ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 301

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

62e jaargang
5 september 2019


Inhoud

Bladzijde

 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

AANBEVELINGEN

 

Raad

2019/C 301/01

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van België en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van België

1

 

AANBEVELINGEN

2019/C 301/02

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Bulgarije en met een advies van de Raad over het convergentieprogramma 2019 van Bulgarije

8

2019/C 301/03

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Tsjechië en met een advies van de Raad over het convergentieprogramma 2019 van Tsjechië

15

2019/C 301/04

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Denemarken en met een advies van de Raad over het convergentieprogramma 2019 van Denemarken

20

2019/C 301/05

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Duitsland en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Duitsland

24

2019/C 301/06

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Estland en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Estland

30

2019/C 301/07

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Ierland en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Ierland

35

2019/C 301/08

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Griekenland en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Griekenland

42

2019/C 301/09

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Spanje en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Spanje

48

2019/C 301/10

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Frankrijk en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Frankrijk

55

2019/C 301/11

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Kroatië en met een advies van de Raad over het convergentieprogramma 2019 van Kroatië

64

2019/C 301/12

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Italië en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Italië

69

2019/C 301/13

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Cyprus en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Cyprus

80

2019/C 301/14

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Letland en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Letland

86

2019/C 301/15

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Litouwen en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Litouwen

91

2019/C 301/16

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Luxemburg en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Luxemburg

97

2019/C 301/17

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Hongarije en met een advies van de Raad over het convergentieprogramma 2019 van Hongarije

101

2019/C 301/18

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Malta en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Malta

107

2019/C 301/19

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Nederland en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Nederland

112

2019/C 301/20

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Oostenrijk en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Oostenrijk

117

2019/C 301/21

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Polen en met een advies van de Raad over het convergentieprogramma 2019 van Polen

123

2019/C 301/22

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Portugal en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Portugal

129

2019/C 301/23

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Roemenië en met een advies van de Raad over het convergentieprogramma 2019 van Roemenië

135

2019/C 301/24

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Slovenië en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Slovenië

143

2019/C 301/25

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Slowakije en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Slowakije

148

2019/C 301/26

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Finland en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Finland

154

2019/C 301/27

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Zweden en met een advies van de Raad over het convergentieprogramma 2019 van Zweden

159

2019/C 301/28

Aanbeveling van de Raad van 9 juli 2019 over het nationale hervormingsprogramma 2019 van het Verenigd Koninkrijk en met een advies van de Raad over het convergentieprogramma 2018-2019 van het Verenigd Koninkrijk

163


NL

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

AANBEVELINGEN

Raad

5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 301/1


AANBEVELING VAN DE RAAD

van 9 juli 2019

over het nationale hervormingsprogramma 2019 van België en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van België

(2019/C 301/01)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 121, lid 2, en 148, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (1), en met name artikel 5, lid 2,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 21 november 2018 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse groeianalyse en daarmee de aanzet gegeven tot het Europees Semester 2019 voor coördinatie van het economisch beleid. Daarin wordt terdege rekening gehouden met de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie werd geproclameerd. De prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse zijn op 21 maart 2019 door de Europese Raad bekrachtigd. Op 21 november 2018 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad (2) ook het waarschuwingsmechanismeverslag aangenomen, waarin zij België niet heeft genoemd als een van de lidstaten die aan een diepgaande evaluatie zullen worden onderworpen. Tevens heeft de Commissie op die datum een aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone aangenomen, die op 21 maart 2019 door de Europese Raad is bekrachtigd. Op 9 april 2019 heeft de Raad de aanbeveling over het economisch beleid van de eurozone (3) (“aanbeveling voor 2019 voor de eurozone”) aangenomen, die vijf aanbevelingen voor de eurozone (“de aanbevelingen voor de eurozone”) bevat.

(2)

Als lidstaat die de euro als munt heeft en in het licht van de grote onderlinge verwevenheid tussen de economieën van de economische en monetaire unie dient België ervoor te zorgen dat volledig en tijdig uitvoering wordt gegeven aan de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone, die wordt weergegeven in de aanbevelingen 1 tot en met 4 hieronder. In het bijzonder zullen maatregelen ter verbetering van diensten helpen om de eerste aanbeveling voor de eurozone op te volgen wat veerkrachtige dienstenmarkten betreft, zullen maatregelen ter verbetering van de houdbaarheid, efficiëntie en samenstelling van de overheidsfinanciën alsmede de benutting van meevallers voor het terugdringen van de overheidsschuld helpen om te voldoen aan de tweede aanbeveling voor de eurozone wat het bevorderen van investeringen, het verbeteren van de overheidsfinanciën en het opnieuw aanleggen van begrotingsbuffers betreft, en zullen maatregelen om het arbeidsmarktbeleid doeltreffender te maken bijdragen tot het opvolgen van de derde aanbeveling voor de eurozone wat het ondersteunen van succesvolle arbeidsmarkttransities betreft.

(3)

Op 27 februari 2019 is het landverslag 2019 voor België gepubliceerd. Daarin werd de vooruitgang beoordeeld die België bij het opvolgen van de op 13 juli 2018 door de Raad aangenomen landspecifieke aanbevelingen (4) heeft gemaakt, alsmede het gevolg dat is gegeven aan de landspecifieke aanbevelingen die in de jaren voordien werden goedgekeurd, en de vooruitgang die België in de richting van zijn nationale Europa 2020-doelstellingen heeft geboekt.

(4)

Op 26 april 2019 heeft België zijn nationale hervormingsprogramma 2019 en zijn stabiliteitsprogramma 2019 ingediend. Om met de onderlinge verbanden tussen beide programma’s rekening te houden, zijn deze tegelijkertijd geëvalueerd.

(5)

De betrokken landspecifieke aanbevelingen zijn meegenomen in de programmering voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) voor de periode 2014-2020. Op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) kan de Commissie een lidstaat verzoeken zijn partnerschapsovereenkomst en de desbetreffende programma’s opnieuw te bezien en wijzigingen daarop voorstellen indien dit nodig is om de uitvoering van de betrokken aanbevelingen van de Raad te ondersteunen. De Commissie heeft in richtsnoeren met betrekking tot de toepassing van de maatregelen die de effectiviteit van de ESI-fondsen koppelen aan gezonde economische governance nader aangegeven hoe zij van die bepaling gebruik zal maken.

(6)

België valt momenteel onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact en is onderworpen aan de schuldregel. In haar stabiliteitsprogramma 2019 rekent de regering met een geleidelijke verbetering van het nominale saldo van een tekort van 0,7 % van het bruto binnenlands product (bbp) in 2018 naar 0,0 % van het bbp in 2022. Op basis van het herberekend structureel saldo (6) is het niet de bedoeling dat de middellangetermijndoelstelling voor de begroting, die is vastgesteld op een structureel begrotingsevenwicht, over de periode van het stabiliteitsprogramma 2019 wordt gehaald. Na in 2014 te hebben gepiekt op bijna 107 % van het bbp en in 2018 te zijn gedaald tot 102 % van het bbp, zal de overheidsschuld-quote volgens het stabiliteitsprogramma 2019 naar verwachting uiterlijk in 2022 tot 94 % dalen. Het macro-economische scenario dat aan die begrotingsprognoses ten grondslag ligt, is plausibel. Tegelijk zijn de maatregelen die nodig zijn om vanaf 2020 de geplande tekortdoelstellingen te ondersteunen, niet gespecificeerd, wat ertoe bijdraagt dat het structurele saldo in 2020 bij ongewijzigd beleid volgens de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie zal verslechteren.

(7)

Op 5 juni 2019 heeft de Commissie een overeenkomstig artikel 126, lid 3, van het Verdrag opgesteld verslag uitgebracht omdat België zich in 2018 niet aan de schuldregel heeft gehouden. In het verslag werd na een beoordeling van alle relevante factoren geconcludeerd dat de huidige analyse niet volledig uitsluitsel geeft over de vraag of aan het schuldcriterium van het Verdrag en Verordening (EG) nr. 1467/1997 is voldaan.

(8)

In zijn stabiliteitsprogramma 2019 bevestigt België het verzoek dat het in zijn ontwerpbegrotingsplan 2019 heeft gedaan om gebruik te maken van de flexibiliteit in het kader van het preventieve deel overeenkomstig het “Gemeenschappelijk overeengekomen standpunt over flexibiliteit binnen het stabiliteits- en groeipact”, dat op 12 februari 2016 door de Raad was goedgekeurd. België heeft verzocht om een tijdelijke afwijking van 0,5 % van het bbp van het aanpassingstraject in de richting van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting met het oog op de uitvoering van grote structurele hervormingen met een positief effect op de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn. De structurele hervormingen hebben betrekking op een pensioenhervorming, een “taxshift”, een hervorming van de vennootschapsbelasting, een hervorming van de arbeidsmarkt en een hervorming van het openbaar bestuur. De voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie bevestigen dat België in 2019 de minimumbenchmark in acht neemt en voor een veiligheidsmarge zorgt met betrekking tot de drempel van het tekort van 3 % van het bbp. Alle maatregelen zijn nu volledig wettelijk vastgesteld, met uitzondering van de hervorming van het openbaar bestuur. Gezien de aard ervan, en met name de taxshift en de hervorming van de vennootschaps-belasting, zijn er nog steeds onzekerheden over de gevolgen ervan op korte termijn, vooral gezien het niet begrotingsneutrale karakter ervan, waardoor de begrotingssituatie is verslechterd. Niettemin hebben de maatregelen het groeipotentieel van de economie versterkt, het werkloosheidspercentage verlaagd en de risico’s van macro-economische onevenwichtigheden verminderd, hetgeen een positief effect heeft gehad op de houdbaarheid van de schuld op middellange tot lange termijn. Op basis daarvan kan worden geoordeeld dat België in aanmerking komt voor de gevraagde tijdelijke afwijking met 0,5 % van het bbp in 2019, mits het de overeengekomen hervormingen adequaat implementeert, hetgeen zal worden gemonitord in het kader van het Europees Semester.

(9)

Op 13 juli 2018 heeft de Raad België aanbevolen ervoor te zorgen dat het nominale groeipercentage van de netto primaire overheidsuitgaven (7) in 2019 niet hoger ligt dan 1,8 %, hetgeen neerkomt op een jaarlijkse structurele aanpassing van 0,6 % van het bbp. Aangezien België in aanmerking komt voor de gevraagde tijdelijke afwijking van 0,5 % van het bbp op grond van de clausule inzake structurele hervormingen, kan de vereiste structurele aanpassing voor 2019 worden verminderd tot 0,1 % van het bbp, wat overeenstemt met een nominaal groeipercentage van de primaire netto-uitgaven dat niet hoger ligt dan 2,8 % in 2019. Op basis van de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie is er een risico van een significante afwijking van het aanbevolen aanpassingstraject in de richting van de begrotingsdoelstelling op middellange termijn in 2018 en 2019 samen.

(10)

Voor 2020 zou, aangezien de overheidsschuldquote van België meer dan 60 % van het bbp bedraagt en de verwachte output gap 0,1 %, de nominale groei van de netto primaire overheidsuitgaven op niet meer dan 1,6 % mogen uitkomen, in overeenstemming met de structurele aanpassing van 0,6 % van het bbp, die resulteert uit de gezamenlijk overeengekomen aanpassingsmatrix van vereisten in het kader van het stabiliteits- en groeipact. Op basis van de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie is er bij ongewijzigd beleid een risico dat er in 2020 een significante afwijking van dat vereiste zal optreden. België zal volgens de voorlopige prognoses in 2019 en 2020 niet aan de schuldregel voldoen. Over het geheel genomen is de Raad van oordeel dat vanaf 2019 de nodige maatregelen moeten worden genomen om te voldoen aan de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact. Het zou van belang zijn dat eventuele meevallers worden gebruikt om de overheidsschuld-quote verder te verminderen. De houdbaarheid van de Belgische publieke financiën op middellange en lange termijn blijft in gevaar door de combinatie van een hoge schuldquote en de verwachte stijging van de kosten van de vergrijzing, met name in verband met pensioenen en langdurige zorg. In 2015 is een reeks pensioenhervormingen in wetgeving vastgelegd, waardoor de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd is verhoogd van 65 tot 66 jaar vanaf 2025 en tot 67 jaar vanaf 2030. Bovendien werden ook de leeftijds- en anciënniteitsvereisten voor vervroegde uittreding aangescherpt. Niettemin zouden de overheidsuitgaven voor pensioenen tussen 2016 en 2070 nog met 2,9 procentpunten van het bbp stijgen, vooral in de komende twee decennia. Bovendien blijven de voorwaarden voor vervroegde uittreding voor verscheidene grote groepen ambtenaren gunstiger dan de standaardvoorwaarden. Verwacht wordt dat de publieke uitgaven voor langdurige zorg tussen 2016 en 2070 met 1,7 procentpunten van het bbp zullen stijgen, een stijging die boven het gemiddelde ligt en waarvan het beginniveau reeds een van de hoogste in de Unie is. De organisatorische versnippering van de langdurige zorg, met momenteel over verschillende administratieve niveaus verspreide bevoegdheden, vormt een uitdaging voor een aantal dimensies van de efficiëntie van de uitgaven, waardoor het netto effect van de recente overdracht van verantwoordelijkheden nog niet duidelijk is. Versterking van de governance zou bijdragen tot het bereiken van de beoogde efficiëntiewinst. Mogelijk is er ruimte om de zorgmix te optimaliseren om de kostenefficiëntie van het systeem voor langdurige zorg te verhogen.

(11)

De samenstelling en de doeltreffendheid van de publieke uitgaven kunnen worden verbeterd om ruimte te scheppen voor meer publieke investeringen. Ondanks een recente daling behoren de totale uitgaven als percentage van het bbp in België nog steeds tot de hoogste in de eurozone. Het hoge niveau van de publieke uitgaven doet denken dat er ruimte is voor een meer uitgavengebaseerde begrotingsaanpassing. Gezien het hoge niveau van de publieke uitgaven doen de resultaten van bepaalde beleidsmaatregelen en de kwaliteit van bepaalde publieke diensten vragen rijzen over kostenefficiëntie. Uitgaventoetsingen en beleidsevaluaties kunnen België helpen om prioriteiten te stellen en de efficiëntie van de publieke uitgaven te verbeteren. Bovendien zouden uitgaventoetsingen kunnen worden gebruikt om de efficiëntie te beoordelen van de indirecte publieke steun voor onderzoek en ontwikkeling in het bedrijfsleven, die als percentage van het bbp een van de hoogste is in de Unie en vorig jaar nog is toegenomen. De federale en gewestelijke overheden hebben onlangs belangstelling getoond voor de integratie van de uitgaventoetsing in hun begrotingsmechanisme.

(12)

De begrotingscoördinatie tussen de entiteiten is momenteel niet flexibel genoeg om ruimte te scheppen voor publieke investeringen in grootschalige projecten. Een doeltreffende begrotingscoördinatie is essentieel in een federale lidstaat als België, waar een groot deel van de uitgavenbevoegdheid aan subnationale overheden is overgedragen. Er is nog steeds geen formele overeenkomst over jaarlijkse doelstellingen op alle niveaus van de overheid, ondanks de in 2013 ondertekende samenwerkingsovereenkomst, hetgeen de begrotings-coördinatie bemoeilijkt. In tegenstelling tot de praktijk bij eerdere stabiliteitsprogramma’s, toen het Overlegcomité nota nam van het begrotingstraject, hebben alle overheidsniveaus het in het stabiliteitsprogramma 2018 gepresenteerde algemene begrotingstraject goedgekeurd en de verwezenlijking van de begrotingsdoelstellingen in 2020 voor alle overheidsniveaus ondersteund. Deze goedkeuring vergrootte weliswaar de geloofwaardigheid van het totale traject, maar er was geen formeel akkoord over de jaarlijkse begrotingsdoelstellingen op elk overheidsniveau. Een gebrek aan overeenstemming over de doelstellingen op elk overheidsniveau kan de levensvatbaarheid van het algemene traject naar de middellangetermijndoelstelling ondermijnen. Bovendien kan hierdoor de afdeling Financieringsbehoeften van de Overheid van de Hoge Raad van Financiën de naleving van deze doelstellingen niet effectief monitoren. Het stabiliteitsprogramma 2019 bevat slechts indicatieve algemene en tussentijdse begrotingsdoelstellingen, aangezien er op 26 mei 2019 op federaal niveau en op het niveau van de Gewesten en Gemeenschappen verkiezingen hebben plaatsgevonden.

(13)

De recente economische groei heeft geleid tot banengroei, en de werkgelegenheid is op het hoogste niveau van de afgelopen tien jaar. Toch blijft de overgang van inactiviteit of werkloosheid naar werk laag en ligt België niet op schema om zijn Europa 2020-werkgelegenheidsdoelstelling van 73,2 % te halen. Er bestaan nog steeds grote gewestelijke verschillen op de arbeidsmarkt. In Brussel ligt de jeugdwerkloosheid ruim boven het Uniegemiddelde, ondanks een gestage afname in de laatste vijf jaar. De arbeidsmarkt-deelname is laag voor laaggeschoolden, mensen met een migratieachtergrond, oudere werknemers en mensen met een handicap, wat doet vermoeden dat zowel structurele als groepsspecifieke factoren hun integratie op de arbeidsmarkt belemmeren, terwijl de bestaande activeringsmaatregelen niet voor alle bevolkingsgroepen even doeltreffend zijn. De werkgelegenheidsgraad van oudere werknemers (55-64 jaar) blijft onder het Uniegemiddelde en de kloof met het Uniegemiddelde blijft hoog voor werknemers boven de 60 jaar. Mensen met een migratieachtergrond, met name vrouwen, hebben nog steeds te maken met een hogere werkloosheid, een lagere activiteitsgraad, meer armoede onder werkenden en overkwalificatie. Hoewel er enkele maatregelen zijn genomen om de integratie van nieuwkomers te ondersteunen en discriminatie aan te pakken, ontbreekt het nog steeds aan een gecoördineerde aanpak van de uitdagingen waarmee mensen met een migratieachtergrond worden geconfronteerd. Om de lage arbeidsmarktdeelname aan te pakken, zijn in het kader van de “Jobdeal”-hervorming maatregelen genomen, maar het effect daarvan moet nog worden beoordeeld.

(14)

Er blijven belangrijke negatieve financiële prikkels bestaan voor het aanvaarden van werk. Hoewel de taxshift de loonwig heeft verkleind, blijft deze gemiddeld hoog bij alle loontrekkenden, met uitzondering van degenen met een zeer laag loon (50 % van het gemiddelde loon). België blijft de enige lidstaat waar de werkloosheidsuitkeringen niet in de tijd beperkt zijn, hoewel zij geleidelijk afnemen. Er zijn negatieve financiële prikkels voor personen met een ziekte- of invaliditeitsuitkering en tweede verdieners om voltijds te gaan werken. Met name alleenstaande ouders (en in mindere mate koppels met kinderen) krijgen beperkte financiële prikkels om (voltijds) te gaan werken door een combinatie van kosten en intrekking van uitkeringen. Bovendien kunnen er coördinatieproblemen ontstaan door de verdeling van de verantwoordelijkheden voor sociale bescherming tussen het federale, gewestelijke en lokale niveau. Formeel worden zelfstandigen niet door het socialezekerheidsstelsel gedekt voor werkloosheidsuitkeringen, arbeidsongevallen en beroepsziekten.

(15)

De neerwaartse trend in onderwijsprestaties in het onderwijs met leerplicht en de significante verschillen in het onderwijssysteem blijven een punt van zorg. Het percentage jongeren dat de basisvaardigheden niet beheerst, kan worden verbeterd, met name in de Franse Gemeenschap, waar dat percentage boven het OESO-gemiddelde ligt. De kloof wat betreft onderwijsresultaten als gevolg van sociaal-economische en migratieachtergrond is groot. Leraren hebben meer steun nodig om met diversiteit om te gaan, en het blijft nodig de voortdurende professionele ontwikkeling van leraren aan te passen. Hervormingen om de onderwijsresultaten te verbeteren en ongelijkheden aan te pakken, moeten worden geïntensiveerd om kennisintensieve, duurzame en inclusieve groei en sociale inclusiviteit te stimuleren. De uitrol van het “Pacte pour un Enseignement d’excellence”, het vlaggenschip van de onderwijshervorming in de Franse Gemeenschap die basisvaardigheden, efficiëntie en governance moet verbeteren en ongelijkheid moet aanpakken, vordert. Besluiten over de organisatie van het werk van leerkrachten, over het gemeenschappelijke basis-leerplan, over de status van schooldirecteuren en de verbetering van de kennis van het Frans voor nieuwkomers, zijn aangenomen en zullen van toepassing zijn met ingang van september 2020. De Vlaamse Gemeenschap voert vanaf 2019/2020 een aantal hervormingen door in het secundair onderwijs, maar vroege tracking van leerlingen blijft een zorg. De impact van deze hervormingen en maatregelen zal ook afhangen van de effectieve implementatie en monitoring ervan. Het federale parlement heeft ook de leerplichtige leeftijd verlaagd van zes tot vijf jaar. Gezien de reeds hoge uitgavenniveaus voor onderwijs zullen de hervormingen moeten worden uitgevoerd met een sterkere focus op het vergroten van de efficiëntie en effectiviteit van het systeem en het vermogen van het systeem om toekomstgerichte en arbeidsmarktrelevante competenties te leveren.

(16)

Vaardighedenmismatches en lage beroepsmobiliteit bemoeilijken de groei van werkgelegenheid en productiviteit. Ondanks verscheidene gewestelijke en federale maatregelen die zijn genomen om tekorten aan vaardigheden aan te pakken en de activering te bevorderen, onder meer in het kader van de Jobdeal-hervorming, worden in verschillende sectoren tekorten aan arbeidskrachten vastgesteld, in het bijzonder in de informatie- en communicatietechnologieën, de bouw en de gezondheidszorg. De groei van de bouwsector wordt afgeremd door een gebrek aan vaardigheden en een tekort aan arbeidskrachten. Er zijn belangrijke behoeften op het gebied van omscholing en vaardighedenverbetering van de beroepsbevolking in bepaalde sectoren. De participatie van volwassenen aan onderwijs en opleiding en beroepsmobiliteit is eveneens laag. Slechte taalvaardigheden zijn een belangrijk probleem, met name in Brussel, waar volgens het nationaal hervormingsprogramma 2019 in ongeveer 50 % van de vacatures kennis van zowel Frans als Nederlands gevraagd wordt. Het aantal afgestudeerden in het tertiair onderwijs is hoog, maar er zijn te weinig afgestudeerden in wetenschap, technologie, engineering en wiskunde (STEM). In 2016 stond België in de Unie op de 26e plaats voor STEM-afgestudeerden in het tertiair onderwijs, met een laag percentage nieuwkomers in verwante tertiaire opleidingen, met name voor vrouwen. De algemene uitvoering van het “STEM-Actieplan 2012-2020” vordert in Vlaanderen, maar het aantal STEM-afgestudeerden in het secundair onderwijs in technische en beroepstrajecten stagneert sinds 2010. De Franse Gemeenschap heeft geen STEM-beleidsstrategie en moet haar onlangs goedgekeurde “Stratégie numérique pour l’Education” voor scholen nog uitvoeren. Het tekort aan professionals met kennis op het gebied van ondernemerschap en van wetenschap, technologie, engineering en wiskunde belemmert de ontwikkeling van start-ups. Het algemene niveau van digitale vaardigheden is goed, maar is niet verbeterd. In het nationaal hervormingsprogramma 2019 wordt gewezen op het akkoord tussen Vlaanderen en Wallonië en het voorgenomen akkoord tussen Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest om de intergewestelijke arbeidsmobiliteit te verbeteren.

(17)

Onderzoek en ontwikkeling zijn geconcentreerd in een klein aantal bedrijfstakken en er is onvoldoende verspreiding van innovatie over de rest van de economie, hetgeen uiteindelijk weegt op de productiviteitsgroei. Met overheidsgeld gefinancierd onderzoek lijkt onder het Uniegemiddelde te liggen. Op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en innovatie zijn er ook gewestelijke en subgewestelijke verschillen. Volgens het Nationaal Pact voor Strategische Investeringen is de versterking van de digitalisering een veelbelovende manier om de productiviteit en het innovatievermogen van België te verhogen. Dit vereist investeringen in digitale infrastructuur, met inbegrip van het nemen van effectieve maatregelen voor de succesvolle uitrol van 5G, en menselijk kapitaal en ondernemingsgeest, alsook een versnelde gebruikmaking van digitale technologie, in het bijzonder door de bedrijven die tot nog toe achterop liepen.

(18)

De kwaliteit van de wegeninfrastructuur verslechtert na jaren van lage overheids-investeringen. Tegelijk lijkt het onderhoud van een omvangrijk en dicht net niet kosteneffectief te zijn voor de Gewesten en gemeenten. Het Belgische wegennet is een van de meest dichtgeslibde in de Unie. De spoorweginfrastructuur is dicht en van goede kwaliteit, maar de voltooiing en verbetering ervan blijft een uitdaging en er is vooral rond Brussel en bij de toegang tot de havens van Antwerpen en Zeebrugge sprake van congestie. Er zijn significante investeringen gepland in infrastructuur voor voorstedelijk spoorvervoer en in signalisatie, maar deze worden met name afgeremd door de regels voor de toewijzing van budgettaire middelen tussen de Gewesten. Bovendien beperken verstorende prikkels en belemmeringen voor concurrentie en investeringen in het binnenlandse personenvervoer over het spoor en interstedelijk busvervoer de vraag naar en het aanbod van alternatieve koolstofarme openbaarvervoerdiensten. De toenemende congestie is gedeeltelijk te verklaren door de voortdurende toename van personenauto’s, gestimuleerd door tolvrije snelwegen, de aftrek voor bedrijfswagens en lage milieubelastingen. Hoge transactiebelastingen op vastgoed en de bedrijfswagenregeling hebben een negatieve invloed op de mobiliteit. De kwaliteit van het spoorvervoer is gedaald en in het aanbod van openbaar stads- en streekvervoer is met name in Wallonië ruimte voor verbetering, waar toegang tot werkgelegenheid een grote beperking voor werkzoekenden vormt. Volgens het nationale hervormingsprogramma 2019 zijn in alle Gewesten belangrijke investeringen en hervormingen aan de gang, terwijl op federaal niveau en in samenwerking met de Gewesten de voltooiing van het voorstedelijk spoorwegnet rond Brussel vordert. België heeft de wet tot openstelling van de binnenlandse spoorwegdiensten goedgekeurd, maar het aandeel van het personenvervoer dat wordt aangeboden in het kader van openbaredienstverplichtingen in het kader van een onderhands gegunde opdracht blijft in België zeer hoog. Particuliere bedrijven voor busvervoer mogen geen interstedelijk busvervoer verrichten. De taxiregelgeving verschilt van gemeente tot gemeente. Hoewel de Gewesten hun eigen mobiliteitsplannen hebben ontwikkeld, verhindert een complexe coördinatie een consistente visie op mobiliteit binnen België en mogelijk met grenssteden en -regio’s. De spoorwegregulator heeft de ruimte om het bereik van zijn regulerende activiteiten verder te ontwikkelen.

(19)

Er zijn substantiële investeringen nodig om de energietransitie te ondersteunen. De renovatie van het oude gebouwenbestand, dat dateert van vóór de invoering van de energienormen, zal bijdragen aan het behalen van de emissiereductiedoelstellingen voor 2020 en 2030. De uitrol van alternatieve brandstof is vrij laag. Er is behoefte aan grote investeringen in elektriciteitsproductie, interconnectiecapaciteit, slimme netten, opslag en energie-efficiëntie.

(20)

Ondanks de inspanningen van de regering hebben bedrijven nog steeds te kampen met administratie- en regeldruk die weegt op het ondernemerschap. De belastingheffing is verlicht voor startende en kleine bedrijven, maar blijft complex voor financiële beleggingen. België heeft zijn vennootschapsrecht hervormd, het aantal rechtsvormen voor ondernemingen verminderd, de juridische elektronische communicatie vergemakkelijkt, de minimum-kapitaalvereisten verlaagd en, volgens het nationale hervormingsprogramma 2019, de insolventiewet hervormd om er met name de vrije beroepen in op te nemen. Ondanks deze inspanningen zijn er echter lange wachttijden voor bouwvergunningen, is de registratie van onroerend goed duur en duren gerechtelijke procedures lang. De bestuursrechtspraak staat voor uitdagingen als gevolg van een gebrek aan middelen en lange procedures, die aanzienlijke vertragingen veroorzaken, met name voor bouwvergunningen, maar ook voor aanbestedingsprocedures. Bovendien is de coördinatie op het gebied van klimaat-, energie-, digitaliserings- en vervoersbeleid complex en voor verbetering vatbaar. De samenwerking tussen de douanediensten en de markttoezichtautoriteiten is niet optimaal, hetgeen het risico vergroot dat niet-conforme goederen via Belgische grenzen de Unie binnenkomen. De effectbeoordeling zou beter kunnen worden geïntegreerd in het beleidsvormingsproces. De kwaliteit van de digitale openbare diensten voor bedrijven is laag. De gebrekkige digitalisering van justitie blijft een ernstige uitdaging, met name wat het verzamelen van gegevens betreft. De voltooiing van de digitalisering van justitie is een belangrijke voorwaarde voor verdere verbetering van de kwaliteit van het rechtssysteem, zoals het actualiseren van bedrijfsprocessen en een beter beheer van personele en financiële middelen bij rechtbanken.

(21)

Belemmeringen voor de concurrentie en voor investeringen in verscheidene zakelijke diensten belemmeren de groei en productiviteit. Het percentage nieuwe dienstverleners die tot de markt toetreden, ligt significant onder het Uniegemiddelde, terwijl de winstpercentages boven het Uniegemiddelde liggen. Uit de restrictiviteitsindicator van de Commissie blijkt dat de Belgische regelgeving voor accountants, belastingadviseurs, architecten en vastgoedmakelaars aanzienlijk restrictiever is dan het Uniegemiddelde. Een recentelijk aangenomen wet heeft nieuwe vereisten ingevoerd voor octrooigemachtigden. Het Federaal Planbureau schat dat een ambitieuze vermindering van de regeldruk voor juridische diensten, boekhouddiensten en architectuurdiensten zou leiden tot een toename van de arbeidsproductiviteit. De gereglementeerde notaristarieven voor vastgoedtransacties zijn aanzienlijk en komen bovenop de hoge registratierechten. De hervorming van de ambachtelijke beroepen in de Gewesten loopt niet gelijk. De detailhandel kampt nog steeds met operationele beperkingen die de productiviteit belemmeren en investeringen ontmoedigen. De supermarktbranche laat een suboptimaal niveau van concurrentie zien, voornamelijk als gevolg van de hoge mate van concentratie en de lage dynamiek inzake in- en uittreding op de markt. Volgens de restrictiviteitsindicator voor de detailhandel (RRI) is België de op vijf na meest restrictieve lidstaat wat betreft de operationele omgeving voor de detailhandel. In het nationale hervormingsprogramma 2019 wordt de aandacht gevestigd op de recente hervormingen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest om de vestiging van detailhandelszaken te vergemakkelijken. De markt voor telecommunicatie wordt gekenmerkt door een hoge mate van concentratie (nog versterkt door recente overnames) en door zwakke concurrentie. Dit wordt ook geïllustreerd door relatief hoge prijzen voor vaste diensten in vergelijking met vergelijkbare landen. Wat vaste netwerken betreft wordt de detailhandelsmarkt gekenmerkt door geografisch afgebakende duopolies van de gevestigde onderneming en de kabelexploitanten. Dit kan belemmeringen opleveren voor de aanbieding van vaste-mobiele convergente gebundelde diensten door sommige exploitanten. In het nationale hervormingsprogramma 2019 wordt de aandacht gevestigd op de hervorming van het economisch recht om de naleving van het concurrentierecht en de werking van de Belgische Mededingingsautoriteit te verbeteren door de procedures efficiënter te maken en de kans op verdere geschillen voor het Marktenhof te verkleinen. De Belgische Mededingingsautoriteit beschikt over beperkte middelen in vergelijking met de mededingingsautoriteiten van andere lidstaten.

(22)

De programmering van de Uniemiddelen voor de periode 2021-2027 zou kunnen bijdragen tot het aanpakken van een aantal van de in de aanbevelingen geconstateerde leemten, met name op de gebieden die worden behandeld in bijlage D bij het landverslag 2019. Hierdoor zou België in staat zijn deze middelen zo goed mogelijk te gebruiken met betrekking tot de geïdentificeerde sectoren, rekening houdend met de gewestelijke verschillen.

(23)

In de context van het Europees Semester 2019 heeft de Commissie een brede analyse van het economische beleid van België verricht; deze analyse is gepubliceerd in het landverslag 2019. Voorts heeft de Commissie zowel het stabiliteitsprogramma 2019 als het nationale hervormingsprogramma 2019 doorgelicht en onderzocht welk gevolg is gegeven aan de aanbevelingen die in eerdere jaren tot België zijn gericht. Daarbij heeft de Commissie niet alleen gekeken naar de relevantie ervan voor een houdbaar begrotings- en sociaal-economisch beleid in België, maar is zij ook nagegaan of de Unieregels en -richtsnoeren in acht zijn genomen, gezien de noodzaak de algehele economische governance van de Unie te versterken door middel van een inbreng op Unieniveau in toekomstige nationale besluiten.

(24)

In het licht van deze beoordeling heeft de Raad het stabiliteitsprogramma 2019 onderzocht en zijn advies (8) daarover is met name in de onderstaande aanbeveling 1 weergegeven,

BEVEELT AAN dat België in 2019 en 2020 de volgende actie onderneemt:

1.   

Ervoor zorgen dat het nominale groeipercentage van de netto primaire overheidsuitgaven in 2020 niet boven de 1,6 % uitkomt, hetgeen neerkomt op een jaarlijkse structurele aanpassing van 0,6 % van het bbp. Eventuele meevallers gebruiken om de overheidsschuldquote sneller te verminderen. De hervormingen voortzetten om de budgettaire houdbaarheid van de stelsels voor langdurige zorg en pensioenen te waarborgen, onder meer door de mogelijkheden voor vervroegde uittreding uit de arbeidsmarkt te beperken. De samenstelling en efficiëntie van de publieke uitgaven verbeteren, met name door middel van uitgaventoetsingen, en de coördinatie van het begrotingsbeleid door alle overheidsniveaus verbeteren om ruimte te creëren voor openbare investeringen.

2.   

De hindernissen om te werken wegnemen en de doeltreffendheid van een actief arbeidsmarktbeleid versterken, met name voor laagopgeleiden, oudere werknemers en mensen met een migratieachtergrond. De prestaties en de inclusiviteit van de onderwijs- en opleidingssystemen verbeteren en de vaardighedenmismatches aanpakken.

3.   

Het investeringsgerelateerde economische beleid toespitsen op duurzaam vervoer, met inbegrip van verbetering van de spoorweginfrastructuur, decarbonisatie en energietransitie en onderzoek en innovatie, met name op het gebied van digitalisering, rekening houdend met regionale verschillen. De groeiende mobiliteitsuitdagingen aanpakken door de prikkels te versterken en belemmeringen weg te nemen om de vraag naar en het aanbod van collectief vervoer en vervoer met lage emissies te vergroten.

4.   

De regel- en administratiedruk verminderen om ondernemerschap te stimuleren en de belemmeringen voor concurrentie in de dienstensector op te heffen, met name voor telecommunicatie-, detailhandels- en professionele diensten.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LINTILÄ


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25).

(3)  PB C 136 van 12.4.2019, blz. 1.

(4)  PB C 320 van 10.9.2018, blz. 1.

(5)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(6)  Conjunctuurgezuiverd begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, herberekend door de Commissie volgens de gezamenlijk overeengekomen methode.

(7)  De netto primaire overheidsuitgaven bestaan uit de totale overheidsuitgaven exclusief rente-uitgaven, uitgaven in het kader van programma’s van de Unie die volledig met inkomsten uit Uniefondsen worden gefinancierd en niet-discretionaire veranderingen in de uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen. Nationaal gefinancierde bruto-investeringen in vaste activa worden gespreid over een periode van vier jaar. Er wordt rekening gehouden met discretionaire inkomstenmaatregelen of bij wet verplicht gestelde inkomstenstijgingen. Eenmalige maatregelen aan zowel de inkomsten- als de uitgavenzijde worden uitgevlakt.

(8)  Op grond van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97.


AANBEVELINGEN

5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 301/8


AANBEVELING VAN DE RAAD

van 9 juli 2019

over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Bulgarije en met een advies van de Raad over het convergentieprogramma 2019 van Bulgarije

(2019/C 301/02)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (1), en met name artikel 9, lid 2,

Gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (2), en met name artikel 6, lid 1,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 21 november 2018 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse groeianalyse en daarmee de aanzet gegeven tot het Europees Semester 2019 voor coördinatie van het economisch beleid. Daarin wordt terdege rekening gehouden met de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie werd geproclameerd. De prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse zijn op 21 maart 2019 door de Europese Raad bekrachtigd. Op 21 november 2018 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 ook het waarschuwingsmechanismeverslag aangenomen, waarin zij Bulgarije heeft genoemd als een van de lidstaten die aan een diepgaande evaluatie zouden worden onderworpen.

(2)

Op 27 februari 2019 is het landverslag 2019 voor Bulgarije gepubliceerd. Daarin werd de vooruitgang beoordeeld die Bulgarije bij het opvolgen van de op 13 juli 2018 door de Raad aangenomen landspecifieke aanbevelingen (3) heeft gemaakt, alsmede het gevolg dat is gegeven aan de landspecifieke aanbevelingen die in de jaren voordien werden goedgekeurd, en de vooruitgang die Bulgarije in de richting van zijn nationale Europa 2020-doelstellingen heeft geboekt. Het landverslag bevatte ook een op grond van artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 uitgevoerde diepgaande evaluatie, waarvan de uitkomsten eveneens op 27 februari 2019 zijn bekendgemaakt. Op basis van haar analyse concludeert de Commissie dat Bulgarije macro-economische onevenwichtigheden ondervindt. Met name gaan kwetsbaarheden in de financiële sector gepaard met een hoge schuldenlast en niet-renderende leningen bij ondernemingen. Er is vooruitgang geboekt bij het aanpakken van de oorzaken van onevenwichtigheden, maar toch zal het belangrijk blijven de recente hervormingen van het toezicht en de governance in de bancaire en niet-bancaire financiële sectoren volledig door te voeren en te monitoren.

(3)

Bulgarije heeft op 24 april 2019 zijn nationale hervormingsprogramma 2019 en zijn convergentieprogramma 2019 ingediend. Om met de onderlinge verbanden tussen beide programma’s rekening te houden, zijn deze tegelijkertijd geëvalueerd.

(4)

De betrokken landspecifieke aanbevelingen zijn meegenomen in de programmering voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) voor de periode 2014-2020. Op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4) kan de Commissie een lidstaat verzoeken zijn partnerschapsovereenkomst en de desbetreffende programma’s opnieuw te bezien en wijzigingen daarop voorstellen indien dit nodig is om de uitvoering van de betrokken aanbevelingen van de Raad te ondersteunen. De Commissie heeft in richtsnoeren met betrekking tot de toepassing van de maatregelen die de effectiviteit van de ESI-fondsen koppelen aan gezonde economische governance, nader aangegeven hoe zij van die bepaling zou gebruikmaken.

(5)

Bulgarije valt momenteel onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact. Uitgaande van een nominaal overschot van 2 % van het bruto binnenlands product (bbp) in 2018 mikt de regering in haar convergentieprogramma 2019 op een tekort van 0,3 % van het bbp in 2019 en een overschot van 0,4 % van het bbp in 2020, 0,2 % in 2021 en 0,1 % in 2022. Op basis van het herberekende structurele saldo (5) zal de begrotingsdoelstelling op middellange termijn — een structureel tekort van 1 % van het bbp in structurele termen — gedurende de hele programmaperiode worden overtroffen. In het convergentieprogramma 2019 wordt ervan uitgegaan dat de overheidsschuldquote geleidelijk zal dalen van 22,6 % van het bbp in 2018 tot 16,7 % in 2022. Het macro-economische scenario dat aan die begrotingsprognoses ten grondslag ligt, is plausibel. Volgens de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie zal het structurele saldo naar verwachting een overschot vertonen van 0,7 % van het bbp in 2019 en 0,6 % van het bbp in 2020, wat hoger is dan de begrotingsdoelstelling op middellange termijn. Al met al is de Raad van oordeel dat Bulgarije in 2019 en 2020 naar verwachting aan de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact zal voldoen.

(6)

De belastinginkomsten en de naleving van de belastingwetgeving verbeteren en een aantal initiatieven is uitgevoerd. De belastinginning lijkt echter niet overal in hetzelfde tempo te verbeteren. Dit geldt met name voor arbeidsgerelateerde belastingen en socialezekerheidsbijdragen en voor bepaalde categorieën accijnzen. Er zijn ook aanwijzingen dat zwartwerk en de illegale handel in brandstoffen nog steeds een uitdaging vormen. Om de nog steeds grote schaduweconomie verder terug te dringen, is het van het grootste belang dat wordt doorgegaan met de inspanningen om de belastinginning te verbeteren en aanvullende gerichte maatregelen te nemen om de uitdagingen op specifieke onderdelen van het belastingstelsel het hoofd te bieden.

(7)

De regering heeft stappen ondernomen om de effectiviteit van de overheidsuitgaven te verbeteren. De Wereldbank heeft een uitgaventoets uitgevoerd die betrekking heeft op een aantal overheidsinstellingen (ministeries en gemeenten), twee proefstudies verricht — één op het gebied van ordehandhaving en brandbestrijding en één met betrekking tot afvalbeheer — en ook een handleiding opgesteld voor toekomstige toetsingen door de overheid. In de budgettaire middellangetermijnstrategie 2018 heeft de regering een aantal prestatie-indicatoren ingevoerd om de impact van de uitgaven op de verschillende beleidsterreinen in de loop van de tijd te beoordelen en de evaluatie en planning van de begroting te onderbouwen. Naar verwachting zal de uitvoering van deze initiatieven de kwaliteit, de efficiëntie en de transparantie van de overheidsuitgaven en bijgevolg de kwantiteit en kwaliteit van collectieve goederen verbeteren.

(8)

Staatsbedrijven hebben te kampen met zwakke corporate governance, wat ook voor een groot deel tot uiting komt in hun economische prestaties. In samenwerking met de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en met de steun van de ondersteuningsdienst voor structurele hervormingen van de Commissie is een hervorming van het rechtskader voor de corporate governance van staatsbedrijven gaande. De hervorming is erop gericht de huidige tekortkomingen aan te pakken door de nationale wetgeving in overeenstemming te brengen met de OESO-richtlijnen inzake corporate governance voor staatsbedrijven. De vaststelling van het kader en de effectieve uitvoering ervan waarborgen de continuïteit en zijn cruciaal voor het welslagen van de hervorming.

(9)

Het economisch klimaat is gunstig en de kapitaal- en liquiditeitsratio’s van de banken zijn, gemiddeld genomen, verbeterd. Tegelijkertijd is het aantal niet-renderende leningen van niet-financiële vennootschappen afgenomen, hoewel het nog steeds hoog is. De secundaire markt voor niet-renderende leningen is dynamischer geworden. De Bulgaarse Nationale Bank heeft op 30 mei 2019 een besluit genomen tot uitvoering van de richtsnoeren van de EBA voor het beheer van niet-renderende en geherstructureerde blootstellingen. De vervolgmaatregelen die naar aanleiding van de evaluaties van de financiële sector zijn getroffen, hebben de banksector versterkt, maar er zijn nog enkele zwakke punten. Tot de nieuwe regelgevingsinitiatieven van 2018 behoorden onder meer de regels voor grote risico’s en de identificatie van verbonden cliënten, een verhoging van het contracyclische kapitaalbufferpercentage en de invoering van macroprudentiële instrumenten voor op kredietnemers gerichte maatregelen. Als vervolg op de wetgevingsinitiatieven inzake blootstellingen aan verbonden partijen, is aanhoudend toezicht om leningen aan verbonden partijen te beperken en overtredingen van zekerheidsbepalingen strafbaar te stellen van cruciaal belang voor de ondersteuning van goede bedrijfspraktijken. Versterking van het kader voor bankafwikkeling is een andere lopende maatregel die zal bijdragen tot de weerbaarheid van de financiële sector.

(10)

Afronding van de insolventiehervorming zou kunnen bijdragen tot vermindering van de hoge uitstaande schulden in de particuliere sector en het nog steeds grote aandeel niet-renderende leningen. Sommige ontbrekende elementen verminderen de efficiëntie en de effectiviteit van het insolventiekader, wat tot trage en kostbare insolventieprocedures leidt. Tegelijkertijd kan door het ontbreken van adequate monitoringinstrumenten geen goede analyse van de huidige en nieuwe pre-insolventie- en insolventieprocedures worden gemaakt en kunnen geen concrete knelpunten of zwakke punten worden vastgesteld. In oktober 2018 heeft Bulgarije de ondersteuningsdienst voor structurele hervormingen van de Commissie verzocht om bijstand bij de hervorming van het insolventiekader. In het kader van dit project worden lacunes in het insolventiekader vastgesteld en zal een stappenplan worden opgesteld om die lacunes aan te pakken. Het is van belang de dynamiek van de hervormingen te behouden en uitvoering te geven aan de routekaart die zal worden opgesteld.

(11)

Bulgarije heeft in 2018 en vervolgens in mei 2019 wetswijzigingen goedgekeurd en werkt aan de volledig conforme omzetting van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad (6) (vierde antiwitwasrichtlijn). Er zou aandacht moeten worden besteed aan de doeltreffende uitvoering van deze maatregelen. De nationale risicobeoordeling, die van essentieel belang is voor het uitwerken van adequaat nationaal beleid ter bestrijding van witwassen en de financiering van terrorisme, is door de autoriteiten nog steeds niet afgerond en aan de Commissie meegedeeld. Bovendien wijzen recente ontwikkelingen in de banksector erop dat het nationale toezicht op internationale financiële transacties moet worden versterkt en dat moet worden gezorgd voor doeltreffende handhaving van het kader voor de bestrijding van witwassen (AML). Het risico op corruptie moet beter worden aangepakt, aangezien dit een basisdelict is dat witwassen mogelijk maakt. De Bulgaarse autoriteiten zullen moeten kunnen aantonen dat zij concrete resultaten hebben geboekt en een goede staat van dienst opbouwen die wordt gestaafd door definitieve uitspraken in corruptiezaken op hoog niveau. Er wordt in beperkte mate gebruikgemaakt van financieel onderzoek en financiële profilering.

(12)

Hervorming van het niet-bancaire toezicht is aan de gang. De Commissie financieel toezicht heeft in september 2017, in samenwerking met de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen, een actieplan voor de hervorming van het niet-bancaire financieel toezicht vastgesteld. Als het actieplan, dat momenteel nog loopt, volledig en tijdig wordt uitgevoerd en gehandhaafd, zal dat bijdragen tot adequaat toezicht op de niet-bancaire financiële sector. Er zijn wijzigingen van de secundaire wetgeving vastgesteld die tot doel hebben de waarderingsregels en de toepassing ervan te verbeteren. Effectieve uitvoering en handhaving ervan zou een antwoord bieden op de nog resterende problemen in verband met waardering die in het verleden zijn vastgesteld. Tot slot is het nog steeds een uitdaging om ervoor te zorgen dat het toezicht op groepsniveau leidt tot adequaat risicogebaseerd toezicht op verzekeringen.

(13)

De sector autoverzekeringen vertoont een aantal zwakke punten. Goed opgestelde regels inzake compensatie zouden het mogelijk maken dat de rechter bij beslissingen over individuele zaken tot een meer geharmoniseerde aanpak komt. Op de langere termijn zou een dergelijke methode bijdragen tot vermindering van de kosten, de volatiliteit en het verzekeringstechnisch risico in de sector wettelijkeaansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen. De duurzaamheid van de sector zou ook baat hebben bij een betere prijsstelling, die rekening houdt met de rijgeschiedenis van de klanten. De Commissie financieel toezicht heeft een bonus-malussysteem voorgesteld, dat momenteel onderwerp is van een brede publieke discussie. Tot slot heeft de liquiditeit van het bureau van motorrijtuigverzekeraars tot aanzienlijke bezorgdheid geleid, voornamelijk als gevolg van het niet betalen van vorderingen door één Bulgaarse verzekeraar. Voor de geloofwaardigheid en de doeltreffendheid van het systeem is het essentieel dat alle leden hun verplichtingen strikt nakomen.

(14)

Op infrastructuurgebied is er sprake van grote investeringstekorten. De dekking en de kwaliteit van de vervoersinfrastructuur zijn verbeterd, maar blijven onder het gemiddelde van de Unie. Het trans-Europees vervoersnetwerk is in Bulgarije nog steeds onvolledig. Bovendien is de uitstoot van broeikasgassen door het wegvervoer de afgelopen vijf jaar sterk toegenomen. Het is noodzakelijk dat spoor- en wegtrajecten en de Europese systemen voor het beheer van het spoorverkeer en intelligente vervoerssystemen verder worden ontwikkeld. Bulgarije wordt gekenmerkt door weinig verbindingen voor de afvoer van stedelijk afvalwater, dat in geringe mate wordt behandeld, door hoge niveaus van luchtvervuiling en veelvuldig gebruik van stortplaatsen voor stedelijk afval. Het recyclingpercentage ligt aanzienlijk onder het gemiddelde van de Unie. Investeringen zijn nodig om duurzaam waterbeheer, efficiënt gebruik van hulpbronnen en de overgang naar een circulaire economie te bevorderen. Bovendien zijn de investeringsbehoeften op het gebied van energie en de matiging van en de aanpassing aan de klimaatverandering aanzienlijk. De hoge energie-intensiteit van de economie en de trage verwezenlijking van de doelstellingen inzake energie-efficiëntie, met name in de bouwsector, hebben een remmende invloed op de productiviteit en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven in het land. Meer inspanningen zijn dan ook nodig om ervoor te zorgen dat aanzienlijke energiebesparingen worden gerealiseerd via gerichte investeringen in de industrie-, vervoers- en bouwsector. Meer investeringen in schone energie-infrastructuur (zoals schone en koolstofarme elektriciteitsproductie, interconnecties en slimme netwerken) zouden, overeenkomstig de prioriteiten die in het ontwerp van het Bulgaarse nationale klimaat- en energieplan zijn vastgesteld, het algemene concurrentievermogen van de economie en de levenskwaliteit van de bevolking verder helpen verbeteren.

(15)

Hoewel de overheidsbegroting voor onderzoek in 2018 is verhoogd, blijven de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling (O & O) zowel in de particuliere als in de publieke sector zeer laag. De particuliere investeringen in O & O worden gedomineerd door grote multinationale ondernemingen en zijn geconcentreerd in de hoofdstedelijke regio. Het trage tempo waarin de hervormingen worden uitgevoerd en de sterke versnippering van het onderzoeks-, ontwikkelings- en innovatiestelsel doen afbreuk aan de bijdrage die investeringen in O & O kunnen leveren aan productiviteit en groei. Een groot aantal universiteiten en onderzoeksinstellingen presteert nog steeds slecht waar het gaat om hoogwaardig wetenschappelijk onderzoek. Er is nog steeds zeer weinig interactie tussen wetenschap en bedrijfsleven en de beschikbaarheid van menselijk kapitaal in O & O is een bron van grote zorg. Clusters en het potentieel dat zij kunnen bieden, zijn in Bulgarije onvoldoende ontwikkeld, doordat zij vaak geen kritische massa hebben. In combinatie met efficiënt bestuur en effectievere overheidsinvesteringen kunnen verdere investeringen het productiviteitseffect maximaliseren en het concurrentievermogen van de economie verbeteren. Verdergaande digitalisering van het bedrijfsleven en invoering van nieuwe bedrijfsmodellen zijn bovendien van cruciaal belang voor de productiviteit in het land.

(16)

De hervorming van het openbaar bestuur en e-overheid verloopt nog steeds traag en levert onvoldoende verbetering op, terwijl het ondernemingsklimaat nog steeds zwak is. Er is een aantal hervormingsmaatregelen goedgekeurd, maar de praktische uitvoering daarvan hinkt achterop. Institutionele tekortkomingen, rechtsonzekerheid, corruptie en een ontoereikend arbeidsaanbod zijn nog steeds belangrijke belemmeringen voor investeringen. Het bestuur in de publieke sector heeft baat bij meer transparantie, duidelijkere regels en een perspectief voor de lange termijn. Er zijn ook tekortkomingen op het gebied van het testen en de veiligheid van producten als gevolg van de beperkte financiële en personele middelen. Terwijl verreweg de meeste van de in de nationale strategie inzake overheidsopdrachten opgenomen maatregelen zijn goedgekeurd, zijn ten aanzien van de uitvoering bovendien voortdurend toezicht, controle en beoordeling vereist. Het grote aantal onderhandse gunningen en aparte offertes kan de transparantie en effectiviteit van het systeem aanzienlijk ondermijnen. De bestuurlijke capaciteit van de sector overheidsopdrachten vormt een voortdurende uitdaging, wat ook geldt voor de professionalisering van overheidsinkopers en gezamenlijke aankopen. De aanzienlijke vertraging bij de invoering van elektronische aanbestedingen verhindert verdere verbetering van de transparantie en efficiëntie van de procedures voor overheidsopdrachten.

(17)

De situatie van de arbeidsmarkt is verbeterd, maar er zijn nog steeds uitdagingen. De arbeidsparticipatie is nu op het hoogste niveau sinds de toetreding van Bulgarije tot de Unie en de werkloosheid ligt onder het gemiddelde van de Unie. Deze positieve ontwikkelingen ten spijt hebben sommige groepen, zoals laaggeschoolden, jongeren, Roma en mensen met een handicap nog steeds moeite om werk te vinden. Er worden specifieke maatregelen uitgevoerd ter ondersteuning van langdurig werklozen, die in 2018 3 % van de beroepsbevolking uitmaakten. Met een combinatie van doeltreffende en duurzame outreachmaatregelen, een actief arbeidsmarktbeleid en geïntegreerde werkgelegenheids- en sociale diensten zou de inzetbaarheid van leden van kansarme groepen en de kansen op het vinden van werk kunnen worden verbeterd.

(18)

Het groeiende tekort aan vaardigheden in Bulgarije rechtvaardigt aanzienlijke investeringen. De inzetbaarheid van jongeren kan worden vergroot als de kwaliteit en de effectiviteit van stages en leerlingplaatsen wordt verbeterd. De volwassen bevolking maakt bovendien zeer zelden gebruik van maatregelen op het gebied van bij- en omscholing. Ondanks de maatregelen die zijn genomen om de ontwikkeling van digitale vaardigheden aan te moedigen, behoort het niveau van digitale basisvaardigheden in Bulgarije (29 % van de mensen beschikt over elementaire digitale vaardigheden, terwijl het Uniegemiddelde 57 % bedraagt) nog steeds tot de laagste in de Unie.

(19)

Hoewel in 2018 het verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende de vaststelling van minimumlonen is geratificeerd en verschillende onderhandelingsronden hebben plaatsgevonden, hebben werkgevers en vakbonden nog steeds uiteenlopende opvattingen over de criteria die moeten worden toegepast bij de vaststelling van het minimumloon. Er is ruimte voor meer consensus over een objectief en transparant mechanisme voor loonvorming. De betrokkenheid van de sociale partners bij het ontwerp en de uitvoering van het beleid en de hervormingen lijkt weliswaar te zijn toegenomen, maar voortdurende ondersteuning van een versterkte sociale dialoog blijft noodzakelijk.

(20)

De onderwijsresultaten zijn nog steeds laag en worden nog steeds sterk beïnvloed door de sociaal-economische status van de ouders. Dit weerspiegelt uitdagingen die verband houden met de kwaliteit en inclusiviteit van het onderwijs- en opleidingsstelsel. Bulgarije investeert onvoldoende in onderwijs, met name het kleuter- en basisonderwijs, twee gebieden die van groot belang zijn om vanaf jonge leeftijd gelijke kansen te creëren. De deelname aan goed onderwijs en goede opvang van jonge kinderen is laag, met name voor Roma en kinderen uit andere kansarme groepen. Het percentage vroegtijdige schoolverlaters is nog steeds hoog, met alle negatieve gevolgen van dien voor de toekomstige inzetbaarheid en de arbeidsmarktresultaten. De arbeidsmarktrelevantie van beroepsonderwijs en beroepsopleiding en de beschikbaarheid van duaal beroepsonderwijs en duale beroepsopleiding zijn nog steeds onvoldoende. Hoewel sommige maatregelen reeds worden uitgevoerd, zijn verdere inspanningen nodig om ervoor te zorgen dat de vaardigheden van afgestudeerden van het hoger onderwijs op consistente wijze oplossingen kunnen bieden voor de vaardigheidstekorten op de korte en middellange termijn. Er is een aantal maatregelen genomen om leerkrachten om te scholen en het beroep aantrekkelijker te maken. De programma’s voor de initiële en voortgezette opleiding van leerkrachten moeten echter nog verder worden versterkt en er moeten nog inspanningen worden geleverd om de arbeidsomstandigheden van het onderwijzend personeel te verbeteren.

(21)

Bulgarije heeft nog steeds te kampen met een hoge inkomensongelijkheid en een hoog risico op armoede of sociale uitsluiting. Het percentage van de bevolking dat in armoede leeft of met sociale uitsluiting te kampen heeft, is weliswaar gedaald, maar bedroeg in 2018 nog steeds 32,8 %, wat ruim boven het Uniegemiddelde ligt. Het socialezekerheidsstelsel bereikt niet alle mensen op de arbeidsmarkt en het stelsel voor sociale bescherming is onvoldoende voor de aanpak van belangrijke sociale kwesties. Dit is in overeenstemming met het lage niveau van de sociale uitgaven, de ongelijke beschikbaarheid van sociale dienstverlening in het land en de beperkte herverdelingseffecten van het belastingstelsel. In 2018 was het inkomen van de rijkste 20 % van de bevolking 7,7 maal zo hoog als dat van de armste 20 %, waarmee de inkomensongelijkheid tot de hoogste in de Unie behoort. Ondanks dat een aantal maatregelen is getroffen, blijft de toereikendheid en de dekking van het minimuminkomen beperkt en ontbreekt het nog steeds aan een objectief mechanisme om het minimuminkomen regelmatig bij te werken. De sociale dienstverlening wordt gehinderd door lage kwaliteit en het ontbreken van een geïntegreerde aanpak van actieve inclusie. Er zijn nog steeds verschillen wat betreft de toegang tot sociale diensten, gezondheidszorg en langdurige zorg. Dit doet afbreuk aan de mogelijkheden om brede steun te verlenen aan de meest kwetsbare groepen, zoals de Roma, kinderen, ouderen, personen met een handicap en mensen in plattelandsgebieden. Een deel van de bevolking krijgt daardoor slechts met moeite toegang tot betaalbare huisvesting. Dat wil zeggen dat er meer inspanningen nodig zijn om actieve inclusie te bevorderen, de sociaal-economische integratie van kwetsbare groepen (waaronder de Roma) te stimuleren, de toegang tot hoogwaardige diensten te verbeteren en materiële deprivatie aan te pakken.

(22)

De gezondheidszorg wordt nog steeds gekenmerkt door lage overheidsuitgaven. Mensen in Bulgarije hebben beperkte toegang tot gezondheidszorg als gevolg van de ongelijke verdeling van de beperkte middelen en de lage dekking van de ziektekostenverzekering. Aanzienlijke eigen bijdragen zijn vereist ter compensatie van het lage niveau van de overheidsuitgaven. De geringe beschikbaarheid van huisartsen vormt een belemmering voor de verstrekking van eerstelijnszorg. Er is een aanzienlijk tekort aan verpleegkundigen; het aantal werknemers in deze sector per hoofd van de bevolking behoort tot de laagste in de Unie. Een snellere en doeltreffendere uitvoering van de nationale gezondheidsstrategie zou helpen bij de aanpak van deze zwakke punten.

(23)

In het kader van het mechanisme voor samenwerking en toetsing blijft de Commissie toezicht houden op de hervorming van justitie en de strijd tegen corruptie en georganiseerde misdaad in Bulgarije. Deze domeinen zijn dan ook niet opgenomen in de landspecifieke aanbevelingen voor Bulgarije, maar zijn relevant voor de ontwikkeling van een positief ondernemingsklimaat in het land. In het verslag van november 2018 over het mechanisme voor samenwerking en toetsing werd opgemerkt dat Bulgarije zijn inspanningen om het rechtsstelsel te hervormen en tekortkomingen in de strijd tegen corruptie en georganiseerde misdaad aan te pakken, had voortgezet, maar dat op een aantal gebieden verdere inspanningen nodig waren. De Commissie verwacht dat zij begin najaar 2019 opnieuw de voortgang zal evalueren.

(24)

De programmering van de Uniemiddelen voor de periode 2021-2027 zou kunnen bijdragen tot het aanpakken van een aantal van de in de aanbevelingen geconstateerde leemten, met name op de gebieden die worden behandeld in bijlage D bij het landverslag 2019. Bulgarije zou daardoor in staat worden gesteld optimaal gebruik te maken van deze middelen met betrekking tot de geïdentificeerde sectoren, rekening houdend met regionale verschillen. Een versterking van de administratieve capaciteit van het land om deze middelen te beheren, is een belangrijke factor voor het welslagen van deze investering.

(25)

In de context van het Europees Semester 2019 heeft de Commissie een brede analyse van het economische beleid van Bulgarije verricht. Deze analyse is gepubliceerd in het landverslag 2019. Voorts heeft de Commissie zowel het convergentieprogramma 2019 als het nationale hervormingsprogramma 2019 doorgelicht en onderzocht welk gevolg is gegeven aan de aanbevelingen die in eerdere jaren tot Bulgarije zijn gericht. Daarbij heeft de Commissie niet alleen gekeken naar de relevantie ervan voor een houdbaar begrotings- en sociaal-economisch beleid in Bulgarije, maar is zij ook nagegaan of de Unieregels en -richtsnoeren in acht zijn genomen, gezien de noodzaak de algehele economische governance van de Unie te versterken door middel van een inbreng op Unieniveau in toekomstige nationale besluiten.

(26)

In het licht van deze beoordeling heeft de Raad het convergentieprogramma 2019 onderzocht en is hij van mening (7) dat Bulgarije naar verwachting aan het stabiliteits- en groeipact zal voldoen.

(27)

In het licht van de diepgaande evaluatie door de Commissie en van deze beoordeling heeft de Raad het nationale hervormingsprogramma 2019 en het convergentieprogramma 2019 onderzocht. Zijn aanbevelingen op grond van artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 zijn in de onderstaande aanbeveling 2 weergegeven,

BEVEELT AAN dat Bulgarije in 2019 en 2020 de volgende actie onderneemt:

1.   

De inning van de belastingen verbeteren met gerichte maatregelen op gebieden zoals de belasting op brandstoffen en arbeid. De corporate governance van staatsbedrijven verbeteren door de nieuwe wetgeving vast te stellen en ten uitvoer te leggen.

2.   

De stabiliteit van de banksector waarborgen door het toezicht te versterken, een adequate waardering van activa, met inbegrip van zekerheden van banken, te bevorderen en een goed functionerende secundaire markt voor niet-renderende leningen te stimuleren. Zorgen voor effectief toezicht op en handhaving van het AML-kader. De niet-bancaire financiële sector versterken door doeltreffend toezicht op risico’s, handhaving van de onlangs vastgestelde waarderingsregels en toezicht op groepsniveau. De op stapel staande routekaart voor het aanpakken van de in het insolventiekader vastgestelde lacunes uitvoeren. De stabiliteit van de autoverzekeringssector bevorderen door marktproblemen aan te pakken en de resterende structurele tekortkomingen te verhelpen.

3.   

Bij het investeringsgerelateerde economische beleid de nadruk leggen op onderzoek en innovatie, vervoer (met name wat betreft de duurzaamheid ervan), water-, afval- en energie-infrastructuur en energie-efficiëntie (rekening houdend met regionale verschillen), en verbetering van het ondernemingsklimaat.

4.   

De inzetbaarheid op de arbeidsmarkt vergroten door vaardigheden (met inbegrip van digitale vaardigheden) te versterken. De kwaliteit, de relevantie voor de arbeidsmarkt en de inclusiviteit van onderwijs en opleiding verbeteren, met name voor Roma en andere kansarme groepen. Sociale inclusie bevorderen door verbetering van de toegang tot geïntegreerde dienstverlening op werkgelegenheids- en sociaal gebied en effectievere minimuminkomenssteun. De toegang tot gezondheidsdiensten verbeteren, onder meer door de eigen bijdragen te verminderen en de tekorten aan gezondheidswerkers weg te werken.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LINTILÄ


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(2)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25.

(3)  PB C 320 van 10.9.2018, blz. 7.

(4)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(5)  Conjunctuurgezuiverd begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, herberekend door de Commissie volgens de gezamenlijk overeengekomen methode.

(6)  Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).

(7)  Op grond van artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97.


5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 301/15


AANBEVELING VAN DE RAAD

van 9 juli 2019

over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Tsjechië en met een advies van de Raad over het convergentieprogramma 2019 van Tsjechië

(2019/C 301/03)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 121, lid 2, en 148, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (1), en met name artikel 9, lid 2,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 21 november 2018 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse groeianalyse en daarmee de aanzet gegeven tot het Europees Semester 2019 voor coördinatie van het economisch beleid. Daarin wordt terdege rekening gehouden met de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie werd geproclameerd. De prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse zijn op 21 maart 2019 door de Europese Raad bekrachtigd. Op 21 november 2018 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad (2) ook het waarschuwingsmechanismeverslag aangenomen, waarin zij Tsjechië niet heeft genoemd als een van de lidstaten die aan een diepgaande evaluatie zullen worden onderworpen.

(2)

Op 27 februari 2019 is het landverslag 2019 voor Tsjechië gepubliceerd. Daarin werd de vooruitgang beoordeeld die Tsjechië bij het opvolgen van de op 13 juli 2018 door de Raad aangenomen landspecifieke aanbevelingen (3) heeft gemaakt, alsmede het gevolg dat is gegeven aan de aanbevelingen die in de jaren voordien werden goedgekeurd, en de vooruitgang die Tsjechië in de richting van zijn nationale Europa 2020-doelstellingen heeft geboekt.

(3)

Op 30 april 2019 heeft Tsjechië zijn nationale hervormingsprogramma 2019 en zijn convergentieprogramma 2019 ingediend. Om met de onderlinge verbanden tussen beide programma’s rekening te houden, zijn deze tegelijkertijd geëvalueerd.

(4)

De betrokken landspecifieke aanbevelingen zijn meegenomen in de programmering voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) voor de periode 2014-2020. Op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4) kan de Commissie een lidstaat verzoeken zijn partnerschapsovereenkomst en de desbetreffende programma’s opnieuw te bezien en wijzigingen daarop voorstellen indien dit nodig is om de uitvoering van de betrokken aanbevelingen van de Raad te ondersteunen. De Commissie heeft in richtsnoeren met betrekking tot de toepassing van de maatregelen die de effectiviteit van de ESI-fondsen koppelen aan gezonde economische governance, nader aangegeven hoe zij van die bepaling zou gebruikmaken.

(5)

Tsjechië valt momenteel onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact. In het kader van haar convergentieprogramma 2019 verwacht de regering dat het begrotings-overschot van 0,3 % van het bruto binnenlands product (bbp) in 2019, zal overgaan in een tekort van 0,2 % in 2020 en dat dit tekort geleidelijk zal oplopen tot 0,5 % tegen 2022. Op basis van het herberekend structureel saldo (5) zal de begrotingsdoelstelling op middellange termijn — die is gewijzigd van een structureel tekort van 1 % van het bbp in 2019 naar 0,75 % van het bbp vanaf 2020 — gedurende de hele programmaperiode worden overtroffen. Volgens het convergentieprogramma 2019 zal de overheidsschuldquote naar verwachting geleidelijk dalen tot 29,7 % in 2022. Het macro-economische scenario dat aan die begrotingsprognoses ten grondslag ligt, is plausibel. De risico’s voor het behalen van de begrotingsdoelstellingen zijn over het geheel genomen in evenwicht, met naar verwachting een verdere stijging van de ambtenarensalarissen en sociale overdrachten, tegenover een geringe daling van de totale opbrengsten (als percentage van het bbp). Op basis van de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie zal het structurele saldo verder afnemen van ongeveer – 0,1 % van het bbp in 2019 tot – 0,4 % van het bbp in 2020, en daarmee boven de begrotingsdoelstelling op middellange termijn blijven. Over het algemeen meent de Raad dat Tsjechië naar verwachting in 2019 en 2020 aan de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact zal voldoen.

(6)

Tsjechië heeft te maken met middelgrote risico’s inzake de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn, hoofdzakelijk als gevolg van de kosten van de vergrijzing. De pensioenuitgaven hebben de grootste negatieve invloed op de houdbaarheid op lange termijn, aangezien deze naar verwachting tegen 2070 met 2 procentpunten zullen groeien. De risico’s op lange termijn vloeien voort uit een ongunstige demografische situatie in combinatie met de begrenzing van de wettelijke pensioenleeftijd tot 65 jaar. De afhankelijkheidsratio van ouderen, waarbij ouderen met de actieve bevolking worden vergeleken, verdubbelt als gevolg daarvan bijna, tot ongeveer 50 % in 2070. Recente maatregelen verbeteren de toereikendheid van de pensioenen. Naast een gunstiger indexering van de pensioenuitkeringen, heeft de regering het basisbedrag van de pensioenen verhoogd en de pensioenen voor oudere gepensioneerden aangevuld. Deze stappen gaan echter niet gepaard met beleid dat de houdbaarheid zou verbeteren. Zo worden de stijgingen van de levensverwachting en de wettelijke pensioenleeftijd bijvoorbeeld niet automatisch op elkaar afgestemd. Op dit moment moet elke wijziging van de pensioenleeftijd (wettelijk voorgeschreven en vervroegd pensioen) door de regering worden voorgesteld en door het parlement worden goedgekeurd. Dergelijke maatregelen kunnen ook worden gecombineerd met arbeidsmarktbeleid dat langere loopbanen en de deelname van ondervertegenwoordigde groepen ondersteunt. De verwachte stijging van de leeftijdsgerelateerde overheidsuitgaven voor gezondheidszorg bedraagt 1,1 procentpunt van het bbp tegen 2070, wat ook de houdbaarheid van de begroting op lange termijn vermindert. In dit verband zouden een verdere consolidatie van de ziekenhuissector en investeringen in primaire en geïntegreerde gezondheidszorg en sociale zorg de kosteneffectiviteit van de gezondheidszorg kunnen verbeteren.

(7)

De Tsjechische Nationale Bank kan macroprudentiële hypotheekplafonds aanbevelen, maar op grond van de vigerende wetgeving zijn haar sanctiebevoegdheden beperkt, aangezien zij geen formele bevoegdheid heeft om de naleving af te dwingen. Hoewel de Tsjechische banken in het algemeen voldoen aan de aanbevelingen, zouden bindende wettelijke grenswaarden de mate van naleving door de Tsjechische banken en andere aanbieders van hypothecaire leningen kunnen verbeteren, zodat er meer financiële stabiliteit komt en de leningnemers minder risico lopen. Een wetgevingsvoorstel tot wijziging van de wet inzake de Tsjechische Nationale Bank is nog onderwerp van discussie.

(8)

Corruptie blijft, ondanks lichte verbeteringen, een probleem voor ondernemingen en kan de economische activiteit belemmeren. Positief is dat de in 2017 geïntroduceerde hervormingen, onder meer op het gebied van overheidsopdrachten, thans worden doorgevoerd en dat sommige, nog op goedkeuring wachtende maatregelen uiteindelijk door de regering zijn goedgekeurd en voor verdere bespreking aan het Parlement zijn toegezonden. Het gaat onder meer om voorstellen om de rol van de nationale rekenkamer uit te breiden tot de regio’s en gemeenten, en om voorstellen inzake de benoemingen bij overheidsbedrijven, een gebied waar zich belangenconflicten kunnen voordoen en waar regulering van essentieel belang is. De voorstellen inzake de bescherming van klokkenluiders en inzake lobbying zijn echter nog niet goedgekeurd.

(9)

De arbeidsmarktprestaties van Tsjechië zijn sterk. De arbeidsparticipatie is de afgelopen zeven jaar gestaag toegenomen en de werkloosheid is aanzienlijk gedaald. Het arbeidsmarktpotentieel van vrouwen met jonge kinderen, laaggeschoolden en mensen met een handicap blijft echter onderbenut. Gelet op het tekort aan arbeidskrachten is er duidelijk ruimte om hun arbeidsmarktparticipatie te vergroten. De arbeidsparticipatiekloof en de loonkloof tussen mannen en vrouwen blijven groot, ondanks recente maatregelen die het ouderschapsverlof flexibeler hebben gemaakt en het aantal kinderopvangfaciliteiten hebben vergroot. De arbeidsparticipatie van vrouwen blijft veel geringer dan die van mannen. De geringe beschikbaarheid van betaalbare kinderopvang, langdurig ouderschapsverlof, een laag gebruik van flexibele werkregelingen en het gebrek aan voorzieningen voor langdurige zorg hebben nog steeds een grote invloed op de arbeidsmarktparticipatie. In 2017 genoot slechts 6,5 % van de kinderen jonger dan drie jaar formele kinderopvang (het Uniegemiddelde bedroeg 34,2 %). Hoewel laaggeschoolden een klein deel van de bevolking vormen, ligt hun arbeidsparticipatie ver onder die van de middelhoog- en hooggekwalificeerden. Ook de arbeidsparticipatie van gehandicapten blijft gering. Door de beperkte capaciteit schieten openbare diensten voor arbeidsvoorziening momenteel tekort bij het bieden van aanhoudende steun op maat aan werkzoekenden. Door de dienstverlenings- en activeringscapaciteit van de openbare diensten voor arbeidsvoorziening te vergroten en tegelijkertijd een doelgericht en passend actief arbeidsmarktbeleid te voeren, kan een impuls worden gegeven aan de participatie van achtergestelde groepen.

(10)

Beperkingen op het gebied van arbeid en demografie in een sterk op productie gebaseerde economie rechtvaardigen meer investeringen in onderwijs en opleiding, ook voor de werkende volwassenen, zodat het land opgewassen is tegen de uitdagingen waarmee het te maken krijgt als gevolg van structurele wijzigingen in de economie, zoals toekomstige technologische veranderingen. Er kunnen zich discrepanties tussen de gevraagde en de aangeboden vaardigheden voordoen, onder meer als gevolg van automatisering en robotisering in de toekomst, met name in de digitale sector. Voor de nieuwe banen zullen nieuwe vaardigheden en aanzienlijke investeringen nodig zijn, met name waar het gaat om hogere technische en digitale beroepsvaardigheden, waaraan naar verwachting behoefte zal zijn wanneer de bestaande mechanische banen zijn geautomatiseerd. Hoewel de afgelopen jaren diverse initiatieven zijn ontplooid om een brede strategie voor vaardigheden in te voeren, zijn deze nog niet uitgegroeid tot een echt alomvattend systeem.

(11)

De onderwijsresultaten blijven sterk beïnvloed door de sociaal-economische achtergrond van de studenten. In 2016 werd met steun van het Europees Sociaal Fonds een hervorming gelanceerd om het onderwijs inclusiever te maken. Het succes daarvan zal afhangen van de beschikbaarheid van voldoende en gedurige nationale financiering, van verdere opleiding van docenten en assistenten en van een toename van het inzicht in de voordelen van inclusief onderwijs bij het brede publiek. Hoewel de gevolgen van de hervorming van het inclusieve onderwijs voor de participatie van Roma-kinderen in het reguliere onderwijs in het algemeen positief zijn, blijven deze beperkt. Geringe investeringen, de beperkte aantrekkelijkheid van het beroep van leerkracht en sociaal-economische ongelijkheden fungeren als een rem op de verhoging van het onderwijsniveau. Er is een tekort aan leerkrachten als gevolg van het geringe prestige van het beroep, lage lonen — ondanks recente verhogingen — in vergelijking met andere beroepen, en beperkte carrièremogelijkheden. Het beroep van leerkracht blijft relatief onaantrekkelijk voor getalenteerde jongeren. Tegen deze achtergrond doen de tekorten aan gekwalificeerde leerkrachten in combinatie met de verwachte ongunstige demografische ontwikkelingen vermoeden dat het in de toekomst moeilijker zou kunnen worden om leerkrachten aan te werven en vast te houden.

(12)

Tsjechië is weliswaar een doorvoerland, maar het trans-Europese vervoersnetwerk, met inbegrip van de TEN-V-corridors, is er bij lange na nog niet voltooid. Ook de voorstedelijke vervoersinfrastructuur blijft onvoldoende, waardoor er onvoldoende betaalbare huisvesting beschikbaar is en het woon-werkverkeer wordt beperkt. Ook ontmoedigen zwakke verkeersverbindingen bedrijfsactiviteiten, met name in afgelegen gebieden. Hoewel in grootstedelijke gebieden een proces van suburbanisatie gaande is, blijven de voorstedelijke vervoersnetwerken achter, met name wat de spoorweginfrastructuur betreft. Het land scoort slecht op het gebied van CO2-uitstoot, met name wat betreft het percentage hernieuwbare energie in de vervoerssector en de omschakeling naar elektrische voertuigen. Voorts is de geplande uitbreiding van de oplaadinfrastructuur voor elektrische wagens wellicht onvoldoende om aan de toekomstige vraag te voldoen. Meer investeringen in duurzaam vervoer zouden ook de luchtvervuiling en geluidshinder en daarmee de gevolgen daarvan voor de volksgezondheid kunnen verminderen, met name in stedelijke gebieden. De digitale infrastructuur verbetert, maar de kloof tussen stedelijke en landelijke gebieden blijft bestaan, aangezien slechts 59 % van de huishoudens op het platteland beschikt over snelle breedbandnetwerken. Het upgraden van oudere, op koperen infrastructuur gebaseerde netwerken in combinatie met oplossingen voor vaste draadloze toegang zal niet volstaan om de 2025-doelstellingen inzake connectiviteit te halen. Om in te spelen op toekomstige behoeften op het gebied van connectiviteit moet er worden geïnvesteerd in netwerken met een zeer hoge capaciteit (bijvoorbeeld glasvezel) en in passende, op de vraagzijde gerichte maatregelen.

(13)

De energie-intensiteit van de Tsjechische economie blijft een van de hoogste in de Unie omdat de energie-efficiëntie maar langzaam verbetert, met name in de bouwsector. De energie-intensiteit is het hoogst in de industrie- en de woonsector. Verbetering van de energie-efficiënte biedt de kans het concurrentievermogen van Tsjechië te verbeteren, doordat de energiekosten van huishoudens en bedrijven worden verminderd, schonere industrieën worden ontwikkeld en een hogere positie in de waardeketen wordt verkregen. Steenkool domineert de energiesector en is de voornaamste bron van koolstofemissies, waardoor deze een wezenlijke bedreiging voor de lokale luchtkwaliteit vormt. De emissies van broeikasgassen door het wegvervoer zijn de afgelopen 5 jaar aanzienlijk toegenomen. Op het gebied van klimaataanpassing en risicopreventie ontbreken er adequate maatregelen inzake passende preventie, paraatheid en rampenbestendigheid.

(14)

Wellicht dat de administratieve en regelgevingslast investeringen belemmert. Veel Tsjechische bedrijven zien deze last als een belangrijke belemmering voor investeringen. Snel veranderende wetgeving en ingewikkelde administratieve procedures blijven het doen van zaken aanzienlijk belemmeren. De kosten van het doen nakomen van overeenkomsten, veelvuldige wijzigingen in de fiscale en arbeidsregelgeving en moeilijkheden bij het verkrijgen van bouwvergunningen kunnen in het land investeringen ontmoedigen. De zwaarte van de administratieve lasten verschilt ook aanzienlijk per regio. Onlangs zijn voorstellen gedaan om planningsprocedures minder ingewikkeld te maken, vooral waar het gaat om grote infrastructuurprojecten. Voorts is de regering bezig met de voorbereiding van het ontwerp van een nieuwe bouwwet, die tegen 2021 van kracht moet worden. De sociale partners zijn daarbij betrokken. De verantwoordelijkheid voor het markttoezicht op producten is verdeeld over verschillende organisaties. Daardoor is sprake van overlappingen en worden een efficiënte coördinatie en effectieve samenwerking bemoeilijkt.

(15)

De praktijk inzake overheidsopdrachten verbetert weliswaar qua transparantie en opleidingsaanbod, maar blijft achter wat betreft concurrentievermogen (als gevolg van het hoge percentage procedures waarin slechts één bod wordt ontvangen), het gebruik van kwaliteitscriteria en het vertrouwen in de overheidsinstellingen. Het overgrote deel van de beslissingen inzake overheidsopdrachten blijft gebaseerd op de laagste prijs, doordat de vaststelling van een strategische aanpak nog op zich laat wachten. Er ligt meer nadruk op centrale aanbesteding en op het gebruik van gedeelde deskundigheid, maar de invoering daarvan is tamelijk traag, ondanks het bewezen potentieel ervan.

(16)

Tsjechië heeft nog geen volledig functionerend innovatie-ecosysteem tot stand gebracht dat is gebaseerd op binnenlandse O & O. Het land blijft een bescheiden innovator op Unieniveau, ondanks de toename van de onderzoeks- en ontwikkelingsintensiteit. Dit prestatieniveau kan te maken hebben met het ontbreken van een volledig samenhangende strategie voor overheidsinvesteringen die de bescheiden onderzoeksprestaties en de samenwerking tussen de particuliere sector en de academische wereld verbetert. Het zijn vooral grote buitenlandse ondernemingen die voor productiviteitswinst zorgen; binnenlandse ondernemingen blijven wat het genereren van toegevoegde waarde betreft achter. Bovendien is de totale factorproductiviteit — een indicator voor de efficiëntie waarmee kapitaal en arbeid bij de productie worden ingezet — met een betrekkelijk traag tempo toegenomen. Een grotere nadruk op binnenlandse innovatie zou de productiviteit kunnen stimuleren langs het hele spectrum van bedrijven, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen.

(17)

De programmering van de Uniemiddelen voor de periode 2021-2027 zou kunnen bijdragen tot het aanpakken van een aantal van de in de aanbevelingen geconstateerde leemten, met name op de gebieden die worden behandeld in bijlage D bij het landverslag 2019. Hierdoor zou Tsjechië in staat zijn deze middelen zo goed mogelijk te gebruiken met betrekking tot de geïdentificeerde sectoren, rekening houdend met de gewestelijke verschillen. De versterking van de administratieve capaciteit van het land voor het beheer van deze middelen is een belangrijke factor voor het welslagen van deze investering.

(18)

In de context van het Europees Semester 2019 heeft de Commissie een brede analyse van het economische beleid van Tsjechië verricht; deze analyse is gepubliceerd in het landverslag 2019. Voorts heeft de Commissie zowel het convergentieprogramma 2019 als het nationale hervormingsprogramma 2019 doorgelicht en onderzocht welk gevolg is gegeven aan de aanbevelingen die in eerdere jaren tot Tsjechië zijn gericht. Daarbij heeft de Commissie niet alleen gekeken naar de relevantie ervan voor een houdbaar begrotings- en sociaal-economisch beleid in Tsjechië, maar is zij ook nagegaan of de Unieregels en -richtsnoeren in acht zijn genomen, gezien de noodzaak de algehele economische governance van de Unie te versterken door middel van een inbreng op Unieniveau in toekomstige nationale besluiten.

(19)

In het licht van deze beoordeling heeft de Raad het convergentieprogramma 2019 onderzocht en is hij van mening (6) dat Tsjechië naar verwachting aan het stabiliteits- en groeipact zal voldoen,

BEVEELT AAN dat Tsjechië in 2019 en 2020 de volgende actie onderneemt:

1.   

De budgettaire houdbaarheid van de pensioen- en gezondheidszorgstelsels op lange termijn verbeteren. De in behandeling zijnde corruptiebestrijdingsmaatregelen goedkeuren.

2.   

De arbeidsparticipatie van vrouwen met jonge kinderen bevorderen, onder meer door het verbeteren van de toegang tot betaalbare kinderopvang, en de arbeidsparticipatie van kansarme groepen bevorderen. De kwaliteit en inclusiviteit van de onderwijs- en opleidingsstelsels vergroten, onder meer door het bevorderen van technische en digitale vaardigheden en het aantrekkelijker maken van het beroep van leerkracht.

3.   

Het investeringsgerelateerd economisch beleid concentreren op vervoer, en dan met name op de duurzaamheid daarvan, de digitale infrastructuur, de overgang naar een koolstofarme economie en de energietransitie, met inbegrip van energie-efficiëntie, met inachtneming van regionale verschillen. De administratieve last bij het doen van investeringen verminderen en bij overheidsopdrachten een meer op kwaliteit gebaseerde mededinging ondersteunen. De belemmeringen wegnemen voor de ontwikkeling van een volledig functionerend innovatie-ecosysteem.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LINTILÄ


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25).

(3)  PB C 320 van 10.9.2018, blz. 12.

(4)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(5)  Conjunctuurgezuiverd begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, herberekend door de Commissie volgens de gezamenlijk overeengekomen methode.

(6)  Op grond van artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97.


5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 301/20


AANBEVELING VAN DE RAAD

van 9 juli 2019

over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Denemarken en met een advies van de Raad over het convergentieprogramma 2019 van Denemarken

(2019/C 301/04)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (1), en met name artikel 9, lid 2,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 21 november 2018 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse groeianalyse en daarmee de aanzet gegeven tot het Europees Semester 2019 voor coördinatie van het economisch beleid. Daarin wordt terdege rekening gehouden met de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie werd geproclameerd. De prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse zijn op 21 maart 2019 door de Europese Raad bekrachtigd. Op 21 november 2018 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad (2) ook het waarschuwingsmechanismeverslag aangenomen, waarin zij Denemarken niet heeft genoemd als een van de lidstaten die aan een diepgaande evaluatie zullen worden onderworpen.

(2)

Op 27 februari 2019 is het landverslag 2019 voor Denemarken gepubliceerd. Daarin werd de vooruitgang beoordeeld die Denemarken bij het opvolgen van de op 13 juli 2018 door de Raad aangenomen landspecifieke aanbevelingen (3) heeft gemaakt, alsmede het gevolg dat is gegeven aan de landspecifieke aanbevelingen die in de jaren voordien werden aangenomen, en de vooruitgang die Denemarken bij het nastreven van zijn nationale Europa 2020-doelstellingen heeft geboekt.

(3)

Denemarken heeft op 15 maart 2019 zijn nationale hervormingsprogramma 2019 en op 10 april 2019 zijn convergentieprogramma 2019 ingediend. Om met de onderlinge verbanden tussen beide programma’s rekening te houden, zijn deze tegelijkertijd geëvalueerd.

(4)

De betrokken landspecifieke aanbevelingen zijn meegenomen in de programmering voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) voor de periode 2014-2020. Op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4) kan de Commissie een lidstaat verzoeken zijn partnerschapsovereenkomst en de desbetreffende programma’s opnieuw te bezien en wijzigingen daarop voorstellen indien dit nodig is om de uitvoering van de betrokken aanbevelingen van de Raad te ondersteunen. De Commissie heeft in richtsnoeren met betrekking tot de toepassing van de maatregelen die de effectiviteit van de ESI-fondsen koppelen aan gezonde economische governance, nader aangegeven hoe zij van die bepaling gebruik zal maken.

(5)

Denemarken valt momenteel onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact. In haar convergentieprogramma 2019 gaat de regering uit van een nominaal tekort van 0,1 % van het bruto binnenlands product (bbp) in 2019 en 2020. Op basis van het herberekende structurele saldo (5) zal de begrotingsdoelstelling op middellange termijn — een structureel tekort van 0,5 % van het bbp — gedurende de hele programmaperiode tot 2025 worden overtroffen. Volgens het convergentieprogramma 2019 zal de overheidsschuldquote naar verwachting dalen tot 33,4 % in 2019 en stabiel blijven in 2020, alvorens tegen 2025 te stijgen tot 37,8 % van het bbp. Het macro-economische scenario dat aan die begrotingsprognoses ten grondslag ligt, is plausibel voor de hele programmaperiode. Volgens de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie zal het structurele saldo naar verwachting een overschot vertonen van 0,9 % van het bbp in 2019 en 1,0 % van het bbp in 2020, wat boven de begrotingsdoelstelling op middellange termijn ligt. Risico’s houden verband met gederfde belastingopbrengsten van volatiele componenten, in het bijzonder de pensioenrendementsheffing. In het algemeen is de Raad van oordeel dat Denemarken in 2019 en 2020 naar verwachting aan de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact zal voldoen.

(6)

Het onderzoeks- en innovatiesysteem van Denemarken wordt gekenmerkt door een hoog investeringsniveau, een sterke basis aan menselijk kapitaal en wetenschappelijke uitmuntendheid. Het Deense onderzoeks- en innovatielandschap beperkt zich echter tot een relatief klein aantal actoren, waaronder vooral grote ondernemingen en stichtingen die actief zijn in de farmaceutische sector en de biotechnologiesector, wat het onderzoeks- en innovatiesysteem potentieel kwetsbaar maakt voor externe schokken. Er lijkt dan ook ruimte voor verbetering te zijn op het gebied van investeringen in de opschaling van zeer innovatieve ondernemingen.

(7)

In tijden van demografische en technologische veranderingen is het cruciaal dat het arbeidsaanbod wordt gewaarborgd en dat tekorten aan arbeidskrachten, met name geschoolde werknemers en ICT-specialisten, worden aangepakt om duurzame en inclusieve groei in Denemarken te bevorderen. Hervormingen en investeringen die de aantrekkelijkheid en bijgevolg ook de participatiegraad in beroepsonderwijs en -opleiding verhogen, zullen waarschijnlijk een positief effect hebben op het aantal geschoolde werknemers. Ook volgehouden investeringen in volwassenenonderwijs, een leven lang leren en digitale vaardigheden zouden kunnen helpen om deze uitdaging aan te pakken. Bovendien zou het gunstig zijn de nadruk te leggen op een betere integratie van gemarginaliseerde en kansarme groepen op de arbeidsmarkt. Dit geldt met name voor jongeren met een laag onderwijsniveau, mensen met een migratieachtergrond, mensen met verminderde arbeidscapaciteit en mensen met een handicap. Bovendien blijven de onderwijsprestaties van kinderen met een migratieachtergrond een uitdaging.

(8)

Ondanks de hoge kwaliteit van de wegen neemt de verkeerscongestie toe, met name rond de grote steden. Bovendien moet de vervoerssector koolstofvrij worden gemaakt. Dit brengt kansen met zich mee om te investeren in duurzame vervoersinfrastructuur om de vervoerssector koolstofvrij te maken en de verkeerscongestie aan te pakken, onder meer door de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen. De demissionaire regering heeft een plan opgesteld om de verkeerscongestie rond grote steden te verminderen. Dat plan, waarvoor tussen 2020 en 2030 112 miljard DKK wordt uitgetrokken (bijna 6 % van het bbp), moet nog worden aangenomen.

(9)

Hoewel het productiviteitsniveau in de Deense economie tot de hoogste in de Unie behoort, neemt de productiviteitsgroei al tientallen jaren af. Exportbedrijven vertonen een hogere productiviteitsgroei dan bedrijven die zijn afgeschermd tegen concurrentie van buitenlandse ondernemingen. Hoewel Denemarken maatregelen heeft genomen ter ondersteuning van de productiviteitsgroei van ondernemingen in op de binnenlandse markt gerichte dienstensectoren, lopen de productiviteitsgroei en de concurrentie in deze sectoren nog steeds achter. Denemarken heeft maatregelen genomen om de concurrentie in de financiële sector te versterken en heeft de strategie voor nutsbedrijven verder uitgevoerd.

(10)

Na een aantal jaren van sterke groei lijken de huizenprijzen overgewaardeerd, met name in de belangrijkste stedelijke gebieden. De stijging van de huizenprijzen is in 2018 echter afgezwakt. Voorts is de verhouding tussen de schuldenlast van huishoudens en het beschikbare inkomen, ondanks de voortdurende daling, nog steeds de hoogste in de Unie. Het aandeel hypothecaire leningen met variabele rentevoeten en uitgestelde afbetaling neemt weliswaar geleidelijk af, maar is nog steeds hoog. Nieuwe macroprudentiële maatregelen lijken een rem te hebben gezet op nieuwe hypothecaire leningen met een zeer hoge verhouding tussen schuld en inkomen en een zeer hoge leenquotiteit. De Deense autoriteiten hebben de laatste jaren ook de contracyclische kapitaalbuffer geactiveerd en maatregelen genomen om de veerkracht van banken te vergroten. Daarnaast hebben zij een hervorming van de onroerendgoedbelasting doorgevoerd (die in 2021 in werking treedt) om een einde te maken aan het procyclische stelsel van onroerendgoedbelasting. De hoge verhoudingen tussen lening en inkomen in combinatie met hoge schulden met sterke rentegevoeligheid en overgewaardeerde huizenprijzen vormen een risico voor de economische en financiële stabiliteit. Bijgevolg is permanent toezicht gerechtvaardigd.

(11)

Het voorkomen van witwaspraktijken en terrorismefinanciering is voor Denemarken een prioriteit geworden tegen de achtergrond van een groot witwasschandaal waarbij de grootste financiële instelling in Denemarken betrokken was. Het Deense parlement heeft politieke overeenkomsten gesloten over de versterking van het toezicht en over een nieuw antiwitwaspakket met een strategie om witwaspraktijken en terrorismefinanciering te bestrijden. De strategie is gebaseerd op acht pijlers, waaronder de versterking van de samenwerking tussen toezichthouders, de financiële inlichtingeneenheid en andere betrokken belanghebbenden. De uitdagingen zijn echter nog niet van de baan en de financiële toezichthouder moet nog steeds aanvullende maatregelen en richtsnoeren vaststellen voor het versterken van het toezicht op deze gebieden. Na de vaststelling van deze maatregelen zou er aandacht moeten worden besteed aan de daadwerkelijke tenuitvoerlegging ervan.

(12)

De programmering van de Uniemiddelen voor de periode 2021-2027 zou kunnen bijdragen tot het aanpakken van een aantal van de in de aanbevelingen geconstateerde leemten, met name op de gebieden die worden behandeld in bijlage D bij het landverslag 2019. Hierdoor zou Denemarken deze middelen optimaal kunnen gebruiken voor de geïdentificeerde sectoren, rekening houdend met regionale verschillen.

(13)

In de context van het Europees Semester 2019 heeft de Commissie een brede analyse van het economische beleid van Denemarken verricht; deze analyse is gepubliceerd in het landverslag 2019. Voorts heeft de Commissie het convergentieprogramma 2019 en het nationale hervormingsprogramma 2019 doorgelicht en onderzocht welk gevolg is gegeven aan de aanbevelingen die in eerdere jaren tot Denemarken zijn gericht. Daarbij heeft de Commissie niet alleen gekeken naar de relevantie ervan voor een houdbaar begrotings- en sociaal-economisch beleid in Denemarken, maar is zij ook nagegaan of de Unieregels en -richtsnoeren in acht zijn genomen, gezien de noodzaak de algehele economische governance van de Unie te versterken door middel van een inbreng op Unieniveau in toekomstige nationale besluiten.

(14)

In het licht van deze beoordeling heeft de Raad het convergentieprogramma 2019 onderzocht en is hij van mening (6) dat Denemarken naar verwachting aan het stabiliteits- en groeipact zal voldoen,

BEVEELT AAN dat Denemarken in 2019 en 2020 de volgende actie onderneemt:

1.   

Het economisch investeringsbeleid toespitsen op opleiding en vaardigheden, op onderzoek en innovatie om de innovatiebasis te verbreden tot meer ondernemingen, en op duurzaam vervoer om de verkeerscongestie aan te pakken.

2.   

Zorgen voor doeltreffend toezicht en de handhaving van het kader voor de bestrijding van witwaspraktijken.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LINTILÄ


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25).

(3)  PB C 320 van 10.9.2018, blz. 16.

(4)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(5)  Conjunctuurgezuiverd begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, herberekend door de Commissie volgens de gezamenlijk overeengekomen methode.

(6)  Op grond van artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97.


5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 301/24


AANBEVELING VAN DE RAAD

van 9 juli 2019

over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Duitsland en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Duitsland

(2019/C 301/05)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (1), en met name artikel 5, lid 2,

Gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (2), en met name artikel 6, lid 1,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 21 november 2018 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse groeianalyse en daarmee de aanzet gegeven tot het Europees Semester 2019 voor coördinatie van het economisch beleid. Daarin wordt terdege rekening gehouden met de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie werd geproclameerd. De prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse zijn op 21 maart 2019 door de Europese Raad bekrachtigd. Op 21 november 2018 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 ook het waarschuwingsmechanismeverslag aangenomen, waarin zij Duitsland heeft genoemd als een van de lidstaten die aan een diepgaande evaluatie zouden worden onderworpen. Tevens heeft de Commissie op die datum een aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone aangenomen, die op 21 maart 2019 door de Europese Raad is bekrachtigd. Op 9 april 2019 heeft de Raad de aanbeveling over het economisch beleid van de eurozone (3) (“aanbeveling voor 2019 voor de eurozone”) aangenomen, die vijf aanbevelingen voor de eurozone (“de aanbevelingen voor de eurozone”) bevat.

(2)

Als lidstaat die de euro als munt heeft en in het licht van de grote onderlinge verwevenheid tussen de economieën van de economische en monetaire unie, zou Duitsland ervoor moeten zorgen dat volledig en tijdig uitvoering wordt gegeven aan de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone, die wordt weergegeven in de aanbevelingen 1 en 2 hieronder. Investeringsmaatregelen en de ondersteuning van loongroei zullen met name helpen gevolg te geven aan de eerste aanbeveling van de eurozone met betrekking tot herbalancering binnen de eurozone, en verschuiving van de belasting op arbeid zal helpen gevolg te geven aan de derde aanbeveling voor de eurozone wat betreft het functioneren van de arbeidsmarkt.

(3)

Op 27 februari 2019 is het landverslag 2019 voor Duitsland gepubliceerd. Daarin werd de vooruitgang beoordeeld die Duitsland bij het opvolgen van de op 13 juli 2018 door de Raad aangenomen landspecifieke aanbevelingen (4) heeft gemaakt, alsmede het gevolg dat is gegeven aan de landspecifieke aanbevelingen die in de jaren voordien werden goedgekeurd, en de vooruitgang die Duitsland in de richting van zijn nationale Europa 2020-doelstellingen heeft geboekt. Het landverslag bevatte ook een op grond van artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 uitgevoerde diepgaande evaluatie, waarvan de uitkomsten ook op 27 februari 2019 zijn bekendgemaakt. Op basis van haar analyse is de Commissie tot de conclusie gekomen dat Duitsland macro-economische onevenwichtigheden ondervindt. Meer bepaald blijft het langzaam dalende overschot op de lopende rekening hoog, met grensoverschrijdende relevantie. Het overschot is in 2018 iets kleiner geworden in de context van een aantrekkende binnenlandse vraag en zal de komende jaren naar verwachting geleidelijk blijven dalen, ook al blijft het boven de drempelwaarde in het kader van de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden. Het overschot is terug te voeren op getemperde binnenlandse investeringen in vergelijking met de besparingen in zowel de particuliere als de publieke sector. Er zijn maatregelen genomen om de particuliere en de publieke investeringen te stimuleren, die dan ook aanzienlijk zijn toegenomen. Dit heeft ertoe bijgedragen dat de groei meer door de binnenlandse vraag wordt aangedreven. Niettemin hadden de investeringen en de consumptie als percentage van het bruto binnenlands product (bbp) meer kunnen groeien gezien de gunstige financieringsvoorwaarden, de achterstand in de publieke investeringen, met name op gemeentelijk niveau, en de beschikbare begrotingsruimte. De loongroei is enigszins toegenomen door de krapper wordende arbeidsmarkt, hoewel de reële loongroei bescheiden blijft.

(4)

Duitsland heeft zijn nationaal hervormingsprogramma 2019 ingediend op 16 april 2019 en zijn stabiliteitsprogramma 2019 op 17 april 2019. Om met de onderlinge verbanden tussen beide programma’s rekening te houden, zijn deze tegelijkertijd geëvalueerd.

(5)

De betrokken landspecifieke aanbevelingen zijn meegenomen in de programmering voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) voor de periode 2014-2020. Op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) kan de Commissie een lidstaat verzoeken zijn partnerschapsovereenkomst en de desbetreffende programma’s opnieuw te bezien en wijzigingen daarop voorstellen indien dit nodig is om de uitvoering van de betrokken aanbevelingen van de Raad te ondersteunen. De Commissie heeft in richtsnoeren met betrekking tot de toepassing van de maatregelen die de effectiviteit van de ESI-fondsen koppelen aan gezonde economische governance nader aangegeven hoe zij van die bepaling gebruik zal maken.

(6)

Duitsland valt momenteel onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact. In haar stabiliteitsprogramma 2019 plant de regering voor de periode 2019-2023 een begrotingsoverschot tussen 0,5 en 0,75 % van het bbp. Op basis van het herberekende structurele saldo (6) zal de begrotingsdoelstelling op middellange termijn — een structureel tekort van 0,5 % van het bbp — gedurende de hele programmaperiode worden overtroffen. Volgens het stabiliteitsprogramma 2019 zal de overheidsschuldquote in 2019 naar verwachting dalen tot onder de in het Verdrag vastgestelde referentiewaarde van 60 % van het bbp en vervolgens geleidelijk afnemen tot 51,25 % in 2023. Het macro-economische scenario dat aan die begrotingsprognoses ten grondslag ligt, is gunstig. Volgens de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie zal het structurele saldo naar verwachting een overschot vertonen van 1,1 % van het bbp in 2019 en 0,8 % van het bbp in 2020, wat hoger is dan de begrotingsdoelstelling op middellange termijn. Volgens de prognoses zal de overheidsschuld sterk blijven dalen. Over het algemeen meent de Raad dat Duitsland naar verwachting in 2019 en 2020 aan de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact zal voldoen. Tegelijkertijd zou het belangrijk zijn om, met inachtneming van de begrotingsdoelstelling op middellange termijn, het begrotings- en het structuurbeleid te gebruiken om een aanhoudende opwaartse trend van de particuliere en publieke investeringen te realiseren, met name op regionaal en gemeentelijk niveau.

(7)

De publieke en particuliere investeringen zijn in 2018 flink gestegen, maar de investeringsquote blijft onder het gemiddelde van de eurozone. De overheidsinvesteringen zijn in 2018 nominaal met 7,7 % en in reële termen met 3,8 % gestegen, maar er zijn nog meer inspanningen nodig om de grote investeringsachterstand weg te werken, met name op het gebied van infrastructuur en onderwijs. De reële groei van de overheidsinvesteringen is de laatste drie jaar positief geweest, na een periode van negatieve groei. De nominale investeringen op gemeentelijk niveau zijn in 2018 alleen met bijna één vijfde gestegen. Dit weerspiegelt de inspanningen van de regering om de investeringen op te voeren. De investeringen op gemeentelijk niveau bleven echter lager dan de afschrijvingen. Volgens het KfW-Kommunalpanel 2019 bedroeg de waargenomen, tot 2018 opgebouwde investeringsachterstand 4 % van het bbp. Samen met de gunstige begrotingspositie wijst dit erop dat er ruimte is om de investeringen op alle overheidsniveaus, en met name op regionaal en gemeentelijk niveau, te verhogen. De investeringen in openbare infrastructuur worden nog steeds belemmerd door capaciteits- en planningsproblemen op gemeentelijk niveau. Er zijn maatregelen genomen om deze problemen op te lossen, maar hiermee is nog geen duurzaam tastbaar resultaat geboekt. Bovendien zijn de digitale overheidsdiensten en overheidsopdrachten voor verbetering vatbaar. De particuliere investeringen zijn aanzienlijk toegenomen, maar niet voor alle soorten activa. De investeringen in uitrusting zijn flink gestegen in reactie op een benuttingsgraad van recordhoogte. De investeringen in huisvesting blijven sterk stijgen. De bouwsector maakt nu echter melding van capaciteitsproblemen en prijsstijgingen. De utiliteitsbouw neemt in reële termen traag toe, wat doet vermoeden dat de essentiële infrastructuur geen gelijke tred houdt met de behoeften van de economie.

(8)

De overheidsuitgaven voor onderwijs, in 2017 goed voor 4,1 % van het bbp, bleven onder het Uniegemiddelde van 4,6 %. Van de totale overheidsuitgaven ging 9,3 % naar onderwijs, wat ook onder het Uniegemiddelde van 10,2 % ligt. De nationale doelstelling voor de uitgaven voor onderwijs en onderzoek — 10 % van het bbp — werd in 2017 met 9 % niet gehaald. Hoewel de onderwijsuitgaven in reële termen stegen, is de grote investeringsachterstand verder toegenomen als gevolg van de demografische ontwikkelingen. Wijzigingen in de wetgeving die rechtstreekse investeringen van de federale regering in digitaal onderwijs mogelijk maken, naast de door de deelstaten toegewezen middelen (DigitalPakt), zijn veelbelovend, al zijn de resultaten nog niet zichtbaar. Uitdagingen als toenemende studentenaantallen, lerarentekorten, digitalisering en verdere uitbreiding van voor- en vroegschoolse educatie en opvang vergen adequate financiering door de overheid. Extra uitgaven voor onderwijs en onderzoek en innovatie zijn cruciaal voor een toename van de potentiële groei en de aanpassing aan de technologische verandering in Duitsland.

(9)

Duitsland heeft de afgelopen jaren vooruitgang geboekt bij het opvoeren van de intensiteit van onderzoek en ontwikkeling (O&O), voornamelijk als gevolg van een toename van de uitgaven van grote ondernemingen voor O&O, vooral in de medium- en hightechindustrie en in het bijzonder in de automobielsector. De intensiteit van O&O bij kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) ligt aanzienlijk onder het Uniegemiddelde, en de achterstand wordt groter. Kmo’s profiteren doorgaans minder van samenwerking met openbare onderzoeksinstellingen dan grote bedrijven. Deze twee factoren, die een langdurige neerwaartse trend vertonen, zijn schadelijk voor de innovatie van bedrijven. Aanvullende O&O-investeringen zijn niet alleen van essentieel belang om de innovatiecapaciteit in de hele economie te vergroten en de productiviteit een impuls te geven, maar ook om de overgang naar een koolstofarme en circulaire economie te faciliteren, met name op het gebied van duurzaam vervoer, groene energietechnologieën, eco-innovatie en recycling, en om de prestaties van de openbare onderzoekssector en de bijdrage ervan aan deze doelstellingen verder te verbeteren.

(10)

De digitalisering van de Duitse economie vordert langzaam, en digitale technologieën worden door kmo’s trager ingevoerd. Duitsland loopt achter bij de uitrol van breedband met zeer hoge capaciteit (gigabitsnelheden) op nationaal niveau, en met name in plattelandsgebieden, waar meer investeringen de productiviteitsgroei zouden kunnen verbeteren. Slechts 9 % van de Duitse huishoudens heeft (medio 2018) de beschikking over hoogwaardige, op glasvezelkabels gebaseerde toegangsnetwerken, terwijl het Uniegemiddelde 30 % is. Modernisering van bestaande koperkabelnetwerken (vectoring) is nog steeds de technologische oplossing waar de grootste aanbieder de voorkeur aan geeft. Hoewel veel diensten afhankelijk zijn van zeer snelle connectiviteit, waren 23 700 bedrijvenparken in 2017 niet aangesloten op een glasvezelnetwerk, en 28 % van alle bedrijven had geen toegang tot netwerken van ten minste 50 megabits. Een gebrek aan dergelijke connectiviteit werkt remmend op de investeringen van met name kmo’s, waarvan er vele in plattelands- en semiplattelandsgebieden zijn gevestigd. Bij de uitrol van ultrasnelle (≥ 100 Mbps) breedbandinfrastructuur in plattelandsgebieden blijft overheidsoptreden van cruciaal belang, en er kunnen verschillende opties worden verkend die verder gaan dan subsidies. De prestaties op het gebied van digitale overheidsdiensten en e-gezondheid liggen ver onder het Uniegemiddelde. Slechts 43 % van de Duitse internetgebruikers heeft in 2018 elektronische overheidsdiensten gebruikt (het Uniegemiddelde is 64 %). Wat e-gezondheid betreft: 7 % van de Duitsers heeft gebruikgemaakt van online verleende gezondheids- en zorgdiensten (het Uniegemiddelde is 18 %). 19 % van de huisartsen gebruikt elektronische voorschriften (het Uniegemiddelde is 50 %).

(11)

In Duitsland zijn meer investeringen nodig in vervoersinfrastructuur en schone mobiliteitsoplossingen om de uitdagingen inzake mobiliteit en luchtkwaliteit aan te pakken en om mitigatie van en adaptatie aan de klimaatverandering te ondersteunen. De uitstoot van broeikasgassen door het wegvervoer is de laatste vijf jaar toegenomen. De luchtkwaliteit in Duitsland geeft aanleiding tot ernstige bezorgdheid, vooral in stedelijke gebieden waar het verkeer zorgt voor ongeveer 60 % van de schadelijke NOx-emissies. Het vrachtvervoer zou profiteren van beter ontwikkelde intermodale oplossingen. De auto blijft verreweg het meest gebruikte vervoermiddel voor het dagelijkse woon-werkverkeer. Gemiddeld staan de mensen dertig uur per jaar in de file. De kosten van verkeersopstoppingen en het zoeken naar parkeerplaatsen bedragen naar raming 110 miljard EUR per jaar, ofwel ongeveer 4 % van het bbp van Duitsland. Het aantal voertuigen met alternatieve brandstoffen blijft laag, al stijgt het aantal nieuwe registraties voor die voertuigen het sterkst. Autodelen en carpooling zijn nog steeds sterk onderbenut. Er zijn ook aanzienlijke publieke en private investeringen nodig met het oog op nieuwe toeleveringsketens voor accu’s en kritieke grondstoffen.

(12)

De elektriciteitsnetten van Duitsland passen zich langzaam aan de productie van hernieuwbare energie aan. Aanzienlijke investeringen in transmissie- en distributienetten blijven noodzakelijk. Flinke vertragingen bij de uitvoering van een groot aantal projecten hebben aanzienlijke kosten voor de Duitse en Europese elektriciteitsnetten en elektriciteitsmarkten meegebracht. Van de 800 km aan netprojecten die in de Energieleitungsausbaugesetz van 2009 werden genoemd, was in het tweede kwartaal van 2018 slechts ongeveer 800 km uitgevoerd, deels als gevolg van maatschappelijke weerstand. Vertragingen bij de uitbreiding van het net leiden tot hogere congestiekosten en meer verstoringen in het functioneren van de markt, zowel in Duitsland als in andere landen. Investeringen in energienetten die sectorkoppeling, diversificatie en een passende netinfrastructuur bevorderen, zijn van cruciaal belang voor de flexibiliteit van het energiesysteem en voor een betere integratie van verschillende sectoren van de economie met het oog op de verwezenlijking van de energie- en klimaatdoelstellingen.

(13)

Huisvesting in Duitsland is minder betaalbaar geworden. Sinds 2015 zijn zowel de huren als de huizenprijzen sneller gestegen dan de langetermijngemiddelden, met name in grote steden. In 2017 ging 20 % van de 65-plussers in Duitsland gebukt onder buitensporig hoge huisvestingskosten (d.w.z. dat de totale huisvestingskosten meer dan 40 % van hun beschikbare inkomen bedroegen), tegenover 10 % van de Europese 65-plussers. Voor de bevolkingsgroep met het laagste inkomen lag de bovenmatige uitgave aan huisvesting 10 procentpunten boven het Uniegemiddelde van 35,3 %. De regering reageerde hierop met maatregelen zoals een “rem” op huurverhogingen (Mietpreisbremse) en een subsidieregeling voor de aankoop van onroerend goed (Baukindergeld), en met een wijziging van de basiswetgeving om de federale overheid in staat te stellen de sociale woningbouw financieel te ondersteunen. Desondanks blijft de oplevering van nieuwe woningen aanzienlijk achter bij de vraag en ook ruim onder de regeringsdoelstelling van 375 000 per jaar. Wellicht zijn verdere maatregelen nodig, zoals versnelling van de bouw van sociale woningen, verbetering van de vervoersopties en hervorming van de grondgebruik- en bouwregelgeving.

(14)

Duitsland heeft veel voordeel gehad van de integratie in de interne markt en speelt een belangrijke rol bij de verdere ontwikkeling ervan. De belemmeringen voor de concurrentie in de sector zakelijke dienstverlening in Duitsland blijven echter hoog in vergelijking met andere lidstaten. Dit betreft diverse gebieden, waaronder gereglementeerde beroepen zoals architect, ingenieur en jurist, waar regelgevingsbeperkingen zoals voorbehouden activiteiten en gereglementeerde prijzen en vergoedingen een verstikkende werking hebben op de concurrentie. Ook voor niet-gereglementeerde zakelijke diensten gelden in vergelijking met andere lidstaten echter meer beperkingen inzake het algemene ondernemingsklimaat. Veranderingen in de regelgeving voor zakelijke diensten ter vergroting van de concurrentie zouden de doelmatigheid en doeltreffendheid van investeringen en economische activiteit een impuls geven.

(15)

Na enkele verbeteringen in de voorgaande jaren is het afgelopen jaar weinig vooruitgang geboekt bij de hervorming van het Duitse belastingstelsel ter bevordering van binnenlandse particuliere investeringen en groei. Het belastingstelsel blijft ingewikkeld, verstoort de besluitvorming, bijvoorbeeld op het gebied van arbeidsmarktparticipatie, investeringen en financiering, en zou doeltreffendere prikkels kunnen bieden voor investeringen en consumptie. De meeste vooruitgang is geboekt op het gebied van de belasting op arbeid, maar dit blijkt nog niet uit de cijfers. Er is nog steeds ruimte om de verstorende belasting op arbeid te verminderen door een verschuiving naar inkomstenbronnen die bevorderlijker zijn voor inclusieve en duurzame groei. De belasting op inkomsten uit arbeid in 2018 (de belastingwig) behoorde nog steeds tot de hoogste in de Unie, voor zowel werknemers met een modaal inkomen als werknemers met een laag inkomen. De socialezekerheidsbijdragen van werknemers zijn in vergelijking met andere landen bijzonder hoog. Over het geheel genomen maken de socialezekerheidsbijdragen ongeveer twee derde van de belastingwig uit en de inkomstenbelasting een derde. De inkomsten uit milieubelastingen als percentage van het bbp behoren daarentegen tot de laagste in de Unie. De kapitaalkosten en het gemiddelde effectieve vennootschapsbelastingtarief, dat van regio tot regio varieert, behoren tot de hoogste in de Unie. Het gemiddelde effectieve belastingtarief bedroeg 28,8 % (nationaal gemiddelde), terwijl het Uniegemiddelde op 20 % lag. Door de wisselwerking tussen de vennootschapsbelasting, de bedrijfsbelasting (Gewerbesteuer) en de solidariteitsheffing is het vennootschapsbelastingstelsel complex, zijn er hoge kosten voor de belastingdienst mee gemoeid en werkt het verstorend op het niveau en de locatie van investeringen. Daarnaast verstoort de vennootschapsbelasting financieringsbesluiten ten voordele van schuldfinanciering, die volgens de gegevens van 2017 de op twee na hoogste in de Unie was. Een verlaging van de kapitaalkosten voor eigen vermogen zou de particuliere investeringen kunnen verhogen en de betrekkelijk onderontwikkelde markt voor durfkapitaal kunnen aanzwengelen.

(16)

De arbeidsmarkt blijft sterk presteren, maar het arbeidsmarktpotentieel van sommige groepen wordt onderbenut. De arbeidsparticipatie in de leeftijdsgroep 20-64 jaar bedroeg 79,9 % in het vierde kwartaal van 2018, een van de hoogste in de Unie. De werkloosheid was begin 2019 lager dan ooit, namelijk 3,2 %. De hoge vacaturegraad en het tekort aan arbeidskrachten doen zich steeds sterker voelen en hebben in sommige regio’s en sectoren een aanzienlijke remmende werking op de productie. Toch wordt er onvoldoende gebruikgemaakt van het arbeidsmarktpotentieel van sommige groepen, zoals vrouwen en mensen met een migratieachtergrond. Het percentage vrouwelijke deeltijdwerkers is met 46,7 % zeer hoog. De belastingen op arbeid in Duitsland blijven relatief hoog, ook voor laagbetaalde werknemers. De bijzondere regels voor de gezamenlijke inkomstenbelasting voor gehuwde paren (Ehegattensplitting) stimuleren meeverdieners niet om duidelijk meer uren te werken. De arbeidsparticipatie van mensen met een migratieachtergrond is aanzienlijk lager dan die van autochtonen. Vooral bij vrouwen is het verschil groot. Er zijn maatregelen genomen om de integratie van vluchtelingen op de arbeidsmarkt te bevorderen, maar er blijven uitdagingen, zoals hun gebrekkige beheersing van het Duits, ontbrekende of niet-overdraagbare kwalificaties, zorgtaken voor kinderen en familieleden, en gebrek aan ervaring met informele regels op de Duitse arbeidsmarkt.

(17)

De pensionering van de babyboomgeneratie treft Duitsland meer dan andere lidstaten. Op lange termijn zal deze demografische verandering de Duitse overheidsfinanciën onder druk zetten, waardoor de toereikendheid van de pensioenen in het gedrang kan komen en meer ouderen (65-plussers) met armoede of sociale uitsluiting worden bedreigd. Nu is dat aantal nog beperkt. Tegen 2040 zal het land naar verwachting worden geconfronteerd met een van de grootste stijgingen in de Unie van de uitgaven voor overheidspensioenen in verhouding tot het bbp (plus 1,9 procentpunt van het bbp), terwijl het uitbetalingspercentage van het overheidspensioen met 4,4 procentpunten zal dalen tot 37,6 %, volgens het vergrijzingsverslag 2018 (Europese Commissie, 2018d). Dankzij recente pensioenhervormingen krijgen bepaalde groepen nu meer pensioen, maar het is niet duidelijk of de sociale voordelen in verhouding staan tot de aanzienlijke budgettaire kosten. De regering heeft ook een “dubbele stopstreep” (doppelte Haltelinie) vastgesteld: een maximale pensioenbijdrage van 20 % en minimale inkomensvervangingspercentages van 48 % tot 2025. Voor de inachtneming van deze limieten zullen naar verwachting aanzienlijke budgettaire transfers nodig zijn, zodat de last voor jongere generaties verder toeneemt. Bovendien blijft de toereikendheid van het pensioeninkomen van werknemers met een laag inkomen een probleem.

(18)

Ondanks het toenemende tekort aan arbeidskrachten blijft de reële loongroei bescheiden, terwijl de nominale lonen in 2018 met 3,1 % zijn gestegen. De algemene loongroei in 2018, die ook iets boven de productiviteitsgroei lag, is onder meer het gevolg van het feit dat de werkgelegenheid vooral bij beterbetaalde voltijdbanen is toegenomen en het aandeel van de mini-jobs in de totale werkgelegenheid is afgenomen. De dekkingsgraad van de collectieve onderhandelingen nam (van 2016 tot 2017 met 2 procentpunten) verder af tot 49 % in het westen en 34 % in het oosten. Er zijn aanzienlijke verschillen tussen sectoren. In de overheidssector en de industrie vallen veel mensen onder de cao, maar in de dienstensector veel minder. Laagbetaalde werknemers hebben over het algemeen geprofiteerd van het minimumloon dat in 2015 is ingevoerd. De uurlonen aan de onderkant van de loonverdeling, met name de twee laagste loondecielen, zijn aanzienlijk gestegen. Het aandeel laagbetaalde werknemers, dat in 2017 22,5 % bedroeg, ligt echter nog steeds duidelijk boven het Uniegemiddelde. Het aantal mensen met alleen een mini-job daalde in de periode 2010-2018 met 6,8 % en het aantal banen met sociale zekerheid steeg in dezelfde periode met ongeveer 18,1 %. Het verbeteren van de voorwaarden die bevorderlijk zijn voor de loongroei, zou goed zijn voor de binnenlandse vraag en bijdragen tot de herbalancering van de eurozone.

(19)

De opwaartse sociale mobiliteit in het onderwijs is laag in Duitsland. Uit nationale bronnen blijkt dat er weinig vooruitgang is geboekt bij het terugdringen van de invloed van de sociaal-economische achtergrond op de onderwijsresultaten. Duitsland heeft een goede staat van dienst met betrekking tot de integratie van recent aangekomen migranten en vluchtelingen in onderwijs en opleiding. Mensen met een migratieachtergrond ondervinden doorgaans echter grotere problemen dan autochtonen (bijv. meer voortijdige schoolverlaters en moeilijkheden om een leerlingplaats te vinden). Gezien de steeds heterogenere klassen moeten grote inspanningen worden verricht om het beroep van leraar aantrekkelijker te maken, terwijl het tekort aan leerkrachten toch al aanzienlijk is. De deelname van werknemers aan volwassenenonderwijs is een punt van zorg voor de toekomstige arbeidsmarktprestaties van werknemers, met name voor de 6,2 miljoen mensen die niet beschikken over basisvaardigheden op het gebied van lezen en schrijven.

(20)

Hoewel het aantal met armoede of sociale uitsluiting bedreigde mensen sinds de piek in 2014 is gedaald, blijft er sprake van uitdagingen op het gebied van gelijke kansen. Zo lag in 2017 het risico op armoede of sociale uitsluiting voor kinderen van laagopgeleiden 67 procentpunt hoger dan voor kinderen van hoogopgeleiden. Deze kloof is aanzienlijk groter dan de gemiddelde kloof in de Unie (53,9 procentpunt).

(21)

De programmering van de Uniemiddelen voor de periode 2021-2027 zou kunnen bijdragen tot het aanpakken van een aantal van de in de aanbevelingen geconstateerde leemten, met name op de gebieden die worden behandeld in bijlage D bij het landverslag 2019. Zo zou Duitsland optimaal gebruik kunnen maken van die middelen met betrekking tot de genoemde sectoren, rekening houdend met regionale verschillen.

(22)

In de context van het Europees Semester 2019 heeft de Commissie een brede analyse van het economisch beleid van Duitsland verricht. Die analyse is gepubliceerd in het landverslag 2019. Voorts heeft de Commissie zowel het stabiliteitsprogramma 2019 als het nationale hervormingsprogramma 2019 doorgelicht en onderzocht welk gevolg is gegeven aan de aanbevelingen die in eerdere jaren tot Duitsland zijn gericht. Daarbij heeft de Commissie niet alleen gekeken naar de relevantie ervan voor een houdbaar begrotings- en sociaal-economisch beleid in Duitsland, maar is zij ook nagegaan of de Unieregels en -richtsnoeren in acht zijn genomen, gezien de noodzaak de algehele economische governance van de Unie te versterken door middel van een inbreng op Unieniveau in toekomstige nationale besluiten.

(23)

In het licht van deze beoordeling heeft de Raad het stabiliteitsprogramma 2019 onderzocht en is hij van mening (7) dat Duitsland naar verwachting aan het stabiliteits- en groeipact zal voldoen.

(24)

In het licht van de diepgaande evaluatie door de Commissie en van deze beoordeling heeft de Raad het nationale hervormingsprogramma 2019 en het stabiliteitsprogramma 2019 onderzocht. Zijn aanbevelingen op grond van artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 zijn in de onderstaande aanbevelingen 1 en 2 weergegeven. Die aanbevelingen dragen ook bij tot de uitvoering van de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone, met name de eerste aanbeveling voor de eurozone. Het in aanbeveling 1 bedoelde begrotingsbeleid draagt onder meer bij tot het aanpakken van onevenwichtigheden in verband met het overschot op de lopende rekening,

BEVEELT AAN dat Duitsland in 2019 en 2020 de volgende actie onderneemt:

1.   

Met inachtneming van de begrotingsdoelstelling voor de middellange termijn het begrotings- en het structuurbeleid gebruiken om een aanhoudende opwaartse trend van de particuliere en publieke investeringen te realiseren, met name op regionaal en gemeentelijk niveau. Het investeringsgerelateerde economische beleid richten op onderwijs; onderzoek en innovatie; digitalisering en breedband met zeer hoge capaciteit; duurzaam vervoer, alsook energienetwerken en betaalbare huisvesting, rekening houdend met regionale verschillen. De belasting verschuiven van arbeid naar bronnen die minder schadelijk zijn voor inclusieve en duurzame groei. De concurrentie in zakelijke diensten en gereglementeerde beroepen versterken.

2.   

Verminderen van de factoren die ontmoedigen om meer uren te werken, inclusief de hoge belastingwig voor met name laagbetaalde werknemers en meeverdieners. Maatregelen nemen om de houdbaarheid van het pensioenstelsel op lange termijn te waarborgen en tegelijkertijd de toereikendheid ervan te garanderen. De voorwaarden voor hogere loongroei versterken, evenwel rekening houdend met de rol van de sociale partners. De onderwijsresultaten en vaardigheden van kansarme groepen verbeteren.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LINTILÄ


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(2)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25.

(3)  PB C 136 van 12.4.2019, blz. 1.

(4)  PB C 320 van 10.9.2018, blz. 19.

(5)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(6)  Conjunctuurgezuiverd begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, herberekend door de Commissie volgens de gezamenlijk overeengekomen methode.

(7)  Op grond van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97.


5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 301/30


AANBEVELING VAN DE RAAD

van 9 juli 2019

over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Estland en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Estland

(2019/C 301/06)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (1), en met name artikel 5, lid 2,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 21 november 2018 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse groeianalyse en daarmee de aanzet gegeven tot het Europees Semester 2019 voor coördinatie van het economisch beleid. Daarin wordt terdege rekening gehouden met de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie werd geproclameerd. De prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse zijn op 21 maart 2019 door de Europese Raad bekrachtigd. Op 21 november 2018 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad (2) ook het waarschuwingsmechanismeverslag aangenomen, waarin zij Estland niet heeft genoemd als een van de lidstaten die aan een diepgaande evaluatie zullen worden onderworpen. Tevens heeft de Commissie op die datum een aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone aangenomen, die op 21 maart 2019 door de Europese Raad is bekrachtigd. Op 9 april 2019 heeft de Raad de aanbeveling over het economisch beleid van de eurozone (3) (“aanbeveling voor 2019 voor de eurozone”) aangenomen, die vijf aanbevelingen voor de eurozone (“de aanbevelingen voor de eurozone”) bevat.

(2)

Als lidstaat die de euro als munt heeft en in het licht van de grote onderlinge verwevenheid tussen de economieën van de economische en monetaire unie, zou Estland ervoor moeten zorgen dat volledig en tijdig uitvoering wordt gegeven aan de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone, die wordt weergegeven in de aanbevelingen 2 en 3 hieronder. Met name maatregelen die gericht zijn op economisch beleid met betrekking tot investeringen in de genoemde gebieden, zullen bijdragen tot de verwezenlijking van de tweede aanbeveling voor de eurozone betreffende de ondersteuning van investeringen.

(3)

Op 27 februari 2019 is het landverslag 2019 voor Estland gepubliceerd. Daarin werd de vooruitgang beoordeeld die Estland bij het opvolgen van de op 13 juli 2018 door de Raad aangenomen landspecifieke aanbevelingen (4) heeft gemaakt, alsmede het gevolg dat is gegeven aan de aanbevelingen die in de jaren voordien werden goedgekeurd, en de vooruitgang die Estland in de richting van zijn nationale Europa 2020-doelstellingen heeft geboekt.

(4)

Estland heeft zijn nationaal hervormingsprogramma 2019 ingediend op 30 mei 2019 en zijn stabiliteitsprogramma 2019 op 30 april 2019.

(5)

De betrokken landspecifieke aanbevelingen zijn meegenomen in de programmering voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) voor de periode 2014-2020. Op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) kan de Commissie een lidstaat verzoeken zijn partnerschapsovereenkomst en de desbetreffende programma’s opnieuw te bezien en wijzigingen daarop voorstellen indien dit nodig is om de uitvoering van de betrokken aanbevelingen van de Raad te ondersteunen. De Commissie heeft in richtsnoeren met betrekking tot de toepassing van de maatregelen die de effectiviteit van de ESI-fondsen koppelen aan gezonde economische governance, nader aangegeven hoe zij van die bepaling zou gebruikmaken.

(6)

Estland valt momenteel onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact. Het stabiliteitsprogramma 2019 is ingediend op basis van ongewijzigd beleid. Het programma voorziet in een verschuiving van het overheidstekort van 0,6 % van het bruto binnenlands product (bbp) in 2018 naar een tekort van 0,2 % van het bbp in 2019 en van 0,3 % van het bbp in 2020, en verwacht een tekort van 0,7 % van het bbp tegen 2022. Op basis van het herberekend structureel saldo (6) is het niet de bedoeling dat de middellangetermijndoelstelling voor de begroting, die is vastgesteld op een structureel tekort van 0,5 % van het bbp, over de periode van het stabiliteitsprogramma 2019 wordt gehaald. Voorspeld wordt dat de overheidsschuldquote tegen 2022 zal afnemen tot 5,3 % van het bbp. Het macro-economische scenario dat aan die begrotingsprognoses ten grondslag ligt, is optimistisch. De maatregelen die nodig zijn om de geplande tekortdoelstellingen te ondersteunen, zijn niet gespecificeerd, hetgeen een risico oplevert voor de aannames over de opbrengsten.

(7)

Afgaande op de najaarsprognoses 2018 van de Commissie, die voorspelden dat de begrotingsdoelstelling op middellange termijn in 2019 zal worden benaderd, en in overeenstemming met de regels voor het deblokkeren van de vereiste aanpassing, zou de nominale groeivoet van de netto primaire overheidsuitgaven niet meer dan 4,9 % mogen bedragen, hetgeen overeenstemt met een jaarlijkse structurele aanpassing van 0,3 % in 2019. Op basis van de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie bestaat het risico dat in 2019 aanzienlijk van dat vereiste wordt afgeweken.

(8)

In het licht van de voorspelde output gap van Estland ter grootte van 2,7 % van het bbp en gezien het feit dat de verwachte bbp-groei lager zal uitvallen dan het geraamde potentiële groeipercentage, zou het nominale stijgingspercentage van de netto primaire overheidsuitgaven in 2020 niet hoger mogen uitkomen dan 4,1 % om te stroken met de structurele aanpassing van 0,6 % van het bbp die uit de gezamenlijk overeengekomen aanpassingsmatrix van vereisten in het kader van het stabiliteits- en groeipact resulteert. Op basis van de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie is er bij ongewijzigd beleid een risico dat er in 2020 een significante afwijking van dat vereiste zal optreden. Over het geheel genomen is de Raad van oordeel dat vanaf 2019 de nodige maatregelen zouden moeten worden genomen om te voldoen aan de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact.

(9)

In het licht van de grote witwasschandalen is het voorkomen van witwaspraktijken een prioriteit geworden voor Estland. Het heeft zijn kader voor de bestrijding van witwaspraktijken versterkt en het aandeel deposito’s van niet-ingezetenen in de Estse banksector is aanzienlijk gedaald. Maar het werk is nog niet klaar. De Estse regering mag dan wel hebben gezorgd voor extra maatregelen en richtsnoeren over een verdere versterking van preventie op dit gebied, maar het Parlement heeft nog geen wetgeving vastgesteld om de capaciteit inzake toezicht op de bestrijding van witwaspraktijken uit te breiden. Eens deze maatregelen zijn aangenomen, zou erop moeten worden toegezien dat ze daadwerkelijk worden uitgevoerd.

(10)

Een tekort aan vakmensen en discrepanties tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden behoren tot de voornaamste belemmeringen voor bedrijfsinvesteringen en voor een toename van de productiviteit. De voorbije jaren heeft Estland grondige hervormingen doorgevoerd, maar tendensen op de arbeidsmarkt en de afname van de bevolking in de beroepsgeschikte leeftijd vormen uitdagingen op de lange termijn voor het onderwijs- en opleidingssysteem. Tot die uitdagingen behoren een nog steeds hoog percentage voortijdige schoolverlaters, een onvolledige reorganisatie van het scholennetwerk, de ontoereikende arbeidsmarktrelevantie van hoger onderwijs en beroepsonderwijs en beroepsopleiding, alsook de problemen in verband met de veroudering van de lerarenpopulatie en de geringe aantrekkingskracht van het beroep. Hoewel volwassenonderwijs aan populariteit wint, verloopt de omscholing en bijscholing niet snel genoeg om gelijke tred te houden met de tendensen op de arbeidsmarkt. De ontoereikende innovatiecapaciteit vormt de kern van de vastgestelde behoeften aan vaardigheden. Ondanks het grote aantal ICT-specialisten bieden de ondernemingen weinig opleidingen voor digitale vaardigheden. Een verbetering van de arbeidsmarktrelevantie van het onderwijs- en opleidingssysteem, onder meer door te investeren in loopbaanbegeleiding, het aanpakken van schooluitval en een betere afstemming op de behoeften aan vaardigheden zouden ertoe bijdragen dat mensen de juiste vaardigheden verwerven. Voorts zou een verbetering van de arbeidsomstandigheden voor leerkrachten, van de kwaliteit van het onderwijs en van het onderwijsbeleid, inspelend op demografische en economische tendensen, leiden tot een versterkte capaciteit van het onderwijs- en opleidingssysteem.

(11)

Ondanks de verbeteringen blijven armoede, sociale uitsluiting en inkomensongelijkheid hoog, vooral bij ouderen. In 2017 was ongeveer 42 % van de 65-plussers bedreigd met armoede en sociale uitsluiting, tegenover een Uniegemiddelde van 15 %. Ondanks sociale voordelen is de armoede nog steeds niet teruggedrongen en het sociale vangnet is zwak. Het aanbieden van kwalitatief hoogstaande en betaalbare sociale diensten wordt belemmerd door de geringe coördinatie tussen de diensten voor gezondheids- en sociale zorg en door de grote verschillen tussen de gemeenten op het gebied van in kaart brengen van de behoeften aan sociale diensten en leveren van die diensten. Bovendien moeten individuele particulieren een groot deel van de kosten van de door de overheid geleverde diensten dragen. De Estse overheidsuitgaven voor langdurige zorg bedroegen minder dan de helft van het gemiddelde van de Unie (0,6 % van het bbp, tegenover 1,6 % van het bbp in 2016). Er zijn geen preventieve maatregelen of een systeem om de lasten voor mantelzorgers te verlichten. Het percentage mensen met onvervulde medische behoeften blijft een van de hoogste in de Unie (11,7 %), wat wijst op een gebrekkige toegankelijkheid en doeltreffendheid van het systeem voor gezondheidszorg. Deze problemen tonen aan dat het noodzakelijk is om op een geïntegreerde manier betaalbare en kwalitatief hoogstaande sociale diensten en gezondheidszorg te bieden en om een omvattend kader voor langdurige zorg te ontwikkelen. Investeringen ter ondersteuning van sociale inclusie, onder meer in sociale infrastructuur, zou inclusieve groei bevorderen.

(12)

De loonkloof tussen mannen en vrouwen van 25,6 % in 2017 blijft een van de hoogste in de Unie en is enigszins groter dan het voorgaande jaar. Daarnaast is de invloed van ouderschap op de arbeidsparticipatie van vrouwen duidelijk groter dan het gemiddelde van de Unie (respectievelijk 25,2 % en 9,0 %). Langdurig ouderschapsverlof leidt voor vrouwen vaak tot tragere loopbaanontwikkeling. Hoewel het opleidingsniveau van vrouwen hoger is dan dat van mannen, werken vrouwen doorgaans in minderbetaalde economische sectoren en beroepen. Recente maatregelen hebben gezorgd voor meer flexibiliteit in het stelsel voor ouderschapsverlof en -uitkeringen met het oog op een vlottere terugkeer van ouders naar de arbeidsmarkt. De kinderopvang wordt beter benut. Factoren als economische activiteit, beroep, leeftijd, werkervaring of arbeidstijd verklaren echter slechts een deel van de loonkloof tussen mannen en vrouwen. Er blijft een onverklaarbare kloof van 20 %, tegenover een Uniegemiddelde van 11,5 %. Loontransparantie zou kunnen helpen om de redenen van deze loonkloof beter te begrijpen. Blijvende investeringen in kinderopvang en actieve arbeidsmarktmaatregelen kunnen bijdragen tot een grotere arbeidsparticipatie van vrouwen. In een ruimere context blijven de samenwerking met de sociale partners en een versterking van hun capaciteit belangrijk.

(13)

Voor een niet-centraal gelegen land met een lage bevolkingsdichtheid als Estland is een goed functionerend en onderling verbonden vervoerssysteem van cruciaal belang voor de economische en uitvoeractiviteiten. De vervoersinfrastructuur in Estland heeft te kampen met een aantal tekortkomingen op het gebied van connectiviteit en duurzaamheid. Spoor- en intermodaal vervoer zijn nog niet voldoende ontwikkeld. Voorts is de uitstoot van broeikasgassen door het wegverkeer de voorbije vijf jaar toegenomen. Verdere innovatieve en duurzame oplossingen zouden helpen bij de aanpak van files en problemen bij het openbaar vervoer. Synchronisatie van het Estse elektriciteitssysteem met het continentale Europese netwerk is cruciaal om elektriciteitsvoorziening in de hele Baltische regio te waarborgen. Investeringen in infrastructuur zouden bijdragen tot een groter concurrentievermogen van de Estse bedrijven.

(14)

Door een gebrek aan — met name particuliere — investeringen in onderzoek en ontwikkeling heeft de productiviteit in Estland een achterstand opgelopen. De overheidsuitgaven voor onderzoek en ontwikkeling lagen in 2017 licht onder het gemiddelde van de Unie, maar de bedrijfsinvesteringen bedroegen slechts 0,61 % van het bbp, wat neerkomt op ongeveer de helft van het gemiddelde van de Unie. Slechts weinig bedrijven, vooral bij de kleine en middelgrote bedrijven (kmo’s), hebben melding gemaakt van onderzoeks- en innovatieactiviteiten. Uitgaven voor innovatie die niet gekoppeld zijn aan onderzoek en ontwikkeling, nemen af en de samenwerking tussen de wetenschap en de bedrijfswereld is beperkt. Een aantal van deze factoren halen de innovatieprestaties en de productiviteit van het land omlaag. Gerichtere investeringen in onderzoek, ontwikkeling en innovatie, onder meer voor de digitalisering en automatisering van bedrijven, zou de productiviteit en het concurrentievermogen van Estland versterken. Een betere prioritering van onderzoeksthema’s op gebieden die van belang zijn voor de economie, zouden hetzelfde effect hebben. De Estse autoriteiten hebben verscheiden maatregelen op poten gezet en uitgevoerd om de tekortkomingen in het onderzoeks-en innovatiesysteem aan te pakken, maar tot op heden blijft het effect ervan beperkt.

(15)

Ook blijven er uitdagingen bestaan op het gebied van hulpbronnen- en energie-efficiëntie. De prestaties van Estland op het vlak van eco-innovatie weerspiegelen niet ten volle het potentieel van het land en de totale score voor eco-innovatie (i.e. 60) ligt 40 % onder het gemiddelde van de Unie. Ondanks een aantal verbeteringen de voorbije jaren presteert Estland ongeveer drie keer minder dan het gemiddelde van de Unie wat betreft productiviteit van de hulpbronnen en de kloof met de rest van de Unie wordt steeds groter. Slechts een beperkt aantal kmo’s onderneemt actie om hun hulpbronnenefficiëntie te verbeteren en groener te worden. Bovendien is de Estse economie zeer energieverslindend, met een energieverbruik dat ruim boven het gemiddelde van de Unie ligt. Alle Estse regio’s lopen achterop met het verbeteren van hun hulpbronnen- en energie-efficiëntie. Met 0,4 % in 2017 zat Estland ver onder het nationale streefdoel van 10 % hernieuwbare energie bij het vervoer. Een concurrerender en duurzamere economie kan ook worden verkregen door hulpbronnen- en energie-efficiëntie, met name in de bouwsector, te bevorderen en door de circulaire economie te ondersteunen, onder meer door meer investeringen.

(16)

Insolventieprocedures duren ongeveer drie jaar in Estland en het terugvorderingspercentage ligt net boven 40 %. Voor minder productieve bedrijven slorpt dit te veel arbeidskrachten en financiële middelen op. Het ondermijnt stimulansen om te investeren in en financiering te verstrekken aan bedrijven. De hervorming van het insolventiekader zou een belangrijke rol spelen om de duur van de insolventieprocedures te verkorten en het terugvorderings-percentage voor schuldeisers te verhogen. Het kan daarbij met name gaan over het aanmoedigen van herstructureringsprocedures in de pre- en post-insolventiefase en het voorkómen van trapsgewijze liquidatie van ondernemingen.

(17)

De programmering van de Uniemiddelen voor de periode 2021-2027 zou kunnen bijdragen tot het aanpakken van een aantal van de in de aanbevelingen geconstateerde leemten, met name op de gebieden die worden behandeld in bijlage D bij het landverslag 2019. Zo kan Estland optimaal gebruikmaken van deze middelen in de genoemde sectoren, rekening houdend met regionale verschillen.

(18)

In de context van het Europees Semester 2019 heeft de Commissie een brede analyse van het economische beleid van Estland verricht; deze analyse is gepubliceerd in het landverslag 2019. Voorts heeft de Commissie zowel het stabiliteitsprogramma 2019 als het nationale hervormingsprogramma 2019 doorgelicht en onderzocht welk gevolg is gegeven aan de aanbevelingen die in eerdere jaren tot Estland zijn gericht. Daarbij heeft de Commissie niet alleen gekeken naar de relevantie ervan voor een houdbaar begrotings- en sociaal-economisch beleid in Estland, maar is zij ook nagegaan of de Unieregels en -richtsnoeren in acht zijn genomen, gezien de noodzaak de algehele economische governance van de Unie te versterken door middel van een inbreng op Unieniveau in toekomstige nationale besluiten.

(19)

In het licht van deze beoordeling heeft de Raad het stabiliteitsprogramma 2019 onderzocht en zijn advies (7) daarover is met name in de onderstaande aanbeveling 1 weergegeven,

BEVEELT AAN dat Estland in 2019 en 2020 de volgende actie onderneemt:

1.   

Ervoor zorgen dat het nominale groeipercentage van de netto primaire overheidsuitgaven in 2020 niet boven de 4,1 % uitkomt, hetgeen neerkomt op een jaarlijkse structurele aanpassing van 0,6 % van het bbp. Zorgen voor effectief toezicht op en de handhaving van het kader voor de bestrijding van witwaspraktijken.

2.   

Het tekort aan vakmensen aanpakken en innovatie bevorderen door de capaciteit en de arbeidsmarktrelevantie van het onderwijs- en opleidingssysteem te verbeteren. Zorgen voor een adequater sociaal vangnet en voor een betere toegang tot betaalbare en kwalitatief hoogstaande sociale diensten. Maatregelen nemen om de loonkloof tussen mannen en vrouwen te verkleinen, onder meer door de loontransparantie te verbeteren.

3.   

Investeringsgerelateerd economisch beleid toespitsen op duurzame vervoers- en energie-infrastructuur, met inbegrip van onderlinge verbindingen, op de bevordering van onderzoek en innovatie, en op hulpbronnen- en energie-efficiëntie, rekening houdend met regionale verschillen.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LINTILÄ


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25).

(3)  PB C 136 van 12.4.2019, blz. 1.

(4)  PB C 320 van 10.9.2018, blz. 24.

(5)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(6)  Conjunctuurgezuiverd begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, herberekend door de Commissie volgens de gezamenlijk overeengekomen methode.

(7)  Op grond van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97.


5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 301/35


AANBEVELING VAN DE RAAD

van 9 juli 2019

over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Ierland en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Ierland

(2019/C 301/07)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (1), en met name artikel 5, lid 2,

Gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (2), en met name artikel 6, lid 1,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 21 november 2018 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse groeianalyse en daarmee de aanzet gegeven tot het Europees Semester 2019 voor coördinatie van het economisch beleid. Er werd terdege rekening gehouden met de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie werd geproclameerd. De prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse zijn op 21 maart 2019 door de Europese Raad bekrachtigd. Op 21 november 2018 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 ook het waarschuwingsmechanismeverslag aangenomen, waarin zij Ierland heeft genoemd als een van de lidstaten die aan een diepgaande evaluatie zouden worden onderworpen. Tevens heeft de Commissie op die datum een aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone aangenomen, die op 21 maart 2019 door de Europese Raad is bekrachtigd. Op 9 april 2019 heeft de Raad de aanbeveling over het economisch beleid van de eurozone (3) (“aanbeveling voor 2019 voor de eurozone”) aangenomen, die vijf aanbevelingen voor de eurozone (“de aanbevelingen voor de eurozone”) bevat.

(2)

Als lidstaat die de euro als munt heeft en in het licht van de grote onderlinge verwevenheid tussen de economieën van de economische en monetaire unie zou Ierland ervoor moeten zorgen dat volledig en tijdig uitvoering wordt gegeven aan de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone, zoals in de onderstaande aanbevelingen 1 en 3 is weergegeven. Met name een op de genoemde gebieden gericht economisch investeringsbeleid en nieuwe belastingmaatregelen zullen bijdragen tot het uitvoeren van de tweede aanbeveling voor de eurozone inzake het ondersteunen van investeringen, het verbeteren van de overheidsfinanciën en het bestrijden van agressieve fiscale planning.

(3)

Op 27 februari 2019 is het landverslag 2019 voor Ierland gepubliceerd. Daarin werd beoordeeld welke vooruitgang Ierland bij de uitvoering van de op 13 juli 2018 door de Raad vastgestelde landspecifieke aanbevelingen (4) heeft gemaakt, welk gevolg is gegeven aan de landspecifieke aanbevelingen die in de jaren voordien werden goedgekeurd, en welke vooruitgang Ierland in de richting van zijn nationale Europa 2020-doelstellingen heeft geboekt. Het landverslag bevatte ook een op grond van artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 uitgevoerde diepgaande evaluatie, waarvan de uitkomsten ook op 27 februari 2019 zijn bekendgemaakt. Op basis van haar analyse concludeert de Commissie dat Ierland met macro-economische onevenwichtigheden wordt geconfronteerd. Met name de hoge publieke en particuliere schuldenlast en de externe nettoverplichtingen maken Ierland kwetsbaar voor negatieve schokken, maar de stroomvariabelen zijn verder verbeterd. De particuliere schuldenlast is nog steeds hoog maar blijft mede dankzij de economische groei dalen. De activiteiten van multinationals blijven een invloed hebben op de schulden van het bedrijfsleven. De schulden van de huishoudens blijken in grote mate in overeenstemming met de fundamentals te zijn, maar zijn hoog in vergelijking met het beschikbare inkomen. Volgens de prognoses zal de overheidsschuld verder krimpen en benadert het overheidstekort een positie van evenwicht. De huizenprijzen stijgen al een aantal jaren in snel tempo, maar dit tempo is sinds kort aan het vertragen. De huizenprijzen worden in grote mate opgestuwd door beperkingen aan de aanbodzijde en er zijn geen duidelijke tekenen van overwaardering. Het volume niet-renderende leningen blijft hoog maar is verder gedaald, hoewel de betalingsachterstanden bij langlopende leningen inmiddels minder snel afnemen dan tevoren.

(4)

Ierland heeft op 17 april 2019 zijn nationaal hervormingsprogramma 2019 en op 29 april 2019 zijn stabiliteitsprogramma 2019 ingediend. Om met de onderlinge verbanden tussen beide programma’s rekening te houden, zijn deze tegelijkertijd geëvalueerd.

(5)

De betrokken landspecifieke aanbevelingen zijn meegenomen in de programmering voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) voor de periode 2014-2020. Op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) kan de Commissie een lidstaat verzoeken zijn partnerschapsovereenkomst en de desbetreffende programma’s opnieuw te bezien en wijzigingen daarop voorstellen indien dit nodig is om de uitvoering van de betrokken aanbevelingen van de Raad te ondersteunen. Hoe de Commissie gebruik zal maken van die bepaling, wordt nader uiteengezet in de richtsnoeren met betrekking tot de toepassing van de maatregelen die de effectiviteit van de Europese structuur- en investeringsfondsen koppelen aan gezonde economische governance.

(6)

Ierland valt momenteel onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact en is onderworpen aan de schuldregel. In haar stabiliteitsprogramma 2019 voorziet de regering dat het nominale saldo in 2019 zal verbeteren tot 0,2 % van het bruto binnenlands product (bbp) en daarna geleidelijk zal blijven verbeteren, tot 1,3 % van het bbp in 2023. Op basis van het herberekende structurele saldo (6) zal de begrotingsdoelstelling op middellange termijn — vastgesteld op een structureel tekort van 0,5 % van het bbp — volgens de planning in 2020 worden bereikt. Volgens het stabiliteitsprogramma zal de overheidsschuldquote in 2019 naar verwachting dalen tot 61,1 % en blijven afnemen tot 51,6 % in 2023. Het macro-economische scenario dat aan die begrotingsprognoses ten grondslag ligt, is plausibel. Tegelijkertijd zijn de maatregelen die nodig zijn om vanaf 2020 de geplande tekortdoelstellingen te ondersteunen, niet voldoende gespecificeerd.

(7)

Op 13 juli 2018 deed de Raad de aanbeveling aan Ierland om zijn begrotingsdoelstelling op middellange termijn in 2019 te halen. Dit spoort met een nominale groeivoet van de netto primaire overheidsuitgaven (7) van maximaal 7,0 % in 2019, hetgeen overeenstemt met een toegestane verslechtering van het structurele saldo met 0,3 % van het bbp. Op basis van de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie wordt verwacht dat Ierland in 2019 zal voldoen aan de aanbevolen begrotingsaanpassing.

(8)

In 2020 zou Ierland zijn begrotingsdoelstelling op middellange termijn moeten halen. Uitgaande van de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie spoort dit met een nominale groeivoet van de netto primaire overheidsuitgaven van maximaal 3,7 % (8), hetgeen overeenstemt met een jaarlijkse structurele aanpassing van 0,7 % van het bbp. De verwachting is dat Ierland zal voldoen aan de begrotingsdoelstelling op middellange termijn. De overheidsschuld blijft volgens de prognoses een sterke daling vertonen, waarbij ruimschoots aan de schuldregel wordt voldaan. Over het geheel genomen is de Raad van oordeel dat Ierland in 2019 en 2020 naar verwachting zal voldoen aan de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact. Gezien de verschillen tussen de metingen van het bbp en de binnenlandse output in Ierland en de daarmee verband houdende gevolgen voor de schuldquote, de huidige conjuncturele omstandigheden in Ierland en de verhoogde externe risico’s, is het belangrijk dat meevallers worden gebruikt om de overheidsschuldquote verder terug te dringen.

(9)

De overheidsfinanciën zijn verder verbeterd dankzij een robuuste productiegroei, maar op het vlak van de inkomsten blijft er een risico bestaan op volatiliteit en is er ruimte om de inkomsten beter bestand te maken tegen economische schommelingen en negatieve schokken. Een beperking van belastinguitgaven in reikwijdte en aantal en een bredere belastinggrondslag zouden bijdragen tot een grotere inkomstenstabiliteit bij economische volatiliteit. Hoewel Ierland het lagere btw-tarief voor toeristische activiteiten heeft verhoogd, is een aantal recente belastingmaatregelen gericht op verlagingen en vrijstellingen. Voorts zou Ierland nog meer kunnen doen om ervoor te zorgen dat zijn belastingstelsel milieudoelstellingen bevordert. Zo zou het zijn subsidies voor fossiele brandstoffen kunnen verlagen en een sterker prijssignaal aan investeerders kunnen geven door zich vast te leggen op een schema voor het verhogen van de koolstofbelasting over de komende tien jaar.

(10)

De bestrijding van agressieve fiscale planning is van essentieel belang bij het efficiënter en eerlijker maken van de belastingstelsels, zoals wordt erkend in de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone. De overloopeffecten van de agressieve fiscale planningsstrategieën van belastingplichtigen tussen de lidstaten vereisen gecoördineerde nationale beleidsmaatregelen ter aanvulling van de Uniewetgeving. Ierland heeft maatregelen tegen agressieve fiscale planning genomen, maar de hoge royalty- en dividendbetalingen, als percentage van het bbp, wijzen erop dat bedrijven de Ierse belastingregels gebruiken voor een agressieve fiscale planning. De beperkte heffing van bronbelasting op uitgaande (d.w.z. van inwoners van de Unie aan inwoners van derde landen) royalty- en dividendbetalingen door in Ierland gevestigde ondernemingen kan ertoe leiden dat over die betalingen in het geheel geen belasting wordt geheven indien daarover in de ontvangende jurisdictie evenmin belasting verschuldigd is.

(11)

De budgettaire houdbaarheid op lange termijn blijft onder druk staan door de kosten van de vergrijzing. De uitgaven voor gezondheidszorg zullen naar verwachting stijgen van 4,1 % van het bbp in 2016 tot 5,1 % in 2070, met een piek van 5,2 % in 2063. Hoewel de gezondheidszorg in Ierland op sommige punten goed werkt of verbeterd is, is het systeem inefficiënt, voldoet het ternauwernood aan de vraag en levert het geen gecoördineerde, geïntegreerde zorg. Om de toenemende druk van de vraag te verlichten, heeft de Ierse regering een uitvoeringsstrategie voor de zorg (Sláintecare Implementation Strategy) goedgekeurd en een dienst voor de uitvoering van het zorgprogramma opgezet (Sláintecare Programme Implementation Office). Het is de bedoeling de gezondheidszorg en de sociale zorg in Ierland de komende tien jaar grondig te hervormen en te moderniseren. De geplande hervorming geeft blijk van een geloofwaardige visie waar het erom gaat het gezondheidszorgstelsel universeel toegankelijk en duurzaam te maken, tegemoet te komen aan de behoeften van een vergrijzende bevolking en de zorg te verschuiven naar de gemeenschap, met een sterkere nadruk op preventie. Dit zal waarschijnlijk een positief effect hebben doordat minder vaak een beroep wordt gedaan op acute zorg en de gezondheidszorg daardoor kosteneffectiever wordt. Problematisch voor de uitvoering is echter dat het gezondheidszorgstelsel er niet goed in slaagt om het probleem van een markt met dubbele zorgverzekeringen aan te pakken en zijn eigen begroting, prestaties en personeel op korte termijn doeltreffend te beheren. Voorts zullen de kortetermijnkosten onder controle moeten worden gehouden, wil men de visie op de Sláintecare op lange termijn verwezenlijken.

(12)

Ondanks de inspanningen van de overheid om de uitgaven voor de overheidspensioenen onder controle te houden, zal het totale tekort van het pensioenstelsel op lange termijn waarschijnlijk aanzienlijk toenemen als gevolg van de stijging van de pensioenuitgaven (van 5 % van het bbp in 2016 tot 6,6 % in 2070, met een piek van 7,5 % in 2053). Om de budgettaire houdbaarheid van het Ierse pensioenstelsel te verbeteren, is het van cruciaal belang dat de voorgestelde routekaart voor de pensioenhervorming volledig en tijdig ten uitvoer wordt gelegd.

(13)

Meer investeringen in vaardigheden, onderwijs en opleiding en in sociale inclusie zijn essentieel voor de verbetering van de productiviteit en inclusieve groei op lange termijn. Gezien de krapper wordende arbeidsmarkt, de schaarste aan vaardigheden en de slechte afstemming van de vaardigheden op de arbeidsmarkt in bepaalde sectoren, moeten inspanningen worden geleverd om inactieve groepen van potentiële werknemers te bereiken en te investeren in onderbenut menselijk kapitaal. Er is ruimte voor het stimuleren van bijscholing en een betere afstemming van de onderwijsprogramma’s en de beroepsopleiding op de behoeften van de arbeidsmarkt. Gezien het lage percentage arbeidskrachten met digitale basisvaardigheden zijn verdere investeringen vereist in opleiding op de werkplek en in bijscholing van volwassen arbeidskrachten. Investeringen in de toegang tot hoogwaardige en betaalbare kinderopvang en het uitrollen van het nationale kinderopvangsysteem zullen de relatief lage arbeidsparticipatie van vrouwen helpen verhogen. Ierland behoort tot de groep landen in Europa met de laagste arbeidsparticipatie van mensen met een handicap. Het aantal mensen dat deel uitmaakt van een huishouden met een lage arbeidsintensiteit, is een van de hoogste in de Unie. Er is dan ook behoefte aan meer geïntegreerde en gerichte activeringsstrategieën ter ondersteuning van deze specifieke groep.

(14)

Het investeringsniveau in de jaren na het begin van de economische crisis heeft negatieve gevolgen gehad voor de beschikbaarheid van betaalbare woningen en sociale huisvesting en van de nodige infrastructuur op het gebied van schoon vervoer, schone energie, waterdiensten en ultrasnelle breedband, wat op zijn beurt een belemmering vormt voor bedrijfsinvesteringen. Bovendien zijn de broeikasgasemissies van het wegvervoer in vijf jaar sterk gestegen. Een betere infrastructuur zou, in combinatie met ruimtelijke ordening, van cruciaal belang kunnen zijn om het woningaanbod te verbeteren, particuliere investeringen te bevorderen, de productiviteitsstijging te ondersteunen en een evenwichtige regionale economische ontwikkeling te waarborgen. Toekomstbestendige connectiviteit en toereikende digitale vaardigheden blijven van cruciaal belang voor een doeltreffend gebruik van digitale technologie door binnenlandse bedrijven en voor de bloei van de binnenlandse informatie- en communicatietechnologiesector. De uitdagingen op het gebied van de toegang tot ultrasnelle breedband blijven groot, met name in plattelandsgebieden. Meer infrastructuurinvesteringen in schone energie, schoon openbaar vervoer en waterdiensten, alsmede grotere inspanningen op het gebied van decarbonisatie, energie-efficiëntie, hernieuwbare energie en de circulaire economie zouden Ierland helpen bij de overgang naar een koolstofarme en uit milieuoogpunt veerkrachtige economie.

(15)

Hoewel de lancering van het nationale ontwikkelingsplan uiteindelijk zou kunnen leiden tot extra basisinfrastructuur, zou de beperkte capaciteit van de bouwsector een belemmering kunnen vormen voor de tijdige uitvoering van dit plan. Bovendien zou de diversifiëring van maritieme vervoer- en energieverbindingen met het Europese vasteland de economie beter bestand kunnen maken tegen schokken van buitenaf. Ierland is er tot dusver niet in geslaagd zijn economische groei los te koppelen van de uitstoot van broeikasgassen en luchtverontreinigende stoffen. De uitstoot van broeikasgassen is gestaag toegenomen, met name op het gebied van vervoer, landbouw en energie en in de bebouwde omgeving. Een gebrek aan vooruitgang op dit gebied zal het voor Ierland moeilijker maken om aan zijn verplichtingen in de Unie te voldoen, en zal tegelijkertijd de kosten van toekomstige maatregelen doen toenemen.

(16)

De combinatie van een aanhoudend aanbodtekort en een groeiende vraag zorgt ervoor dat de vastgoedprijzen blijven stijgen. Hoewel er in 2017 geen sprake leek te zijn van een overwaardering, is betaalbaarheid een punt van zorg aan het worden. Het woningtekort wordt ook voelbaar in de sociale huisvesting doordat er de afgelopen tien jaar te weinig geïnvesteerd en gebouwd is. Terwijl de vraag naar sociale huisvesting wordt geschat op ongeveer 72 000 eenheden, zouden er slechts 10 000 gepland zijn voor oplevering in 2019. 17 000 huishoudens zullen steun nodig hebben uit de Ierse huisvestings- of huurregeling (“Housing Assistance Payment” en “Rental Accommodation Scheme”), met als mogelijk risico een nog scherpere stijging van de huurprijzen op de particuliere huurmarkt, waar het aanbod al krap is. Een groot deel van de sociale woningen is onderbezet, met name in Dublin en omstreken, deels als gevolg van achterhaalde praktijken op het gebied van erfenis. De ontoereikende mix van types sociale woningen en het zeer beperkte aanbod betaalbare “cost-rental” woningen (waarbij de huur de bouwkosten dekt gedurende de looptijd van een bouwlening op lange termijn) zijn factoren die de situatie nog verergeren. Dit verklaart in grote mate de gestage toename van het aantal mensen en gezinnen dat in noodwoningen is ondergebracht, met een piek in het aantal daklozen in februari 2019.

(17)

Het bevorderen van de op innovatie gebaseerde productiviteit van binnenlandse bedrijven is van cruciaal belang om een meer robuuste en veerkrachtige groei van de productiviteit in het land te ondersteunen. De uitgaven van het bedrijfsleven voor onderzoek en ontwikkeling blijven stijgen, maar liggen nog steeds onder het Uniegemiddelde en komen voor het overgrote deel voor rekening van ondernemingen die in buitenlandse handen zijn. Het innovatiebeleid kan gerichter worden ingezet om de Ierse kleine en middelgrote ondernemingen beter te ondersteunen. Indirecte steun (d.w.z. belastingkredieten) blijft het belangrijkste instrument waarmee de Ierse overheid steun voor O&O verleent (goed voor 80 % van de totale overheidssteun). Sterkere banden tussen multinationals en binnenlandse ondernemingen kunnen bijdragen tot een betere verspreiding van innovatie in de hele economie. Voorts zou nauwere samenwerking tussen bedrijven en openbare onderzoekscentra het innovatiepotentieel vergroten.

(18)

Hoewel de geringe O&O-inspanningen van de overheid (1,05 % van het bbp tegenover een Uniegemiddelde van 2 %) nog steeds aanleiding geven tot bezorgdheid, biedt het recent goedgekeurde programma “Future Jobs Ireland 2019” een veelbelovend kader om innovatie en technologische verandering te stimuleren en de productiviteit van kleine en middelgrote ondernemingen te verbeteren. Om het programma volledig uit te voeren, zal de overheid haar uitgaven voor onderzoek en innovatie echter fors moeten opvoeren en het programma moeten omzetten in concrete beleidsmaatregelen. Deze ambitieuze lijst van maatregelen moet op een aantal belangrijke punten nog nader worden uitgewerkt. Bovendien moeten concrete data voor de uitvoering van de maatregelen worden bepaald. Voor acties die in 2019 moeten worden ondernomen, zijn bijvoorbeeld geen maatregelen vastgesteld om de beschikbaarheid van langetermijninvesteringen in aandelenkapitaal te verhogen en zodoende binnenlandse ondernemingen te ondersteunen bij het uitbreiden van hun activiteiten; om kleine en middelgrote ondernemingen ertoe aan te zetten in nieuwe technologieën te investeren, is een beleidsmix uitgewerkt met een combinatie van fiscale en niet-fiscale prikkels die investeringen van die ondernemingen in innovatie moeten stimuleren, maar de relatieve omvang van deze maatregelen is nog niet bekend. “Future Jobs Ireland 2019” omvat geen specifieke maatregelen en te leveren prestaties om de kloof tussen Ierland en andere lidstaten te overbruggen op het gebied van de uitrol van toekomstbestendige breedbandnetwerken in overeenstemming met de voor 2025 vastgestelde doelstellingen van de Uniestrategie voor de gigabitmaatschappij. Verwacht wordt dat het nationale breedbandplan deze kloof zal helpen dichten.

(19)

De regionale verschillen in Ierland zijn aanzienlijk en zijn de afgelopen tien jaar nog groter geworden. In vergelijking met andere lidstaten zijn er in Ierland grote verschillen tussen de regio’s, wat bbp per hoofd van de bevolking betreft. Tussen 2000 en 2016 is het bbp per hoofd van de bevolking in de zuidelijke en oostelijke regio met 74 % toegenomen, 63 procentpunten meer dan in de regio Border, Midland en West. Na 2012 is er een versnelling van de stijging te zien. In 2016 was het bbp per hoofd van de bevolking in de zuidelijke en oostelijke regio 2,6 keer hoger dan in de regio Border, Midland en West. De regio Dublin, waar 40 % van de Ierse bevolking woont, heeft tussen 2000 en 2016 met 62 procentpunten bijgedragen aan de groei van het bbp.

(20)

Bepaalde regels die het ondernemerschap belemmeren (met name op het gebied van commerciële eigendom en juridische diensten) hebben een negatief effect op de komst en het vertrek van ondernemingen en daardoor op de productiviteit van de binnenlandse Ierse bedrijven. De belemmeringen voor toegang tot detailhandelsmarkten vormen een probleem. Ierland behoort tot de vijf landen met het grootste aantal procedurele vereisten voor de vestiging van detailhandelszaken. Detailhandelaars worden geconfronteerd met procedurele belemmeringen die de opening van nieuwe handelszaken vertragen en duurder maken en de marktstructuur en -dynamiek nadelig kunnen beïnvloeden.

(21)

De uitvoering van de nieuwe “Legal Services Regulation Act” laat vooralsnog op zich wachten omdat de invoering van de regelgeving, niettegenstaande het lopende voorbereidende overleg, aanzienlijke vertraging blijft oplopen. Het blijft onzeker of voorzien wordt in directe professionele toegang tot “barristers” bij geschillen en in de mogelijkheid om als rechtspersoon partner te worden in alle soorten rechtspraktijken. Te complexe werkings- en beheersvoorschriften voor multidisciplinaire praktijken moeten echter worden vermeden. Een ambitieuze uitvoering van bijstelbare hervormingen is een topprioriteit. Het onderdeel “Ambition 2.3” van het programma “Future Jobs Ireland 2019” is bedoeld om problemen inzake de kosten van juridische diensten aan te pakken, maar de enige prestatie die in 2019 moet worden geleverd, is indicatief en het tijdschema is dubbelzinnig. Vertragingen bij de uitvoering van deze hervorming dragen bij tot de hoge kosten van juridische diensten in Ierland, ten nadele van zowel het bedrijfsleven, met name kleine en middelgrote ondernemingen, als individuele personen. Omdat juridische diensten belangrijk zijn als input voor andere zakelijke diensten, dragen beperkingen op dat vlak bij aan de hoge kosten van andere diensten (bv. verzekeringen).

(22)

De percentages niet-renderende leningen zijn blijven dalen, met 4,4 procentpunten tot 5,5 % in het jaar tot het vierde kwartaal van 2018. Banken zijn goed op weg om hun reductiedoelstellingen te halen, ondersteund door verkoop van portefeuilles, herstructureringen en stijgende vastgoedprijzen. De betalingsachterstanden (van meer dan twee jaar) bij langlopende hypotheken zijn nog steeds relatief hoog en zijn een van de redenen waarom het percentage niet-renderende leningen boven het gemiddelde van het eurozone blijft. Er is een aantal initiatieven en ontwerpwetten, zoals de “no consent, no sale”-wet (geen verkoop zonder toestemming), voorgesteld om het sociale en economische effect van de afwikkeling van niet-renderende leningen aan te pakken, onder meer voor kwetsbare huishoudens. Het kredietregister is in 2018 volledig operationeel geworden voor consumentenleningen en zal van cruciaal belang zijn om te beoordelen of kredietnemers in staat zijn hun schulden af te lossen. De insolventieprocedures en het gebruik van gerechtelijke en buitengerechtelijke mogelijkheden voor de afwikkeling van betalingsachterstanden blijven beperkt. Het blijft een uitdaging om de betalingsachterstanden bij langlopende hypotheken verder te reduceren en tegelijkertijd voort te bouwen op initiatieven voor kwetsbare huishoudens zonder de afwikkeling van niet-renderende leningen onnodig te belemmeren. Hiertoe is voortdurende monitoring vereist.

(23)

De programmering van de Uniemiddelen voor de periode 2021-2027 zou kunnen bijdragen tot het aanpakken van een aantal van de in de aanbevelingen geconstateerde leemten, met name op de gebieden die worden behandeld in bijlage D bij het landverslag 2019. Dit zou Ierland in staat stellen om deze middelen optimaal in te zetten in de daar genoemde sectoren, rekening houdend met regionale verschillen.

(24)

In de context van het Europees Semester 2019 heeft de Commissie een brede analyse van het economisch beleid van Ierland verricht. De analyse is gepubliceerd in het landverslag 2019. Voorts heeft de Commissie zowel het stabiliteitsprogramma 2019 als het nationale hervormingsprogramma 2019 doorgelicht en onderzocht welk gevolg is gegeven aan de aanbevelingen die in eerdere jaren tot Ierland zijn gericht. Daarbij is de Commissie niet alleen nagegaan of deze programma’s relevant zijn voor een houdbaar begrotings- en sociaal-economisch beleid in Ierland, maar ook of ze in overeenstemming zijn met de Unieregels en -richtsnoeren, gezien de noodzaak de algehele economische governance van de Unie te versterken door middel van een inbreng van de Unie in toekomstige nationale besluiten.

(25)

In het licht van deze beoordeling heeft de Raad het stabiliteitsprogramma 2019 onderzocht en is hij van mening (9) dat Ierland naar verwachting aan het stabiliteits- en groeipact zal voldoen.

(26)

In het licht van de diepgaande evaluatie door de Commissie en van deze beoordeling heeft de Raad het nationale hervormingsprogramma 2019 en het stabiliteitsprogramma 2019 onderzocht. Zijn aanbevelingen op grond van artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 zijn in de onderstaande aanbevelingen 1 en 3 weergegeven. Die aanbevelingen dragen ook bij tot de uitvoering van de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone, met name de tweede aanbeveling voor de eurozone. Het in aanbeveling 1 bedoelde begrotingsbeleid draagt onder meer bij tot het aanpakken van onevenwichtigheden in verband met de hoge overheidsschuld,

BEVEELT AAN dat Ierland in 2019 en 2020 de volgende actie onderneemt:

1.   

In 2020 de middellangetermijndoelstelling voor de begroting halen. Eventuele meevallers gebruiken om de overheidsschuldquote sneller te verminderen. Belastinguitgaven in reikwijdte en aantal beperken en de belastinggrondslag verbreden. Elementen van het belastingstelsel blijven aanpakken die agressieve fiscale planning kunnen faciliteren, met bijzondere aandacht voor uitgaande betalingen. De verwachte stijging van de leeftijdsgerelateerde uitgaven aanpakken door het gezondheidszorgstelsel kosteneffectiever te maken en door de plannen voor de pensioenhervorming volledig ten uitvoer te leggen.

2.   

Zorgen voor gepersonaliseerde, actieve integratieondersteuning, en bijscholing stimuleren, met name voor kwetsbare groepen en mensen in huishoudens met een lage arbeidsintensiteit. De toegang tot betaalbare en hoogwaardige kinderopvang verbeteren.

3.   

Het economisch beleid inzake investeringen richten op decarbonisatie en de energietransitie, de reductie van broeikasgasemissies, duurzaam vervoer, waterdiensten, digitale infrastructuur, betaalbare woningen en sociale huisvesting, rekening houdend met regionale verschillen. Maatregelen uitvoeren, onder meer in het kader van de “Future Jobs”-strategie, om de economie te diversifiëren en de productiviteit van Ierse bedrijven — met name kleine en middelgrote ondernemingen — te verbeteren, door gebruik te maken van meer directe investeringsinstrumenten om onderzoek en innovatie te stimuleren en door de regels die het ondernemerschap belemmeren, te reduceren.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LINTILÄ


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(2)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25.

(3)  PB C 136 van 12.4.2019, blz. 1.

(4)  PB C 320 van 10.9.2018, blz. 27.

(5)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(6)  Conjunctuurgezuiverd begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, herberekend door de Commissie volgens de gezamenlijk overeengekomen methode.

(7)  De netto primaire overheidsuitgaven bestaan uit de totale overheidsuitgaven exclusief rente-uitgaven, uitgaven in het kader van programma’s van de Unie die volledig met inkomsten uit Uniefondsen worden gefinancierd en niet-discretionaire veranderingen in de uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen. Nationaal gefinancierde bruto-investeringen in vaste activa worden gespreid over een periode van vier jaar. Er wordt rekening gehouden met discretionaire inkomstenmaatregelen of bij wet verplicht gestelde inkomstenstijgingen. Eenmalige maatregelen aan zowel de inkomsten- als de uitgavenzijde worden uitgevlakt. De uitgavenbenchmark voor Ierland is aangepast om te corrigeren voor een verstoring van het tienjaarsreferentiepercentage voor de potentiële groei als gevolg van de uitzonderlijk sterke stijging van de reële bbp-groei in 2015. In navolging van de benadering die door de Ierse autoriteiten is gevolgd bij hun berekening van de begroting 2017, heeft de Commissie het gemiddelde van de potentiële groeipercentages in 2014 en 2016 genomen.

(8)  Net als voor 2019 is de uitgavenbenchmark aangepast om te corrigeren voor een verstoring van het tienjaarsreferentiepercentage voor de potentiële groei als gevolg van de uitzonderlijk sterke stijging van de reële bbp-groei in 2015.

(9)  Op grond van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97.


5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 301/42


AANBEVELING VAN DE RAAD

van 9 juli 2019

over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Griekenland en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Griekenland

(2019/C 301/08)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (1), en met name artikel 5, lid 2,

Gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (2), en met name artikel 6, lid 1,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 21 november 2018 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse groeianalyse en daarmee de aanzet gegeven tot het Europees Semester 2019 voor coördinatie van het economisch beleid. Daarin wordt terdege rekening gehouden met de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie werd geproclameerd. De prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse zijn op 21 maart 2019 door de Europese Raad bekrachtigd. Op 21 november 2018 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 ook het waarschuwingsmechanismeverslag aangenomen, waarin zij Griekenland heeft genoemd als een van de lidstaten die aan een diepgaande evaluatie zouden worden onderworpen. Tevens heeft de Commissie op die datum een aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone aangenomen, die op 21 maart 2019 door de Europese Raad is bekrachtigd. Op 9 april 2019 heeft de Raad de aanbeveling over het economisch beleid van de eurozone (3) (“aanbeveling voor 2019 voor de eurozone”) aangenomen, die vijf aanbevelingen voor de eurozone (“de aanbevelingen voor de eurozone”) bevat.

(2)

Als lidstaat die de euro als munt heeft en in het licht van de grote onderlinge verwevenheid tussen de economieën van de economische en monetaire unie, zou Griekenland ervoor moeten zorgen dat volledig en tijdig uitvoering wordt gegeven aan de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone, zoals weergegeven in de onderstaande aanbevelingen 1 en 2. Met name hervormingen die in overeenstemming zijn met de post-programmatoezeggingen en gericht zijn op een economisch beleid met investeringen op specifieke terreinen zullen bijdragen tot het uitvoeren van de aanbeveling voor de eurozone.

(3)

Op 27 februari 2019 is het landverslag 2019 voor Griekenland gepubliceerd. Daarin werd de vooruitgang beoordeeld die Griekenland in de richting van zijn nationale Europa 2020-doelstellingen heeft geboekt. Het landverslag bevatte ook een op grond van artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 uitgevoerde diepgaande evaluatie, waarvan de uitkomsten ook op 27 februari 2019 zijn bekendgemaakt. Op basis van haar analyse concludeerde de Commissie dat Griekenland wordt geconfronteerd met buitensporige macro-economische onevenwichtigheden. De geconstateerde onevenwichtigheden hielden met name verband met de hoge overheidsschuld, de negatieve internationale netto-investeringspositie, het hoge percentage niet-renderende leningen op de balansen van de banken en het nog steeds hoge werkloosheidspercentage. Bovendien zullen de diepgaande institutionele en structurele hervormingen die de afgelopen jaren zijn gestart om de economie te moderniseren, vele jaren van consequente uitvoering vergen, voordat deze zich in hun volle omvang doen gevoelen.

(4)

Griekenland heeft op 26 april 2019 zijn nationaal hervormingsprogramma 2019 en op 30 april 2019 zijn stabiliteitsprogramma 2019 ingediend. Om met de onderlinge verbanden tussen beide programma’s rekening te houden, zijn deze tegelijkertijd geëvalueerd.

(5)

Op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4) kan de Commissie een lidstaat verzoeken zijn partnerschapsovereenkomst en de desbetreffende programma’s opnieuw te bezien en wijzigingen daarop voorstellen indien dit nodig is om de uitvoering van de betrokken aanbevelingen van de Raad te ondersteunen. De Commissie heeft in richtsnoeren over de toepassing van de maatregelen die de effectiviteit van de Europese structuur- en investeringsfondsen koppelen aan gezonde economische governance nader aangegeven hoe zij van die bepaling zou gebruikmaken (5).

(6)

Griekenland valt momenteel onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact en is aan de overgangsregel voor de schuld onderworpen. Griekenland zou ook een gezonde begrotingssituatie moeten handhaven die waarborgt dat het bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1226 van de Raad (6) vastgestelde streefcijfer voor het primaire overschot van 3,5 % van het bruto binnenlands product (bbp) voor 2018 en op middellange termijn wordt gehaald. In het voorjaar van 2018 heeft de Raad in het kader van het Europees Semester geen landspecifieke aanbeveling aan Griekenland gedaan: Griekenland was op dat moment op grond van artikel 12 van Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en de Raad (7) immers vrijgesteld van het toezicht en de beoordeling van het Europees Semester aangezien er voor het land een macro-economisch aanpassingsprogramma liep. Het post-programmakader voor Griekenland omvat de activering van het verscherpt toezicht, samen met de integratie van Griekenland in het kader van het Europees Semester voor coördinatie van het economisch en sociaal beleid, waarbij er wordt gestreefd naar maximale synergie tussen het verscherpt toezicht en het Europees Semester.

(7)

In haar stabiliteitsprogramma 2019 gaat de regering uit van een nominaal overschot tussen 1,1 % en 1,7 % van het bbp in de periode 2019-2022. De regering heeft haar begrotingsdoelstelling op middellange termijn vastgesteld: een structureel begrotingsoverschot van 0,25 % van het bbp vanaf 2020. Op basis van het herberekende structurele saldo (8) zal deze middellangetermijndoelstelling voor de begroting gedurende de gehele programmaperiode ruimschoots worden gehaald en zal de overheidsschuldquote naar verwachting geleidelijk afnemen tot 153,3 % in 2022. Het macro-economische scenario dat aan die begrotingsprognoses ten grondslag ligt, is door een onafhankelijk orgaan bekrachtigd en is gunstig. Volgens de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie zal het structurele saldo naar verwachting een overschot vertonen van 1,9 % van het bbp in 2019 en 0,8 % van het bbp in 2020, wat hoger is dan de begrotingsdoelstelling op middellange termijn. De overheidsschuld zal naar verwachting op een neerwaarts traject blijven en de verwachting is dan ook dat Griekenland in 2019 aan de overgangsregel voor de schuld en in 2020 aan de schuldregel zal voldoen. Al bij al zou Griekenland op basis van de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie en dus met uitsluiting van de nieuwe maatregelen die na de afsluitingsdatum zijn vastgesteld, in 2019 en 2020 naar verwachting aan de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact voldoen. Op dezelfde basis werd ook geoordeeld dat Griekenland voldeed aan het in het kader van het verscherpt toezicht vastgestelde streefcijfer van een primair overschot van 3,5 % van het bbp.

(8)

Het stabiliteitsprogramma en de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie bevatten geen nieuwe permanente maatregelen die kort na hun respectieve indienings- en afsluitingsdata zijn aangekondigd en vastgesteld. De Commissie raamt de budgettaire impact van deze maatregelen op meer dan 1,0 % van het bbp in 2019 en de daaropvolgende jaren. Ook wordt geoordeeld dat de vaststelling van deze nieuwe maatregelen een risico vormt voor het overeengekomen streefcijfer voor het primaire overschot, dat in het kader van het raamwerk voor verscherpt toezicht is gemonitord en bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1226 is vastgesteld. Bovendien wordt verwacht dat de nieuwe maatregelen het structurele saldo zullen verminderen, hetgeen vragen doet rijzen over de verwezenlijking van de begrotingsdoelstelling op middellange termijn in 2020. In het najaar van 2019 zal er echter een herbeoordeling plaatsvinden die een herziening van de toepasselijke benchmark voor de nettogroei van de uitgaven in 2020 zal omvatten. Hoewel de overheidsschuld naar verwachting op een neerwaarts pad zal blijven, zouden er risico’s kunnen ontstaan met betrekking tot de inachtneming van de schuldreductiebenchmark. Naar aanleiding van deze nieuwe maatregelen zal hiervan in het najaar een herbeoordeling moeten worden verricht.

(9)

Na de succesvolle voltooiing van het programma voor financiële bijstand in het kader van het Europees stabiliteitsmechanisme is Griekenland onderworpen aan een in het Europees Semester geïntegreerd kader voor post-programmatoezicht en staat het onder verscherpt toezicht overeenkomstig Verordening (EU) nr. 472/2013. Bij de activering van verscherpt toezicht voor Griekenland op grond van de Uitvoeringsbesluiten (EU) 2018/1192 (9) en (EU) 2019/338 (10) van de Commissie is rekening gehouden met het feit dat Griekenland op middellange termijn maatregelen moet blijven nemen om de oorzaken of potentiële oorzaken van macro-economische onevenwichtigheden aan te pakken, en tegelijkertijd structurele hervormingen moet doorvoeren om krachtige, duurzame economische groei te ondersteunen. Griekenland heeft in de Eurogroep op 22 juni 2018 toegezegd alle belangrijke hervormingen die in het kader van het programma werden vastgesteld, voort te zetten totdat deze volledig zijn voltooid. Griekenland heeft ook toegezegd specifieke acties te zullen implementeren op het gebied van budgettair en budgettair-structureel beleid, sociale welvaart, financiële stabiliteit, arbeids- en productmarkten, privatisering en openbaar bestuur. Griekenland is onderworpen aan een driemaandelijkse voortgangsrapportage over de uitvoering van zijn verplichtingen onder het verscherpt toezicht, waar een gunstig verslag op halfjaarlijkse basis de weg kan vrijmaken voor schuldverlichtingsmaatregelen ter waarde van 0,7 % van het bbp per jaar. In april 2019 heeft de Eurogroep ingestemd met de vrijgave van de eerste tranche van beleidsafhankelijke schuldmaatregelen ten belope van 970 miljoen EUR. Het derde verslag over het verscherpt toezicht waarin de vorderingen van Griekenland bij de uitvoering van zijn toezeggingen worden beoordeeld, is op 5 juni 2019 bekendgemaakt.

(10)

Hervormingen die het ondernemingsklimaat en de kwaliteit van de instellingen verbeteren, met name de efficiëntie van het gerechtelijk apparaat, zouden de economische veerkracht in Griekenland ten goede komen, de betalingsdiscipline verbeteren en een aanzienlijke impact moeten hebben op investeringsbeslissingen en bedrijven moeten aantrekken. Ondanks recente verbeteringen staat het Griekse gerechtelijke apparaat nog steeds voor uitdagingen en vertoont het gebrek aan efficiëntie, aangezien de termijnen die nodig zijn om tot beslissingen te komen vaak te lang zijn, en de achterstanden op de productiviteit van de rechtbanken wegen. Verdere gerichte maatregelen op dit gebied zijn daarom cruciaal, ook om de soepele werking van het financiële stelsel te bevorderen en om het investeringspotentieel te ontsluiten.

(11)

Verscheidene jaren van onderinvestering hebben geleid tot een aanzienlijk tekort aan investeringen in Griekenland. Het stimuleren van groeibevorderende investeringen zal een cruciale rol spelen bij het versterken van de groei op langere termijn en het terugdringen van regionale verschillen. Hervormingen in de financiële sector ten gunste van meer kredietverlening zullen van cruciaal belang zijn voor het bevorderen van investeringen. In het landverslag 2019 zijn de prioritaire gebieden voor overheidsinvesteringen en particuliere investeringen vastgesteld.

(12)

Meer investeringen in onderwijs en opleiding zijn essentieel om de productiviteit en inclusieve groei op lange termijn in Griekenland te verbeteren en de belemmeringen voor groei in innovatieve sectoren weg te nemen. Het Griekse onderwijssysteem staat voor verschillende uitdagingen, met onvoldoende middelen, een lage autonomie, ondermaatse prestaties voor basisvaardigheden (met inbegrip van digitale vaardigheden) en het hardnekkige probleem dat het aanbod van en de vraag naar vaardigheden niet op elkaar aansluiten. Op alle niveaus ontbreken verantwoordingen toezicht grotendeels, die nodig zijn om een kwaliteitsverbetering van het onderwijsstelsel tot stand te brengen. Om duurzame groei te ondersteunen, is het belangrijk onderwijs en opleidingen die hoogwaardig en inclusief zijn, te bevorderen, nauwere banden tot stand te brengen tussen onderwijs en de behoeften van de arbeidsmarkt, beroepsonderwijs en -opleiding aantrekkelijker te maken en de deelname aan een leven lang leren te versterken.

(13)

Ondanks recente verbeteringen is het percentage langdurig werklozen, dat in 2018 in Griekenland 70 % van de werklozen uitmaakte, zeer hoog en zijn de hoge jeugdwerkloosheid en de lage arbeidsparticipatie van vrouwen eveneens punten van zorg. Maatregelen zouden gericht moeten zijn op de verbetering van de werkgelegenheidsvooruitzichten, de ondersteuning van de arbeidsmarktparticipatie en het bevorderen van voorwaarden voor het scheppen van werkgelegenheid. Met een effectieve sociale dialoog en een verantwoordelijk sociaal partnerschap in Griekenland kan de uitvoering van en het draagvlak voor duurzame hervormingen worden ondersteund, hetgeen resulteert in een betere werking van de arbeidsmarkt. Griekenland wordt gekenmerkt door hoge inkomensongelijkheid.

(14)

Er zijn nu hervormingen gestart, maar Griekenland wordt gekenmerkt door hoge inkomensongelijkheid: de sociale overdrachten hebben er het laagste effect op de vermindering van het risico op armoede in de Unie (15,83 % in 2017 tegenover een Uniegemiddelde van 33,98 %). De investeringen zouden gericht moeten zijn op het verbeteren van de toegang tot inclusieve, betaalbare en hoogwaardige sociale diensten, evenals op de ontwikkeling van dagverblijven. Ondersteuning van de meest behoeftigen en bevordering van de sociale integratie van kinderen die risico lopen op armoede, van personen met een handicap, van migranten en vluchtelingen, met aandacht voor geografische verschillen, zou leiden tot een betere sociale integratie in Griekenland.

(15)

Griekenland heeft in 2017 de aanzet gegeven tot een ingrijpende hervorming van de eerstelijnsgezondheidszorg, hetgeen cruciaal is om de toegang tot gezondheidszorg te waarborgen en verdere investeringen vereist voor de oprichting van lokale medische centra (“TOMY’s”).

(16)

Het Griekse vervoerssysteem staat voor belangrijke uitdagingen. Het vervoer over de weg is veruit de belangrijkste vervoersmodus en het vervoerssysteem is dus sterk afhankelijk van olie; alle belangrijke verbindingen vertrekken vanuit de as Athene-Thessaloniki. De vervoerskosten blijven hoog, terwijl de kwaliteit van de dienstverlening, de veiligheidsnormen en de penetratie van intelligente vervoerssystemen laag blijven. Er zijn nieuwe investeringen nodig om het aandeel multimodaal vervoer te verhogen en regionale integratie en stedelijke ontwikkeling te bevorderen.

(17)

De verwerking van vast afval en stedelijk en industrieel afvalwater is de belangrijkste sector die extra investeringen behoeft om de milieubeschermingsnormen van het land af te stemmen op de rest van de Unie. Het beheer van vast afval blijft een grote structurele uitdaging, waarbij Griekenland nog steeds sterk leunt op het storten van afval en mechanisch-biologische behandeling in plaats van modernere technieken. Bovendien bedraagt het aandeel van gerecycleerd stedelijk afval slechts ongeveer een derde van het Uniegemiddelde. Er zijn ook investeringen nodig om de waterbehandeling te verbeteren, verzilting van het grondwater tegen te gaan en maatregelen te ondersteunen om overstromingen te voorkomen en de natuurlijke stroming van rivieren te herstellen.

(18)

Onderontwikkelde infrastructuur zorgt voor hogere energiekosten voor bedrijven en huishoudens en vormt een belemmering voor het gebruik van hernieuwbare energie. Griekenland staat voor een bijzondere uitdaging in verband met de elektriciteitsverbindingen van de eilanden en de verbinding met buurlanden. De verdere ontwikkeling van de commerciële gasinfrastructuur zou de markt helpen groeien. Bij de hervorming van zowel de gas- als de elektriciteitsmarkt moet ernaar gestreefd worden om gebruik te maken van deze nieuwe mogelijkheden op het gebied van infrastructuur.

(19)

De digitale transformatie van de economie en de samenleving blijft een uitdaging, met geringe toegang tot snelle breedbandnetwerken, en met digitale vaardigheden ruim onder het Uniegemiddelde. Het is met name noodzakelijk dat Griekenland investeert in informatie- en communicatietechnologie, ook om de achterblijvende investeringen tijdens de crisis te compenseren. Ontoereikende snellebreedbandverbindingen leiden tot grote knelpunten voor dynamische exportgeoriënteerde bedrijven. De investeringen in innovatie en vaardigheden van mensen zijn ontoereikend om de productiviteitsgroei te bevorderen, en het gebrek aan digitale vaardigheden bij de mensen verhindert hen banen te vinden en belemmert de ontwikkeling van innovatieve bedrijven.

(20)

Er zijn nieuwe nationale en regionale strategieën voor slimme specialisatie en extra maatregelen ter verhelping van de nijpendste tekortkomingen van het systeem voor onderzoek en innovatie nodig om marktgerichte investeringen in onderzoek en ontwikkeling (O&O) te stimuleren, die gering blijven en onvoldoende bijdragen aan het groeipotentieel van Griekenland. Vooruitgang op het gebied van wetenschappelijke excellentie wordt belemmerd door de lage intensiteit van de overheidsuitgaven voor O&O, het ontbreken van een op prestaties gebaseerd financieringssysteem en zwakke banden tussen wetenschap en bedrijfsleven. Er zijn ook meer investeringen nodig om een opwaartse trend teweeg te brengen in de lage niveaus van technologische ontwikkeling, die tot uiting komen in het zeer lage aantal octrooien in vergelijking met andere lidstaten, en om het potentieel van startende en snelgroeiende ondernemingen volledig te benutten.

(21)

Als sectoroverschrijdende kwestie zijn investeringen in de herwaardering van achtergestelde stedelijke gebieden, eilanden en berggebieden noodzakelijk om het verlies en het aan kwaliteit inboeten van het fysieke en menselijke kapitaal van het land tijdens de economische crisis tegen te gaan. Duurzame herontwikkeling van achtergestelde en/of gede-industrialiseerde gebieden in de agglomeraties Athene-Piraeus en Thessaloniki en in sommige belangrijke perifere stedelijke centra is een specifieke prioriteit voor de middellange termijn. Tot de prioriteiten op langere termijn behoren de ontwikkeling van duurzame productieve activiteiten, de verbetering van mobiliteits- en veiligheidssystemen, energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, milieubescherming en de verbetering van de bestendigheid tegen natuurrampen en sociaal-economische crises. Maatregelen zouden ook gericht moeten zijn op sociale inclusie, de integratie van migranten, de verwerving van vaardigheden om de werkloosheid terug te dringen, en culturele activiteiten om achtergestelde gebieden aantrekkelijker te maken. Het aangaan van deze uitdagingen door middel van geïntegreerde stadsvernieuwingsstrategieën zou de kansen om de beste economische, sociale en ecologische resultaten te bereiken, maximaliseren.

(22)

De programmering van de Uniemiddelen voor de periode 2021-2027 zou kunnen bijdragen tot het verhelpen van een aantal van de in de aanbevelingen geconstateerde leemten, met name op de gebieden die worden behandeld in bijlage D bij het landverslag 2019. Dit zou Griekenland in staat stellen optimaal gebruik te maken van deze middelen met betrekking tot de geïdentificeerde sectoren, rekening houdend met regionale verschillen. Versterking van de bestuurlijke capaciteit voor het beheer van de fondsen is een belangrijke factor voor het welslagen van investeringen.

(23)

In de context van het Europees Semester 2019 heeft de Commissie een brede analyse van het economisch beleid van Griekenland verricht. Die analyse is gepubliceerd in het landverslag 2019. Voorts heeft de Commissie zowel het stabiliteitsprogramma 2019 als het nationale hervormingsprogramma 2019 doorgelicht. Daarbij heeft de Commissie niet alleen gekeken naar de relevantie ervan voor een houdbaar budgettair en sociaal-economisch beleid in Griekenland, maar is zij ook nagegaan of de Unieregels en -richtsnoeren in acht zijn genomen, gezien de noodzaak om de algehele economische governance van de Unie te versterken door middel van een inbreng op Unieniveau in toekomstige nationale besluiten.

(24)

In het licht van deze beoordeling heeft de Raad het stabiliteitsprogramma 2019 onderzocht en is hij van mening (11) dat Griekenland naar verwachting aan het stabiliteits- en groeipact zal voldoen.

(25)

In het licht van de diepgaande evaluatie door de Commissie en van deze beoordeling heeft de Raad het nationale hervormingsprogramma 2019 en het stabiliteitsprogramma 2019 onderzocht. Zijn aanbevelingen op grond van artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 zijn in de onderstaande aanbevelingen 1 en 2 weergegeven. Deze aanbevelingen dragen ook bij tot de uitvoering van de eerste vier aanbevelingen voor de eurozone,

BEVEELT AAN dat Griekenland in 2019 en 2020 de volgende actie onderneemt:

1.   

Een duurzaam economisch herstel tot stand brengen en de buitensporige macro-economische onevenwichtigheden aanpakken door hervormingen voort te zetten en te voltooien in overeenstemming met de post-programmatoezeggingen die zijn gedaan op de vergadering van de Eurogroep van 22 juni 2018.

2.   

Het investeringsgerelateerd economisch beleid toespitsen op duurzaam vervoer en logistiek, milieubescherming, energie-efficiëntie, hernieuwbare energie en interconnectieprojecten, digitale technologieën, O&O, onderwijs, vaardigheden, inzetbaarheid, gezondheid en de vernieuwing van stedelijke gebieden, rekening houdend met regionale verschillen en de noodzaak sociale integratie te waarborgen.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LINTILÄ


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(2)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25.

(3)  PB C 136 van 12.4.2019, blz. 1.

(4)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(5)  Doc. COM(2014) 494 final.

(6)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1226 van de Raad van 30 juni 2017 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/544 tot goedkeuring van het macro-economische aanpassingsprogramma van Griekenland (2015/1411) (PB L 174 van 7.7.2017, blz. 22).

(7)  Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende de versterking van het economische en budgettaire toezicht op lidstaten in de eurozone die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden ten aanzien van hun financiële stabiliteit (PB L 140 van 27.5.2013, blz. 1).

(8)  Conjunctuurgezuiverd begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, herberekend door de Commissie volgens de gezamenlijk overeengekomen methode.

(9)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1192 van de Commissie van 11 juli 2018 betreffende de activering van verscherpt toezicht voor Griekenland (PB L 211 van 22.8.2018, blz. 1).

(10)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/338 van de Commissie van 20 februari 2019 betreffende de verlenging van verscherpt toezicht voor Griekenland (PB L 60 van 28.2.2019, blz. 17).

(11)  Op grond van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97.


5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 301/48


AANBEVELING VAN DE RAAD

van 9 juli 2019

over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Spanje en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Spanje

(2019/C 301/09)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (1), en met name artikel 5, lid 2,

Gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (2), en met name artikel 6, lid 1,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 21 november 2018 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse groeianalyse en daarmee de aanzet gegeven tot het Europees Semester 2019 voor coördinatie van het economisch beleid. Daarin wordt terdege rekening gehouden met de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie werd geproclameerd. De prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse zijn op 21 maart 2019 door de Europese Raad bekrachtigd. Op 21 november 2018 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 ook het waarschuwingsmechanismeverslag aangenomen, waarin zij Spanje heeft genoemd als een van de lidstaten die aan een diepgaande evaluatie zouden worden onderworpen. Tevens heeft de Commissie op die datum een aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone aangenomen, die op 21 maart 2019 door de Europese Raad is bekrachtigd. Op 9 april 2019 heeft de Raad de aanbeveling over het economisch beleid van de eurozone (3) (“aanbeveling voor 2019 voor de eurozone”) aangenomen, die vijf aanbevelingen voor de eurozone (“de aanbevelingen voor de eurozone”) bevat.

(2)

Als lidstaat die de euro als munt heeft en in het licht van de grote onderlinge verwevenheid tussen de economieën van de economische en monetaire unie zou Spanje ervoor moeten zorgen dat volledig en tijdig uitvoering wordt gegeven aan de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone, die wordt weergegeven in de aanbevelingen 1 tot en met 4 hieronder. Meer bepaald zullen maatregelen ter verbetering van de productiviteit helpen om gevolg te geven aan de eerste aanbeveling voor de eurozone, wat betreft productiviteitsverbeteringen voor een herbalancering binnen de eurozone; het benutten van meevallers om de overheidsschuld terug te dringen en het richten van investeringsgerelateerd economisch beleid op de gespecificeerde gebieden zullen helpen om gevolg te geven aan de tweede aanbeveling voor de eurozone wat betreft het herstel van buffers en steun voor investeringen; en maatregelen ter verbetering van vaardigheden en van de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt zullen helpen om gevolg te geven aan de derde aanbeveling voor de eurozone wat betreft het functioneren van de arbeidsmarkt.

(3)

Op 27 februari 2019 is het landverslag 2019 voor Spanje gepubliceerd. Daarin werd de vooruitgang beoordeeld die Spanje bij het opvolgen van de op 13 juli 2018 door de Raad aangenomen landspecifieke aanbevelingen (4) heeft gemaakt, alsmede het gevolg dat is gegeven aan de landspecifieke aanbevelingen die in de jaren voordien werden aangenomen, en de vooruitgang die Spanje in de richting van zijn nationale Europa 2020-doelstellingen heeft geboekt. Het landverslag bevatte ook een op grond van artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 uitgevoerde diepgaande evaluatie, waarvan de uitkomsten ook op 27 februari 2019 zijn bekendgemaakt. Op basis van haar analyse concludeert de Commissie dat Spanje macro-economische onevenwichtigheden ondervindt. Grote volumes binnenlandse en buitenlandse schulden, zowel bij de overheid als bij particulieren, en de hoge werkloosheid, in de context van een zwakke productiviteitsgroei, zijn nog steeds zwakke punten met grensoverschrijdende relevantie. Er wordt vooruitgang geboekt met de het verminderen van de schulden in de particuliere sector, maar schuldafbouw blijft hoognodig. Ondanks de aanhoudende robuuste groei van het bruto binnenlands product (bbp) blijft de overheidsschuldquote hoog. Het werkloosheidscijfer daalt nog steeds in snel tempo, maar blijft zeer hoog en de hoge segmentering van de arbeidsmarkt tussen tijdelijke contracten en contracten van onbepaalde duur verhindert een snellere groei van de arbeidsproductiviteit. Tussen 2012 en 2015 was er veel hervormingsdynamiek, maar een veranderende politieke context heeft er het afgelopen jaar toe bijgedragen dat er weer weinig vooruitgang is geboekt wat betreft de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen van de vorige jaren. De huidige gunstige economische situatie kan een ideale gelegenheid zijn om actie te ondernemen waar hervormingen al lang op zich laten wachten om de Spaanse economie veerkrachtiger te maken en de productiviteitsgroei te versnellen.

(4)

Op 30 april 2019 heeft Spanje zijn nationale hervormingsprogramma 2019 en zijn stabiliteitsprogramma 2019 ingediend. Om met de onderlinge verbanden tussen beide programma’s rekening te houden, zijn deze tegelijkertijd geëvalueerd.

(5)

Het stabiliteitsprogramma 2019 bevat een verslag over de maatregelen ter uitvoering van de preventie- en correctie-instrumenten van de Spaanse stabiliteitswet. Het bevat evenwel geen plannen om de toepassing van deze instrumenten automatisch te maken en de uitgavenregel van de stabiliteitswet te herzien, met het oog op een sterkere bijdrage tot de consolidering van de begroting, met name tijdens een economische opleving. Op het gebied van overheidsopdrachten zal de ambitieuze tenuitvoerlegging van de Wet op de overheidsopdrachten van 2017 een draagvlak creëren om de doelmatigheid van de overheidsuitgaven te verbeteren en onregelmatigheden te helpen voorkomen. Het is met name belangrijk dat de nieuwe beheersstructuur, met name het onafhankelijke bureau voor regulering en supervisie, de haar toegewezen taken effectief kan uitoefenen, en dat de omvattende nationale strategie inzake overheidsopdrachten spoedig wordt goedgekeurd, met actieve betrokkenheid van de aanbestedende diensten en de entiteiten op nationaal, regionaal en lokaal niveau. Ten slotte zullen in 2019 een aantal uitgaventoetsingen plaatsvinden en de tenuitvoerlegging van de daaruit voortvloeiende aanbevelingen moet de doelmatigheid van de overheidsuitgaven helpen vergroten.

(6)

De betrokken landspecifieke aanbevelingen zijn meegenomen in de programmering voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) voor de periode 2014-2020. Op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) kan de Commissie een lidstaat verzoeken zijn partnerschapsovereenkomst en de desbetreffende programma’s opnieuw te bezien en wijzigingen daarop voorstellen indien dit nodig is om de uitvoering van de betrokken aanbevelingen van de Raad te ondersteunen. De Commissie heeft in richtsnoeren met betrekking tot de toepassing van de maatregelen die de effectiviteit van de ESI-fondsen koppelen aan gezonde economische governance nader aangegeven hoe zij van die bepaling gebruik zal maken.

(7)

Gezien de tijdige en duurzame correctie van het buitensporige tekort en Besluit (EU) 2019/1001 van de Raad (6) tot intrekking van de buitensporigtekortprocedure valt Spanje onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact en de overgangsregel voor de schuld. Naar verwachting zal het overheidssaldo verder verbeteren van – 2,5 % van het bbp in 2018 tot – 2,0 % van het bbp in 2019 en zal in 2022 een begrotingsevenwicht worden bereikt. Op basis van het herberekend structureel saldo (7) is het niet de bedoeling dat de middellangetermijndoelstelling voor de begroting — een structureel begrotingsevenwicht — over de periode van het stabiliteitsprogramma 2019 wordt gehaald. Volgens het stabiliteitsprogramma 2019 zal de algemene overheidsschuldquote naar verwachting afnemen van 97,1 % van het bbp in 2018 tot 95,8 % van het bbp in 2019, om vervolgens in 2022 te dalen tot 88,7 % van het bbp. Het macro-economische scenario dat aan die begrotingsprognoses ten grondslag ligt, is plausibel. Risico’s voor de verwezenlijking van de budgettaire doelstellingen van het stabiliteitsprogramma 2019 hebben met name betrekking op de inkomsten, waar grote onzekerheid heerst over het rendement of de kansen op goedkeuring van vele van de inkomstenmaatregelen.

(8)

Op 13 juli 2018 heeft de Raad Spanje aanbevolen ervoor te zorgen dat het nominale groeipercentage van de netto primaire overheidsuitgaven (8) in 2019 niet hoger ligt dan 0,6 %, hetgeen neerkomt op een jaarlijkse structurele aanpassing van 0,65 % van het bbp. Op basis van de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie bestaat het risico van een aanzienlijke afwijking van het aanbevolen aanpassingstraject in de richting van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting in 2019.

(9)

Gezien de overheidsschuldquote van Spanje, die meer bedraagt de referentiewaarde van het Verdrag van 60 % van het bbp, en de verwachte positieve output gap van 2,0 % van het bbp, zouden de nominale netto primaire overheidsuitgaven in 2020 niet mogen toenemen, in overeenstemming met de structurele aanpassing van 1,0 % van het bbp, die resulteert uit de gezamenlijk overeengekomen aanpassingsmatrix van vereisten in het kader van het stabiliteits- en groeipact. Tegelijkertijd zijn er indicaties dat de onbenutte capaciteit in de economie wordt onderschat, met een inflatie die in 2019 en 2020 naar schatting onder de 2 % zal blijven en een nog steeds slappe arbeidsmarkt (veel werkloosheid en een zeer groot aandeel van onvrijwillig deeltijdwerk, tijdelijke werknemers en armoede onder werkenden). Daarnaast wijst het aannemelijkheidsinstrument ook op een hoge mate van onzekerheid omtrent de raming van de output gap volgens de gemeenschappelijke methodiek. Op basis hiervan lijkt het gepast jaarlijkse een structurele aanpassing van 0,65 % van het bbp door te voeren, hetgeen spoort met een maximale groeivoet van netto primaire overheidsgaven van 0,9 %. Op basis van de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie is er bij ongewijzigd beleid een risico dat er in 2020 een significante afwijking van de vereiste begrotingsaanpassing zal optreden. Daarnaast zou Spanje niet voldoen aan de vereisten van de overgangsregel voor de schuld in 2019 en 2020. Over het geheel genomen is de Raad van oordeel dat vanaf 2019 de nodige maatregelen moeten worden genomen om te voldoen aan de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact. Het zou van belang zijn dat eventuele meevallers worden gebruikt om de overheidsschuldquote verder te verminderen.

(10)

De werkgelegenheid is in Spanje gestaag blijven groeien. De werkloosheid blijft dalen, maar ligt nog steeds ruim boven het Uniegemiddelde, met name wat betreft jongeren en laaggeschoolden. De genderkloof in de werkgelegenheid en wat de lengte van de loopbaan betreft, blijft breed. Dit betekent dat potentieel onbenut blijft, met name gezien de snel verouderende bevolking.

(11)

Hoewel het gebruik van tijdelijke contracten geleidelijk afneemt, zijn er weinig landen in Europa die er meer gebruik van maken, ook in sectoren met minder seizoens- of cyclische activiteit, en dat kan het groeipotentieel van Spanje en de sociale samenhang belemmeren. Jongeren, laaggeschoolden en onderdanen uit derde landen krijgen er het meest mee te maken; vaak hebben zij minder recht op sociale voordelen en lopen zij een groter risico op armoede. Tijdelijke contracten zijn vaak van erg korte duur en geven zowel de werknemer als de werkgever nauwelijks prikkels om te investeren in opleiding, hetgeen op zijn beurt de productiviteitsgroei belemmert. Het blijft moeilijk om over te gaan van tijdelijke naar vaste contracten en de belemmeringen van de arbeidsmobiliteit beperken de kansen voor werkzoekenden en hinderen een doeltreffende verdeling van arbeidskrachten in het land.

(12)

Spanje heeft de steun aan langdurig werklozen opgevoerd. Die maakten in 2018 nog steeds 6,4 % van de actieve beroepsbevolking uit. Recente initiatieven strekten ertoe jongeren beter inzetbaar te maken door advies en loopbaanbegeleiding, maar de openbare diensten voor arbeidsvoorziening nemen nog steeds maar een klein deel van de vacatures in behandeling, en om het gebruik van deze diensten voor het zoeken naar en opnemen van een baan te verbeteren, zijn nog meer inspanningen nodig. In bepaalde regio’s verloopt met name de samenwerking met de werkgevers moeizaam, en het instrumentarium om de profielen van werkzoekenden beter af te stemmen op de behoeften van de werkgevers verkeert nog steeds in een beginfase. Er wordt progressie gemaakt met de partnerschappen tussen de openbare diensten voor arbeidsvoorziening en de sociale diensten, maar in bepaalde regio’s is de samenwerking nog steeds beperkt. Grotere investeringen in moderne openbare diensten voor arbeidsvoorziening en steun aan arbeidsmobiliteit kunnen de inzetbaarheid en aanpasbaarheid van werknemers verbeteren en de overgangen op de arbeidsmarkt versoepelen, waardoor de productiviteit en inclusieve groei op de lange termijn van Spanje worden verbeterd.

(13)

De inspanningen om de arbeidsinspecties te versterken om misbruik van tijdelijke contracten tegen te gaan, werpen zekere vruchten af en het aandeel van contracten van onbepaalde duur in de nettowerkgelegenheidsgroei neemt toe. Toch blijven de werkgevers uitgebreid gebruikmaken van kortetermijncontracten. Uit het verleden is gebleken dat de talrijke stimulansen ter ondersteuning van de creatie van banen slechts een beperkt effect sorteren voor de bevordering van kwalitatief hoogstaande jobs. Spanje is gestart met een nieuwe evaluatie om het systeem te vereenvoudigen, maar de resultaten daarvan zijn nog niet beschikbaar. Om het aandeel van tijdelijke contracten in de overheidssector op alle niveaus te reduceren moet vaart worden gezet achter vergelijkende examens voor aanwerving, zodat het streefcijfer van 8 % aan het einde van de vergelijkende examens van 2020 wordt bereikt. Hoewel het opzetten van tripartiet rondetafeloverleg een goede stap betekent in de richting van een grotere betrokkenheid van de sociale partners bij het ontwerpen van beleid, is er ruimte voor dieper en tijdiger overleg.

(14)

Het percentage mensen dat een risico op armoede en sociale uitsluiting en inkomensongelijkheid loopt, neemt weliswaar af, maar ligt onverminderd boven het Uniegemiddelde. Armoede onder werkenden blijft wijdverspreid bij tijdelijke of laaggeschoolde werknemers, of niet in de EU geboren werknemers. De kinderarmoede neemt af, maar blijft erg groot. Met uitzondering van pensioenen hebben sociale overdrachten in vergelijking met de rest van de Unie zeer weinig effect in de bestrijding van de armoede, vooral voor kinderen. De sociale uitgaven als percentage van het bbp in Spanje voor gezinnen met kinderen behoren tot de laagste in de Unie en zijn te weinig doelgericht, ondanks een recente geringe toename van de inkomensafhankelijke kinderbijslag. Ondanks een positieve tendens zijn er nog steeds aanzienlijke leemten in de dekking van mensen met een ernstige en gewone zorgbehoefte. De nationale werkloosheidssteun blijft gefragmenteerd, met een groot aantal regelingen voor verschillende groepen werkzoekenden. Tegelijk zouden recente maatregelen ter verbetering van de dekking en de bescherming van inkomenssteun voor oudere langdurig werklozen (van 52 jaar en ouder) binnen deze specifieke groep de werkprikkels kunnen verzwakken. Ondertussen vertonen de regionale minimuminkomensregelingen grote verschillen wat betreft toegangsvoorwaarden, dekking en efficiëntie en de beperkte overdraagbaarheid van regio tot regio vermindert de prikkels voor arbeidsmobiliteit. Bijgevolg krijgen sommige hulpbehoevenden geen steun. De invoering van het universele systeem van sociale kaarten zal de sociale uitkeringen transparanter en meer gericht maken. De economische heropleving blijft een remmende werking hebben op de armoede, maar de situatie vereist dat wordt geïnvesteerd in beleidsmaatregelen voor sociale integratie en in sociale infrastructuur (bv. sociale huisvesting) met het oog op inclusieve groei. Daarnaast heeft Spanje te kampen met specifieke problemen inzake territoriale cohesie, zoals acute ontvolking en vergrijzing in bepaalde plattelandsgebieden. Acties ter bevordering van ondernemerschap, digitalisering en de sociale economie kunnen bijdragen om deze problemen aan te pakken, als onderdeel van geïntegreerde strategieën voor territoriale ontwikkeling.

(15)

Tijdens de crisis speelde het Spaanse pensioenstelsel een belangrijke rol voor het behoud van de levensstandaard van ouderen, die bijgevolg minder risico lopen om in armoede terecht te komen. De ramingen in het vergrijzingsverslag en het verslag over de toereikendheid van de pensioenen voor 2018 wijzen erop dat de hervormingen uit 2011 en 2013 hebben geholpen om de pensioenen op langere termijn duurzaam en relatief toereikend te houden. Indien de koppeling van pensioenverhogingen aan de inflatie wordt gehandhaafd (zoals is besloten in 2018 en 2019) en de duurzaamheidsfactor op de lange baan wordt geschoven, moeten compenserende maatregelen worden genomen om de houdbaarheid van het pensioenstelsel op de middellange en lange termijn te verzekeren. Bovendien zijn maatregelen vereist voor de aanpak van zowel het belangrijke probleem van de toereikendheid van het inkomen van toekomstige gepensioneerden als van de lengte en volledigheid van hun beroepsloopbaan, in een context van hoge werkloosheid en het wijdverbreide gebruik van tijdelijke en deeltijdse contracten.

(16)

De innovatieprestaties en de productiviteitsgroei worden in Spanje afgeremd door geringe investeringen in onderzoek en ontwikkeling en door vaardighedenmismatches. De uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling in de bedrijvensector in Spanje, met name bij grote bedrijven, bedraagt slechts de helft van het Uniegemiddelde, met significante regionale verschillen. Deze divergentie wordt nog versterkt door het lage en dalende uitvoeringspercentage van het overheidsbudget voor onderzoek en ontwikkeling, met name van kredieten. Tekorten aan vaardigheden en vaardighedenmismatches zijn een andere belangrijke belemmering voor de ontwikkeling en het gebruik van geavanceerde technologieën, meer bepaald voor kleine en middelgrote ondernemingen. De werkgelegenheid in hightechsectoren en kennisintensieve diensten ligt in vele Spaanse regio’s ver onder het Uniegemiddelde. Hoewel er regionale innovatiestrategieën voor slimme specialisatie worden ontwikkeld en de governance van het nationale onderzoeks- en innovatiebeleid wordt gestroomlijnd, blijft de nationale/regionale coördinatie van de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van het beleid tekortschieten. Voor een verbetering van de innovatieprestaties van Spanje zijn aanzienlijke investeringen nodig om ondernemerschap en startups te stimuleren en te helpen om te groeien, alsmede om een impuls te geven aan het concurrentievermogen van alle bedrijven en hun aanpassing — onder meer via digitalisering — aan activiteiten met een hogere toegevoegde waarde, zodat zij hun aanwezigheid op de internationale markten kunnen uitbreiden. Dit vereist tevens een sterkere nadruk op publiek-private partnerschappen, een betere samenwerking tussen de academische wereld en het bedrijfsleven, meer overdracht van technologie, met name ten behoeve van kleine en middelgrote ondernemingen, een betere governance van het onderzoeks- en innovatiebeleid op diverse bestuursniveaus, alsook een preciezere afstemming van onderzoeks- en ontwikkelingsinfrastructuur en -projecten op de regionale en nationale innovatiestrategieën.

(17)

Hoewel de situatie verbetert, blijft het percentage voortijdige schoolverlaters zeer hoog in Spanje, met significante regionale verschillen. Er is ruimte om de onderwijsresultaten die sterk van regio tot regio verschillen, te verbeteren. Beide factoren hebben een negatief effect op de mogelijkheden voor productiviteitsgroei op lange termijn. De inspanningen om het onderwijssysteem te hervormen, zijn tot stilstand gekomen. Bedrijven maken melding van problemen om de nodige vaardigheden te vinden om innovatie te verwezenlijken, meer bepaald wat betreft specialisten in informatie- en communicatietechnologieën. Spanje heeft maatregelen goedgekeurd om het stelsel van duaal beroepsonderwijs en duale beroepsopleiding te moderniseren. Dat kan een cruciale rol spelen om de vaardigheden en kwalificaties te verschaffen die nodig zijn om de innovatie te integreren; er zijn echter weinig inschrijvingen in deze stelsels. Het percentage studenten tertiair onderwijs in Spanje ligt boven het Uniegemiddelde, maar universitair afgestudeerden hebben problemen om een passende baan te vinden. De ontwikkeling van menselijk kapitaal op alle onderwijs- en opleidingsniveaus, met inbegrip van hoger onderwijs en beroepsonderwijs, alsook meer samenwerking tussen het onderwijs en het bedrijfsleven om de bestaande vaardighedenmismatches weg te werken, kunnen de toegang tot de arbeidsmarkt voor jonge afgestudeerden verbeteren. Zo kunnen bedrijven beschikken over de vaardigheden en kwalificaties die nodig zijn om hun innovatiecapaciteit te verbeteren, en het groeipotentieel dat door de digitalisering wordt geboden, ten volle benutten. Werknemers bijscholen in digitale vaardigheden kan Spaanse bedrijven ook helpen om concurrerend te blijven in een steeds meer gedigitaliseerde economie. Al deze acties zouden ook bijdragen aan de terugdringing van regionale verschillen.

(18)

De rigiditeit en fragmentering van de regelgeving in Spanje zijn een belemmering voor bedrijven om van schaalvoordelen te profiteren en zetten een rem op de productiviteit. De wet inzake de eenheid van de markt blijft een belangrijk instrument om deze problemen op te lossen. Deze wet krachtdadiger toepassen en de geconstateerde beperkingen voor diensten wegwerken, met name voor bepaalde professionele diensten, onder meer van burgerlijk ingenieurs, architecten en juristen, zouden de groeikansen en het concurrentievermogen verbeteren. Zoals op andere gebieden waar regio’s sleutelfactoren zijn voor een succesvolle uitvoering van hervormingen, kan een sterkere en duurzame coördinatie tussen de nationale en de regionale autoriteiten het beleid op dit gebied doeltreffender maken.

(19)

Een onvolledig netwerk voor goederenvervoer per spoor en een beperkte integratie in de elektriciteits- en gasmarkten van de Unie maken dat Spanje niet volledig profiteert van de eengemaakte markt van de Unie. Om deze reden moet Spanje ook meer investeren in elektriciteitsverbindingen met de rest van de Unie, zodat het streefcijfer van ten minste 10 % van de geïnstalleerde productiecapaciteit voor elektriciteit uiterlijk in 2020 wordt bereikt. Er zijn ook investeringen nodig om een grotere benutting van het spoor voor goederenvervoer mogelijk te maken, onder meer in grensoverschrijdende verbindingen met Frankrijk en Portugal en verbindingen met havens en logistieke centra.

(20)

Er blijven nog steeds aanzienlijke investeringslacunes bestaan op het gebied van het beheer van natuurlijke hulpbronnen met het oog op een duurzamer ontwikkelingsmodel. Een vermindering van het energieverbruik in gebouwen en de ontwikkeling van slimme energienetten en hernieuwbare elektriciteitsopslag zouden ook bijdragen tot een betere beheersing van de vraag. Extra inspanningen zijn nodig ter bevordering van duurzaam vervoer en de circulaire economie. Bepaalde gebieden in Spanje behoren tot de meest getroffen gebieden van Europa wat betreft de klimaatverandering. De bestaande watervoorraden staan onder druk en vereisen verdere infrastructuurinvesteringen ter verbetering van het waterbeheer, onder meer in afvalwaterbehandeling, verhelpen van lekken in netwerken en watervoorziening. Ondanks een gestage vooruitgang de afgelopen jaren moet Spanje nog steeds voldoen aan bepaalde vereisten van de waterwetgeving van de Unie. Vooruitgang met het halen van al deze doelstellingen zou voor Spanje economische, sociale en milieuvoordelen hebben.

(21)

Voor alle vastgestelde investeringslacunes moet rekening worden gehouden met de specifieke regionale verschillen wat investeringsbehoeften betreft. De territoriale verschillen qua bbp per hoofd zijn beperkt, maar blijven groter dan vóór de crisis, vooral vanwege de asymmetrische gevolgen van banenverlies in verschillende regio’s. De belangrijkste regionale verschillen zijn momenteel te zien in de indicatoren voor arbeid en sociale resultaten, waar de meeste Spaanse regio’s ondermaats presteren in vergelijking met het Uniegemiddelde. Andere sociaal-economische indicatoren wijzen op grote territoriale verschillen, met name op het gebied van innovatie, ondernemerschap en concurrentievermogen. Het economische beleid in verband met investeringen moet terdege rekening houden met regionale verschillen wat de investeringsbehoeften betreft.

(22)

De programmering van de Uniemiddelen voor de periode 2021-2027 zou kunnen bijdragen tot het verhelpen van een aantal van de in de aanbevelingen geconstateerde tekortkomingen, met name op de gebieden die worden behandeld in bijlage D bij het landverslag 2019. Hierdoor zou Spanje in staat zijn deze middelen zo goed mogelijk te gebruiken met betrekking tot de aangewezen sectoren, rekening houdend met de gewestelijke verschillen en de speciale situatie van de ultraperifere regio van de Canarische Eilanden. Een versterking van de administratieve capaciteit van het land om deze middelen te beheren, is een belangrijke factor voor het welslagen van deze investering.

(23)

In de context van het Europees Semester 2019 heeft de Commissie een brede analyse van het economische beleid van Spanje verricht; deze analyse is gepubliceerd in het landverslag 2019. Voorts heeft de Commissie zowel het stabiliteitsprogramma 2019 als het nationale hervormingsprogramma 2019 doorgelicht en onderzocht welk gevolg is gegeven aan de aanbevelingen die in eerdere jaren tot Spanje zijn gericht. Daarbij heeft de Commissie niet alleen gekeken naar de relevantie ervan voor een houdbaar begrotings- en sociaal-economisch beleid in Spanje, maar is zij ook nagegaan of de Unieregels en -richtsnoeren in acht zijn genomen, gezien de noodzaak de algehele economische governance van de Unie te versterken door middel van een inbreng op Unieniveau in toekomstige nationale besluiten.

(24)

In het licht van deze beoordeling heeft de Raad het stabiliteitsprogramma 2019 onderzocht en zijn advies (9) daarover is met name in de onderstaande aanbeveling 1 weergegeven.

(25)

In het licht van de diepgaande evaluatie door de Commissie en van deze beoordeling heeft de Raad het nationale hervormingsprogramma 2019 en het stabiliteitsprogramma 2019 onderzocht. Zijn aanbevelingen op grond van artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 zijn in de onderstaande aanbevelingen 1 tot en met 4 weergegeven. Die aanbevelingen dragen ook bij tot de uitvoering van de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone, met name de eerste, tweede en derde aanbeveling voor de eurozone. Het in aanbeveling 1 bedoelde begrotingsbeleid draagt onder meer bij tot het aanpakken van onevenwichtigheden in verband met de hoge overheidsschuld,

BEVEELT AAN dat Spanje in 2019 en 2020 de volgende actie onderneemt:

1.   

Ervoor zorgen dat het nominale groeipercentage van de netto primaire overheidsuitgaven in 2020 niet boven de 0,9 % uitkomt, hetgeen neerkomt op een jaarlijkse structurele aanpassing van 0,65 % van het bbp. Maatregelen treffen om het begrotingskader en het kader voor overheidsopdrachten op alle bestuursniveaus te versterken. De houdbaarheid van het pensioenstelsel in stand houden. Eventuele meevallers gebruiken om de overheidsschuldquote sneller te verminderen.

2.   

Ervoor zorgen dat de diensten voor arbeidsvoorziening en sociale diensten voldoende capaciteit hebben om werkzoekenden doeltreffend te helpen. De overgang bevorderen naar contracten van onbepaalde duur, onder meer door het systeem van aanwervingsstimulansen te vereenvoudigen. De gezinstoelagen verbeteren, de fragmentatie van de nationale werkloosheidssteun terugdringen en de leemten in de dekking van regionale minimuminkomensregelingen wegwerken. Het aantal voortijdige schoolverlaters verminderen en de onderwijsresultaten verbeteren, rekening houdend met de regionale verschillen. De samenwerking vergroten tussen het onderwijs en het bedrijfsleven met het oog op een betere verstrekking van voor de arbeidsmarkt relevante vaardigheden en kwalificaties, met name inzake informatie- en communicatietechnologieën.

3.   

Het economische beleid in verband met investeringen in het bijzonder richten op het bevorderen van innovatie, hulpbronnen- en energie-efficiëntie, het moderniseren van de infrastructuur voor het goederenvervoer per spoor, en het uitbreiden van elektriciteitsverbindingen met de rest van de Unie, rekening houdend met regionale verschillen. De beleidsmaatregelen ter bevordering van onderzoek en innovatie doeltreffender maken.

4.   

De uitvoering van de wet inzake de eenheid van de markt verbeteren door op alle bestuursniveaus te garanderen dat de regels inzake toegang tot en uitvoering van economische activiteiten, met name voor diensten, sporen met de beginselen van die wet, en door de samenwerking tussen overheden te verbeteren.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LINTILÄ


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(2)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25.

(3)  PB C 136 van 12.4.2019, blz. 1.

(4)  PB C 320 van 10.9.2018, blz. 33.

(5)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(6)  Besluit (EU) 2019/1001 van de Raad van 14 juni 2019 tot intrekking van Beschikking 2009/417/EU betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Spanje (PB L 163 van 20.6.2019, blz. 59).

(7)  Conjunctuurgezuiverd begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, herberekend door de Commissie volgens de gezamenlijk overeengekomen methode.

(8)  De netto primaire overheidsuitgaven bestaan uit de totale overheidsuitgaven exclusief rente-uitgaven, uitgaven in het kader van programma’s van de Unie die volledig met inkomsten uit Uniefondsen worden gefinancierd en niet-discretionaire veranderingen in de uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen. Nationaal gefinancierde bruto-investeringen in vaste activa worden gespreid over een periode van vier jaar. Er wordt rekening gehouden met discretionaire inkomstenmaatregelen of bij wet verplicht gestelde inkomstenstijgingen. Eenmalige maatregelen aan zowel de inkomsten- als de uitgavenzijde worden uitgevlakt.

(9)  Op grond van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97.


5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 301/55


AANBEVELING VAN DE RAAD

van 9 juli 2019

over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Frankrijk en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Frankrijk

(2019/C 301/10)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (1), en met name artikel 5, lid 2,

Gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (2), en met name artikel 6, lid 1,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 21 november 2018 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse groeianalyse en daarmee de aanzet gegeven tot het Europees Semester 2019 voor coördinatie van het economisch beleid. Daarbij is rekening gehouden met de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie is afgekondigd. De prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse zijn op 21 maart 2019 door de Europese Raad bekrachtigd. Op 21 november 2018 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 ook het waarschuwingsmechanismeverslag aangenomen, waarin zij Frankrijk heeft genoemd als een van de lidstaten die aan een diepgaande evaluatie zouden worden onderworpen. Tevens heeft de Commissie op die datum een aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone aangenomen, die op 21 maart 2019 door de Europese Raad is bekrachtigd. Op 9 april 2019 heeft de Raad de aanbeveling over het economisch beleid van de eurozone (3) (“aanbeveling voor 2019 voor de eurozone”) aangenomen, die vijf aanbevelingen voor de eurozone (“de aanbevelingen voor de eurozone”) bevat.

(2)

Als lidstaat die de euro als munt heeft en in het licht van de grote onderlinge verwevenheid tussen de economieën van de economische en monetaire unie zou Frankrijk ervoor moeten zorgen dat volledig en tijdig uitvoering wordt gegeven aan de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone, die wordt weergegeven in de aanbevelingen 1 tot en met 4 hieronder. Maatregelen om meevallers aan te wenden om de overheidsschuld terug te dringen, de overheidsuitgaven te rationaliseren en een gericht investeringsbeleid te voeren op de aangegeven gebieden, zullen bijdragen tot de uitvoering van de tweede aanbeveling voor de eurozone om opnieuw begrotingsbuffers op te bouwen, de overheidsfinanciën te saneren en investeringen te ondersteunen. Maatregelen om het belastingstelsel te vereenvoudigen en wettelijke beperkingen terug te schroeven, vormen een antwoord op de eerste aanbeveling voor de eurozone inzake het ondernemingsklimaat. Ten slotte zullen maatregelen om de inzetbaarheid te verhogen, tegemoetkomen aan de derde aanbeveling voor de eurozone in verband met de werking van de arbeidsmarkt.

(3)

Op 27 februari 2019 is het landverslag 2019 voor Frankrijk gepubliceerd. Daarin werd de vooruitgang beoordeeld die Frankrijk bij het opvolgen van de op 13 juli 2018 door de Raad aangenomen landspecifieke aanbevelingen (4) heeft gemaakt, alsmede het gevolg dat is gegeven aan de landspecifieke aanbevelingen die in de jaren voordien werden goedgekeurd, en de vooruitgang die Frankrijk in de richting van zijn nationale Europa 2020-doelstellingen heeft geboekt. Het landverslag bevatte ook een op grond van artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 uitgevoerde diepgaande evaluatie, waarvan de uitkomsten ook op 27 februari 2019 zijn bekendgemaakt. Op basis van haar analyse concludeerde de Commissie dat Frankrijk wordt geconfronteerd met macro-economische onevenwichtigheden. De geconstateerde onevenwichtigheden vloeien voort uit de hoge overheidsschuld en een zwakke concurrentiedynamiek, in een context van lage productiviteitsgroei.

(4)

Op 26 april 2019 heeft Frankrijk zijn nationale hervormingsprogramma 2019 en zijn stabiliteitsprogramma 2019 ingediend. Om met de onderlinge verbanden tussen beide programma’s rekening te houden, zijn deze tegelijkertijd geëvalueerd.

(5)

De betrokken landspecifieke aanbevelingen zijn meegenomen in de programmering voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) voor de periode 2014-2020. Op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) kan de Commissie een lidstaat verzoeken zijn partnerschapsovereenkomst en de desbetreffende programma’s opnieuw te bezien en wijzigingen daarop voorstellen indien dit nodig is om de uitvoering van de betrokken aanbevelingen van de Raad te ondersteunen. De Commissie heeft in richtsnoeren over de toepassing van de maatregelen om doeltreffendheid van de Europese structuur- en investeringsfondsen te koppelen aan gezond economisch bestuur, nader aangegeven hoe zij van die bepaling zou gebruikmaken.

(6)

Frankrijk valt momenteel onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact en is aan de overgangsregel voor de schuld onderworpen. In haar stabiliteitsprogramma 2019 gaat de regering uit van een toename van het nominale tekort van 2,5 % van het bruto binnenlands product (bbp) in 2018 tot 3,1 % van het bbp in 2019, waarna het geleidelijk zou dalen tot 1,2 % van het bbp in 2022. De geplande stijging van het nominale tekort in 2019, die ook door de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie wordt bevestigd, is voornamelijk te wijten aan het eenmalige effect van de omzetting van het belastingkrediet voor concurrentievermogen en werkgelegenheid in een permanente verlaging van de door werkgevers te betalen socialezekerheidsbijdrage. Op basis van het herberekende structurele saldo (6) is het niet de bedoeling dat de middellangetermijndoelstelling voor de begroting — een structureel tekort van 0,4 % van het bbp — over de periode van het stabiliteitsprogramma 2019 wordt gehaald. Volgens de prognoses van het stabiliteitsprogramma 2019 zal de overheidsschuldquote stijgen van 98,4 % van het bbp in 2018 tot 98,9 % van het bbp in 2019 en vervolgens dalen tot 96,8 % in 2022. Het macro-economische scenario dat aan die begrotingsprognoses ten grondslag ligt, is plausibel. Tegelijkertijd zijn de maatregelen die nodig zijn om vanaf 2020 de geplande tekortdoelstellingen te ondersteunen, niet gespecificeerd.

(7)

Aangezien in het stabiliteitsprogramma 2019 werd uitgegaan van een groter nominaal tekort dan de referentiewaarde van het Verdrag van 3 % van het bbp en uit de meegedeelde gegevens is gebleken dat de overgangsschuldregel in 2018 op het eerste gezicht niet is nageleefd, heeft de Commissie op 5 juni 2019 een verslag uitgebracht op grond van artikel 126, lid 3, van het Verdrag. De conclusie van het verslag, na beoordeling van alle relevante factoren, was dat de tekort- en schuldcriteria, zoals omschreven in het Verdrag en in Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad, momenteel als nageleefd moet worden beschouwd.

(8)

Op 13 juli 2018 heeft de Raad Frankrijk aanbevolen ervoor te zorgen dat het nominale groeipercentage van de netto primaire overheidsuitgaven (7) in 2019 niet hoger ligt dan 1,4 %, hetgeen neerkomt op een jaarlijkse structurele aanpassing van 0,6 % van het bbp. Op basis van de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie bestaat het risico van een aanzienlijke afwijking van het aanbevolen aanpassingstraject in de richting van de budgettaire middellangetermijndoelstelling in 2019.

(9)

Voor 2020 zou, aangezien de overheidsschuldquote van Frankrijk meer dan 60 % van het bbp bedraagt en de verwachte output gap 0,7 %, de nominale groei van de netto primaire overheidsuitgaven op niet meer dan 1,2 % mogen uitkomen, in overeenstemming met de structurele aanpassing van 0,6 % van het bbp, die resulteert uit de gezamenlijk overeengekomen aanpassingsmatrix van vereisten in het kader van het stabiliteits- en groeipact. Op basis van de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie bestaat bij ongewijzigd beleid het risico dat in 2020 significant van dat vereiste zal worden afgeweken. Volgens de prognoses zal Frankrijk in 2019 en 2020 op het eerste gezicht niet aan de overgangsregel voor de schuld voldoen. Over het geheel genomen is de Raad van oordeel dat vanaf 2019 de nodige maatregelen zouden moeten worden genomen om te voldoen aan de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact. Het zou van belang zijn dat eventuele meevallers worden gebruikt om de overheidsschuldquote verder te verminderen.

(10)

De inspanningen om de overheidsfinanciën te consolideren hebben de overheidsuitgavenquote, die in 2018 met 56 % het hoogste bleef van de hele Unie, slechts in beperkt mate doen dalen. Om de overheidsschuld blijvend te doen dalen, moeten de overheidsuitgaven naar beneden. In 2017 heeft de regering voor de vijfjarige presidentiële ambtstermijn een hernieuwde begrotingsconsolidatiestrategie uitgestippeld. Het welslagen daarvan hangt af van het behalen van de voor de centrale en plaatselijke overheden en voor de gezondheidszorg vastgestelde uitgavendoelstellingen.

(11)

De totale uitgaven voor gezondheidszorg zijn doorheen de jaren gestaag gestegen en werden in 2017 op 11,5 % van het bbp geraamd, het hoogste cijfer van de lidstaten die lid zijn van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). In de herfst van 2018 werd een nieuwe hervorming van de gezondheidszorg aangekondigd, gevolgd door een wetsontwerp op 13 februari 2019. Het succes van die hervorming vergt een helder juridisch en organisatorisch kader dat de juiste stimulansen biedt en samenwerking tussen publieke en private actoren bevordert. De aangekondigde hervorming van de gezondheidszorg voorziet niet in een herziening van de groeinorm voor de uitgaven voor gezondheidszorg (Objectif National de Dépenses d’Assurance Maladie, Ondam). Die uitgavennorm vertegenwoordigt een derde van de socialezekerheidsuitgaven. Hoewel die doelstelling sinds 2010 wordt gehaald, is de Ondam-doelstelling sinds 2017 reeds drie keer verhoogd. Voor de periode 2018-2020 werd het oorspronkelijke streefcijfer van 2,1 % in de herziene begrotingswet opgetrokken tot 2,3 % voor 2018 en daarna in de socialezekerheidsbegrotingswet voor 2019 verder verhoogd tot 2,5 %. Dit weerspiegelt tot op zekere hoogte de extra uitgaven voor “Ma santé 2022”.

(12)

De uitgaven van de plaatselijke overheden lagen in 2017 hoger dan de geplande groeidoelstelling. Sinds 2014 geldt voor de overheidsuitgaven van de Franse lokale overheden een uitgavennorm met jaarlijkse niet-bindende groeidoelstellingen voor zowel de plaatselijke operationele overheidsuitgaven als de financieringsbehoeften (Objectif d’évolution de la Dépense Locale). In 2018 werd die uitgavennorm voor de periode 2018-2022 vastgelegd in juridisch bindende contractuele overeenkomsten tussen de staat en 71 % van de 322 grootste lokale overheden. De bescheiden vermindering van het aantal gemeentes kan echter een obstakel vormen voor de naleving van de uitgavennorm. Na de territoriale hervorming van 2014-2016 is het aantal regio’s gehalveerd maar telt Frankrijk nog steeds meer dan 34 000 gemeenten, veruit het grootste aantal in de Unie.

(13)

De tenuitvoerlegging van de voor de vijfjarige presidentiële ambtstermijn opgestelde herziene begrotingsconsolidatiestrategie vereist ook de uitvoering van het nog niet volledig goedgekeurde programma “Action publique 2022”. Dat programma moet op het gebied van overheidsuitgaven voor aanzienlijke efficiëntiewinsten zorgen en tegelijk zorgen voor een betere werking van de nationale overheidsdiensten. De regering geeft duidelijk prioriteit aan methodologische en procesgerelateerde aspecten, maar heeft niet gefocust op een ex-ante- of algemene kwantificering van potentiële besparingen. Hoewel die aanpak het resultaat kan zijn van een complex hervormingsproces en de noodzaak om het openbaar debat over gevoelige kwesties in goede banen te leiden, maakt deze werkwijze het ook moeilijk om de merites van die brede strategie te kwantificeren en na te gaan in hoeverre ze bijdraagt aan begrotingsconsolidatie. Voorts is het niet duidelijk hoe en op welke termijn dat hervormingsprogramma — met inbegrip van de transformatieplannen van de ministeries die talrijke uiteenlopende maatregelen omvatten — concreet zal bijdragen aan de zeer specifieke doelstelling om tegen 2022 de uitgavenquote te verlagen. Al bij al blijkt uit de beschikbare informatie dat het programma gedeeltelijk tegemoetkomt aan de in 2016 door de Eurogroep goedgekeurde richtsnoeren voor uitgaventoetsingen.

(14)

De houdbaarheidsrisico’s voor de algemene overheidsschuld blijven op middellange termijn hoog. De hoge overheidsschuld en het algemene structurele overheidstekort zijn met name op middellange termijn moeilijk houdbaar. Een begrotingsinspanning die het structurele primaire saldo van Frankrijk aanzienlijk verbetert, is essentieel om die risico’s af te wenden. De algemene schuldquote terugdringen zou ook de groeiperspectieven en de veerkracht van de Franse economie ten goede komen.

(15)

De geplande pensioenhervorming kan helpen om het overheidstekort op middellange termijn terug te dringen en op die manier de risico’s in verband met de houdbaarheid van de schuld te beperken. Het budgettaire evenwicht van het pensioenstelsel is sterk afhankelijk van macro-economische aannames. Volgens het jongste jaarverslag van de Franse Conseil d’orientation des retraites bedroegen de pensioenuitgaven in 2018 13,8 % van het bbp en zou dat percentage tegen 2022 13,8 % bedragen, alvorens zich tegen 2070 te stabiliseren op een niveau tussen 11,8 % en 13,8 %, afhankelijk van de verwachte groei van het bbp en de werkgelegenheid doorheen de tijd. Frankrijk telt meer dan veertig verschillende pensioenregelingen, afhankelijk van de categorie werknemers en functies en met telkens verschillende regels. Tegen het eind van het jaar wordt een wetsontwerp verwacht om die regelingen geleidelijk te harmoniseren teneinde de werking van het pensioenstelsel te vereenvoudigen, zodat het met name transparanter, billijker en efficiënter wordt.

(16)

De arbeidsparticipatie blijft stijgen en bereikte in 2018 71,3 %. Het werkloosheidspercentage is in 2018 opnieuw gedaald tot 9,1 %, aanzienlijk meer dan het Uniegemiddelde (6,8 %) en het gemiddelde voor de eurozone (8,2 %). Bovendien blijft de Franse arbeidsmarkt sterk versnipperd. Bijna 85 % van de nieuwe aanwervingen gebeuren met tijdelijke contracten en de overstap naar contracten van onbepaalde duur behoort tot de laagste in de Unie. Ook het aantal mensen dat onvrijwillig deeltijds werkt, ligt zeer hoog: 42,3 % van de totale deeltijdarbeid in 2018. De geplande hervorming van het stelsel van werkloosheidsuitkeringen (Unédic) heeft enerzijds tot doel de versnippering van de arbeidsmarkt tegen te gaan door aanwervingen met contracten voor zeer korte perioden en arbeid op afroep te ontmoedigen, en anderzijds de schulden van het stelsel te verlichten. De onderhandelingen tussen de sociale partners over het stelsel van werkloosheidsuitkeringen begonnen in het najaar van 2018. Het doel was i) de schulden van het stelsel terug te dringen; ii) de stimulansen voor werklozen om te gaan werken opnieuw te bezien, en iii) een mechanisme te vinden om aanwervingen met contracten van zeer korte duur te ontmoedigen. De sociale partners zijn er echter niet in geslaagd overeenstemming te bereiken over die nieuwe regels. De hervorming is nu in handen van de regering, die zich ertoe verbonden heeft tegen de zomer van 2019 aan te kondigen welke maatregelen behouden blijven.

(17)

Kwetsbare groepen hebben het verhoudingsgewijs nog moeilijker op de arbeidsmarkt. De arbeidsparticipatie van mensen die niet in de EU zijn geboren, bedroeg in 2018 slechts 57,5 % (tegenover 73,1 % voor mensen die in Frankrijk zijn geboren), een van de laagste cijfers in de Unie. Het is aangetoond dat mensen met een migratieachtergrond bij selectieprocedures worden benadeeld. Ook hun concentratie in achtergestelde buurten is een reden tot bezorgdheid. Bewoners van achterstandswijken (zoals de Quartiers prioritaires de la politique de la ville), onder wie mensen met een migratieachtergrond, blijven het moeilijk hebben op de arbeidsmarkt, met een werkloosheidsgraad van 24,7 % in 2017. Ondanks diverse beleidsmaatregelen hebben de sociaaleconomische situatie en migratieachtergrond nog steeds een grote impact op de onderwijsprestaties en bemoeilijken deze factoren de integratie op de arbeidsmarkt.

(18)

Ook laaggeschoolden en jongeren vinden nog steeds moeilijk een baan. De werkloosheid onder laaggeschoolden daalde in 2017 voor het eerst sinds 2008 maar ligt met een percentage van 16,2 % in 2018 nog steeds veel hoger dan vóór de crisis. De jeugdwerkloosheid (15-24 jaar) daalde in 2018 met 1,6 procentpunten tot 20,7 %, maar blijft veel hoger dan het Uniegemiddelde van 15,2 %. De werkloosheid onder jonge laaggeschoolden blijft met 35,6 % in 2018 zeer hoog. Effectieve ondersteuning bij het zoeken naar een baan, waaronder intensieve loopbaan- en aanwervingsondersteuning, bijscholing, innovatieve maatregelen om de meest kwetsbare jongeren die geen onderwijs volgen te bereiken, stages of opleidingen en strengere maatregelen tegen discriminerende praktijken, is essentieel om de gelijke kansen op de arbeidsmarkt te bevorderen. In de ultraperifere gebieden zijn de problemen nog groter. Zij verdienen bijzondere aandacht.

(19)

Naarmate de arbeidsmarkt aantrekt, wijzen verschillende indicatoren op mismatches in vaardigheden. Terwijl de werkloosheid en onderbenutting hoog blijven, kampen specifieke sectoren met een toenemend tekort aan geschoolde arbeidskrachten. Een tekort aan vakmensen en een gebrek aan vaardigheden zijn de belangrijkste factoren die de niet ingevulde vacatures verklaren. Volgens gegevens van de Franse Pôle Emploi werden er in 2017 van de 3,2 miljoen geregistreerde vacatures 150 000 ingetrokken bij gebrek aan kandidaten. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat een toename van de mismatches in vaardigheden er tijdens de crisis en de herstelperiode mee voor heeft gezorgd dat de werkloosheid minder snel is gedaald en dat de langdurige werkloosheid is gestegen. De arbeidsmarktperspectieven na initieel beroepsonderwijs en opleiding zijn verbeterd. De regering heeft in 2018 een uitgebreid pakket maatregelen genomen om de toegang tot basisopleiding en bijscholing te verbeteren en de financiering en organisatie van het systeem voor beroepsonderwijs en opleiding te hervormen. In aanvulling op die hervormingen heeft het Plan d’investissement dans les compétences de ambitie om in de periode 2018-2022 1 miljoen werkloze jongeren die geen onderwijs of opleiding volgen en 1 miljoen laaggeschoolde werkzoekenden op te leiden en intensief te begeleiden.

(20)

Al bij al is de Franse sociale zekerheid effectief in het terugdringen van ongelijkheid en armoede. Het aandeel mensen dat in armoede of sociale uitsluiting terecht dreigt te komen, is verder gedaald tot een historisch laag percentage van 17,1 % in 2017, ten opzichte van een Uniegemiddelde van 22,4 %. De inkomensongelijkheid blijft echter veel hoger dan vóór de crisis. De opwaartse transitie tussen inkomenskwintielen is afgenomen, in het bijzonder vanuit het laagste kwintiel. Sommige groepen, zoals eenoudergezinnen en mensen die niet in de Unie zijn geboren, lopen een groter risico op armoede en sociale uitsluiting. De ondersteuning van mensen met een minimuminkomen is niet altijd voldoende gezien de grote territoriale verschillen. Meer en beter gecoördineerde investeringen in sociale insluiting, zoals vastgesteld in de in september 2018 voorgestelde nationale strategie tegen armoede, kunnen helpen om die problemen aan te pakken. Hoewel de gezondheidszorg al bij al goed is, zouden extra investeringen goed zijn om de regionale verschillen op het gebied van toegang tot diensten te verkleinen, met name in de ultraperifere gebieden.

(21)

Ondanks recente initiatieven is Frankrijk er volgens het Europees innovatiescorebord niet in geslaagd de kloof met de voortrekkers van de Unie op het gebied van innovatie te verkleinen. De investeringen in onderzoek en ontwikkeling bleven stabiel en nieuwe bedrijven hebben het moeilijk om te groeien. Al bij al zit Frankrijk achter op schema om zijn doelstelling van een onderzoeks- en ontwikkelingsintensiteit van 3 % tegen 2020 te halen en liggen de investeringen van bedrijven in onderzoek en ontwikkeling nog steeds ver beneden de beoogde 2 %. De overheidsuitgaven voor onderzoek en ontwikkeling liggen hoger dan het Uniegemiddelde en omvatten een breed scala aan directe en indirecte steunregelingen voor onderzoek en innovatie in bedrijven, waaronder de Crédit d’Impôt Recherche, een van de meest genereuze regelingen voor belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling van de OESO-landen. De ruim beschikbare overheidssteun vertaalt zich echter nog niet in een betere algehele prestatie van het ecosysteem voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie. Hoewel de bestaande instrumenten, waaronder de Crédit d’Impôt Recherche, onlangs werden geëvalueerd, zou een omvattende analyse van de globale beleidsmix nuttige input leveren voor de ontwikkeling van toekomstig beleid. De in juli 2018 opgerichte Conseil de l’Innovation moet toezien op de uitvoering van de vereenvoudigingsmaatregelen, waaronder een betere coördinatie van regionale, nationale en Europese steunmaatregelen voor innovatie. Aangezien Frankrijk voor door bedrijven gefinancierd openbaar onderzoek en innovatie onder het EU-gemiddelde scoort, kunnen ook nauwere banden tussen de wetenschap en het bedrijfsleven, met name door regelingen voor kennisoverdracht, ervoor helpen zorgen dat innovatie wordt verspreid. De steun voor de pôles de compétitivité is verlengd met een vierde fase (2019-2022). Daarbij wordt prioriteit gegeven aan de clustering van organisaties die op plaatselijk niveau goede banden hebben met andere structuren, met een focus op nationale industriële prioriteiten en voortbouwend op Unieprojecten. Het middels privatiseringen gefinancierde Fonds pour l’innovation et l’industrie zal ook ondersteuning bieden voor de financiering van artificiële intelligentie. De tijdige ontwikkeling van verwante technologieën zoals het internet der dingen, 5G-netwerken, krachtige computers en netwerken en, meer in het algemeen, de data-economie wordt een van de doorslaggevende factoren voor die initiatieven. Er bestaan ook grote verschillen tussen de regio’s op het gebied van regionale investeringen in onderzoek, ontwikkeling en innovatie. Verschillende landelijke regio’s of regio’s die een industriële transitie doormaken, scoren onder het Uniegemiddelde. De ultraperifere regio’s bengelen onderaan de ladder.

(22)

Op dit moment presteert Frankrijk goed op het gebied van energie- en klimaatbeleid en zit het land op schema om zijn 2020-doelstellingen voor de verlaging van de uitstoot van broeikasgassen te halen. Er zal echter veel meer moeten worden geïnvesteerd om de 2020-doelstellingen op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie te halen. Dat geldt ook voor de nog ambitieuzere 2030-doelstellingen voor klimaat en energie, waarvoor met name moet worden ingezet op de uitrol van hernieuwbare energie en het energie-efficiënter maken van gebouwen. Aangezien meer dan de helft van de huidige financiering voor die investeringen door de overheid wordt aangestuurd, moeten de economische en wettelijke randvoorwaarden worden gecreëerd om de financiering van projecten rendabeler te maken voor de private sector en aanzienlijke investeringskansen aan te boren. Met name het potentieel voor een snellere invoering van hernieuwbare energie in de koel- en verwarmingssector is nog grotendeels onaangeroerd. Ook de investeringsbehoeften voor energie-efficiëntie in gebouwen zijn groot. Dit geldt met name voor de renovatie van woningen, waar de achterstand op het gebied van klimaatinvesteringen zich grotendeels situeert. De meeste woningen zijn immers oud en in totaal zijn er 7 tot 8 miljoen warmtelekken geteld (goed voor ongeveer 20 % van het totale aantal woningen). Het percentage bedrijfsgebouwen dat aan strenge energie-efficiëntienormen voldoet, bedraagt in Frankrijk 25 % en lag in 2017 lager dan het percentage in de hele Unie (39 %). De energiesector vertoont grote regionale verschillen. De energie-intensiteit neemt in bijna alle regio’s af maar niet overal even snel en er zijn grote verschillen in het aandeel hernieuwbare energie. Extra investeringen in interconnecties kunnen bijdragen tot een sterkere integratie van de interne energiemarkt van de Unie, en met name met het Iberisch Schiereiland. De focus moet hierbij liggen op meer concurrentie en het faciliteren van de uitrol van hernieuwbare energie.

(23)

De Feuille de Route pour l’Économie Circulaire van 2018 is een ambitieus beleidskader voor een efficiënt gebruik van hulpbronnen, waarvan de uitvoering afhankelijk is van de overeenkomstige investeringen. Hoewel de bijdrage van gerecycleerde materialen aan de globale vraag naar materialen (percentage circulair gebruik van materialen) hoger ligt dan het Uniegemiddelde (19,5 % vs. 11,7 % in 2016), ligt het recyclingpercentage voor huishoudelijk afval nog steeds iets lager dan het Uniegemiddelde (41,8 % vs. 46,4 % in 2016). In dit verband zal de goedkeuring van een wet inzake de circulaire economie een stap voorwaarts zijn, die onder meer het gebruik van secundaire grondstoffen en met name plastic zal bevorderen. Nieuwe hulpbronefficiëntie bedrijfsmodellen en productieprocessen, waaronder industriële symbiose, moeten verder worden gepromoot, met bijzondere aandacht voor de kleine en middelgrote ondernemingen. Dit kan worden vergemakkelijkt door de ontwikkeling van innovatieve financiële instrumenten en financiering voor eco-innovatie.

(24)

Investeringen in een betere connectiviteit, vooral in achtergestelde gebieden, kunnen helpen om ongelijkheden in Frankrijk weg te werken. Frankrijk scoort onder het EU-gemiddelde voor de toegang tot snelle breedband en de penetratie van snelle breedband is laag (20 % van de gezinnen tegenover gemiddeld 41 % in de Unie in 2018). Ook het gebruik van mobielebreedbanddiensten ligt nog steeds onder het EU-gemiddelde. De breedbanddekking varieert sterk van regio tot regio en blijft beperkt in sommige plattelandsgebieden en ultraperifere regio’s. Het Plan France Très Haut Débit en de daaraan gekoppelde maatregelen zullen naar verwachting een aanzienlijke bijdrage leveren aan het behalen van de connectiviteitsdoelstellingen. Gezien de overwegend gedecentraliseerde aanpak en de potentiële bottlenecks als er voor de uitrol van het netwerk niet genoeg geschoolde arbeidskrachten beschikbaar zijn, zal het essentieel zijn om nauwlettend toe te zien op de uitvoering van dat plan.

(25)

Ondanks de lopende inspanningen om de belastingbetaler meer rechtszekerheid te bieden met de Loi pour un État au service d’une société de confiance (ESSOC) en het stelsel te vereenvoudigen, blijft het Franse belastingstelsel complex, hetgeen het ondernemingsklimaat schaadt. De belastingwetgeving telt talrijke tariefregelingen en aftrekregelingen (belastingkrediet, vrijstellingen, verlagingen). Die complexiteit weerspiegelt doorgaans specifieke beleidsdoelstellingen, zoals het verlichten van de belastingdruk voor de meest kwetsbare gezinnen en het aanmoedigen of ontmoedigen van bepaalde keuzes. Het gevaar bestaat echter dat die complexiteit ten koste gaat van de transparantie, waardoor de nalevingskosten en rechtsonzekerheid toenemen, Frankrijk economisch minder aantrekkelijk wordt en er achterpoortjes worden gecreëerd.

(26)

Het stroomlijnen van aftrekregelingen en het schrappen van diverse kleine belastingen kunnen helpen om het belastingstelsel verder te vereenvoudigen. De totale aftrekregelingen vertegenwoordigen in 2019 naar schatting 4 % van het bbp. In tegenstelling tot het vorige meerjarig kader is in het huidige begrotingskader (2018-2022) geen uitgavenlimiet voor aftrekregelingen opgenomen. Wel is een niet-bindende doelstelling van 28 % vastgesteld voor de verhouding tussen aftrekregelingen en de som van de netto belastinginkomsten en -uitgaven. Hoewel de begrotingswet 2018 voorzag in een aftrekpercentage dat lager lag dan de doelstelling van het meerjarig begrotingskader 2018-2022 (28 %), zal dat percentage in de toekomst naar verwachting stijgen (25,5 % eind 2018 en 26 % in 2019).

(27)

De begroting 2019 voorziet in een daling van het totale bedrag van de aftrekregelingen tot minder dan 100 miljard EUR. Daarmee komt er een einde aan een vijf jaar lange stijging. Tussen 2018 en 2019 is het aantal aftrekregelingen echter gestegen van 457 tot 474. In 2018 heeft de Rekenkamer aanbevolen de bestaande aftrekregelingen te stroomlijnen en gewezen op een gebrek aan controle en evaluatie. De inspanningen voor de schrapping van inefficiënte belastingen of belastingen die weinig inkomsten genereren, zouden moeten worden voortgezet. De begrotingswet voor 2019 voorziet in het schrappen van 26 belastingen met een bescheiden opbrengst; twintig daarvan, met een totale opbrengst van 132 miljoen EUR, worden geschrapt in 2019, de zes andere, met een totale opbrengst van 208 miljoen EUR, volgen in 2020. Het schrappen van kleine belastingen zal in 2020 naar verwachting in hetzelfde tempo worden voortgezet.

(28)

Ook andere belastingen op productie wegen op het bedrijfsleven. De belastingen op productie bedroegen in 2016 3,1 % van het bbp, een hoger percentage dan in Italië (1,4 %), Spanje (1,0 %) en Duitsland (0,4 %). Dit soort belastingen heeft verschillende grondslagen (omzet, meerwaarde, lonen, terreinen en gebouwen) en kan de totale productiekosten doen stijgen. Dit kan een negatieve impact hebben op het concurrentievermogen, met name in de verwerkende industrie. In de begrotingswet 2019 wordt slechts één productiebelasting geschrapt, de forfait social die op nationaal niveau wordt geheven en jaarlijks 660 miljoen EUR opbrengt (na volledige uitvoering in 2020).

(29)

Ondanks de vooruitgang en goedkeuring van ambitieuze hervormingen bestaan er nog steeds markttoegangsbelemmeringen en is er nog steeds weinig concurrentie in de zakelijke dienstverlening en gereguleerde beroepen. De nieuwe OESO-index betreffende het handelsverkeer van diensten binnen de Europese Economische Ruimte (EER) geeft aan dat de wettelijke beperkingen voor sectoren als boekhouding, juridische diensten en distributie in Frankrijk strenger zijn dan het gemiddelde in de EER. De belangrijkste belemmeringen zijn restrictieve vergunningsvoorschriften, voorbehouden activiteiten en eisen inzake aandeelhouderschap en stemrechten. Frankrijk heeft in de detailhandel verschillende hervormingen doorgevoerd om de regelgevingslasten te verlichten. De efficiëntie van de detailhandel wordt echter nog steeds aangetast door een aantal operationele beperkingen, die de sector bovendien benadelen ten opzichte van de e-commerce. Het nationale hervormingsprogramma 2019 bevat diverse nieuwe maatregelen om de concurrentie in enkele specifieke dienstverlenende sectoren aan te zwengelen (zoals rijscholen, vastgoedbeheer en de verkoop van auto-onderdelen). Op 4 april 2019 heeft de mededingingsautoriteit advies uitgebracht over het versoepelen van de beperkingen op de distributie van medicijnen zonder afbreuk te doen aan de bescherming van de volksgezondheid.

(30)

Door de belemmeringen in de dienstensector is er weinig concurrentie en liggen de winstmarges en prijzen hoog, hetgeen ten koste gaat van het concurrentievermogen van de economie als geheel. Het percentage marktverlaters ligt in de belangrijkste Franse dienstensectoren lager dan in de rest van de Unie. Het gebrek aan concurrentie in de dienstensector en de hoge arbeidskosten hebben er samen voor gezorgd dat de prijzen hoog bleven, met name voor vastgoedtransacties, wonen, catering en juridische en boekhoudkundige diensten. Aangezien de kosten voor die diensten ook worden gedragen door andere bedrijven die er een beroep op doen, wegen ze ook op het concurrentievermogen van Frankrijk en het Franse bedrijfsleven.

(31)

De loi relative à la croissance et la transformation des entreprises (Pacte) heeft tot doel de groei en transformatie van ondernemingen te ondersteunen. Een aantal drempels voor de groei van ondernemingen wordt opgeheven, maar de resterende drempels zijn breder geworden en het kost meer om ze te overschrijden. Er wordt tevens voorzien in een overgangstermijn van vijf jaar alvorens te besluiten dat een drempel is bereikt. Kleine en middelgrote ondernemingen worden bovendien aangemoedigd om voor werknemers stimulansen en participatieregelingen op te zetten die aan de prestaties van de onderneming zijn gekoppeld. Ten slotte is de procedure om een onderneming te registreren of te starten vereenvoudigd en voorziet de wet ook in nieuwe regels om ondernemers een tweede kans te geven. Ook de termijnen en kosten van insolventieprocedures, met name voor de kleine en middelgrote ondernemingen, worden verminderd en beter voorspelbaar. Volgens eigen ramingen van de Franse administratie zou de Pacte-wet het bbp tegen 2025 met 0,32 % kunnen doen groeien en met ongeveer 1 % op langere termijn. De volledige en tijdige uitvoering van de wet blijft echter cruciaal om de vruchten van die hervorming te kunnen plukken.

(32)

De programmering van de Uniemiddelen voor de periode 2021-2027 zou kunnen bijdragen tot het aanpakken van een aantal van de in de aanbevelingen geconstateerde leemten, met name op de gebieden die worden behandeld in bijlage D bij het landverslag 2019. Dit zou Frankrijk in staat stellen die fondsen optimaal te benutten voor de in dat verslag genoemde sectoren, rekening houdend met de regionale en territoriale verschillen en de specifieke situatie van de ultraperifere gebieden.

(33)

In de context van het Europees Semester 2019 heeft de Commissie een brede analyse van het economische beleid van Frankrijk verricht. Die analyse is gepubliceerd in het landverslag 2019. Voorts heeft de Commissie zowel het stabiliteitsprogramma 2019 als het nationale hervormingsprogramma 2019 doorgelicht en onderzocht welk gevolg is gegeven aan de aanbevelingen die in eerdere jaren tot Frankrijk zijn gericht. Daarbij heeft de Commissie niet alleen gekeken naar de relevantie ervan voor een houdbaar begrotings- en sociaal-economisch beleid in Frankrijk, maar is zij ook nagegaan of de Unieregels en -richtsnoeren in acht zijn genomen, gezien de noodzaak de algehele economische governance van de Unie te versterken door middel van een inbreng op Unieniveau in toekomstige nationale besluiten.

(34)

In het licht van deze beoordeling heeft de Raad het stabiliteitsprogramma 2019 onderzocht en zijn advies (8) daarover is met name in de onderstaande aanbeveling 1 weergegeven.

(35)

In het licht van de diepgaande evaluatie door de Commissie en van deze beoordeling heeft de Raad het nationale hervormingsprogramma 2019 en het stabiliteitsprogramma 2019 onderzocht. Zijn aanbevelingen op grond van artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 zijn in de onderstaande aanbevelingen 1 tot en met 4 weergegeven. Die aanbevelingen dragen ook bij tot de uitvoering van de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone, met name de eerste en de tweede aanbeveling voor de eurozone. Het in aanbeveling 1 bedoelde begrotingsbeleid draagt onder meer bij tot het aanpakken van onevenwichtigheden in verband met de hoge overheidsschuld,

BEVEELT AAN dat Frankrijk in 2019 en 2020 de volgende acties onderneemt:

1.   

Ervoor zorgen dat de nominale groei van de netto primaire uitgaven in 2020 niet meer dan 1,2 % bedraagt, hetgeen overeenstemt met een jaarlijkse structurele aanpassing van 0,6 % van het bbp. Meevallers gebruiken om de vermindering van de overheidsschuldquote te versnellen. In het volledige overheidsapparaat besparingen en efficiëntiewinsten realiseren, onder meer door een volledige beschrijving en monitoring van de uitvoering van de concrete maatregelen die nodig zijn in het kader van “Action publique 2022”. Het pensioenstelsel hervormen om de regels van de verschillende pensioenregelingen geleidelijk te harmoniseren teneinde het stelsel billijker en houdbaarder te maken.

2.   

Integratie op de arbeidsmarkt voor alle werkzoekenden bevorderen, waarbij gelijke kansen worden gewaarborgd voor met name kwetsbare groepen zoals mensen met een migratieachtergrond, en tekorten aan en mismatches in vaardigheden worden aangepakt.

3.   

Het investeringsbeleid toespitsen op onderzoek en innovatie (en tegelijk werk maken van efficiëntere openbare steunregelingen, onder meer op het gebied van kennisoverdracht), hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en interconnecties met de rest van de Unie, en op digitale infrastructuur, rekening houdend met de territoriale verschillen.

4.   

Het belastingstelsel verder vereenvoudigen door met name het gebruik van aftrekregelingen te beperken, nog meer inefficiënte belastingen af te schaffen en de belastingen op productie te verlagen. Regelgevingsbeperkingen terugschroeven, met name in de dienstensector, en de maatregelen om de groei van bedrijven te stimuleren volledig uitvoeren.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LINTILÄ


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(2)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25.

(3)  PB C 136 van 12.4.2019, blz. 1.

(4)  PB C 320 van 10.9.2018, blz. 39.

(5)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(6)  Conjunctuurgezuiverd begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, herberekend door de Commissie volgens de gezamenlijk overeengekomen methode.

(7)  De netto primaire overheidsuitgaven bestaan uit de totale overheidsuitgaven exclusief rente-uitgaven, uitgaven in het kader van programma’s van de Unie die volledig met inkomsten uit Uniefondsen worden gefinancierd en niet-discretionaire veranderingen in de uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen. Nationaal gefinancierde bruto-investeringen in vaste activa worden gespreid over een periode van vier jaar. Er wordt rekening gehouden met discretionaire inkomstenmaatregelen of bij wet verplicht gestelde inkomstenstijgingen. Eenmalige maatregelen aan zowel de inkomsten- als de uitgavenzijde worden uitgevlakt.

(8)  Op grond van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97.


5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 301/64


AANBEVELING VAN DE RAAD

van 9 juli 2019

over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Kroatië en met een advies van de Raad over het convergentieprogramma 2019 van Kroatië

(2019/C 301/11)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (1), en met name artikel 9, lid 2,

Gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (2), en met name artikel 6, lid 1,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 21 november 2018 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse groeianalyse en daarmee de aanzet gegeven tot het Europees Semester 2019 voor coördinatie van het economisch beleid. Er werd terdege rekening gehouden met de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie is afgekondigd. De prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse zijn op 21 maart 2019 door de Europese Raad bekrachtigd. Op 21 november 2018 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 ook het waarschuwingsmechanismeverslag aangenomen, waarin zij Kroatië heeft genoemd als een van de lidstaten die aan een diepgaande evaluatie zouden worden onderworpen.

(2)

Op 27 februari 2019 is het landverslag 2019 voor Kroatië gepubliceerd. Daarin werd de vooruitgang beoordeeld die Kroatië bij het opvolgen van de op 13 juli 2018 door de Raad aangenomen landspecifieke aanbevelingen (3) heeft gemaakt, alsmede het gevolg dat is gegeven aan de landspecifieke aanbevelingen die in de jaren voordien werden goedgekeurd, en de vooruitgang die Kroatië in de richting van zijn nationale Europa 2020-doelstellingen heeft geboekt. Het landverslag bevatte ook een op grond van artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 uitgevoerde diepgaande evaluatie, waarvan de uitkomsten ook op 27 februari 2019 zijn bekendgemaakt. Op basis van haar analyse is de Commissie tot de conclusie gekomen dat Kroatië, in een context van lage potentiële groei, macro-economische onevenwichtigheden vertoont, die verband houden met hoge niveaus van overheidsschuld, particuliere schuld en buitenlandse schuld. De onevenwichtigheden zijn de laatste jaren echter kleiner geworden dankzij een robuuste nominale groei en een prudent begrotingsbeleid. De negatieve externe nettoverplichtingen zijn aan het verbeteren ten gevolge van de aanhoudende overschotten op de lopende rekening. Sinds de piek in 2015 is de overheidsschuld aanzienlijk gedaald. De schuldafbouw in de particuliere sector gaat voort hoewel het tempo naar verwachting zou terugvallen nu de kredietverlening en de investeringen weer aantrekken. De financiële sector is goed gekapitaliseerd en is winstgevend, maar het aandeel niet-renderende leningen blijft, ondanks een dalende trend, hoog. De beleidsvoering is versterkt, maar een grondige tenuitvoerlegging van structurele maatregelen blijft van cruciaal belang met het oog op de versterking van de weerbaarheid van de economie. Ondanks enige vooruitgang zijn er nog steeds problemen met de volledigheid, de nauwkeurigheid en de tijdschema’s van economische statistieken en statistieken betreffende overheidsfinanciën.

(3)

Op 18 april 2019 heeft Kroatië zijn nationale hervormingsprogramma 2019 en zijn convergentieprogramma 2019 ingediend. Om met de onderlinge verbanden tussen beide programma’s rekening te houden, zijn deze tegelijkertijd geëvalueerd.

(4)

De betrokken landspecifieke aanbevelingen zijn tot op zekere hoogte meegenomen in de programmering voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (“ESI-fondsen”) voor de periode 2014-2020. Op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4) kan de Commissie een lidstaat verzoeken zijn partnerschapsovereenkomst en de desbetreffende programma’s opnieuw te bezien en wijzigingen daarop voorstellen indien dit nodig is om de uitvoering van de betrokken aanbevelingen van de Raad te ondersteunen. De Commissie heeft in richtsnoeren met betrekking tot de toepassing van de maatregelen die de effectiviteit van de ESI-fondsen koppelen aan gezonde economische governance, nader aangegeven hoe zij van die bepaling zou gebruikmaken.

(5)

Kroatië valt momenteel onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact en is aan de schuldregel onderworpen. Vertrekkend van een overheidsoverschot van 0,2 % van het bruto binnenlands product (bbp) in 2018, wordt in het convergentieprogramma 2019 ermee gerekend dat het nominale saldo zal verslechteren tot een tekort van – 0,3 % van het bbp in 2019, om nadien geleidelijk te verbeteren tot een overschot van 0,8 % van het bbp in 2022. Op basis van het herberekende structurele saldo (5) wordt voorzien dat de begrotingsdoelstelling op middellange termijn — die is gewijzigd van een structureel tekort van 1,75 % van het bbp in 2019 tot 1 % van het bbp vanaf 2020 — gedurende de gehele programmaperiode zal worden overtroffen. Volgens het convergentieprogramma 2019 zal de overheidsschuldquote naar verwachting afnemen van 71,6 % van het bbp in 2019 tot 68,5 % van het bbp in 2020 en verder blijven dalen tot 62 % van het bbp in 2022. Het macro-economische scenario dat aan die begrotingsprognoses ten grondslag ligt, is plausibel. Toch lijken de voorgenomen begrotingsdoelstellingen voorzichtig. In de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie wordt uitgegaan van een overheidssaldo van 0,1 % en 0,5 % van het bbp in respectievelijk 2019 en 2020. Volgens de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie zal het structurele saldo – 0,8 % van het bbp bedragen in 2019 en – 0,5 % van het bbp in 2020, en zodoende boven de begrotingsdoelstelling op middellange termijn blijven. De verwachting is dat Kroatië in 2019 en 2020 aan de schuldregel zal voldoen. Al met al is de Raad van oordeel dat Kroatië in 2019 en 2020 aan de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact zal voldoen.

(6)

In december 2018 heeft het Kroatische parlement de wet inzake budgettaire verantwoordelijkheid aangenomen. Het doel is de structuur en het mandaat van het comité begrotingsbeleid te versterken en becijferde begrotingsregels vast te stellen, met inbegrip van een regel voor een structureel begrotingsevenwicht. In maart 2019 werd het mandaat van de nationale rekenkamer versterkt door de invoering van sanctiemechanismen voor gevallen van niet-naleving van haar aanbevelingen en de uitbreiding van de reikwijdte van haar audits. Het begrotingskader zal verder worden versterkt door de aanneming van de gewijzigde begrotingswet. Dit zal naar verwachting leiden tot een betere begrotingsplanning, een betere verzameling van begrotingsgegevens en betere criteria voor de verstrekking van overheidsgaranties.

(7)

De territoriale versnippering van de Kroatische overheidsdiensten is van invloed op de efficiëntie ervan en vergroot de regionale verschillen. Veel kleine lokale overheidsinstanties hebben vaak niet voldoende financiële en administratieve middelen om de onder hun bevoegdheid vallende diensten te verlenen. Dit leidt tot grote verschillen in de openbare dienstverlening tussen financieel en administratief sterke en zwakke lokale instanties in Kroatië. Op het niveau van de centrale overheid hebben de autoriteiten stappen gezet in de richting van de vereenvoudiging van het omslachtige systeem van overheidsagentschappen, maar het wettelijk kader dat het systeem homogener moet maken, is nog niet klaar. Het is de bedoeling de bevoegdheden van bijkantoren van het centrale bestuur die op lokaal niveau actief zijn, over te hevelen naar het bestuur van de districten.

(8)

De schulden van het gezondheidszorgstelsel zijn in 2018 verder opgelopen, wat een risico vormt voor de overheidsfinanciën. De financiering van het stelsel is gebaseerd op bijdragen van de beroepsbevolking en overdrachten uit de overheidsbegroting, hoewel deze laatste de kosten nog nooit volledig hebben gedekt. De financiële situatie van het gezondheidszorg-stelsel zal naar verwachting verbeteren als gevolg van de verhoging van de premie voor de ziektekostenverzekering in 2019 en van de accijnzen op tabak in december 2018. De voortdurende functionele integratie van ziekenhuizen en acties ter verbetering van de eerstelijnszorg kunnen leiden tot meer efficiëntie bij de uitgaven, maar de uitvoering ervan verloopt traag.

(9)

Het raamwerk voor loonvorming is niet consistent in alle geledingen van de overheid en de overheidsdiensten, wat van invloed is op de gelijke behandeling en een belemmering vormt voor de centrale controle op de loonkosten bij de overheid. De nieuwe wetgeving inzake de loonvorming voor ambtenaren is al meermaals uitgesteld. Het doel van de wet is te komen tot een grotere harmonisatie in alle geledingen van de overheid door de invoering van gemeenschappelijke salarisschalen en coëfficiënten voor de complexiteit van banen, op basis van meer consistente functiebeschrijvingen en competentiekaders. Kroatië heeft een kader voor sociale dialoog, maar de werkmethoden en procedures moeten verbeteren om tot een echte sociale dialoog te komen. De versnippering van de vakbonden verzwakt ook de doeltreffendheid van de sociale dialoog.

(10)

In 2018 bleef de werkloosheid snel dalen. Ook de jeugdwerkloosheid is aanzienlijk afgenomen, maar blijft hoog. De activiteits- en werkgelegenheidsgraad in Kroatië blijft echter laag, waarbij vervroegde pensionering en zorgtaken inactiviteit sterk in de hand werken. De toegang tot werkgelegenheid moet worden verbeterd, bijvoorbeeld door te anticiperen op en te zorgen voor passende vaardigheden. Er zijn nog steeds tal van factoren die inactiviteit in de hand werken en de huidige maatregelen om mensen te helpen de arbeidsmarkt te betreden, lijken niet te volstaan. De capaciteit van arbeidsmarktinstanties blijft beperkt en de samenwerking tussen diensten voor arbeidsvoorziening, sociale diensten en andere relevante belanghebbenden is zwak. In 2019 is een belangrijk pakket met hervormingen van het pensioenstelsel in werking getreden. De drie hoofddoelstellingen van de hervorming zijn: i) ontwerpgerelateerde inconsistenties, die hebben geleid tot een oneerlijke behandeling van bepaalde groepen gepensioneerden, wegwerken; ii) de adequaatheid van het pensioenstelsel verbeteren door de beroepsloopbaan te verlengen, en iii) de institutionele structuur en de prestaties van de tweede pensioenpijler versterken.

(11)

Sociaal-economische verschillen hebben grote gevolgen voor het onderwijsniveau in Kroatië. Het land presteert onder het Uniegemiddelde wat betreft onderwijs, met name voor- en vroegschoolse educatie en kinderopvang, basisvaardigheden, het aantal hoger opgeleiden, deelname van volwassenen aan onderwijs of opleiding, en arbeidsmarktrelevantie van beroepsonderwijs en -opleiding. Kroatië voert de hervorming van de leerplannen uit als proefproject, maar de hervorming zal alleen maximaal effect sorteren als zij volledig wordt uitgevoerd en gepaard gaat met de opleiding van leerkrachten.

(12)

Ondanks de nog steeds relatief hoge werkloosheid is er in een aantal sectoren van de economie sprake van een tekort aan arbeidskrachten, voornamelijk als gevolg van lacunes in vaardigheden. Het verbeteren van digitale vaardigheden kan de productiviteit verhogen en een aantal lacunes in vaardigheden opvullen. De beperkte arbeidsmarktrelevantie van beroepsonderwijs en -opleiding is mede de oorzaak van een lage arbeidsparticipatie bij afgestudeerden. Er nemen weinig studenten deel aan programma’s die leren op de werkplek omvatten. De oprichting van regionale competentiecentra en het experimentele programma voor duaal onderwijs moeten de kwaliteit van beroepsonderwijs en -opleiding verbeteren en het in kaart brengen van de behoeften aan vaardigheden vergemakkelijken. Er nemen weinig mensen deel aan programma’s voor volwassenenonderwijs die worden aangeboden in het kader van maatregelen om mensen aan een baan of opleiding te helpen. Dit geldt met name voor degenen die het meest behoefte hebben aan onderwijs, zoals laaggeschoolden en werklozen.

(13)

Het aandeel van de bevolking dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd, neemt af, maar blijft boven het Uniegemiddelde. Dit risico heeft vooral betrekking op ouderen en mensen met een handicap. Het vermogen van sociale uitkeringen om armoede terug te dringen, is nog steeds zwak in vergelijking met het Uniegemiddelde. De autoriteiten hebben maatregelen genomen om de registratie van sociale uitkeringen die op lokaal niveau worden verstrekt, te verbeteren door de indeling ervan te harmoniseren. Dit moet leiden tot een beter overzicht van de op het hele grondgebied verstrekte uitkeringen, die dan kunnen worden gebruikt om de doeltreffendheid van het stelsel voor sociale bescherming te verbeteren en de meest behoeftigen te bereiken.

(14)

Het vervoersnetwerk is niet in balans, met een grote achterstand op het vlak van de spoorweginfrastructuur, wat leidt tot een lage kwaliteit van de dienstverlening en belemmeringen voor de mobiliteit van werknemers. Kleinere steden beschikken niet over een adequate infrastructuur voor openbaar vervoer. De uitstoot van broeikasgassen door het wegvervoer is de afgelopen vijf jaar aanzienlijk toegenomen. Het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de vervoerssector ligt ver onder de 2020-doelstelling van 10 %. Extra inspanningen en investeringen zijn nodig om het hoge aandeel van auto’s op fossiele brandstoffen daadwerkelijk te verminderen, de intermodaliteit te bevorderen en meer in het algemeen de toenemende uitstoot van broeikasgassen door de vervoerssector te beteugelen.

(15)

De hoge energie-intensiteit van Kroatië kan worden verminderd door investeringen in energie-efficiëntie en slimme energiesystemen. Bijzondere aandacht kan uitgaan naar het verminderen van het energieverbruik in gebouwen en het verbeteren van de energie-efficiëntie van stadsverwarmingsnetwerken. Ook investeringen in wind- en zonne-energie hebben een aanzienlijk potentieel, net als hernieuwbare energie voor verwarming en koeling. De bevordering ervan zou de eilanden van Kroatië ook in staat stellen zelfredzamer te worden op het gebied van energie, in overeenstemming met het initiatief “Schone energie voor de eilanden van de EU”. Bovendien is Kroatië bijzonder kwetsbaar voor klimaatrisico’s, met name overstromingen en bosbranden.

(16)

Investeringen kunnen ook de overgang naar een circulaire economie bevorderen. Zij zijn nodig om de gescheiden inzameling en recycling van afval als alternatief voor het storten van afval te ondersteunen, alternatieven voor grondstoffen te ontwikkelen, de vraag naar gerecycleerd materiaal te doen toenemen en het publiek bewuster te maken van duurzame consumptie- en gedragspatronen. Daarnaast zijn er ook aanzienlijke investeringen nodig om de opvang en behandeling van afvalwater in agglomeraties met een inwonerequivalent van meer dan 2 000 te waarborgen. Door investeringen in waternetwerken kan de lekkage van drinkwater worden verminderd en kan er worden voldaan aan kwaliteitseisen die nog niet zijn gehaald.

(17)

De onderzoeks- en innovatiecapaciteit en de invoering van geavanceerde technologieën vereisen investeringen om de innovatieprestaties te versterken en de productiviteitsgroei te bevorderen, die wordt belemmerd door een versnipperd en inefficiënt onderzoeks- en innovatiebeleid. De strategie voor “slimme specialisatie” 2016-2020 (S3) van Kroatië heeft tot doel innovatie te bevorderen, versnippering in het systeem tegen te gaan en ervoor te zorgen dat de onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten worden georganiseerd rond belangrijke economische prioriteiten, maar verwacht wordt dat de uitvoering ervan verder zal worden versneld. Investeringen kunnen de samenwerking tussen universiteiten en bedrijven ondersteunen om de overdracht van technologie en de commercialisering van onderzoeksresultaten mogelijk te maken en kunnen governance versterken.

(18)

Er is langzaam vooruitgang geboekt wat betreft de maatregelen ter verbetering van corporate governance in staatsbedrijven. Er is een nieuwe code betreffende corporate governance aangenomen en er is opdracht gegeven voor het opstellen van een planning voor de middellange termijn en verslagen over prestaties. Toch blijft de sterke aanwezigheid van staatsbedrijven in veel sectoren, in combinatie met hun lage winstgevendheid en zwakke productiviteit, wegen op de economie. In 2018 werd de lijst van bedrijven van bijzonder belang verder ingekort en meer bedrijven komen nu formeel in aanmerking voor verkoop, maar een duidelijke privatiseringsstrategie ontbreekt. De inspanningen van de autoriteiten lijken gericht te zijn op het afstoten van de grote resterende minderheidsbelangen en het activeren van niet-productieve activa. Corruptie wordt gepercipieerd als een wijdverbreid en toenemend probleem. Doeltreffende instrumenten om corruptie te voorkomen en te bestraffen ontbreken, met name op lokaal niveau. Het blijft nodig om de toezicht- en sanctie-mechanismen voor aangestelde personen bij lokale overheidsbedrijven te versterken.

(19)

Buitensporige bestuurlijke en wettelijke eisen en parafiscale (niet-fiscale) heffingen belasten het bedrijfsleven en vooral de kleine bedrijven. Het in kaart brengen van de administratieve lasten is afgerond, waardoor de autoriteiten kunnen voortgaan met de tenuitvoerlegging van gerechtvaardigde vereenvoudigingsmaatregelen. Het snoeien in de parafiscale heffingen heeft vertraging opgelopen. Het hoge aantal overgereguleerde professionele diensten belemmert de mededinging. In bepaalde sectoren, en vooral de sector van de taxidiensten, is er vooruitgang geboekt, maar voor veel economisch belangrijke beroepen gelden er nog steeds buitensporige beperkingen.

(20)

Ondanks enige vooruitgang tasten aanzienlijke vertragingen en lange procedures bij burgerlijke en handelsrechtbanken de rechtszekerheid aan, terwijl inefficiëntie in het strafrecht de strijd tegen economische en financiële criminaliteit bemoeilijkt. De perceptie van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht is verder verslechterd. In 2018 zijn er wijzigingen van de wet inzake de nationale raad voor de rechterlijke macht aangenomen. Met uitzondering van de situatie bij de hoge handelsrechtbank, was de verdere afname van de achterstand vooral het gevolg van een daling van het aantal binnenkomende zaken. Elektronische communicatie wordt momenteel getest bij sommige rechtbanken, maar moet nog worden uitgebreid op nationaal niveau.

(21)

De programmering van de Uniemiddelen voor de periode 2021-2027 zou kunnen bijdragen tot het aanpakken van een aantal van de in de aanbevelingen geconstateerde leemten, en met name op de gebieden die worden behandeld in bijlage D bij het landverslag 2019. Hierdoor zou Kroatië deze middelen zo goed mogelijk voor de geïdentificeerde sectoren kunnen inzetten, rekening houdend met de gewestelijke verschillen. De versterking van de bestuurlijke capaciteit van het land om deze middelen te beheren, is een belangrijke factor voor het welslagen van deze investeringen. De institutionele structuur voor overheidsopdrachten moet worden versterkt om de naleving van voorschriften te verbeteren en strategische aanbestedingen mogelijk te maken, zodat beleidsdoelstellingen worden bereikt en overheidsmiddelen efficiënt worden besteed.

(22)

In de context van het Europees Semester 2019 heeft de Commissie een brede analyse van het economische beleid van Kroatië verricht; deze analyse is gepubliceerd in het landverslag 2019. Voorts heeft de Commissie zowel het convergentieprogramma 2019 als het nationale hervormingsprogramma 2019 doorgelicht en onderzocht welk gevolg is gegeven aan de aanbevelingen die in eerdere jaren tot Kroatië zijn gericht. Daarbij heeft de Commissie niet alleen gekeken naar de relevantie ervan voor een houdbaar begrotings- en sociaal-economisch beleid in Kroatië, maar is zij ook nagegaan in hoeverre de Unieregels en -richtsnoeren in acht zijn genomen. Dit weerspiegelt de noodzaak de algehele economische governance van de Unie te versterken door middel van een inbreng op Unieniveau in toekomstige nationale besluiten.

(23)

In het licht van deze beoordeling heeft de Raad het convergentieprogramma 2019 onderzocht en is hij van mening (6) dat Kroatië naar verwachting aan het stabiliteits- en groeipact zal voldoen.

(24)

In het licht van de diepgaande evaluatie door de Commissie en van deze beoordeling heeft de Raad het nationale hervormingsprogramma 2019 en het convergentieprogramma 2019 onderzocht. Zijn aanbevelingen op grond van artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 zijn in de onderstaande aanbevelingen 1 tot en met 4 weergegeven. Het in aanbeveling 1 bedoelde begrotingsbeleid draagt onder meer bij tot het aanpakken van onevenwichtigheden in verband met de hoge overheidsschuld,

BEVEELT AAN dat Kroatië in 2019 en 2020 de volgende actie onderneemt:

1.   

Het begrotingskader en de monitoring van voorwaardelijke verplichtingen op centraal en lokaal niveau versterken. De territoriale versnippering van de overheidsdiensten terugdringen en de functionele verdeling van bevoegdheden stroomlijnen.

2.   

Resultaten boeken bij de onderwijshervorming en zowel de toegang tot onderwijs en opleiding op alle niveaus als de kwaliteit en de arbeidsmarktrelevantie ervan verbeteren. Sociale uitkeringen consolideren en hun vermogen om armoede terug te dringen vergroten. Arbeidsmarktmaatregelen en -instanties versterken alsook de coördinatie ervan met sociale diensten. In overleg met de sociale partners geharmoniseerde raamwerken voor loonvorming invoeren in alle geledingen van de overheid en de overheidsdiensten.

3.   

Het investeringsgerelateerde economische beleid toespitsen op onderzoek en innovatie, duurzaam stads- en spoorwegvervoer, energie-efficiëntie, hernieuwbare energie en milieu-infrastructuur, rekening houdend met regionale verschillen. De capaciteit van overheidsinstanties om openbare projecten en beleidsmaatregelen te ontwerpen en uit te voeren, vergroten.

4.   

Corporate governance bij staatsbedrijven verbeteren en de verkoop van staatsbedrijven en niet-productieve activa intensiveren. De preventie en bestraffing van corruptie verbeteren, met name op lokaal niveau. De duur van gerechtelijke procedures verkorten en elektronische communicatie bij rechtbanken verbeteren. De meest belastende parafiscale heffingen en de buitensporige regulering van de markt voor producten en diensten verminderen.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LINTILÄ


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(2)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25.

(3)  PB C 320 van 10.9.2018, blz. 44.

(4)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(5)  Conjunctuurgezuiverd begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, herberekend door de Commissie volgens de gezamenlijk overeengekomen methode.

(6)  Op grond van artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97.


5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 301/69


AANBEVELING VAN DE RAAD

van 9 juli 2019

over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Italië en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Italië

(2019/C 301/12)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (1), en met name artikel 5, lid 2,

Gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (2), en met name artikel 6, lid 1,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 21 november 2018 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse groeianalyse en daarmee de aanzet gegeven tot het Europees Semester 2019 voor coördinatie van het economisch beleid. Er werd terdege rekening gehouden met de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie is afgekondigd. De prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse zijn op 21 maart 2019 door de Europese Raad bekrachtigd. Op 21 november 2018 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 ook het waarschuwingsmechanismeverslag aangenomen, waarin zij Italië heeft genoemd als een van de lidstaten die aan een diepgaande evaluatie zouden worden onderworpen. Tevens heeft de Commissie op die datum een aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone aangenomen, die op 21 maart 2019 door de Europese Raad is bekrachtigd. Op 9 april 2019 heeft de Raad de aanbeveling over het economisch beleid van de eurozone (3) (“aanbeveling voor 2019 voor de eurozone”) aangenomen, die vijf aanbevelingen voor de eurozone (“de aanbevelingen voor de eurozone”) bevat.

(2)

Als lidstaat die de euro als munt heeft en in het licht van de grote onderlinge verwevenheid tussen de economieën van de economische en monetaire unie zou Italië ervoor moeten zorgen dat volledig en tijdig uitvoering wordt gegeven aan de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone, die wordt weergegeven in de aanbevelingen 1 tot en met 5 hieronder. In het bijzonder zullen maatregelen op het gebied van openbaar bestuur, justitie en mededinging helpen om gevolg te geven aan aanbeveling 1 voor de eurozone inzake veerkrachtige productmarkten en de kwaliteit van instellingen. Door onder meer het economisch beleid toe te spitsen op investeringen in de genoemde sectoren en meevallers te gebruiken om de overheidsschuld te verminderen, kan gevolg worden gegeven aan aanbeveling 2 voor de eurozone inzake het bevorderen van investeringen en het opnieuw aanleggen van buffers. Maatregelen om de inzetbaarheid te verbeteren en de belastingdruk op productiefactoren te verminderen, zullen helpen om gevolg te geven aan aanbeveling 3 voor de eurozone inzake de werking van de arbeidsmarkt, en maatregelen om de balans van banken te verbeteren zullen helpen om gevolg te geven aan aanbeveling 4 voor de eurozone inzake de terugdringing van niet-presterende leningen.

(3)

Op 27 februari 2019 is het landverslag 2019 voor Italië gepubliceerd. Daarin werd de vooruitgang beoordeeld die Italië bij het opvolgen van de op 13 juli 2018 door de Raad aangenomen landspecifieke aanbevelingen (4) heeft gemaakt, alsmede het gevolg dat is gegeven aan de landspecifieke aanbevelingen die in de jaren voordien werden goedgekeurd, en de vooruitgang die Italië in de richting van zijn nationale Europa 2020-doelstellingen heeft geboekt. Het landverslag bevatte ook een op grond van artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 uitgevoerde diepgaande evaluatie, waarvan de uitkomsten ook op 27 februari 2019 zijn bekendgemaakt. Op basis van haar analyse concludeerde de Commissie dat Italië wordt geconfronteerd met buitensporige macro-economische onevenwichtigheden. In het bijzonder houden de hoge overheidsschuld en een aanhoudend zwakke productiviteitsdynamiek risico’s met grensoverschrijdende relevantie in. Om het risico van negatieve effecten op de Italiaanse economie en, gezien de omvang en de grensoverschrijdende relevantie van Italië, op de economische en monetaire unie te beperken, is het zeer belangrijk dat maatregelen worden genomen.

(4)

Op 19 april 2019 heeft Italië zijn nationale hervormingsprogramma 2019 en zijn stabiliteitsprogramma 2019 ingediend. Om met de onderlinge verbanden tussen beide programma’s rekening te houden, zijn deze tegelijkertijd geëvalueerd. In het nationaal hervormingsprogramma 2019 van Italië worden de in de landspecifieke aanbevelingen van 2018 gesignaleerde structurele problemen slechts gedeeltelijk aangepakt en ontbreken vaak gegevens over de weinige nieuwe verbintenissen die het programma bevat, en over het tijdschema voor de uitvoering ervan. Wel bouwt de hervormingsstrategie voort op belangrijke reeds op stapel staande hervormingen op verschillende gebieden en vertoont deze continuïteit met voorgaande nationale hervormingsprogramma’s.

(5)

De betrokken landspecifieke aanbevelingen zijn meegenomen in de programmering voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) voor de periode 2014-2020. Op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) kan de Commissie een lidstaat verzoeken zijn partnerschapsovereenkomst en de desbetreffende programma’s opnieuw te bezien en wijzigingen daarop voorstellen indien dit nodig is om de uitvoering van de betrokken aanbevelingen van de Raad te ondersteunen. De Commissie heeft in richtsnoeren over de toepassing van de maatregelen die de effectiviteit van de ESI-fondsen koppelen aan gezonde economische governance, nader aangegeven hoe zij van die bepaling gebruik zou maken.

(6)

Italië valt momenteel onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact en is aan de schuldregel onderworpen. In haar stabiliteitsprogramma 2019 voorziet de regering dat het nominale tekort zal stijgen van 2,1 % in 2018 naar 2,4 % van het bruto binnenlands product (bbp) in 2019 en daarna geleidelijk zal afnemen tot 2,1 % in 2020 en 1,5 % in 2022. Bij deze projecties wordt uitgegaan van een btw-verhoging (1,3 % van het bbp in 2020 en 1,5 % van het bbp in 2021), die bij wet als “garantieclausule” is vastgelegd om vanaf 2020 de begrotingsdoelstellingen te halen. Op basis van het herberekende structurele saldo (6) zal de budgettaire middellangetermijndoelstelling — die gewijzigd is van een begroting die structureel in evenwicht is in 2019 naar een structureel overschot van 0,5 % van het bbp in 2020 — naar verwachting niet binnen de programmaperiode worden bereikt. Na een toename in 2018 (tot 132,2 % van het bbp, komende van 131,4 % in 2017) zal de overheidsschuldquote volgens de prognoses van het stabiliteitsprogramma 2019 met 0,4 procentpunt van het bbp oplopen tot 132,6 % in 2019 en in 2022 zijn teruggelopen tot 128,9 %. Deze projecties gaan uit van privatiseringsopbrengsten van 1 % van het bbp in 2019 en 0,3 % van het bbp in 2020. Het macro-economische scenario dat aan die begrotingsprognoses ten grondslag ligt, is plausibel. In de afgelopen jaren zijn de bij wet als “garantieclausule” vastgelegde btw-verhogingen echter systematisch ingetrokken zonder toereikende alternatieve financieringsmaatregelen en zijn de privatiseringsopbrengsten achtergebleven bij de streefcijfers. Bij ongewijzigd beleid vallen volgens de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie de nominale bbp-groei in 2020 lager en het overheidstekort in dat jaar hoger uit dan in het stabiliteitsprogramma 2019 wordt verwacht. In de prognoses van de Commissie wordt geen rekening gehouden met de bij wet als “garantieclausule” vastgelegde btw-verhoging in 2020.

(7)

Op 5 juni 2019 heeft de Commissie een overeenkomstig artikel 126, lid 3, van het Verdrag opgesteld verslag uitgebracht omdat Italië zich in 2018 niet aan de schuldregel heeft gehouden. De conclusie van het verslag, na beoordeling van alle relevante factoren, was dat het schuldcriterium, zoals vastgelegd in het Verdrag en in Verordening (EG) nr. 1467/97, als niet nageleefd dient te worden beschouwd en dat dus een buitensporigtekortprocedure op basis van de schuld gerechtvaardigd is.

(8)

Na het verzoek in het herziene ontwerpbegrotingsplan 2019 bevestigt het stabiliteitsprogramma 2019 dat de budgettaire gevolgen van de instorting van de Morandi-brug in Genua en de uitzonderlijk slechte weersomstandigheden in 2018 aanzienlijk waren en levert het afdoende bewijs voor de omvang en de aard van die extra kosten voor de begroting. In het bijzonder vermeldt het stabiliteitsprogramma 2019 dat in de begroting van 2019 uitzonderlijke uitgaven ten belope van ongeveer 0,2 % van het bbp zijn opgenomen voor een buitengewoon onderhoudsprogramma voor het wegennet en een preventief plan ter beperking van hydrogeologische risico’s. Wegens het rechtstreekse verband met de instorting van de Morandi-brug in Genua en de slechte weersomstandigheden in 2018 zouden de uitgaven voor buitengewoon wegenonderhoud en de preventie van hydrogeologische risico’s kunnen worden behandeld op basis van de clausule inzake ongewone gebeurtenissen. Volgens de Commissie bedragen de in aanmerking komende extra uitgaven voor deze maatregelen in 2019 0,18 % van het bbp. Op grond van artikel 5, lid 1, en artikel 6, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1466/97 kunnen deze extra uitgaven worden toegestaan, aangezien de instorting van de Morandi-brug in Genua en de uitzonderlijk slechte weersomstandigheden als ongewone gebeurtenissen worden beschouwd, de gevolgen ervan voor de Italiaanse overheidsfinanciën aanzienlijk zijn en de houdbaarheid van de overheidsfinanciën niet in gevaar wordt gebracht wanneer een tijdelijke afwijking van het aanpassingstraject richting de budgettaire middellangetermijndoelstelling wordt toegestaan. In het voorjaar van 2020 zal een definitieve beoordeling worden verricht op grond van de waargenomen gegevens van de Italiaanse autoriteiten over 2019, waarbij ook wordt gekeken naar de in aanmerking komende bedragen.

(9)

Op 13 juli 2018 heeft de Raad Italië aanbevolen ervoor te zorgen dat het nominale groeipercentage van de netto primaire overheidsuitgaven (7) in 2019 niet hoger ligt dan 0,1 %, hetgeen neerkomt op een jaarlijkse structurele aanpassing van 0,6 % van het bbp. Op basis van de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie bestaat het risico van een aanzienlijke afwijking van het aanbevolen aanpassingstraject in de richting van de budgettaire middellangetermijndoelstelling in 2019. Die conclusie zou dezelfde blijven indien de budgettaire gevolgen van het buitengewone onderhoudsprogramma voor het wegennet na de instorting van de Morandi-brug in Genua en het preventieve plan ter beperking van hydrogeologische risico’s als gevolg van buitengewoon slechte weersomstandigheden in mindering worden gebracht op hetgeen volgens het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact in 2019 vereist is.

(10)

Aangezien de overheidsschuldquote van Italië meer dan 60 % van het bbp bedraagt en de verwachte output gap – 0,1 %, zouden de netto primaire overheidsuitgaven in 2020 nominaal met 0,1 % moeten dalen, zulks in lijn met de structurele aanpassing van 0,6 % van het bbp die resulteert uit de matrix van vereisten in het kader van het stabiliteits- en groeipact. Op basis van de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie bestaat bij ongewijzigd beleid het risico van een aanzienlijke afwijking van het vereiste in 2020. Volgens de prognoses zal Italië in 2019 en 2020 op het eerste gezicht niet aan de schuldregel voldoen. Bovendien betekent deze hoge Italiaanse overheidsschuldquote (van ongeveer 132 % van het bbp) dat veel middelen worden gereserveerd voor de schuldendienst, ten nadele van meer groeibevorderende posten zoals onderwijs, innovatie en infrastructuur. Over het geheel genomen is de Raad van oordeel dat vanaf 2019 de nodige maatregelen zouden moeten worden genomen om te voldoen aan de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact. Het zou van belang zijn dat eventuele meevallers worden gebruikt om de overheidsschuldquote verder te verminderen.

(11)

Het Italiaanse belastingstelsel blijft zwaar drukken op productiefactoren, hetgeen nadelig is voor de economische groei. De hoge belastingdruk op arbeid en kapitaal zet een rem op de werkgelegenheid en investeringen. In de begroting van 2019 zijn de belastingen voor zelfstandigen en kleine ondernemingen verlaagd, maar is op geaggregeerd niveau de belastingdruk voor bedrijven, met name financiële instellingen, tijdelijk verhoogd. Belastinggrondslagen die minder schadelijk zijn voor groei, zoals onroerend goed en consumptie, zijn momenteel onderbenut, zodat er ruimte is om de belastingdruk op arbeid en kapitaal op een begrotingsneutrale manier te verlagen. De periodieke onroerendgoedbelasting op de eigen woning is in 2015 ingetrokken, ook voor rijkere huishoudens. De waarden van onroerend goed (of “kadastrale waarden”), die als basis dienen voor de berekening van de onroerendgoedbelasting, zijn bovendien grotendeels gedateerd en een hervorming om deze in overeenstemming te brengen met de actuele marktwaarde, laat nog op zich wachten. Qua aantal en omvang zijn de belastinguitgaven omvangrijk, hetgeen met name geldt voor de verlaagde btw-tarieven, en de stroomlijning ervan is de afgelopen jaren stelselmatig uitgesteld. Ook is er ruimte om de lasten te verlichten voor bedrijven en huishoudens die zich aan de regels houden, door de complexiteit van de belastingwetgeving te verminderen en door het algehele niveau van inachtneming van de belastingregels te verhogen. In het bijzonder is de btw-kloof (het verschil tussen de theoretische ontvangsten aan belasting over de toegevoegde waarde en de werkelijke ontvangsten) een van de grootste in de Unie. Die kloof wordt onder andere veroorzaakt door de hoge mate van belastingontduiking, die met name verband houdt met het niet-uitschrijven van rekeningen. Een goede manier om de kloof te verkleinen, is de verplichte elektronische indiening van verkoopbonnen bij alle handelstransacties met eindgebruikers. De juridische bovengrenzen voor contante betalingen zijn de laatste jaren echter verhoogd, waardoor elektronisch betalen zou kunnen worden ontmoedigd. Het aanmoedigen van elektronisch betalen zou juist kunnen stimuleren tot het uitschrijven van rekeningen en dus leiden tot een verbeterde naleving van de belastingwetgeving.

(12)

De Italiaanse uitgaven aan pensioenen, in de orde van grootte van ongeveer 15 % van het bbp in 2017, behoren tot de hoogste in de Unie en zullen naar verwachting op middellange termijn toenemen als gevolg van de verslechterende afhankelijkheidsratio van ouderen. In de begroting en het decreet tot uitvoering van de nieuwe regeling voor vervroegde uittreding in januari 2019 wordt teruggekomen op bepaalde onderdelen van vorige pensioenhervormingen, waardoor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op middellange termijn verslechtert. Door deze nieuwe bepalingen zullen de pensioenuitgaven op middellange termijn verder toenemen. Op grond van de nieuwe regeling voor vervroegde uittreding (“quota 100”) kan in de periode 2019-2021 iedereen die ten minste 38 jaar een bijdrage heeft betaald, op 62-jarige leeftijd met pensioen. Voorts zijn de bestaande bepalingen voor vervroegd pensioen versoepeld, onder meer door uitstel tot 2026 van de koppeling van de vereiste minimumbijdrage aan de levensverwachting, hetgeen tijdens eerdere pensioenhervormingen was ingevoerd. Voor die bepalingen zijn in de begroting van 2019 middelen gereserveerd ter waarde van 0,2 % van het bbp in 2019 en 0,5 % van het bbp in 2020 en 2021, maar ook voor de jaren daarna worden aanvullende kosten verwacht. De hoge overheidsuitgaven aan pensioenen zetten een rem op andere sociale en groeibevorderende uitgaven zoals onderwijs en investeringen, en beperken de ruimte voor een vermindering van de over het geheel genomen hoge belastingdruk en de hoge overheidsschuld. Voorts zou een verruiming van de mogelijkheid tot vervroegde uittreding een negatieve invloed kunnen hebben op het arbeidsaanbod, terwijl Italië nu al achterblijft bij het Uniegemiddelde voor de arbeidsparticipatie van oudere werknemers (55-64 jaar), waarmee de potentiële groei wordt belemmerd en de houdbaarheid van de overheidsschuld verslechtert. Om de stijging van de pensioenuitgaven te beperken, zouden eerder aangenomen pensioenhervormingen die tot doel hadden de impliciete verplichtingen die voortvloeien uit de vergrijzing in te dammen, onverkort moeten worden uitgevoerd. Daarenboven kan worden bespaard door in te grijpen in de hoge pensioenrechten waar geen bijdragen tegenover staan, met inachtneming van de beginselen van billijkheid en evenredigheid.

(13)

Ondanks de vertraging van de economische groei is de werkgelegenheid in 2018 verder toegenomen, zij het enigszins langzamer dan het voorgaande jaar. Het aantal mensen met een baan kwam eind vorig jaar uit op 23,2 miljoen en overschreed daarmee het niveau van vóór de crisis. De werkgelegenheidsgraad bij werknemers van 20-64 jaar is vorig jaar gestegen tot 63 %, maar blijft ver onder het Uniegemiddelde (73,2 %). Bovendien zijn de regionale verschillen aanzienlijk en blijft de arbeidsmarkt gesegmenteerd, terwijl het aandeel tijdelijke contracten in 2018 verder is toegenomen. De werkloosheid is gedaald tot 10,6 %. De langdurige werkloosheid en de jeugdwerkloosheid blijven hoog, wat ten koste gaat van de potentiële groei en de sociale cohesie. Bij vrouwen, laaggeschoolden en jongeren is er sprake van een hoge inactiviteit. Bovendien steeg het percentage jongeren (15-24-jarigen) dat in 2018 geen werk had en evenmin onderwijs of een opleiding volgde, naar 19,2 %, het hoogste percentage in de Unie. Onvrijwillig deeltijdwerk is eveneens wijdverbreid, hetgeen duidt op een hardnekkige onderbenutting van het arbeidspotentieel.

(14)

De inkomensongelijkheid en het armoederisico zijn hoog, met grote regionale en territoriale verschillen. In 2017 werd 28,9 % van de bevolking met armoede of sociale uitsluiting bedreigd, hetgeen hoger is dan vóór de crisis en ruim boven het Uniegemiddelde van 2017 (22,4 %) ligt. Kinderen, en in het bijzonder die met een migratieachtergrond, worden bij uitstek getroffen. De armoede onder werkenden is hoog en neemt toe, vooral bij tijdelijke werknemers en personen met een migratieachtergrond. Zelfstandigen, die 20,8 % van de beroepsbevolking uitmaken (tegen een Uniegemiddelde van 13,7 %), zijn doorgaans minder goed tegen sociale risico’s beschermd dan werknemers. De toegang tot betaalbare en adequate huisvesting is eveneens een knelpunt en de sociale dienstverlening blijft onderontwikkeld en versnipperd. De impact van sociale overdrachten op de terugdringing van armoede en ongelijkheid behoort tot de laagste in de Unie. De in 2018 ingevoerde armoedebestrijdingsregeling is vervangen door een nieuwe uitgebreide regeling (het basisinkomen) die gericht is op actieve insluiting en waaraan bepaalde voorwaarden zijn verbonden. De aanzienlijke administratieve druk op de arbeidsbemiddelingsdiensten en sociale diensten is een probleem voor de uitvoering van de hervorming. De daadwerkelijke impact ervan zal afhangen van de doeltreffendheid van het beleid om mensen aan een baan of een opleiding te helpen, van de mate waarin de sociale diensten individuele hulp bieden, en van controles. De feitelijke capaciteit om degenen te bereiken die daaraan het meest behoefte hebben, zal bepalen hoe groot het effect op de terugdringing van armoede en sociale uitsluiting is. Over het geheel genomen presteert het zorgstelsel goed, ook al liggen de uitgaven onder het Uniegemiddelde. Niettemin varieert de zorgverlening van regio tot regio sterk, wat een impact heeft op de toegang tot en de billijkheid en efficiëntie van de zorg. Een beter bestuur en de monitoring van de levering van een standaarddienstverleningsniveau kunnen de zorg verbeteren. Meer thuiszorg, mantelzorg en langdurige zorg zijn van essentieel belang voor de ondersteuning van personen met een handicap en andere kansarme groepen.

(15)

In Italië komt veel zwartwerk voor, in het bijzonder in de zuidelijke regio’s. Volgens de ramingen van het Italiaanse bureau voor de statistiek (Istat) was de schaduweconomie in 2016 goed voor ongeveer 210 miljard EUR (12,4 % van het bbp). Daarvan is ongeveer 37,2 % toe te schrijven aan zwartwerk. Met name kwetsbare groepen, zoals migranten, vrouwen en minderjarigen, worden geraakt. De nieuwe arbeidsinspectie, die sinds 2017 actief is, richt zich met name op het “caporalato”-fenomeen in de landbouwsector, die gekenmerkt wordt door veel onregelmatigheden en de kans op uitbuiting van arbeidskrachten, met name van irreguliere migranten. Om zwartwerk en uitbuiting van arbeidskrachten aan te pakken en te voorkomen en billijke en veilige arbeidsomstandigheden te garanderen, zijn een nauwlettende monitoring van de onlangs vastgestelde maatregelen, alsmede aanvullende stappen nodig. Tot slot is het van belang dat het basisinkomen zodanig wordt opgezet dat het zo veel mogelijk prikkelt tot regulier werk en tot de omzetting van zwartwerk in regulier werk, en wel door zowel een nauwlettende monitoring als positieve prikkels.

(16)

Voor de hervorming inzake de nieuwe basisinkomensregeling is het van cruciaal belang dat de openbare arbeidsvoorzieningsdiensten worden verbeterd door meer middelen beschikbaar te stellen en ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de dienstverlening verbetert. In het kader van de nieuwe basisinkomensregeling voor werklozen en mensen met een laag inkomen is een doeltreffend actief arbeidsmarktbeleid een belangrijk instrument om fricties op de arbeidsmarkt te verminderen en mensen te prikkelen om een baan te zoeken. In dat opzicht is het essentieel dat de arbeidsvoorzieningsdiensten beschikken over voldoende en gekwalificeerd personeel. Een doeltreffende ondersteuning bij het zoeken naar werk, gericht op het bevorderen van opleiding en het verbeteren van vaardigheden, is van cruciaal belang om de arbeidsmobiliteit te bevorderen en werknemers aan de vaardigheden te helpen die zij nodig hebben voor de toekomstige uitdagingen op de arbeidsmarkt en voor een werkomgeving die steeds complexer en competitiever wordt. Recent zijn een aantal stappen gezet om het actief arbeidsmarktbeleid doeltreffender te maken; zo zijn monitoringindicatoren en minimumnormen geformuleerd, is een strategie tegen langdurige werkloosheid vastgesteld en is een kwalitatief profileringsinstrument ontwikkeld. Desondanks blijven de algehele efficiëntie van de openbare arbeidsvoorzieningsdiensten en hun vermogen om mensen aan werk te helpen, ondermaats, lopen de prestaties van regio tot regio sterk uiteen en is de samenhang met sociaal en onderwijsbeleid beperkt. De samenwerking met werkgevers laat eveneens te wensen over.

(17)

De werkgelegenheidskloof tussen vrouwen en mannen in Italië blijft een van de grootste in de Unie en hoewel de werkgelegenheidsgraad onder vrouwen een licht stijgende lijn vertoont, ligt deze nog ver onder het Uniegemiddelde (53,1 %, tegen 67,4 % in 2018). Er wordt nog te weinig geïnvesteerd in zorgdiensten en in de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt terwijl maatregelen om gelijke kansen te bevorderen, en het beleid inzake het vinden van een goede balans tussen werk en privé nog tekortschieten. Er ontbreekt echter nog een brede strategie om de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt te bevorderen. Hoewel het verplichte vaderschapsverlof iets is uitgebreid van vier naar vijf dagen, blijft het stelsel voor ouderschapsverlof ontoereikend. Samen met de ontoereikende kinderopvang en langdurige zorg vormt dit voor vrouwen met kinderen of andere zorgbehoevende familieleden een beletsel om te gaan werken. In 2017 ging slechts 28,6 % van alle kinderen jonger dan drie jaar naar een kinderdagverblijf, hetgeen ruim onder het Uniegemiddelde ligt. Bij investeringen in kinderopvang, gezondheidszorg en langdurige zorg zou rekening moeten worden gehouden met de grote geografische verschillen in de beschikbaarheid van die diensten. Voorts vermindert een hoge belastingwig voor tweede verdieners de financiële prikkel voor vrouwen om te gaan werken. Een grotere arbeidsparticipatie van vrouwen en een grotere participatie in het algemeen kunnen de economische groei bevorderen doordat het arbeidsaanbod toeneemt, armoede wordt bestreden en de sociale en financiële risico’s van de vergrijzing worden beperkt.

(18)

Het doel van de aanvankelijk beoogde hervorming van het kader voor collectieve onderhandelingen was om de lonen beter af te stemmen op de economische omstandigheden op regionaal en bedrijfsniveau. In maart 2018 heeft werkgeversorganisatie Confindustria een raamakkoord gesloten met de drie grote Italiaanse vakbonden (Cgil, Cisl en Uil) om vaker decentrale cao’s te sluiten. Voorts verbetert dat akkoord de rechtszekerheid doordat duidelijkere regels zijn vastgesteld voor de vertegenwoordiging van de sociale partners bij onderhandelingen en is een verbeterd algoritme vastgesteld voor de bepaling van het minimumloon. De eerste uitvoeringsovereenkomst over vertegenwoordiging, gezondheid en veiligheid op het werk is eind 2018 ondertekend door de werkgeversorganisatie en de drie grote vakbonden.

(19)

Om slimme, inclusieve en duurzame groei te bevorderen, zijn investeringen in onderwijs en vaardigheden cruciaal. De trage productiviteitstrend in Italië houdt onder meer verband met de zwakke punten in het onderwijs- en opleidingsstelsel en met de zwakke vraag naar hoogwaardige vaardigheden. De verbetering van de kwaliteit van het onderwijs- en opleidingsstelsel vormt een grote uitdaging. De schooluitval (het percentage voortijdige schoolverlaters) ligt nog altijd ver boven het Uniegemiddelde (14,5 % tegenover 10,6 % in 2018) en de onderwijsresultaten vertonen grote regionale en territoriale verschillen. Hoewel het aandeel van aan het basis- en secundair onderwijs toegewezen middelen min of meer overeenstemt met het Uniegemiddelde, kunnen verdere inspanningen om leraren aan te trekken, aan te werven en te motiveren, resulteren in betere leerresultaten. Het aanwervingssysteem legt te veel nadruk op kennis en te weinig op vaardigheden, terwijl de opleidingscomponent beperkt is. Bovendien blijven de Italiaanse leerkrachtensalarissen laag vergeleken met de internationale normen en met andere werknemers met een diploma hoger onderwijs. Hun lonen worden trager opgetrokken dan die van hun internationale collega’s, en hun loopbaanvooruitzichten zijn beperkter en bevatten niet veel doorgroeimoeilijkheden. Voorts worden promoties gebaseerd op anciënniteit en niet op verdiensten. Het gevolg is dat het beroep van leerkracht weinig aantrekkelijk is voor hoogopgeleiden en dat onderwijzend personeel gedemotiveerd raakt, hetgeen weer een negatief effect heeft op de leerresultaten. Het leerlingwezen was de laatste jaren terrein aan het winnen, maar is door de aangenomen maatregelen weer teruggevallen. De Italiaanse studenten en volwassenen behoren tot de slechtst presterenden in de Unie wat kerncompetenties en basisvaardigheden betreft. Volwassenen nemen zeer beperkt en steeds minder vaak deel aan leeractiviteiten, terwijl de werkgelegenheidskloof tussen hoog- en laagopgeleiden een van de grootste in de Unie is. Met name digitale vaardigheden behoeven verbetering. Tot dusver is er sprake van beperkte vooruitgang met de ontwikkeling van digitale vaardigheden en infrastructuur. Investeringen in menselijk kapitaal zijn onontbeerlijk voor het aanjagen van publieke en particuliere investeringen en bij de huidige maatregelen om digitale vaardigheden en volwassenenonderwijs te bevorderen, ontbreekt het aan een integrale aanpak. De niveaus elementaire en geavanceerde digitale vaardigheden liggen onder het Uniegemiddelde. Slechts 44 % van de 16-74-jarigen bezit elementaire digitale vaardigheden (57 % in de Unie).

(20)

Geringe investeringen in vaardigheden vertragen de overgang van Italië naar een kenniseconomie, waardoor de productiviteitsgroei wordt afgeremd en de mogelijkheden om het niet-prijsconcurrentievermogen en de bbp-groei te verbeteren, worden beperkt. Onderwijslacunes verklaren ook deels de lagere productiviteit van Italiaanse kleine en micro-ondernemingen ten opzichte van vergelijkbare landen. Het tertiair onderwijs kampt met een tekort aan middelen en personeel, en het hoger beroepsonderwijs is ondanks de hoge inzetbaarheidspercentages beperkt van omvang. Het aandeel universitair afgestudeerden blijft laag (27,9 % in de leeftijdscategorie 30-34 jaar in 2018) en gaat gepaard met een relatief lage beschikbaarheid van tertiair afgestudeerden, met name op wetenschappelijk en op technisch gebied; gerichte investeringen in vaardigheden zijn onontbeerlijk om zowel publieke als particuliere investeringen in met name immateriële activa aan te jagen. Studies die van belang zijn voor kennisintensieve sectoren, moeten een krachtige impuls krijgen, evenals specifieke vaardigheden op bijvoorbeeld digitaal en financieel gebied.

(21)

Kleinere bedrijven, in het bijzonder in het zuiden van Italië, hebben vaak nog geen strategie om de productiviteit te verhogen, zoals product-, proces- of organisatie-innovatie. Investeringen in immateriële activa liggen sinds het begin van deze eeuw ruim onder het Uniegemiddelde. De bedrijfsuitgaven aan onderzoek en ontwikkeling bedragen ongeveer de helft van het gemiddelde uitgavenniveau van de eurozone. De overheidssteun voor bedrijfsuitgaven aan onderzoek en ontwikkeling blijft laag, maar vertoont verbetering dankzij de versterkte rol van fiscale prikkels. De overheidsuitgaven aan onderzoek en ontwikkeling liggen ook onder het gemiddelde van de eurozone. De geringe innovatie zou eveneens de overgang naar een groene economie kunnen vertragen. Om de innovatieprestaties van Italië te verbeteren, zijn verdere investeringen in immateriële activa nodig en moet meer nadruk komen te liggen op technologieoverdracht, waarbij rekening wordt gehouden met regionale achterblijvers en de omvang van de ondernemingen. In de begroting zijn onlangs een aantal maatregelen aangekondigd om innoverende technologieën te bevorderen. De overheidssteun voor bedrijfsuitgaven aan onderzoek en ontwikkeling kan worden verbeterd door middel van een evenwichtige mix van rechtstreekse en onrechtstreekse maatregelen en een diepgaande beoordeling van de bestaande tijdelijke belastingprikkels, teneinde de meest efficiënte prikkels om te zetten in een permanente regeling. Maatregelen ter bevordering van kennis (zoals technologische clusters) en van samenwerking tussen ondernemingen helpen in het bijzonder kleinere ondernemingen om deze problemen aan te pakken en hun lage productiviteitsgroei op te schroeven.

(22)

Er zijn investeringen nodig om de kwaliteit en duurzaamheid van de infrastructuur van het land te verhogen. In de vervoersector heeft Italië zijn investeringsstrategie voor infrastructuur (“Connettere l’Italia”) niet uitgevoerd. Er is zeer beperkte vooruitgang geboekt bij de uitvoering van de geplande investeringen in de spoorwegen, het wegennet en duurzame stedelijke mobiliteit. Dat is te wijten aan administratieve vertragingen, aan een inefficiënt gebruik van middelen, een gebrekkige tenuitvoerlegging van de regels inzake overheidsopdrachten en concessies en aan de aangespannen rechtszaken. Uit het Uniescorebord vervoer blijkt dat de kwaliteit van de Italiaanse infrastructuur lager is dan het Uniegemiddelde. De staat van onderhoud is zorgwekkend, zoals de instorting van de Morandi-brug in Genua heeft aangetoond. De regering heeft prioriteit gegeven aan onderhoud en veiligheid met een plan om de onderhoudsstaat van alle infrastructuur te monitoren, en met de oprichting van een nieuw agentschap voor de veiligheid van het spoor- en wegennet. In dit verband is Italië in het kader van de begrotingsregels van de Unie een afwijking van 1 miljard EUR voor 2019 toegestaan voor een investeringsplan om de veiligheid van weginfrastructuur die vergelijkbaar is met de Morandi-brug, te waarborgen. Investeringen in duurzaam vervoer en infrastructuur zijn ook een middel om de uitdagingen op het gebied van milieu aan te pakken. Om de ambitieuze energie- en klimaatdoelen van de Unie voor 2030 te halen, zijn permanente groene investeringen nodig. Het geïntegreerde nationaal energie- en klimaatplan is een essentieel richtsnoer voor de vaststelling van investeringsbehoeften op het gebied van decarbonisatie en energie. Er zijn investeringen nodig om de energie-infrastructuur te verbeteren, wat zou leiden tot een schokbestendigere, schonere, zekerdere en flexibelere energievoorziening leiden en tegelijkertijd de marktintegratie zou bevorderen en prijsverschillen zou verkleinen. Het Italiaanse elektriciteitsnet is nog niet voldoende uitgerust voor de toegenomen grensoverschrijdende handel in stroom en voor de voor 2030 verwachte omvang van variabele hernieuwbare energie. Er moet worden geïnvesteerd in de preventie tegen hydrogeologische en aardbevingsrisico’s om nooduitgaven aan bijvoorbeeld infrastructuur te verminderen. Italië is in het kader van de begrotingsregels van de Unie een afwijking van 2,1 miljard EUR voor 2019 toegestaan voor de preventie tegen ernstige hydrogeologische risico’s. Tot slot worden in Zuid-Italië onvoldoende doeltreffende investeringen gedaan in afvalbeheer en waterinfrastructuur, terwijl er kans blijft bestaan op schaarste en droogte. De fragmentatie van de sector is samen met het zwakke kredietprofiel van kleinere marktdeelnemers nog altijd een investeringsbelemmerende factor. Investeringen in onder meer de aanpak van klimaatverandering, ecologische duurzaamheid en risicopreventie en in connectiviteit in plattelandsgebieden zouden eveneens bijdragen tot het wegwerken van regionale verschillen. In plattelandsgebieden is het breedbandnetwerk ook minder geavanceerd. Wat de dekking van ultrasnelle breedband (100 Mbps en meer) betreft, blijft Italië achter (slechts 24 %, tegen een Uniegemiddelde van 60 %) en bungelt het onderaan de lijst (27e plaats) met een nog zeer bescheiden groeipercentage. Zowel de dekking als het gebruik van ultrasnelle breedband liggen ver onder het Uniegemiddelde.

(23)

De beperkte capaciteit van de openbare sector, met name op lokaal niveau, om financiering te beheren, vormt in alle sectoren een belemmering voor investeringen. De procedures zijn namelijk complex, de verantwoordelijkheden overlappen elkaar en het beheer van openbare diensten schiet tekort. Ontoereikende vaardigheden in de publieke sector beperken de capaciteit om investeringsprojecten te beoordelen, te selecteren en te beheren. Dit gaat ook ten koste van de besteding van Uniemiddelen. In dit opzicht blijft Italië achter bij het Uniegemiddelde. De geringere kwaliteit van het bestuur in Zuid-Italië beperkt de uitgaven- en besluitvormingscapaciteit in ernstige mate. Een verbetering van de administratieve capaciteit is onontbeerlijk voor doeltreffende overheidsinvesteringen en voor een doeltreffend gebruik van Uniemiddelen en zou vervolgens weer gunstig uitpakken voor de particuliere investeringen en de bbp-groei. Zulke verbeteringen zouden het effect van investeringen in breedband, transport, waterbeheer en de circulaire economie vergroten, in het bijzonder in Zuid-Italië, dat vooral achterblijft op het gebied van immateriële investeringen. De verbetering van de administratieve capaciteit van centrale en lokale instanties zou ook gunstig uitpakken voor de planning, evaluatie en monitoring van investeringsprojecten en voor het opsporen en aanpakken van mogelijke knelpunten.

(24)

Een efficiëntere Italiaanse overheid en een sterkere ondernemingsgerichtheid van haar zijde zouden een positief effect sorteren op het ondernemingsklimaat, op investeringen en op het vermogen van ondernemingen om innovatiekansen te benutten. In 2015 is een integrale wet op de hervorming van het overheidsapparaat aangenomen. Deze hervorming heeft de meeste bronnen van inefficiëntie aangepakt, zoals de duur en complexiteit van procedures, het gebrek aan transparantie, het ondoeltreffende beheer van openbare diensten, het inefficiënte beheer van overheidsbedrijven en de geringe digitalisering. Eind 2017 was de hervorming grotendeels geïmplementeerd en momenteel wordt er gehandhaafd. De nieuwe “Concretezza”-wet speelt daarin een flankerende rol. De invoering van digitale openbare diensten op essentiële terreinen als onlinebetalingssystemen, die de complexiteit zouden verminderen en de transparantie zouden verhogen, loopt echter vertraging op wegens een inconsistente planning, schaarse financiële middelen en onvoldoende coördinatie. De hoge gemiddelde leeftijd en de beperkte digitale vaardigheden van overheidspersoneel versterken dit vertragingseffect. Wanneer echter duidelijke doelen worden gecombineerd met een doeltreffende handhaving, wordt zichtbaar resultaat geboekt, zoals het geval was bij de snelle ontwikkeling van de elektronische markt voor overheidsdiensten en e-facturering. Bij de hervorming van het overheidsapparaat in 2015 waren er ook plannen voor een nieuw hervormingsraamwerk voor het beheer van de lokale openbare diensten. In november 2016 heeft het Italiaans Grondwettelijk Hof de procedure die was gevolgd bij de goedkeuring van een aantal wetgevingsdecreten, waaronder het decreet inzake lokale openbare diensten, echter ongrondwettelijk verklaard. Er is dus een nieuw wetgevingsinitiatief nodig om de efficiëntie en kwaliteit van de lokale openbare diensten te bevorderen, onder meer door prioriteit te geven aan concurrerende biedingen in plaats van interne oplossingen en rechtstreekse subsidies.

(25)

Bij de actualisering van het economisch en financieel document 2018 (NADEF 2018) zijn projectvoorbereiding en kwaliteitsverbetering van de projectcyclus aangemerkt als factoren die cruciaal zijn voor de doeltreffendheid van investeringsuitgaven in Italië. In datzelfde document werd melding gemaakt van de vorming van een specifiek subsidiefonds voor de voorbereiding en beoordeling van belangrijke infrastructuurprojecten. Voorts was het de bedoeling om een tweede subsidiefonds voor kleinere projecten van lokale instanties op te zetten. Voor beide fondsen zijn echter nog geen uitvoeringsdecreten uitgevaardigd en de aan deze fondsen toegewezen middelen vallen mogelijk lager uit dan gemeld in het DEF 2018. In de begrotingswet 2019 wordt melding gemaakt van de oprichting van een centrale instantie voor de planning van projecten, maar deze instantie is nog niet operationeel en de oprichting ervan lijkt een langere inspanning te vergen. Wat de werking ervan betreft, is niet duidelijk hoe de interactie van deze centrale instantie met de gemeenten en andere lokale instanties zal verlopen.

(26)

Een verbetering van het ondernemingsklimaat zou het ondernemerschap bevorderen en betere randvoorwaarden op het gebied van de mededinging zouden leiden tot een doelmatigere toewijzing van middelen en tot productiviteitswinsten. De jaarlijkse wet markt en concurrentie voor 2015, die in augustus 2017 is aangenomen, moet correct worden toegepast. Bovendien bestaan er in een aantal sectoren, zoals de zakelijke dienstverlening en de retail, nog aanzienlijke mededingingsbarrières. Door verbetering van de kwaliteit van het regelgevingskader zou een gelijk speelveld worden geschapen voor zowel innoverende platforms als traditionele marktdeelnemers en zou het potentieel van de deeleconomie en van een eerlijkere concurrentie in alle sectoren volledig worden ontsloten. Versterking van de concurrentie bij de gunning van openbaredienstverleningscontracten en concessies voor de toegang tot collectieve goederen kan gunstig uitwerken op de kwaliteit van de dienstverlening. Het gebrek aan stabiliteit in de regelgeving voor de plaatsing van overheidsopdrachten zou afbreuk kunnen doen aan een aantal belangrijke gunstige effecten van eerdere hervormingen en zou ertoe kunnen bijdragen dat investeringen worden uitgesteld. Het markttoezicht op producten is verspreid over verschillende organisaties, vertoont veel overlappingen en ontbeert systemen voor een efficiënte coördinatie. Dit gaat ten koste van de doeltreffendheid van controles ter voorkoming van oneerlijke concurrentie door bedrijven die zich niet aan de regels houden.

(27)

De geringe doelmatigheid van de Italiaanse justitie blijft een bron van zorg. Van alle EU-landen was in 2017 in Italië in alle instanties de meeste tijd nodig om civiele en handelsgeschillen bij de rechter te beslechten. Hoewel de duur van de procedures in eerste instantie in vergelijking met 2016 is toegenomen, beginnen de procedures in hogere instanties geleidelijk korter te worden dankzij eerdere hervormingen. Er is echter nog ruimte om het misbruik van procesrecht te beperken en de rechtbanken beter te laten functioneren. Bij het Hof van Cassatie doet het hoge aantal inkomende zaken in combinatie met een lager afhandelingspercentage van zijn belastingkamer afbreuk aan de efficiëntie van het hof. Daardoor rijzen vragen over het fiscaal justitieel stelsel in eerste en tweede instantie. Al met al zou een adequate handhaving van eenvoudigere procedurele regels civiele rechtszaken in belangrijke mate kunnen bespoedigen. In dit verband is een hervorming aangekondigd om de civiele procedure te stroomlijnen, maar deze is nog niet aan het parlement voorgelegd. Andere knelpunten zijn het nog steeds beperkte en incoherente gebruik van het onontvankelijkheidsfilter voor het instellen van beroep, de talrijke vacatures voor administratief personeel en de resterende verschillen tussen rechtbanken qua doeltreffendheid van het dossierbeheer.

(28)

Italië heeft recentelijk enige vooruitgang geboekt bij de verbetering van zijn corruptiebestrijdingskader. Zo worden klokkenluiders beter beschermd en is de rol van de nationale corruptiebestrijdingsautoriteit bij de implementatie van dat kader versterkt en is er de nieuwe corruptiebestrijdingswet van januari 2019, die tot doel heeft corruptie beter op te sporen en de kop in te drukken door strengere sancties, betere onderzoekstechnieken en een clementieregeling voor personen die corruptie aangeven. De wet maakt ook een einde aan de verjaringstermijn na een veroordeling in eerste instantie, maar slechts vanaf 2020. Dat laatste is een langverwachte positieve stap die in overeenstemming is met de internationale normen. Niettemin blijft de terugdringing van corruptie in Italië weinig effect sorteren, voornamelijk omdat een strafrechtelijke procedure nog veel te lang duurt en een broodnodige hervorming van dergelijke procedures, inclusief de beroepsprocedure, om misbruik van het procesrecht te voorkomen, uitblijft. Bovendien vertoont het kader voor de vervolging van bepaalde delicten, zoals de verduistering van overheidsgelden, hardnekkige lacunes.

(29)

Ondanks de hernieuwde druk van de markt blijven Italiaanse banken goede vorderingen maken bij het herstel van hun balans. Wegens de hoge blootstelling van de banken aan de overheidsobligaties heeft de marktvolatiliteit een negatief effect gehad op hun kapitaalpositie, met als gevolg druk op de financieringskosten en moeilijker te verkrijgen ongedekte wholesalefinanciering. Om de financiële stabiliteit verder veilig te stellen en de kredietverschaffing aan de economie te stimuleren, blijft een verdere afbouw van de erfenisportefeuille van niet-presterende en van waarschijnlijk niet-presterende leningen, in het bijzonder bij kleine en middelgrote banken, geboden. Met banken, en in het bijzonder kleinere banken, die vorderingen maken bij het voldoen aan de in de regelgeving vastgelegde financieringsvereisten, zou het systeem eveneens beter bestand worden tegen externe schokken. Ook is het van belang om iets te doen aan de structureel geringe winstgevendheid van banken, en wel door de efficiëntie te verhogen en het businessmodel te optimaliseren. Met een tijdige uitvoering van de insolventiehervormingsdecreten zou meer vaart worden gezet achter de nog trage executieprocedures en procedures voor de uitwinning van zekerheden, en zou de veerkracht van de banksector verder toenemen. Compensaties die de staat toekent aan aandeelhouders en kleine houders van achtergestelde schuldbewijzen van aan een administratieve liquidatieprocedure onderworpen banken, zouden strikt beperkt moeten blijven tot het opvangen van de sociale gevolgen van mis-selling die in het verleden heeft plaatsgevonden. De governance van het bankwezen zou verder moeten worden verbeterd door de hervorming van 2015 van de grote coöperatieve banken snel te voltooien nadat juridische duidelijkheid is geschapen.

(30)

Bancair krediet blijft de belangrijkste bron van bedrijfsfinanciering. Kleinere en innoverende bedrijven hebben echter nog moeilijk toegang tot krediet, vooral in Zuid-Italië. In vergelijking met andere lidstaten is de kapitaalmarkt onderontwikkeld, mede als gevolg van factoren die de vraag beperken, zoals een geringe financiële educatie, angst om de zeggenschap over de onderneming te verliezen, en administratieve regeldruk. In de afgelopen jaren zijn verschillende maatregelen doorgevoerd om de toegang tot financiering te verbeteren. Deze waren vooral gericht op de kredietverlening via banken, maar op de markt gebaseerde maatregelen zoals miniobligaties, alternatieve investeringsinstrumenten, durfkapitaal en rechtstreekse overheidssteun hebben kleinere en innovatieve bedrijven ook geholpen om toegang te krijgen tot financiering. De met de begroting van 2019 doorgevoerde afschaffing van de aftrek voor eigen vermogen kan ertoe leiden dat bedrijven minder worden geprikkeld om zich te financieren met eigen vermogen. Teneinde de niet-bancaire toegang tot financiering effectief te bevorderen, moet rekening worden gehouden met de behoeften van kleinere en innoverende bedrijven en met de capaciteit van investeerders om investeringsprojecten te evalueren. Een diversificatie van de financieringsbronnen zou de investeringen van ondernemingen beter beschermen tegen schokken in de banksector en zou tegelijk bevorderlijk zijn voor innovatie en groei.

(31)

De programmering van de Uniemiddelen voor de periode 2021-2027 zou kunnen bijdragen tot het aanpakken van een aantal van de in de aanbevelingen geconstateerde leemten, met name op de gebieden die worden behandeld in bijlage D bij het landverslag 2019. Rekening houdend met regionale verschillen zou Italië aldus voor de genoemde sectoren optimaal kunnen profiteren van die middelen. Een versterking van de administratieve capaciteit van het land om deze middelen te beheren, is een belangrijke factor voor het welslagen van deze investering.

(32)

In de context van het Europees Semester 2019 heeft de Commissie een brede analyse van het economische beleid van Italië verricht; deze analyse is gepubliceerd in het landverslag 2019. Voorts heeft de Commissie zowel het stabiliteitsprogramma 2019 als het nationale hervormingsprogramma 2019 doorgelicht en onderzocht welk gevolg is gegeven aan de aanbevelingen die in eerdere jaren tot Italië zijn gericht. Daarbij heeft de Commissie niet alleen gekeken naar de relevantie ervan voor een houdbaar begrotings- en sociaal-economisch beleid in Italië, maar is zij ook nagegaan of de Unieregels en -richtsnoeren in acht zijn genomen, gezien de noodzaak de algehele economische governance van de Unie te versterken door middel van een inbreng op Unieniveau in toekomstige nationale besluiten.

(33)

In het licht van deze beoordeling heeft de Raad het stabiliteitsprogramma 2019 onderzocht en zijn advies (8) daarover is met name in de onderstaande aanbeveling 1 weergegeven.

(34)

In het licht van de diepgaande evaluatie door de Commissie en van deze beoordeling heeft de Raad het nationale hervormingsprogramma 2019 en het stabiliteitsprogramma 2019 onderzocht. Zijn aanbevelingen op grond van artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 zijn in de onderstaande aanbevelingen 1 tot en met 5 weergegeven. Deze aanbevelingen dragen ook bij tot de uitvoering van de eerste vier aanbevelingen voor de eurozone. Het in aanbeveling 1 bedoelde begrotingsbeleid draagt onder meer bij tot het aanpakken van onevenwichtigheden in verband met de hoge overheidsschuld,

BEVEELT AAN dat Italië in 2019 en 2020 de volgende acties onderneemt:

1.   

Ervoor zorgen dat de netto primaire overheidsuitgaven in 2020 nominaal met 0,1 % dalen, hetgeen neerkomt op een jaarlijkse structurele aanpassing van 0,6 % van het bbp. Eventuele meevallers gebruiken om de overheidsschuldquote sneller te verminderen. De belastingdruk op arbeid verminderen, onder meer door belastinguitgaven te verlagen en de gedateerde kadastrale waarden te hervormen. Belastingontduiking, met name in de vorm van het niet-uitschrijven van rekeningen, bestrijden door onder andere het verplichte gebruik van elektronische betalingen te bevorderen, mede door de wettelijke bovengrens voor contante betalingen te verlagen. Eerdere pensioenhervormingen onverkort doorvoeren om het aandeel van pensioenen in de overheidsuitgaven te verminderen en ruimte te creëren voor andere sociale en groeibevorderende uitgaven.

2.   

Energieker optreden tegen zwartwerk. Ervoor zorgen dat actief arbeidsmarktbeleid en sociaal beleid op doeltreffende wijze worden geïntegreerd en gericht zijn op met name jongeren en kwetsbare groepen. De arbeidsparticipatie van vrouwen ondersteunen door middel van een brede strategie, onder meer via de toegang tot kwaliteitsvolle kinderopvang en langdurige zorg. De onderwijsresultaten verbeteren, onder meer door adequate en gerichte investeringen en door een verbetering van vaardigheden, waaronder digitale vaardigheden.

3.   

Richten van het economisch investeringsbeleid op onderzoek en innovatie en de kwaliteit van de infrastructuur, daarbij rekening houdend met regionale verschillen. De doeltreffendheid van het overheidsapparaat vergroten, onder meer door investeringen in de vaardigheden van overheidspersoneel, door versnelling van de digitalisering en door verhoging van de efficiëntie en kwaliteit van de lokale openbare diensten. Concurrentiebeperkingen aanpakken, in het bijzonder in de retailsector en de zakelijke dienstverlening, mede door middel van een nieuwe jaarlijkse wet markt en concurrentie.

4.   

De duur van civiele rechtszaken in alle instanties terugbrengen door handhaving en stroomlijning van de procedureregels, waaronder de regels die momenteel in behandeling zijn bij de wetgever, met bijzondere aandacht voor insolventieregelingen. De doeltreffendheid van de corruptiebestrijding verbeteren door hervorming van de procedureregels om de duur van strafzaken te verminderen.

5.   

De herstructurering van bankbalansen bevorderen, met name bij kleine en middelgrote banken, door verbetering van de efficiëntie en de kwaliteit van activa, door verdere afbouw van niet-presterende leningen en door diversificatie van financiering. Niet-bancaire financiering voor kleinere en innoverende bedrijven verbeteren.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LINTILÄ


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(2)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25.

(3)  PB C 136 van 12.4.2019, blz. 1.

(4)  PB C 136 van 12.4.2019, blz. 48.

(5)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(6)  Conjunctuurgezuiverd begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, herberekend door de Commissie volgens de gezamenlijk overeengekomen methode.

(7)  De netto primaire overheidsuitgaven bestaan uit de totale overheidsuitgaven exclusief rente-uitgaven, uitgaven in het kader van programma’s van de Unie die volledig met inkomsten uit Uniefondsen worden gefinancierd en niet-discretionaire veranderingen in de uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen. Nationaal gefinancierde bruto-investeringen in vaste activa worden gespreid over een periode van vier jaar. Discretionaire inkomstenmaatregelen of inkomstenverhogingen die bij wet worden vastgesteld, tellen mee en eenmalige maatregelen aan zowel de inkomsten- als uitgavenzijde tellen niet mee.

(8)  Op grond van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97.


5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 301/80


AANBEVELING VAN DE RAAD

van 9 juli 2019

over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Cyprus en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Cyprus

(2019/C 301/13)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (1), en met name artikel 5, lid 2,

Gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (2), en met name artikel 6, lid 1,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 21 november 2018 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse groeianalyse en daarmee de aanzet gegeven tot het Europees Semester 2019 voor coördinatie van het economisch beleid. Daarin is ten volle rekening gehouden met de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 is geproclameerd door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie. De prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse zijn op 21 maart 2019 door de Europese Raad bekrachtigd. Op 21 november 2018 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 ook het waarschuwingsmechanismeverslag aangenomen, waarin zij Cyprus heeft genoemd als een van de lidstaten die aan een diepgaande evaluatie zouden worden onderworpen. Tevens heeft de Commissie op die datum een aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone aangenomen, die op 21 maart 2019 door de Europese Raad is bekrachtigd. Op 9 april 2019 heeft de Raad de aanbeveling over het economisch beleid van de eurozone (3) (“aanbeveling voor 2019 voor de eurozone”) aangenomen, die vijf aanbevelingen voor de eurozone (“de aanbevelingen voor de eurozone”) bevat.

(2)

Als lidstaat die de euro als munt heeft en in het licht van de grote onderlinge verwevenheid tussen de economieën van de economische en monetaire unie zou Cyprus ervoor moeten zorgen dat volledig en tijdig uitvoering wordt gegeven aan de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone, die wordt weergegeven in de aanbevelingen 1 tot en met 5 hieronder. Met name zullen maatregelen ter vermindering van de administratieve druk helpen gevolg te geven aan de eerste aanbeveling voor de eurozone inzake bedrijfsklimaat en productiviteitsverbeteringen met het oog op evenwichtsherstel in de eurozone; maatregelen die gericht zijn op economisch beleid met betrekking tot investeringen in de genoemde gebieden zullen helpen gevolg te geven aan de tweede aanbeveling voor de eurozone betreffende de ondersteuning van investeringen; belastingmaatregelen en maatregelen ter verbetering van vaardigheden zullen helpen gevolg te geven aan de derde aanbeveling voor de eurozone met betrekking tot de bestrijding van agressieve fiscale planning en de werking van de arbeidsmarkt, en maatregelen ter verbetering van de werking van de vermogensbeheerder zullen helpen gevolg te geven aan de vierde aanbeveling voor de eurozone inzake het terugdringen van niet-renderende leningen.

(3)

Op 27 februari 2019 is het landverslag 2019 voor Cyprus gepubliceerd. Daarin werd de vooruitgang beoordeeld die Cyprus bij het opvolgen van de op 13 juli 2018 door de Raad aangenomen landspecifieke aanbevelingen (4) heeft gemaakt, alsmede het gevolg dat is gegeven aan de landspecifieke aanbevelingen die in de jaren voordien werden goedgekeurd, en de vooruitgang die Cyprus in de richting van zijn nationale Europa 2020-doelstellingen heeft geboekt. Het landverslag bevatte ook een op grond van artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 uitgevoerde diepgaande evaluatie, waarvan de uitkomsten ook op 27 februari 2019 zijn bekendgemaakt. Op basis van haar analyse concludeerde de Commissie dat Cyprus wordt geconfronteerd met buitensporige macro-economische onevenwichtigheden. Met name is het van essentieel belang dat de lidstaat de hoge particuliere, publieke en externe schuldenlast, en het grote volume niet-renderende leningen aanpakt.

(4)

Cyprus heeft zijn nationaal hervormingsprogramma 2019 ingediend op 15 april 2019 en zijn stabiliteitsprogramma 2019 op 30 april 2019. Om met de onderlinge verbanden tussen beide programma’s rekening te houden, zijn deze tegelijkertijd geëvalueerd.

(5)

De betrokken landspecifieke aanbevelingen zijn meegenomen in de programmering voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) voor de periode 2014-2020. Op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) kan de Commissie een lidstaat verzoeken zijn partnerschapsovereenkomst en de desbetreffende programma’s opnieuw te bezien en wijzigingen daarop voorstellen indien dit nodig is om de uitvoering van de betrokken aanbevelingen van de Raad te ondersteunen. De Commissie heeft in richtsnoeren met betrekking tot de toepassing van de maatregelen die de effectiviteit van de ESI-fondsen koppelen aan gezonde economische governance, nader aangegeven hoe zij van die bepaling gebruik zal maken.

(6)

Cyprus valt momenteel onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact. In het stabiliteitsprogramma 2019 wordt ervan uitgegaan dat het overheidssaldo, dat in 2018 is omgeslagen in een tekort van 4,8 % van het bruto binnenlands product (bbp) en daarmee de in het Verdrag vastgestelde referentiewaarde van 3 % van het bbp heeft overschreden, in 2019 een nominaal begrotingsoverschot van 3,0 % van het bbp zal vertonen, en in de programmaperiode meer dan 2,0 % van het bbp. Op basis van het herberekend structureel saldo (6) wordt de middellangetermijndoelstelling voor de begroting, die is vastgesteld op een structureel begrotingsevenwicht, volgens de plannen in de periode 2019-2022 bereikt. Na een stijging tot ongeveer 102,5 % van het bbp in 2018 zal de overheidsschuldquote volgens de prognoses van het stabiliteitsprogramma 2019 in 2019 tot 95,7 % dalen om daarna geleidelijk verder te dalen tot 77,5 % in 2022. Het macro-economische scenario dat aan die begrotingsprognoses ten grondslag ligt, is plausibel. Aan de macro-economische en budgettaire aannamen van het stabiliteitsprogramma zijn neerwaartse risico’s verbonden. Deze hangen vooral samen met externe ontwikkelingen, alsook met de mogelijke gevolgen voor de begroting van beslissingen van het Hof over fiscale hervormingen in het verleden en de financieringsbehoeften van openbare ziekenhuizen in de eerste jaren van het nationale gezondheidszorgstelsel. Volgens de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie zal het overheidssaldo een overschot vertonen van 3,0 % van het bbp in 2019 en van 2,8 % van het bbp in 2020. Volgens de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie zal het structurele saldo 1,1 % van het bbp bedragen in 2019 en 0,7 % van het bbp in 2020, en zodoende boven de begrotingsdoelstelling op middellange termijn blijven. De verwachting is dat Cyprus in 2019 en 2020 de schuldregel in acht zal nemen. In het algemeen is de Raad van oordeel dat Cyprus in 2019 en 2020 naar verwachting aan de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact zal voldoen.

(7)

Op 5 juni 2019 heeft de Commissie een verslag uitgebracht op grond van artikel 126, lid 3, van het Verdrag omdat op basis van meegedeelde gegevens het nominale tekort in 2018 de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3 % van het bbp had overschreden. In het verslag werd geconcludeerd dat geen verdere stappen voor een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort dienden te worden genomen. Ondoeltreffendheid bij de overheidsdiensten en lokale besturen blijft een probleem vormen ondanks enige vooruitgang met elektronische overheidsdiensten. Dit heeft gevolgen voor het ondernemingsklimaat. Belangrijke wetgevingsvoorstellen om dit te verhelpen, zijn nog steeds in behandeling. Het gaat onder meer om wetsontwerpen inzake de hervorming van de overheidsdiensten en de lokale overheden. Tekortkomingen in het governancekader voor staatsbedrijven kunnen leiden tot een accumulatie van voorwaardelijke verplichtingen voor de overheid en kunnen een belemmering vormen voor de capaciteit om te investeren in de belangrijkste basisvoorzieningen, zoals telecommunicatie en energie. De beheersing van de loonkosten in de overheidssector, die een belangrijke factor is geweest in de begrotingsconsolidatie in Cyprus, verdient voortzetting.

(8)

De bestrijding van agressieve fiscale planning is van essentieel belang bij het efficiënter en eerlijker maken van de belastingstelsels, zoals wordt erkend in de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone. De overloopeffecten van agressieve fiscale planningsstrategieën van belastingplichtigen tussen de lidstaten vereisen een gecoördineerd optreden van het nationale beleid ter aanvulling van de Uniewetgeving. Cyprus heeft maatregelen getroffen tegen agressieve fiscale planning, maar de (in verhouding tot het bbp) hoge dividend- en rentebetalingen wijzen erop dat bedrijven de Cypriotische belastingregels mogelijk gebruiken voor een agressieve fiscale planning. De inhoudingsvrijstelling op uitgaande (d.w.z. door ingezetenen van de Unie aan ingezetenen van derde landen overgemaakte) betalingen van dividenden, rente en, in veel gevallen, royalty’s door in Cyprus gevestigde ondernemingen aan ingezetenen van derde landen, kan ertoe leiden dat over die betalingen in het geheel geen belasting wordt geheven indien daarover in de ontvangende jurisdictie evenmin belasting verschuldigd is. Samen met de regels inzake de fiscale woonplaats van vennootschappen, kan die inhoudingsvrijstelling agressieve fiscale planning in de hand werken. Op de regeling voor notionele intrestaftrek dient nauwlettend te worden toegezien om misbruik in het kader van agressieve fiscale planning te voorkomen. Ten slotte geven de uitzonderingsregeling voor de naturalisatie van investeerders in Cyprus en de regeling inzake verblijfsvergunningen voor investeerders toegang tot een laag belastingtarief op inkomsten uit buitenlandse financiële activa en vereisen deze niet dat een persoon een aanzienlijke hoeveelheid tijd doorbrengt in het rechtsgebied dat de regelingen aanbiedt. Deze regelingen zijn door de OESO aangemerkt als regelingen met een potentieel hoog risico om te worden misbruikt om de automatische uitwisseling van financiële rekeningen te omzeilen.

(9)

In het kader van een alomvattende strategie voor niet-renderende leningen werden belangrijke maatregelen ten uitvoer gelegd. Dit heeft geleid tot een uitgesproken vermindering van het aantal niet-renderende leningen in de banksector, voornamelijk als gevolg van de verkoop en afwikkeling van de Cyprus Cooperative Bank en de overdracht van haar portefeuille niet-renderende leningen aan een vermogensbeheerder in staatsbezit. Voorts werden verbeteringen aangebracht in de wet inzake de verkoop van leningen en werd een wet aangenomen op het gebied van securitisatie van leningen. Om de opbrengsten uit de verkoop van activa te maximaliseren en uiteindelijk de particuliere schuld te helpen verminderen, is het van essentieel belang dat de vermogensbeheerder in staatsbezit beschikt over een doeltreffende governancestructuur, een zeer gespecialiseerd management, operationele onafhankelijkheid van de Cypriotische staat en welomschreven doelstellingen die in overeenstemming zijn met de toezeggingen die de regering heeft gedaan in het kader van het staatssteunbesluit over de verkoop van de Cyprus Cooperative Bank, dat door de Europese Commissie werd goedgekeurd. Bovendien is het belangrijk een passend toezichtkader in te stellen voor de kredietverwervende ondernemingen, aangezien hun aantal, waaronder de vermogensbeheerder in staatsbezit, is toegenomen en in de toekomst meer verkopen van portefeuilles met niet-renderende leningen zijn gepland. De governance- en administratieve capaciteit van toezichthouders van verzekeringsondernemingen en pensioenfondsen blijft zwak. De integratie van deze toezichthouders zou snel moeten worden afgerond. Meer in het algemeen moet het toezichtkader voor de kapitaalmarkten worden versterkt, gezien de relatief omvangrijke grensoverschrijdende activiteiten van de niet-bancaire financiële dienstverleners en de exponentiële groei van vergunninghoudende ondernemingen in de afgelopen jaren.

(10)

De werkgelegenheid neemt toe, de werkloosheid daalt en de capaciteit van de openbare diensten voor arbeidsvoorziening om op korte termijn de werkgelegenheid actief te ondersteunen, is verbeterd. De houdbaarheid van de capaciteit van de openbare diensten voor arbeidsvoorziening op lange termijn is echter nog steeds een probleem aangezien het extra personeel voor slechts twee jaar in dienst is genomen. In 2018 behoorde het percentage jongeren dat geen werk heeft en geen onderwijs of opleiding volgt, tot de hoogste in de Unie. De geringe efficiëntie van de openbare diensten voor arbeidsvoorziening, de beperkte uitrol daarvan en hun beperkte deelname aan stimuleringsmaatregelen om mensen te helpen werk vinden, blijven een probleem. Daarom is er wat betreft de toegang tot werk ruimte voor versterking van de ondersteuning voor het bereiken en activeren van met name jongeren en langdurig werklozen. Dit houdt onder meer de bevordering in van zelfstandige arbeid en van de sociale economie, alsook het moderniseren van arbeidsmarktinstellingen en -diensten om mensen te helpen vaardigheden te verwerven die beter aansluiten bij de behoeften van de arbeidsmarkt.

(11)

Tekorten aan en mismatches in vaardigheden behoren tot de belangrijkste belemmeringen voor bedrijfsinvesteringen, waaruit duidelijk blijkt dat meer moet worden geïnvesteerd in de opleiding van ongebruikt en onderbenut arbeidspotentieel, de onderwijsprogramma’s beter moeten worden afgestemd op de behoeften van de arbeidsmarkt en er ook moet worden geïnvesteerd in de afstemming van de infrastructuur voor beroepsonderwijs. De vooruitgang op het gebied van cruciale hervormingen inzake onderwijs en opleiding, zoals de verbetering van de aanstelling en evaluatie van leerkrachten, loopt uiteen. De resultaten op het gebied van onderwijs blijven pover, evenals de deelname aan voor- en vroegschoolse educatie en opvang, die voor huishoudens minder betaalbaar is geworden omdat hun inkomen tijdens de crisis sneller is gedaald dan de kosten voor kinderopvang. De voortdurende inspanningen om het onderwijs- en opleidingsstelsel op alle niveaus te moderniseren, zullen helpen om de onderwijsresultaten te verbeteren en het potentieel voor duurzame groei op Cyprus te vergroten. De herziening van de programma’s voor beroepsonderwijs en de opleidingsprogramma’s is een veelbelovende stap om de discrepanties op de arbeidsmarkt tussen aangeboden en gevraagde vaardigheden terug te dringen. Uit de bestaande mismatch in vaardigheden wat betreft universitair afgestudeerden en de lage deelname aan volwasseneneducatie, met name van laaggeschoolden, blijkt echter dat er behoefte is aan betere maatregelen op het gebied van bijscholing en omscholing.

(12)

Cyprus heeft wetgeving aangenomen tot invoering van een nieuw nationaal zorgstelsel en zo vooruitgang geboekt op het gebied van gezondheidszorg. Het nieuwe stelsel is erop gericht gezondheidszorg toegankelijker en universeel beschikbaar te maken, de hoge eigen bijdragen te verlagen en te zorgen voor een efficiëntere zorgverstrekking in de publieke sector. Voordat het systeem in 2020 volledig operationeel zal zijn, zullen zich grote uitdagingen voordoen op het gebied van de tenuitvoerlegging en zullen grote investeringen nodig zijn. Het blijft van cruciaal belang te zorgen voor de duurzaamheid van het systeem op lange termijn, onder meer door het waarborgen van de financiële en operationele autonomie van openbare ziekenhuizen, zoals gepland. Maatregelen die gericht zijn op de modernisering en verbetering van de efficiëntie bij zorgverleners, onder meer in de primaire gezondheidszorg, de invoering van e-gezondheidszorg en de oprichting van een nationale geneesmiddelenorganisatie, zouden de gezondheidszorg verder versterken. Het niveau van de langdurige zorg is laag en blijft een uitdaging vormen, gelet op de vergrijzing van de bevolking.

(13)

De zwakke milieuprestaties van Cyprus zijn een belangrijk punt van zorg en het land blijft kwetsbaar voor klimaatverandering. Cyprus moet zijn systeem voor afvalbeheer en de circulaire economie aanzienlijk verbeteren. De afvalproductie ligt nog steeds aanzienlijk hoger dan het Uniegemiddelde en is sinds 2014 gestegen. De huidige faciliteiten voor afvalverwerking leiden niet tot hoge recyclingpercentages, en het gebrek aan economische instrumenten, zoals stortingsheffingen, maakt recycling economisch onaantrekkelijk. Het waterbeheer, met name in stedelijke gebieden, wordt gekenmerkt door inefficiëntie. Waterschaarste, in combinatie met overmatige onttrekking van grondwater, is de grootste uitdaging voor Cyprus. Wat stedelijk afvalwater betreft, is er een aanzienlijke hoeveelheid afvalwater dat nog zonder verzameling of behandeling wordt geloosd. Slechts ongeveer de helft van de totale hoeveelheid afvalwater ondergaat een secundaire behandeling. Droogten en waterschaarste baren grote zorgen en een ontoereikende beleidsreactie kan gevolgen hebben voor de plattelandseconomie en het toerisme in Cyprus. Daarom zijn duurzaam beheer en een efficiënt gebruik van de natuurlijke hulpbronnen, samen met een striktere handhaving van milieu- en klimaatwetgeving, van essentieel belang voor Cyprus om nadelige gevolgen van de klimaatverandering tegen te gaan, zijn natuurlijke milieu in stand te houden en te herstellen, en duurzame economische groei op lange termijn te waarborgen.

(14)

Cyprus kan veel beter gebruikmaken van zijn hernieuwbare energiebronnen — met name zonne-energie — en het huidige inefficiënte energiegebruik beter aanpakken. Het aandeel hernieuwbare energie in Cyprus bedroeg 9,72 % in 2017, met een streefcijfer van 13 % tegen 2020. De bouw van woningen en bedrijfsgebouwen zonder of met een laag niveau van thermische bescherming, met name in een stedelijke omgeving, vormt een belangrijke bron van inefficiënt energiegebruik. De randvoorwaarden voor investeringen in de sector van de hernieuwbare energie zijn verbeterd en er zijn diverse maatregelen genomen, onder meer wat betreft installaties voor fotovoltaïsche systemen en steunregelingen voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) en huishoudens. Cyprus heeft echter zijn aanzienlijke potentieel op het gebied van de opwekking van hernieuwbare energie, met name zonne-energie, nog niet ten volle benut. De afhankelijkheid van wegen voor het vervoer over land creëert een aantal beleidsuitdagingen, met name de bestrijding van de luchtverontreiniging en de uitstoot van broeikasgassen, en zorgt ook voor ernstige congestie in stedelijke gebieden tijdens spitsuren en op wegen van en naar havens. Met een aandeel van 2,7 % in 2016 loopt Cyprus ook achter wat betreft het gebruik van hernieuwbare energiebronnen in het vervoer en zou het moeite kunnen hebben om het bindende streefcijfer van 10 % tegen 2020 te halen.

(15)

Investeringen in de digitale economie en de verbetering van de digitale vaardigheden van werknemers zijn essentieel voor het stimuleren van de productiviteit. Cyprus scoort laag op de index van de digitale economie en samenleving van de Europese Commissie (DESI) 2019. Slechts 50 % van de Cyprioten tussen 16 en 74 jaar heeft digitale basisvaardigheden en het aandeel ICT-specialisten binnen de beroepsbevolking is nog steeds kleiner dan het aandeel in de Unie als geheel (2,3 % tegenover 3,7 %), wat het potentieel van de digitale economie belemmert. Er is sprake van een laag niveau van online-interactie tussen overheidsinstanties en burgers: slechts 50 % van de Cyprioten heeft online contact met de overheid. Op het gebied van elektronische handel is er vooruitgang, maar het gebruik ervan ligt nog steeds onder het Uniegemiddelde.

(16)

Cyprus blijft een gematigde innovator: de innovatieprestaties zijn sinds 2010 afgenomen. De publieke en private uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling behoren tot de laagste in de Unie, waardoor de capaciteit van de onderzoekscentra en het bedrijfsleven om te innoveren, wordt belemmerd. Ook de interactie tussen de academische wereld en het bedrijfsleven is zeer beperkt. Om het concurrentievermogen van Cyprus en dat van zijn kmo’s in het bijzonder te verbeteren, is het van cruciaal belang te zorgen voor meer capaciteit van het bedrijfsleven om te innoveren en voor een betere toegang tot financiering en investeringen die gericht zijn op welomschreven gebieden van slimme specialisatie.

(17)

De administratieve lasten zijn hoog, met name als het gaat om het initiëren van strategische investeringen. Er is ruimte voor een aanzienlijke vereenvoudiging van de procedures voor het verkrijgen van vergunningen voor strategische investeringen, en de desbetreffende wetgeving is nog in behandeling.

(18)

Dankzij de uitvoering van het actieplan voor groei is enige vooruitgang geboekt op het gebied van ondernemerschap en toegang tot financiering voor kmo’s. De financiële steunmaatregelen voor kmo’s zijn echter nog steeds voornamelijk gebaseerd op subsidies en financiering door banken, ondersteund door uniale en/of nationale financiering. Alternatieve financieringsbronnen, zoals durfkapitaal, aandelenfinanciering en crowdfunding, zijn voor Cypriotische bedrijven nog steeds zeer beperkt beschikbaar. Indien de bedrijfsondersteuning beter zou worden gecoördineerd, zou hiervan misschien eerder gebruik worden gemaakt. Privatiseringsinspanningen om productiviteitsbevorderende buitenlandse investeringen aan te trekken, zijn vaak on hold gezet en slechts bij enkele privatiseringsprojecten wordt geleidelijk vooruitgang geboekt.

(19)

De aanhoudende inefficiëntie van het gerechtelijk apparaat blijft nadelig voor het doen naleven van overeenkomsten en staat in de weg aan een snelle beslechting van burgerrechtelijke en handelsrechtelijke zaken en het onderzoek van ernstige criminaliteit. Door omslachtige en achterhaalde bepalingen van burgerlijke rechtsvordering en een gebrekkige tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen worden banken er niet toe gestimuleerd de insolventie- en beslagleggingskaders te gebruiken om hun volume niet-renderende leningen terug te dringen. Er is begonnen met een reeks hervormingen om de meest kritieke problemen in het rechtsstelsel aan te pakken, met name de achterhaalde bepalingen van burgerlijke rechtsvordering, de lage specialisatie- en digitaliseringsgraad van rechtbanken, de grote achterstand bij de behandeling van zaken en het ontbreken van permanente opleiding voor rechters, maar de vooruitgang verloopt traag. De hervormingen zouden in overeenstemming moeten zijn met de toezeggingen die de regering heeft gedaan in het kader van het staatssteunbesluit over de verkoop van de Cyprus Cooperative Bank, dat door de Europese Commissie is goedgekeurd. In 2018 zijn verbeterde insolventie- en beslagleggingskaders goedgekeurd. Een doortastende toepassing van de nieuwe wetgeving, in combinatie met het waarborgen van een efficiënt rechtsstelsel en een striktere tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, zou moeten bijdragen tot meer discipline inzake het terugbetalen van schulden. Sinds december 2017 is er een nationale strategie voor corruptiebestrijding en deze werd versterkt door de goedkeuring van een nationaal horizontaal actieplan tegen corruptie door de Raad van ministers in mei 2019. Ontwerpwetgeving betreffende de oprichting van een nieuw onafhankelijk agentschap voor corruptiebestrijding en de bescherming van klokkenluiders is bij het parlement ingediend, maar moet nog worden goedgekeurd. Deze wetgeving zou het nationale kader voor corruptiebestrijding helpen versterken. De hervormingen op het gebied van corruptiebestrijding zouden moeten worden versneld door een snelle tenuitvoerlegging van het actieplan tegen corruptie. De onafhankelijkheid van de vervolgende instanties moet worden gewaarborgd en de capaciteit op het gebied van rechtshandhaving zou moeten worden versterkt.

(20)

Ondanks een aantal inspanningen om de achterstand bij de afgifte van eigendomsbewijzen terug te dringen, blijft de achterstand groot. Er is nog steeds geen structurele oplossing voor de tekortkomingen in het systeem voor eigendomstransacties (d.w.z. de afgifte en de overdracht van eigendomsbewijzen). Dit is van essentieel belang om de beslagleggingsprocedures te vergemakkelijken en de liquidatie van zekerheden mogelijk te maken.

(21)

De programmering van de Uniemiddelen voor de periode 2021-2027 zou kunnen bijdragen tot het verhelpen van een aantal van de in de aanbevelingen geconstateerde leemten, met name op de gebieden die worden behandeld in bijlage D bij het landverslag 2019. Dit zou Cyprus in staat stellen om deze middelen optimaal in te zetten in de daar genoemde sectoren, rekening houdend met territoriale verschillen. Een versterking van de administratieve capaciteit van het land om deze middelen te beheren, is een belangrijke factor voor het welslagen van deze investering.

(22)

In de context van het Europees Semester 2019 heeft de Commissie een brede analyse van het economisch beleid van Cyprus verricht. Die analyse is gepubliceerd in het landverslag 2019. Voorts heeft de Commissie zowel het stabiliteitsprogramma 2019 als het nationale hervormingsprogramma 2019 doorgelicht en onderzocht welk gevolg is gegeven aan de aanbevelingen die in eerdere jaren tot Cyprus zijn gericht. Daarbij heeft de Commissie niet alleen gekeken naar de relevantie ervan voor een houdbaar begrotings- en sociaal-economisch beleid in Cyprus, maar is zij ook nagegaan of de Unieregels en -richtsnoeren in acht zijn genomen, gezien de noodzaak de algehele economische governance van de Unie te versterken door middel van een inbreng op Unieniveau in toekomstige nationale besluiten.

(23)

In het licht van deze beoordeling heeft de Raad het stabiliteitsprogramma 2019 onderzocht en is hij van oordeel (7) dat Cyprus naar verwachting aan het stabiliteits- en groeipact zal voldoen.

(24)

In het licht van de diepgaande evaluatie door de Commissie en van deze beoordeling heeft de Raad het nationale hervormingsprogramma 2019 en het stabiliteitsprogramma 2019 onderzocht. Zijn aanbevelingen op grond van artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 zijn in de onderstaande aanbevelingen 1 tot en met 5 weergegeven. Die aanbevelingen dragen ook bij tot de uitvoering van de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone, met name de eerste, de derde en de vierde aanbeveling voor de eurozone,

BEVEELT AAN dat Cyprus in 2019 en 2020 de volgende acties onderneemt:

1.   

Cruciale hervormingswetgeving aannemen om de doelmatigheid in de overheidssector te verbeteren, met name wat betreft het functioneren van de overheidsdiensten en de governance van staatsbedrijven en lokale overheden. Aanpakken van aspecten van het belastingstelsel die agressieve fiscale planning door particulieren en multinationals, met name via uitgaande betalingen door multinationals, kunnen vergemakkelijken.

2.   

De terugdringing van niet-renderende leningen vergemakkelijken, onder meer door de vermogensbeheerder in staatsbezit te voorzien van een doeltreffende governancestructuur, maatregelen te nemen om de betalingsdiscipline te verbeteren en het toezicht op de kredietverwervende ondernemingen te versterken. De toezichtscapaciteiten in de niet-bancaire financiële sector versterken, onder meer door de toezichthouders van verzekeringsondernemingen en pensioenfondsen volledig te integreren.

3.   

De hervormingen voltooien die de doeltreffendheid van openbare diensten voor arbeidsvoorziening moeten vergroten, en ervoor zorgen dat er meer steun wordt verleend voor het bereiken en activeren van jongeren. De hervorming van het onderwijs- en opleidingsstelsel uitvoeren, met inbegrip van de evaluatie van leerkrachten, ervoor zorgen dat werkgevers meer inzetten op en lerenden meer deelnemen aan beroepsonderwijs en -opleiding, en zorgen voor meer betaalbare kinderopvang en -educatie. Maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat het nationale gezondheidszorgstelsel in 2020, zoals gepland, operationeel wordt, en tegelijkertijd de duurzaamheid ervan op de lange termijn handhaven.

4.   

Het investeringsgerelateerde economische beleid richten op duurzaam vervoer, milieu, met name afval- en waterbeheer, energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, digitalisering, met inbegrip van digitale vaardigheden, en onderzoek en innovatie, rekening houdend met territoriale verschillen binnen Cyprus. Wetgeving vaststellen om de procedures te vereenvoudigen waarmee strategische investeerders de nodige vergunningen kunnen verkrijgen. De toegang tot financiering voor kmo’s verbeteren en de uitvoering van privatiseringsprojecten hervatten.

5.   

Meer inspanningen leveren om de efficiëntie van het rechtsstelsel te bevorderen, door onder meer de werking van de bestuursrechtspraak te verbeteren, de burgerlijke procedures te herzien, de specialisatie van rechters te vergroten en een volledig operationeel e-justitiesysteem op te zetten. Maatregelen nemen om de juridische afdwingbaarheid van vorderingen te versterken en te zorgen voor betrouwbare en snelle systemen voor de afgifte en de overdracht van eigendomsbewijzen en eigendomsrechten van onroerende zaken. De hervormingen op het gebied van corruptiebestrijding versnellen, de onafhankelijkheid van de vervolgende instanties waarborgen en de capaciteit op het gebied van rechtshandhaving versterken.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LINTILÄ


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(2)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25.

(3)  PB C 136 van 12.4.2019, blz. 1.

(4)  PB C 320 van 10.9.2018, blz. 55.

(5)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(6)  Conjunctuurgezuiverd begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, herberekend door de Commissie volgens de gezamenlijk overeengekomen methode.

(7)  Op grond van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97.


5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 301/86


AANBEVELING VAN DE RAAD

van 9 juli 2019

over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Letland en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Letland

(2019/C 301/14)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (1), en met name artikel 5, lid 2,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 21 november 2018 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse groeianalyse en daarmee de aanzet gegeven tot het Europees Semester 2019 voor coördinatie van het economisch beleid. Daarin wordt terdege rekening gehouden met de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie werd geproclameerd. De prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse zijn op 21 maart 2019 door de Europese Raad bekrachtigd. Op 21 november 2018 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad (2) ook het waarschuwingsmechanismeverslag aangenomen, waarin zij Letland niet heeft genoemd als een van de lidstaten die aan een diepgaande evaluatie zullen worden onderworpen. Tevens heeft de Commissie op die datum een aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone aangenomen, die op 21 maart 2019 door de Europese Raad is bekrachtigd. Op 9 april 2019 heeft de Raad de aanbeveling over het economisch beleid van de eurozone (3) (“aanbeveling voor de eurozone”) aangenomen, die vijf aanbevelingen voor de eurozone (“de aanbevelingen voor de eurozone”) bevat.

(2)

Als lidstaat die de euro als munt heeft en in het licht van de grote onderlinge verwevenheid tussen de economieën van de economische en monetaire unie zou Letland ervoor moeten zorgen dat volledig en tijdig uitvoering wordt gegeven aan de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone, die wordt weergegeven in de aanbevelingen 1 tot en met 4 hieronder. Met name het richten van het economisch beleid op investeringen in de gespecificeerde gebieden en maatregelen ter verbetering van vaardigheden zullen bijdragen tot het uitvoeren van de eerste aanbeveling voor de eurozone wat betreft verbeteringen van de productiviteit voor de herbalancering binnen de eurozone, en fiscale maatregelen zullen bijdragen tot het uitvoeren van de derde aanbeveling voor de eurozone wat betreft de werking van de arbeidsmarkt.

(3)

Op 27 februari 2019 is het landverslag 2019 voor Letland gepubliceerd. Daarin werd de vooruitgang beoordeeld die Letland bij het opvolgen van de op 13 juli 2018 door de Raad aangenomen landspecifieke aanbevelingen (4) heeft gemaakt, alsmede het gevolg dat is gegeven aan de landspecifieke aanbevelingen die in de jaren voordien werden aangenomen, en de vooruitgang die Letland bij het nastreven van zijn nationale Europa 2020-doelstellingen heeft geboekt.

(4)

Letland heeft zijn nationaal hervormingsprogramma 2019 ingediend op 15 april 2019 en zijn stabiliteitsprogramma 2019 op 17 april 2019. Om met de onderlinge verbanden tussen beide programma’s rekening te houden, zijn deze tegelijkertijd geëvalueerd.

(5)

De betrokken landspecifieke aanbevelingen zijn meegenomen in de programmering voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) voor de periode 2014-2020. Op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) kan de Commissie een lidstaat verzoeken zijn partnerschapsovereenkomst en de desbetreffende programma’s opnieuw te bezien en wijzigingen daarop voorstellen indien dit nodig is om de uitvoering van de betrokken aanbevelingen van de Raad te ondersteunen. De Commissie heeft in richtsnoeren met betrekking tot de toepassing van de maatregelen die de effectiviteit van de ESI-fondsen koppelen aan gezonde economische governance, nader aangegeven hoe zij van die bepaling zou gebruikmaken.

(6)

Letland valt momenteel onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact. In haar stabiliteitsprogramma 2019 gaat de regering uit van een verbetering van het nominale saldo: nadat er in 2018 sprake was van een tekort van 1,0 % van het bruto binnenlands product (bbp), zou er in 2019 een tekort zijn van 0,5 % van het bbp, in 2020 van 0,4 % en in 2021 van 0,2 %. Op basis van het herberekende structurele saldo (6) zal de budgettaire middellangetermijndoelstelling — vastgesteld op een tekort van 1 % van het bbp in structurele termen — naar verwachting in 2019 worden gehaald, rekening houdend met de marges die verband houden met het doorvoeren van de structurele hervormingen waarvoor een tijdelijke afwijking is toegestaan. Volgens het stabiliteitsprogramma 2019 zal de schuldquote van de overheid tegen 2022 naar verwachting dalen tot 33,1 % van het bbp. De bbp-groeiprognoses van het stabiliteitsprogramma 2019 lijken plausibel. De risico’s voor de begrotingssituatie zijn in evenwicht.

(7)

Op 13 juli 2018 beval de Raad Letland aan zijn budgettaire middellangetermijndoelstelling waar te maken in 2019, rekening houdend met de marges die verband houden met het doorvoeren van de structurele hervormingen waarvoor een tijdelijke afwijking is toegestaan. Dit spoort met een maximale nominale groeivoet van de netto primaire overheidsuitgaven (7) van 4,8 % in 2019, hetgeen overeenstemt met een verbetering van het structurele saldo met 0,2 % van het bbp. Op basis van de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie zal Letland naar verwachting in de buurt komen van zijn budgettaire middellangetermijndoelstelling, rekening houdend met de marge die verband houdt met het doorvoeren van de structurele hervormingen waarvoor een tijdelijke afwijking is toegestaan. De huidige beoordeling wijst derhalve op een risico van enige afwijking in 2019. Tegelijkertijd zou de verwachte nominale groeivoet van de netto primaire overheidsuitgaven momenteel wijzen op een risico van een significante afwijking van de vereiste in 2019. Indien het structurele saldo volgens de ramingen niet meer in de buurt van de budgettaire middellangetermijndoelstelling ligt, rekening houdend met de marge die verband houdt met het doorvoeren van de structurele hervormingen waarvoor een tijdelijke afwijking is toegestaan, moet in toekomstige beoordelingen bij de algehele beoordeling rekening worden gehouden met een mogelijke afwijking van de vereiste.

(8)

Aangezien de verwachte output gap van Letland 1,3 % bedraagt, zou voor 2020 de nominale groei van de netto primaire overheidsuitgaven op niet meer dan 3,5 % moeten uitkomen, in overeenstemming met de structurele aanpassing van 0,5 % van het bbp die resulteert uit de gezamenlijk overeengekomen aanpassingsmatrix van vereisten in het kader van het stabiliteits- en groeipact. Op basis van de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie zal Letland bij ongewijzigd beleid naar verwachting in de buurt komen van zijn budgettaire middellangetermijndoelstelling. De huidige beoordeling wijst derhalve op een risico van enige afwijking in 2020. Tegelijkertijd zou de verwachte nominale groeivoet van de netto primaire overheidsuitgaven momenteel wijzen op een risico van een significante afwijking van de vereiste in 2020. Indien het structurele saldo volgens de ramingen niet meer in de buurt van de budgettaire middellangetermijndoelstelling ligt, moet in toekomstige beoordelingen bij de algehele beoordeling rekening worden gehouden met een mogelijke afwijking van de vereiste. Al met al is de Raad van oordeel dat Letland bereid moet zijn om vanaf 2019 verdere maatregelen te nemen om aan de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact te voldoen.

(9)

De belastingontvangsten als een percentage van het bruto binnenlands product van Letland, zijn laag in vergelijking met het gemiddelde van de Unie en beperken tot op zekere hoogte de openbare dienstverlening, met name gezondheidszorg, en de sociale inclusie. Kapitaal en vastgoed zijn relatief onderbelast en het bevriezen van de waarden die worden gebruikt om grond- en vastgoedbelastingen te berekenen, zullen de inkomsten ervan verder doen dalen. Tegelijkertijd blijft de belastingdruk op arbeid voor laagbetaalde werknemers hoog ten opzichte van het gemiddelde van de Unie, ondanks het feit dat hij is gedaald. Volgens verschillende ramingen lijkt het aandeel van de schaduweconomie de afgelopen jaren te zijn afgenomen. Desondanks is het percentage ondergerapporteerde economische activiteiten in Letland hoger dan in andere Baltische staten. Met name het te weinig aangeven van salarissen (“lonen onder couvert”), vooral in de bouwsector, vormt een groot deel van de schaduweconomie.

(10)

Na de sluiting van de op twee na grootste bank als gevolg van beschuldigingen van witwassen heeft Letland de regelgeving betreffende niet-ingezeten klanten aangescherpt. Als gevolg daarvan zijn de deposito’s van niet-ingezetenen — de belangrijkste bron van risico op het witwassen van geld in Letland — sinds mei 2018 aanzienlijk gedaald, maar er blijven uitdagingen bestaan op het gebied van de bestrijding van het witwassen van geld. Bovendien heeft Letland een gedetailleerd actieplan opgesteld om zijn strategie ter bestrijding van het witwassen van geld en van terrorismefinanciering te verbeteren. De belangrijkste prioriteiten van het actieplan zijn onder meer het verhogen van het risicogebaseerd toezicht, het waarborgen van de vereiste personele middelen voor de toezichthoudende autoriteiten en het waarborgen van doeltreffende informatie-uitwisseling en samenwerking tussen de onderzoeksinstanties en met de particuliere sector. Er moet aandacht worden besteed aan de daadwerkelijke uitvoering van deze maatregelen, zodra deze zijn goedgekeurd. Ten slotte moet ook de capaciteit van de rechtshandhavingsinstanties en de gerechtelijke instanties worden vergroot.

(11)

Letland staat voor uitdagingen waar het erom gaat uitvoering te geven aan verschillende beginselen van de Europese pijler van sociale rechten op het gebied van sociale bescherming en integratie. De inkomensongelijkheid in Letland is hoog, aangezien de herverdeling via de belasting- en uitkeringsstelsels laag is. De toereikendheid van de sociale uitkeringen blijft laag en het effect van sociale overdrachten op armoede en vermindering van ongelijkheid is beperkt. Het armoederisico onder ouderen en mensen met een beperking is relatief hoog en stijgt als gevolg van het feit dat de uitkeringen geen gelijke tred houden met de loonstijging. Het percentage ouderen met risico op armoede of sociale uitsluiting bedroeg 49,0 % in 2018 (in de Unie gemiddeld 18,2 % in 2017). Voor mensen met een beperking bedroeg dit risico 40,7 % in 2017 (in de Unie gemiddeld 29,3 % in 2017). De socialezekerheidsuitkeringen van de staat voor mensen met een beperking en de minimale ouderdomspensioenen zijn sinds 2006 niet meer herzien. Het uitblijven van de hervorming van de hoogte van het minimuminkomen, die in 2014 was aangekondigd, maar niet is doorgevoerd, treft de armste huishoudens. Ook de toegang tot langdurige zorg blijft zwak. Er zijn dus investeringen nodig om de sociale uitsluiting aan te pakken, onder meer op het gebied van voedselhulp en materiële hulp voor de meest behoeftigen. Bovendien zijn investeringen, met inbegrip van infrastructuur, nodig om de toegang tot kinderopvang, langdurige zorg, werkgelegenheid en andere sociale diensten te verbeteren en om de integratie van gezondheids- en sociale diensten, waaronder de overgang van institutionele zorg naar zorg in gemeenschapsverband, mogelijk te maken. Het aandeel mensen dat wordt getroffen door ernstige woningnood behoort tot de hoogste in Europa (15,2 % tegenover gemiddeld 4,0 % in de Unie in 2017) en sociale huisvesting is schaars. Er zijn investeringen nodig om het aanbod aan betaalbare woningen te verbeteren.

(12)

Hoewel de totale werkgelegenheid hoog is en nog toeneemt, wordt het aantal werkzame personen negatief beïnvloed door de ongunstige demografische ontwikkelingen en emigratie. Bovendien varieert de werkgelegenheid per regio en kwalificatieniveau. Ouderen met achterhaalde vaardigheden ondervinden meer problemen. Het lage digitale vaardigheidsniveau bij de beroepsbevolking beperkt zowel het gebruik van digitale technologieën door bedrijven als het innovatiepotentieel. De deelname van volwassenen aan opleidingen en de deelname van werklozen aan actieve arbeidsmarktmaatregelen ligt onder het gemiddelde van de Unie.

(13)

Het onderwijsstelsel staat voor de uitdaging de middelen te consolideren en tegelijkertijd de kwaliteit en efficiëntie te verbeteren. Het Letse onderwijssysteem presteert weliswaar goed op het gebied van leerprestaties, maar de toegang tot kwaliteitsonderwijs blijft afhankelijk van de woonplaats en het type school. Er is vooruitgang geboekt met de hervorming van de leerplannen in het beroepsonderwijs en de beroepsopleiding met het oog op een betere aansluiting op de nieuwe vaardigheidsvereisten, en de beroepsopleidingsomgeving is aanzienlijk verbeterd. De aantrekkelijkheid blijft echter laag, zoals blijkt uit het aantal inschrijvingen en de arbeidsparticipatie van pas afgestudeerden, die onder het gemiddelde van de Unie liggen.

(14)

Het waarborgen van het aanbod aan vaardigheden is een van de belangrijkste gebieden waar de vraag naar investeringen aanzienlijk blijft. Om onderwijs en opleiding uit het oogpunt van kwaliteit, doeltreffendheid en relevantie voor de arbeidsmarkt te verbeteren, en om een leven lang leren, met name flexibele mogelijkheden voor bijscholing en omscholing, te bevorderen, moeten overeenkomstige investeringen worden gedaan, ook in infrastructuur. Er zijn ook investeringen nodig voor een betere toegang tot de arbeidsmarkt, onder meer om het bereik en de dekking van een actief arbeidsmarktbeleid te verbeteren, alsook de arbeidsgeschiktheid van de beroepsbevolking en de sectorale en regionale arbeidsmobiliteit. In een ruimere context is de versterking van de capaciteit van de sociale partners van belang voor de bevordering van eerlijke arbeidsvoorwaarden en de verwezenlijking van de Europese pijler van sociale rechten.

(15)

Lage overheidsuitgaven voor gezondheidszorg en een ongezonde levensstijl zijn de belangrijkste redenen voor de zwakke resultaten op het gebied van volksgezondheid. De recentelijk verhoogde financiële middelen voor de gezondheidszorg bieden een oplossing voor bepaalde toegangsbeperkingen in verband met jaarplafonds voor zorgprestaties en de lange wachtlijsten. De overheidsfinanciering voor gezondheidszorg blijft echter ver onder het gemiddelde van de Unie. Tijdige en gelijke toegang tot gezondheidszorg is beperkt. Dit leidt tot hoge zelfgerapporteerde onvervulde medische behoeften als gevolg van hoge eigen bijdragen, met name voor kwetsbare groepen, en ongelijkheid van kansen. De hervormingen om de efficiëntie en de kwaliteit van de gezondheidszorg te verbeteren, vorderen, maar bevinden zich in een vroeg stadium en moeten worden versneld, onder meer via doeltreffende preventiemaatregelen, stroomlijning van de ziekenhuissector, versterking van de eerstelijnszorg en kwaliteitsbeheer. Bovendien kampt Letland met een tekort aan gezondheidswerkers, met name verpleegkundigen, dat de verstrekking van openbare gezondheidszorg belemmert en risico’s inhoudt voor het welslagen van de hervormingen in de gezondheidszorg. Als de onderverdeling van de gezondheidsdiensten in twee zorgpakketten (“volledig” en “minimum”) in werking treedt, bestaat het risico dat de gelijke toegang tot de gezondheidszorg verder wordt beperkt en dat de gezondheidsresultaten verslechteren. Om de toegankelijkheid, betaalbaarheid en kwaliteit van de gezondheidszorg te verbeteren, moeten overeenkomstige investeringen in de gezondheidszorg, en ook in de infrastructuur, worden gedaan met het oog op een betere gezondheidstoestand van de bevolking en een gezonder en langer beroepsleven.

(16)

Letland investeert weinig in onderzoek en ontwikkeling, en de investeringskloof in innovatie is aanzienlijk. In 2017 behoorde het aandeel van Letland in de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling tot de laagste in de Unie en het is in de afgelopen tien jaar tamelijk stabiel gebleven. Bovendien is de financiering van onderzoek bijna volledig afhankelijk van fondsen van de Unie. Als gevolg daarvan is Letland een matige innovator met enkele sterke punten, zoals de ICT-infrastructuur, maar blijft het achter wat betreft de prestaties op het gebied van personele middelen, publiek-private samenwerking en investeringen in intellectuele eigendom.

(17)

Er is nog steeds sprake van belangrijke investeringskloven wat het wegwerken van regionale ongelijkheden betreft. Er blijven aanzienlijke economische verschillen bestaan tussen Riga en de andere regio’s van Letland. Hoewel Letland als geheel convergeert met de Unie, is het verschil in economische prestaties tussen de hoofdstedelijke regio en de andere regio’s niet verkleind sinds de toetreding van Letland tot de Unie. Het concurrentievermogen en de kwaliteit van de overheidsdiensten verschillen aanzienlijk tussen de Letse regio’s en dit beïnvloedt hun territoriale aantrekkelijkheid. Daarom is er behoefte aan investeringen om de aanzienlijke regionale verschillen in mobiliteit en digitale infrastructuur, met name de “laatste kilometer”-verbindingen, aan te pakken. De lacunes in de connectiviteit met het trans-Europese vervoersnetwerk en met perifere en grensregio’s zijn nog steeds zeer uitgesproken en hebben negatieve gevolgen voor de economische activiteiten en de uitvoer van Letland. Er is ook sprake van investeringskloven voor de voltooiing van het Rail Baltica-project en van de belangrijke elektriciteitsinfrastructuurprojecten die deel uitmaken van het interconnectieplan voor de energiemarkt in het Oostzeegebied. Daarnaast zijn ook investeringen nodig in hulpbronnenefficiëntie om de energietransitie van Letland te versnellen. Er zijn meer inspanningen nodig om de algehele energie-efficiëntie te verbeteren, met name in de woning- en de vervoersector.

(18)

De recente goedkeuring van de klokkenluiderswet is een stap in de goede richting en de instantie voor corruptiebestrijding heeft onlangs ook een impuls gekregen doordat ze een aantal ophefmakende corruptiezaken aan het licht heeft gebracht. Niettemin blijft de perceptie bestaan dat de besluitvorming van de overheid wordt beïnvloed door vriendjespolitiek en dat aanbestedingsprocedures vatbaar zijn voor corruptie als gevolg van het gebrek aan transparantie, met name in gemeenten, en staats- en gemeentebedrijven. De wijzigingen van de Mededingingswet die op 1 januari 2020 van kracht worden, zullen ervoor zorgen dat activiteiten van staats- en gemeentebedrijven slechts in beperkte mate de mededinging kunnen schaden. Wetswijzigingen aan de regeling betreffende belangenconflicten kunnen aanleiding geven tot misbruik. De onlangs aangenomen gedragscode heeft geen betrekking op politiek benoemde personen.

(19)

De overheidsdiensten zijn niet aangepast aan het krimpen en vergrijzen van de bevolking. Door de krimpende bevolking en de verstedelijking worden de infrastructuur en de overheidsdiensten in de plattelandsgebieden onderbenut. Er zijn strategieën voor de overheidsdiensten, het onderwijs en de gezondheidszorg nodig om de toegang tot hoogwaardige diensten in dunbevolkte en leeglopende gebieden te behouden en tegelijkertijd te zorgen voor meer efficiëntie. Onlangs is een algemene bestuurlijke territoriale hervorming aangekondigd, die in december 2021 ten uitvoer moet zijn gelegd. Een tijdige uitvoering van deze hervorming zou kunnen bijdragen tot de versterking van de verantwoordingsplicht en de efficiëntie van de publieke sector, zeker gezien het operationele programma voor de fondsen van de Unie dat tegen 2020 moet worden goedgekeurd.

(20)

De programmering van de Uniemiddelen voor de periode 2021-2027 zou kunnen bijdragen tot het aanpakken van een aantal van de in de aanbevelingen geconstateerde leemten, met name op de gebieden die worden behandeld in bijlage D bij het landverslag 2019. Dit zou Letland in staat stellen optimaal gebruik te maken van deze fondsen voor de geïdentificeerde sectoren, rekening houdend met regionale verschillen. De versterking van de bestuurlijke capaciteit van het land voor het beheer van deze fondsen is een belangrijke factor voor het welslagen van deze investering.

(21)

In de context van het Europees Semester 2019 heeft de Commissie een brede analyse van het economische beleid van Letland verricht. Die analyse is gepubliceerd in het landverslag 2019. Voorts heeft de Commissie zowel het stabiliteitsprogramma 2019 als het nationale hervormingsprogramma 2019 doorgelicht en onderzocht welk gevolg is gegeven aan de aanbevelingen die in eerdere jaren tot Letland zijn gericht. Daarbij heeft de Commissie niet alleen gekeken naar de relevantie ervan voor een houdbaar begrotings- en sociaal-economisch beleid in Letland, maar is zij ook nagegaan of de Unieregels en -richtsnoeren in acht zijn genomen, gezien de noodzaak de algehele economische governance van de Unie te versterken door middel van een inbreng op Unieniveau in toekomstige nationale besluiten.

(22)

In het licht van deze beoordeling heeft de Raad het stabiliteitsprogramma 2019 onderzocht en zijn advies (8) daarover is met name in de onderstaande aanbeveling 1 weergegeven,

BEVEELT AAN dat Letland in 2019 en 2020 de volgende actie onderneemt:

1.   

Ervoor zorgen dat het nominale groeipercentage van de netto primaire overheidsuitgaven in 2020 niet boven de 3,5 % uitkomt, wat neerkomt op een jaarlijkse structurele aanpassing van 0,5 % van het bbp. De belastingen verlagen voor mensen met een laag inkomen door belastingen te verschuiven naar andere bronnen, met name kapitaal en eigendom, en door de naleving van de belastingwetgeving te verbeteren. Zorgen voor effectief toezicht op en handhaving van het kader voor de bestrijding van witwaspraktijken.

2.   

Sociale uitsluiting aanpakken, met name door de toereikendheid van het minimuminkomen, de minimale ouderdomspensioenen en de inkomenssteun voor mensen met een beperking te verbeteren. De kwaliteit en de efficiëntie van onderwijs en opleiding verbeteren, met name van laaggeschoolde werknemers en werkzoekenden, onder meer door de deelname aan beroepsonderwijs en -opleiding en volwasseneneducatie te vergroten. De toegankelijkheid, kwaliteit en kosteneffectiviteit van het zorgstelsel verhogen.

3.   

Investeringsgerelateerd economisch beleid speciaal richten op innovatie, de beschikbaarheid van betaalbare woningen, vervoer, met name de duurzaamheid ervan, hulpbronnen- en energie-efficiëntie, energie-interconnecties en digitale infrastructuur, rekening houdend met regionale verschillen.

4.   

De verantwoordingsplicht en de efficiëntie van de publieke sector versterken, met name met betrekking tot de lokale autoriteiten en de staats-en gemeentebedrijven, en de regeling voor belangenconflicten versterken.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LINTILÄ


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25).

(3)  PB C 136 van 12.4.2019, blz. 1.

(4)  PB C 320 van 10.9.2018, blz. 60.

(5)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(6)  Conjunctuurgezuiverd begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, herberekend door de Commissie volgens de gezamenlijk overeengekomen methode.

(7)  De netto primaire overheidsuitgaven bestaan uit de totale overheidsuitgaven exclusief rente-uitgaven, uitgaven in het kader van programma’s van de Unie die volledig met inkomsten uit Uniefondsen worden gefinancierd en niet-discretionaire veranderingen in de uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen. Nationaal gefinancierde bruto-investeringen in vaste activa worden gespreid over een periode van vier jaar. Er wordt rekening gehouden met discretionaire inkomstenmaatregelen of bij wet verplicht gestelde inkomstenstijgingen. Eenmalige maatregelen aan zowel de inkomsten- als de uitgavenzijde worden uitgevlakt.

(8)  Op grond van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97.


5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 301/91


AANBEVELING VAN DE RAAD

van 9 juli 2019

over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Litouwen en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Litouwen

(2019/C 301/15)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (1), en met name artikel 5, lid 2,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 21 november 2018 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse groeianalyse en daarmee de aanzet gegeven tot het Europees Semester 2019 voor coördinatie van het economisch beleid. Daarin wordt terdege rekening gehouden met de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie werd geproclameerd. De prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse zijn op 21 maart 2019 door de Europese Raad bekrachtigd. Op 21 november 2018 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad (2) ook het waarschuwingsmechanismeverslag aangenomen, waarin zij Litouwen niet heeft genoemd als een van de lidstaten die aan een diepgaande evaluatie zullen worden onderworpen. Tevens heeft de Commissie op die datum een aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone aangenomen, die op 21 maart 2019 door de Europese Raad is bekrachtigd. Op 9 april 2019 heeft de Raad de aanbeveling over het economisch beleid van de eurozone (3) (“aanbeveling voor 2019 voor de eurozone”) aangenomen, die vijf aanbevelingen voor de eurozone (“de aanbevelingen voor de eurozone”) bevat.

(2)

Als lidstaat die de euro als munt heeft en in het licht van de grote onderlinge verwevenheid tussen de economieën van de economische en monetaire unie zou Litouwen ervoor moeten zorgen dat volledig en tijdig uitvoering wordt gegeven aan de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone, die wordt weergegeven in de aanbevelingen 2 en 3 hieronder. Met name investeringsmaatregelen zullen ertoe bijdragen dat gevolg wordt gegeven aan de tweede aanbeveling voor de eurozone met betrekking tot de ondersteuning van investeringen, en onderwijsmaatregelen zullen ertoe bijdragen dat gevolg wordt gegeven aan de derde aanbeveling voor de eurozone met betrekking tot het functioneren van de arbeidsmarkt.

(3)

Op 27 februari 2019 is het landverslag 2019 voor Litouwen gepubliceerd. Daarin werd de vooruitgang beoordeeld die Litouwen bij het opvolgen van de op 13 juli 2018 door de Raad aangenomen landspecifieke aanbevelingen (4) heeft gemaakt, alsmede het gevolg dat is gegeven aan de landspecifieke aanbevelingen die in de jaren voordien werden goedgekeurd, en de vooruitgang die Litouwen in de richting van zijn nationale Europa 2020-doelstellingen heeft geboekt.

(4)

Litouwen heeft zijn nationaal hervormingsprogramma 2019 ingediend op 10 mei 2019 en zijn stabiliteitsprogramma 2019 op 30 april 2019. Om met de onderlinge verbanden tussen beide programma’s rekening te houden, zijn deze tegelijkertijd geëvalueerd.

(5)

De betrokken landspecifieke aanbevelingen zijn meegenomen in de programmering voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (“ESI-fondsen”) voor de periode 2014-2020. Op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) kan de Commissie een lidstaat verzoeken zijn partnerschapsovereenkomst en de desbetreffende programma’s opnieuw te bezien en wijzigingen daarop voorstellen indien dit nodig is om de uitvoering van de betrokken aanbevelingen van de Raad te ondersteunen. De Commissie heeft in richtsnoeren met betrekking tot de toepassing van de maatregelen die de effectiviteit van de ESI-fondsen koppelen aan gezonde economische governance, nader aangegeven hoe zij van die bepaling zou gebruikmaken.

(6)

Litouwen valt momenteel onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact. In haar stabiliteitsprogramma 2019 gaat de regering ervan uit dat een nominaal overschot zal worden bewerkstelligd van 0,4 % van het bruto binnenlands product (bbp) in 2019 en 0,2 % in 2020, waarna dit naar verwachting verder zal afnemen tot 0,1 % van het bbp in 2021. Op basis van het herberekende structurele saldo (6) zal de begrotingsdoelstelling op middellange termijn — een structureel tekort van 1 % van het bbp — gedurende de hele programmaperiode worden overtroffen. In 2017 werd Litouwen ook toestemming verleend voor een tijdelijke afwijking in verband met het doorvoeren van de structurele hervormingen. Deze afwijking wordt overgedragen gedurende een periode van drie jaar. Volgens het stabiliteitsprogramma 2019 zal de overheidsschuldquote naar verwachting dalen van 34,2 % van het bbp in 2018 naar 32,9 % in 2022. Het macro-economische scenario dat aan die begrotingsprognoses ten grondslag ligt, is plausibel. Tegelijkertijd zijn de maatregelen die nodig zijn om vanaf 2020 de geplande streefcijfers voor het overschot te ondersteunen, niet voldoende gespecificeerd. Volgens de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie zal het structurele saldo naar verwachting een tekort van 1 % van het bbp vertonen in 2019, en van 0,9 % in 2020, d.i. conform de begrotingsdoelstelling op middellange termijn. Tegelijkertijd moeten op de korte en de middellange termijn de ontwikkelingen aan de uitgavenzijde zorgvuldig in het oog worden gehouden, met name gezien de mogelijke toekomstige risico’s voor de duurzaamheid van de inkomsten. Al met al is de Raad van oordeel dat Litouwen naar verwachting in 2019 en 2020 aan de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact zal voldoen.

(7)

In juni 2018 heeft de regering een reeks wetgevingshandelingen aangenomen ter uitvoering van een alomvattend pakket van zes structurele hervormingen op de kerngebieden onderwijs, gezondheidszorg, belastingen, informele economie, pensioenen en innovatie.

(8)

Litouwen heeft verdere maatregelen genomen om de schaduweconomie te bestrijden en de naleving van de belastingwetgeving te verbeteren. Hoewel dit bemoedigende resultaten heeft opgeleverd, wordt de belastingwetgeving over het algemeen slecht nageleefd. Litouwen heeft nog steeds een van de grootste btw-kloven in de Unie. Verdere verbetering van de belastingdiscipline zou de inkomsten doen toenemen en het belastingstelsel eerlijker maken. Er zijn geen maatregelen getroffen om de belastinggrondslag te verbreden naar bronnen die minder nadelig zijn voor de groei. De milieu- en vastgoedbelastingen liggen nog altijd onder het gemiddelde van de Unie en er zijn geen wijzigingen gepland in de motorvoertuigenbelasting of de verkeersbelasting voor particulieren.

(9)

Sinds 2018 worden de overheidspensioenen automatisch geïndexeerd op basis van de groei van de loonsom. Verwacht wordt dat de overheidsuitgaven voor pensioenen hierdoor zullen dalen van 6,9 % van het bbp in 2016 tot 5,2 % in 2070. Als gevolg van de verwachte daling van de werkgelegenheid zal tegelijkertijd de toereikendheid van de pensioenen evenwel afnemen, omdat de pensioenuitkeringen geen gelijke tred zullen kunnen houden met de groei van de lonen. De pensioenuitkeringsratio — de verhouding tussen het gemiddelde pensioen en het gemiddelde loon — zal naar verwachting gestaag dalen, terwijl dit cijfer nu al tot de laagste in de Unie behoort. Volgens de huidige wetgeving moet de regering corrigerende maatregelen voorstellen wanneer de uitkeringsratio afneemt. Gezien de onzekerheid over de precieze aard en het tijdschema van dergelijke toekomstige maatregelen, zijn deze niet meegenomen in de prognoses van het Ageing Report (verslag over de vergrijzing). Zij vormen echter wel een risico voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën. Als de totale uitkeringsratio tot 2070 ongewijzigd zou blijven, zouden de pensioenuitgaven stijgen tot 7 % van het bbp in plaats van te dalen tot de geraamde 5,2 %. Er bestaat dus onzekerheid over de wijze waarop de pensioenwetgeving in de praktijk zal worden toegepast en wat de gevolgen ervan zijn voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën en de toereikendheid van de pensioenen op termijn.

(10)

Het hoge percentage personen die risico op armoede of sociale uitsluiting lopen, in combinatie met de grote inkomensongelijkheid, blijft een groot probleem voor Litouwen, en staat de vooruitzichten op inclusieve economische groei in de weg. Ondanks verdere economische groei lopen veel leden van de Litouwse samenleving (zoals ouderen, personen met een handicap, kinderen, eenoudergezinnen en werklozen) een bijzonder groot risico op armoede en sociale uitsluiting. Hoewel het sociale vangnet de afgelopen jaren is verbeterd, behoren het algemene corrigerende vermogen van het Litouwse belasting- en uitkeringsstelsel en de uitgaven voor sociale bescherming als percentage van het bbp tot de laagste in de Unie. Er werden een aantal eerste stappen gezet om de hoge mate van armoede en inkomensongelijkheid aan te pakken, zoals de invoering van een “bedrag ter dekking van de primaire levensbehoeften”, de verhoging van de universele kinderbijslag en de indexering van de ouderdomspensioenen. Uit de aanhoudend hoge niveaus van armoede en ongelijkheid blijkt echter dat het land nog een lange weg te gaan heeft om te convergeren naar de gemiddelde niveaus van sociale zekerheid in de Unie en dat investeringen nodig zijn om sociale uitsluiting aan te pakken. Actieve inclusiestrategieën voor kwetsbare groepen zijn doeltreffender wanneer zij een combinatie omvatten van adequatere minimuminkomens- en pensioenregelingen, arbeidsmarktactivering en betere sociale dienstverlening, met inbegrip van kinderopvang en sociale huisvesting.

(11)

De arbeidsmarkt is krap geworden door de groei van de werkgelegenheid, maar ook door ongunstige demografische ontwikkelingen, waaronder emigratie. Om het effect van de slinkende beroepsbevolking te verminderen, zijn investeringen nodig in menselijk kapitaal en betere toegang tot de arbeidsmarkt voor iedereen. Gezien de aanhoudende tekorten aan vaardigheden en de discrepanties tussen vraag naar en aanbod van vaardigheden, is het belangrijk dat Litouwen vaart zet achter de hervormingen ter verbetering van de kwaliteit en de efficiëntie van alle onderwijsniveaus en zorgt voor een billijke toegang tot onderwijs en opleiding van hoge kwaliteit en met een inclusief karakter. Door de bevolkingsterugloop komt het schoolnetwerk onder druk te staan. Deze demografische verschuiving vraagt om strategieën om de toegang tot kwalitatief hoogwaardig onderwijs voor iedereen te behouden, waarbij de efficiëntie van het schoolnetwerk wordt gewaarborgd en leerkrachten worden ondersteund die te maken krijgen met samenvoeging van scholen. Er zijn nog steeds belangrijke stappen vereist om het hogeronderwijsnetwerk, bestaande uit meer dan veertig publieke en particuliere universiteiten en hogescholen, te consolideren. Aanbieders van beroepsonderwijs en -opleiding moeten hun leerplannen moderniseren en beter inspelen op de behoeften van lokale en regionale arbeidsmarkten. Doeltreffende en gemakkelijk toegankelijke volwasseneneducatie, omscholings- en bijscholingsmaatregelen kunnen, samen met de verlening van sociale diensten, meer mensen op de arbeidsmarkt brengen. De deelname aan volwasseneneducatie blijft laag: 6,6 % in 2018, ruim onder het Uniegemiddelde van 11,1 %. De Litouwse economie zou baat kunnen hebben bij investeringen in bijscholing, met inbegrip van digitale vaardigheden, innovatie en betere integratie van kansarmen op de arbeidsmarkt (bijvoorbeeld personen met een handicap, en oudere, werkloze of inactieve volwassenen). In een bredere context is de versterking van de capaciteit van de sociale partners van belang om hun betrokkenheid te bevorderen.

(12)

De zwakke gezondheidstoestand van de bevolking en de lage investeringen in gezondheidszorg zijn hardnekkige problemen. De middelen zouden aanzienlijk efficiënter kunnen worden benut door een verdere verschuiving van intramurale naar extramurale zorg. Er wordt nog steeds veel gebruikgemaakt van ziekenhuisdiensten, met een hoog percentage ziekenhuisopnamen bij chronische ziekten, in combinatie met een relatief lage bedbezettingsgraad. Verdere rationalisering van het gebruik van ziekenhuisfaciliteiten, in combinatie met gerichte investeringen in versterking van de eerstelijnszorg, onder meer op het gebied van zorgpersoneel, zijn nodig om de efficiëntie te vergroten en de resultaten op het gebied van gezondheid te verbeteren. De kwaliteit van de zorg blijft een van de belangrijkste redenen voor de slechte gezondheidstoestand. De maatregelen ter verbetering van de kwaliteit van de zorg zijn versnipperd, met zeer weinig accreditatie in de eerstelijnszorg en onvoldoende gebruik van het accreditatiesysteem in ziekenhuizen. De investeringen in maatregelen ter preventie van ziekten zijn bijzonder laag. Bovendien ontbreekt het aan een overkoepelende visie bij de maatregelen ter versterking van de ziektepreventiemaatregelen op lokaal niveau en is er sprake van een gebrek aan systematische samenwerking tussen volksgezondheidsdiensten en de eerstelijnszorg. Tot slot hebben lage uitgaven voor gezondheidszorg in combinatie met relatief hoge informele betalingen en hoge eigen bijdragen negatieve gevolgen voor de gelijke toegang tot gezondheidszorg.

(13)

Er zijn enkele maatregelen genomen in de strijd tegen corruptie, maar een geïntegreerd register van belangenverklaringen ontbreekt nog steeds. In 2018 zijn uitvoeringsbepalingen vastgesteld voor de wet ter bescherming van klokkenluiders en er wordt een nieuwe wet ter regulering van lobbyactiviteiten besproken. Er blijven onregelmatigheden bestaan in de aanpak van corruptie in de gezondheidszorg.

(14)

De investeringen als percentage van het bbp in Litouwen blijven onder het gemiddelde van de Unie en dat van andere Baltische landen. Het niveau van innovatie en de technologische absorptiecapaciteit van bedrijven in Litouwen is laag. Er is behoefte aan meer investeringen in onderzoek en innovatie, met name in de particuliere sector. Dit zou de productiviteit een impuls geven, die, ondanks een recente opleving, ruim onder het niveau van de Unie blijft. Het tekort aan specialisten op het gebied van informatie- en communicatietechnologie wijst op de noodzaak om te investeren in digitale vaardigheden die het concurrentievermogen, de innovatie en de technologische absorptiecapaciteit van Litouwen ondersteunen en de overgang naar een meer op kennis gebaseerde economie met een hogere toegevoegde waarde bevorderen.

(15)

De economie is relatief hulpbronnenintensief en is sterk afhankelijk van de invoer van energie en materialen. De productiviteit van hulpbronnen is laag, terwijl het energieverbruik hoog is, met name in huishoudens en de vervoerssector. Meer investeringen in energie-efficiëntie, met name in de bouwsector, en de opwekking in eigen land van energie uit hernieuwbare bronnen zouden bijdragen tot de “groene” economie en een duurzamer groeipad, en tegelijkertijd de afhankelijkheid van ingevoerde energie verminderen.

(16)

Litouwen is internationaal gezien nog steeds slecht bereikbaar wat het vervoer per spoor, over de weg, over zee en door de lucht betreft, en moet verder worden geïntegreerd in de rest van Europa. Betere vervoersverbindingen zouden de productiviteit van de economie doen toenemen en het mogelijk maken de interne markt ten volle te benutten. De prestaties van de vervoerssector liggen ver onder het Uniegemiddelde wat betreft de omvang van de TEN-T-netwerken van wegen en spoorwegen, investeringen in onderzoek en innovatie in de vervoerssector, duurzaamheidsaspecten en verkeersveiligheid. Het treinverkeer wordt gedomineerd door oost-westverkeer, terwijl de noord-zuid-as nog steeds onderontwikkeld is. Daarom zijn aanzienlijke investeringen nodig voor de ontwikkeling van een duurzaam, klimaatbestendig, slim, veilig en intermodaal TEN-T-netwerk en de toegankelijkheid ervan, alsook om duurzame stedelijke mobiliteit te bevorderen. Bovendien is de uitstoot van broeikasgassen door het wegvervoer de afgelopen vijf jaar sterk toegenomen. De synchronisatie van het elektriciteitsnetwerk van Litouwen met het continentale Europese netwerk is van cruciaal belang om de continuïteit van de elektriciteitsvoorziening in de hele Baltische regio te waarborgen.

(17)

De regionale verschillen in Litouwen liggen boven het Uniegemiddelde en zijn de afgelopen twee decennia steeds groter geworden. De voordelen van de snelle economische convergentie van Litouwen zijn sterk geconcentreerd in de twee grootstedelijke regio’s. Vooral plattelandsregio’s, die het grootste deel van het grondgebied beslaan en waar bijna 55 % van de bevolking woont, hebben te maken met een sterke bevolkingsafname, die nog wordt verergerd door het feit dat het steeds moeilijker wordt om toegang te krijgen tot hoogwaardige openbare diensten. De grote sociaal-economische verschillen binnen het land tonen aan dat bepaalde regio’s specifieke investeringsbehoeften hebben. Ook het tot stand brengen van betere verbindingen tussen aangrenzende gebieden binnen Litouwen, onder meer via vervoer en digitale verbindingen, blijft een uitdaging.

(18)

Om de efficiëntie van overheidsinvesteringen te verbeteren, hebben de Litouwse autoriteiten de regels voor de voorbereiding en selectie van uit de overheidsbegroting gefinancierde investeringsprojecten geactualiseerd. Sinds 2018 moeten alle nieuwe investeringsprojecten aan een kosten-batenanalyse worden onderworpen en aan aanvullende selectiecriteria voldoen. Hoewel dit een belangrijke eerste stap is, zijn er verdere inspanningen nodig om het effect van overheidsinvesteringen op de versterking van het groeipotentieel op lange termijn en de aanpak van de groeiende regionale verschillen te maximaliseren. De autoriteiten zijn begonnen met de herziening van het systeem voor de opstelling van de overheidsbegroting teneinde de tijdshorizon voor de opstelling van de begroting te verlengen en de uitgaven beter af te stemmen op algemene economische doelstellingen. Het is van cruciaal belang ervoor te zorgen dat het nieuwe systeem voor strategische investeringsplanning klaar is voor het begrotingsproces 2021-2023 en de start van de nieuwe financieringscyclus van de Unie in 2021.

(19)

Litouwen heeft geen coherente strategie voor onderzoek en innovatie. Het landschap wordt gekenmerkt door een versnipperd beleid en een wildgroei van steunregelingen, waarbij synergie ontbreekt. Het bestaan van verschillende uitvoerende instanties, waarvan de aanpak ter ondersteuning van de verschillende beleidsmaatregelen op het gebied van onderzoek en innovatie niet gecoördineerd is, draagt bij tot de complexiteit van het governancesysteem, waardoor de toegang van de gebruikers tot het arsenaal aan beschikbare instrumenten lijkt te worden beperkt. Deze situatie is bijzonder schadelijk voor de samenwerking tussen de wetenschappelijke gemeenschap en het bedrijfsleven en belemmert innovatieve activiteiten. De nieuwe bevoegdheidsverdeling op het gebied van onderzoek en innovatie tussen het Ministerie van Economische Zaken en Innovatie en het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen heeft nog niet geleid tot zo’n samenhangend beleidskader met synergetische steunregelingen als het geval zou zijn bij een éénloketsysteem voor potentiële begunstigden.

(20)

De programmering van de Uniemiddelen voor de periode 2021-2027 zou kunnen bijdragen tot het aanpakken van een aantal van de in de aanbevelingen geconstateerde leemten, met name op de gebieden die worden behandeld in bijlage D bij het landverslag 2019. Dit zou Litouwen in staat stellen deze middelen optimaal te gebruiken met betrekking tot de daar genoemde sectoren, rekening houdend met regionale verschillen.

(21)

In de context van het Europees Semester 2019 heeft de Commissie een brede analyse van het economisch beleid van Litouwen verricht. Die analyse is gepubliceerd in het landverslag 2019. Voorts heeft de Commissie zowel het stabiliteitsprogramma 2019 als het nationale hervormingsprogramma 2019 doorgelicht en onderzocht welk gevolg is gegeven aan de aanbevelingen die in eerdere jaren tot Litouwen zijn gericht. Daarbij heeft de Commissie niet alleen gekeken naar de relevantie ervan voor een houdbaar begrotings- en sociaal-economisch beleid in Litouwen, maar is zij ook nagegaan of de Unieregels en -richtsnoeren in acht zijn genomen, gezien de noodzaak de algehele economische governance van de Unie te versterken door middel van een inbreng op Unieniveau in toekomstige nationale besluiten.

(22)

In het licht van deze beoordeling heeft de Raad het stabiliteitsprogramma 2019 onderzocht en is hij van oordeel (7) dat Litouwen naar verwachting aan het stabiliteits- en groeipact zal voldoen,

BEVEELT AAN dat Litouwen in 2019 en 2020 de volgende actie onderneemt:

1.   

De naleving van de belastingwetgeving verbeteren en de belastinggrondslag verbreden naar bronnen die minder nadelig zijn voor de groei. Inkomensongelijkheid, armoede en sociale uitsluiting aanpakken, onder meer door de opzet van het belasting- en uitkeringsstelsel te verbeteren.

2.   

De kwaliteit en efficiëntie op alle onderwijs- en opleidingsniveaus, met inbegrip van volwasseneneducatie, verbeteren. De kwaliteit, betaalbaarheid en efficiëntie van de gezondheidszorg verbeteren.

3.   

Het economisch beleid op het gebied van investeringen concentreren op innovatie, energie- en hulpbronnenefficiëntie en duurzame vervoers- en energieverbindingen, en daarbij rekening houden met regionale verschillen. De groei van de productiviteit bevorderen door de overheidsinvesteringen efficiënter te maken. Een samenhangend beleidskader ontwikkelen ter ondersteuning van de samenwerking tussen de wetenschappelijke gemeenschap en het bedrijfsleven en ter consolidering van de uitvoerende instanties op het gebied van onderzoek en innovatie.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LINTILÄ


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25).

(3)  PB C 136 van 12.4.2019, blz. 1.

(4)  PB C 320 van 10.9.2018, blz. 64.

(5)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(6)  Conjunctuurgezuiverd begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, herberekend door de Commissie volgens de gezamenlijk overeengekomen methode.

(7)  Op grond van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97.


5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 301/97


AANBEVELING VAN DE RAAD

van 9 juli 2019

over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Luxemburg en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Luxemburg

(2019/C 301/16)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (1), en met name artikel 5, lid 2,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 21 november 2018 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse groeianalyse en daarmee de aanzet gegeven tot het Europees Semester 2019 voor coördinatie van het economisch beleid. Daarin wordt terdege rekening gehouden met de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie werd geproclameerd. De prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse zijn op 21 maart 2019 door de Europese Raad bekrachtigd. Op 21 november 2018 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad (2) ook het waarschuwingsmechanismeverslag aangenomen, waarin zij Luxemburg niet heeft genoemd als een van de lidstaten die aan een diepgaande evaluatie zullen worden onderworpen. Tevens heeft de Commissie op die datum een aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone aangenomen, die op 21 maart 2019 door de Europese Raad is bekrachtigd. Op 9 april 2019 heeft de Raad de aanbeveling over het economisch beleid van de eurozone (3) (“aanbeveling voor 2019 voor de eurozone”) aangenomen, die vijf aanbevelingen voor de eurozone (“de aanbevelingen voor de eurozone”) bevat.

(2)

Als lidstaat die de euro als munt heeft, zou Luxemburg in het licht van de grote onderlinge verwevenheid tussen de economieën van de economische en monetaire unie ervoor moeten zorgen dat volledig en tijdig uitvoering wordt gegeven aan de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone, zoals weergegeven in de onderstaande aanbevelingen 1 tot en met 4. In het bijzonder zal door een gerichter economisch beleid met betrekking tot investeringen op de genoemde gebieden en door het aanpakken van de uitgaande betalingen worden bijgedragen tot het voldoen aan de tweede aanbeveling voor de eurozone, te weten ondersteunen van investeringen en van het tegengaan van agressieve fiscale planning, en zullen maatregelen ter verhoging van de arbeidsmarktparticipatie door ouderen helpen bij het opvolgen van de derde aanbeveling voor de eurozone, namelijk zorgen voor adequate en houdbare socialebeschermingsstelsels.

(3)

Op 27 februari 2019 is het landverslag 2019 voor Luxemburg gepubliceerd. Daarin werd de vooruitgang beoordeeld die Luxemburg bij het opvolgen van de op 13 juli 2018 door de Raad aangenomen landspecifieke aanbevelingen (4) heeft gemaakt, alsmede het gevolg dat is gegeven aan de landspecifieke aanbevelingen die in de jaren voordien werden goedgekeurd, en de vooruitgang die Luxemburg in de richting van zijn nationale Europa 2020-doelstellingen heeft geboekt.

(4)

Op 30 april 2019 heeft Luxemburg zijn nationale hervormingsprogramma 2019 en zijn stabiliteitsprogramma 2019 ingediend. Om met de onderlinge verbanden tussen beide programma’s rekening te houden, zijn deze tegelijkertijd geëvalueerd.

(5)

De betrokken landspecifieke aanbevelingen zijn meegenomen in de programmering voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) voor de periode 2014-2020. Op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) kan de Commissie een lidstaat verzoeken zijn partnerschapsovereenkomst en de desbetreffende programma’s opnieuw te bezien en wijzigingen daarop voorstellen indien dit nodig is om de uitvoering van de betrokken aanbevelingen van de Raad te ondersteunen. De Commissie heeft nadere gegevens verstrekt over de wijze waarop zij gebruik zal maken van die bepaling in richtsnoeren over de toepassing van de maatregelen die de doeltreffendheid van de ESI-fondsen koppelen aan gezond economisch bestuur.

(6)

Luxemburg valt momenteel onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact. In haar stabiliteitsprogramma 2019 gaat de regering ervan uit dat het nominale overschot terugloopt van 2,4 % van het bruto binnenlands product (bbp) in 2018 naar 1,0 % van het bbp in 2019, gevolgd door een vrijwel gestage stijging ervan in de jaren daarna tot een overschot van 2,2 % van het bbp in 2023. Op basis van het herberekende structurele saldo (6) wordt de middellangetermijndoelstelling voor de begroting — die gewijzigd is van een structureel tekort van 0,5 % van het bbp in 2019 in een structureel overschot van 0,5 % van het bbp vanaf 2020 — in de gehele programmaperiode overtroffen. Volgens het stabiliteitsprogramma 2019 blijft de overheidsschuldquote ruim onder de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 60 % van het bbp. Het macro-economische scenario dat aan deze begrotingsprojecties ten grondslag ligt, is gedurende de gehele periode van het stabiliteitsprogramma 2019 aan de optimistische kant, behalve voor 2023: voor dat jaar is het plausibel. Volgens de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie zal het structurele saldo een overschot vertonen van 0,9 % van het bbp in 2019 en van 0,5 % van het bbp in 2020, hetgeen met name voor 2020 lager is dan in het stabiliteitsprogramma 2019, maar nog wel boven de middellangetermijndoelstelling voor de begroting ligt of conform deze doelstelling is. Tegelijk zouden op korte en middellange termijn de ontwikkelingen aan de uitgavenzijde zorgvuldig in het oog moeten worden gehouden, met name gezien de mogelijke toekomstige risico’s voor de duurzaamheid van de inkomsten. Al met al is de Raad van oordeel dat Luxemburg in 2019 en 2020 naar verwachting aan de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact zal voldoen.

(7)

Ondanks recente hervormingen wordt verwacht dat de Luxemburgse leeftijdsgerelateerde uitgaven (de kosten van pensioenen, gezondheidszorg en langdurige zorg) op lange termijn sterk zullen toenemen. Zonder beleidswijzigingen in het huidige stelsel kan de houdbaarheid van de overheidsfinanciën daardoor op lange termijn in gevaar komen, ondanks de huidige lage overheidsschuld en de opgebouwde reserves van het socialezekerheidsstelsel, die naar verwachting tot 2041 de bestendigheid van het stelsel zullen waarborgen. Vanaf 2011 zijn Luxemburg aanbevelingen gedaan voor de aanpak van dit probleem, maar tot dusver is slechts beperkte vooruitgang geboekt. In zijn verslag van 2018 heeft de overheidswerkgroep pensioenen gekeken naar de wijze waarop de houdbaarheid van het pensioenstelsel op lange termijn kan worden verbeterd, bijvoorbeeld door het bijdragepercentage geleidelijk te verhogen, door de pensioengerechtigde leeftijd op te trekken in verband met de langere levensverwachting en door gefaseerde uittreding te stimuleren. In het verslag wordt een meersporenstrategie voorgesteld die berust op uitgebalanceerde hervormingen die de houdbaarheid van het stelsel op lange termijn moeten waarborgen en tegelijk de gevolgen voor de economie en gepensioneerden tot een minimum moeten beperken. De verwachte stijgingen van de leeftijdsgerelateerde uitgaven vormen op lange termijn ook een bedreiging voor de houdbaarheid van het zorgstelsel en het stelsel van langdurige zorg. Meer dan drie kwart van de uitgaven voor langdurige zorg komt uit publieke bronnen. Het verzekeringsstelsel voor langdurige zorg zou tot 2030 stabiel moeten blijven indien, volgens een analyse uit 2013 van de Inspection générale de la sécurité sociale (Algemene Inspectie Sociale Zekerheid), het bijdragepercentage geleidelijk van 1,4 % tot 1,7 % wordt verhoogd zodat de kosten in de pas blijven lopen met het percentage zorgbehoevenden. Het is echter nog niet duidelijk wat de gevolgen zijn voor de houdbaarheid van de begroting op lange termijn. Voor de sociale cohesie en de overheidsfinanciën op lange termijn is het van belang dat demografisch beleid samengaat met onderwijs- en opleidingsbeleid, waarbij een holistische aanpak wordt gevolgd voor de wijze waarop wordt ingespeeld op de veranderingen in de demografie en de digitale economie, dit gezien de verwachte gevolgen van de vergrijzing voor het arbeidsaanbod in de nabije toekomst. Sinds kort bestaat er in een aantal sectoren een tekort aan arbeidskrachten, dat een drukkend effect kan sorteren op de productiviteitsgroei en op het groeipotentieel op lange termijn.

(8)

Ondanks een over het geheel genomen goed presterende arbeidsmarkt stagneert de werkgelegenheid en ondervinden bepaalde groepen nog problemen op de arbeidsmarkt. Met name blijft het percentage werkende ouderen bijzonder laag en zijn er verdere maatregelen nodig om hun arbeidsmarktparticipatie te verbeteren. Vervroegde-uittredingsregelingen die werknemers stimuleren om uit dienst te treden, blijven wijdverbreid: 57,5 % van de nieuw toegekende pensioenen was in 2017 een vervroegd ouderdomspensioen. In 2018 heeft de regering een van deze regelingen, waarbij uittreding vanaf 57 jaar mogelijk was, afgeschaft, maar het effect van deze hervorming is afgezwakt doordat beperkingen op andere vervroegde-uittredingsregelingen zijn verlicht. De geringe activiteitsgraad bij ouderen is ook grotendeels het gevolg van de voor deze leeftijdsgroep betrekkelijk sterke negatieve financiële werkprikkels; stoppen met werken levert namelijk belastingvoordeel op. Voor de bevordering van het percentage werkende ouderen is een brede strategie vereist met onder meer maatregelen die ervoor zorgen dat ouderen langer in dienst blijven. Het “leeftijdspact”, een in april 2014 bij het parlement ingediend wetsontwerp om ondernemingen met meer dan 150 werknemers aan te moedigen oudere werknemers aan te werven en langer in dienst te houden door middel van leeftijdsmanagementmaatregelen, is nog in behandeling in het parlement.

(9)

Hoewel Luxemburg blijft inzetten op een verbetering van het regelgevingsklimaat voor de sector zakelijke dienstverlening, bestaan er volgens de restrictiviteitsindicator van de Commissie (7) nog forse regelgevingsbelemmeringen in diverse sectoren, zoals juridische, boekhoudkundige, technische en architectuurdiensten. Uit de in december 2018 gepubliceerde OESO-restrictiviteitsindex voor de handel in diensten in de EER blijkt eveneens dat de restrictiviteit van de regelgeving van Luxemburg ten opzichte van andere lidstaten boven het eengemaaktemarktgemiddelde voor deze sectoren ligt.

(10)

Het Luxemburgse economische model presteert sterk en kent een robuuste en gestage creatie van gekwalificeerde banen. Dit blijkt onder meer uit de hoge productiviteitsniveaus, die hoofdzakelijk zijn toe te schrijven aan efficiëntiewinsten dankzij de rol die het land speelt op de mondiale markten, en met name in de financiële sector. Wel is de productiviteitsgroei in recente jaren gestagneerd door de lage investeringen van het bedrijfsleven in innovatie en digitale integratie. Luxemburgs strategie om zijn economie te diversifiëren door essentiële kennisintensieve sectoren te ontwikkelen in de overgang naar een datagestuurde economie, bezit een groot potentieel om investeringen met een hoge meerwaarde en de productiviteitsgroei te stimuleren. De overheid blijft veel investeren in die sectoren, bijvoorbeeld in een krachtige ICT-sector. Dit heeft echter niet geleid tot meer particuliere investeringen in innovatie en digitalisering. Om de productiviteitsgroei op te krikken en de Luxemburgse economie verder te diversifiëren, is het van belang dat meer wordt geïnvesteerd in onderzoek en innovatie en in digitale integratie in met name het bedrijfsleven en dan vooral in kleine en middelgrote ondernemingen. De ontwikkeling van een coherent en geïntegreerd nationaal kader voor onderzoek- en innovatiebeleid en flankerende instrumenten ter zake, waaronder een prioritering op basis van een robuuste beoordeling van de verwachte economische effecten, is voor Luxemburg van essentieel belang om het potentieel van zijn innovatie-ecosysteem volledig te kunnen ontsluiten.

(11)

Om Luxemburgs productiviteit, werkgelegenheid en groeipotentieel op lange termijn te verhogen en gelijke kansen te bevorderen, is het van belang dat meer wordt geïnvesteerd in vaardigheden, en met name ICT-vaardigheden, inzetbaarheid, onderwijs en opleiding, waaronder een betere afstemming van de onderwijsprogramma’s op de behoeften van de arbeidsmarkt, en technologische en digitale transformaties.

(12)

Luchtvervuiling en files tijdens de spits vormen nog steeds een groot probleem voor Luxemburg, zowel vanuit concurrentievermogen- als vanuit milieuoogpunt. Daarnaast werkt de CO2-uitstoot van het wegvervoer klimaatverandering in de hand. Volgens de nationale projecties van 2017 die bij de Commissie zijn ingediend, zal Luxemburg, zonder aanvullende maatregelen, in 2020 drie procentpunt en in 2030 twintig procentpunt achterblijven bij zijn doelstelling voor de terugdringing van de uitstoot van broeikasgassen. Het aantal grenswerkers, dat thans circa 45 % van de Luxemburgse beroepsbevolking bedraagt, de lage belastingheffing van brandstof in de vervoersector en de hoge huizenprijzen werken het autogebruik in de hand en staan een verbetering van de luchtkwaliteit en de verkeerssituatie in de weg. Wel is het gebruik van alternatieve brandstoffen in nieuwe, in Luxemburg verkochte auto’s in de afgelopen paar jaar toegenomen.

(13)

Het ontoereikende woningaanbod kan Luxemburg minder aantrekkelijk maken. Door de bevolkingsgroei, de gunstige financieringsvoorwaarden en een hoog aantal grenswerkers blijft de vraag naar woningen groot. Door de ontoereikende beschikbaarheid van grond en de geringe woningdichtheid, die grotendeels het gevolg zijn van een gebrek aan prikkels voor grondeigenaren om nieuwe woningen te bouwen of te verkopen, blijken het woningaanbod en de woninginvesteringen tekort te schieten. Het aanbod aan sociale woningen blijkt eveneens ontoereikend en duidt erop dat significante investeringen nodig zijn om de toenemende spanningen op de woningmarkt te verlichten. Het regeringsprogramma voor 2018-2023 bevat dan ook beleidsmaatregelen om het woningaanbod te verruimen. Het gaat onder meer om wetswijzigingen inzake stadsplanning om meer bebouwbare gebieden te genereren en betaalbare en sociale woningen te ontwikkelen.

(14)

Zoals aangegeven in de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone, is de strijd tegen agressieve fiscale planning van essentieel belang om de belastingstelsels efficiënter en billijker te maken. De overloopeffecten van de agressieve fiscale planningsstrategieën van belastingplichtigen tussen de lidstaten vereisen gecoördineerde nationale beleidsmaatregelen ter aanvulling van de Uniewetgeving. Luxemburg heeft maatregelen genomen tegen agressieve fiscale planning, maar de hoge dividend-, rente- en royaltybetalingen als percentage van het bbp wijzen erop dat bedrijven de nationale belastingregels wellicht gebruiken voor agressieve fiscale planning. Een groot deel van de buitenlandse directe investeringen wordt aangehouden door “special purpose entities”. De inhoudingsvrijstelling op uitgaande (d.w.z. van Unie-inwoners aan inwoners van derde landen overgemaakte) betalingen van rente en royalty’s en de inhoudingsvrijstelling voor dividenduitkeringen kunnen er in specifieke omstandigheden toe leiden dat over die betalingen in het geheel geen belasting wordt geheven indien daarover in de ontvangende jurisdictie evenmin belasting verschuldigd is.

(15)

De programmering van de Uniemiddelen voor de periode 2021-2027 zou kunnen bijdragen tot het verhelpen van een aantal van de in de aanbevelingen geconstateerde leemten, met name op de gebieden die worden behandeld in bijlage D bij het landverslag 2019. Aldus kan Luxemburg voor de genoemde sectoren optimaal profiteren van die middelen.

(16)

In de context van het Europees Semester 2019 heeft de Commissie een brede analyse van het economisch beleid van Luxemburg verricht. Die analyse is gepubliceerd in het landverslag 2019. Voorts heeft de Commissie zowel het stabiliteitsprogramma 2019 als het nationale hervormingsprogramma 2019 doorgelicht en onderzocht welk gevolg er is gegeven aan de aanbevelingen die in eerdere jaren tot Luxemburg zijn gericht. Daarbij heeft de Commissie niet alleen gekeken naar de relevantie ervan voor een houdbaar begrotings- en sociaal-economisch beleid in Luxemburg, maar is zij ook nagegaan of de Unieregels en -richtsnoeren in acht zijn genomen, gezien de noodzaak om de algehele economische governance van de Unie te versterken door middel van een inbreng op Unieniveau in toekomstige nationale besluiten.

(17)

In het licht van deze beoordeling heeft de Raad het stabiliteitsprogramma 2019 onderzocht en is hij van mening (8) dat Luxemburg naar verwachting aan het stabiliteits- en groeipact zal voldoen,

BEVEELT AAN dat Luxemburg in 2019 en 2020 de volgende actie onderneemt:

1.   

Het percentage oudere werknemers verhogen door hun werkgelegenheidskansen en inzetbaarheid te vergroten. De langetermijnhoudbaarheid van het pensioenstelsel verbeteren, onder meer door vervroegde uittreding verder te beperken.

2.   

Mededingingsbelemmeringen in de gereguleerde zakelijke dienstverlening wegnemen.

3.   

Economisch investeringsbeleid richten op de bevordering van digitalisering en innovatie, op de stimulering van de ontwikkeling van vaardigheden, op de verbetering van duurzaam vervoer en op de vergroting van het woningaanbod, onder meer door prikkels om te bouwen, te versterken en door bouwbelemmeringen op te heffen.

4.   

Aanpakken van kenmerken van het belastingstelsel die een agressieve fiscale planning, met name door middel van uitgaande betalingen, in de hand kunnen werken.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LINTILÄ


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25).

(3)  PB C 136 van 12.4.2019, blz. 1.

(4)  PB C 320 van 10.9.2018, blz. 68.

(5)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(6)  Conjunctuurgezuiverd begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, herberekend door de Commissie volgens de gezamenlijk overeengekomen methode.

(7)  Doc. SWD(2016) 436 final.

(8)  Op grond van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97.


5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 301/101


AANBEVELING VAN DE RAAD

van 9 juli 2019

over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Hongarije en met een advies van de Raad over het convergentieprogramma 2019 van Hongarije

(2019/C 301/17)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (1), en met name artikel 9, lid 2,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 21 november 2018 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse groeianalyse en daarmee de aanzet gegeven tot het Europees Semester 2019 voor coördinatie van het economisch beleid. Daarin is terdege rekening gehouden met de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie is afgekondigd. De prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse zijn op 21 maart 2019 door de Europese Raad bekrachtigd. Op 21 november 2018 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad (2) ook het waarschuwingsmechanismeverslag aangenomen, waarin zij Hongarije niet heeft genoemd als een van de lidstaten die aan een diepgaande evaluatie zullen worden onderworpen.

(2)

Op 27 februari 2019 is het landverslag 2019 voor Hongarije gepubliceerd. Daarin werd de vooruitgang beoordeeld die Hongarije bij het opvolgen van de op 13 juli 2018 door de Raad aangenomen landspecifieke aanbevelingen (3) heeft gemaakt, alsmede het gevolg dat is gegeven aan de landspecifieke aanbevelingen die in de jaren voordien werden goedgekeurd, en de vooruitgang die Hongarije in de richting van zijn nationale Europa 2020-doelstellingen heeft geboekt.

(3)

Op 30 april 2019 heeft Hongarije zijn nationale hervormingsprogramma 2019 en zijn convergentieprogramma 2019 ingediend. Om met de onderlinge verbanden tussen beide programma’s rekening te houden, zijn deze tegelijkertijd geëvalueerd.

(4)

De betrokken landspecifieke aanbevelingen zijn meegenomen in de programmering voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) voor de periode 2014-2020. Op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4) kan de Commissie een lidstaat verzoeken zijn partnerschapsovereenkomst en de desbetreffende programma’s opnieuw te bezien en wijzigingen daarop voorstellen indien dit nodig is om de uitvoering van de betrokken aanbevelingen van de Raad te ondersteunen. In richtsnoeren inzake de toepassing van maatregelen om doeltreffendheid van de ESI-fondsen te koppelen aan gezond economisch bestuur, heeft de Commissie nader aangegeven hoe zij van die bepaling gebruik zal maken.

(5)

Hongarije valt momenteel onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact en is onderworpen aan de schuldregel. In haar convergentieprogramma 2019 gaat de regering uit van een afname van het nominale tekort van 2,2 % van het bruto binnenlands product (bbp) in 2018 tot 1,8 % in 2019. Verwacht wordt dat het nominale tekort verder daalt naar 1,2 % in 2021 en dat in 2023 een begrotingsevenwicht wordt bereikt. Op basis van het herberekende structurele saldo (5) zou Hongarije in 2022 dicht bij zijn begrotingsdoelstelling op middellange termijn zijn en die het jaar daarop bereiken. Deze doelstelling is aangepast van een structureel tekort van 1,5 % van het bbp in 2019 naar 1,0 % van het bbp vanaf 2020. Volgens het convergentieprogramma zal de overheidsschuldquote naar verwachting geleidelijk afnemen tot minder dan 60 % tegen eind 2022. Het macro-economische scenario dat aan die begrotingsprognoses ten grondslag ligt, is plausibel voor 2019 en opvallend gunstig vanaf 2020. Dit houdt risico’s in voor de uitvoering van de tekortdoelstellingen. Tegelijkertijd zijn de maatregelen die nodig zijn om vanaf 2020 de geplande tekortdoelstellingen te ondersteunen, niet voldoende gespecificeerd.

(6)

Op 22 juni 2018 heeft de Raad overeenkomstig artikel 121, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie geconstateerd dat zich in 2017 in Hongarije een significante afwijking van het aanpassingstraject in de richting van de begrotingsdoelstelling op middellange termijn had voorgedaan. In het licht van de geconstateerde significante afwijking heeft de Raad op 22 juni 2018 een aanbeveling uitgebracht (6), waarin Hongarije werd aanbevolen de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de netto primaire overheidsuitgaven (7) nominaal niet zouden stijgen met meer dan 2,8 % in 2018, hetgeen overeenstemt met een jaarlijkse structurele aanpassing van 1,0 % van het bbp. Op 4 december 2018 heeft de Raad Besluit (EU) 2018/2028 (8) aangenomen, waarin werd geconstateerd dat Hongarije geen doeltreffende maatregelen had genomen om gevolg te geven aan de aanbeveling van de Raad van 22 juni 2018, en heeft hij een herziene aanbeveling aangenomen (9). In de aanbeveling van 4 december 2018 heeft de Raad Hongarije verzocht de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de netto primaire overheidsuitgaven in 2019 nominaal met niet meer dan 3,3 % stijgen, hetgeen overeenkomt met een jaarlijkse structurele aanpassing van 1,0 % van het bbp. Op 14 juni 2019 heeft de Raad Besluit (EU) 2019/1003 vastgesteld (10), waarin werd geconstateerd dat Hongarije geen doeltreffende maatregelen had genomen naar aanleiding van de aanbeveling van de Raad van 4 december 2018. Op basis van de begrotingsresultaten voor 2018 werd bovendien vastgesteld dat Hongarije in 2018 significant afweek van de aanbevolen aanpassing.

(7)

Overeenkomstig artikel 121, lid 4, van het Verdrag en artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad heeft de Commissie Hongarije op 5 juni 2019 gewaarschuwd dat in 2018 een significante afwijking van het aanpassingstraject naar de begrotingsdoelstelling op middellange termijn werd waargenomen. Op 14 juni 2019 heeft de Raad een daaruit volgende aanbeveling aangenomen (11) waarin wordt bevestigd dat Hongarije de nodige maatregelen moet nemen om ervoor te zorgen dat de netto primaire overheidsuitgaven in 2019 nominaal met niet meer dan 3,3 % stijgen, hetgeen overeenkomt met een jaarlijkse structurele aanpassing van 1,0 % van het bbp. Op basis van de voorjaarsprognose 2019 van de Commissie is er een risico dat in 2019 zal worden afgeweken van die aanbeveling.

(8)

In zijn aanbeveling van 14 juni 2019 heeft de Raad Hongarije aanbevolen de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de netto primaire overheidsuitgaven in 2020 nominaal met niet meer dan 4,7 % stijgen, hetgeen overeenkomt met een jaarlijkse structurele aanpassing van 0,75 % van het bbp. Dit zou Hongarije op een passend aanpassingstraject brengen in de richting van de begrotingsdoelstelling op middellange termijn. Op basis van de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie bestaat het risico dat er in 2020 van die aanbevolen aanpassing zal worden afgeweken. Over het geheel genomen is de Raad van mening dat vanaf 2019 belangrijke verdere maatregelen nodig zullen zijn om te voldoen aan de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact, overeenkomstig de aanbeveling van de Raad van 14 juni 2019 met het oog op de correctie van de vastgestelde significante afwijking van het aanpassingstraject in de richting van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting.

(9)

De totale arbeidsparticipatie is significant verbeterd in een periode van sterke economische groei, maar niet alle groepen hebben hiervan in dezelfde mate geprofiteerd. De kloof tussen mannen en vrouwen en tussen groepen met verschillende opleidingsprofielen op het gebied van werkgelegenheid en lonen blijft groter dan het Uniegemiddelde. Het verschil in arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen is groot, wat gedeeltelijk kan worden verklaard door een beperkte beschikbaarheid van kinderopvang van goede kwaliteit. Verschillende kwetsbare groepen, zoals Roma en personen met een handicap, hebben zwakke arbeidsmarktresultaten. Hoewel er minder deelnemers zijn aan het programma voor gemeenschapswerk, dat niet doeltreffend is om werkzoekenden aan banen te helpen op de primaire arbeidsmarkt, is het aantal deelnemers toch nog aanzienlijk. Andere beleidsmaatregelen om werklozen en inactieven weer aan het werk te helpen of een opleiding te laten volgen, zijn onvoldoende gericht. De ontwikkeling van digitale vaardigheden zou kunnen helpen om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Recente maatregelen moeten dienen om meer gepensioneerde arbeiders terug aan een baan te helpen en om het aantal van deze laatsten op lange termijn te doen toenemen. De algemene armoedesituatie van Hongarije evolueert sinds 2013 positief. De maximale duur van drie maanden voor werkloosheidsuitkeringen is de kortste in de Unie en ligt ver onder de gemiddelde tijd die nodig is om een baan te vinden.

(10)

Het percentage personen dat armoede en sociale uitsluiting riskeert, neemt af. Er heeft een duidelijke verschuiving plaatsgevonden van sociale uitkeringen naar aan werk gerelateerde gezinsuitkeringen en uitkeringen in natura, die echter onvoldoende afgestemd zijn op de armen. Hoewel subsidies voor eigenwoningbezit zijn uitgebreid, is het aanbod voor sociale huisvesting niet verbeterd.

(11)

De onderwijsresultaten liggen onder het Uniegemiddelde en vertonen sterke regionale ongelijkheden. Het aantal voortijdige schoolverlaters en het aantal diploma’s hoger onderwijs liggen respectievelijk boven en onder het Uniegemiddelde. Het onderwijssysteem belemmert de sociale mobiliteit. Leerlingen worden vroeg naar verschillende schooltypes gestuurd, wat leidt tot een grote kloof in de onderwijsresultaten en arbeidstrajecten. Het percentage lagere scholen met een meerderheid Romaleerlingen is van 10 % in 2008 gestegen tot 15 % in 2017. Het effect van de recente maatregelen met het oog op de gelijke spreiding van kansarme leerlingen over de scholen wordt beperkt door het feit dat het vrij onderwijs geen verplichting heeft om dergelijke leerlingen op te nemen. Kansarme kinderen zitten doorgaans geconcentreerd in middelbare scholen voor beroepsonderwijs, waar het niveau van de basisvaardigheden lager ligt, het uitvalpercentage hoger is en afgestudeerden geconfronteerd worden met lagere lonen en minder carrièremogelijkheden. De beperkte deelname van kansarme groepen, met name Roma, aan kwaliteitsonderwijs, is een gemiste kans om menselijk kapitaal op te bouwen. Het lerarentekort blijft ook problematisch. De lonen van leerkrachten zijn de afgelopen jaren wel gestegen maar zijn nog steeds relatief laag in vergelijking met andere afgestudeerden uit het hoger onderwijs. Het lage aantal studenten in het hoger onderwijs komt niet overeen met de grote vraag naar hooggekwalificeerde werknemers en de loonpremie van afgestudeerden uit het hoger onderwijs, die de hoogste is binnen de Unie. Hongaarse instellingen voor hoger onderwijs hebben de minste financiële autonomie in de Unie. Bovendien deed de wijziging van de wet op het hoger onderwijs van april 2017 verdere vragen rijzen over de academische vrijheid aangezien daarbij bijkomende vereisten werden vastgesteld voor internationale universiteiten die in Hongarije onderwijs willen aanbieden. In 2018 kondigde de op internationaal vlak meest gewaardeerde Hongaarse universiteit aan dat er plannen in de maak waren om het land te verlaten vanwege de onzekerheid over de regelgeving als gevolg van deze wetswijziging.

(12)

De gezondheidsresultaten lopen achter op die van de meeste andere lidstaten, als gevolg van ongezonde levensstijlen en de beperkte doeltreffendheid van de gezondheidszorg. Het tabaks- en alcoholgebruik en het aantal obesitasgevallen behoren tot de hoogste van de Unie. Hongaren lopen een van de grootste risico’s in de Unie op overlijden ten gevolge van slechte luchtkwaliteit. Het aantal vermijdbare sterfgevallen is een van de hoogste in de Unie, deels vanwege ontoereikende screening en eerstelijnszorgbeheer. Er zijn significante sociaal-economische verschillen in de toegang tot hoogwaardige zorg. De overheidsuitgaven voor gezondheidszorg liggen onder het Uniegemiddelde en burgers betalen vaak uit eigen zak om toegang te krijgen tot hoogwaardige zorg. Dat vergroot het risico op verdere verbreding van de sociaal-economische gezondheidskloof. Ziekenhuizen blijven in het systeem centraal staan en eerstelijnszorg is een zwak punt, met name op het vlak van de vroegtijdige opsporing en voorkoming van chronische ziekten. In armere gebieden belemmert het tekort aan medisch personeel, vooral huisartsen en verpleegkundigen, de toegang tot gezondheidszorg.

(13)

Investeren in onderzoek en innovatie zou de bescheiden innovatieprestaties van Hongarije kunnen verbeteren en de productiviteit doen toenemen. De geringe verwerving van intellectueel vermogen tekent zich af in het lage aantal aanvragen voor patenten, handelsmerken en ontwerpen, maar ook in het kleine aantal innovatieve bedrijven en de beperkte mate van internationalisering door kleine en middelgrote ondernemingen. Kleinere firma’s zijn bijzonder terughoudend op het vlak van innovatie, wat hun betrokkenheid in de mondiale waardeketen belemmert. O&O binnen de zakenwereld is beperkt tot enkele grote, meestal buitenlandse bedrijven en kan rekenen op genereuze overheidssteun. Door de samenwerking tussen de zakenwereld en wetenschap te ondersteunen zouden de innovatieprestaties en technologietransfer worden verbeterd. De kwaliteit van publieke wetenschap lijdt onder inefficiënt O&O-beleid en gebrek aan financiering. Overheidsuitgaven voor O&O liggen immers ver onder het Uniegemiddelde. Recente beleidsmaatregelen die gericht zijn op het schrappen van financiering en die de autonomie van academische en onderzoeksfora beperken, creëren een gevoel van onzekerheid binnen deze fora. Dat kan ertoe leiden dat de meest talentvolle onderzoekers het land verlaten en zo een aanhoudende daling in onderzoekskwaliteit teweegbrengen.

(14)

In kansarme gebieden werken slechte aansluitingen in het openbaar vervoer en hoge kosten van het woon-werkverkeer werkloosheid in de hand. Het wegen- en spoornet zijn in slechte staat, wat de mobiliteit belemmert en de reisveiligheid vermindert. Meer dan de helft van het wegennet is in slechte staat, in het bijzonder in de kansarme gebieden. Transportnetwerken zijn gecentreerd op Boedapest, terwijl de lokale netwerken en verbindingen die dwars door het land lopen, ondermaats zijn ontwikkeld. Filevorming is een groeiend probleem en belemmert de productiviteit in de stedelijke gebieden van Hongarije. Bovendien is de uitstoot van broeikasgassen door wegvervoer de laatste vijf jaar sterk toegenomen.

(15)

Efficiënt energiegebruik in woningen blijft een zwak punt. Het elektriciteitsnetwerk moet worden voorbereid op de steeds grotere rol van gedecentraliseerde, hernieuwbare elektriciteitsopwekking. De helft van het grondgebied van Hongarije is in significante mate blootgesteld aan de risico’s van de klimaatverandering, zoals droogte en overstromingen. Er zijn dus langs de belangrijkste rivieren investeringen vereist in waterbeheer. Luchtvervuiling en waterkwaliteit blijven problematisch. De voornaamste vervuilingsbronnen zijn de emissies afkomstig van stookinstallaties op vaste brandstoffen in woningen, van de landbouw en het vervoer. De kringloopeconomie zit nog in een beginfase, er wordt op gemeentelijk niveau weinig afval gerecycled en bestaande economische instrumenten volstaan niet om de milieuproblemen van Hongarije aan te pakken.

(16)

De voorkoming en vervolging van corruptie blijft zorgen baren. Volgens verschillende indicatoren is de blootstelling van Hongarije aan corruptie in de afgelopen jaren toegenomen. Corruptierisico’s en vriendjespolitiek verstoren de toewijzing van middelen, want die geraken niet tot bij de meest productieve bedrijven. De werking van het openbaar ministerie is van essentieel belang voor de bestrijding van corruptie. Er zijn met relatief succes maatregelen toegepast om corruptie op lage niveaus te bestrijden, maar er is nog geen teken van doelbewuste maatregelen om corruptie te vervolgen wanneer er ernstige beschuldigingen worden geuit aan het adres van hoge ambtenaren of hun directe kring. De verantwoordingsplicht voor beslissingen om onderzoeken af te sluiten is problematisch, want er bestaan geen doeltreffende maatregelen om zulke beslissingen te betwisten. De voorkoming van corruptie wordt verder belemmerd door de beperkingen die overheidsinstellingen opleggen, zoals de ontradende vergoedingen om toegang tot informatie te krijgen.

(17)

De onafhankelijkheid, efficiëntie en kwaliteit van de rechterlijke macht zijn essentieel om bedrijven aan te trekken en economische groei mogelijk te maken. Checks-and-balances zijn cruciaal om rechterlijke onafhankelijkheid te garanderen, maar lijken juist onder grotere druk te komen te staan binnen de gewone rechtbanken. De Nationale Raad voor Justitie staat voor steeds grotere uitdagingen om tegenwicht te bieden aan de macht van de voorzitter van de nationale gerechtelijke autoriteit. Er zijn vragen gerezen omtrent de gevolgen hiervan voor de rechterlijke onafhankelijkheid. Wat de wet op de administratieve rechtbanken betreft, werd er vastgesteld dat de regering op 30 mei 2019 een voorstel heeft ingediend tot intrekking van de wet op de inwerkingtreding en overgangsbepalingen van de wet op de administratieve rechtbanken.

(18)

Het kader voor overheidsopdrachten is de laatste jaren verbeterd, maar de mededinging krijgt nog steeds te maken met belemmeringen. Hieronder vallen procedures die niet geheel openbaar verlopen en systematische onregelmatigheden tijdens deze procedures, met name ontoereikende selectie- en contractcriteria en een ongelijke behandeling van de inschrijvers. Sommige indicatoren wijzen op verbeteringen, maar het aantal procedures met slechts één inschrijver is nog steeds hoog. Een effectief gebruik van elektronische aanbestedingsprocedures zou kunnen zorgen voor meer doeltreffendheid en transparantie.

(19)

De structuren en processen voor sociaal overleg blijven in Hongarije onvoldoende ontwikkeld en laten de sociale partners niet toe zinvol bij te dragen aan de vormgeving en de uitvoering van het beleid. De zwakke deelname van belanghebbenden en de beperkte transparantie ondermijnen de empirische onderbouwing en de kwaliteit van de beleidsvorming. Hierdoor wordt de regelgeving vaak en onvoorspelbaar aangepast, wat investeringen van een hoge toegevoegde waarde ontmoedigt.

(20)

Er zijn maatregelen genomen om het belastingstelsel te verbeteren, maar sommige problemen blijven voortbestaan. De belastingdruk op arbeid is verlaagd, maar blijft hoog voor arbeiders met lage inkomens. Sectorspecifieke belastingen en een grote hoeveelheid kleine belastingen maken het belastingstelsel ingewikkeld en verhogen de nalevingskosten, vooral voor kleinere bedrijven.

(21)

Belemmerende regelgeving en staatsinmenging in de productmarkten hinderen de selectie van efficiënte ondernemingen en beperken de mededinging. De autoriteiten blijven bepaalde diensten toevertrouwen aan staatsbedrijven of speciaal daartoe opgerichte privébedrijven. Bepaalde op maat gesneden wetgeving en maatregelen en ad-hocvrijstellingen van de mededingingsregels belemmeren het functioneren van de markt en staan investeringen in de weg. Een volgend probleem is de onvoorspelbaarheid van het rechtskader, met name in de detailhandel, die in de afgelopen jaren met frequente wijzigingen van de regelgeving te kampen had. Vorig jaar is er nieuwe wetgeving aangenomen die bepaalt dat een bijkomende, speciale vergunning vereist is om ruimten voor detailhandel anders te gebruiken of te herontwerpen. De regulering van beroepen blijft eveneens restrictief. Het gebrek aan mededinging in deze sectoren kan nadelige gevolgen hebben voor de innovatie en efficiëntie.

(22)

De strijd tegen agressieve fiscale planning is essentieel om belastingstelsels doeltreffender en billijker te maken. De overloopeffecten van agressieve fiscale planningsstrategieën van belastingplichtigen tussen de lidstaten vereisen een gecoördineerd optreden van het nationale beleid ter aanvulling van de Uniewetgeving. Hongarije heeft maatregelen genomen tegen agressieve fiscale planning, maar er worden ook betrekkelijk grote kapitaalin- en uitstromen vastgesteld, die plaatsvinden via voor bijzondere doelen opgerichte entiteiten. Dergelijke entiteiten hebben echter geen of een verwaarloosbaar effect op de reële economie. De afwezigheid van bronbelasting op uitgaande (d.w.z. van Unie-ingezetenen aan ingezetenen van derde landen) dividend-, rente- en royaltybetalingen door in Hongarije gevestigde bedrijven kan ertoe leiden dat over die betalingen in het geheel geen belasting wordt geheven indien daarover in de ontvangende jurisdictie evenmin belasting verschuldigd is.

(23)

De programmering van de Uniemiddelen voor de periode 2021-2027 zou kunnen bijdragen tot het aanpakken van een aantal van de in de aanbevelingen geconstateerde leemten, met name op de gebieden die worden behandeld in bijlage D bij het landverslag 2019. Dit zou Hongarije in de gelegenheid stellen optimaal gebruik te maken van deze middelen naargelang de geïdentificeerde sectoren, rekening houdend met regionale verschillen.

(24)

In de context van het Europees Semester 2019 heeft de Commissie een brede analyse van het economische beleid van Hongarije verricht. Die analyse is gepubliceerd in het landverslag 2019. Voorts heeft de Commissie het convergentieprogramma 2019 en het nationale hervormingsprogramma 2019 doorgelicht en onderzocht welk gevolg is gegeven aan de aanbevelingen die in eerdere jaren tot Hongarije zijn gericht. Daarbij heeft de Commissie niet alleen gekeken naar de relevantie ervan voor een houdbaar begrotings- en sociaal-economisch beleid in Hongarije, maar is zij ook nagegaan of de Unieregels en -richtsnoeren in acht zijn genomen, gezien de noodzaak de algehele economische governance van de Unie te versterken door middel van een inbreng op Unieniveau in toekomstige nationale besluiten.

(25)

In het licht van deze beoordeling heeft de Raad het convergentieprogramma 2019 onderzocht en zijn advies daarover (12) is met name in de onderstaande aanbeveling 1 weergegeven,

BEVEELT AAN dat Hongarije in 2019 en 2020 de volgende acties onderneemt:

1.   

Voldoen aan de aanbeveling van de Raad van 14 juni 2019 met het oog op de correctie van de vastgestelde significante afwijking van het aanpassingstraject in de richting van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting.

2.   

De integratie van de meest kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt voortzetten, met name door bijscholing en door de toereikendheid van sociale bijstand en werkloosheidsuitkeringen te verbeteren. De onderwijsresultaten verbeteren en de participatie van kansarme groepen, met name Roma, aan kwaliteitsvol regulier onderwijs verhogen. De gezondheidsresultaten verbeteren door preventieve maatregelen op het gebied van gezondheid te ondersteunen en eerstelijnszorg te versterken.

3.   

Het investeringsgerelateerd economisch beleid richten op onderzoek en innovatie, koolstofarm energiegebruik, vervoersinfrastructuur, afvalbeheer, en hulpbronnen- en energie-efficiëntie, rekening houdend met regionale verschillen. De mededinging bevorderen bij aanbestedingsprocedures.

4.   

Het kader ter bestrijding van corruptie versterken, met name door de inspanningen van het openbaar ministerie te bevorderen, de toegang tot openbare informatie te vergemakkelijken, en de rechterlijke onafhankelijkheid te versterken. De kwaliteit en de transparantie van het besluitvormingsproces verbeteren door doeltreffend sociaal overleg en betrokkenheid van andere belanghebbenden en door periodieke, passende effectbeoordelingen. Het belastingstelsel verder vereenvoudigen en het tegelijkertijd wapenen tegen het risico op agressieve fiscale planning. De mededinging en de voorspelbaarheid van de regelgeving versterken in de dienstensector.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LINTILÄ


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25).

(3)  PB C 320 van 10.9.2018, blz. 72.

(4)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(5)  Conjunctuurgezuiverd begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, herberekend door de Commissie volgens de gezamenlijk overeengekomen methode.

(6)  Aanbeveling van de Raad van 22 juni 2018 met het oog op de correctie van de vastgestelde significante afwijking van het aanpassingstraject in de richting van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting in Hongarije (PB C 223 van 27.6.2018, blz. 1).

(7)  De netto primaire overheidsuitgaven bestaan uit de totale overheidsuitgaven exclusief rente-uitgaven, uitgaven in het kader van programma’s van de Unie die volledig met inkomsten uit Uniefondsen worden gefinancierd en niet-discretionaire veranderingen in de uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen. Nationaal gefinancierde bruto-investeringen in vaste activa worden gespreid over een periode van vier jaar. Er wordt rekening gehouden met discretionaire inkomstenmaatregelen of bij wet verplicht gestelde inkomstenstijgingen. Eenmalige maatregelen aan zowel de inkomsten- als de uitgavenzijde worden uitgevlakt.

(8)  Besluit (EU) 2018/2028 van de Raad van 4 december 2018 waarbij wordt vastgesteld dat Hongarije geen doeltreffende maatregelen heeft genomen naar aanleiding van de aanbeveling van de Raad van 22 juni 2018 (PB L 325 van 20.12.2018, blz. 29).

(9)  Aanbeveling van de Raad van 4 december 2018 met het oog op de correctie van de vastgestelde significante afwijking van het aanpassingstraject in de richting van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting in Hongarije (PB C 460 van 21.12.2018, blz. 4).

(10)  Besluit (EU) 2019/1003 van de Raad van 14 juni 2019 waarbij wordt vastgesteld dat Hongarije geen doeltreffende maatregelen heeft genomen naar aanleiding van de aanbeveling van de Raad van 4 december 2018 (PB L 163 van 20.6.2019, blz. 64).

(11)  Aanbeveling van de Raad van 14 juni 2019 met het oog op de correctie van de vastgestelde significante afwijking van het aanpassingstraject in de richting van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting in Hongarije (PB C 210 van 21.6.2019, blz. 4).

(12)  Op grond van artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97.


5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 301/107


AANBEVELING VAN DE RAAD

van 9 juli 2019

over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Malta en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Malta

(2019/C 301/18)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (1), en met name artikel 5, lid 2,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 21 november 2018 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse groeianalyse en daarmee de aanzet gegeven tot het Europees Semester 2019 voor coördinatie van het economisch beleid. Daarin wordt terdege rekening gehouden met de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie werd geproclameerd. De prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse zijn op 21 maart 2019 door de Europese Raad bekrachtigd. Op 21 november 2018 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad (2) ook het waarschuwingsmechanismeverslag aangenomen, waarin zij Malta niet heeft genoemd als een van de lidstaten die aan een diepgaande evaluatie zullen worden onderworpen. Tevens heeft de Commissie op die datum een aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone aangenomen, die op 21 maart 2019 door de Europese Raad is bekrachtigd. Op 9 april 2019 heeft de Raad de aanbeveling over het economisch beleid van de eurozone (3) (“aanbeveling voor 2019 voor de eurozone”) aangenomen, die vijf aanbevelingen voor de eurozone (“de aanbevelingen voor de eurozone”) bevat.

(2)

Als lidstaat die de euro als munt heeft en in het licht van de grote onderlinge verwevenheid tussen de economieën van de economische en monetaire unie zou Malta ervoor moeten zorgen dat volledig en tijdig uitvoering wordt gegeven aan de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone, die wordt weergegeven in de aanbevelingen 2 en 3 hieronder. Met name een op de genoemde gebieden gericht economisch investeringsbeleid en belastingmaatregelen zullen bijdragen tot het uitvoeren van de tweede aanbeveling voor de eurozone inzake het ondersteunen van investeringen en het bestrijden van agressieve fiscale planning.

(3)

Op 27 februari 2019 is het landverslag 2019 voor Malta gepubliceerd. Daarin werd de vooruitgang beoordeeld die Malta bij het opvolgen van de op 13 juli 2018 door de Raad aangenomen landspecifieke aanbevelingen (4) heeft gemaakt, alsmede het gevolg dat is gegeven aan de landspecifieke aanbevelingen die in de jaren voordien werden aangenomen, en de vooruitgang die Malta bij het nastreven van zijn nationale Europa 2020-doelstellingen heeft geboekt.

(4)

Malta heeft zijn nationaal hervormingsprogramma 2019 ingediend op 16 april 2019 en zijn stabiliteitsprogramma 2019 op 30 april 2019. Om met de onderlinge verbanden tussen beide programma’s rekening te houden, zijn deze tegelijkertijd geëvalueerd.

(5)

De betrokken landspecifieke aanbevelingen zijn meegenomen in de programmering voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) voor de periode 2014-2020. Op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) kan de Commissie een lidstaat verzoeken zijn partnerschapsovereenkomst en de desbetreffende programma’s opnieuw te bezien en wijzigingen daarop voorstellen indien dit nodig is om de uitvoering van de betrokken aanbevelingen van de Raad te ondersteunen. De Commissie heeft in richtsnoeren met betrekking tot de toepassing van de maatregelen die de effectiviteit van de ESI-fondsen koppelen aan gezonde economische governance, nader aangegeven hoe zij van die bepaling gebruik zal maken.

(6)

Malta valt momenteel onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact. In haar stabiliteitsprogramma 2019 gaat de regering ervan uit dat het nominale overschot terugloopt van 2 % van het bruto binnenlands product (bbp) in 2018 naar 0,9 % van het bbp in 2019, gevolgd door een marginale stijging ervan tot 1,0 % van het bbp in 2020 en 1,1 % van het bbp in 2021 en 2022. Op basis van het herberekende structurele saldo (6) wordt de middellangetermijndoelstelling voor de begroting, die is vastgesteld op een structureel begrotingsevenwicht, in de gehele programmaperiode overtroffen. Volgens het stabiliteitsprogramma blijft de overheidsschuldquote onder de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 60 % van het bbp en loopt deze geleidelijk terug van 46 % van het bbp in 2018 naar rond de 33 % in 2022. Het macro-economische scenario dat aan die begrotingsprognoses ten grondslag ligt, is plausibel. Volgens de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie zal het structurele saldo naar verwachting een overschot vertonen van 0,6 % van het bbp in 2019 en 0,8 % van het bbp in 2020, wat hoger is dan de begrotingsdoelstelling op middellange termijn. Al met al is de Raad van oordeel dat Malta in 2019 en 2020 naar verwachting aan de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact zal voldoen. Tegelijk zouden op korte en middellange termijn de ontwikkelingen aan de uitgavenzijde zorgvuldig in het oog moeten worden gehouden, met name gezien de mogelijke toekomstige risico’s voor de duurzaamheid van de inkomsten.

(7)

De stijging van de leeftijdsgerelateerde uitgaven vormt een risico voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn. Naar verwachting zullen de leeftijdsgerelateerde overheidsuitgaven aan pensioenen en gezondheidszorg significant stijgen in vergelijking met andere lidstaten, zodat er gevaar bestaat dat de schuld op lange termijn gaat stijgen. Diverse maatregelen moeten de adequatie van pensioenen ook bevorderen door een versterking van de prikkels voor particulier pensioensparen en vrijwillige bedrijfspensioenregelingen. Dankzij de lopende inspanningen is het arbeidsaanbod toegenomen en het werkzame leven verlengd, met positieve gevolgen voor de werkgelegenheid onder vrouwen en oudere werknemers. In 2018 heeft de regering aanpassingen doorgevoerd met betrekking tot bijdragen die na de pensioengerechtigde leeftijd worden betaald: zelfstandigen en parttime werkende gepensioneerden die nog geen 65 jaar oud zijn, betalen een bijdrage naar rato van hun inkomsten, waarmee langer doorwerken wordt gestimuleerd. Het is echter de bedoeling dat de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd, die geleidelijk wordt opgetrokken van 63 jaar nu naar 65 jaar, na 2027 ongewijzigd blijft, ondanks een verwachte verdere stijging van de levensverwachting. De pensioenstrategiegroep die in 2018 is opgericht, zal naar verwachting uiterlijk in december 2020 een verslag publiceren met aanbevelingen om de adequatie en houdbaarheid van het pensioenstelsel te verbeteren. Wat de gezondheidszorg betreft, worden momenteel maatregelen doorgevoerd om diensten te decentraliseren van ziekenhuizen naar primaire zorg en om de langdurige zorg te verbeteren. De huidige plannen om de ambulante-zorgcapaciteit van overheidsziekenhuizen uit te breiden, kunnen helpen om de lange wachttijden bij bepaalde specialismen terug te dringen. Andere maatregelen om onnodige verwijzingen naar specialisten terug te dringen en oneigenlijk gebruikte spoedeisende hulp om te buigen naar ambulante zorg, zijn echter nog niet ten volle benut, waardoor de efficiëntie van het systeem nog niet kon worden verbeterd. Een nieuw concept van zorgcentra en investeringen in een geleidelijke uitbreiding van het gebruik van elektronische zorg zijn bedoeld om diensten te decentraliseren van ziekenhuizen naar primaire zorg. In 2017-2018 zijn als gevolg van de groeiende vraag naar langdurige zorg nieuwe soorten mantel- en thuiszorg ingevoerd. Ondanks het potentieel ervan moet het effect van de pensioen- en de zorgmaatregelen op de houdbaarheid van de begroting nog zichtbaar worden.

(8)

In het afgelopen decennium heeft er in Malta een duidelijke verschuiving plaatsgevonden naar de dienstensector, waarbij sterke nadruk is komen te liggen op internationaal gerichte sectoren als financiële dienstverlening, toerisme en kansspelen op afstand. De uitbreiding van de dienstensector heeft de economische groei opgejaagd en geleid tot een groot overschot op de lopende rekening. Tegelijk vormt de steeds grotere afhankelijkheid van sectoren die gevoelig worden geacht voor financiële-integriteitsrisico’s, een uitdaging voor het governancekader en een belasting voor de toezichts- en handhavingscapaciteit. Met name is vanwege de omvang van de financiële en de kansspelsector en de inspanningen om cryptovaluta-exploitanten aan te trekken, een doeltreffende handhaving vereist op het gebied van de bestrijding van het witwassen van geld. Positieve stappen in dit verband zijn de recente verhoging van de personele en budgettaire middelen van de eenheid voor de analyse van financiële inlichtingen, alsmede de versterking van haar procedures en processen. Governancetekortkomingen in met name de corruptiebestrijding kunnen ook schadelijk zijn voor het ondernemingsklimaat en de investeringen. Met name bestaat op diverse overheidsniveaus het gevaar van belangenconflicten. Voorts is de politie-eenheid voor economische delicten thans onderbezet. In dit verband moet een verstevigd wetgevingskader gekoppeld worden aan een tijdige en grondige implementatie ervan. Om Malta aantrekkelijk te houden en de economie te beschermen tegen reputatierisico’s, is het van wezenlijk belang dat het governancekader wordt verbeterd en op doeltreffende wijze wordt toegepast.

(9)

De verzekeringssector staat bloot aan het gevaar van passief toezicht, terwijl samenwerking tussen binnenlandse en externe toezichthouders van essentieel belang is. In tegenstelling tot de bancaire sector wordt het toezicht op dochterondernemingen in de verzekeringssector uitgeoefend door de lidstaat van herkomst. Met andere woorden, verzekeraars die in Malta geregistreerd staan en activiteiten uitoefenen in andere landen, staan onder rechtstreeks toezicht van de Maltese regelgever. De toezichtscapaciteit is echter nog niet voldoende versterkt. Daarnaast is vanwege de complexiteit van verzekeringsbedrijfsmodellen en -producten, in combinatie met een sterkere gerichtheid op het opzetten en uitbreiden van bijzondere verzekeringsvehikels, een strak toezicht noodzakelijk.

(10)

De hervormingen om de onafhankelijkheid van het gerechtelijk apparaat en justitie te verbeteren, zijn gaande. Daarbij gaat het met name om het opzetten van een nieuwe vervolgingsinstantie die onafhankelijk is van de procureur-generaal en de politie, zoals ook door de Commissie voor democratie middels het recht (de Commissie van Venetië) van de Raad van Europa is aanbevolen in een in december 2018 uitgebracht advies over Malta. Bovendien is een verstevigd governancekader met een doeltreffende rechtshandhaving en corruptiebestrijding onontbeerlijk om ten volle te kunnen profiteren van investeringen.

(11)

Het percentage innovatieve ondernemingen blijft nog achter. De onderzoek- en innovatieprestaties moeten door middel van slimme specialisatie worden verhoogd zodat deze kunnen bijdragen aan de productiviteitsgroei. Malta heeft nog geen coherente brede langetermijnstrategie voor het concurrentievermogen geformuleerd die de binnenlandse economie moet opschuiven in de waardeketen. Gezien Malta’s specialisatie in snelgroeiende diensten en gezien zijn aspiraties op het gebied van blockchaintechnologie is het van cruciaal belang dat nog meer wordt geïnvesteerd in administratieve en toezichtscapaciteit. Daarnaast is het voor het verhogen van de innovatieprestaties van Malta noodzakelijk dat verder wordt geïnvesteerd in immateriële activa, zoals onderzoek en ontwikkeling (O & O), dat tekorten en lacunes in vaardigheden worden aangepakt en dat de banden tussen de wetenschapswereld en het bedrijfsleven worden aangehaald, dat alles binnen een doeltreffendere governance van het onderzoek- en innovatiesysteem.

(12)

Malta moet de omschakeling naar een duurzamere en hulpbronefficiëntere economie bevorderen, bijvoorbeeld door te investeren in het nog niet aangeboorde potentieel van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, de waterbeheercyclus, afvalbeheer, de aanpak van de stijgende uitstoot van airconditioning, klimaatactie en duurzame mobiliteit waarbij de uitstoot van het wegvervoer wordt ingedamd. Door de beperkte vervoers- en pendelalternatieven voor de auto en door het hoge autobezit blijft verkeerscongestie een groot knelpunt en is dit een van de zwakste aspecten van het Maltese ondernemingsklimaat. Bovendien is de uitstoot van broeikasgassen door het wegvervoer de afgelopen vijf jaar toegenomen. Het aandeel hernieuwbare energie in de energiemix is in 2017 gestegen tot 7,2 %, iets boven het percentage van 6,5 % in het indicatieve traject voor 2017/2018. Malta’s eindverbruik van energie neemt echter gestaag toe. Op korte termijn zijn verdere investeringen in de verschillende sectoren nodig om de nationale streefcijfers voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie in 2020 te halen. Er zouden maatregelen op het gebied van de financiering of ondersteuning van (O & O) moeten worden getroffen die gericht zijn op de ontwikkeling van nieuwe of verbeterde technologieën voor de aanpak van milieu- en klimaatverandering. De sociale en milieukosten van de hausse op de huizenmarkt moeten nauwlettender in het oog worden gehouden. Er zouden circulaire economische principes moeten gelden voor de afvoer van bouwafval om de gevolgen ervan voor het milieu te beperken. De economische en sociale gevolgen van de stijging van de huisvestingskosten vragen om aandacht.

(13)

De werkgelegenheid ligt in Malta boven het gemiddelde van de Unie en vertoont nog steeds een stijgende lijn. Op dit gebied zou speciale aandacht kunnen uitgaan naar mensen met een handicap. Het land kent nog steeds de grootste werkgelegenheidskloof tussen de seksen in de Unie, en de arbeidsmarktdeelname loopt bij vrouwen ouder dan 40 sterk terug, hetgeen voornamelijk is toe te schrijven aan zorgtaken. Meer arbeidsmarktsteun voor informele verzorgers zonder werk kan deze kloof verkleinen. Door het steeds grotere beroep op buitenlandse arbeidskrachten om tekorten aan arbeidskrachten en vaardigheden op te vangen, ontstaan sociale en houdbaarheidsproblemen. Beleidsinitiatieven op het gebied van de arbeidsmarkt, vaardigheden en sociale inclusie kunnen gebaat zijn bij een betere monitoring en evaluatie van de situatie.

(14)

Malta investeert relatief veel geld in onderwijs en opleiding, maar dit komt nog niet tot uiting in betere resultaten voor iedereen, hoewel de algemene participatie en opleidingsniveaus zijn toegenomen. Het zou goed zijn voor de investeringsstrategie als deze sterker zou worden gericht op het wegwerken van sociale achterstanden; dit zou stroken met het in de Europese pijler van sociale rechten vastgelegde beginsel van hoogwaardig en inclusief onderwijs. De maatregelen van de laatste tien jaar hebben geleid tot een terugdringing van het percentage voortijdige schoolverlaters, maar dit percentage is nog steeds een van de hoogste in de Unie. Recente maatregelen zijn er ook op gericht om het tertiair onderwijs inclusiever te maken, maar het percentage afgestudeerden op dit niveau blijft onder het Uniegemiddelde en resulteert in knelpunten op het gebied van vaardigheden. De deelname aan het volwassenenonderwijs vertoont een stijgende lijn, maar is nog gering onder laagopgeleiden en inactieven.

(15)

De bestrijding van agressieve fiscale planning is van essentieel belang bij het efficiënter en eerlijker maken van de belastingstelsels, zoals wordt erkend in de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone. De overloopeffecten van agressieve fiscale planningsstrategieën van belastingplichtigen tussen de lidstaten vereisen een gecoördineerd optreden van het nationale beleid ter aanvulling van de Uniewetgeving. Malta heeft maatregelen genomen tegen agressieve fiscale planning, maar de hoge royalty- en dividendbetalingen als percentage van het bbp wijzen erop dat bedrijven de Maltese belastingregels misschien gebruiken voor agressieve fiscale planning. De inhoudingsvrijstelling op uitgaande (d.w.z. van inwoners van de Unie aan inwoners van derde landen overgemaakte) betalingen van dividend, rente en royalty’s door op Malta gevestigde bedrijven kan ertoe leiden dat over die betalingen in het geheel geen belasting wordt geheven indien daarover in het ontvangende land evenmin belasting verschuldigd is. Hoewel Malta’s regeling voor notionele renteaftrek zal leiden tot een minder ongelijke behandeling van vreemd en eigen vermogen, moeten de antimisbruikvoorschriften van de regeling in combinatie met een genereus tarief en een op aandelen gebaseerde regeling nauwlettend worden gemonitord om misbruik ervan voor een agressieve fiscale planning te voorkomen. Hoewel het Maltese programma voor individuele investeerders en het Maltese verblijfs- en visaprogramma geen automatisch verblijf toestaan voor fiscale doeleinden kunnen, indien aan bepaalde eisen is voldaan, inkomsten worden vrijgesteld in het kader van de niet-domicilieregeling zonder dat er een substantiële fysieke aanwezigheid vereist is, mits die inkomsten niet naar Malta zijn overgemaakt. Deze programma’s kunnen agressieve praktijken op het gebied van fiscale planning faciliteren en zijn door de OESO aangemerkt als programma’s met een potentieel hoog risico om te worden misbruikt in de zin dat de automatische uitwisseling van informatie over financiële rekeningen ermee kan worden omzeild.

(16)

De programmering van de Uniemiddelen voor de periode 2021-2027 zou kunnen bijdragen tot het aanpakken van een aantal van de in de aanbevelingen geconstateerde leemten, met name op de gebieden die worden behandeld in bijlage D bij het landverslag 2019. Aldus zou Malta voor de genoemde sectoren optimaal kunnen profiteren van die middelen.

(17)

In de context van het Europees Semester 2019 heeft de Commissie een brede analyse van het economisch beleid van Malta verricht. Die analyse is gepubliceerd in het landverslag 2019. Voorts heeft de Commissie zowel het stabiliteitsprogramma 2019 als het nationale hervormingsprogramma 2019 doorgelicht en onderzocht welk gevolg is gegeven aan de aanbevelingen die in eerdere jaren tot Malta zijn gericht. Daarbij heeft de Commissie niet alleen gekeken naar de relevantie ervan voor een houdbaar begrotings- en sociaal-economisch beleid in Malta, maar is zij ook nagegaan of de Unieregels en -richtsnoeren in acht zijn genomen, gezien de noodzaak de algehele economische governance van de Unie te versterken door middel van een inbreng op Unieniveau in toekomstige nationale besluiten.

(18)

In het licht van deze beoordeling heeft de Raad het stabiliteitsprogramma 2019 onderzocht en is hij van mening (7) dat Malta naar verwachting aan het stabiliteits- en groeipact zal voldoen,

BEVEELT AAN dat Malta in 2019 en 2020 de volgende actie onderneemt:

1.   

Waarborgen van de budgettaire houdbaarheid van de gezondheidszorg en het pensioenstelsel, onder meer door vervroegde uittreding te beperken en de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd aan te passen gezien de verwachte langere levensverwachting.

2.   

Aanpakken van kenmerken van het belastingstelsel die een agressieve fiscale planning door particulieren en multinationals, met name door middel van uitgaande betalingen, in de hand kunnen werken. Versterken van het algehele governancekader, onder meer door de inspanningen om corruptie op te sporen en te vervolgen, voort te zetten. Continueren van de vooruitgang die wordt geboekt bij de versterking van het kader voor de bestrijding van het witwassen van geld, en met name op handhavingsgebied. Versterken van de onafhankelijkheid van het gerechtelijk apparaat, en met name van de waarborgen voor gerechtelijke benoemingen en ontslagen, en opzetten van een aparte vervolgingsinstantie.

3.   

Richten van het economisch investeringsbeleid op onderzoek en innovatie, op het beheer van natuurlijke hulpbronnen, op hulpbronnen- en energie-efficiëntie, op duurzaam vervoer, op het terugdringen van verkeerscongestie en op inclusief onderwijs en inclusieve opleiding.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LINTILÄ


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25).

(3)  PB C 136 van 12.4.2019, blz. 1.

(4)  PB C 320 van 10.9.2018, blz. 76.

(5)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(6)  Conjunctuurgezuiverd begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, herberekend door de Commissie volgens de gezamenlijk overeengekomen methode.

(7)  Op grond van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97.


5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 301/112


AANBEVELING VAN DE RAAD

van 9 juli 2019

over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Nederland en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Nederland

(2019/C 301/19)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (1), en met name artikel 5, lid 2,

Gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (2), en met name artikel 6, lid 1,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 21 november 2018 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse groeianalyse en daarmee de aanzet gegeven tot het Europees Semester 2019 voor coördinatie van het economisch beleid. Daarin wordt terdege rekening gehouden met de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie werd geproclameerd. De prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse zijn op 21 maart 2019 door de Europese Raad bekrachtigd. Op 21 november 2018 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 ook het waarschuwingsmechanismeverslag aangenomen, waarin zij Nederland heeft genoemd als een van de lidstaten die aan een diepgaande evaluatie zouden worden onderworpen. Tevens heeft de Commissie op die datum een aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone aangenomen, die op 21 maart 2019 door de Europese Raad is bekrachtigd. Op 9 april 2019 heeft de Raad de aanbeveling over het economisch beleid van de eurozone (3) (“aanbeveling voor 2019 voor de eurozone”) aangenomen, die vijf aanbevelingen voor de eurozone (“de aanbevelingen voor de eurozone”) bevat.

(2)

Als lidstaat die de euro als munt heeft en in het licht van de grote onderlinge verwevenheid tussen de economieën van de economische en monetaire unie, dient Nederland ervoor te zorgen dat volledig en tijdig uitvoering wordt gegeven aan de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone, zoals in de onderstaande aanbevelingen 1 en 3 is weergegeven. Investeringsmaatregelen en maatregelen ter ondersteuning van loongroei zullen helpen gevolg te geven aan de eerste aanbeveling voor de eurozone inzake herbalancering binnen de eurozone, belastingmaatregelen zullen helpen gevolg te geven aan de tweede aanbeveling voor de eurozone inzake de strijd tegen agressieve fiscale planning, en vermindering van de bevoordeling van schulden van huishoudens zal helpen gevolg te geven aan de vierde aanbeveling voor de eurozone inzake vermindering van de fiscale bevoordeling van schulden.

(3)

Op 27 februari 2019 is het landverslag 2019 voor Nederland gepubliceerd. Daarin werd de vooruitgang beoordeeld die Nederland bij de uitvoering van de op 13 juli 2018 door de Raad aangenomen landspecifieke aanbevelingen (4) heeft gemaakt, alsmede het gevolg dat is gegeven aan de landspecifieke aanbevelingen die in eerdere jaren werden aangenomen, en de vooruitgang die Nederland bij het nastreven van zijn nationale Europa 2020-doelstellingen heeft geboekt. Het landverslag bevatte ook een op grond van artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 uitgevoerde diepgaande evaluatie, waarvan de uitkomsten ook op 27 februari 2019 zijn bekendgemaakt. Op basis van haar analyse concludeert de Commissie dat Nederland macro-economische onevenwichtigheden ondervindt. Met name de hoge particuliere schuld en het grote overschot op de lopende rekening vormen oorzaken van onevenwichtigheden met grensoverschrijdende relevantie. Ondersteund door de economische groei is de particuliere schuldquote een neerwaartse trend blijven volgen, zowel voor ondernemingen als huishoudens, maar het niveau blijft hoog. De nominale schuld van de huishoudens neemt niettemin langzaam toe als gevolg van de stijgende huizenprijzen.

(4)

Op 29 april 2019 heeft Nederland zijn nationale hervormingsprogramma 2019 en zijn stabiliteitsprogramma 2019 ingediend. Om met de onderlinge verbanden tussen beide programma’s rekening te houden, zijn deze tegelijkertijd geëvalueerd.

(5)

De betrokken landspecifieke aanbevelingen zijn meegenomen in de programmering voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (“ESI-fondsen”) voor de periode 2014-2020. Op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) kan de Commissie een lidstaat verzoeken zijn partnerschapsovereenkomst en de desbetreffende programma’s te herzien en wijzigingen daarop voor te stellen, indien dit nodig is om de uitvoering van de betrokken aanbevelingen van de Raad te ondersteunen. De Commissie heeft in richtsnoeren met betrekking tot de toepassing van de maatregelen die de effectiviteit van de ESI-fondsen koppelen aan gezonde economische governance, nader aangegeven hoe zij van die bepaling zou gebruikmaken.

(6)

Nederland valt momenteel onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact. In zijn stabiliteitsprogramma 2019 gaat het Nederlandse kabinet uit van een daling van het overheidsoverschot van 1,5 % van het bruto binnenlands product (bbp) in 2018 naar 0,0 % van het bbp in 2022. Op basis van het herberekende structurele saldo (6) zal de begrotingsdoelstelling op middellange termijn — een structureel tekort van 0,5 % van het bbp — gedurende de hele programmaperiode worden overtroffen. Volgens het stabiliteitsprogramma 2019 zal de overheidsschuldquote dalen van 52,4 % van het bbp in 2018 tot 44,6 % van het bbp in 2022. Het macro-economische scenario dat aan die begrotingsprognoses ten grondslag ligt, is plausibel. Volgens de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie daalt het structurele saldo van een overschot van 0,8 % van het bbp in 2018 naar 0,7 % van het bbp in 2019 en 0,2 % van het bbp in 2020, waarmee het boven de begrotingsdoelstelling op middellange termijn blijft. De overheidsschuld blijft sterk dalen. Al met al is de Raad van oordeel dat Nederland in 2019 en 2020 naar verwachting aan de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact zal voldoen. Tegelijkertijd zou het dienstig zijn om, met inachtneming van de begrotingsdoelstelling op middellange termijn, het begrotings- en structuurbeleid te gebruiken om een opwaartse trend van de investeringen te steunen.

(7)

De verwachte stijging van de overheidsuitgaven voor langdurige zorg wijst op middelgrote risico’s voor de houdbaarheid van de begroting op lange termijn. In 2015 heeft het kabinet een groot deel van de langdurige zorg naar de gemeenten overgeheveld om de efficiëntie ervan te verbeteren en de overheidsuitgaven te verminderen. Het effect van deze hervorming op de houdbaarheid van de begroting moet worden gemonitord.

(8)

Per november 2018 zijn de middelen van het depositogarantiefonds, een onafhankelijke juridische entiteit, van een aparte rekening bij De Nederlandsche Bank naar een rekening bij de schatkist overgeheveld. Het Nederlandse depositogarantiefonds werd geleidelijk opgebouwd en omvatte ongeveer 1 miljard EUR, waarbij tot 2024 door banken nog eens 4 miljard EUR zou worden ingelegd. Deze middelen hadden overeenkomstig Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad (7) (de richtlijn depositogarantiestelsels) moeten worden belegd in een gediversifieerde portefeuille van activa met een laag risico. De overheveling van de rekening van het fonds vermindert de brutoschuld, maar heeft geen gevolgen voor het overheidstekort. Na de overheveling zal de schatkist deze middelen kunnen gebruiken voor de financiering van overheidsuitgaven, maar als het fonds overeenkomstig zijn wettelijke mandaat depositohouders moet vergoeden of interventies moet financieren, moet de schatkist de middelen beschikbaar stellen, met mogelijke gevolgen voor de financiële stabiliteit.

(9)

Nederlandse huishoudens combineren omvangrijke niet-liquide activa in de vorm van een eigen woning en pensioenvermogen met een hoge schuld. Lange balansen maken huishoudens kwetsbaar voor financiële en economische schokken. De hoge schuld van huishoudens wordt verklaard door het genereuze belastingvoordeel voor hypotheekrentebetalingen, maar ook door het ontbreken van een goed functionerend middensegment op de huurmarkt en hoge verplichte pensioenbesparingen. Een belangrijke uitdaging in de aanpak van de hoge schuld van huishoudens ligt op de huizenmarkt, waar in de afgelopen tientallen jaren starheden en verstorende prikkels zijn ontstaan die hun stempel hebben gedrukt op de woningfinancierings- en sectorale besparingspatronen. Sinds 2012 is een reeks maatregelen ten uitvoer gelegd die daar gedeeltelijk iets tegen doen. De aangekondigde versnelde afbouw van de hypotheekrenteaftrek is in wetgeving omgezet en zal in 2020 ingaan. Desondanks blijft het belastingvoordeel voor hypotheekbetalingen genereus en blijft het leiden tot een aanzienlijke bevoordeling van schulden van huishoudens. Tegelijkertijd is de particuliere huurmarkt, het enige niet-gesubsidieerde segment, nog steeds onderontwikkeld (13 % van de totale woningvoorraad). Door het gebrek aan een goed functionerend middensegment op de huurmarkt worden huishoudens ertoe aangezet eerder een woning te kopen dan te huren, wat leidt tot hoge schuld/inkomen-ratio’s en financiële kwetsbaarheid.

(10)

Terwijl het pensioenstelsel goed presteert qua toereikendheid van de pensioenen en budgettaire houdbaarheid, heeft het onvolkomenheden op het gebied van intergenerationele billijkheid, transparantie over pensioenrechten en flexibiliteit. Bovendien zijn de pensioenpremies hoog en fluctueren deze naargelang van de door de pensioenfondsen behaalde resultaten. Dat kan een procyclisch effect hebben op de bestedingen van huishoudens. Een hervorming van het pensioenstelsel zou over de hele levenscyclus kunnen leiden tot lagere verplichte pensioenpremies en een stabielere consumptie (of “afvlakking van de consumptiecurve”). Het kabinet wil de tweede pensioenpijler ingrijpend hervormen om tot een betere dekking en een transparanter, flexibeler en actuarieel billijker stelsel te komen. Een gelijktijdige hervorming van de gevestigde huizenmarktpraktijk en het pensioenstelsel kan de balansen van huishoudens verkorten en de huishoudens minder kwetsbaar maken voor financiële en economische schokken, wat een gunstig effect zou hebben op de macro-economische veerkracht en de economische groei.

(11)

Ondanks de lage werkloosheid, het grote aantal vacatures en het groeiende tekort aan werknemers is de nominale loongroei tot dusver bescheiden gebleven (1,1 % in 2017 en 2,4 % in 2018). De cao-lonen zijn in 2018 gemiddeld met 2,1 % gestegen, terwijl de overheidslonen sneller zijn gestegen (met 3 % in het tweede halfjaar van 2018). Voorts zijn loonovereenkomsten gesloten die voor alle rijksambtenaren een nominale stijging met 7 % over twee jaar inhouden. Er is meer geld uitgetrokken voor het verhogen van de salarissen van leerkrachten in het basisonderwijs. Daarnaast heeft het kabinet diverse begrotingsmaatregelen vastgesteld om de fiscale druk op arbeid te verlagen en het netto beschikbare inkomen van werkenden te verhogen. Een verdere verbetering van het beschikbare inkomen door de voorwaarden te versterken die bevorderlijk zijn voor de loongroei, alsmede een hervorming van de tweede pijler van het pensioenstelsel om het transparanter, intergenerationeel billijker en schokbestendiger te maken, zouden goed zijn voor de binnenlandse vraag en een herbalancering binnen de eurozone.

(12)

De strijd tegen agressieve fiscale planning is van essentieel belang om belastingstelsels efficiënter en billijker te maken, zoals wordt erkend in de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone. De overloopeffecten van agressieve fiscale planningsstrategieën van belastingplichtigen tussen de lidstaten vereisen een gecoördineerd optreden van het nationale beleid ter aanvulling van de Uniewetgeving. Nederland heeft maatregelen genomen tegen agressieve fiscale planning, maar de hoge dividend-, royalty- en rentebetalingen die via Nederland verlopen, doen vermoeden dat bedrijven de nationale belastingregels toch gebruiken voor agressieve fiscale planning. Een groot deel van het volume van de buitenlandse directe investeringen wordt gehouden door zogenoemde “special purpose entities”. De inhoudingsvrijstelling op uitgaande (d.w.z. door inwoners van de Unie aan inwoners van derde landen overgemaakte) royalty’s en rentebetalingen kan ertoe leiden dat over die betalingen in het geheel geen belasting wordt geheven indien daarover in de ontvangende jurisdictie evenmin belasting verschuldigd is. De aankondiging van de hervormingsagenda voor belastingheffing, inclusief de invoering van een bronbelasting op royalty- en rentebetalingen in geval van misbruik of van betalingen aan laagbelastende jurisdicties, is een positieve stap om agressieve fiscale planning terug te dringen; een nauwlettende monitoring is in dit verband wenselijk.

(13)

De groei van de werkgelegenheid in de afgelopen jaren was vooral het gevolg van tijdelijke contracten en zelfstandig werk, hoewel het aantal banen voor werknemers met vaste contracten sinds kort sterker groeit dan dat voor werknemers met tijdelijke contracten. Toch blijft het aandeel flexwerk hoog en blijft het een aanzienlijk deel van de arbeidsmarkt vertegenwoordigen. Het hoge percentage tijdelijke contracten en de snelle stijging van het aantal zelfstandigen zonder personeel doen zich voor in een context van grote verschillen in de toepasselijke arbeidsregelgeving en ontslagbescherming en verschillen in fiscale wetgeving en wetgeving op het gebied van sociale zekerheid. Er is een pakket maatregelen aangenomen (wet arbeidsmarkt in balans) om het gemakkelijker te maken vaste werknemers in dienst te nemen en flexibele contracten minder flexibel te maken. Er moet nauwlettend worden toegezien op de uitvoering van deze maatregelen (die naar verwachting in 2020 in werking treden). Voorts zijn er maatregelen aangekondigd om de verplichting voor werkgevers om salarissen in geval van ziekte twee jaar te blijven doorbetalen, te verlichten. Tot nu toe zijn er echter geen andere concrete maatregelen genomen. Sommige van deze institutionele factoren zullen werknemers dan ook financieel blijven stimuleren om als zelfstandige te gaan werken of de voorkeur te geven aan het gebruik van de status van zelfstandige zonder personeel. Zelfstandigen zijn vaker onderverzekerd tegen arbeidsongeschiktheid en werkloosheid, en bouwen vaker te weinig op voor hun oude dag, hetgeen ten koste kan gaan van de houdbaarheid van het socialezekerheidsstelsel op lange termijn. Daarnaast is de handhaving van de maatregelen om schijnzelfstandigheid aan te pakken, opgeschort tot 2020.

(14)

Ondanks een arbeidsmarkt die in het algemeen goed presteert, blijft de bevordering van gelijke kansen op de arbeidsmarkt en actieve inclusie een belangrijke uitdaging, met name voor mensen met een migratieachtergrond, voor mensen aan de rand van de arbeidsmarkt en voor degenen die economisch niet actief zijn. Daarbij vormt met name het grote aantal deeltijds werkende vrouwen een arbeidspotentieel dat nog niet is aangeboord.

(15)

Technische en digitale vaardigheden en gekwalificeerde vakmensen zijn van cruciaal belang voor het innovatievermogen van de Nederlandse economie en voor productiviteitsgroei. Dit wijst erop dat meer moet worden geïnvesteerd in opleiding, inclusief opleiding in digitale vaardigheden, en dat flexibele bij- en omscholingskansen moeten worden bevorderd. Om het innovatievermogen van de samenleving te verbeteren, moet ook worden geïnvesteerd in onderwijs in natuurwetenschappen, technologie, techniek en wiskunde. Voorts is het van cruciaal belang dat meer wordt geïnvesteerd in vaardigheden, onderwijs en opleiding om de toegang tot de arbeidsmarkt en de inzetbaarheid te verbeteren van mensen aan de rand van de arbeidsmarkt. Daarbij moet worden ingezet op gelijke kansen en actieve inclusie.

(16)

De O&O-investeringsintensiteit voor Nederland is gestegen tot ongeveer 2 %, maar blijft ver achter bij het nationale streefcijfer van 2,5 % en bij het niveau van de koplopers. Qua productiviteit behoort Nederland in veel sectoren tot de best presterende landen. Een verdere groei van de productiviteit is derhalve sterk afhankelijk van innovatie. Aanvullende investeringen in onderzoek en ontwikkeling en innovatie, met name in de particuliere sector, zouden dit ondersteunen.

(17)

De energietransitie en de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen vergen forse investeringen om economische ontwikkeling duurzamer en hulpbronnenefficiënter te maken. Nederland zal zijn doelstellingen voor 2020 op het gebied van de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen waarschijnlijk ruimschoots halen, maar om de doelstellingen voor 2030 te halen zullen extra maatregelen nodig zijn. De doelstellingen voor 2020 op het gebied van primaire energie-efficiëntie en hernieuwbare energie zullen zonder aanvullende maatregelen niet worden gehaald. De Nederlandse doelstelling voor 2023 op het gebied van hernieuwbare energie, zoals vastgelegd in het Nederlandse Energieakkoord, ligt binnen bereik dankzij investeringen in windparken op zee. Het kabinet streeft ernaar om eind 2019 een nationaal energie- en klimaatplan vast te stellen dat een overzicht zal geven van de investeringsbehoeften tot 2030 voor de verschillende dimensies van de energie-unie, waaronder hernieuwbare energie, energie-efficiëntie, voorzieningszekerheid en klimaatmitigatie en -adaptatie.

(18)

Verkeerscongestie blijft een probleem in Nederland, dat een dichtbevolkt land is met goede infrastructuur en een belangrijke speler op het gebied van de logistiek in de Unie. Rotterdam is de grootste haven van de Unie en Schiphol een van de grootste luchthavens. Het probleem is dankzij extra infrastructuurwerkzaamheden verminderd, maar de sociale kosten blijven hoog en er worden vele uren verspild in de file.

(19)

De programmering van de Uniemiddelen voor de periode 2021-2027 kan helpen in een aantal van de in de aanbevelingen geconstateerde behoeften te voorzien, met name op de gebieden die in bijlage D bij het landverslag 2019 worden genoemd. Zo zou Nederland optimaal gebruik kunnen maken van die middelen met betrekking tot de genoemde sectoren.

(20)

In de context van het Europees Semester 2019 heeft de Commissie een brede analyse van het economische beleid van Nederland verricht; deze analyse is gepubliceerd in het landverslag 2019. Voorts heeft de Commissie het stabiliteitsprogramma 2019 en het nationale hervormingsprogramma 2019 doorgelicht en onderzocht welk gevolg is gegeven aan de aanbevelingen die in eerdere jaren tot Nederland zijn gericht. Daarbij heeft de Commissie niet alleen gekeken naar de relevantie ervan voor een houdbaar begrotings- en sociaal-economisch beleid in Nederland, maar is zij ook nagegaan of de Unieregels en -richtsnoeren in acht zijn genomen, gezien de noodzaak om de algehele economische governance van de Unie te versterken door middel van inbreng op Unieniveau in toekomstige nationale besluiten.

(21)

In het licht van deze beoordeling heeft de Raad het stabiliteitsprogramma 2019 onderzocht en is hij van mening (8) dat Nederland naar verwachting aan het stabiliteits- en groeipact zal voldoen.

(22)

In het licht van de diepgaande evaluatie door de Commissie en van deze beoordeling heeft de Raad het nationale hervormingsprogramma 2019 en het stabiliteitsprogramma 2019 onderzocht. Zijn aanbevelingen op grond van artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 zijn in de onderstaande aanbevelingen 1 en 3 weergegeven. Die aanbevelingen dragen ook bij tot de uitvoering van de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone, met name de eerste en de vierde aanbeveling voor de eurozone. Het in aanbeveling 3 bedoelde begrotingsbeleid draagt onder meer bij tot het aanpakken van onevenwichtigheden in verband met het overschot op de lopende rekening,

BEVEELT AAN dat Nederland in 2019 en 2020 de volgende actie onderneemt:

1.   

De bevoordeling van schulden door huishoudens en de verstoringen op de woningmarkt terugdringen, onder meer door de ontwikkeling van de particuliere huursector te bevorderen. Ervoor zorgen dat de tweede pijler van het pensioenstelsel transparanter, intergenerationeel billijker en schokbestendiger wordt. Beleid uitvoeren om het beschikbare inkomen van huishoudens te verhogen, onder meer door de voorwaarden ter ondersteuning van loongroei te versterken, met inachtneming van de rol van de sociale partners. Kenmerken van het belastingstelsel aanpakken die agressieve fiscale planning, vooral door middel van uitgaande betalingen, in de hand kunnen werken, met name door uitvoering van de aangekondigde maatregelen.

2.   

De prikkels voor zelfstandigen zonder personeel verminderen en adequate sociale bescherming voor zelfstandigen bevorderen, en schijnzelfstandigheid aanpakken. Levenslang leren versterken en vaardigheden verbeteren, met name voor mensen aan de rand van de arbeidsmarkt en inactieven.

3.   

Met inachtneming van de begrotingsdoelstelling op middellange termijn, het begrotings- en structuurbeleid gebruiken om een opwaartse trend van de investeringen te steunen. Het investeringsgerelateerde economisch beleid focussen op onderzoek en ontwikkeling, met name in de particuliere sector, op hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en strategieën ter vermindering van broeikasgasemissies, en op het aanpakken van knelpunten in het vervoer.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LINTILÄ


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(2)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25.

(3)  PB C 136 van 12.4.2019, blz. 1.

(4)  PB C 320 van 10.9.2018, blz. 80.

(5)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(6)  Conjunctuurgezuiverd begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, herberekend door de Commissie volgens de gezamenlijk overeengekomen methode.

(7)  Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 149).

(8)  Op grond van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97.


5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 301/117


AANBEVELING VAN DE RAAD

van 9 juli 2019

over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Oostenrijk en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Oostenrijk

(2019/C 301/20)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (1), en met name artikel 5, lid 2,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 21 november 2018 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse groeianalyse en daarmee de aanzet gegeven tot het Europees Semester 2019 voor coördinatie van het economisch beleid. Daarin wordt terdege rekening gehouden met de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie werd geproclameerd. De prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse zijn op 21 maart 2019 door de Europese Raad bekrachtigd. Op 21 november 2018 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad (2) ook het waarschuwingsmechanismeverslag aangenomen, waarin zij Oostenrijk niet heeft genoemd als een van de lidstaten die aan een diepgaande evaluatie zullen worden onderworpen. Tevens heeft de Commissie op die datum een aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone aangenomen, die op 21 maart 2019 door de Europese Raad is bekrachtigd. Op 9 april 2019 heeft de Raad de aanbeveling over het economisch beleid van de eurozone (3) (“aanbeveling voor 2019 voor de eurozone”) aangenomen, die vijf aanbevelingen voor de eurozone (“de aanbevelingen voor de eurozone”) bevat.

(2)

Als lidstaat die de euro als munt heeft en in het licht van de grote onderlinge verwevenheid tussen de economieën van de economische en monetaire unie zou Oostenrijk ervoor moeten zorgen dat volledig en tijdig uitvoering wordt gegeven aan de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone, die wordt weergegeven in de aanbevelingen 1 tot en met 3 hieronder. Wanneer met name het economische beleid in verband met investeringen op de gespecificeerde gebieden wordt gefocust, zal dit helpen gevolg te geven aan de tweede aanbeveling voor de eurozone inzake de ondersteuning van investeringen, terwijl de aanbeveling om de belasting op arbeid te verlagen, gevolg geeft aan de derde aanbeveling voor de eurozone inzake de werking van de arbeidsmarkt.

(3)

Op 27 februari 2019 is het landverslag 2019 voor Oostenrijk gepubliceerd. Daarin werd de vooruitgang beoordeeld die Oostenrijk bij de uitvoering van de op 13 juli 2018 door de Raad aangenomen landspecifieke aanbevelingen (4) heeft gemaakt, alsmede het gevolg dat is gegeven aan de aanbevelingen die in de jaren voordien werden aangenomen, en de vooruitgang die Oostenrijk in de richting van zijn nationale Europa 2020-doelstellingen heeft geboekt.

(4)

Op 24 april 2019 heeft Oostenrijk zijn nationale hervormingsprogramma 2019 en zijn stabiliteitsprogramma 2019 ingediend. Om met de onderlinge verbanden tussen beide programma’s rekening te houden, zijn deze tegelijkertijd geëvalueerd.

(5)

De betrokken landspecifieke aanbevelingen zijn meegenomen in de programmering voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) voor de periode 2014-2020. Op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) kan de Commissie een lidstaat verzoeken zijn partnerschapsovereenkomst en de desbetreffende programma’s opnieuw te bezien en wijzigingen daarop voorstellen indien dit nodig is om de uitvoering van de betrokken aanbevelingen van de Raad te ondersteunen. In richtsnoeren met betrekking tot de toepassing van de maatregelen die de effectiviteit van de ESI-fondsen koppelen aan gezonde economische governance, heeft de Commissie nader aangegeven hoe zij van die bepaling zou gebruikmaken.

(6)

Oostenrijk valt momenteel onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact en is aan de schuldregel onderworpen. In haar stabiliteitsprogramma 2019 gaat de regering ervan uit dat het overheidssaldo zal verbeteren van een overschot van 0,1 % van het bruto binnenlands product (bbp) in 2018 tot 0,3 % van het bbp in 2019 en daarna geleidelijk zal afnemen tot een evenwichtige begrotingssituatie in 2023. Op basis van het herberekende structurele saldo (6) zal de begrotingsdoelstelling op middellange termijn — een structureel tekort van 0,5 % van het bbp — gedurende de hele programmaperiode worden overtroffen. Volgens het stabiliteitsprogramma zal de overheidsschuldquote naar verwachting geleidelijk afnemen van 73,8 % van het bbp in 2018 tot 59,8 % van het bbp in 2023. Het macro-economische scenario dat aan die begrotingsprognoses ten grondslag ligt, is gunstig. De risico’s voor de begrotingsplanning op middellange termijn lijken gematigd en houden met name verband met de aangekondigde bezuinigingen bij de overheid waarmee de geplande hervorming van de inkomsten- en vennootschapsbelasting zal worden gefinancierd.

(7)

Op 13 juli 2018 heeft de Raad Oostenrijk aanbevolen om in 2019 de begrotingsdoelstelling op middellange termijn te halen, rekening houdend met de marge voor ongewone gebeurtenissen waarvoor een tijdelijke afwijking is toegestaan. Dit betekent dat het nominale stijgingspercentage van de netto primaire overheidsuitgaven (7) ten hoogste 2,9 % mag bedragen, hetgeen overeenstemt met een verbetering van het structurele saldo met 0,3 % van het bbp. Volgens de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie zal het structurele saldo verbeteren van – 0,1 % van het bbp in 2019 tot 0,0 % van het bbp in 2020, wat boven de begrotingsdoelstelling op middellange termijn ligt. De verwachting is dat Oostenrijk in 2019 en 2020 aan de schuldregel zal voldoen. Al met al is de Raad van oordeel dat Oostenrijk in 2019 en 2020 aan de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact zal voldoen.

(8)

Oostenrijk heeft te kampen met middelgrote risico’s voor de houdbaarheid van de begroting op lange termijn. Deze risico’s zijn het gevolg van de verwachte stijging van de overheidsuitgaven voor gezondheidszorg, langdurige zorg en pensioenen. Hoewel de dekking van de gezondheidszorg in Oostenrijk over het algemeen hoog is, zullen de overheidsuitgaven voor de gezondheidszorg tegen 2070 naar verwachting met 1,3 procentpunten stijgen tot 8,3 % van het bbp, dus meer dan het Uniegemiddelde van 0,9 procentpunten. De overheidsuitgaven voor langdurige zorg zullen naar verwachting verdubbelen van 1,9 % van het bbp nu naar 3,8 % tegen 2070. De invoering van uitgavenplafonds bij de wet van 2017 over de inkomensverdeling tussen de bestuursniveaus en de hervorming van de eerstelijnszorg ter vermindering van de bovenmatige afhankelijkheid van de ziekenhuissector waren eerste stappen in de aanpak van het houdbaarheidsprobleem. De onlangs aangenomen Organisatiewet Sociale Verzekeringen (Sozialversicherungs-Organisationsgesetz) kan besparingen op het gebied van bestuurs- en administratiekosten opleveren, maar zal ook aanloopkosten meebrengen. De kwaliteit en de kostenefficiëntie zouden verder worden bevorderd door doeltreffendere overheidsopdrachten (bijv. Uniebrede aanbestedingen, het gebruik van andere gunningscriteria dan de prijs en interregionale bundeling van aanbestedingen) en door meer gebruik te maken van e-gezondheidsoplossingen. Op het gebied van de langdurige zorg zullen recente beleidsmaatregelen — zoals het besluit tot afschaffing van de verplichting voor patiënten om hun eigen vermogen te gebruiken om langdurige klinische zorg te financieren — de uitgaven naar verwachting niet beperken, maar doen toenemen.

(9)

De pensioenuitgaven zouden in 2036 een piek bereiken en 1,2 procentpunten van het bbp boven de referentiewaarde van 2016 liggen. Hervormingen uit het verleden hebben met succes gezorgd voor stimulansen om later met pensioen te gaan (de leeftijd waarop de arbeidsmarkt daadwerkelijk werd verlaten, steeg in de periode 2014-2017 naar raming met 1,5 jaar voor mannen en met één jaar voor vrouwen). Het dichten van de kloof tussen de wettelijke en de daadwerkelijke pensioenleeftijd blijft echter een uitdaging, en langer doorwerken zou moeten worden gestimuleerd. Voorts zou aanpassing van zowel de minimumleeftijd voor vervroegd pensioen als de wettelijke pensioenleeftijd de houdbaarheid op lange termijn doeltreffender helpen verbeteren in de context van een vergrijzende samenleving. De invoering van een automatische koppeling tussen de wettelijke pensioenleeftijd en de stijging van de levensverwachting in de toekomst zou de pensioenuitgaven van de overheid kunnen doen afnemen. Deze afname wordt geraamd op 2,4 procentpunten van het bbp in de periode 2016-2070, wat de toename bij ongewijzigd beleid zou compenseren.

(10)

Het budgettaire federalisme van Oostenrijk leidt tot een aanzienlijke wanverhouding tussen bevoegdheden betreffende uitgaven en inkomsten op subnationaal niveau. Subnationale begrotingen kennen geen belastingautonomie, maar worden gevoed via een complex systeem van belastingdeling en intergouvernementele overdrachten. Dit doet afbreuk aan de budgettaire transparantie en de politieke verantwoordingsplicht en geeft weinig prikkels voor efficiënte overheidsuitgaven. Bij de wet van 2017 over de verdeling van inkomsten en uitgaven tussen de bestuursniveaus (Finanzausgleichsgesetz) is een aantal wijzigingen ingevoerd om de budgettaire betrekkingen tussen de verschillende bestuursniveaus te stroomlijnen. De wijzigingen omvatten onder meer vereenvoudiging van de verdeling van belastingen, toekenning van een eigen bron van inkomsten aan de deelstaten en overeenstemming over verdere hervormingen voor een transparantere toewijzing van wetgevende en uitvoerende bevoegdheden tussen de bestuursniveaus. Wat dat laatste betreft, vormt het Kompetenzbereinigungspaket een eerste stap in de richting van het ontwarren van bevoegdheden, aangezien het gedeelde beleidsterreinen opnieuw aan (uitsluitend) het federale of het deelstaatniveau toewijst en de wederzijdse instemmingsrechten inperkt. De wet betreft echter slechts een beperkt aantal beleidsterreinen.

(11)

De belastingstructuur van Oostenrijk wordt gekenmerkt door een hoge belastingdruk op arbeid (loonbelasting en socialezekerheidsbijdragen). De belastingdruk zal in de loop der tijd toenemen zolang de belastingschalen niet worden geïndexeerd voor inflatie. Het aandeel van de belastingen op arbeid, dat in 2017 55,3 % van de totale belastinginkomsten bedroeg, was een van de hoogste in de Unie (gemiddeld: 49,7 %). Recente hervormingen, zoals de vermindering van de socialezekerheidsbijdragen voor mensen met een laag inkomen en werkgevers en de belastingvermindering voor werkende ouders via de nieuwe Familienbonus Plus, hebben ertoe bijgedragen dat de belastingwig op arbeid is verkleind. Er blijft ruimte voor een verschuiving van de belastingmix in de richting van bronnen die inclusievere en duurzamere groei bevorderen. Met name periodieke onroerendgoedbelastingen blijken relatief groeivriendelijk en progressief te zijn, aangezien mensen met een hoger inkomen doorgaans meer huizenvermogen hebben. Als gevolg van een grotendeels achterhaalde belastinggrondslag zijn de inkomsten uit periodieke onroerendgoedbelastingen in Oostenrijk echter laag en liggen zij ver onder het Uniegemiddelde. Een herwaardering van de belastinggrondslag zou meer inkomsten opleveren en de billijkheidsvraagstukken aanpakken die ontstaan wanneer de waarde van vastgoed losgekoppeld is van de marktprijzen. Doeltreffende, weldoordachte vermogensgerelateerde belastingen kunnen het belastingstelsel ook billijker maken, vooral tegen de achtergrond van de opvallende vermogensongelijkheid in Oostenrijk en het ontbreken van erf- en schenkbelasting. Ten slotte dragen milieubelastingen bij aan de internalisering van negatieve externe effecten van het gebruik van hulpbronnen en vervuilende activiteiten in verband met gezondheid en klimaat. De huidige fiscale voorkeursbehandeling voor dergelijke activiteiten zou dan ook moeten worden heroverwogen.

(12)

De arbeidsmarkt verbetert; het onbenutte potentieel van menselijk kapitaal vormt echter een belemmering voor de productiviteit en de groei op lange termijn, waarbij vooral veranderingen nodig zijn voor vrouwen, laaggeschoolden, oudere werknemers en mensen met een migratieachtergrond. Ondanks een hoge arbeidsparticipatie van vrouwen (Oostenrijk 71,7 %; Unie 67,4 % in 2018), blijft het aantal vrouwen dat voltijds werkt tamelijk laag. Het aantal vrouwen dat deeltijds werkt, ligt ruim boven het Uniegemiddelde (Oostenrijk 47,6 %; Unie 30,8 % in 2018) en houdt voornamelijk verband met ontoereikende kinderopvang en een groot aantal vrouwen dat onbetaalde zorgtaken verricht. De huidige opzet van de kinderopvang en het gezinsgerelateerd verlof draagt onvoldoende bij tot gelijke kansen voor mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt. Meer investeringen in betaalbare voltijdse kinderopvang en heledagscholen zouden ervoor zorgen dat meer vrouwen voltijds gaan werken, het arbeidsmarktpotentieel van vrouwen beter wordt benut en de productiviteit en inclusieve groei op lange termijn worden verbeterd. Deeltijdwerk door vrouwen verklaart ook een aanzienlijk deel van de niet-gecorrigeerde genderloonkloof, die duidelijk boven het Uniegemiddelde blijft (Oostenrijk 19,9 %; Unie 16,0 % in 2017). Andere belangrijke oorzaken van deze kloof zijn de oververtegenwoordiging van vrouwen in lagelonensectoren, segregatie bij de keuze van onderwijs, ondervertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende en toezichthoudende functies en loopbaanonderbrekingen. Over het geheel genomen is de aanzienlijke genderpensioenkloof (Oostenrijk 40,5 %; Unie 35,2 % in 2017) grotendeels het gevolg van deze genderspecifieke inkomensongelijkheden die tijdens het beroepsleven zijn ontstaan. Bovendien zijn mensen met een mini-job, in meerderheid vrouwen, niet verzekerd tegen werkloosheid. De hoge werkloosheid onder laaggeschoolden wijst op onderbenutting van het arbeidsmarktpotentieel. Meer dan 44 % van alle werklozen heeft alleen het verplichte onderwijs gevolgd (tot en met lager secundair onderwijs, Pflichtschule). Een actief arbeidsmarktbeleid dat meer mensen aanmoedigt om te werken of een baan te zoeken, inclusief kansen om een leven lang te leren, blijft van cruciaal belang voor de benutting van het arbeidspotentieel van werknemers met een migratieachtergrond en laaggeschoolde volwassenen. De betrokkenheid van de sociale partners bij het besluitvormingsproces voor dit beleid, die traditioneel sterk is, is niettemin ter discussie gesteld.

(13)

Gezien het tekort aan geschoolde arbeidskrachten moet meer worden geïnvesteerd in algemeen onderwijs en opleiding. De leerresultaten voor kansarmen zijn niet verbeterd. Er blijft een grote prestatiekloof bestaan tussen leerlingen met en zonder migratieachtergrond. Uit nationale tests in 2016 bleek dat het niveau van de basisvaardigheden een uitdaging vormt, aangezien ongeveer een kwart van de leerlingen in het achtste leerjaar niet of slechts gedeeltelijk de onderwijseisen voor Duits haalt. De resultaten voor leerlingen uit een zwak sociaaleconomisch milieu en/of met een migratieachtergrond zijn bij nationale tests nauwelijks verbeterd. Uit recente internationale tests bleek ook dat de achterstand in leesvaardigheid van leerlingen uit een lager sociaaleconomisch milieu of met een migratieachtergrond toeneemt. Volgens het Programme for International Student Assessment doen in Oostenrijk geboren leerlingen het aanzienlijk beter dan migranten van de eerste generatie: hun voorsprong komt overeen met bijna drie jaar onderwijs. De recente onderwijshervormingen ondermijnen ten dele eerdere hervormingsinspanningen en stroken niet met de beste praktijken van de Unie en de OESO. In dit verband is de uitbreiding van het heledagonderwijs vertraagd en wordt het indelen van leerlingen naar begaafdheid in het algemeen onderwijs geïntensiveerd. Er moet worden geïnvesteerd om de ongelijke onderwijsresultaten als gevolg van sociaaleconomisch milieu of migratieachtergrond aan te pakken. Hoewel Oostenrijk qua digitale vaardigheden van zijn burgers boven het Uniegemiddelde presteert, loopt het achter op de best presterende landen. De economie kampt met een toenemend tekort aan geschoolde IT-werknemers, aangezien de toenemende vraag niet wordt gedekt door voldoende afgestudeerde informaticastudenten.

(14)

Oostenrijk investeert fors in onderzoek en ontwikkeling, met ambitieuze nationale doelstellingen. De wetenschappelijke en innovatieresultaten liggen echter niet op het niveau van die van de innovatieleiders in de Unie (8). Meer investeringen in onderzoek en ontwikkeling worden niet volledig in innovatieresultaten en productiviteitsgroei omgezet. Oostenrijk presteert met name slecht qua werkgelegenheid in snelgroeiende innovatieve bedrijven. Investeringen in onderzoek en ontwikkeling zouden doeltreffender zijn als zij volledig in excellente wetenschap en baanbrekende innovatie zouden worden omgezet. Daartoe zouden meer en betere banden tussen wetenschap en bedrijfsleven mogelijk moeten worden gemaakt en zou samenwerking inzake slimme specialisatieprioriteiten tussen verschillende regio’s en met andere landen moeten worden aangemoedigd. Daarnaast kunnen verdere investeringen leiden tot aanzienlijke productiviteitswinsten en innovatieresultaten, onder meer op het gebied van eco-innovatie, innovatievermogen van het midden- en kleinbedrijf (mkb) en aanvullende immateriële activa.

(15)

Hoewel Oostenrijk beter presteert dan het Uniegemiddelde wat de algemene vooruitgang op het gebied van digitalisering betreft, bereikt het niet het niveau van de innovatieleiders in de Unie. Dit geldt voor het gebruik van digitale technologieën, maar ook voor de ontwikkeling ervan. De informatie- en technologiesector in Oostenrijk is betrekkelijk klein en heeft niet dezelfde groei doorgemaakt als soortgelijke sectoren in landen die innovatieleider zijn. Voorts is er in plattelandsgebieden geen snelle connectiviteit, waardoor de kloof op het gebied van digitalisering en innovatievermogen tussen regio’s wordt vergroot. Er zijn ook aanzienlijke kloven op het gebied van digitale infrastructuur op scholen, bijvoorbeeld voor draadloze lokale netwerken. Oostenrijk heeft enkele financieringsprogramma’s opgezet voor het verbeteren van snelle internetconnectiviteit in het hele land. Een herlancering van de algemene digitaliseringsstrategie van Oostenrijk biedt de mogelijkheid om doelstellingen en indicatoren vast te stellen en ook om toezicht te houden op de voortgang van de noodzakelijke publieke en private investeringen in digitalisering.

(16)

Verhoging van de energie-efficiëntie en het aandeel van de hernieuwbare energiebronnen zou het duurzame groeipotentieel van Oostenrijk versterken en ertoe bijdragen dat de klimaat- en energiedoelstellingen van het land voor 2030 worden gehaald. Er zullen evenwel extra inspanningen nodig zijn om die doelstellingen te halen. Bovendien liggen de overheidsinvesteringen in onderzoek en ontwikkeling op het gebied van milieu en energie onder het Uniegemiddelde. Verbetering van de energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energie in het mkb zou het energieverbruik helpen verminderen. Investeringen in de renovatie van gebouwen, de opwekking van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen en duurzame mobiliteit zouden de Oostenrijkse economie een aanzienlijke impuls kunnen geven. De overgang naar een circulaire economie vergt een algemene strategie en meer investeringen door bedrijven.

(17)

Ondanks een recente opleving in verband met het gunstige economische klimaat is Oostenrijk er nog niet in geslaagd de groei van de totale factorproductiviteit weer op gang te brengen en de al tien jaar durende stagnatie van deze belangrijke aanjager van economische groei en concurrentievermogen achter zich te laten. Productiviteitsgroei kan ook bevorderd worden door digitalisering van bedrijven, groei van ondernemingen en concurrentie bij diensten. De grotere Oostenrijkse bedrijven voeren in een behoorlijk tempo digitale technologieën en bedrijfsmodellen in, maar de kleinere bedrijven lopen achter. De digitalisering van kleinere ondernemingen, inclusief micro-ondernemingen, is bijzonder belangrijk, want zij vormen de ruggengraat van de Oostenrijkse economie. Uit het feit dat het programma KMU Digital goed is aangeslagen, blijkt dat er bij het mkb vraag is naar en belangstelling is voor het krijgen van advies over digitalisering. Het zou helpen als dit programma wordt verlengd en uitgebreid, en als het beleid gericht blijft op de digitalisering van bedrijven in het kader van de algemene digitaliseringsstrategie van Oostenrijk.

(18)

Er blijven structurele uitdagingen bestaan voor het opstarten en opschalen van bedrijven in Oostenrijk, met name zeer innovatieve bedrijven. Oostenrijk loopt achter op vergelijkbare lidstaten wat betreft werkgelegenheid bij snelgroeiende innovatieve bedrijven. Hieruit blijkt dat de voorwaarden voor het opschalen van innovatieve bedrijven moeten worden verbeterd. Deze opschaling wordt nog steeds belemmerd door factoren als een durfkapitaallandschap dat minder ontwikkeld en divers is dan in landen die innovatieleider zijn. De financiering in latere fasen, bijvoorbeeld in de vorm van durfkapitaal en toegang tot de publieke kapitaalmarkten voor opschalende bedrijven, verloopt stroef. Het onlangs gecreëerde mkb-segment op de Weense beurs is een stap in de goede richting. Snelgroeiende bedrijven zijn van cruciaal belang voor de verspreiding van nieuwe technologieën en bedrijfsmodellen, waaronder digitale, en dus voor de productiviteitsgroei.

(19)

Oostenrijk heeft belangrijke toegangsbelemmeringen en beperkende regels voor commerciële dienstverlening en gereglementeerde beroepen. Het gaat daarbij om specifieke vereisten inzake aandeelhouders, uitgebreide voorbehouden activiteiten en interdisciplinaire beperkingen. Regelgevingsbelemmeringen, met name wat de exploitatie van winkels betreft, dragen bij tot de relatief zwakke ontwikkeling van de Oostenrijkse detailhandelsector. Hoge administratieve lasten blijven voor de Oostenrijkse bedrijven een urgent probleem. Dit probleem kan worden aangepakt door voortgezette inspanningen om lasten te verlichten en door de geplande evaluatie van de Oostenrijkse vestigingswet (Gewerbeordnung). Meer concurrentie in de dienstensector zou ook helpen de tekortkomingen van Oostenrijk bij de verspreiding van digitale technologieën en bedrijfsmodellen aan te pakken.

(20)

De programmering van de Uniemiddelen voor de periode 2021-2027 zou kunnen bijdragen tot het aanpakken van een aantal van de in de aanbevelingen geconstateerde tekortkomingen, met name op de gebieden die worden behandeld in bijlage D bij het landverslag 2019. Zo zou Oostenrijk optimaal gebruik kunnen maken van die middelen met betrekking tot de genoemde sectoren, rekening houdend met regionale verschillen.

(21)

In de context van het Europees Semester 2019 heeft de Commissie een brede analyse van het economisch beleid van Oostenrijk verricht. Die analyse is gepubliceerd in het landverslag 2019. Voorts heeft de Commissie zowel het stabiliteitsprogramma 2019 als het nationale hervormingsprogramma 2019 doorgelicht en onderzocht welk gevolg is gegeven aan de aanbevelingen die in eerdere jaren tot Oostenrijk zijn gericht. Daarbij heeft de Commissie niet alleen gekeken naar de relevantie ervan voor een houdbaar begrotings- en sociaaleconomisch beleid in Oostenrijk, maar ook naar de inachtneming van de Unieregels en -richtsnoeren. Dit weerspiegelt de noodzaak de algehele economische governance van de Unie te versterken door middel van een inbreng op Unieniveau in toekomstige nationale besluiten.

(22)

In het licht van deze beoordeling heeft de Raad het stabiliteitsprogramma 2019 onderzocht en is hij van mening (9) dat Oostenrijk naar verwachting aan het stabiliteits- en groeipact zal voldoen,

BEVEELT AAN dat Oostenrijk in 2019 en 2020 de volgende actie onderneemt:

1.   

De houdbaarheid van de gezondheidszorg, de langdurige zorg en het pensioenstelsel garanderen, onder meer door de wettelijke pensioenleeftijd aan te passen met het oog op de verwachte stijging van de levensverwachting. De budgettaire betrekkingen tussen en verantwoordelijkheden van de verschillende bestuursniveaus vereenvoudigen en de financierings- en bestedingsbevoegdheden op elkaar afstemmen.

2.   

De belasting verschuiven van arbeid naar bronnen die minder schadelijk zijn voor inclusieve en duurzame groei. Voltijdwerk voor vrouwen stimuleren, onder meer door de kinderopvang te verbeteren, en de arbeidsmarktresultaten voor laaggeschoolden verbeteren, in voortgezette samenwerking met de sociale partners. De basisvaardigheden van kansarme groepen vergroten, inclusief mensen met een migratieachtergrond.

3.   

Het investeringsgerelateerde economische beleid focussen op onderzoek en ontwikkeling, innovatie, digitalisering en duurzaamheid, rekening houdend met regionale verschillen. De productiviteitsgroei ondersteunen door het aanmoedigen van de digitalisering van ondernemingen en bedrijfsgroei, en door het verminderen van regelgevingsbelemmeringen in de dienstensector.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LINTILÄ


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25).

(3)  PB C 136 van 12.4.2019, blz. 1.

(4)  PB C 320 van 10.9.2018, blz. 84.

(5)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(6)  Conjunctuurgezuiverd begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, herberekend door de Commissie volgens de gezamenlijk overeengekomen methode.

(7)  De netto primaire overheidsuitgaven bestaan uit de totale overheidsuitgaven exclusief rente-uitgaven, uitgaven in het kader van programma’s van de Unie die volledig met inkomsten uit Uniefondsen worden gefinancierd en niet-discretionaire veranderingen in de uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen. Nationaal gefinancierde bruto-investeringen in vaste activa worden gespreid over een periode van vier jaar. Er wordt rekening gehouden met discretionaire inkomstenmaatregelen of bij wet verplicht gestelde inkomstenstijgingen. Eenmalige maatregelen aan zowel de inkomsten- als de uitgavenzijde worden uitgevlakt.

(8)  Volgens het Europees innovatiescorebord 2018 — innovatieleider: SE, DK, FI, NL, UK, LU sterke innovator: DE, BE, IE, AT, FR, SI.

(9)  Op grond van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97.


5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 301/123


AANBEVELING VAN DE RAAD

van 9 juli 2019

over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Polen en met een advies van de Raad over het convergentieprogramma 2019 van Polen

(2019/C 301/21)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (1), en met name artikel 9, lid 2,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 21 november 2018 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse groeianalyse en daarmee de aanzet gegeven tot het Europees Semester 2019 voor coördinatie van het economisch beleid. Daarin wordt terdege rekening gehouden met de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie werd geproclameerd. De prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse zijn op 21 maart 2019 door de Europese Raad bekrachtigd. Op 21 november 2018 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad (2) ook het waarschuwingsmechanismeverslag aangenomen, waarin zij Polen niet heeft genoemd als een van de lidstaten die aan een diepgaande evaluatie zullen worden onderworpen.

(2)

Op 27 februari 2019 is het landverslag 2019 voor Polen gepubliceerd. Daarin werd de vooruitgang beoordeeld die Polen bij het opvolgen van de op 13 juli 2018 door de Raad aangenomen landspecifieke aanbevelingen (3) heeft gemaakt, alsmede het gevolg dat is gegeven aan de landspecifieke aanbevelingen die in de jaren voordien werden aangenomen, en de vooruitgang die Polen in de richting van zijn nationale Europa 2020-doelstellingen heeft geboekt.

(3)

Polen heeft zijn nationale hervormingsprogramma 2019 ingediend op 26 april 2019 en zijn convergentieprogramma 2019 op 29 april 2019. Om met de onderlinge verbanden tussen beide programma’s rekening te houden, zijn deze tegelijkertijd geëvalueerd.

(4)

De betrokken landspecifieke aanbevelingen zijn meegenomen in de programmering voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) voor de periode 2014-2020. Op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4) kan de Commissie een lidstaat verzoeken zijn partnerschapsovereenkomst en de desbetreffende programma’s opnieuw te bezien en wijzigingen daarop voorstellen indien dit nodig is om de uitvoering van de betrokken aanbevelingen van de Raad te ondersteunen. De Commissie heeft in richtsnoeren over de toepassing van de maatregelen die de effectiviteit van de ESI-fondsen koppelen aan gezonde economische governance, nader aangegeven hoe zij van die bepaling gebruik zou maken.

(5)

Polen valt momenteel onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact. In haar convergentieprogramma 2019 gaat de regering uit van een lichte terugval van het nominale saldo van een tekort van 0,4 % van het bruto binnenlands product (bbp) in 2018 tot een tekort van 0,6 % van het bbp in 2022, met een tekort van 1,7 % van het bpp in 2019 en een overschot van 0,2 % van het bbp in 2020. Het herberekende structurele saldo, met een tekort van 1,1 % van het bbp, komt in de buurt van de begrotingsdoelstelling op middellange termijn, die is vastgesteld op een structureel tekort van 1,0 % van het bbp in 2022. Volgens het convergentieprogramma 2019 zal de overheidsschuldquote naar verwachting afnemen van 48,9 % van het bbp in 2018 tot 40,6 % tegen 2022. Het macro-economische scenario dat aan die begrotingsprognoses ten grondslag ligt, is plausibel. Tegelijkertijd zijn de operationele details van sommige maatregelen die nodig zijn om vanaf 2020 de geplande tekortdoelstellingen te ondersteunen, niet voldoende gespecificeerd.

(6)

Het convergentieprogramma 2019 geeft aan dat Polen droogtegerelateerde compenserende maatregelen heeft uitgevoerd en dat de budgettaire gevolgen ervan in 2018 aanzienlijk waren. In het convergentieprogramma wordt afdoende bewijs geleverd voor de omvang en de aard van die extra kosten voor de begroting. Uitgaven die verband houden met droogte, kunnen specifiek worden behandeld op basis van de clausule inzake buitengewone gebeurtenissen. Volgens de Commissie bedroegen de hieraan gerelateerde subsidiabele extra uitgaven in 2018 0,07 % van het bbp. Op grond van de bepalingen van artikel 9, lid 1, en artikel 10, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1466/97 kunnen deze extra uitgaven in aanmerking worden genomen, aangezien het uitzonderlijke karakter van de droogte wordt beschouwd als een buitengewone gebeurtenis, de gevolgen ervan voor de overheidsfinanciën van Polen aanzienlijk zijn en de houdbaarheid van de overheidsfinanciën niet in gevaar zou worden gebracht door een tijdelijke afwijking van het aanpassingstraject in de richting van de budgettaire middellangetermijndoelstelling toe te staan. Daarom is de vereiste aanpassing in de richting van de begrotingsdoelstelling op middellange termijn voor 2018 naar beneden bijgesteld om rekening te houden met deze extra kosten.

(7)

Op 13 juli 2018 heeft de Raad Polen aanbevolen ervoor te zorgen dat het nominale groeipercentage van de netto primaire overheidsuitgaven (5) in 2019 niet hoger ligt dan 4,2 %, hetgeen neerkomt op een jaarlijkse structurele aanpassing van 0,6 % van het bbp. Op basis van de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie bestaat het risico dat in 2019 significant zal worden afgeweken van die aanbevolen aanpassing.

(8)

Voor 2020 zou, gezien een voor Polen verwachte output gap van 2,0 % van het bbp, de nominale groei van de netto primaire overheidsuitgaven op niet meer dan 4,4 % mogen uitkomen, in overeenstemming met de structurele aanpassing van 0,6 % van het bbp die resulteert uit de gezamenlijk overeengekomen aanpassingsmatrix van vereisten in het kader van het stabiliteits- en groeipact. Op basis van de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie is er bij ongewijzigd beleid een risico dat er in 2020 een significante afwijking van dat vereiste zal optreden. Over het geheel genomen is de Raad van oordeel dat vanaf 2019 de nodige maatregelen moeten worden genomen om te voldoen aan de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact.

(9)

Polen heeft aanzienlijke vooruitgang geboekt op het gebied van een betere naleving van de belastingwetgeving. Tegelijkertijd heeft het land een sterke economische groei gekend, is de arbeidsmarkt sterk gegroeid en is het aandeel van de arbeidsovereenkomsten die aan socialezekerheidsbijdragen zijn onderworpen, geleidelijk aan toegenomen. Al deze factoren hebben bijgedragen tot een stijging van de overheidsinkomsten. Een deel van de stijging van de inkomsten is cyclisch van aard en kan afnemen wanneer het macro-economische klimaat verslechtert. Tegelijkertijd stegen de overheidsuitgaven in de afgelopen jaren als percentage van het bbp. Verschillende nieuwe uitgavencategorieën zijn van permanente aard en kunnen in de nabije toekomst niet gemakkelijk worden gewijzigd. Bovendien zullen de overheidsfinanciën van Polen in de toekomst onder druk komen te staan om de uitgaven te verhogen, met name als gevolg van de vergrijzing. Deze factoren versterken de behoefte aan nieuwe instrumenten om het uitgavenbeheer te versterken, met inbegrip van een regelmatige beoordeling van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de uitgaven. In 2018 bleef Polen werken aan een verbetering van het begrotingsstelsel, maar de algemene hervorming is complex en zal gespreid over meerdere jaren in fasen verlopen. Terwijl het begrotingskader in het algemeen sterk is en onafhankelijke instellingen sommige van de taken uitvoeren die doorgaans door begrotingsraden worden uitgevoerd, blijft Polen de enige lidstaat zonder een onafhankelijke begrotingsraad. Hoewel Polen geen vooruitgang heeft geboekt bij het beperken van het uitgebreide gebruik van verlaagde btw-tarieven, heeft de regering een hervorming opgestart waardoor de tarieven minder complex en minder foutgevoelig kunnen worden.

(10)

Tot 2017 steeg de gemiddelde pensioenleeftijd, als gevolg van eerdere hervormingen zoals het afschaffen van de mogelijkheden voor vervroegde uittreding en een geleidelijke verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd. In 2018 is de gemiddelde pensioenleeftijd voor zowel mannen als vrouwen gedaald als gevolg van de verlaging van de wettelijke pensioenleeftijd eind 2017. Een blijvende verhoging van de effectieve pensioenleeftijd is cruciaal voor de arbeidsmarktparticipatie en de economische groei, gezien de daling van de bevolking in de werkende leeftijd. Ook is het van cruciaal belang dat de toekomstige pensioenen toereikend zijn, dat armoede op oudere leeftijd wordt voorkomen en dus ook dat de budgettaire houdbaarheid van het pensioenstelsel wordt verbeterd. De verlaging van de wettelijke pensioenleeftijd tot 60 jaar voor vrouwen en tot 65 jaar voor mannen in het najaar van 2017 zal aanzienlijke negatieve gevolgen hebben voor de toekomstige pensioenvoorzieningen en leidt tot een significante kloof tussen mannen en vrouwen op dit gebied. Bestaande preferentiële pensioenregelingen brengen begrotingskosten met zich en verminderen de mobiliteit van werknemers tussen sectoren. Het speciale socialeverzekeringsstelsel voor landbouwers, dat wordt gesubsidieerd tegen een kostprijs van ongeveer 0,8 % van het bbp, belemmert de arbeidsmobiliteit en draagt bij tot de verborgen werkloosheid in de landbouw.

(11)

Het gunstige macro-economische klimaat heeft de afgelopen jaren bijgedragen tot de sterke prestaties van de Poolse arbeidsmarkt. De arbeidsparticipatie is blijven stijgen, terwijl de werkloosheidscijfers na verscheidene jaren waarin de werkloosheid daalde, op een historisch laag percentage van minder dan 4 % in 2018 zijn gestabiliseerd. Toch is de participatie van bepaalde groepen werknemers, met name van laaggeschoolden, personen met een handicap en degenen die voor hen zorgen, en ouderen, laag gebleven in vergelijking met andere lidstaten. Het Poolse sociale uitkeringsstelsel biedt onvoldoende prikkels om aan het werk te gaan. De kinderbijslag heeft de armoede en ongelijkheid weliswaar verminderd, maar heeft een negatief effect gehad op de arbeidsparticipatie van ouders, meestal vrouwen, vanwege zijn omvang en ontwerp. Het inschrijvingspercentage van kinderen onder de drie jaar in de formele kinderopvang behoort nog steeds tot de laagste in de Unie. Bovendien wordt langdurige zorg meestal door familieleden verstrekt zonder bijna enige institutionele steun, waardoor zorgverleners niet kunnen werken. De verlaging van de wettelijke pensioenleeftijd heeft sommige oudere werknemers ertoe aangezet om de arbeidsmarkt te verlaten. Migratie uit landen buiten de Unie heeft geholpen om te voldoen aan de toegenomen vraag naar arbeidskrachten, maar er zijn tekenen dat een voortdurende instroom van arbeidsmigranten moeilijk te verwezenlijken is.

(12)

In de periode tussen 2015 en 2017 heeft Polen maatregelen genomen om de segmentatie van de arbeidsmarkt aan te pakken door de mogelijkheden te beperken om misbruik te maken van tijdelijk werk, door de sociale premies te verhogen voor bepaalde atypische arbeidscontracten en door een minimumuurloon in te voeren voor bepaalde van deze contracten. Hoewel het percentage tijdelijke contracten sinds 2015 is afgenomen dankzij de getroffen maatregelen en het tekort aan arbeidskrachten, en dit proces in 2018 is versneld, blijft het nog steeds tot de hoogste in de Unie behoren. Andere wetswijzigingen die tot doel hadden deze kwestie aan te pakken, werden niet verder in behandeling genomen, aangezien de hervorming van de arbeidswetgeving uiteindelijk niet werd uitgevoerd. De toereikendheid van de toekomstige pensioenen van werknemers die zelfstandig zijn en bepaalde atypische contracten hebben, kan een potentieel probleem worden.

(13)

Een hoogwaardig onderwijs- en opleidingssysteem dat zich uitstrekt tot het hele leven en door voldoende investeringen wordt ondersteund, zou een cruciale factor kunnen zijn ter ondersteuning van toekomstige groeivooruitzichten in Polen. Ervoor zorgen dat mensen beschikken over vaardigheden en competenties die nodig zijn om werk te vinden in een snel veranderende arbeidsmarkt is cruciaal om zowel de arbeidsparticipatie als het innovatieve vermogen van de economie te bevorderen. De participatiegraad van volwassenen in onderwijs en opleiding is veel lager dan het Uniegemiddelde en de beroepsopleiding in ondernemingen wordt onderbenut. Deze omstandigheid, in combinatie met bepaalde zwakke punten voor digitale vaardigheden en lees- en rekenvaardigheid, met name bij volwassenen zonder hogeronderwijsdiploma, is een obstakel voor hun inzetbaarheid. De ontoereikende kwaliteit van de lerarenopleiding en bepaalde lacunes in hun vaardigheden hebben waarschijnlijk een negatief effect op de kwaliteit van het onderwijs. Ook het kwaliteitsborgingssysteem van het hoger onderwijs vertoont tekortkomingen. Ondanks recente hervormingen in het beroepsonderwijs en in het hoger onderwijs ontbreekt het nog steeds aan een doeltreffende coördinatie van volwasseneneducatie en is het effect van de verschillende beleidsmaatregelen op de kwaliteit van onderwijs en opleiding en de vaardighedenniveaus niet duidelijk.

(14)

De economische vooruitzichten op lange termijn van Polen zijn afhankelijk van de ontwikkeling van de innovatiecapaciteit van de economie. Op het gebied van innovatie staat Polen echter nog steeds op een laag niveau, met lowtechsectoren die een belangrijk aandeel vertegenwoordigen in de economische structuur van het land en met belangrijke regionale verschillen in innovatieprestaties. Hoewel enkele maatregelen zijn genomen om de samenwerking tussen wetenschap en bedrijfsleven te verbeteren, blijft een aantal financiële en niet-financiële belemmeringen bestaan. Met name complexe administratieve procedures en beperkte vaardigheden van academici bij het beheer van gezamenlijke publiek-private onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten (O & O) blijven belangrijke belemmeringen. De clusters en geformaliseerde netwerken van ondernemingen, in het bijzonder tussen kleine en middelgrote ondernemingen en grote ondernemingen, spelen een beperkte rol in de verspreiding van innovatieve oplossingen. Met de hervorming van het hoger onderwijs in 2018 komen verbeteringen tot stand van enkele aspecten van het Poolse wetenschappelijke landschap, maar deze hervorming verhelpt slechts ten dele belangrijke kwesties zoals de versnippering van de onderzoekssector, de lonen van onderzoekers of de internationalisering van de Poolse wetenschap. De binnenlandse bruto-uitgaven voor O & O bleven in 2017 stabiel op ongeveer de helft van het gemiddelde van de Unie, met grote regionale verschillen.

(15)

De gezondheidsresultaten zijn verder verbeterd, maar blijven onder het Uniegemiddelde, waarbij in 2017 de levensverwachting van mannen 7,9 jaar korter was dan die van vrouwen en in 2016 de kloof in levensverwachting tussen de hoogste en laagst opgeleide Polen 10 jaar bedroeg. De toegang tot en de doeltreffendheid van het gezondheidszorgstelsel wordt beïnvloed door geringe uitgaven en personeelstekorten. Het aantal praktiserende artsen en verpleegkundigen in verhouding tot de bevolkingsomvang behoort tot de laagste in de Unie, met een kwart van het medisch personeel boven de pensioenleeftijd. In 2017 deed zich een daling voor op het gebied van de onvervulde behoeften aan medische diensten, maar deze blijven tot de hoogste in de Unie behoren en de wachttijden voor bepaalde behandelingen zijn sinds 2010 aanzienlijk toegenomen. Polen heeft de zorgbehoeften in kaart gebracht, maar deze kaarten worden nog niet gebruikt als instrumenten ter ondersteuning van besluiten inzake de aankoop van gezondheidsdiensten en investeringen. De gezondheidszorg blijft te sterk op ziekenhuizen gebaseerd en de primaire en ambulante zorg blijft onderontwikkeld. Het systeem voor langdurige zorg is zwak en het ontbreekt aan gestandaardiseerde diensten en een coherente strategische aanpak. De meeste langdurige zorg wordt verstrekt door mantelzorgers, vaak familieleden met weinig institutionele ondersteuning. In 2017 bedroegen de Poolse overheidsuitgaven voor gezondheidszorg 4,7 % van het bbp, hetgeen ruim onder het Uniegemiddelde van 7 % van het bbp ligt. Polen is van plan deze uitgaven de komende jaren geleidelijk te verhogen. Dit kan evenwel moeilijk te verwezenlijken zijn, aangezien de onlangs aangekondigde plannen om de sociale overdrachten naar huishoudens met een gemiddeld of hoog inkomen te vergroten, de budgettaire ruimte in de toekomst zullen beperken.

(16)

Hoewel de infrastructuur in Polen aanzienlijk is verbeterd, vertonen sommige sectoren nog steeds belangrijke connectiviteitsproblemen. De investeringen in het wegvervoer die volgens het nationale wegenbouwprogramma tegen 2024 moeten zijn voltooid, zullen voornamelijk in het oostelijke deel van Polen worden geconcentreerd, waardoor sommige noordelijke gebieden minder goed aangesloten zijn. Er zijn nog steeds belangrijke lacunes in het trans-Europese spoorwegennet, en de investeringen in het spoor verlopen trager dan die in wegen. Het aantal verkeersdoden is nog steeds een van de hoogste in de Unie. Steden staan voor toenemende uitdagingen op het gebied van mobiliteit, zoals congestie en luchtvervuiling veroorzaakt door het toenemende aantal auto’s en het grote aandeel oude auto’s. De uitstoot van broeikasgassen door het wegvervoer is de laatste vijf jaar fors toegenomen. De bestaande prikkels om gebruik te maken van vormen van collectief vervoer, vervoer met lage emissies en actief vervoer, zijn onvoldoende om deze uitdagingen het hoofd te bieden. Vaste internetconnectiviteit in Polen blijft een van de laagste in de Unie, met supersnelle breedband die voornamelijk in grote steden beschikbaar is.

(17)

De Poolse economie behoort tot de minst koolstofefficiënte in de Unie. Slechte isolatie van openbare en particuliere gebouwen draagt bij tot meer energieverbruik en energiearmoede. Bovendien bevinden zich in Polen, met name in de zuidelijke en centrale regio’s, de steden met de hoogste luchtvervuiling van de Unie. Door te investeren in hogere energie-efficiëntie, met name in de bouwsector, het aandeel van koolstofarme en schonere energieproductie te vergroten en emissies in de vervoerssector verder terug te dringen, zou de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen verminderen en de luchtverontreiniging dalen, terwijl de sociale kosten worden verminderd en de levenskwaliteit wordt verbeterd. Het huidige wetgevingskader, met inbegrip van het besluit inzake het aanleggen van gasvoorraden, het besluit inzake de bevriezing van de elektriciteitsprijzen en de regelgeving inzake windmolenparken op land, kan investeringen in de elektriciteits- en gasmarkten belemmeren en het concurrentievermogen van de Poolse energiesector en energie-intensieve industrieën op de lange termijn ondermijnen.

(18)

De kwaliteit van nieuwe en herziene wetgeving en een stabiel en voorspelbaar ondernemingsklimaat zijn van groot belang voor het behoud van gunstige economische omstandigheden en voor het ondersteunen van de toename van particuliere investeringen. Het onstabiele regelgevingskader en andere belemmeringen voor de expansie van ondernemingen hebben negatieve gevolgen voor de investeringsactiviteit en de productiviteit. Een doeltreffende dialoog met alle belanghebbenden zou de kwaliteit van de wetgeving helpen verbeteren en zou — door het aantal vereiste herzieningen te beperken — een positieve bijdrage leveren aan de stabiliteit van het ondernemingsklimaat. Het versterken van de rol van de raadpleging van de sociale partners en openbare raadplegingen — door te zorgen voor voldoende tijd voor overleg, verbetering van het gebruik van de in loop van het proces bij de belanghebbenden ingewonnen standpunten, en beperking van het aantal wetten waarover geen overleg moet plaatsvinden — zou er dus in aanzienlijke mate toe bijdragen dat de administratieve lasten als gevolg van frequente wijzigingen in de wetgeving tot een minimum worden beperkt, de investeringen worden verhoogd en duurzame economische groei op lange termijn wordt bevorderd. In dit verband is het ook van wezenlijk belang om de rechtsstaat en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te garanderen. Er zij aan herinnerd dat de Commissie in december 2017 bij de Raad een met redenen omkleed voorstel heeft ingediend betreffende de constatering van een duidelijk gevaar van een ernstige schending, door Polen, van de rechtsstaat. Deze pijnpunten maken het voorwerp uit van een rechterlijke uitspraak en lopende procedures voor het Hof van Justitie van de Europese Unie. Rechtszekerheid en vertrouwen in de kwaliteit en voorspelbaarheid van regelgeving, fiscaliteit en andere beleidstakken en instellingen zijn belangrijke factoren voor het investeringsklimaat.

(19)

De programmering van de Uniemiddelen voor de periode 2021-2027 zou kunnen worden gericht op het helpen wegwerken van een aantal van de in de aanbevelingen geconstateerde leemten, met name op de gebieden die worden behandeld in bijlage D bij het landverslag 2019. Dit zou Polen in staat stellen optimaal gebruik te maken van deze middelen met betrekking tot de geïdentificeerde sectoren, rekening houdend met regionale verschillen.

(20)

De afgelopen jaren is de rol van de staat sterk toegenomen in de bank-, verzekerings- en energiesector. Het toegenomen overheidsbelang vormt een nieuwe uitdaging voor de mededinging en het regelgevings- en governancekader. De kwaliteit van het bestuur en de onafhankelijkheid van de regelgevende instanties en het toezicht worden derhalve steeds belangrijker gezien de potentieel tegenstrijdige belangen en de sterkere banden tussen de financiële sector en de overheid.

(21)

In het licht van deze beoordeling heeft de Raad het convergentieprogramma 2019 onderzocht en zijn advies daarover (6) is met name in de onderstaande aanbeveling 1 weergegeven,

BEVEELT AAN dat Polen in 2019 en 2020 de volgende actie onderneemt:

1.   

Ervoor zorgen dat het nominale groeipercentage van de netto primaire overheidsuitgaven in 2020 niet boven 4,4 % uitkomt, wat neerkomt op een jaarlijkse structurele aanpassing van 0,6 % van het bbp. Verdere stappen zetten om de doelmatigheid van de overheidsuitgaven te verbeteren, onder meer door het begrotingsstelsel te verbeteren.

2.   

De toereikendheid van toekomstige pensioenuitkeringen en de houdbaarheid van het pensioenstelsel garanderen door maatregelen te nemen om de werkelijke pensioenleeftijd te verhogen en door de preferentiële pensioenregelingen te hervormen. Stappen zetten om de arbeidsmarktparticipatie te verhogen, onder meer door de toegang tot kinderopvang en langdurige zorg te verbeteren, en door hinderpalen voor vastere vormen van werkgelegenheid uit de weg te ruimen. Kwalitatief goed onderwijs en op de arbeidsmarkt gerichte competenties bevorderen, inzonderheid via volwassenenonderwijs.

3.   

Het innovatievermogen van de economie versterken, onder meer door onderzoeksinstellingen te ondersteunen en deze nauwer te laten samenwerken met het bedrijfsleven. Het investeringsgerelateerd economisch beleid toespitsen op innovatie, vervoer, in het bijzonder op het gebied van duurzaamheid, digitale en energie-infrastructuur, gezondheidszorg en schonere energie, rekening houdend met regionale verschillen. Het regelgevingsklimaat verbeteren, met name door de rol van de raadpleging van de sociale partners en openbare raadplegingen in het wetgevingsproces te versterken.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LINTILÄ


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25).

(3)  PB C 320 van 10.9.2018, blz. 88.

(4)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(5)  De netto primaire overheidsuitgaven bestaan uit de totale overheidsuitgaven exclusief rente-uitgaven, uitgaven in het kader van programma’s van de Unie die volledig met inkomsten uit Uniefondsen worden gefinancierd en niet-discretionaire veranderingen in de uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen. Nationaal gefinancierde bruto-investeringen in vaste activa worden gespreid over een periode van vier jaar. Er wordt rekening gehouden met discretionaire inkomstenmaatregelen of bij wet verplicht gestelde inkomstenstijgingen. Eenmalige maatregelen aan zowel de inkomsten- als de uitgavenzijde worden uitgevlakt.

(6)  Op grond van artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97.


5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 301/129


AANBEVELING VAN DE RAAD

van 9 juli 2019

over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Portugal en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2019 van Portugal

(2019/C 301/22)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (1), en met name artikel 5, lid 2,

Gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (2), en met name artikel 6, lid 1,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 21 november 2018 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse groeianalyse en daarmee de aanzet gegeven tot het Europees Semester 2019 voor coördinatie van het economisch beleid. Er werd terdege rekening gehouden met de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie werd geproclameerd. De prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse zijn op 21 maart 2019 door de Europese Raad bekrachtigd. Op 21 november 2018 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 ook het waarschuwingsmechanismeverslag aangenomen, waarin zij Portugal heeft genoemd als een van de lidstaten die aan een diepgaande evaluatie zouden worden onderworpen. Tevens heeft de Commissie op die datum een aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone aangenomen, die op 21 maart 2019 door de Europese Raad is bekrachtigd. Op 9 april 2019 heeft de Raad de aanbeveling over het economisch beleid van de eurozone (3) (“aanbeveling voor 2019 voor de eurozone”) aangenomen, die vijf aanbevelingen voor de eurozone (“de aanbevelingen voor de eurozone”) bevat.

(2)

Als lidstaat die de euro als munt heeft en in het licht van de grote onderlinge verwevenheid tussen de economieën van de economische en monetaire unie zou Portugal ervoor moeten zorgen dat volledig en tijdig uitvoering wordt gegeven aan de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone, die wordt weergegeven in de aanbevelingen 1 tot en met 4 hieronder. Door het economisch beleid toe te spitsen op investeringen in de genoemde sectoren en meevallers te gebruiken om de overheidsschuld te verminderen, kan gevolg worden gegeven aan de tweede aanbeveling voor de eurozone inzake het ondersteunen van investeringen en het herstel van buffers. Maatregelen om de segmentering van de arbeidsmarkt te verminderen en om de vaardigheden en de doeltreffendheid van het sociale vangnet te verbeteren, zullen helpen gevolg te geven aan de derde aanbeveling van de eurozone inzake de werking van de arbeidsmarkt en de socialebeschermingsstelsels. Maatregelen ter vermindering van de regeldruk zullen helpen gevolg te geven aan de eerste aanbeveling voor de eurozone inzake bedrijfsklimaat en productiviteitsverbeteringen met het oog op evenwichtsherstel in de eurozone. Het verhogen van de efficiëntie van insolventie- en invorderingsprocedures zal helpen gevolg te geven aan de vierde aanbeveling voor de eurozone inzake het terugdringen van niet-renderende leningen.

(3)

Op 27 februari 2019 is het landverslag 2019 voor Portugal gepubliceerd. Daarin werd de vooruitgang beoordeeld die Portugal bij het opvolgen van de op 13 juli 2018 door de Raad aangenomen landspecifieke aanbevelingen (4) heeft gemaakt, alsmede het gevolg dat is gegeven aan de landspecifieke aanbevelingen die in de jaren voordien werden aangenomen, en de vooruitgang die Portugal bij het nastreven van zijn nationale Europa 2020-doelstellingen heeft geboekt. Het landverslag bevatte ook een op grond van artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 uitgevoerde diepgaande evaluatie, waarvan de uitkomsten ook op 27 februari 2019 zijn bekendgemaakt. Op basis van haar analyse concludeert de Commissie dat Portugal met macro-economische onevenwichtigheden wordt geconfronteerd. Met name het grote volume externe nettoverplichtingen, particuliere en publieke schulden en een hoog aandeel niet-renderende leningen vormen kwetsbaarheden in een context van lage productiviteitsgroei. Beleidslacunes blijven bestaan, met name in termen van de uitvoering van de maatregelen die het volume niet-renderende leningen moeten terugdringen en het ondernemingsklimaat moeten verbeteren. Verdere monitoring zal nodig zijn voor de goedkeuring en uitvoering van een aantal hervormingsplannen, waaronder structurele begrotingshervormingen om de houdbaarheid van de overheidsfinanciën te verbeteren.

(4)

Op 30 april 2019 heeft Portugal zijn nationale hervormingsprogramma 2019 en zijn stabiliteitsprogramma 2019 ingediend. Om met de onderlinge verbanden tussen beide programma’s rekening te houden, zijn deze tegelijkertijd geëvalueerd.

(5)

De betrokken landspecifieke aanbevelingen zijn meegenomen in de programmering voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (“ESI-fondsen”) voor de periode 2014-2020. Op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) kan de Commissie een lidstaat verzoeken zijn partnerschapsovereenkomst en de desbetreffende programma’s opnieuw te bezien en wijzigingen daarop voorstellen indien dit nodig is om de uitvoering van de betrokken aanbevelingen van de Raad te ondersteunen. De Commissie heeft in richtsnoeren met betrekking tot de toepassing van de maatregelen die de effectiviteit van de ESI-fondsen koppelen aan gezonde economische governance, nader aangegeven hoe zij van die bepaling zou gebruikmaken.

(6)

Portugal valt momenteel onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact en is aan de overgangsregel voor de schuld onderworpen. In zijn stabiliteitsprogramma 2019 gaat Portugal uit van een nominaal tekort van 0,2 % van het bruto binnenlands product (bbp) in 2019, een overschot van 0,3 % van het bbp in 2020 en een verdere verbetering tot een overschot van 0,7 % van het bbp in 2022. In deze plannen wordt slechts deels rekening gehouden met het potentiële tekortverhogende effect van maatregelen om het bankwezen te ondersteunen vanaf 2020. Op basis van het herberekende structurele saldo zal de begrotingsdoelstelling op middellange termijn — die is gewijzigd van een structureel overschot van 0,25 % van het bbp in 2019 in een begrotingssituatie die vanaf 2020 structureel in evenwicht is — in 2020 worden bereikt. Volgens het stabiliteitsprogramma 2019 zou de overheidsschuldquote 118,6 % bedragen in 2019 en 115,2 % in 2020, en vervolgens dalen tot 103,7 % van het bbp in 2022. Het macro-economische scenario dat aan die begrotingsprognoses ten grondslag ligt, is plausibel voor 2019 en 2020, en gunstig voor de volgende jaren. Tegelijkertijd zijn de maatregelen die nodig zijn om de vanaf 2019 geplande tekortdoelstellingen te ondersteunen, niet voldoende gespecificeerd.

(7)

Het stabiliteitsprogramma 2019 bevat geen informatie over de budgettaire gevolgen van de uitzonderlijke uitgaven voor preventieve maatregelen ter bescherming van het nationale grondgebied tegen natuurbranden, na de grote natuurbranden in 2017. In een brief van 9 mei 2019 hebben de Portugese autoriteiten echter afdoende bewijs geleverd voor de omvang en de aard van die extra kosten voor de begroting. In het bijzonder vermeldt de brief dat in de uitvoering van de begroting voor 2018 uitzonderlijke uitgaven ten belope van ongeveer 0,04 % van het bbp zijn opgenomen in verband met preventieve maatregelen ter bescherming van het nationale grondgebied tegen natuurbranden. In de brief van 9 mei 2019 wordt melding gemaakt van uitgaven in verband met de noodsituatie, die als eenmalige maatregelen worden geclassificeerd, en uitgaven in verband met preventie. Vanwege het geïntegreerde karakter van deze uitgaven en de samenhang ervan met de grootschalige natuurbranden van 2017 zouden de uitgaven voor de preventie van natuurbranden kunnen worden behandeld op basis van de clausule inzake ongewone gebeurtenissen. Volgens de Commissie bedragen de in aanmerking komende extra uitgaven voor preventiemaatregelen in 2018 0,04 % van het bbp. Op grond van artikel 5, lid 1, en artikel 6, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1466/97 kunnen deze extra uitgaven worden toegestaan, aangezien deze bosbranden van ongekende omvang als ongewone gebeurtenissen worden beschouwd, de gevolgen ervan voor de overheidsfinanciën van Portugal aanzienlijk zijn en de houdbaarheid van de overheidsfinanciën niet in gevaar wordt gebracht wanneer een tijdelijke afwijking van het aanpassingstraject in de richting van de begrotingsdoelstelling op middellange termijn wordt toegestaan. Daarom is de vereiste aanpassing in de richting van de begrotingsdoelstelling op middellange termijn voor 2018 naar beneden bijgesteld om rekening te houden met deze extra kosten.

(8)

Op 13 juli 2018 heeft de Raad Portugal aanbevolen ervoor te zorgen dat het nominale groeipercentage van de netto primaire overheidsuitgaven (6) in 2019 niet hoger ligt dan 0,7 %, hetgeen neerkomt op een jaarlijkse structurele aanpassing van 0,6 % van het bbp. Op basis van de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie bestaat het risico dat in 2019 significant zal worden afgeweken van die aanbevolen aanpassing.

(9)

Portugal zou in 2020 de budgettaire middellangetermijndoelstelling moeten waarmaken, rekening houdend met de marge voor ongewone gebeurtenissen waarvoor een tijdelijke afwijking is toegestaan. Op basis van de voorjaarsprognose 2019 van de Commissie is dit in overeenstemming met een maximale nominale groeivoet van de netto primaire overheidsuitgaven van 1,5 %, hetgeen neerkomt op een jaarlijkse structurele aanpassing van 0,5 % van het bbp. Op basis van de voorjaarsprognoses 2019 van de Commissie is er bij ongewijzigd beleid een risico dat er in 2020 een significante afwijking van dat vereiste zal optreden. Tegelijk wordt verwacht dat Portugal in 2019 door de toegestane jaarlijkse afwijking van 0,25 % aan de overgangsregel voor de schuld zal voldoen, maar in 2020 volgens de voorlopige prognoses de schuldregel niet zal naleven. Over het geheel genomen is de Raad van oordeel dat vanaf 2019 de nodige maatregelen zouden moeten worden genomen om te voldoen aan de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact. Het is belangrijk om eventuele meevallers te gebruiken om de overheidsschuldquote terug te dringen.

(10)

De versteviging van de budgettaire houdbaarheid van Portugal hangt af van voortdurende groeivriendelijke begrotingsconsolidatie, maar er is ruimte om de kwaliteit van de overheidsfinanciën te verbeteren en de uitgaven groeivriendelijker te maken door investeringen te bevorderen (zie hieronder). Hoewel de overheidsinvesteringen in 2018 zijn gestegen, zijn ze nog zeer laag ten opzichte van de Unienormen en blijven ze systematisch achter bij de streefcijfers van de regering zelf. Om de uitgaven beter te beheersen en efficiënter te maken, blijft het cruciaal de wet op de beheersing van de verplichtingen te handhaven, de budgettaire kaderwet tijdig en strikt uit te voeren en de rationaliseringsinspanningen voor te zetten. Recente opzichzelfstaande bottom-uptoetsingen van de uitgaven in specifieke sectoren hebben tot al met al beperkte efficiëntiewinsten geleid. Om hogere efficiëntiewinsten te boeken, zouden uitgaventoetsingen in plaats daarvan een vast onderdeel van het begrotingskader van Portugal moeten gaan uitmaken. Bovendien blijft er behoefte bestaan aan grondigere hervormingen om de efficiëntie te verhogen en aan een duidelijke top-downfocus op het beheersen van de totale uitgaven. Een en ander zou grotendeels moeten voortbouwen op een strategie voor de hervorming van het openbaar bestuur die erop gericht is het aantal arbeidsplaatsen in de openbare sector af te stemmen op de behoefte aan doeltreffende dienstverlening, onder meer door personeelsreallocatie en herscholing te ondersteunen, en individuele prestaties en de aantrekkelijkheid van de openbare sector voor hooggekwalificeerd personeel te bevorderen.

(11)

De overheidsfinanciën van Portugal staan voortdurend onder druk door ongunstige demografische trends, met name de vergrijzing, die negatieve gevolgen hebben, in het bijzonder voor de houdbaarheid van het pensioenstelsel en de gezondheidszorg. De voorbije hervormingen hebben de langetermijnhoudbaarheid van het pensioenstelsel weliswaar verbeterd, maar bijzondere verhogingen van de pensioenen en hervormingen van de regeling voor vervroegde uittreding hebben verdere verhogingen van de pensioenuitgaven met zich meegebracht, boven op de onderliggende opwaartse trend als gevolg van de vergrijzing. De algehele houdbaarheid van het pensioenstelsel kan negatief worden beïnvloed als er geen adequate compenserende maatregelen worden genomen. De kosteneffectiviteit in de gezondheidssector is in 2018 verder bevorderd, onder meer door een groter beroep te doen op gecentraliseerde aankoop en meer gebruik te maken van generieke en biosimilaire geneesmiddelen. Tegelijk zijn de achterstallige betalingen van ziekenhuizen aanhoudend hoog door ontoereikende begrotingsplanning en -uitvoering en tekortkomingen in de boekhoudkundige controle en het beheer. De tijdelijke dalingen van de achterstallige betalingen in 2018 waren vooral het gevolg van aanzienlijke buitengewone aanzuiveringsmaatregelen. Een nieuw programma voor 2019 is erop gericht de achterstallige betalingen van ziekenhuizen structureel aan te pakken door een nieuw governancemodel voor openbare ziekenhuizen in te voeren, in combinatie met een substantiële verhoging van hun jaarlijkse begrotingen. Cruciaal voor het vermogen van dit programma om de accumulatie van achterstallige betalingen van ziekenhuizen op korte termijn af te remmen en aldus tot een structurele reductie van het totale schuldbedrag te komen, is de tijdige en doeltreffende uitvoering ervan.

(12)

Het verhogen van de netto-inkomsten van overheidsbedrijven en het terugdringen van hun schulden, zou de houdbaarheid van de Portugese overheidsfinanciën helpen verbeteren. Volgens de ramingen van de autoriteiten zullen de netto-inkomsten van de overheidsbedrijven in hun geheel in 2019 een niveau bereiken dat vrijwel in evenwicht is, wat een vertraging inhoudt ten opzichte van eerdere mededelingen, volgens welke al in 2018 een soortgelijke uitkomst zou worden bereikt. Maatregelen om de naleving van initiële activiteitenplannen te waarborgen en inspanningen om voor tijdigere, transparantere en bredere monitoring te zorgen, zijn bovendien uitgesteld en er is lang over gedaan om ze waar nodig in corrigerende actie om te zetten. Met name is geen toereikend niveau van transparantie vooraf met betrekking tot de financiering van overheidsbedrijven via herkapitalisaties en leningen gewaarborgd.

(13)

Ondanks de lopende uitvoering van maatregelen ter vermindering van de arbeidsmarktsegmentatie, zoals de versterking van de arbeidsinspectie en de invoering van een integratieprogramma voor werknemers met onzeker werk in de openbare sector, is het aandeel tijdelijke werknemers in Portugal nog steeds hoger dan het Uniegemiddelde. Meer specifieke maatregelen die zijn overeengekomen door de regering en vertegenwoordigers van de werkgevers en de werknemers om de segmentatie en onzekerheid op de arbeidsmarkt verder te verminderen en collectieve onderhandelingen te bevorderen, moeten nog door het parlement worden goedgekeurd en in concrete wetgeving worden omgezet.

(14)

Betere arbeidsmarktomstandigheden hebben ervoor gezorgd dat minder mensen risico op armoede of sociale uitsluiting lopen. Ondanks deze verbetering blijft de inkomensongelijkheid groot en is het effect van sociale overdrachten op de armoedebestrijding beperkt. De inkomensongelijkheid in Portugal neemt af, maar blijft aanzienlijk hoger dan het Uniegemiddelde. De toereikendheid van de minimuminkomensregeling behoort tot de laagste in de Unie, met inkomens die slechts 40 % van de nationale armoedegrens bedragen. Tenzij er een herziening komt, kan de geringe doeltreffendheid van de sociale overdrachten zwaar op de proef worden gesteld in geval van toekomstige economische stagnatie, die met name kwetsbare mensen zou treffen.

(15)

Het lage kwalificatieniveau van werknemers vormt een obstakel voor de groei van de investeringen en de productiviteit. Ongeveer 50 % van de bevolking tussen 25 en 64 jaar heeft een laag opleidingsniveau. Dat is ruim boven het Uniegemiddelde van 22 % in 2018. Het lage aanbod aan gekwalificeerd personeel is volgens bedrijven een belangrijk obstakel voor investeringen. Met name wat volwasseneneducatie betreft, is er ruimte om meer laagopgeleiden (van wie de deelname aan educatieve activiteiten onder het Uniegemiddelde ligt) bij te scholen en de overheidsstimulansen voor personeelsopleiding eveneens op kleine en middelgrote ondernemingen te richten. Digitale vaardigheden vormen een bijzondere uitdaging: 50 % van de Portugese bevolking heeft geen digitale basisvaardigheden, tegenover een Uniegemiddelde van 43 %. Investeren in onderwijs en opleiding, met inbegrip van infrastructuur, is essentieel om de inzetbaarheid en sociale mobiliteit te verbeteren.

(16)

In het kader van inspanningen om het aantal personen met een diploma hoger onderwijs te vergroten, worden momenteel maatregelen genomen om het aantal inschrijvingen in het hoger onderwijs te verhogen, zoals een aanzienlijke uitbreiding van het aantal beurzen. Van de 30-tot 34-jarigen in Portugal heeft 33,5 % een diploma hoger onderwijs, wat nog steeds minder is dan het Uniegemiddelde van 40,7 %. Deze aanhoudend lage percentages, met name als het gaat om afgestudeerden in informatie- en communicatietechnologie, natuurwetenschappen, wiskunde en statistiek, kunnen negatieve gevolgen hebben voor de productiviteitsgroei en de innovatiecapaciteit van Portugal. De overheid tracht de kwestie aan te pakken door het aantal plaatsen in deze studierichtingen te verhogen en een herziening van het hoger onderwijs door te voeren, maar er zijn meer inspanningen nodig.

(17)

Het percentage niet-renderende leningen in het financiële stelsel blijft met 9,4 % relatief hoog. Desalniettemin hebben de meeste banken aanzienlijke vooruitgang geboekt bij het halen van de streefcijfers voor het reduceren van niet-renderende leningen. Het volume niet-renderende leningen is tussen de piek van juni 2016 en december 2018 met 50 % gedaald. De secundaire markt voor noodlijdende activa heeft een impuls gekregen, terwijl de banken ook de afschrijvingen en de afwikkeling van niet-renderende kredieten hebben versneld. De uitsplitsing van de niet-renderende leningen laat nog steeds een constant hoog aandeel (65 %) niet-renderende bedrijfsleningen zien. De voorbije jaren hebben de autoriteiten een aantal juridische en institutionele hervormingen van de procedures voor insolventie en schuldinvordering doorgevoerd. De gemiddelde duur van insolventieprocedures en het aantal aanhangige rechtszaken blijven echter aanhoudend hoog. De juridische en rechterlijke kaders hebben zware gevolgen voor het invorderingsproces en voor de perspectieven op een efficiënte terugneming van zakelijk onderpand. De lange gemiddelde duur van invorderingsprocedures weegt op de marktprijzen voor niet-renderende activa.

(18)

Hervormingen gericht op administratieve vereenvoudiging zijn voornamelijk beperkt gebleven tot de algemene implementatie van de dematerialisatie van procedures en het eenmaligheidsbeginsel. Het moderniseren van de administratie zou gepaard moeten gaan met grotere administratieve vereenvoudiging. Er zou in het bijzonder prioriteit moeten worden verleend aan het beperken van het aantal documenten dat moet worden ingediend en aan het vervangen van vergunningsregelingen door eenvoudige verklaringen van naleving van de toepasselijke voorwaarden of, voor gevoeligere sectoren, aan het vereenvoudigen van vergunningen door de beslissingstijd in te korten en stilzwijgende goedkeuring in te voeren. De stroomlijning van procedures voor specifieke sectoren ontbreekt nog steeds. Er blijft sprake van buitensporige administratieve lasten, met name in de bouwsector. Voorts wordt de concurrentie belemmerd door tekortkomingen in de planning en monitoring van openbare aanbestedingen. De prestaties van openbare aanbestedingen kunnen worden verbeterd door gestructureerde en gekwantificeerde planning in te voeren en nauwer toezicht op de uitvoeringsfase van contracten te waarborgen. Ondanks een aanzienlijke daling van het aantal rechtstreekse gunningen tussen 2017 en 2018 blijft het gebruik ervan hoog.

(19)

In het kader van het programma voor financiële bijstand heeft Portugal een inspanning geleverd om de regeldruk voor sterk gereglementeerde beroepen te verlagen, met name met de invoering van de kaderwet van 2013. In sommige gevallen werd deze vooruitgang echter tegengehouden of zelfs omgekeerd door de aanneming van verordeningen voor de afzonderlijke beroepen en de invoering van een verbod op bedrijfsgroepen. De talrijke regelgevende en administratieve beperkingen ten aanzien van zakelijke en professionele diensten geven aanleiding tot bezorgdheid over concurrentie, prijsniveaus, innovatie en de kwaliteit van diensten. Tot dusver zijn er geen hervormingsplannen aangekondigd naar aanleiding van de aanbevelingen van de Commissie over de reglementering van professionele dienstverlening en de OESO-concurrentieanalyse van 2018 met betrekking tot zelfgereguleerde beroepen in Portugal (in samenwerking met de Portugese mededingingsautoriteit).

(20)

De voorwaarden voor bedrijven om toegang te krijgen tot financiering zijn de afgelopen jaren verbeterd en het aandeel bedrijven dat toegang tot financiering het belangrijkste struikelblok voor investeringen noemt, is nu in lijn met het Uniegemiddelde. De Portugese autoriteiten hebben verscheidene initiatieven op dit gebied ontplooid en versterkt, zoals het Capitalizar-programma en andere programma’s die op specifieke soorten bedrijven of sectoren zijn gericht. Portugese bedrijven putten voor de financiering van investeringen echter veelal uit hun eigen middelen, en te weinig bankleningen komen terecht bij bedrijven met een hogere productiviteit. De lage hoeveelheid geïnvesteerd kapitaal per werknemer vormt een belangrijk obstakel voor het upgraden van de productiestructuur van de Portugese economie. In deze context is het belangrijk dat de productieve investeringen stijgen en gradueel worden verschoven naar bedrijven met groeipotentieel in sectoren met een hoogproductief profiel. Hoewel de beschikbaarheid van andere financieringsbronnen, zoals durf- en aandelenkapitaal, de afgelopen jaren is toegenomen, blijft ze duidelijk onder het Uniegemiddelde.

(21)

Het gerechtelijk apparaat wordt efficiënter, maar blijft kampen met kritieke uitdagingen zoals lange procedures en een grote achterstand bij de behandeling van rechtszaken, met name bij de administratieve en fiscale rechtbanken. De inspanningen om corruptie aan te pakken gaan door, maar de preventie van corruptie blijft een probleem doordat een gecoördineerde strategie ontbreekt en de verantwoordelijkheden versnipperd zijn.

(22)

De investeringen in onderzoek en ontwikkeling (O & O) zijn recent weer gestegen, maar blijven onvoldoende om het Portugese nationale stelsel voor onderzoek en innovatie naar een hoger peil te brengen. Na jaren van achteruitgang is het aandeel van de uitgaven voor O & O ten opzichte van het bbp recent gestegen en in 2017 was de O & O-intensiteit van het bedrijfsleven iets groter dan die van de overheid. Er is weinig vooruitgang geboekt bij het upgraden van de economische structuur van Portugal om meer toegevoegde waarde te creëren in de hoogtechnologische maakindustrie en kennisintensieve diensten. Het bevorderen van investeringen in immateriële activa, met inbegrip van O & O, maar ook managementvaardigheden, financiële geletterdheid en digitale vaardigheden, om bedrijven in staat te stellen te groeien, hun innovatiecapaciteit te verbeteren en exportmarkten te betreden, biedt Portugal een aanzienlijke potentie om een impuls te geven aan de investeringen en de productiviteitsgroei.

(23)

Ontoereikende maritieme en spoorwegverbindingen maken het moeilijk voor exportgerichte ondernemingen om het potentieel van de eengemaakte markt ten volle te benutten. Door zijn geografische ligging is Portugal een natuurlijk punt van binnenkomst, met name voor de trans-Atlantische routes. Tijdige investeringen in nieuwe containerterminals in Sines (Terminal Vasco da Gama), Leixões en Barreiro en de voltooiing van lopende investeringsprojecten in de andere belangrijke Portugese havens (Viana do Castelo, Leixões, Aveiro, Figueira da Foz, Setubal) zouden de vrachtbehandelingscapaciteit van deze havens vergroten. De spoorwegen blijven nog steeds sterk onderbenut in de verbindingen met Spanje (zowel de oost-westcorridor als de noord-zuidcorridor). De ontwikkeling van een omvattend Iberisch plan, waaronder het aanwijzen van de tussenstappen, terminals en verbindingen die nodig zijn om te profiteren van de upgrade van het Spaanse netwerk, en de ontwikkeling van de spoorwijdte van de Internationale Spoorwegunie zouden helpen een impuls te geven aan de internationale spoorwegprestaties van Portugal.

(24)

Investeringen in hulpbronnenefficiëntie en in het beperken van en aanpassen aan klimaatverandering zouden duurzame langetermijngroei helpen bewerkstelligen. Anticiperen op de negatieve gevolgen van de klimaatverandering, zoals overstromingen en bosbranden, blijft een probleem in Portugal. Het blijft een uitdaging om het streefcijfer voor de energie-efficiëntie voor 2020 te halen, en uit de laatste gegevens voor 2017 blijkt dat het energieverbruik in stijgende lijn gaat. Er is nog steeds veel ruimte om de energie-efficiëntie in gebouwen te verhogen en het energieverbruik van het bedrijfsleven te verlagen. Een betere grensoverschrijdende energieconnectiviteit zou meer concurrentie mogelijk maken en de inzet van hernieuwbare energie vergemakkelijken.

(25)

De programmering van de Uniemiddelen voor de periode 2021-2027 zou kunnen bijdragen tot het aanpakken van een aantal van de in de aanbevelingen geconstateerde leemten, met name op de gebieden die worden behandeld in bijlage D bij het landverslag 2019. Dit zou Portugal in staat stellen om die middelen optimaal in te zetten ten aanzien van de aangewezen sectoren, rekening houdend met regionale verschillen en de bijzondere situatie van de ultraperifere gebieden. Een versterking van de administratieve capaciteit van het land om deze middelen te beheren, is een belangrijke factor voor het welslagen van deze investering.

(26)

In de context van het Europees Semester 2019 heeft de Commissie een brede analyse van het economische beleid van Portugal verricht. Die analyse is gepubliceerd in het landverslag 2019. Voorts heeft de Commissie zowel het stabiliteitsprogramma 2019 als het nationale hervormingsprogramma 2019 doorgelicht en onderzocht welk gevolg is gegeven aan de aanbevelingen die in eerdere jaren tot Portugal zijn gericht. Daarbij heeft de Commissie niet alleen gekeken naar de relevantie ervan voor een houdbaar begrotings- en sociaal-economisch beleid in Portugal, maar is zij ook nagegaan of de Unieregels en -richtsnoeren in acht zijn genomen, gezien de noodzaak de algehele economische governance van de Unie te versterken door middel van een inbreng op Unieniveau in toekomstige nationale besluiten.

(27)

In het licht van deze beoordeling heeft de Raad het stabiliteitsprogramma 2019 onderzocht en zijn advies (7) daarover is met name in de onderstaande aanbeveling 1 weergegeven.

(28)

In het licht van de diepgaande evaluatie door de Commissie en van deze beoordeling heeft de Raad het nationale hervormingsprogramma 2019 en het stabiliteitsprogramma 2019 onderzocht. Zijn aanbevelingen op grond van artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 zijn in de onderstaande aanbevelingen 1 tot en met 4 weergegeven. Die aanbevelingen dragen ook bij tot de uitvoering van de aanbeveling voor 2019 voor de eurozone, met name de eerste, tweede en vierde aanbeveling voor de eurozone. Het in aanbeveling 1 bedoelde begrotingsbeleid draagt onder meer bij tot het aanpakken van onevenwichtigheden in verband met de hoge overheidsschuld,

BEVEELT AAN dat Portugal in 2019 en 2020 de volgende actie onderneemt:

1.   

De budgettaire middellangetermijndoelstelling in 2020 verwezenlijken, rekening houdend met de marge voor ongewone gebeurtenissen waarvoor een tijdelijke afwijking is toegestaan. Eventuele meevallers gebruiken om de overheidsschuldquote sneller te verminderen. De kwaliteit van de overheidsfinanciën verbeteren door prioriteit te verlenen aan groeibevorderende uitgaven en tegelijk de beheersing van de totale uitgaven, de kostenefficiëntie en adequate budgettering te versterken, met bijzondere aandacht voor een duurzame vermindering van de achterstallige betalingen van ziekenhuizen. De financiële levensvatbaarheid van overheidsbedrijven verbeteren, en voor tijdigere, transparantere en bredere monitoring zorgen.

2.   

Maatregelen goedkeuren om de arbeidsmarktsegmentatie aan te pakken. De vaardigheden van de bevolking verbeteren, met name de digitale geletterdheid, onder meer door volwasseneneducatie beter te doen aansluiten bij de behoeften van de arbeidsmarkt. Het aantal personen dat een diploma hoger onderwijs haalt, verhogen, met name in wetenschappen en informatietechnologie. De effectiviteit en adequaatheid van het sociaal vangnet verbeteren.

3.   

Investeringsgerelateerd economisch beleid toespitsen op onderzoek en innovatie, spoorwegvervoer en haveninfrastructuur, decarbonisatie en de energietransitie en de uitbreiding van energie-interconnecties, rekening houdend met regionale verschillen.

4.   

Een snellere uitwinning van de voor niet-renderende leningen gestelde zekerheden mogelijk maken door de efficiëntie van insolventie- en invorderingsprocedures te verhogen. De administratieve en regelgevingslasten voor bedrijven verminderen, voornamelijk door sectorspecifieke belemmeringen voor licenties te verminderen. Een routekaart ontwikkelen om de beperkingen in sterk gereglementeerde beroepen te verminderen. De efficiëntie van de administratieve en fiscale rechtbanken verhogen, met name door de duur van procedures te verkorten.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LINTILÄ


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(2)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25.

(3)  PB C 136 van 12.4.2019, blz. 1.

(4)  PB C 320 van 10.9.2018, blz. 92.

(5)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(6)  De netto primaire overheidsuitgaven bestaan uit de totale overheidsuitgaven exclusief rente-uitgaven, uitgaven in het kader van programma’s van de Unie die volledig met inkomsten uit Uniefondsen worden gefinancierd en niet-discretionaire veranderingen in de uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen. Nationaal gefinancierde bruto-investeringen in vaste activa worden gespreid over een periode van vier jaar. Er wordt rekening gehouden met discretionaire inkomstenmaatregelen of bij wet verplicht gestelde inkomstenstijgingen. Eenmalige maatregelen aan zowel de inkomsten- als de uitgavenzijde worden uitgevlakt.

(7)  Op grond van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97.


5.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 301/135


AANBEVELING VAN DE RAAD

van 9 juli 2019

over het nationale hervormingsprogramma 2019 van Roemenië en met een advies van de Raad over het convergentieprogramma 2019 van Roemenië

(2019/C 301/23)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (1), en met name artikel 9, lid 2,

Gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (2), en met name artikel 6, lid 1,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 21 november 2018 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse groeianalyse en daarmee de aanzet gegeven tot het Europees Semester 2019 voor coördinatie van het economisch beleid. Daarbij is rekening gehouden met de op 17 november 2017 door het Europees Parlement en de Raad geproclameerde Europese pijler van sociale rechten. De prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse zijn op 21 maart 2019 door de Europese Raad bekrachtigd. Op 21 november 2018 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 ook het waarschuwingsmechanismeverslag aangenomen, waarin zij Roemenië heeft genoemd als een van de lidstaten die aan een diepgaande evaluatie zullen worden onderworpen.

(2)

Op 27 februari 2019 is het landverslag 2019 voor Roemenië gepubliceerd. Daarin werd de vooruitgang beoordeeld die Roemenië bij het opvolgen van de op 13 juli 2018 door de Raad aangenomen landspecifieke aanbevelingen (3) heeft gemaakt, alsmede het gevolg dat is gegeven aan de landspecifieke aanbevelingen die in de jaren voordien werden goedgekeurd, en de vooruitgang die Roemenië in de richting van zijn nationale Europa 2020-doelstellingen heeft geboekt. Het landverslag besteedde ook aandacht aan de op grond van artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 uitgevoerde diepgaande evaluatie, waarvan de uitkomsten ook op 27 februari 2019 zijn bekendgemaakt. Op basis van haar analyse concludeert de Commissie dat Roemenië met macro-economische onevenwichtigheden wordt geconfronteerd. De kwetsbare punten houden met name verband met een afnemend kostenconcurrentievermogen en de groter wordende tekorten op de lopende rekening tegen een achtergrond van op expansie gericht begrotingsbeleid en een onvoorspelbaar ondernemingsklimaat. Recente wetgevingsinitiatieven brengen risico’s mee voor het functioneren van de financiële sector en kunnen de particuliere investeringen schaden.

(3)

Roemenië heeft zijn nationale hervormingsprogramma 2019 op 9 mei 2019 en zijn convergentieprogramma op 8 mei 2019 ingediend. Om met de onderlinge verbanden tussen beide programma’s rekening te houden, zijn deze tegelijkertijd geëvalueerd.

(4)

De betrokken landspecifieke aanbevelingen zijn meegenomen in de programmering voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) voor de periode 2014-2020. Op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4) kan de Commissie een lidstaat verzoeken zijn partnerschapsovereenkomst en de desbetreffende programma’s opnieuw te bezien en wijzigingen daarop voorstellen indien dit nodig is om de uitvoering van de betrokken aanbevelingen van de Raad te ondersteunen. De Commissie heeft in richtsnoeren met betrekking tot de toepassing van de maatregelen die de effectiviteit van de ESI-fondsen koppelen aan gezonde economische governance nader aangegeven hoe zij van die bepaling gebruik zal maken.

(5)

Roemenië valt momenteel onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact. Volgens haar convergentieprogramma 2019 streeft de regering in 2019 naar een nominaal tekort van 2,8 % van het bruto binnenlands product (bbp) en vervolgens naar een geleidelijke daling tot 2,0 % van het bbp in 2022. Op basis van het herberekende structurele saldo (5) wordt ervan uitgegaan dat de begrotingsdoelstelling op middellange termijn, namelijk een structureel tekort van 1 % van het bbp, niet zal worden gehaald in het tijdsbestek van het programma. Volgens het convergentieprogramma zal de overheidsschuldquote naar verwachting tussen nu en 2022 onder de 40 % blijven. Het macro-economische scenario dat aan die begrotingsprognoses ten grondslag ligt, is gunstig. Bovendien zijn de maatregelen die nodig zijn om de geplande tekortdoelstellingen te ondersteunen, niet voldoende gespecificeerd.

(6)

Op 22 juni 2018 constateerde de Raad overeenkomstig artikel 121, lid 4, van het Verdrag dat zich in 2017 in Roemenië een significante afwijking van het aanpassingstraject in de richting van de begrotingsdoelstelling op middellange termijn had voorgedaan. In het licht van de geconstateerde significante afwijking bracht de Raad op 22 juni 2018 een aanbeveling uit (6) waarin Roemenië werd aanbevolen de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de netto primaire overheidsuitgaven (7) nominaal niet zouden stijgen met meer dan 3,3 % in 2018 respectievelijk 5,1 % in 2019, hetgeen overeenstemt met een jaarlijkse structurele aanpassing van 0,8 % van het bbp per jaar. Op 4 december 2018 stelde de Raad Besluit (EU) 2018/2020 (8) vast, waarin werd geconstateerd dat Roemenië geen doeltreffende maatregelen had genomen om gevolg te geven aan de aanbeveling van de Raad van 22 juni 2018, en stelde hij een herziene aanbeveling vast (9). In de aanbeveling van 4 december 2018 verzocht de Raad Roemenië de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de netto primaire overheidsuitgaven in 2019 nominaal met niet meer dan 4,5 % stijgen, hetgeen overeenkomt met een jaarlijkse structurele aanpassing van 1,0 % van het bbp. Op 14 juni 2019 stelde de Raad Besluit (EU) 2019/1002 vast (10), waarin werd geconstateerd dat Roemenië geen doeltreffende maatregelen had genomen om gevolg te geven aan de aanbeveling van de Raad van 4 december 2018. Op basis van de begrotingsresultaten voor 2018 werd bovendien vastgesteld dat Roemenië in 2018 significant afweek van de aanbevolen aanpassing. Overeenkomstig artikel 121, lid 4, van het Verdrag en artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad waarschuwde de Commissie Roemenië op 5 juni 2019 dat in 2018 een significante afwijking van het aanpassingstraject naar de begrotingsdoelstelling op middellange termijn werd waargenomen. Op 14 juni 2019 nam de Raad een daaruit volgende aanbeveling aan (11) waarin werd bevestigd dat Roemenië de nodige maatregelen moet nemen om ervoor te zorgen dat de netto primaire overheidsuitgaven in 2019 nominaal met niet meer dan 4,5 % stijgen, hetgeen overeenkomt met een jaarlijkse structurele aanpassing van 1,0 % van het bbp. Op basis van de voorjaars-prognose 2019 van de Commissie is er een risico dat in 2019 zal worden afgeweken van die aanbeveling.

(7)

In zijn aanbeveling van 14 juni 2019 beval de Raad Roemenië aan de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de netto primaire overheidsuitgaven in 2020 nominaal met niet meer dan 5,1 % stijgen, hetgeen overeenkomt met een jaarlijkse structurele aanpassing van 0,75 % van het bbp. Volgens de voorjaarsprognose van de Commissie bestaat bij ongewijzigd beleid het risico dat in 2020 van dat vereiste zal worden afgeweken. Voorts stelt de voorjaarsprognose 2019 van de Commissie een overheidstekort in het vooruitzicht dat groter is dan de in het Verdrag vastgestelde referentiewaarde van 3 % van het bbp. Over het geheel genomen is de Raad van mening dat vanaf 2019 belangrijke verdere maatregelen nodig zullen zijn om te voldoen aan de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact, in het licht van de ernstig verslechterende budgettaire vooruitzichten, overeenkomstig de aanbeveling van de Raad aan Roemenië van 14 juni 2019 met het oog op de correctie van de vastgestelde significante afwijking van het aanpassingstraject in de richting van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting.

(8)

In zijn begrotingsplanning legt Roemenië de bepalingen van het nationale begrotingskader regelmatig naast zich neer. Volgens de nationale regel inzake structurele tekorten moet worden gezorgd voor inachtneming van de budgettaire middellangetermijndoelstelling, dat wil zeggen een structureel tekort van niet meer dan 1 % van het bbp, of voor convergentie in die richting. In 2016 stapte Roemenië af van de begrotingsdoelstelling voor de middellange termijn en sindsdien volgt het een afwijkende koers, hetgeen in strijd is met de regel inzake het nationale begrotingstekort. De twee in het najaar van 2018 goedgekeurde wijzigingen van de begroting van 2018 weken opnieuw af van verschillende aanvullende voorschriften op grond waarvan het verboden is de tekortlimieten en uitgavenplafonds gedurende het lopende begrotingsjaar op te trekken. In de begroting voor 2019, die in februari 2019 door de regering werd vastgesteld en in maart door het parlement werd goedgekeurd, werd opnieuw afgeweken van meerdere begrotingsregels, waaronder de regel inzake het structurele begrotingstekort. Voorts hebben de autoriteiten, net als in voorgaande jaren, verzuimd om vóór de voorgeschreven termijn van augustus een actualisering van de budgettaire middellange-termijnstrategie aan het parlement toe te zenden, waardoor de leidende rol van het parlement werd ondermijnd. Ook voldeden de autoriteiten evenmin als in voorgaande jaren aan het vereiste om een verklaring te ondertekenen dat de begroting voor 2019 en de begrotings-strategie voldoen aan de begrotingsregels en de beginselen van begrotingsverantwoordelijkheid.

(9)

De belastingwetgeving wordt nog steeds slecht nageleefd. Er bestaat nog steeds een zeer groot verschil tussen de in theorie verwachte en de werkelijk geïnde btw-ontvangsten. De omvangrijke informele economie vormt een extra uitdaging voor de naleving van de belastingwetgeving, terwijl de overheid aanzienlijke begrotingsinkomsten misloopt door het vele zwartwerk. Daarnaast vergemakkelijken de doorgaans contante betalingen belastingontduiking. Het afgelopen jaar boekte Roemenië weinig vooruitgang bij de uitvoering van de landspecifieke aanbeveling om te zorgen voor een betere belastinginning en naleving van de belastingwetgeving. De invoering van elektronische kassasystemen die in verbinding staan met de belastingdienst vordert tamelijk traag. De belastingdienst neemt stappen om een risicobeoordelingssysteem op te zetten voor de controle van belastingplichtigen.

(10)

Na een aantal jaren van aanhoudende inspanningen om de financiële sector te consolideren, kwam de financiële stabiliteit in 2018 opnieuw onder druk te staan door een reeks wetgevingsinitiatieven van de regering en het parlement. De belasting op de activa van banken die de regering eind december 2018 via een noodverordening heeft goedgekeurd, zonder effectbeoordeling of raadpleging van de belanghebbenden, leidde tot een aantal ernstige punten van zorg in verband met de negatieve gevolgen ervan voor de prudentiële situatie van banken, de uitvoering van het monetair beleid en uiteindelijk ook voor investeringen en economische groei. De manier waarop de verordening is vastgesteld en de bepalingen ervan hebben een aanzienlijk negatief effect gehad op de wisselkoers, het vermogen van de regering om op de markt te lenen en uiteindelijk de manier waarop de belanghebbenden operationele risico’s percipiëren. Hoewel sommige controversiële aspecten van de belasting in maart 2019 werden gewijzigd, werden deze wijzigingen opnieuw via een noodverordening van de regering en zonder effectbeoordeling goedgekeurd. De belasting op de totale activa van banken werd ontdaan van de meest problematische aspecten. De belasting kan in haar nieuwe vorm echter verkeerde kredietprikkels geven, waardoor het krediet aan de economie niet terechtkomt waar het zou moeten. De mogelijke consequenties van deze veranderingen voor de monetaire transmissie zouden moeten worden onderzocht. Meerdere wetgevingsinitiatieven die eind 2018 door het parlement zijn vastgesteld, doch in maart 2019 door het grondwettelijk hof ongrondwettelijk zijn verklaard hebben de banksector nog meer onder druk gezet en het algemene beeld van een onvoorspelbaar wetgevingskader versterkt. De ervaring leert dat de wetgever dergelijke initiatieven opnieuw zou kunnen voorstellen.

(11)

De nieuwe pensioenwet, die in december 2018 door het parlement is goedgekeurd, brengt de houdbaarheid van de overheidsfinanciën waarschijnlijk in gevaar. Het pensioenpunt, dat wil zeggen de belangrijkste parameter voor de indexering van de pensioenen, zal normaal gesproken in september 2019 met 15 % en in september 2020 met 40 % stijgen. De pensioenwetgeving zou een wijziging inhouden van verschillende parameters die worden gebruikt om de pensioenuitkeringen te berekenen. Met name zal de waarde van het pensioenpunt stijgen, aangezien de indexering voor bestaande pensioenen niet langer zou convergeren in de richting van prijzen, maar in plaats daarvan voortaan zou berusten op lonen en prijzen. Bovendien zal de bijdrageperiode die voor de berekening van het pensioen van een persoon wordt gebruikt, worden verkort, wat leidt tot hogere pensioenuitgaven voor nieuwe pensioenen. De afschaffing van de correctie-index voor nieuwe pensioenen (die voorheen het eerste pensioen gedeeltelijk koppelde aan het loon) zal evenwel een beperkende invloed hebben op de totale stijging van de pensioenuitgaven die het gevolg is van de andere parameters. Enkele structurele uitdagingen die van invloed zijn op de toereikendheid van de pensioenen, zijn nog steeds niet aangepakt. De feitelijke pensioenleeftijd ligt dicht bij het Uniegemiddelde, maar is voor mannen en vrouwen niet gelijk. Doordat de bijdrageperioden voor vrouwen bovendien korter zijn, is er een aanzienlijke pensioenkloof tussen mannen en vrouwen.

(12)

De in 2008 doorgevoerde hervorming van het pensioenstelsel is geleidelijk teruggedraaid. Na herhaald uitstel van de geplande verhogingen van de bijdragen aan de pensioenfondsen van de tweede pijler, die in 2016 hadden moeten uitkomen op 6 % van het brutoloon, werden de bijdragen met ingang van 2018 verlaagd tot 3,75 % van het brutoloon. De pensioenfondsen van de tweede pijler werden verder verzwakt door een reeks maatregelen die de regering eind 2018 via een noodverordening vaststelde. De bijdragen aan deze fondsen werden facultatief gemaakt na een minimumbijdrageperiode van ten minste vijf jaar. De minimumkapitaal-vereisten voor pensioenfondsbeheersmaatschappijen in het kader van de tweede pijler werden aanzienlijk aangescherpt, waardoor het risico ontstond dat fondsbeheerders zich van de Roemeense markt zouden terugtrekken. Ook werden de administratieve toeslagen die werden geheven over de bruto bijdragen aanzienlijk verlaagd, wat gevolgen zou kunnen hebben voor de financiële resultaten van de fondsbeheersmaatschappijen en waardoor de kans toenam dat zij hun activiteiten op de markt zouden staken. Dit zou negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van de lokale kapitaalmarkt en de pool van institutionele beleggers kunnen hebben en de economie zou hierdoor een broodnodige bron van langetermijninvesteringen kunnen verliezen. Bovendien leidt het verzwakken of afbreken van de tweede pijler tot een minder gediversifieerd pensioeninkomen en zullen de pensioenen worden blootgesteld aan grotere politieke en demografische risico’s. In maart 2019 handhaafde de regering via een noodverordening de nieuwe minimumkapitaalvereisten voor de fondsbeheersmaatschappijen, maar stelde de uiterste datum voor het bijstorten van het volledige extra kapitaal uit tot december 2019. In mei 2019 verlaagde de regering de minimumkapitaalvereisten voor pensioenfondsbeheersmaatschappijen aanzienlijk, en dat maakte de in december 2018 besliste verhoging gedeeltelijk ongedaan. Andere bepalingen van de noodverordening van december 2018 die de levensvatbaarheid van tweedepijlerpensioenfondsen in gevaar brengen, blijven ongewijzigd.

(13)

Problemen in verband met de kwaliteit en de inclusiviteit van het onderwijs- en opleidingsstelsel hebben een negatief effect op het potentieel voor inclusieve groei van Roemenië. Hoewel het onderwijsbudget in 2019 is gestegen, behoren de onderwijsuitgaven nog steeds tot de laagste in de Unie, met name op de onderwijsniveaus die cruciaal zijn om voortijdig schoolverlaten te voorkomen (het percentage vroegtijdige schoolverlaters is nog steeds hoog), gelijke kansen te waarborgen en de ongelijkheid later in het leven aan te pakken. De deelname aan vroegschoolse educatie en opvang van hoge kwaliteit blijft, mede door een gebrek aan faciliteiten, onder het Uniegemiddelde. Dit heeft gevolgen voor de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen en de vroegtijdige verwerving van vaardigheden. Er is sprake van achterstand waar het gaat om het moderniseren van het schoolnetwerk en het optimaal inspelen op demografische ontwikkelingen: 10 % van de scholen is overvol en 58 % heeft capaciteit over. Wat de verwerving van basis- en digitale vaardigheden betreft, is er sprake van aanzienlijke uitdagingen. De competenties van leerkrachten om een leerlinggerichte aanpak toe te passen, zijn onvoldoende ontwikkeld. De verschillen tussen stad en platteland blijven bestaan en kwetsbare groepen, waaronder de Roma, hebben nog steeds beperkte toegang tot hoogwaardig, inclusief onderwijs.

(14)

De druk op de arbeidsmarkt neemt toe, aangezien er tegelijk sprake is van zeer lage werkloosheid (4,2 % in 2018), een krimpende beroepsbevolking en een aanhoudend tekort aan vaardigheden. De participatiegraad van vrouwen is laag, met name onder jonge vrouwen en vrouwen van middelbare leeftijd. Dit is voornamelijk toe te schrijven aan persoonlijke en gezinsverantwoordelijkheden en de geringe deelname van kinderen van 0-3 jaar aan formele kinderopvang. In de behoeften van de arbeidsmarkt worden slechts in beperkte mate voorzien met een actief arbeidsmarktbeleid; de maatregelen zijn vooral gericht op financiële prikkels in plaats van op algemene en specifieke oplossingen. De vertraging van de geplande hervorming van de openbare dienst voor arbeidsvoorziening blijft een significante belemmering voor gemoderniseerde dienstverlening aan werkgevers en werklozen. Ook van bijscholing en geïntegreerde dienstverlening komt weinig terecht. De vaardigheden worden niet ontwikkeld overeenkomstig de behoeften van groeiende economische sectoren; 81 % van de werkgevers heeft moeite heeft om vacatures in te vullen. De ICT-sector groeit, terwijl het aantal Roemenen in de leeftijdsgroep van 20-29 jaar dat is afgestudeerd in wetenschappen, technologie, ingenieurswetenschappen of wiskunde tussen 2014 en 2016 is afgenomen. Op dit moment is er geen algemene beoordeling of sectorale beoordeling van de behoefte aan vaardigheden en wordt er geen gebruik gemaakt van de vooruitzichten inzake vaardigheden. Dit belemmert de aanpassing van het onderwijs- en opleidingsstelsel aan de behoeften van de arbeidsmarkt. Er wordt gewerkt aan een duaal onderwijssysteem om de tekorten aan vaardigheden te verhelpen. Beroepsonderwijs en -opleidingen worden door studenten en ouders echter nog steeds beschouwd als tweede keus, en de betrekkelijk geringe arbeidsparticipatie van mensen die pas een beroepsopleiding hebben afgerond, wijst erop dat de relevantie voor de arbeidsmarkt voor verbetering vatbaar is. Het hoger onderwijs is onvoldoende afgestemd op de arbeidsmarkt. Hoewel het percentage personen met een diploma tertiair onderwijs in de loop van het decennium is verdubbeld, blijft het laag.

(15)

Ondanks recente verbeteringen blijven de armoede en de inkomensongelijkheid groot en nemen de regionale verschillen verder toe. Een op de drie Roemenen wordt nog steeds bedreigd met armoede en sociale uitsluiting; dit geldt des te meer voor specifieke groepen als kinderen, Roma, mensen met een handicap en ouderen. Sociale diensten beschikken over onvoldoende kwaliteit, bieden onvoldoende dekking, zijn geografisch ongelijk verdeeld en zijn niet gericht op de specifieke behoeften van gemeenschappen. Slechts zo’n 20 % van de bestuurlijke territoriale eenheden beschikt over erkende sociale diensten. De diensten zijn doorgaans geconcentreerd rond de rijkere en stedelijke gebieden, terwijl de behoeften in armere, landelijke gebieden en regio’s dringender zijn. De beperkte integratie van diensten op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs, gezondheidszorg en sociale voorzieningen draagt niet bij tot de duurzame integratie van verschillende kansarme groepen. Personen met een handicap krijgen slechts beperkte steun waar het gaat om zelfstandig wonen en toegang tot werk. De situatie van de Roma-gemeenschap vertoont zeer weinig vooruitgang. De woningnood is nergens in de Unie hoger en gaat ten koste van sociale inclusie. Het huisvestingsbeleid wordt gedecentraliseerd zonder dat er een strategisch kader is, en arme gemeenschappen beschikken vaak over onvoldoende financiële middelen. De sociale referentie-index die als basis voor de meeste sociale uitkeringen wordt gebruikt, is sinds 2008 niet geactualiseerd en is ook aanzienlijk gedevalueerd ten opzichte van het minimumloon. Als gevolg daarvan zijn de armoedecijfers voor mensen met een lage en zeer lage arbeidsintensiteit sinds 2010 met de helft gestegen. Bovendien is de sociale zekerheid voor atypische werknemers ontoereikend. Eén op de drie atypische werknemers riskeert ernstige materiële deprivatie. Dag- en seizoenarbeiders hebben geen formele toegang tot socialezekerheidsrechten met betrekking tot werkloosheid, moederschapsverlof, arbeidsongevallen en beroepsletsel. De tenuitvoerlegging van de in 2016 gestarte hervorming van het minimale inclusie-inkomen, die de dekking en de toereikendheid van de sociale bijstand zou verbeteren, werd verder uitgesteld tot 2021.

(16)

De sociale dialoog wordt gekenmerkt door een lage dekkingsgraad van collectieve arbeidsovereenkomsten, met name op sectoraal niveau, mede als gevolg van de huidige definitie van sectoren. De autoriteiten hebben de basis gelegd voor plannen om de definities van economische sectoren te herzien, maar er is nog geen overeenstemming bereikt. Buiten het kader voor collectieve onderhandelingen komt het niet vaak tot tijdige en betekenisvolle betrokkenheid van de sociale partners bij beleidskwesties en -hervormingen. De sociale dialoog wordt hoofdzakelijk formeel gevoerd, in de Economische en Sociale Raad en de comités voor sociale dialoog. Hoewel er dus een kader voor dialoog en overleg tot stand is gebracht, zijn de stabiliteit en de rol van deze instellingen het afgelopen jaar verzwakt.

(17)

Na jaren van matige loongroei behoren de lonen in Roemenië nu tot de snelst stijgende in de Unie. Dit is het gevolg van overheidsbeleid waardoor ambtenarensalarissen en het minimumloon stijgen, een werkloosheid die nooit eerder zo laag was, en structurele tekorten aan arbeidskrachten. Het minimumloon wordt nog steeds op niet-systematische wijze vastgesteld, zonder objectief mechanisme. Opeenvolgende stijgingen hebben er in de loop van de jaren toe geleid dat één op de drie werknemers in 2017 het minimumloon verdiende, bijna vier keer zoveel als in 2011.

(18)

De gezondheidszorg staat voor veel uitdagingen. Geringe financiering, inefficiënt gebruik van overheidsmiddelen en het uitblijven van hervormingen beperken de doeltreffendheid van het zorgstelsel. Aanhoudende emigratie heeft geleid tot een vrij groot tekort aan artsen en verpleegkundigen. De gezondheidsinfrastructuur en de veelal informele betalingen blijven een bron van zorg. Plattelandsbewoners en kwetsbare groepen hebben beperkte toegang tot gezondheidszorg. Deze factoren hebben op hun beurt een negatief effect op de volksgezondheid, die ondanks recente verbeteringen onder het Uniegemiddelde blijft. Verbeteringen in de gemeenschapszorg zijn dringend nodig, maar lopen vertraging op. Het proefproject voor het opzetten van gemeenschapszorgcentra is met een vertraging gestart, hetgeen gevolgen had voor de invoering van geïntegreerde zorgdiensten. De sector langdurige zorg is niet berekend op de snel vergrijzende bevolking. Diensten op het gebied van thuiszorg en dagopvang zijn er nauwelijks, en ze zijn voornamelijk beschikbaar in gebieden waar de inkomens hoger zijn. De dekking van en overheidsuitgaven voor langdurige zorg behoren tot de laagste in de Unie en de toegang tot langdurige zorg, revalidatie en palliatieve zorg is slecht.

(19)

De infrastructuur is — onder meer in de sectoren vervoer, energie, afval en afvalwater — nog steeds van slechte kwaliteit, hetgeen de groeivooruitzichten van Roemenië beperkt. Ondanks aanzienlijke overheidsinvesteringen na de toetreding van Roemenië tot de Unie blijft de fysieke infrastructuur er onderontwikkeld. De algemene toestand en de betrouwbaarheid van het spoorweg- en wegennet laten veel te wensen over. De infrastructuur blijft achter bij de door een groeiende economie gegenereerde verkeersvraag. Het wegennet behoort tot de minst ontwikkelde in de Unie en de hervorming van de spoorwegsector loopt achter. De uitstoot van broeikasgassen door het wegvervoer is de afgelopen vijf jaar sterk toegenomen. Bovendien heeft een zwaar gebrek aan investeringen in onderhoud geleid tot minder snelle treinen en een negatieve invloed gehad op de leveringstijden van het goederenvervoer per spoor. Het stedelijk vervoer heeft te lijden onder chronische onderfinanciering, slechte sectororganisatie en de geringe administratieve capaciteit van lokale aanbieders. Bovendien blijven er tekortkomingen bestaan op het gebied van de infrastructuur voor energie, afval, water en afvalwater en de onderlinge koppeling van energienetwerken. Het afvalbeheer-systeem wordt nog steeds gekenmerkt door een zeer geringe recycling van stedelijk afval en zeer hoge stortpercentages. Het blijft een opgave om de energie-efficiëntiedoelstelling te bereiken; met name de energie-efficiëntie in gebouwen zou nog veel beter kunnen.

(20)

De totale innovatieve capaciteit van Roemenië blijft gering en het toekomstige concurrentie-vermogen wordt bedreigd door de grote productiviteits- en innovatiekloof tussen buitenlandse en binnenlandse ondernemingen. De investeringen van Roemenië in onderzoek en ontwikkeling zijn de geringste in de Unie (0,5 % van het bbp) en de overheidsuitgaven voor onderzoek en ontwikkeling zijn verder teruggelopen van 0,32 % van het bbp in 2011 tot 0,21 % van het bbp in 2017, waardoor capaciteitsopbouw uitgesloten is. Als gevolg daarvan is de kwaliteit van de publieke wetenschapsbasis nog steeds zeer beperkt en zijn de banden tussen wetenschap en bedrijfsleven onderontwikkeld. Aangezien ook het aantal Roemenen dat een hogere opleiding op het gebied van natuurwetenschappen, technologie, ingenieurs-wetenschappen of wiskunde heeft afgerond, verder is afgenomen, vormt het tekort aan vakmensen een grote uitdaging voor het innovatiepotentieel van de Roemeense economie. Wil Roemenië beter presteren op het gebied van innovatie en concurrentievermogen, dan moet er zeker werk worden gemaakt van de digitalisering. Roemenië scoort slecht op vele onderdelen van de index van de digitale economie en samenleving, met inbegrip van digitale overheidsdiensten, digitale vaardigheden van de totale bevolking en digitalisering van bedrijven.

(21)

Roemenië heeft beperkte vooruitgang geboekt met de uitvoering van een landspecifieke aanbeveling om de prioritering en planning van overheidsinvesteringen te verbeteren. Het ministerie van Financiën is belast met het opstellen van een prioriteitenlijst van projecten voor overheidsinvesteringen van meer dan 100 miljoen RON (21 miljoen EUR) en het toezicht op de uitvoering ervan, maar de projecten worden beheerd door de bevoegde ministeries. De lijst van prioritaire projecten omvat momenteel 136 projecten, waarvan de meeste betrekking hebben op vervoer. Van deze prioritaire projecten zouden de meeste door Uniefondsen kunnen worden medegefinancierd. Het gebruik van Uniemiddelen wordt onder meer belemmerd door de beperkte administratieve capaciteit om grote investeringsprojecten voor te bereiden, te prioriteren en uit te voeren. Hoewel recentelijk grote infrastructuurprojecten zijn voorbereid en ter goedkeuring aan de Europese Commissie zijn voorgelegd, ontbreken nog enkele belangrijke projecten, zoals de autosnelweg Sibiu-Pitești (die de connectiviteit met de TEN-V-corridors Rijn/Donau en Oriënt/Oostelijke Middellandse Zee moet garanderen), en blijft de tenuitvoerlegging in het algemeen achter. Bovendien verloopt de absorptie van Uniemiddelen tot dusver via projecten die zijn voorbereid voor de vorige programmeringsperiode, terwijl een pijplijn van nieuwe projecten voor de huidige periode nog niet volledig is ontwikkeld.

(22)

Efficiënte overheidsopdrachten zijn van essentieel belang voor de verwezenlijking van belangrijke beleidsdoelstellingen in Roemenië, waaronder efficiënte overheidsuitgaven, de modernisering van het openbaar bestuur en de bevordering van innovatie en duurzame en inclusieve groei. Roemenië heeft beperkte vooruitgang geboekt bij het aanpakken van de landspecifieke aanbeveling om de transparantie van overheidsopdrachten te verbeteren. De efficiëntie van overheidsopdrachten blijft een probleem, terwijl de onomkeerbaarheid van bepaalde maatregelen, waaronder name de stroomlijning van de controle vooraf, op het spel staat. In de nationale strategie voor overheidsopdrachten wordt benadrukt dat het van belang is dat het nationaal agentschap voor overheidsopdrachten een eenheidscontrole vooraf uitvoert. Terugkerende wetgevingsinitiatieven dreigen de verwezenlijking van de doelstellingen van de strategie te ondermijnen. De voorspelbaarheid en de stabiliteit van de wetgeving inzake overheidsopdrachten blijven belangrijke uitdagingen en de nationale strategie voor overheidsopdrachten wordt niet volledig toegepast.

(23)

Het overheidsbeleid is steeds onvoorspelbaarder geworden, hetgeen het ondernemingsklimaat niet ten goede komt. Een recent voorbeeld is de goedkeuring — via een noodverordening van de regering — van een reeks vérstrekkende maatregelen die gevolgen hebben voor het functioneren van de banksector, de beheerders van pensioenfondsen van de tweede pensioenpijler en energie- en telecommunicatiebedrijven, zonder raadpleging van belanghebbenden of een effectbeoordeling. Regelgevingseffectbeoordelingen blijven een formaliteit, terwijl de kwaliteit en het feitelijke gebruik ervan per sector aanzienlijk verschillen. De kwaliteitscontrole van de regelgevingseffectbeoordelingen en de beleidsvoorbereiding is beperkt. Er bestaat geen duurzaam mechanisme voor beleidsmonitoring, met een transparant verslagleggingssysteem en evaluaties achteraf. Belangrijke wetgevings-initiatieven worden vaak pas kort voor de goedkeuring aangekondigd. Bij de voorbereiding en uitvoering van hervormingen worden de belanghebbenden weinig betrokken en is er zelden sprake van echt overleg, hoewel de institutionele structuren ervoor beschikbaar zijn. Moeizame administratieve procedures hebben vooral gevolgen voor kleine en middelgrote ondernemingen. Zo vormen omslachtige administratieve procedures voor het oprichten van een bedrijf en regelgevingseisen voor dienstaanbieders, ook in het kader van gereglementeerde beroepen, een belemmering voor verdere marktontwikkeling. De vaststelling van regelgeving inzake het personeelsbeleid bij de overheid laat nog altijd op zich wachten. De sterke versnippering van de verantwoordelijkheden en de middelen is van invloed op de samenhang en de beschikbaarheid van openbare diensten, met name op lokaal niveau. Nationale en regionale strategieën voor verschillende openbare diensten worden niet goed vertaald in geïntegreerde maatregelen op regionaal en lokaal niveau. De financiering van openbare diensten is ongelijk verdeeld over het land en sluit vaak niet aan bij de lokale behoeften. Factoren zoals een uniforme strategische aanpak per type dienst, bestaande lacunes en de noodzaak om nieuwe diensten te ontwikkelen, worden over het hoofd gezien. De inkomsten van de lokale overheden zijn stabiel noch voorspelbaar. Er zijn beperkte maatregelen genomen om het evenwicht tussen de te decentraliseren verantwoordelijkheden en de toewijzing van financiële middelen te verbeteren, zodat de lokale overheden voor een hoogstaande dienstverlening kunnen zorgen. Aanvullende maatregelen zijn nodig om de bestuurlijke capaciteit op lokaal niveau te vergroten.

(24)

Staatsbedrijven spelen een belangrijke rol in kritieke infrastructuursectoren zoals energie en vervoer per spoor. Hun economische en financiële prestaties zijn onlangs verbeterd, als gevolg van een gunstig macro-economisch klimaat. De transparantie en openbaarmaking van de financiële en operationele resultaten zijn echter niet verbeterd en de regels inzake corporate governance worden nog steeds slechts sporadisch toegepast. Specifieke voorbeelden zijn het meermaals aanstellen van interim-raden van bestuur (wat indruist tegen de geest van de wet) en het niet toepassen van wettelijke handhavingsinstrumenten ten aanzien van ondernemingen die zich niet aan de regels houden. Het risico dat de wetgeving inzake staatsbedrijven aanzienlijk wordt verzwakt, is niet afgenomen. Dit betekent dat de vooruitgang die was geboekt wat betreft de landspecifieke aanbevelingen uit 2015 en 2016, ongedaan is gemaakt. Hierdoor komen essentiële randvoorwaarden voor een efficiënter gebruik van openbare middelen in het gedrang en zouden vertekende investeringsbesluiten kunnen worden genomen. De overdracht van de eigendom van meerdere grotere staatsbedrijven naar het nieuwe staatsfonds voor ontwikkeling en investering vereist een krachtige toepassing van strenge regelgeving inzake corporate governance, zowel voor het fonds als voor de ondernemingen in zijn portefeuille.

(25)

De ontwikkelingen van het afgelopen jaar zijn zorgwekkend uit het oogpunt van de rechtsstaat en vergroten de ernstige zorgen over de onomkeerbaarheid en de duurzaamheid van de vooruitgang die Roemenië eerder heeft geboekt bij de hervorming van zijn rechtssysteem en de bestrijding van corruptie op hoog niveau. Deze punten worden in het oog gehouden in het kader van het mechanisme voor samenwerking en toetsing. Wijzigingen in drie wetten inzake het justitiële stelsel, met een aantal maatregelen die de juridische waarborgen voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht verzwakken, zijn thans van kracht geworden. Deze zullen waarschijnlijk afbreuk doen aan de doeltreffendheid van de dagelijkse werkzaamheden van rechters en openbare aanklagers en aan het vertrouwen van het publiek in de rechterlijke macht. Er wordt druk uitgeoefend op de justitiële instellingen en op individuele magistraten, onder meer door het instellen van een gespecialiseerde vervolgingssectie voor strafbare feiten waarvan magistraten worden beschuldigd. De stappen die momenteel worden ondernomen tot wijziging van het wetboek van strafrecht en het wetboek van strafvordering zouden negatieve gevolgen hebben voor de doeltreffendheid van strafrechtelijke onderzoeken en strafprocessen en er ook toe leiden dat er minder feiten kunnen worden bestraft als corruptie. Voorts bestaat er zorg over de procedures voor ontslag en benoeming van hoge magistraten. Recente aankondigingen doen vermoeden dat maatregelen in verband met de hervorming van het gerechtelijke apparaat zouden kunnen worden heroverwogen.

(26)

De Commissie blijft de hervorming van het justitiële apparaat en de bestrijding van corruptie in Roemenië monitoren in het kader van het mechanisme voor samenwerking en toetsing. Die aspecten komen derhalve niet aan bod in de landspecifieke aanbevelingen voor Roemenië, maar zijn wel relevant voor de ontwikkeling van een gunstig sociaal-economisch klimaat in het land.

(27)

De programmering van de Uniemiddelen voor de periode 2021-2027 zou kunnen bijdragen tot het verhelpen van een aantal van de in de aanbevelingen geconstateerde tekortkomingen, met name op de gebieden die worden behandeld in bijlage D bij het landverslag 2019. Dit zou Roemenië in staat stellen om voor de aangewezen sectoren optimaal gebruik te maken van deze middelen, rekening houdend met regionale verschillen. Een versterking van de administratieve capaciteit van het land om deze middelen te beheren, is een belangrijke factor voor het welslagen van deze investering.

(28)

In de context van het Europees Semester 2019 heeft de Commissie een brede analyse van het economische beleid van Roemenië verricht. Die analyse is gepubliceerd in het land-verslag 2019. Voorts heeft de Commissie het convergentieprogramma 2019 en het nationale hervormingsprogramma 2019 doorgelicht en onderzocht welk gevolg is gegeven aan de aanbevelingen die in eerdere jaren tot Roemenië zijn gericht. Daarbij heeft de Commissie niet alleen gekeken naar de relevantie ervan voor een houdbaar begrotings- en sociaal-economisch beleid in Roemenië, maar is zij ook nagegaan of de Unieregels en -richtsnoeren in acht zijn genomen, gezien de noodzaak de algehele economische governance van de Unie te versterken door middel van een inbreng op Unieniveau in toekomstige nationale besluiten.

(29)

In het licht van deze beoordeling heeft de Raad het convergentieprogramma 2019 onderzocht en zijn advies daarover (12) is met name in de onderstaande aanbeveling 1 weergegeven.

(30)

In het licht van de diepgaande evaluatie door de Commissie en van deze beoordeling heeft de Raad het nationale hervormingsprogramma 2019 en het convergentieprogramma 2019 onderzocht. Zijn aanbevelingen op grond van artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 zijn in de onderstaande aanbevelingen 1, 2, 3 en 5 weergegeven. De in aanbeveling 1 genoemde begrotingsmaatregelen dragen onder meer bij tot het wegwerken van de onevenwichtigheden in verband met het concurrentievermogen en de externe positie,

BEVEELT AAN dat Roemenië in 2019 en 2020 de volgende actie onderneemt:

1.   

Voldoen aan de aanbeveling van de Raad van 14 juni 2019 met het oog op de correctie van de vastgestelde significante afwijking van het aanpassingstraject in de richting van de middel-langetermijndoelstelling voor de begroting in Roemenië. De volledige toepassing van het begrotingskader garanderen. De naleving van de belastingwetgeving en de inning van belastingen versterken.

2.   

De financiële stabiliteit en de robuustheid van de banksector in stand houden. De houdbaarheid van het openbare pensioenstelsel en de levensvatbaarheid op lange termijn van de pensioenfondsen van de tweede pijler waarborgen.

3.   

De kwaliteit en inclusiviteit van het onderwijs verbeteren, met name voor de Roma en andere achtergestelde groepen. Vaardigheden, met inbegrip van digitale vaardigheden, verbeteren, met name door de arbeidsmarktrelevantie van beroepsonderwijs en -opleiding en hoger onderwijs te vergroten. De dekking en de kwaliteit van de sociale dienstverlening verhogen en de hervorming van het minimale inclusie-inkomen voltooien. De sociale dialoog beter doen functioneren. Waarborgen dat de minimumlonen worden vastgesteld op basis van objectieve criteria, op een wijze die bevorderlijk is voor de werkgelegenheid en het concurrentievermogen. De gezondheidszorg toegankelijker en kostenefficiënter maken, onder meer door een verschuiving naar ambulante zorg.

4.   

Het economisch beleid in verband met investe