ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 141

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

63e jaargang
29 april 2020


Inhoud

Bladzijde

 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

RESOLUTIES

 

Comité van de Regio's

 

138e CvdR-zitting, 11.2.2020-12.2.2020

2020/C 141/01

Resolutie van het Europees Comité van de Regio’s over de jaarlijkse strategie voor duurzame groei 2020

1

2020/C 141/02

Resolutie van het Europees Comité van de Regio’s over de conferentie over de toekomst van Europa

5

2020/C 141/03

Resolutie van het Europees Comité van de Regio’s over het werkprogramma van de Europese Commissie voor 2020

8

 

ADVIEZEN

 

Comité van de Regio's

 

138e CvdR-zitting, 11.2.2020-12.2.2020

2020/C 141/04

Advies van het Europees Comité van de Regio’s over de versterking van de rechtsstaat in de Unie — Een blauwdruk voor actie

15

2020/C 141/05

Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het uitbreidingspakket 2019

20

2020/C 141/06

Advies van het Europees Comité van de Regio’s over de bijdrage van de regio’s en steden aan de ontwikkeling van Afrika

25

2020/C 141/07

Advies van het Europees Comité van de Regio’s Naar duurzame wijken en kleine gemeenschappen — Milieubeleid onder gemeentelijk niveau

29

2020/C 141/08

Advies van het Europees Comité van de Regio’s Braindrain in de EU: een probleem dat op alle niveaus moet worden aangepakt

34

2020/C 141/09

Advies van het Europees Comité van de Regio’s Cultuur in een ambitieuzere Unie: de rol van regio’s en steden

39


NL

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

RESOLUTIES

Comité van de Regio's

138e CvdR-zitting, 11.2.2020-12.2.2020

29.4.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 141/1


Resolutie van het Europees Comité van de Regio’s over de jaarlijkse strategie voor duurzame groei 2020

(2020/C 141/01)

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S (CvdR),

gelet op de mededeling van de Europese Commissie over de jaarlijkse strategie voor duurzame groei (ASGS) 2020 (1),

gelet op zijn resolutie van 9 oktober 2019 over het Europees Semester 2019, met het oog op de jaarlijkse groeianalyse 2020 (2),

Integratie van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen in het Europees Semester

1.

verwelkomt de ASGS 2020 als startpunt voor de integratie van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) in het Europees Semester, waardoor dat het noodzakelijke langetermijnperspectief krijgt en de nadruk op meer dan louter economische aspecten komt te liggen;

2.

is van mening dat de ASGS pas als beleidscoördinatie-instrument ter uitvoering van de Europese Green Deal gebruikt kan worden als de algemene governance van het Europees Semester en de manier waarop daartegen wordt aangekeken, ingrijpend veranderen en als de eigen verantwoordelijkheid voor het Semester in de praktijk weer centraal komt te staan;

3.

benadrukt dat realisering van de SDG’s betekent dat alle dimensies van duurzame ontwikkeling (concurrentievermogen, inclusiviteit, milieu en goed bestuur) op een alomvattende manier in aanmerking moeten worden genomen, wat de Green Deal overstijgt; het nastreven van de SDG’s vraagt om samenhangend beleid ten aanzien van compromissen en verdelingsvraagstukken. Daarbij hoort ook het versterken van de culturele en sociale dimensies van kennisschepping, kennisdeling en innovatie. Het Europees Semester moet alle bestuursniveaus en relevante belanghebbenden in staat stellen om in partnerschap die compromissen te identificeren en aan te gaan, zodat hokjesdenken wordt vermeden, de coherentie wordt gewaarborgd en de SDG’s in het beleid op alle terreinen worden geïntegreerd;

4.

is ingenomen met de aankondiging dat in de landenverslagen en de nationale hervormingsprogramma’s speciale secties zullen worden gewijd aan de monitoring van de SDG’s en de beoordeling van het desbetreffende beleid en dat de landspecifieke aanbevelingen betrekking zullen hebben op de specifieke nationale bijdragen aan de SDG’s; bij de integratie van de SDG’s in het Europees Semester moeten de verschillende territoriale uitgangsposities in aanmerking worden genomen, en die integratie vereist een passende statistische basis voor de monitoring van de SDG’s op regionaal niveau;

5.

dringt, wat de in het kader van de Green Deal en de ASGS geplande maatregelen betreft, aan op een duidelijk tijdpad en meetbare streefcijfers met duidelijke deadlines om de SDG’s te verwezenlijken; doelstellingen en tijdschema’s moeten worden vastgesteld tijdens een zowel top-down als bottom-up vormgegeven proces waaraan alle bestuursniveaus en relevante belanghebbenden in partnerschap deelnemen;

6.

kan zich in het algemeen vinden in de strekking van de aanbevelingen aan de lidstaten van de eurozone, maar wijst erop dat in die aanbevelingen de vergroenings- en inclusiviteitsdoelstellingen van de SDG’s en de Green Deal slechts in beperkte mate worden ondersteund en onvoldoende de nadruk ligt op de beleidsuitdagingen die voortvloeien uit de huidige verschillende territoriale uitgangsposities;

7.

merkt op dat met het investeringsplan voor een duurzaam Europa wordt beoogd om de komende tien jaar 1 biljoen EUR aan duurzame investeringen te mobiliseren; betreurt echter dat dit plan grotendeels bestaat uit een reeks al bestaande of al geplande maatregelen, initiatieven en financieringsinstrumenten die nu onder één noemer zijn gebracht; is daarom bezorgd dat het met dit plan niet zal lukken het nodige geld bijeen te brengen en te zorgen voor de nodige coördinatie om de SDG’s daadwerkelijk tegen 2030 in Europa te realiseren; pleit in dit verband voor een grondigere analyse van de reële kosten van de transitie naar duurzame ontwikkeling en voor een gedetailleerder financieringsplan; bijzondere aandacht dient daarbij uit te gaan naar de stimulering van collaboratieve publiek-private innovatie-initiatieven van steden en regio’s;

8.

benadrukt dat het stabiliteits- en groeipact moet worden herzien teneinde de financiële middelen die nodig zijn voor overheidsinvesteringen op alle niveaus om de Green Deal uit te voeren, boekhoudkundig gezien op een andere manier mee te kunnen tellen;

9.

beaamt dat structurele hervormingen in de lidstaten op de strategische beleidsterreinen die van belang zijn voor de uitvoering van de Verdragsdoelstellingen en het EU-beleid, doorslaggevend zijn voor de convergentie en het concurrentievermogen van de EU, waaronder de verdieping van de interne markt. Het Europees Semester biedt een nuttig kader om zulke hervormingen te bevorderen, mits het toepassingsgebied van de voor EU-financiering in aanmerking komende structurele hervormingen volgens het subsidiariteitsbeginsel wordt bepaald en met de lokale en regionale overheden als volwaardige partners wordt samengewerkt;

De territoriale dimensie van het Europees Semester

10.

waardeert het dat aandacht wordt geschonken aan de toenemende regionale verschillen en de daarmee samenhangende uitdagingen ten aanzien van groei en cohesie tussen en binnen lidstaten; benadrukt dat verschillen in uitgangsposities van grote invloed zijn op de manier waarop lidstaten en regio’s hun duurzaamheidsbeleid vormgeven en uitvoeren; onderstreept dat territoriale verschillen moeten worden aangepakt met plaatsgebonden beleid, geschraagd door territoriale effectbeoordelingen;

11.

wijst op het toegenomen belang van de landenverslagen, met name bijlage D daarvan, die als leidraad kunnen dienen voor het regionaal en lokaal investeringsbeleid, waaronder de via het cohesiebeleid en het Fonds voor een rechtvaardige transitie gefinancierde programma’s; uit een enquête die door het CvdR is gehouden onder nationale verenigingen van steden en regio’s blijkt dat de lokale en regionale overheden door hun nationale regeringen onvoldoende worden betrokken bij de voorbereiding en bespreking van bijlage D op politiek niveau en dat bijlage D vaak geen nauwkeurig beeld geeft van hun investeringsbehoeften;

12.

benadrukt dat sterke samenhang en coördinatie tussen het Europees Semester en het cohesiebeleid nodig is om de doelstellingen inzake duurzaamheid en sociale inclusie van de Green Deal te verwezenlijken; de kosten van de transitie naar duurzame ontwikkeling mogen niet door de meest kwetsbaren worden gedragen; daarom moet het Mechanisme voor een rechtvaardige transitie ondersteuning op maat bieden aan de mensen en regio’s die het zwaarst worden getroffen, met name zij die in hoge mate afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen — zoals in het geval van regio’s met geïsoleerde energiesystemen — en energie-intensieve industrieën en zij die in sociaal en economisch opzicht te lijden hebben onder het feit dat ze van energiemodel zijn veranderd om hun decarbonisatiebeloften na te komen; voorts is het CvdR tevreden dat het beheer van het Fonds voor een rechtvaardige transitie wordt gebaseerd op de verordening gemeenschappelijke bepalingen en pleit het voor duidelijke en objectieve toewijzingscriteria;

De sociale dimensie van het Europees Semester

13.

staat achter de integratie van de SDG’s in de plannen voor een duurzame economische strategie, met name omdat de doelstellingen voor een groot deel aansluiten op de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten; is dan ook ingenomen met de onlangs gepubliceerde mededeling “Een sterk sociaal Europa voor rechtvaardige transities” (3) en dringt aan op de snelle presentatie van een actieplan voor de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten;

14.

roept de Europese Commissie op met meer maatregelen te komen om de arbeidsparticipatiekloof en de loonkloof tussen mannen en vrouwen te verkleinen;

15.

is verheugd over de opname van een regionale dimensie in het meest recente gezamenlijke verslag over de werkgelegenheid, hetgeen aansluit op zijn “Europees regionaal sociaal scorebord” van september 2019;

16.

deelt de bezorgdheid van de Europese Commissie over de negatieve gevolgen van de vergrijzing en andere demografische uitdagingen zoals de lage bevolkingsdichtheid, het feit dat de bevolking zeer verspreid woont, het teruglopende aantal jongeren en het dalende geboortecijfer, en vraagt haar rekening te houden met de voorstellen uit zijn adviezen “Demografische veranderingen: voorstellen om de negatieve effecten ervan in de EU-regio’s te meten en aan te pakken” en “Het antwoord van de EU op de demografische uitdaging”;

De governance van het Europees Semester

17.

wijst erop dat het groeimodel van de EU in het algemeen alleen succesvol kan bijdragen aan de SDG’s en de doelstellingen van de Green Deal als voor goede coördinatie met de lokale en regionale overheden wordt gezorgd; herhaalt dat betrokkenen in het veld meer verantwoordelijkheid moeten krijgen voor het Europees Semester, teneinde dat doeltreffender te maken met het oog op de nieuwe en ambitieuze doelstelling van de EU om de SDG’s te verwezenlijken, niet in de laatste plaats omdat volgens de OESO 65 % van de 169 streefcijfers van de SDG’s niet kan worden gehaald zonder volledige betrokkenheid van en afstemming met de lokale en regionale overheden. Wil het Europees Semester de beloften waar kunnen maken, dan moeten alle bestuursniveaus en relevante belanghebbenden er als partners bij worden betrokken, wat meer dient te behelzen dan de huidige praktijk van vooral raadplegingen in de laatste fasen. Een dergelijke partnerschapsbenadering moet dringend worden toegepast en moet ertoe leiden dat de uitvoering van de SDG’s wordt omgezet in plaatsgebonden doelstellingen, streefcijfers en tijdschema’s. Dat vereist een grotere nadruk op operationele SDG-afspraken en vrijwillige lokale evaluaties van de uitvoering van de SDG’s;

18.

benadrukt dat het Europees Semester nu richtsnoeren bevat voor de programmering van door de ESI-fondsen mede te financieren investeringen en voor het voorgestelde begrotingsinstrument voor convergentie en concurrentievermogen; waarschuwt echter dat de centrale top-downbenadering van het Europees Semester te veel beperkingen dreigt op te leggen aan de decentrale bottom-upbenadering en plaatsgebonden maatregelen van het EU-cohesiebeleid; pleit tevens voor samenhang tussen de meerjarige programmeringsaanpak van het cohesiebeleid en het Europees Semester;

19.

dringt er bij de EU op aan de governanceprocessen van het Europees Semester en het cohesiebeleid doeltreffend te coördineren op basis van de beginselen van partnerschap en multilevel governance; verwijst naar zijn advies over de verbanden tussen het cohesiebeleid en het Europees Semester; herhaalt zijn voorstel voor een gedragscode (4) om de lokale en regionale overheden als volwaardige partners bij het Europees Semester te betrekken, naar het voorbeeld van de gedragscode inzake partnerschap in het kader van de verordening gemeenschappelijke bepalingen 2014-2020; benadrukt dat het gebruik van door de EU gefinancierde maatregelen voor capaciteitsopbouw bij lokale en regionale overheden moet worden bevorderd en verwijst naar zijn recente advies hierover (5); betreurt dat het jaarlijkse monitoringverslag over de uitvoering van het steunprogramma voor structurele hervormingen 2018 geen gegevens bevat over de benutting van dit programma door de lokale en regionale overheden;

20.

onderstreept dat de SDG’s zelf al de actieve betrokkenheid van belanghebbenden, waaronder lokale en regionale overheden, vereisen. Daarom moeten — na het verstrijken van het mandaat van het EU-stakeholdersplatform voor de SDG’s — nieuwe, op zijn minst even ambitieuze vormen van betrokkenheid van belanghebbenden bij de uitvoering van de SDG’s worden vastgesteld, niet in de laatste plaats via het Europees Semester;

21.

draagt zijn voorzitter op om deze resolutie aan de Europese Commissie, het Europees Parlement, het Kroatische voorzitterschap van de Raad en de voorzitter van de Europese Raad toe te sturen.

Brussel, 12 februari 2020.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Apostolos TZITZIKOSTAS


(1)  https://ec.europa.eu/info/publications/2020-european-semester-annual-sustainable-growth-strategy_nl

(2)  https://webapi2016.cor.europa.eu/v1/documents/cor-2019-03856-00-00-res-tra-nl.docx/content

(3)  COM(2020) 14 final.

(4)  CvdR-advies over verbetering van de governance van het Europees Semester: een gedragscode voor de inbreng van de lokale en regionale overheden. Rapporteur: Rob Jonkman (NL/ECR). Goedgekeurd op 11 mei 2017 (PB C 306 van 15.9.2017, blz. 24).

(5)  CvdR-advies over een verbetering van de bestuurlijke capaciteit van lokale en regionale overheden om investeringen en structurele hervormingen in 2021-2027 kracht bij te zetten. Rapporteur: Manuela Bora (IT/PSE). Goedgekeurd op 4 december 2019 (PB C 79 van 10.3.2020, blz. 25).


29.4.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 141/5


Resolutie van het Europees Comité van de Regio’s over de conferentie over de toekomst van Europa

(2020/C 141/02)

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S (CvdR),

Overwegende hetgeen volgt:

a)

De democratische legitimiteit van de Europese Unie staat of valt met het vertrouwen van de burgers in hun op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau gekozen vertegenwoordigers.

b)

De representatieve democratie vormt de basis van het EU-project; uit de toegenomen opkomst bij de Europese verkiezingen van 2019 blijkt dat er de burgers veel aan gelegen is om het EU-beleid mede vorm te geven; alle bestuursniveaus moeten nieuwe uitdagingen het hoofd bieden en de burgers op nieuwe manieren bij het project proberen te betrekken.

c)

Elk jaar worden er in de EU-lidstaten verkiezingen gehouden op nationaal, regionaal en lokaal niveau, waarbij de burgers geïnformeerd zouden kunnen worden over de doorwerking van het Europese beleid op alle bestuursniveaus; dat zou de geloofwaardigheid van de EU onder de burgers ten goede komen.

d)

De cruciale rol van lokale en regionale overheden blijkt uit het feit dat zij goed zijn voor de helft van alle overheidsinvesteringen, een derde van de overheidsuitgaven en een kwart van de belastinginkomsten in de EU.

Het Europees Comité van de Regio’s (CvdR)

1.

is verheugd over het initiatief van de Europese Commissie, het Europees Parlement en de Raad om een conferentie over de toekomst van Europa op te zetten en zou graag helpen zorgen voor concrete resultaten en maatregelen met tastbare voordelen voor de burgers van de EU;

2.

is van mening dat de conferentie de gelegenheid biedt om in kaart te brengen aan welke maatregelen de EU behoefte heeft om haar slagkracht te vergroten en haar democratische werking te verbeteren, conform het nieuwe beginsel van actieve subsidiariteit;

3.

onderstreept dat de meer dan een miljoen gekozen lokale en regionale vertegenwoordigers in de EU betrokken moeten worden bij maatregelen om het EU-beleid vorm te geven en een brug te slaan tussen de EU en haar burgers; om de zichtbaarheid van dit proces te vergroten, zal het CvdR zich sterk maken voor discussies over EU-aangelegenheden in regionale parlementen en gemeenteraden;

4.

is verheugd over de voorgestelde maatregelen om contact te zoeken met de burgers en onderstreept het belang van open en uitgebreide thematische debatten; het staat volledig achter het idee dat belangrijke onderdelen van de conferentie gedecentraliseerd moeten worden, zodat ook gebieden en bevolkingsgroepen buiten de Europese en nationale hoofdsteden er rechtstreeks en actief bij kunnen worden betrokken. Met het oog hierop zal het CvdR zijn leden lokale evenementen helpen organiseren over de thema’s van de conferentie en instrumenten ontwikkelen om de resultaten en suggesties van deze debatten te verzamelen en aan de conferentie mee te delen;

5.

zou graag zien dat de Europe Direct-centra worden betrokken bij de conferentie over de toekomst van Europa en worden beschouwd als regionale participatiehubs, gezien hun reikwijdte en ook omdat hun belangrijkste taak in het algemeen erin bestaat Europese kwesties dichter bij de burgers te brengen. Europe Direct-centra hebben aanzienlijke ervaring met het aanzwengelen van debatten en zouden daarom een belangrijke pijler zijn die ervoor kan zorgen dat de conferentie over de toekomst van Europa ruim wordt opgezet en met uiteenlopende meningen wordt verrijkt;

6.

benadrukt dat in het conferentieproces voor pluralisme en inclusiviteit moet worden gezorgd en onderschrijft ten volle het voorstel van het Europees Parlement om een tweeledige aanpak te hanteren: een plenaire vergadering van de conferentie op institutioneel niveau en een aantal burgeragora’s en aanverwante decentrale activiteiten, met een zo nauw mogelijk verband tussen de twee; dringt er omwille van een diepgaand debat op aan dat de conferentie en de bijbehorende activiteiten de diversiteit in Europa weerspiegelen;

7.

stelt voor, ter uitbreiding van de kanalen van de representatieve democratie, dat de conferentie openstaat voor de input van al bestaande instrumenten van de participatiedemocratie op lokaal en regionaal niveau; hiertoe behoren onder meer de in verschillende regio’s met succes geteste burgerdialogen en burgerfora, met deelnemers die willekeurig en evenwichtig zijn geselecteerd, en waar een combinatie van burgerfora en deskundigenfora waardevol is gebleken;

8.

is van mening dat de EU ook na afloop van de conferentie rechtstreeks met haar burgers in gesprek moet blijven, en daarbij moet voortbouwen op de brede ervaring die met participatiemodellen is opgedaan om een permanent gestructureerd mechanisme voor de dialoog met hen tot stand te brengen; deze permanente mechanismen moeten worden gecombineerd met dialogen over actuele thema’s, waarbij de doelgroepen kunnen veranderen;

9.

deelt de mening dat jongeren aan de conferentie over de toekomst moeten deelnemen en dat bijzondere aandacht voor jongeren nodig is om de toekomstige richting van het Europese project kracht bij te zetten, en wijst erop dat in alle voorstellen van de conferentie rekening moet worden gehouden met toekomstige generaties;

10.

roept op tot een duidelijke focus op de belangrijkste uitdagingen waarmee de Europese Unie wordt geconfronteerd alsook tot een bottom-updiscussie over de thema’s van de conferentie, zoals o.a. uitdagingen op het gebied van milieu en klimaat, sociale rechtvaardigheid, duurzame ontwikkeling, de digitale transformatie, migratie, de Europese gemeenschap van waarden, de economie en werkgelegenheid, territoriale cohesie en de veranderingen in het beleid, de processen, de instellingen en de middelen van de EU, met inbegrip van de rol van de lokale en regionale democratie en zelfbestuur, die nodig zijn om de EU in staat te stellen in te spelen op de behoeften en verwachtingen van de burgers op dit gebied; om de resultaten van de conferentie op passende wijze ten uitvoer te leggen, mogen mogelijke wijzigingen van de EU-Verdragen niet worden uitgesloten;

11.

onderschrijft dat in het advies van het Europees Parlement over de conferentie over de toekomst van Europa (P9_TA-PROV (2020)0010) wordt gesteld dat er gedurende de gehele conferentie verschillende thematische burgerfora zullen worden georganiseerd, die de politieke prioriteiten weerspiegelen, en dat deze maximaal 200-300 burgers moeten omvatten, onder wie ten minste drie vertegenwoordigers per lidstaat, berekend op basis van het beginsel van degressieve proportionaliteit. Het CvdR is het er ook mee eens dat de deelnemende burgers door onafhankelijke instanties in de lidstaten uit alle EU-burgers willekeurig moeten worden geselecteerd, overeenkomstig de bovengenoemde criteria;

12.

is ervan overtuigd dat, om bij de burgers draagvlak te creëren voor de Europese integratie en hen nauwer bij de EU-besluitvorming te betrekken, het van essentieel belang is om tijdens de conferentie de nadruk te leggen op de verdere ontwikkeling van het concept van Europees burgerschap op basis van individuele rechten in het Europees systeem van multilevel governance;

13.

benadrukt zijn bezorgdheid over de standpunten die de Europese Commissie en de Raad van ministers tot nu toe hebben ingenomen en die niet duidelijk en ambitieus zijn wat betreft de reikwijdte en het proces van de conferentie over de toekomst van Europa, met name met betrekking tot de rol van lokale en regionale overheden van de Europese Unie en het Comité van de Regio’s;

14.

is van mening dat de conferentie duidelijk gericht moet zijn op de formulering van concrete voorstellen voor wetgeving of wijzigingen van de EU-Verdragen, die dan tijdens de verkiezingscampagne voor het Europees Parlement in 2024 met het oog op een toekomstig verdrag zullen worden besproken;

15.

is verheugd over de voorgestelde plenaire vergadering van de conferentie, die bestaat uit leden van het Europees Parlement, de Europese Commissie, de regeringen van de EU-27, de nationale parlementen en het Europees Comité van de Regio’s; dringt erop aan dat het CvdR wordt vertegenwoordigd door ten minste acht leden met volledig stemrecht; beseft voorts de noodzaak van een gelijke vertegenwoordiging van de tweede kamers van de nationale parlementen, aangezien deze in veel lidstaten bestaan uit vertegenwoordigers van de regionale overheden;

16.

dringt erop aan dat de stuurgroep van de conferentie zorgt voor een politiek en institutioneel evenwicht tussen alle bestuursniveaus en één lid van het Europees Comité van de Regio’s omvat; dat lid kan worden bijgestaan door een CvdR-ambtenaar die bij het gezamenlijke secretariaat wordt gedetacheerd;

17.

acht het een goede zaak dat wordt voorgesteld om ook lokale en regionale vertegenwoordigers van de kandidaat-lidstaten van de EU bij de discussies over de toekomst van Europa te betrekken;

18.

verzoekt het Europees Parlement, de Raad en de Commissie de in deze resolutie uiteengezette beginselen over te nemen in hun gezamenlijke verklaring, die het van plan is te ondertekenen;

19.

draagt zijn voorzitter op om deze resolutie aan de voorzitter van het Europees Parlement, de voorzitter van de Europese Commissie, de voorzitter van de Europese Raad en het Kroatische voorzitterschap van de Raad toe te sturen.

Brussel, 12 februari 2020.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Apostolos TZITZIKOSTAS


29.4.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 141/8


Resolutie van het Europees Comité van de Regio’s over het werkprogramma van de Europese Commissie voor 2020

(2020/C 141/03)

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S (CvdR),

Gelet op:

het werkprogramma van de Europese Commissie voor 2020 (1);

het protocol betreffende de samenwerking met de Europese Commissie van februari 2012;

de CvdR-resolutie van 27 juni 2019“Voorstellen van het Europees Comité van de Regio’s voor het nieuwe wetgevingsmandaat van de Europese Unie”;

1.

wijst er nogmaals op dat lokale en regionale vertegenwoordigers en Europese burgers moeten worden betrokken bij het uitstippelen en uitvoeren van het EU-beleid, met name door de juiste toepassing van actieve subsidiariteit en multilevel governance;

2.

dringt aan op een spoedig akkoord over het meerjarig financieel kader (MFK) om ervoor te zorgen dat nieuwe EU-programma’s tijdig van start kunnen gaan; roept de Commissie op om, gelijktijdig met haar inspanningen om met de begrotingsautoriteit te onderhandelen, een noodplan op te stellen om te voorkomen dat programma’s worden onderbroken ingeval het MFK te laat wordt goedgekeurd;

3.

dringt er nogmaals met klem op aan dat het komende MFK ten minste 1,3 % van het bni van de EU-27 bedraagt, zodat ervoor wordt gezorgd dat de begroting tegemoetkomt aan de behoeften, verwachtingen en zorgen van de EU-burgers, met inbegrip van de nieuwe prioriteiten die in de Europese Green Deal zijn vastgesteld;

4.

verzoekt de Commissie er nauwlettend op toe te zien dat de gedragscode inzake partnerschap wordt toegepast bij de voorbereiding van de partnerschapsovereenkomsten en programma’s voor de periode 2021-2027, en ervoor te zorgen dat de inbreng van lokale en regionale overheden als een volwaardig partnerschap gaat gelden. De beginselen van partnerschap en multilevel governance moeten ook inspiratie leveren voor de governance van het Europees Semester, met het oog op doeltreffendheid en legitimiteit, temeer daar het Semester richtsnoeren verstrekt voor de programma’s van het cohesiebeleid voor de periode 2021-2027;

5.

is ingenomen met de toezegging van de Commissie om de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling te verwezenlijken door ze, zoals aanbevolen door het CvdR, in het Europees Semester te integreren en ze in de algemene aanpak van de Europese Green Deal mee te nemen;

Over de Europese Green Deal

6.

verzoekt de Commissie om lokale en regionale overheden consequent te betrekken bij alle wetgeving en initiatieven rond de Europese Green Deal, te beginnen bij het Europese klimaatpact. Het CvdR wil van zijn kant de uitvoering van de Green Deal en de ontwikkeling van het klimaatpact ten volle ondersteunen door middel van gecoördineerde en transversale maatregelen en initiatieven, met als doel ervoor te zorgen dat het pact voortbouwt op multilevel governance en territoriale legitimiteit en dat geen enkele persoon of regio achterblijft;

7.

herhaalt zijn oproep aan de Commissie om ervoor te zorgen dat de Europese klimaatwet gebaseerd is op een grondige analyse van de impact en de voordelen ervan en gekoppeld is aan concrete financieringsplannen. Daarbij moet de Commissie heldere aanwijzingen geven m.b.t. de rol van lokale en regionale overheden, samen met een duidelijk tijdschema voor de herziening van de doelstellingen voor het bereiken van klimaatneutraliteit;

8.

verzoekt de Commissie te voorzien in de nodige steun voor lokale en regionale overheden bij de uitvoering van het aanpassingsbeleid in het kader van de nieuwe aanpassingsstrategie van de EU;

9.

roept de Commissie op ervoor te zorgen dat de lidstaten bij de evaluatie van de definitieve nationale energie- en klimaatplannen in juni 2020 een multilevel klimaat- en energiedialoog opzetten, alsook een openbare raadpleging met betrokkenheid van lokale en regionale overheden. Het CvdR verbindt zich ertoe een forum van lokale en regionale overheden en belanghebbenden op te richten om samen met de Commissie en de lidstaten feedback te geven over de uitvoering van de maatregelen en initiatieven in het kader van de Green Deal, alsook voorstellen te doen voor wetgevingsvoorstellen;

10.

is ingenomen met het voorstel voor een “groene eed”, waarbij het CvdR expliciet moet worden betrokken. Het initiatief moet het mogelijk maken om a) duurzaamheidscriteria op te nemen in alle beleidsmaatregelen, macro-economische prioriteiten, financiële instrumenten van de EU, het Europees Semester en het meerjarig financieel kader 2021-2027, teneinde ervoor te zorgen dat alle wetgeving in overeenstemming is met de doelstellingen van de Green Deal, en b) belemmeringen en tegenstrijdigheden in de EU-wetgeving in kaart te brengen en weg te nemen. Het CvdR zal aan deze doelstelling bijdragen door middel van initiatieven als het netwerk van regionale hubs;

11.

roept de Commissie op om bestaande succesvolle initiatieven als het Burgemeestersconvenant, de Stedelijke Agenda voor de EU, Schone Energie voor de EU-eilanden en diverse andere regionale, nationale en grensoverschrijdende initiatieven ten volle te blijven steunen;

12.

is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om de energiesector koolstofvrij te maken aan de hand van de strategie voor slimme sectorale integratie, een renovatiegolf en hernieuwbare energie offshore. In dit verband moeten mogelijke negatieve gevolgen van op energie-efficiëntie gerichte renovaties worden voorkomen of gecompenseerd teneinde huurders, kwetsbare consumenten en huishoudens die risico lopen op energiearmoede te beschermen. Ook herhaalt het CvdR zijn oproep om een Europese agenda voor huisvesting op te stellen. Een dergelijke proactieve agenda, die aansluit bij het Europees burgerinitiatief “Housing for All”, moet onder meer betrekking hebben op aspecten van de hervorming van de staatssteunregels, mechanismen voor het reguleren van huren en crowding-outeffecten op de woningmarkt door digitale platforms;

13.

verheugt zich over de voorstellen voor groene Europese steden en de versterking van de biodiversiteit in stedelijke gebieden, met inbegrip van het nieuwe initiatief “Green City Accord”; steunt de voorbereiding van een ambitieuze biodiversiteitsstrategie voor de periode na 2020 en het EU-standpunt in de VN-conferentie over biodiversiteit (CBD COP15) om ervoor te zorgen dat lokale en regionale overheden formeel worden erkend als belangrijke partners bij de ontwikkeling, uitvoering en monitoring van maatregelen die nodig zijn om het verlies aan biodiversiteit en de achteruitgang van ecosysteemdiensten een halt toe te roepen;

14.

juicht het toe dat een nieuw actieplan voor de circulaire economie wordt voorbereid, dat ambitieus, tijdgebonden en wetenschappelijk onderbouwd moet zijn, met preventie als eerste prioriteit, in overeenstemming met de afvalhiërarchie van de EU. In dit verband kijkt het uit naar het wetgevingsvoorstel dat de consument een actieve rol wil laten spelen in de groene transitie;

15.

vestigt er de aandacht op dat alle onderling samenhangende uitdagingen moeten worden aangepakt met het oog op de totstandbrenging van een niet-toxisch milieu, en wil graag een bijdrage leveren aan de opstelling van het actieplan om de vervuiling van lucht, water en bodem tot nul terug te brengen, dat naar planning in 2021 zal worden goedgekeurd;

16.

is verheugd over de toezegging van de Commissie om een nieuwe langetermijnvisie voor het platteland te ontwikkelen en pleit samen met het Europees Parlement (2) voor een EU-agenda voor plattelandsgebieden en voor een evenwichtige en alomvattende aanpak van de Europese territoriale ontwikkeling, zodat de behoeften van het platteland in alle relevante Europese beleidsmaatregelen worden geïntegreerd, overeenkomstig de in Cork aangenomen verklaring over plattelandsontwikkeling;

17.

wijst erop dat lokale en regionale overheden een belangrijke rol moeten spelen bij de tenuitvoerlegging van het toekomstige GLB en in de reeds aangekondigde strategie “van boer tot bord”, onder meer door overheidsopdrachten te vergroenen, gezonde voeding te bevorderen, het bewustzijn over voedselverspilling te vergroten en concrete maatregelen in het veld te nemen. Het CvdR is van mening dat de strategie “van boer tot bord” een unieke kans biedt om de beleidscoherentie te vergroten, de overgang naar duurzamere voedselsystemen aan te moedigen en de milieudimensie van het GLB te versterken. In het kader van deze strategie moet een actieplan worden opgesteld met gekwantificeerde doelstellingen voor de beperking van chemische bestrijdingsmiddelen met minstens 30 % tegen 2027 en van synthetische stikstofhoudende meststoffen, alsook voor de uitbreiding van het biologisch bebouwd areaal, de verhoging van de groenten- en fruitconsumptie en de vermindering van het aantal gevallen van obesitas in de EU;

18.

verzoekt de Commissie de consumentenvoorlichting te verbeteren door middel van geharmoniseerde Europese milieukeuren en gemeenschappelijke normen om de overgang naar duurzame consumptie te bevorderen door groene aankopen te vergemakkelijken en door bedrijven te stimuleren om hun duurzaamheid te ontwikkelen en te verbeteren; dringt aan op een Europees voedingswaarde-etiketteringssysteem om consumenten in de EU ertoe aan te zetten gezondere keuzes te maken;

19.

verzoekt de Commissie een actieplan op te stellen ter bevordering van de nomadische veeteelt in de EU;

20.

dringt aan op een alomvattende strategische agenda voor alle Europese maritieme sectoren om de decarbonisatie van de mariene industrieën en een duurzame aanpak van de visserij en de voedselproductie te ondersteunen, alsook om het concurrentievoordeel van de Europese maritieme regio’s te behouden;

21.

is van mening dat kustgemeenschappen moeten worden betrokken bij de uitstippeling van beleid voor een duurzaam beheer van de hulpbronnen van oceanen, teneinde mondiale uitdagingen op lokaal niveau aan te pakken;

22.

dringt aan op een geactualiseerde EU-bosstrategie voor de periode na 2020 om ervoor te zorgen dat beleid dat gevolgen heeft voor de bosbouw op EU-niveau wordt gecoördineerd en om het pad te effenen voor een EU-actieplan inzake ontbossing en bosdegradatie, teneinde het milieueffect van de consumptie van producten en grondstoffen in de EU te verminderen;

23.

steunt het Europees kankerbestrijdingsplan en benadrukt dat preventie, diagnose en behandeling meestal in de lokale gemeenschappen van patiënten plaatsvinden, waardoor een zinvolle betrokkenheid van lokale en regionale overheden essentieel is voor het welslagen van dit initiatief;

24.

verwacht dat een nieuwe farmaceutische strategie voor Europa de toegankelijkheid en betaalbaarheid van geneesmiddelen in alle regio’s van de EU zal verbeteren, de patiënten innovatie zal opleveren en het industriële leiderschap van Europa zal versterken;

25.

verzoekt de Commissie meer samen te werken op het gebied van ziekten die door vaccinatie kunnen worden voorkomen, en lokale en regionale overheden te betrekken bij de voorbereidende werkzaamheden die moeten leiden tot een Commissievoorstel betreffende een gemeenschappelijke vaccinatiekaart of een gemeenschappelijk vaccinatiepaspoort voor EU-burgers;

26.

herhaalt zijn oproep om het beginsel van “geen veilige blootstellingsdrempel” toe te passen op alle hormoonontregelende stoffen in het hele spectrum van EU-wetgeving en zou graag zien dat er een verbod komt op bifenylen en ftalaten in alle materialen die met levensmiddelen in aanraking komen;

27.

verzoekt de Commissie rampbestendigheid als een van de belangrijkste aspecten van duurzame ontwikkeling op te nemen en ervoor te zorgen dat hiermee in toekomstige EU-fondsen en -projecten rekening wordt gehouden en dat de capaciteit van lokale en regionale overheden op het gebied van rampenrisicovermindering, rampenparaatheid en rampenbeheersing wordt versterkt;

28.

verzoekt de Commissie in aansluiting op het Europees burgerinitiatief “Fairosene” een voorstel in te dienen voor een herziene energiebelasting waarmee subsidies voor fossiele brandstoffen worden afgeschaft, een duurzaam gelijk speelveld tussen verschillende vervoerswijzen wordt gewaarborgd en lagere belastingen voor duurzame energie mogelijk worden gemaakt zodat die goedkoper wordt dan fossiele energie, en dringt er bij de Raad op aan de voorgestelde wetgeving inzake de belasting over de toegevoegde waarde (btw) snel goed te keuren, zodat de lidstaten gerichter gebruik kunnen maken van de btw-tarieven om rekening te houden met de grotere ambities op milieugebied;

29.

benadrukt dat oneerlijke concurrentie van landen buiten de EU met minder klimaatambities moet worden vermeden. Het is erg jammer dat het voornemen van de Commissie om voor bepaalde sectoren een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens voor te stellen, niet in haar werkprogramma wordt genoemd;

30.

vindt het een goede zaak dat met het investeringsplan van de Commissie voor een duurzaam Europa wordt beoogd om in het komende decennium 1 biljoen EUR vrij te maken. Het CvdR betreurt het echter dat het plan zelf in de praktijk minder ambitieus lijkt te zijn — het bestaat grotendeels uit een herverpakking van reeds bestaande en eerder geplande maatregelen — en dat er geen extra middelen beschikbaar zijn;

31.

is ingenomen met het voornemen van de Commissie om, als gevolg van de lopende herziening van de regels en richtsnoeren inzake staatssteun, meer flexibiliteit te bieden ten behoeve van een rechtvaardige transitie van regio’s, en meer flexibiliteit voor investeringen in duurzaamheid;

32.

benadrukt de cruciale rol van het cohesiebeleid als het belangrijkste financieringsinstrument in de EU-begroting om de doelstellingen van de Green Deal te bereiken. Er moet ook bijzondere aandacht worden besteed aan de complementariteit en consistentie van de nieuwe fondsen voor een rechtvaardige transitie met de andere fondsen. Het CvdR bevestigt in dit verband dat de Cohesiealliantie de goedkeuring en implementatie van de cohesiebeleidsinitiatieven en het programmeringsproces zal blijven begeleiden;

33.

juicht het toe dat de Commissie een strategie voor duurzame en slimme mobiliteit wil voorstellen om de vervoerssector te moderniseren en te vergroenen, en onderstreept dat het financieren van vervoersinfrastructuur en onderzoek gekoppeld moet worden aan duurzaamheidsfactoren. Het CvdR bevestigt dat het bereid is samen met de betrokken diensten van de Commissie praktische oplossingen te ontwikkelen om het koolstofvrij maken van de mobiliteit in de stedelijke en landelijke gebieden van de Unie te stimuleren en te faciliteren;

34.

verzoekt de Commissie het algemene beheerssysteem van het cohesiebeleid op alle bestuursniveaus te vereenvoudigen om de administratieve lasten voor de beheersautoriteiten en de begunstigden te verminderen, met als doel de financiering toegankelijker en doeltreffender te maken; verzoekt de Commissie bovendien om ter aanvulling op de bbp-indicator een bijkomende reeks indicatoren, zoals de index van de sociale vooruitgang, goed te keuren teneinde de reële sociaal-economische ontwikkeling van regio’s beter te weerspiegelen en de middelen van het cohesiebeleid eerlijker te verdelen; benadrukt dat de resultaten van door de EU gefinancierde projecten zichtbaarder moeten worden om hun voordelen voor het dagelijks leven van de Europeanen beter onder de aandacht te brengen;

Aanpak van de digitale transitie

35.

wijst op het belang van territoriale perspectieven voor de eengemaakte markt en op de absolute noodzaak van de bevordering van digitale cohesie. Het CvdR vindt daarom dat de oprichting van een netwerk van digitale-innovatiehubs voor alle regio’s voldoende dekking moet bieden;

36.

is van mening dat het bestaande EU-regelgevingskader voor de deel- of platformeconomie een grondige actualisering vereist. Het CvdR verwacht met name dat de “wet inzake digitale diensten” de cruciale kwestie van de status van de platforms en de toegang tot gegevens aanpakt en de criteria van algemeen belang specificeert;

37.

kijkt uit naar de lancering in het derde kwartaal van 2020 van een lokale/regionale index van de digitale economie en samenleving (DESI);

38.

benadrukt dat de toekomstige investeringsbehoeften met het oog op de ontwikkeling van breedbandconnectiviteit op lokaal en regionaal niveau moeten worden bepaald en stelt voor om samen met de Commissie en de Europese Investeringsbank nieuwe financierings- en steunmogelijkheden voor ICT-infrastructuur te ontwikkelen in achtergebleven gebieden;

39.

steunt de uitvoering en actualisering van de Europese vaardighedenagenda en de update van het actieplan voor digitaal onderwijs;

40.

dringt bij de Commissie aan op een herziening van het EU-regelgevingskader voor kunstmatige intelligentie, want dit is belangrijk voor onderzoek en innovatie, alsook voor openbare diensten. Deze herziening moet uitgaan van een op de mens gerichte benadering van technologische ontwikkeling en moet ervoor zorgen dat de Europese waarden en beginselen geëerbiedigd worden en dat de Europeanen volledig de controle over hun persoonsgegevens behouden;

41.

juicht het toe dat nadruk wordt gelegd op “betere cyberbeveiliging” en verzoekt de Commissie om bij al haar overwegingen rekening te houden met de systemen die door lokale en regionale overheden worden beheerd;

42.

is van mening dat een uitgebreide langetermijnstrategie voor de Europese industrie van essentieel belang is. Deze strategie moet de digitale transitie ondersteunen, alle industrietakken in staat stellen optimaal bij te dragen aan de totstandbrenging van een klimaatneutrale en circulaire economie, en voortbouwen op een plaatsgebonden aanpak die gericht is op het versterken en verbinden van regionale ecosystemen;

43.

kijkt uit naar het verslag over de belemmeringen voor de eengemaakte markt en verwacht dat dit een duidelijk en volledig beeld zal geven van de ernstigste belemmeringen die Europese bedrijven — met name kleine en middelgrote ondernemingen — en het publiek ervan weerhouden om van alle mogelijkheden van de eengemaakte markt te profiteren. Voorts verzoekt het CvdR de Commissie maatregelen voor te stellen om de in kaart gebrachte belemmeringen uit de weg te ruimen en het algemene EU-regelgevingskader te vereenvoudigen. Het CvdR onderstreept dat slimme specialisatie van cruciaal belang is om belangrijke EU-opdrachten zoals de aanpassing aan de klimaatverandering en de industriële transitie te koppelen aan lokale en regionale innovatie-ecosystemen en pleit voor nauwe samenwerking tussen het CvdR, de Commissie en het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (Joint Research Centre, JRC) om dit concept kracht bij te zetten;

44.

vindt dat onderzoeks- en innovatieactiviteiten, ondersteund door het omvangrijke programma Horizon Europa en vele nationale financieringsinstrumenten, er ook voor moeten zorgen dat geen enkele regio of stad achterblijft en dat talent en investeringen met een hoge toegevoegde waarde niet op de onlangs waargenomen schaal wegstromen van Europese perifere regio’s naar grote steden en gevestigde industrieregio’s;

Over sociale en economische hervormingen

45.

steunt het algemene streven naar een sterk sociaal Europa voor rechtvaardige transitie en is voornemens bij te dragen aan de volledige territoriale uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten en aan de bevordering van fatsoenlijk werk voor iedereen dat de essentiële basis vormt voor rechtvaardige en duurzame sociaal-economische ontwikkeling, met inbegrip van de voorstellen die zijn aangekondigd voor het reguleren van platformwerk, het vaststellen van een minimumloon, het invoeren van een Europees systeem van herverzekering van werkloosheidsuitkeringen, het ondersteunen van omscholing, het versterken van de jongerengarantie en het implementeren van de kindergarantie;

46.

verzoekt de Commissie gevolg te geven aan de conclusies van het Finse voorzitterschap over een “economie van welbevinden”, waarin het welzijn van de burgers niet alleen als intrinsiek goed maar ook als aanjager van macro-economische groei en vooruitgang wordt beschouwd;

47.

is ermee ingenomen dat de Commissie aan het Europees sociaal scorebord een regionale dimensie heeft toegevoegd, en pleit voor meer gelijksoortige inspanningen in de toekomst door nauwer met de lidstaten samen te werken;

48.

dringt aan op een actieplan voor de sociale economie, waarin onder meer een horizontale wettelijke definitie van “sociale onderneming” wordt voorgesteld en wordt voorzien in een Europees statuut voor sociale en solidaire ondernemingen;

49.

is tevreden over de mededeling van de Commissie en de lancering van een openbare raadpleging over de herziening van het kader voor economische governance, met inbegrip van het stabiliteits- en groeipact (SGP). Deze herziening van de economische governance van de EU biedt een welkome kans om de begrotingsregels van de EU te verbeteren door een gulden regel in te voeren voor duurzame investeringen, met inbegrip van de financiële middelen die in het kader van de structuur- en investeringsfondsen zijn geoormerkt voor de uitvoering van de Green Deal;

50.

herhaalt de in zijn advies van 4 december 2019 gedane oproep aan de Commissie om in het kader van het steunprogramma voor structurele hervormingen en het nieuwe steunprogramma voor hervormingen prioriteit te geven aan verbetering van de bestuurlijke capaciteit van lokale en regionale overheden (3);

51.

benadrukt dat er gewerkt moet blijven worden aan de verdieping van de EMU, met name door de bankenunie te voltooien en genoeg begrotingsmiddelen uit te trekken voor het begrotingsinstrument voor convergentie en concurrentievermogen (BICC), maar ook door vooruitgang te boeken met de invoering van een Europees systeem van herverzekering van werkloosheidsuitkeringen;

52.

herhaalt zijn pleidooi voor een nieuwe mededeling over duurzaam toerisme in Europa;

Een sterker Europa in de wereld

53.

juicht het voornemen van de Commissie toe om na de volgende WTO-ministersconferentie in juni 2020 een breed initiatief te lanceren om de WTO te hervormen. Dit is des te belangrijker gelet op de internationale tendens naar meer protectionisme en ondersteuning van internationale ondernemingen met overheidssubsidies. Positief is daarom ook het voorgestelde witboek over een instrument voor buitenlandse subsidies;

54.

is bezorgd dat uit het ontwerp van tussentijds verslag over de duurzaamheidseffectbeoordeling van de handelsovereenkomst met Mercosur blijkt dat de productie en dienstverlening in de EU het meeste baat zullen hebben bij deze overeenkomst, maar dat de landbouw en de plattelandsgebieden in de EU het hardst zullen worden getroffen door de verwachte negatieve effecten ervan;

55.

wijst erop dat de lokale en regionale overheden bijdragen aan de versterking van goed bestuur en de lokale democratie in de buurlanden van de EU, en verzoekt de Commissie om het financiële steunpakket voor lokale en regionale overheden in de partnerlanden te verhogen, met name ten gunste van initiatieven voor peer-to-peer-capaciteitsopbouw, in overeenstemming met de uitkomsten van de evaluatie van de EU-steun voor lokale en regionale overheden in uitbreidings- en buurlanden (2010-2018);

56.

is ingenomen met het aangekondigde actieplan voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in de externe betrekkingen en draagt zelf bij aan de verwezenlijking van de doelstellingen ervan door in de Euromediterrane Vergadering van lokale en regionale overheden (Arlem) aandacht te vragen voor de versterking van de positie van vrouwen;

57.

spoort de Commissie en de lidstaten aan om steun te verlenen aan grensoverschrijdende-samenwerkingsinitiatieven van lokale en regionale overheden uit de EU en partnerlanden, zoals Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS’s) en Europese macroregionale strategieën;

58.

is van mening dat het uitbreidingsproces moet worden voortgezet en een prioriteit van de EU moet blijven en dat de lokale en regionale overheden uit de uitbreidingslanden nog meer bij de voorbereiding van de EU-toetreding van hun land moeten worden betrokken. Bij de herziening van de methode voor de toetredingsonderhandelingen moet met dit verzoek rekening worden gehouden. Het CvdR beoogt via de werkzaamheden van zijn gemengd raadgevende comités kandidaat-lidstaten te helpen om vóór hun toetreding tot de EU vertrouwd te raken met de voornaamste EU-beleidsgebieden;

59.

beaamt dat het Oostelijk Partnerschap, in het licht van de raadpleging over de toekomst ervan, moet worden verstevigd, en blijft zich inzetten om de doelstellingen ervan niet alleen in hoofdsteden, maar op alle bestuursniveaus die het dichtst bij de burgers staan uit te dragen;

60.

onderstreept dat lokale en regionale actoren en hun decentrale-samenwerkingsinitiatieven een grote rol spelen bij de verwezenlijking van de Agenda 2030 en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen; roept de Commissie op om die initiatieven permanent te ondersteunen en er meer bekendheid aan te geven;

61.

betreurt het dat in het werkprogramma voor 2020 niet wordt verwezen naar de zuidelijke buurlanden; wijst erop dat de verklaring van Barcelona dit jaar een kwarteeuw oud is en verzoekt de Commissie deze unieke gelegenheid aan te grijpen om een vernieuwde EU-agenda voor de zuidelijke buurlanden voor te stellen, teneinde te komen tot een innovatieve, interculturele en inclusieve mediterrane gemeenschap en regio die het hoofd kunnen bieden aan de tussen nu en 2030 verwachte nieuwe uitdagingen;

62.

wijst nogmaals op de noodzaak om platforms voor e-leren te stimuleren, de beschikbaarheid van open onlinecursussen op het gebied van civiele bescherming te vergroten en de vorming van kennis- en competentienetwerken te bevorderen; spreekt in dit verband zijn krachtige steun uit voor de oprichting en uitrol van het kennisnetwerk op het gebied van Europese civiele bescherming;

Over Europese waarden

63.

verzoekt de Commissie om de bestaande instrumenten van de EU voor het toezicht op en de bescherming van de rechtsstaat te versterken en indien mogelijk één horizontaal toezichtsmechanisme voor de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten te ontwikkelen. Voor de toepassing van dat mechanisme zouden zo veel en zo divers mogelijke bronnen moeten worden benut, waaronder lokale en regionale overheden, het maatschappelijk middenveld en individuele burgers;

64.

dringt er bij de Commissie op aan om steun te blijven geven voor zowel de uitwisseling van goede praktijkvoorbeelden en ervaringen tussen verschillende bestuursniveaus in de strijd tegen populisme en extremisme als voor de bevordering van een cultuur van mensenrechten, en die steun aan te vullen met financiering, deskundigheid en praktische richtsnoeren voor nationale, regionale en lokale overheden om de democratie te beschermen;

65.

kijkt uit naar het initiatief voor een nieuw migratie- en asielpact en wijst op de dringende noodzaak van een alomvattende aanpak van het migratie-, integratie- en asielbeleid op basis van respect voor de fundamentele mensenrechten en solidariteit. Tegelijkertijd moet de EU zich blijven inspannen voor de bescherming van haar buitengrenzen om illegale migratie te voorkomen en mensenhandel te bestrijden;

66.

staat achter de publicatie van een nieuw actieplan voor integratie en inclusie en benadrukt dat de lokale en regionale overheden een fundamentele rol spelen bij het bevorderen van integratie; is ingenomen met de recente geleidelijke verhoging van de rechtstreeks voor lokale overheden toegankelijke steun van de Commissie en pleit voor verdere verhoging van deze steun en voor meer rechtstreekse, eenvoudige financiering voor lokale en regionale overheden voor de opvang en integratie van reguliere migranten en vluchtelingen; zet zich in voor nog intensievere samenwerking tussen het CvdR, de Commissie en de andere partners van het initiatief en netwerk “Steden en regio’s voor integratie”;

67.

juicht het voornemen van de Commissie toe om in nauwe samenwerking met de regionale en nationale overheden de Europese onderwijsruimte tegen 2025 te realiseren; steunt de doelstelling om een ruimte voor scholing, studie en onderzoek zonder grenzen te creëren en benadrukt dat het noodzakelijk is om breincirculatie en remigratie te bevorderen;

68.

onderstreept dat de nieuwe Europese agenda voor cultuur zorgt voor een aanvulling en versterking van de Europese identiteit — die boven op nationale en regionale identiteiten komt — door de culturele en taalkundige verscheidenheid in Europa te erkennen en de Europese culturele en creatieve sectoren en hun betrekkingen met partners buiten Europa te stimuleren; moedigt de Commissie aan om het Unesco-erfgoedinitiatief voor de EU te ondersteunen, dat bedoeld is om werelderfgoed in te zetten als instrument ter vergroting van de economische en sociale duurzaamheid van plattelandsgebieden in Europa;

69.

verwelkomt de langverwachte nieuwe veiligheidsstrategie en de richtlijn inzake bescherming van kritieke infrastructuur en dringt erop aan om alle initiatieven en strategieën van lokale en regionale overheden op het gebied van civiele bescherming daarin op te nemen;

Versterking van de Europese democratie

70.

is ingenomen met de erkenning door de Commissie van de rol die de subnationale bestuursniveaus in het democratische bestel van de Unie spelen; bekrachtigt opnieuw de sterke wil van de Europese regio’s en steden om als volwaardige partners aan de Europese democratie en besluitvorming deel te nemen en bij te dragen aan de toepassing van de beginselen van multilevel governance, actieve subsidiariteit en evenredigheid;

71.

juicht de op handen zijnde conferentie over de toekomst van Europa toe. Door het CvdR actief te betrekken bij de bestuursorganen en de plenaire vergaderingen van die conferentie krijgt het hele proces meer waarde en worden de lokale en regionale overheden en de burgers in staat gesteld een betekenisvolle dialoog met de EU aan te gaan, hetgeen moet leiden tot concrete voorstellen om de doeltreffendheid en de democratische werking van de EU te verbeteren;

72.

staat positief tegenover de toezegging van de Commissie om op een transparante en efficiënte manier beleid te voeren en ervoor te zorgen dat beleid tastbare voordelen oplevert zonder tot buitensporige administratieve lasten te leiden; herhaalt zijn algemene steun voor de agenda voor betere regelgeving en gaat ervan uit dat het “één erbij, één eraf”-principe niet werktuigelijk wordt toegepast; kijkt ernaar uit om de samenwerking met de Commissie verder uit te bouwen via zijn netwerk van regionale hubs voor de evaluatie van de uitvoering van het EU-beleid in de praktijk;

73.

wijst op het belang van een sterke coördinerende rol voor de Commissie bij de uitvoering van de stedelijke agenda van de EU; beschouwt een vernieuwd Handvest van Leipzig als een verdere stap om de stedelijke agenda van de EU te koppelen aan de agenda voor betere regelgeving van de Commissie en de Green Deal;

74.

pleit voor een overkoepelende Europese strategie inzake demografische verandering, waaraan het wil bijdragen door de gevolgen van demografische ontwikkelingen voor verschillende groepen mensen en regio’s te analyseren;

75.

juicht de instelling van een Europese commissaris voor gelijkheid toe; herinnert eraan dat de lokale en regionale overheden een cruciale rol spelen bij de realisering van gendergelijkheid, met name wat betreft gelijk loon voor gelijk werk, gelijke verdeling van zorgtaken, naar behoren betaald ouderschaps- en zorgverlof, verkleining van de loon- en pensioenkloof, genderbudgettering en uitbanning van geweld tegen vrouwen; roept op tot concrete maatregelen op deze gebieden als manier om de positie van vrouwen te versterken, te beginnen op lokaal en regionaal niveau;

76.

draagt zijn voorzitter op om deze resolutie aan de Europese Commissie, het Europees Parlement, de Kroatische en Duitse voorzitterschappen van de Raad van de EU en de voorzitter van de Europese Raad toe te sturen.

Brussel, 12 februari 2020.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Apostolos TZITZIKOSTAS


(1)  COM(2020) 37 final.

(2)  Zie de EP-resolutie van 3 oktober 2018 over inspelen op de specifieke behoeften van plattelands-, bergachtige en afgelegen gebieden.

(3)  https://webapi2016.cor.europa.eu/v1/documents/cor-2019-02043-00-01-ac-tra-nl.docx/content


ADVIEZEN

Comité van de Regio's

138e CvdR-zitting, 11.2.2020-12.2.2020

29.4.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 141/15


Advies van het Europees Comité van de Regio’s over de versterking van de rechtsstaat in de Unie — Een blauwdruk voor actie

(2020/C 141/04)

Rapporteur:

Franco IACOP (IT/PSE), lid van de regioraad van Friuli-Venezia Giulia

Referentiedocument:

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Versterking van de rechtsstaat binnen de Unie — Een blauwdruk voor actie — COM(2019) 343 final

BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

Algemene opmerkingen

1.

is ingenomen met het Commissievoorstel, waarin de rechtsstaat erkend en gewaardeerd wordt als een eerste vereiste voor het Europese integratieproces en als een EU-kernwaarde die in de Verdragen is bevestigd en die de grondwettelijke tradities van de lidstaten gemeen hebben. Het Europees Comité van de Regio’s (CvdR) benadrukt dat de door de Commissie aangegeven initiatieven om de beginselen van de rechtsstaat te bevorderen, mogelijke schendingen van deze beginselen te voorkomen en voor een evenredige reactie bij niet-naleving van deze beginselen te zorgen, een positieve aanvulling vormen op het huidige systeem.

2.

Het CvdR onderschrijft dat het toezicht op de naleving van de rechtsstaat, hoewel in de eerste plaats een zaak van de afzonderlijke lidstaten, een gedeelde verantwoordelijkheid van de lidstaten en de Unie is. Artikel 2 VEU biedt een heldere rechtsgrondslag voor de uitoefening van dit toezicht door de instellingen van de Europese Unie.

3.

Bij de versterking van de rechtsstaat spelen ook het maatschappelijk middenveld en de lokale en regionale overheden een belangrijke rol; zij zijn essentieel voor de democratische legitimiteit en moeten voortdurend zorgen voor het bevorderen van een rechtsstaatcultuur en het toezicht op de naleving van de daaraan verbonden beginselen. Lokale en regionale overheden kunnen aan de door de Commissie voorgestelde voorlichtingsactiviteiten bijdragen en ook fungeren als informatiebron voor het toezicht dat de Commissie wil uitoefenen. Op zijn beurt kan het CvdR de inspanningen van lokale en regionale overheden ter versterking van de rechtsstaat faciliteren en coördineren, bijvoorbeeld door hen aan te moedigen om over partijgrenzen heen afspraken te maken over aspecten van de lokale democratie waarover niet kan worden onderhandeld en die, mochten ze worden aangevallen, gezamenlijk zullen worden verdedigd.

4.

Eerbiediging van de rechtsstaat moet in ieders belang worden gegarandeerd, want anders kunnen de mensen niet genieten van de fundamentele rechten en vrijheden die ze op grond van het EU-recht hebben. Versterking van de rechtsstaat in de lidstaten komt neer op het versterken van de rechten die elke persoon worden gegarandeerd.

5.

Een alomvattend systeem van bescherming van de rechtsstaat vereist controle op de lidstaten, maar ook toezicht op de instellingen van de Unie. Het CvdR is in dit verband van mening dat het door de Unie opgezette systeem van toezicht op de naleving van de rechtsstaat moet worden aangevuld met mechanismen van buiten de Unie zelf. Het CvdR beseft dat er juridische problemen moeten worden overwonnen, maar is niettemin verheugd over het voornemen van de Commissie om het proces van toetreding van de EU tot het EVRM (artikel 6, lid 2, VEU) opnieuw op gang te brengen.

6.

Het is een goede zaak dat in de mededeling nauwkeurig staat vermeld welke elementen de rechtsstaat kenmerken, zoals de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, de bescherming van de grondrechten, de aanwezigheid van een actief maatschappelijk middenveld en pluralisme in de media. Deze kenmerken zijn van essentieel belang om wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten, een goed werkende Unie, loyale samenwerking tussen de Unie en de lidstaten en vooral de volledige eerbiediging van de rechten die de burgers ontlenen aan het EU-rechtsstelsel te waarborgen.

7.

Eerbiediging van de rechtsstaat, waarborging van de grondrechten en naleving van de democratische beginselen zijn nauw met elkaar verbonden en van elkaar afhankelijk en moeten op alle bestuursniveaus gerespecteerd, beschermd en versterkt worden. Het CvdR verzoekt de Commissie dan ook ervoor te zorgen dat bij de mechanismen ter bescherming van de rechtsstaat, met name het systeem van jaarlijkse monitoring, terdege rekening wordt gehouden met het risico dat in de lidstaten op alle bestuursniveaus de grondrechten worden geschonden en van de democratische beginselen wordt afgeweken.

8.

Bij de beoordeling van de naleving van de beginselen van de rechtsstaat door de lidstaten dient de Commissie ook rekening te houden met de bijzondere kenmerken en rechtstradities van de nationale stelsels.

9.

Het CvdR herinnert eraan dat EU-burgers het recht hebben om zich tot de rechter te wenden, die onafhankelijk moet zijn en dat ook moet laten blijken. Het behoort tot de bevoegdheid van de lidstaten om de organisatie en werking van de rechterlijke macht te bepalen, maar dat neemt niet weg dat de normen voor de efficiëntie van nationale gerechtelijke systemen en de onafhankelijkheidsgaranties van rechters die het EU-recht toepassen, gelijkwaardig moeten zijn. Het CvdR dringt er bij de Commissie op aan om te blijven toezien op mogelijke schendingen van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.

10.

Alle lidstaten moeten aan hetzelfde controleniveau worden onderworpen, zonder dat enig onderscheid wordt gemaakt op basis van aanvullende criteria.

11.

Vrije en pluralistische media vormen essentiële onderdelen van de rechtsstaat. Het CvdR verzoekt de Commissie dan ook om mogelijke overheidsinmenging in de media voortdurend in de gaten te houden en om in geval van schending van de vrijheid van informatie op te treden met behulp van de instrumenten die haar door de Verdragen zijn toegekend.

12.

Het CvdR stelt vast dat de onafhankelijke en professionele uitoefening van de journalistiek wordt bedreigd, enerzijds doordat digitale platforms journalistieke inhoud overnemen zonder daarvoor te betalen, en anderzijds doordat mensen steeds vaker op sociale media zoeken naar informatie en nieuws, zonder echter te verifiëren of een en ander wel klopt. In veel gevallen blijkt het te gaan om informatie die ongecontroleerd of zelfs volledig ongegrond en gemanipuleerd is.

13.

Het is dan ook zaak om de teloorgang van de beroepsjournalistiek te voorkomen, onafhankelijke media van hoge kwaliteit financieel te ondersteunen, de onderzoeksjournalistiek te versterken en degenen die zich daarmee bezighouden te beschermen, en werk te maken van systemen waarmee kan worden nagegaan of nieuws dat via onlineplatforms wordt verspreid wel betrouwbaar is. De monitoringinitiatieven die de Commissie reeds heeft ontplooid, zouden benut en versterkt moeten worden.

14.

Ernstige bedreigingen van de rechtsstaat kunnen niet alleen door de overheid worden veroorzaakt, maar ook door grote particuliere economische actoren die actief zijn in de media en de digitale economie. De Commissie mag niet voorbijgaan aan de risico’s die de digitale economie met zich mee kan brengen voor het pluralisme in de media, het recht op correcte en geverifieerde informatie en de vrije uitoefening van het stemrecht. Een speciaal onderdeel van het door de Commissie voorgestelde jaarverslag zou kunnen worden gewijd aan de risico’s van schendingen door niet-overheidsactoren.

Verzoek om rekening te houden met de resolutie van het CvdR van 22 en 23 maart 2017

15.

Het CvdR verzoekt de Commissie om bij de implementatie van haar voorstellen zo veel mogelijk rekening te houden met de criteria die het heeft geformuleerd in zijn resolutie van 22 en 23 maart 2017 over de rechtsstaat in de EU vanuit lokaal en regionaal perspectief.

16.

Eerbiediging van de beginselen van de rechtsstaat vereist dat corruptie doeltreffend wordt bestreden en dat de financiële middelen van de EU correct en transparant worden gebruikt. Fraude bij het beheer van deze middelen moet onmiddellijk aan de gerechtelijke activiteiten worden gemeld en op alle niveaus streng worden vervolgd.

17.

Het CvdR is ermee ingenomen dat de beginselen van de rechtsstaat kunnen worden versterkt aan de hand van procedures waarmee de toekenning van EU-middelen afhankelijk wordt gesteld van de volledige naleving van deze beginselen.

18.

Belangrijk is om te voorkomen dat de mechanismen voor het toezicht op de naleving van de rechtsstaat gepercipieerd kunnen worden als een sanctie voor gemeenschappen op nationaal, regionaal en lokaal niveau en dat het gevoel van verbondenheid van deze gemeenschappen met het gemeenschappelijke Europese huis wordt geschaad.

19.

Als er gekort wordt op de financiële middelen van de EU die bestemd zijn voor lokale en regionale overheden zou dat kunnen betekenen dat bestuursniveaus die niet verantwoordelijk zijn voor de door de Commissie aangevochten schendingen van de beginselen van de rechtsstaat, worden bestraft. Zo’n vermindering van de financiering zou door de begunstigden en, meer in het algemeen, door de burgers van de betrokken gemeenschappen kunnen worden opgevat als een ongerechtvaardigde sanctie, omdat zij geen verband houdt met specifieke schendingen bij de uitvoering van gefinancierde projecten. Zulke maatregelen zouden daarmee een gevoel van vijandigheid jegens de EU-instellingen kunnen aanwakkeren.

20.

Het CvdR is daarom van mening dat voorwaardelijkheid van de middelen een oplossing moet zijn die alleen mag worden gebruikt in geval van ernstige en systematische schendingen. In gevallen waarin een dergelijke maatregel wordt goedgekeurd, moet de publieke opinie van de betrokken gemeenschappen duidelijk worden gewezen op de grote verantwoordelijkheid van de autoriteiten die de vermindering van de middelen hebben veroorzaakt.

21.

Hoe dan ook moet prioritair worden ingezet op mechanismen voor politieke dialoog en monitoring waarbij de lidstaten op voet van gelijkheid worden behandeld en waarmee schendingen van de rechtsstaat kunnen worden voorkomen.

Evaluaties van het jaarlijkse systeem voor toezicht op de eerbiediging van de rechtsstaat

22.

Het beginsel van gelijke behandeling van alle lidstaten vormt het uitgangspunt van het hele Europese integratieproces. In dit licht is het CvdR ingenomen met het voorstel om voor alle lidstaten een systeem van jaarlijkse monitoring in te voeren.

23.

Een dergelijke monitoring die op alle lidstaten betrekking heeft, toont duidelijk aan dat de Unie beoogt om gemeenschappelijke waarden te verdedigen en niet om de organisatiemodellen van de staatsinstellingen die door de afzonderlijke lidstaten in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden zijn vastgesteld, ter discussie te stellen. Met een horizontale controle is het bovendien vanzelfsprekend dat er in elke lidstaat min of meer significante afwijkingen van de beginselen van de rechtsstaat kunnen voorkomen.

24.

Het is belangrijk dat de lidstaten in passende mate deelnemen aan de opzet van het systeem voor toezicht op de rechtsstaat en aan het toezichtproces zelf.

25.

De nieuwe Commissie zou de toepassing van het jaarlijkse monitoringsysteem als een prioriteit moeten beschouwen. Het CvdR roept de Commissie dan ook op om onmiddellijk actie te ondernemen en de nodige financiële en personele middelen ter beschikking te stellen. Tevens moeten er in de afzonderlijke lidstaten onverwijld contactpunten worden aangewezen, die ook de lokale en regionale overheden en het maatschappelijk middenveld bij hun werkzaamheden moeten betrekken.

26.

Om goed te kunnen monitoren, is er behoefte aan objectieve en transparante criteria. Bij de ontwikkeling daarvan speelt de jurisprudentie van het Hof van Justitie een vooraanstaande rol. Het CvdR stelt voor dat de in het justitiescorebord gebruikte regelingen verder worden ontwikkeld, dat de door de Commissie van Venetië opgestelde lijst criteria ter beoordeling van de rechtsstaat gebruikt en aangescherpt wordt, en meer in het algemeen dat wordt voortgebouwd op de ervaringen van de organen van de Raad van Europa.

27.

In overeenstemming met de resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2016 benadrukt het CvdR dat er coördinatie nodig is en dat de op EU-niveau reeds bestaande evaluatie-instrumenten op het gebied van rechtsstaat, democratie en grondrechten waar mogelijk geïntegreerd moeten worden in één enkel toezichtmechanisme.

28.

Het is zeer belangrijk dat het toezicht wordt gebaseerd op een systeem waarmee mogelijke schendingen gemeld kunnen worden door zo veel mogelijk relevante bronnen, waaronder de lokale en regionale overheden, de academische wereld, maar ook door particulieren en maatschappelijke organisaties.

29.

Het CvdR is het ermee eens dat de Commissie de regie over het toezichtsysteem moet hebben, maar vraagt zich wel af welke rol het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten bij de jaarlijkse monitoring kan en moet spelen. Het CvdR verzoekt de Commissie na te gaan of het mandaat van dit Bureau moet worden gewijzigd om het potentieel ervan ten volle te benutten.

Concrete voorstellen om het CvdR en de lokale en regionale overheden nauwer bij de versterking van de rechtsstaat in de EU te betrekken

30.

Het CvdR, de lokale en regionale overheden en het maatschappelijk middenveld zouden meer moeten worden betrokken bij de bevordering van een cultuur van respect voor de rechtsstaat.

31.

Het door de Commissie voorgestelde jaarlijkse evenement ter bevordering van de rechtsstaat zou het sluitstuk moeten zijn van een reeks bijeenkomsten op regionaal en nationaal niveau, die moeten uitmonden in een gezamenlijk evenement op EU-niveau. Het CvdR roept de Commissie dan ook op om, in samenwerking met de lokale en regionale overheden en de lidstaten, voorafgaand aan en ter voorbereiding van dit jaarlijkse evenement regionale bijeenkomsten over de rechtsstaat te organiseren.

32.

Het jaarlijkse evenement hoeft niet per se in Brussel plaats te vinden, maar kan ook bij toerbeurt in een andere Europese stad of regio worden gehouden. Het CvdR stelt in dit verband voor dat de Commissie elk jaar een “stad van de rechtsstaat” aanwijst die gastheer van het jaarlijkse evenement optreedt.

33.

De financiële middelen die thans in het meerjarig financieel kader worden uitgetrokken voor het maatschappelijk middenveld en onafhankelijke media moeten aanzienlijk worden verhoogd. Een deel van deze middelen moet naar lokale media gaan.

34.

Bij de door de Commissie voorgestelde activiteiten op het gebied van bevordering en toezicht zouden volgens het CvdR niet alleen Europese justitiële netwerken, maar ook ordes en verenigingen van advocaten moeten worden betrokken. Op lokaal niveau wordt de advocaat gezien als eerste dam tegen mogelijke misbruiken en schendingen van de rechtsstaat en de grondrechten. Verenigingen van advocaten zijn bovendien over de hele Unie verspreid en op alle bestuurslagen (d.w.z. op lokaal, regionaal, nationaal en EU-niveau) actief.

35.

Ook ombudsmannen, die op lokaal en regionaal niveau wijdverbreid zijn, zouden bij de door de Commissie voorgestelde activiteiten op het gebied van bevordering en monitoring een rol moeten krijgen. Deze waarborgende instanties moeten worden betrokken bij het verzamelen van informatie, alsmede bij regionale bijeenkomsten en evenementen om de beginselen van de rechtsstaat te bevorderen.

36.

Het CvdR is zeer te spreken over het voornemen van de Commissie om universiteiten en onderzoekscentra te steunen bij de bestudering van vraagstukken in verband met de rechtsstaat. Er zouden de nodige middelen moeten worden toegekend aan onderzoekers die werkzaam zijn in lidstaten waar de beginselen van de rechtsstaat, op basis van bepaalde parameters, meer gevaar lopen. Voor financiering in aanmerking komende activiteiten moeten onder meer betrekking hebben op de verspreiding van deze beginselen onder regionale en lokale gemeenschappen, waarbij ook maatschappelijke organisaties moeten worden betrokken.

37.

In het kader van het beheer van EU-fondsen moeten duizenden lokale bestuurders en andere betrokkenen zich de regels en strategieën van de EU eigen maken. Het CvdR vindt dat lokale en regionale overheden die EU-fondsen beheren, hun ambtenaren ook moeten opleiden inzake kwesties die verband houden met de rechtsstaat.

38.

Het CvdR heeft ervaring met het onder de aandacht brengen van EU-beleid en zou dan ook — met steun van de Europese Commissie en in samenwerking met het EESC — opleidingsactiviteiten voor lokale ambtenaren en andere betrokkenen kunnen organiseren, waarbij gezorgd wordt voor coördinatie met bestaande initiatieven.

39.

Het CvdR stelt met name voor dat wordt onderzocht of het nuttig is een proefproject op te zetten waarbij een lijst criteria voor de beoordeling van de rechtsstaat (op basis van de door de Commissie van Venetië opgestelde lijst) wordt toegepast op een geselecteerde groep lokale en regionale overheden. Binnen de grenzen van de middelen waarover de instelling beschikt, zou bij een dergelijk initiatief kunnen worden uitgegaan van een model dat reeds door het CvdR wordt gehanteerd, bijvoorbeeld in het kader van het netwerk voor subsidiariteitstoezicht of de regionale hubs. Een beperkt aantal steden en regio’s zou op vrijwillige basis kunnen nagaan of hun autoriteiten en instanties de beginselen van de rechtsstaat in acht nemen. Het CvdR zou een lijst met te gebruiken parameters kunnen opstellen en de zelfbeoordelingsactiviteiten van lokale en regionale overheden kunnen coördineren, waarbij lokale partners zoals universiteiten, ombudsmannen, ordes van advocaten en maatschappelijke organisaties zouden moeten worden betrokken.

Conclusies

40.

In het licht van bovenstaande overwegingen brengt het CvdR het volgende naar voren:

het verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat bij de mechanismen ter bescherming van de rechtsstaat, met name het systeem van jaarlijkse monitoring, terdege rekening wordt gehouden met het risico dat in de lidstaten de grondrechten worden geschonden en van de democratische beginselen wordt afgeweken, ook op regionaal en lokaal niveau;

het roept de Commissie op om ermee door te gaan dat er voortdurend toezicht wordt gehouden op mogelijke schendingen van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en mogelijke overheidsinmenging in de media;

het stelt voor dat de reeds door de Commissie ontplooide initiatieven op het gebied van mediamonitoring worden benut en versterkt;

het zou graag zien dat de financiële middelen die thans in het meerjarig financieel kader worden uitgetrokken voor het maatschappelijk middenveld en onafhankelijke media aanzienlijk worden verhoogd, en dat een deel van deze middelen naar onafhankelijke lokale media gaat;

het stelt voor om in het jaarverslag over de rechtsstaat een speciaal onderdeel te wijden aan de risico’s van schendingen door niet-overheidsactoren, met name door grote particuliere economische actoren die actief zijn in de digitale economie;

het zou graag zien dat gevolg wordt gegeven aan het voornemen om het toetredingsproces van de Unie tot het EVRM te hervatten;

het geeft in overweging dat voorwaardelijkheid van de middelen een oplossing zou moeten zijn die alleen mag worden gebruikt in geval van ernstige en systematische schendingen en roept ertoe op om ervoor te zorgen dat lokale en regionale overheden niet ten onrechte worden getroffen door sancties;

het verzoekt de Commissie de implementatie van het systeem voor monitoring van de lidstaten als een prioriteit te beschouwen en voldoende financiële en personele middelen toe te wijzen voor de invoering van dit nieuwe instrument;

het verzoekt gevolg te geven aan de voorstellen in dit advies, die bedoeld zijn om het CvdR, de lokale en regionale overheden en het maatschappelijk middenveld nauwer te betrekken bij de bevordering van een cultuur van respect voor de rechtsstaat.

Brussel, 12 februari 2020.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Apostolos TZITZIKOSTAS


29.4.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 141/20


Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het uitbreidingspakket 2019

(2020/C 141/05)

Rapporteur:

Jaroslav HLINKA (SK/PES), burgemeester van Košice-Zuid

Referentiedocumenten:

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Mededeling 2019 over het EU-uitbreidingsbeleid

COM(2019) 260 final; SWD(2019) 215 final; SWD(2019) 216 final; SWD(2019) 217 final; SWD(2019) 218 final; SWD(2019) 219 final; SWD(2019) 220 final

BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

Algemene opmerkingen

1.

neemt met grote belangstelling kennis van de mededeling van de Commissie over het uitbreidingsbeleid van de EU van 2019, haar landenverslagen over de kandidaat-lidstaten Albanië, Montenegro, Noord-Macedonië, Servië en Turkije, een verslag over Kosovo (*1) en, parallel daaraan, het advies over het verzoek van Bosnië en Herzegovina om lid te worden van de Europese Unie.

2.

Het CvdR staat volledig achter het standpunt van de Commissie dat uitbreiding in het eigen politieke, veiligheids- en economische belang van de Unie is en een geostrategische investering in vrede, stabiliteit, veiligheid en economische groei in heel Europa.

3.

Het CvdR verheugt zich erover dat de staatshoofden en regeringsleiders van de EU op de top tussen de EU en de Westelijke Balkan in mei 2018 in Sofia opnieuw hun ondubbelzinnige steun hebben uitgesproken voor het Europese perspectief voor de Westelijke Balkan, en dat de partners van de Westelijke Balkan van hun kant hebben bevestigd dat dit Europese perspectief hun duidelijke strategische keuze blijft.

4.

Het CvdR is ermee ingenomen dat met het Commissievoorstel tot vaststelling van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III) in het kader van het meerjarig financieel kader 2021-2027 wordt ingezet op een strategischer en dynamischer gebruik van de steun, die gericht wordt op de belangrijkste prioriteiten.

5.

De Commissie dient in dit verband met de nationale regeringen in de kandidaat-lidstaten en de potentiële kandidaat-lidstaten verder te werken aan specifieke instrumenten waardoor de lokale en regionale overheden in de Westelijke Balkan capaciteit kunnen opbouwen om de toegewezen middelen doeltreffend kunnen benutten, alsook aan manieren om iets te doen aan de structurele capaciteitstekorten op het gebied van cofinanciering en voorfinanciering bij de voorbereiding en uitvoering van door de EU gesteunde projecten.

6.

Het CvdR herhaalt dat in de landen van de Westelijke Balkan doeltreffende hervormingen op het gebied van openbaar bestuur, met inbegrip van begrotingsdecentralisatie, van essentieel belang zijn voor de bevordering van goed lokaal bestuur, voor lokale en regionale overheden die beter in staat zijn om samen met en ten behoeve van hun burgers hoogwaardige diensten te ontwikkelen en te bieden, voor de betrokkenheid van lokale en regionale overheden bij regionale samenwerking en goede nabuurschapsbetrekkingen, en voor de verwezenlijking van een ambitieuze Europese en mondiale agenda op het gebied van duurzame ontwikkeling en klimaatverandering.

Specifieke opmerkingen per land

7.

Het CvdR is verheugd over het historische Prespa-akkoord tussen Noord-Macedonië en Griekenland dat in juni 2018 een oplossing bood voor een naamsgeschil dat 27 jaar aansleepte.

8.

Het CvdR is ermee ingenomen dat in de Raad is gereageerd op de vorderingen van Albanië en Noord-Macedonië op de gebieden waarover in de conclusies van de Raad van juni 2018 unaniem overeenstemming werd bereikt, en is verheugd dat de Raad een traject heeft uitgezet om de toetredingsonderhandelingen met beide landen te openen.

9.

Het CvdR betreurt dat bij de lokale verkiezingen in Albanië van juni 2019 de oppositie werd geboycot en de opkomst laag was en herhaalt in dit verband dat het uitbreidingsproces gebaseerd is op verdiensten en afhankelijk is van de eerbiediging van de democratische beginselen en van andere criteria van Kopenhagen.

10.

Het CvdR is ernstig bezorgd over het feit dat verdere besluiten van de Raad over Albanië en Noord-Macedonië aanvankelijk werden uitgesteld van juni tot oktober 2019, en is zeer teleurgesteld over het door de Europese Raad in oktober 2019 genomen besluit om de start van de toetredingsonderhandelingen met Albanië en Noord-Macedonië, die beide blijk geven van een continue inzet voor hun Europese integratie, nog langer uit te stellen. Tevens betreurt het dat dit besluit niet is gebaseerd op afzonderlijke beoordelingen van de door elke kandidaat-lidstaat geboekte vooruitgang, en waarschuwt het dat het uitblijven van een positief signaal aan beide landen ook negatieve gevolgen op lokaal en regionaal niveau kan hebben. Het beveelt de Raad voorts aan om vóór de topbijeenkomst van de EU en de Westelijke Balkan in mei 2020 in Zagreb tot een positieve oplossing van deze kwestie te komen.

11.

Het CvdR staat volledig achter de resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2019 (1) over de opening van de toetredingsonderhandelingen met Noord-Macedonië en Albanië en dringt er bij de Raad met klem op aan te bedenken dat van een geloofwaardige uitbreidingsstrategie van de EU een motiverend effect moet uitgaan en dat moet worden voortgebouwd op de verwezenlijkte resultaten waarover alle partijen het eerder eens waren, zodat de betrokken landen een solide en realistisch vooruitzicht hebben.

12.

Het CvdR is bezorgd dat een gebrek aan vooruitgang bij het uitbreidingsproces de veiligheid en het welzijn van de EU rechtstreeks kan beïnvloeden, aangezien het alle landen van de Westelijke Balkan geleidelijk kan doen opschuiven naar derde partijen die hun invloed in de regio reeds trachten te vergroten, waaronder (maar niet alleen) Rusland en China.

13.

Het CvdR stelt met bezorgdheid vast dat Servië en Montenegro nog vastberadener moeten optreden op cruciale gebieden, met name tegen de polarisering van de politieke wereld, ook op lokaal niveau.

14.

Het CvdR dringt er bij alle politieke actoren en bestuursniveaus in Servië, Montenegro en Bosnië en Herzegovina op aan om nauw en in partnerschap samen te werken bij de uitvoering van de aanbevelingen ter verbetering van het lokale kiesstelsel van de OVSE/het ODIHR en deel te nemen aan de totstandbrenging van een transparant en inclusief lokaal politiek klimaat door middel van een partijoverschrijdend debat zonder politieke druk en intimidatie van politieke tegenstanders.

15.

Het CvdR vraagt de Commissie om in de toetredingsonderhandelingen met Servië de beschuldigingen van intimidatie van democratisch gekozen functionarissen die tot oppositiepartijen behoren (met name in de gemeenten Paraćin, Šabac and Čajetina) aan de orde te stellen.

16.

Het CvdR merkt op dat Bosnië en Herzegovina nog niet in voldoende mate voldoet aan de criteria van Kopenhagen en is het ermee eens dat de toetredingsonderhandelingen van start zouden moeten gaan zodra dat wel het geval is.

17.

Het CvdR herhaalt zijn diepe bezorgdheid en ontzetting over het feit dat Mostar de enige stad in Bosnië en Herzegovina is waar sinds 2008 geen gemeenteraadsverkiezingen hebben plaatsgevonden.

18.

Het CvdR dringt er, in het licht van het verzoek van Bosnië en Herzegovina om tot de EU toe te treden, bij de lokale politieke leiders in Mostar en ook op het niveau van de Federatie van Bosnië en Herzegovina met klem op aan om een einde te maken aan deze ongekende schending van de beginselen die zijn neergelegd in artikel 3 van het Europees Handvest inzake lokale autonomie, dat bindend is voor alle lidstaten van de Raad van Europa, inclusief Bosnië en Herzegovina.

19.

Een verdere electorale stilstand in Mostar zou feitelijk verhinderen dat Bosnië en Herzegovina kan toetreden tot de EU, aangezien er vanaf de toetreding sprake zou zijn van schending van artikel 40 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarbij EU-burgers actief en passief kiesrecht genieten bij gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijf houden.

20.

Het CvdR herinnert eraan dat de Commissie in juli 2018 heeft bevestigd dat Kosovo aan alle benchmarks voor visumliberalisering die door de Raad waren aangenomen had voldaan.

21.

Het CvdR is ingenomen met de steun die het Europees Parlement in september 2018 en maart 2019 heeft uitgesproken voor het voorstel van de Commissie voor visumliberalisering voor houders van een Kosovaars paspoort, die in september 2019 door de EP-commissie burgerlijke vrijheden in de nieuwe mandaatsperiode is herhaald.

22.

Het CvdR dringt er bij de Raad op aan om dringend werk te maken van de visumliberalisering met Kosovo, dat het enige land in de Westelijke Balkan blijft waarvan de burgers nog een visum nodig hebben om naar EU-landen te reizen.

23.

Het CvdR betreurt dat in Turkije de situatie op het gebied van fundamentele mensenrechten gestaag en sterk is verslechterd, met grote stappen achteruit op het gebied van de rechtsstaat en de grondrechten en met een verzwakking van effectieve controlemechanismen in het politieke systeem als gevolg van de inwerkingtreding van een grondwetswijziging.

24.

Het CvdR wijst op de conclusies van de Raad Algemene Zaken van juni 2018, waarin staat dat de toetredingsonderhandelingen met Turkije feitelijk tot stilstand zijn gekomen, dat het openen of sluiten van verdere hoofdstukken niet in overweging kan worden genomen en dat er momenteel geen verdere werkzaamheden omtrent de modernisering van de douane-unie EU-Turkije gepland kunnen worden. Het betreurt dat Turkije nog steeds niet voldoet aan de bepalingen van het aanvullend protocol bij de associatieovereenkomst met de EU en de Republiek Cyprus niet erkent. Voorts spreekt het in dit verband opnieuw zijn bezorgdheid en zijn aanbevelingen ten aanzien van Cyprus uit zoals het die uitvoerig in zijn advies over het uitbreidingspakket 2018 uiteengezet heeft. Voorts betreurt het dat, ondanks de herhaalde oproepen van de Europese Unie aan Turkije om zijn illegale activiteiten in het oostelijk Middellandse Zeegebied stop te zetten, Turkije zijn booractiviteiten in Cypriotische territoriale wateren voortzet, en bekrachtigt het dat het volledig solidair is met Cyprus wat betreft zijn internationale erkenning, zijn soevereiniteit en zijn rechten overeenkomstig het internationaal recht.

25.

Het CvdR wijst op het belang van de status van Varosha zoals vastgelegd in eerdere resoluties van de VN-Veiligheidsraad, waaronder de Resoluties 550 (1984) en 789 (1992), en herhaalt dat geen maatregelen mogen worden genomen die niet met die resoluties in overeenstemming zijn.

26.

Het CvdR is ernstig bezorgd over de wettigheid en integriteit van het verkiezingsproces in Turkije, met name het besluit van de Hoge Kiesraad van Turkije in 2019 om de lokale verkiezingen in Istanbul over te doen en het besluit van de Turkse autoriteiten om de democratisch verkozen burgemeesters van de grote steden Diyarbakır, Mardin en Van te vervangen door aangewezen provinciegouverneurs als waarnemend burgemeesters. Het veroordeelt krachtig alle verdere daden van onderdrukking gericht tegen gemeenteraadsleden en gemeenteambtenaren, die onverenigbaar zijn met de geest en de beginselen van het Europees Handvest van lokaal zelfbestuur.

27.

Het CvdR erkent dat Turkije voor de EU een belangrijke partner blijft op het gebied van migratie en vluchtelingen, en herhaalt zijn overtuiging dat een deel van de door de EU toegewezen middelen expliciet bestemd moet zijn voor lokale en regionale overheden die rechtstreeks betrokken zijn bij het beheer van migratiestromen van vluchtelingen en ontheemden. De overnameovereenkomst tussen de EU en Turkije moet volledig en effectief ten aanzien van alle lidstaten worden toegepast, waarbij samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken met alle lidstaten essentieel blijft.

28.

Het CvdR roept de lokale en regionale overheden in de EU op om de samenwerking met de lokale en regionale overheden in de kandidaat-lidstaten en de potentiële kandidaat-lidstaten verder te intensiveren, hen te begeleiden op hun weg naar een diepere integratie met de EU en hun institutionele en bestuurlijke capaciteit op regionaal en lokaal niveau te versterken, alsook hun vermogen om Europese waarden en beginselen uit te dragen en te eerbiedigen.

29.

Het CvdR herinnert in dit verband aan de onvervangbare rol van de nationale verenigingen van lokale en regionale overheden en van het netwerk van verenigingen van lokale overheden in Zuid-Oost-Europa (Nalas), die de lokale en regionale overheden kunnen helpen bij het doorvoeren van hervormingen op het gebied van openbaar bestuur en bij het opbouwen van hun capaciteit inzake het uitoefenen van hun bevoegdheden en het verlenen van lokale overheidsdiensten.

De rol van de lokale en regionale overheden in het uitbreidingsproces

30.

De Europese beginselen van subsidiariteit, evenredigheid en meerlagig bestuur moeten ook van toepassing zijn op het uitbreidingsproces van de Europese Unie.

31.

Een inclusief en duurzaam uitbreidingsproces vereist dat de subnationale bestuursniveaus eraan deelnemen. Het welslagen van de uitbreiding van de EU in de Westelijke Balkan zal afhangen van blijvend maatschappelijk draagvlak en de inspanningen die de lokale en regionale overheden leveren om de beoogde duurzame impact lokaal te verwezenlijken, dankzij een gezamenlijk partnerschap tussen lokale, regionale, nationale en Europese bestuursniveaus.

32.

Meer dan 60 % van het EU-acquis wordt op lokaal niveau ten uitvoer gelegd, terwijl in het huidige meerjarig financieel kader ongeveer een derde van de totale begroting van de EU voor het cohesiebeleid is bestemd, voor alle regio’s en steden in de EU.

33.

De lokale en regionale overheden komt een belangrijke rol toe in het uitbreidingsproces, niet alleen politiek, maar ook als drijvende kracht achter economische groei en duurzame ontwikkeling op hun grondgebied en als verleners van hoogwaardige openbare diensten aan hun burgers.

34.

Voor een duurzame tenuitvoerlegging van de EU-uitbreidingsstrategie voor de Westelijke Balkan, en voor een succesvolle Europese integratie in de toekomst, is het essentieel dat subnationale overheden in staat worden gesteld om die taak te vervullen.

35.

De Commissie erkent tot tevredenheid van het CvdR dat de rol van de lokale en regionale overheden in aanmerking moet worden genomen en dat er een goed evenwicht moet worden gevonden tussen het nationale, regionale en lokale bestuursniveau om de uitvoering van de hervormingen en de dienstverlening aan de burgers zo goed mogelijk te ondersteunen.

36.

Het CvdR betreurt het gebrek aan concrete beleidsvoorstellen die specifiek op de lokale en regionale overheden zijn gericht zijn, zoals het dat ook al deed in zijn advies over het uitbreidingspakket 2018.

37.

Het CvdR roept de Commissie op om concrete beleidsstrategieën en -instrumenten voor te stellen om de lokale en regionale overheden in de Westelijke Balkan te betrekken en hun rol als bestuursniveau dat het dichtst bij de burgers staat beter te vervullen.

38.

Het CvdR verzoekt de Commissie een praktisch instrument te ontwikkelen ter ondersteuning van doeltreffende capaciteitsopbouw voor lokale en regionale overheden in de Westelijke Balkan met het oog op de harmonisatie van hun lokale en regionale overheidsbeleid met het acquis door middel van specifieke opleiding, intercollegiaal leren en uitwisseling van beste praktijken in de regio en met hun evenknieën in de EU, naar het voorbeeld van de Local Administration Facility, het regionale opleidingsprogramma, of het Erasmus-programma voor lokale en regionale vertegenwoordigers.

39.

Het CvdR dringt er bij de Commissie opnieuw op aan om het initiatief voor steun voor de verbetering van bestuur en beheer in de landen van Midden- en Oost-Europa (Sigma) uit te breiden naar de subnationale bestuursniveaus in de (potentiële) kandidaat-lidstaten, teneinde decentrale modellen voor hervormingen van het openbaar bestuur te definiëren en de verbetering van het lokaal bestuur en beheer te ondersteunen met het oog op de toepassing van het acquis.

40.

Het CvdR roept de Commissie nogmaals op om ad-hocuitvoeringsmodaliteiten voor de Taiex- en twinningmechanismen op te stellen, zodat deze benut kunnen worden voor samenwerking tussen lokale en regionale overheden in de lidstaten en de (potentiële) kandidaat-lidstaten.

41.

Het CvdR is bereid om nauw samen te werken met de nieuwe Commissie, en met name met de commissaris voor Nabuurschap en Uitbreiding, bij de praktische implementatie en toepassing van deze instrumenten op lokaal en regionaal niveau.

Rechtsstaat en grondrechten

42.

Het CvdR herhaalt dat voldoen aan de criteria van Kopenhagen de doorslaggevende factor moet blijven om te bepalen in hoeverre de kandidaat-lidstaten klaar zijn voor EU-lidmaatschap, en staat volledig achter de beginselen “eerlijke en consistente voorwaarden” en “eerst de basis”.

43.

Het CvdR stelt met grote bezorgdheid vast dat naar behoren functionerende democratische instellingen en geloofwaardige vooruitgang op het gebied van de rechtsstaat in de meeste kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten een belangrijke uitdaging blijven.

44.

Het CvdR is in dit verband evenzeer bezorgd over de steeds vijandigere omgeving voor het maatschappelijk middenveld in deze landen en de negatieve ontwikkelingen op het gebied van de vrijheid van meningsuiting en de onafhankelijkheid van de media.

45.

Het CvdR benadrukt dat de lokale en regionale overheden door hun nabijheid tot de burger een cruciale rol spelen bij de bevordering en eerbiediging van de Europese waarden, en dat zij in de voorhoede staan bij de bestrijding van racisme en haatzaaiende taal, de bescherming van kwetsbare groepen en minderheden en de bevordering van de sociale cohesie.

46.

Het CvdR is ervan overtuigd dat de lokale en regionale overheden een grotere rol kunnen spelen bij het vormgeven van het lokale politieke toneel en de openbare politieke ruimte, en dat zij hun deel van de verantwoordelijkheid kunnen opnemen bij het aanpakken van een aantal van de tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat en de grondrechten, zoals de Commissie ook heeft benadrukt.

47.

Het CvdR vraagt de lokale en regionale overheden in de kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten meer inspanningen te leveren om concrete resultaten te bereiken op de volgende gebieden:

47.1.

het scheppen van een positieve en gunstige omgeving voor het functioneren van het maatschappelijk middenveld op lokaal niveau en het betrekken van maatschappelijke organisaties bij participatieve lokale beleidsvorming;

47.2.

het bestrijden van elke vorm van discriminatie op welke grond dan ook, in de geest van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in het bijzonder jegens personen met een handicap, kwetsbare groepen en etnische minderheden, met name Roma;

47.3.

het bestrijden van uitsluiting, marginalisering en discriminatie van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen en het bestrijden van haatzaaiende taal en geweld tegen deze groepen;

47.4.

het verbeteren van de vertegenwoordiging van vrouwen op alle gebieden van het lokaal en regionaal openbaar bestuur en in het algemeen het zorgen voor gendergelijkheid en het voorkomen en bestrijden van discriminatie en alle vormen van geweld tegen vrouwen.

48.

Het CvdR vraagt de Commissie om de rol van de lokale en regionale overheden bij het aanpakken van fundamentele kwesties op lokaal niveau te erkennen, de opbouw van hun capaciteit en vaardigheden op het gebied van de rechtsstaat en de grondrechten te bevorderen en hen in hun taak te ondersteunen door concrete instrumenten ter beschikking te stellen.

De rol van de lokale en regionale overheden in het kader van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling

49.

Het CvdR herinnert aan zijn recente advies over “Duurzameontwikkelingsdoelstellingen: een basis voor een langetermijnstrategie van de EU voor een duurzaam Europa tegen 2030”, waarin het erop wijst dat 65 % van de 169 subdoelen van de 17 doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG’s) alleen kan worden behaald wanneer de regio’s en steden stevig worden betrokken bij de implementatie ervan.

50.

Het CvdR benadrukt dat de doelstelling “niemand aan zijn lot overlaten” vereist dat alle bestuursniveaus voor horizontale integratie zorgen en plaatsgebonden beleidsmaatregelen ontwerpen die elkaar ondersteunen en samenhang vertonen.

51.

Het CvdR herinnert er ook aan dat de lokale en regionale overheden een essentiële rol toekomt bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering, en dat lokale klimaatmaatregelen cruciaal zijn voor de beperking van en aanpassing aan klimaatverandering en tegelijkertijd mogelijkheden doen ontstaan voor duurzame lokale investeringen en groei.

52.

Het CvdR is er dan ook van overtuigd dat het Burgemeestersconvenant voor klimaat en energie als bottom-upbeweging de drijvende kracht kan zijn achter het vermogen van steden en gemeenten in de Westelijke Balkan om de Overeenkomst van Parijs, de Agenda 2030 en de SDG’s te helpen verwezenlijken door er een lokale invulling aan te geven.

53.

Het CvdR dringt er bij de Commissie op aan om de landen van de Westelijke Balkan, en met name hun lokale en regionale overheden, beter te betrekken bij de toekomstige ontwikkeling van het Burgemeestersconvenant voor klimaat en energie of soortgelijke nationale en regionale initiatieven waarbij het lokale en regionale niveau is betrokken, en om de mogelijkheden te benutten die de nationale verenigingen van lokale en regionale overheden en het netwerk van verenigingen van lokale overheden uit Zuidoost-Europa (NALAS) bieden om de vaststelling en uitvoering van lokale plannen voor klimaatactie, energie-efficiëntie en duurzame stedelijke mobiliteit en van andere lokale en regionale beleidsinstrumenten voor de verwezenlijking van de Agenda 2030 te bevorderen.

Brussel, 12 februari 2020.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Apostolos TZITZIKOSTAS


(*1)  Deze verwijzing laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet, en is in overeenstemming met Resolutie 1244/1999 van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.

(1)  EP-resolutie 2019/2883(RSP).


29.4.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 141/25


Advies van het Europees Comité van de Regio’s over de bijdrage van de regio’s en steden aan de ontwikkeling van Afrika

(2020/C 141/06)

Rapporteur:

Robert ZEMAN (CZ/EVP), gemeenteraadslid van Prachatice

BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S,

Achtergrond

1.

herinnert eraan dat duurzame ontwikkeling en een succesvol ontwikkelingsbeleid afhankelijk zijn van en van invloed zijn op tal van andere thema’s en beleidsmaatregelen, zoals algemene steun voor de totstandbrenging van persoonlijke betrekkingen en samenwerkingsverbanden tussen lokale en regionale overheden, sociaal en gezondheidsbeleid, het beheer van migratie, veiligheid en beveiliging, steun voor duurzame economische ontwikkeling, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen, bevordering van de uitwisseling van kennis en voorbeelden van goed bestuur enz. Lokale en regionale overheden spelen een sleutelrol bij veel van deze kwesties, zowel in de EU als daarbuiten. Daarom is het van cruciaal belang om nieuwe ideeën te ontwikkelen over hoe zij kunnen bijdragen tot duurzame ontwikkeling, met name in Afrika.

2.

Het CvdR dringt aan op een alomvattende aanpak van de EU en benadrukt dat nauwe samenwerking met relevante partners in Afrikaanse landen en internationale instellingen, zoals bijvoorbeeld de UNHCR (1) en de IOM (2), absoluut noodzakelijk is om de voorgestelde maatregelen te laten slagen.

3.

Grootschalige economische en ontwikkelingssamenwerking is een van de manieren om de diepere oorzaken van migratie naar de EU aan te pakken. Voor de aanpak van het complexe vraagstuk van migratie met zijn vele implicaties is en blijft wel een aanzienlijke hoeveelheid overheidsmiddelen nodig in de EU. Een dergelijke aanpak zou ook kunnen helpen om de negatieve sociale en veiligheidsgerelateerde perceptie van de migratie naar de EU terug te dringen en om bepaalde spanningen binnen de Europese samenlevingen die het politieke extremisme aanwakkeren, te temperen.

Eerdere werkzaamheden en adviezen van het Comité van de Regio’s

4.

Het CvdR herinnert aan het zeer belangrijke werk dat al is verricht door het Comité van de Regio’s, en met name de adviezen die zijn opgesteld door Hans Janssen, Peter Bossman en Jesús Gamallo Aller (3). Het stelt de volgende ideeën voor ter overweging, alsmede enkele meer concrete maatregelen om de levensomstandigheden te verbeteren en duurzame ontwikkeling in Afrika te bevorderen, teneinde bij te dragen tot het verminderen van de migratiedruk op de individuele burgers (4).

5.

Het CvdR herhaalt zijn steun voor het voorgestelde instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI) als een essentiële financieringsbron voor gerichte steun voor duurzame ontwikkeling. Het dringt er nogmaals op aan om, niet alleen in het kader van het NDICI (5), specifieke programma’s met een eigen begroting in het leven te roepen voor de ondersteuning van de werkzaamheden van Europese steden en regio’s op ontwikkelingsgebied, met inbegrip van diverse langetermijnprojecten in Afrika. Deze projecten zouden idealiter rechtstreeks door Europese regio’s kunnen worden beheerd en zijn bedoeld om steden, gemeenten, bedrijven en non-profitorganisaties uit die regio’s te betrekken bij projecten die, in overeenstemming met de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, gericht zijn op een verbetering van de levensomstandigheden in bepaalde geografische gebieden (6).

6.

Dergelijke regelingen zouden op de lange termijn moeten worden gericht, om alle deelnemers in staat te stellen zich hiervoor langdurig te blijven inzetten.

7.

Om regio’s aan te moedigen deel te nemen aan deze projecten, met name regio’s die nog geen specifieke ervaring op het gebied van ontwikkelingssamenwerking hebben, moet in de projecten voorzien worden in een systeem van stimulansen en technische ondersteuning.

8.

De vaststelling van specifieke programma’s zou Europese regio’s, steden, bedrijven, ngo’s en burgers die in deze regio’s wonen meer mogelijkheden kunnen geven om zich actief in te zetten voor de bevordering van duurzame ontwikkeling buiten de EU, hun kennis van het leven in andere delen van de wereld — met name in Afrika — te vergroten en kansen voor het bedrijfsleven te ontwikkelen.

9.

Het CvdR stelt voor deze programma’s te baseren op oproepen tot deelname die worden gericht tot de regio’s, met bijzondere nadruk op grensoverschrijdende samenwerking, om ervaringen, personele middelen en knowhow te delen.

10.

Deze programma’s zouden vanuit administratief oogpunt zo eenvoudig mogelijk moeten zijn.

Het opbouwen van persoonlijke betrekkingen en het vergroten van de capaciteiten als fundamenteel instrument voor een doeltreffende ontwikkelingssamenwerking

11.

Het CvdR wijst erop dat sommige ultraperifere gebieden van de EU nauwe historische banden met Afrika onderhouden en ervaring hebben op gebieden die van belang zijn voor hun buurlanden. Het dringt er dan ook op aan dat de samenwerkingsmogelijkheden aan beide zijden van de grens worden gemaximaliseerd, waarbij zo flexibel mogelijk gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden die voor de komende periode worden geboden in het kader van de Europese territoriale samenwerking en het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI).

12.

Het CvdR acht het van cruciaal belang dat wordt voortgebouwd op de samenwerking en allianties tussen de gemeenten en regio’s van de EU en hun Afrikaanse tegenhangers, om te zorgen voor een coherente beleidsaanpak en gebruik te maken van hun knowhow op het gebied van ontwikkeling en regionale samenwerking en innovatie (overeenkomstig de strategie voor slimme specialisatie).

13.

Het CvdR benadrukt dat het voor de duurzaamheid van projecten op lange termijn van essentieel belang is dat de capaciteiten en de rechtstreekse betrekkingen tussen de burgers zo veel mogelijk worden versterkt, om ervoor te zorgen dat beide partijen zich betrokken voelen bij de projecten en zo de impact ervan op de betrokken burgers te vergroten.

14.

Mobiliteit en het versterken en uitbreiden van echte partnerschapsbetrekkingen, in eerste instantie via vertegenwoordigers en vervolgens ook rechtstreeks tussen inwoners van de regio’s, steden en gemeenten van de landen van de Europese Unie en de Afrikaanse Unie (AU), zijn van essentieel belang om brede steun van het grote publiek te krijgen voor de uitvoering van dergelijke projecten. Lokale overheden en instanties behoren tot de meest gerespecteerde en legitieme politieke organen als het gaat om de daadwerkelijke uitvoering van projecten om de kwaliteit van het bestaan in Afrika te verbeteren.

15.

Op grond van de ervaringen van zijn leden stelt het CvdR vast dat goede, actieve en gediversifieerde persoonlijke betrekkingen tussen beleidsmakers, het maatschappelijk middenveld en burgers een essentieel uitgangspunt zijn voor concrete projecten en ervoor zorgen dat deze projecten op lange termijn levensvatbaar zijn en goed functioneren.

16.

Goede informatie over de werkelijke levensomstandigheden van gewone burgers in zowel de EU als Afrika is een belangrijk instrument om de belangstelling voor irreguliere migratie naar Europa te verminderen. Deze informatie moet niet alleen via de media worden verspreid maar ook zo veel mogelijk door middel van peer-to-peer-betrekkingen — d.w.z. rechtstreekse uitwisselingen tussen lokale en regionale overheden die een beter wederzijds begrip van de verschillende culturele en sociaaleconomische realiteiten kunnen bevorderen en de uitvoering van ontwikkelingsprojecten kunnen verbeteren — die daartoe moeten worden opgebouwd en ook financieel moeten worden ondersteund.

17.

Het CvdR is voorstander van een zo breed mogelijke betrokkenheid van regio’s en hun gemeenten van EU-lidstaten die om historische of andere redenen momenteel geen intensieve ontwikkelingssamenwerking met de Afrikaanse landen hebben. Een dergelijke betrokkenheid zou kunnen leiden tot een bredere, meer diverse en doeltreffendere uitvoering van projecten en activiteiten ter ondersteuning van duurzame ontwikkeling in Afrikaanse landen en tegelijkertijd de legitimiteit van deze samenwerking in de ogen van de burgers van die lidstaten kunnen versterken. Om culturele en taalkundige tekortkomingen te verhelpen, worden ook trilaterale partnerschappen van regio’s en gemeenten aanbevolen.

Een holistische benadering van de samenwerking met de Afrikaanse regio’s en gemeenten als basis voor succes op lange termijn

18.

De overdracht van de ervaringen van Europese lokale en regionale overheden met betrekking tot de uitvoering van dagelijkse taken op het gebied van direct territoriaal beheer en samenwerking, met name grensoverschrijdend, in combinatie met een holistische aanpak die zich niet beperkt tot ontwikkelingssamenwerking, is een doeltreffend instrument om de levensomstandigheden in de landen van de AU te verbeteren.

19.

Het CvdR stelt daarom voor dat projecten voor de uitwisseling van goede praktijken, zoals het Nicosia-initiatief van het CvdR, een nuttig instrument zijn om rechtstreekse en concrete samenwerking tussen lokale en regionale partners uit de EU en uit derde landen tot stand te brengen (7).

20.

De door de EU beheerde projecten zouden nauwe partnerschappen moeten nastreven met regionale bedrijven, ngo’s of deskundigen in samenwerking met gemeenten, de ondernemingen aldaar, Afrikaanse bedrijven, organisaties en werknemers die in het veld actief zijn. Deze projecten moeten gericht zijn op doelstellingen op het gebied van duurzame ontwikkeling (8) (stadsplanning, watervoorziening en -zuivering, afvalbeheer en -terugwinning in het kader van de circulaire economie enz.) en moeten flexibel en op de lange termijn inspelen op de behoeften van de gemeenschappen.

21.

Het CvdR is zich ervan bewust dat de uitvoering van projecten ter bevordering van duurzame ontwikkeling in Afrika zeer complex, veeleisend en vaak riskant is, en is daarom van mening dat er aanvullende instrumenten moeten worden gecreëerd om de steden en regio’s van de EU te steunen bij hun samenwerkingsprojecten, gericht op de duurzaamheid en veiligheid van de projecten en de bevordering van gezamenlijke activiteiten die de uitvoering ervan op lange termijn stimuleren en stabiliseren.

22.

De projecten, de uitwisseling van goede praktijken en andere activiteiten zouden in het bijzonder gericht moeten zijn op het stabiliseren van de situatie van jongeren en de positie van vrouwen in de samenleving (9), zowel in groepsverband als individueel, onder meer door middel van “peer-to-peer”-implementatie. Dit zal hun persoonlijke ontwikkeling, hun vertrouwen in een betere toekomst en hun vermogen om bij te dragen tot de duurzaamheid van hun lokale omgeving, stimuleren.

23.

Het CvdR is van mening dat kleine en middelgrote ondernemingen de basis vormen van een functioneel, modern en stabiel maatschappelijk middenveld en stelt daarom voor om, naast projecten ter bevordering van de oprichting van kmo’s in Afrika, ook activiteiten te ontplooien zoals stages in de EU, uitwisselingsbezoeken van werknemers, de oprichting van gezamenlijke Europese en Afrikaanse ondernemingen en alle andere soorten activiteiten die de werkgelegenheid in kleine ondernemingen kunnen vergroten.

24.

Het CvdR is zich ervan bewust dat niet alleen lokale oplossingen op het gebied van werkgelegenheid, ondernemerschap, gezondheid, milieubescherming enz. moeten worden bevorderd, maar dat ook moet worden bijgedragen aan de versterking van de onderlinge handel, het ondernemerschap en de internationale samenwerking.

25.

Alle activiteiten zijn erop gericht bij te dragen aan de verbetering van de levenskwaliteit van specifieke personen, gezinnen en lokale gemeenschappen, teneinde de groei van de middenklasse te bevorderen als een middel voor een stabiele en gezonde samenleving.

26.

Het CvdR erkent dat het succes van projecten ter ondersteuning van duurzame ontwikkeling moet worden bevorderd door middel van voorlichtingsactiviteiten over ervaringen van de EU, haar lidstaten en hun lokale en regionale overheden die nuttig kunnen zijn voor de lokale partners. Ook is het van belang om lokale contactpersonen aan te wijzen die kunnen meewerken aan de uitvoering van projecten of die jongeren, scholen en belangengroepen kunnen helpen geschikte partners te vinden om ervaringen uit te wisselen, stageplaatsen te regelen enz.

27.

Het CvdR stelt voor dat gebruik wordt gemaakt van de beschikbare communicatietechnologieën en sociale netwerken om de meest betrouwbare informatie op basis van officiële bronnen uit de Europese Unie en haar regio’s zo breed en zo persoonlijk mogelijk te verspreiden, teneinde de impact van verkeerde informatie en desinformatie zowel in de EU als over de landen van Afrika te beperken.

28.

De uitgebreide betrekkingen en samenwerking tussen regio’s van de EU en de AU kunnen in de toekomst leiden tot kwalitatief betere betrekkingen, ook op het niveau van de afzonderlijke landen van de EU en de AU. Nieuwe en nauwere partnerschapsbetrekkingen tussen gelijken kunnen andere belangrijke vormen van samenwerking en geleidelijke economische en sociale ontwikkeling mogelijk maken, wat dan weer kan helpen om de migratiedruk te verminderen.

Proefprojecten om de theoretische aannames van dit advies in de praktijk te testen

29.

Het CvdR is ervan overtuigd dat de EU globaal moet denken en lokaal moet handelen, en is van mening dat in principe altijd een bottom-upbenadering moet worden gevolgd. Het benadrukt dan ook dat er een beroep moet worden gedaan op de ervaring van Europese regionale en lokale overheden, ondernemingen en deskundigen om, in samenwerking met hun Afrikaanse tegenhangers, te zorgen voor een soepele uitvoering van activiteiten en projecten.

30.

Doel van het advies is om de duurzame ontwikkeling van de samenleving in de steden en lokale gemeenschappen van Afrikaanse landen zo veel mogelijk te bevorderen. Daarom dringt het CvdR erop aan om zo spoedig mogelijk proefprojecten en andere daarmee verband houdende activiteiten op te starten, die van essentieel belang zijn voor een succesvolle en langdurige steunverlening aan de Afrikaanse landen waar het om politieke en veiligheidsredenen mogelijk is de belangstelling voor irreguliere migratie, niet alleen naar de landen van de Europese Unie maar ook binnen Afrika, te verminderen.

Brussel, 12 februari 2020.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Apostolos TZITZIKOSTAS


(1)  https://www.unhcr.org/

(2)  https://www.iom.int/

(3)  “Nabuurschap en internationaal beleid”, Hans Janssen, 2018; “Fonds voor asiel en migratie”, Peter Bossman, 2018; “Migratie langs de centrale Middellandse Zeeroute”, Hans Janssen, 2017; “Partnerschapskader met derde landen inzake migratie”, Peter Bossman 2017; “Een nieuwe Europese consensus over ontwikkeling — Onze wereld, onze waardigheid, onze toekomst”, Jesús Gamallo Aller 2017; “Bescherming van vluchtelingen in de regio’s van herkomst: een nieuw perspectief”, Hans Janssen, 2016; “Een waardig leven voor iedereen: van wensbeeld naar collectieve maatregelen”, Hans Janssen 2015.

(4)  Mo Ibrahim Foundation: https://mo.ibrahim.foundation/sites/default/files/2020-01/2019_Forum_Report_2.pdf

(5)  “Nabuurschap en internationaal beleid”, Hans Janssen, 2018.

(6)  VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG’s): https://www.undp.org/content/undp/en/home/sustainable-development-goals.html

(7)  Nicosia-initiatief: https://cor.europa.eu/en/our-work/Pages/Libya.aspx

(8)  VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG’s): https://www.undp.org/content/undp/en/home/sustainable-development-goals.html

(9)  Mo Ibrahim Foundation: https://mo.ibrahim.foundation/sites/default/files/2020-01/2019_Forum_Report_2.pdf


29.4.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 141/29


Advies van het Europees Comité van de Regio’s “Naar duurzame wijken en kleine gemeenschappen — Milieubeleid onder gemeentelijk niveau”

(2020/C 141/07)

Rapporteur:

Gaetano ARMAO (IT/EVP), vicevoorzitter van het regiobestuur en minister van Economie van Sicilië

BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

A.    Duurzame wijken en kleine gemeenschappen begrijpen

1.

is ingenomen met de integrale aard van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) van de VN, in het bijzonder doelstelling 11, “duurzame steden en gemeenschappen”, waarin wordt opgeroepen tot “inclusieve, veilige, veerkrachtige en duurzame” menselijke nederzettingen.

2.

Het CvdR wijst op de sleutelrol van democratische en inclusieve multilevel governance waarbij alle niveaus samenwerken, waar nodig ook het subgemeentelijke niveau; het gaat in dit laatste geval om uiteenlopende modellen en entiteiten met min of meer geformaliseerde structuren, bevoegdheden en middelen. Het betrekken van deze niveaus bij multilevel governance zou de ontwikkeling en effectieve uitvoering van beleid en de legitimiteit van het democratische bestel zelf aanzienlijk ten goede komen; dit geldt met name voor beleid op gebieden waarover de burgers zich ernstig zorgen maken en waarbij zowel de uitdagingen als de beleidsreacties van grote invloed zijn op hun leven, zoals milieu en klimaatverandering.

3.

Er bestaan diverse initiatieven die zijn gericht op het bevorderen van duurzame gemeenschappen en die oproepen tot maatschappelijke transformatie om nieuwe vormen van sociale, economische en ecologische ongelijkheden weg te nemen. Het gaat hierbij onder meer om de Stedelijke Agenda van de EU en de hierbij horende partnerschappen, het Handvest van Leipzig betreffende duurzame Europese steden, het Handvest van Aalborg en de bijbehorende toezeggingen, de Baskische Verklaring en de Nieuwe Stedelijke Agenda.

4.

Overeenkomstig zijn prioriteit 1 voor 2015-2020, te weten “scheppen van werkgelegenheid en duurzame groei in steden en regio’s om de levenskwaliteit van de burgers te verbeteren”, roept het CvdR op tot het promoten van het concept van duurzame gemeenschappen, waarbij alle gebieden van deze gemeenschappen worden betrokken en waarbij er ook op wordt toegezien dat minder rijke gebieden de kans krijgen duurzame oplossingen uit te werken.

5.

Het concept van duurzame gemeenschappen moet zijn gericht op de vernieuwing van arme of kwetsbare gebieden door sociale en milieudoelstellingen te combineren, in overeenstemming met het CvdR-advies over “het 7e milieuactieprogramma en de duurzame stad”.

6.

Het CvdR verwijst naar zijn advies “Ontwikkeling van een 8e milieuactieprogramma”, waarmee ernaar wordt gestreefd dat in het EU-milieubeleid rekening wordt gehouden met de behoeften van alle soorten gemeenschappen.

7.

Het is van mening dat een succesvolle uitvoering van veel milieubeleid op EU- en nationaal niveau afhangt van de betrokkenheid en de bijdragen van subgemeentelijke gemeenschappen.

8.

Het CvdR stelt dat zowel het gemeentelijke niveau als het niveau daaronder hun eigen specifieke ecologische kenmerken hebben. Uitdagingen op milieugebied kunnen specifieke effecten hebben op de verschillende subgemeentelijke niveaus; vandaar dat op de verschillende niveaus een holistische aanpak moet worden uitgewerkt waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met plaatsgebonden/specifieke situaties die ook specifieke antwoorden en input vereisen.

9.

Het CvdR erkent dat de verantwoordelijkheid voor de subgemeentelijke niveaus bij de daarvoor bevoegde overheidsniveaus in de lidstaten berust: zij moeten ervoor zorgen dat de subgemeentelijke niveaus worden betrokken. De bevoegde lokale en regionale overheden zijn in hoge mate verantwoordelijk voor hun hele gebied en moeten deze taak ernstig nemen. Het CvdR roept deze overheden op om de subgemeentelijke niveaus actief te betrekken bij de uitvoering van milieubeleid en hen daarin te steunen en om de inwoners de middelen in handen te geven om hun gemeenschappen duurzamer te maken.

10.

De terminologie die wordt gebruikt met betrekking tot dit soort gemeenschappen is vrij uiteenlopend, met termen als gehuchten, buurten, districten, afdelingen, sectoren, dorpen, parochies en wijken. Deze begrippen kunnen verwijzen naar administratieve eenheden of naar gemeenschappen zonder bestuurlijke rol. In dit advies wordt daarom in gelijke mate gebruikt gemaakt van de uitdrukkingen “onder gemeentelijk niveau” en “subgemeentelijk”.

11.

De context waarin kleine gemeenschappen zich bevinden, varieert en gaat van stedelijke tot plattelandsgebieden, van dicht- tot dunbevolkte gebieden en van welvarende tot achterstandsgebieden.

12.

Het is met name noodzakelijk om rekening te houden met specifieke territoriale situaties waarin sprake is van specifieke uitdagingen op milieugebied. Juist vanwege hun afgelegen ligging hebben deze gebieden soms unieke natuurlijke kenmerken die maken dat zij vanuit ecologisch oogpunt van buitengewoon groot belang zijn:

a.

kleine eilanden zullen vaak fysiek gescheiden zijn van de rest van de gemeenten waartoe zij behoren, hetgeen de toegang tot diensten en het besluitvormingsproces verhindert en resulteert in een grote afhankelijkheid van externe inputs en een beperkte bestuurlijke autonomie. De samenwerking met de interregionale groep van eilandregio’s van het CvdR, met andere netwerken als Clean Energy for EU Islands, de Europese Federatie van kleine eilanden en het Europees Netwerk van kleine eilanden, en met initiatieven die verband houden met het nieuwe begrip “mediterraan insulair karakter” moet worden bevorderd en uitgebreid;

b.

dunbevolkte en onderbevolkte gebieden bevinden zich vaak op een aanzienlijke afstand van de rest van de gemeente. De samenwerking met bestaande netwerken als de netwerken van de noordelijke en zuidelijke dunbevolkte gebieden en Euromontana moet worden bevorderd en uitgebreid;

c.

subgemeentelijke gemeenschappen in gebieden met specifieke geografische kenmerken, zoals berggebieden of merengebieden.

13.

Het CvdR erkent het belang van kleine gemeenten, maar onderstreept dat in dit advies de nadruk ligt op kleine gemeenschappen onder gemeentelijk niveau die worden geconfronteerd met verschillende uitdagingen. Subgemeentelijke gemeenschappen hebben mogelijk geen i) gekozen vertegenwoordigers die toezicht houden op de milieueffecten van projecten om te waarborgen dat de milieuwetgeving van de EU wordt nageleefd; ii) openbare ruimten om te spreken over deelname aan EU-projecten en -activiteiten of manieren om het EU-beleid op lokaal niveau uit te voeren, en iii) begrotingen om zelfs maar de minimale kosten of de technische expertise te financieren die nodig zijn om toegang te krijgen tot EU-financiering.

14.

Daarnaast moet de diversiteit aan institutionele vormen die op subgemeentelijk niveau bestaan worden benadrukt, waaronder, maar niet alleen, officiële overheidsinstanties, andere vormen van participatie georganiseerd door of in samenwerking met overheidsinstanties en lokale comités en actiegroepen.

15.

Het subgemeentelijk niveau biedt juist vanwege de grote verscheidenheid aan minder formele organisatievormen in de verschillende lidstaten ruime mogelijkheden voor participatieve en democratische experimenten om nieuwe vormen van betrokkenheid en communicatie te ontwikkelen (zoals buurtgemeenschappen, dorpscomités, participatielaboratoria en fora). Het CvdR herinnert eraan dat met name activiteiten op het gebied van milieu en klimaatverandering bij uitstek geschikt zijn om de betrokkenheid van de burgers te versterken.

16.

Er is een belangrijke rol weggelegd voor burgers van kleine gemeenschappen die zich aan de basis vrijwillig organiseren in lokale verenigingen en comités met als doelstelling één bepaald milieuprobleem aan te pakken of duurzame maatregelen in meer algemene zin te bevorderen. Deze groepen kunnen dan wel middelen, vaardigheden, energie en motivatie bijeenbrengen, maar lokale en regionale overheden kunnen een centrale rol spelen door hen meer technische en financiële ondersteuning te bieden en regelmatig raadplegingen te houden.

B.    Trajecten om het milieubeleid onder gemeentelijk niveau te versterken

De verschillende toepassingsgebieden

Ontwikkeling op basis van lage emissies

17.

Subgemeentelijke gemeenschappen ondervinden over het algemeen de meest directe gevolgen van milieuproblemen als luchtvervuiling of lawaai en oefenen weinig invloed uit op besluiten die verband houden met vervoer en mobiliteit. Overigens lijden niet alle gebieden in dezelfde mate onder deze problemen. Het is van cruciaal belang dat in mechanismen voor milieubewaking gegevens worden uitgesplitst tot onder gemeentelijk niveau, zodat gerichte maatregelen en oplossingen mogelijk zijn.

18.

Het CvdR ondersteunt de ontwikkeling van een samenhangend oriënterend kader onder gemeentelijk niveau en in het bijzonder voor eilanden, met betrekking tot de mitigatie van klimaatverandering en ter bevordering van hun transitie naar hernieuwbare schone energie. Het stroomlijnen van het Eilandenpact in het Burgemeestersconvenant inzake klimaat en energie kan hierbij als bron van inspiratie dienen en bestaande initiatieven als Clean Energy for EU Islands en het Interreg-project Climate Active Neighbourhoods zouden in dit kader kunnen worden geïntegreerd.

Natuurgebaseerde ontwikkeling

19.

Het CvdR is voorstander van het betrekken van kleine gemeenschappen (in het bijzonder eiland-, berg- en plattelandsgemeenschappen) bij het beheer van natuurgebieden, die vaak niet binnen de grenzen van gemeenten vallen. Een dergelijke betrokkenheid kan het lokale verantwoordelijkheidsgevoel voor milieubeleidskeuzes vergroten en conflicten over kwesties als landgebruik verminderen. Deelname zou daarnaast het bewustzijn omtrent de sociaaleconomische voordelen van beschermde natuurgebieden kunnen vergroten, of het nu om Natura 2000-gebieden of andere gebieden gaat.

20.

Het CvdR stimuleert de rol van gemeenschappen onder gemeentelijk niveau bij de invoering van natuurgebaseerde oplossingen als groene corridors of gordels, bomen in steden en natuurgebieden aan de rand van stedelijke gebieden. Deze inspanningen moeten gelijkwaardige toegang bieden tot de natuur en de voordelen die zij biedt in termen van menselijke gezondheid, klimaatmitigatie en -aanpassing en een bredere bestendigheid tegen menselijke of natuurlijke gevaren.

Circulaire ontwikkeling

21.

De bevoegde overheidsniveaus zouden technische steun moeten verlenen aan kleine gemeenschappen, zodat zij duurzame praktijken voor afvalwater- en afvalbeheer kunnen invoeren en mariene en kustvervuiling kunnen aanpakken via strategieën voor “zero waste”. Ook pleit het CvdR voor de bevordering van bestaande initiatieven zoals bijvoorbeeld het OESO-project ter ondersteuning van steden en regio’s op het gebied van de circulaire economie.

22.

Daarnaast zouden er maatregelen in het leven moeten worden geroepen om vanuit sociaal oogpunt innovatieve praktijken op subgemeentelijk niveau te ondersteunen, variërend van leengroepen waarbinnen objecten en hulpmiddelen lokaal worden gedeeld tot reparatiegroepen die de leden in staat stellen items te repareren die anders zouden worden afgedankt.

Veerkrachtige ontwikkeling

23.

Het CvdR bevordert de verspreiding van microklimaatinterventies voor aanpassing aan klimaatverandering, met name in dichtbevolkte, bebouwde, stedelijke buurten. Het kan hierbij onder meer gaan om goedkope oplossingen, maar ook om complexere oplossingen op buurtniveau, zoals het ontkoppelen van gebouwen van de riolering voor een beter regenwaterbeheer. Dit soort interventies kunnen de weerbaarheid vergroten van subgemeentelijke gebieden die gevoelig zijn voor natuurrampen, doordat de druk op de kritieke infrastructuur wordt verminderd.

24.

Het CvdR moedigt zijn leden aan regeneratieve voedselsystemen te bevorderen die op en onder het subgemeentelijke niveau ecologische, economische en maatschappelijke voordelen opleveren (bijv. tuinen voor lokale scholen of gemeenschapstuinen, door de gemeenschap ondersteunde landbouw of innovatieve landbouwmethoden).

25.

Daarnaast moet worden benadrukt dat duurzaam toerisme kansen biedt voor groei in kleine gemeenschappen, hetgeen ook wordt aangegeven in de briefing “Dunbevolkte en onderbevolkte gebieden” van de onderzoeksdienst van het Europees Parlement en de eerdere adviezen van het CvdR over toerisme (1) en cultureel erfgoed (2).

Rechtvaardige ontwikkeling waarbij mensen centraal staan

26.

Het CvdR dringt er bij de EU op aan de rol te erkennen van de diverse vormen van participatieve democratie in de bevordering van duurzame gemeenschappen op subgemeentelijk niveau. Dit potentieel kan verder worden versterkt door expliciet rekening te houden met het element democratische innovatie in de relevante onderdelen van het milieubeleid van de EU of als onderdeel van de EU-projectondersteuning.

27.

Het CvdR wijst op de geslaagde langetermijninspanningen in het kader van de Lokale Agenda 21 (LA21) als uitgangspunt voor de integratie van het subgemeentelijke niveau in milieubeleid. In de laatste decennia hebben de LA21-initiatieven lokale overheden ondersteund bij de uitvoering van strategieën en acties voor lokale duurzaamheid door methoden, hulpmiddelen en beste praktijken te delen.

De verschillende beleidsprocessen

Erkenning

28.

Het CvdR is er sterk van overtuigd dat de EU rekening moet houden met de specifieke behoeften en bijdragen van kleine en subgemeentelijke gemeenschappen bij het formuleren en uitvoeren van haar milieubeleid.

29.

Er zouden mechanismen moeten worden vastgesteld om in CvdR-adviezen rekening te kunnen houden met subgemeentelijke kwesties en deze onder de aandacht van EU-instellingen en -organen te brengen. Ook zou nauwer moeten worden samengewerkt met de organisaties en netwerken die zich bezighouden met subgemeentelijke structuren op EU-niveau of deze vertegenwoordigen.

30.

Het CvdR moedigt zijn leden aan individueel contact te hebben met subgemeentelijke gemeenschappen in hun eigen regio’s en hun ervaringen met het CvdR te delen en in hun werk te integreren, in het bijzonder in de adviezen, alsook via peer-to-peer-uitwisselingen en eventueel het Technisch Platform voor milieusamenwerking (DG Milieu en het Europees Comité van de Regio’s).

31.

Het CvdR streeft ernaar in zijn prioriteiten voor de periode na 2020 expliciet te verwijzen naar gemeenschappen onder gemeentelijk niveau.

32.

Het CvdR herinnert aan de algemene verbintenis van de Unie om de sociale, economische en ecologische samenhang te bevorderen, met name om de verschillen in ontwikkelingsniveau tussen de regio’s (zowel eilandregio’s als regio’s op het vasteland) te verkleinen, in overeenstemming met artikel 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Het onderstreept dat de subgemeentelijke bestuursniveaus in dit verband een belangrijke rol spelen.

33.

Het loont de moeite om na te gaan of het webportaal over de verdeling van bevoegdheden kan worden uitgebreid door in voorkomend geval voor elke betrokken lidstaat een bijkomende afdeling toe te voegen voor entiteiten onder het lokale niveau, waarbij zou worden uitgegaan van een analyse van hun rol in het beleid inzake milieu en klimaatverandering.

34.

De Europese Commissie zou moeten bekijken of een “prijs voor duurzame wijken” kan worden ingevoerd om lokale gemeenschappen aan te moedigen mee te werken aan het beheer van hun eigen gebieden, of een eenmalig of periodiek evenement te organiseren om de interactie met kleine gemeenschappen te bevorderen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een “Europese Dag van Duurzame Dorpen en Wijken”.

Bewustmaking

35.

Het CvdR wil een bredere erkenning van het belang van het subgemeentelijke niveau in lokaal milieubeleid bevorderen onder de andere EU-instellingen en -organen. Zo zou het kunnen pleiten voor de integratie van het subgemeentelijke niveau in toekomstige beleidsdocumenten en bij de herziening van bestaande strategieën van EU-instellingen en -organen.

36.

Er zouden bewustmakingscampagnes op touw moeten worden gezet omtrent het subgemeentelijke niveau via de onderzoeks- en innovatieprojecten van de EU (Horizon 2020 en Horizon Europa) en door samenwerking met het Europees Milieuagentschap (EEA) en de onderzoeksdiensten van de EU.

37.

Het CvdR verbindt zich ertoe een dialoog aan te gaan met de Europese Commissie, onder meer in het kader van het technisch platform voor milieusamenwerking, om te garanderen dat afdoende rekening wordt gehouden met kleine gemeenschappen onder gemeentelijk niveau bij de uitvoering van specifiek milieubeleid van de EU. Hierbij kan worden voortgebouwd op bestaande inspanningen van DG ENV en andere DG’s om richtsnoeren en hulpmiddelen te verschaffen die zijn gericht op kleine gemeenschappen en wijken.

Communicatie en verspreiding van informatie

38.

Het CvdR stemt ermee in uit te zoeken of het mogelijk is het materiaal van EU-netwerken en -activiteiten dat bijzonder interessant is voor kleine gemeenschappen, beschikbaar te stellen op de website van het CvdR door informatie aan te bieden over netwerken, programma’s en evenementen, en relevante bijdragen samen te brengen.

39.

Het CvdR is voornemens om na te gaan hoe de erkenning van milieuprestaties op het niveau van kleine gemeenschappen kan worden bevorderd, waarbij de nadruk wordt gelegd op beste praktijken en de toepassing van duurzame oplossingen wordt aangemoedigd. Hiervoor moet de integratie met bestaande erkenningssystemen en prijzen op EU-niveau onder de loep worden genomen, naar het voorbeeld van de prijs voor de Groene Hoofdstad van Europa en de European Green Leaf Award, de Natura 2000-prijs, de Transformative Action Award en de prijs van de Europese Week van de Afvalvermindering.

40.

Het thema van de uitvoering van milieubeleid in gemeenschappen onder het gemeentelijke niveau moet op het programma komen te staan van EU-evenementen met betrekking tot het milieu, zoals de Groene Week, de Europese Week van de Afvalvermindering en de Europese Week van Steden en Regio’s.

41.

Er moet waar mogelijk gebruik worden gemaakt van ICT om subgemeentelijke gemeenschappen zowel met elkaar als met hun respectieve lokale overheden te verbinden teneinde democratische participatie en besluitvorming te stimuleren.

Financiering

42.

Het CvdR benadrukt hoe belangrijk het is dat subgemeentelijke spelers toegang krijgen tot EU-financieringsprogramma’s. Enkele van deze programma’s worden reeds toegepast op wijkniveau, zoals Urbact, een uitwisselings- en leerprogramma voor duurzame stedelijke ontwikkeling in Europa. Het dringt er in dit verband op aan dat het personeel van de subgemeentelijke instanties de nodige opleiding krijgt, zodat de EU-financiering doeltreffend kan worden ingezet.

43.

Vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD) en Leader-actiegroepen zijn specifieke instrumenten die kunnen bijdragen aan een betere mobilisering en grotere betrokkenheid van het subgemeentelijke niveau in het streven naar langetermijnontwikkeling en het realiseren van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie.

44.

De Europese Commissie zou de best mogelijke manier moeten vinden om te garanderen dat kleine gemeenschappen kunnen bijdragen aan en profiteren van door de EU-gefinancierde projecten ter bevordering van duurzaamheid onder gemeentelijk niveau. Manieren om dit te bereiken zijn bijvoorbeeld: i) het opnemen van specifieke verwijzingen naar kleine gemeenschappen in richtsnoeren en handboeken; ii) het opstellen en bekendmaken van oproepen tot het indienen van blijken van belangstelling en/of werkprogramma’s die specifiek zijn gericht op gemeenschappen onder gemeentelijk niveau, en iii) het vereenvoudigen en stroomlijnen van financiële en subsidiabiliteitsregels om hun deelname te bevorderen en gemakkelijker te maken (bijv. door herverdeling van subsidies), teneinde de harmonische ontwikkeling van de EU in haar geheel te bevorderen (artikel 174 VWEU).

Brussel, 12 februari 2020.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Apostolos TZITZIKOSTAS


(1)  NAT-VI/009 (PB C 185 van 9.6.2017, blz. 15).

(2)  SEDEC/VI-035 (PB C 361 van 5.10.2018, blz. 31).


29.4.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 141/34


Advies van het Europees Comité van de Regio’s “Braindrain in de EU: een probleem dat op alle niveaus moet worden aangepakt”

(2020/C 141/08)

Rapporteur:

Emil BOC (RO/EVP), burgemeester van Cluj-Napoca

BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

1.

benadrukt dat het vrije verkeer van burgers en werknemers de hoeksteen van de interne markt is en een van de fundamentele vrijheden die in de Verdragen van de Europese Unie worden erkend. Burgers en werknemers moeten zich vrij kunnen bewegen binnen de EU. Wanneer ze dat doen, dient dit echter uit vrije wil te geschieden, niet omdat onder meer schaarse economische kansen hen uit hun regio drijven.

2.

De uitdaging bestaat erin een juridisch en politiek evenwicht te vinden tussen twee grondbeginselen van de Europese Unie: het vrije verkeer van werknemers en de economische en sociale convergentie tussen de regio’s.

3.

Het verschijnsel van de braindrain in de EU kent vele facetten en vraagt om een pragmatische beleidsreactie van zowel de Unie als de lidstaten. Daarbij dient rekening te worden gehouden met alle aspecten van de braindrain (bv. “braingain”, “brainwaste”, “breincirculatie”, “remigratie”) en de verschillende, maar vaak onderling verbonden niveaus waarop maatregelen en oplossingen nodig zijn — lokaal, regionaal, nationaal en supranationaal (EU).

4.

Besluitvormers op alle niveaus moeten erkennen, en er bij het voorstellen van oplossingen rekening mee houden, dat de braindrain niet alleen een technische kwestie is die om een bestuurlijke of beleidsreactie vraagt, maar ook een politiek aspect heeft. Als er niets wordt gedaan aan de braindrain, zal het verschijnsel op de lange termijn blijvende gevolgen hebben voor de toekomst van de Europese Unie en de territoriale samenhang kunnen belemmeren.

5.

Het CvdR wijst erop dat braindrain een direct gevolg is van de bestaande sociale en economische onevenwichtigheden tussen de regio’s van de EU. Uit empirisch onderzoek (1) (2) (3) is gebleken dat er verschillende push- en pullfactoren zijn. Zo hebben de regio’s van bestemming een aantrekkelijkere arbeidsmarkt, meer gediversifieerde werkgelegenheidskansen en een betere algemene levenskwaliteit, terwijl de situatie in de regio’s van herkomst precies het tegenovergestelde is. Dit is een van de redenen waarom in het toekomstige MFK de middelen van het cohesiebeleid in het bijzonder op het corrigeren van het onevenwicht tussen de regio’s van herkomst en de regio’s van bestemming zouden moeten worden toegespitst.

6.

Er moet een sterke koppeling zijn tussen het cohesiebeleid, dat erop gericht is deze onevenwichtigheden te corrigeren en een nog gelijkere ontwikkeling in de hele EU te bevorderen, en maatregelen om braindrain tegen te gaan. Twee belangrijke doelstellingen van de Europa 2020-strategie, namelijk het verhogen van de arbeidsparticipatie en het verbeteren van de sociale inclusie, zijn rechtstreeks relevant voor het scheppen van gunstige voorwaarden waarmee de braindrain kan worden teruggedrongen. Andere Europa 2020-doelstellingen, zoals innovatie en het verhogen van het aantal mensen in het tertiair onderwijs, hebben het potentieel om braingain en remigratie te bevorderen door het aantrekken en stimuleren van getalenteerde mensen.

7.

De braindrain en verwante verschijnselen moeten in de EU worden begrepen en beoordeeld in het kader van het begrip “multilevel governance” (MLG). Of de kenmerken van MLG op dit beleidsterrein een obstakel of een kans vormen, zal sterk afhangen van de wijze waarop de EU en haar instellingen de opstelling en verspreiding van beleid faciliteren en coördineren.

8.

Hoewel braindrain, wegens de vergaande en ernstige gevolgen ervan, vaak als een nationaal of supranationaal politiek probleem wordt gepercipieerd, kan het verschijnsel met succes op subnationaal niveau worden bestreden. De lokale en regionale overheden komt hier een essentiële rol toe, aangezien de gevolgen van braindrain rechtstreeks voelbaar zijn op hun niveau: het verlies van jonge en opgeleide arbeidskrachten vormt een enorme uitdaging voor lokale gemeenschappen in de hele Unie.

9.

De lokale overheden in de lidstaten zijn het best in staat om maatregelen te ontwikkelen en uit te voeren om braindrain tegen te gaan. Lokale gemeenschappen zijn systemen met relatief duidelijke grenzen, waardoor het probleem gemakkelijker geanalyseerd kan worden en oplossingen op maat mogelijk zijn. Bovendien kunnen lokale overheden het succes van de maatregelen op lokaal niveau gemakkelijker monitoren en evalueren.

10.

Het is heel nuttig om bij het uitstippelen van beleid op EU-niveau voort te bouwen op de ervaring en capaciteit van deze subnationale overheden.

11.

Uit de directe ervaring van lokale overheden met de aanpak van de braindrain kunnen succesverhalen en goede praktijken worden geput die kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van een samenhangend beleid op EU-niveau. Lokale en regionale overheden kunnen verder gaan dan een algemene en abstracte definitie van beleidskwesties en concrete en doeltreffende oplossingen bieden. Zij moeten een beter inzicht krijgen in de inspanningen en initiatieven die buiten hun administratieve grenzen worden genomen om braindrain tegen te gaan en deel te nemen aan regionale en interregionale samenwerking.

12.

Het CvdR wijst erop dat de problemen van de regio’s van herkomst en bestemming verschillend zijn en daarom dienovereenkomstig moeten worden behandeld. Dit onderscheid is belangrijk omdat met maatregelen op supranationaal niveau naar oplossingen moet worden gezocht die alle betrokkenen ten goede komen, of in ieder geval helpen voorkomen dat zowel de regio’s van herkomst als de regio’s van bestemming verliezen (“brainwaste”).

13.

De braindrain houdt risico’s in voor de levensvatbaarheid van het Europese project op lange termijn. De regio’s van herkomst staan voor een dilemma: ze hebben convergentie nodig (om de kloof met de regio’s van bestemming te dichten), maar verliezen hun geschoolde arbeidskrachten. Op lange termijn zal elke verandering of overgang naar een duurzaam en concurrerend economisch model dat steunt op de kenniseconomie en op producten met een hoge toegevoegde waarde waarschijnlijk zeer moeilijk te realiseren zijn in een scenario waarin de verschillen tussen regio’s van herkomst en van bestemming groter worden. Als er niets wordt gedaan, zullen de ongelijkheden verder toenemen en een vicieuze cirkel van “desintegratie” creëren. Volgens de concurrentie-index van het WEF behoren de oostelijke en zuidelijke lidstaten van de EU momenteel tot de landen die er wereldwijd het minst in slagen hun talent te behouden.

14.

De Europese instellingen hebben mechanismes ingevoerd om de ongelijkheden te verminderen, maar die zijn slechts gedeeltelijk doeltreffend gebleken. De groeiende braindrain en de geografische en economische dimensie ervan vragen om initiatieven of inspanningen van een andere aard, die rechtstreeks ingrijpen op de pushfactoren die te wijten zijn aan de specifieke groeiontwikkeling in de regio’s van herkomst die maakt dat deze regio’s niet aantrekkelijk genoeg zijn voor hooggeschoolden.

15.

De kloof tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt is een van de problemen die verband houden met de braindrain. Verbeteringen op onderwijsniveau kunnen ongetwijfeld helpen om de negatieve effecten van de braindrain te verzachten. De lokale en regionale overheden, alsmede de nationale en Europese overheden, zouden hier meer aandacht aan moeten besteden. Ook moeten de onderwijsstelsels rekening houden met de variabele dynamiek van de arbeidsmarkt en de grotere diversiteit ervan, zodat de investeringen in het menselijk kapitaal van een land of regio, die met de braindrain verloren gaan, kunnen renderen.

16.

Het CvdR vestigt de aandacht op een verschijnsel dat nauwlettend in de gaten moet worden gehouden, namelijk kinderen die thuis blijven terwijl hun ouders in het buitenland op zoek gaan naar beter werk. Dit is een direct gevolg van de braindrain en heeft gevolgen op lange termijn.

17.

Het CvdR wijst op de studie- en carrièrekansen die programma’s als Erasmus+ en ESF+ doen ontstaan voor mensen met talenten, net als mogelijkheden voor internationale netwerken en partnerschappen in heel Europa, en niet alleen in bepaalde regionale hubs, naast steun voor de tenuitvoerlegging van de Europese pijler van sociale rechten in de praktijk. De steun van de nieuwe Commissie voor de verhoging van de financiering van het Erasmus+-programma is een stap in de goede richting.

18.

De aanpak van braindrain vereist sterk leiderschap en coördinatie tussen de diverse inspanningen op nationaal niveau. Het hoofddoel is het vinden van concrete manieren om samenwerkingsnetwerken op te zetten, het politieke discours van populisten tegen te spreken en de Europese integratie te versterken. Verdere maatregelen op het niveau van de lidstaten en de Europese Unie moeten gericht zijn op het coördineren en faciliteren/ondersteunen van de inspanningen op subnationaal niveau, waarbij consensus wordt gezocht over de wijze waarop de braindrain moet worden geanalyseerd en aangepakt, zodat uiteindelijk alle belanghebbenden er baat bij hebben.

19.

Het CvdR benadrukt de noodzaak om een aantal belangrijke strategische kwesties in verband met de braindrain nader te bepalen, zodat besluitvormers onnodige overlappingen van overheidsmaatregelen kunnen voorkomen. Strategische planning moet ervoor zorgen dat de maatregelen een zichtbare impact hebben en leiden tot concrete actie.

20.

Het CvdR beveelt aan om voor elk aspect van de braindrain (braingain, brainwaste, breincirculatie en remigratie) verschillende soorten reacties vast te stellen en uit te voeren. Voor elk van deze aspecten zijn verschillende, specifieke oplossingen nodig; “one fits all’-benaderingen zijn daarbij absoluut te mijden. Een gebrek aan oplossingen op maat kan leiden tot algemene en abstracte verklaringen/doelstellingen die in de praktijk moeilijk uitvoerbaar zijn.

21.

Het is een goede zaak dat sommige regio’s en steden nu al creatieve oplossingen vinden om talent aan te trekken en te behouden. Deze maatregelen variëren van steun om talent naar deze regio’s/steden te lokken tot complexere maatregelen waarbij transnationale ondernemersnetwerken worden opgericht. De EU moet programma’s of initiatieven bevorderen die Europese lokale en regionale overheden helpen om van elkaar te leren.

22.

Lokale en regionale actoren spelen een sleutelrol bij het tegengaan van de braindrain; het aantrekken en behouden van hooggekwalificeerd personeel kan worden gewaarborgd door terdege gebruik te maken van de instrumenten voor geïntegreerde territoriale ontwikkeling van het cohesiebeleid.

23.

Het CvdR stelt voor dat de lokale en regionale overheden, in samenwerking met de nationale en Europese overheden, beleid en instrumenten bevorderen die lokaal ondernemerschap, zelfstandige arbeid en alternatieve bedrijfsmodellen die de aantrekkingskracht van de regio’s van herkomst vergroten, ondersteunen.

24.

De lokale en regionale overheden zouden op basis van een realistische inschatting van de behoeften een verband moeten leggen tussen de specifieke troeven van hun regio en de benodigde talenten en maatregelen.

25.

Het CvdR stelt voor dat de lokale en regionale overheden met alle belanghebbenden (overheden, bedrijven, universiteiten, ngo’s enz.) lokale allianties aangaan in het kader waarvan lokale maatregelen kunnen worden uitgewerkt en uitgevoerd om de braindrain tegen te gaan. Met die belanghebbenden dienen regelmatig bijeenkomsten te worden ondersteund en georganiseerd, die als forum moeten dienen om lokale en contextspecifieke oplossingen te bespreken en te plannen op basis van succesverhalen uit andere (rechts)gebieden.

26.

Het CvdR wijst erop dat strikte strategische planning op lokaal en regionaal niveau belangrijk kan zijn om de mobiliteit van menselijk potentieel te koppelen aan ontwikkelingsplannen voor de middellange en lange termijn, en een solide basis kan zijn voor samenwerking met andere regionale, nationale en Europese overheden.

27.

Het CvdR pleit ervoor om nader te onderzoeken wat de redenen en belemmeringen zijn die mensen die in het verleden zijn geëmigreerd ervan weerhouden om naar hun plaats van herkomst terug te keren, alsook wat overheden kunnen doen om deze belemmeringen te helpen wegnemen. Dit kan een transformerend effect hebben doordat braindrain plaatsmaakt voor breincirculatie of remigratie.

28.

Het CvdR beveelt aan om maatregelen op subnationaal niveau te integreren en te coördineren met die van de lidstaten en de Unie, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel. De integratie van de inspanningen op verschillende niveaus is cruciaal voor een succesvol EU-beleid. Er moeten strategieën en programma’s worden ontwikkeld om de maatregelen van de lokale en regionale overheden enerzijds en die van de lidstaten en de Unie anderzijds te integreren en de coördinatie ervan te faciliteren. Dit geldt voor alle domeinen die betrokken zijn bij de braindrain (onderwijs, cohesie, regionale ontwikkeling, digitalisering enz.). Er moet op EU-niveau een mechanisme worden opgezet dat specifiek gericht is op de bevordering van de integratie en coördinatie van maatregelen die braindrain moeten tegengaan.

29.

De lokale en regionale overheden moeten zich bewust zijn van de omvang van het verschijnsel en dienen een realistische en serieuze beoordeling te maken van de specifieke kenmerken van elk domein dat bij de braindrain betrokken is. Doeltreffende oplossingen kunnen alleen tot stand komen op basis van wetenschappelijk onderbouwde besluit- en beleidsvorming. Een realistische beoordeling van de braindrain op regionaal niveau kan overheden die met gelijksoortige of verwante problemen kampen helpen om concurrentie te vervangen door samenwerking, en kan de coördinatie tussen de huidige inspanningen en middelen van de verschillende belanghebbenden bevorderen.

30.

Volgens het CvdR kunnen snelle procedures voor de erkenning van diploma’s en vaardigheden een belangrijke rol spelen om de verspilling van talent (brainwaste) tegen te gaan. In dit verband kunnen en moeten verschillende EU-initiatieven certificaten digitaliseren en databanken met elkaar verbinden, onder meer via de toekomstige digitale handtekeningen van Europass. Daarnaast is het CvdR ingenomen met het initiatief van de Europese Commissie om tegen 2025 een Europese onderwijsruimte tot stand te brengen waarin leren, studeren en onderzoek niet door grenzen worden belemmerd. Het wijst tegelijkertijd op de noodzaak om mechanismen in te voeren ter bevordering van breincirculatie en remigratie.

31.

De Europese Commissie zou zich meer moeten inspannen om de regionale verschillen, die een van de belangrijkste oorzaken van braindrain zijn, te verkleinen. Het cohesiefonds speelt hierbij een essentiële rol door steun te verlenen aan regio’s en gebieden die met dergelijke ongelijkheden te kampen hebben. Op maat gesneden strategieën en instrumenten om deze ongelijkheden tussen Oost-/Zuid-Europa en de westelijke landen maar ook tussen regio’s binnen lidstaten rechtstreeks aan te pakken, zijn van essentieel belang om een van de belangrijkste oorzaken van braindrain weg te nemen. Het politieke engagement van de Commissie (4) voor een eerlijk minimumloon is hier zeer relevant, met name voor de regio’s van herkomst, omdat het de kwestie van de levensstandaard en de arbeidsomstandigheden aan de orde zou stellen en een directe invloed op de levenskwaliteit zou hebben. Het cohesiebeleid van de EU voor 2021-2027 moet worden opgezet als een investeringsbeleid op de lange termijn voor alle regio’s. Het moet vooral gericht zijn op het wegwerken van economische, sociale en regionale verschillen en in overeenstemming zijn met het partnerschapsbeginsel en een lokale aanpak. Het cohesiebeleid moet beter worden gecoördineerd met ander EU-beleid om een gelijk speelveld te waarborgen. De verticale coördinatie van de verschillende financieringsbronnen op EU-niveau moet worden verbeterd bij het beheer van (de programma’s van) het cohesiebeleid na 2020, om op korte tot middellange termijn te zorgen voor meer samenhang tussen de agenda’s van de verschillende governance- en planningniveaus (5).

32.

Op lokaal en regionaal niveau zouden realistische maatregelen moeten worden uitgewerkt en uitgevoerd om opgeleide werknemers aan te trekken, te behouden en terug te winnen. Levenskwaliteit is een belangrijk strategisch concept. Zoals hierboven vermeld, is het verbeteren van de levenskwaliteit zeer effectief bij het aantrekken en behouden van opgeleide arbeidskrachten. Het is raadzaam en wenselijk om de levenskwaliteit regelmatig en op gestructureerde wijze te meten, zodat de lokale en regionale overheden waardevolle informatie kunnen krijgen over gebieden waarop maatregelen geboden zijn.

33.

De lokale, regionale, nationale en Europese overheden zouden zich moeten richten op een functionele aanpak om remigratie te bevorderen en arbeidskrachten aan te trekken (6). Dit omvat het opbouwen van een kenniseconomie, het aantrekkelijker maken van regio’s, het ontwikkelen van diasporastrategieën en het implementeren van een functionele benadering inzake stedelijke governance.

34.

Het CvdR zou graag zien dat de lokale, regionale, nationale en Europese overheden bijzondere aandacht besteden aan het wegnemen van structurele factoren die de braindrain verergeren (infrastructuur/snelwegen, kwaliteit van de dienstverlening, toegang tot technologie enz.).

35.

Het CvdR benadrukt de noodzaak om een geïntegreerde Europese aanpak van braindrain te ontwikkelen op basis van realistische beoordelingen, samenwerking en coördinatie op lokaal/regionaal, nationaal en EU-niveau. Er is ook behoefte aan gecoördineerde actie op verschillende niveaus op gebieden die relevant zijn voor de braindrain, zoals onderwijs, digitalisering, cohesie en economisch beleid.

36.

Het CvdR acht het cruciaal dat de lokale en regionale overheden inzien dat universiteiten en aanbieders van beroepsonderwijs en -opleiding een belangrijke rol spelen voor lokale ontwikkeling in het kader van de kenniseconomie. Overheden moeten partnerschappen aangaan met universiteiten en zich ervan bewust zijn dat deze ook moeten worden ondersteund, onder meer door investeringen in lokale infrastructuur. Er moet worden gestreefd naar een zo groot mogelijke overeenstemming tussen de strategische doelstellingen van universiteiten en die van overheden.

37.

Het CvdR wijst erop dat partnerschappen tussen particuliere ondernemingen (die geïnteresseerd zijn in O&O), lokale overheden en universiteiten een belangrijke motor van lokale groei en ontwikkeling zijn. Om deze reden dient dit soort partnerschappen deel uit te maken van de doelstelling van de huidige Commissie om via een strategie voor kleine en middelgrote ondernemingen de omstandigheden te scheppen waaronder zij beter kunnen uitgroeien tot belangrijke innovatoren.

38.

Het Comité is bezorgd over de dreigende toename van de ongelijkheden tussen de steden en regio’s die de grootste begunstigden zijn van het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, en waarschuwt ervoor dat de maatregelen die zijn genomen om de ongelijkheden tussen regio’s te verkleinen en de uitdagingen aan te gaan, met inbegrip van de demografische uitdaging, en om de toegang van alle regio’s tot Horizon Europa te bevorderen, niet volstaan (7).

39.

Het CvdR meent dat digitale connectiviteit en slimme specialisatie positieve effecten kunnen hebben op de braindrain. Regionale strategieën voor slimme ontwikkeling en specialisatie kunnen zich richten op het concurrentievoordeel dat in een regio bestaat of wordt gecreëerd. Digitale connectiviteit en de ontwikkeling van digitale geletterdheid moeten een belangrijke plaats innemen in de inspanningen van de nieuwe Commissie om het actieplan voor digitaal onderwijs te actualiseren.

40.

Het CvdR wijst erop dat lokale overheden veel maatregelen kunnen uitwerken en uitvoeren om de individuele veerkracht van gemeenschappen te versterken en te ontwikkelen, met name ten aanzien van economische problemen zoals werkloosheid. Individuele veerkracht en het vermogen om zich aan te passen en moeilijkheden te overwinnen kunnen worden bevorderd door middel van bij- en omscholingsprogramma’s zoals die welke worden ondersteund door de EU-agenda inzake vaardigheden, maatregelen ter bevordering van ondernemerschap en ten behoeve van kleine ondernemingen, onderwijs- en gemeenschapsprogramma’s voor studenten en jongeren van wie de ouders in het buitenland werken enz.

41.

Het CvdR beveelt de Europese Commissie aan om, in nauwe samenwerking met het Comité van de Regio’s, het Europees Parlement en de Raad van Ministers, de lokale en regionale overheden actief bij te staan bij hun inspanningen om braindrain tegen te gaan. De Unie is een complexe politieke en administratieve entiteit, en er dient een zorgvuldige analyse te worden gemaakt van haar bevoegdheden en capaciteiten in het licht van de braindrain. In het debat over de rol van de Unie zal zowel de afbakening van haar bevoegdheden als de bepaling van de beste instrumenten die op EU-niveau beschikbaar zijn, aan de orde moeten komen.

42.

Het CvdR wijst erop dat een verblijf in het buitenland voor wie terugkeert naar zijn/haar land van herkomst als een professionele troef hoort te worden gezien, die zichtbaar is voor werkgevers wanneer zij selectieprocedures uitvoeren.

Brussel, 12 februari 2020.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Apostolos TZITZIKOSTAS


(1)  Europees Comité van de Regio’s (2018), Addressing brain drain: The local and regional dimension.

(2)  Europese Commissie, DG Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie, Directoraat D — Arbeidsmobiliteit, Jaarverslag 2018 over de arbeidsmobiliteit binnen de EU.

(3)  Atoyan, R., Christiansen, L., Dizioli, A., Ebeke, C., Ilahi, N., Ilyina, A., Mehrez, G., Qu, H., Raei, F., Rhee, A. en Zakharova, D., Emigration and Its Economic Impact on Eastern Europe, interne discussienota van het IMF, juli 2016.

(4)  Ursula von der Leyen, “Een Unie die de lat hoger legt: Mijn agenda voor Europa”, blz. 9.

(5)  Espon (2019), Addressing Labour Migration Challenges in Europe, blz. 18.

(6)  Idem, blz. 17-18.

(7)  COR-2018-03891.


29.4.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 141/39


Advies van het Europees Comité van de Regio’s “Cultuur in een ambitieuzere Unie: de rol van regio’s en steden”

(2020/C 141/09)

Rapporteur:

Vincenzo BIANCO (IT/PSE), lid van de gemeenteraad van Catania

BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

1.

acht het noodzakelijk te zorgen voor een breed inzicht in cultuur en Europese culturele diversiteit dat verder gaat dan louter het behoud en de bescherming van materieel erfgoed en dat de sociale en culturele veranderingen in de Europese samenleving zichtbaar helpt maken.

2.

Steden en regio’s kunnen hierbij een rol spelen en aan de hand van een pluralistische en innovatieve visie op cultuur burgers meer betrekken bij culturele groeiprocessen door hun de instrumenten aan te reiken waarmee zij actief kunnen deelnemen. De vrijheid van artistieke expressie, die een voorwaarde is voor democratie, en het recht van alle burgers op toegang tot diverse cultuuruitingen, dat van essentieel belang is voor het maatschappelijk welzijn, moeten in dit verband worden gewaarborgd (1). Het Comité is zich daarvan bewust en meent dat maatregelen op cultuurgebied de rol van kunst en cultuur als vrije en onafhankelijke kracht in de samenleving kracht moeten bijzetten. Alle bestuursniveaus en Europese instellingen moeten steun verlenen aan inspanningen om de onafhankelijkheid van kunstenaars te vergroten en de bedreigingen en de haat waarmee kunstenaars in de publieke ruimte worden geconfronteerd aan te pakken.

3.

De Commissie wordt verzocht om cultuur aan te merken als een van de beleidsprioriteiten die in de nieuwe mandaatsperiode moeten worden nagestreefd en in het kader van het volgende MFK wordt de steun van de Raad gevraagd om passende middelen uit te trekken voor de bevordering, het beheer, het gebruik en de ontwikkeling van het cultureel erfgoed op lokaal en regionaal niveau.

4.

De Commissie zou het gebruik van culturele middelen, vooral door jongeren, met het oog op de sociaal-economische ontwikkeling en de werkgelegenheid moeten versterken en bevorderen.

De achtergrond: de toezegging van de EU om cultuur op lokaal en regionaal niveau te bevorderen

5.

De EU is er bij de Verdragen toe verbonden “haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal” te eerbiedigen en ermee belast de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en hun activiteiten te integreren met het oog op “de verbetering van de kennis en verbreiding van de cultuur en de geschiedenis van de Europese volkeren” via “behoud en scheppend werk op artistiek en literair gebied, mede in de audiovisuele sector”. Voorts heeft zij de bevoegdheid om het optreden van de lidstaten op het gebied van cultuur, toerisme, onderwijs, beroepsopleiding, jeugd en sport te ondersteunen, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel.

6.

Het is een goede zaak dat de Commissie heeft besloten om het huidige programma Creatief Europa voort te zetten als een op zichzelf staand programma, met een autonoom financieel kader voor de culturele sector om de continuïteit van de resultaten van de periode 2014-2020 te waarborgen.

7.

De nieuwe Europese agenda voor cultuur zorgt voor een aanvulling en versterking van de Europese identiteit door de diversiteit van de Europese culturen te erkennen en de Europese culturele en creatieve sectoren en hun betrekkingen met partners buiten Europa kracht bij te zetten.

8.

Het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed 2018 heeft geleid tot een sterke participatie in het veld, met duizenden activiteiten in heel Europa, waardoor het delen en waarderen van het Europese culturele erfgoed als een gemeenschappelijke hulpbron is aangemoedigd, mensen bewust zijn gemaakt van hun geschiedenis en hun gemeenschappelijke Europese waarden, alsook de Europese identiteit en het gevoel tot een gemeenschappelijke Europese ruimte te behoren zijn versterkt, waardoor ook de inclusie werd bevorderd.

9.

Aansluitend bij het Europese Landschapsverdrag en de nieuwe Europese agenda voor cultuur zouden de algemene doelstellingen van het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed 2018 kunnen worden aangevuld met een sterk onderdeel voor territoriale ontwikkeling, in de vorm van regionale en lokale culturele strategieën die duurzaam cultureel toerisme bevorderen.

10.

Het Comité is ingenomen met het in december 2018 gepresenteerde Europees actiekader voor cultuurgoederen, dat vijf pijlers omvat die erop gericht zijn een echte verandering teweeg te brengen in de manier waarop wij het Europees cultureel erfgoed waarderen, behouden en promoten.

11.

Er zij aan herinnerd dat de Commissie de cultuursector niet alleen heeft gesteund met de vroegere programma’s Cultuur en Media, maar ook via financiering in het kader van het cohesiebeleid, het Cosme-programma, het programma Horizon 2020, en dat verdere ondersteunende instrumenten zijn opgenomen in “Erasmus+”, het Europees Sociaal Fonds en het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling.

12.

De Commissie wordt verzocht ervoor te zorgen dat het beginsel van integratie van investeringen in cultuur in de verschillende EU-beleidsterreinen ook wordt toegepast bij de programmering van de Europese fondsen. Daarbij moet worden voorkomen dat cultuur als een louter sectoraal beleidsterrein wordt beschouwd en moet worden erkend dat cultuur een rol speelt in alle (economische, sociale en territoriale) dimensies van samenhang. In dit verband is het van belang de synergieën tussen cultuur en ander beleid, zoals toerisme, regionaal beleid, onderwijs, jeugdzaken en O&O, te versterken.

13.

De Commissie alsook de lidstaten en hun beheersautoriteiten worden opgeroepen om bij de nieuwe programmering van de Europese fondsen meer te investeren in cultuur in achterstandsgebieden en ook steun te verlenen voor maatregelen om verspreid erfgoed “terug te geven aan de burgers” via publiek-private partnerschappen zonder winstoogmerk en de versterking van culturele basisvoorzieningen (met name openbare bibliotheken).

14.

Het is belangrijk om meer te investeren in de culturele sector, zoals reeds is voorzien in de programma’s Creatief Europa en Erasmus+. De centrale rol van regio’s en steden in de integratieprocessen moet naar behoren worden benadrukt, door steun te verlenen aan publiek-private partnerschappen (PPP’s) zonder winstoogmerk, onder meer om goede beheerspraktijken aan te moedigen.

15.

De onderhandelingen over het cohesiebeleid voor de periode na 2020 vormen een duidelijk en ondubbelzinnig uitgangspunt voor het ontwikkelen van een gedegen strategie ter verwezenlijking van ambitieuze doelstellingen, met de geplande verlenging van belangrijke Europese programma’s die een directe impact hebben op het cultuurbeleid, zoals Creatief Europa en Erasmus.

De rol van lokale en regionale overheden

16.

Op het grondgebied van elke lidstaat zijn er plekken die door de Unesco als “werelderfgoed” zijn erkend: plekken van uitzonderlijk cultureel en natuurlijk belang. De 27 lidstaten tellen 381 “werelderfgoedlocaties” op een totaal van 1 121 wereldwijd.

17.

Het cultureel erfgoed op het grondgebied van de lidstaten is versnipperd en in veel gevallen moeilijk toegankelijk; voorts zijn er aanzienlijke problemen op het gebied van behoud en gebruik.

18.

De Commissie alsook de lidstaten en hun beheersautoriteiten zouden de inspanningen moeten ondersteunen om het fysieke erfgoed te beschermen en te bewaren, met name om te zorgen voor de actieve instandhouding van het verspreide erfgoed dat zich in moeilijk toegankelijke binnenlanden of marginale gebieden bevindt.

19.

Er zij gewezen op het belang van cultuurtoerisme, dat de intrinsieke waarde van cultuur bevordert en in grote mate bijdraagt aan de territoriale ontwikkeling; Er is in dit verband een geïntegreerde aanpak van cultuurtoerisme geboden, mede in het kader van slimme specialisatiestrategieën, om de impact ervan op lokale gebieden te rationaliseren en de duurzaamheid ervan te waarborgen. Met het oog daarop verwijst het CvdR naar het Europese systeem voor toerisme-indicatoren (ETIS) van de Commissie, dat kan helpen om de prestaties van cultuurtoeristische bestemmingen op het gebied van duurzaamheid te meten, en dringt erop aan dat dit systeem regelmatig wordt bijgewerkt.

20.

De groeiende belangstelling en inzet van lokale en regionale overheden in heel Europa om gemeenschappelijke visies en acties in de lidstaten te bevorderen, verdient alle lof. Het Comité hoopt dat soortgelijke initiatieven als die in het kader van het Handvest van Agrigento, dat door honderden burgemeesters en voorzitters van Italiaanse regio’s is ondertekend en door de meest representatieve verenigingen wordt onderschreven, ook in andere landen kunnen worden ontplooid.

21.

Burgers moeten meer worden betrokken bij de processen van culturele ontwikkeling, door hen de instrumenten aan te reiken waarmee zij actief kunnen deelnemen. Het CvdR is zich er tevens van bewust dat cultuur en culturele diversiteit, zoals wordt erkend in de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling (2), een bijdrage kunnen leveren aan duurzame ontwikkeling en verbindt zich ertoe om hiervan factoren te maken die deze ontwikkeling op lokaal en regionaal niveau faciliteren.

Prioritaire doelstellingen van het lokale en het regionale bestuursniveau

22.

Regio’s en steden in Europa en regionale organisaties en netwerken voor het cultureel erfgoed moeten zich door het kader laten inspireren bij de ontwikkeling van wijdverspreide en doeltreffende acties en strategische plannen ter bevordering en opwaardering van cultureel erfgoed.

23.

De lokale en regionale overheden vormen het bestuurlijke niveau waarop initiatieven kunnen worden genomen om zowel burgers in de schoolgaande leeftijd als volwassen burgers, met inbegrip van degenen die zich in een EU-lidstaat willen vestigen, kennis te laten verwerven over het Europees cultureel erfgoed.

24.

Kennis en genot van Europees cultureel erfgoed, opgevat als een geheel van diverse culturele, sociale en creatieve uitingen, van erfgoed en erfenis van vorige generaties, van tradities en gewoonten van Europese volkeren, wordt door het Comité beschouwd als een middel om het Europees burgerschap te consolideren, via integratie en sociale inclusie.

25.

Het is zaak de initiatieven op Europees niveau ter bevordering van de kennis van en de toegang tot het Europese culturele erfgoed kracht bij te zetten, aangezien dit een essentieel onderdeel is van de consolidering van het Europees burgerschap en mensen meer het gevoel geeft deel uit te maken van Europa.

26.

Netwerken van steden, peer learning en jumelages van gemeenten kunnen eveneens bijdragen zowel aan de bevordering van als aan de bewustmaking in verband met burgerschap, als instrumenten om betrokkenheid bij de maatschappij en integratie te bevorderen, vooral met betrekking tot de nieuwe lidstaten.

27.

Er moet in het kader van de nieuwe Stedelijke Agenda 2030 meer worden geïnvesteerd in cultuur en in plannen voor een participatief en duurzaam gebruik en beheer van het cultureel erfgoed, met inbegrip van het erfgoed dat wordt verwaarloosd of opgegeven. Hierbij moet gebruik worden gemaakt van innovatieve initiatieven van de gemeenten en van de samenwerkingsinitiatieven van lokale en regionale actoren.

28.

Er zou explicieter moeten worden verwezen naar de sleutelrol van de lokale en regionale overheden bij de bevordering en opwaardering van hun eigen kunst- en cultuurleven, en regionale en lokale overheden zouden meer moeten deelnemen aan het programma. Het is in dit verband zaak bij de toewijzing van middelen een goed evenwicht te verzekeren tussen belangrijke grootschalige projecten en maatregelen en activiteiten die op lokaal en regionaal vlak worden gefinancierd, ook door kmo’s (in Nederland: mkb).

29.

De Commissie moet ervoor zorgen dat burgers gemakkelijker toegang hebben tot cultuur en plaatsen waar gebeurtenissen uit het verleden worden herdacht, door de culturele consumptie aan te moedigen, met name bij jongere generaties, alsook door een geïntegreerd beleid voor onderwijs en opleiding gedurende het hele leven te ontwikkelen en lokale en regionale gemeenschappen aan te moedigen culturele initiatieven te ontplooien.

30.

Er moet steun worden verleend aan de culturele en creatieve sectoren, met name voor acties die verband houden met kennis en genot van het erfgoed en die vruchten kunnen afwerpen op het gebied van kwaliteit, werkgelegenheid, digitale innovatie en sociale inclusie, alsook voor acties die gericht zijn op de ontwikkeling van de beeldende en de podiumkunsten in een Europese dimensie.

31.

Het Comité is zich ervan bewust dat het van belang is de digitale mogelijkheden te benutten om cultuur op interactieve wijze te bevorderen en alle geledingen van de samenleving te bereiken, met name jongeren, die immers de toekomstige hoeders en promotoren van het cultureel erfgoed zullen zijn.

32.

De Commissie wordt opgeroepen om de ontwikkeling van de culturele betrekkingen tussen de mediterrane landen, met inbegrip van de culturele diplomatie, te ondersteunen.

33.

Er zij gewezen op het belang van grensoverschrijdende en interregionale samenwerking op het gebied van cultuur, aangezien cultureel erfgoed grenzen overschrijdt (3). Het CvdR benadrukt in dit verband de sleutelrol van lokale en regionale overheden, ook bij de uitvoering van de culturele component van macroregionale strategieën.

34.

Om de kennis en het genot van het Europese culturele erfgoed te vergemakkelijken, moeten de uitwisseling van gegevens en informatie tussen de overheidsdiensten die in de landen van de Unie actief zijn, en hun communicatie met de burgers worden verbeterd.

35.

De Commissie wordt verzocht specifieke maatregelen te nemen om de daadwerkelijke participatie en het genot van het op het grondgebied van de lidstaten verspreide culturele erfgoed voor de Europese burgers te bevorderen, met name door volledige toegang tot informatie als voorwaarde voor hun actieve participatie te bevorderen en door de oprichting van een specifiek informatieplatform te ondersteunen.

36.

Het Comité dringt er bij de Europese steden en regio’s op aan om, op basis van hun bestuurlijke capaciteit, het voortouw te nemen om cultuurgedreven modellen van sociale en economische innovatie te verkennen alsook initiatieven te bevorderen die openstaan voor het maatschappelijk middenveld en verenigingen en die erop gericht zijn de burgers te betrekken bij de ontwikkeling van cultuur en de instandhouding en valorisatie van het materieel en immaterieel cultureel erfgoed.

Brussel, 12 februari 2020.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Apostolos TZITZIKOSTAS


(1)  https://en.unesco.org/creativity/sites/creativity/files/artistic_freedom_pdf_web.pdf

(2)  https://sustainabledevelopment.un.org/post2015/transformingourworld

(3)  Zie bv. de Culturele Routes van de Raad van Europa, (https://www.coe.int/en/web/cultural-routes/about) of de Unesco World Heritage Journeys — Europa (https://visitworldheritage.com/en/eu)