ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 82

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

62e jaargang
4 maart 2019


Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie van de Europese Unie

2019/C 82/01

Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

1


 

V   Bekendmakingen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2019/C 82/02

Zaak C-415/18 P: Hogere voorziening ingesteld op 19 april 2018 door CBA Spielapparate- und Restaurantbetriebs GmbH tegen de beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 22 juni 2018 in zaak T-606/17, CBA Spielapparate- und Restaurantbetriebs GmbH / Europese Commissie

2

2019/C 82/03

Zaak C-682/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) op 6 november 2018 — LF / Google LLC, YouTube Inc., YouTube LLC, Google Germany GmbH

2

2019/C 82/04

Zaak C-683/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) op 6 november 2018 — Elsevier Inc./Cyando AG

4

2019/C 82/05

Zaak C-693/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Juge d’instruction du tribunal de grande instance de Paris (Frankrijk) op 29 oktober 2018 — Procureur de la République / X

5

2019/C 82/06

Zaak C-702/18 P: Hogere voorziening ingesteld op 9 november 2018 door Przedsiębiorstwo Produkcyjno-Handlowe Primart Marek Łukasiewicz tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 12 september 2018 in zaak T-584/17, Primart/EUIPO

6

2019/C 82/07

Zaak C-714/18 P: Hogere voorziening ingesteld op 14 november 2018 door ACTC GmbH tegen het arrest van het Gerecht (Negende kamer) van 13 september 2018 in zaak T-94/17, ACTC/EUIPO

8

2019/C 82/08

Zaak C-715/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland) op 15 november 2018 — Segler-Vereinigung Cuxhaven e.V. / Finanzamt Cuxhaven

9

2019/C 82/09

Zaak C-751/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Arbitral Tributário (Centro de Arbitragem Administrativa — CAAD) (Portugal) op 3 december 2018 — Totalmédia — Marketing Direto e Publicidade SA / Autoridade Tributária e Aduaneira

10

2019/C 82/10

Zaak C-761/18 P: Hogere voorziening ingesteld op 3 december 2018 door Päivi Leino-Sandberg tegen de beschikking van het Gerecht (Zevende kamer) van 20 september 2018 in zaak T-421/17, Leino-Sandberg / Parlement

10

2019/C 82/11

Zaak C-766/18 P: Hogere voorziening ingesteld op 5 december 2018 door Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi tegen het arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 25 september 2018 in zaak T-328/17, Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi/EUIPO

11

2019/C 82/12

Zaak C-767/18 P: Hogere voorziening ingesteld op 5 december 2018 door de Republiek Cyprus tegen het arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 25 september 2018 in zaak T-384/17, Cyprus/EUIPO

12

2019/C 82/13

Zaak C-776/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Erding (Duitsland) op 10 december 2018 — U.B. en T.V./Eurowings GmbH

13

2019/C 82/14

Zaak C-801/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil supérieur de la Sécurité sociale (Luxemburg) op 19 december 2018 — EU / Caisse pour l’avenir des enfants

14

2019/C 82/15

Zaak C-802/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil supérieur de la Sécurité sociale (Luxemburg) op 19 december 2018 — Caisse pour l’avenir des enfants / FV, GW

15

2019/C 82/16

Zaak C-803/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas (Litouwen) op 20 december 2018 — AAS BALTA/UAB GRIFS AG

15

2019/C 82/17

Zaak C-810/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Krajský súd Trnava (Slowakije) op 21 december 2018 — DHL Logistics (Slovakia), spol. s r.o. / Finančné riaditeľstvo SR

16

2019/C 82/18

Zaak C-817/18 P: Hogere voorziening ingesteld op 21 december 2018 door de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland e.a. tegen het arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 15 oktober 2018 in zaak T-79/16, Vereniging Gelijkberechtiging Grondbezitters e.a. tegen Commissie

17

2019/C 82/19

Zaak C-828/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal de commerce de Paris (Frankrijk) op 24 december 2018 — Trendsetteuse SARL / DCA SARL

18

2019/C 82/20

Zaak C-829/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de tribunal de grande instance de Paris (Frankrijk) op 27 december 2018 — Crédit Logement SA / OE

18

2019/C 82/21

Zaak C-833/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal de l'entreprise de Liège (België) op 31 december 2018 — SI, Brompton Bicycle Ltd / Chedech / Get2Get

19

2019/C 82/22

Zaak C-12/19 P: Hogere voorziening ingesteld op 7 januari 2019 door Mylène Troszczynski tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 8 november 2018 in zaak T-550/17, Troszczynski / Parlement

20

2019/C 82/23

Zaak C-38/19 P: Hogere voorziening ingesteld op 21 januari 2019 door Marion Le Pen tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 28 november 2018 in zaak T-161/17, Le Pen / Parlement

21

 

Gerecht

2019/C 82/24

Zaak T-167/13: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Comune di Milano/Commissie (Staatssteun — Grondafhandelingsdiensten — Kapitaalinbreng door SEA ten behoeve van SEA Handling — Besluit waarbij de steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard en de terugvordering ervan wordt gelast — Begrip steun — Toerekenbaarheid aan de staat — Criterium van de particuliere investeerder — Beginsel van hoor en wederhoor — Rechten van de verdediging — Recht op behoorlijk bestuur — Gewettigd vertrouwen)

23

2019/C 82/25

Zaak T-498/14: Arrest van het Gerecht van 12 december 2018 — Deutsche Umwelthilfe/Commissie [Toegang tot documenten — Documenten met betrekking tot correspondentie tussen de Commissie en ondernemingen respectievelijk autofabrikanten over het in motorvoertuigen gebruikte koelmiddel R1234yf — Niet vermelde documenten — In de loop van het geding opgeworpen nieuw middel — Niet-ontvankelijkheid — Maatregel van instructie waarbij overeenkomstig artikel 104 van het Reglement voor de procesvoering wordt gelast de litigieuze documenten over te leggen — Afwijking van het beginsel van hoor en wederhoor — Verordening (EG) nr. 1049/2001 — Uitzondering ter bescherming van de commerciële belangen — Openbaar belang bij de bekendmaking — Belangenafweging — Verordening (EG) nr. 1367/2006 — Artikel 6, lid 1 — Hoger openbaar belang bij de openbaarmaking van milieu-informatie of informatie met betrekking tot emissies in het milieu — Algemene aanname — Gedeeltelijke weigering van toegang — Afdoening zonder beslissing]

23

2019/C 82/26

Zaak T-677/14: Arrest van het Gerecht van 12 december 2018 — Biogaran/Commissie (Mededinging — Mededingingsregelingen — Markt van perindopril, een geneesmiddel ter behandeling van cardiovasculaire ziekten, in de oorspronkelijke en de generieke versie — Besluit waarbij een inbreuk op de artikelen 101 en 102 VWEU wordt vastgesteld — Overeenkomst met het doel de marktintroductie van generieke versies van perindopril te vertragen of zelfs te verhinderen — Deelname van een dochteronderneming aan de door haar moedermaatschappij gepleegde inbreuk — Toerekening van de inbreuk — Hoofdelijke aansprakelijkheid — Plafond van de geldboete)

24

2019/C 82/27

Zaak T-679/14: Arrest van het Gerecht van 12 december 2018 — Teva UK e.a. / Commissie (Mededinging — Mededingingsregelingen — Markt van perindopril, een geneesmiddel ter behandeling van cardiovasculaire ziekten, in de oorspronkelijke en de generieke versie — Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU wordt vastgesteld — Beginsel van onpartijdigheid — Raadpleging van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities — Schikkingsovereenkomst inzake octrooigeschillen en exclusieve afnameovereenkomsten — Potentiële mededinging — Mededingingsbeperkende strekking — Evenwicht tussen mededingingsrecht en octrooirecht — Uitzonderingsvoorwaarden van artikel 101, lid 3, VWEU — Geldboetes)

25

2019/C 82/28

Zaak T-680/14: Arrest van het Gerecht van 12 december 2018 — Lupin/Commissie (Mededinging — Mededingingsregelingen — Markt van perindopril, een geneesmiddel ter behandeling van cardiovasculaire ziekten, in de oorspronkelijke en de generieke versie — Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU wordt vastgesteld — Schikkingsovereenkomst inzake octrooigeschillen — Acquisitieovereenkomst voor technologie — Mededingingsbeperkende strekking — Evenwicht tussen mededingingsrecht en octrooirecht — Boeten)

26

2019/C 82/29

Zaak T-682/14: Arrest van het Gerecht van 12 december 2018 — Mylan / Commissie (Mededinging — Mededingingsregelingen — Markt van perindopril, een geneesmiddel ter behandeling van cardiovasculaire ziekten, in de oorspronkelijke en de generieke versie — Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU wordt vastgesteld — Schikkingsovereenkomst inzake octrooigeschillen — Potentiële mededinging — Mededingingsbeperkende strekking — Evenwicht tussen mededingingsrecht en octrooirecht — Toerekening van het inbreukmakend gedrag — Geldboetes)

26

2019/C 82/30

Zaak T-684/14: Arrest van het Gerecht van 12 december 2018 — Krka / Commissie (Mededinging — Mededingingsregelingen — Markt van perindopril, een geneesmiddel ter behandeling van cardiovasculaire ziekten, in de oorspronkelijke en de generieke versie — Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU wordt vastgesteld — Schikkingsovereenkomst inzake octrooigeschillen — Licentieovereenkomst — Overeenkomst inzake verwerving van technologie — Mededingingsbeperkende strekking — Mededingingsbeperkende gevolgen — Evenwicht tussen mededingingsrecht en octrooirecht)

27

2019/C 82/31

Zaak T-691/14: Arrest van het Gerecht van 12 december 2018 — Servier e.a./Commissie (Mededinging — Mededingingsregelingen — Misbruik van een machtspositie — Markt van perindopril, een geneesmiddel ter behandeling van cardiovasculaire ziekten, in de oorspronkelijke en de generieke versie — Besluit waarbij een inbreuk op de artikelen 101 en 102 VWEU wordt vastgesteld — Onpartijdigheidsbeginsel — Raadpleging van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities — Recht op een doeltreffende voorziening in rechte — Korte duur van de beroepstermijn in het licht van de lengte van het bestreden besluit — Schikkingsovereenkomsten inzake octrooigeschillen — Licentieovereenkomsten — Overeenkomsten tot verwerving van technologie — Exclusieve koopovereenkomst — Potentiële mededinging — Mededingingsbeperkende strekking — Mededingingsbeperkende gevolgen — Evenwicht tussen mededingingsrecht en octrooirecht — Kwalificatie als afzonderlijke inbreuken of als één inbreuk — Bepaling van de relevante markt voor de molecule van het betrokken geneesmiddel — Geldboeten — Samenloop van geldboeten krachtens de artikelen 101 en 102 VWEU — Beginsel van legaliteit van strafbare feiten en straffen — Waarde van de verkopen — Berekeningsmethoden in geval van samenloop van inbreuken op dezelfde markten)

28

2019/C 82/32

Zaak T-701/14: Arrest van het Gerecht van 12 december 2018 — Niche Generics / Commissie (Mededinging — Mededingingsregelingen — Markt van perindopril, een geneesmiddel ter behandeling van cardiovasculaire ziekten, in de oorspronkelijke en de generieke versie — Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU wordt vastgesteld — Schikkingsovereenkomst inzake octrooigeschillen — Administratieve procedure — Bescherming van de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaten en cliënten — Potentiële mededinging — Mededingingsbeperkende strekking — Objectieve noodzaak van de beperking — Evenwicht tussen mededingingsrecht en octrooirecht — Uitzonderingsvoorwaarden van artikel 101, lid 3, VWEU — Geldboetes — Plafond van 10 % — Toerekening van het inbreukmakend gedrag)

29

2019/C 82/33

Zaak T-705/14: Arrest van het Gerecht van 12 december 2018 — Unichem Laboratories / Commissie (Mededinging — Mededingingsregelingen — Markt van perindopril, een geneesmiddel ter behandeling van cardiovasculaire ziekten, in de oorspronkelijke en de generieke versie — Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU wordt vastgesteld — Schikkingsovereenkomst inzake octrooigeschillen — Territoriale bevoegdheid van de Commissie — Toerekening van het inbreukmakend gedrag — Administratieve procedure — Bescherming van de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaten en cliënten — Potentiële mededinging — Mededingingsbeperkende strekking — Objectieve noodzaak van de beperking — Evenwicht tussen mededingingsrecht en octrooirecht — Uitzonderingsvoorwaarden van artikel 101, lid 3, VWEU — Geldboetes)

30

2019/C 82/34

Zaak T-827/14: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Deutsche Telekom / Commissie (Mededinging — Misbruik van machtspositie — Slovaakse markt van breedbandtelecommunicatiediensten — Toegang van derde ondernemingen tot het aansluitnetwerk van de gevestigde exploitant op die markt — Besluit waarbij een inbreuk op artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst wordt vastgesteld — Eén enkele voortdurende inbreuk — Begrip ‚misbruik’ — Weigering van toegang — Uitholling van de marges — Berekening van de uitholling van de marges — Criterium van de even efficiënte concurrent — Rechten van de verdediging — Toerekening aan de moedermaatschappij van de door haar dochteronderneming gepleegde inbreuk — Beslissende invloed van de moedermaatschappij op het handelsbeleid van de dochteronderneming — Daadwerkelijke uitoefening — Bewijslast — Berekening van het bedrag van de geldboete — Richtsnoeren voor de berekening van geldboeten van 2006 — Afzonderlijke geldboete die wegens recidive en de toepassing van een vermenigvuldigingscoëfficiënt ter afschrikking uitsluitend aan de moedermaatschappij is opgelegd)

30

2019/C 82/35

Zaak T-851/14: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Slovak Telekom/Commissie (Mededinging — Misbruik van machtspositie — Slovaakse markt van breedbandtelecommunicatiediensten — Toegang van derde ondernemingen tot het aansluitnetwerk van de gevestigde exploitant op die markt — Besluit waarbij een inbreuk op artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst wordt vastgesteld — Eén enkele voortdurende inbreuk — Begrip misbruik — Weigering van toegang — Uitholling van de marges — Berekening van de uitholling van de marges — Criterium van de even efficiënte concurrent — Rechten van de verdediging — Toerekening aan de moedermaatschappij van de door haar dochteronderneming gepleegde inbreuk — Beslissende invloed van de moedermaatschappij op het handelsbeleid van de dochteronderneming — Daadwerkelijke uitoefening — Bewijslast — Berekening van het bedrag van de geldboete — Richtsnoeren voor de berekening van geldboeten van 2006)

32

2019/C 82/36

Zaak T-111/15: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Ryanair en Airport Marketing Services/Commissie (Staatssteun — Overeenkomsten tussen het Syndicat mixte des aéroports de Charente en Ryanair en haar dochteronderneming Airport Marketing Services — Luchthavendiensten — Marketingdiensten — Besluit waarbij steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard en de terugvordering ervan wordt gelast — Begrip staatssteun — Toerekenbaarheid aan de staat — Kamer van koophandel en industrie — Voordeel — Criterium van de particuliere investeerder — Terugvordering — Artikel 41 van het Handvest van de grondrechten — Recht van toegang tot het dossier — Recht om gehoord te worden)

33

2019/C 82/37

Zaak T-165/15: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Ryanair en Airport Marketing Services/Commissie (Staatssteun — Overeenkomsten tussen de Chambre de commerce et d’industrie de Pau-Béarn en Ryanair en haar dochteronderneming Airport Marketing Services — Luchthavendiensten — Marketingdiensten — Besluit waarbij steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard en de terugvordering ervan wordt gelast — Begrip staatssteun — Toerekenbaarheid aan de staat — Kamer van koophandel en industrie — Voordeel — Criterium van de particuliere investeerder — Terugvordering — Artikel 41 van het Handvest van de grondrechten — Recht van toegang tot het dossier — Recht om te worden gehoord)

34

2019/C 82/38

Zaak T-284/15: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — AlzChem / Commissie (Staatssteun — Chemische industrie — Besluit om de activiteiten van een onderneming tijdens de faillissementsprocedure voort te zetten — Besluit waarbij wordt vastgesteld dat er geen sprake is van staatssteun — Beroep tot nietigverklaring — Individueel geraakt — Ontvankelijkheid — Begrip staatssteun — Voordeel — Criterium van de particuliere schuldeiser — Toerekenbaarheid aan de staat — Motiveringsplicht)

34

2019/C 82/39

Zaak T-558/15: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Iran Insurance / Raad (Niet-contractuele aansprakelijkheid — Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Beperkende maatregelen tegen Iran — Bevriezing van tegoeden — Plaatsing en handhaving van de naam van de verzoekende partij op de lijsten van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn — Materiële schade — Immateriële schade)

35

2019/C 82/40

Zaak T-559/15: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Post Bank Iran / Raad (Niet-contractuele aansprakelijkheid — Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Beperkende maatregelen tegen Iran — Bevriezing van tegoeden — Plaatsing en handhaving van de naam van de verzoekende partij op de lijsten van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn — Immateriële schade)

36

2019/C 82/41

Zaak T-591/15: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Transavia Airlines/Commissie (Staatssteun — Overeenkomst inzake luchthavendiensten en marketingdiensten — Overeenkomst tussen de Chambre de commerce et d’industrie de Pau-Béarn en Transavia — Besluit waarbij steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard en de terugvordering ervan wordt gelast — Begrip staatssteun — Toerekenbaarheid aan de staat — Kamer van koophandel en industrie — Voordeel — Criterium van de particuliere investeerder — Terugvordering — Artikel 41 van het Handvest van de grondrechten — Recht van toegang tot het dossier — Recht om te worden gehoord)

37

2019/C 82/42

Zaak T-630/15: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Scandlines Danmark en Scandlines Deutschland/Commissie (Staatssteun — Overheidsfinanciering van de vaste weg- en spoorverbinding over de Fehmarn Belt — Individuele steunmaatregelen — Besluit om geen bezwaar te maken — Besluit waarbij wordt vastgesteld dat er geen sprake is van staatssteun en dat de steun verenigbaar is met de interne markt — Begrip staatssteun — Aantasting van de mededinging en ongunstige beïnvloeding van de handel tussen lidstaten — Voorwaarden voor verenigbaarheid — Steun voor de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang — Noodzaak van de steun — Stimulerend effect — Evenredigheid van de steun — Ernstige moeilijkheden die de inleiding van de formele onderzoeksprocedure rechtvaardigen — Motiveringsplicht — Mededeling betreffende de steunmaatregelen ter bevordering van de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang)

37

2019/C 82/43

Zaak T-631/15: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Stena Line Scandinavia / Commissie (Staatssteun — Overheidsfinanciering van de vaste weg- en spoorverbinding over de Fehmarn Belt — Individuele steunmaatregelen — Besluit om geen bezwaar te maken — Besluit waarbij wordt vastgesteld dat er geen sprake is van staatssteun en dat de steun verenigbaar is met de interne markt — Begrip staatssteun — Aantasting van de mededinging en ongunstige beïnvloeding van de handel tussen lidstaten — Voorwaarden voor verenigbaarheid — Steun voor de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang — Noodzaak van de steun — Stimulerend effect — Evenredigheid van de steun — Ernstige moeilijkheden die de inleiding van de formele onderzoeksprocedure rechtvaardigen — Motiveringsplicht — Mededeling betreffende de steunmaatregelen ter bevordering van de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang)

38

2019/C 82/44

Zaak T-53/16: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Ryanair en Airport Marketing Services/Commissie (Staatssteun — Overeenkomsten tussen de Chambre de commerce et d’industrie de Nîmes-Uzès-Le Vigan en Ryanair en haar dochteronderneming Airport Marketing Services — Luchthavendiensten — Marketingdiensten — Besluit waarbij steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard en de terugvordering ervan wordt gelast — Begrip staatssteun — Toerekenbaarheid aan de staat — Kamer van koophandel en industrie — Voordeel — Criterium van de particuliere investeerder — Terugvordering — Artikel 41 van het Handvest van de grondrechten — Recht van toegang tot het dossier — Recht om te worden gehoord)

39

2019/C 82/45

Zaak T-77/16: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Ryanair en Airport Marketing Services / Commissie (Staatssteun — Overeenkomsten met de luchtvaartmaatschappij Ryanair en haar dochteronderneming Airport Marketing Services — Luchthavendiensten — Marketingdiensten — Besluit tot vaststelling dat de steun onverenigbaar is met de interne markt en tot terugvordering ervan — Begrip ‚staatssteun’ — Voordeel — Criterium van de particuliere investeerder — Terugvordering — Selectiviteit)

40

2019/C 82/46

Zaak T-165/16: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Ryanair en Airport Marketing Services / Commissie (Staatssteun — Overeenkomsten met de luchtvaartmaatschappij Ryanair en haar dochteronderneming Airport Marketing Services — Luchthavendiensten — Marketingdiensten — Besluit waarbij de steun onverenigbaar wordt verklaard met de interne markt en de terugvordering ervan wordt gelast — Begrip ‚staatssteun’ — Voordeel — Criterium van de particuliere investeerder — Terugvordering — Artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Toegang tot het dossier — Recht te worden gehoord)

41

2019/C 82/47

Zaak T-290/16: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Fruits de Ponent/Commissie [Niet-contractuele aansprakelijkheid — Landbouw — Markten van perziken en nectarines — Verstoringen gedurende het verkoopseizoen 2014 — Russisch embargo — Tijdelijke buitengewone maatregelen ter ondersteuning van producenten — Gedelegeerde verordeningen (EU) nrs. 913/2014 en 923/2014 — Rechtsregels die ertoe strekken particulieren rechten toe te kennen — Zorgvuldigheidsplicht en beginsel van behoorlijk bestuur — Voldoende gekwalificeerde schending — Causaal verband]

42

2019/C 82/48

Gevoegde zaken T-339/16, T-352/16 en T-391/16: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Ville de Paris, Stad Brussel en Ayuntamiento de Madrid/Commissie [Milieu — Verordening (EU) 2016/646 — Vervuilende emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 6) — Vaststelling, wat de uitstoot van stikstofoxide betreft, van de waarden die niet mogen worden overschreden (not-to-exceed — NTE) bij tests die worden uitgevoerd in reële rijomstandigheden (Real Driving Emissions — RDE) — Beroep tot nietigverklaring — Bevoegdheden van met milieubescherming belaste gemeentelijke autoriteiten om voor bepaalde voertuigen verkeersbeperkende maatregelen op te leggen — Rechtstreekse geraaktheid — Ontvankelijkheid — Onbevoegdheid van de Commissie — Eerbiediging van hogere rechtsnormen — Werking in de tijd van de gevolgen van een nietigverklaring — Niet-contractuele aansprakelijkheid — Vergoeding van beweerde imago- en reputatieschade]

42

2019/C 82/49

Zaak T-530/16: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Schubert e.a./Commissie [Openbare dienst — Bezoldiging — Jaarlijkse aanpassing van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en de andere personeelsleden — Verordeningen (EU) nrs. 422/2014 en 423/2014 — Aanpassing van de bezoldigingen en de pensioenen voor de jaren 2011 en 2012 — Motiveringsplicht — Evenredigheid — Gewettigd vertrouwen — Regels voor de sociale dialoog]

43

2019/C 82/50

Gevoegde zaken T-543/16 en T-544/16: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Carpenito e.a./Raad [Openbare dienst — Bezoldiging — Jaarlijkse aanpassing van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en de andere personeelsleden — Verordeningen (EU) nrs. 422/2014 en 423/2014 — Aanpassing van de bezoldigingen en de pensioenen voor de jaren 2011 en 2012 — Motiveringsplicht — Evenredigheid — Gewettigd vertrouwen — Regels voor de sociale dialoog]

44

2019/C 82/51

Zaak T-591/16: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Wahlström / Frontex (Openbare dienst — Tijdelijk functionarissen — Frontex — Niet-verlenging van een overeenkomst voor bepaalde tijd — Artikel 8 RAP — Zorgplicht — Gebruik van een nietig verklaard beoordelingsrapport — Kennelijk onjuiste beoordeling — Aansprakelijkheid — Kosten — Billijkheid — Artikel 135, lid 1, Reglement voor de procesvoering)

45

2019/C 82/52

Zaak T-632/16: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Haeberlen / ENISA [Openbare dienst — Bezoldiging — Jaarlijkse aanpassing van de bezoldigingen en de pensioenen van ambtenaren en andere personeelsleden — Verordeningen (EU) nrs. 422/2014 en 423/2014 — Aanpassing van de bezoldigingen en de pensioenen voor 2011 en 2012 — Motiveringsplicht — Evenredigheid — Gewettigd vertrouwen — Regels voor de sociale dialoog]

46

2019/C 82/53

Zaak T-672/16: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 – C=Holdings/EUIPO – Trademarkers (C=commodore) [Uniemerk — Procedure tot vervallenverklaring — Internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Unie — Beeldmerk C=commodore — Verzoek tot nietigverklaring van een internationale inschrijving — Artikel 158, lid 2, van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 198, lid 2, van verordening (EU) 2017/1001] — Artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009 [thans artikel 58, lid 1, onder a), van verordening 2017/1001] — Geen normaal gebruik voor bepaalde waren en diensten waarop de internationale inschrijving betrekking heeft — Bestaan van geldige redenen voor het niet gebruiken]

47

2019/C 82/54

Zaak T-689/16: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Pipiliagkas / Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Tewerkstelling — Besluit met terugwerkende kracht — Artikel 22 bis van het Statuut — Onbevoegd gezag — Aansprakelijkheid — Vergoeding van de materiële en immateriële schade)

47

2019/C 82/55

Zaak T-743/16 RENV: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — CX/Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Tuchtmaatregel — Tuchtrechtelijk ontslag — Rechten van de verdediging — Zorgplicht — Artikel 22, lid 1, van bijlage IX bij het Statuut — Artikelen 41 en 52 van het Handvest van de grondrechten — Aansprakelijkheid — Werkelijk bestaan van schade — Causaal verband)

48

2019/C 82/56

Zaak T-830/16: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Monolith Frost/EUIPO — Dovgan (PLOMBIR) [Uniemerk — Nietigheidsprocedure — Uniewoordmerk PLOMBIR — Absolute weigeringsgrond — Beschrijvend karakter — Artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EU) 2017/1001] — Onderzoek van de feiten — Artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009 (thans artikel 95, lid 1, van verordening 2017/1001) — Voor het eerst voor het Gerecht overgelegd bewijsmateriaal]

49

2019/C 82/57

Zaak T-247/17: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Azarov/Raad (Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Oekraïne — Bevriezing van tegoeden — Lijst van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren — Handhaving van verzoekers naam op de lijst — Recht op eigendom — Recht op het uitoefenen van een economische activiteit — Kennelijk onjuiste beoordeling)

50

2019/C 82/58

Zaak T-274/17: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Monster Energy/EUIPO — Bösel (MONSTER DIP) [Uniemerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor Uniebeeldmerk MONSTER DIP — Oudere Uniewoord- en Uniebeeldmerken en in het economisch verkeer gebruikt niet-ingeschreven teken die alle het woordelement ‚monster’ bevatten — Relatieve weigeringsgronden — Geen verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001] — Geen gevaar voor misleidende associatie — Artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009 (thans artikel 8, lid 4, van verordening 2017/1001) — Geen gevaar voor verwatering van het oudere bekende merk — Artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009 (thans artikel 8, lid 5, van verordening 2017/1001)]

50

2019/C 82/59

Zaak T-537/17: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — De Loecker / EDEO (Openbare dienst — EDEO — Tijdelijk functionarissen — Psychisch geweld — Verzoek om bijstand — Afwijzing van het verzoek — Recht om te worden gehoord — Aansprakelijkheid)

51

2019/C 82/60

Zaak T-609/17: Arrest van het Gerecht van 12 december 2018 — Frankrijk / Commissie [ELGF — Van financiering uitgesloten uitgaven — Uitgaven verricht door Frankrijk — Uitvoerrestituties in de sector vlees van pluimvee — Forfaitaire financiële correcties — Verordeningen (EU) nr. 1290/2005 en (EU) nr. 1306/2013 — Gezond, deugdelijk en van gebruikelijke handelskwaliteit — Controles — Evenredigheid]

52

2019/C 82/61

Zaak T-706/17: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — UP / Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Ernstige ziekte — Verzoek om deeltijdwerk om medische redenen — Afwijzing van het verzoek — Verbod van discriminatie op grond van handicap — Recht om te worden gehoord — Beginsel van behoorlijk bestuur — Zorgplicht — Aansprakelijkheid)

52

2019/C 82/62

Zaak T-743/17: Arrest van het Gerecht van 12 december 2018 — Bischoff/EUIPO — Miroglio Fashion (CARACTÈRE) [Uniemerk — Nietigheidsprocedure — Uniewoordmerk CARACTÈRE — Absolute weigeringsgronden — Geen beschrijvend karakter — Onderscheidend vermogen — Artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening (EU) 2017/1001]]

53

2019/C 82/63

Zaak T-821/17: Arrest van het Gerecht van 12 december 2018 — Vitromed/EUIPO — Vitromed Healthcare (VITROMED Germany) [Uniemerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor Uniebeeldmerk VITROMED Germany — Ouder Uniewoordmerk Vitromed — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001]]

53

2019/C 82/64

Zaak T-76/18: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — CN/Parlement (Openbare dienst — Geaccrediteerde parlementaire medewerkers — Artikel 24 van het Statuut — Verzoek om bijstand — Artikel 12 bis van het Statuut — Psychisch geweld — Adviescomité intimidatie en de voorkoming ervan op het werk dat klachten van geaccrediteerde parlementaire medewerkers tegen leden van het Europees Parlement behandelt — Besluit tot afwijzing van het verzoek om bijstand — Recht om te worden gehoord — Beginsel van hoor en wederhoor — Weigering om inzage te geven in het advies van het adviescomité en in de verslagen van de getuigenverhoren — Weigering van de verwerende instelling om gevolg te geven aan een maatregel van instructie van het Gerecht)

54

2019/C 82/65

Zaak T-83/18: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — CH/Parlement (Openbare dienst — Geaccrediteerde parlementaire medewerkers — Artikel 24 van het Statuut — Verzoek om bijstand — Artikel 12 bis van het Statuut — Psychisch geweld — Adviescomité intimidatie en de voorkoming ervan op het werk dat klachten van geaccrediteerde parlementaire medewerkers tegen leden van het Europees Parlement behandelt — Besluit tot afwijzing van het verzoek om bijstand — Recht om te worden gehoord — Beginsel van hoor en wederhoor — Weigering om inzage te geven in het advies van het adviescomité en in de verslagen van de getuigenverhoren — Weigering van de verwerende instelling om gevolg te geven aan een maatregel van instructie van het Gerecht)

55

2019/C 82/66

Zaak T-94/18: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Multifit/EUIPO (fit+fun) [Uniemerk — Aanvraag voor Uniewoordmerk fit+fun — Absolute weigeringsgrond — Geen onderscheidend vermogen — Artikel 7, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001]

55

2019/C 82/67

Zaak T-98/18: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Multifit/EUIPO (MULTIFIT) [Uniemerk — Aanvraag voor Uniewoordmerk MULTIFIT — Absolute weigeringsgrond — Geen onderscheidend vermogen — Artikel 7, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001]

56

2019/C 82/68

Zaak T-102/18: Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Knauf/EUIPO (upgrade your personality) [Uniemerk — Aanvraag voor Uniewoordmerk upgrade your personality — Absolute weigeringsgrond — Geen onderscheidend vermogen — Reclameslogan — Artikel 7, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001]

56

2019/C 82/69

Zaak T-745/18: Beroep ingesteld op 20 december 2018 — Covestro Deutschland/Commissie

57

2019/C 82/70

Zaak T-750/18: Beroep ingesteld op 21 december 2018 — Briois / Parlement

58

2019/C 82/71

Zaak T-758/18: Beroep ingesteld op 21 december 2018 — ABLV Bank/GAR

59

2019/C 82/72

Zaak T-2/19: Beroep ingesteld op 4 januari 2019 — Algebris (UK) en Anchorage Capital Group / GAR

60

2019/C 82/73

Zaak T-5/19: Beroep ingesteld op 4 januari 2019 — Clatronic International/EUIPO (PROFI CARE)

61

2019/C 82/74

Zaak T-19/19: Beroep ingesteld op 11 januari 2019 — Fastweb / Commissie

61

2019/C 82/75

Zaak T-20/19: Beroep ingesteld op 11 januari 2019 — Pablosky/EUIPO — docPrice (mediFLEX easystep)

64

2019/C 82/76

Zaak T-21/19: Beroep ingesteld op 11 januari 2019 — Pablosky/EUIPO — docPrice (mediFLEX easystep)

64

2019/C 82/77

Zaak T-22/19: Beroep ingesteld op 11 januari 2019 — Noguer Enríquez e.a./Commissie

65

2019/C 82/78

Zaak T-28/19: Beroep ingesteld op 15 januari 2019 — Karlovarské minerální vody/EUIPO — Aguas de San Martín de Veri (VERITEA)

67

2019/C 82/79

Zaak T-30/19: Beroep ingesteld op 15 januari 2019 — CRIA en CCCMC / Commissie

67

2019/C 82/80

Zaak T-37/19: Beroep ingesteld op 21 januari 2019 — Cimpress Schweiz / EUIPO — Impress Media (CIMPRESS)

69

2019/C 82/81

Zaak T-42/19: Beroep ingesteld op 23 januari 2019 — Volkswagen / EUIPO (CROSS)

69


NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie van de Europese Unie

4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/1


Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

(2019/C 82/01)

Laatste publicatie

PB C 72 van 25.2.2019

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 65 van 18.2.2019

PB C 54 van 11.2.2019

PB C 44 van 4.2.2019

PB C 35 van 28.1.2019

PB C 25 van 21.1.2019

PB C 16 van 14.1.2019

Deze teksten zijn beschikbaar in

EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu


V Bekendmakingen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/2


Hogere voorziening ingesteld op 19 april 2018 door CBA Spielapparate- und Restaurantbetriebs GmbH tegen de beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 22 juni 2018 in zaak T-606/17, CBA Spielapparate- und Restaurantbetriebs GmbH / Europese Commissie

(Zaak C-415/18 P)

(2019/C 82/02)

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirante: CBA Spielapparate- und Restaurantbetriebs GmbH (vertegenwoordiger: A. Schuster, Rechtsanwalt)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (Achtste kamer) heeft bij beschikking van 10 januari 2019 de hogere voorziening deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard en beslist dat rekwirante haar eigen kosten zal dragen.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/2


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) op 6 november 2018 — LF / Google LLC, YouTube Inc., YouTube LLC, Google Germany GmbH

(Zaak C-682/18)

(2019/C 82/03)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesgerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: LF

Verwerende partijen: Google LLC, YouTube Inc., YouTube LLC, Google Germany GmbH

Prejudiciële vragen

1)

Verricht de beheerder van een internetvideoplatform, waar gebruikers video-opnamen met auteursrechtelijk beschermde inhoud zonder toestemming van de rechthebbende beschikbaar stellen voor het publiek, een handeling bestaande in een mededeling in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG (1), wanneer

hij met het platform reclame-inkomsten verwerft,

het uploaden automatisch en zonder voorafgaande inzage of controle door de beheerder verloopt,

de beheerder volgens de gebruiksvoorwaarden voor de duur van de plaatsing van de video-opnamen een wereldwijde, niet-exclusieve en kosteloze licentie op de video-opnamen verkrijgt,

de beheerder er in de gebruiksvoorwaarden en in het kader van het uploaden op wijst dat er geen inbreukmakende inhoud mag worden geplaatst,

de beheerder hulpmiddelen ter beschikking stelt waarmee rechthebbenden inbreukmakende video-opnamen kunnen blokkeren,

de beheerder op het platform een analyse van de zoekresultaten verricht in de vorm van ranglijsten en inhoudelijke rubrieken en geregistreerde gebruikers een overzicht toont met aanbevolen video-opnamen, dat is gebaseerd op door deze gebruikers reeds bekeken video-opnamen,

indien hij niet concreet de kennis draagt van het feit dat inhoud die inbreuk maakt op het auteursrecht beschikbaar is of hij, nadat hij deze kennis heeft verkregen, deze inhoud onverwijld wist of onmiddellijk de toegang daartoe blokkeert?

2)

Voor het geval dat de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:

Valt de activiteit van de beheerder van een internetvideoplatform onder de in de eerste vraag beschreven omstandigheden binnen het toepassingsgebied van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31/EG (2)?

3)

Voor het geval dat de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord:

Moet de daadwerkelijke kennis van de onwettige activiteit of informatie en het besef van de feiten of omstandigheden waaruit de onwettige aard van de activiteiten of informatie blijkt, overeenkomstig artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31/EG betrekking hebben op concrete onwettige activiteiten of informatie?

4)

Daarenboven, voor het geval dat de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord:

Is het verenigbaar met artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29/EG, wanneer de rechthebbende ten aanzien van een dienstverlener, wiens dienst bestaat in de opslag van door een gebruiker van de dienst ingevoerde informatie en wiens dienst door een gebruiker is gebruikt om inbreuk te maken op een auteursrecht of naburige rechten, pas om een verbod kan verzoeken wanneer er na een aanwijzing van een duidelijke inbreuk op het recht opnieuw een dergelijke inbreuk heeft plaatsgevonden?

5)

Voor het geval dat de eerste en de tweede vraag ontkennend worden beantwoord:

Is de beheerder van een internetvideoplatform onder de in de eerste vraag beschreven omstandigheden te beschouwen als inbreukmaker in de zin van artikel 11, eerste volzin, en artikel 13 van richtlijn 2004/48/EG (3)?

6)

Voor het geval dat de vijfde vraag bevestigend wordt beantwoord:

Mag de verplichting van een dergelijke inbreukmaker tot betaling van een schadevergoeding krachtens artikel 13, lid 1, van richtlijn 2004/48/EG afhankelijk worden gesteld van het feit dat de inbreukmaker zowel met betrekking tot zijn eigen inbreuk alsook met betrekking tot de inbreuk van de derde opzettelijk heeft gehandeld en wist of redelijkerwijs had moeten weten dat gebruikers het platform voor concrete inbreuken gebruiken?


(1)  Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10).

(2)  Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (PB 2000, L 178, blz. 1).

(3)  Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PB 2004, L 157, blz. 45).


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/4


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) op 6 november 2018 — Elsevier Inc./Cyando AG

(Zaak C-683/18)

(2019/C 82/04)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesgerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Elsevier Inc.

Verwerende partij: Cyando AG

Prejudiciële vragen

1)

a)

Verricht de beheerder van een „shared hosting”-dienst, waar gebruikers bestanden met auteursrechtelijk beschermde inhoud zonder toestemming van de rechthebbende beschikbaar stellen voor het publiek, een handeling bestaande in een mededeling in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG (1), wanneer

het uploaden automatisch en zonder voorafgaande inzage of controle door de beheerder verloopt,

de beheerder er in de gebruiksvoorwaarden op wijst dat inbreukmakende inhoud niet mag worden geplaatst,

hij met het beheer van de dienst inkomsten verwerft,

de dienst wordt gebruikt voor legale toepassingen, maar de beheerder er kennis van heeft dat ook een zeer grote inhoud (meer dan 9 500 werken) beschikbaar is die inbreuk maak op het auteursrecht,

de beheerder geen inhoudsopgave en geen zoekfunctie aanbiedt, maar de door hem beschikbaar gestelde onbeperkte download-koppelingen door derden in de vorm van gebundelde koppelingen worden geplaatst op het Internet, die informatie betreffende de inhoud van de bestanden bevatten en het zoeken naar bepaalde inhoud mogelijk maken,

hij door de regeling van de door hem afhankelijk van de vraag betaalde vergoeding voor downloads, stimuleert auteursrechtelijk beschermde inhoud te uploaden, die voor gebruikers verder alleen is te verkrijgen tegen betaling

en

door het bieden van de mogelijkheid om bestanden anoniem te uploaden, het waarschijnlijker wordt dat gebruikers niet ter verantwoording worden geroepen voor inbreuken op het auteursrecht?

b)

Verandert deze beoordeling wanneer via de „shared hosting”-dienst voor 90 tot 96 % van het totale gebruik inbreukmakend aanbod beschikbaar wordt gesteld?

2)

Voor het geval dat de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:

Valt de activiteit van de beheerder van een „shared hosting”-dienst onder de in de eerste prejudiciële vraag beschreven omstandigheden binnen het toepassingsgebied van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31/EG (2)?

3)

Voor het geval dat de tweede prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord:

Moet de daadwerkelijke kennis van de onwettige activiteit of informatie en het besef van feiten of omstandigheden waaruit de onwettige aard van de activiteiten of informatie blijkt, overeenkomstig artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31/EG betrekking hebben op concrete onwettige activiteiten of informatie?

4)

Daarenboven voor het geval dat de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord:

Is het verenigbaar met artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29/EG, wanneer de rechthebbende ten aanzien van een dienstverlener, wiens dienst bestaat in de opslag van door een gebruiker van de dienst ingevoerde informatie, en wiens dienst door een gebruiker is gebruikt om inbreuk te maken op een auteursrecht of naburige rechten, pas om een verbod kan verzoeken wanneer er na een aanwijzing van een duidelijke inbreuk op het recht opnieuw een dergelijke inbreuk heeft plaatsgevonden?

5)

Voor het geval dat de eerste en de tweede vraag ontkennend worden beantwoord:

Is de beheerder van een „shared hosting”-dienst onder de in de eerste vraag beschreven omstandigheden te beschouwen als inbreukmaker in de zin van artikel 11, eerste volzin, en artikel 13 van richtlijn 2004/48/EG (3)?

6)

Voor het geval dat de vijfde vraag bevestigend wordt beantwoord:

Mag de verplichting van een dergelijke inbreukmaker tot betaling van een schadevergoeding krachtens artikel 13, lid 1, van richtlijn 2004/48/EG afhankelijk worden gesteld van het feit dat de inbreukmaker zowel met betrekking tot zijn eigen inbreuk alsook aangaande de inbreuk van de derde opzettelijk heeft gehandeld en wist of redelijkerwijs had moeten weten dat gebruikers het platform voor concrete inbreuken gebruiken?


(1)  Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10).

(2)  Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (PB 2000, L 178, blz. 1).

(3)  Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PB 2004, L 157, blz. 45).


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/5


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Juge d’instruction du tribunal de grande instance de Paris (Frankrijk) op 29 oktober 2018 — Procureur de la République / X

(Zaak C-693/18)

(2019/C 82/05)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Juge d’instruction du tribunal de grande instance de Paris

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Procureur de la République

Verwerende partij: X

Andere partijen: Burgerlijke partijen

Prejudiciële vragen

1)   Uitlegging van het begrip constructieonderdeel

1-1:

Wat wordt verstaan onder het begrip constructieonderdeel in artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 (1), waarin een definitie wordt gegeven van manipulatie-instrument (defeat device)?

1-2:

Kan een in het motormanagementsysteem ingebouwd programma of meer algemeen een programma dat inwerkt op het motormanagementsysteem om dit te manipuleren, als een constructieonderdeel in de zin van dit artikel worden beschouwd?

2)   Uitlegging van het begrip emissiecontrolesysteem

2-1:

Wat wordt verstaan onder het begrip emissiecontrolesysteem in artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007, waarin een definitie wordt gegeven van manipulatie-instrument (defeat device)?

2-2:

Omvat dit emissiecontrolesysteem alleen technologieën en strategieën om de emissies (met name NOx) na het ontstaan ervan te behandelen en te verminderen, of ook de verschillende technologieën en strategieën waarmee het ontstaan van emissies kan worden beperkt, zoals de EGR-technologie?

3)   Uitlegging van het begrip manipulatie-instrument (defeat device)

3-1:

Is een instrument waarmee elke parameter die verband houdt met het verloop van de homologatieprocedures bedoeld in verordening (EG) nr. 715/2007 wordt gedetecteerd, met de bedoeling tijdens die procedures de werking van een onderdeel van het emissiecontrolesysteem te activeren of naar boven toe te moduleren, teneinde de homologatie van het voertuig te verkrijgen, een manipulatie-instrument (defeat device) in de zin van artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007?

3-2:

Zo ja, is een dergelijk manipulatie-instrument (defeat device) op grond van artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 715/2007 verboden?

3-3:

Kan een instrument zoals beschreven in vraag 3-1 als „manipulatie-instrument” worden aangemerkt indien de werking van het emissiecontrolesysteem niet alleen tijdens de homologatieprocedures naar boven toe wordt geactiveerd, maar ook wanneer de precieze omstandigheden die tijdens de homologatieprocedures worden gedetecteerd om het emissiecontrolesysteem naar boven toe te moduleren, zich in reële rijomstandigheden voordoen?

4)   Uitlegging van de uitzonderingen waarin artikel 5 voorziet

4-1:

Wat valt onder de drie uitzonderingen waarin artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 715/2007 voorziet?

4-2:

Is het mogelijk dat het verbod op een manipulatie-instrument (defeat device) waarmee de werking van een onderdeel van het emissiecontrolesysteem specifiek tijdens de homologatieprocedures wordt geactiveerd of naar boven toe wordt gemoduleerd, om één van de drie in artikel 5, lid 2, vermelde redenen niet geldt?

4-3:

Valt vertraging van het verouderingsproces of van de vervuiling van de motor onder de noodzaak „om de motor te beschermen tegen schade of ongevallen en om de veilige werking van het voertuig te verzekeren” die de aanwezigheid van een defeat device in de zin van artikel 5, lid 2, onder a), kan rechtvaardigen?

(1)  Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PB 2007, L 171, blz. 1).


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/6


Hogere voorziening ingesteld op 9 november 2018 door Przedsiębiorstwo Produkcyjno-Handlowe „Primart” Marek Łukasiewicz tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 12 september 2018 in zaak T-584/17, Primart/EUIPO

(Zaak C-702/18 P)

(2019/C 82/06)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Przedsiębiorstwo Produkcyjno-Handlowe „Primart” Marek Łukasiewicz (vertegenwoordiger: J. Skołuda, radca prawny)

Andere partijen in de procedure: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie, Bolton Cile España, SA

Conclusies

vernietiging van het bestreden arrest van het Gerecht in zijn geheel;

vernietiging van de beslissing van de vijfde kamer van beroep van 22 juni 2017 (R 1933/2016-4);

verwijzing van het EUIPO en Bolton Cile España, S.A. in de kosten van de procedure voor het Gerecht en de kamer van beroep, en verwijzing van het EUIPO in de kosten voor het Hof van Justitie.

Middelen en voornaamste argumenten

1)

In het bestreden arrest heeft het Gerecht artikel 76, lid 1, van verordening (EG) nr. 207/2009 (1) (thans artikel 95, lid 1, van verordening (EU) 2017/1001 (2)) en artikel 65 van verordening nr. 207/2009 (thans artikel 72 van verordening 2017/1001) onjuist toegepast, door het betoog van rekwirant inzake het geringe onderscheidend vermogen van het oudere merk in de oppositieprocedure niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien dit voor het eerst voor het Gerecht is aangevoerd (punten 87-90 van het bestreden arrest).

a.

Het Gerecht moet feiten en argumenten, ook al worden deze voor het eerst voor hem aangevoerd, beoordelen, indien de kamer van beroep van het EUIPO daarmee ambtshalve rekening had moeten houden.

b.

De betekenis van een deel van een merk in een taal van de Unie is een algemeen bekend feit en als zodanig moet het Bureau deze ambtshalve onderzoeken. Bijgevolg moet het Gerecht argumenten dienaangaande grondig onderzoeken, ook door de voor het eerst voor hem aangevoerde argumenten te beoordelen.

c.

De verzoeker in de procedure voor het Gerecht heeft het recht de beoordeling van algemeen bekende feiten door de kamer van beroep van het EUIPO ter discussie te stellen, ook door voor het Gerecht nieuwe argumenten aan te voeren, en bewijzen ter ondersteuning van deze argumenten over te leggen.

d.

Door feiten en argumenten waarmee het Bureau ambtshalve rekening had moeten houden (waaronder algemeen bekende feiten inzake de betekenis van de in de oppositie aan de orde zijnde merken), niet te beoordelen, heeft het Gerecht de algemene regels voor de procesvoering geschonden en voor de zaak voor de kamer van beroep relevante elementen onjuist beoordeeld.

2)

Had het Gerecht rekening gehouden met het algemeen bekende feit dat het woord „PRIMA” een prijzende betekenis heeft (zoals vastgesteld door de oppositieafdeling en rekwirant), in de zin van „eerste, belangrijkste/beste, hoofd-, voornaamste”, dan was het tot een andere conclusie moeten komen inzake het gevaar voor verwarring van Spaans merk nr. 2578815 „PRIMA” en Uniemerk nr. 013682299 „PRIMART MAREK ŁUKASIEWICZ”. Het had namelijk moeten oordelen dat geen sprake is van gevaar voor verwarring van deze twee merken.

a)

de onderzochte merken stemmen overeen in een element met een gering onderscheidend vermogen, en hebben geen onafhankelijke rol in het oppositiemerk. Dit, in samenhang met een gemiddelde mate van visuele overeenstemming, geen begripsmatige overeenstemming en een geringe mate van fonetische overeenstemming (of zelfs geen), sluit het gevaar voor verwarring van deze merken uit.


(1)  Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB 2009, L 78, blz. 1).

(2)  Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1).


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/8


Hogere voorziening ingesteld op 14 november 2018 door ACTC GmbH tegen het arrest van het Gerecht (Negende kamer) van 13 september 2018 in zaak T-94/17, ACTC/EUIPO

(Zaak C-714/18 P)

(2019/C 82/07)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: ACTC GmbH (vertegenwoordigers: V. Hoene, Rechtsanwältin, D. Eickemeier, Rechtsanwalt, S. Gantenbrink, Rechtsanwältin)

Andere partijen in de procedure: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie, Taiga AB

Conclusies

vernietiging van het arrest van het Gerecht van 13 september 2018 in zaak T-94/17 en vernietiging van de beslissing van het EUIPO in zaak R 693/2015-4,

subsidiair

vernietiging van het in het eerste streepje genoemde arrest en terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht,

en

verwijzing van het EUIPO in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Het Gerecht heeft artikel 8, lid 1, onder b), en artikel 42, lid 2, van verordening nr. 207/2009 uit verschillende oogpunten geschonden, door de overeenstemming van de tekens te bevestigen, en — als gevolg van de onjuiste beoordeling van de bewijzen van het gebruik — de soortgelijkheid van de waren. Er bestaat geen gevaar voor verwarring van de betrokken merken.

1.

Het Gerecht heeft ten onrechte vastgesteld dat interveniënte had voldaan aan de gebruiksvereisten voor alle waren van klasse 25 waarvoor het oudere merk is ingeschreven. Aan de vereisten is alleen voldaan voor „kledingstukken, bovenkleding, onderkleding, hoofddeksels, handschoenen, ceintuurs en sokken, waarbij alle voornoemde waren alleen worden gebruikt als speciale weerbeschermende buitenkleding om te beschermen tegen koude, winderige en/of regenachtige weersomstandigheden; werkoveralls. Anders dan het Gerecht heeft vastgesteld, is dit een afzonderlijke subcategorie van waren van klasse 25, zodat alleen voor deze waren van klasse 25 bewijs van het gebruik is overgelegd.

2.

Als gevolg van de onjuiste beoordeling van de vereisten inzake gebruik is het Gerecht ten onrechte tot de conclusie gekomen dat de „kledingstukken” en „hoofddeksels” die op de lijsten van beide merken voorkwamen, dezelfde waren.

3.

Het Gerecht heeft ten onrechte beslist dat de kamer van beroep terecht had vastgesteld dat de betrokken tekens visueel overeenstemden, aangezien de betrokken tekens even lang waren en vier dezelfde letters hadden. Het Gerecht heeft de ongewone samenstelling van het litigieuze merk (asymmetrische medeklinkers en ongewone spelling van „igh”) en de gevolgen voor de visuele overeenstemming, zoals aangevoerd door rekwirante, niet besproken. Uiteraard neemt de gemiddelde consument een merk als een geheel waar. De ongewone samenstelling van het litigieuze merk heeft echter een aanzienlijke invloed op de algemene indruk ervan, waarmee het Gerecht geen rekening heeft gehouden.

4.

Het Gerecht heeft ook ten onrechte beslist dat de betrokken merken fonetisch gelijk waren omdat rekwirante geen bewijs had overgelegd dat erop wees dat de eerste lettergrepen „ti” en „TAI” voor het Engelsprekende publiek niet hetzelfde klonken, en dat er geen niets was dat de uitspraak van de betrokken tekens van elkaar onderscheidde. Het is daarentegen zo dat het Gerecht er zonder enig bewijs en ten onrechte van is uitgegaan dat de lettercombinatie „ti” altijd als „tai” werd uitgesproken. Voor dit oordeel bestaat geen bewijs. In het Engels bestaat geen woord „ti”. De lettercombinatie wordt bijgevolg steeds alleen uitgesproken overeenkomstig de taalregels die van toepassing zijn op het betrokken woord. We mogen als vaststaand beschouwen dat er ontelbare woorden bestaan waarin de lettercombinatie „ti” niet als „tai” wordt uitgesproken, zoals „trick”, „ticket”, „till”, „timbal”, „timberland”, „tin”, „tincture”, „tinder”, „tip”, „trigger” en nog veel meer, alsook het litigieuze merk „tigha”. In het bekende Engelse kinderboek Winnie-the-Pooh is een van de hoofdpersonages een dier met de naam „Tigger”, uitgesproken als [tɪɡə]. Telkens als de klinker na „ti” kort wordt uitgesproken, is er dus geen uitspraak als „tai”. Dit is wat rekwirante van meet af aan heeft gezegd. Noch het EUIPO, noch interveniënte hebben bewijs van het tegendeel overgelegd. Rekwirante moest dus niet bewijzen wat overduidelijk is.

5.

Het Gerecht heeft ten onrechte vastgesteld dat rekwirante niet had aangetoond dat TAIGA een duidelijke en specifieke betekenis heeft voor het relevante publiek (de consument in de Unie) in zijn geheel. Dit klopt niet. Rekwirante heeft onbetwist gesteld dat TAIGA een lexicaal vermeld Frans woord is. Het zou onbetwist moeten zijn en voor de rechters geweten dat Frankrijk in Zuid-Europa ligt. Gelet op de onbetwiste omvang van de TAIGA als landschap en het belang ervan voor de hele wereld, behoort TAIGA (in het bijzonder samen met de term TOENDRA) tot de algemene ontwikkeling in Europa en daarbuiten.

6.

Daarnaast volstaat het volgens de rechtspraak van het Gerecht dat een term in een deel van de Europese Unie wordt begrepen, bijvoorbeeld door het Italiaanssprekende publiek. Op dit punt heeft het Gerecht erkend dat „Granini” en „Panini” begripsmatig verschilden, omdat de „Granini” geen betekenis had, terwijl „Panini” een Italiaans broodje betekende.

7.

Het door het Gerecht vermelde arrest BASS van 14 oktober 2003, T-292/01, punt 54, bevat geen enkele aanwijzing dat het betrokken woord in de hele Unie moet worden begrepen. Bijgevolg dient erop te worden gewezen dat de beoordeling van het Gerecht geen steun vindt in het arrest BASS. Het is terecht wanneer het Gerecht erkent dat een groot deel van het relevante publiek in Europa de term TAIGA kent en begrijpt.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/9


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland) op 15 november 2018 — Segler-Vereinigung Cuxhaven e.V. / Finanzamt Cuxhaven

(Zaak C-715/18)

(2019/C 82/08)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesfinanzhof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Segler-Vereinigung Cuxhaven e.V.

Verwerende partij: Finanzamt Cuxhaven

Prejudiciële vraag

Omvat de toepassing van het verlaagde btw-tarief voor de verhuur van percelen op kampeerterreinen en in caravanparken krachtens artikel 98, lid 2, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (1) (btw-richtlijn) in samenhang met bijlage III, punt 12, van de btw-richtlijn eveneens de verhuur van ligplaatsen voor schepen?


(1)  PB 2006, L 347, blz. 1.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/10


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Arbitral Tributário (Centro de Arbitragem Administrativa — CAAD) (Portugal) op 3 december 2018 — Totalmédia — Marketing Direto e Publicidade SA / Autoridade Tributária e Aduaneira

(Zaak C-751/18)

(2019/C 82/09)

Procestaal: Portugees

Verwijzende rechter

Tribunal Arbitral Tributário (Centro de Arbitragem Administrativa — CAAD)

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Totalmédia — Marketing Direto e Publicidade SA

Verwerende partij: Autoridade Tributária e Aduaneira

Prejudiciële vragen

1)

Is een uitlegging van artikel 23, lid 1, onder c), van de Código do Imposto sobre o rendimento das Pessoas Coletivas (wetboek inzake de vennootschapsbelasting) — in de in 2013 geldende versie — in die zin dat na de omgekeerde fusie waarvan in dit geding sprake is, de rente en overige financiële kosten, voortvloeiend uit met derden of met verbonden vennootschappen afgesloten leningen (welke kosten de overgenomen vennootschap zou hebben kunnen aftrekken indien er geen fusie had plaatsgevonden) die zijn aangegaan voor de verwerving van het kapitaal van de dochtervennootschap (de overnemende vennootschap) en als gevolg van de fusie zijn overgegaan, niet langer aftrekbaar zijn van de belastinggrondslag van de overnemende vennootschap, verenigbaar met het Europees recht, met name wanneer deze niet-aftrekbaarheid van financiële kosten concentraties als bedoeld in richtlijn 2009/133/EG van de Raad (1) zou kunnen belemmeren of beperken, hetgeen in strijd zou zijn met de beginselen en doelstellingen van die richtlijn, en met artikel 4 daarvan?

2)

Indien de eerste prejudiciële vraag aldus wordt beantwoord dat de niet-aftrekbaarheid van de financiële kosten verenigbaar is met de richtlijn, geldt dit dan ook in een situatie waarin de fiscale correctie niet is uitgevoerd op grond van de bepaling van de richtlijn tegen misbruik (artikel 15) of de bepaling van nationaal recht waarin deze bepaling van de richtlijn is overgenomen (artikel 73, lid 10, van het wetboek inzake de vennootschapsbelasting), maar op grond van een ander voorschrift van nationaal recht (artikel 23 van het wetboek inzake de vennootschapsbelasting)?


(1)  Richtlijn 2009/133/EG van de Raad van 19 oktober 2009 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, gedeeltelijke splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten en voor de verplaatsing van de statutaire zetel van een SE of een SCE van een lidstaat naar een andere lidstaat (PB 2009, L 310, blz. 34).


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/10


Hogere voorziening ingesteld op 3 december 2018 door Päivi Leino-Sandberg tegen de beschikking van het Gerecht (Zevende kamer) van 20 september 2018 in zaak T-421/17, Leino-Sandberg / Parlement

(Zaak C-761/18 P)

(2019/C 82/10)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Päivi Leino-Sandberg (vertegenwoordigers: O. W. Brouwer, advocaat, S. Schubert, Rechtsanwalt)

Andere partij in de procedure: Europees Parlement

Conclusies

de beschikking van het Gerecht van 20 september 2018 in zaak T-421/17 vernietigen;

de zaak zelf afdoen door gebruik te maken van de bevoegdheid waarover het krachtens artikel 61, eerste alinea, tweede volzin, van het Statuut van het Hof van Justitie beschikt;

het Europees Parlement verwijzen in de kosten van de procedure, met inbegrip van de kosten van eventuele interventiënten.

Middelen en voornaamste argumenten

Eerste middel, ontleend aan onjuiste rechtsopvattingen in de bestreden beschikking, voor zover daarin is geoordeeld dat het beroep zonder voorwerp was geraakt, zodat daarop niet hoefde te worden beslist. Rekwirante voert aan dat in de bestreden beschikking ten onrechte de juridische toets van arrest C-57/16 P, ClientEarth/Commissie (EU:C:2018:660) niet is toegepast, op grond waarvan de conclusie had moeten luiden dat het beroep zijn voorwerp heeft behouden, aangezien het Europees Parlement het bestreden besluit niet heeft ingetrokken.

Tweede middel, ontleend aan onjuiste rechtsopvattingen en procedurele gebreken in de bestreden beschikking, voor zover daarin is geoordeeld dat er niet langer een procesbelang bestaat. Rekwirante voert aan dat de vaste rechtspraak, onder meer in arrest C-57/16 P, onjuist is toegepast in de bestreden beschikking, daar de conclusie had moeten luiden dat de onwettigheid zich, onafhankelijk van de bijzondere omstandigheden van de betrokken zaak, in de toekomst kan herhalen, en dat het procesbelang bijgevolg is blijven bestaan.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/11


Hogere voorziening ingesteld op 5 december 2018 door Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi tegen het arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 25 september 2018 in zaak T-328/17, Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi/EUIPO

(Zaak C-766/18 P)

(2019/C 82/11)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi (vertegenwoordigers: S. Malynicz QC, S. Baran, barrister, V. Marsland, solicitor)

Andere partijen in de procedure: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie, M. J. Dairies EOOD

Conclusies

de hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht in zaak T-328/17, Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi/Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), EU:T:2018:594, ontvankelijk verklaren en de vordering tot vernietiging van rekwirante toewijzen;

het Bureau en interveniënte verwijzen in hun eigen kosten, en in die van rekwirante.

Middelen en voornaamste argumenten

1.

Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste opvatting door het collectieve merk HALLOUMI niet de gepaste status en bescherming te verlenen die verordening nr. 207/2009 voor dergelijke collectieve merken vereist, in strijd met artikel 74 van verordening nr. 207/2009;

2.

In het bijzonder heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste opvatting door zijn aanpak van de beoordeling van het onderscheidend vermogen van het collectieve merk HALLOUMI in het geheel niet te wijzigen, in strijd met artikel 8, lid 1, onder b), en artikel 74 van verordening nr. 207/2009;

3.

Het Gerecht heeft de gevolgen van het arrest van het Hof in de gevoegde zaken C-673/15 P tot en met C-676/15 P, The Tea Board/EUIPO, en zijn met redenen omklede beschikking in zaak C-39312 P, Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus Named Halloumi/BHIM, onjuist ingeschat en toegepast, en heeft het arrest in zaak C-196/11 P, Formula One Licensing/BHIM, EU:C:2012:314 niet correct nageleefd; en

4.

Het Gerecht heeft de zaak ten onrechte niet naar de kamer van beroep terugverwezen voor een nieuwe behandeling in het licht van zijn vaststelling dat de vierde kamer van beroep — zelfs volgens het Gerecht — blijk had gegeven van ten minste twee onjuiste opvattingen bij de beoordeling van het verwarringsgevaar. Daarbij heeft het artikel 8, lid 1, onder b), en/of artikel 72, lid 2, van verordening nr. 207/2009 geschonden.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/12


Hogere voorziening ingesteld op 5 december 2018 door de Republiek Cyprus tegen het arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 25 september 2018 in zaak T-384/17, Cyprus/EUIPO

(Zaak C-767/18 P)

(2019/C 82/12)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Republiek Cyprus (vertegenwoordigers: S. Malynicz QC, S. Baran, barrister, V. Marsland, solicitor)

Andere partijen in de procedure: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie, M. J. Dairies EOOD

Conclusies

de hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht in zaak T-384/17, Republiek Cyprus/EUIPO, EU:T:2018:593, ontvankelijk verklaren en de vordering tot vernietiging toewijzen;

het EUIPO en interveniënte verwijzen in hun eigen kosten en in die van rekwirante.

Middelen en voornaamste argumenten

1.

Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste opvatting door te oordelen dat de kamer van beroep de conclusies uit de eerdere arresten HELLIM en XAΛΛOYMI en HALLOUMI van het Gerecht terecht heeft toegepast op de onderhavige zaak. De genoemde zaken hadden geen betrekking op certificeringsmerken, maar op andere soorten merken, namelijk respectievelijk op collectieve en gewone Uniemerken. De wezenlijke functie van dergelijke merken bestaat erin de commerciële herkomst van de waren aan te duiden (in het geval van een collectief merk, een groot aantal handelaars die verbonden zijn door het lidmaatschap van een vereniging). Certificeringsmerken hebben daarentegen niet als wezenlijke functie om de herkomst aan te duiden, maar om een categorie van waren te onderscheiden, namelijk waren met een certificering, doordat deze daadwerkelijk voldoen aan de reglementering waaronder het gebruik van het certificeringsmerk HALLOUMI is toegestaan, en daarvoor toestemming is verleend om volgens deze reglementering te worden geproduceerd. Bovendien was het relevante publiek in die eerdere arresten van het Gerecht verschillend van het relevante publiek in de onderhavige zaak.

2.

Het Gerecht heeft ten onrechte geoordeeld dat een ouder nationaal merk — in casu het nationale certificeringsmerk — elk onderscheidend vermogen miste om waren met certificering te onderscheiden van waren zonder certificering. Het heeft ten onrechte geoordeeld dat het merk beschrijvend was. Het heeft ten onrechte afbreuk gedaan aan de nationale bescherming van het nationale merk en ten onrechte de geldigheid van dit merk ter discussie gesteld in een oppositieprocedure voor het EUIPO.

3.

Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste opvatting bij de vergelijking van de merken en de beoordeling van het gevaar voor verwarring. Het heeft deze vragen ten onrechte benaderd alsof het oudere merk een herkomstaanduidend merk was, en geen certificeringsmerk. Het heeft het oudere merk geen onderscheidend vermogen verleend als certificeringsmerk, dit wil zeggen als een merk dat waren onderscheidt die daadwerkelijk voldeden aan de normen voor het certificeringsmerk en daadwerkelijk waren geproduceerd door door de houder van het certificeringsmerk goedgekeurde producenten. Het heeft evenmin in overweging genomen hoe certificeringsmerken gewoonlijk worden gebruikt (namelijk steeds met een onderscheidende naam, merk of logo). Het heeft geen rekening gehouden met de betekenis en het belang van het litigieuze Uniemerk, inzonderheid door niet te onderzoeken of het element „HALLOUMI” in het jongere merk een eigen onderscheidend vermogen had, als een teken dat — anders dan in werkelijkheid — aangaf dat de door het litigieuze Uniemerk aangeduide waren gecertificeerd waren.

4.

Het Gerecht heeft geen rekening gehouden met nationale bepalingen en rechtspraak met betrekking tot de draagwijdte en de gevolgen van nationale certificeringsmerken. De voorwaarden en modaliteiten van de regelgeving van de lidstaten met betrekking tot certificeringsmerken zijn niet geharmoniseerd in het kader van de merkenrichtlijnen 89/104 (1) of 2008/95 (2), en toch bepaalt verordening nr. 207/2009 dat dergelijke nationale merken de basis kunnen vormen voor oudere rechten die de inschrijving van Uniemerken verhinderen. Deze rechten moeten worden bekeken in het licht van de nationale rechtspraak en de nationale bepalingen, naar analogie van de verschillende nationale rechten overeenkomstig artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009 (welke rechten evenmin zijn geharmoniseerd en van lidstaat tot lidstaat in grote mate verschillen naar de aard, de draagwijdte en de gevolgen ervan).


(1)  Eerste richtlijn (89/104/EEG) van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 1989, L 40, blz. 1).

(2)  Richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 2008, L 299, blz. 25).


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/13


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Erding (Duitsland) op 10 december 2018 — U.B. en T.V./Eurowings GmbH

(Zaak C-776/18)

(2019/C 82/13)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Amtsgericht Erding

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: U.B., T.V.

Verwerende partij: Eurowings GmbH

Prejudiciële vraag

Moet in geval van annulering als bedoeld in artikel 5 van verordening (EG) nr. 261/2004 (1) ook worden aangenomen dat er sprake is van een aanbod van een alternatieve vlucht die de passagiers in staat stelt hun eindbestemming minder dan twee uur na de geplande aankomsttijd te bereiken, wanneer deze alternatieve vlucht wordt uitgevoerd naar een andere dan de in de boekingsbevestiging vermelde luchthaven, wanneer deze luchthaven in dezelfde regio is gelegen?


(1)  Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1).


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/14


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil supérieur de la Sécurité sociale (Luxemburg) op 19 december 2018 — EU / Caisse pour l’avenir des enfants

(Zaak C-801/18)

(2019/C 82/14)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Conseil supérieur de la Sécurité sociale

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: EU

Verwerende partij: Caisse pour l’avenir des enfants

Prejudiciële vragen

1)

Zijn de bevoegde socialezekerheidsautoriteiten van een eerste lidstaat (in casu de Caisse pour l’avenir des enfants — Luxemburg) uit hoofde van de Unierechtelijke verplichtingen die op hen rusten krachtens artikel 45 VWEU, richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (1), en verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (2), waarvan met name artikel 4, gehouden gezinsbijslagen te betalen aan een onderdaan van een tweede lidstaat, wanneer deze bevoegde autoriteiten op grond van een bilaterale internationale overeenkomst tussen de eerste lidstaat (Luxemburg) en het derde land (Brazilië) onder dezelfde voorwaarden het recht op gezinsbijslagen toekennen aan hun eigen onderdanen en inwoners?”

2)

Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord en voor het geval dat het beginsel dat in het arrest Gottardo (3) is gehanteerd ook geldt in de context van gezinsbijslagen, kan de bevoegde socialezekerheidsautoriteit, en meer in het bijzonder de bevoegde gezinsbijslagautoriteit — in casu de Caisse pour l’avenir des enfants, de nationale instelling voor gezinsbijslagen van het Groothertogdom Luxemburg — zich dan op grond van overwegingen betreffende de financiële en buitengewoon zware administratieve lasten waarmee de betrokken administratie te maken krijgt, beroepen op een objectieve reden om de ongelijke behandeling van onderdanen van de overeenkomst sluitende landen die partij zijn (bij de betrokken bilaterale overeenkomst) en van andere onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie te rechtvaardigen?


(1)  Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158, blz. 77).

(2)  PB L 166, blz. 1.

(3)  Arrest van 15 januari 2002, Gottardo, C-55/00, EU:C:2002:16.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/15


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil supérieur de la Sécurité sociale (Luxemburg) op 19 december 2018 — Caisse pour l’avenir des enfants / FV, GW

(Zaak C-802/18)

(2019/C 82/15)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Conseil supérieur de la Sécurité sociale

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Caisse pour l’avenir des enfants

Verwerende partijen: FV, GW

Prejudiciële vragen

1)

Moet de volgens de artikelen 269 en 270 van het wetboek sociale zekerheid toegekende Luxemburgse kinderbijslag worden gelijkgesteld met een sociaal voordeel in de zin van artikel 45 VWEU en artikel 7, lid 2, van verordening nr. 492/2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (1)?

2)

Ingeval van gelijkstelling verzet de definitie van het begrip „gezinslid” die krachtens artikel 1, onder i) van verordening nr. 883/2004 (2) van toepassing is, zich tegen de ruimere definitie van gezinslid van artikel 2, lid 2, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad (3), aangezien in deze laatste definitie, anders dan hetgeen in de coördinatieverordening is neergelegd, iedere autonomie van de lidstaat bij de definitie van gezinslid wordt uitgesloten en ook wordt voorbijgegaan aan iedere notie van „het in hoofdzaak ten laste komen”. Moet de definitie van gezinslid in de zin van artikel 1, onder i) van verordening nr. 883/2004 derhalve voorrang hebben, gelet op het specifieke karakter ervan in de context van de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, en blijft in het bijzonder de lidstaat bevoegd om te definiëren welke gezinsleden voor kinderbijslag in aanmerking komen?

3)

Ingeval artikel 2, lid 2, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van toepassing is op gezinsbijslagen en meer in het bijzonder op de Luxemburgse kinderbijslag, kan de uitsluiting van het kind van de echtgenoot van de definitie van „gezinslid” worden aangemerkt als een indirecte discriminatie, die evenwel gerechtvaardigd is, gelet op de nationale doelstelling van de lidstaat om het persoonlijk recht van het kind vast te leggen en de noodzaak om de administratie van de lidstaat van tewerkstelling te beschermen, wanneer de uitbreiding van de personele werkingssfeer een onredelijke belasting is voor het stelsel van Luxemburgse gezinsbijslagen dat namelijk bijna 48 % van de gezinsbijslagen uitkeert in het buitenland?


(1)  Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (PB L 141, blz. 1).

(2)  Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166, blz. 1).

(3)  Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158, blz. 77).


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/15


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas (Litouwen) op 20 december 2018 — AAS BALTA/UAB GRIFS AG

(Zaak C-803/18)

(2019/C 82/16)

Procestaal: Litouws

Verwijzende rechter

Lietuvos Aukščiausiasis Teismas

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekster in cassatie: AAS BALTA

Andere partij in de cassatieprocedure: UAB GRIFS AG

Prejudiciële vraag

Moeten artikel 15, lid 5, en artikel 16, lid 5, van verordening (EU) nr. 1215/2012 (1) van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken aldus worden uitgelegd dat, in het geval van een verzekering voor grote risico’s, een in de verzekeringsovereenkomst tussen de verzekeringnemer en de verzekeraar opgenomen forumkeuzebeding kan worden tegengeworpen aan een uit hoofde van die overeenkomst verzekerde persoon, die niet uitdrukkelijk heeft ingestemd met dat beding en die zijn gewone verblijfplaats of vestiging heeft in een andere lidstaat dan die van de verzekeringnemer en de verzekeraar?


(1)  Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/16


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Krajský súd Trnava (Slowakije) op 21 december 2018 — DHL Logistics (Slovakia), spol. s r.o. / Finančné riaditeľstvo SR

(Zaak C-810/18)

(2019/C 82/17)

Procestaal: Slowaaks

Verwijzende rechter

Krajský súd Trnava

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: DHL Logistics (Slovakia), spol. s r.o.

Verwerende partij: Finančné riaditeľstvo SR

Prejudiciële vraag

Moet onderverdeling 8525 80 91 van de gecombineerde nomenclatuur, die is vermeld in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 (1) van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, in de versie die volgt uit de toelichtingen die op grond van die verordening in 2011 (2) zijn gepubliceerd (Mededeling 2011/C 137/01 van de Commissie), aldus worden uitgelegd dat ook goederen zoals digitale videocamera-opnametoestellen, waarop de onderhavige zaak betrekking heeft, onder die onderverdeling kunnen worden ingedeeld, ook al kunnen zij enkel videobeelden met een resolutie lager dan 800 x 600 pixels — 720 x 576 pixels om precies te zijn — opnemen en vastleggen, aangezien hun andere functie — het opnemen en vastleggen van stilstaande beelden –beperkt is door het feit dat de resolutie van deze beelden 1 600 x 1 200 pixels (1,92 megapixels) is?


(1)  PB 1987, L 256, blz. 1.

(2)  PB 2011, C 137, blz. 1.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/17


Hogere voorziening ingesteld op 21 december 2018 door de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland e.a. tegen het arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 15 oktober 2018 in zaak T-79/16, Vereniging Gelijkberechtiging Grondbezitters e.a. tegen Commissie

(Zaak C-817/18 P)

(2019/C 82/18)

Procestaal: Nederlands

Partijen

Rekwirantes: Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, Stichting Het Groninger Landschap, It Fryske Gea, Stichting Het Drentse Landschap, Stichting Het Overijssels Landschap, Stichting Het Geldersch Landschap, Stichting Flevo-Landschap, Stichting Het Utrechts Landschap, Stichting Landschap Noord-Holland, Stichting Het Zuid-Hollands Landschap, Stichting Het Zeeuwse Landschap, Stichting Het Noordbrabants Landschap, Stichting Het Limburgs Landschap (vertegenwoordigers: P. Kuypers, M. de Wit, advocaten)

Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Vereniging Gelijkberechtiging Grondbezitters, Exploitatiemaatschappij De Berghaaf BV, Stichting Het Nationale Park De Hoge Veluwe, BV Landgoed Den Alerdinck II, Landgoed Ampsen BV, Pallandt van Keppel Stichting, Landgoed Kasteel Keppel BV, Baron van Lynden, Stichting het Lijndensche Fonds voor Kerk en Zending, Landgoed Welna BV, Landgoed „Huis te Maarn” BV, Vicariestichting De Vijf Capellarijen / Ambachtsheerlijkheid Kloetinge, Maatschappij tot Exploitatie van het Landgoed Tongeren onder Epe BV, Landgoed Anderstein NV, Landgoed Bekspring BV, Landgoed Nijenhuis en Westerflier BV, Landgoed Caprera BV, Landgoed Schapenduinen BV, Stichting Schapenduinen, Landgoed de Noetselenberg BV

Conclusies

Vernietiging van het bestreden arrest (arrest gewezen in zaak T-79/16);

Verwijzing van de VGG in de kosten van eerste aanleg en van de hogere voorziening;

Subsidiair: in geval de zaak naar het Gerecht wordt terugverwezen, aanhouding van de beslissing over de kosten in eerste aanleg en in hogere voorziening tot het eindarrest.

Middelen en voornaamste argumenten

Eerste middel: het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het beroep van de VGG ontvankelijk te verklaren

De toets waaraan de VGG moet voldoen om te kunnen worden aangemerkt als belanghebbende — er is sprake van een concurrentieverhouding tussen de VGG en verzoeksters; de verleende steun dreigt de situatie van de VGG concreet te beïnvloeden en zal de betrokken concurrentieverhouding verstoren — wordt onjuist toegepast door het Gerecht.

Het Gerecht verbindt de ontvankelijkheid van de VGG en haar leden een-op-een met de ontvankelijkheid van Stichting Het Nationale Park De Hoge Veluwe, de enige overgebleven klager uit 2008.

Het Gerecht heeft daarbij echter niet of onvoldoende vastgesteld ten aanzien van welke activiteiten verzoeksters en de Stichting Het Nationale Park De Hoge Veluwe met elkaar in concreto concurreren. Het Gerecht neemt aldus ten onrechte aan dat een concurrentieverhouding bestaat tussen de Stichting Het Nationale Park De Hoge Veluwe.

Aannemende dat een concurrentieverhouding bestaat, is het Gerecht vervolgens ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de steun concrete gevolgen heeft gehad voor de concurrentiepositie van de VGG-leden en deze verstoord heeft.

Op basis van de beoordeling van de ontvankelijkheid van Stichting Het Nationale Park De Hoge Veluwe had het Gerecht niet tot conclusie mogen komen dat de VGG ontvankelijk is in haar beroep.

Tweede middel: het Gerecht heeft ten onrechte het bestaan van „ernstige moeilijkheden” aangenomen

Het oordeel van het Gerecht dat er sprake is van schending van de in artikel 108, lid 2, VWEU neergelegde procedurele rechten is onjuist. Door te oordelen dat de Commissie „ernstige moeilijkheden” heeft ondervonden bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de PNB-regeling met het staatssteunrecht, heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste toepassing van het recht.

Zo duidt de kwalificatie van de DAEB als „atypisch” en „globaal” in het besluit niet op ernstige moeilijkheden; is de afwezigheid van een gescheiden boekhouding geen aanwijzing voor ernstige moeilijkheden; en ontbrak er geen mechanisme ter voorkoming van overcompensatie.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/18


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal de commerce de Paris (Frankrijk) op 24 december 2018 — Trendsetteuse SARL / DCA SARL

(Zaak C-828/18)

(2019/C 82/19)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Tribunal de commerce de Paris

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Trendsetteuse SARL

Verwerende partij: DCA SARL

Prejudiciële vraag

Moet artikel 1, lid 2, van richtlijn 86/653/EEG van 18 december 1986 (1) inzake de status van handelsagenten aldus worden uitgelegd dat een zelfstandige tussenpersoon die als lasthebber in naam en voor rekening van zijn lastgever handelt en niet bevoegd is om de tarieven en voorwaarden van de verkoopovereenkomsten van zijn principaal te wijzigen, niet belast is met het tot stand brengen van die overeenkomsten in de zin van dit artikel en dientengevolge niet kan worden aangemerkt als handelsagent en niet in aanmerking kan komen voor de status waarin de richtlijn voorziet?


(1)  Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten (PB L 382, blz. 17).


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/18


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de tribunal de grande instance de Paris (Frankrijk) op 27 december 2018 — Crédit Logement SA / OE

(Zaak C-829/18)

(2019/C 82/20)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Tribunal de grande instance de Paris

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Crédit Logement SA

Verwerende partij: OE

Prejudiciële vragen

1)

Dienen richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 (1) en het [Unie]rechtelijk doeltreffendheidsbeginsel aldus te worden uitgelegd, dat zij zich verzetten tegen de toepassing van een nationaalrechtelijke bepaling die een rechter verbiedt na te gaan of een beding in een met een beroepsbeoefenaar gesloten overeenkomst oneerlijk is, wanneer de professionele borg die zich tot uitvoering van de overeenkomst heeft verbonden, de schuldenaar-consument heeft meegedeeld dat hij voornemens was de betaling te verrichten en deze schuldenaar hem niet heeft gemeld welke excepties kunnen worden opgeworpen?

2)

Kan door de vermelding in de overeenkomst dat het wisselrisico ten laste van de kredietnemer komt, aangevuld met de aflossingstabellen, het beding „duidelijk en begrijpelijk” worden in de zin van de richtlijn, wanneer simulaties van mogelijke, ook ongunstige hypothesen met betrekking tot de evolutie van de wisselkoers ontbreken?

3)

Staat het aan de beroepsbeoefenaar dan wel aan de consument om te bewijzen dat de informatie waardoor het beding duidelijk en begrijpelijk wordt aan de consument is verstrekt en dat dat beding duidelijk en begrijpelijk is?

4)

Ingeval de tribunal de grande instance de Paris oordeelt dat de contractuele bedingen 1.2.1 tot en met 1.2.9, 2.8 oneerlijk zijn omdat zij onvoldoende duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd, dienen dan alle financiële bedingen, inclusief het rentebeding, als niet geschreven te worden beschouwd, of dienen alleen de bedingen over de wisselkoersschommelingen en het valutabeding als niet geschreven te worden beschouwd, waardoor enkel een vaste rentevoet overblijft, of dient nog een andere optie te worden overwogen?

5)

Dient de tribunal de grande instance de Paris er zich bij het onderzoek van de voorgaande vraag van te vergewissen dat de opgelegde sanctie doeltreffend, evenredig en afschrikkend is?


(1)  Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29).


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/19


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal de l'entreprise de Liège (België) op 31 december 2018 — SI, Brompton Bicycle Ltd / Chedech / Get2Get

(Zaak C-833/18)

(2019/C 82/21)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Tribunal de l'entreprise de Liège

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: SI, Brompton Bicycle Ltd

Verwerende partij: Chedech / Get2Get

Prejudiciële vragen

1)

Dient het Unierecht en inzonderheid richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (1), waarvan de artikelen 2 tot en met 5 met name de verschillende aan de houders van auteursrechten verleende exclusieve rechten vastleggen, aldus te worden uitgelegd dat auteursrechtelijke bescherming uitgesloten is voor werken waarvan de verschijningsvorm noodzakelijk is om een technisch resultaat te bereiken?

2)

Dient bij de beoordeling of een verschijningsvorm noodzakelijk is om een technisch resultaat te bereiken, met de volgende criteria rekening te worden gehouden:

het bestaan van andere mogelijke verschijningsvormen waarmee hetzelfde technische resultaat kan worden bereikt?

de doeltreffendheid van de verschijningsvorm om dat resultaat te bereiken?

de wil van de vermeende inbreukmaker om dat resultaat te bereiken?

het bestaan van een thans vervallen vroeger octrooi op het procedé waarmee het gewenste technische resultaat kan worden bereikt?


(1)  PB L 167, blz. 10.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/20


Hogere voorziening ingesteld op 7 januari 2019 door Mylène Troszczynski tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 8 november 2018 in zaak T-550/17, Troszczynski / Parlement

(Zaak C-12/19 P)

(2019/C 82/22)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirante: Mylène Troszczynski (vertegenwoordiger: F. Wagner, advocaat)

Andere partij in de procedure: Europees Parlement

Conclusies

het arrest van 8 november 2018 van de Zesde kamer van het Gerecht van de Europese Unie (T-550/17) vernietigen.

Bijgevolg:

het besluit van het Europees Parlement van 14 juni 2017 tot vaststelling van verslag nr. A8-0218/2017 van de Commissie juridische zaken over het verzoek om opheffing van de immuniteit en de voorrechten van Mylène Troszczynski, lid van het Europees Parlement, nietig verklaren,

beslissen over het bedrag dat rekwirante uit hoofde van de proceskosten moet worden toegekend,

het Europees Parlement in alle kosten verwijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

1.

Over de beoordeling van het tweede middel door het Gerecht

Het Gerecht beschouwt de litigieuze tweet van Mylène Troszczynski niet als een mening die zij in de uitoefening van haar ambt als volksvertegenwoordiger heeft geuit, omdat de tweet betrekking heeft op een specifieke vermeende gebeurtenis in Frankrijk en niet kan worden gelijkgesteld met een algemene meningsuiting over actuele onderwerpen of onderwerpen die door het Parlement worden behandeld, welke kenmerken aanwezig moeten zijn om van een door het Protocol beschermde meningsuiting te kunnen spreken.

Het Gerecht begaat een kennelijke beoordelingsfout aangezien:

ieder Parlementslid door zijn land is gekozen, zijn kiezers vertegenwoordigt en gedurende zijn mandaat een noodzakelijke band met hen moet onderhouden, door met name onderwerpen aan de orde te stellen die hen interesseren of betreffen,

beginsel nr. 2 van mededeling aan de leden 11/2003 een dergelijk onderscheid niet maakt,

het dragen van een gezichtsbedekkende sluier in de openbare ruimte een thema is dat de kiezers in Frankrijk en ook in alle andere Europese landen aangaat en deze uiterlijke belijdenis van de Islam een onderwerp van algemeen belang is dat het openbare leven en de rechten van vrouwen raakt,

het Gerecht de beginselen van het arrest Patriciello had moeten toepassen.

2.

Over de beoordeling van het derde middel door het Gerecht

Uit de debatten is gebleken en door het Gerecht is bevestigd dat Mylène Troszczynski niet de auteur is van de litigieuze tweet en dat ze deze meteen nadat ze ervan op de hoogte kwam, heeft verwijderd. Het Gerecht is evenwel van oordeel dat deze twee feiten bij de beoordeling of is voldaan aan de voorwaarden voor opheffing van de parlementaire immuniteit niet in aanmerking mogen worden genomen.

Het Gerecht begaat een kennelijke beoordelingsfout:

door te oordelen dat het niet aan het Parlement staat om te weten of de aan het betrokken lid ten laste gelegde feiten vaststaan, ondanks het feit dat het Parlement de feiten heeft onderzocht en in zijn besluit heeft erkend dat Mylène Troszczynski niet de auteur is van de tweet,

door geen rechtsgevolgen te verbinden aan bepaalde als bijlage bij het verslag van de Comissie juridische zaken gevoegde stukken, namelijk de uittreksels uit de wet van 29 juli 1881 en met name artikel 42 daarvan,

omdat in de beslissing tot terugverwijzing naar de strafrechtbank van 26 april 2018 de hardnekkigheid van een magistraat jegens een parlementslid, dus de bedoeling hem politieke schade toe te brengen, tot uiting komt, wat kenmerkend is voor de fumus persecutionis.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/21


Hogere voorziening ingesteld op 21 januari 2019 door Marion Le Pen tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 28 november 2018 in zaak T-161/17, Le Pen / Parlement

(Zaak C-38/19 P)

(2019/C 82/23)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirante: Marion Anne Perrine, roepnaam Marine, Le Pen (vertegenwoordiger: R. Bosselut, advocaat)

Andere partij in de procedure: Europees Parlement

Conclusies

vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie (Zesde kamer) van 28 november 2018 in zaak T-161/17.

Derhalve:

nietigverklaring van het besluit van de secretaris-generaal van het Europees Parlement van 6 januari 2017, dat is vastgesteld op grond van artikel 68 van besluit 2009/C 159/01 van het Bureau van het Parlement van 19 mei en 9 juli 2008 houdende de uitvoeringsbepalingen van het Statuut van de leden van het Europees Parlement, zoals gewijzigd, waarbij jegens rekwirante een schuldvordering ten bedrage van 41 554 EUR is vastgesteld.

nietigverklaring van debetnota nr. 2017-22 van 11 januari 2017, waarbij rekwirante ervan op de hoogte werd gesteld dat jegens haar een schuldvordering van 41 554 EUR was vastgesteld bij het besluit van de secretaris-generaal van 6 januari 2017 tot terugvordering van in het kader van parlementaire assistentie onverschuldigd uitgekeerde bedragen, op grond van artikel 68 van de uitvoeringsbepalingen en de artikelen 78, 79 en 80 van het FR.

verwijzing van het Parlement in alle kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

A –

Middel van openbare orde: schending van het Unierecht — onjuiste rechtsopvattingen — schending van wezenlijke vormvoorschriften — schending van de rechten van de verdediging -

Dit middel is eraan ontleend dat rekwirante niet persoonlijk is gehoord en dat de secretaris-generaal het dossier en in het bijzonder het verslag van OLAF niet heeft toegezonden.

Het Gerecht heeft rekwirantes rechten van verdediging geschonden, met name gelet op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 6 EVRM.

B –

Schending van het Unierecht — onjuiste rechtsopvattingen — schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen en van het rechtszekerheidsbeginsel — onjuiste kwalificatie van de juridische aard van de feiten, onjuiste opvattingen van de feiten en het bewijsmateriaal

Het Gerecht heeft de door rekwirante in de bijlage bij haar brief van 14 maart 2016 aan OLAF voorgelegde stukken onjuist opgevat.

Er kan niet worden gesteld dat de krachtens de „kunstmatige” overeenkomst uitgekeerde bedragen niet overeenkomstig de uitvoeringsbepalingen zijn gebruikt. Bijgevolg is er dus geen sprake van enig misbruik van het doel of de aard van die middelen, en evenmin van door het Parlement geleden schade.

C-

Misbruik van bevoegdheid — Fumus persecutionis

De discriminatie, het achterhouden van bewijs, het gebrek aan loyaliteit en de schending van de rechten van de verdediging waaraan de secretaris-generaal van het Parlement zich jegens rekwirante schuldig heeft gemaakt, vormen „objectieve, relevante en onderling overeenstemmende gegevens, die zijn vastgesteld met het uitsluitende, of althans doorslaggevende oogmerk, andere doeleinden te bereiken dan die welke worden aangevoerd, of om zich te onttrekken aan de toepassing van een procedure waarin het Verdrag speciaal heeft voorzien om aan de omstandigheden van het geval het hoofd te bieden”. Ook het Gerecht had die zo moeten beschouwen. Zij wijzen erop dat sprake is van een onrechtmatige fumus persecutionis ten nadele van rekwirante.


Gerecht

4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/23


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Comune di Milano/Commissie

(Zaak T-167/13) (1)

((„Staatssteun - Grondafhandelingsdiensten - Kapitaalinbreng door SEA ten behoeve van SEA Handling - Besluit waarbij de steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard en de terugvordering ervan wordt gelast - Begrip steun - Toerekenbaarheid aan de staat - Criterium van de particuliere investeerder - Beginsel van hoor en wederhoor - Rechten van de verdediging - Recht op behoorlijk bestuur - Gewettigd vertrouwen”))

(2019/C 82/24)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Comune di Milano (Italië) (vertegenwoordigers: aanvankelijk S. Grassani en A. Franchi, vervolgens S. Grassani, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. Conte en D. Grespan, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit (EU) 2015/1225 van de Commissie van 19 december 2012 betreffende de door SEA SpA ten behoeve van SEA [Handling] SpA doorgevoerde kapitaalverhogingen [Steunmaatregel SA.21420 (C 14/10) (ex NN 25/10) (ex CP 175/06)] (PB 2015, L 201, blz. 1).

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

De Comune di Milano wordt verwezen in de kosten, daaronder begrepen de kosten van de procedure in kort geding.


(1)  PB C 129 van 4.5.2013.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/23


Arrest van het Gerecht van 12 december 2018 — Deutsche Umwelthilfe/Commissie

(Zaak T-498/14) (1)

([„Toegang tot documenten - Documenten met betrekking tot correspondentie tussen de Commissie en ondernemingen respectievelijk autofabrikanten over het in motorvoertuigen gebruikte koelmiddel R1234yf - Niet vermelde documenten - In de loop van het geding opgeworpen nieuw middel - Niet-ontvankelijkheid - Maatregel van instructie waarbij overeenkomstig artikel 104 van het Reglement voor de procesvoering wordt gelast de litigieuze documenten over te leggen - Afwijking van het beginsel van hoor en wederhoor - Verordening (EG) nr. 1049/2001 - Uitzondering ter bescherming van de commerciële belangen - Openbaar belang bij de bekendmaking - Belangenafweging - Verordening (EG) nr. 1367/2006 - Artikel 6, lid 1 - Hoger openbaar belang bij de openbaarmaking van milieu-informatie of informatie met betrekking tot emissies in het milieu - Algemene aanname - Gedeeltelijke weigering van toegang - Afdoening zonder beslissing”])

(2019/C 82/25)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Deutsche Umwelthilfe eV (Radolfzell, Duitsland) (vertegenwoordigers: R. Klinger en R. Geulen, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk F. Clotuche-Duvieusart en J. Vondung, vervolgens F. Clotuche-Duvieusart en H. Krämer, gemachtigden, aanvankelijk bijgestaan door R. van der Hout en A. Köhler, vervolgens door R. van der Hout en C. Wagner, advocaten)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot gedeeltelijke nietigverklaring van besluit GESTDEM 2014/547 van de Commissie van 2 juni 2014 houdende bevestiging van de weigering om toegang te verlenen tot alle documenten die betrekking hebben op de briefwisseling uit de periode van september 2011 tot en met april 2012 en van september 2012 tot en met eind januari 2014 tussen de Commissie enerzijds en de ondernemingen Honeywell en DuPont respectievelijk autofabrikanten anderzijds over het in motorvoertuigen gebruikte koelmiddel R1234yf.

Dictum

1)

Op het verzoek tot nietigverklaring van besluit GESTDEM 2014/547 van de Commissie van 2 juni 2014 hoeft niet meer te worden beslist voor zover het betrekking heeft op de aanvankelijk onleesbaar gemaakte passages van document nr. 34, die vervolgens openbaar zijn gemaakt.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

Deutsche Umwelthilfe eV wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 329 van 22.9.2014.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/24


Arrest van het Gerecht van 12 december 2018 — Biogaran/Commissie

(Zaak T-677/14) (1)

((„Mededinging - Mededingingsregelingen - Markt van perindopril, een geneesmiddel ter behandeling van cardiovasculaire ziekten, in de oorspronkelijke en de generieke versie - Besluit waarbij een inbreuk op de artikelen 101 en 102 VWEU wordt vastgesteld - Overeenkomst met het doel de marktintroductie van generieke versies van perindopril te vertragen of zelfs te verhinderen - Deelname van een dochteronderneming aan de door haar moedermaatschappij gepleegde inbreuk - Toerekening van de inbreuk - Hoofdelijke aansprakelijkheid - Plafond van de geldboete”))

(2019/C 82/26)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Biogaran (Colombes, Frankrijk) (vertegenwoordigers: T. Reymond, O. de Juvigny en J. Jourdan, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk F. Castilla Contreras, T. Vecchi en B. Mongin, vervolgens F. Castilla Contreras, B. Mongin en C. Vollrath, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot, primair, nietigverklaring van besluit C(2014) 4955 final van de Commissie van 9 juli 2014 inzake een procedure op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU [zaak AT.39612 — Perindopril (Servier)], voor zover die op verzoekster betrekking heeft, en, subsidiair, verlaging van de haar bij dat besluit opgelegde geldboete

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Biogaran wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 395 van 10.11.2014.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/25


Arrest van het Gerecht van 12 december 2018 — Teva UK e.a. / Commissie

(Zaak T-679/14) (1)

((„Mededinging - Mededingingsregelingen - Markt van perindopril, een geneesmiddel ter behandeling van cardiovasculaire ziekten, in de oorspronkelijke en de generieke versie - Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU wordt vastgesteld - Beginsel van onpartijdigheid - Raadpleging van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities - Schikkingsovereenkomst inzake octrooigeschillen en exclusieve afnameovereenkomsten - Potentiële mededinging - Mededingingsbeperkende strekking - Evenwicht tussen mededingingsrecht en octrooirecht - Uitzonderingsvoorwaarden van artikel 101, lid 3, VWEU - Geldboetes”))

(2019/C 82/27)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Teva UK Ltd (West Yorkshire, Verenigd Koninkrijk), Teva Pharmaceuticals Europe BV (Utrecht, Nederland), Teva Pharmaceutical Industries Ltd (Jerusalem, Israël) (vertegenwoordigers: D. Tayar en A. Richard, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk F. Castilla Contreras, T. Vecchi en B. Mongin, vervolgens F. Castilla Contreras, B. Mongin en C. Vollrath, gemachtigden, bijgestaan door G. Peretz, barrister)

Interveniënte aan de zijde van verzoekende partijen: European Generic medicines Association AISBL (EGA) (Brussel, België) (vertegenwoordigers: S.-P. Brankin, solicitor, en E. Wijckmans, advocaat)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot, primair, nietigverklaring van besluit C(2014) 4955 final van de Commissie van 9 juli 2014 inzake een procedure op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU [zaak AT.39612 — Perindopril (Servier)], voor zover die op verzoeksters betrekking heeft, en, subsidiair, verlaging van de hun bij dat besluit opgelegde geldboete

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Teva UK Ltd, Teva Pharmaceuticals Europe BV en Teva Pharmaceutical Industries Ltd worden verwezen in hun eigen kosten en in die van de Europese Commissie.

3)

De European Generic medicines Association AISBL (EGA) wordt verwezen in haar eigen kosten.


(1)  PB C 409 van 17.11.2014.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/26


Arrest van het Gerecht van 12 december 2018 — Lupin/Commissie

(Zaak T-680/14) (1)

((„Mededinging - Mededingingsregelingen - Markt van perindopril, een geneesmiddel ter behandeling van cardiovasculaire ziekten, in de oorspronkelijke en de generieke versie - Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU wordt vastgesteld - Schikkingsovereenkomst inzake octrooigeschillen - Acquisitieovereenkomst voor technologie - Mededingingsbeperkende strekking - Evenwicht tussen mededingingsrecht en octrooirecht - Boeten”))

(2019/C 82/28)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Lupin Ltd (Maharashtra, Indië) (vertegenwoordigers: aanvankelijk M. Pullen, R. Fawcett-Feuillette, solicitors, M. Hoskins, QC, V. Wakefield, barrister en M. Boles, solicitor, vervolgens M. Hoskins, V. Wakefield, M. Boles, K. Vernon en S. Smith, solicitors, en ten slotte M. Hoskins, V. Wakefield, S. Smith en C. Wall, solicitor)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk F. Castilla Contreras, B. Mongin en T. Vecchi, vervolgens F. Castilla Contreras, B. Mongin en C. Vollrath, gemachtigden, bijgestaan door B. Rayment, barrister)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot gedeeltelijke nietigverklaring van besluit C(2014) 4955 final van de Commissie van 9 juli 2014 inzake een procedure op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU [zaak AT.39612 — Périndopril (Servier)], voor zover dat op verzoekster betrekking heeft, en, subsidiair, nietigverklaring van de haar bij dat besluit opgelegde geldboete of vermindering van het bedrag ervan.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Lupin Ltd wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 439 van 8.12.2014.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/26


Arrest van het Gerecht van 12 december 2018 — Mylan / Commissie

(Zaak T-682/14) (1)

((„Mededinging - Mededingingsregelingen - Markt van perindopril, een geneesmiddel ter behandeling van cardiovasculaire ziekten, in de oorspronkelijke en de generieke versie - Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU wordt vastgesteld - Schikkingsovereenkomst inzake octrooigeschillen - Potentiële mededinging - Mededingingsbeperkende strekking - Evenwicht tussen mededingingsrecht en octrooirecht - Toerekening van het inbreukmakend gedrag - Geldboetes”))

(2019/C 82/29)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Mylan Laboratories Ltd (Hyderabad, India) en Mylan, Inc. (Canonsburg, Pennsylvania, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: S. Kon, C. Firth en C. Humpe, solicitors)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk F. Castilla Contreras, T. Vecchi en B. Mongin, vervolgens F. Castilla Contreras, B. Mongin en C. Vollrath, gemachtigden, bijgestaan door S. Kingston, barrister)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot, primair, nietigverklaring van besluit C(2014) 4955 final van de Commissie van 9 juli 2014 inzake een procedure op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU [zaak AT.39612 — Perindopril (Servier)], voor zover die op verzoeksters betrekking heeft, en, subsidiair, verlaging van de hun bij dat besluit opgelegde geldboete

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Mylan Laboratories Ltd en Mylan, Inc. worden verwezen in de kosten.


(1)  PB C 431 van 1.12.2014.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/27


Arrest van het Gerecht van 12 december 2018 — Krka / Commissie

(Zaak T-684/14) (1)

((„Mededinging - Mededingingsregelingen - Markt van perindopril, een geneesmiddel ter behandeling van cardiovasculaire ziekten, in de oorspronkelijke en de generieke versie - Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU wordt vastgesteld - Schikkingsovereenkomst inzake octrooigeschillen - Licentieovereenkomst - Overeenkomst inzake verwerving van technologie - Mededingingsbeperkende strekking - Mededingingsbeperkende gevolgen - Evenwicht tussen mededingingsrecht en octrooirecht”))

(2019/C 82/30)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Krka Tovarna Zdravil d.d. (Novo Mesto, Slovenië) (vertegenwoordigers: T. Ilešič en M. Kocmut, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: F. Castilla Contreras, B. Mongin en C. Vollrath, gemachtigden, bijgestaan door D. Bailey, barrister)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot, primair, nietigverklaring van besluit C(2014) 4955 final van de Commissie van 9 juli 2014 inzake een procedure op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU [zaak AT.39612 — Perindopril (Servier)], voor zover die op verzoekster betrekking heeft

Dictum

1)

Artikel 4 van besluit C(2014) 4955 final van de Commissie van 9 juli 2014 inzake een procedure op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU [zaak AT.39612 — Perindopril (Servier)] wordt nietig verklaard voor zover daarin wordt vastgesteld dat Krka Tovarna Zdravil d.d. aan de in dat artikel bedoelde overeenkomsten heeft deelgenomen.

2)

Artikel 7, lid 4, onder a), van besluit C(2014) 4955 final wordt nietig verklaard.

3)

De artikelen 8 en 9 van besluit C(2014) 4955 final worden nietig verklaard voor zover zij op Krka Tovarna Zdravil betrekking hebben.

4)

De Commissie wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 431 van 1.12.2014.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/28


Arrest van het Gerecht van 12 december 2018 — Servier e.a./Commissie

(Zaak T-691/14) (1)

((„Mededinging - Mededingingsregelingen - Misbruik van een machtspositie - Markt van perindopril, een geneesmiddel ter behandeling van cardiovasculaire ziekten, in de oorspronkelijke en de generieke versie - Besluit waarbij een inbreuk op de artikelen 101 en 102 VWEU wordt vastgesteld - Onpartijdigheidsbeginsel - Raadpleging van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities - Recht op een doeltreffende voorziening in rechte - Korte duur van de beroepstermijn in het licht van de lengte van het bestreden besluit - Schikkingsovereenkomsten inzake octrooigeschillen - Licentieovereenkomsten - Overeenkomsten tot verwerving van technologie - Exclusieve koopovereenkomst - Potentiële mededinging - Mededingingsbeperkende strekking - Mededingingsbeperkende gevolgen - Evenwicht tussen mededingingsrecht en octrooirecht - Kwalificatie als afzonderlijke inbreuken of als één inbreuk - Bepaling van de relevante markt voor de molecule van het betrokken geneesmiddel - Geldboeten - Samenloop van geldboeten krachtens de artikelen 101 en 102 VWEU - Beginsel van legaliteit van strafbare feiten en straffen - Waarde van de verkopen - Berekeningsmethoden in geval van samenloop van inbreuken op dezelfde markten”))

(2019/C 82/31)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partijen: Servier SAS (Suresnes, Frankrijk), Servier Laboratories Ltd (Wexham, Verenigd Koninkrijk), Les Laboratoires Servier SAS (Suresnes) (vertegenwoordigers: aanvankelijk I. S. Forrester, QC, J. Killick, barrister, O. de Juvigny, advocaat, en M. Utges Manley, solicitor, vervolgens J. Killick, O. de Juvigny, M. Utges Manley, J. Jourdan en T. Reymond, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk T. Christoforou, B. Mongin, C. Vollrath, F. Castilla Contreras en T. Vecchi, vervolgens T. Christoforou, B. Mongin, C. Vollrath, F. Castilla Contreras en J. Norris-Usher, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verzoekende partijen: European Federation of Pharmaceutical Industries and Associations (EFPIA) (Genève, Zwitserland) (vertegenwoordigers: F. Carlin, barrister, N. Niejahr en C. Paillard, advocaten)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot, primair, nietigverklaring van besluit C(2014) 4955 final van de Commissie van 9 juli 2014 inzake een procedure op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU [zaak AT.39612 — Perindopril (Servier)], voor zover dat op verzoeksters betrekking heeft en, subsidiair, verlaging van de geldboete die hun bij dat besluit is opgelegd.

Dictum

1)

Artikel 4 van besluit C(2014) 4955 final van de Commissie van 9 juli 2014 inzake een procedure op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU [zaak AT.39612 — Perindopril (Servier)], wordt nietig verklaard, voor zover dat vaststelt dat Servier SAS en Les Laboratoires Servier SAS hebben deelgenomen aan de in dit artikel bedoelde overeenkomsten.

2)

Artikel 6 van besluit C(2014) 4955 final wordt nietig verklaard.

3)

Artikel 7, lid 4, onder b), en lid 6, van besluit C(2014) 4955 final wordt nietig verklaard.

4)

De hoogte van de geldboete die is opgelegd aan Servier en Les Laboratoires Servier wegens de in artikel 2 van besluit C(2014) 4955 final bedoelde inbreuk, die voortvloeit uit artikel 7, lid 2, onder b), van dat besluit, wordt vastgesteld op 5 385 190 EUR.

5)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

6)

Servier, Servier Laboratories Ltd en Les Laboratoires Servier enerzijds, en de Europese Commissie anderzijds, dragen hun eigen kosten.

7)

De European Federation of Pharmaceutical Industries and Associations (EFPIA) draagt haar eigen kosten.


(1)  PB C 462 van 22.12.2014.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/29


Arrest van het Gerecht van 12 december 2018 — Niche Generics / Commissie

(Zaak T-701/14) (1)

((„Mededinging - Mededingingsregelingen - Markt van perindopril, een geneesmiddel ter behandeling van cardiovasculaire ziekten, in de oorspronkelijke en de generieke versie - Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU wordt vastgesteld - Schikkingsovereenkomst inzake octrooigeschillen - Administratieve procedure - Bescherming van de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaten en cliënten - Potentiële mededinging - Mededingingsbeperkende strekking - Objectieve noodzaak van de beperking - Evenwicht tussen mededingingsrecht en octrooirecht - Uitzonderingsvoorwaarden van artikel 101, lid 3, VWEU - Geldboetes - Plafond van 10 % - Toerekening van het inbreukmakend gedrag”))

(2019/C 82/32)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Niche Generics Ltd (Hitchin, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: E. Batchelor, M. Healy, K. Cousins, solicitors, en F. Carlin, barrister)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk F. Castilla Contreras, T. Vecchi en B. Mongin, vervolgens F. Castilla Contreras, B. Mongin en C. Vollrath, gemachtigden, bijgestaan door S. Kingston, barrister)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot, primair, nietigverklaring van besluit C(2014) 4955 final van de Commissie van 9 juli 2014 inzake een procedure op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU [zaak AT.39612 — Perindopril (Servier)], voor zover die op verzoekster betrekking heeft, en, subsidiair, verlaging van de haar bij dat besluit opgelegde geldboete

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Niche Generics Ltd wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 431 van 1.12.2014.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/30


Arrest van het Gerecht van 12 december 2018 — Unichem Laboratories / Commissie

(Zaak T-705/14) (1)

((„Mededinging - Mededingingsregelingen - Markt van perindopril, een geneesmiddel ter behandeling van cardiovasculaire ziekten, in de oorspronkelijke en de generieke versie - Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU wordt vastgesteld - Schikkingsovereenkomst inzake octrooigeschillen - Territoriale bevoegdheid van de Commissie - Toerekening van het inbreukmakend gedrag - Administratieve procedure - Bescherming van de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaten en cliënten - Potentiële mededinging - Mededingingsbeperkende strekking - Objectieve noodzaak van de beperking - Evenwicht tussen mededingingsrecht en octrooirecht - Uitzonderingsvoorwaarden van artikel 101, lid 3, VWEU - Geldboetes”))

(2019/C 82/33)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Unichem Laboratories Ltd (Mumbai, India) (vertegenwoordigers: S. Mobley, K. Shaw, K. Cousins, M. Healy, H. Sheraton en E. Batchelor, sollicitors)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk F. Castilla Contreras, T. Vecchi en B. Mongin, vervolgens F. Castilla Contreras, B. Mongin en C. Vollrath, gemachtigden, bijgestaan door S. Kingston, barrister)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot, primair, nietigverklaring van besluit C(2014) 4955 final van de Commissie van 9 juli 2014 inzake een procedure op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU [zaak AT.39612 — Perindopril (Servier)], voor zover die op verzoekster betrekking heeft, en, subsidiair, verlaging van de haar bij dat besluit opgelegde geldboete

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Unichem Laboratories Ltd wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 448 van 15.12.2014.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/30


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Deutsche Telekom / Commissie

(Zaak T-827/14) (1)

((„Mededinging - Misbruik van machtspositie - Slovaakse markt van breedbandtelecommunicatiediensten - Toegang van derde ondernemingen tot het aansluitnetwerk van de gevestigde exploitant op die markt - Besluit waarbij een inbreuk op artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst wordt vastgesteld - Eén enkele voortdurende inbreuk - Begrip ‚misbruik’ - Weigering van toegang - Uitholling van de marges - Berekening van de uitholling van de marges - Criterium van de even efficiënte concurrent - Rechten van de verdediging - Toerekening aan de moedermaatschappij van de door haar dochteronderneming gepleegde inbreuk - Beslissende invloed van de moedermaatschappij op het handelsbeleid van de dochteronderneming - Daadwerkelijke uitoefening - Bewijslast - Berekening van het bedrag van de geldboete - Richtsnoeren voor de berekening van geldboeten van 2006 - Afzonderlijke geldboete die wegens recidive en de toepassing van een vermenigvuldigingscoëfficiënt ter afschrikking uitsluitend aan de moedermaatschappij is opgelegd”))

(2019/C 82/34)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Deutsche Telekom AG (Bonn, Duitsland) (vertegenwoordigers: K. Apel en D. Schroeder, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: M. Kellerbauer, L. Malferrari, C. Vollrath en L. Wildpanner, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Slovanet, a.s. (Bratislava, Slovakije) (vertegenwoordiger: P. Tisaj, advocaat)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot, primair, gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van besluit C(2014) 7464 final van de Commissie van 15 oktober 2014 inzake een procedure op grond van artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.39523 — Slovak Telekom), zoals gerectificeerd bij besluit C(2014) 10119 final van de Commissie van 16 december 2014, alsook bij besluit C(2015) 2484 final van de Commissie van 17 april 2015, voor zover dit verzoekster betreft, en, subsidiair, nietigverklaring of verlaging van het bedrag van de geldboeten die verzoekster bij dat besluit zijn opgelegd.

Dictum

1)

Artikel 1, lid 2, onder d), van besluit C(2014) 7464 final van de Commissie van 15 oktober 2014 inzake een procedure op grond van artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.39523 — Slovak Telekom) wordt nietig verklaard voor zover hierin wordt vastgesteld dat Deutsche Telekom AG tijdens de periode van 12 augustus tot en met 31 december 2005 onbillijke tarieven heeft toegepast, waardoor een even efficiënte exploitant met wholesaletoegang tot de ontbundelde aansluitnetten van Slovak Telekom, a.s. de door Slovak Telekom aangeboden retailbreedbanddiensten niet kon reproduceren zonder verlies te lijden.

2)

Artikel 2 van besluit C(2014) 7464 final van de Commissie wordt nietig verklaard voor zover het bedrag van de geldboete waartoe Deutsche Telekom hoofdelijk is gehouden werd vastgesteld op 38 838 000 EUR en het bedrag van de geldboete waartoe Deutsche Telekom alleen is gehouden op 31 070 000 EUR.

3)

Het bedrag van de geldboete waartoe Deutsche Telekom hoofdelijk is gehouden wordt vastgesteld op 38 061 963 EUR en het bedrag van de geldboete waartoe Deutsche Telekom alleen is gehouden op 19 030 981 EUR.

4)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

5)

Deutsche Telekom draagt vier vijfde van haar eigen kosten, vier vijfde van de kosten van de Europese Commissie en vier vijfde van de kosten van Slovanet, a.s.

6)

De Commissie draagt een vijfde van haar eigen kosten en een vijfde van de kosten van Deutsche Telekom.

7)

Slovanet draagt een vijfde van haar eigen kosten.


(1)  PB C 96 van 23.3.2015.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/32


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Slovak Telekom/Commissie

(Zaak T-851/14) (1)

((„Mededinging - Misbruik van machtspositie - Slovaakse markt van breedbandtelecommunicatiediensten - Toegang van derde ondernemingen tot het aansluitnetwerk van de gevestigde exploitant op die markt - Besluit waarbij een inbreuk op artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst wordt vastgesteld - Eén enkele voortdurende inbreuk - Begrip „misbruik” - Weigering van toegang - Uitholling van de marges - Berekening van de uitholling van de marges - Criterium van de even efficiënte concurrent - Rechten van de verdediging - Toerekening aan de moedermaatschappij van de door haar dochteronderneming gepleegde inbreuk - Beslissende invloed van de moedermaatschappij op het handelsbeleid van de dochteronderneming - Daadwerkelijke uitoefening - Bewijslast - Berekening van het bedrag van de geldboete - Richtsnoeren voor de berekening van geldboeten van 2006”))

(2019/C 82/35)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Slovak Telekom, a.s. (Bratislava, Slowakije) (vertegenwoordigers: D. Geradin, advocaat, R. O’Donoghue, QC)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk M. Farley, L. Malferrari en G. Koleva, vervolgens M. Farley, M. Kellerbauer, L. Malferrari en C. Vollrath, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Slovanet, a.s. (Bratislava) (vertegenwoordiger: P. Tisaj, advocaat)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot, primair, nietigverklaring van besluit C(2014) 7464 final van de Commissie van 15 oktober 2014 inzake een procedure op grond van artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.39523 — Slovak Telekom), zoals gerectificeerd bij besluit C(2014) 10119 final van de Commissie van 16 december 2014, alsook bij besluit C(2015) 2484 final van de Commissie van 17 april 2015, voor zover dit verzoekster betreft, en, subsidiair, verlaging van het bedrag van de geldboete die verzoekster is opgelegd.

Dictum

1)

Artikel 1, lid 2, onder d), van besluit C(2014) 7464 final van de Commissie van 15 oktober 2014 inzake een procedure op grond van artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.39523 — Slovak Telekom) wordt nietig verklaard voor zover hierin wordt vastgesteld dat Slovak Telekom, a.s., tijdens de periode van 12 augustus tot en met 31 december 2005 onbillijke tarieven heeft toegepast, waardoor een even efficiënte exploitant met wholesaletoegang tot haar ontbundelde aansluitnetten de door haar aangeboden retailbreedbanddiensten niet kon reproduceren zonder verlies te lijden.

2)

Artikel 2 van besluit C(2014) 7464 final van de Commissie wordt nietig verklaard voor zover het bedrag van de geldboete waartoe Slovak Telekom hoofdelijk is gehouden werd vastgesteld op 38 838 000 EUR.

3)

Het bedrag van de geldboete waartoe Slovak Telekom hoofdelijk is gehouden wordt vastgesteld op 38 061 963 EUR.

4)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

5)

Slovak Telekom draagt vier vijfde van haar eigen kosten, vier vijfde van de kosten van de Europese Commissie en vier vijfde van de kosten van Slovanet, a.s.

6)

De Commissie draagt een vijfde van haar eigen kosten en een vijfde van de kosten van Slovak Telekom.

7)

Slovanet draagt een vijfde van haar eigen kosten.


(1)  PB C 127 van 20.4.2015.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/33


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Ryanair en Airport Marketing Services/Commissie

(Zaak T-111/15) (1)

((„Staatssteun - Overeenkomsten tussen het Syndicat mixte des aéroports de Charente en Ryanair en haar dochteronderneming Airport Marketing Services - Luchthavendiensten - Marketingdiensten - Besluit waarbij steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard en de terugvordering ervan wordt gelast - Begrip staatssteun - Toerekenbaarheid aan de staat - Kamer van koophandel en industrie - Voordeel - Criterium van de particuliere investeerder - Terugvordering - Artikel 41 van het Handvest van de grondrechten - Recht van toegang tot het dossier - Recht om gehoord te worden”))

(2019/C 82/36)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Ryanair DAC, voorheen Ryanair Ltd (Dublin, Ierland), Airport Marketing Services Ltd (Dublin) (vertegenwoordigers: G. Berrisch, E. Vahida, I.-G. Metaxas-Maranghidis, advocaten, en B. Byrne, solicitor)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Flynn en S. Noë, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU om gedeeltelijke nietigverklaring van besluit (EU) 2015/1226 van de Commissie van 23 juli 2014 betreffende steunmaatregel SA.33963 (2012/C) (ex 2012/NN) die door Frankrijk ten uitvoer is gelegd ten gunste van de Chambre de commerce et d’industrie d’Angoulême, de SNC-Lavalin, Ryanair en Airport Marketing Services (PB 2015, L 201, blz. 48).

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Ryanair DAC en Airport Marketing Services Ltd worden verwezen in hun eigen kosten alsmede in die van de Europese Commissie.


(1)  PB C 178 van 1.6.2015.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/34


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Ryanair en Airport Marketing Services/Commissie

(Zaak T-165/15) (1)

((„Staatssteun - Overeenkomsten tussen de Chambre de commerce et d’industrie de Pau-Béarn en Ryanair en haar dochteronderneming Airport Marketing Services - Luchthavendiensten - Marketingdiensten - Besluit waarbij steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard en de terugvordering ervan wordt gelast - Begrip staatssteun - Toerekenbaarheid aan de staat - Kamer van koophandel en industrie - Voordeel - Criterium van de particuliere investeerder - Terugvordering - Artikel 41 van het Handvest van de grondrechten - Recht van toegang tot het dossier - Recht om te worden gehoord”))

(2019/C 82/37)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Ryanair DAC, voorheen Ryanair Ltd (Dublin, Ierland), Airport Marketing Services Ltd (Dublin) (vertegenwoordigers: G. Berrisch, E. Vahida, I.-G. Metaxas-Maranghidis, advocaten, en B. Byrne, solicitor)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Flynn en S. Noë, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU om gedeeltelijke nietigverklaring van besluit (EU) 2015/1227 van de Commissie van 23 juli 2014 betreffende de steunmaatregel SA.22614 (C 53/07) ten uitvoer gelegd door Frankrijk ten gunste van de chambre de commerce et d’industrie de Pau-Béarn, Ryanair, Airport Marketing Services en Transavia (PB 2015, L 201, blz. 109).

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Ryanair DAC en Airport Marketing Services Ltd worden verwezen in hun eigen kosten en in die van de Europese Commissie.


(1)  PB C 228 van 13.7.2015.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/34


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — AlzChem / Commissie

(Zaak T-284/15) (1)

((„Staatssteun - Chemische industrie - Besluit om de activiteiten van een onderneming tijdens de faillissementsprocedure voort te zetten - Besluit waarbij wordt vastgesteld dat er geen sprake is van staatssteun - Beroep tot nietigverklaring - Individueel geraakt - Ontvankelijkheid - Begrip „staatssteun” - Voordeel - Criterium van de particuliere schuldeiser - Toerekenbaarheid aan de staat - Motiveringsplicht”))

(2019/C 82/38)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: AlzChem AG (Trostberg, Duitsland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk P. Alexiadis, solicitor, A. Borsos en I. Georgiopoulos, advocaten, vervolgens P. Alexiadis, A. Borsos, E. Kazili, P. Oravec en K. Csach, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. Conte en L. Armati, gemachtigden)

Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Slowaakse Republiek (vertegenwoordiger: B. Ricziová, gemachtigde) en Fortischem a.s. (Nováky, Slowakije) (vertegenwoordigers: C. Arhold, P. Hodál en M. Staroň, advocaten)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van artikel 2 van besluit (EU) 2015/1826 van de Commissie van 15 oktober 2014 betreffende de staatssteun SA.33797 — (2013/C) (ex 2013/NN) (ex 2011/CP) ten uitvoer gelegd door Slowakije ten gunste van NCHZ (PB 2015, L 269, blz. 71)

Dictum

1)

Artikel 2 van besluit (EU) 2015/1826 van de Commissie van 15 oktober 2014 betreffende de staatssteun SA.33797 — (2013/C) (ex 2013/NN) (ex 2011/CP) ten uitvoer gelegd door Slowakije ten gunste van NCHZ wordt nietig verklaard.

2)

De Europese Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van AlzChem AG.

3)

De Slowaakse Republiek en Fortischem a.s. zullen hun eigen kosten dragen.


(1)  PB C 302 van 14.9.2015.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/35


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Iran Insurance / Raad

(Zaak T-558/15) (1)

((„Niet-contractuele aansprakelijkheid - Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen tegen Iran - Bevriezing van tegoeden - Plaatsing en handhaving van de naam van de verzoekende partij op de lijsten van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn - Materiële schade - Immateriële schade”))

(2019/C 82/39)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Iran Insurance Company (Teheran, Iran) (vertegenwoordiger: D. Luff, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: B. Driessen en M. Bishop, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: F. Ronkes Agerbeek en R. Tricot, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 268 VWEU strekkende tot vergoeding van de immateriële en materiële schade die verzoekster stelt te hebben geleden wegens de vaststelling van besluit 2010/644/GBVB van de Raad van 25 oktober 2010 tot wijziging van besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van gemeenschappelijk standpunt 2007/140/GBVB (PB 2010, L 281, blz. 81), verordening (EU) nr. 961/2010 van de Raad van 25 oktober 2010 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EG) nr. 423/2007 (PB 2010, L 281, blz. 1), besluit 2011/783/GBVB van de Raad van 1 december 2011 houdende wijziging van besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran (PB 2011, L 319, blz. 71), uitvoeringsverordening (EU) nr. 1245/2011 van de Raad van 1 december 2011 houdende uitvoering van verordening nr. 961/2010 (PB 2011, L 319, blz. 11) en verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening nr. 961/2010 (PB 2012, L 88, blz. 1), waarbij verzoeksters naam is geplaatst en gehandhaafd op de lijsten van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Iran Insurance Company draagt haar eigen kosten alsmede die van de Raad van de Europese Unie.

3)

De Europese Commissie draagt haar eigen kosten.


(1)  PB C 27 van 25.1.2016.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/36


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Post Bank Iran / Raad

(Zaak T-559/15) (1)

((„Niet-contractuele aansprakelijkheid - Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen tegen Iran - Bevriezing van tegoeden - Plaatsing en handhaving van de naam van de verzoekende partij op de lijsten van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn - Immateriële schade”))

(2019/C 82/40)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Post Bank Iran (Teheran, Iran) (vertegenwoordiger: D. Luff, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: B. Driessen en M. Bishop, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: F. Ronkes Agerbeek en R. Tricot, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 268 VWEU strekkende tot vergoeding van de schade die verzoekster stelt te hebben geleden wegens de vaststelling van besluit 2010/644/GBVB van de Raad van 25 oktober 2010 tot wijziging van besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van gemeenschappelijk standpunt 2007/140/GBVB (PB 2010, L 281, blz. 81), verordening (EU) nr. 961/2010 van de Raad van 25 oktober 2010 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EG) nr. 423/2007 (PB 2010, L 281, blz. 1), besluit 2011/783/GBVB van de Raad van 1 december 2011 houdende wijziging van besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran (PB 2011, L 319, blz. 71), uitvoeringsverordening (EU) nr. 1245/2011 van de Raad van 1 december 2011 houdende uitvoering van verordening nr. 961/2010 (PB 2011, L 319, blz. 11) en verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening nr. 961/2010 (PB 2012, L 88, blz. 1), waarbij verzoeksters naam is geplaatst en gehandhaafd op de lijsten van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Post Bank Iran draagt haar eigen kosten alsmede die van de Raad van de Europese Unie.

3)

De Europese Commissie draagt haar eigen kosten.


(1)  PB C 27 van 25.1.2016.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/37


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Transavia Airlines/Commissie

(Zaak T-591/15) (1)

((„Staatssteun - Overeenkomst inzake luchthavendiensten en marketingdiensten - Overeenkomst tussen de Chambre de commerce et d’industrie de Pau-Béarn en Transavia - Besluit waarbij steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard en de terugvordering ervan wordt gelast - Begrip staatssteun - Toerekenbaarheid aan de staat - Kamer van koophandel en industrie - Voordeel - Criterium van de particuliere investeerder - Terugvordering - Artikel 41 van het Handvest van de grondrechten - Recht van toegang tot het dossier - Recht om te worden gehoord”))

(2019/C 82/41)

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekende partij: Transavia Airlines CV (Schiphol, Nederland) (vertegenwoordigers: R. Elkerbout en M. Baneke, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Flynn en S. Noë, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU om gedeeltelijke nietigverklaring van besluit (EU) 2015/1227 van de Commissie van 23 juli 2014 betreffende de steunmaatregel SA.22614 (C 53/07), ten uitvoer gelegd door Frankrijk ten gunste van de Chambre de commerce et d’industrie de Pau-Béarn, Ryanair, Airport Marketing Services en Transavia (PB 2015, L 201, blz. 109)

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Transavia Airlines CV wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van de Europese Commissie.


(1)  PB C 398 van 30.11.2015.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/37


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Scandlines Danmark en Scandlines Deutschland/Commissie

(Zaak T-630/15) (1)

((„Staatssteun - Overheidsfinanciering van de vaste weg- en spoorverbinding over de Fehmarn Belt - Individuele steunmaatregelen - Besluit om geen bezwaar te maken - Besluit waarbij wordt vastgesteld dat er geen sprake is van staatssteun en dat de steun verenigbaar is met de interne markt - Begrip staatssteun - Aantasting van de mededinging en ongunstige beïnvloeding van de handel tussen lidstaten - Voorwaarden voor verenigbaarheid - Steun voor de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang - Noodzaak van de steun - Stimulerend effect - Evenredigheid van de steun - Ernstige moeilijkheden die de inleiding van de formele onderzoeksprocedure rechtvaardigen - Motiveringsplicht - Mededeling betreffende de steunmaatregelen ter bevordering van de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang”))

(2019/C 82/42)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Scandlines Danmark ApS (Kopenhagen, Denemarken) en Scandlines Deutschland GmbH (Hamburg, Duitsland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk L. Sandberg-Mørch en M.-E. Vitali, vervolgens L. Sandberg-Mørch, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Armati, L. Flynn en S. Noë, gemachtigden)

Interveniënten aan de zijde van verzoekende partijen: Naturschutzbund Deutschland (NABU) eV (Stuttgart, Duitsland) (vertegenwoordiger: T. Hohmuth, advocaat) en Föreningen Svensk Sjöfart (Göteborg, Zweden) (vertegenwoordigers: L. Sandberg-Mørch en J. Buendía Sierra, advocaten)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Koninkrijk Denemarken (vertegenwoordigers: aanvankelijk C. Thorning, vervolgens J. Nymann-Lindegren, gemachtigden, bijgestaan door R. Holdgaard, advocaat)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van besluit C(2015) 5023 final van de Commissie van 23 juli 2015 inzake staatssteun SA.39078 (2014/N) (Denemarken) tot financiering van de vaste verbinding over de Fehmarn Belt (PB 2015, C 325, blz. 5).

Dictum

1)

Besluit C(2015) 5023 final van de Commissie van 23 juli 2015 inzake staatssteun SA.39078 (2014/N) (Denemarken) tot financiering van de vaste verbinding over de Fehmarn Belt (PB 2015, C 325, blz. 5), wordt nietig verklaard voor zover de Commissie heeft beslist om geen bezwaar te maken tegen de door het Koninkrijk Denemarken aan Femern A/S verleende steun voor de planning, de bouw en de exploitatie van de vaste verbinding over de Fehmarn Belt.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

De Commissie draagt haar eigen kosten en die van Scandlines Danmark ApS en Scandlines Deutschland GmbH.

4)

Het Koninkrijk Denemarken, Föreningen Svensk Sjöfart en Naturschutzbund Deutschland (NABU) eV dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 59 van 15.2.2016.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/38


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Stena Line Scandinavia / Commissie

(Zaak T-631/15) (1)

((„Staatssteun - Overheidsfinanciering van de vaste weg- en spoorverbinding over de Fehmarn Belt - Individuele steunmaatregelen - Besluit om geen bezwaar te maken - Besluit waarbij wordt vastgesteld dat er geen sprake is van staatssteun en dat de steun verenigbaar is met de interne markt - Begrip staatssteun - Aantasting van de mededinging en ongunstige beïnvloeding van de handel tussen lidstaten - Voorwaarden voor verenigbaarheid - Steun voor de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang - Noodzaak van de steun - Stimulerend effect - Evenredigheid van de steun - Ernstige moeilijkheden die de inleiding van de formele onderzoeksprocedure rechtvaardigen - Motiveringsplicht - Mededeling betreffende de steunmaatregelen ter bevordering van de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang”))

(2019/C 82/43)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Stena Line Scandinavia AB (Göteborg, Zweden) (vertegenwoordigers: P. Alexiadis, solicitor, en L. Sandberg-Mørch, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Armati, L. Flynn en S. Noë, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verzoekende partij: Föreningen Svensk Sjöfart (Göteborg) (vertegenwoordigers: L. Sandberg-Mørch en J. Buendía Sierra, advocaten)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Koninkrijk Denemarken (vertegenwoordigers: aanvankelijk C. Thorning, vervolgens J. Nymann-Lindegren, gemachtigden, bijgestaan door R. Holdgaard, advocaat)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van besluit C(2015) 5023 final van de Commissie van 23 juli 2015 inzake staatssteun SA.39078 (2014/N) (Denemarken) tot financiering van de vaste verbinding over de Fehmarn Belt (PB 2015, C 325, blz. 5).

Dictum

1)

Besluit C(2015) 5023 final van de Commissie van 23 juli 2015 inzake staatssteun SA.39078 (2014/N) (Denemarken) tot financiering van de vaste verbinding over de Fehmarn Belt (PB 2015, C 325, blz. 5), wordt nietig verklaard voor zover de Commissie heeft beslist om geen bezwaar te maken tegen de door het Koninkrijk Denemarken aan Femern A/S verleende steun voor de planning, de bouw en de exploitatie van de vaste verbinding over de Fehmarn Belt.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

De Commissie draagt haar eigen kosten en die van Stena Line Scandinavia AB.

4)

Het Koninkrijk Denemarken en Föreningen Svensk Sjöfart dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 59 van 15.2.2016.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/39


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Ryanair en Airport Marketing Services/Commissie

(Zaak T-53/16) (1)

((„Staatssteun - Overeenkomsten tussen de Chambre de commerce et d’industrie de Nîmes-Uzès-Le Vigan en Ryanair en haar dochteronderneming Airport Marketing Services - Luchthavendiensten - Marketingdiensten - Besluit waarbij steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard en de terugvordering ervan wordt gelast - Begrip staatssteun - Toerekenbaarheid aan de staat - Kamer van koophandel en industrie - Voordeel - Criterium van de particuliere investeerder - Terugvordering - Artikel 41 van het Handvest van de grondrechten - Recht van toegang tot het dossier - Recht om te worden gehoord”))

(2019/C 82/44)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Ryanair DAC, voorheen Ryanair Ltd (Dublin, Ierland), Airport Marketing Services Ltd (Dublin) (vertegenwoordigers: G. Berrisch, E. Vahida, I.-G. Metaxas-Maranghidis, advocaten, en B. Byrne, solicitor)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Flynn en S. Noë, gemachtigden)

Interveniënt aan de zijde van verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: S. Boelaert, S. Petrova en J. Kneale, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU om gedeeltelijke nietigverklaring van besluit (EU) 2016/633 van de Commissie van 23 juli 2014 betreffende steunmaatregel SA.33961 (2012/C) (ex 2012/NN) die door Frankrijk ten uitvoer is gelegd ten gunste van de Chambre de commerce et d’industrie de Nîmes-Uzès-Le Vigan, Veolia Transport Aéroport de Nîmes, Ryanair Limited en Airport Marketing Services Limited (PB 2016, L 113, blz. 32)

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Ryanair DAC en Airport Marketing Services Ltd worden verwezen in hun eigen kosten en in die van de Europese Commissie.

3)

De Raad van de Europese Unie zal zijn eigen kosten dragen.


(1)  PB C 145 van 25.4.2016.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/40


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Ryanair en Airport Marketing Services / Commissie

(Zaak T-77/16) (1)

((„Staatssteun - Overeenkomsten met de luchtvaartmaatschappij Ryanair en haar dochteronderneming Airport Marketing Services - Luchthavendiensten - Marketingdiensten - Besluit tot vaststelling dat de steun onverenigbaar is met de interne markt en tot terugvordering ervan - Begrip ‚staatssteun’ - Voordeel - Criterium van de particuliere investeerder - Terugvordering - Selectiviteit”))

(2019/C 82/45)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Ryanair DAC, voorheen Ryanair Ltd (Dublin, Ierland), Airport Marketing Services Ltd (Dublin) (vertegenwoordigers: G. Berrisch, E. Vahida, I.-G. Metaxas-Maranghidis, advocaten, en B. Byrne, solicitor)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Armati, L. Flynn en S. Noë, gemachtigden)

Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Republiek Letland (vertegenwoordigers: aanvankelijk D. Pelše, J. Treijs-Gigulis en I. Kalniņš, vervolgens I. Kucina, gemachtigden); en Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: S. Boelaert en S. Petrova, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot gedeeltelijke nietigverklaring van besluit (EU) 2016/152 van de Commissie van 1 oktober 2014 betreffende steunmaatregel SA.27339 (12/C) (ex 11/NN) die Duitsland ten uitvoer heeft gelegd ten gunste van de luchthaven van Zweibrücken en de luchtvaartmaatschappijen die van de luchthaven gebruikmaken (PB 2016, L 34, blz. 68).

Dictum

1)

Artikel 1, lid 2, van besluit (EU) 2016/152 van de Commissie van 1 oktober 2014 betreffende steunmaatregel SA.27339 (12/C) (ex 11/NN) die Duitsland ten uitvoer heeft gelegd ten gunste van de luchthaven van Zweibrücken en de luchtvaartmaatschappijen die van de luchthaven gebruikmaken, alsmede de artikelen 3, 4 en 5 van dat besluit worden nietig verklaard voor zover zij betrekking hebben op Ryanair DAC en Airport Marketing Services Ltd.

2)

De Europese Commissie draagt haar eigen kosten alsmede de kosten van Ryanair en Airport Marketing Services.

3)

De Raad van de Europese Unie draagt zijn eigen kosten.

4)

De Republiek Letland draagt haar eigen kosten.


(1)  PB C 165 van 10.5.2016.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/41


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Ryanair en Airport Marketing Services / Commissie

(Zaak T-165/16) (1)

((„Staatssteun - Overeenkomsten met de luchtvaartmaatschappij Ryanair en haar dochteronderneming Airport Marketing Services - Luchthavendiensten - Marketingdiensten - Besluit waarbij de steun onverenigbaar wordt verklaard met de interne markt en de terugvordering ervan wordt gelast - Begrip ‚staatssteun’ - Voordeel - Criterium van de particuliere investeerder - Terugvordering - Artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Toegang tot het dossier - Recht te worden gehoord”))

(2019/C 82/46)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Ryanair DAC, voorheen Ryanair Ltd (Dublin, Ierland), Airport Marketing Services Ltd (Dublin) (vertegenwoordigers: G. Berrisch, E. Vahida, I.-G. Metaxas-Maranghidis, advocaten, en B. Byrne, solicitor)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Flynn, L. Armati en S. Noë, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: S. Boelaert en S. Petrova, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot gedeeltelijke nietigverklaring van het besluit (EU) 2016/287 van de Commissie van 15 oktober 2014 betreffende steunmaatregel SA.26500 (2012/C) (ex 2011/NN, ex CP 227/2008) door Duitsland toegekend aan [Flughafen] Altenburg-Nobitz GmbH en Ryanair Ltd (PB 2016, L 59, blz. 22).

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Ryanair DAC en Airport Marketing Services Ltd worden verwezen in hun eigen kosten alsmede in die van de Europese Commissie.

3)

De Raad van de Europese Unie wordt verwezen in zijn eigen kosten.


(1)  PB C 222 van 20.6.2016.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/42


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Fruits de Ponent/Commissie

(Zaak T-290/16) (1)

([„Niet-contractuele aansprakelijkheid - Landbouw - Markten van perziken en nectarines - Verstoringen gedurende het verkoopseizoen 2014 - Russisch embargo - Tijdelijke buitengewone maatregelen ter ondersteuning van producenten - Gedelegeerde verordeningen (EU) nrs. 913/2014 en 923/2014 - Rechtsregels die ertoe strekken particulieren rechten toe te kennen - Zorgvuldigheidsplicht en beginsel van behoorlijk bestuur - Voldoende gekwalificeerde schending - Causaal verband”])

(2019/C 82/47)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Fruits de Ponent, SCCL (Alcarràs, Spanje) (vertegenwoordigers: M. Roca Junyent, J. Mier Albert, R. Vallina Hoset en A. Sellés Marco, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk I. Galindo Martín en K. Skelly, vervolgens I. Galindo Martín, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 268 VWEU tot vergoeding van de schade die drie leden van verzoekster zouden hebben geleden ten gevolge van handelingen en verzuimen van de Commissie in verband met de vaststelling van gedelegeerde verordening (EU) nr. 913/2014 van de Commissie van 21 augustus 2014 tot vaststelling van tijdelijke buitengewone maatregelen ter ondersteuning van producenten van perziken en nectarines (PB 2014, L 248, blz. 1), en gedelegeerde verordening (EU) nr. 932/2014 van de Commissie van 29 augustus 2014 tot vaststelling van tijdelijke buitengewone maatregelen ter ondersteuning van producenten van bepaalde soorten groenten en fruit en tot wijziging van gedelegeerde verordening nr. 913/2014 (PB 2014, L 259, blz. 2).

Dictum

1)

Het beroep wordt afgewezen.

2)

Fruits de Ponent, SCCL wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 270 van 25.7.2016.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/42


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Ville de Paris, Stad Brussel en Ayuntamiento de Madrid/Commissie

(Gevoegde zaken T-339/16, T-352/16 en T-391/16) (1)

([„Milieu - Verordening (EU) 2016/646 - Vervuilende emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 6) - Vaststelling, wat de uitstoot van stikstofoxide betreft, van de waarden die niet mogen worden overschreden (not-to-exceed — NTE) bij tests die worden uitgevoerd in reële rijomstandigheden (Real Driving Emissions — RDE) - Beroep tot nietigverklaring - Bevoegdheden van met milieubescherming belaste gemeentelijke autoriteiten om voor bepaalde voertuigen verkeersbeperkende maatregelen op te leggen - Rechtstreekse geraaktheid - Ontvankelijkheid - Onbevoegdheid van de Commissie - Eerbiediging van hogere rechtsnormen - Werking in de tijd van de gevolgen van een nietigverklaring - Niet-contractuele aansprakelijkheid - Vergoeding van beweerde imago- en reputatieschade”])

(2019/C 82/48)

Procestalen: Spaans en Frans

Partijen

Verzoekende partij in zaak T-339/16: Ville de Paris (Frankrijk) (vertegenwoordiger: J. Assous, advocaat)

Verzoekende partij in zaak T-352/16: Stad Brussel (België) (vertegenwoordigers: M. Uyttendaele en S. Kaisergruber, advocaten)

Verzoekende partij in zaak T-391/16: Ayuntamiento de Madrid (Spanje) (vertegenwoordiger: F. Zunzunegui Pastor, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. C. Becker, E. Sanfrutos Cano en J.-F. Brakeland, gemachtigden)

Voorwerp

Ten eerste, verzoeken krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van verordening (EU) nr. 2016/646 van de Commissie van 20 april 2016 tot wijziging van verordening (EG) nr. 692/2008, wat de emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 6) betreft (PB L 109, blz. 1), en, ten tweede, verzoek krachtens artikel 268 VWEU strekkende tot vergoeding van de schade die de Stad Parijs stelt te hebben geleden door de vaststelling van die verordening.

Dictum

1)

Punt 2 van bijlage II bij verordening (EU) nr. 2016/646 van de Commissie van 20 april 2016 tot wijziging van verordening (EG) nr. 692/2008 wat de emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 6) betreft, wordt nietig verklaard voor zover daarbij, in de punten 2.1.1 en 2.1.2 van bijlage III A bij verordening nr. 692/2008 van de Commissie van 18 juli 2008 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 715/2007, de waarde van de definitieve uitstootconformiteitsfactor (Conformity Factor — CF) en de waarde van de tijdelijke uitstootconformiteitsfactor voor de massa stikstofoxiden (NOx) worden vastgesteld.

2)

De beroepen worden verworpen voor het overige.

3)

De gevolgen van de krachtens punt 1 van het onderhavige dictum nietig verklaarde bepalingen worden gehandhaafd totdat binnen een redelijke termijn een nieuwe regeling is vastgesteld ter vervanging van die bepalingen, zonder dat die periode langer mag duren dan twaalf maanden vanaf de datum waarop het onderhavige arrest gevolgen sorteert.

4)

De Europese Commissie draagt haar eigen kosten alsook de helft van de kosten van Ville de Paris, Stad Brussel en Ayuntamiento de Madrid.


(1)  PB C 314 van 29.8.2016.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/43


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Schubert e.a./Commissie

(Zaak T-530/16) (1)

([„Openbare dienst - Bezoldiging - Jaarlijkse aanpassing van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en de andere personeelsleden - Verordeningen (EU) nrs. 422/2014 en 423/2014 - Aanpassing van de bezoldigingen en de pensioenen voor de jaren 2011 en 2012 - Motiveringsplicht - Evenredigheid - Gewettigd vertrouwen - Regels voor de sociale dialoog”])

(2019/C 82/49)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partijen: Ludwig Schubert (Overijse, België) en 6 andere verzoekende partijen wier namen zijn opgenomen in de bijlage bij het arrest (vertegenwoordigers: C. Bernard-Glanz, N. Flandin en S. Rodrigues, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk J. Currall en G. Gattinara, vervolgens G. Gattinara en L. Radu Bouyon, gemachtigden)

Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: E. Taneva en M. Ecker, gemachtigden) en Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk M. Bauer en M. Veiga, vervolgens M. Bauer en R. Meyer, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 270 VWEU, strekkende tot ten eerste nietigverklaring van de besluiten van de Commissie om op verzoekers’ bezoldigingen of pensioenen voor 2011 de aanpassing toe te passen van 0 % zoals voorzien in verordening (EU) nr. 422/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 houdende aanpassing met ingang van 1 juli 2011 van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Unie, alsmede van de aanpassingscoëfficiënten die van toepassing zijn op deze bezoldigingen en pensioenen (PB 2014, L 129, blz. 5), en voor het jaar 2012 van 0,8 % zoals voorzien in verordening (EU) nr. 423/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 houdende aanpassing met ingang van 1 juli 2012 van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Unie, alsmede van de aanpassingscoëfficiënten die van toepassing zijn op deze bezoldigingen en pensioenen (PB 2014, L 129, blz. 12), en ten tweede tot vergoeding van de schade die verzoekers door die besluiten zouden hebben geleden

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Verzoekers dragen hun eigen kosten en worden verwezen in de kosten van de Europese Commissie.

3)

De Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement dragen elk hun eigen kosten.


(1)  PB C 96 van 23.3.2015 (zaak aanvankelijk ingeschreven bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie onder nummer F-4/15, en op 1 september 2016 overgedragen aan het Gerecht van de Europese Unie).


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/44


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Carpenito e.a./Raad

(Gevoegde zaken T-543/16 en T-544/16) (1)

([„Openbare dienst - Bezoldiging - Jaarlijkse aanpassing van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en de andere personeelsleden - Verordeningen (EU) nrs. 422/2014 en 423/2014 - Aanpassing van de bezoldigingen en de pensioenen voor de jaren 2011 en 2012 - Motiveringsplicht - Evenredigheid - Gewettigd vertrouwen - Regels voor de sociale dialoog”])

(2019/C 82/50)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij in de zaak T-543/16: Renzo Carpenito (Overijse, België) (vertegenwoordiger: M. Velardo, advocaat)

Verzoekende partijen in de zaak T-544/16: Maria Kannellopoulou (Cranves-Sales, Frankrijk), José Carlos Lechado García (Brussel, België), Bernd Loescher (Sint-Genesius-Rode, België), Evelina Milenova (Brussel) (vertegenwoordiger: M. Velardo, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk M. Bauer en M. Veiga, vervolgens M. Bauer en R. Meyer, gemachtigden)

Interveniënt aan de zijde van verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: M. Ecker en E. Taneva, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 270 VWEU, strekkende tot ten eerste nietigverklaring van de besluiten van de Raad om op verzoekers’ bezoldigingen of pensioenen voor 2011 de aanpassing van 0 % toe te passen zoals voorzien in verordening (EU) nr. 422/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 houdende aanpassing met ingang van 1 juli 2011 van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Unie, alsmede van de aanpassingscoëfficiënten die van toepassing zijn op deze bezoldigingen en pensioenen (PB 2014, L 129, blz. 5), en voor het jaar 2012 van 0,8 % zoals voorzien in verordening (EU) nr. 423/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 houdende aanpassing met ingang van 1 juli 2012 van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Unie, alsmede van de aanpassingscoëfficiënten die van toepassing zijn op deze bezoldigingen en pensioenen (PB 2014, L 129, blz. 12), en ten tweede vergoeding van de schade die verzoekers door die besluiten zouden hebben geleden

Dictum

1)

De beroepen worden verworpen.

2)

Verzoekers dragen hun eigen kosten en die van de Raad van de Europese Unie.

3)

Het Europees Parlement draagt zijn eigen kosten.


(1)  PB C 146 van 4.5.2015 (zaak aanvankelijk ingeschreven bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie onder nummer F-31/15, en op 1 september 2016 overgedragen aan het Gerecht van de Europese Unie).


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/45


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Wahlström / Frontex

(Zaak T-591/16) (1)

((„Openbare dienst - Tijdelijk functionarissen - Frontex - Niet-verlenging van een overeenkomst voor bepaalde tijd - Artikel 8 RAP - Zorgplicht - Gebruik van een nietig verklaard beoordelingsrapport - Kennelijk onjuiste beoordeling - Aansprakelijkheid - Kosten - Billijkheid - Artikel 135, lid 1, Reglement voor de procesvoering”))

(2019/C 82/51)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Kari Wahlström (Espoo, Finland) (vertegenwoordiger: S. Pappas, advocaat)

Verwerende partij: Europees Grens- en kustwachtagentschap (vertegenwoordigers: H. Caniard en S. Drew, gemachtigden, bijgestaan door B. Wägenbaur, advocaat)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 270 VWEU, strekkende tot ten eerste nietigverklaring van het besluit van 26 juni 2015 om verzoekers overeenkomst van tijdelijk functionaris bij Frontex niet te verlengen, en ten tweede vergoeding van de schade die verzoeker zou hebben geleden door het daaruit volgende verlies van salaris en van de bijbehorende pensioenrechten

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Elke partij zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 251 van 11.7.2016 (zaak aanvankelijk ingeschreven bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie onder nummer F-21/16, en op 1 september 2016 overgedragen aan het Gerecht van de Europese Unie).


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/46


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Haeberlen / ENISA

(Zaak T-632/16) (1)

([„Openbare dienst - Bezoldiging - Jaarlijkse aanpassing van de bezoldigingen en de pensioenen van ambtenaren en andere personeelsleden - Verordeningen (EU) nrs. 422/2014 en 423/2014 - Aanpassing van de bezoldigingen en de pensioenen voor 2011 en 2012 - Motiveringsplicht - Evenredigheid - Gewettigd vertrouwen - Regels voor de sociale dialoog”])

(2019/C 82/52)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Thomas Haeberlen (Swisttal, Duitsland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk L. Levi en A. Tymen, vervolgens L. Levi en ten slotte L. Levi en C. Bernard-Glanz, advocaten)

Verwerende partij: Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (vertegenwoordigers: A. Ryan, gemachtigde, bijgestaan door D. Waelbroeck en A. Duron, advocaten)

Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: E. Taneva en M. Ecker, gemachtigden) en Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Bauer en R. Meyer, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 270 VWEU, strekkende tot ten eerste nietigverklaring van het besluit van ENISA van 21 oktober 2015 waarbij verzoeker is gelast om het bedrag van 3 133,19 EUR te betalen, na de toepassing op zijn bezoldiging van de aanpassing van 0 % voor 2011 zoals voorzien in verordening (EU) nr. 422/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 houdende aanpassing met ingang van 1 juli 2011 van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Unie, alsmede van de aanpassingscoëfficiënten die van toepassing zijn op deze bezoldigingen en pensioenen (PB 2014, L 129, blz. 5), en van 0,8 % voor 2012 zoals voorzien in verordening (EU) nr. 423/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 houdende aanpassing met ingang van 1 juli 2012 van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Unie, alsmede van de aanpassingscoëfficiënten die van toepassing zijn op deze bezoldigingen en pensioenen (PB 2014, L 129, blz. 12), en ten tweede vergoeding van de immateriële schade die verzoeker door dat besluit zou hebben geleden

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Thomas Haeberlen draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (ENISA).

3)

De Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 410 van 7.11.2016.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/47


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 – C=Holdings/EUIPO – Trademarkers (C=commodore)

(Zaak T-672/16) (1)

([„Uniemerk - Procedure tot vervallenverklaring - Internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Unie - Beeldmerk C=commodore - Verzoek tot nietigverklaring van een internationale inschrijving - Artikel 158, lid 2, van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 198, lid 2, van verordening (EU) 2017/1001] - Artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009 [thans artikel 58, lid 1, onder a), van verordening 2017/1001] - Geen normaal gebruik voor bepaalde waren en diensten waarop de internationale inschrijving betrekking heeft - Bestaan van geldige redenen voor het niet gebruiken”])

(2019/C 82/53)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: C=Holdings BV (Oldenzaal, Nederland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk P. Maeyaert en K. Neefs, vervolgens P. Maeyaert en J. Muyldermans, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: D. Gája, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO: Trademarkers NV (Antwerpen, België)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 13 juli 2016 (zaak R 2585/2015-4) inzake een procedure tot vervallenverklaring tussen Trademarkers en C=Holdings

Dictum

1)

De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 13 juli 2016 (zaak R 2585/2015-4) inzake een procedure tot vervallenverklaring tussen Trademarkers NV en C=Holdings BV wordt vernietigd, voor zover de kamer van beroep het beroep van C=Holdings heeft verworpen wat het bestaan betreft van geldige redenen voor het niet gebruiken van de internationale inschrijving waarvan deze onderneming houdster is.

2)

Het EUIPO wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 410 van 7.11.2016.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/47


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Pipiliagkas / Commissie

(Zaak T-689/16) (1)

((„Openbare dienst - Ambtenaren - Tewerkstelling - Besluit met terugwerkende kracht - Artikel 22 bis van het Statuut - Onbevoegd gezag - Aansprakelijkheid - Vergoeding van de materiële en immateriële schade”))

(2019/C 82/54)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Nikolaos Pipiliagkas (Brussel, België) (vertegenwoordigers: aanvankelijk J.-N. Louis en N. de Montigny, vervolgens J.-N. Louis, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk C. Berardis-Kayser en G. Gattinara, vervolgens G. Gattinara en L. Radu Bouyon, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 270 VWEU, strekkende tot ten eerste nietigverklaring van het besluit van het hoofd van de eenheid „carrière- en prestatiemanagement” van het directoraat-generaal „Personele middelen en veiligheid” van de Commissie van 22 december 2015 om verzoeker met terugwerkende kracht over te plaatsen, en ten tweede vergoeding van de materiële en immateriële schade die hij zou hebben geleden

Dictum

1)

Het besluit van het hoofd van de eenheid „carrière- en prestatiemanagement” van het directoraat-generaal „Personele middelen en veiligheid” van de Commissie van 22 december 2015 om Pipiliagkas met ingang van 1 januari 2013 over te plaatsen wordt nietig verklaard.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

De Commissie draagt haar eigen kosten alsook de helft van de kosten van Pipiliagkas.

4)

Pipiliagkas draagt de helft van zijn eigen kosten.


(1)  PB C 441 van 28.11.2016.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/48


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — CX/Commissie

(Zaak T-743/16 RENV) (1)

((„Openbare dienst - Ambtenaren - Tuchtmaatregel - Tuchtrechtelijk ontslag - Rechten van de verdediging - Zorgplicht - Artikel 22, lid 1, van bijlage IX bij het Statuut - Artikelen 41 en 52 van het Handvest van de grondrechten - Aansprakelijkheid - Werkelijk bestaan van schade - Causaal verband”))

(2019/C 82/55)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: CX (vertegenwoordiger: É. Boigelot, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: F. Simonetti en C. Ehrbar, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 270 VWEU, strekkende tot ten eerste nietigverklaring van het besluit van 16 oktober 2013 waarbij de Commissie heeft vastgesteld dat verzoeker twee ernstige fouten had gemaakt en hem derhalve de sanctie van tuchtrechtelijk ontslag zonder vermindering van pensioenrechten heeft opgelegd, en ten tweede vergoeding van de schade die hij door dat besluit zou hebben geleden

Dictum

1)

Het besluit van 16 oktober 2013 waarbij de Europese Commissie CX de sanctie van tuchtrechtelijk ontslag zonder vermindering pro tempore van zijn pensioenrechten heeft opgelegd wordt nietig verklaard.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

Elke partij draagt haar eigen kosten.


(1)  PB C 85 van 22.3.2014 (zaak aanvankelijk ingeschreven bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie onder nummer F-5/14, en op 1 september 2016 overgedragen aan het Gerecht van de Europese Unie).


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/49


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Monolith Frost/EUIPO — Dovgan (PLOMBIR)

(Zaak T-830/16) (1)

([„Uniemerk - Nietigheidsprocedure - Uniewoordmerk PLOMBIR - Absolute weigeringsgrond - Beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EU) 2017/1001] - Onderzoek van de feiten - Artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009 (thans artikel 95, lid 1, van verordening 2017/1001) - Voor het eerst voor het Gerecht overgelegd bewijsmateriaal”])

(2019/C 82/56)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Monolith Frost GmbH (Leopoldshöhe, Duitsland) (vertegenwoordigers: E. Liebich en S. Labesius, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: A. Söder, D. Walicka en M. Fischer, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: Dovgan GmbH (Hamburg, Duitsland) (vertegenwoordigers: J.-C. Plate en R. Kaase, advocaten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 22 september 2016 (zaak R 1812/2015-4) inzake een nietigheidsprocedure tussen Monolith Frost en Dovgan.

Dictum

1)

De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 22 september 2016 (zaak R 1812/2015-4) wordt vernietigd.

2)

Het EUIPO zal naast zijn eigen kosten ook die van Monolith Frost GmbH dragen, daaronder begrepen de noodzakelijke kosten die Monolith Frost heeft gemaakt voor de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO.

3)

Dovgan GmbH zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 22 van 23.1.2017.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/50


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Azarov/Raad

(Zaak T-247/17) (1)

((„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Oekraïne - Bevriezing van tegoeden - Lijst van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren - Handhaving van verzoekers naam op de lijst - Recht op eigendom - Recht op het uitoefenen van een economische activiteit - Kennelijk onjuiste beoordeling”))

(2019/C 82/57)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Mykola Yanovych Azarov (Kiev, Ukraïne) (vertegenwoordigers: G. Lansky en A. Egger, advocaten)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: J.-P. Hix en F. Naert, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van besluit (GBVB) 2017/381 van de Raad van 3 maart 2017 tot wijziging van besluit 2014/119/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2017, L 58, blz. 34), en uitvoeringsverordening (EU) 2017/374 van de Raad van 3 maart 2017 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 208/2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2017, L 58, blz. 1), voor zover verzoekers naam is gehandhaafd op de lijst van personen, entiteiten en lichamen waarop die beperkende maatregelen van toepassing zijn.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Mykola Yanovych Azarov wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 195 van 19.6.2017.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/50


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Monster Energy/EUIPO — Bösel (MONSTER DIP)

(Zaak T-274/17) (1)

([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniebeeldmerk MONSTER DIP - Oudere Uniewoord- en Uniebeeldmerken en in het economisch verkeer gebruikt niet-ingeschreven teken die alle het woordelement ‚monster’ bevatten - Relatieve weigeringsgronden - Geen verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001] - Geen gevaar voor misleidende associatie - Artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009 (thans artikel 8, lid 4, van verordening 2017/1001) - Geen gevaar voor verwatering van het oudere bekende merk - Artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009 (thans artikel 8, lid 5, van verordening 2017/1001)”])

(2019/C 82/58)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Monster Energy Company (Corona, Californië, Verenigde Staten van Amerika) (vertegenwoordiger: P. Brownlow, solicitor)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: D. Gája, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO: Marco Bösel (Bad Fallingbostel, Duitsland)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 13 december 2016 (zaak R 1062/2016-2) inzake een oppositieprocedure tussen Monster Energy Company en Marco Bösel

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Monster Energy Company wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 221 van 10.7.2017.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/51


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — De Loecker / EDEO

(Zaak T-537/17) (1)

((„Openbare dienst - EDEO - Tijdelijk functionarissen - Psychisch geweld - Verzoek om bijstand - Afwijzing van het verzoek - Recht om te worden gehoord - Aansprakelijkheid”))

(2019/C 82/59)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Stéphane De Loecker (Brussel, België) (vertegenwoordigers: aanvankelijk J.-N. Louis en N. de Montigny, vervolgens J.-N. Louis, advocaten)

Verwerende partij: Europese Dienst voor extern optreden (vertegenwoordigers: S. Marquardt en R. Spac, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 270 VWEU, strekkende tot ten eerste nietigverklaring van het besluit van EDEO van 10 oktober 2016 tot afwijzing van het verzoek om bijstand dat verzoeker heeft ingediend krachtens de artikelen 12 bis en 24 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, en ten tweede vergoeding van de schade die verzoeker zou hebben geleden

Dictum

1)

Het besluit van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 10 oktober 2016 tot afwijzing van het verzoek om bijstand dat Stéphane De Loecker krachtens de artikelen 12 bis en 24 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie heeft ingediend, wordt nietig verklaard.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

EDEO wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 347 van 16.10.2017.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/52


Arrest van het Gerecht van 12 december 2018 — Frankrijk / Commissie

(Zaak T-609/17) (1)

([„ELGF - Van financiering uitgesloten uitgaven - Uitgaven verricht door Frankrijk - Uitvoerrestituties in de sector vlees van pluimvee - Forfaitaire financiële correcties - Verordeningen (EU) nr. 1290/2005 en (EU) nr. 1306/2013 - Gezond, deugdelijk en van gebruikelijke handelskwaliteit - Controles - Evenredigheid”])

(2019/C 82/60)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Franse Republiek (vertegenwoordigers: F. Alabrune, D. Colas, B. Fodda en E. de Moustier, gemachtigden)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Lewis en D. Bianchi, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 TFUE tot gedeeltelijke nietigverklaring van uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1144 van de Commissie van 26 juni 2017 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB 2017, L 165, blz. 37), voor zover daarbij de uitgaven die de Franse Republiek heeft verricht in het kader van het ELGF voor een bedrag van 120 901 216,61 EUR aan financiering worden onttrokken.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 382 van 13.11.2017.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/52


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — UP / Commissie

(Zaak T-706/17) (1)

((„Openbare dienst - Ambtenaren - Ernstige ziekte - Verzoek om deeltijdwerk om medische redenen - Afwijzing van het verzoek - Verbod van discriminatie op grond van handicap - Recht om te worden gehoord - Beginsel van behoorlijk bestuur - Zorgplicht - Aansprakelijkheid”))

(2019/C 82/61)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: UP (vertegenwoordiger: M. Casado García-Hirschfeld, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: T. Bohr en B. Mongin, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 270 VWEU strekkende tot, ten eerste, nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 26 april 2017 houdende weigering om verzoekster deeltijdwerk om medische redenen te verlenen en, ten tweede, vergoeding van de materiële en immateriële schade die verzoekster zou hebben geleden.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

UP wordt verwezen in de eigen kosten en in die van de Europese Commissie.


(1)  PB C 5 van 8.1.2018.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/53


Arrest van het Gerecht van 12 december 2018 — Bischoff/EUIPO — Miroglio Fashion (CARACTÈRE)

(Zaak T-743/17) (1)

([„Uniemerk - Nietigheidsprocedure - Uniewoordmerk CARACTÈRE - Absolute weigeringsgronden - Geen beschrijvend karakter - Onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening (EU) 2017/1001]”])

(2019/C 82/62)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Bischoff GmbH (Muggensturm, Duitsland) (vertegenwoordiger: D. Régnier, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: S. Pétrequin en A. Folliard-Monguiral, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: Miroglio Fashion Srl (Alba, Italië) (vertegenwoordiger: O. Vanner, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 20 juli 2017 (zaak R 328/2016-1) inzake een nietigheidsprocedure tussen Bischoff en Miroglio Fashion

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Bischoff GmbH wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 13 van 15.1.2018.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/53


Arrest van het Gerecht van 12 december 2018 — Vitromed/EUIPO — Vitromed Healthcare (VITROMED Germany)

(Zaak T-821/17) (1)

([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniebeeldmerk VITROMED Germany - Ouder Uniewoordmerk Vitromed - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001]”])

(2019/C 82/63)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Vitromed GmbH (Jena, Duitsland) (vertegenwoordiger: M. Linß, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: A. Graul, D. Walicka en M. Fischer, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: Vitromed Healthcare (Jaipur, India) (vertegenwoordiger: J. Schmidt, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 26 september 2017 (zaak R 2402/2016-2) inzake een oppositieprocedure tussen Vitromed Healthcare en Vitromed

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Vitromed GmbH wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 52 van 12.2.2018.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/54


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — CN/Parlement

(Zaak T-76/18) (1)

((„Openbare dienst - Geaccrediteerde parlementaire medewerkers - Artikel 24 van het Statuut - Verzoek om bijstand - Artikel 12 bis van het Statuut - Psychisch geweld - Adviescomité intimidatie en de voorkoming ervan op het werk dat klachten van geaccrediteerde parlementaire medewerkers tegen leden van het Europees Parlement behandelt - Besluit tot afwijzing van het verzoek om bijstand - Recht om te worden gehoord - Beginsel van hoor en wederhoor - Weigering om inzage te geven in het advies van het adviescomité en in de verslagen van de getuigenverhoren - Weigering van de verwerende instelling om gevolg te geven aan een maatregel van instructie van het Gerecht”))

(2019/C 82/64)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: CN (vertegenwoordigers: C. Bernard-Glanz en A. Tymen, advocaten)

Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: D. Boytha en E. Taneva, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 270 VWEU, strekkende tot ten eerste nietigverklaring van het besluit van het Parlement van 20 maart 2017 waarbij het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag van die instelling verzoekers verzoek om bijstand van 13 februari 2013 heeft afgewezen, en ten tweede vergoeding van de schade die hij geleden zou hebben

Dictum

1)

Het besluit van het Europees Parlement van 20 maart 2017 waarbij het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag van die instelling het verzoek om bijstand van 13 februari 2013 van CN heeft afgewezen wordt nietig verklaard.

2)

Het Parlement wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van 8 500 EUR aan CN ter vergoeding van de immateriële schade.

3)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

4)

Het Parlement wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 134 van 16.4.2018.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/55


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — CH/Parlement

(Zaak T-83/18) (1)

((„Openbare dienst - Geaccrediteerde parlementaire medewerkers - Artikel 24 van het Statuut - Verzoek om bijstand - Artikel 12 bis van het Statuut - Psychisch geweld - Adviescomité intimidatie en de voorkoming ervan op het werk dat klachten van geaccrediteerde parlementaire medewerkers tegen leden van het Europees Parlement behandelt - Besluit tot afwijzing van het verzoek om bijstand - Recht om te worden gehoord - Beginsel van hoor en wederhoor - Weigering om inzage te geven in het advies van het adviescomité en in de verslagen van de getuigenverhoren - Weigering van de verwerende instelling om gevolg te geven aan een maatregel van instructie van het Gerecht”))

(2019/C 82/65)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: CH (vertegenwoordigers: C. Bernard-Glanz en A. Tymen, advocaten)

Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: D. Boytha en E. Taneva, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 270 VWEU, strekkende tot ten eerste nietigverklaring van het besluit van het Parlement van 20 maart 2017 waarbij het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag van die instelling verzoeksters verzoek om bijstand van 22 december 2011 heeft afgewezen, en ten tweede vergoeding van de schade die zij geleden zou hebben

Dictum

1)

Het besluit van het Europees Parlement van 20 maart 2017 waarbij het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag van die instelling het verzoek om bijstand van 22 december 2011 van CH heeft afgewezen wordt nietig verklaard.

2)

Het Parlement wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van 8 500 EUR aan CH ter vergoeding van de immateriële schade.

3)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

4)

Het Parlement wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 134 van 16.4.2018.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/55


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Multifit/EUIPO (fit+fun)

(Zaak T-94/18) (1)

([„Uniemerk - Aanvraag voor Uniewoordmerk „fit+fun” - Absolute weigeringsgrond - Geen onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001”])

(2019/C 82/66)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Multifit Tiernahrungs GmbH (Krefeld, Duitsland) (vertegenwoordigers: N. Weber en L. Thiel, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Fischer, D. Walicka, M. Eberl en A. Sesma Merino, gemachtigden)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 7 december 2017 (zaak R 847/2017-1) inzake de inschrijving van het woordteken „fit+fun” als Uniemerk

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Multifit Tiernahrungs GmbH wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 134 van 16.4.2018.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/56


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Multifit/EUIPO (MULTIFIT)

(Zaak T-98/18) (1)

([„Uniemerk - Aanvraag voor Uniewoordmerk „MULTIFIT” - Absolute weigeringsgrond - Geen onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001”])

(2019/C 82/67)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Multifit Tiernahrungs GmbH (Krefeld, Duitsland) (vertegenwoordigers: N. Weber en L. Thiel, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: A. Sesma Merino, D. Walicka, M. Fischer en M. Eberl, gemachtigden)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 15 november 2017 (zaak R 846/2017-1) inzake een aanvraag tot inschrijving van het woordteken „MULTIFIT” als Uniemerk

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Multifit Tiernahrungs GmbH wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 134 van 16.4.2018.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/56


Arrest van het Gerecht van 13 december 2018 — Knauf/EUIPO (upgrade your personality)

(Zaak T-102/18) (1)

([„Uniemerk - Aanvraag voor Uniewoordmerk upgrade your personality - Absolute weigeringsgrond - Geen onderscheidend vermogen - Reclameslogan - Artikel 7, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001”])

(2019/C 82/68)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Martin Knauf (Berlijn, Duitsland) (vertegenwoordiger: H. Jaeger, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: R. Manea en A. Folliard-Monguiral, gemachtigden)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 18 december 2017 (zaak R 1011/2017-4) inzake een aanvraag tot inschrijving van het woordteken upgrade your personality als Uniemerk.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Martin Knauf zal zijn eigen kosten dragen alsook die van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO).


(1)  PB C 134 van 16.4.2018.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/57


Beroep ingesteld op 20 december 2018 — Covestro Deutschland/Commissie

(Zaak T-745/18)

(2019/C 82/69)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Covestro Deutschland AG (Leverkusen, Duitsland) (vertegenwoordigers: M. Küper, J. Otter, C. Anger en M. Goldberg, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het besluit van de Commissie van 28 mei 2018 betreffende steunmaatregel SA.34045 (2013/C) (ex 2012/NN) van Duitsland voor bandlastverbruikers volgens § 19 van de Stromnetzentgeltverordnung (verordening betreffende de vergoeding voor toegang tot het elektriciteitsnet; hierna: „StromNEV”), nr. C(2018) 3166, nietig verklaren, in het bijzonder voor zover in dit besluit de volledige vrijstelling van bandlastverbruikers van nettarieven in de jaren 2012 en 2013 als staatssteun wordt gekwalificeerd, deze onverenigbaar wordt verklaard met de interne markt en de verplichting wordt opgelegd deze volgens de vanaf 3 september 2010 geldende versie van de in § 19, lid 2, tweede volzin, StromNEV opgenomen regeling voor minimumtarieven onmiddellijk van de begunstigden terug te vorderen, en

verweerster verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vier middelen aan.

1.

Onredelijke duur van de procedure

In het kader van het eerste middel wordt aangevoerd dat de in artikel 9, lid 6, van de procedureverordening staatssteun (1) vastgelegde standaardtermijn in deze meer dan 62 maanden durende procedure met meer dan het dubbele van die termijn is overschreden.

2.

De vrijstelling van nettarieven is geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.

In het kader van het tweede middel wordt aangevoerd dat geen voordeel werd verkregen omdat de netstabiliserende functie van de bandlastverbruikers een gepaste tegenprestatie vormt. Voor het overige werd de vrijstelling niet uit overheidsmiddelen gefinancierd.

3.

Verenigbaarheid met de interne markt (rechtvaardiging, artikel 107, lid 3, VWEU)

In het kader van het derde middel wordt aangevoerd dat door de volledige vrijstelling van de bandlastgebruikers een ernstige verstoring in de economie van Duitsland wordt verholpen. Met name energie-intensieve industrieën moeten concurrerend blijven en verhinderd moet worden dat zij zich in het buitenland vestigen.

4.

Onrechtmatigheid van de verplichting terugvordering te gelasten

In het kader van het vierde middel wordt erover geklaagd dat het willekeurig is en in strijd met het discriminatieverbod om op grond van de tot aan 3 augustus 2011 geldende versie van § 19, lid 2, StromNEV een minimumtarief ter hoogte van 20 % van de officiële nettarieven terug te vorderen.

Voorts wordt aangevoerd dat uitsluitend door de nettarieven met de „methode van de fysieke weg” vast te stellen, gewaarborgd is dat de beginselen van een billijke kostenoorzakelijkheid en van passende en niet discriminerende verschuldigde nettarieven in acht worden genomen.

De gestelde verplichting tot terugvordering is eveneens in strijd met het discriminatieverbod omdat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de overgangsregeling in § 32, lid 3, StromNEV.

Tot slot wordt aangevoerd dat tussen de bandlastverbruikers en atypische netgebruikers in de zin van § 19, lid 2, eerste volzin, StromNEV essentiële verschillen bestaan. Het is niet objectief te rechtvaardigen dat beide groepen netgebruikers ondanks de verschillen een minimumtarief van 20 % betalen.


(1)  Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB L 248 van 24.9.2015, blz. 9).


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/58


Beroep ingesteld op 21 december 2018 — Briois / Parlement

(Zaak T-750/18)

(2019/C 82/70)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Steeve Briois (Hénin-Beaumont, Frankrijk) (vertegenwoordiger: F. Wagner, advocaat)

Verwerende partij: Europees Parlement

Conclusies

het besluit van het Europees Parlement van 24 oktober 2018 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Steeve Briois (2018/2075 IMM), houdende vaststelling van verslag A8-0349/2018 van de Commissie juridische zaken, nietig verklaren;

het Europees Parlement verwijzen in alle kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn beroep voert de verzoekende partij drie middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan schending van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie (hierna „Protocol”), voor zover de publicatie van Briois die in zijn lidstaat van herkomst tot strafrechtelijke vervolging heeft geleid, een meningsuiting tijdens de uitoefening van zijn parlementaire ambt in de zin van die bepaling vormt.

2.

Tweede middel, ontleend aan schending van artikel 9 van het Protocol, doordat het Parlement zowel de letter als de geest van die bepaling heeft miskend door het besluit tot opheffing de immuniteit van Briois vast te stellen, zodat dit nietig is.

3.

Derde middel, ontleend aan schending van de beginselen van gelijke behandeling en behoorlijk bestuur.

Verzoeker betoogt in de eerste plaats dat het Parlement het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden door hem anders te behandelen dan parlementsleden die zich in vergelijkbare situaties bevinden en dat het Parlement bijgevolg ook het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden, dat vereist dat de bevoegde instelling alle relevante elementen van het betrokken geval zorgvuldig en onpartijdig onderzoekt.

In de tweede plaats is verzoeker van mening dat uit een geheel van aanwijzingen kan worden opgemaakt dat duidelijk sprake is van fumus persecutionis jegens hem.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/59


Beroep ingesteld op 21 december 2018 — ABLV Bank/GAR

(Zaak T-758/18)

(2019/C 82/71)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: ABLV Bank AS (Riga, Letland) (vertegenwoordigers: O. Behrends, M. Kirchner en L. Feddern, advocaten)

Verwerende partij: Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

het besluit van de GAR van 17 oktober 2018 ten aanzien van ABLV Bank met betrekking tot de weigering van de GAR om de vooraf te betalen bijdragen van die bank aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds opnieuw te berekenen en terug te betalen, nietig te verklaren,

verweerder te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij tien middelen aan.

1.

Eerste middel: de GAR heeft onvoldoende gewicht toegekend aan de pro rata temporis aard van de bijdragen aan het Fonds.

2.

Tweede middel: de GAR is voorbijgegaan aan haar eigen uitdrukkelijke erkenning dat de bijdragen aan het Fonds pro rata temporis terugbetaalbaar zijn.

3.

Derde middel: de GAR heeft geen rekening gehouden met de uitdrukkelijke erkenning in artikel 12, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 van de Commissie (1) dat slechts gedeeltelijke bijdragen verschuldigd zijn indien slechts gedurende een deel van het betrokken jaar aan de voorwaarden is voldaan.

4.

Vierde middel: de GAR heeft zich ten onrechte gebaseerd op artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 (2).

5.

Vijfde middel: de GAR is uitgegaan van een onjuiste uitlegging van artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 van de Commissie.

6.

Zesde middel: de GAR heeft de beginselen van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen geschonden.

7.

Zevende middel: de GAR heeft het evenredigheidsbeginsel geschonden.

8.

Achtste middel: de GAR heeft het nemo-auditurbeginsel geschonden.

9.

Negende middel: de GAR is voorbijgegaan aan de relevantie van zijn vroegere handelingen.

10.

Tiende middel: de GAR heeft de artikelen 16 and 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie geschonden.


(1)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/63 van de Commissie van 21 oktober 2014 tot aanvulling van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van wat de vooraf te betalen bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen betreft (PB 2015, L 11, blz. 44).

(2)  Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 225, blz. 1).


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/60


Beroep ingesteld op 4 januari 2019 — Algebris (UK) en Anchorage Capital Group / GAR

(Zaak T-2/19)

(2019/C 82/72)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Algebris UK ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk) en Anchorage Capital Group LLC (New York, New York, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: T. Soames, lawyer, R. East, Solicitor, N. Chesaites, en D. Mackersie, Barristers)

Verwerende partij: Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR)

Conclusies:

het besluit van de GAR vernietigen voor zover daarbij is vastgesteld dat de definitieve waardering ex post van Banco Popular Español S.A. krachtens artikel 20, lid 11, van verordening (EU) nr. 806/2014 (1) niet was vereist;

de GAR te verwijzen in de kosten van de verzoekende partijen.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voeren de verzoekende partijen vier middelen aan.

1.

Het eerste middel is eraan ontleend dat het besluit van de GAR waarbij is vastgesteld dat de definitieve waardering ex post van Banco Popular Español S.A. krachtens artikel 20, lid 11, van verordening nr. 806/2014 niet was vereist, berust op een onjuiste rechtsopvatting van artikel 20, lid 11, en/of artikel 20, lid 12, van die verordening, die voorschrijven dat een definitieve waardering ex post moet worden verricht ingeval afwikkelingsmaatregelen worden genomen op basis van een voorlopige waardering die niet voldoet aan de vereisten in artikel 20, leden 1 en 4 tot en met 9, van verordening nr. 806/2014.

2.

Het tweede middel is ontleend aan een kennelijke onjuiste beoordeling door de GAR bij de toepassing van artikel 20, lid 11, van verordening nr. 806/2014 in het bestreden besluit, aangezien de GAR bij de vaststelling van het bestreden besluit is uitgegaan van de onjuiste veronderstelling dat in deze zaak geen definitieve waarderingen ex post waren vereist.

3.

Het derde middel is ontleend aan een met artikel 20, lid 11 en 12 van verordening nr. 806/2014 strijdige onjuiste rechtsopvatting en/of een kennelijke beoordelingsfout, voor zover het bestreden besluit een beslissing van de GAR impliceert om de waarde van de door Banco Santander, S.A. betaalde vergoeding van 1 EUR niet te verhogen.

4.

Het vierde middel is eraan ontleend dat de GAR, in strijd met artikel 296 VWEU, zijn motiveringsplicht niet is nagekomen toen hij het bestreden besluit heeft vastgesteld.


(1)  Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014 L 225, blz. 1).


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/61


Beroep ingesteld op 4 januari 2019 — Clatronic International/EUIPO (PROFI CARE)

(Zaak T-5/19)

(2019/C 82/73)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Clatronic International GmbH (Kempen, Duitsland) (vertegenwoordiger: O. Löffel, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Betrokken merk: internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Unie van het beeldteken PROFI CARE — inschrijvingsaanvraag nr. 1 372 358

Bestreden beslissing: beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 15 oktober 2018 in zaak R 504/2018-1

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO in de kosten.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad;

schending van artikel 94, lid 1, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/61


Beroep ingesteld op 11 januari 2019 — Fastweb / Commissie

(Zaak T-19/19)

(2019/C 82/74)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Fastweb SpA (Milaan, Italië) (vertegenwoordigers: M. Merola, L. Armati, A. Guarino en E. Cerchi, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het besluit van 31 augustus 2018 waarbij de Europese Commissie in zaak M.9041 — HUTCHISON/WIND TRE, de concentratie heeft goedgekeurd in de zin van artikel 6, lid 1, onder b), en artikel 6, lid 2, van verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen, nietig verklaren;

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij negen middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan schending van de artikelen 2 en 8 van verordening nr. 139/2004: kennelijk onjuiste beoordeling en gebrekkig onderzoek omdat de Commissie van mening was dat de toetreding tot de markt van een nieuwe mobiele netwerkoperator (MNO) volstond om de horizontale gevolgen van de concentratie te verhelpen, zonder de factoren in aanmerking te nemen die tot het succes van H3G hebben geleid

In dit verband wordt aangevoerd dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste beoordeling en de zaak gebrekkig heeft onderzocht, daar zij van mening was dat de toetreding tot de markt van een nieuwe MNO volstond om de horizontale gevolgen van de concentratie weg te nemen, zonder de factoren in aanmerking te nemen die tot het succes van de toetreding van H3G hebben geleid. Reeds in de zaak M.7758 was de Commissie inzonderheid niet nagegaan of de nieuwe MNO (hetzij op retailniveau, hetzij op wholesaleniveau) beschikte over operationele capaciteit, economische voorwaarden en stimulansen die, samen beschouwd, op zijn minst vergelijkbaar waren met die welke H3G heeft genoten, die gedurende de eerste jaren werkzaam was op een markt in volle groei. Bovendien had de Commissie rekening moeten houden met de gevolgen voor de mededinging van de verschillen in afgiftetarieven die H3G genoot en waardoor zij in aanzienlijke mate werd bevoordeeld ten opzichte van andere MNO.

2.

Tweede middel, ontleend aan schending van de artikelen 2 en 8 van verordening nr. 139/2004: kennelijk onjuiste beoordeling van het MNO-pakket.

In dit verband wordt aangevoerd dat de Commissie blijk heeft gegeven van een kennelijk onjuiste beoordeling van het verbintenissenpakket. Meer in het bijzonder doet de vergelijking met de aan H3G voor de fusie toegekende frequenties, op zich ernstige twijfel rijzen of het voorziene spectrum toereikend is. Bovendien heeft de Commissie vertrouwd op toekomstige en onzekere gebeurtenissen, zoals de deelneming van de nieuwe MNO aan toekomstige aanbestedingen, zonder overigens in aanmerking te nemen dat de nakende vernieuwing en de refarming van de overgedragen frequenties hoge kosten met zich brengen. De Commissie heeft de overdracht van een ontoereikend aantal sites aanvaard en zich daarbij beroepen op onzekere overeenkomsten met de Tower companies. Ten slotte wordt de stimulans tot investeren aanzienlijk verlaagd door de overgangsovereenkomst die de aanmeldende partijen hebben gesloten en waarvan de structuur op de capaciteit is gebaseerd.

3.

Derde middel, ontleend aan schending van de artikelen 2 en 8 van verordening nr. 139/2004 en aan een kennelijk onjuiste beoordeling en een gebrekkig onderzoek aangezien de Commissie haar analyse van de concentratie en van de verbintenissen heeft gebaseerd op de onjuiste aanname dat de prijs de enige belangrijke concurrentiefactor is en daarbij de kwaliteit en de convergentie over het hoofd heeft gezien.

Verzoekster verwijt de Commissie een gebrekkig onderzoek omdat zij haar analyse van de concentratie en van de verbintenissen heeft gebaseerd op de onjuiste aanname dat de prijs de enige belangrijke concurrentiefactor op de relevante markt is. De Commissie is voorbij gegaan aan het feit dat de kwaliteit en de netwerkdekking even belangrijk zijn en zij had zich niet mogen beperken tot een statische analyse van de voorkeuren van een zeer beperkte steekproef van gebruikers, behorend tot de categorie met een lage bestedingsgraad. Bovendien is de Commissie ook voorbijgegaan aan het toekomstige belang van de convergentie, die doorslaggevend is voor een nieuwe marktdeelnemer, die extra stimulansen nodig had in vergelijking met een gevestigde marktdeelnemer (zoals H3G). De keuze van een koper die de convergerende vraag aankan, zou in de loop van de tijd tot een grotere efficiëntie en duurzaamheid van de verbintenissen hebben geleid.

4.

Vierde middel, ontleend aan schending van de artikelen 2 en 8 van verordening nr. 139/2004 en een gebrekkig onderzoek omdat de Commissie niet van mening was dat de concentratie een mededingingsbeperkend doel had.

In dit verband wordt aangevoerd dat de Commissie enerzijds weliswaar heeft erkend dat de zogenoemde „market repair” voor de partijen de „ratio” van de concentratie was en anderzijds geen onderzoek heeft gevoerd naar de concurrentiebeperkende coördinatie die de partijen door de fusie hebben doorgevoerd. Aan het nieuwe besluit kleeft dus een ernstig gebrek, te weten een gebrekkig onderzoek.

5.

Vijfde middel, ontleend aan schending van de artikelen 2 en 8 van verordening nr. 139/2004 en aan een kennelijk onjuiste beoordeling van de vraag of de verbintenissen geschikt zijn om tegemoet te komen aan de bezorgdheid met betrekking tot de gecoördineerde effecten op de retailmarkt, alsook aan een gebrekkig onderzoek, met name naar de verenigbaarheid van de roaming-overeenkomsten/nationale multi-operator core network (MOCN) met artikel 101 VWEU.

Volgens verzoekster is onjuist beoordeeld of de verbintenissen geschikt zijn om tegemoet te komen aan de bezorgdheid met betrekking tot de gecoördineerde effecten op de retailmarkt. Om werkelijk agressief te kunnen handelen en het collusie-evenwicht te „doorbreken”, moet de nieuwe marktdeelnemer namelijk onafhankelijk van de andere MNO kunnen optreden. De gekozen formule voor het beschikbaar stellen van middelen (roaming-overeenkomsten en het nationale MOCN) roept echter een strikte afhankelijkheid in het leven tussen nieuwe MNO en de Joint Venture op lange termijn, zoals de resultaten van de meest recente aanbestedingen voor de toekenning van frequenties in Italië en, meer in het algemeen, het commercieel beleid van alle MNO aantonen. Daarenboven wordt het besluit gekenmerkt door een gebrekkig onderzoek wat betreft de verenigbaarheid van roaming-overeenkomsten/nationale MOCN met artikel 101 VWEU.

6.

Zesde middel, ontleend aan schending van de artikelen 2 en 8 van verordening nr. 139/2004 en aan een kennelijk onjuiste beoordeling van de geschiktheid van de verbintenissen om tegemoet te komen aan de mededingingsbezwaren op de wholesalemarkt voor toegang en gespreksopbouw op mobiele telefoonnetwerken.

Verzoekster voert in dit verband aan dat de Commissie het contrafeitelijke scenario onjuist heeft weergegeven en ten onrechte heeft geoordeeld dat Iliad een stimulans zal hebben om dergelijke diensten aan te bieden niettegenstaande het ontbreken van maatregelen in die zin en de ervaring van die marktdeelnemer in Frankrijk. Integendeel, de verbintenissen zullen de nieuwe MNO ertoe aanzetten zich agressief op te stellen en enkel en alleen de klanten van Market Virtual Network Operator te werven.

7.

Zevende middel, ontleend aan schending van artikel 8, lid 2, van verordening nr. 139/2004, een beoordelingsfout en schending van het beginsel van behoorlijk bestuur

In dit verband wordt aangevoerd dat de Commissie artikel 8, lid 2, van verordening nr. 139/2004 (beoordelingsfout) en het beginsel van behoorlijk bestuur (gebrekkig onderzoek) heeft geschonden door Iliad te aanvaarden als een geschikte koper zonder de risico’s voor de doeltreffendheid van de verbintenissen in aanmerking te nemen die gepaard gaan met de toetreding tot de markt van een marktdeelnemer met zijn eigen kenmerken, en door in de verbintenissen niet te hebben voorzien in geschikte waarborgen, inzonderheid met betrekking tot de kwaliteit/netwerkdekking.

8.

Achtste middel, ontleend aan een kennelijk onjuiste beoordeling en een gebrekkig onderzoek daar de Commissie de „ratio” van de nieuwe concentratie niet heeft onderzocht.

In dit verband wordt aangevoerd dat de Commissie reeds in het besluit van 2016 „market repair” als „ratio” van de operatie had aangegeven zonder evenwel de gevolgen daarvan te onderzoeken. In het nieuwe besluit heeft de Commissie opnieuw geen rekening gehouden met die belangrijke omstandigheid en geen onderzoek gevoerd naar de doelstellingen van de nieuwe operatie, ook wat betreft de verwezenlijking van de „ratio” van de aanvankelijke operatie. Bovendien heeft de Commissie — in strijd met haar eigen praktijk en met de rechtspraak — nagelaten de gevolgen te beoordelen die rechtstreeks voortvloeien uit het wegnemen van de concurrentiedruk op de markt die verband houdt met de medebeslissingsbevoegdheid van VEON.

9.

Negende middel, ontleend aan een kennelijk onjuiste beoordeling door de Commissie daar zij het, gelet op de gewijzigde marktomstandigheden, niet nodig achtte dat de verbintenissen werden aangepast.

In dit verband wordt aangevoerd dat de Commissie in feite had moeten oordelen dat zich op de relevante markt geen belangrijke ontwikkelingen hadden voorgedaan ten opzichte van het tijdstip waarop zij het besluit in 2016 in de zaak M.7758 had vastgesteld, zonder daarvoor echter een toereikende motivering op te geven.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/64


Beroep ingesteld op 11 januari 2019 — Pablosky/EUIPO — docPrice (mediFLEX easystep)

(Zaak T-20/19)

(2019/C 82/75)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Pablosky, SL (Madrid, Spanje) (vertegenwoordiger: A. Tarí Lázaro, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: docPrice GmbH (Koblenz, Duitsland)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: aanvraag voor Uniewoordmerk mediFLEX easystep — inschrijvingsaanvraag nr. 15 730 872

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 8 november 2018 in zaak R 77/2018-4

Conclusies

herziening van de bestreden beslissing;

weigering van Uniemerk nr. 15 730 872 in zijn geheel voor waren van de klassen 10 en 25;

verwijzing in de kosten ten gunste van verzoekster.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/64


Beroep ingesteld op 11 januari 2019 — Pablosky/EUIPO — docPrice (mediFLEX easystep)

(Zaak T-21/19)

(2019/C 82/76)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Pablosky, SL (Madrid, Spanje) (vertegenwoordiger: A. Tarí Lázaro, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: docPrice GmbH (Koblenz, Duitsland)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: aanvraag voor Uniebeeldmerk mediFLEX easystep — inschrijvingsaanvraag nr. 15 730 898

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 8 november 2018 in zaak R 76/2018-4

Conclusies

herziening van de bestreden beslissing;

weigering van Uniemerk nr. 15 730 898 in zijn geheel voor waren van de klassen 10 en 25;

verwijzing in de kosten ten gunste van verzoekster.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/65


Beroep ingesteld op 11 januari 2019 — Noguer Enríquez e.a./Commissie

(Zaak T-22/19)

(2019/C 82/77)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partijen: Roser Noguer Enríquez (Andorra la Vella, Andorra), Ramón Cierco Noguer (Andorra la Vella), Successors D’Higini Cierco García, SA (Andorra la Vella), Cierco Martínez 2 2003, SL (Andorra la Vella) (vertegenwoordigers: J. Álvarez González en S. San Felipe Menéndez, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

Verzoekers verzoeken het Gerecht om overeenkomstig de artikelen 268 en 340, tweede alinea, VWEU akte te nemen van de instelling van een vordering wegens niet-contractuele aansprakelijkheid van de Europese Unie voor schade die door de Europese Commissie in de uitoefening van haar functies is veroorzaakt en, na de passende juridische formaliteiten en het verloop van de betrokken procedure, een arrest te wijzen waarin de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Europese Unie voor de nalatige en permissieve handelwijze van de Europese Commissie wordt vastgesteld, en verzoekers een schadevergoeding van 50 220 800 EUR wordt toegekend overeenkomstig de berekeningen in het deskundigenrapport bij het verzoekschrift, of subsidiair een schadevergoeding waarvan het bedrag voortvloeit uit het deskundigenrapport van de door het Gerecht aangestelde deskundige, vermeerderd met de wettelijke rente, en verweerster wordt verwezen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoekers volgende middelen aan.

1.

Schending van de monetaire overeenkomst tussen de Europese Unie en het Vorstendom Andorra (hierna: „overeenkomst”) en onjuiste uitvoering door het Vorstendom Andorra — met instemming van de Commissie — van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (1). Met name is de Commissie:

haar verplichting niet nagekomen om de „gedeeltelijke”, voorbarige, het eigenbelang dienende en ontoereikende omzetting van richtlijn 2014/59/EU door het Vorstendom Andorra na te gaan, dat opzettelijk heeft nagelaten om de rechten en waarborgen van aandeelhouders en deposanten op te nemen die door het Unierecht als noodzakelijk tegengewicht in dergelijke interventieprocedures zijn opgelegd en dat zelfs aanvullende discriminerende maatregelen tegen andere aandeelhouders heeft vastgesteld, en

haar verplichting niet nagekomen om het Gemengd Comité en, in voorkomend geval, het Gerecht van de Europese Unie te wijzen op de niet-naleving door het Vorstendom Andorra van de overeenkomst, met name door de onrechtmatige omzetting van richtlijn 2014/59/EU, waardoor verzoekers niet langer eigenaar van hun aandelen zijn, zonder enige rechtvaardiging van het openbare belang, zonder inachtneming van fundamentele beginselen zoals het evenredigheidsbeginsel en zonder enige vorm van schadeloosstelling of compensatie onder de wettelijk vastgestelde voorwaarden. Dit leidt tot een aanzienlijke schending van de hogere beginselen van de rechtsstaat en de grondrechten. Evenmin heeft de Commissie (zelfs tot op heden) de niet-naleving door het Vorstendom Andorra aan de kaak gesteld met het oog op de opzegging van de overeenkomst.

2.

Schending van grondrechten en waarborgen van verzoekers, zoals neergelegd in zowel het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie als in het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, waaronder het recht op eigendom, het recht op behoorlijk bestuur, het recht op doeltreffende rechterlijke bescherming, het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.

In dit verband stellen verzoekers dat de niet-nakoming van haar verplichtingen door de Europese Commissie ertoe heeft geleid dat, na de afwikkeling van de Banca Privada de Andorra (hierna: „BPA”), alle aandeelhouders — met inbegrip van verzoekers, die 75,52 % van de aandelen van de vennootschap bezitten — al hun kapitaal hebben verloren, zonder enige vergoeding of mogelijkheid om zich daartegen te verzetten.

Voorts betogen verzoekers dat het stilzitten van de voornaamste hoedster van de overeenkomst ertoe heeft geleid dat verzoekers onder de Andorrese wetgeving niet het recht hebben om na de afwikkeling van de BPA hetzelfde bedrag te ontvangen als hetwelk zij na een gewone insolventie- of faillissementsprocedure zouden hebben verkregen, een recht dat uitdrukkelijk en uitputtend is neergelegd in de regeling van de Europese Unie inzake het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en investeringsmaatschappijen die het Vorstendom Andorra krachtens de overeenkomst in nationaal recht moest omzetten.

Ten slotte is noch het recht van de aandeelhouders om de situatie te laten beoordelen waarin zij zich bevinden na de afwikkeling van een financiële instelling en de eventuele vergoedingen te laten beoordelen die zij hebben ontvangen, noch het recht om zich te verzetten en verweer te voeren tegen het resultaat van de afwikkeling van de instelling, in de Andorrese rechtsorde opgenomen.

3.

Niet-naleving door de Europese Commissie van haar meest wezenlijke plicht uit hoofde van artikel 17 VEU om de eerbiediging en de toepassing van het Unierecht en de Verdragen van de Europese Unie te waarborgen, aangezien zij derde landen heeft toegestaan de bepalingen van het VEU op flagrante wijze te schenden, hetgeen duidelijk afbreuk doet aan de rechtszekerheid, de geloofwaardigheid van de Europese instellingen en het legitieme vertrouwen van de burgers in deze instellingen.

4.

Optreden van de Europese Unie dat een voldoende gekwalificeerde schending inhoudt van de rechtsregels die rechten verlenen aan en/of bescherming bieden aan personen, en dat niet kan worden gerechtvaardigd op grond van de beoordelingsmarge die door deze regels wordt toegekend, noch op grond van de complexiteit of de onnauwkeurigheid ervan. Deze nalatigheid van de Commissie heeft verzoekers specifieke, feitelijke en bepaalde materiële schade berokkend, aangezien er een duidelijk oorzakelijk verband bestaat tussen deze schade en het optreden van de Commissie.

5.

Subsidiair, aansprakelijkheid van de Europese Commissie wegens nalatigheid bij de onderhandelingen over en de ondertekening van de monetaire overeenkomst met het Vorstendom Andorra, die niet voorziet in een geschillen- en/of klachtenregeling voor de betrokken personen.


(1)  PB 2014 L 173, blz. 190.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/67


Beroep ingesteld op 15 januari 2019 — Karlovarské minerální vody/EUIPO — Aguas de San Martín de Veri (VERITEA)

(Zaak T-28/19)

(2019/C 82/78)

Taal van het verzoekschrift: Tsjechisch

Partijen

Verzoekende partij: Karlovarské minerální vody a.s. (Karlovy Vary, Tsjechië) (vertegenwoordiger: J. Mrázek, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Aguas de San Martín de Veri, SA (Bisaurri, Spanje)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij voor het Gerecht

Betrokken merk: aanvraag tot inschrijving van het Uniemerk „VERITEA” — inschrijvingsaanvraag nr. 15 592 876

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 8 november 2018 in zaak R 499/2018-5

Conclusies

de bestreden beslissing vernietigen;

de oppositie van opposant afwijzen;

het EUIPO verwijzen in de kosten.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/67


Beroep ingesteld op 15 januari 2019 — CRIA en CCCMC / Commissie

(Zaak T-30/19)

(2019/C 82/79)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: China Rubber Industry Association (CRIA) (Peking, China) en China Chamber of Commerce of Metals, Minerals & Chemicals Importers & Exporters (CCCMC) (Peking) (vertegenwoordigers: R. Antonini, E. Monard en B. Maniatis, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:

uitvoeringsverordening (EU) 2018/1579 van de Commissie van 18 oktober 2018 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde nieuwe of van een nieuw loopvlak voorziene luchtbanden van rubber, van de soort gebruikt voor autobussen of vrachtwagens, met een belastingsindex van meer dan 121, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en tot intrekking van uitvoeringsverordening (EU) 2018/163, nietig te verklaren voor zover zij verzoeksters en hun relevante leden betreft, en

de Commissie te verwijzen in de kosten van deze procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters zes middelen aan.

1.

Eerste middel: de bestreden verordening schendt artikel 3, leden 1, 2, 5 en 8, en artikel 17 van verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad („basisverordening”) (1) doordat de schade in de bestreden verordening wordt geanalyseerd op basis van de „gewogen” gegevens van de in de steekproef opgenomen ondernemingen. Zelfs gesteld dat de weging zou zijn toegestaan, levert de wijze waarop dit is gebeurd schending op van artikel 3, leden 2, 3 en 5, en artikel 9, lid 4, van de basisverordening.

2.

Tweede middel: door van een nieuw loopvlak voorziene banden in aanmerking te nemen, verkrijgt de Commissie in strijd met artikel 3, leden 1, 2, 5 en 6, en artikel 4, lid 1, van de basisverordening geen logische basis voor de rest van haar onderzoek. De schadeanalyse en de analyse van het oorzakelijk verband, waarin wordt voorbijgegaan aan de segmentering tussen nieuwe en van een nieuw loopvlak voorziene banden, is niet gebaseerd op positief bewijsmateriaal en vormt geen objectief onderzoek, in strijd met artikel 3, leden 2, 5 en 6, van de basisverordening.

3.

Derde middel: de beoordeling van de gevolgen voor de prijzen (prijsonderbieding en prijsbederf) en de vaststelling van het schade-opheffend prijsniveau zijn in strijd met artikel 3, leden 2 en 3, en artikel 9, lid 4, van de basisverordening omdat daarbij geen rekening wordt gehouden met het feit dat een nieuwe band per kilometer aanzienlijk meer kost dan een band die van een nieuw loopvlak is voorzien en omdat wordt uitgegaan van geconstrueerde exportprijzen.

4.

Vierde middel: de incoherenties en tegenstrijdigheden in de analyse van het oorzakelijk verband en het feit dat die niet steunt op positief en/of objectief bewijsmateriaal, leveren schending op van artikel 3, leden 2 en 6, van de basisverordening. In strijd met artikel 3, leden 2 en 7, van de basisverordening wordt in de bestreden verordening evenmin passend onderzoek gedaan naar andere bekende factoren om te voorkomen dat de door deze andere factoren veroorzaakte schade aan de invoer met dumping wordt toegeschreven.

5.

Vijfde middel: de Commissie heeft verzoeksters’ rechten van verdediging alsook artikel 6, lid 7, artikel 19, leden 1 tot en met 3, en artikel 20, leden 2 en 4, van de basisverordening geschonden door hen niet in kennis te stellen van noch inzage te verlenen in de informatie die voor de vaststellingen inzake schade en dumping relevant is.

6.

Zesde middel: de correctie voor indirecte belastingen schendt artikel 2, lid 10, onder b), en artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening.


(1)  Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB L 176, 30.6.2016, blz. 21).


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/69


Beroep ingesteld op 21 januari 2019 — Cimpress Schweiz / EUIPO — Impress Media (CIMPRESS)

(Zaak T-37/19)

(2019/C 82/80)

Taal van het verzoekschrift: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Cimpress Schweiz GmbH (Winterthur, Zwitserland) (vertegenwoordigers: C. Eckhartt, P. Böhner en A. von Mühlendahl, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Impress Media GmbH (Mönchengladbach, Duitsland)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij

Betrokken merk: Uniewoordmerk „CIMPRESS” — Uniemerk nr. 13 147 624

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 30 oktober 2018 in de gevoegde zaken R 1716/2017-2 en R 1786/2017-2

Conclusies

de bestreden beslissing vernietigen;

op het beroep van verzoekster de beslissing van de oppositieafdeling van verweerster van 13 juni 2017 in procedure Nr. B 2 493 933 vernietigen en de oppositie van Impress Media GmbH tegen inschrijving van het merk „CIMPRESS” Nr. 13 147 624 afwijzen;

het EUIPO en Impress Media GmbH, ingeval zij in deze procedure intervenieert, verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure en in verzoeksters kosten van de procedure voor de kamer van beroep.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 2, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad.


4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/69


Beroep ingesteld op 23 januari 2019 — Volkswagen / EUIPO (CROSS)

(Zaak T-42/19)

(2019/C 82/81)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Volkswagen AG (Wolfsburg, Duitsland) (vertegenwoordigers: F. Thiering en L. Steidle, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Betrokken merk: aanvraag voor Uniewoordmerk „CROSS” — inschrijvingsaanvraag nr. 16 366 528

Bestreden beslissing: beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 14 november 2018 in zaak R 2500/2017-1

Conclusies

de bestreden beslissing vernietigen, voor zover verzoeksters beroep daarbij is verworpen, en Uniemerkaanvraag nr. 163 66 528 voor alle waren en diensten toewijzen;

subsidiair, de bestreden beslissing vernietigen, voor zover verzoeksters beroep daarbij is verworpen, en de zaak naar de eerste kamer van beroep van het EUIPO terugverwijzen;

het EUIPO verwijzen in de kosten.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad;

schending van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad;

schending van het beginsel van gelijke behandeling en schending van de motiveringsplicht.