ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 54

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

63e jaargang
17 februari 2020


Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie van de Europese Unie

2020/C 54/01

Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

1


 

V   Bekendmakingen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2020/C 54/02

Zaak C-332/18 P: Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 11 december 2019 – Mytilinaios Anonymos Etairia – Omilos Epicheiriseon, voorheen Alouminion tis Ellados VEAE/Europese Commissie, Dimosia Epicheirisi Ilektrismou AE (DEI) (Hogere voorziening – Staatssteun – Productie van aluminium – Bij overeenkomst toegekend preferentieel elektriciteitstarief – Besluit waarbij de steun verenigbaar met de interne markt wordt verklaard – Beëindiging van de overeenkomst – Schorsing door een rechterlijke beslissing in kort geding van de gevolgen van de beëindiging – Besluit waarbij de steun onrechtmatig wordt verklaard)

2

2020/C 54/03

Zaak C-376/18: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 12 december 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Najvyšší súd Slovenskej republiky - Slowakije) – Slovenské elektrárne a.s./Úrad pre vybrané hospodárske subjekty, voorheen Daňový úrad pre vybrané daňové subjekty (Prejudiciële verwijzing – Ontvankelijkheid – Gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit – Richtlijn 2009/72/EG – Werkingssfeer – Artikel 3 – Doelstellingen – Non-discriminatiebeginsel – Speciale heffing op de inkomsten van entiteiten die een vergunning hebben om een activiteit uit te oefenen in gereguleerde sectoren – Elektriciteitssector)

3

2020/C 54/04

Zaak C-380/18: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 12 december 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad van State - Nederland) – Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid/E.P. (Prejudiciële verwijzing – Grenstoezicht, asiel en immigratie – Verordening (EU) 2016/399 – Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) – Artikel 6 – Toegangsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen – Begrip bedreiging van de openbare orde – Terugkeerbesluit tegen een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land)

3

2020/C 54/05

Gevoegde zaken C-381/18 en C-382/18: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 12 december 2019 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad van State - Nederland) – G.S. (C-381/18), V.G. (C-382/18)/Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Prejudiciële verwijzing – Grenstoezicht, asiel en immigratie – Immigratiebeleid – Richtlijn 2003/86/EG – Recht op gezinshereniging – Vereiste voorwaarden voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging – Begrip redenen van openbare orde – Afwijzing van een verzoek om toegang en verblijf van een gezinslid – Intrekking of niet-verlenging van een verblijfstitel van een gezinslid)

4

2020/C 54/06

Zaak C-433/18: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 12 december 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Korkein oikeus - Finland) – ML/Aktiva Finants OÜ (Prejudiciële verwijzing – Verordening (EG) nr. 44/2001 – Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Vereiste van een procedure op tegenspraak en een doeltreffend rechtsmiddel – Beslissing van een nationale rechterlijke instantie tot uitvoerbaarverklaring van een beslissing van een rechterlijke instantie van een andere lidstaat – Nationale procedure voor het verlenen van toestemming om hoger beroep in te stellen)

5

2020/C 54/07

Zaak C-435/18: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 12 december 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof - Oostenrijk) – Otis GmbH, Schindler Liegenschaftsverwaltung GmbH, Schindler Aufzüge und Fahrtreppen GmbH, Kone AG,Thyssenkrupp Aufzüge GmbH/Land Oberösterreich e.a. (Prejudiciële verwijzing – Artikel 101 VWEU – Vergoeding van door een kartel veroorzaakte schade – Recht op vergoeding voor personen die niet als leverancier of afnemer actief zijn op de door het kartel beïnvloede markt – Schade geleden door een overheidsinstantie die leningen heeft verstrekt tegen gunstige voorwaarden met het oog op de aanschaf van goederen waarop het kartel betrekking heeft)

6

2020/C 54/08

Zaak C-450/18: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 12 december 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de lo Social no3 de Gerona - Spanje) – WA/Instituto Nacional de la Seguridad Social (Prejudiciële verwijzing – Sociaal beleid – Richtlijn 79/7/EEG – Gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid – Artikel 4, leden 1 en 2 – Artikel 7, lid 1 – Berekening van de prestaties – Richtlijn 2006/54/EG – Gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep – Nationale wettelijke regeling die voorziet in het recht op een pensioentoeslag voor vrouwen die ten minste twee biologische of geadopteerde kinderen hebben en die een op premie- of bijdragebetaling berustend pensioen voor duurzame arbeidsongeschiktheid ontvangen – Niet-toekenning van dit recht aan mannen die zich in dezelfde situatie bevinden – Vergelijkbare situatie – Directe discriminatie op grond van geslacht – Uitzonderingen – Geen)

7

2020/C 54/09

Zaak C-519/18: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 12 december 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság - Hongarije) – TB/Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal (Prejudiciële verwijzing – Immigratiebeleid – Recht op gezinshereniging – Richtlijn 2003/86/EG – Artikel 10, lid 2 – Facultatieve bepaling – Voorwaarden voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging – Niet in artikel 4 genoemd gezinslid van een vluchteling – Begrip ten laste komende persoon)

7

2020/C 54/10

Zaak C-708/18: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 11 december 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal București - Roemenië) – TK/Asociația de Proprietari bloc M5A-ScaraA (Prejudiciële verwijzing – Bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikelen 7 en 8 – Richtlijn 95/46/EG – Artikel 6, lid 1, onder c), en artikel 7, onder f) – Toelaatbaarheid van de verwerking van persoonsgegevens – Nationale regeling die videobewaking toestaat ter waarborging van de veiligheid en bescherming van personen, goederen en waardevolle voorwerpen en de behartiging van gerechtvaardigde belangen, zonder toestemming van de betrokkene – Installatie van een videobewakingssysteem in de gemeenschappelijke ruimten van een voor bewoning bestemd gebouw)

8

2020/C 54/11

Zaak C-783/18 P: Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 12 december 2019 – Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie/Wajos GmbH (Hogere voorziening – Uniemerk – Verordening (EG) nr. 207/2009 – Artikel 7, lid 1, onder b) – Absolute weigeringsgrond – Merken zonder onderscheidend vermogen – Driedimensionale merken bestaande in de vorm van de waar – Criteria ter beoordeling van het onderscheidend vermogen – Motiveringsplicht – Vorm van een fles – Amfoor)

9

2020/C 54/12

Zaak C-87/19: Arrest van het Hof (Negende kamer) van 11 december 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas - Litouwen) – TV Play Baltic AS/Lietuvos radijo ir televizijos komisija (Prejudiciële verwijzing – Elektronischecommunicatienetwerken en -diensten – Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) – Artikel 2, onder m) – Aanbieden van een elektronischecommunicatienetwerk – Begrip – Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn) – Artikel 31, lid 1 – Verplichting tot doorgifte van nader bepaalde radio- of televisieomroepkanalen – Exploitant die een pakket van satellietzenders aanbiedt – Redelijke doorgifteverplichtingen – Voorwaarden – Artikel 56 VWEU – Evenredigheid)

10

2020/C 54/13

Zaak C-143/19 P: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 12 december 2019 – Der Grüne Punkt - Duales System Deutschland GmbH/Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) (Hogere voorziening – Uniemerk – Verordening (EG) nr. 207/2009 – Artikelen 15 en 66 – Normaal gebruik van een collectief Uniemerk – Merk inzake een systeem van inzameling en verwerking van verpakkingsafval – Aanbrenging op de verpakking van de waren waarvoor het merk is ingeschreven)

11

2020/C 54/14

Gevoegde zaken C-566/19 PPU en C-626/19 PPU: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 12 december 2019 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour d’appel, de rechtbank Amsterdam – Luxemburg, Nederland) – Tenuitvoerlegging van Europese aanhoudingsbevelen die zijn uitgevaardigd tegen JR (C-566/19 PPU), YC (C-626/19 PPU) (Prejudiciële verwijzing – Prejudiciële spoedprocedure – Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Europees aanhoudingsbevel – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Artikel 6, lid 1 – Begrip uitvaardigende rechterlijke autoriteit – Criteria – Europees aanhoudingsbevel dat door het openbaar ministerie van een lidstaat is uitgevaardigd met het oog op strafvervolging)

11

2020/C 54/15

Zaak C-625/19 PPU: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 12 december 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de rechtbank Amsterdam - Nederland) – Tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd tegen XD (Prejudiciële verwijzing – Prejudiciële spoedprocedure – Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Europees aanhoudingsbevel – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Artikel 6, lid 1 – Begrip uitvaardigende rechterlijke autoriteit – Criteria – Europees aanhoudingsbevel dat door het openbaar ministerie van een lidstaat is uitgevaardigd met het oog op strafvervolging)

12

2020/C 54/16

Zaak C-627/19 PPU: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 12 december 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de rechtbank Amsterdam - Nederland) – Tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd tegen ZB (Prejudiciële verwijzing – Prejudiciële spoedprocedure – Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Europees aanhoudingsbevel – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Artikel 6, lid 1 – Begrip uitvaardigende rechterlijke autoriteit – Criteria – Europees aanhoudingsbevel dat door het openbaar ministerie van een lidstaat is uitgevaardigd met het oog op uitvoering van een straf)

13

2020/C 54/17

Zaak C-725/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Judecătoria Sector 2 București (Boekarest, Roemenië) op 1 oktober 2019 – IO/Impuls Leasing România IFN SA

14

2020/C 54/18

Zaak C-734/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal București (Roemenië) op 4 oktober 2019 – ITH Comercial Timișoara SRL/Agenția Națională de Administrare Fiscală - Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice București, Agenția Națională de Administrare Fiscală – Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice București – Administrația Sector 1 a Finanțelor Publice

14

2020/C 54/19

Zaak C-748/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (Polen) op 15 oktober 2019 – Prokuratura Rejonowa w Mińsku Mazowieckim/WB

17

2020/C 54/20

Zaak C-749/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (Polen) op 15 oktober 2019 – Prokuratura Rejonowa Warszawa-Żoliborz w Warszawie/XA, YZ

18

2020/C 54/21

Zaak C-750/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (Polen) op 15 oktober 2019 – Prokuratura Rejonowa Warszawa – Wola w Warszawie/DT

19

2020/C 54/22

Zaak C-751/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (Polen) op 15 oktober 2019 – Prokuratura Rejonowa w Pruszkowie/ZY

20

2020/C 54/23

Zaak C-752/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (Polen) op 15 oktober 2019 – Prokuratura Rejonowa Warszawa – Ursynów w Warszawie/AX

22

2020/C 54/24

Zaak C-753/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (Polen) op 15 oktober 2019 – Prokuratura Rejonowa Warszawa – Wola w Warszawie/BV

23

2020/C 54/25

Zaak C-754/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (Polen) op 15 oktober 2019 – Prokuratura Rejonowa Warszawa – Wola w Warszawie/CU

24

2020/C 54/26

Zaak C-763/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Apelacyjny w Krakowie (Polen) op 18 oktober 2019 – D.S./S.P., A.P., D.K., Sz., gevestigd te K.

25

2020/C 54/27

Zaak C-764/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Apelacyjny w Krakowie (Polen) op 18 oktober 2019 – C. S.A./Curator van het faillissement van I.T., gevestigd te O., in liquidatie

26

2020/C 54/28

Zaak C-765/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Apelacyjny w Krakowie (Polen) op 18 oktober 2019 – M.Ś., I.Ś./R.B.P.

27

2020/C 54/29

Zaak C-790/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Curtea de Apel Brașov (Roemenië) op 24 oktober 2019 – Strafzaak tegen LG, MH

28

2020/C 54/30

Zaak C-811/19: om een prejudiciële beslissing ingediend door de Înaltă Curte de Casație și Justiție (Roemenië) op 4 november 2019 – strafzaak tegen FQ, GP, HO, IN, JM

28

2020/C 54/31

Zaak C-822/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Curte de Apel Alba Iulia (Roemenië) op 5 november 2019 – Flavourstream SRL/Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice Brașov, Agenția Națională de Administrare Fiscală - Direcția Generală a Vămilor - Direcția Regională Vamală Brașov - Biroul Vamal de Interior

29

2020/C 54/32

Zaak C-834/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunale di Vicenza (Italië) op 15 november 2019 – AV/Ministero della Giustizia, Repubblica italiana

30

2020/C 54/33

Zaak C-837/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Arbitral Tributário (Centro de Arbitragem Administrativa – CAAD) (Portugal) op 19 november 2019 – Super Bock Bebidas, S. A./Autoridade Tributária e Aduaneira

31

2020/C 54/34

Zaak C-843/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Superior de Justicia de Cataluña (Spanje) op 20 november 2019 – Instituto Nacional de la Seguridad Social (INSS)/BT

32

2020/C 54/35

Zaak C-846/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal d’arrondissement (Luxemburg) op 21 november 2019 – EQ/Administration de l’Enregistrement, des Domaines et de la TVA

32

2020/C 54/36

Zaak C-861/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de lo Social no 26 de Barcelona (Spanje) op 26 november 2019 – LJ/INSS (Instituto Nacional de la Seguridad Social)

33

2020/C 54/37

Zaak C-865/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de tribunal d’instance de Rennes (Frankrijk) op 27 november 2019 – Caisse de Crédit Mutuel Le Mans Pontlieue/OG

34

2020/C 54/38

Zaak C-870/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte suprema di cassazione (Italië) op 26 november 2019 – Prefettura Ufficio territoriale del governo di Firenze/MI

35

2020/C 54/39

Zaak C-871/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte suprema di cassazione (Italië) op 26 november 2019 – Prefettura Ufficio territoriale del governo di Firenze/TB

35

2020/C 54/40

Zaak C-876/19 P: Hogere voorziening ingesteld op 29 november 2019 door PlasticsEurope tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 20 september 2019 in zaak T-636/17, PlasticsEurope/ECHA

36

2020/C 54/41

Zaak C-879/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Najwyższy (Polen) op 2 december 2019 – FORMAT Urządzenia i Montaże Przemysłowe/Zakład Ubezpieczeń Społecznych I Oddział w Warszawie

37

2020/C 54/42

Zaak C-884/19 P: Hogere voorziening ingesteld op 3 december 2019 door de Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 24 september 2019 in zaak T-586/14 RENV, Xinyi PV Products (Anhui) Holdings/Commissie

38

2020/C 54/43

Zaak C-890/19 P: Hogere voorziening ingesteld op 4 december 2019 door Fortischem a.s. tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 24 september 2019 in zaak T-121/15, Fortischem/Commissie

39

2020/C 54/44

Zaak C-895/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Wojewódzki Sąd Administracyjny w Gliwicach (Polen) op 4 december 2019 – A./Dyrektor Krajowej Informacji Skarbowej

40

2020/C 54/45

Zaak C-898/19 P: Hogere voorziening ingesteld op 4 december 2019 door Ierland tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer, uitgebreid) van 24 september 2019 in de gevoegde zaken T-755/15 en T-759/15, Luxemburg en Fiat Chrysler Finance Europe/Commissie

41

2020/C 54/46

Zaak C-899/19 P: Hogere voorziening ingesteld op 4 december 2019 door Roemenië tegen het arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 24 september 2019 in zaak T-391/17, Roemenië/Commissie

42

2020/C 54/47

Zaak C-900/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d’État (Frankrijk) op 6 december 2019 – One Voice, Ligue pour la protection des oiseaux/Ministre de la Transition écologique et solidaire

43

2020/C 54/48

Zaak C-904/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Rejonowy dla Warszawy-Woli w Warszawie (Polen) op 10 december 2019 – E. Sp. z o.o./K. S.

43

2020/C 54/49

Zaak C-913/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Rejonowy w Białymstoku (Polen) op 13 december 2019 – CNP spółka z o.o./Gefion Insurance A/S

45

 

Gerecht

2020/C 54/50

Zaak T-21/18: Arrest van het Gerecht van 17 december 2019 – Polen/Commissie (ELGF en Elfpo – Van financiering uitgesloten uitgaven – Sectoren groenten en fruit – Steun aan producentengroeperingen – Uitgaven verricht door Polen – Tekortkomingen in de essentiële en secundaire controles – Controles van de erkenningsprogramma’s en erkenningscriteria – Controles met betrekking tot de steunaanvragen – Subsidiabiliteit van de producentengroeperingen – Economische samenhang – Noodzaak en subsidiabiliteit van de investeringen – Gerechtvaardigdheid van de kosten – Structurele gebreken – Risico voor het ELGF – Corrigerende maatregelen – Forfaitaire correcties van 25 %)

46

2020/C 54/51

Zaak T-22/18: Arrest van het Gerecht van 19 december 2019 – Bulgarije/Commissie (ELGF en Elfpo – Van de financiering uitgesloten uitgaven – Door Bulgarije verrichte uitgaven – Plattelandsontwikkeling – Kwaliteit van de controles ter plaatse – Controle van subsidiabiliteitscriteria en de selectiecriteria – Financiële correcties – Controles ex post – Methode voor de berekening van de financiële correcties – Herhaling – Corrigerende maatregelen – Conformiteitsgoedkeuringsprocedure – Rechtszekerheid – Beginsel van goed financieel beheer – Evenredigheid)

47

2020/C 54/52

Zaak T-100/18: Arrest van het Gerecht van 19 december 2019 – Wehrheim/ECB (Openbare dienst – Personeel van de ECB – Bezoldiging – Ontheemdingstoelage – Intrekking – Aansprakelijkheid – Materiële en immateriële schade – Dienstfout)

47

2020/C 54/53

Zaak T-295/18: Arrest van het Gerecht van 19 december 2019 – Griekenland/Commissie (ELGF en Elfpo – Van de financiering uitgesloten uitgaven – Door Griekenland verrichte uitgaven – Plattelandsontwikkeling – Ontkoppelde rechtstreekse steun – Essentiële controles – Forfaitaire financiële correcties)

48

2020/C 54/54

Zaak T-383/18: Arrest van het Gerecht van 19 december 2019 – Sta*Ware EDV Beratung/EUIPO – Accelerate IT Consulting (businessNavi) (Uniemerk – Procedure inzake vervallenverklaring – Uniebeeldmerk businessNavi – Normaal gebruik van het merk – Gedeeltelijke vervallenverklaring – Artikel 51, lid 1, onder a), en lid 2, van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 58, lid 1, onder a), en lid 2, van verordening (EU) 2017/1001])

49

2020/C 54/55

Zaak T-504/18: Arrest van het Gerecht van 19 december 2019 – XG/Commissie (Personeel van een particuliere onderneming die informaticadiensten verricht binnen de instelling – Weigering van toegang tot de gebouwen van de Commissie – Bevoegdheid van degene die de handeling heeft vastgesteld)

50

2020/C 54/56

Zaak T-317/19 R: Beschikking van de president van het Gerecht van 7 november 2019 – AMVAC Netherlands/Commissie (Kort geding – Gewasbeschermingsmiddelen – Verordening (EG) nr. 1107/2009 – Werkzame stof ethoprofos – Voorwaarden voor de goedkeuring voor het in de handel brengen van de stof – Verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging – Geen spoedeisendheid)

50

2020/C 54/57

Zaak T-715/19: Beroep ingesteld op 21 oktober 2019 – Wagenknecht/Europese Raad

51

2020/C 54/58

Zaak T-804/19: Beroep ingesteld op 20 November 2019 – HC/Commissie

52

2020/C 54/59

Zaak T-823/19: Beroep ingesteld op 4 december 2019 – JMS Sports/EUIPO – Inter-Vion (Spiraalvormige haarelastiekjes)

53

2020/C 54/60

Zaak T-829/19: Beroep ingesteld op 4 december 2019 – Palírna U Zeleného stromu/EUIPO – Bacardi (BLEND 42 VODKA)

54

2020/C 54/61

Zaak T-830/19: Beroep ingesteld op 4 december 2019 – Palírna U Zeleného stromu/EUIPO - Bacardi (BLEND 42 VODKA)

55

2020/C 54/62

Zaak T-831/19: Beroep ingesteld op 4 december 2019 – Palírna U Zeleného stromu/EUIPO - Bacardi (BLEND 42 FIRST CZECH BLENDED VODKA)

56

2020/C 54/63

Zaak T-849/19: Beroep ingesteld op 16 december 2019 – Leonardo/Frontex

57

2020/C 54/64

Zaak T-853/19: Beroep ingesteld op 17 december 2019 – Tehrani/EUIPO – Blue Genes (Earnest Sewn)

59

2020/C 54/65

Zaak T-854/19: Beroep ingesteld op 17 december 2019 – Franz Schröder/EUIPO – RDS Design (MONTANA)

60

2020/C 54/66

Zaak T-855/19: Beroep ingesteld op 17 december 2019 – Franz Schröder/EUIPO – RDS Design (MONTANA)

61

2020/C 54/67

Zaak T-856/19: Beroep ingesteld op 17 december 2019 – Franz Schröder/EUIPO – RDS Design (MONTANA)

62

2020/C 54/68

Zaak T-859/19: Beroep ingesteld op 9 december 2019 – Alkemie Group/EUIPO – Mann & Schröder (ALKEMIE)

63

2020/C 54/69

Zaak T-860/19: Beroep ingesteld op 9 december 2019 – Alkemie Group/EUIPO – Mann & Schröder (ALKEMIE)

63


NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie van de Europese Unie

17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/1


Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

(2020/C 54/01)

Laatste publicatie

PB C 45 van 10.2.2020

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 36 van 3.2.2020

PB C 27 van 27.1.2020

PB C 19 van 20.1.2020

PB C 10 van 13.1.2020

PB C 432 van 23.12.2019

PB C 423 van 16.12.2019

Deze teksten zijn beschikbaar in

EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu


V Bekendmakingen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/2


Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 11 december 2019 – Mytilinaios Anonymos Etairia – Omilos Epicheiriseon, voorheen Alouminion tis Ellados VEAE/Europese Commissie, Dimosia Epicheirisi Ilektrismou AE (DEI)

(Zaak C-332/18 P) (1)

(Hogere voorziening - Staatssteun - Productie van aluminium - Bij overeenkomst toegekend preferentieel elektriciteitstarief - Besluit waarbij de steun verenigbaar met de interne markt wordt verklaard - Beëindiging van de overeenkomst - Schorsing door een rechterlijke beslissing in kort geding van de gevolgen van de beëindiging - Besluit waarbij de steun onrechtmatig wordt verklaard)

(2020/C 54/02)

Procestaal: Grieks

Partijen

Rekwirante: Mytilinaios Anonymos Etairia – Omilos Epicheiriseon, voorheen Alouminion tis Ellados VEAE (vertegenwoordigers: N. Korogiannakis, N. Keramidas, E. Chrysafis, D. Diakopoulos en A. Komninos, dikigoroi, en K. Struckmann, Rechtsanwalt)

Andere partijen in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Bouchagiar en E. Gippini Fournier, gemachtigden), Dimosia Epicheirisi Ilektrismou AE (DEI) (vertegenwoordigers: E. Bourtzalas en D. Waelbroeck, avocats, en C. Synodinos, H. Tagaras en E. Salaka, dikigoroi)

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Mytilinaios Anonymos Etairia – Omilos Epicheiriseon wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 285 van 13.8.2018.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/3


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 12 december 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Najvyšší súd Slovenskej republiky - Slowakije) – Slovenské elektrárne a.s./Úrad pre vybrané hospodárske subjekty, voorheen Daňový úrad pre vybrané daňové subjekty

(Zaak C-376/18) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Ontvankelijkheid - Gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit - Richtlijn 2009/72/EG - Werkingssfeer - Artikel 3 - Doelstellingen - Non-discriminatiebeginsel - Speciale heffing op de inkomsten van entiteiten die een vergunning hebben om een activiteit uit te oefenen in gereguleerde sectoren - Elektriciteitssector)

(2020/C 54/03)

Procestaal: Slowaaks

Verwijzende rechter

Najvyšší súd Slovenskej republiky

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Slovenské elektrárne a.s.

Verwerende partij: Úrad pre vybrané hospodárske subjekty, voorheen Daňový úrad pre vybrané daňové subjekty

Dictum

Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van richtlijn 2003/54/EG, en in het bijzonder artikel 3, leden 1 tot en met 3 en 10, ervan, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regeling die een speciale heffing instelt op inkomsten – uit zowel binnenlandse als buitenlandse activiteiten – van ondernemingen die op grond van een door een overheidsinstantie verleende vergunning in verschillende gereguleerde sectoren actief zijn, waaronder ondernemingen die houder zijn van een door de bevoegde nationale regelgevende autoriteit verleende vergunning voor levering van elektrische energie.


(1)  PB C 285 van 13.8.2018.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/3


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 12 december 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad van State - Nederland) – Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid/E.P.

(Zaak C-380/18) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Grenstoezicht, asiel en immigratie - Verordening (EU) 2016/399 - Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) - Artikel 6 - Toegangsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen - Begrip „bedreiging van de openbare orde” - Terugkeerbesluit tegen een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land)

(2020/C 54/04)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Raad van State

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

Verwerende partij: E.P.

Dictum

Artikel 6, lid 1, onder e), van verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale praktijk volgens welke de bevoegde autoriteiten een terugkeerbesluit kunnen nemen tegen een niet-visumplichtige onderdaan van een derde land die zich voor een kort verblijf op het grondgebied van de lidstaten bevindt, op grond van het feit dat hij wordt beschouwd als een bedreiging van de openbare orde omdat hij wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit, voor zover deze praktijk enkel wordt toegepast indien, ten eerste, dit strafbare feit in het licht van de aard ervan en de strafmaat voldoende ernstig is om te rechtvaardigen dat het verblijf van deze onderdaan op het grondgebied van de lidstaten onmiddellijk wordt beëindigd en, ten tweede, deze autoriteiten beschikken over concordante, objectieve en nauwkeurige elementen om hun verdenkingen te staven, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan.


(1)  PB C 294 van 20.8.2018.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/4


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 12 december 2019 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad van State - Nederland) – G.S. (C-381/18), V.G. (C-382/18)/Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(Gevoegde zaken C-381/18 en C-382/18) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Grenstoezicht, asiel en immigratie - Immigratiebeleid - Richtlijn 2003/86/EG - Recht op gezinshereniging - Vereiste voorwaarden voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging - Begrip „redenen van openbare orde” - Afwijzing van een verzoek om toegang en verblijf van een gezinslid - Intrekking of niet-verlenging van een verblijfstitel van een gezinslid)

(2020/C 54/05)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Raad van State

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: G.S. (C-381/18), V.G. (C-382/18)

Verwerende partij: Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

Dictum

1)

Het Hof is uit hoofde van artikel 267 VWEU bevoegd om artikel 6 van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging uit te leggen in een situatie waarin een rechter zich dient uit te spreken over een verzoek om toegang en verblijf van een onderdaan van een derde land die gezinslid is van een Unieburger die geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, wanneer deze bepaling door het nationale recht rechtstreeks en onvoorwaardelijk van toepassing is verklaard op een dergelijke situatie.

2)

Artikel 6, leden 1 en 2, van richtlijn 2003/86 moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale praktijk volgens welke de bevoegde autoriteiten om redenen van openbare orde, ten eerste, een op deze richtlijn gebaseerd verzoek om toegang en verblijf kunnen afwijzen op grond van een strafrechtelijke veroordeling die is uitgesproken tijdens een eerder verblijf op het grondgebied van de desbetreffende lidstaat en, ten tweede, een op deze richtlijn gebaseerde verblijfstitel kunnen intrekken of de verlenging ervan kunnen weigeren wanneer de aanvrager een voldoende zware straf is opgelegd ten opzichte van de duur van het verblijf, voor zover deze praktijk alleen van toepassing is indien de inbreuk die de betrokken strafrechtelijke veroordeling rechtvaardigt voldoende ernstig van aard is om vast te stellen dat het noodzakelijk is het verblijf van deze aanvrager uit te sluiten en deze autoriteiten de in artikel 17 van dezelfde richtlijn bedoelde individuele beoordeling uitvoeren, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan.


(1)  PB C 294 van 20.8.2018.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/5


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 12 december 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Korkein oikeus - Finland) – ML/Aktiva Finants OÜ

(Zaak C-433/18) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Verordening (EG) nr. 44/2001 - Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - Vereiste van een procedure op tegenspraak en een doeltreffend rechtsmiddel - Beslissing van een nationale rechterlijke instantie tot uitvoerbaarverklaring van een beslissing van een rechterlijke instantie van een andere lidstaat - Nationale procedure voor het verlenen van toestemming om hoger beroep in te stellen)

(2020/C 54/06)

Procestaal: Fins

Verwijzende rechter

Korkein oikeus

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: ML

Verwerende partij: Aktiva Finants OÜ

Dictum

1)

Artikel 43, lid 1, van verordening nr. (EG) 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding waarin, ten eerste, de appelrechter over het verlenen van die toestemming uitspraak doet op basis van de beslissing in eerste aanleg, het bij hem ingestelde rechtsmiddel, de eventuele opmerkingen van de verwerende partij en, indien nodig, de overige elementen van het dossier, en, ten tweede, de toestemming tot voortzetting van het geding moet worden verleend met name indien er twijfel bestaat over de juistheid van de betrokken beslissing, indien het niet mogelijk is de juistheid van die beslissing te beoordelen zonder toestemming tot voortzetting van het geding te verlenen of indien er een andere gewichtige reden is om toestemming tot voortzetting van het geding te verlenen.

2)

Artikel 43, lid 3, van verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een procedure voor het onderzoek van een rechtsmiddel tegen een beslissing op het verzoek tot uitvoerbaarverklaring, waarin niet vereist is dat de verwerende partij vooraf wordt gehoord wanneer een beslissing in haar voordeel is genomen.


(1)  PB C 352 van 1.10.2018.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/6


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 12 december 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof - Oostenrijk) – Otis GmbH, Schindler Liegenschaftsverwaltung GmbH, Schindler Aufzüge und Fahrtreppen GmbH, Kone AG,Thyssenkrupp Aufzüge GmbH/Land Oberösterreich e.a.

(Zaak C-435/18) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Artikel 101 VWEU - Vergoeding van door een kartel veroorzaakte schade - Recht op vergoeding voor personen die niet als leverancier of afnemer actief zijn op de door het kartel beïnvloede markt - Schade geleden door een overheidsinstantie die leningen heeft verstrekt tegen gunstige voorwaarden met het oog op de aanschaf van goederen waarop het kartel betrekking heeft)

(2020/C 54/07)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Oberster Gerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Otis GmbH, Schindler Liegenschaftsverwaltung GmbH, Schindler Aufzüge und Fahrtreppen GmbH, Kone AG, Thyssenkrupp Aufzüge GmbH

Verwerende partijen: Land Oberösterreich, Gemeinnützige Wohnungsgenossenschaft „Lebensräume” eingetragene GmbH, EBS Wohnungsgesellschaft mbH, WAG Wohnungsanlagen GmbH, WSG Gemeinnützige Wohn- und Siedlergemeinschaft reg.GmbH, Neue Heimat Oberösterreich Gemeinnützige Wohnungs- und SiedlungsgesmbH, BRW Gemeinnützige Wohnungs- und Siedlungsgenossenschaft „Baureform Wohnstätte” eingetragene Gen.m.b.H., Gemeinnützige Wohnungs- und Siedlungsgenossenschaft „Familie” eingetragene Gen.m.b.H., VLW Vereinigte Linzer Wohnungsgenossenschaften Gemeinnützige GmbH, Gemeinnützige Steyrer Wohn- und Siedlungs Genossenschaft „Styria” reg.Gen.m.b.H., Innviertler Gemeinnützige Wohnungs- und Siedlungsgenossenschaft reg.Gen.m.b.H., Gemeinnützige Wohnungsgesellschaft der Stadt Steyr GmbH, Gemeinnützige Industrie-Wohnungsaktiengesellschaft, Gemeinnützige Siedlungsgesellschaft m.b.H. für den Bezirk Vöcklabruck, GEWOG Neues Heim Gemeinnützige Wohnungsgesellschaft m.b.H.

Dictum

Artikel 101 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat personen die niet als leverancier of afnemer actief zijn op de door een kartel beïnvloede markt, maar die subsidies hebben verstrekt in de vorm van stimuleringsleningen aan afnemers van op die markt aangeboden producten, kunnen vorderen dat de ondernemingen die aan dit kartel hebben deelgenomen, worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die deze personen hebben geleden omdat zij, aangezien het bedrag van deze subsidies hoger was dan zonder dat kartel het geval zou zijn geweest, dit verschil niet voor andere, meer lucratieve doeleinden hebben kunnen gebruiken.


(1)  PB C 352 van 1.10.2018.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/7


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 12 december 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de lo Social no3 de Gerona - Spanje) – WA/Instituto Nacional de la Seguridad Social

(Zaak C-450/18) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Sociaal beleid - Richtlijn 79/7/EEG - Gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid - Artikel 4, leden 1 en 2 - Artikel 7, lid 1 - Berekening van de prestaties - Richtlijn 2006/54/EG - Gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep - Nationale wettelijke regeling die voorziet in het recht op een pensioentoeslag voor vrouwen die ten minste twee biologische of geadopteerde kinderen hebben en die een op premie- of bijdragebetaling berustend pensioen voor duurzame arbeidsongeschiktheid ontvangen - Niet-toekenning van dit recht aan mannen die zich in dezelfde situatie bevinden - Vergelijkbare situatie - Directe discriminatie op grond van geslacht - Uitzonderingen - Geen)

(2020/C 54/08)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Juzgado de lo Social no3 de Gerona

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: WA

Verwerende partij: Instituto Nacional de la Seguridad Social

Dictum

Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid moet aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding, die voorziet in het recht op een pensioentoeslag voor vrouwen die ten minste twee biologische of geadopteerde kinderen hebben en een op premie- of bijdragebetaling berustend pensioen voor duurzame arbeidsongeschiktheid ontvangen krachtens een regeling uit hoofde van het nationale socialezekerheidsstelsel, terwijl mannen in dezelfde situatie geen recht hebben op een dergelijke pensioentoeslag.


(1)  PB C 399 van 05.11.2018.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/7


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 12 december 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság - Hongarije) – TB/Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal

(Zaak C-519/18) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Immigratiebeleid - Recht op gezinshereniging - Richtlijn 2003/86/EG - Artikel 10, lid 2 - Facultatieve bepaling - Voorwaarden voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging - Niet in artikel 4 genoemd gezinslid van een vluchteling - Begrip „ten laste komende persoon”)

(2020/C 54/09)

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: TB

Verwerende partij: Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal

Dictum

Artikel 10, lid 2, van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging moet aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een lidstaat de gezinshereniging van de zus van een vluchteling enkel toestaat wanneer zij wegens haar gezondheidstoestand niet in staat is om zelf te voorzien in haar levensonderhoud, mits:

ten eerste bij de beoordeling van dit onvermogen rekening wordt gehouden met de bijzondere situatie van vluchtelingen en die beoordeling wordt voorafgegaan door een geïndividualiseerd onderzoek waarbij alle relevante gegevens in aanmerking worden genomen, en

ten tweede, eveneens rekening houdend met de bijzondere situatie van vluchtelingen en na een geïndividualiseerd onderzoek waarbij alle relevante gegevens in aanmerking worden genomen, kan worden vastgesteld dat de betrokkene daadwerkelijk door de vluchteling materieel wordt gesteund of dat de vluchteling kennelijk het gezinslid is dat het best in staat is om de vereiste materiële steun te verlenen.


(1)  PB C 436 van 3.12.2018.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/8


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 11 december 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal București - Roemenië) – TK/Asociația de Proprietari bloc M5A-ScaraA

(Zaak C-708/18) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikelen 7 en 8 - Richtlijn 95/46/EG - Artikel 6, lid 1, onder c), en artikel 7, onder f) - Toelaatbaarheid van de verwerking van persoonsgegevens - Nationale regeling die videobewaking toestaat ter waarborging van de veiligheid en bescherming van personen, goederen en waardevolle voorwerpen en de behartiging van gerechtvaardigde belangen, zonder toestemming van de betrokkene - Installatie van een videobewakingssysteem in de gemeenschappelijke ruimten van een voor bewoning bestemd gebouw)

(2020/C 54/10)

Procestaal: Roemeens

Verwijzende rechter

Tribunalul București

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: TK

Verwerende partij: Asociația de Proprietari bloc M5A-ScaraA

Dictum

Artikel 6, lid 1, onder c), en artikel 7, onder f), van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen nationale bepalingen die toestaan dat er zonder toestemming van de betrokkenen een videobewakingssysteem wordt opgezet, zoals het systeem in het hoofdgeding dat is geïnstalleerd in de gemeenschappelijke ruimten van een voor bewoning bestemd gebouw, om gerechtvaardigde belangen na te streven die erin bestaan de veiligheid en de bescherming van personen en goederen te waarborgen, mits de verwerking van persoonsgegevens door middel van het betrokken videobewakingssysteem voldoet aan de voorwaarden van dat artikel 7, onder f), hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.


(1)  PB C 65 van 18.2.2019.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/9


Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 12 december 2019 – Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie/Wajos GmbH

(Zaak C-783/18 P) (1)

(Hogere voorziening - Uniemerk - Verordening (EG) nr. 207/2009 - Artikel 7, lid 1, onder b) - Absolute weigeringsgrond - Merken zonder onderscheidend vermogen - Driedimensionale merken bestaande in de vorm van de waar - Criteria ter beoordeling van het onderscheidend vermogen - Motiveringsplicht - Vorm van een fles - Amfoor)

(2020/C 54/11)

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirant: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: D. Hanf, gemachtigde)

Andere partij in de procedure: Wajos GmbH (vertegenwoordigers: J. Schneiders, R. Krillke en B. Schneiders, Rechtsanwälte)

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) wordt verwezen in zijn eigen kosten en in de kosten van Wajos GmbH.


(1)  PB C 112 van 25.3.2019.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/10


Arrest van het Hof (Negende kamer) van 11 december 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas - Litouwen) – TV Play Baltic AS/Lietuvos radijo ir televizijos komisija

(Zaak C-87/19) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Elektronischecommunicatienetwerken en -diensten - Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) - Artikel 2, onder m) - Aanbieden van een elektronischecommunicatienetwerk - Begrip - Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn) - Artikel 31, lid 1 - Verplichting tot doorgifte van nader bepaalde radio- of televisieomroepkanalen - Exploitant die een pakket van satellietzenders aanbiedt - Redelijke doorgifteverplichtingen - Voorwaarden - Artikel 56 VWEU - Evenredigheid)

(2020/C 54/12)

Procestaal: Litouws

Verwijzende rechter

Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: TV Play Baltic AS

Verwerende partij: Lietuvos radijo ir televizijos komisija

in tegenwoordigheid van: Lietuvos nacionalinis radijas ir televizija VšĮ

Dictum

1)

Artikel 2, onder m), van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) moet aldus worden uitgelegd dat activiteiten op het gebied van de doorgifte van televisieprogramma’s via aan derden toebehorende satellietnetwerken niet onder het begrip „aanbieden van een elektronischecommunicatienetwerk” in de zin van die bepaling vallen.

2)

Artikel 31, lid 1, van richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (universeledienstrichtlijn) moet aldus worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat de lidstaten een verplichting tot doorgifte van een televisieprogramma opleggen aan ondernemingen die via aan derden toebehorende satellietnetwerken televisieprogramma’s doorgeven die beschermd zijn door een systeem voor voorwaardelijke toegang en hun klanten pakketten televisieprogramma’s aanbieden.

3)

Artikel 56 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat de lidstaten een verplichting tot kosteloze doorgifte van een televisieomroepkanaal opleggen aan ondernemingen die via aan derden toebehorende satellietnetwerken televisieprogramma’s doorgeven die beschermd zijn door een systeem voor voorwaardelijke toegang en hun klanten pakketten televisieprogramma’s aanbieden, mits ten eerste deze doorgifteverplichting een significant aantal of percentage eindgebruikers van alle middelen voor de doorgifte van televisieprogramma’s toegang verschaft tot het kanaal waaraan die verplichting ten goede komt, en ten tweede rekening wordt gehouden met de geografische spreiding van de eindgebruikers van de diensten die worden aangeboden door de exploitant aan wie de genoemde doorgifteverplichting is opgelegd en met het feit dat deze exploitant dat kanaal ongecodeerd doorgeeft, alsook met de omstandigheid dat het genoemde kanaal kosteloos toegankelijk is via het internet en via het terrestrische televisienetwerk. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of aan deze voorwaarden voldaan is.


(1)  PB C 155 van 6.5.2019.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/11


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 12 december 2019 – Der Grüne Punkt - Duales System Deutschland GmbH/Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

(Zaak C-143/19 P) (1)

(Hogere voorziening - Uniemerk - Verordening (EG) nr. 207/2009 - Artikelen 15 en 66 - Normaal gebruik van een collectief Uniemerk - Merk inzake een systeem van inzameling en verwerking van verpakkingsafval - Aanbrenging op de verpakking van de waren waarvoor het merk is ingeschreven)

(2020/C 54/13)

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirante: Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland GmbH (vertegenwoordiger: P. Goldenbaum, Rechtsanwältin)

Andere partij in de procedure: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: D. Hanf, gemachtigde)

Dictum

1)

Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 12 september 2018, Der Grüne Punkt/EUIPO – Halston Properties (Weergave van een cirkel met twee pijlen) (T-253/17, EU:T:2018:909), wordt vernietigd.

2)

De beslissing van de vijfde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 20 februari 2017 (zaak R 1357/2015-5) wordt vernietigd.

3)

Het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) draagt zijn eigen kosten alsmede de kosten die Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland GmbH heeft gemaakt in het kader van de onderhavige hogere voorziening en de procedure in eerste aanleg.


(1)  PB C 220 van 1.7.2019.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/11


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 12 december 2019 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour d’appel, de rechtbank Amsterdam – Luxemburg, Nederland) – Tenuitvoerlegging van Europese aanhoudingsbevelen die zijn uitgevaardigd tegen JR (C-566/19 PPU), YC (C-626/19 PPU)

(Gevoegde zaken C-566/19 PPU en C-626/19 PPU) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Prejudiciële spoedprocedure - Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken - Europees aanhoudingsbevel - Kaderbesluit 2002/584/JBZ - Artikel 6, lid 1 - Begrip „uitvaardigende rechterlijke autoriteit” - Criteria - Europees aanhoudingsbevel dat door het openbaar ministerie van een lidstaat is uitgevaardigd met het oog op strafvervolging)

(2020/C 54/14)

Procestalen: Frans en Nederlands

Verwijzende rechters

Cour d’appel, Rechtbank Amsterdam

Partijen in het hoofdgeding

JR (C-566/19 PPU), YC (C-626/19 PPU)

Dictum

Artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moet aldus worden uitgelegd dat de magistraten van het openbaar ministerie van een lidstaat die belast zijn met de strafvordering en onder leiding en toezicht staan van hun hiërarchieke meerderen, onder het begrip „uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van deze bepaling vallen, wanneer hun status hun onafhankelijkheid, met name ten opzichte van de uitvoerende macht, waarborgt in het kader van de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel.

Kaderbesluit 2002/584, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, moet aldus worden uitgelegd dat aan de vereisten die inherent zijn aan een effectieve rechterlijke bescherming, die moet toekomen aan een persoon ten aanzien van wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op strafvervolging, is voldaan wanneer volgens de wettelijke regeling van de uitvaardigende lidstaat de voorwaarden voor de uitvaardiging van dat bevel, en met name de evenredigheid ervan, in die lidstaat door de rechter worden getoetst.


(1)  PB C 337 van 7.10.2019.

PB C 383 van 11.11.2019.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/12


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 12 december 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de rechtbank Amsterdam - Nederland) – Tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd tegen XD

(Zaak C-625/19 PPU) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Prejudiciële spoedprocedure - Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken - Europees aanhoudingsbevel - Kaderbesluit 2002/584/JBZ - Artikel 6, lid 1 - Begrip „uitvaardigende rechterlijke autoriteit” - Criteria - Europees aanhoudingsbevel dat door het openbaar ministerie van een lidstaat is uitgevaardigd met het oog op strafvervolging)

(2020/C 54/15)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Rechtbank Amsterdam

Partij in het hoofdgeding

XD

Dictum

Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moet aldus worden uitgelegd dat aan de vereisten die inherent zijn aan een effectieve rechterlijke bescherming, die moet toekomen aan een persoon ten aanzien van wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op strafvervolging, is voldaan wanneer volgens de wettelijke regeling van de uitvaardigende lidstaat de voorwaarden voor de uitvaardiging van dat bevel, en met name de evenredigheid ervan, in die lidstaat door de rechter worden getoetst.


(1)  PB C 382 van 11.11.2019.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/13


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 12 december 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de rechtbank Amsterdam - Nederland) – Tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd tegen ZB

(Zaak C-627/19 PPU) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Prejudiciële spoedprocedure - Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken - Europees aanhoudingsbevel - Kaderbesluit 2002/584/JBZ - Artikel 6, lid 1 - Begrip „uitvaardigende rechterlijke autoriteit” - Criteria - Europees aanhoudingsbevel dat door het openbaar ministerie van een lidstaat is uitgevaardigd met het oog op uitvoering van een straf)

(2020/C 54/16)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Rechtbank Amsterdam

Partij in het hoofdgeding

ZB

Dictum

Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een wettelijke regeling van een lidstaat die de bevoegdheid om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen met het oog op uitvoering van een straf toekent aan een autoriteit die weliswaar aan de rechtsbedeling in die lidstaat deelneemt maar zelf geen rechterlijke instantie is, doch niet voorziet in een afzonderlijk beroep in rechte tegen de beslissing van die autoriteit om een dergelijk Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen.


(1)  PB C 383 van 11.11.2019.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/14


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Judecătoria Sector 2 București (Boekarest, Roemenië) op 1 oktober 2019 – IO/Impuls Leasing România IFN SA

(Zaak C-725/19)

(2020/C 54/17)

Procestaal: Roemeens

Verwijzende rechter

Judecătoria Sector 2 București

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: IO

Verwerende partij: Impuls Leasing România IFN SA

Prejudiciële vraag

Moet richtlijn 93/13/EEG (1) in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling, zoals de toepasselijke Roemeense wetgeving inzake de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van het verzet tegen de tenuitvoerlegging – artikel 713, lid 2, van de Cod de procedură civilă, zoals gewijzigd bij Legea nr. 310/2018 – die, in geval van verzet tegen de tenuitvoerlegging, niet de mogelijkheid biedt dat op verzoek van de consument of door de rechter ambtshalve wordt onderzocht of de bedingen van een leaseovereenkomst die een executoriale titel vormen oneerlijk zijn, omdat overeenkomsten tussen een „consument” en een „verkoper of leverancier” („beroepsbeoefenaar”) door middel van een procedure krachtens gemeen recht kunnen worden getoetst aan het bestaan van oneerlijke bedingen in de zin van die richtlijn?


(1)  Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993 L 95, blz. 29).


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/14


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal București (Roemenië) op 4 oktober 2019 – ITH Comercial Timișoara SRL/Agenția Națională de Administrare Fiscală - Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice București, Agenția Națională de Administrare Fiscală – Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice București – Administrația Sector 1 a Finanțelor Publice

(Zaak C-734/19)

(2020/C 54/18)

Procestaal: Roemeens

Verwijzende rechter

Tribunalul București

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: ITH Comercial Timișoara SRL

Verwerende partijen: Agenția Națională de Administrare Fiscală - Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice București, Agenția Națională de Administrare Fiscală – Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice București – Administrația Sector 1 a Finanțelor Publice

Prejudiciële vragen

1.1.

Staan de bepalingen van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (1), in het bijzonder de artikelen 167 en 168, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het non-discriminatiebeginsel en het beginsel van fiscale neutraliteit eraan in de weg dat een belastingplichtige het recht op aftrek van btw over investeringsuitgaven die zijn bedoeld voor belastbare handelingen verliest indien deze belastingplichtige de voorgenomen investering later stopzet?

1.2.

Staan deze bepalingen en beginselen eraan in de weg dat het recht op aftrek bij stopzetting van de investering ook ter discussie wordt gesteld in andere gevallen dan misbruik of fraude door de belastingplichtige?

1.3.

Staan deze bepalingen en beginselen in de weg aan de uitlegging dat het recht op aftrek bij stopzetting van de investering ter discussie kan worden gesteld in onder meer de volgende omstandigheden:

1.3.1.

het later optreden van een risico van verlies van de investering, waarvan de belastingplichtige op de hoogte was toen deze de investeringsuitgaven deed, zoals bijvoorbeeld het ontbreken van de voor het slagen van de investering noodzakelijke goedkeuring van een bestemmingsplan door de overheid?

1.3.2.

een wijziging in de economische omstandigheden in de loop ter tijd, waardoor de beoogde investering niet meer zo winstgevend is als toen deze werd gestart?

1.4.

Dienen richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en de algemene beginselen van het Unierecht aldus te worden uitgelegd dat bij stopzetting van de investering

1.4.1.

een vermoeden van misbruik of fraude geldt dat rechtvaardigt dat het recht op aftrek ter discussie wordt gesteld, of dat misbruik of fraude door de belastingautoriteiten dient te worden bewezen?

1.4.2.

misbruik of fraude kan worden aangetoond met eenvoudige vermoedens, of dat daar objectieve bewijsmiddelen voor nodig zijn?

1.5.

Staan richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en de algemene beginselen van het Unierecht eraan in de weg dat er, indien een investering wordt stopgezet, kan worden geoordeeld dat sprake is van misbruik of fraude wanneer de belastingplichtige de goederen of diensten waarover de btw is afgetrokken niet kan gebruiken, zelfs niet voor uitsluitend privédoeleinden?

1.6.

Dienen richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en de algemene beginselen van het Unierecht aldus te worden uitgelegd dat, indien een investering wordt stopgezet, omstandigheden die zich voordoen nadat de belastingplichtige de investeringsuitgaven heeft gedaan, zoals (i) een economische crisis, (ii) het optreden van een risico van verlies van de investering, dat reeds bestond toen de investeringsuitgaven werden gedaan (zoals bijvoorbeeld het feit dat een voor het slagen van de investering noodzakelijk bestemmingsplan door de overheid niet wordt goedgekeurd), of (iii) een wijziging van de vooruitzichten betreffende de winstgevendheid van de investering, omstandigheden buiten de wil van de belastingplichtige vormen aan de hand waarvan diens goede trouw kan worden vastgesteld?

1.7.

Dienen richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, in het bijzonder de artikelen 184 en 185 daarvan, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het non-discriminatiebeginsel en het beginsel van fiscale neutraliteit aldus te worden uitgelegd dat de stopzetting van een investering een geval van herziening van de btw vormt?

Met andere woorden, wordt het recht op aftrek van btw over investeringsuitgaven die een belastingplichtige verricht ten behoeve van een belastbare handeling, wanneer de investering later wordt stopgezet, opnieuw ter discussie gesteld door middel van de regeling tot herziening van de btw?

1.8.

Staat richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde in de weg aan een nationale regeling die bepaalt dat het recht op aftrek van btw over stopgezette investeringen uitsluitend in twee situaties blijft voortbestaan, die worden aangeduid door een summiere verwijzing naar twee arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie, namelijk: (i) wanneer de belastingplichtige door omstandigheden buiten zijn wil de betreffende goederen of diensten nooit gebruikt voor zijn economische activiteit, zoals het Hof heeft geoordeeld in zaak C-37/95, Belgische Staat tegen Ghent Coal Terminal NV, en (ii) in andere gevallen waarin de belastingplichtige om objectieve redenen buiten zijn wil aangeschafte goederen of diensten waarover het recht op aftrek is uitgeoefend, niet gebruikt voor zijn economische activiteit, zoals het Hof heeft geoordeeld in het arrest in zaak C-37/95, Intercommunale voor zeewaterontzilting (INZO) tegen Belgische Staat?

1.9.

Staan richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel eraan in de weg dat de belastingautoriteiten terugkomen op een in eerdere belastinginspectierapporten of beslissingen op bezwaar opgenomen toekenning,

1.9.1.

wanneer de particulier de goederen en diensten heeft aangeschaft met het oog op uitvoering van een belastbare handeling?

1.9.2.

wanneer een investeringsproject wordt opgeschort of stopgezet vanwege een omstandigheid buiten de wil van de belastingplichtige?

2.1.

Staat richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, in het bijzonder artikel 28 daarvan, eraan in de weg dat de regeling betreffende de commissionairstructuur ook buiten een lastgevingsovereenkomst zonder vertegenwoordiging wordt toegepast?

2.2.

Dient richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, in het bijzonder artikel 28 daarvan, aldus te worden uitgelegd dat de commissionairstructuur van toepassing is wanneer een belastingplichtige een gebouw volgens de vereisten en naar de behoeften van de activiteiten van een andere rechtspersoon bouwt, met het doel om dat gebouw in eigendom te houden en het na oplevering louter te verhuren aan die andere rechtspersoon?

2.3.

Dienen deze bepalingen aldus te worden uitgelegd dat de aannemer in de hierboven beschreven situatie de investeringsuitgaven voor het bouwen van het gebouw dient door te berekenen aan de rechtspersoon die het gebouw na oplevering zal huren, en de bijbehorende btw van laatstgenoemde dient te innen?

2.4.

Dienen deze bepalingen aldus te worden uitgelegd dat de aannemer in de hierboven beschreven situatie de investeringsuitgaven en de bijbehorende btw dient door te berekenen wanneer hij de bouwwerkzaamheden definitief stopzet omdat de economische activiteiten van de persoon aan wie het gebouw zou worden verhuurd vanwege dreigende insolventie sterk worden gereduceerd?

2.5.

Dienen richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en de algemene beginselen van het Unierecht aldus te worden uitgelegd dat de belastingautoriteiten handelingen van belastingplichtigen kunnen herkwalificeren zonder de bedingen in de door deze belastingplichtigen gesloten overeenkomsten in aanmerking te nemen, ook al zijn het geen schijnovereenkomsten?

2.6.

Staan richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel eraan in de weg dat de belastingautoriteiten terugkomen op een in eerdere belastinginspectierapporten of beslissingen op bezwaar opgenomen toekenning van het recht op btw-aftrek van een belastingplichtige?


(1)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/17


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (Polen) op 15 oktober 2019 – Prokuratura Rejonowa w Mińsku Mazowieckim/WB

(Zaak C-748/19)

(2020/C 54/19)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Sąd Okręgowy w Warszawie

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Prokuratura Rejonowa w Mińsku Mazowieckim

Verwerende partij: WB

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 2 daarvan en de daarin tot uitdrukking gebrachte waarde van de rechtsstaat, alsmede artikel 6, leden 1 en 2, van richtlijn (EU) 2016/343 (1) van het Europees Parlement en de Raad, gelezen in samenhang met overweging 22 daarvan, aldus worden uitgelegd dat de vereisten van effectieve rechterlijke bescherming, met inbegrip van het vereiste van onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, en de vereisten die voortvloeien uit het vermoeden van onschuld worden geschonden wanneer een gerechtelijke procedure, zoals een strafprocedure tegen een persoon die wordt verdacht van het strafbare feit bedoeld in artikel 200, lid 1, kodeks karny en andere, aldus wordt vormgegeven dat:

de rechtsprekende formatie van de rechterlijke instantie onder meer bestaat uit een rechter (rechter HO van een sąd rejonowy, de rechterlijke instantie van het laagste niveau) die bij een individueel besluit van de minister van Justitie is gedetacheerd van een rechterlijke instantie dat een niveau lager in de hiërarchie staat, de criteria die de minister van Justitie heeft gehanteerd bij het detacheren van deze rechter niet bekend zijn en de nationale wetgeving niet voorziet in rechterlijke toetsing van een dergelijk besluit en de minister van Justitie toestaat de detachering van de rechter te allen tijde te beëindigen?

2)

Is er sprake van schending van de in punt 1 genoemde vereisten wanneer partijen tegen een beslissing in een gerechtelijke procedure zoals beschreven in punt 1 een buitengewoon rechtsmiddel kunnen instellen bij een rechter zoals de Sąd Najwyższy (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen), waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet kunnen worden aangevochten, wanneer het nationale recht de voorzitter van de organisatorische eenheid van deze rechterlijke instantie (kamer) die bevoegd is om het rechtsmiddel te beoordelen, verplicht om zaken toe te wijzen volgens een alfabetische lijst van de rechters van deze kamer en het uitdrukkelijk verboden is daarbij een rechter over te slaan en wanneer zaken onder meer worden toegewezen door een rechter die benoemd is op verzoek van een collegiaal orgaan, zoals de Krajowa Rada Sądownictwa (nationale raad voor de rechtspraak), dat zodanig is samengesteld dat de leden ervan rechters zijn die:

a)

worden gekozen door een kamer van het parlement die collectief stemt over een lijst van kandidaten die vooraf door een parlementaire commissie is opgesteld uit kandidaten die door de parlementaire fracties of door een orgaan van deze kamer zijn voorgedragen op grond van voorstellen van groepen rechters of burgers, hetgeen betekent dat de kandidaten in de loop van de verkiezingsprocedure driemaal door politici worden ondersteund;

b)

een meerderheid vormen van de leden van dit orgaan die volstaat om te besluiten over de indiening van verzoeken tot benoeming van rechters, alsmede om andere bindende besluiten te nemen die naar nationaal recht vereist zijn?

3)

Wat is – vanuit het oogpunt van het Unierecht, met inbegrip van de in punt 1 bedoelde bepalingen en vereisten – het gevolg van een beslissing in een gerechtelijke procedure die is vormgegeven zoals beschreven in punt 1, en van een beslissing in een procedure voor de Sąd Najwyższy, indien de in punt 2 bedoelde rechter deelneemt aan de vaststelling daarvan?

4)

Is het naar Unierecht, met inbegrip van de in punt 1 bedoelde bepalingen, van belang voor de gevolgen van de in punt 3 bedoelde beslissingen of de betrokken rechter zich ten voordele of ten nadele van de verdachte heeft uitgesproken?


(1)  Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1).


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/18


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (Polen) op 15 oktober 2019 – Prokuratura Rejonowa Warszawa-Żoliborz w Warszawie/XA, YZ

(Zaak C-749/19)

(2020/C 54/20)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Sąd Okręgowy w Warszawie

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Prokuratura Rejonowa Warszawa-Żoliborz w Warszawie

Verwerende partijen: XA, YZ

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 2 daarvan en de daarin tot uitdrukking gebrachte waarde van de rechtsstaat, alsmede artikel 6, leden 1 en 2, van richtlijn (EU) 2016/343 (1) van het Europees Parlement en de Raad, gelezen in samenhang met overweging 22 daarvan, aldus worden uitgelegd dat de vereisten van effectieve rechterlijke bescherming, met inbegrip van het vereiste van onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, en de vereisten die voortvloeien uit het vermoeden van onschuld worden geschonden wanneer een gerechtelijke procedure, zoals een strafprocedure tegen personen die worden verdacht van het strafbare feit bedoeld in artikel 280, lid 1, kodeks karny en andere, aldus wordt vormgegeven dat:

de rechtsprekende formatie van de rechterlijke instantie onder meer bestaat uit een rechter (rechter HO van een sąd rejonowy, de rechterlijke instantie van het laagste niveau) die bij een individueel besluit van de minister van Justitie is gedetacheerd van een rechterlijke instantie dat een niveau lager in de hiërarchie staat, de criteria die de minister van Justitie heeft gehanteerd bij het detacheren van deze rechter niet bekend zijn en de nationale wetgeving niet voorziet in rechterlijke toetsing van een dergelijk besluit en de minister van Justitie toestaat de detachering van de rechter te allen tijde te beëindigen?

2)

Is er sprake van schending van de in punt 1 genoemde vereisten wanneer partijen tegen een beslissing in een gerechtelijke procedure zoals beschreven in punt 1 een buitengewoon rechtsmiddel kunnen instellen bij een rechter zoals de Sąd Najwyższy (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen), waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet kunnen worden aangevochten, wanneer het nationale recht de voorzitter van de organisatorische eenheid van deze rechterlijke instantie (kamer) die bevoegd is om het rechtsmiddel te beoordelen, verplicht om zaken toe te wijzen volgens een alfabetische lijst van de rechters van deze kamer en het uitdrukkelijk verboden is daarbij een rechter over te slaan en wanneer zaken onder meer worden toegewezen door een rechter die benoemd is op verzoek van een collegiaal orgaan, zoals de Krajowa Rada Sądownictwa (nationale raad voor de rechtspraak), dat zodanig is samengesteld dat de leden ervan rechters zijn die:

a)

worden gekozen door een kamer van het parlement die collectief stemt over een lijst van kandidaten die vooraf door een parlementaire commissie is opgesteld uit kandidaten die door de parlementaire fracties of door een orgaan van deze kamer zijn voorgedragen op grond van voorstellen van groepen rechters of burgers, hetgeen betekent dat de kandidaten in de loop van de verkiezingsprocedure driemaal door politici worden ondersteund;

b)

een meerderheid vormen van de leden van dit orgaan die volstaat om te besluiten over de indiening van verzoeken tot benoeming van rechters, alsmede om andere bindende besluiten te nemen die naar nationaal recht vereist zijn?

3)

Wat is – vanuit het oogpunt van het Unierecht, met inbegrip van de in punt 1 bedoelde bepalingen en vereisten – het gevolg van een beslissing in een gerechtelijke procedure die is vormgegeven zoals beschreven in punt 1, en van een beslissing in een procedure voor de Sąd Najwyższy, indien de in punt 2 bedoelde rechter deelneemt aan de vaststelling daarvan?

4)

Is het naar Unierecht, met inbegrip van de in punt 1 bedoelde bepalingen, van belang voor de gevolgen van de in punt 3 bedoelde beslissingen of de betrokken rechter zich ten voordele of ten nadele van de verdachte heeft uitgesproken?


(1)  Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1).


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/19


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (Polen) op 15 oktober 2019 – Prokuratura Rejonowa Warszawa – Wola w Warszawie/DT

(Zaak C-750/19)

(2020/C 54/21)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Sąd Okręgowy w Warszawie

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Prokuratura Rejonowa Warszawa – Wola w Warszawie

Verwerende partij: DT

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 2 daarvan en de daarin tot uitdrukking gebrachte waarde van de rechtsstaat, alsmede artikel 6, leden 1 en 2, van richtlijn (EU) 2016/343 (1) van het Europees Parlement en de Raad, gelezen in samenhang met overweging 22 daarvan, aldus worden uitgelegd dat de vereisten van effectieve rechterlijke bescherming, met inbegrip van het vereiste van onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, en de vereisten die voortvloeien uit het vermoeden van onschuld worden geschonden wanneer een gerechtelijke procedure, zoals een strafprocedure tegen een persoon die wordt verdacht van het strafbare feit bedoeld in artikel 62, lid 2, kodeks karny skarbowy en andere, aldus wordt vormgegeven dat:

de rechtsprekende formatie van de rechterlijke instantie onder meer bestaat uit een rechter (rechter JM van een sąd rejonowy, de rechterlijke instantie van het laagste niveau) die bij een individueel besluit van de minister van Justitie is gedetacheerd van een rechterlijke instantie dat een niveau lager in de hiërarchie staat, de criteria die de minister van Justitie heeft gehanteerd bij het detacheren van deze rechter niet bekend zijn en de nationale wetgeving niet voorziet in rechterlijke toetsing van een dergelijk besluit en de minister van Justitie toestaat de detachering van de rechter te allen tijde te beëindigen?

2)

Is er sprake van schending van de in punt 1 genoemde vereisten wanneer partijen tegen een beslissing in een gerechtelijke procedure zoals beschreven in punt 1 een buitengewoon rechtsmiddel kunnen instellen bij een rechter zoals de Sąd Najwyższy (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen), waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet kunnen worden aangevochten, wanneer het nationale recht de voorzitter van de organisatorische eenheid van deze rechterlijke instantie (kamer) die bevoegd is om het rechtsmiddel te beoordelen, verplicht om zaken toe te wijzen volgens een alfabetische lijst van de rechters van deze kamer en het uitdrukkelijk verboden is daarbij een rechter over te slaan en wanneer zaken onder meer worden toegewezen door een rechter die benoemd is op verzoek van een collegiaal orgaan, zoals de Krajowa Rada Sądownictwa (nationale raad voor de rechtspraak), dat zodanig is samengesteld dat de leden ervan rechters zijn die:

a)

worden gekozen door een kamer van het parlement die collectief stemt over een lijst van kandidaten die vooraf door een parlementaire commissie is opgesteld uit kandidaten die door de parlementaire fracties of door een orgaan van deze kamer zijn voorgedragen op grond van voorstellen van groepen rechters of burgers, hetgeen betekent dat de kandidaten in de loop van de verkiezingsprocedure driemaal door politici worden ondersteund;

b)

een meerderheid vormen van de leden van dit orgaan die volstaat om te besluiten over de indiening van verzoeken tot benoeming van rechters, alsmede om andere bindende besluiten te nemen die naar nationaal recht vereist zijn?

3)

Wat is – vanuit het oogpunt van het Unierecht, met inbegrip van de in punt 1 bedoelde bepalingen en vereisten – het gevolg van een beslissing in een gerechtelijke procedure die is vormgegeven zoals beschreven in punt 1, en van een beslissing in een procedure voor de Sąd Najwyższy, indien de in punt 2 bedoelde rechter deelneemt aan de vaststelling daarvan?

4)

Is het naar Unierecht, met inbegrip van de in punt 1 bedoelde bepalingen, van belang voor de gevolgen van de in punt 3 bedoelde beslissingen of de betrokken rechter zich ten voordele of ten nadele van de verdachte heeft uitgesproken?


(1)  Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1).


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/20


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (Polen) op 15 oktober 2019 – Prokuratura Rejonowa w Pruszkowie/ZY

(Zaak C-751/19)

(2020/C 54/22)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Sąd Okręgowy w Warszawie

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Prokuratura Rejonowa w Pruszkowie

Verwerende partij: ZY

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 2 daarvan en de daarin tot uitdrukking gebrachte waarde van de rechtsstaat, alsmede artikel 6, leden 1 en 2, van richtlijn (EU) 2016/343 (1) van het Europees Parlement en de Raad, gelezen in samenhang met overweging 22 daarvan, aldus worden uitgelegd dat de vereisten van effectieve rechterlijke bescherming, met inbegrip van het vereiste van onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, en de vereisten die voortvloeien uit het vermoeden van onschuld worden geschonden wanneer een gerechtelijke procedure, zoals een strafprocedure tegen een persoon die verzoekt om een verzamelvonnis, aldus wordt vormgegeven dat:

de rechtsprekende formatie van de rechterlijke instantie onder meer bestaat uit een rechter (rechter KL van een sąd rejonowy, de rechterlijke instantie van het laagste niveau) die bij een individueel besluit van de minister van Justitie is gedetacheerd van een rechterlijke instantie dat een niveau lager in de hiërarchie staat, de criteria die de minister van Justitie heeft gehanteerd bij het detacheren van deze rechter niet bekend zijn en de nationale wetgeving niet voorziet in rechterlijke toetsing van een dergelijk besluit en de minister van Justitie toestaat de detachering van de rechter te allen tijde te beëindigen?

2)

Is er sprake van schending van de in punt 1 genoemde vereisten wanneer partijen tegen een beslissing in een gerechtelijke procedure zoals beschreven in punt 1 een buitengewoon rechtsmiddel kunnen instellen bij een rechter zoals de Sąd Najwyższy (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen), waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet kunnen worden aangevochten, wanneer het nationale recht de voorzitter van de organisatorische eenheid van deze rechterlijke instantie (kamer) die bevoegd is om het rechtsmiddel te beoordelen, verplicht om zaken toe te wijzen volgens een alfabetische lijst van de rechters van deze kamer en het uitdrukkelijk verboden is daarbij een rechter over te slaan en wanneer zaken onder meer worden toegewezen door een rechter die benoemd is op verzoek van een collegiaal orgaan, zoals de Krajowa Rada Sądownictwa (nationale raad voor de rechtspraak), dat zodanig is samengesteld dat de leden ervan rechters zijn die:

a)

worden gekozen door een kamer van het parlement die collectief stemt over een lijst van kandidaten die vooraf door een parlementaire commissie is opgesteld uit kandidaten die door de parlementaire fracties of door een orgaan van deze kamer zijn voorgedragen op grond van voorstellen van groepen rechters of burgers, hetgeen betekent dat de kandidaten in de loop van de verkiezingsprocedure driemaal door politici worden ondersteund;

b)

een meerderheid vormen van de leden van dit orgaan die volstaat om te besluiten over de indiening van verzoeken tot benoeming van rechters, alsmede om andere bindende besluiten te nemen die naar nationaal recht vereist zijn?

3)

Wat is – vanuit het oogpunt van het Unierecht, met inbegrip van de in punt 1 bedoelde bepalingen en vereisten – het gevolg van een beslissing in een gerechtelijke procedure die is vormgegeven zoals beschreven in punt 1, en van een beslissing in een procedure voor de Sąd Najwyższy, indien de in punt 2 bedoelde rechter deelneemt aan de vaststelling daarvan?

4)

Is het naar Unierecht, met inbegrip van de in punt 1 bedoelde bepalingen, van belang voor de gevolgen van de in punt 3 bedoelde beslissingen of de betrokken rechter zich ten voordele of ten nadele van de verdachte heeft uitgesproken?


(1)  Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1).


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/22


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (Polen) op 15 oktober 2019 – Prokuratura Rejonowa Warszawa – Ursynów w Warszawie/AX

(Zaak C-752/19)

(2020/C 54/23)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Sąd Okręgowy w Warszawie

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Prokuratura Rejonowa Warszawa – Ursynów w Warszawie

Verwerende partij: AX

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 2 daarvan en de daarin tot uitdrukking gebrachte waarde van de rechtsstaat, alsmede artikel 6, leden 1 en 2, van richtlijn (EU) 2016/343 (1) van het Europees Parlement en de Raad, gelezen in samenhang met overweging 22 daarvan, aldus worden uitgelegd dat de vereisten van effectieve rechterlijke bescherming, met inbegrip van het vereiste van onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, en de vereisten die voortvloeien uit het vermoeden van onschuld worden geschonden wanneer een gerechtelijke procedure, zoals een strafprocedure tegen een persoon die wordt verdacht van het feit bedoeld in artikel 177, lid 1, kodeks karny en andere, aldus wordt vormgegeven dat:

de rechtsprekende formatie van de rechterlijke instantie onder meer bestaat uit een rechter (rechter HO van een sąd rejonowy, de rechterlijke instantie van het laagste niveau) die bij een individueel besluit van de minister van Justitie is gedetacheerd van een rechterlijke instantie dat een niveau lager in de hiërarchie staat, de criteria die de minister van Justitie heeft gehanteerd bij het detacheren van deze rechter niet bekend zijn en de nationale wetgeving niet voorziet in rechterlijke toetsing van een dergelijk besluit en de minister van Justitie toestaat de detachering van de rechter te allen tijde te beëindigen?

2)

Is er sprake van schending van de in punt 1 genoemde vereisten wanneer partijen tegen een beslissing in een gerechtelijke procedure zoals beschreven in punt 1 een buitengewoon rechtsmiddel kunnen instellen bij een rechter zoals de Sąd Najwyższy (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen), waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet kunnen worden aangevochten, wanneer het nationale recht de voorzitter van de organisatorische eenheid van deze rechterlijke instantie (kamer) die bevoegd is om het rechtsmiddel te beoordelen, verplicht om zaken toe te wijzen volgens een alfabetische lijst van de rechters van deze kamer en het uitdrukkelijk verboden is daarbij een rechter over te slaan en wanneer zaken onder meer worden toegewezen door een rechter die benoemd is op verzoek van een collegiaal orgaan, zoals de Krajowa Rada Sądownictwa (nationale raad voor de rechtspraak), dat zodanig is samengesteld dat de leden ervan rechters zijn die:

a)

worden gekozen door een kamer van het parlement die collectief stemt over een lijst van kandidaten die vooraf door een parlementaire commissie is opgesteld uit kandidaten die door de parlementaire fracties of door een orgaan van deze kamer zijn voorgedragen op grond van voorstellen van groepen rechters of burgers, hetgeen betekent dat de kandidaten in de loop van de verkiezingsprocedure driemaal door politici worden ondersteund;

b)

een meerderheid vormen van de leden van dit orgaan die volstaat om te besluiten over de indiening van verzoeken tot benoeming van rechters, alsmede om andere bindende besluiten te nemen die naar nationaal recht vereist zijn?

3)

Wat is – vanuit het oogpunt van het Unierecht, met inbegrip van de in punt 1 bedoelde bepalingen en vereisten – het gevolg van een beslissing in een gerechtelijke procedure die is vormgegeven zoals beschreven in punt 1, en van een beslissing in een procedure voor de Sąd Najwyższy, indien de in punt 2 bedoelde rechter deelneemt aan de vaststelling daarvan?

4)

Is het naar Unierecht, met inbegrip van de in punt 1 bedoelde bepalingen, van belang voor de gevolgen van de in punt 3 bedoelde beslissingen of de betrokken rechter zich ten voordele of ten nadele van de verdachte heeft uitgesproken?


(1)  Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1).


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/23


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (Polen) op 15 oktober 2019 – Prokuratura Rejonowa Warszawa – Wola w Warszawie/BV

(Zaak C-753/19)

(2020/C 54/24)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Sąd Okręgowy w Warszawie

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Prokuratura Rejonowa Warszawa – Wola w Warszawie

Verwerende partij: BV

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 2 daarvan en de daarin tot uitdrukking gebrachte waarde van de rechtsstaat, alsmede artikel 6, leden 1 en 2, van richtlijn (EU) 2016/343 (1) van het Europees Parlement en de Raad, gelezen in samenhang met overweging 22 daarvan, aldus worden uitgelegd dat de vereisten van effectieve rechterlijke bescherming, met inbegrip van het vereiste van onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, en de vereisten die voortvloeien uit het vermoeden van onschuld worden geschonden wanneer een gerechtelijke procedure, zoals een strafprocedure tegen een persoon die verzoekt om een verzamelvonnis, aldus wordt vormgegeven dat:

de rechtsprekende formatie van de rechterlijke instantie onder meer bestaat uit een rechter (rechter MJ van een sąd rejonowy, de rechterlijke instantie van het laagste niveau) die bij een individueel besluit van de minister van Justitie is gedetacheerd van een rechterlijke instantie dat een niveau lager in de hiërarchie staat, de criteria die de minister van Justitie heeft gehanteerd bij het detacheren van deze rechter niet bekend zijn en de nationale wetgeving niet voorziet in rechterlijke toetsing van een dergelijk besluit en de minister van Justitie toestaat de detachering van de rechter te allen tijde te beëindigen?

2)

Is er sprake van schending van de in punt 1 genoemde vereisten wanneer partijen tegen een beslissing in een gerechtelijke procedure zoals beschreven in punt 1 een buitengewoon rechtsmiddel kunnen instellen bij een rechter zoals de Sąd Najwyższy (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen), waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet kunnen worden aangevochten, wanneer het nationale recht de voorzitter van de organisatorische eenheid van deze rechterlijke instantie (kamer) die bevoegd is om het rechtsmiddel te beoordelen, verplicht om zaken toe te wijzen volgens een alfabetische lijst van de rechters van deze kamer en het uitdrukkelijk verboden is daarbij een rechter over te slaan en wanneer zaken onder meer worden toegewezen door een rechter die benoemd is op verzoek van een collegiaal orgaan, zoals de Krajowa Rada Sądownictwa (nationale raad voor de rechtspraak), dat zodanig is samengesteld dat de leden ervan rechters zijn die:

a)

worden gekozen door een kamer van het parlement die collectief stemt over een lijst van kandidaten die vooraf door een parlementaire commissie is opgesteld uit kandidaten die door de parlementaire fracties of door een orgaan van deze kamer zijn voorgedragen op grond van voorstellen van groepen rechters of burgers, hetgeen betekent dat de kandidaten in de loop van de verkiezingsprocedure driemaal door politici worden ondersteund;

b)

een meerderheid vormen van de leden van dit orgaan die volstaat om te besluiten over de indiening van verzoeken tot benoeming van rechters, alsmede om andere bindende besluiten te nemen die naar nationaal recht vereist zijn?

3)

Wat is – vanuit het oogpunt van het Unierecht, met inbegrip van de in punt 1 bedoelde bepalingen en vereisten – het gevolg van een beslissing in een gerechtelijke procedure die is vormgegeven zoals beschreven in punt 1, en van een beslissing in een procedure voor de Sąd Najwyższy, indien de in punt 2 bedoelde rechter deelneemt aan de vaststelling daarvan?

4)

Is het naar Unierecht, met inbegrip van de in punt 1 bedoelde bepalingen, van belang voor de gevolgen van de in punt 3 bedoelde beslissingen of de betrokken rechter zich ten voordele of ten nadele van de verdachte heeft uitgesproken?


(1)  Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1).


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/24


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (Polen) op 15 oktober 2019 – Prokuratura Rejonowa Warszawa – Wola w Warszawie/CU

(Zaak C-754/19)

(2020/C 54/25)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Sąd Okręgowy w Warszawie

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Prokuratura Rejonowa Warszawa – Wola w Warszawie

Verwerende partij: CU

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 2 daarvan en de daarin tot uitdrukking gebrachte waarde van de rechtsstaat, alsmede artikel 6, leden 1 en 2, van richtlijn (EU) 2016/343 (1) van het Europees Parlement en de Raad, gelezen in samenhang met overweging 22 daarvan, aldus worden uitgelegd dat de vereisten van effectieve rechterlijke bescherming, met inbegrip van het vereiste van onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, en de vereisten die voortvloeien uit het vermoeden van onschuld worden geschonden wanneer een gerechtelijke procedure, zoals een strafprocedure tegen een persoon die wordt verdacht van het strafbare feit bedoeld in artikel 196, lid 2, kodeks karny en andere, aldus wordt vormgegeven dat:

de rechtsprekende formatie van de rechterlijke instantie onder meer bestaat uit een rechter (rechter HO van een sąd rejonowy, de rechterlijke instantie van het laagste niveau) die bij een individueel besluit van de minister van Justitie is gedetacheerd van een rechterlijke instantie dat een niveau lager in de hiërarchie staat, de criteria die de minister van Justitie heeft gehanteerd bij het detacheren van deze rechter niet bekend zijn en de nationale wetgeving niet voorziet in rechterlijke toetsing van een dergelijk besluit en de minister van Justitie toestaat de detachering van de rechter te allen tijde te beëindigen?

2)

Is er sprake van schending van de in punt 1 genoemde vereisten wanneer partijen tegen een beslissing in een gerechtelijke procedure zoals beschreven in punt 1 een buitengewoon rechtsmiddel kunnen instellen bij een rechter zoals de Sąd Najwyższy (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen), waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet kunnen worden aangevochten, wanneer het nationale recht de voorzitter van de organisatorische eenheid van deze rechterlijke instantie (kamer) die bevoegd is om het rechtsmiddel te beoordelen, verplicht om zaken toe te wijzen volgens een alfabetische lijst van de rechters van deze kamer en het uitdrukkelijk verboden is daarbij een rechter over te slaan en wanneer zaken onder meer worden toegewezen door een rechter die benoemd is op verzoek van een collegiaal orgaan, zoals de Krajowa Rada Sądownictwa (nationale raad voor de rechtspraak), dat zodanig is samengesteld dat de leden ervan rechters zijn die:

a)

worden gekozen door een kamer van het parlement die collectief stemt over een lijst van kandidaten die vooraf door een parlementaire commissie is opgesteld uit kandidaten die door de parlementaire fracties of door een orgaan van deze kamer zijn voorgedragen op grond van voorstellen van groepen rechters of burgers, hetgeen betekent dat de kandidaten in de loop van de verkiezingsprocedure driemaal door politici worden ondersteund;

b)

een meerderheid vormen van de leden van dit orgaan die volstaat om te besluiten over de indiening van verzoeken tot benoeming van rechters, alsmede om andere bindende besluiten te nemen die naar nationaal recht vereist zijn?

3)

Wat is – vanuit het oogpunt van het Unierecht, met inbegrip van de in punt 1 bedoelde bepalingen en vereisten – het gevolg van een beslissing in een gerechtelijke procedure die is vormgegeven zoals beschreven in punt 1, en van een beslissing in een procedure voor de Sąd Najwyższy, indien de in punt 2 bedoelde rechter deelneemt aan de vaststelling daarvan?

4)

Is het naar Unierecht, met inbegrip van de in punt 1 bedoelde bepalingen, van belang voor de gevolgen van de in punt 3 bedoelde beslissingen of de betrokken rechter zich ten voordele of ten nadele van de verdachte heeft uitgesproken?


(1)  Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1).


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/25


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Apelacyjny w Krakowie (Polen) op 18 oktober 2019 – D.S./S.P., A.P., D.K., Sz., gevestigd te K.

(Zaak C-763/19)

(2020/C 54/26)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Sąd Apelacyjny w Krakowie

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: D.S.

Verwerende partijen: S.P., A.P., D.K., Sz., gevestigd te K.

Prejudiciële vragen

1)

Moeten de bepalingen van artikel 19, lid 1, tweede alinea, artikel 2, artikel 4, lid 3, en artikel 6, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat een persoon die in het ambt van rechter is benoemd onder kennelijke schending van de regels van de lidstaat inzake de benoeming van rechters, geen onafhankelijk rechter in de zin van het Unierecht is, met name wanneer deze persoon tot rechter is benoemd op voordracht van een orgaan dat geen waarborgen inzake zijn onafhankelijkheid ten opzichte van de uitvoerende en de wetgevende macht en inzake zijn onpartijdigheid biedt, er sprake is van een systematische uitsluiting van rechterlijke toetsing van de wettigheid van de benoemingsprocedure en de betrokken person tot rechter is benoemd hoewel het besluit van het nationale orgaan [Krajowa Rada Sądownictwa (nationale raad voor de rechtspraak, Polen)] betreffende het verzoek om benoeming van deze persoon tot rechter vooraf is aangevochten bij de bevoegde nationale rechterlijke instantie [Naczelny Sąd Administracyjny (hoogste bestuursrechter, Polen)], de tenuitvoerlegging van dit besluit in overeenstemming met het nationale recht is opgeschort en de procedure voor de bevoegde nationale rechterlijke instantie (Naczelny Sąd Administracyjny) niet is beëindigd voordat de benoemingsbrief is betekend

en een rechterlijke instantie die onder meer bestaat uit personen die in de hierboven beschreven omstandigheden zijn benoemd derhalve niet kan worden aangemerkt als een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de zin van het Unierecht?

2)

Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord: moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, artikel 2, artikel 4, lid 3, en artikel 6, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat een beslissing van een rechter en rechterlijke instantie van laatste aanleg, ingesteld zoals beschreven in punt 1, in rechte geen beslissing (een non-existente beslissing) in de zin van het Unierecht is en de beoordeling dienaangaande kan worden verricht door een gewone rechterlijke instantie die voldoet aan de Unierechtelijke eisen inzake rechterlijke instanties?


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/26


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Apelacyjny w Krakowie (Polen) op 18 oktober 2019 – C. S.A./Curator van het faillissement van I.T., gevestigd te O., in liquidatie

(Zaak C-764/19)

(2020/C 54/27)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Sąd Apelacyjny w Krakowie

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: C. S.A.

Verwerende partij: Curator van het faillissement van I.T., gevestigd te O., in liquidatie

Prejudiciële vragen

1)

Moeten de bepalingen van artikel 19, lid 1, tweede alinea, artikel 2, artikel 4, lid 3, en artikel 6, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat een persoon die in het ambt van rechter is benoemd onder kennelijke schending van de regels van de lidstaat inzake de benoeming van rechters, geen onafhankelijk rechter in de zin van het Unierecht is, met name wanneer deze persoon tot rechter is benoemd op voordracht van een orgaan dat geen waarborgen inzake zijn onafhankelijkheid ten opzichte van de uitvoerende en de wetgevende macht en inzake zijn onpartijdigheid biedt, er sprake is van een systematische uitsluiting van rechterlijke toetsing van de wettigheid van de benoemingsprocedure en de betrokken person tot rechter is benoemd hoewel het besluit van het nationale orgaan [Krajowa Rada Sądownictwa (nationale raad voor de rechtspraak, Polen)] betreffende het verzoek om benoeming van deze persoon tot rechter vooraf is aangevochten bij de bevoegde nationale rechterlijke instantie [Naczelny Sąd Administracyjny (hoogste bestuursrechter, Polen)], de tenuitvoerlegging van dit besluit in overeenstemming met het nationale recht is opgeschort en de procedure voor de bevoegde nationale rechterlijke instantie (Naczelny Sąd Administracyjny) niet is beëindigd voordat de benoemingsbrief is betekend

en een rechterlijke instantie die onder meer bestaat uit personen die in de hierboven beschreven omstandigheden zijn benoemd derhalve niet kan worden aangemerkt als een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de zin van het Unierecht?

2)

Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord: moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, artikel 2, artikel 4, lid 3, en artikel 6, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat een beslissing van een rechter en rechterlijke instantie van laatste aanleg, ingesteld zoals beschreven in punt 1, in rechte geen beslissing (een non-existente beslissing) in de zin van het Unierecht is en de beoordeling dienaangaande kan worden verricht door een gewone rechterlijke instantie die voldoet aan de Unierechtelijke eisen inzake rechterlijke instanties?


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/27


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Apelacyjny w Krakowie (Polen) op 18 oktober 2019 – M.Ś., I.Ś./R.B.P.

(Zaak C-765/19)

(2020/C 54/28)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Sąd Apelacyjny w Krakowie

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: M.Ś., I.Ś.

Verwerende partij: R.B.P. Spółka Akcyjna

Prejudiciële vragen

1)

Moeten de bepalingen van artikel 19, lid 1, tweede alinea, artikel 2, artikel 4, lid 3, en artikel 6, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat een persoon die in het ambt van rechter is benoemd onder kennelijke schending van de regels van de lidstaat inzake de benoeming van rechters, geen onafhankelijk rechter in de zin van het Unierecht is, met name wanneer deze persoon tot rechter is benoemd op voordracht van een orgaan dat geen waarborgen inzake zijn onafhankelijkheid ten opzichte van de uitvoerende en de wetgevende macht en inzake zijn onpartijdigheid biedt, er sprake is van een systematische uitsluiting van rechterlijke toetsing van de wettigheid van de benoemingsprocedure en de betrokken person tot rechter is benoemd hoewel het besluit van het nationale orgaan [Krajowa Rada Sądownictwa (nationale raad voor de rechtspraak, Polen)] betreffende het verzoek om benoeming van deze persoon tot rechter vooraf is aangevochten bij de bevoegde nationale rechterlijke instantie [Naczelny Sąd Administracyjny (hoogste bestuursrechter, Polen)], de tenuitvoerlegging van dit besluit in overeenstemming met het nationale recht is opgeschort en de procedure voor de bevoegde nationale rechterlijke instantie (Naczelny Sąd Administracyjny) niet is beëindigd voordat de benoemingsbrief is betekend

en een rechterlijke instantie die onder meer bestaat uit personen die in de hierboven beschreven omstandigheden zijn benoemd derhalve niet kan worden aangemerkt als een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de zin van het Unierecht?

2)

Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord: moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, artikel 2, artikel 4, lid 3, en artikel 6, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat een beslissing van een rechter en rechterlijke instantie van laatste aanleg, ingesteld zoals beschreven in punt 1, in rechte geen beslissing (een non-existente beslissing) in de zin van het Unierecht is en de beoordeling dienaangaande kan worden verricht door een gewone rechterlijke instantie die voldoet aan de Unierechtelijke eisen inzake rechterlijke instanties?


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/28


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Curtea de Apel Brașov (Roemenië) op 24 oktober 2019 – Strafzaak tegen LG, MH

(Zaak C-790/19)

(2020/C 54/29)

Procestaal: Roemeens

Verwijzende rechter

Curtea de Apel Brașov

Partijen in de strafzaak

LG, MH.

Prejudiciële vraag

Dient artikel 1, lid 3, onder a), van richtlijn 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (1) aldus te worden uitgelegd dat degene die de bij het misdrijf van witwassen behorende gedragingen pleegt, altijd iemand anders is dan degene die het onderliggende misdrijf pleegt (het misdrijf waaruit het witgewassen geld afkomstig is)?


(1)  PB 2015 L 141, blz.73.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/28


om een prejudiciële beslissing ingediend door de Înaltă Curte de Casație și Justiție (Roemenië) op 4 november 2019 – strafzaak tegen FQ, GP, HO, IN, JM

(Zaak C-811/19)

(2020/C 54/30)

Procestaal: Roemeens

Verwijzende rechter

Înalta Curte de Casație și Justiție

Partijen in het hoofdgeding

FQ, GP, HO, IN, JM

Prejudiciële vragen

1)

Moeten artikel 19, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 325, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, artikel 58 van richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (1), artikel 4 van richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (2), opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen van 26 juli 1995, aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een beslissing van een orgaan dat geen deel uitmaakt van de rechterlijke macht, de Curte Constituțională a României [grondwettelijk hof, Roemenië], waarbij wordt geoordeeld over een procedurele exceptie inzake de onwettige samenstelling van de rechterlijke kamers, gelet op het beginsel van specialisatie van rechters van de Înaltă Curte de Casație și Justiție [hoogste rechterlijke instantie, Roemenië](dat niet in de Roemeense grondwet is opgenomen), en waarbij een rechterlijke instantie wordt gedwongen om zaken in hoger (devolutief) beroep voor een nieuwe beslissing naar de in eerste aanleg bevoegde rechter van die instantie terug te verwijzen?

2)

Moeten artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 47, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat een orgaan dat geen deel uitmaakt van de rechterlijke macht vaststelt dat de rechterlijke kamers van een afdeling van de hoogste rechterlijke instantie (kamers die zijn samengesteld uit rechters in functie, die bij hun bevordering naar de strafkamer van die instantie beschikten over de specialisatie die voor de bevordering naar de strafrechtelijke afdeling van de hoogste rechterlijke instantie is vereist) onwettig zijn samengesteld?

3)

Moet de voorrang van het Unierecht aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter een arrest van het grondwettelijk hof buiten toepassing kan laten waarin uitlegging wordt gegeven aan een rechtsregel die van lagere rang is dan de grondwet, betrekking heeft op de organisatie van de Înaltă Curte de Casație și Justiție, is opgenomen in de nationale wet betreffende de voorkoming, opsporing en bestrijding van corruptie, en door een rechterlijke instantie gedurende 16 jaar consequent op dezelfde wijze is uitgelegd?

4)

Omvat het beginsel van vrije toegang tot de rechter overeenkomstig artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie de specialisatie van rechters en de vorming van gespecialiseerde kamers bij een hooggerechtshof?


(1)  PB 2015 L 141, blz. 73.

(2)  PB 2017 L 198, blz. 29.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/29


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Curte de Apel Alba Iulia (Roemenië) op 5 november 2019 – Flavourstream SRL/Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice Brașov, Agenția Națională de Administrare Fiscală - Direcția Generală a Vămilor - Direcția Regională Vamală Brașov - Biroul Vamal de Interior

(Zaak C-822/19)

(2020/C 54/31)

Procestaal: Roemeens

Verwijzende rechter

Curtea de Apel Alba Iulia

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice Brașov, Agenția Națională de Administrare Fiscală - Direcția Generală a Vămilor - Direcția Regională Vamală Brașov - Biroul Vamal de Interior Sibiu

Verwerende partij: Flavourstream SRL

Prejudiciële vraag

Moet de nomenclatuur in bijlage I van verordening nr. 2658/87, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening 2016/1821 (1), aldus worden uitgelegd dat het in het onderhavige geding aan de orde zijnde product „AURIC GMO FREE” wordt ingedeeld onder tariefpostonderverdeling 17 029 095 of onder onderverdeling 29 124 900 ?


(1)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1821 van de Commissie van 6 oktober 2016 tot wijziging van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 2016 L 294, blz. 1).


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/30


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunale di Vicenza (Italië) op 15 november 2019 – AV/Ministero della Giustizia, Repubblica italiana

(Zaak C-834/19)

(2020/C 54/32)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Tribunale di Vicenza

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: AV

Verwerende partij: Ministero della Giustizia, Repubblica italiana

Prejudiciële vraag

Wordt de nuttige werking van de richtlijnen 1997/81/EG (1) en 1999/70/EG (2) belemmerd door de in een lidstaat gevolgde zienswijze dat bij de Tribunale werkzame honoraire rechters die hun werkzaamheden op de [in casu] beschreven wijze verrichten – waardoor ook de door verzoekster uitgevoerde werkzaamheden worden gekenmerkt – niet valt onder het begrip „deeltijdwerker” als bedoeld in clausule 2 van de raamovereenkomst in de bijlage bij richtlijn 1997/81/EG, en evenmin onder het begrip „werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd” als bedoeld in de raamovereenkomst in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG?


(1)  Richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid – Bijlage: Kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid (PB 1998, L 14, blz. 9).

(2)  Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB 1999, L 175, blz. 43).


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/31


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Arbitral Tributário (Centro de Arbitragem Administrativa – CAAD) (Portugal) op 19 november 2019 – Super Bock Bebidas, S. A./Autoridade Tributária e Aduaneira

(Zaak C-837/19)

(2020/C 54/33)

Procestaal: Portugees

Verwijzende rechter

Tribunal Arbitral Tributário (Centro de Arbitragem Administrativa – CAAD)

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Super Bock Bebidas, S. A.

Verwerende partij: Autoridade Tributária e Aduaneira

Prejudiciële vragen

1)

Stond artikel 17, lid 6, tweede alinea, van de Zesde richtlijn (1) van de Raad van 17 mei 1977 [hierna ook wel: „Zesde richtlijn”] (volgens welke bepaling de lidstaten „elke uitsluiting [kunnen] handhaven waarin hun wetgeving ten tijde van de inwerkingtreding van deze richtlijn voorzag”) toe dat een nieuwe lidstaat op de datum van zijn toetreding in zijn nationale wetgeving uitsluitingen van het recht op btw-aftrek invoerde?

2)

Heeft artikel 17, lid 6, tweede alinea, van de Zesde richtlijn dezelfde draagwijdte als artikel 176, tweede alinea, van richtlijn 2006/112/EG (2) van de Raad van 28 november 2006 [hierna ook wel: „richtlijn 2006/112”] (volgens welke bepaling lidstaten die na 1 januari 1979 tot de Gemeenschap zijn toegetreden, elke uitsluiting kunnen handhaven waarin hun wetgeving op de datum van hun toetreding voorzag), wat de datum betreft die relevant is om te bepalen welke „[uitsluitingen] […] waarin hun wetgeving […] voorzag”, kunnen worden gehandhaafd?

3)

Voor het geval dat Portugal in het licht van de Zesde richtlijn elke uitsluiting kon handhaven waarin zijn nationale recht voorzag op 1 januari 1989 – de datum van inwerkingtreding van de Zesde richtlijn in Portugal –, is deze mogelijkheid dan gewijzigd bij [richtlijn 2006/112], die de datum van toetreding (1 januari 1986) als relevante datum noemt?

4)

Staat artikel 176, tweede alinea, van [richtlijn 2006/112] eraan in de weg dat op de datum van de toetreding van Portugal tot de Europese Gemeenschappen, regels (zoals die van artikel 21, lid 1, van het [btw-wetboek]) in werking zijn getreden die voorzien in de uitsluiting van het recht op aftrek van btw over bepaalde uitgaven (waaronder die voor accommodatie, voeding, drank, autohuur, brandstof en tol), wanneer die regels al waren gepubliceerd en de inwerkingtreding ervan aanvankelijk was gepland op een datum vóór de toetreding, maar is uitgesteld tot op de datum van toetreding?

5)

Dienen artikel 168, onder a), van richtlijn 2006/112 en het neutraliteitsbeginsel aldus te worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat in het nationale recht van een lidstaat regels inzake uitsluiting van het recht op aftrek (zoals die welke in artikel 21, lid 1, van het [btw-wetboek] zijn bepaald met betrekking tot uitgaven voor accommodatie, voeding, dranken, voertuighuur, brandstof en tol) worden gehandhaafd, die ook toepassing vinden wanneer wordt aangetoond dat de verworven goederen en diensten zijn gebruikt voor de belaste handelingen van de belastingplichtige?

6)

Staan artikel 176 van richtlijn 2006/112 en het evenredigheidsbeginsel eraan in de weg dat uitsluitingen van het recht op aftrek die niet in die richtlijn zijn bepaald, maar die de lidstaten krachtens de tweede alinea van dat artikel kunnen handhaven, van toepassing zijn wanneer wordt aangetoond dat het strikt beroepsmatige uitgaven betreft en de goederen en diensten zijn gebruikt voor de belastbare handelingen van de belastingplichtige?


(1)  Richtlijn 77/388/EEG betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1).

(2)  Richtlijn betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/32


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Superior de Justicia de Cataluña (Spanje) op 20 november 2019 – Instituto Nacional de la Seguridad Social (INSS)/BT

(Zaak C-843/19)

(2020/C 54/34)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Tribunal Superior de Justicia de Cataluña

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Instituto Nacional de la Seguridad Social (INSS)

Verwerende partij: BT

Prejudiciële vraag

Verzet het Unierecht zich tegen een nationale regeling als artikel 208, [lid 1, onder] c), van de Ley General de la Seguridad Social (algemene socialezekerheidswet, Spanje) van 2015, die van alle deelnemers aan de algemene regeling vereist dat zij, om vrijwillig vervroegd te kunnen uittreden, een ouderdomspensioen ontvangen dat, berekend volgens het gewone systeem, zonder wettelijke aanvullingen voor pensioenen onder het minimum, ten minste gelijk is aan het minimumpensioen, voor zover de algemene regeling de vrouwen die erbij zijn aangesloten indirect discrimineert doordat het aantal vrouwen waarop zij van toepassing is veel groter is dan het aantal mannen?


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/32


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal d’arrondissement (Luxemburg) op 21 november 2019 – EQ/Administration de l’Enregistrement, des Domaines et de la TVA

(Zaak C-846/19)

(2020/C 54/35)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Tribunal d’arrondissement

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: EQ

Verwerende partij: Administration de l’Enregistrement, des Domaines et de la TVA

Prejudiciële vragen

1)

Moet het begrip „economische activiteit” in de zin van artikel 9, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2006/112/EG (1) van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde aldus worden uitgelegd dat dit begrip mede ziet of juist niet ziet op diensten die worden verricht in het kader van een driehoeksverhouding, waarbij de dienstverrichter met deze diensten wordt belast door een entiteit die niet dezelfde is als de ontvanger van de diensten?

2)

Verschilt het antwoord op de eerste vraag naargelang de diensten al dan niet in het kader van een opdracht van een onafhankelijke rechterlijke autoriteit worden verricht?

3)

Verschilt het antwoord op de eerste vraag naargelang de vergoeding van de dienstverrichter ten laste van de ontvanger van de diensten komt dan wel wordt gedragen door de staat waaraan de entiteit die de dienstverrichter met deze diensten heeft belast, haar gezag ontleent?

4)

Moet het begrip „economische activiteit” in de zin van artikel 9, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2006/112/EG aldus worden uitgelegd dat dit begrip mede ziet op of juist niet ziet op diensten wanneer de vergoeding voor de dienstverrichter niet wettelijk verplicht is en het te betalen bedrag van de vergoeding, wanneer zij wordt toegekend, a) per geval wordt beoordeeld, en b) altijd afhankelijk is van de vermogenstoestand van de ontvanger van de diensten, en c) wordt vastgesteld hetzij in de vorm van een vast bedrag, hetzij in de vorm van een deel van de inkomsten van de ontvanger van de diensten, hetzij in verhouding tot de verrichte diensten?

5)

Moet het begrip „diensten en goederenleveringen welke nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid” van artikel 132, lid 1, punt g), van richtlijn 2006/112/EG aldus worden uitgelegd dat dit begrip mede ziet of juist niet ziet op diensten die worden verricht in het kader van een wettelijke regeling ter bescherming van meerderjarigen, die is onderworpen aan toezicht door een onafhankelijke rechterlijke autoriteit?

6)

Moet het begrip „organisaties die als instellingen van sociale aard worden erkend” van artikel 132, lid 1, punt g), van richtlijn 2006/112/EG, met het oog op de erkenning van de sociale aard van de instelling, aldus worden uitgelegd dat het bepaalde eisen stelt betreffende de exploitatievorm van de dienstverrichter, of betreffende het altruïstische of winstoogmerk van de activiteit van de dienstverrichter, of, meer algemeen, dat het de werkingssfeer van de vrijstelling van artikel 132, lid 1, punt g), met andere criteria of voorwaarden beperkt, of is het voldoende dat een instelling louter diensten verricht die „samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid” opdat zij een instelling van sociale aard is?

7)

Moet het begrip „organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend” van artikel 132, lid 1, punt g), van richtlijn 2006/112/EG aldus worden uitgelegd dat een erkenningsprocedure op basis van een vooraf vastgestelde procedure en criteria is vereist, of kan de ad-hocerkenning per geval worden verleend, in voorkomend geval door een rechterlijke autoriteit?

8)

Kan de met de inning van de btw belaste dienst op grond van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, van een btw-plichtige de betaling eisen van de btw over economische handelingen met betrekking tot een periode die was verstreken op het ogenblik waarop de belastingdienst heeft besloten btw te heffen, nadat deze dienst gedurende langere tijd, vóór die periode, de btw-aangiften van deze belastingplichtige had aanvaard, waarin de economische handelingen van dezelfde aard niet in de belastbare handelingen waren opgenomen? Gelden er voor deze mogelijkheid voor de met de inning van de btw belaste dienst bepaalde voorwaarden?


(1)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/33


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de lo Social no 26 de Barcelona (Spanje) op 26 november 2019 – LJ/INSS (Instituto Nacional de la Seguridad Social)

(Zaak C-861/19)

(2020/C 54/36)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Juzgado de lo Social no 26 de Barcelona

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: LJ

Verwerende partij: INSS (Instituto Nacional de la Seguridad Social)

Prejudiciële vragen

1)

Kan de moederschapstoeslag, als bedoeld in artikel 60 van de [Ley General de la Seguridad Social (Algemene Wet op de sociale zekerheid)], vastgesteld bij koninklijk wetgevingsdecreet 8/2015, waarvan de herziene tekst is goedgekeurd bij Real Decreto Legislativo 8/2015, worden beschouwd als een positieve maatregel of actie om de materiële gelijkheid tussen vrouwen en mannen in de zin van artikel 157, lid 4, VWEU tot stand te brengen?

2)

Indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt, is de in de slotbepaling van Real Decreto Legislativo 8/2015 neergelegde beperking in de tijd tot pensioenen die zijn verschuldigd na 1 januari 2016 dan in strijd met het evenredigheidsbeginsel, waaraan iedere positieve actie moet voldoen?


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/34


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de tribunal d’instance de Rennes (Frankrijk) op 27 november 2019 – Caisse de Crédit Mutuel Le Mans Pontlieue/OG

(Zaak C-865/19)

(2020/C 54/37)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Tribunal d’instance de Rennes

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Caisse de Crédit Mutuel Le Mans Pontlieue

Verwerende partij: OG

Prejudiciële vraag

Indien het jaarlijkse kostenpercentage van een consumentenkrediet 5,364511 % bedraagt, kan een vermeld jaarlijks kostenpercentage van 5,363 % dan als „nauwkeurig” worden beschouwd op grond van de regel die is opgenomen in de richtlijnen 98/7/EG van 16 februari 1998 (1), 2008/48/EG van 23 april 2008 (2) en 2014/17/EU van 4 februari 2014 (3), die volgens de Franse taalversie luidt „[L]e résultat du calcul est exprimé avec une exactitude d’au moins une décimale. Si le chiffre de la décimale suivante est supérieur ou égal à 5, le chiffre de la première décimale sera augmenté de 1” [Nederlandse taalversie: „De uitkomst van de berekening wordt ten minste tot op de eerste decimaal nauwkeurig weergegeven. Als de volgende decimaal groter is dan of gelijk is aan 5, wordt de eerste decimaal met 1 vermeerderd”]?


(1)  Richtlijn 98/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 tot wijziging van richtlijn 87/102/EEG betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (PB 1998, L 101, blz. 17).

(2)  Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66).

(3)  2 Richtlijn 2014/17/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 60, blz. 34).


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/35


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte suprema di cassazione (Italië) op 26 november 2019 – Prefettura Ufficio territoriale del governo di Firenze/MI

(Zaak C-870/19)

(2020/C 54/38)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Corte suprema di cassazione

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekster tot cassatie: Prefettura Ufficio territoriale del governo di Firenze

Verweerder in cassatie: MI

Prejudiciële vraag

Kan artikel 15, [lid 7, van verordening (EEG) nr. 3821/85 (1)], in het specifieke geval van een bestuurder van een motorvoertuig, worden uitgelegd als een regel die een enkele gedraging in haar geheel beschouwd voorschrijft, met als gevolg dat een enkele inbreuk wordt gemaakt en slechts één boete wordt opgelegd, of laat deze bepaling toe, met toepassing van materiële cumulatie, dat evenveel inbreuken worden vastgesteld en evenveel sancties worden opgelegd als het aantal dagen waarvan de registratiebladen van de tachograaf binnen het vastgestelde tijdvak („de dag zelf en de voorafgaande 28 dagen”) niet zijn getoond?


(1)  Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PB 1985, L 370, blz. 8).


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/35


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte suprema di cassazione (Italië) op 26 november 2019 – Prefettura Ufficio territoriale del governo di Firenze/TB

(Zaak C-871/19)

(2020/C 54/39)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Corte suprema di cassazione

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekster tot cassatie: Prefettura Ufficio territoriale del governo di Firenze

Verweerder in cassatie: TB

Prejudiciële vraag

Kan artikel 15, [lid 7, van verordening (EEG) nr. 3821/85 (1)], in het specifieke geval van een bestuurder van een motorvoertuig, worden uitgelegd als een regel die een enkele gedraging in haar geheel beschouwd voorschrijft, met als gevolg dat een enkele inbreuk wordt gemaakt en slechts één boete wordt opgelegd, of laat deze bepaling toe, met toepassing van materiële cumulatie, dat evenveel inbreuken worden vastgesteld en evenveel sancties worden opgelegd als het aantal dagen waarvan de registratiebladen van de tachograaf binnen het vastgestelde tijdvak („de dag zelf en de voorafgaande 28 dagen”) niet zijn getoond?


(1)  Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PB 1985, L 370, blz. 8).


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/36


Hogere voorziening ingesteld op 29 november 2019 door PlasticsEurope tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 20 september 2019 in zaak T-636/17, PlasticsEurope/ECHA

(Zaak C-876/19 P)

(2020/C 54/40)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: PlasticsEurope (vertegenwoordigers: R. Cana, E. Mullier, F. Mattioli, advocaten)

Andere partijen in de procedure: Europees Agentschap voor chemische stoffen, Franse Republiek, ClientEarth

Conclusies

het arrest van het Gerecht in zaak T-636/17 vernietigen;

het besluit ED/30/2017 van de uitvoerend directeur van het ECHA van 6 juli 2017 nietig verklaren;

subsidiair, de zaak terugverwijzen naar het Gerecht voor een uitspraak op rekwirantes beroep tot nietigverklaring;

verweerder verwijzen in de kosten van deze procedure, met inbegrip van de kosten van de procedure voor het Gerecht.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van haar hogere voorziening voert rekwirante de volgende middelen aan:

A.

Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door een onjuiste uitlegging te geven aan de REACH-verordening (1) en door te oordelen dat het Agentschap niet hoeft aan te tonen dat er wetenschappelijke aanwijzingen voor waarschijnlijke ernstige gevolgen overeenkomstig artikel 57, onder f), van de REACH-verordening bestaan.

B.

Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van het beschikbare bewijsmateriaal en bij de beoordeling van de feiten zoals ondersteund door dat bewijsmateriaal. Meer specifiek heeft het Gerecht: blijk gegeven van een onjuiste opvatting door te oordelen dat het ECHA „waarschijnlijke” ernstige gevolgen had vastgesteld; niet beoordeeld of het ECHA wel de informatie over het gelijke niveau van bezorgdheid had onderzocht, maar zich in plaats daarvan ten onrechte gebaseerd op de verklaring van het ECHA dat aan dat criterium was voldaan; ten onrechte rekwirantes middel inzake de relevantie van de conclusies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) in de onderhavige zaak afgewezen; blijk gegeven van een onjuiste opvatting door te oordelen dat de conclusies van de EFSA het besluit van het ECHA onderschrijven en hiermee in overeenstemming zijn; het bewijsmateriaal van de partijen onjuist opgevat.

C.

Het Gerecht heeft het beginsel van gelijke behandeling geschonden door rekwirante minder gunstig te behandelen dan het ECHA.

D.

Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 2, lid 8, onder b), van de REACH-verordening en is zijn motiveringsplicht niet nagekomen door niet in te gaan op rekwirantes bijkomende argumenten met betrekking tot tussenproducten.


(1)  Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB 2006, L 396, blz. 1, met rectificatie in PB 2007, L 136, blz. 3).


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/37


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Najwyższy (Polen) op 2 december 2019 – FORMAT Urządzenia i Montaże Przemysłowe/Zakład Ubezpieczeń Społecznych I Oddział w Warszawie

(Zaak C-879/19)

(2020/C 54/41)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Sąd Najwyższy

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: FORMAT Urządzenia i Montaże Przemysłowe

Verwerende partij: Zakład Ubezpieczeń Społecznych I Oddział w Warszawie

Prejudiciële vraag

Moet het begrip „degene die op het grondgebied van twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt uit te oefenen” van artikel 14, lid 2, eerste volzin, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie van verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1992/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 (2), aldus worden uitgelegd dat het tevens betrekking heeft op een persoon die in het kader van één en dezelfde arbeidsovereenkomst die is gesloten met één en dezelfde werkgever gedurende de looptijd van deze overeenkomst werkzaamheden uitoefent op het grondgebied van minstens twee lidstaten en deze werkzaamheden niet gelijktijdig of parallel maar in onmiddellijk op elkaar volgende perioden van meerdere maanden uitoefent?


(1)  PB 1997, L 28, blz. 1.

(2)  PB 2006, L 392, blz. 1.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/38


Hogere voorziening ingesteld op 3 december 2019 door de Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 24 september 2019 in zaak T-586/14 RENV, Xinyi PV Products (Anhui) Holdings/Commissie

(Zaak C-884/19 P)

(2020/C 54/42)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Flynn, A. Demeneix, T. Maxian Rusche, gemachtigden)

Andere partijen in de procedure: Xinyi PV Products (Anhui) Holdings Ltd, GMB Glasmanufaktur Brandenburg GmbH

Conclusies

het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 24 september 2019 in zaak T-586/14 RENV, Xinyi PV Products (Anhui) Holdings Ltd/Commissie, vernietigen;

het eerste middel van het verzoekschrift in eerste aanleg ongegrond verklaren;

de zaak terugverwijzen naar het Gerecht voor een nieuwe behandeling van het tweede tot en met het vierde middel van het verzoekschrift in eerste aanleg;

de beslissing over de kosten van deze procedure en de voorgaande verwante procedures, te weten die welke hebben geleid tot het oorspronkelijke arrest, het arrest in hogere voorziening en het bestreden arrest, aanhouden.

Middelen en voornaamste argumenten

De Commissie beroept zich op drie middelen.

Ten eerste wordt in de punten 55 tot en met 61 van het bestreden arrest blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het Gerecht geeft daar een onjuiste uitlegging aan zowel artikel 2, lid 7, onder b), als artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening (1). Het Gerecht heeft die bepalingen aldus opgevat dat zij een vereiste bevatten op grond waarvan behandeling als marktgerichte onderneming (hierna: „BMO”) alleen kan worden geweigerd ingeval de Commissie oordeelt dat de toepassing van artikel 2, leden 1 tot en met 6, van de basisverordening op de onderneming die verzoekt om BMO tot kunstmatige resultaten zou leiden. Met andere woorden, de analyse moet aantonen wat precies het gevolg is van de vastgestelde verstoring voor de boekhouding van de onderneming. Die verplichting om de invloed van de verstoring op prijzen, kosten en productiemiddelen aan te tonen, geldt echter alleen voor het eerste onderdeel van het eerste streepje van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening, waar dat vereiste uitdrukkelijk wordt genoemd. In het arrest in de zaak Raad/Zhejiang Xinan Chemical Industrial Group heeft het Hof dat vereiste op die specifieke bewoordingen gebaseerd. Er is geen speelruimte om die redenering naar analogie uit te breiden tot alle vijf criteria voor BMO die zijn vastgesteld in artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening.

Ten tweede wordt in de punten 62 tot en met 73 van het bestreden arrest blijk gegeven van verscheidene onjuiste rechtsopvattingen. Om te beginnen vormen kapitaalkosten net als arbeidskosten een productiefactor. Derhalve zijn beide subsidieregelingen rechtstreeks verbonden met de productiekosten. Hiernaast heeft het Gerecht zich niet uitgesproken over de door de Commissie uitgevoerde analyse van de gevolgen van de twee subsidieregelingen voor verzoekster in eerste aanleg, noch ten aanzien van de vaststelling van de relevante periode, noch ten aanzien van het ontvangen totaalbedrag. In plaats hiervan heeft het Gerecht zijn eigen beoordeling in de plaats gesteld van de economische beoordeling van de Commissie.

Ten derde geeft het bestreden arrest blijk van procedurele onregelmatigheden. Verzoekster in eerste aanleg heeft geen bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop de Commissie artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening heeft uitgelegd, maar alleen tegen de wijze waarop zij die bepaling heeft toegepast op de feiten. Het Gerecht heeft dus ultra vires geoordeeld. Voorts heeft het Gerecht het recht van de Commissie om te worden gehoord geschonden, door haar geen mogelijkheid te bieden om zich uit te laten over de in het bestreden arrest ontwikkelde nieuwe uitlegging van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening.


(1)  Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51, met rectificaties in PB 2011, L 36, blz. 20 en PB 2016, L 44, blz. 20).


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/39


Hogere voorziening ingesteld op 4 december 2019 door Fortischem a.s. tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 24 september 2019 in zaak T-121/15, Fortischem/Commissie

(Zaak C-890/19 P)

(2020/C 54/43)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Fortischem a.s. (vertegenwoordigers: C. Arhold, Rechtsanwalt, P. Hodál, M. Staroň, avocats)

Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, AlzChem AG, voorheen AlzChem Trostberg GmbH, voorheen AlzChem Hart GmbH

Conclusies

het bestreden arrest vernietigen;

de artikelen 1 en 3 tot en met 5 van het litigieuze besluit (1) nietig verklaren;

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Eerste middel: het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bestaande in een onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 107, lid 1, en artikel 108, lid 2, VWEU alsmede van artikel 14, lid 1, van verordening (EG) nr. 659/1999 (2) door te oordelen dat in een zaak als de onderhavige, het terugvorderingsbesluit ook kon worden toegepast op rekwirante zelfs indien zij een marktprijs had betaald voor de activa van de steunontvanger.

Tweede middel: het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de bewijslast ten aanzien van de vraag of middels de verkoop van de activa onder de marktprijs de steun aan rekwirante was overgedragen, niet op de Commissie rustte.

Derde middel: het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of een onjuiste opvatting van de feiten door een aantal (nagenoeg onomstotelijke) aanwijzingen, waaruit bleek dat voor de activa een marktprijs was betaald, niet in aanmerking te nemen.

Vierde middel: het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door een verkeerde uitlegging te geven aan de criteria „omvang van de transactie” en „economische logica van de transactie” voor de vaststelling van economische continuïteit.

Vijfde middel: het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te aanvaarden dat de Commissie tot de slotsom kon komen dat er sprake was van economische continuïteit op basis van slechts twee van de geldende criteria, terwijl alle andere criteria tegen het bestaan van economische continuïteit pleitten.

Zesde middel: het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bestaande in een onjuiste uitlegging en toepassing van de relevante bepaling van de Slowaakse wet waarbij collectieve ontslagen werden verboden, en van een onjuiste juridische kwalificatie van de feiten door tot de slotsom te komen dat het verbod op collectieve ontslagen een voordeel voor NCHZ vormde terwijl het juist voor een nadeel in de vorm van hogere kosten zorgde, en door die hogere kosten niet in aftrek te brengen op het bedrag aan vermeende staatssteun.

Zevende middel: het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zijn motivering in de plaats te stellen van die van het litigieuze besluit, aangezien de Commissie er geen argumenten of uitleg over heeft verschaft hoe het verbod op collectieve ontslagen een voordeel voor NCHZ vormde.


(1)  Besluit (EU) 2015/1826 van de Commissie van 15 oktober 2014 betreffende de staatssteun SA.33797 — (2013/C) (ex 2013/NN) (ex 2011/CP) ten uitvoer gelegd door Slowakije ten gunste van NCHZ (PB 2015, L 269, blz. 71).

(2)  Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB 1999, L 83, blz. 1).


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/40


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Wojewódzki Sąd Administracyjny w Gliwicach (Polen) op 4 december 2019 – A./Dyrektor Krajowej Informacji Skarbowej

(Zaak C-895/19)

(2020/C 54/44)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Wojewódzki Sąd Administracyjny w Gliwicach

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: A.

Verwerende partij: Dyrektor Krajowej Informacji Skarbowej

Prejudiciële vraag

Moet artikel 167 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (1), in samenhang met artikel 178 daarvan, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die aan de uitoefening van het recht op aftrek van voorbelasting in hetzelfde belastingtijdvak als dat waarin de verschuldigde belasting moest worden betaald over de handelingen die intracommunautaire verwerving van goederen vormen, de voorwaarde stelt dat de uit hoofde van die handelingen verschuldigde belasting wordt vermeld in de passende belastingaangifte die wordt ingediend binnen de verplichte termijn (in Polen 3 maanden) na het einde van de maand waarin in de belastingplicht verband met de verwerving van de goederen en diensten is ontstaan?


(1)  PB 2006, L 347, blz. 1.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/41


Hogere voorziening ingesteld op 4 december 2019 door Ierland tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer, uitgebreid) van 24 september 2019 in de gevoegde zaken T-755/15 en T-759/15, Luxemburg en Fiat Chrysler Finance Europe/Commissie

(Zaak C-898/19 P)

(2020/C 54/45)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirant: Ierland (vertegenwoordigers: M. Browne, A. Joyce, J. Quaney, P. Gallagher SC, gemachtigden, S. Kingston, B. Doherty, BL)

Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Fiat Chrysler Finance Europe, Groothertogdom Luxemburg

Conclusies

het arrest van het Gerecht van 24 september 2019 in de gevoegde zaken T-755/15 en T-759/15, Luxemburg en Fiat Chrysler Finance Europe/Commissie vernietigen;

het besluit van de Commissie van 21 oktober 2015 (1) nietig verklaren; en

de Commissie verwijzen in de kosten van deze procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Eerste middel: het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en heeft artikel 107, lid 1, VWEU onjuist toegepast bij zijn benadering van het zogeheten zakelijkheidsbeginsel.

Tweede middel: het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en heeft artikel 107, lid 1, VWEU onjuist toegepast bij zijn selectiviteitsanalyse.

Derde middel: het Gerecht heeft de verplichting om zijn arrest te motiveren geschonden.

Vierde middel: het Gerecht heeft het rechtszekerheidsbeginsel geschonden door te oordelen dat de Commissie besluiten van nationale belastingdiensten kan beoordelen aan de hand van een door de Commissie gehanteerde specifieke, niet voorzienbare versie van het zakelijkheidsbeginsel, waarvan de inhoud onbekend is.

Vijfde middel: het Gerecht heeft de artikelen 4 en 5 VEU geschonden en heeft ten onrechte de staatssteunregels aangewend om de regels van de lidstaten inzake directe belasting te harmoniseren.


(1)  Besluit (EU) van de Commissie van 21 oktober 2015 betreffende steunmaatregel SA.38375 (2014/C) (ex 2014/NN) door Luxemburg ten gunste van Fiat ten uitvoer gelegd [kennisgeving geschied onder nummer C(2015) 7152] (PB 2016, L 351, blz. 1).


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/42


Hogere voorziening ingesteld op 4 december 2019 door Roemenië tegen het arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 24 september 2019 in zaak T-391/17, Roemenië/Commissie

(Zaak C-899/19 P)

(2020/C 54/46)

Procestaal: Roemeens

Partijen

Rekwirant: Roemenië (vertegenwoordigers: E. Gane, L. Lițu, M. Chicu, gemachtigden)

Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Hongarije

Conclusies

de hogere voorziening toewijzen, het arrest van het Gerecht in zaak T-391/17 volledig vernietigen, uitspraak doen in zaak T-391/17 door het beroep toe te wijzen en besluit (EU) 2017/652 nietig te verklaren

of

de hogere voorziening toewijzen, het arrest van het Gerecht in zaak T-391/17 volledig vernietigen en zaak T-391/17 naar het Gerecht van de Europese Unie terugverwijzen voor een herbeoordeling waarbij het Gerecht het beroep tot nietigverklaring toewijst en besluit (EU) 2017/652 nietig verklaart;

de Commissie verwijzen in de proceskosten.

Middelen en voornaamste argumenten

A.

Schending van de Unierechtelijke verdragsbepalingen inzake de bevoegdheden van de Europese Unie

Het Gerecht geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting door, in strijd met het in artikel 5, lid 2, VEU neergelegde beginsel van bevoegdheidstoedeling, de in artikel 2 VEU genoemde waarden gelijk te stellen aan een specifieke/objectieve handeling die tot de bevoegdheden van de Unie behoort en de Commissie te verzoeken specifieke handelingen voor te stellen die hoofdzakelijk gericht zijn op de eerbiediging van de rechten van personen die tot nationale en taalkundige minderheden behoren alsook van de rijke verscheidenheid van cultuur en taal.

B.

Schending van artikel 296, tweede alinea, VWEU

Het Gerecht heeft artikel 296, tweede alinea, VWEU onjuist uitgelegd met betrekking tot de motiveringsverplichting van de Commissie, door ten onrechte te oordelen dat deze verplichting was nagekomen, gelet op de omstandigheden van het geding, aangezien de Commissie niet de rechtsoverwegingen heeft weergegeven die van wezenlijk belang waren voor de opzet van besluit (EU) 2017/652, en bovendien haar eerder ingenomen positie fundamenteel heeft veranderd zonder aan te geven welke ontwikkelingen deze positiewijziging rechtvaardigen.

C.

Procesgebreken die rekwirants belangen schaden

Doordat in de mondelinge fase van de procedure in zaak T-391/17 de debatten op verzoek van het Gerecht waren toegespitst op de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring, terwijl het Gerecht in zijn arrest het beroep ten gronde heeft behandeld, is de regelmatigheid van de procedure aangetast.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/43


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d’État (Frankrijk) op 6 december 2019 – One Voice, Ligue pour la protection des oiseaux/Ministre de la Transition écologique et solidaire

(Zaak C-900/19)

(2020/C 54/47)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Conseil d’État

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: One Voice, Ligue pour la protection des oiseaux

Verwerende partij: Ministre de la Transition écologique et solidaire

Andere partij: Fédération nationale des Chasseurs

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 9, lid 1, onder c), van richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 (1) aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat lidstaten het gebruik van middelen, installaties, of methoden voor het vangen of doden toestaan die, ook al is het minimaal en strikt tijdelijk, tot bijvangst kunnen leiden? Zo ja, welke criteria die met name betrekking hebben op het beperkte aandeel of de beperkte omvang van deze bijvangst, op het feit dat de toegestane jachtmethode in beginsel niet dodelijk is en op de verplichting om de per ongeluk gevangen exemplaren zonder ernstige schade vrij te laten, kunnen worden aangehouden om aan te nemen dat aan het selectiviteitscriterium van deze bepaling is voldaan?

2)

Moet richtlijn [2009/147/EG] van 30 november 2009 aldus worden uitgelegd dat met de doelstelling van het behoud van het gebruik van traditionele middelen en methoden voor de vogeljacht, voor recreatieve doeleinden, voor zover aan alle andere in artikel 9, lid 1, onder c), gestelde voorwaarden voor deze afwijking is voldaan, kan worden gerechtvaardigd dat er geen andere bevredigende oplossing in de zin van artikel 9, lid 1, bestaat, zodat kan worden afgeweken van het in artikel 8 van de richtlijn vastgelegde beginsel dat deze jachtmiddelen en -methoden verboden zijn?


(1)  Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB 2010, L 20, blz. 7.)


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/43


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Rejonowy dla Warszawy-Woli w Warszawie (Polen) op 10 december 2019 – E. Sp. z o.o./K. S.

(Zaak C-904/19)

(2020/C 54/48)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Sąd Rejonowy dla Warszawy-Woli w Warszawie

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: E. Sp. z o.o.

Verwerende partij: K.S.

Prejudiciële vragen

1)

Moeten artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (1) en de twintigste en de vierentwintigste overwegingen daarvan, waarin is bepaald dat overeenkomsten in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen moeten worden opgesteld, dat de consument daadwerkelijk gelegenheid moet hebben om kennis te nemen van alle bedingen en dat in geval van twijfel de voor de consument gunstigste interpretatie prevaleert, alsmede dat de gerechtelijke en administratieve instanties van de lidstaten over passende en doeltreffende middelen moeten beschikken om een eind te maken aan de toepassing van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten, gelezen in samenhang met artikel 10, leden 1 en 2, van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (2) en overweging 31 daarvan, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen artikel 339, § 2, van de kodeks postępowania cywilnego (wetboek van burgerlijke rechtsvordering), waarbij die bepaling aldus wordt uitgelegd dat uit hoofde daarvan een verstekvonnis kan worden gewezen in een zaak betreffende de terugbetaling van een consumentenkrediet, ook al heeft de verzoekende partij verzuimd de consumentenkredietovereenkomst over te leggen, is deze overeenkomst derhalve niet onderzocht op potentieel oneerlijke bedingen en is niet nagegaan of zij alle wettelijk vereiste elementen bevatte, alsmede dat deze bepaling er tegelijkertijd in voorziet dat een gewezen verstekvonnis uitsluitend moet zijn gebaseerd op de door de verzoekende partij aangevoerde feiten van, zonder dat wordt onderzocht of de gehanteerde bewijzen „gegronde twijfels” in de zin van deze bepaling doen rijzen?

Of kan artikel 339, § 2, k.p.c. in het licht van de arresten van het Hof van 1 oktober 2015, ERSTE Bank Hungary (C-32/14, EU:C:2015:637, punt 62), 10 september 2014, Kušionová (C-34/13, EU:C:2014:2189, punt 56), en 6 oktober 2009, Asturcom Telecomunicaciones (C-40/08, EU:C:2009:615, punt 47), aldus worden uitgelegd dat er in een zaak betreffende de terugbetaling van een consumentenkrediet een verstekvonnis kan worden gewezen indien de verzoekende partij heeft verzuimd de overeenkomst bij de dagvaarding te voegen, de overeenkomst bijgevolg niet is onderzocht op potentieel oneerlijke bedingen en niet is nagegaan of zij alle wettelijk vereiste elementen bevatte en het verstekvonnis uitsluitend wordt gebaseerd op de door de verzoekende partij aangevoerde feiten?

2)

Moeten artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en de twintigste en vierentwintigste overwegingen daarvan, waarin is bepaald dat overeenkomsten in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen moeten worden opgesteld, dat de consument daadwerkelijk gelegenheid moet hebben om kennis te nemen van alle bedingen en dat in geval van twijfel de voor de consument gunstigste interpretatie prevaleert, alsmede dat de gerechtelijke en administratieve instanties van de lidstaten over passende en doeltreffende middelen moeten beschikken om een eind te maken aan de toepassing van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten, gelezen in samenhang met artikel 10, leden 1 en 2, van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad en overweging 31 daarvan, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de bepaling van artikel 339, § 2, van de kodeks postępowania cywilnego, waarbij deze bepaling aldus wordt uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat een nationale rechterlijke instantie een door de verzoekende partij bijgevoegde overeenkomst inzake een consumentenkrediet onderzoekt op potentieel oneerlijke bedingen en dat door deze rechterlijke instantie wordt nagegaan of de overeenkomst alle wettelijk vereiste elementen bevat, en dat deze bepaling er tegelijkertijd in voorziet dat het gewezen verstekvonnis uitsluitend moet zijn gebaseerd op de door de verzoekende partij aangevoerde feiten, zonder dat wordt onderzocht of de gehanteerde bewijzen „gegronde twijfels” in de zin van deze bepaling doen rijzen?

Of kan artikel 339, § 2, k.p.c. in het licht van de arresten van 1 oktober 2015, ERSTE Bank Hungary, C-32/14, EU:C:2015:637, punt 62, 10 september 2014, Kušionová, C-34/13, EU:C:2014:2189, punt 56, en 6 oktober 2009, Asturcom Telecomunicaciones, C-40/08, EU:C:2009:615, punt 47, aldus worden uitgelegd dat er in een zaak betreffende de terugbetaling van een consumentenkrediet een verstekvonnis kan worden gewezen zonder dat de door de verzoekende partij bij de dagvaarding gevoegde overeenkomst wordt onderzocht op potentieel oneerlijke bedingen en zonder dat wordt nagegaan of de overeenkomst alle wettelijk vereiste elementen bevatte en het verstekvonnis uitsluitend wordt gebaseerd op de door de verzoekende partij aangevoerde feiten?


(1)  PB 1993, L 95, blz. 29.

(2)  PB 2008, L 133, blz. 66.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/45


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Rejonowy w Białymstoku (Polen) op 13 december 2019 – CNP spółka z o.o./Gefion Insurance A/S

(Zaak C-913/19)

(2020/C 54/49)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Sąd Rejonowy w Białymstoku

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: CNP spółka z o.o.

Verwerende partij: Gefion Insurance A/S

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 13, lid 2, gelezen in samenhang met artikel 10 van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (1) aldus worden uitgelegd dat niet is uitgesloten dat, in een geschil tussen, enerzijds, een handelaar die van een getroffene een schuldvordering jegens een verzekeringsmaatschappij uit hoofde van burgerlijke aansprakelijkheid heeft verworven en, anderzijds, deze verzekeringsmaatschappij, de bevoegdheid van de rechterlijke instantie wordt vastgesteld op grond van artikel 7, punt 2, of artikel 7, punt 5, van de verordening?

2)

Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 7, punt 5, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken aldus worden uitgelegd dat een handelsvennootschap die actief is in een lidstaat en zich bezighoudt met het afwikkelen van gevallen van materiële schade in het kader van de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid van houders van motorrijtuigen en die actief is in het kader van een overeenkomst met een verzekeringsmaatschappij die in een andere lidstaat is gevestigd, een filiaal, agentschap of andere vestiging van die verzekeringsmaatschappij is?

3)

Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 7, punt 2, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken aldus worden uitgelegd dat deze bepaling een autonome grondslag vormt voor de bevoegdheid van de rechterlijke instantie van de lidstaat waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, voor welke rechter de schuldeiser die van de getroffene de schuldvordering uit hoofde van de verplichte wettelijke aansprakelijkheidsverzekering heeft verworven, een vordering jegens de in de andere lidstaat gevestigde verzekeringsmaatschappij instelt?


(1)  PB 2012, L 351, blz. 1.


Gerecht

17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/46


Arrest van het Gerecht van 17 december 2019 – Polen/Commissie

(Zaak T-21/18) (1)

(„ELGF en Elfpo - Van financiering uitgesloten uitgaven - Sectoren groenten en fruit - Steun aan producentengroeperingen - Uitgaven verricht door Polen - Tekortkomingen in de essentiële en secundaire controles - Controles van de erkenningsprogramma’s en erkenningscriteria - Controles met betrekking tot de steunaanvragen - Subsidiabiliteit van de producentengroeperingen - Economische samenhang - Noodzaak en subsidiabiliteit van de investeringen - Gerechtvaardigdheid van de kosten - Structurele gebreken - Risico voor het ELGF - Corrigerende maatregelen - Forfaitaire correcties van 25 %”)

(2020/C 54/50)

Procestaal: Pools

Partijen

Verzoekende partij: Republiek Polen (vertegenwoordigers: B. Majczyna, M. Pawlicka en D. Krawczyk, gemachtigden)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Lewis en A. Stobiecka-Kuik, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot gedeeltelijke nietigverklaring van uitvoeringsbesluit (EU) 2017/2014 van de Commissie van 8 november 2017, houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB 2017, L 292, blz. 61).

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

De Republiek Polen wordt verwezen in haar eigen de kosten en in die van de Europese Commissie.


(1)  PB C 104 van 19.3.2018.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/47


Arrest van het Gerecht van 19 december 2019 – Bulgarije/Commissie

(Zaak T-22/18) (1)

(„ELGF en Elfpo - Van de financiering uitgesloten uitgaven - Door Bulgarije verrichte uitgaven - Plattelandsontwikkeling - Kwaliteit van de controles ter plaatse - Controle van subsidiabiliteitscriteria en de selectiecriteria - Financiële correcties - Controles ex post - Methode voor de berekening van de financiële correcties - Herhaling - Corrigerende maatregelen - Conformiteitsgoedkeuringsprocedure - Rechtszekerheid - Beginsel van goed financieel beheer - Evenredigheid”)

(2020/C 54/51)

Procestaal: Bulgaars

Partijen

Verzoekende partij: Republiek Bulgarije (vertegenwoordigers: E. Petranova en L. Zaharieva, gemachtigden)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Aquilina, G. Koleva en V. Bottka, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot gedeeltelijke nietigverklaring van uitvoeringsbesluit (EU) 2017/2014 van de Commissie van 8 november 2017 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB 2017, L 292, blz. 61)

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

De Republiek Bulgarije wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 104 van 19.3.2018.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/47


Arrest van het Gerecht van 19 december 2019 – Wehrheim/ECB

(Zaak T-100/18) (1)

(„Openbare dienst - Personeel van de ECB - Bezoldiging - Ontheemdingstoelage - Intrekking - Aansprakelijkheid - Materiële en immateriële schade - Dienstfout”)

(2020/C 54/52)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Christine Wehrheim (Offenbach, Duitsland) (vertegenwoordiger: N. de Montigny, advocaat)

Verwerende partij: Europese Centrale Bank (vertegenwoordigers: F. von Lindeiner en A. Andrzejewska, gemachtigden, bijgestaan door B. Wägenbaur, advocaat)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 270 VWEU en artikel 50 bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie strekkende tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die verzoekster zou hebben geleden als gevolg van de fout die de ECB heeft gemaakt bij de vaststelling van haar financiële rechten op het moment van haar aanstelling, waardoor een ontheemdingstoelage is toegekend die vervolgens weer is ingetrokken

Dictum

1)

De Europese Centrale Bank (ECB) wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van 1 000 EUR aan Christine Wehrheim ter vergoeding van de immateriële schade, vermeerderd met rente vanaf de dag van uitspraak van dit arrest tegen de rentevoet die de ECB voor de basisherfinancieringstransacties heeft vastgesteld, vermeerderd met 3,5 punt, en dit tot de dag van betaling door de ECB van het bedrag van 1 000 EUR.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

Christine Wehrheim en de ECB zullen hun eigen kosten dragen.


(1)  PB C 152 van 30.4.2018.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/48


Arrest van het Gerecht van 19 december 2019 – Griekenland/Commissie

(Zaak T-295/18) (1)

(„ELGF en Elfpo - Van de financiering uitgesloten uitgaven - Door Griekenland verrichte uitgaven - Plattelandsontwikkeling - Ontkoppelde rechtstreekse steun - Essentiële controles - Forfaitaire financiële correcties”)

(2020/C 54/53)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Helleense Republiek (vertegenwoordigers: G. Kanellopoulos, I. Pachi, A. Vasilopoulou en E. Chroni, gemachtigden)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: D. Triantafyllou en J. Aquilina, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot gedeeltelijke nietigverklaring van uitvoeringsbesluit (EU) 2018/304 van de Commissie van 27 februari 2018 tot onttrekking aan financiering door de Europese Unie van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB 2018, L 59, blz. 3)

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 249 van 16.7.2018.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/49


Arrest van het Gerecht van 19 december 2019 – Sta*Ware EDV Beratung/EUIPO – Accelerate IT Consulting (businessNavi)

(Zaak T-383/18) (1)

(„Uniemerk - Procedure inzake vervallenverklaring - Uniebeeldmerk businessNavi - Normaal gebruik van het merk - Gedeeltelijke vervallenverklaring - Artikel 51, lid 1, onder a), en lid 2, van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 58, lid 1, onder a), en lid 2, van verordening (EU) 2017/1001]”)

(2020/C 54/54)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Sta*Ware EDV Beratung GmbH (Starnberg, Duitsland) (vertegenwoordigers: M. Bölling en M. Graf, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: S. Hanne, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: Accelerate IT Consulting GmbH (Ahlen, Duitsland) (vertegenwoordiger: H. Hofmann, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 2 mei 2018 (zaak R 434/2017-5) inzake een procedure tot vervallenverklaring tussen Sta*Ware EDV Beratung en Accelerate IT Consulting

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Sta*Ware EDV Beratung GmbH wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 294 van 20.8.2018.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/50


Arrest van het Gerecht van 19 december 2019 – XG/Commissie

(Zaak T-504/18) (1)

(„Personeel van een particuliere onderneming die informaticadiensten verricht binnen de instelling - Weigering van toegang tot de gebouwen van de Commissie - Bevoegdheid van degene die de handeling heeft vastgesteld”)

(2020/C 54/55)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: XG (vertegenwoordigers: S. Kaisergruber en A. Burghelle-Vernet, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: C. Ehrbar en T. Bohr, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 3 juli 2018 tot handhaving van de weigering om verzoeker toegang te verlenen tot haar gebouwen.

Dictum

1)

Het besluit van de Commissie van 3 juli 2018 tot handhaving van de weigering om XG toegang te verlenen tot haar gebouwen wordt nietig verklaard.

2)

De Commissie wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 373 van 15.10.2018.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/50


Beschikking van de president van het Gerecht van 7 november 2019 – AMVAC Netherlands/Commissie

(Zaak T-317/19 R)

(„Kort geding - Gewasbeschermingsmiddelen - Verordening (EG) nr. 1107/2009 - Werkzame stof „ethoprofos” - Voorwaarden voor de goedkeuring voor het in de handel brengen van de stof - Verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging - Geen spoedeisendheid”)

(2020/C 54/56)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: AMVAC Netherlands BV (Amsterdam, Nederland) (vertegenwoordigers: C. Mereu, M. Grunchard en S. Englebert, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: F. Castilla-Contreras en I. Naglis, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens de artikelen 278 en 279 VWEU strekkende tot opschorting van de uitvoering van uitvoeringsverordening (EU) 2019/344 van de Commissie van 28 februari 2019 tot niet-verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof ethoprofos overeenkomstig verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (PB 2019, L 62, blz. 7)

Dictum

1)

Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.

2)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/51


Beroep ingesteld op 21 oktober 2019 – Wagenknecht/Europese Raad

(Zaak T-715/19)

(2020/C 54/57)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Lukáš Wagenknecht (Pardubice, Tsjechië) (vertegenwoordiger: A. Dolejská, advocaat)

Verwerende partij: Europese Raad

Conclusies

vaststellen dat de Europese Raad onrechtmatig heeft nagelaten om het belangenconflict op te heffen van Andrej Babiš, de Tsjechische premier, met betrekking tot de begroting van de EU.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij zes middelen aan.

1.

Eerste middel: verzoeker heeft de Europese Raad bij brief van 5 juni 2019 een uitnodiging tot handelen gestuurd en heeft de Europese Raad op 10 juni 2019 opgeroepen om te handelen krachtens artikel 265 VWEU, waarbij hij heeft verzocht om Andrej Babiš wegens een vermeend belangenconflict niet uit te nodigen voor de bijeenkomst van de Europese Raad op 20 juni 2019, waar onder agendapunt 4 de EU-begroting is besproken.

Verzoeker merkt op dat de Tsjechische premier Babiš, die in een vermeend belangenconflict verstrengeld was, op 20 juni 2019 niettemin aanwezig was op de bijeenkomst van de Europese Raad, waar onder agendapunt 4 de EU-begroting is besproken.

2.

Tweede middel: het antwoord van de Europese Raad op verzoekers uitnodiging om te handelen was niet overtuigend en tegenstrijdig en behelsde geen standpunt van de Raad.

3.

Derde middel: verzoeker betoogt dat hij rechtstreeks geraakt is door het feit dat de Europese Raad Babiš niet heeft uitgesloten van de beraadslagingen over de toekomst van het EU-begroting in de bijeenkomsten van de Europese Raad, aangezien:

i.

er geen tussentijdse handeling nodig is om personen met een belangenconflict uit te sluiten van de bijeenkomsten van de Europese Raad; en

ii.

de rechtspositie van verzoeker wordt aangetast omdat hij: (a) als verkozen vertegenwoordiger van de Tsjechische Senaat deel uitmaakt van een speciale senaatscommissie die opgericht is om het vermeende belangconflict te onderzoeken, en (b) een toekomstige concurrent is van de partij ANO 2011, waarvan de Tsjechische premier voorzitter is.

4.

Vierde middel: verzoekers individuele belang met betrekking tot het vermeende verzuim van de Europese Raad om op te treden tegen het vermeende belangenconflict van de Tsjechische premier Babiš vloeit voort uit:

i.

een grondwettelijke verplichting om het correct aannemen van EU-rechtshandelingen te controleren, met inbegrip van de begroting van de EU (meerjarig financieel kader 2021-2027);

ii.

een grondwettelijke verplichting die voorziet in het recht om de Tsjechische premier te controleren wanneer deze optreedt in de Europese Raad, met inbegrip van de plicht om op een verantwoorde manier de functie uit te oefenen van lid van de speciale senaatscommissie die belast is met het onderzoek naar vermeende belangenconflicten van de Tsjechische premier Babiš;

iii.

de verkiezing van verzoeker in de Tsjechische senaat in 2018, waarbij hij concurreerde met kandidaten van ANO 2011, waarvan de Tsjechische premier voorzitter is.

Verzoeker betoogt dat de weigering van het Hof om de onderhavige zaak te aanvaarden zou neerkomen op rechtsweigering, waardoor het praktisch onmogelijk wordt voor de leden van de nationale parlementen om de leden van hun regering te controleren met betrekking tot de handelingen die zijn verricht in de Europese Raad of de Raad.

5.

Vijfde middel: de Europese Raad heeft een verplichting om op te treden tegen belangenconflicten krachtens artikel 325, lid 1, VWEU en artikel 61, lid 1, van het Financieel Reglement. (1)

Verzoeker betoogt dat alle voorwaarden waaronder de verplichting van de Europese Raad bestaat om te handelen, meer bepaald om het vermeend belangenconflict van de Tsjechische premier Babiš te voorkomen of te neutraliseren, vervuld zijn.

6.

Zesde middel: de Europese Raad heeft zijn verplichting te handelen krachtens artikel 325, lid 1, VWEU en artikel 61, lid 1, van het Financieel Reglement geschonden.


(1)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB 2018, L 193, blz. 1).


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/52


Beroep ingesteld op 20 November 2019 – HC/Commissie

(Zaak T-804/19)

(2020/C 54/58)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: HC (vertegenwoordigers: G. Pandey en V. Villante, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

nietig te verklaren het besluit van het Europees Bureau voor Personeelsselectie (EPSO) van 20 augustus 2019 tot afwijzing van de klacht die verzoeker op 17 april 2019 op basis van artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie heeft ingediend, daaronder begrepen de afwijzing van zijn verzoek om een schadevergoeding van 50 000 EUR;

nietig te verklaren het besluit van EPSO/het selectiecomité van 21 maart 2019 tot afwijzing van verzoekers verzoek om herziening van het besluit van het selectiecomité om hem niet toe te laten tot de volgende fase van het vergelijkend onderzoek;

nietig te verklaren het op het EPSO-account meegedeelde besluit van 28 januari 2019 om verzoeker niet op te nemen op de ontwerplijst van ambtenaren die zijn geselecteerd voor algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AD/363/18;

nietig te verklaren de op 11 oktober 2018 (1) gepubliceerde aankondiging van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/363/18 en de volledige daaruit volgende ontwerplijst van ambtenaren die zijn geselecteerd om deel te nemen aan dat vergelijkend onderzoek en/of deze aankondiging op grond van artikel 277 VWEU onwettig te verklaren en niet van toepassing op verzoeker;

de verwerende partij te veroordelen tot betaling van een vergoeding van 50 000 EUR aan verzoeker voor de schade die hij door bovengenoemde besluiten heeft geleden;

allereerst en voor zover nodig artikel 90 van het Ambtenarenstatuut ongeldig te verklaren en krachtens artikel 277 VWEU niet van toepassing op de onderhavige procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vier middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan een kennelijk onjuiste beoordeling van verzoekers beroepservaring en, in dat verband, aan de niet-nakoming van de verplichting om een besluit te motiveren en schending van artikel 25 van het Statuut en artikel 296 VWEU.

2.

Tweede middel, ontleend aan schending van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en van verzoekers recht om te worden gehoord alsmede, in dat verband, niet-nakoming van de motiveringsplicht en schending van artikel 296 VWEU.

3.

Derde middel, ontleend aan schending van de artikelen 1, 2, 3 en 4 van verordening nr. 1 uit 1958 (2) en, in dit verband, schending van de artikelen 1 quater en 28 van het Statuut, van artikel 1, lid 1, onder f), van bijlage III bij het Statuut en van het beginsel van gelijke behandeling en het discriminatieverbod.

4.

Vierde middel, ontleend aan de onwettigheid van de rubriek talent screener gelet op de artikelen 1 quater, 4, 7 en 29 van het Statuut.


(1)  PB 2018 C 368A, blz. 1.

(2)  Verordening nr. 1 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap van 15 april 1958 (PB 17 van 6 oktober 1958, blz. 385).


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/53


Beroep ingesteld op 4 december 2019 – JMS Sports/EUIPO – Inter-Vion (Spiraalvormige haarelastiekjes)

(Zaak T-823/19)

(2020/C 54/59)

Taal van het verzoekschrift: Pools

Partijen

Verzoekende partij: JMS Sports sp. z o.o. (Łódź, Polen) (vertegenwoordigers: D. Piróg en J. Słupski, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Inter-Vion S.A. (Warschau, Polen)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken model: verzoekende partij

Betrokken model: gemeenschapsmodel (spiraalvormige haarelastiekjes) – gemeenschapsmodel nr. 1723 677-0001

Bestreden beslissing: beslissing van de derde kamer van beroep van het EUIPO van 13 september 2019 in zaak R 1573/2018-3

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO in de kosten, daaronder begrepen de kosten die verzoekster heeft gemaakt in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO;

verwijzing van interveniënte in haar eigen kosten, voor zover zij intervenieert.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 5, lid 1, van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad, juncto artikel 7, lid 1, van deze verordening:

schending van het beginsel van de bewijslastverdeling;

schending van het beginsel van equality of arms.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/54


Beroep ingesteld op 4 december 2019 – Palírna U Zeleného stromu/EUIPO – Bacardi (BLEND 42 VODKA)

(Zaak T-829/19)

(2020/C 54/60)

Taal van het verzoekschrift: Tsjechisch

Partijen

Verzoekende partij: Palírna U Zeleného stromu a.s. (Ústí nad Labem, Republiek Tsjechië) (vertegenwoordiger: T. Chleboun, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Bacardi & Co. Ltd (Meyrin, Zwitserland)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij

Betrokken merk: aanvraag voor Uniebeeldmerk BLEND 42 VODKA – inschrijvingsaanvraag nr. 12 945 879

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 5 september 2019 in zaak R 2531/2018-2

Conclusies

de beroepsprocedures tegen de beslissingen van verwerende partij van 5 september 2019 in zaken R 2531/2018-2, R 2532/2018-2 en R 2533/2018-2 voegen;

de bestreden beslissing vernietigen;

verweerder en interveniënte verwijzen in de kosten van verzoekster.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/55


Beroep ingesteld op 4 december 2019 – Palírna U Zeleného stromu/EUIPO - Bacardi (BLEND 42 VODKA)

(Zaak T-830/19)

(2020/C 54/61)

Taal van het verzoekschrift: Tsjechisch

Partijen

Verzoekende partij: Palírna U Zeleného stromu a.s. (Ústí nad Labem, Republiek Tsjechië) (vertegenwoordiger T. Chleboun, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Bacardi & Co. Ltd (Meyrin, Zwitserland)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij

Betrokken merk: aanvraag voor Uniebeeldmerk „BLEND 42 VODKA” in de kleuren lichtblauw en donkerblauw – inschrijvingsaanvraag nr. 12 946 034

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 5 september 2019 in zaak R 2532/2018-2

Conclusies

de beroepsprocedures tegen de beslissingen van verwerende partij van 5 september 2019 in zaken R 2531/2018-2, R 2532/2018-2 en R 2533/2018-2 voegen;

de bestreden beslissing vernietigen;

verweerder en interveniënte verwijzen in de kosten van verzoekster.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/56


Beroep ingesteld op 4 december 2019 – Palírna U Zeleného stromu/EUIPO - Bacardi (BLEND 42 FIRST CZECH BLENDED VODKA)

(Zaak T-831/19)

(2020/C 54/62)

Taal van het verzoekschrift: Tsjechisch

Partijen

Verzoekende partij: Palírna U Zeleného stromu a.s. (Ústí nad Labem, Republiek Tsjechië) (vertegenwoordiger: T. Chleboun, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Bacardi & Co. Ltd (Meyrin, Zwitserland)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij

Betrokken merk: aanvraag voor Uniebeeldmerk BLEND 42 FIRST CZECH BLENDED VODKA in de kleuren wit, rood, grijs, lichtblauw, donkerblauw en oranje – inschrijvingsaanvraag nr. 12 946 182

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 5 september 2019 in zaak R 2533/2018-2

Conclusies

de beroepsprocedures tegen de beslissingen van verwerende partij van 5 september 2019 in zaken R 2531/2018-2, R 2532/2018-2 en R 2533/2018-2 voegen;

de bestreden beslissing vernietigen;

verweerder en interveniënte verwijzen in de kosten van verzoekster.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/57


Beroep ingesteld op 16 december 2019 – Leonardo/Frontex

(Zaak T-849/19)

(2020/C 54/63)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Leonardo SpA (Rome, Italië) (vertegenwoordigers: M. Esposito, F. Caccioppoli en G. Calamo, advocaten)

Verwerende partij: Europees Grens- en kustwachtagentschap

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht de hierna volgende handelingen ten gronde nietig te verklaren; ten gronde verweerster te veroordelen tot vergoeding van alle schade die zij direct en indirect heeft geleden en lijdt als gevolg van de onrechtmatigheid van de betrokken aanbestedingsprocedure, ongeacht de reden daarvan. Bij wijze van instructiemaatregel: een deskundigenonderzoek te gelasten overeenkomstig de artikelen 91, onder e), en 96 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, teneinde vast te stellen dat: a) de clausules van de bestreden aanbesteding onredelijk, onnodig en niet in overeenstemming met de wetgeving in de sector zijn; b) de bestreden clausules Leonardo beletten een offerte in te dienen; c) er redenen van opportuniteit zijn uit het oogpunt van kosten en technische haalbaarheid om de aanbesteding in twee of meer percelen op te delen. Verzoekster verzoekt om de vergoeding voor de kosten voor verweer en de procedurekosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Het onderhavige verzoek is gericht tegen de aanbesteding voor diensten FRONTEX/OP/888/2019/JL/CG betreffende „Remotely Piloted Aircraft Systems (RPAS) for Medium Altitude Long Endurance Maritime Aerial Surveillance”, gepubliceerd op 18 oktober 2019 in het het Supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie TED (Tenders Electronic Daily), met referentienummer 2019/S 202-490010, en de respectieve handelingen in bijlage daarbij, in het bijzonder:

Invitation to Tender, beschikbaar op de website https://etendering.ted.europa.eu/cft/cft-document.html?docId=61915;

Financial Proposal, beschikbaar op de website https://etendering.ted.europa.eu/cft/cft-document.html?docId=61916;

Declaration, beschikbaar op de website https://etendering.ted.europa.eu/cft/cft-document.html?docId=61917;

Annex I – Tender Specifications, beschikbaar op de website https://etendering.ted.europa.eu/cft/cft-document.html?docId=61918;

Tender Submission Form, beschikbaar op de website https://etendering.ted.europa.eu/cft/cft-document.html?docId=61919;

Draft Contract, beschikbaar op de website https://etendering.ted.europa.eu/cft/cft-document.html?docId=61921;

Agreement of non-disclosure, beschikbaar op de website https://etendering.ted.europa.eu/cft/cft-document.html?docId=61922;

Appendix 1, beschikbaar op de website https://etendering.ted.europa.eu/cft/cft-document.html?docId=61924;

Appendix 2, beschikbaar op de website https://etendering.ted.europa.eu/cft/cft-document.html?docId=61925;

Appendix 3, beschikbaar op de website https://etendering.ted.europa.eu/cft/cft-document.html?docId=61926;

Rectificatie – Kennisgeving betreffende aanvullende informatie of wijzigingen, gepubliceerd in het Supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie TED (Tenders Electronic Daily), met referentie 2019/S 216-528930

Rectificatie – Kennisgeving betreffende aanvullende informatie of wijzigingen, gepubliceerd in het Supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie TED (Tenders Electronic Daily), met referentie 2019/S 226-553006;

de verduidelijkingen die Frontex heeft aangebracht in het kader van de lex specialis (gepubliceerd op de website https://etendering.ted.europa.eu/cft/cft-questions.html?cftId=5444);

de notulen van de Informative Meeting die op 28 oktober 2019 bij Frontex is gehouden;

alsmede elke andere daaraan voorafgaande, daarmee samenhangende of daarop volgende handeling.

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan.

1.

Verzoekster verzoekt om nietigverklaring van de bestreden handelingen, aangezien zij in strijd zijn met de beginselen van transparantie, evenredigheid, gelijke behandeling en non-discriminatie wegens hun algemene en onlogische inhoud of wegens het feit dat zij in sommige gevallen aan concurrenten, voor zover het verzoekster aanbelangt, specifieke technische eisen stellen, die volstrekt onnodig, onevenredig, buitensporig en niet-functioneel zijn voor het doel van de dienst of die de deelname van verzoekster onmogelijk maken of haar een zodanige economische last opleggen dat het concurrentievermogen van de offerte wordt geschaad. Dientengevolge zijn die handelingen in strijd met overwegingen 96 en 108 en de artikelen 160, 161 en 166 van Financieel Reglement (UE, Euratom) 2018/1046 (1) en van de punten 17.1, 17.3 en17.8 van bijlage I daarbij, alsook richtlijnen 2014/23/EU (2) en 2014/24/EU (3) van het Europees Parlement en de Raad. Er is ook sprake van misbruik van bevoegdheid, met name schending van het evenredigheidsbeginsel, denkfouten, onjuiste voorstelling van de uitgangspunten, ongelijke behandeling, onrechtvaardigheid en misbruik van bevoegdheid.

2.

Verzoekster verzoekt voorts om nietigverklaring van de bestreden handelingen omdat de bestreden offerte niet in percelen is opgedeeld. Zij beroept zich met name op schending van artikel 160, leden 1, 2 en 3, van Financieel Reglement (EU, Euratom) 2018/1046, alsmede op schending van punt 33.1 van bijlage I bij dat reglement en op niet-toepassing van punt 18.2, derde bepaling, van bijlage I bij dat reglement.

3.

Verzoekster voert ook schending aan van de artikelen 176 of 179 van voornoemd reglement, vanwege de bepaling in de aanbestedingsdocumenten die de deelname van personen uit derde landen mogelijk maakt.

4.

Ten slotte vordert verzoekster wegens de onrechtmatigheid van de handelingen vergoeding van alle schade, zowel directe als indirecte, die zij heeft geleden en lijdt en die op enigerlei wijze voortvloeit uit de onrechtmatigheid van de betrokken aanbesteding.


(1)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB 2018, L 193, blz. 1)

(2)  Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB 2018, L 94, blz. 1).

(3)  Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG (PB 2014, L 94, blz. 65).


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/59


Beroep ingesteld op 17 december 2019 – Tehrani/EUIPO – Blue Genes (Earnest Sewn)

(Zaak T-853/19)

(2020/C 54/64)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Reza Hossein Khan Tehrani (Nordhorn, Duitsland) (vertegenwoordiger: D. Wiedemann, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Blue Genes, Inc. (Gardena, Californië, Verenigde Staten)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken merk: verzoekende partij voor het Gerecht

Betrokken merk: Uniewoordmerk Earnest Sewn – Uniemerk nr. 12 302 071

Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 4 oktober 2019 in zaak R 531/2018-5

Conclusies

de bestreden beslissing vernietigen;

de beslissing van de nietigheidsafdeling van 30 januari 2019 in zaak nr. 12618 C betreffende de vordering tot nietigverklaring van het Uniemerk nr. 12 302 071„Earnest Sewn” vernietigen;

gelasten dat Uniemerk nr. 12 302 071„Earnest Sewn” ingeschreven blijft;

het EUIPO verwijzen in de kosten.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 59, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad;

schending van artikel 60, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/60


Beroep ingesteld op 17 december 2019 – Franz Schröder/EUIPO – RDS Design (MONTANA)

(Zaak T-854/19)

(2020/C 54/65)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Franz Schröder GmbH & Co. KG (Delbrück-Nordhagen, Duitsland) (vertegenwoordigers: L. Pechan en N. Fangmann, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: RDS Design ApS (Allerød, Denemarken)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: Uniewoordmerk MONTANA – Uniemerk nr. 10 708 881

Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 14 oktober 2019 in zaak R 2393/2018-4

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

toewijzing van het verzoek tot nietigverklaring en nietigverklaring van Uniemerk nr. 10 708 881 voor de betwiste waren en diensten;

verwijzing van het EUIPO en, in voorkomend geval, de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep in de kosten van de procedure, met inbegrip van de kosten van de procedure voor de kamer van beroep.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 95, leden 1 en 2, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad;

schending van artikel 94, lid 1, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad;

schending van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/61


Beroep ingesteld op 17 december 2019 – Franz Schröder/EUIPO – RDS Design (MONTANA)

(Zaak T-855/19)

(2020/C 54/66)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Franz Schröder GmbH & Co. KG (Delbrück-Nordhagen, Duitsland) (vertegenwoordigers: L. Pechan en N. Fangmann, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: RDS Design ApS (Allerød, Denemarken)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: internationale inschrijving waarin de Europese Unie wordt aangewezen met betrekking tot het woordmerk MONTANA – internationale inschrijving nr. 1 211 278 waarin de Europese Unie wordt aangewezen

Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 14 oktober 2019 in zaak R 1006/2019-4

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

toewijzing van het verzoek tot nietigverklaring en nietigverklaring van de internationale merkinschrijving nr. 1 211 278 voor de Europese Unie voor de betwiste waren;

verwijzing van het EUIPO en, in voorkomend geval, de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep in de kosten van de procedure, met inbegrip van de kosten van de procedure voor de kamer van beroep.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 95, leden 1 en 2, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad;

schending van artikel 94, lid 1, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad;

schending van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/62


Beroep ingesteld op 17 december 2019 – Franz Schröder/EUIPO – RDS Design (MONTANA)

(Zaak T-856/19)

(2020/C 54/67)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Franz Schröder GmbH & Co. KG (Delbrück-Nordhagen, Duitsland) (vertegenwoordigers: L. Pechan en N. Fangmann, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: RDS Design ApS (Allerød, Denemarken)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: internationale inschrijving waarin de Europese Unie wordt aangewezen met betrekking tot het woordmerk MONTANA – internationale inschrijving nr. 869 610 waarin de Europese Unie wordt aangewezen

Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 14 oktober 2019 in zaak R 2394/2018-4

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

toewijzing van het verzoek tot nietigverklaring en nietigverklaring van de internationale merkinschrijving nr. 869 610 voor de Europese Unie voor de betwiste waren en diensten;

verwijzing van het EUIPO en, in voorkomend geval, de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep in de kosten van de procedure, met inbegrip van de kosten van de procedure voor de kamer van beroep.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 95, leden 1 en 2, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad;

schending van artikel 94, lid 1, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad;

schending van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/63


Beroep ingesteld op 9 december 2019 – Alkemie Group/EUIPO – Mann & Schröder (ALKEMIE)

(Zaak T-859/19)

(2020/C 54/68)

Taal van het verzoekschrift: Pools

Partijen

Verzoekende partij: Alkemie Group sp. z o.o. (Gdynia, Polen) (vertegenwoordiger: A. Korbela, juridisch adviseur)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Mann & Schröder GmbH (Siegelsbach, Duitsland)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager: verzoekende partij

Betrokken merk: aanvraag voor Uniewoordmerk ALKEMIE – inschrijvingsaanvraag nr. 16 417 644

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 16 september 2019 in zaak R 2230/2018-2

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO en Mann & Schröder GmbH in de kosten.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad.


17.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 54/63


Beroep ingesteld op 9 december 2019 – Alkemie Group/EUIPO – Mann & Schröder (ALKEMIE)

(Zaak T-860/19)

(2020/C 54/69)

Taal van het verzoekschrift: Pools

Partijen

Verzoekende partij: Alkemie Group sp. z o.o. (Gdynia, Polen) (vertegenwoordiger: A. Korbela, juridisch adviseur)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Mann & Schröder GmbH (Siegelsbach, Duitsland)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager: verzoekende partij

Betrokken merk: aanvraag voor Uniebeeldmerk ALKEMIE – inschrijvingsaanvraag nr. 16 417 669

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 16 september 2019 in zaak R 2231/2018-2

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO en Mann & Schröder GmbH in de kosten.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad.