AG (Steinhausen, Zwitserland) (vertegenwoordiger: A. Zalewska, advocaat)

Voorwerp

Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU verzoekt verzoekster om de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 18 maart 2021 (zaak R 2679/2019-5) te vernietigen.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

ALO jewelry CZ s. r. o wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 278 van 12.7.2021.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/38


Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — HB/Commissie

(Zaak T-408/21) (1)

(“Overheidsopdrachten voor diensten - Diensten op het gebied van technische ondersteuning voor de Hoge Raad voor Justitie en de Oekraïense autoriteiten - Onregelmatigheden in de aanbestedingsprocedure - Terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen - Besluiten die executoriale titels vormen - Artikel 299 VWEU - Bevoegdheid van degene die de handeling heeft vastgesteld - Niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie”)

(2022/C 340/52)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: HB (vertegenwoordiger: L. Levi, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: B. Araujo Arce, J. Estrada de Solà en J. Baquero Cruz, gemachtigden)

Voorwerp

Met het beroep vordert verzoekster, ten eerste, op basis van artikel 263 VWEU, nietigverklaring van besluit C(2021) 3339 final van de Commissie van 5 mei 2021 betreffende de invordering van een schuldvordering van 4 241 507,00 EUR jegens haar in het kader van de overeenkomst met referentienummer TACIS/2006/101-510 en van besluit C(2021) 3340 final van de Commissie van 5 mei 2021 betreffende de invordering van een schuldvordering van 1 197 055,86 EUR jegens haar in het kader van de overeenkomst met referentienummer CARDS/2008/166-429, en, ten tweede, op basis van artikel 268 VWEU, terugbetaling van alle bedragen die de Europese Commissie eventueel op basis van die besluiten heeft ingevorderd, vermeerderd met vertragingsrente tegen de door de Europese Centrale Bank toegepaste rentevoet vermeerderd met 7 punten, alsmede betaling van een symbolisch bedrag van één euro als schadevergoeding, onder voorbehoud van wijziging, voor de immateriële schade die zij stelt te hebben geleden.

Dictum

1)

Besluit C(2021) 3339 final van de Commissie van 5 mei 2021 betreffende de invordering van een schuldvordering van 4 241 507,00 EUR jegens HB, en besluit C(2021) 3340 final van de Commissie van 5 mei 2021 betreffende de invordering van een schuldvordering van 1 197 055,86 EUR jegens HB, worden nietig verklaard.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

HB en de Europese Commissie dragen elk hun eigen kosten, daaronder begrepen de kosten van de procedure in kort geding.


(1)  PB C 338 van 23.8.2021.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/39


Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — Les Éditions P. Amaury/EUIPO — Golden Balls (BALLON D’OR)

(Zaak T-478/21) (1)

(“Uniemerk - Vervallenverklaringsprocedure - Uniewoordmerk BALLON D’OR - Normaal gebruik van het merk - Gedeeltelijke vervallenverklaring - Artikel 51, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 58, lid 1, onder a), van verordening (EU) 2017/1001] - Bewijs van het normale gebruik - Beoordeling van de bewijzen - Kwalificatie van de diensten”)

(2022/C 340/53)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Les Éditions P. Amaury (Boulogne-Billancourt, Frankrijk) (vertegenwoordigers: T. de Haan en M. Laborde, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Chylińska en J. Crespo Carrillo, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: Golden Balls Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: M. Hawkins, solicitor, T. Dolde en V. Pati, advocaten)

Voorwerp

Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU verzoekt verzoekster om de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 7 juni 2021 (zaak R 1073/2020-4) te vernietigen.

Dictum

1)

De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 7 juni 2021 (zaak R 1073/2020-4) wordt vernietigd voor zover daarbij is bevestigd de beslissing van de nietigheidsafdeling houdende vervallenverklaring van het merk met betrekking tot “ontspanning”, “ontspanning via televisie” en “organisatie van wedstrijden (ontspanning)” van klasse 41 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

Elke partij zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 382 van 20.9.2021.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/39


Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — YF/EFCA

(Zaak T-664/21) (1)

(„Openbare dienst - Tijdelijke functionarissen - Overeenkomst voor onbepaalde tijd - Beëindiging van de overeenkomst - Onvoldoende geschiktheid voor het ambt - Kennelijke beoordelingsfout - Beginsel van behoorlijk bestuur)

(2022/C 340/54)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: YF (vertegenwoordiger: M. Casado García-Hirschfeld, advocaat)

Verwerende partij: Europees Bureau voor visserijcontrole (vertegenwoordigers: S. Steele, gemachtigde, bijgestaan door B. Wägenbaur, advocaat)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 270 VWEU tot nietigverklaring van het besluit van het Europees Bureau voor visserijcontrole (EFCA) van 18 februari 2021 tot beëindiging van verzoekers overeenkomst voor onbepaalde tijd

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

YF wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 502 van 13.12.2021.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/40


Arrest van het Gerecht van 27 juli 2022 — RT France/Raad

(Zaak T-125/22) (1)

(“Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren - Tijdelijk uitzendverbod en schorsing van vergunningen om de inhoud van bepaalde media uit te zenden - Opneming op de lijst van entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn - Bevoegdheid van de Raad - Rechten van verdediging - Recht om te worden gehoord - Vrijheid van meningsuiting en van informatie - Evenredigheid - Vrijheid van ondernemerschap - Beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit”)

(2022/C 340/55)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: RT France (Boulogne-Billancourt, Frankrijk) (vertegenwoordigers: E. Piwnica en M. Nguyen Chanh, advocaten)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: S. Lejeune, R. Meyer en S. Emmerechts, gemachtigden)

Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Koninkrijk België (vertegenwoordigers: C. Pochet, M. Van Regemorter en L. Van den Broeck, gemachtigden), Republiek Estland (vertegenwoordigers: N. Grünberg en M. Kriisa, gemachtigden), Franse Republiek (vertegenwoordigers: A.-L. Desjonquères, J.-L. Carré, W. Zemamta en T. Stéhelin, gemachtigden), Republiek Letland (vertegenwoordigers: K. Pommere, J. Davidoviča, I. Hūna, D. Ciemiņa en V. Borodiņeca, gemachtigden), Republiek Litouwen (vertegenwoordigers: K. Dieninis en V. Kazlauskaitė-Švenčionienė, gemachtigden), Republiek Polen (vertegenwoordigers: B. Majczyna en A. Miłkowska, gemachtigden), Europese Commissie (vertegenwoordigers: D. Calleja Crespo, V. Di Bucci, J.-F. Brakeland en M. Carpus Carcea, gemachtigden), Hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (vertegenwoordigers: F. Hoffmeister, L. Havas en M. A. De Almeida Veiga, gemachtigden)

Voorwerp

Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster nietigverklaring van besluit (GBVB) 2022/351 van de Raad van 1 maart 2022 tot wijziging van besluit 2014/512/GBVB betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB 2022, L 65, blz. 5) en verordening (EU) 2022/350 van de Raad van 1 maart 2022 tot wijziging van verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB 2022, L 65, blz. 1), voor zover die handelingen verzoekster betreffen.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

RT France zal haar eigen kosten dragen alsmede die van de Raad van de Europese Unie, daaronder begrepen die welke op het kort geding zijn gevallen.

3)

Het Koninkrijk België, de Republiek Estland, de Franse Republiek, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Polen, de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid zullen hun eigen kosten dragen.


(1)  PB C 148 van 4.4.2022.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/41


Beschikking van het Gerecht van 6 juli 2022 — JP / Commissie

(Zaak T-638/20) (1)

(“Beroep tot nietigverklaring en tot schadevergoeding - Openbare dienst - Algemeen vergelijkend onderzoek - Aankondiging van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/363/18 voor de werving van administrateurs op het gebied van belastingen (AD 7) - Niet op de reservelijst geplaatst - Aanhangigheid - Kennelijke niet-ontvankelijkheid”)

(2022/C 340/56)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: JP (vertegenwoordigers: S. Rodrigues en A. Champetier, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: D. Milanowska en T. Lilamand, gemachtigden)

Voorwerp

Met haar beroep op grond van artikel 270 VWEU vordert verzoekster, ten eerste, nietigverklaring van het besluit van 10 december 2019 waarbij de jury van het vergelijkend onderzoek EPSO/AD/363/18 na heronderzoek heeft geweigerd haar naam op de lijst van geslaagden van dat vergelijkend onderzoek te plaatsen en, ten tweede, schadevergoeding die zij wegens dat besluit heeft geleden.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

JP wordt in de kosten verwezen.


(1)  PB C 433 van 14.12.2020.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/41


Beschikking van het Gerecht van 14 juli 2022 — IN.PRO.DI / EUIPO — Aiello (CAPRI)

(Zaak T-203/21) (1)

(“Uniemerk - Herroeping van de bestreden beslissing - Geding zonder voorwerp geraakt - Afdoening zonder beslissing”)

(2022/C 340/57)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: IN.PRO.DI — Inghirami produzione distribuzione SpA (Milaan, Italië) (vertegenwoordiger: V. Piccarreta, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: M. Capostagno, gemachtigde)

Andere partij(en) in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: Antonino Aiello (Napels, Italië) (vertegenwoordiger: L. Manna, advocaat)

Voorwerp

Met haar beroep op grond van 263 VWEU vordert verzoekster vernietiging van de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 3 februari 2021 (zaak R 49/2020-1).

Dictum

1)

Op het beroep hoeft niet meer te worden beslist.

2)

Het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) wordt in de kosten verwezen.


(1)  PB C 217 van 7.6.2021.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/42


Beschikking van het Gerecht van 12 juli 2022 — LW / Commissie

(Zaak T-728/21) (1)

(“Openbare dienst - Verzoeker die geen gehoor meer geeft aan de uitnodigingen van het Gerecht - Afdoening zonder beslissing”)

(2022/C 340/58)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: LW (vertegenwoordigers: L. Levi en N. Flandin, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Hohenecker en T. Lilamand, gemachtigden)

Voorwerp

Met haar beroep op grond van artikel 270 VWEU vordert verzoekster, ten eerste, nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie van 8 januari 2021 waarbij haar binnen dezelfde eenheid een andere functie is toegewezen en, voor zover nodig, van het besluit van de Commissie van 29 juli 2021 waarbij de krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie ingediende klacht tegen dat besluit is afgewezen en, ten tweede, schadevergoeding voor de immateriële schade die zij naar aanleiding van deze besluiten heeft geleden.

Dictum

1)

Op het onderhavige beroep hoeft niet meer te worden beslist.

2)

LW wordt in haar eigen kosten en in die van de Europese Commissie verwezen.


(1)  PB C 11 van 10.1.2022.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/42


Beschikking van het Gerecht van 6 juli 2022 — ClientEarth / Europese Commissie

(Zaak T-792/21) (1)

(“Toegang tot documenten - Verordening (EG) nr. 1049/2001 - Verdrag van Aarhus - Verordening (EG) nr. 1367/2006 - Effectenbeoordelingsrapport en andere documenten betreffende een wetgevend initiatief op milieugebied - Stilzwijgende weigering van toegang - Uitdrukkelijk besluit dat wordt genomen nadat beroep is ingesteld - Afdoening zonder beslissing”)

(2022/C 340/59)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: ClientEarth ASBL (Brussel, België) (vertegenwoordiger: F. Logue, solicitor)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: C. Ehrbar en A. Spina, gemachtigden)

Voorwerp

Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vraagt verzoekster nietigverklaring van het impliciete besluit van de Europese Commissie van 12 oktober 2021 tot afwijzing van het confirmatieve verzoek om toegang tot verschillende documenten betreffende het wetgevende initiatief van de Europese Unie inzake duurzame corporate governance.

Dictum

1)

Op het beroep hoeft geen uitspraak meer te worden gedaan.

2)

De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 84 van 21.2.2022.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/43


Beschikking van het Gerecht van 6 juli 2022 — Perez Lopes Pargana Calado / Hof van Justitie van de Europese Unie

(Zaak T-31/22) (1)

(“Overheidsopdrachten voor dienstverlening - Intrekking van de bestreden besluiten - Afdoening zonder beslissing”)

(2022/C 340/60)

Procestaal: Portugees

Partijen

Verzoekende partij: Ana Teresa Perez Lopes Pargana Calado (Lissabon, Portugal) (vertegenwoordiger: M. Marques Matias, advocaat)

Verwerende partij: Hof van Justitie van de Europese Unie (vertegenwoordigers: J. Inghelram en Á. Almendros Manzano, gemachtigden)

Voorwerp

Met haar beroep dat in wezen is gesteund op artikel 263 VWEU, vraagt verzoekster nietigverklaring van de besluiten van het Hof van Justitie van de Europese Unie tot afwijzing van haar verzoeken tot deelneming aan de overheidsopdracht voor de vertaling van juridische teksten uit een aantal officiële talen van de Europese Unie naar het Portugees.

Dictum

1)

Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist.

2)

Het Hof zal zijn eigen kosten dragen alsmede die van Ana Teresa Perez Lopes Pargana Calado.


(1)  PB C 158 van 11.4.2022


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/43


Beschikking van de president van het Gerecht van 14 juli 2022 — Telefónica de España / Commissie

(Zaak T-170/22 R)

(“Kortgeding - Overheidsopdrachten voor dienstverlening - Beveiligde trans-Europese diensten voor telematica tussen overheidsdiensten (TESTA) - Verzoek om voorlopige maatregelen - Geen spoedeisendheid”)

(2022/C 340/61)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Telefónica de España, SA (Madrid, Spanje) (vertegenwoordigers: F. González Díaz, J. Blanco Carol, advocaten, en P. Stuart, barrister)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. André en M. Ilkova, gemachtigden)

Voorwerp

Met haar verzoek krachtens de artikelen 278 en 279 VWEU vraagt verzoekster, ten eerste, opschorting van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Europese Commissie van 21 januari 2022 betreffende aanbesteding DIGIT/A 3/PR/2019/010 “Beveiligde trans-Europese diensten voor telematica tussen overheidsdiensten (TESTA)”, waarbij verzoekster werd gemeld dat haar offerte niet in aanmerking kwam in de procedure voor toewijzing van de overheidsopdracht en dat de overeenkomst met de gekozen inschrijver spoedig zou worden ondertekend en, ten tweede, de Commissie te gelasten de ondertekening van deze overeenkomst op te schorten.

Dictum

1)

Het verzoek in kortgeding wordt afgewezen.

2)

De beschikking van 1 april 2022, Telefónica de España/Commissie (T-170/22 R), wordt ingetrokken.

3)

Op het verzoek tot interventie van de vennootschap BT Global Services Belgium BV behoeft niet meer te worden beslist.

4)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden, met uitzondering van de kosten die zijn gemaakt door de vennootschap BT Global Services Belgium BV, die de kosten in verband met het verzoek tot interventie zal dragen.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/44


Beroep ingesteld op 3 juni 2022 — Stöttingfjällets Miljöskyddsförening/Commissie

(Zaak T-345/22)

(2022/C 340/62)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Stöttingfjällets Miljöskyddsförening (Lycksele, Zweden) (vertegenwoordiger: G. Byrne, Barrister-at-Law)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het besluit van de Commissie waarbij verzoeksters verzoek om interne herziening van 15 december 2021 niet-ontvankelijk is verklaard, waarvan verzoekster in kennis is gesteld bij brief van 1 april 2022, nietig verklaren op grond dat het in strijd is met de Verdragen;

daarnaast, of subsidiair, vaststellen dat de Commissie onrechtmatig heeft nagelaten een besluit te nemen overeenkomstig artikel 265 VWEU na daartoe te zijn opgeroepen in verzoeksters brief van 15 december 2021 en/of heeft nagelaten een standpunt in te nemen over de daarin vervatte klacht van verzoekster;

vaststellen dat, gelet op het feit dat het Zweedse nationaal energie- en klimaatontwerpplan van januari 2020 (hierna: “Zweedse NECP”) niet voldoet aan het Verdrag van Aarhus, dit plan op onrechtmatige wijze is beoordeeld en/of vastgesteld en/of gepubliceerd door de Commissie en derhalve in strijd is met Unierecht en internationaal recht en/of onrechtmatig is;

vaststellen dat, gelet op de voortdurende ernstige schendingen van het milieurecht, de Commissie niet heeft voldaan aan haar positieve verplichtingen uit hoofde van Unierecht en internationaal recht om de noodzakelijke en passende maatregelen te nemen teneinde het feit dat het Zweedse NECP niet voldoet aan het Verdrag van Aarhus aan te pakken en/of te verhelpen;

vaststellen dat verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad (1) geen uitvoering geeft aan de bepalingen van het Verdrag van Aarhus, waaronder artikel 7 daarvan, en dus niet voldoet aan het Unierechtelijke en internationale milieurecht, en dientengevolge onrechtmatig is;

met betrekking tot het feit dat de NECP’s, en in het bijzonder het Zweedse NECP, niet voldoen aan het Verdrag van Aarhus, vaststellen dat het verzuim van de Commissie om te voldoen aan haar verlichtingen uit hoofde van verordening (EU) 2018/1999 neerkomt op schending van die verordening, een inbreuk op het Verdrag van Aarhus en, bovendien, schending van de positieve verplichtingen van de Commissie uit hoofde van de Verdragen;

de Commissie verwijzen in de kosten van verzoekster.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van het beroep voert verzoekster vier middelen aan.

1.

Het bij brief van 1 april 2022 aan verzoekster meegedeelde besluit van de Commissie moet nietig worden verklaard. Verzoekster heeft de Commissie bij brief van 15 december 2021 een verzoek gestuurd. In reactie op die brief heeft de Commissie dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekster betoogt dat dit besluit van de Commissie fundamentele gebreken vertoont, neerkomt op een inbreuk op het Unierechtelijke en internationale milieurecht en schending van de Verdragen vormt. De Commissie heeft zich niet gehouden aan haar positieve verplichtingen uit hoofde van de Verdragen en het internationale recht, waaronder de artikelen 3, 6 en 7 van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (Verdrag van Aarhus). Verder voert verzoekster aan dat het bestreden besluit van de Commissie in strijd is met afgeleid Unierecht, waaronder de artikelen 9 en 10 van verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad (2). Het besluit van de Commissie maakt inbreuk op verzoeksters recht op toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden uit hoofde van het Verdrag van Aarhus en verordening nr. 1367/2006. Daarnaast vormt de administratieve handeling van de Commissie in de zin van verordening nr. 1367/2006 een schending van de Verdragen.

2.

Voorts, of subsidiair, heeft de Commissie nagelaten een besluit te nemen, in de zin van artikel 265 VWEU, over de door haar beoordeelde, vastgestelde en gepubliceerde NECP’s, waaronder in het bijzonder het omstreden Zweedse NECP. Door geen besluit te nemen naar aanleiding van het verzoek tot interne herziening dat verzoekster overeenkomstig artikel 265 VWEU had ingediend, heeft de Commissie zich niet gehouden aan haar positieve verplichtingen uit hoofde van de Verdragen, waaronder in het bijzonder die van artikel 3 VEU en artikel 191 VWEU. Deze inbreuk geeft tevens blijk van een kennelijke schending van het internationale en Unierechtelijke gewoonte- en verdragsrecht, waaronder de artikelen 3, 6 en 7 van het Verdrag van Aarhus, de artikelen 9 en 10 van verordening nr. 1367/2006 en het op 21 oktober 2021 vastgestelde besluit VII/8f van de vergadering van de partijen bij het Verdrag van Aarhus betreffende de naleving door de Europese Unie van haar verplichtingen uit hoofde van het Verdrag (zoals gewijzigd).

3.

Het verzuim van de Commissie om te waarborgen dat het Zweedse NECP volledig voldoet aan het Verdrag van Aarhus brengt met zich mee dat dit NECP is beoordeeld, vastgesteld, en gepubliceerd op een wijze die kennelijk in strijd is met het Unierecht en met internationaal recht en derhalve onrechtmatig is, hetgeen gedurende alle relevante periodes het geval is geweest. In dit verband voert verzoekster ten aanzien van dat NECP een exceptie van onwettigheid aan krachtens artikel 277 VWEU.

4.

Verordening (EU) 2018/1999 geeft geen uitvoering aan de bepalingen van het Verdrag van Aarhus, waaronder artikel 7 daarvan, en voldoet dus niet aan het Unierechtelijke en internationale milieurecht. Daarom betoogt verzoekster dat verordening (EU) 2018/1999 in strijd is met de Verdragen en onrechtmatig moet worden verklaard.


(1)  Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van richtlijn 94/22/EG, richtlijn 98/70/EG, richtlijn 2009/31/EG, verordening (EG) nr. 663/2009, verordening (EG) nr. 715/2009, richtlijn 2009/73/EG, richtlijn 2009/119/EG van de Raad, richtlijn 2010/31/EU, richtlijn 2012/27/EU, richtlijn 2013/30/EU en richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van verordening (EU) nr. 525/2013 (PB 2018, L 328, blz. 1).

(2)  Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (PB 2006, L 264, blz. 13).


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/45


Beroep ingesteld op 30 juni 2022 — Good Services /EUIPO — ITV Studios Global Distribution (EL ROSCO)

(Zaak T-381/22)

(2022/C 340/63)

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Good Services ltd. (Sliema, Malta) (vertegenwoordiger: L. Alonso Domingo, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: ITV Studios Global Distribution Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken merk: verzoekende partij in de procedure voor het Gerecht

Betrokken merk: woordmerk EL ROSCO — Uniemerk nr. 17 907 312

Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 20 april 2022 in zaak R 959/2021-1

Conclusies

de bestreden beslissing vernietigen en de inschrijving van Uniemerk nr. 17 907 312 bevestigen voor alle waren en diensten waarop de verleende inschrijving betrekking had of, subsidiair, de zaak terugverwijzen naar de kamer van beroep van het EUIPO voor verdere behandeling zoals aangegeven door het Gerecht;

de verwerende partij verwijzen in de kosten van deze procedure en in die van de eerdere procedures voor het EUIPO.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 59, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad;

schending van de rechtspraak waarin uitlegging wordt gegeven aan dat artikel en het begrip kwade trouw en is aangegeven op welk moment de kwade trouw moet worden beoordeeld.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/46


Beroep ingesteld op 30 juni 2022 — Good Services EUIPO — ITV Studios Global Distribution (EL ROSCO)

(Zaak T-382/22)

(2022/C 340/64)

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Good Services ltd (Sliema, Malta) (vertegenwoordiger: L. Alonso Domingo, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: ITV Studios Global Distribution Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken merk: verzoekende partij in de procedure voor het Gerecht

Betrokken merk: woordmerk EL ROSCO — Uniemerk nr. 13 265 021

Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 20 april 2022 in zaak R 957/2021-1

Conclusies

de bestreden beslissing vernietigen en de inschrijving van Uniemerk nr. 13 265 021 bevestigen voor alle waren en diensten waarop de verleende inschrijving betrekking had of, subsidiair, de zaak terugverwijzen naar de kamer van beroep van het EUIPO voor verdere behandeling zoals aangegeven door het Gerecht;

de verwerende partij verwijzen in de kosten van deze procedure en in die van de eerdere procedures voor het EUIPO.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 59, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad.

schending van de rechtspraak waarin uitlegging wordt gegeven aan dat artikel en het begrip kwade trouw en is aangegeven op welk moment de kwade trouw moet worden beoordeeld.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/47


Beroep ingesteld op 30 juni 2022 — Good Services/EUIPO — ITV Studios Global Distribution (EL ROSCO)

(Zaak T-383/22)

(2022/C 340/65)

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Good Services ltd (Sliema, Malta) (vertegenwoordiger: L. Alonso Domingo, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: ITV Studios Global Distribution Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken merk: verzoekende partij in de procedure voor het Gerecht

Betrokken merk: beeldmerk EL ROSCO — Uniemerk nr. 13 265 483

Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 20 april 2022 in zaak R 958/2021-1

Conclusies

de bestreden beslissing vernietigen en de inschrijving van Uniemerk nr. 13 265 483 bevestigen voor alle waren en diensten waarop de verleende inschrijving betrekking had of, subsidiair, de zaak terugverwijzen naar de kamer van beroep van het EUIPO voor verdere behandeling zoals aangegeven door het Gerecht;

de verwerende partij verwijzen in de kosten van deze procedure en in die van de eerdere procedures voor het EUIPO.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 59, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad;

schending van de rechtspraak waarin uitlegging wordt gegeven aan dat artikel en het begrip kwade trouw en is aangegeven op welk moment de kwade trouw moet worden beoordeeld.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/48


Beroep ingesteld op 1 juli 2022 — Productos Ibéricos Calderón y Ramos / EUIPO — Hijos de Rivera (ESTRELLA DE CASTILLA)

(Zaak T-384/22)

(2022/C 340/66)

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Productos Ibéricos Calderón y Ramos, SL (Salamanca, Spanje) (vertegenwoordiger: J. C. Erdozain López, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Hijos de Rivera, SA (La Coruña, Spanje)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij in de procedure voor het Gerecht

Betrokken merk: aanvraag voor Uniebeeldmerk ESTRELLA DE CASTILLA — inschrijvingsaanvraag nr. 17 992 941

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 13 april 2022 in zaak R 1576/2021-4

Conclusies

de bestreden beslissing vernietigen;

het EUIPO en — indien zij verschijnt en opkomt tegen het onderhavige beroep — interveniënte verwijzen in de kosten.

Aangevoerd middel

Schending van artikel 8, lid 5, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/48


Beroep ingesteld op 24 juni 2022 — Carmeuse Holding/Commissie

(Zaak T-385/22)

(2022/C 340/67)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Carmeuse Holding SRL (Brașov, Roemenië) (vertegenwoordigers: S. Olaru, R. Ionescu en R. Savin, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het beroep ontvankelijk en gegrond verklaren;

besluit 2022/C 160/09 van de Commissie van 14 februari 2022 houdende opdracht aan de centrale administrateur van het transactielogboek van de Europese Unie om wijzigingen van de nationale toewijzingstabellen van België, Bulgarije, Tsjechië, Denemarken, Duitsland, Estland, Ierland, Spanje, Frankrijk, Italië, Litouwen, Hongarije, Roemenië, Slovenië, Finland en Zweden in te voeren in het transactielogboek van de Europese Unie (1) nietig verklaren voor zover daarin een verkeerd aantal kosteloze emissierechten is vastgesteld voor verzoeksters installaties Valea Mare Pravat en Fieni voor de jaren 2021-2025, door deze te verminderen tot:

5 355 kosteloze emissierechten voor Carmeuse Holding SRL — Valea Mare Pravat installatie, te Valea Mare Pravat, județ Argeș, Roemenië, ID 55 in het EU-register voor elk van de jaren 2021-2025;

4 569 kosteloze emissierechten voor Carmeuse Holding SRL — Fieni installatie, te Fieni, Garri straat nr. 2, județ Dambovita, Roemenië, ID 56 in het EU-register voor elk van de jaren 2021-2025;

verweerster verwijzen in verzoeksters kosten van deze procedure;

elke andere maatregel gelasten die rechtens noodzakelijk is.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van het beroep voert verzoekster drie middelen aan.

1.

Het bestreden besluit bevat een onjuiste berekening van het aantal aan de installaties van Carmeuse toe te wijzen kosteloze emissierechten.

2.

De Commissie heeft bij het vaststellen van het bestreden besluit verscheidene fundamentele Unierechtelijke grondbeginselen geschonden, te weten het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van gewettigd vertrouwen, alsmede het recht van Carmeuse op goed bestuur en haar recht van verdediging, hetgeen ertoe heeft geleid dat de installaties van Carmeuse minder kosteloze emissierechten toegewezen hebben gekregen.

3.

Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd met betrekking tot het aantal aan de installaties van Carmeuse toegewezen kosteloze emissierechten, aangezien het niet het besluitvormingsproces detailleert, noch preciseert om welke redenen de argumenten van Carmeuse zijn afgewezen, en evenmin ingaat op de voornaamste redenen waarom de aldus door de Commissie toegepaste formule voorbijgaat aan bindende wetgeving.


(1)  Besluit van de Commissie van 14 februari 2022 houdende opdracht aan de centrale administrateur van het transactielogboek van de Europese Unie om wijzigingen van de nationale toewijzingstabellen van België, Bulgarije, Tsjechië, Denemarken, Duitsland, Estland, Ierland, Spanje, Frankrijk, Italië, Litouwen, Hongarije, Roemenië, Slovenië, Finland en Zweden in te voeren in het transactielogboek van de Europese Unie 2022/C 160/09- C/2022/968 (PB 2022, C 160, blz. 27).


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/49


Beroep ingesteld op 1 juli 2022 — Fresenius Kabi Austria e.a./Commissie

(Zaak T-416/22)

(2022/C 340/68)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Fresenius Kabi Austria GmbH (Graz, Oostenrijk) en 14 andere verzoeksters (vertegenwoordigers: W. Rehmann en A. Knierim, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

besluit C(2022) 3591 van de Commissie van 24 mei 2022 nietig verklaren voor zover de lidstaten van de Europese Unie daarbij worden gelast de nationale vergunningen voor het in de handel brengen van de in bijlage I bij dit besluit bedoelde geneesmiddelen te schorsen;

de Commissie verwijzen in de proceskosten;

subsidiair, bij wijze van voorzorgsmaatregel, besluit C(2022) 3591 van de Commissie van 24 mei 2022 nietig verklaren voor zover de lidstaten van de Europese Unie daarbij worden gelast de nationale vergunningen voor het in de handel brengen van de in bijlage I bij dit besluit bedoelde geneesmiddelen van verzoekers te schorsen.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters de volgende vier middelen aan.

1.

Er is niet voldaan aan de in artikel 116 van richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad (1) gestelde voorwaarden om de vergunning voor het in de handel brengen van hydroxyethylzetmeel bevattende geneesmiddelen te kunnen schorsen. Bijgevolg kan de Commissie geen besluit vaststellen waarin de lidstaten worden verplicht om in uitvoering van het besluit de respectieve vergunningen voor het in de handel brengen te schorsen.

2.

Het besluit van de Commissie schendt het voorzorgsbeginsel.

3.

De schorsing van de vergunning voor het in de handel brengen van hydroxyethylzetmeel bevattende geneesmiddelen is geschikt noch evenredig als het gaat om het wegnemen van de bezorgdheid omtrent de veiligheid zoals die naar voren is gekomen uit het onderzoek naar geneesmiddeltoepassing. Afwijkend gebruik mag niet leiden tot schorsing van geregistreerd gebruik dat goed gedocumenteerde gunstige effecten heeft, met name wanneer er geen nieuwe ongunstige veiligheidssignalen zijn.

4.

Het besluit spreekt zichzelf tegen en is derhalve ontoereikend gemotiveerd.


(1)  Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB 2001, L 311, blz. 67).


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/50


Beroep ingesteld op 11 juli 2022 — D’Agostino e Dafin / ECB

(Zaak T-424/22)

(2022/C 340/69)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Vincenzo D’Agostino (Napels, Italië), Dafin Srl (Casandrino, Italië) (vertegenwoordigers: M. De Siena, advocaat)

Verwerende partij: Europese Centrale Bank

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

vast te stellen dat de Europese Centrale Bank (ECB), vertegenwoordigd door haar president, Christine Lagarde, niet-contractueel aansprakelijk is:

a)

omdat de ECB een waardevermindering heeft veroorzaakt van de financiële effecten die eigendom zijn van Vincenzo D’Agostino en bekend zijn onder de naam SI FTSE.COPERP, waardoor D’Agostino een verlies heeft geboekt ten belope van de totale waarde van het geïnvesteerde kapitaal, gelijk aan 450 596,28 EUR, aangezien Christine Lagarde op 12 maart 2020, in haar hoedanigheid van president van de ECB, door het uitspreken van de beroemde zin “Wij zijn hier niet om de spreads te verminderen, dat is niet de taak van de ECB”, een aanzienlijke daling had veroorzaakt van de waarde van effecten op alle beurzen in de wereld en met 16,92 % op de beurs van Milaan, gekwantificeerd in een percentage dat nooit eerder in de geschiedenis van die instelling is voorgekomen, en van de andere beurzen in de wereld, door in een persconferentie aan de hele wereld mee te delen dat de ECB niet langer de waarde zou ondersteunen van effecten die zijn uitgegeven door landen die in moeilijkheden verkeren, en aldus mee te delen dat het monetaire beleid dat de ECB heeft gevoerd toen zij werd voorgezeten door Mario Draghi, die in november 2019 zijn mandaat had beëindigd, volledig zou worden gewijzigd;

b)

omdat zij door dit gedrag, en als gevolg van de bovenvermelde duizelingwekkende daling van de beursindex van Milaan, de waardevermindering van verzoekers vermogen heeft veroorzaakt;

c)

omdat zij, als gevolg van de aanzienlijke en significante vermindering van de waarde van verzoekers activa, waardoor deze, ter compensatie van deze vermindering van activa, in zijn hoedanigheid van borg van de vennootschap Dafin Srl voor de kredietlijn die door de Banca Fideuram SpA aan deze vennootschap was toegekend, verplicht was het opgenomen gedeelte van deze kredietlijn terug te betalen door op korte termijn de nodige fondsen te verwerven via de verkoop van andere effecten die hij bezat, waardoor hij een verlies van 2 534 422,16 EUR heeft geleden in 2020 en nog eens 336 517,30 EUR in de periode van 1 januari 2021 tot 15 april 2021, en derhalve een totaal kapitaalverlies van 2 870 939,30 EUR;

e)

omdat zij vermogensschade door gederfde winst ten bedrage van 1 013 074,00 EUR heeft veroorzaakt;

f)

omdat zij dientengevolge een totaalbedrag van 4 334 609,28 EUR aan vermogensschade heeft veroorzaakt.

de BCE, in de persoon van haar president te veroordelen tot:

vergoeding van de materiële schade, bestaande in de reële schade en de gederfde winst, de immateriële schade en de schade wegens verlies van kans, ten gunste van verzoeker Vincenzo D'Agostino, begroot volgens de criteria die zijn vermeld in de relevante hoofdstukken en punten van dit verzoekschrift, door betaling van de volgende bedragen: 1) 4 334 609,28 EUR als materiële schade; 2) 1 000 000 EUR als immateriële schade; 3) en, derhalve, betaling van het totale bedrag van 5 321 535 EUR;

subsidiair, betaling van de verschillende bedragen die in de loop van het geding zullen worden vastgesteld, voor zover dit billijk wordt geacht, onder meer door middel van een deskundigenonderzoek dat het Gerecht zal gelasten op grond van artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht;

tot betaling van een zodanig nader bedrag als het Hof in billijkheid zal vaststellen en toekennen als schadevergoeding wegens gederfde kans;

Dit alles vermeerderd met vertragingsrente, te berekenen vanaf 12 maart 2020, de datum van de schadeveroorzakende gebeurtenis, tot aan de daadwerkelijke schadeloosstelling.

verweerster verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vier middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan de aansprakelijkheid van de ECB krachtens artikel 340, lid 3, VWEU en artikel 2043 van het Italiaanse burgerlijk wetboek voor de materiële en immateriële schade die verzoeker als natuurlijke persoon en als aandeelhouder van Dafin Srl heeft geleden.

2.

Tweede middel, ontleend aan de beginselen die zijn neergelegd in de rechtspraak van de Unie, met name in de arresten van 28 oktober 2021, Vialto Consulting/Commissie, C-650/19 P, 9 februari 2022, QI e.a./Commissie en ECB, T-868/16, en 21 januari 2014, Klein/Commissie, T-309/10).

De voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van een Europese instelling jegens een burger van de Europese Unie worden uiteengezet en er wordt aangevoerd dat die voorwaarden zijn vervuld.

3.

Derde middel, ontleend aan schending door de ECB van primair en afgeleid Unierecht en misbruik van bevoegdheid door de president.

Er wordt aangevoerd dat de ECB, in de persoon van haar president, op 12 maart 2020 inbreuk heeft gemaakt op artikel 127, VWEU, hoofdstuk 1, getiteld “Monetair beleid”, de artikelen 3, 10, 11, 12, 13 en 38 van de Statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank, alsmede op de artikelen 17.2 en 17.3 van het reglement van orde dat bij het besluit van de ECB van 19 februari 2004 (1) is vastgesteld.

4.

Het vierde middel kwantificeert, motiveert en bewijst de door verzoeker geleden geldelijke schade (werkelijke schade en gederfde winst).


(1)  Besluit 2004/257/EG van de Europese Centrale Bank van 19 februari 2004 houdende goedkeuring van het reglement van orde van de Europese Centrale Bank (ECB/2004/2) (PB 2004, L 80, blz. 33), zoals gewijzigd bij besluit BCE/2014/1 van de Europese Centrale Bank van 22 januari 2014 (GU 2014, L 95, blz. 56).


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/52


Beroep ingesteld op 6 juli 2022 — Nordea Bank/GAR

(Zaak T-430/22)

(2022/C 340/70)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Nordea Bank Oyj (Helsinki, Finland) (vertegenwoordigers: H. Berger en M. Weber, advocaten)

Verwerende partij: Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad

Conclusies

besluit nr. SRB/ES/2022/18 van de GAR van 11 april 2022, met inbegrip van de bijlagen I, II en III erbij, nietig verklaren voor zover het betrekking heeft op de vooraf door verzoekster te betalen bijdrage;

de GAR verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij de volgende vier middelen aan.

1.

De GAR heeft artikel 69 van verordening (EU) nr. 806/2014 (1) en de artikelen 16, 17, 41 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie geschonden door te kiezen voor een dynamische benadering om het streefbedrag voor de vooraf te betalen bijdragen te bepalen.

2.

De vaststelling van het streefbedrag door de GAR in het bestreden besluit berust op kennelijke beoordelingsfouten wat betreft het verwachte groeipercentage voor gedekte deposito’s en de inschatting van de huidige conjunctuurcyclus.

3.

De GAR heeft artikel 70, lid 2, van verordening (EU) nr. 806/2014 en de artikelen 16, 17 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie geschonden door bij de vaststelling van het jaarlijkse streefbedrag niet de bindende bovengrens van 12,5 % op het streefbedrag toe te passen.

4.

De artikelen 69 en 70 van verordening (EU) nr. 806/2014 zijn in strijd met het beginsel van risicogeoriënteerde vaststelling van de bijdragen en met het evenredigheidsbeginsel, waardoor de artikelen 16, 17 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden geschonden indien het streefbedrag op dynamische wijze moet worden bepaald en de bovengrens als bedoeld in artikel 70, lid 2, van verordening (EU) nr. 806/2014 niet hoeft te worden toegepast, zoals het geval zou zijn indien het bestreden besluit wordt bevestigd.


(1)  Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 225, blz. 1).


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/52


Beroep ingesteld op 12 juli 2022 — Machková/EUIPO — Aceites Almenara (ALMARA SOAP)

(Zaak T-436/22)

(2022/C 340/71)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Veronika Machková (Šestajovice, Tsjechië) (vertegenwoordiger: M. Balcar, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Aceites Almenara, SL (Puebla de Almenara, Spanje)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: verzoekster voor het Gerecht

Betrokken merk: aanvraag voor Uniebeeldmerk ALMARA SOAP — inschrijvingsaanvraag nr. 18 198 833

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 25 april 2022 in zaak R 1613/2021-1

Conclusies

de bestreden beslissing vernietigen voor alle litigieuze waren;

subsidiair, de zaak voor een nieuwe behandeling terugverwijzen naar het EUIPO;

gelasten dat het onder nr. 18 198 833 aangevraagde Uniemerk in het register wordt ingeschreven overeenkomstig artikel 51, lid 1, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad;

Aceites Almenara, SL verwijzen in de kosten van de oppositieprocedure, vastgesteld op 620 EUR;

Aceites Almenara verwijzen in de kosten van de beroepsprocedure, vastgesteld op 720 EUR;

Aceites Almenara verwijzen in de kosten.

Aangevoerde middelen

Schending van artikel 10, lid 1, van gedelegeerde verordening (EU) 2018/625 van de Commissie;

Schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/53


Beroep ingesteld op 13 juli 2022 — International British Education XXI / EUIPO — Saint George’s School (IBE ST. GEORGE’S)

(Zaak T-438/22)

(2022/C 340/72)

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: International British Education XXI SL (Madrid, Spanje) (vertegenwoordiger: N. Fernández Fernández-Pacheco, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Saint George’s School SL (Fornells De La Selva, Spanje)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij in de procedure voor het Gerecht

Betrokken merk: aanvraag voor Uniebeeldmerk IBE ST. GEORGE’S — inschrijvingsaanvraag nr. 18 020 505

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 11 mei 2022 in zaak R 2226/2020-4

Conclusies

de bestreden beslissing vernietigen;

de inschrijving van Uniemerk nr. 18 020 505 IBE ST. GEORGE’S gelasten voor alle aangevraagde waren en diensten;

interveniënte en, in voorkomend geval, verweerder verwijzen in de kosten van alle procedures voor het EUIPO en het Gerecht.

Aangevoerd middel

Schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/54


Beroep ingesteld op 19 juli 2022 — Hofmeir Magnetics/EUIPO — Healthfactories (Hofmag)

(Zaak T-452/22)

(2022/C 340/73)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Hofmeir Magnetics Ltd (Witney, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordiger: S. Baur, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Healthfactories GmbH (Saaldorf-Surheim, Duitsland)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: aanvraag voor Uniewoordmerk Hofmag — inschrijvingsaanvraag nr. 18 107 493

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 3 mei 2022 in zaak R 1367/2021-5

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO in de kosten, met inbegrip van de kosten van de procedure voor de kamer van beroep.

Aangevoerde middelen

Onterechte beperking van verzoeksters niet-ingeschreven merk HOFMAG door aan te geven dat niet is voldaan aan het criterium “van meer dan alleen plaatselijke betekenis” in de zin van artikel 8, lid 4, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad;

niet-inaanmerkingneming van het teken “Hofmag” als commerciële benaming (relevant teken voor artikel 8, lid 4, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad) voor Duitsland/Oostenrijk.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/55


Beroep ingesteld op 22 juli 2022 — Sky/EUIPO — Skyliners (SKYLINERS)

(Zaak T-454/22)

(2022/C 340/74)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Sky Ltd (Isleworth, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordiger: A. Zalewska-Orabona, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Skyliners GmbH (Frankfurt am Main, Duitsland)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: aanvraag voor Uniewoordmerk SKYLINERS — inschrijvingsaanvraag nr. 14 570 915

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 27 april 2022 in zaak R 0006/2022-2

Conclusies

de bestreden beslissing vernietigen;

het EUIPO en, indien de andere partij intervenieert in de procedure, interveniënte verwijzen in de kosten van verzoekster.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 8, lid 1, onder b), lid 4, en lid 5, juncto artikel 41, lid 1, onder a) en c), en artikel 8, lid 2, van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad;

schending van artikel 27, lid 4, van gedelegeerde verordening (EU) 2018/625 van de Commissie juncto artikel 95, lid 2, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad;

schending van artikel 94, lid 1, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/55


Beroep ingesteld op 21 juli 2022 — Laboratorios Ern/EUIPO — Biolark (BIOLARK)

(Zaak T-459/22)

(2022/C 340/75)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Laboratorios Ern, SA (Barcelona, Spanje) (vertegenwoordiger: S. Correa Rodriguez, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Biolark, Inc. (San Diego, Californië, Verenigde Staten)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Unie van het beeldmerk BIOLARK — internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Unie nr. 1 453 505

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 22 april 2022 in zaak R 1234/2021-5

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing en afwijzing van de Europese aanwijzing van het internationale merk nr. 1 453 505 voor alle waren en diensten;

verwijzing van verweerder en, indien BIOLARK INC. intervenieert in de onderhavige procedure, van BIOLARK INC. in de kosten.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/56


Beroep ingesteld op 20 juli 2022 — Millennium BCP Participações en BCP África/Commissie

(Zaak T-462/22)

(2022/C 340/76)

Procestaal: Portugees

Partijen

Verzoekende partijen: Millennium BCP Participações, SGPS, SU, Lda (Funchal, Portugal), BCP África, SGPS, Lda (Funchal) (vertegenwoordigers: B. Santiago, L. do Nascimento Ferreira, P. Gouveia e Melo, D. Oda en A. Queiroz Martins, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

de Europese Commissie in de zin van artikel 88, leden 1 en 2, en artikel 89, lid 3, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht gelasten de brief van 28 juni 2006 waarbij de Portugese autoriteiten de Commissie overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU in kennis stelden van de ontwerpmaatregel “Regeling III”, met inbegrip van alle aan die brief gehechte documenten, over te leggen, teneinde deze toe te voegen aan het dossier;

artikel 1 en artikel 4, lid 1, van besluit C(2020) 8550 final van de Commissie van 4 december 2020 betreffende steunregeling SA.21259 (2018/C) (ex 2018/NN) door Portugal ten uitvoer gelegd ten gunste van de vrijhandelszone van Madeira (Zona Franca da Madeira, ZFM) — Regeling III, nietig verklaren voor zover deze van toepassing zijn op de in artikel 36, lid 8, van het Estatuto dos Beneficios Fiscais (regeling inzake belastingvoordelen) bedoelde sociedades gestoras de participações sociais (houdstermaatschappijen; hierna: “SGPS”), zoals verzoeksters.

de Commissie verwijzen in de kosten, met inbegrip van de kosten van verzoeksters.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen drie middelen aan.

Eerste middel: onjuiste toepassing van het recht wegens niet-nakoming van de in artikel 296 VWEU neergelegde motiveringsplicht.

Tweede middel: onjuiste toepassing van het recht door schending van artikel 108, lid 3, VWEU, voor zover ingevolge besluit C(2020) 8550 final van de Commissie van 4 december 2020 betreffende steunregeling SA.21259 (2018/C) (ex 2018/NN) door Portugal ten uitvoer gelegd ten gunste van de vrijhandelszone van Madeira (Zona Franca da Madeira, ZFM) — Regeling III, de SGPS behoren tot de begunstigden die onderworpen zijn aan de terugvorderingsverplichting indien niet wordt voldaan aan het vereiste van jobcreatie.

Derde middel: onjuiste toepassing van het recht door schending van het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/57


Beschikking van het Gerecht van 15 juli 2022 — FV / Raad

(Zaak T-542/19) (1)

(2022/C 340/77)

Procestaal: Frans

De president van de vierde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 337 van 7.10.2019.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/57


Beschikking van het Gerecht van 8 juli 2022 — Agentur für Globale Gesundheitsverantwortung/EMA

(Zaak T-713/21) (1)

(2022/C 340/78)

Procestaal: Duits

De president van de Achtste kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 73 van 14.2.2022.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/57


Beschikking van het Gerecht van 13 juli 2022 — Dado Ceramica e.a. / EUIPO — Italcer (Tuile)

(Zaak T-40/22) (1)

(2022/C 340/79)

Procestaal: Italiaans

De president van de negende kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 128 van 21.3.2022.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/58


Beschikking van het Gerecht van 14 juli 2022 — Dehaen/EUIPO — National Geographic Society (NATIONAL GEOGRAPHIC)

(Zaak T-157/22) (1)

(2022/C 340/80)

Procestaal: Engels

De president van de Derde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 207 van 23.5.2022.


5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/58


Beschikking van het Gerecht van 14 juli 2022 — Dehaen/EUIPO — National Geographic Society (NATIONAL GEOGRAPHIC)

(Zaak T-158/22) (1)

(2022/C 340/81)

Procestaal: Engels

De president van de Derde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 207 van 23.5.2022.