ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 441

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

61e jaargang
7 december 2018


Inhoud

Bladzijde

 

II   Mededelingen

 

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Europese Commissie

2018/C 441/01

Mededeling van de Commissie — Maatregelen die worden beschouwd als even doeltreffend als artikel 4 van de richtlijn bestrijding belastingontwijking

1


 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Raad

2018/C 441/02

De EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden — Verslag van de Groep gedragscode (belastingregeling ondernemingen) met het voorstel om bijlage II bij de conclusies van de Raad van 5 december 2017 te wijzigen

3

2018/C 441/03

De rol van jeugdwerk in de context van migratie- en vluchtelingenaangelegenheden — Conclusies van de Raad

5

 

Europese Commissie

2018/C 441/04

Wisselkoersen van de euro

11

2018/C 441/05

Advies van het Adviescomité voor concentraties, uitgebracht op zijn bijeenkomst van 20 juni 2018, betreffende een ontwerpbesluit in zaak M.8451 — Tronox/Cristal — Rapporteur: Slovenië

12

2018/C 441/06

Eindverslag van de raadadviseur-auditeur (M.8451 — Tronox/Cristal)

13

2018/C 441/07

Samenvatting van het besluit van de Commissie van 4 juli 2018 waarbij een concentratie verenigbaar wordt verklaard met de interne markt en met de werking van de EER-overeenkomst (Zaak M.8451 — Tronox/Cristal) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2018) 4120)  ( 1 )

15

2018/C 441/08

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 30 november 2018 inzake de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie van een aanvraag tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van een productdossier als bedoeld in artikel 53 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad voor de naam Vitellone Bianco dell’Appennino Centrale (BGA)

20


 

V   Bekendmakingen

 

PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID

 

Europese Commissie

2018/C 441/09

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak M.9187 — Autolaunch/Beijing Electric Vehicle Co/JVs) — Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak ( 1 )

31


 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

 


II Mededelingen

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Europese Commissie

7.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 441/1


MEDEDELING VAN DE COMMISSIE

Maatregelen die worden beschouwd als even doeltreffend als artikel 4 van de richtlijn bestrijding belastingontwijking

(2018/C 441/01)

1.   Algemene opmerkingen

In artikel 4 van de richtlijn bestrijding belastingontwijking (hierna „de ATAD” genoemd) (1) is bepaald dat de lidstaten regels inzake renteaftrekbeperking moeten vaststellen die uiterlijk op 31 december 2018 in nationaal recht moeten zijn omgezet (2).

Overeenkomstig artikel 11, lid 6, van de ATAD kunnen „[…] de lidstaten die op 8 augustus 2016 beschikken over nationale specifieke regels ter voorkoming van risico’s op BEPS die even doeltreffend zijn als de in deze richtlijn vervatte regel inzake renteaftrekbeperking, deze specifieke regels toepassen tot het einde van het eerste volledige boekjaar volgend op de datum van bekendmaking, op de officiële website, van de overeenkomst tussen de OESO-leden over een minimumnorm met betrekking tot BEPS-actie 4, doch uiterlijk tot 1 januari 2024”.

In artikel 10, lid 3, van de ATAD is het volgende bepaald: „De in artikel 11, lid 6, bedoelde lidstaten verstrekken de Commissie vóór 1 juli 2017 alle informatie die nodig is om de doeltreffendheid van de nationale specifieke regels ter voorkoming van risico’s op grondslaguitholling en winstverschuiving (base erosion and profit shifting — BEPS) te beoordelen.”

2.   Maatregelen die worden beschouwd als even doeltreffend als artikel 4 van de ATAD

De diensten van de Commissie beschouwen de volgende door de betrokken lidstaten aangemelde regels als „even doeltreffend” als de regels inzake renteaftrekbeperking van artikel 4 van de ATAD. De betrokken lidstaten mogen deze regels overeenkomstig artikel 11, lid 6, van de ATAD blijven toepassen:

Griekenland — artikel 49 van wet 4172/2013;

Frankrijk — artikel 212 bis van de code général des impôts GTC („rabot”);

Slowakije — sectie 21a van de wet No. 595/2003 Coll;

Slovenië — artikel 32 van de zakon o davku od dohodkov pravnih oseb (ZDDPO-2), en

Spanje — 1) de artikelen 16 en 63 van de „Ley 27/2014, Del Impuesto Sobre Sociedades (territorio común)” en 2) artikel 24 van de Ley Foral 26/2016, Del Impuesto Sobre Sociedades (Navarra).

3.   Criteria voor de beoordeling van gelijke doeltreffendheid

Op basis van de in de ATAD vastgestelde benchmarks hebben de diensten van de Commissie een beoordeling verricht van 1) de juridische vergelijkbaarheid en 2) de economische gelijkwaardigheid van de door de lidstaten aangemelde maatregelen.

Het uitgangspunt voor het onderzoek naar de juridische gelijkwaardigheid van de aangemelde maatregelen was dat uitsluitend de maatregelen ter beperking van de aftrekbaarheid van het financieringskostensurplus in verband met factoren van winstgevendheid van belastingplichtigen in de eerste plaats kunnen worden beschouwd als „even doeltreffend” bij het aanpakken van buitensporige renteaftrek.

Bij de analyse van de economische gelijkwaardigheid van de aangemelde regels en artikel 4 van de ATAD werd gebruikgemaakt van twee criteria.

Ten eerste gold als minimumvereiste dat de aangemelde maatregel niet aanmerkelijk minder inkomsten oplevert dan de regel inzake renteaftrekbeperking op basis van artikel 4 van de ATAD.

Ten tweede werd de aangemelde nationaal maatregel beschouwd als „even doeltreffend” als artikel 4 van de ATAD wanneer de toepassing ervan zou leiden tot soortgelijke of hogere verschuldigde belasting voor een meerderheid van de grote ondernemingen (alle bedrijven behalve kleine en middelgrote ondernemingen) vergeleken met het geraamde resultaat bij toepassing van de regel inzake renteaftrekbeperking van de ATAD.


(1)  Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt (PB L 193 van 19.7.2016, blz. 1).

(2)  Krachtens artikel 11, lid 1, van de ATAD.


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Raad

7.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 441/3


De EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden — Verslag van de Groep gedragscode (belastingregeling ondernemingen) met het voorstel om bijlage II bij de conclusies van de Raad van 5 december 2017 te wijzigen

(2018/C 441/02)

Met ingang van de dag van bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bijlage II bij de conclusies van de Raad van 5 december 2017 over de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (1), als gewijzigd in januari (2), maart (3), mei (4), oktober (5) en november (6) 2018, vervangen door de volgende bijlage II:

„BIJLAGE II

Stand van zaken van de samenwerking met de EU in verband met de gedane toezeggingen inzake de toepassing van de beginselen inzake goed fiscaal bestuur

1.   Transparantie

1.1.   Toezegging om de automatische uitwisseling van inlichtingen in te voeren door de ondertekening van de Multilaterale overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten, of via bilaterale overeenkomsten

De volgende rechtsgebieden hebben toegezegd de automatische uitwisseling van inlichtingen voor het einde van 2018 in te voeren:

Antigua en Barbuda, Curaçao, Dominica, Grenada, Marshalleilanden, Nieuw-Caledonië, Oman, Palau, Qatar en Taiwan.

De volgende rechtsgebieden hebben toegezegd de automatische uitwisseling van inlichtingen voor het einde van 2019 in te voeren:

Turkije.

1.2.   Lidmaatschap van het Mondiaal Forum inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen voor belastingdoeleinden en een bevredigende rating

De volgende rechtsgebieden hebben toegezegd om voor het einde van 2018 lid te worden van het Mondiaal Forum en/of een bevredigende rating te hebben:

Anguilla, Curaçao, Marshalleilanden, Nieuw-Caledonië en Palau.

De volgende rechtsgebieden hebben toegezegd om voor het einde van 2019 lid te worden van het Mondiaal Forum en/of een bevredigende rating te hebben:

Fiji, Jordanië, Namibië, Turkije en Vietnam.

1.3.   Het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken van de OESO („het WABB-verdrag”) ondertekenen en ratificeren, of een netwerk van regelingen hebben dat alle EU-lidstaten omvat

De volgende rechtsgebieden hebben toegezegd om voor het einde van 2018 het WABB-verdrag te ondertekenen en te ratificeren, of over een netwerk van regelingen te beschikken dat alle EU-lidstaten omvat:

Antigua en Barbuda, Dominica, Nieuw-Caledonië, Oman, Palau, Qatar en Taiwan.

De volgende rechtsgebieden hebben toegezegd om voor het einde van 2019 het WABB-verdrag te ondertekenen en te ratificeren, of over een netwerk van regelingen te beschikken dat alle EU-lidstaten omvat:

Armenië, Bosnië en Herzegovina, Botswana, Kaapverdië, Eswatini, Fiji, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Jamaica, Jordanië, Maldiven, Mongolië, Montenegro, Marokko, Namibië, Servië, Thailand en Vietnam.

2.   Eerlijke belastingheffing

2.1.   Schadelijke belastingregelingen

De volgende rechtsgebieden hebben toegezegd de gesignaleerde regelingen voor het einde van 2018 aan te passen of af te schaffen:

Antigua en Barbuda, Aruba, Barbados, Belize, Botswana, Kaapverdië, Cookeilanden, Curaçao, Dominica, Fiji, Grenada, SAR Hongkong, Jordanië, Republiek Korea, het eiland Labuan, SAR Macau, Maleisië, Maldiven, Mauritius, Marokko, Panama, Saint Kitts en Nevis, Saint Lucia, Saint Vincent en de Grenadines, Seychellen, Zwitserland, Taiwan, Thailand, Tunesië, Turkije en Uruguay.

Het volgende rechtsgebied heeft toegezegd de gesignaleerde regelingen binnen twaalf maanden na de datum van bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie aan te passen of af te schaffen:

Namibië.

2.2.   Belastingregelingen die offshoreconstructies faciliteren waarmee winsten worden aangetrokken zonder dat er sprake is van enige daadwerkelijke economische activiteit

De volgende rechtsgebieden hebben toegezegd de problemen met betrekking tot de economische substantie voor het einde van 2018 te zullen aanpakken:

Anguilla, Bahama’s, Bahrein, Bermuda, Britse Maagdeneilanden, Kaaimaneilanden, Guernsey, Man, Jersey, Marshalleilanden, Turks- en Caicoseilanden, Verenigde Arabische Emiraten en Vanuatu.

3.   BEPS-bestrijdingsmaatregelen

3.1.   Lidmaatschap van het Inclusief Kader inzake de bestrijding van BEPS of invoering van minimumnormen inzake BEPS-bestrijding

De volgende rechtsgebieden hebben toegezegd voor het einde van 2018 lid te worden van het Inclusief Kader, of minimumnormen inzake BEPS-bestrijding in te voeren:

Cookeilanden, Faeröer, Groenland, Marshalleilanden, Nieuw-Caledonië, Palau, Taiwan en Vanuatu.

De volgende rechtsgebieden hebben toegezegd voor het einde van 2019 lid te worden van het Inclusief Kader, of minimumnormen inzake BEPS-bestrijding in te voeren:

Albanië, Armenië, Bosnië en Herzegovina, Kaapverdië, Eswatini, Fiji, Jordanië, Montenegro, Marokko en Namibië.

De volgende rechtsgebieden hebben toegezegd lid te worden van het Inclusief Kader, of minimumnormen inzake BEPS-bestrijding in te voeren indien en wanneer dit relevant wordt:

Nauru en Niue

”.

(1)  PB C 438 van 19.12.2017, blz. 5.

(2)  PB C 29 van 26.1.2018, blz. 2.

(3)  PB C 100 van 16.3.2018, blz. 4, en PB C 100 van 16.3.2018, blz. 5.

(4)  PB C 191 van 5.6.2018, blz. 1.

(5)  PB C 359 van 5.10.2018, blz. 3.

(6)  PB C 403 van 9.11.2018, blz. 4.


7.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 441/5


De rol van jeugdwerk in de context van migratie- en vluchtelingenaangelegenheden — Conclusies van de Raad

(2018/C 441/03)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

NEEMT NOTA VAN:

1.

Artikel 165, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (1), waarin is bepaald dat het optreden van de Europese Unie erop gericht is „de deelneming van jongeren aan het democratisch leven in Europa aan te moedigen”.

2.

Artikel 79, leden 4 en 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (2), waarin is bepaald dat het Europees Parlement en de Raad maatregelen kunnen vaststellen ter bevordering van de integratie van onderdanen van derde landen die legaal op hun grondgebied verblijven, met uitsluiting van enige harmonisering van de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten. Dit laat het recht van de lidstaten onverlet, zelf te bepalen hoeveel onderdanen van derde landen, afkomstig uit derde landen, tot hun grondgebied worden toegelaten teneinde daar al dan niet in loondienst arbeid te verrichten.

3.

Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (3), met name de in de artikelen 21 (non-discriminatie), 23 (de gelijkheid van vrouwen en mannen) en 24 (de rechten van het kind) erkende beginselen.

4.

Het nieuwe kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken (2010-2018) (4) en het huidige werkplan voor jeugdzaken voor (2016-2018) (5).

5.

De door de Europese Raad onderschreven mededeling van de Commissie „Europa 2020”, waarin wordt erkend dat jeugdwerk voor alle jongeren een cruciale rol speelt als aanbieder van vormen van niet-formeel leren (6).

6.

De resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, over jeugdwerk (7), waarin gepleit wordt voor een beter inzicht in en een grotere rol voor jeugdwerk, in het bijzonder met betrekking tot het propageren, steunen en ontwikkelen van jeugdwerk op diverse niveaus.

7.

De verklaring over het bevorderen, via het onderwijs, van burgerschap en de gemeenschappelijke waarden vrijheid, tolerantie en non-discriminatie (de verklaring van Parijs van 2015) (8).

8.

Aanbeveling CM/Rec (2016)7 van het Comité van ministers van de Raad van Europa over het bevorderen van de toegang van jongeren tot rechten (9).

9.

De mededeling van de Europese Commissie over een actieplan inzake de integratie van onderdanen van derde landen (10).

10.

De mededeling van de Europese Commissie over de bescherming van migrerende kinderen (11) en de conclusies van de Raad over de bevordering en bescherming van de rechten van het kind (12), waarin de nadruk wordt gelegd op de noodzaak alle kinderen te beschermen, ongeacht hun status, en te allen tijde het belang van het kind voorop te stellen, met inbegrip van niet-begeleide kinderen en kinderen die van hun gezin gescheiden zijn, in volledige overeenstemming met het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind (VRK) en de bijbehorende facultatieve protocollen.

11.

De beleidsaanbevelingen van de EU-deskundigengroep inzake jeugdwerk voor vluchtelingen en jonge onderdanen van derde landen.

ONDERKENT HET VOLGENDE:

1.

Jeugdwerk is een brede term, waaronder een breed scala van activiteiten van sociale, culturele, educatieve of politieke aard valt, zowel van, voor als met jongeren. De activiteiten omvatten ook sport en diensten voor jongeren. Jeugdwerk behoort tot het „buitenschoolse” onderwijs, evenals de specifieke vrijetijdsactiviteiten die door professionele of vrijwillige jeugdwerkers en jeugdleiders worden georganiseerd (13), en is gebaseerd op niet-formele leerprocessen en op vrijwillige deelname (14). Jeugdwerk is in wezen een sociale praktijk, waarin wordt gewerkt met jongeren en de samenleving waarin zij leven, om zodoende de actieve participatie en inclusie van jongeren in hun gemeenschappen en in de besluitvorming te bevorderen (15).

2.

Het accent van jeugdwerk ligt op jongeren, die in alle gerelateerde maatregelen, methoden en activiteiten centraal staan. Jongeren, waaronder jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen (16), worden geacht bekwame individuen te zijn met vaardigheden en sterke punten, die in staat zijn om hun toekomst gestalte te geven.

3.

De realiteiten en praktijken van jeugdwerk verschillen naargelang de lokale, regionale en nationale context. Alle vormen van voorgestelde samenwerking zijn erop gericht dit uiteenlopende beeld te ondersteunen, en strekken er niet toe de verschillen via harmonisatie terug te dringen.

4.

Jeugdwerk heeft als leidende beginselen onder meer het belang van het uitdragen van de Europese waarden, gendergelijkheid en het bestrijden van alle vormen van discriminatie, het eerbiedigen van de rechten en het naleven van de beginselen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, rekening houdend met eventuele verschillen in de leefomstandigheden, behoeften, verwachtingen, belangstelling en houding van jongeren op grond van diverse factoren, en onderkennend dat alle jongeren een hulpbron voor de samenleving vormen (17). Het vermogen van jeugdwerk om rekening te houden met individuen is bijzonder waardevol om de vaardigheden en sterke punten van kansarme jongeren te herkennen.

5.

Bijzondere aandacht moet uitgaan naar jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen die vanwege hun migratieachtergrond in combinatie met andere mogelijke discriminatiegronden, zoals hun etnische afkomst, gender, seksuele geaardheid, handicap, godsdienst, geloof of politieke overtuiging, met meervoudige marginalisering worden bedreigd.

6.

Het doel van jeugdwerk is om ervoor te zorgen dat de overgang van adolescentie naar volwassenheid een goede afloop kent (18). Jongeren, ook jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen, zijn personen die zich in deze overgangsperiode bevinden. Jeugdwerk moet alle jongeren bij de samenleving betrekken, en tegelijk instrumenten en mogelijkheden bieden om hen in staat te stellen de samenleving als actieve burgers te beïnvloeden. Dit inclusieve karakter van jeugdwerk moet worden toegepast om de integratie van jonge vluchtelingen en onderdanen van derde landen in de nieuwe gastsamenleving te bevorderen, en in de respectvolle wetenschap dat hun integratieproces niet van hetzelfde uitgangspunt begint als dat van lokale jongeren.

7.

Jeugdwerk wordt ook omschreven als een onderwijspartnerschap tussen jongeren en jeugdwerkers (19). Dit leerproces vindt plaats in een niet-formele en informele omgeving. Jeugdwerk is erop gericht de horizon van bij de activiteiten betrokken jongeren te verbreden, hun participatie te bevorderen en hen uit te nodigen om zich sociaal in te zetten, met name door hun kansen te bieden om actief te worden, door jongeren aan te zetten kritisch en creatief te zijn in hun omgang met ervaringen en de wereld rondom hen (20). Bij het verstrekken van deze steun aan jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen, geeft jeugdwerk volgens een interculturele leerbenadering de culturele visie en de waarden van de gastsamenleving mee aan de doelgroep en vice versa.

8.

De participatie aan en de vormgeving van activiteiten en projecten in jeugdwerk vergroot de vaardigheden, bekwaamheden en capaciteiten van alle betrokken actoren: de jongeren, met inbegrip van jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen, en de jeugdwerkers. Jongeren kiezen ervoor om deel te nemen aan jeugdwerkactiviteiten, niet in de laatste plaats omdat zij willen ontspannen, vrienden willen maken, nieuwe relaties willen aanknopen, plezier willen maken en steun willen vinden (21). Daarom moeten jeugdwerkruimten respect en plezier bieden en een gastvrije, participatieve, genderevenwichtige en democratisch gestructureerde omgeving creëren waarin het respect voor anderen, voor diversiteit, mensenrechten en democratische waarden in de praktijk kunnen worden ervaren. In die veilige en niet-discriminerende omgevingen, waar noch een registratie, noch een financiële bijdrage is vereist, waar individuele verschillen in acht worden genomen door de nadruk te leggen op het ondersteunen en versterken van het zelfvertrouwen van jongeren, kunnen jongeren hun visie ontwikkelen en toetsen, fouten maken en leren van die fouten en van andere jongeren.

9.

Voor de actieve participatie aan de samenleving kan het van doorslaggevend belang zijn deel te kunnen uitmaken van een divers sociaal netwerk met deze mogelijkheid tot autonome en vrijwillige deelname. Jeugdwerkactiviteiten worden gekozen op basis van de realiteit en behoeften van jongeren en gaan uit van op respect en vertrouwen gebaseerde relaties tussen jongeren en jeugdwerkers. Het begin en het einde van deze relaties moeten niet door een externe factor worden bepaald, maar uitsluitend door het initiatief van de jongeren, waaronder jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen.

10.

Dankzij jeugdwerkmethoden krijgen jeugdwerkers en jongeren, waaronder jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen, het vermogen onder de knie om onpartijdige informatie te verzamelen, en ontwikkelen zij hun vermogen tot zelfreflectie, intercultureel bewustzijn, kritisch denken en veerkracht.

11.

Jeugdwerk draagt bij tot het ontwikkelen van bekwaamheden op het gebied van conflictpreventie.

12.

Jeugdwerk helpt jongeren op weg naar maatschappelijke betrokkenheid en politieke participatie door informatie aan te bieden over besluitvormingsprocessen en toegang tot politiek verantwoordelijke actoren, alsook door democratische structuren in de praktijk te brengen via actieve betrokkenheid bij jeugdwerkactiviteiten. Deze vrijwillige participatie aan een respectvolle en informele setting kan ertoe leiden dat jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen een positief identiteitsgevoel en een gevoel ergens bij te horen krijgen en kan hen in staat stellen bij te dragen tot positieve verandering in de samenleving.

13.

Om jongeren te steunen en de reikwijdte van hun activiteiten te verbreden, moeten jeugdwerkers nauw samenwerken met andere actoren en belanghebbenden op lokaal niveau. Via informatie-uitwisseling, netwerkvorming en samenwerking kan jeugdwerk jongeren individuele toegang bieden tot andere gebieden, zoals formeel onderwijs, de arbeidsmarkt, huisvesting of gezondheidszorg. Voor jeugdwerk met jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen is het van bijzonder belang dat jongeren worden aangemoedigd deze bruggen naar andere gebieden te benutten.

BENADRUKT DAT VOOR JEUGDWERK HET VOLGENDE VEREIST IS:

A.   Kennis en opleiding

Jeugdwerkers moeten beschikken over gespecialiseerde kennis, vaardigheden en competenties om langetermijnrelaties met jongeren, waaronder jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen, op te bouwen in elk stadium van hun proces; ook het omgaan met niet-begeleide minderjarigen vergt specifieke kennis; de kennis, methoden en opleiding moeten stoelen op intercultureel bewustzijn en reflectie en moeten voortdurend worden geëvalueerd en geactualiseerd naargelang de veranderende behoeften en percepties.

B.   Een stabiel kader en stabiele ruimten

Een stabiel kader van wettelijke rechten, duurzame ruimten en middelen, volgens de lokale, regionale en nationale kwaliteitsnormen voor jeugdwerk; hieronder moeten ook veilige plekken worden begrepen, evenals mogelijkheden tot participatie aan inclusieve vormen van jeugdwerk voor jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen;

C.   Maatregelen

Maatregelen om jongeren, waaronder jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen, de kans te geven en te stimuleren om autonoom te worden en actief op democratische wijze deel te nemen aan beleidsvorming;

D.   Netwerkvorming en onderzoek

Diverse vormen van thematisch gerichte, sectoroverschrijdende contacten en uitwisseling tussen jeugdwerkers en jonge belanghebbenden zijn van essentieel belang, zowel via directe persoonlijke contacten als online. Om tot steeds betere methoden en aanverwante maatregelen te komen, is onpartijdige kwaliteitsvolle informatie nodig over de behoeften van de doelgroep en de ontwikkelingen op het beleidsdomein.

VERZOEKT DE LIDSTATEN, MET INACHTNEMING VAN DE SUBSIDIARITEIT, EN IN VOORKOMEND GEVAL MET INBEGRIP VAN DE REGIONALE EN LOKALE NIVEAUS, OM

A.   „Kennis en opleiding” te verbeteren door

1.

het in kaart brengen en verspreiden van voorbeelden van goede praktijken uit verschillende sectoren die zich bezighouden met jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen, aan te moedigen, waarbij wordt erkend dat deze goede praktijken ertoe bijdragen conflicten te voorkomen;

2.

jeugdwerkers uit te rusten met adequate instrumenten voor informatie en opleiding over onder meer mensenrechten, rechtskaders voor nationale en lokale migratie- en asielprocedures, toepasselijke talen, andere lokale culturen, interculturele dialoog, emotionele gezondheid en welzijn, alsmede over veiligheid, beveiliging en informatie over de toegang tot psychologische ondersteuning voor jongeren en jeugdwerkers enz.;

3.

informatie te verstrekken over positieve verhalen van integratieprocessen en initiatieven inzake nieuwe rolmodellen, waarbij wordt erkend dat integratie begint op de dag van aankomst en het om een tweerichtingsproces gaat voor jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen en voor hun gastgemeenschap. Het „informatieproces vanaf dag één” kan beginnen met onderwerpen die verband houden met Europese waarden, mensenrechten, democratische waarden en gendergelijkheid;

4.

te voorzien in passende mogelijkheden voor peer training en peer coaching voor jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen, alsmede voor jeugdwerkers;

5.

ervoor te zorgen dat jeugdwerkers veerkracht kunnen opbouwen (zowel die van hen als die van de doelgroepen) en, wat betreft het verbeteren van hun welzijn en geestelijke gezondheid, dat gemakkelijker toegang wordt verschaft tot psychologische basisondersteuning voor jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen, alsmede voor jeugdwerkers;

6.

jeugdwerkers op te leiden in het faciliteren van een interculturele dialoog op voet van gelijkheid tussen de plaatselijke bevolking en jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen; daartoe behoren vaardigheden om met moeilijke gesprekken om te gaan op een ondersteunende en respectvolle manier en om de escalatie van conflicten te vermijden of deze op te lossen met democratische methoden;

7.

manieren te verkennen waarop formele en/of niet-formele opleiding kan worden aangepakt voor jeugdwerkers die actief werken met jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen; succesvolle participatie moet leiden tot een vorm van erkenning/certificering.

B.   „Een stabiel kader en stabiele ruimten” te verschaffen en uit te breiden door

8.

alle soorten jeugdwerk te ondersteunen, met als doel jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen te bereiken, hen toegang te verschaffen tot activiteiten van het maatschappelijk middenveld en hen waar mogelijk actief als gelijken te laten participeren;

9.

steun en zichtbaarheid te verlenen aan bestaande jeugdorganisaties of jongereninitiatieven die worden geleid door jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen die actief zijn in succesvolle integratieprocessen;

10.

netwerken uit te bouwen tussen bestaande jeugdorganisaties, jeugdverenigingen en diensten die reeds goede contacten, kennis en expertise hebben op het gebied van werken met jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen, en door een netwerk van betrokken actoren tot stand te brengen;

11.

ervoor te zorgen dat jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen actief kunnen participeren aan alle bestaande lokale, regionale, nationale en Europese jeugdprogramma’s;

12.

steun te verlenen aan de organisatie van plaatselijke evenementen en projecten waar de capaciteiten en talenten van de plaatselijke bevolking (ongeacht de achtergrond ervan) onder de aandacht worden gebracht;

13.

jeugdwerkstructuren in te staat te stellen om, waar dat mogelijk en passend is, op te treden als ondersteunende schakel tussen overheidsdiensten, de plaatselijke bevolking en jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen. Daartoe moeten de instanties op het verantwoordelijke niveau:

a)

programma’s, acties en projecten stimuleren die vooroordelen en stereotypen bestrijden en mogelijke angst onder de plaatselijke bevolking ondervangen;

b)

interculturele en interreligieuze dialoog bevorderen door hieraan steun te verlenen en de zichtbaarheid ervan te vergroten;

c)

„goed nieuws” en positieve verhalen onder de aandacht brengen;

d)

voorzien in programma’s, acties en projecten die zorgen voor meer vertrouwdheid met de cultuur, de waarden en de gewoonten van de plaatselijke gastgemeenschappen, enerzijds, en met de regio’s van herkomst van de jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen, anderzijds;

e)

veilige ruimten tot stand brengen waar de plaatselijke gemeenschap, met inbegrip van jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen, in een respectvolle dialoog kunnen treden om discriminatie, vreemdelingenhaat en racistisch en antisemitisch gedachtegoed aan te pakken, te voorkomen en/of te bestrijden. Waar passend kan aan de activiteiten van deze veilige ruimten ruchtbaarheid worden gegeven door middel van informatie- en communicatiemedia;

f)

de bijdragen van alle bij het proces betrokken actoren (zowel overheidsinstanties als niet-gouvernementele organisaties of privéinitiatieven) steunen en erkennen;

14.

veilige en kind- en jeugdvriendelijke ruimten tot stand brengen binnen de opvangstructuren of opvangcentra voor vluchtelingen, rekening houdend met de belangen van de kinderen en jongeren. De werking van deze ruimten moet worden overgelaten aan jeugdwerkers met passende vaardigheden om samen te werken met professionals uit andere sectoren, zodat het opdoen van kennis over de regels en waarden van de nieuwe gastgemeenschappen en over de behoeften en achtergrond van jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen vanaf dag één kan beginnen;

C.   „Beleidsmaatregelen” versterken door

15.

waar passend strategieën en kaders te ontwikkelen voor de empowerment en integratie van jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen, zodat zij actieve leden van de samenleving kunnen worden, ook door hen in staat te stellen en te ondersteunen om jeugdwerkers te worden; daartoe kan worden voorzien in opleidingsmogelijkheden op het gebied van democratische waarden, gendergelijkheid en deelname aan de samenleving, alsmede in toegang tot actieve sociale en politieke participatie. In de opleiding moet worden stilgestaan bij de overeenkomsten en verschillen tussen het systeem en de waarden van het gastland en het systeem en de waarden van het land van herkomst;

16.

werk te maken van een duidelijk samenwerkingskader voor de verschillende sectoren die deel uitmaken van het integratieproces; dat kader definieert en erkent ondubbelzinnig de rol van en de synergie tussen alle betrokken sectoren, met inbegrip van maatschappelijke organisaties voor jongeren die worden geleid door jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen;

D.   Investeren in „netwerkvorming en onderzoek” door

17.

steun te verlenen aan de instelling van een dialoog tussen jeugdwerkers en andere professionals met verschillende achtergronden en uit diverse sectoren, die met jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde langen in contact treden, om belangrijke problemen en kansen op het gebied van samenwerking in kaart te brengen en na te gaan welke rol jeugdwerk kan spelen bij capaciteitsopbouw binnen deze beleidsdomeinen, waarbij ervoor wordt gezorgd dat jeugdwerk gescheiden blijft van de handhaving van besluiten inzake de juridische status;

18.

sectoroverschrijdende netwerken, partnerschappen en seminars of conferenties tot stand te brengen, waar beleidsmakers uit verschillende sectoren, jeugdwerkers en jongeren, onder wie jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen, elkaar kunnen ontmoeten en met elkaar in dialoog kunnen gaan;

19.

steun te verlenen aan onderzoeksprojecten en empirisch onderbouwd jeugdwerk op migratiegebied;

VERZOEKT DE EUROPESE COMMISSIE OM

A.   „Kennis en opleiding” te verbeteren door

1.

informatie- en opleidingsbehoeften binnen de Europese jeugdwerksector in kaart te brengen en mogelijkheden te bieden voor het uitwisselen (via persoonlijk contact en online) van informatie of ervaringen op Europees niveau over onder meer mensenrechten- en asielvraagstukken, interculturele dialoog, toepasselijke talen en het opbouwen van veerkracht;

2.

te zorgen voor meer mogelijkheden voor peer counseling, onderricht en opleiding van jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen alsmede van jeugdwerkers met verschillende achtergronden, door toegang te verlenen tot talenonderwijs en empowerment, en tot formeel, niet-formeel en informeel leren en mobiliteitsprogramma’s;

3.

door te gaan met het detecteren, ondersteunen en verspreiden op Unieniveau van bestaande en innovatieve instrumenten, methoden en voorbeelden van goede jeugdwerkpraktijken in alle sectoren die zich bezighouden met migratiezaken;

B.   „Een stabiel kader en stabiele ruimten” te verschaffen en uit te breiden door

4.

stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen deelnemen aan bestaande en toekomstige Europese programma’s;

5.

door te gaan met het bevorderen en ondersteunen van sectoroverschrijdende partnerschappen en initiatieven, met name tussen aanbieders van jeugdwerk, onderwijs- en opleidingsinstellingen, sociale en werkgelegenheidsdiensten, en sociale partners die jongeren, onder wie jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen, ondersteunen bij het verwerven en ontwikkelen van levensvaardigheden;

C.   „Beleidsmaatregelen” versterken door

6.

door te gaan met het bevorderen en steunen van een sectoroverschrijdende aanpak om jongeren, onder wie jonge vluchtelingen en onderdanen van derde landen, te ondersteunen bij het ontplooien van hun talenten en bij het verwerven en ontwikkelen van de competenties die nodig zijn om een geslaagde overgang naar volwassenheid, actief burgerschap en het beroepsleven te vergemakkelijken;

7.

beschikbare informatie te verstrekken over gevallen waarin de huidige levensomstandigheden van jongeren, met name van jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen, niet zouden stroken met het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en indien nodig maatregelen voor te stellen om de situatie te verbeteren;

D.   Investeren in „netwerkvorming en onderzoek” door

8.

de steun voor sectoroverschrijdende dialoog en netwerkmogelijkheden op Europees niveau (online hulpmiddelen, seminars, conferenties) op te voeren om capaciteitsopbouw onder jeugdwerkers, stakeholders en collega’s op het gebied van migratiezaken mogelijk te maken;

9.

gebruik te maken van de instrumenten voor dialoog op EU-niveau (zoals de EU-strategie voor jongeren en de EU-jeugddialoog als omschreven in de mededeling van de Commissie over „Jongeren betrekken, verbinden en versterken”), met als doel mogelijkheden te creëren voor uitwisseling en samenwerking van stakeholders op migratiegebied;

10.

steun te verlenen aan onderzoek en instrumenten voor gegevensevaluatie op Europees niveau ten behoeve van empirisch onderbouwd jeugdwerk op migratiegebied.

(1)  PB C 115 van 9.5.2008. Zie artikel 165, lid 2 (oud artikel 149 VEG).

(2)  PB C 115 van 9.5.2008. Zie artikel 79, lid 4 (oud artikel 63, leden 3 en 4, VEG).

(3)  PB C 364 van 18.12.2000, blz. 1

(4)  PB C 311 van 19.12.2009.

(5)  PB C 417 van 15.12.2015, blz. 1.

(6)  Europa 2020-strategie, 3.3.2010.

(7)  PB C 202 van 7.6.2016, blz. 389.

(8)  Verklaring van Parijs, 17 maart 2015, http://ec.europa.eu/education/news/20150316-paris-education_en

(9)  https://rm.coe.int/1680702b6e

(10)  COM(2016) 377 final, 7.6.2016.

(11)  COM(2017) 211 final, 12.4.2017.

(12)  Doc. 7775/17, 3.4.2017.

(13)  „Jeugdwerker” in de zin van Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van „Erasmus +”: het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50).

(14)  Overeenkomstig de resolutie van de Raad over een nieuw kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken (november 2009) (PB C 311 van 19.12.2009, blz. 1).

(15)  Council of Europe, Standards of Youth Work, https://www.coe.int/en/web/youth/youth-work1

(16)  „Jonge vluchtelingen en andere onderdanen van derde landen” moeten in het kader van deze Raadsconclusies en in de context van migratie- en vluchtelingenaangelegenheden worden begrepen als jonge vrouwen en mannen die hoogstens 30 jaar oud zijn en legaal in een EU-lidstaat verblijven.

(17)  PB C 327 van 4.12.2010, blz. 1.

(18)  www.ed.ac.uk/education/rke/making-a-difference/understanding-value-of-universal-youth-work

(19)  www.ed.ac.uk/education/rke/making-a-difference/understanding-value-of-universal-youth-work

(20)  Overeenkomstig de National Occupational Standards for Youth Work Scotland, Lifelong Learning UK (nationale beroepsnormen voor jeugdwerk Schotland, een leven lang leren VK), www.youthworkessentials.org/up-running/what-is-youth-work.aspx

(21)  National Occupational Standards for Youth Work Scotland, Lifelong Learning UK (nationale beroepsnormen voor jeugdwerk Schotland, een leven lang leren VK) www.youthworkessentials.org/up-running/what-is-youth-work.aspx


Europese Commissie

7.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 441/11


Wisselkoersen van de euro (1)

6 december 2018

(2018/C 441/04)

1 euro =


 

Munteenheid

Koers

USD

US-dollar

1,1351

JPY

Japanse yen

128,04

DKK

Deense kroon

7,4635

GBP

Pond sterling

0,88930

SEK

Zweedse kroon

10,2355

CHF

Zwitserse frank

1,1304

ISK

IJslandse kroon

138,40

NOK

Noorse kroon

9,7028

BGN

Bulgaarse lev

1,9558

CZK

Tsjechische koruna

25,890

HUF

Hongaarse forint

323,75

PLN

Poolse zloty

4,2881

RON

Roemeense leu

4,6548

TRY

Turkse lira

6,0947

AUD

Australische dollar

1,5745

CAD

Canadese dollar

1,5229

HKD

Hongkongse dollar

8,8669

NZD

Nieuw-Zeelandse dollar

1,6517

SGD

Singaporese dollar

1,5560

KRW

Zuid-Koreaanse won

1 273,03

ZAR

Zuid-Afrikaanse rand

15,9797

CNY

Chinese yuan renminbi

7,8239

HRK

Kroatische kuna

7,3965

IDR

Indonesische roepia

16 481,65

MYR

Maleisische ringgit

4,7271

PHP

Filipijnse peso

60,012

RUB

Russische roebel

75,9421

THB

Thaise baht

37,282

BRL

Braziliaanse real

4,4370

MXN

Mexicaanse peso

23,3643

INR

Indiase roepie

80,4950


(1)  Bron: door de Europese Centrale Bank gepubliceerde referentiekoers.


7.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 441/12


Advies van het Adviescomité voor concentraties, uitgebracht op zijn bijeenkomst van 20 juni 2018, betreffende een ontwerpbesluit in zaak M.8451 — Tronox/Cristal

Rapporteur: Slovenië

(2018/C 441/05)

Werking

1.

Het Adviescomité (zeven lidstaten) is het met de Commissie eens dat de aangemelde transactie een concentratie vormt in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening.

Productmarkten en geografische markten

2.

Het Adviescomité (zeven lidstaten) is het eens met de relevante productmarkten en geografische markten zoals de Commissie die in haar ontwerpbesluit heeft afgebakend, met name:

2.1.

titaandioxidepigment op basis van chloride voor gebruik in papierlaminaat;

2.2.

titaandioxidepigment voor gebruik in massatoepassingen;

2.3.

titaniumgrondstoffen, en

2.4.

zirkoon.

Beoordeling uit mededingingsoogpunt

3.

Het Adviescomité (zeven lidstaten) is het eens met de beoordeling van de Commissie dat het waarschijnlijk is dat de aangemelde transactie, zoals oorspronkelijk voorgesteld door de aanmeldende partij, aanleiding zal geven tot niet-gecoördineerde horizontale effecten die de daadwerkelijke mededinging op de EER-markt voor titaandioxidepigment op basis van chloride voor gebruik in papierlaminaat op significante wijze zouden belemmeren.

4.

Het Adviescomité (zeven lidstaten) is het eens met de beoordeling van de Commissie dat het niet waarschijnlijk is dat de aangemelde transactie aanleiding zal geven tot horizontale effecten die de daadwerkelijke mededinging op significante wijze zouden belemmeren in de volgende betrokken markten:

4.1.

de EER-markt of markten voor titaandioxidepigment voor gebruik in massatoepassingen (coatings en kunststoffen);

4.2.

de wereldmarkt voor titaniumgrondstoffen voor het chlorideproces;

4.3.

de wereldmarkt voor chloride-ilmeniet;

4.4.

de wereldmarkt voor natuurlijk rutiel;

4.5.

de wereldmarkt voor leucoxeen, en

4.6.

de wereldmarkt of de EER-markt voor zirkoon.

5.

Het Adviescomité (zeven lidstaten) is het eens met de beoordeling van de Commissie dat het niet waarschijnlijk is dat de aangemelde transactie aanleiding zal geven tot niet-horizontale effecten die de daadwerkelijke mededinging op significante wijze zouden belemmeren in de markten die gevolgen ondervinden van de volgende verticale verbindingen:

5.1.

de EER-markt voor titaandioxidepigment op basis van chloride voor gebruik in papierlaminaat en de wereldmarkt of de EER-markt voor titaniumgrondstoffen voor het chlorideproces;

5.2.

de wereldmarkt voor leucoxeen en elk van de plausibele EER-markten voor titaandioxidepigment, en

5.3.

de wereldmarkt voor chloride-ilmeniet en elk van de plausibele EER-markten voor titaandioxidepigment.

Toezeggingen

6.

Het Adviescomité (zeven lidstaten) is het eens met de beoordeling door de Commissie dat de mededingingsbezwaren van de Commissie met betrekking tot de EER-markt voor titaandioxidepigment op basis van chloride voor gebruik in papierlaminaat worden weggenomen door de definitieve toezeggingen die de aanmeldende partij op 1 juni 2018 heeft gedaan.

Verenigbaarheid met de interne markt

7.

Het Adviescomité (zeven lidstaten) is het met de Commissie eens dat de aangemelde transactie dan ook overeenkomstig artikel 2, lid 2, en artikel 8, lid 2, van de concentratieverordening en artikel 57 van de EER-overeenkomst verenigbaar moet worden verklaard met de interne markt en de werking van de EER-overeenkomst.

7.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 441/13


Eindverslag van de raadadviseur-auditeur (1)

(M.8451 — Tronox/Cristal)

(2018/C 441/06)

Inleiding

1.

Op 15 november 2017, na een verwijzing overeenkomstig artikel 4, lid 5, van Verordening (EG) nr. 139/2004 (hierna „de concentratieverordening” genoemd), ontving de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie overeenkomstig artikel 4 van de concentratieverordening waarbij Tronox Limited (hierna „Tronox” of „de aanmeldende partij” genoemd) zeggenschap verkrijgt, in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening, over de titaandioxideactiviteiten van The National Titanium Dioxide Company Ltd (hierna „Cristal” genoemd) door de verwerving van aandelen (hierna „de voorgestelde transactie” genoemd). Voor de doeleinden van dit eindverslag worden Tronox en Cristal gezamenlijk „de partijen” genoemd.

Procedure

2.

In fase I van het onderzoek door de Commissie rees ernstige twijfel over de verenigbaarheid van de voorgestelde transactie met de interne markt en met de werking van de EER-markt. Op 20 december 2017 stelde de Commissie een besluit vast tot inleiding van de procedure van artikel 6, lid 1, onder c), van de concentratieverordening, waarop Tronox op 8 januari 2018 reageerde.

3.

Op 19 januari 2018 besloot de Commissie, op verzoek van Tronox, de termijn voor het nemen van een definitief besluit in deze zaak te verlengen met tien werkdagen.

4.

Op 22 februari 2018 stelde de Commissie een besluit vast overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de concentratieverordening en artikel 9, lid 1, van Verordening (EG) nr. 802/2004 van de Commissie tot opschorting van de in artikel 10, lid 3, van de concentratieverordening bedoelde termijn per 20 februari 2018. De opschorting van de termijn kwam op 27 februari 2018 te vervallen, nadat de aanmeldende partij de verlangde informatie had ingediend.

5.

Op 14 maart 2018 organiseerde de Commissie een vergadering over de stand van zaken om de aanmeldende partij in kennis te stellen van de voorlopige resultaten van het marktonderzoek tijdens fase II.

6.

Op 16 maart 2018 stelde de Commissie een mededeling van punten van bezwaar vast, die op diezelfde datum aan de aanmeldende partij ter kennis werd gebracht. Volgens de mededeling van punten van bezwaar zou de voorgestelde transactie de mededinging op significante wijze belemmeren in de zin van artikel 2, lid 3, van de concentratieverordening en artikel 57 van de EER-overeenkomst: i) in de EER-markt voor titaandioxidepigment op basis van chloride voor gebruik in papierlaminaat als gevolg van niet-gecoördineerde effecten; ii) in de EER-markt voor rutieltitaandioxidepigment voor gebruik in coatings en kunststoffen (en de mogelijke ondersegmenteringen), en iii) in de EER-markt voor titaandioxidepigment op basis van chloride voor gebruik in papierlaminaat als gevolg van gecoördineerde effecten. De voorlopige conclusie van de Commissie was bijgevolg dat de aangemelde concentratie niet verenigbaar was met de interne markt en de werking van de EER-overeenkomst.

7.

Op 19 maart 2018 kreeg de aanmeldende partij toegang tot het dossier, en vervolgens op continue basis.

8.

Na die datum stelde de aanmeldende partij bij diverse e-mails aan het directoraat-generaal Concurrentie (hierna „DG Concurrentie” genoemd) vragen over aanvullende toegang tot bepaalde documenten in het dossier van de Commissie. Na klachten van de aanmeldende partij over onvoldoende toegang verleende DG Concurrentie aanvullende toegang tot enkele van de documenten in kwestie.

9.

Op 16 april 2018 ontving ik een e-mail van de partijen waarbij zij mij attendeerden op de rechten van verdediging en mij in het bijzonder verzochten, op grond van artikel 7 van het mandaat, om aanvullende toegang tot bepaalde specifieke informatie. In reactie hierop, in eerste instantie, verzocht ik DG Concurrentie het verzoek van de partijen (opnieuw) tegen het licht te houden. Op 18 april 2018 verstrekte DG Concurrentie aanvullende toegang tot een deel van de gevraagde informatie en op 25 april 2018 informeerden de partijen mij dat zij niet langer aandrongen op toegang tot het resterende deel van de door hen verlangde informatie.

10.

Twee ondernemingen, beide klanten van Tronox en Cristal, zijn door mij toegelaten tot deze procedure als belanghebbende derden. Beide belanghebbende derden ontvingen een niet-vertrouwelijke versie van de mededeling van punten van bezwaar en een termijn waarbinnen zij hun opmerkingen konden indienen.

11.

Op 10 april 2018 werd een formele hoorzitting gehouden in aanwezigheid van de partijen en hun externe juridisch en economisch adviseurs, de betrokken diensten van de Commissie, vertegenwoordigers van de mededingingsautoriteiten van drie lidstaten (België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk) en vertegenwoordigers van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA. Geen van beide tot deze procedure toegelaten belanghebbende derden nam deel aan de formele hoorzitting.

12.

Op 24 april 2018 verlengde de Commissie, op verzoek van de aanmeldende partij, de termijn voor het nemen van haar definitieve besluit met tien werkdagen om remediërende besprekingen mogelijk te maken.

Ontwerpbesluit

13.

Op 16 mei 2018 diende de aanmeldende partij een eerste reeks toezeggingen in. Om die reden werd de beoordelingstermijn verder verlengd overeenkomstig artikel 10, lid 3, eerste alinea, van de concentratieverordening. Op basis van de uit de marktonderzoek van deze toezeggingen verkregen feedback diende de aanmeldende partij op 1 juni 2018 een definitieve reeks toezeggingen in (hierna „de definitieve toezeggingen” genoemd).

14.

In het ontwerpbesluit concludeert de Commissie dat de voorgestelde transactie de mededinging in de EER-markt voor titaandioxidepigment op basis van chloride voor gebruik in papierlaminaat op significante wijze zou belemmeren in de zin van artikel 2, lid 3, van de concentratieverordening en artikel 57 van de EER-overeenkomst als gevolg van niet-gecoördineerde effecten. In het ontwerpbesluit wordt geoordeeld dat de definitieve toezeggingen toereikend en geschikt zijn om de significante belemmeringen van de daadwerkelijke mededinging waartoe de voorgestelde transactie zou leiden, weg te nemen. De definitieve toezeggingen maken de voorgestelde transactie derhalve verenigbaar met de interne markt en de EER-overeenkomst.

15.

Overeenkomstig artikel 16, lid 1, van Besluit 2011/695/EU heb ik het ontwerpbesluit onderzocht en kom ik tot de conclusie dat dit uitsluitend punten van bezwaar betreft ten aanzien waarvan de partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunt kenbaar te maken.

Conclusie

16.

Ik concludeer dat de partijen hun procedurele rechten in deze zaak daadwerkelijk hebben kunnen uitoefenen.

Brussel, 22 juni 2018.

Joos STRAGIER


(1)  Krachtens de artikelen 16 en 17 van Besluit 2011/695/EU van de voorzitter van de Europese Commissie van 13 oktober 2011 betreffende de functie en het mandaat van de raadadviseur-auditeur in bepaalde mededingingsprocedures (PB L 275 van 20.10.2011, blz. 29) (hierna „het mandaat” genoemd).


7.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 441/15


Samenvatting van het besluit van de Commissie

van 4 juli 2018

waarbij een concentratie verenigbaar wordt verklaard met de interne markt en met de werking van de EER-overeenkomst

(Zaak M.8451 — Tronox/Cristal)

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2018) 4120)

(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2018/C 441/07)

Op 4 juli 2018 heeft de Commissie een besluit vastgesteld met betrekking tot een concentratiezaak op grond van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (1), en met name artikel 8, lid 2, van die verordening. Een niet-vertrouwelijke versie van de volledige tekst van het besluit in de authentieke taal van de zaak is te vinden op de website van het directoraat-generaal Concurrentie, op het volgende adres: http://ec.europa.eu/competition/index_en.html

I.   DE PARTIJEN

(1)

Op 15 november 2017, na een verwijzing overeenkomstig artikel 4, lid 5, van Verordening nr. 139/2004 (hierna „de concentratieverordening” genoemd), ontving de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie overeenkomstig artikel 4 van die verordening die voortvloeit uit een overeenkomst waarbij Tronox Limited (hierna „Tronox” genoemd, Australië), in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening volledige zeggenschap verkrijgt over de titaandioxideactiviteiten van The National Titanium Dioxide Company Ltd (hierna „Cristal” genoemd, Saudi-Arabië) door de verwerving van aandelen (hierna „de transactie” genoemd) (2). Tronox wordt in deze samenvatting ook aangeduid als „de aanmeldende partij”, en Tronox en Cristal worden samen „de partijen” genoemd. De onderneming die zou resulteren uit de transactie wordt „de gefuseerde entiteit” genoemd.

(2)

Tronox is actief in de winning van anorganische mineralen, waaronder titaniumgrondstoffen en zirkoon, en in de productie van titaandioxidepigment. De onderneming heeft twee hoofddivisies: i) titaandioxidepigment, en ii) elektrolytische en speciale chemicaliën, waarvan alleen de eerste relevant is voor de transactie. Tot 1 september 2017 was Tronox ook actief op het gebied van alkalichemicaliën, maar die activiteiten zijn inmiddels verkocht aan Genesis Energy LP. Tronox heeft een beursnotering aan de New York Stock Exchange. De grootste aandeelhouder van Tronox, Exxaro, heeft geen zeggenschap over de onderneming.

(3)

Ook Cristal is actief in de winning van titaniumgrondstoffen en zirkoon en in de productie van titaandioxidepigment. Cristal is een particuliere onderneming waarin Tasnee (een beursgenoteerde Saudi-Arabische naamloze vennootschap), Gulf Investment Corporation (een vennootschap die eigendom is van de zes staten van de Samenwerkingsraad van de Golf) en een particuliere persoon aandelen hebben.

(4)

Tronox en Cristal zijn twee van de vijf grootste mondiaal opererende producenten van titaandioxidepigment. Beide ondernemingen zijn ook eigenaar van mineraalzandmijnen, waaruit zij de titaniumgrondstoffen voor gebruik in de productie van titaandioxidepigment winnen. De ondernemingen zijn derhalve verticaal geïntegreerd en verkopen ook titaniumgrondstoffen aan zowel andere producenten van titaandioxidepigment als aan andere industrieën waarin titaniumgrondstoffen worden gebruikt.

II.   DE TRANSACTIE

(5)

De transactie zou worden uitgevoerd in de vorm van een aandelenoverdracht na een interne reorganisatie van Cristal. Als gevolg van de transactie zou Tronox de uitsluitende zeggenschap verkrijgen over de titaandioxideactiviteiten van Cristal. Daarom zou deze transactie leiden tot een concentratie in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening.

(6)

De transactie heeft geen Uniedimensie in de zin van artikel 1 van de concentratieverordening. In overeenstemming met artikel 4, lid 5, van de concentratieverordening heeft de aanmeldende partij echter verzocht om verwijzing naar de Commissie omdat de zaak volgens de aanmeldende partij vatbaar was voor toetsing krachtens de nationale mededingingswetgeving van ten minste drie lidstaten. De aanmeldende partij diende op 29 maart 2017 een gemotiveerde kennisgeving in, die door de Commissie op dezelfde dag werd doorgezonden aan alle lidstaten. Geen enkele lidstaat gaf binnen 15 werkdagen te kennen het niet eens te zijn met het verzoek. De concentratie wordt daarom geacht een Uniedimensie te hebben en moet overeenkomstig artikel 4, lid 5, van de concentratieverordening worden aangemeld.

III.   PROCEDURE

(7)

Op 20 december 2017 kwam de Commissie, gezien de resultaten van het fase I-marktonderzoek (3), tot de conclusie dat de transactie ernstige twijfel opriep over de verenigbaarheid ervan met de interne markt en de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna „de EER-overeenkomst” genoemd) in verband met de verschillende markten voor titaandioxidepigment en besloot zij de procedure van artikel 6, lid 1, onder c), van de concentratieverordening in te leiden (4).

(8)

Tijdens het diepgaande (fase II-)marktonderzoek verzond de Commissie een tweede ronde aan meer gerichte vragenlijsten aan de concurrenten van de partijen die ook actief zijn in de productie van titaandioxidepigment en aan klanten die titaandioxidepigment kopen voor de vervaardiging van coatings, kunststoffen en papierlaminaat. Daarnaast hield de Commissie videoconferenties met de grootste concurrenten van de partijen en met een aantal belangrijke klanten in elk van de drie brede eindgebruikdomeinen.

(9)

Op 16 maart 2018 zond de Commissie de aanmeldende partij een mededeling van punten van bezwaar toe, waarin zij haar zorgen uiteenzette.

IV.   SAMENVATTING VAN DE BEOORDELING

(10)

De activiteiten van de partijen overlappen elkaar op het gebied van de productie van titaandioxidepigment, de winning van titaniumgrondstoffen en de productie van zirkoon. De conclusie van de Commissie voor alle drie de gebieden wordt hieronder samengevat.

1.   Titaandioxidepigment

1.1.   Marktomschrijvingen

(11)

Titaandioxide is een anorganische chemische stof die wordt gebruikt om allerlei industriële en consumentengoederen dekkender, helderder en witter te maken. De stof wordt gebruikt in een brede waaier aan eindtoepassingen. Titaandioxide kan een van twee verschillende kristallijne vormen hebben: rutiel en anataas. Anataastitaandioxide kan alleen worden geproduceerd door middel van het sulfaatproces, terwijl rutieltitaandioxide kan worden geproduceerd door middel van zowel het sulfaatproces als het chlorideproces. De overlappingen tussen de activiteiten van de partijen hebben uitsluitend betrekking op rutieltitaandioxide, omdat Tronox voor de productie van titaandioxidepigment alleen het chlorideproces toepast, hetgeen impliceert dat Tronox geen anataastitaandioxidepigment kan produceren.

(12)

De Commissie is in algemene zin van oordeel dat het passend kan zijn om de markt voor de productie van titaandioxidepigment te segmenteren op basis van: i) de kristallijne vorm; ii) het productieproces, en/of iii) de eindtoepassing waarin het titaandioxidepigment wordt gebruikt.

(13)

De Commissie concludeert dat er een afzonderlijke markt voor titaandioxidepigment op basis van chloride voor gebruik in papierlaminaat bestaat, aangezien de in papierlaminaat gebruikte titaandioxidepigmentkwaliteiten verschillen van de pigmentkwaliteiten die in andere toepassingen worden gebruikt (zowel massatoepassingen als andere, speciale toepassingen). Daarnaast vormen de op sulfaat gebaseerde pigmentkwaliteiten die zijn bestemd voor gebruik in papierlaminaat geen bevredigend substituut voor op de chloride gebaseerde kwaliteiten, en aan de aanbodzijde is er geen substitueerbaarheid tussen de pigmentkwaliteiten op basis van chloride en de pigmentkwaliteiten op basis van sulfaat.

(14)

De Commissie concludeert bovendien dat er een afzonderlijke markt voor titaandioxidepigment voor gebruik in massatoepassingen bestaat, namelijk de markt voor pigment voor eindtoepassingen in coatings en kunststoffen. Op basis van al het beschikbare bewijs concludeert de Commissie voorts dat zowel de op chloride als de op sulfaat gebaseerde titaandioxidepigmentkwaliteiten in rutielvorm voor gebruik in massatoepassingen behoren tot een en dezelfde productmarkt. De vraag of afzonderlijke engere markten kunnen worden omschreven op basis van de eindtoepassing (binnen massatoepassingen) kan worden opengelaten, daar dit geen gevolgen heeft voor de uitkomst van de beoordeling uit mededingingsoogpunt.

(15)

De Commissie concludeert dat alle relevante markten voor titaandioxidepigment en de potentiële subsegmenten de hele EER omvatten.

1.2.   Beoordeling uit mededingingsoogpunt

(16)

De Commissie is van oordeel, op basis van de resultaten van haar marktonderzoek en de overige informatie waarover zij beschikt, dat de aangemelde concentratie de daadwerkelijke mededinging in de EER op de markt voor titaandioxidepigment op basis van chloride voor gebruik in papierlaminaat op significante wijze zou belemmeren als gevolg van de vermindering van het aantal concurrenten dat op die markt actief is van vier naar drie. De transactie zou aanzienlijke concurrentiedruk doen wegvallen en twee nauwe concurrenten samenbrengen in een reeds in hoge mate geconcentreerde markt die wordt gekenmerkt door de behoefte van afnemers om bij meerdere leveranciers te kunnen inkopen, het feit dat het vermogen van leveranciers om de prijzen te verhogen wordt beschermd door de moeilijkheden waarmee afnemers worden geconfronteerd als zij van leverancier willen veranderen, en de hoge barrières voor toetreding en expansie. Voorts wijst de Commissie op het gebrek aan kopersmacht van afnemers, het gebrek aan concurrentiedruk uit naburige markten voor pigmenten op basis van sulfaat en de waarschijnlijke negatieve effecten van de concentratie wat betreft een potentiële portefeuillerationalisatie.

(17)

De Commissie concludeert tevens dat de aangemelde concentratie in geen enkele markt of submarkt voor titaandioxidepigment voor gebruik in massatoepassingen de daadwerkelijke mededinging op significante wijze zou belemmeren. De gefuseerde entiteit zal niet de grootste speler in deze markten worden en de reacties van afnemers in het marktonderzoek van de Commissie bevestigen dat er meerdere sterke leveranciers van alternatieven voor de producten van de partijen zijn.

(18)

De Commissie heeft ook beoordeeld of het waarschijnlijk is dat de transactie zou leiden tot gecoördineerde effecten in een of meer van de plausibele EER-markten voor titaandioxidepigment, omdat de betrokken markten bepaalde kenmerken hebben die de kans op marktcoördinatie groter maken. De Commissie heeft echter onvoldoende bewijs gevonden om te concluderen dat het waarschijnlijk is dat de transactie aanleiding zou geven tot coördinatie tussen de resterende grote leveranciers van titaandioxidepigment. Met name kan niet worden aangetoond dat er een duidelijk centraal punt bestaat dat leveranciers zouden kunnen gebruiken om hun gedrag te coördineren.

1.3.   Efficiëntieverbeteringen

(19)

De aanmeldende partij stelt dat de concentratie zal resulteren in aanzienlijke efficiëntieverbeteringen, die groter zijn dan de mogelijke negatieve effecten.

(20)

De Commissie heeft alle door de aanmeldende partij aangevoerde argumenten grondig beoordeeld en is niet tot de slotsom gekomen dat de aangemelde concentratie zou leiden tot efficiëntieverbeteringen die EER-afnemers op de markt voor titaandioxidepigment op basis van chloride voor gebruik in papierlaminaat betekenisvolle voordelen zou verschaffen. Bovendien zijn ook de door de aanmeldende partij aangevoerde efficiëntieverbeteringen die voortvloeien uit de resulterende capaciteitsuitbreiding, de toegenomen productie van titaniumgrondstoffen en de verlaging van de variabele kosten onvoldoende verifieerbaar en/of onvoldoende specifiek voor de concentratie.

2.   Titaniumgrondstoffen

2.1.   Marktomschrijving

(21)

Titaniumgrondstoffen zijn mineralen die rijk zijn aan titanium en die worden gewonnen uit minerale zanden. De drie belangrijkste soorten in de natuur voorkomende titaniumgrondstoffen zijn ilmeniet, leucoxeen en rutiel. De relevante markt zou één enkele productmarkt voor alle titaniumgrondstoffen kunnen zijn, of zou kunnen worden gevormd door afzonderlijke markten die zijn afgebakend op basis van de geschiktheid van de titaniumgrondstoffen voor de verschillende productieprocessen van titaandioxidepigment (waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen titaniumgrondstoffen voor het chlorideproces en die voor het sulfaatproces) of op basis van het individuele type titaniumgrondstof. Voor de doeleinden van deze zaak kan de exacte omschrijving van de productmarkt voor titaniumgrondstoffen evenwel achterwege blijven, omdat de aangemelde concentratie geen aanleiding geeft tot mededingingsbezwaren in een van deze plausibele markten voor titaniumgrondstoffen.

(22)

Ook de exacte omschrijving van de geografische markt voor titaniumgrondstoffen kan voor de doeleinden van deze zaak worden opengelaten, aangezien de transactie geen aanleiding geeft tot mededingingsbezwaren, ongeacht of de relevante markten voor titaniumgrondstoffen beperkt zouden blijven tot de EER of groter zouden zijn.

2.2.   Beoordeling uit mededingingsoogpunt

(23)

Tronox en Cristal zijn beide actief in de winning van titaniumgrondstoffen, die zij hoofdzakelijk zelf gebruiken voor de productie van titaandioxidepigment, maar ook verkopen op de handelsmarkt.

(24)

De activiteiten van de partijen op het gebied van titaniumgrondstoffen hebben geen gevolgen voor op basis van plausibele criteria afgebakende productmarkten in de EER. Uitgaande van de alternatieve hypothese van een wereldwijde geografische markt heeft de Commissie de potentiële wereldmarkt voor titaniumgrondstoffen voor het chlorideproces en drie submarkten daarvan, namelijk i) de wereldmarkt voor chloride-ilmeniet; ii) de wereldmarkt voor natuurlijk rutiel, en ii) de wereldmarkt voor leucoxeen (5) als de betrokken markten aangemerkt.

(25)

Hoewel de gefuseerde entiteit de grootste producent van titaniumgrondstoffen voor het chlorideproces zou worden, zou er nog steeds een aantal sterke actoren in de productiemarkt actief zijn. Bovendien heeft het marktonderzoek bevestigd dat de partijen geen bijzonder nauwe concurrenten zijn. Terwijl de transactie onvermijdelijk tot het verdwijnen van een leverancier van titaniumgrondstoffen voor het chlorideproces zou leiden, lijkt noch Tronox, noch Cristal als een kritieke leverancier te worden beschouwd.

(26)

Daarom concludeert de Commissie dat het niet waarschijnlijk is dat de transactie de daadwerkelijke mededinging in de markt voor titaniumgrondstoffen op significante wijze zou belemmeren als gevolg van horizontale effecten, ongeacht de precieze marktomschrijving.

(27)

De concentratie leidt ook tot diverse verticale verbindingen, omdat beide partijen actief zijn in de downstreammarkt voor titaandioxidepigment en in de upstreammarkt voor titaniumgrondstoffen. De gecombineerde marktaandelen van de partijen zijn groter dan [30-40] % in de downstream-EER-markt voor titaandioxidepigment op basis van chloride voor gebruik in papierlaminaat en in de wereldwijde upstreammarkten voor chloride-ilmeniet en leucoxeen. De Commissie concludeert echter dat deze verbindingen niet zullen leiden tot een significante belemmering van de daadwerkelijke mededinging als gevolg van verticale effecten.

3.   Zirkoon

3.1.   Marktomschrijving

(28)

Zirkoon is een opaak, inert zirconium-mineraal dat vaak wordt gevonden in mineraalzandlagen die ilmeniet en rutiel bevatten, en wordt daarom veelal gedolven als bijproduct van deze titaniumgrondstoffen. Hoewel marktdeelnemers over het algemeen erkennen dat er een onderscheid bestaat tussen hoogwaardig zirkoon en zirkoon van standaardkwaliteit, concludeert de Commissie dat de precieze marktomschrijving in dit geval kan worden opengelaten, omdat de transactie volgens geen van de plausibele marktafbakeningen mededingingsbezwaren in deze markten creëert.

(29)

Voor de doeleinden van deze zaak kan de exacte omschrijving van de geografische markt voor zirkoon eveneens worden opengelaten tussen ofwel een wereldmarkt ofwel een markt die de hele EER omvat, aangezien de transactie volgens geen van de plausibele afbakeningen van de geografische markt mededingingsbezwaren creëert.

3.2.   Beoordeling uit mededingingsoogpunt

(30)

De gefuseerde entiteit zou in de markt voor zirkoon ruwweg een vergelijkbare omvang hebben als de huidige marktleider, Iluka. Daarnaast blijft Rio Tinto een andere grote leverancier en zijn er ook meerdere kleinere leveranciers.

(31)

Blijkens de resultaten van het marktonderzoek worden de partijen niet gezien als bijzonder nauwe concurrenten in deze markt, is er ten minste enige concurrentiedruk uit naburige markten en, belangrijker nog, zullen de resterende onafhankelijke leveranciers van zirkoon concurrentiedruk blijven uitoefenen op de gefuseerde entiteit. De Commissie stelt verder vast dat de barrières voor toetreding tot de markt voor zirkoon niet bijzonder hoog zijn. Daarom concludeert de Commissie dat de transactie niet zou leiden tot een significante belemmering van de daadwerkelijke mededinging in de markt voor zirkoon, ongeacht de exacte afbakening van de product- of de geografische markt die wordt toegepast.

V.   CORRIGERENDE MAATREGELEN

(32)

Teneinde de vastgestelde mededingingsbezwaren in de EER-markt voor titaandioxidepigment op basis van chloride voor gebruik in papierlaminaat weg te nemen, heeft de aanmeldende partij voorgesteld haar papierlaminaatkwaliteit af te stoten (hierna „de toezeggingen” genoemd).

(33)

De toezeggingen bestaan uit de volledige afstoting van de productietechnologie en afnemerscontracten voor titaandioxidepigment voor papierlaminaattoepassingen met de kwaliteit die Tronox produceert. De productieoverdracht zou plaatsvinden gedurende een overgangsperiode waarin Tronox deze kwaliteit namens de afnemer zou blijven produceren op grond van een overgangsleveringsovereenkomst. De toezeggingen omvatten ook een „voorwaardelijke bepaling inzake de koper”, die inhoudt dat de transactie niet kan worden gesloten totdat de Commissie haar goedkeuring heeft gehecht aan een geschikte koper.

(34)

De Commissie oordeelt, na de uitvoering van een marktonderzoek, dat de omvang van de af te stoten activiteiten en de voorwaarden van de overgangsovereenkomsten toereikend zijn om ervoor te zorgen dat de af te stoten activiteiten een daadwerkelijke concurrentiekracht zouden kunnen blijven, mits ze worden verworven door een geschikte koper.

(35)

In de toezeggingen wordt bepaald dat de koper bewezen expertise op het gebied van de productie van titaandioxide op basis van chloride moet hebben, over beschikbare capaciteit moet beschikken om op dezelfde schaal als Tronox titaandioxidepigment van de desbetreffende kwaliteit te produceren en een stimulans moet hebben om de activiteiten te ontwikkelen in de EER. De Commissie moet in een afzonderlijk besluit nog een geschikte koper voor de af te stoten activiteiten goedkeuren, op voordracht van de aanmeldende partij.

VI.   CONCLUSIE

(36)

Om de hierboven genoemde redenen concludeert de Commissie dat de voorgestelde concentratie als gewijzigd bij de toezeggingen en onderworpen aan specifieke voorwaarden, waaronder de aanvaarding door de Commissie van een geschikte koper van de af te stoten activiteiten, de daadwerkelijke mededinging in de interne markt of een wezenlijk deel daarvan niet op significante wijze zal belemmeren.

(37)

Bijgevolg wordt de concentratie onder bepaalde voorwaarden en verplichtingen verenigbaar verklaard met de interne markt en de werking van de EER-overeenkomst, in overeenstemming met artikel 2, lid 2, en artikel 8, lid 2, van de concentratieverordening en artikel 57 van de EER-overeenkomst.

(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.

(2)  PB C 438 van 19.12.2017.

(3)  In overeenstemming met punt 5.1 van de „Best Practices on the conduct of EU merger control proceedings” (Beste Praktijken inzake de uitvoering van concentratiecontroleprocedures door de Europese Commissie) werd de aanmeldende partij tijdens een op 6 december 2017 gehouden vergadering over de stand van zaken in kennis gesteld van de resultaten van het fase I-marktonderzoek.

(4)  In overeenstemming met de punten 45 en 46 van de „Best Practices on the conduct of EU merger control proceedings” verstrekte de Commissie op 21 december 2017 een aantal relevante documenten aan de aanmeldende partij.

(5)  Op basis van ofwel de omzet en/of de productievolumes.


7.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 441/20


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 30 november 2018

inzake de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie van een aanvraag tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van een productdossier als bedoeld in artikel 53 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad voor de naam „Vitellone Bianco dell’Appennino Centrale” (BGA)

(2018/C 441/08)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 50, lid 2, onder a), in samenhang met artikel 53, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Italië heeft overeenkomstig artikel 49, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 een aanvraag tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van „Vitellone Bianco dell’Appennino Centrale” (BGA) ingediend.

(2)

Overeenkomstig artikel 50 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft de Commissie die aanvraag onderzocht en zij heeft geconcludeerd dat is voldaan aan de in die verordening vastgestelde voorwaarden.

(3)

Met het oog op de mogelijke indiening van bezwaarschriften overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 moet de aanvraag tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier als bedoeld in artikel 10, lid 1, eerste alinea, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie (2), met inbegrip van het gewijzigde enig document en de verwijzing naar de bekendmaking van het desbetreffende productdossier, voor de geregistreerde naam „Vitellone Bianco dell’Appennino Centrale” (BGA) worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Enig artikel

De aanvraag tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier als bedoeld in artikel 10, lid 1, eerste alinea, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie, met inbegrip van het gewijzigde enig document en de verwijzing naar de bekendmaking van het desbetreffende productdossier, voor de geregistreerde naam „Vitellone Bianco dell’Appennino Centrale” (BGA) is opgenomen in de bijlage bij dit besluit.

Overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 geeft de bekendmaking van dit besluit het recht om uiterlijk drie maanden na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie bezwaar te maken tegen de in de eerste alinea van dit artikel bedoelde wijziging.

Gedaan te Brussel, 30 november 2018.

Voor de Commissie

Phil HOGAN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie van 13 juni 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 179 van 19.6.2014, blz. 36).


BIJLAGE

AANVRAAG TOT GOEDKEURING VAN EEN NIET-MINIMALE WIJZIGING VAN HET PRODUCTDOSSIER INZAKE BESCHERMDE OORSPRONGSBENAMINGEN/BESCHERMDE GEOGRAFISCHE AANDUIDINGEN

Aanvraag tot goedkeuring van een wijziging overeenkomstig artikel 53, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012

„Vitellone bianco dell’Appennino Centrale”

EU-nr.: PGI-IT-1552-AM02 — 26.9.2017

BOB ( ) BGA ( X )

1.   Aanvragende groepering en rechtmatig belang

Consorzio di tutela „Vitellone bianco dell’Appennino Centrale”

Via delle Fascine, 4

06132 San Martino in Campo

Perugia (PG)

ITALIË

info@vitellonebianco.it

Overeenkomstig artikel 13, lid 1, van Decreet nr. 12511 van het Ministerie van Landbouw-, Voedsel- en Bosbouwbeleid van 14 oktober 2013 is het bovenstaande consortium gerechtigd een wijzigingsaanvraag in te dienen.

2.   Lidstaat of derde land

Italië

3.   Rubriek van het productdossier waarop de wijziging(en) betrekking heeft/hebben

Naam van het product

Beschrijving van het product

Geografisch gebied

Bewijs van oorsprong

Werkwijze voor het verkrijgen van het product

Verband

Etikettering

Overige: controledocument; verpakking; bijgewerkte regelgeving.

4.   Aard van de wijziging(en)

Wijziging van een productdossier van een geregistreerde BOB of BGA die overeenkomstig artikel 53, lid 2, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 niet als minimaal kan worden beschouwd.

Wijziging van een productdossier van een geregistreerde BOB of BGA waarvoor geen enig document (of gelijkwaardig document) is bekendgemaakt, die overeenkomstig artikel 53, lid 2, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 niet als minimaal kan worden beschouwd.

5.   Wijziging(en)

Beschrijving van het product

Punt 5.4 van het productdossier en punt 3.2 van het enig document

1.

De parameters betreffende de krimp tijdens het bakken (minder dan 35 %) en de hardheid van het gebakken product (minder dan 2,5 kg/cm2) zijn geschrapt.

Deze wijziging is het gevolg van de tijd die minimaal nodig is voor de analyses die moeten worden uitgevoerd in laboratoria. Vers rundvlees is een product met een zeer beperkte bewaartermijn, in het bijzonder voor bepaalde lichaamsdelen.

De karkassen moeten het slachthuis kunnen verlaten binnen twee dagen na het slachten, aangezien de koelcellen van de slachthuizen zijn ontworpen voor de koeling van karkassen en niet voor de bewaring of rijping ervan.

Momenteel worden de resultaten van die analyses binnen een termijn van meer dan zeven dagen verstuurd. Dat leidt tot ernstige problemen van commerciële aard en op het gebied van certificering. Het product moet immers binnen 48 uur na het slachten naar de uitsnijderij worden gebracht, een termijn die dus niet verenigbaar is met de tijd die nodig is voor de uitvoering van de analyses. Een andere optie zou erin bestaan om het gecertificeerde product tot de categorie van „gewoon product” terug te brengen, maar dat zou tot aanzienlijke economische verliezen leiden.

Werkwijze voor het verkrijgen van het product

Punt 4.1 van het productdossier

2.

De zinnen:

„Vanaf de geboorte tot het spenen zijn volgende houderijsystemen toegestaan: weidegang, open loopstal, gebonden loopstal.

Tijdens de fasen na het spenen en tot het slachten mogen de dieren enkel in een open of gebonden loopstal worden gehouden.”

worden vervangen door:

„Vanaf de geboorte tot het spenen zijn volgende houderijsystemen toegestaan: weidegang, open loopstal, afwisselend binnen en buiten.

Tijdens de fasen na het spenen en tot het slachten mogen de dieren enkel in een open of gebonden loopstal of afwisselend binnen en buiten worden gehouden.”.

Voor de fasen van het fokken vanaf de geboorte tot het spenen wordt de verwijzing naar de gebonden loopstal geschrapt, in overeenstemming met Richtlijn 2008/119/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van kalveren.

Voor de hele opfokperiode (vanaf de geboorte tot de slacht) wordt een verwijzing naar „afwisselend binnen en buiten” toegevoegd, ter verduidelijking van wat tot dusver werd bedoeld met „open loopstal”.

Runderen die „afwisselend binnen en buiten” worden gehouden, kunnen zich vrij bewegen in een gebied dat is afgebakend met fysieke middelen om hen te beletten de grenzen ervan te overschrijden.

Punt 4.1 van het productdossier en punt 3.3 van het enig document

3.

De alinea:

„Vervolgens bestaat hun voeding hoofdzakelijk uit vers groenvoeder en/of hooi, afkomstig uit natuurlijke weiden of kunstweiden, of uit voor het afgebakende geografische gebied karakteristiek landbouwgras. Bovendien mag gebruik worden gemaakt van enkelvoudig of samengesteld krachtvoer en mogen ook minerale voedingssupplementen en vitamines worden toegediend.”

wordt als volgt gewijzigd:

„Vervolgens bestaat hun voeding hoofdzakelijk uit vers groenvoeder en/of hooi, afkomstig uit natuurlijke weiden of kunstweiden, of uit voor het afgebakende geografische gebied karakteristiek landbouwgras. Bovendien mag gebruik worden gemaakt van enkelvoudig of samengesteld krachtvoer en mogen ook voedingssupplementen worden toegediend.”.

De vermelding „minerale voedingssupplementen en vitamines” wordt vervangen door „voedingssupplementen”. Op die manier wordt het gamma supplementen dat mag worden toegediend aan de dieren, uitgebreid met andere voedingsstoffen dan vitamines en mineralen.

Punt 4.2 van het productdossier en punt 3.3 van het enig document

4.

De alinea:

„Gedurende de vier maanden die voorafgaan aan de slacht, is het verboden het vee kuilvoer toe te dienen.

Het is niet toegestaan om de dieren te voeren met de volgende bijproducten uit de industrie:

verse bietenpulp;

gemalen snoeisel van olijfbomen;

verse of gedroogde olijfblaadjes;

sinaasappelpulp;

gedroogde citruspulp;

gedroogde sinaasappelpulp;

perskoeken van olijven;

schillen van olijven;

schillen en pitten van tomaten;

destillatieresidu;

moutkiemen;

bierbostel;

verse of gedroogde bostel;

verse of gedroogde vinasse;

natuurlijke of commerciële zemelen;

vleesmeel;

kanen;

vismeel;

bloed;

dierlijk vet;

appeldraf;

vers of verduurzaamd fruit;

afval van de suikerwerkindustrie.”

wordt vervangen door:

„Gedurende de vier maanden die voorafgaan aan de slacht, is het verboden het vee kuilvoer toe te dienen.

Het is niet toegestaan om de dieren te voeren met de volgende bijproducten uit de industrie:

vleesmeel;

kanen;

vismeel;

bloed;

dierlijk vet;

afval van de suikerwerkindustrie.

De volgende bijproducten uit de industrie zijn toegestaan, maar enkel als onderdeel van krachtvoer voor dieren:

verse bietenpulp;

gemalen snoeisel van olijfbomen;

verse of gedroogde olijfblaadjes;

sinaasappelpulp;

gedroogde citruspulp;

gedehydrateerde sinaasappelpulp;

perskoeken van olijven;

schillen van olijven;

schillen en pitten van tomaten;

destillatieresidu;

moutkiemen;

bierbostel;

verse of gedehydrateerde bostel;

verse of gedehydrateerde vinasse;

natuurlijke of commerciële zemelen;

appeldraf;

vers of verduurzaamd fruit.”.

Dankzij deze wijziging kunnen bepaalde voedingsmiddelen (bijproducten van de industrie) die momenteel verboden zijn, worden toegestaan in het diervoeder. Oorspronkelijk werd dit verbod op bepaalde bijproducten in het diervoeder ingesteld in het productdossier om te vermijden dat die bijproducten op zichzelf zouden kunnen worden gebruikt in het voer, omdat ze een evenwichtig voederrantsoen in de weg kunnen staan.

Bij de voorgestelde wijziging daarentegen wordt bepaald dat de bijproducten van de industrie enkel zijn toegestaan als onderdeel van het voeder. Deze gedroogde bijproducten die worden gebruikt in diervoeders, maken deel uit van een reeds evenwichtig rantsoen, waarvan de voedingskenmerken duidelijk zijn bepaald en aangegeven op het etiket van het voeder.

Punt 4.3 van het productdossier en punt 3.4 van het enig document

5.

De zin:

„De slacht moet plaatsvinden in aangepaste slachthuizen die in het productiegebied gevestigd zijn;”

wordt vervangen door:

„De slacht moet plaatsvinden in geschikte slachthuizen.”.

De verplichting om het dier binnen het geografische gebied te slachten wordt geschrapt. Deze wijziging houdt verband met de noodzaak om toegang te hebben tot meer georganiseerde en meer gestructureerde slachthuizen in de nabijheid van het productiegebied zodat de afstand die de te slachten dieren moeten afleggen, beperkt blijft tot de afstand die is vastgesteld in de normen inzake dierenwelzijn en zodat kan worden geopteerd voor slachthuizen die bepaalde religieuze riten volgen.

Punt 3.4 van het enig document is gewijzigd door de schrapping van de verwijzing naar de slachtfase.

Punt 5.3 van het productdossier

1.

De volgende zin:

„Met het oog op een betere malsheid van het vlees van mannelijke dieren — die een mindere (intramusculaire) vetopslag hebben dan vrouwelijke dieren — moet de rijpingstijd van de karkassen van mannelijke dieren minstens vier dagen duren voor het voorkwartier en tien dagen voor het achterkwartier.”

wordt vervangen door:

„Met het oog op een betere malsheid van het vlees van mannelijke dieren — die een mindere (intramusculaire) vetopslag hebben dan vrouwelijke dieren — moet de rijpingstijd van de karkassen van mannelijke dieren minstens vier dagen duren voor alle deelstukken, met uitzondering van de rumsteak, het spierstuk, het naaldje en het lendestuk, die minstens tien dagen moeten rijpen.”.

Er wordt verduidelijkt dat alleen de rumpsteak, het spierstuk, het naaldje en het lendestuk minstens tien dagen moeten rijpen, terwijl dat voor alle andere deelstukken minstens vier dagen is.

Deze wijziging is noodzakelijk omdat de deelstukken van het achterkwartier niet alle dezelfde fysieke kenmerken hebben en niet allemaal op dezelfde manier worden gebruikt. Sommige van die deelstukken worden door hun aard verwerkt tot gehakt, dat om hygiënische redenen een kortere rijping ondergaat dan de periode die is vastgesteld in het huidige productdossier.

Voor sommige grotere deelstukken is een langere rijpingsperiode nodig. Het gaat dan om stukken die weinig bindweefsel bevatten en worden gebruikt voor bereidingen met een korte kook- of baktijd, zoals de rumpsteak, het spierstuk, het naaldje en het lendestuk, waarbij de minimale rijpingsperiode bepalend is voor de kwaliteit van het product.

Etikettering

Punt 6.3 van het productdossier en punt 3.6 van het enig document

2.

De volgende punten:

„—

de vermelding „Indicazione Geografica Protetta” en/of het bij de geldende wetgeving vastgelegde logo van de Europese Unie. Het acroniem „IGP” mag eveneens worden vermeld.;

het ras van het dier;”

worden vervangen door:

„—

het bij de geldende Europese wetgeving vastgelegde logo van de Europese Unie. Ook de vermelding „Indicazione Geografica Protetta” en/of de afkorting „IGP” kunnen worden gebruikt.;

het ras van het dier, behalve voor partijen die bestaan uit verschillende rassen.”.

Het logo van de Europese Unie wordt verplicht op het etiket.

Er wordt een bepaling toegevoegd waardoor de verplichting om het ras te vermelden op het etiket voortaan enkel geldt voor partijen die bestaan uit een enkel ras. Deze wijziging houdt rekening met de soms beperkte afmetingen van de etiketten, die het soms moeilijk maken twee of drie rassen te vermelden op de verpakking.

3.

De volgende zin wordt geschrapt:

„—

Verwijzingen naar andere kenmerken dan de nadrukkelijk vastgestelde zijn echter niet toegestaan.”.

Het verbod op de vermelding op het etiket van kenmerken die niet uitdrukkelijk zijn vastgesteld, wordt geschrapt. Deze wijziging wordt gerechtvaardigd door de mogelijkheid om extra informatie toe te voegen op het etiket, zoals een bijzonder voedingsregime van de runderen (bv. „zonder toegevoegd dierlijk vet”, „zonder GGM” enz.) of de certificeringssystemen van bedrijven.

Overige

Punt 6.2 van het productdossier en punt 3.6 van het enig document

4.

Het „ras” is toegevoegd aan de lijst met gegevens die in het controledocument moeten worden opgenomen.

Deze wijziging zorgt voor een meer volledig controledocument, dat het mogelijk maakt om na te gaan of het product aan de voor de BGA gestelde eisen voldoet. Deze wijziging is bedoeld om te waarborgen dat de informatie over het ras van het dier schriftelijk wordt vastgelegd.

Het desbetreffende deel van het enig document is bijgewerkt.

Verpakking

Punt 6.4 van het productdossier en punt 3.5 van het enig document

5.

De zin:

„Het verse of diepgevroren vlees dat uitgesneden in de handel wordt gebracht, moet op een van de volgende manieren verpakt zijn: voorverpakt, vacuümverpakt of verpakt onder gemodificeerde atmosfeer.”

wordt vervangen door:

„Het verse of diepgevroren vlees dat uitgesneden in de handel wordt gebracht, moet op een van de volgende manieren verpakt zijn: verpakt, voorverpakt, vacuümverpakt of verpakt onder gemodificeerde atmosfeer.”.

Door deze wijziging wordt het mogelijk deze producten te verkopen in verpakkingen die in het verkooppunt zijn aangebracht. De verkoop van op die manier verpakte producten is immers gangbaar, vooral in supermarkten.

Het desbetreffende punt in het enig document is bijgewerkt.

6.

De volgende zin:

„Het verpakken mag slechts plaatsvinden in erkende uitsnijderijen die worden gecontroleerd door het bevoegde orgaan, dat toestemming verleent voor het aanbrengen van het logo van de beschermde geografische aanduiding op iedere verpakking.”

wordt vervangen door:

„Het verpakken mag slechts plaatsvinden in erkende uitsnijderijen en slagerijen die worden gecontroleerd door het bevoegde orgaan, dat toestemming verleent voor het aanbrengen van het logo van de beschermde geografische aanduiding op iedere verpakking.”.

Gezien de voorgaande wijziging werd het passend geacht de slagerijen toe te voegen aan de lijst van partijen die de verpakking mogen uitvoeren.

Het desbetreffende punt in het enig document is bijgewerkt.

Bijgewerkte regelgeving

7.

De verwijzingen naar Verordening (EG) nr. 510/2006 in punt 1 en punt 7 van het productdossier zijn aangepast aangepast aan de geldende regelgeving.

ENIG DOCUMENT

„Vitellone bianco dell’Appennino Centrale”

EU-nr.: PGI-IT-1552-AM02 — 26.9.2017

BOB ( ) BGA ( X )

1.   Naam/Namen

„Vitellone bianco dell’Appennino Centrale”

2.   Lidstaat of derde land

Italië

3.   Beschrijving van het landbouwproduct of levensmiddel

3.1.   Productcategorie

Categorie 1.1. Vers vlees (en verse slachtafval)

3.2.   Beschrijving van het product waarvoor de in punt 1 vermelde naam van toepassing is

Het vlees met de BGA „Vitellone bianco dell’Appennino Centrale” is afkomstig van raszuivere, mannelijke en vrouwelijke runderen van de rassen Chianina, Marchigiana en Romagnola, die 12 tot 24 maanden oud zijn en in het typische, geografische productiegebied geboren en gehouden werden.

De runderen moeten afkomstig zijn van geselecteerde rundveehouderijen die hun dieren regelmatig in het stamboek voor jongvee, een onderdeel van het nationale stamboek, moeten registreren met als doel de zuiverheid van het ras — de genetische factor die een belangrijke rol speelt bij de bepaling van de fysische en organoleptische kenmerken van het vlees — te certificeren.

De blootgelegde vleesdelen van het karkas mogen geen abnormale kleur vertonen (magenta of een kleur die neigt naar zwart). De kleur van het zichtbare vet mag niet naar asgeel en de kleur van de adertjes niet naar diepgeel neigen.

De parameters voor de kwaliteit van het vlees „Vitellone bianco dell’Appennino Centrale” zijn:

pH: 5,2 à 5,8

etherextract (op het brutogewicht): minder dan 3 %

as (op het brutogewicht): minder dan 2 %

eiwitten (op het brutogewicht): meer dan 20 %

cholesterol: minder dan 50 mg/100 g

verhouding onverzadigde vetzuren/verzadigde vetzuren: hoger dan 1,0

koudekrimp: minder dan 3 %

hardheid (rauw): minder dan 3,5 kg/cm2

kleur (bij daglicht 2667 K): — L hoger dan 30

C hoger dan 20

H 25 à 45

3.3.   Diervoeders (alleen voor producten van dierlijke oorsprong) en grondstoffen (alleen voor verwerkte producten)

De kalveren van de witte rassen uit de Apennijnen worden door het moederdier gezoogd tot het moment waarop ze worden gespeend. Vervolgens bestaat hun voeding hoofdzakelijk uit grasachtige planten en/of groenvoeder, afkomstig uit natuurlijke weiden of kunstweiden, of uit voor het afgebakende geografische gebied karakteristiek landbouwgras. Bovendien mag gebruik worden gemaakt van enkelvoudig of samengesteld krachtvoer en mogen ook voedingssupplementen worden toegediend.

Het rantsoen is zodanig berekend dat een hoog of redelijk hoog voedingsniveau, met maximumwaarden van 0,8 voedereenheden/kg droge stof voor mannelijke dieren en 0,7 voedereenheden/kg droge stof voor vrouwelijke dieren, is gegarandeerd.

De volgende bijproducten uit de industrie zijn toegestaan, maar enkel als onderdeel van krachtvoer voor dieren:

verse bietenpulp;

gemalen snoeisel van olijfbomen;

verse of gedroogde olijfblaadjes;

sinaasappelpulp;

gedroogde citruspulp;

gedehydrateerde sinaasappelpulp;

perskoeken van olijven;

schillen van olijven;

schillen en pitten van tomaten;

destillatieresidu;

moutkiemen;

bierbostel;

verse of gedehydrateerde bostel;

verse of gedroogde vinasse;

natuurlijke of commerciële zemelen;

appeldraf;

vers of verduurzaamd fruit.

3.4.   Specifieke onderdelen van het productieproces die in het afgebakende geografische gebied moeten plaatsvinden

De productiefasen die moeten doorlopen worden in het geografische gebied, zijn: de geboorte en het houden van het dier, met inbegrip van de periode dat het wordt gespeend en dat het wordt afgemest.

3.5.   Specifieke voorschriften betreffende het in plakken snijden, het raspen, het verpakken enz. van het product waarnaar de geregistreerde naam verwijst

Het verse of diepgevroren vlees dat uitgesneden in de handel wordt gebracht, moet op een van de volgende manieren verpakt zijn: verpakt, voorverpakt, vacuümverpakt of verpakt onder gemodificeerde atmosfeer.

Het verpakken mag slechts plaatsvinden in erkende uitsnijderijen en slagerijen die worden gecontroleerd door het bevoegde orgaan, dat toestemming verleent voor het aanbrengen van het logo van de beschermde geografische aanduiding op iedere verpakking.

3.6.   Specifieke voorschriften betreffende de etikettering van het product waarnaar de geregistreerde naam verwijst

Het vlees „Vitellone bianco dell’Appennino Centrale” moet in de handel worden gebracht, voorzien van het speciale stempel met de vermelding „Vitellone bianco dell’Appennino Centrale IGP”.

Dit stempel wordt in het slachthuis aangebracht door het controleorgaan.

Op het etiket moeten, naast de bij wet verplichte vermeldingen, ook de volgende vermeldingen worden aangebracht:

1.

de referentiecode of traceerbaarheidscode;

2.

de naam „Vitellone Bianco dell’Appennino Centrale” en/of het logo;

3.

het bij de geldende wetgeving vastgelegde logo van de Europese Unie. Ook de vermelding „Indicazione Geografica Protetta” en/of de afkorting „IGP” kunnen worden gebruikt;

4.

Het ras van het dier, behalve voor partijen die bestaan uit verschillende rassen.

Op het etiket kunnen ook andere gegevens worden vermeld, zoals opgenomen in het controledocument, d.i. het computerdocument dat nodig is om na te gaan of het product aan de gestelde eisen voldoet en dat de volgende gegevens bevat: identificatienummer (registratienummer) van het dier, bedrijf waar het dier geboren is, houderij en/of afmestbedrijf, verplaatsingen van het dier, geboortedatum, ras, geslacht, datum van de slacht en volgnummer, categorie waarin het dier werd ingedeeld, gewicht van het karkas en van het deelstuk, bevleesdheid en vetheid van het karkas op basis van de EU-classificatie, naam en zetel van het slachthuis waar de slacht heeft plaatsgevonden, naam en zetel van de uitsnijderij, vermelding van het soort product (karkas, half karkas, zesde kwartier, kwartier, afzonderlijke delen of gemengde delen), naam en zetel van de bestemmeling (slager, uitsnijder, handelaar), naam van de deskundige belast met de certificering.

4.   Beknopte omschrijving van de afbakening van het geografische gebied

Het geografische productiegebied van het vlees „Vitellone Bianco dell’Appennino Centrale” bestaat uit provincies en gemeenten in Centraal-Italië, langsheen de keten van de Apennijnen.

Het geografische productiegebied omvat meer bepaald de volgende huidige provincies: Bologna, Ravenna, Forlì-Cesena, Rimini, Ancona, Ascoli Piceno, Fermo, Macerata, Pesaro-Urbino, Teramo, Pescara, Chieti, L’Aquila, Campobasso, Isernia, Benevento, Avellino, Frosinone, Rieti, Viterbo, Terni, Perugia, Grosseto, Siena, Arezzo, Firenze, Prato, Livorno, Pisa, Pistoia, Roma (beperkt tot de gemeenten Arcinazzo Romano, Camerata Nuova, Cervara di Roma, Jenne, Mazzano Romano, Ponzano Romano, Sant’Oreste, Subiaco, Vallepietra, Vallinfreda en Vivaro Romano), Latina (beperkt tot de gemeenten Campodimele, Castelforte, Fondi, Formia, Itri, Lenola, Minturno, Monte San Biagio, Prossedi, Roccasecca dei Volsci, Santi Cosma e Damiano, Sonnino en Spigno Saturnia) e Caserta (beperkt tot de gemeenten Ailano, Alife, Alvignano, Baia e Latina, Bellona, Caianello, Caiazzo, Calvi Risorta, Camigliano, Capriati a Volturno, Castel Campagnano, Castel di Sasso, Castello del Matese, Ciorlano, Conca della Campania, Dragoni, Fontegreca, Formicola, Francolise, Gallo Matese, Galluccio, Giano Vetusto, Gioia Sannitica, Letino, Liberi, Marzano Appio, Mignano Monte Lungo, Pastorano, Piana di Monte Verna, Piedimonte Matese, Pietramelara, Pietravairano, Pignataro Maggiore, Pontelatone, Prata Sannita, Pratella, Presenzano, Raviscanina, Riardo, Rocca D’Evandro, Roccaromana, Rocchetta e Croce, Ruviano, San Gregorio Matese, San Pietro Infine, San Potito Sannitico, Sant’Angelo d’Alife, Sparanise, Teano, Tora e Piccilli, Vairano Patenora, Valle Agricola en Vitulazio).

5.   Verband met het geografische gebied

Het gebied van de Apennijnen wordt gekenmerkt door een specifiek ecosysteem wat betreft het klimaat, de thermische amplitude en de totale neerslag. Dit milieu, in combinatie met de morfologie en de bijzondere situatie van de bodem, heeft een invloed op de ontwikkeling van een gevarieerde en zeer karakteristieke weideflora. Hun bijzondere karakter danken de weiden aan hun specifieke aromatische elementen en pigmenten, hun „essences”.

Dit gebied maakt deel uit van een heuvelachtige en bergachtige regio waarvan de lagere regionen hoofdzakelijk worden gekenmerkt door bossen die echter overgaan in weiden naarmate men de lijn van de waterscheiding van de Apennijnen nadert, en waar het bodemgebruik heeft geleid tot een lappendeken van percelen van geringe omvang die voor verschillende doeleinden worden ingezet: landbouwgronden, bosgebieden en weiden.

De milieuomstandigheden in het geografische gebied zijn kenmerkend voor het klimaat van de mediterrane Apennijnen, met zijn gemiddelde jaarlijkse neerslag van ongeveer 1 200 mm (met maxima van 2 000 mm tijdens uitzonderlijke jaren) en zijn gemiddelde jaartemperaturen van 0 °C in de winter tot 24 °C in de zomer, waarbij minima van – 10 °C en maxima van meer dan 30 °C niet uitgesloten zijn.

Het eiwitgehalte en de verhouding onverzadigde vetzuren/verzadigde vetzuren zijn belangrijke elementen bij de beoordeling van de kwalitatieve kenmerken van het vlees „Vitellone Bianco dell’Appennino Centrale”.

Het aan de lucht blootgestelde oppervlak van het geproduceerde vlees, ook van het vlees dat bij de slager wordt afgesneden, kleurt niet vlug bruin zodat bij de verwerking weinig verlies optreedt.

Het samengaan van de factoren genetisch patrimonium, houderijmethoden en klimaatomstandigheden zorgt voor de band van het product met het afgebakende geografische gebied.

De meeste houderijsystemen zijn afgestemd op traditionele systemen waarbij de dieren tijdens de afmestfase op stal dan wel ten dele extensief worden gehouden. Het voeder dat wordt toegediend tijdens de groei- en de afmestfase, wordt in de meeste gevallen op het landbouwbedrijf zelf gewonnen. De meeste bedrijven werken in een gesloten circuit: het uit een fokkoe in de stal geboren kalf wordt op het bedrijf vetgemest tot het zijn slachtgewicht heeft bereikt.

In de eerste plaats bepalend voor de belangrijkste kenmerken van het product is dat het kalf steeds behoort tot een van de drie autochtone runderrassen die al jaren in het afgebakende productiegebied volgens traditionele en verankerde productietechnieken worden gehouden.

Het vlees absorbeert op dynamische wijze de milieu-invloeden, die niet alleen op organoleptisch vlak maar ook op het vlak van musculatuur, vezelweefsel en vet, tot verschillen kunnen leiden. Aangezien de dieren hoofdzakelijk op de weide worden gehouden, is er een nauw verband tussen hun biologische cyclus en het geografische milieu dat hun omringt.

Verwijzing naar de bekendmaking van het productdossier

(artikel 6, lid 1, tweede alinea, van de onderhavige verordening)

De bevoegde dienst heeft de nationale procedure voor het indienen van bezwaarschriften ingeleid door de bekendmaking van de aanvraag tot wijziging voor de BGA „Vitellone bianco dell’Appennino Centrale” in de Gazzetta Ufficiale della Repubblica Italiana nr. 131 van 8 juni 2017.

De geconsolideerde tekst van het productdossier kan worden geraadpleegd via de volgende link:

http://www.politicheagricole.it/flex/cm/pages/ServeBLOB.php/L/IT/IDPagina/3335

ofwel

door de startpagina van het Ministerie van Landbouw-, Voedsel- en Bosbouwbeleid (www.politicheagricole.it) te openen en te klikken op „Qualità” (rechts boven aan het scherm), vervolgens op „Prodotti DOP, IGP e STG” (aan de linkerkant van het scherm) en ten slotte op „Disciplinari di Produzione all’esame dell’UE”.


V Bekendmakingen

PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID

Europese Commissie

7.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 441/31


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak M.9187 — Autolaunch/Beijing Electric Vehicle Co/JVs)

Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak

(Voor de EER relevante tekst)

(2018/C 441/09)

1.   

Op 23 november 2018 heeft de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen.

Deze aanmelding betreft de volgende ondernemingen:

Autolaunch Ltd („Autolaunch”) (Ierland), die onder zeggenschap staat van Magna International Inc. („Magna”);

Beijing Electric Vehicle Co., Ltd („BJEV”, China), die deel uitmaakt van Beijing Automotive Group Co., Ltd („BAIC Group”);

Magna Blue Sky NEV Technology (Zhenjiang) Co., Ltd („Tech-JV”);

Blue Sky NEV Manufacturing Co., Ltd („CM-JV”).

Autolaunch en BJEV verkrijgen gezamenlijke zeggenschap in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), en artikel 3, lid 4, van de concentratieverordening over Tech-JV en CM-JV.

De concentratie komt tot stand door de verwerving van aandelen.

2.   

De activiteiten van de betrokken ondernemingen zijn:

—   Autolaunch: productie van gereedschap en aanverwante diensten. Autolaunch is een volle dochteronderneming van Cosma Tooling Ireland Unlimited, die direct in handen is van Magna, een wereldwijde autoleverancier;

—   BJEV: houdt zich hoofdzakelijk bezig met integratie en afstemming van voertuigsystemen, productie en ontwikkeling van controlesystemen voor voertuigen, elektrische aandrijfsystemen en zuiver elektrische systemen voor personenwagens. BJEV is een volle dochteronderneming van BAIC Group;

—   Tech-JV: zal zich bezighouden met engineeringdiensten voor blade-elektrische personenwagens en CM-JV zal zich bezighouden met de vervaardiging en de levering van blade-elektrische personenwagens in China.

3.   

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden.

Er zij op gewezen dat deze zaak in aanmerking komt voor de vereenvoudigde procedure zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (2).

4.   

De Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na de datum van deze bekendmaking hebben bereikt. De volgende referentie moet altijd worden vermeld:

Zaak: M.9187 — Autolaunch/Beijing Electric Vehicle Co/JVs

Opmerkingen kunnen per e-mail, per fax of per post aan de Commissie worden toegezonden. Gelieve de onderstaande contactgegevens te gebruiken:

E-mail: COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu

Fax +32 22964301

Postadres:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 („de concentratieverordening”).

(2)  PB C 366 van 14.12.2013, blz. 5.