ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 338

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

61e jaargang
21 september 2018


Inhoud

Bladzijde

 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

AANBEVELINGEN

 

Europees Comité voor systeemrisico's

2018/C 338/01 ESRB/2018/5

Aanbeveling van het Europees Comité voor systeemrisico’s van 16 juli 2018 tot wijziging van Aanbeveling ESRB/2015/2 betreffende de beoordeling van grensoverschrijdende effecten van macroprudentiële beleidsmaatregelen en van vrijwillige toepassing van wederkerigheid ten aanzien van macroprudentiële beleidsmaatregelen (ESRB/2018/5)

1


 

II   Mededelingen

 

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Europese Commissie

2018/C 338/02

Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie (Zaak M.9069 — Kuwait Investment Authority/North Sea Midstream Partners) ( 1 )

7

2018/C 338/03

Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie (Zaak M.9024 — Abry Partners/Link) ( 1 )

7


 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Raad

2018/C 338/04

Besluit van de Raad van 18 september 2018 tot benoeming van de uitvoerend directeur van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie

8

 

Europese Commissie

2018/C 338/05

Wisselkoersen van de euro

9

2018/C 338/06

Advies van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities gegeven op zijn vergadering van 10 juli 2018 betreffende een ontwerpbesluit in zaak AT.40465 — Asus — Rapporteur: Zweden

10

2018/C 338/07

Eindverslag van de raadadviseur-auditeur — Zaak AT.40465 — Asus

11

2018/C 338/08

Samenvatting van het besluit van de Commissie van 24 juli 2018 inzake een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (Zaak AT.40465 — Asus (verticale afspraken)) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2018) 4773 final)

13

2018/C 338/09

Advies van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities gegeven op zijn vergadering van 10 juli 2018 betreffende een ontwerpbesluit in zaak AT.40182 — Pioneer — Rapporteur: Zweden

16

2018/C 338/10

Eindverslag van de raadadviseur-auditeur — Zaak AT.40182 — Pioneer

17

2018/C 338/11

Samenvatting van het besluit van de Commissie van 24 juli 2018 inzake een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 53 van de EER-overeenkomst (Zaak AT.40182 — Pioneer (verticale afspraken)) (Kennisgeving geschied onder document nummer C(2018) 4790 final)  ( 1 )

19

 

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming

2018/C 338/12

Samenvatting van het advies van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) inzake het voorstel voor een verordening betreffende de versterking van de beveiliging van identiteitskaarten van burgers van de Unie en andere documenten

22


 

V   Bekendmakingen

 

PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID

 

Europese Commissie

2018/C 338/13

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak M.8994 — Microsoft/GitHub) ( 1 )

25

2018/C 338/14

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak M.8785 — The Walt Disney Company/Twenty-First Century Fox) ( 1 )

27

2018/C 338/15

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak M.9102 — Carlyle/Investindustrial/B&B Italia/Louis Poulsen/Flos) — Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak ( 1 )

28


 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

AANBEVELINGEN

Europees Comité voor systeemrisico's

21.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 338/1


AANBEVELING VAN HET EUROPEES COMITÉ VOOR SYSTEEMRISICO’S

van 16 juli 2018

tot wijziging van Aanbeveling ESRB/2015/2 betreffende de beoordeling van grensoverschrijdende effecten van macroprudentiële beleidsmaatregelen en van vrijwillige toepassing van wederkerigheid ten aanzien van macroprudentiële beleidsmaatregelen

(ESRB/2018/5)

(2018/C 338/01)

DE ALGEMENE RAAD VAN HET EUROPEES COMITÉ VOOR SYSTEEMRISICO’S,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico’s (1), en met name artikel 3 en artikelen 16 tot en met 18,

Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (2), en met name artikel 458, lid 8,

Gezien Besluit ESRB/2011/1 van het Europees Comité voor systeemrisico’s van 20 januari 2011 houdende goedkeuring van het reglement van orde van het Europees Comité voor systeemrisico’s (3), en met name artikelen 18 tot en met 20,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om effectieve en consistente nationale macroprudentiële maatregelen te waarborgen, is het van belang de uit hoofde van Unierecht verplichte wederkerigheid aan te vullen met vrijwillige wederkerigheid.

(2)

Het in Aanbeveling ESRB/2015/2 van het Europees Comité voor systeemrisico’s (4) vastgelegde kader inzake vrijwillige wederkerigheid voor macroprudentiële beleidsmaatregelen moet verzekeren dat op alle in een lidstaat geactiveerde macroprudentiële beleidsmaatregelen op basis van blootstellingsgraad wederkerigheid van toepassing is in de andere lidstaten.

(3)

Aanbeveling ESRB/2017/4 van het Europees Comité voor systeemrisico’s (5) beveelt aan dat de betrokken activerende autoriteit een maximummaterialiteitsdrempel voorstelt wanneer deze autoriteit bij het Europees Comité voor systeemrisico’s (ESRB) een verzoek om wederkerigheid indient, onder welke drempel de blootstelling van de individuele financiëledienstverlener ten aanzien van het vastgestelde macroprudentiële risico in de jurisdictie waarin de activerende autoriteit de macroprudentiële beleidsmaatregel wordt toepast, als niet-materieel kan worden beschouwd. Het uit hoofde van Besluit ESRB/2015/4 van het Europees Comité voor systeemrisico’s (6) opgerichte permanente beoordelingsteam van het ESRB kan indien noodzakelijk een afwijkende drempel aanbevelen.

(4)

Met ingang van 30 april 2018 geldt voor kredietinstellingen, waaraan in België een vergunning is verleend en die de internal-ratings-based-methode hanteren voor de berekening van wettelijke kapitaalvereisten, krachtens artikel 458, lid 2, onder d), vi), van Verordening (EU) nr. 575/2013, een risicogewichtopslagbedrag voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die zijn gedekt door in België gelegen niet-zakelijk onroerend goed, welk risicogewichtopslagbedrag is opgebouwd uit: a) een forfaitair risicogewichtopslagbedrag van vijf procentpunten en b) een evenredig risicogewichtopslagbedrag dat bestaat uit een fractie (33 %) van het naar blootstelling gewogen gemiddelde van de risicogewichten.

(5)

De algemene raad van het ESRB heeft deze maatregel in de lijst van macroprudentiële beleidsmaatregelen opgenomen die krachtens Aanbeveling ESRB/2015/2 voor toepassing van wederkerigheid worden aanbevolen, zulks na het verzoek van België aan het ESRB krachtens artikel 458, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013, en om te voorkomen dat negatieve grensoverschrijdende effecten zich voordoen in de vorm lekken en regelgevingsarbitrage welke effecten zouden kunnen voortvloeien uit de implementatie van de macroprudentiële maatregel in België overeenkomstig artikel 458, lid 2, onder d), vi), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

(6)

Aanbeveling ESRB/2015/2 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:

WIJZIGINGEN

Aanbeveling ESRB/2015/2 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In afdeling 1 wordt subaanbeveling C(1) als volgt vervangen:

„1.

De betrokken autoriteiten wordt aanbevolen wederkerigheid toe te passen op de door andere betrokken autoriteiten vastgestelde en door het ESRB voor toepassing van wederkerigheid aanbevolen beleidsmaatregelen. Aanbevolen wordt wederkerigheid op de volgende in de bijlage nader uiteengezette maatregelen toe te passen:

Estland:

een eenprocentsysteemrisicobufferpercentage dat wordt toegepast uit hoofde van artikel 133 van Richtlijn 2013/36/EU op de nationale blootstellingen van alle kredietinstellingen waaraan in Estland een vergunning is verleend;

Finland:

een 15-procentondergrens voor het gemiddelde risicogewicht inzake hypothecaire leningen voor niet-zakelijk onroerend goed die zijn gedekt door een hypotheek op in Finland gelegen wooneenheden, overeenkomstig artikel 458, lid 2, onder d), vi), van Verordening (EU) nr. 575/2013 toegepast op kredietinstellingen waaraan in Finland een vergunning is verleend en die de internal ratings-based-methode (IRB) toepassen voor de berekening van wettelijke kapitaalvereisten;

België

een risicogewichtopslagbedrag voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die zijn gedekt door in België gelegen niet-zakelijk onroerend goed, toegepast overeenkomstig artikel 458, lid 2, onder d), vi), van Verordening (EU) nr. 575/2013 op kredietinstellingen waaraan in België een vergunning is verleend en die de internal ratings-based-methode (IRB) toepassen voor de berekening van wettelijke kapitaalvereisten en die bestaat uit:

a)

een forfaitair risicogewichtopslagbedrag van vijf procentpunten, en

b)

een evenredig risicogewichtopslagbedrag dat bestaat uit een fractie (33 %) van het naar blootstelling gewogen gemiddelde van de risicogewichten toegepast op de aangehouden blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die zijn gedekt door in België gelegen niet-zakelijk onroerend goed.”.

2)

De bijlage wordt vervangen door de bijlage bij deze aanbeveling.

Gedaan te Frankfurt am Main, 16 juli 2018.

Francesco MAZZAFERRO

Hoofd van het ESRB-secretariaat

Namens de algemene raad van het ESRB


(1)  PB L 331 van 15.12.2010, blz. 1.

(2)  PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.

(3)  PB C 58 van 24.2.2011, blz. 4.

(4)  Aanbeveling ESRB/2015/2 van het Europees Comité voor systeemrisico’s van 15 december 2015 betreffende de beoordeling van grensoverschrijdende effecten van macroprudentiële beleidsmaatregelen en van vrijwillige toepassing van wederkerigheid ten aanzien van macroprudentiële beleidsmaatregelen (PB C 97 van 12.3.2016, blz. 9).

(5)  Aanbeveling ESRB/2017/4 van het Europees Comité voor systeemrisico’s van 20 oktober 2017 tot wijziging van Aanbeveling ESRB/2015/2 betreffende de beoordeling van grensoverschrijdende effecten van macroprudentiële beleidsmaatregelen en van vrijwillige toepassing van wederkerigheid ten aanzien van macroprudentiële beleidsmaatregelen (PB C 431 van 15.12.2017, blz. 1).

(6)  Besluit ESRB/2015/4 van het Europees Comité voor systeemrisico’s van 16 december 2015 betreffende een coördinatiekader voor de kennisgeving door betrokken autoriteiten van nationale macroprudentiële beleidsmaatregelen, het uitbrengen van adviezen en aanbevelingen door het ESRB en tot intrekking van Besluit ESRB/2014/2 (PB C 97 van 12.3.2016, blz. 28).


BIJLAGE

Bijlage

Estland

Een eenprocentsysteemrisicobufferpercentage dat wordt toegepast overeenkomstig artikel 133 van Richtlijn 2013/36/EU op de nationale blootstellingen van alle kredietinstellingen waaraan in Estland een vergunning is verleend

I.   Beschrijving van de maatregel

1.

De Estse maatregel is eenprocentsysteemrisicobufferpercentage dat overeenkomstig artikel 133 van Richtlijn 2013/36/EU wordt toegepast op de nationale blootstellingen van alle kredietinstellingen waaraan in Estland een vergunning is verleend.

II.   Wederkerigheid

2.

Indien lidstaten artikel 134 van Richtlijn 2013/36/EU in nationaal recht hebben omgezet, wordt de betrokken autoriteiten aanbevolen overeenkomstig artikel 134, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU wederkerigheid toe te passen op de Estse maatregel voor blootstellingen in Estland van instellingen waaraan in eigen land een vergunning is verleend. Voor dit lid is de in subaanbeveling C(3) vastgelegde eindtermijn van toepassing.

3.

Indien lidstaten artikel 134 van Richtlijn 2013/36/EU niet in nationaal recht hebben omgezet, wordt de betrokken autoriteiten aanbevolen overeenkomstig subaanbeveling C(2) wederkerigheid toe te passen op de Estse maatregel voor blootstellingen in Estland van instellingen waaraan in hun eigen land een vergunning is verleend. De betrokken autoriteiten wordt aanbevolen om binnen zes maanden de equivalente maatregel vast te stellen.

Finland

Een kredietinstellingsspecifiek minimumniveau van 15 procent voor het gemiddelde risicogewicht inzake leningen die zijn gedekt door een hypotheek op in Finland gelegen wooneenheden, geldend voor kredietinstellingen die de internal-ratings-based-methode (IRB) hanteren (hierna „IRB-kredietinstellingen” genoemd), toegepast krachtens artikel 458, lid 2, onder d), vi), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

I.   Beschrijving van de maatregel

1.

De overeenkomstig artikel 458, lid 2, onder d), vi), van Verordening (EU) nr. 575/2013 toegepaste Finse maatregel bestaat uit een kredietinstellingspecifieke 15 %-ondergrens voor gemiddelde risicogewichten voor IRB-kredietinstellingen op portfolioniveau inzake hypothecaire leningen voor niet-zakelijk onroerend goed die zijn gedekt door in Finland gelegen wooneenheden.

II.   Wederkerigheid

2.

Overeenkomstig artikel 458, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt de betrokken autoriteiten van de betrokken lidstaten aanbevolen wederkerigheid toe te passen ten aanzien van de Finse maatregel en die toe te passen op de portfolio’s van IRB-kredietinstellingen van particuliere hypothecaire kredieten die zijn gedekt door in Finland gelegen wooneenheden en uitgegeven door in Finland gelegen bijkantoren waaraan in eigen land een vergunning is verleend. Voor dit lid is de in subaanbeveling C(3) vastgelegde eindtermijn van toepassing.

3.

Betrokken autoriteiten wordt tevens aanbevolen wederkerigheid toe te passen ten aanzien van de Finse maatregel en die toe te passen op de portfolio’s van IRB-kredietinstellingen van particuliere hypothecaire kredieten die zijn gedekt door in Finland gelegen wooneenheden en direct grensoverschrijdend zijn uitgegeven door in hun respectieve jurisdicties gelegen kredietinstellingen. Voor dit lid is de in subaanbeveling C(3) vastgelegde eindtermijn van toepassing.

4.

Overeenkomstig subaanbeveling C(2) wordt de betrokken autoriteiten aanbevolen om na raadpleging van het ESRB de in hun jurisdictie beschikbare macroprudentiële beleidsmaatregel toe te passen die vrijwel hetzelfde effect heeft als de voornoemde maatregel waarvoor toepassing van wederkerigheid is aanbevolen, waaronder de vaststelling van toezichtmaatregelen en -bevoegdheden zoals bedoeld in titel VII, hoofdstuk 2, afdeling IV, van Richtlijn 2013/36/EU. De betrokken autoriteiten wordt aanbevolen om binnen vier maanden de equivalente maatregel vast te stellen.

III.   Materialiteitsdrempel

5.

De maatregel wordt aangevuld door een materialiteitsdrempel ten belope van een 1-miljard-EUR-blootstelling ten aanzien van de woninghypothekenmarkt in Finland tot sturing van de potentiële toepassing van het de-minimisbeginsel door de wederkerigheid toepassende lidstaten.

6.

Overeenkomstig afdeling 2.2.1 van Aanbeveling ESRB/2015/2 kunnen de betreffende autoriteiten van de betrokken lidstaat een vrijstelling verlenen aan afzonderlijke IRB-kredietinstellingen met niet-materiële portfolio’s onder de materialiteitsdrempel van 1 miljard EUR aan particuliere hypothecaire kredieten die worden gedekt door in Finland gelegen wooneenheden. In dat geval moeten de betreffende autoriteiten de materialiteit van de blootstellingen monitoren en wordt hun aanbevolen wederkerigheid toe te passen wanneer een IRB-kredietinstelling de drempel van 1 miljard EUR overschrijdt.

7.

Indien er geen IRB-kredietinstellingen zijn waaraan in andere betrokken lidstaten een vergunning is verleend, welke IRB-kredietinstellingen in Finland gevestigde bijkantoren hebben, of IRB-kredietinstellingen die direct in Finland financiële diensten verlenen, welke IRB-kredietinstellingen blootstellingen hebben van 1 miljard EUR of meer ten aanzien van de Finse hypotheekmarkt, kunnen de betrokken autoriteiten van de betreffende lidstaten besluiten de in afdeling 2.2.1 van Aanbeveling ESRB/2015/2 vastgelegde wederkerigheid niet toe te passen. In dat geval moeten de betreffende autoriteiten de materialiteit van de blootstellingen monitoren en wordt hun aanbevolen wederkerigheid toe te passen wanneer een IRB-kredietinstelling de drempel van 1 miljard EUR overschrijdt.

België

Een risicogewichtopslagbedrag voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die zijn gedekt door in België gelegen niet-zakelijk onroerend goed, opgelegd aan kredietinstellingen waaraan in België een vergunning is verleend en de IRB-methode gebruiken en welk opslagbedrag wordt toegepast overeenkomstig artikel 458, lid 2, onder d), vi), van Verordening (EU) nr. 575/2013. Het opslagbedrag is opgebouwd uit twee componenten:

a)

een forfaitair risicogewichtopslagbedrag van vijf procentpunten, en

b)

een evenredig risicogewichtopslagbedrag dat bestaat uit een fractie (33 %) van het naar blootstelling gewogen gemiddelde van de risicogewichten toegepast op de aangehouden blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die zijn gedekt door in België gelegen niet-zakelijk onroerend goed.

I.   Beschrijving van de maatregel

1.

De overeenkomstig artikel 458, lid 2, onder d), vi), van Verordening (EU) nr. 575/2013 toegepaste Belgische maatregel, die werd opgelegd aan kredietinstellingen waaraan in België een vergunning werd verleend en de IRB-methode gebruiken, bestaat uit een risicogewichtopslagbedrag voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die zijn gedekt door in België gelegen niet-zakelijk onroerend goed, welk opslagbedrag bestaat uit twee componenten:

a)

De eerste component bestaat uit een verhoging van vijf procentpunten van het risicogewicht voor niet-zakelijk onroerend goed voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die zijn gedekt door in België gelegen niet-zakelijk onroerend goed, zulks na berekening van het tweede deel van het risicogewichtopslagbedrag overeenkomstig punt b).

b)

De tweede component bestaat uit een verhoging van het risicogewicht van 33 % van het naar blootstelling gewogen gemiddelde van de risicogewichten toegepast op de aangehouden blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die zijn gedekt door in België gelegen niet-zakelijk onroerend goed. Het naar blootstelling gewogen gemiddelde is het gemiddelde van de risicogewichten van de afzonderlijke leningen dat werd berekend overeenkomstig artikel 154 van Verordening (EU) nr. 575/2013, gewogen naar de betrokken blootstellingswaarde.

II.   Wederkerigheid

2.

Overeenkomstig artikel 458, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt de betrokken autoriteiten van de betreffende lidstaten aanbevolen om wederkerigheid toe te passen ten aanzien van de Belgische maatregel door binnen de in subaanbeveling C(3) bedoelde deadline de maatregel toe te passen op bijkantoren in België van kredietinstellingen waaraan in eigen land een vergunning is verleend, welke instellingen de IRB-methode toepassen.

3.

Betrokken autoriteiten wordt aanbevolen wederkerigheid toe te passen ten aanzien van de Belgische maatregel door toepassing op de kredietinstellingen waaraan in eigen land een vergunning is verleend en de IRB-methode gebruiken, welke kredietinstellingen directe blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen hebben die worden gedekt door in België gelegen niet-zakelijk onroerend goed. Overeenkomstig subaanbeveling C(2) wordt de betrokken autoriteiten aanbevolen binnen de in subaanbeveling C(3) bedoelde deadline dezelfde maatregel toe te passen die de activerende autoriteit in België heeft toegepast

4.

Indien dezelfde macroprudentiële beleidsmaatregel in hun jurisdictie niet beschikbaar is, wordt de de betrokken autoriteiten aanbevolen om na raadpleging van het ESRB een in hun jurisdictie beschikbare macroprudentiële beleidsmaatregel toe te passen die vrijwel hetzelfde effect heeft als de voornoemde voor toepassing van wederkerigheid aanbevolen maatregel, waaronder de vaststelling van toezichtmaatregelen en -bevoegdheden zoals bedoeld in titel VII, hoofdstuk 2, afdeling IV, van Richtlijn 2013/36/EU. De betrokken autoriteiten wordt aanbevolen de equivalente maatregel uiterlijk vier maanden na de bekendmaking van deze aanbeveling in het Publicatieblad van de Europese Unie vast te stellen.

III.   Materialiteitsdrempel

5.

De maatregel wordt aangevuld door een instellingsspecifieke materialiteitsdrempel van 2 miljard EUR om de potentiële toepassing te sturen van het de-minimisbeginsel door de betrokken autoriteiten die wederkerigheid toepassen op de maatregel.

6.

Overeenkomstig afdeling 2.2.1 van Aanbeveling ESRB/2015/2 kunnen de betreffende autoriteiten van de betrokken lidstaat een vrijstelling verlenen aan afzonderlijke IRB-kredietinstellingen die de IRB-methode gebruiken en waaraan in eigen land een vergunning werd verleend, welke kredietinstelingen niet-materiële portfolio’s onder de materialiteitsdrempel van 2 miljard EUR aan particuliere hypothecaire kredieten hebben die worden gedekt door in België gelegen niet-zakelijk onroerend goed. Bij de toepassing van de materialiteitsdrempel moeten de betrokken autoriteiten de materialiteit van blootstellingen monitoren en hun wordt aanbevolen om de Belgische maatregel toe te passen op de eertijds vrijgestelde afzonderlijke kredietinstellingen, waaraan in eigen land een vergunning werd verleend wanneer de materialiteitsdrempel van 2 miljard EUR wordt doorbroken.

7.

Indien er geen IRB-kredietinstellingen zijn waaraan in betrokken lidstaten een vergunning is verleend, welke kredietinstellingen in België gevestigde bijkantoren hebben of die directe blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen hebben die worden gedekt door in België gelegen niet-zakelijk onroerend goed, welke bijkantoren de IRB-methode volgen en blootstellingen hebben van 2 miljard EUR of meer ten aanzien van de Belgische markt voor niet-zakelijk onroerend goed, kunnen de betrokken autoriteiten van de betreffende lidstaten krachtens afdeling 2.2.1. van Aanbeveling ESRB/2015/2 besluiten geen wederkerigheid toe te passen ten aanzien van de Belgische maatregel. In dat geval moeten de betreffende autoriteiten de materialiteit van de blootstellingen monitoren en wordt hun aanbevolen wederkerigheid toe te passen ten aanzien van de Belgische maatregel wanneer een IRB-kredietinstelling die de IRB-methode gebruikt de drempel van 2 miljard EUR overschrijdt.

8.

Overeenkomstig afdeling 2.2.1 van Aanbeveling ESRB/2015/2 is de materialiteitsdrempel van 2 miljard EUR een aanbevolen maximumdrempelniveau. Wederkerigheid toepassende betrokken autoriteiten kunnen derhalve in voorkomende gevallen een voor hun jurisdictie een lagere drempel toepassen, en niet de de aanbevolen drempel, of wederkerigheid toepassen ten aanzien van de maatregel zonder een materialiteitsdrempel.

II Mededelingen

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Europese Commissie

21.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 338/7


Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie

(Zaak M.9069 — Kuwait Investment Authority/North Sea Midstream Partners)

(Voor de EER relevante tekst)

(2018/C 338/02)

Op 14 september 2018 heeft de Commissie besloten zich niet te verzetten tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de interne markt te verklaren. Dit besluit is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1). De volledige tekst van het besluit is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen. De tekst is beschikbaar:

op de website Concurrentie van de Commissie, afdeling Fusies (http://ec.europa.eu/competition/mergers/cases/). Deze website biedt verschillende hulpmiddelen om individuele concentratiebesluiten op te zoeken, onder meer op: naam van de onderneming, nummer van de zaak, datum en sector;

in elektronische vorm op de EUR-Lex-website (http://eur-lex.europa.eu/homepage.html?locale=nl) onder document nr. 32018M9069. EUR-Lex biedt onlinetoegang tot de communautaire wetgeving.


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.


21.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 338/7


Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie

(Zaak M.9024 — Abry Partners/Link)

(Voor de EER relevante tekst)

(2018/C 338/03)

Op 17 september 2018 heeft de Commissie besloten zich niet te verzetten tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de interne markt te verklaren. Dit besluit is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1). De volledige tekst van het besluit is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen. De tekst is beschikbaar:

op de website Concurrentie van de Commissie, afdeling Fusies (http://ec.europa.eu/competition/mergers/cases/). Deze website biedt verschillende hulpmiddelen om individuele concentratiebesluiten op te zoeken, onder meer op: naam van de onderneming, nummer van de zaak, datum en sector;

in elektronische vorm op de EUR-Lex-website (http://eur-lex.europa.eu/homepage.html?locale=nl) onder document nr. 32018M9024. EUR-Lex biedt onlinetoegang tot de communautaire wetgeving.


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Raad

21.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 338/8


BESLUIT VAN DE RAAD

van 18 september 2018

tot benoeming van de uitvoerend directeur van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie

(2018/C 338/04)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (1), en met name artikel 158, lid 2,

Overwegende dat de lijst van kandidaten voor de functie van uitvoerend directeur van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie („het Bureau”) op 8 juni 2018 door de raad van bestuur van het Bureau bij de Raad ingediend,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De heer Christian L.L.G. ARCHAMBEAU, geboren te Vielsalm (België) op 11 april 1960, wordt benoemd tot uitvoerend directeur van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie („het Bureau”) voor een termijn van vijf jaar.

2.   De datum waarop de in lid 1 bedoelde termijn van vijf jaar aanvangt, wordt bepaald door de raad van bestuur van het Bureau.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 18 september 2018.

Voor de Raad

De voorzitter

G. BLÜMEL


(1)  PB L 154 van 16.6.2017, blz. 1.


Europese Commissie

21.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 338/9


Wisselkoersen van de euro (1)

20 september 2018

(2018/C 338/05)

1 euro =


 

Munteenheid

Koers

USD

US-dollar

1,1769

JPY

Japanse yen

131,98

DKK

Deense kroon

7,4592

GBP

Pond sterling

0,88590

SEK

Zweedse kroon

10,3350

CHF

Zwitserse frank

1,1312

ISK

IJslandse kroon

129,60

NOK

Noorse kroon

9,5885

BGN

Bulgaarse lev

1,9558

CZK

Tsjechische koruna

25,560

HUF

Hongaarse forint

323,75

PLN

Poolse zloty

4,2925

RON

Roemeense leu

4,6545

TRY

Turkse lira

7,4320

AUD

Australische dollar

1,6158

CAD

Canadese dollar

1,5174

HKD

Hongkongse dollar

9,2313

NZD

Nieuw-Zeelandse dollar

1,7643

SGD

Singaporese dollar

1,6064

KRW

Zuid-Koreaanse won

1 316,62

ZAR

Zuid-Afrikaanse rand

17,0297

CNY

Chinese yuan renminbi

8,0559

HRK

Kroatische kuna

7,4265

IDR

Indonesische roepia

17 471,00

MYR

Maleisische ringgit

4,8694

PHP

Filipijnse peso

63,436

RUB

Russische roebel

78,0670

THB

Thaise baht

38,055

BRL

Braziliaanse real

4,8390

MXN

Mexicaanse peso

22,0233

INR

Indiase roepie

84,7510


(1)  Bron: door de Europese Centrale Bank gepubliceerde referentiekoers.


21.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 338/10


Advies van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities gegeven op zijn vergadering van 10 juli 2018 betreffende een ontwerpbesluit in zaak AT.40465 — Asus

Rapporteur: Zweden

(2018/C 338/06)

1.   

De leden van het Adviescomité zijn het eens met de beoordeling van de Commissie dat de gedraging waarop het ontwerpbesluit betrekking heeft twee afzonderlijke en continue inbreuken op artikel 101 VWEU vormt.

2.   

De leden van het Adviescomité zijn het met de Commissie eens over de definitieve geldboete, met inbegrip van de verlaging ervan overeenkomstig punt 37 van de richtsnoeren van 2006 voor berekening van het bedrag van geldboeten die ingevolge artikel 23, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (1) worden opgelegd.

3.   

De leden van het Adviescomité bevelen aan dat zijn advies in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt.


(1)  PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1.


21.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 338/11


Eindverslag van de raadadviseur-auditeur (1)

Zaak AT.40465 — Asus

(2018/C 338/07)

(1)   

In het tot AsusTek Computer Inc., Asus Computer GmbH en Asus France SARL (samen „Asus”) gerichte ontwerpbesluit wordt vastgesteld dat Asus inbreuk heeft gemaakt op artikel 101 VWEU via praktijken gericht op het beperken van het vermogen van detailhandelaren in Duitsland en in Frankrijk om onafhankelijk hun wederverkoopprijzen vast te stellen.

(2)   

Het onderzoek is in maart 2015 gestart met onaangekondigde inspecties ten kantore van detailhandelaren in Duitsland en Frankrijk.

(3)   

Op 2 februari 2017 heeft de Commissie een procedure in de zin van artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 773/2004 (2) ingeleid tegen Asus. Op 15 februari 2017 heeft de Commissie een verzoek om informatie tot Asus Computer GmbH gericht, waarop Asus Computer GmbH op 13 maart 2017 heeft geantwoord.

(4)   

Kort na de inleiding van de procedure heeft Asus aangegeven met de Commissie te willen meewerken. Op […] heeft Asus verder bewijs met betrekking tot de relevante gedraging ingediend.

(5)   

Bij brief van […] heeft Asus een formeel aanbod tot medewerking ingediend met het oog op de vaststelling van een besluit („verklaring met het oog op een schikking”). De verklaring met het oog op een schikking bevat:

een duidelijke en ondubbelzinnige erkenning van de aansprakelijkheid van Asus voor de twee inbreuken die summier zijn beschreven wat betreft het doel ervan, de belangrijkste feiten, de juridische kwalificatie ervan, inclusief de rol en de duur van de deelname van AsusTek Computer Inc., Asus Germany en Asus France aan de twee inbreuken;

een indicatie van de maximumgeldboete die Asus verwacht door de Commissie opgelegd te zullen krijgen en die Asus in het kader van een medewerkingsprocedure zou aanvaarden;

de bevestiging dat Asus voldoende in kennis is gesteld van de bezwaren die de Commissie voornemens is tegen de onderneming aan te voeren en dat de onderneming voldoende in de gelegenheid is gesteld haar standpunt aan de Commissie kenbaar te maken;

de bevestiging dat Asus niet voornemens is een verzoek om verdere toegang tot het dossier of een verzoek om opnieuw te worden gehoord tijdens een hoorzitting in te dienen, tenzij de Commissie haar verklaring met het oog op een schikking niet in de mededeling van punten van bezwaar en het eindbesluit weergeeft;

het akkoord om de mededeling van punten van bezwaar en het eindbesluit in het Engels te ontvangen.

(6)   

Op 24 mei 2018 heeft de Commissie de mededeling van punten van bezwaar vastgesteld, waarop Asus in zijn antwoord heeft bevestigd dat de mededeling van punten van bezwaar de inhoud van zijn verklaring met het oog op een schikking weergaf.

(7)   

De in het ontwerpbesluit vastgestelde inbreuken en opgelegde geldboeten stemmen overeen met die welke in de verklaring met het oog op een schikking zijn erkend en aanvaard. Het bedrag van de geldboeten wordt met 40 % verminderd op grond van het feit dat Asus met de Commissie heeft meegewerkt zonder daartoe wettelijk verplicht te zijn door: i) het leveren van extra bewijs met een significante toegevoegde waarde ten opzichte van het bewijs waarover de Commissie reeds beschikte, aangezien daardoor de Commissie veel beter in staat werd gesteld de inbreuken te bewijzen; ii) de erkenning van de inbreuken op artikel 101 VWEU in verband met de gedraging; en iii) afstand te doen van bepaalde procedurele rechten, hetgeen tot administratieve efficiëntieverbeteringen heeft geleid.

(8)   

Overeenkomstig artikel 16 van Besluit 2011/695/EU heb ik onderzocht of in het ontwerpbesluit alleen de punten van bezwaar worden behandeld ten aanzien waarvan Asus in de gelegenheid is gesteld zijn standpunt kenbaar te maken. Ik ben tot de conclusie gekomen dat dit inderdaad het geval is.

(9)   

Alles in aanmerking genomen, ben ik van oordeel dat de procedurele rechten in deze zaak daadwerkelijk konden worden uitgeoefend.

Brussel, 12 juli 2018.

Wouter WILS


(1)  Opgesteld overeenkomstig de artikelen 16 en 17 van Besluit 2011/695/EU van de voorzitter van de Europese Commissie van 13 oktober 2011 betreffende de functie en het mandaat van de raadadviseur-auditeur in bepaalde mededingingsprocedures (PB L 275 van 20.10.2011, blz. 29).

(2)  Verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 18).


21.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 338/13


Samenvatting van het besluit van de Commissie

van 24 juli 2018

inzake een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

(Zaak AT.40465 — Asus (verticale afspraken))

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2018) 4773 final)

(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

(2018/C 338/08)

Op 24 juli 2018 heeft de Commissie een besluit vastgesteld in een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Overeenkomstig artikel 30 van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (1) publiceert de Commissie hierbij de namen van de partijen en de belangrijkste punten van het besluit, waaronder de opgelegde sancties, rekening houdende met het rechtmatige belang van de ondernemingen inzake de bescherming van hun bedrijfsgeheimen.

1.   INLEIDING

(1)

Het besluit is gericht tot AsusTek Computer Inc., Asus Computer GmbH en Asus France SARL (samen „Asus”). Asus is een fabrikant van computerhardware en elektronische producten. Asus Computer GmbH en Asus France SARL zijn volle dochterondernemingen van AsusTek Computer Inc (Taiwan).

(2)

Het besluit heeft betrekking op twee afzonderlijke en continue inbreuken op artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („VWEU”). In strijd met artikel 101 VWEU hebben Asus Computer GmbH en Asus France SARL in respectievelijk Duitsland en Frankrijk praktijken geïmplementeerd gericht op het beperken van het vermogen van detailhandelaren om hun wederverkoopprijzen onafhankelijk vast te stellen.

2.   BESCHRIJVING VAN DE ZAAK

2.1.   Procedure

(3)

De zaak tegen Asus is begonnen met onaangekondigde inspecties op 10 maart 2015 bij een onlinedetailhandelaar in Duitsland en een andere onlinedetailhandelaar in Frankrijk; deze detailhandelaren verkopen onder meer producten van Asus.

(4)

Op 2 februari 2017 heeft de Commissie de procedure ingeleid om een besluit te nemen op grond van hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 1/2003.

(5)

Kort na de inleiding van de procedure heeft Asus te kennen gegeven met de Commissie mee te willen werken en heeft het verder bewijs betreffende de relevante gedraging ingediend.

(6)

Vervolgens heeft Asus een formeel aanbod ingediend tot medewerking met het oog op het vaststellen van een besluit ingevolge artikel 7 en artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1/2003.

(7)

Op 24 mei 2018 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar vastgesteld gericht tot Asus. Op 28 mei 2018 heeft Asus zijn antwoord op de mededeling van punten van bezwaar ingediend.

(8)

Het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities heeft op 10 juli 2018 een positief advies uitgebracht.

(9)

Op 24 juli 2018 heeft de Commissie het besluit vastgesteld.

2.2.   Adressaten en duur

(10)

De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 101 VWEU door, gedurende de hieronder aangegeven perioden, direct deel te nemen aan concurrentieverstorende praktijken:

Onderneming

Duur

Inbreuk in Duitsland: Asus Computer GmbH

3 maart 2011 — 27 juni 2014

Inbreuk in Frankrijk: Asus France SARL

7 april 2013 — 15 december 2014

2.3.   Samenvatting van de inbreuken

(11)

De producten waarop het besluit betrekking heeft, zijn: i) met betrekking tot Duitsland, de door de businessgroep Systems van Asus verkochte producten en de door de businessgroep Open Platform ervan verkochte producten op het gebied van netwerken, desktops en beeldschermen; en ii) met betrekking tot Frankrijk, alle producten van de businessgroep Open Platform. Deze producten werden beïnvloed door de bedrijfsstrategie van Asus in Duitsland en Frankrijk, die erop gericht was de wederverkoopprijzen in de twee lidstaten stabiel te houden op het niveau van de aanbevolen wederverkoopprijs.

(12)

Asus distribueert zijn producten via onafhankelijke distributeurs. De accountmanagers van Asus in Duitsland en Frankrijk hadden echter vaak contact met detailhandelaren, ook al is er geen directe leveringsrelatie.

(13)

Tijdens de inbreukperiodes werden de prijzen in Duitsland en Frankrijk op verschillende manieren gemonitord, met name via de observatie van prijsvergelijkingswebsites en, voor sommige productcategorieën, via interne softwaremonitoringinstrumenten waarmee Asus kon vaststellen welke detailhandelaren Asusproducten verkochten onder het gewenste prijsniveau, dat gewoonlijk overeenkwam met de aanbevolen wederverkoopprijs.

(14)

Asus werd via klachten van andere detailhandelaren ook geïnformeerd over detailhandelaren die lage prijzen hanteerden. Detailhandelaren die niet aan het gewenste prijsniveau voldeden, werden gewoonlijk door Asus gecontacteerd en verzocht de prijs te verhogen.

(15)

Detailhandelaren die herhaaldelijk het gewenste niveau van de wederverkoopprijzen niet in acht namen, werden door Asus bedreigd en/of gesanctioneerd.

2.4.   Remedies

(16)

In het besluit worden de richtsnoeren voor berekening van het bedrag van geldboeten van 2006 toegepast (2).

2.4.1.   Basisbedrag van de geldboete

(17)

Bij de vaststelling van de geldboeten heeft de Commissie rekening gehouden met de waarde van de verkopen van de producten waarop de onderhavige procedure betrekking heeft in 2013, het laatste volledige boekjaar waarin Asus Computer GmbH in Duitsland en Asus France SARL in Frankrijk aan de inbreuk hebben deelgenomen.

(18)

De Commissie heeft rekening gehouden met het feit dat verticale prijsbinding naar haar aard de mededinging beperkt in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU en dat verticale afspraken en onderling afgestemde feitelijke gedragingen zoals verticale prijsbinding naar hun aard vaak minder schadelijk voor de mededinging zijn dan horizontale afspraken. Rekening houdend met deze factoren en in het licht van de specifieke omstandigheden van de zaak werd het aandeel van de waarde van de verkopen vastgesteld op 7 %.

(19)

De Commissie heeft rekening gehouden met de duur van de twee afzonderlijke en continue inbreuken, zoals hierboven vermeld.

2.4.2.   Aanpassingen van het basisbedrag

(20)

In deze zaak is er geen sprake van verzwarende of verzachtende omstandigheden.

2.4.3.   Toepassing van het 10 %-omzetplafond

(21)

Geen van de berekende geldboeten bedraagt meer dan 10 % van de wereldwijde omzet van Asus.

2.4.4.   Verlaging van de geldboete in het licht van de meewerking

(22)

De Commissie concludeert dat, om tot uitdrukking te brengen dat Asus effectief met de Commissie heeft meegewerkt zonder daartoe wettelijk verplicht te zijn, de geldboete die anders zou zijn opgelegd ingevolge punt 37 van de richtsnoeren voor berekening van het bedrag van geldboeten met 40 % moet worden verlaagd.

3.   CONCLUSIE

(23)

Gelet op het voorgaande bedraagt de definitieve geldboete die ingevolge artikel 23, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 1/2003 aan Asus is opgelegd voor de afzonderlijke en continue inbreuk in Duitsland 58 162 000 EUR en voor de afzonderlijke en continue inbreuk in Frankrijk 5 360 000 EUR.

(1)  PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1.

(2)  PB C 210 van 1.9.2006, blz. 2.


21.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 338/16


Advies van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities gegeven op zijn vergadering van 10 juli 2018 betreffende een ontwerpbesluit in zaak AT.40182 — Pioneer

Rapporteur: Zweden

(2018/C 338/09)

1.   

De leden van het Adviescomité zijn het eens met de beoordeling van de Commissie dat de gedraging waarop het ontwerpbesluit betrekking heeft een eenmalige en continue inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-overeenkomst vormt.

2.   

De leden van het Adviescomité zijn het met de Commissie eens over het eindbedrag van de geldboete, met inbegrip van de verlaging ervan overeenkomstig punt 37 van de richtsnoeren voor berekening van het bedrag van geldboeten die ingevolge artikel 23, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (1) worden opgelegd.

3.   

De leden van het Adviescomité bevelen aan dat zijn advies in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt.


(1)  PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1.


21.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 338/17


Eindverslag van de raadadviseur-auditeur (1)

Zaak AT.40182 — Pioneer

(2018/C 338/10)

(1)   

In het tot Pioneer Europe N.V. („Pioneer Europe”), Pioneer GB Ltd en hun uiteindelijke moederonderneming Pioneer Corporation (samen „Pioneer”) gerichte ontwerpbesluit wordt vastgesteld dat Pioneer inbreuk heeft gemaakt op artikel 101 VWEU en artikel 53 EER via praktijken die erop gericht waren het vermogen van detailhandelaren te beperken om hun wederverkoopprijzen onafhankelijk vast te stellen en de gebieden te beperken waarin detailhandelaren konden verkopen.

(2)   

Het onderzoek is begonnen met onaangekondigde inspecties in de gebouwen van Pioneer Europe in België in december 2013.

(3)   

Kort na de inspectie heeft Pioneer aangegeven met de Commissie te willen samenwerken. Op […] heeft Pioneer verder bewijs met betrekking tot de relevante gedraging ingediend.

(4)   

Op 2 februari 2017 heeft de Commissie de procedure van artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 773/2004 (2) ingeleid tegen Pioneer Europe, Pioneer Corporation en alle juridische entiteiten die direct of indirect onder hun zeggenschap staan. Op 7 februari 2017 heeft de Commissie een verzoek om informatie tot Pioneer Europe gericht, waarop Pioneer Europe op 27 februari 2017 heeft geantwoord.

(5)   

Op […] hebben Pioneer Corporation en Pioneer Europe een formeel aanbod gedaan tot medewerking („verklaring met het oog op een schikking”). De verklaring met het oog op een schikking bevat:

een duidelijke en ondubbelzinnige erkenning van de hoofdelijke aansprakelijkheid van Pioneer Corporation en Pioneer Europe voor de inbreuk, die summier is beschreven wat betreft het voorwerp, de belangrijkste feiten, de juridische kwalificatie ervan, met inbegrip van hun rol en de duur van hun deelname aan de inbreuk. Pioneer Europe heeft ook aansprakelijkheid namens Pioneer GB Ltd erkend;

een indicatie van de maximumgeldboete die Pioneer Corporation en Pioneer Europe naar verwachting door de Commissie opgelegd zullen krijgen en die zij in het kader van een samenwerkingsprocedure zouden aanvaarden;

de bevestiging dat Pioneer Corporation en Pioneer Europe voldoende in kennis zijn gesteld van de bezwaren die de Commissie voornemens is tegen hen in te brengen en dat zij voldoende gelegenheid hebben gekregen hun standpunt aan de Commissie kenbaar te maken;

de bevestiging dat Pioneer Corporation en Pioneer Europe niet voornemens zijn een verzoek om verdere toegang tot het dossier of een verzoek om opnieuw te worden gehoord tijdens een hoorzitting in te dienen, tenzij de Commissie hun verklaring met het oog op een schikking niet in de mededeling van punten van bezwaar en het besluit weergeeft;

het akkoord om de mededeling van punten van bezwaar en het eindbesluit in het Engels te ontvangen.

(6)   

Op 7 juni 2018 heeft de Commissie de mededeling van punten van bezwaar vastgesteld, waarop Pioneer Europe, Pioneer GB Ltd en Pioneer Corporation gezamenlijk hebben geantwoord door opnieuw te bevestigen dat zij vastbesloten waren de samenwerkingsprocedure te volgen en te bevestigen dat de mededeling van punten van bezwaar de inhoud van de verklaring met het oog op een schikking weergaf. Pioneer Europe, Pioneer GB Ltd en Pioneer Corporation hebben bevestigd dat zij niet opnieuw door de Commissie wensten te worden gehoord.

(7)   

De in het ontwerpbesluit vastgestelde inbreuk en opgelegde geldboeten stemmen overeen met die welke in de verklaring met het oog op een schikking zijn erkend en aanvaard. De geldboeten worden met 50 % verminderd op grond van het feit dat Pioneer met de Commissie heeft meegewerkt zonder daartoe wettelijk verplicht te zijn door: i) het leveren van extra bewijs met een significante toegevoegde waarde ten opzichte van het bewijs waarover de Commissie reeds beschikte, aangezien daardoor de Commissie veel beter in staat werd gesteld de inbreuk te bewijzen; ii) de erkenning van de inbreuk op artikel 101 VWEU in verband met de gedraging; en iii) afstand te doen van bepaalde procedurele rechten, hetgeen tot administratieve efficiëntieverbeteringen heeft geleid.

(8)   

Overeenkomstig artikel 16 van Besluit 2011/695/EU heb ik onderzocht of in het ontwerpbesluit alleen de bezwaren worden behandeld ten aanzien waarvan Pioneer Europe, Pioneer GB Ltd en Pioneer Corporation in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunt kenbaar te maken. Ik ben tot de conclusie gekomen dat dit inderdaad het geval is.

(9)   

Alles in aanmerking genomen, ben ik van oordeel dat de procedurele rechten in deze zaak daadwerkelijk konden worden uitgeoefend.

Brussel, 12 juli 2018.

Wouter WILS


(1)  Opgesteld overeenkomstig de artikelen 16 en 17 van Besluit 2011/695/EU van de voorzitter van de Europese Commissie van 13 oktober 2011 betreffende de functie en het mandaat van de raadadviseur-auditeur in bepaalde mededingingsprocedures (PB L 275 van 20.10.2011, blz. 29).

(2)  Verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 18).


21.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 338/19


Samenvatting van het besluit van de Commissie

van 24 juli 2018

inzake een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 53 van de EER-overeenkomst

(Zaak AT.40182 — Pioneer (verticale afspraken))

(Kennisgeving geschied onder document nummer C(2018) 4790 final)

(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2018/C 338/11)

Op 24 juli 2018 heeft de Commissie een besluit vastgesteld in verband met een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 53 van de EER-overeenkomst. Overeenkomstig artikel 30 van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (1) publiceert de Commissie hierbij de namen van de partijen en de belangrijkste punten van het besluit, waaronder de opgelegde sancties, rekening houdende met het rechtmatige belang van de ondernemingen inzake de bescherming van hun bedrijfsgeheimen.

1.   INLEIDING

(1)

Het besluit is gericht tot Pioneer Corporation, Pioneer Europe N.V. en Pioneer GB Ltd (samen „Pioneer”). Tijdens de inbreukperiode waren Pioneer Europe N.V. en Pioneer GB Ltd volle dochterondernemingen van Pioneer Corporation (Japan).

(2)

Het besluit heeft betrekking op een eenmalige en continue inbreuk op artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („VWEU”) en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte („EER”). In strijd met artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-overeenkomst paste Pioneer in twaalf EER-landen praktijken toe die erop gericht waren het vermogen van detailhandelaren te beperken om hun wederverkoopprijzen onafhankelijk vast te stellen en de gebieden te beperken waar ze hun producten konden verkopen.

2.   BESCHRIJVING VAN DE ZAAK

2.1.   Procedure

(3)

De zaak tegen Pioneer is begonnen met een onaangekondigde inspectie op 3 december 2013 in de lokalen van Pioneer Europe N.V. in België in verband met vermeende verticale prijsbinding met betrekking tot consumentenelektronicaproducten van Pioneer. Kort na de inspectie heeft Pioneer aangegeven met de Commissie te willen samenwerken en verder bewijs ingediend met betrekking tot de relevante gedraging.

(4)

Op 10 maart 2015 heeft de Commissie onaangekondigde inspecties uitgevoerd bij een online detailhandelaar in Frankrijk en bij een andere online detailhandelaar in Duitsland. Deze detailhandelaren verkopen onder meer producten van Pioneer.

(5)

Op 2 februari 2017 heeft de Commissie de procedure ingeleid om een besluit te nemen op grond van hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 1/2003.

(6)

Vervolgens heeft Pioneer een formeel aanbod ingediend tot medewerking met het oog op het vaststellen van een besluit ingevolge artikel 7 en artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1/2003.

(7)

Op 7 juni 2018 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar vastgesteld gericht tot Pioneer. Op 14 juni 2018 heeft Pioneer zijn antwoord op de mededeling van punten van bezwaar ingediend.

(8)

Het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities heeft op 10 juli 2018 een positief advies uitgebracht.

(9)

Op 24 juli 2018 heeft de Commissie het besluit vastgesteld.

2.2.   Adressaten en duur

(10)

De volgende onderneming heeft inbreuk gemaakt op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-overeenkomst door, gedurende de hieronder aangegeven periode, deel te nemen aan concurrentieverstorende praktijken:

Onderneming

Duur

Pioneer

2 januari 2011-14 november 2013

2.3.   Samenvatting van de inbreuk

(11)

De producten waarop het besluit betrekking heeft, zijn consumentenelektronicaproducten voor thuisgebruik van de Home Division van Pioneer.

(12)

Tijdens de inbreukperiode heeft Pioneer een pan-Europese strategie ontwikkeld en geïmplementeerd om de nauwlettende monitoring van de wederverkoopprijzen van de producten van zijn Home Division aan te moedigen, te coördineren en te vergemakkelijken. In dit verband heeft Pioneer maatregelen genomen om de wederverkoopprijzen van detailhandelaren in 12 EER-landen te monitoren en kleinhandelaren om verhoging van de wederverkoopprijzen te verzoeken en daartoe hun instemming te verkrijgen. Dit werd bereikt door commerciële druk uit te oefenen op detailhandelaren met lagere prijzen en in sommige gevallen door vergeldingsmaatregelen te nemen tegen niet-conforme detailhandelaren. Daarnaast heeft Pioneer maatregelen genomen om de parallelhandel in producten van Home Division binnen de EER te beperken, te ontmoedigen of te voorkomen.

(13)

Pioneer intervenieerde na klachten van detailhandelaren over de wederverkoopprijzen van hun concurrenten of proactief. De stijging van de wederverkoopprijzen en het voorkomen van grensoverschrijdende onlineverkopen in andere EER-landen werd gerealiseerd door het traceren van serienummers, waardoor Pioneer de detailhandelaren/parallelhandelaren met lagere prijzen kon identificeren.

(14)

Terwijl Pioneer het meest aan verticale prijsbinding deed in Frankrijk, Duitsland, België en Nederland, was de algemene aanpak van Pioneer inzake wederverkoopprijzen vergelijkbaar in de andere betrokken EER-landen (Denemarken, Finland, Italië, Portugal, Spanje, Zweden, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen).

(15)

Door de wederverkoopprijzen van zijn detailhandelaars nauwlettend te volgen, te interveniëren bij de detailhandelaars met de laagste prijzen om hun prijzen te laten stijgen en grensoverschrijdende onlineverkopen te voorkomen, probeerde Pioneer online prijserosie over zijn volledige (online) retailnetwerk te voorkomen of te vertragen.

2.4.   Remedies

(16)

In het besluit worden de richtsnoeren voor berekening van het bedrag van geldboeten van 2006 toegepast (2).

2.4.1.   Basisbedrag van de geldboete

(17)

Bij de vaststelling van de geldboeten heeft de Commissie rekening gehouden met de waarde van de verkopen in 2012, het laatste volledige boekjaar waarin Pioneer aan de inbreuk deelnam.

(18)

De Commissie heeft rekening gehouden met het feit dat verticale prijsbinding en parallelhandelsbeperkingen door hun aard de mededinging beperken in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU en artikel 53 van de EER-overeenkomst. De Commissie heeft er ook rekening mee gehouden dat verticale afspraken en onderling afgestemde feitelijke gedragingen door hun aard vaak minder schadelijk voor de mededinging zijn dan horizontale afspraken. Rekening houdend met deze factoren en in het licht van de specifieke omstandigheden van de zaak werd het aandeel van de waarde van de verkopen vastgesteld op 8 %.

(19)

De Commissie heeft rekening gehouden met de duur van de eenmalige en continue inbreuk, zoals hierboven vermeld.

2.4.2.   Aanpassingen van het basisbedrag

(20)

In deze zaak is er geen sprake van verzwarende of verzachtende omstandigheden.

2.4.3.   Toepassing van het 10 %-omzetplafond

(21)

De berekende boete bedraagt niet meer dan 10 % van de wereldwijde omzet van Pioneer.

2.4.4.   Verlaging van de geldboete in het licht van de samenwerking

(22)

De Commissie concludeert dat, om tot uitdrukking te brengen dat Pioneer zeer effectief met de Commissie heeft meegewerkt zonder daartoe wettelijk verplicht te zijn, de geldboete die anders zou zijn opgelegd ingevolge punt 37 van de richtsnoeren voor berekening van het bedrag van geldboeten met 50 % moet worden verlaagd.

3.   CONCLUSIE

(23)

Gelet op het voorgaande bedraagt de definitieve geldboete die ingevolge artikel 23, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 1/2003 aan Pioneer is opgelegd voor de eenmalige en continue inbreuk 10 173 000 EUR.

(1)  PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1.

(2)  PB C 210 van 1.9.2006, blz. 2.


De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming

21.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 338/22


Samenvatting van het advies van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) inzake het voorstel voor een verordening betreffende de versterking van de beveiliging van identiteitskaarten van burgers van de Unie en andere documenten

(De volledige tekst van dit advies is beschikbaar in het Duits, het Engels en het Frans op de EDPS-website: www.edps.europa.eu)

(2018/C 338/12)

In dit advies wordt het standpunt van de EDPS uiteengezet inzake het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de versterking van de beveiliging van identiteitskaarten van burgers van de Unie en van verblijfsdocumenten afgegeven aan burgers van de Unie en hun familieleden die hun recht van vrij verkeer uitoefenen.

In dit verband merkt de EDPS op dat de Commissie er duidelijk voor gekozen heeft de aspecten van het voorstel betreffende vrij verkeer voorop te stellen en de doelstelling van beveiliging als een uitvloeisel daarvan te behandelen. De EDPS merkt op dat dit mogelijk gevolgen heeft voor de analyse van noodzaak en evenredigheid van de elementen van het voorstel.

De EDPS steunt de doelstelling van de Europese Commissie om de beveiligingsnormen te verbeteren die van toepassing zijn op identiteitskaarten en verblijfsdocumenten, hetgeen bijdraagt aan de veiligheid van de Unie als geheel. Tegelijkertijd overweegt de EDPS dat in dit kader de noodzaak van het verwerken van twee typen biometrische gegevens (gezichtsopname en vingerafdrukken) in het voorstel onvoldoende is gerechtvaardigd, en dat daarnaast de genoemde doelstellingen kunnen worden bereikt met een minder ingrijpende benadering.

In het kader van de EU-wetgeving en het gemoderniseerde Verdrag 108 worden biometrische gegevens als gevoelige gegevens beschouwd, waarop bijzondere bescherming van toepassing is. De EDPS benadrukt dat zowel gezichtsopnamen als vingerafdrukken die zouden worden verwerkt uit hoofde van het voorstel, duidelijk in deze categorie gevoelige gegevens zouden vallen.

Bovendien overweegt de EDPS dat het voorstel een brede impact zou hebben op zo’n 370 miljoen EU-burgers, en dat mogelijk 85 % van de bevolking van de EU onderworpen zou zijn aan het vereiste van verplichte afname van vingerafdrukken. Gezien dit brede toepassingsgebied en de grote gevoeligheid van de gegevens die worden verwerkt (gezichtsopnamen in combinatie met vingerafdrukken), moet de noodzakelijkheid nauwkeurig worden getoetst.

Daarbij erkent de EDPS dat, gezien de verschillen tussen identiteitskaarten en paspoorten, echtheidskenmerken die als passend zijn te beschouwen voor paspoorten, niet automatisch maar pas na reflectie en grondige analyse op identiteitskaarten kunnen worden ingevoerd.

Bovendien wenst de EDPS te benadrukken dat op onderhavige verwerking artikel 35, lid 10, van de algemene verordening gegevensbescherming (1) (hierna „AVG” genoemd) van toepassing zou zijn. In dit kader merkt de EDPS op dat de effectbeoordeling waarvan het voorstel vergezeld gaat, geen steun lijkt te bieden voor de beleidsoptie die door de Commissie is gekozen, d.w.z. het in de gegevens op identiteitskaarten (en verblijfsdocumenten) opnemen van zowel gezichtsopnamen als (twee) vingerafdrukken. De effectbeoordeling waarvan het voorstel vergezeld gaat, kan dan ook niet worden beschouwd als toereikend voor naleving van artikel 35, lid 10, van de AVG. Daarom beveelt de EDPS aan de noodzaak en evenredigheid van het verwerken van biometrische gegevens (gezichtsopname in combinatie met vingerafdrukken) in dit kader opnieuw te beoordelen.

Bovendien moet het voorstel uitdrukkelijk voorzien in waarborgen tegen het door lidstaten opzetten van nationale databases van vingerafdrukgegevens in het kader van uitvoering van het voorstel. Aan het voorstel moet een uitdrukkelijke bepaling worden toegevoegd dat de biometrische gegevens die in het kader van het voorstel worden verwerkt, onmiddellijk nadat ze op de chip zijn opgenomen moeten worden gewist en niet verder mogen worden verwerkt voor andere doeleinden dan die uitdrukkelijk in het voorstel zijn genoemd.

De EDPS begrijpt dat het gebruik van biometrische gegevens kan worden beschouwd als legitieme antifraudemaatregel, maar de noodzaak om twee typen biometrische gegevens op te slaan voor de in het voorstel bepaalde doeleinden wordt niet door het voorstel gerechtvaardigd. Het gebruik van slechts één biometrisch gegeven (bijv. alleen gezichtsopname) behoort ook tot de mogelijkheden.

De EDPS benadrukt bovendien dat hij er begrip voor heeft dat het opslaan van vingerafdrukken bevorderlijk is voor interoperabiliteit, maar dat het tegelijkertijd leidt tot een grotere hoeveelheid verwerkte biometrische gegevens en tot een hoger risico op identiteitsfraude wanneer er een inbreuk in verband met persoonsgegevens plaatsvindt. De EDPS beveelt dan ook aan de vingerafdrukgegevens die op de chip van het document worden opgeslagen, te beperken tot minutiae of patronen, een subset van de kenmerken die uit het beeld van de vingerafdruk worden geëxtraheerd.

Ten slotte beveelt de EDPS aan, met inachtneming van het brede toepassingsgebied en het potentiële effect van het voornoemde voorstel, de minimumleeftijd voor kinderen van wie vingerafdrukken worden verzameld uit hoofde van het voorstel, te stellen op veertien jaar, in overeenstemming met andere instrumenten van EU-recht.

1.   INLEIDING EN ACHTERGROND

1.

Op 17 april 2018 bracht de Europese Commissie (hierna „de Commissie” genoemd) het voorstel uit voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de versterking van de beveiliging van identiteitskaarten van burgers van de Unie en van verblijfsdocumenten afgegeven aan burgers van de Unie en hun familieleden die hun recht van vrij verkeer uitoefenen (2), dat beoogt de beveiligingskenmerken van identiteitskaarten van EU-burgers en verblijfskaarten van niet-EU-familieleden te verbeteren (hierna „het voorstel” genoemd).

2.

Dit voorstel voor een verordening is onderdeel van het actieplan van december 2016 „voor een krachtige Europese reactie op reisdocumentfraude” (hierna „het actieplan van december 2016” genoemd) (3), waarin de Commissie maatregelen noemde ter bestrijding van het probleem van de beveiliging van documenten, met inbegrip van identiteitskaarten en verblijfsdocumenten, in het kader van recente terroristische aanslagen in Europa.

3.

Identiteitskaarten spelen een belangrijke rol bij het identificeren van een persoon voor administratieve en commerciële doeleinden, hetgeen door de Commissie is benadrukt in haar mededeling die op 14 september 2016 is aangenomen: „Versterking van de veiligheid in een door mobiliteit gekenmerkte wereld door betere informatie-uitwisseling in de strijd tegen terrorisme en door sterkere buitengrenzen” (4). De noodzaak tot verbetering van de veiligheid van deze documenten is eveneens uitgelicht in het verslag over het EU-burgerschap van 2017.

4.

De EDPS heeft onder andere tot taak de diensten van de Commissie te adviseren bij het opstellen van nieuwe wetgevingsvoorstellen die gevolgen hebben voor gegevensbescherming.

5.

De EDPS waardeert het dat hij reeds informeel door de Europese Commissie over het conceptvoorstel is geraadpleegd en de gelegenheid heeft gekregen om input te leveren over aspecten betreffende gegevensbescherming.

7.   CONCLUSIES

De EDPS merkt op dat de Commissie er duidelijk voor gekozen heeft de aspecten van het voorstel betreffende vrij verkeer voorop te stellen en de doelstelling van beveiliging als een uitvloeisel daarvan te behandelen. De EDPS merkt op dat dit mogelijk gevolgen heeft voor de analyse van noodzaak en evenredigheid van de elementen van het voorstel.

De EDPS steunt de doelstelling van de Europese Commissie om de beveiligingsnormen te verbeteren die van toepassing zijn op identiteitskaarten en verblijfsdocumenten, hetgeen bijdraagt aan de veiligheid van de Unie als geheel. Tegelijkertijd overweegt de EDPS dat in dit kader de noodzaak van het verwerken van twee typen biometrische gegevens (gezichtsopname en vingerafdrukken) in het voorstel onvoldoende is gerechtvaardigd, en dat daarnaast de genoemde doelstellingen kunnen worden bereikt met een minder ingrijpende benadering.

In het kader van de EU-wetgeving en het gemoderniseerde Verdrag 108 worden biometrische gegevens als gevoelige gegevens beschouwd, waarop bijzondere bescherming van toepassing is. De EDPS benadrukt dat zowel gezichtsopnamen als vingerafdrukken die zouden worden verwerkt uit hoofde van het voorstel, duidelijk in deze categorie gevoelige gegevens zouden vallen.

Bovendien overweegt de EDPS dat het voorstel een brede impact zou hebben op zo’n 370 miljoen EU-burgers, en dat mogelijk 85 % van de bevolking van de EU onderworpen zou zijn aan het vereiste van verplichte afname van vingerafdrukken. Gezien dit brede toepassingsgebied en de grote gevoeligheid van de gegevens die worden verwerkt (gezichtsopnamen in combinatie met vingerafdrukken), moet de noodzakelijkheid nauwkeurig worden getoetst.

Daarbij erkent de EDPS dat, gezien de verschillen tussen identiteitskaarten en paspoorten, echtheidskenmerken die als passend zijn te beschouwen voor paspoorten, niet automatisch maar pas na reflectie en grondige analyse op identiteitskaarten kunnen worden ingevoerd.

Bovendien wenst de EDPS te benadrukken dat op onderhavige verwerking artikel 35, lid 10, van de AVG van toepassing zou zijn. In dit kader merkt de EDPS op dat de effectbeoordeling waarvan het voorstel vergezeld gaat, geen steun lijkt te bieden voor de beleidsoptie die door de Commissie is gekozen, d.w.z. het in de gegevens op identiteitskaarten (en verblijfsdocumenten) opnemen van zowel gezichtsopnamen als (twee) vingerafdrukken. De effectbeoordeling waarvan het voorstel vergezeld gaat, kan dan ook niet worden beschouwd als toereikend voor naleving van artikel 35, lid 10, van de AVG. Daarom beveelt de EDPS aan de noodzaak en evenredigheid van het verwerken van biometrische gegevens (gezichtsopname in combinatie met vingerafdrukken) in dit kader opnieuw te beoordelen.

Bovendien moet het voorstel uitdrukkelijk voorzien in waarborgen tegen het door lidstaten opzetten van nationale databases van vingerafdrukgegevens in het kader van uitvoering van het voorstel. Aan het voorstel moet een uitdrukkelijke bepaling worden toegevoegd dat de biometrische gegevens die in het kader van het voorstel worden verwerkt, onmiddellijk nadat ze op de chip zijn opgenomen moeten worden gewist en niet verder mogen worden verwerkt voor andere doeleinden dan die uitdrukkelijk in het voorstel zijn genoemd.

De EDPS begrijpt dat het gebruik van biometrische gegevens kan worden beschouwd als legitieme antifraudemaatregel, maar de noodzaak om twee typen biometrische gegevens op te slaan voor de in het voorstel bepaalde doeleinden wordt niet door het voorstel gerechtvaardigd. Het gebruik van slechts één biometrisch gegeven (bijv. alleen gezichtsopname) behoort ook tot de mogelijkheden.

De EDPS benadrukt bovendien dat hij er begrip voor heeft dat het opslaan van vingerafdrukken bevorderlijk is voor interoperabiliteit, maar dat het tegelijkertijd leidt tot een grotere hoeveelheid verwerkte biometrische gegevens en tot een hoger risico op identiteitsfraude wanneer er een inbreuk in verband met persoonsgegevens plaatsvindt. De EDPS beveelt dan ook aan de vingerafdrukgegevens die op de chip van het document worden opgeslagen, te beperken tot minutiae of patronen, een subset van de kenmerken die uit het beeld van de vingerafdruk worden geëxtraheerd.

Ten slotte beveelt de EDPS aan, met inachtneming van het brede toepassingsgebied en het potentiële effect van het voornoemde voorstel, de minimumleeftijd voor kinderen van wie vingerafdrukken worden verzameld uit hoofde van het voorstel, te stellen op veertien jaar, in overeenstemming met andere instrumenten van EU-recht.

Gedaan te Brussel, 10 augustus 2018.

Giovanni BUTTARELLI

Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming


(1)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(2)  Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2018 betreffende de versterking van de beveiliging van identiteitskaarten van burgers van de Unie en van verblijfsdocumenten afgegeven aan burgers van de Unie en hun familieleden die hun recht van vrij verkeer uitoefenen, COM(2018) 212 final, 2018/0104 (COD).

(3)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 8 december 2016: Actieplan voor een krachtige Europese reactie op reisdocumentfraude, COM(2016) 790 final.

(4)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad en de Raad „Versterking van de veiligheid in een door mobiliteit gekenmerkte wereld door betere informatie-uitwisseling in de strijd tegen terrorisme en door sterkere buitengrenzen”, COM(2016) 602 final.


V Bekendmakingen

PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID

Europese Commissie

21.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 338/25


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak M.8994 — Microsoft/GitHub)

(Voor de EER relevante tekst)

(2018/C 338/13)

1.   

Op 14 september 2018 heeft de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen, na een verwijzing overeenkomstig artikel 4, lid 5, van die verordening.

Deze aanmelding betreft de volgende ondernemingen:

Microsoft Corporation (Verenigde Staten);

GitHub Inc. (Verenigde Staten).

Microsoft Corporation verkrijgt uitsluitende zeggenschap in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening over het geheel van GitHub Inc. De concentratie komt tot stand door de verwerving van aandelen.

2.   

De activiteiten van de betrokken ondernemingen zijn:

—   Microsoft Corporation: ontwerp, ontwikkeling en levering van computersoftware (waaronder verschillende softwareontwikkelingsinstrumenten en beheersinstrumenten („DevOps”), hardwareapparatuur en aanverwante diensten, cloudgebaseerde oplossingen, onlineadvertenties, aanwervings- en professionele socialenetwerkdiensten;

—   GitHub Inc.: levering van softwareontwikkelingsinstrumenten en beheersinstrumenten („DevOps”) en meer bepaald de populaire controlesoftware voor onlinegebruik (als een dienst) en in verkooppunten, en vacaturediensten.

3.   

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden.

4.   

De Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na de datum van deze bekendmaking hebben bereikt. De volgende referentie moet altijd worden vermeld:

M.8994 — Microsoft/GitHub

Opmerkingen kunnen aan de Commissie worden toegezonden per e-mail, per fax of per post. Gelieve de onderstaande contactgegevens te gebruiken:

E-mail: COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu

Fax +32 22964301

Postadres:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 („de concentratieverordening”).


21.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 338/27


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak M.8785 — The Walt Disney Company/Twenty-First Century Fox)

(Voor de EER relevante tekst)

(2018/C 338/14)

1.   

Op 14 september 2018 heeft de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen.

Deze aanmelding betreft de volgende ondernemingen:

The Walt Disney Company („TWDC”, Verenigde Staten);

Twenty-First Century Fox, Inc. („Fox”, Verenigde Staten).

TWDC verkrijgt zeggenschap in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening over delen van Fox.

De concentratie komt tot stand door de verwerving van aandelen.

2.   

De activiteiten van de betrokken ondernemingen zijn:

—   TWDC: hoofdzakelijk actief in de distributie van bioscoopfilms, de levering/licentiëring van televisiecontent, de exploitatie en de wholesalelevering van televisiekanalen, consumentenartikelen, boeken en tijdschriften, aanbieder van liveamusement en licentiëring van muziek. Zij bezit en exploiteert ook een themapark, Disneyland Parijs, en biedt cruises via Disney Cruise Line en reispakketten aan;

—   Fox: hoofdzakelijk actief in de distributie van bioscoopfilms, de levering/licentiëring van televisiecontent en de exploitatie en de wholesalelevering van televisiekanalen.

3.   

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden.

4.   

De Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na de datum van deze bekendmaking hebben bereikt. De volgende referentie moet altijd worden vermeld:

M.8785 — The Walt Disney Company/Twenty-First Century Fox

Opmerkingen kunnen aan de Commissie worden toegezonden per e-mail, per fax of per post. Gelieve de onderstaande contactgegevens te gebruiken:

E-mail: COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu

Fax +32 22964301

Postadres:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 („de concentratieverordening”).


21.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 338/28


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak M.9102 — Carlyle/Investindustrial/B&B Italia/Louis Poulsen/Flos)

Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak

(Voor de EER relevante tekst)

(2018/C 338/15)

1.   

Op 14 september 2018 heeft de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen.

Deze aanmelding betreft de volgende ondernemingen:

CEP IV Daisy S.à r.l., dat onder zeggenschap staat van The Carlyle Group (tezamen „Carlyle”, Verenigde Staten);

Investindustrial Vehicle, dat onder zeggenschap staat van Investindustrial Group (tezamen „Investindustrial”, Verenigd Koninkrijk);

B&B Italia SpA („B&B Italia”, Italië);

Louis Poulsen A/S („Louis Poulsen”, Denemarken);

Flos SpA („Flos”, Italië).

Carlyle en Investindustrial verkrijgen gezamenlijke zeggenschap in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), en artikel 3, lid 4, van de concentratieverordening over het geheel van B&B Italia, Flos en Louis Poulsen. De concentratie komt tot stand door de verwerving van aandelen.

2.   

De activiteiten van de betrokken ondernemingen zijn:

—   Carlyle: internationale alternatieve vermogensbeheerder die fondsen beheert die wereldwijd beleggen in buy-outs en groeikapitaal, vastgoed, infrastructuur en energie, gestructureeerd krediet, hefboomfondsen, midmarket-schuldinstrumenten en private-equity;

—   Investindustrial: Europese groep van investeringsondernemingen, holdings en financieel adviesbureaus met investeringen in middelgrote ondernemingen die actief zijn in de sectoren be- en verwerkende industrie, kleinhandel, vrijetijdsbesteding en zakelijke diensten;

—   B&B Italia: vervaardiging en distributie van designmeubilair met de nadruk op binnen- en buitenmeubilair voor residentiële toepassingen, waaronder meubilair voor eetkamers, slaapkamers, keukens, alsook lichtarmaturen voor gebruik binnenshuis;

—   Louis Poulsen: vervaardiging en distributie van design-verlichtingsoplossingen, waaronder binnen- en buitenverlichtingsproducten voor consumenten en voor professioneel gebruik;

—   Flos: vervaardiging en distributie van designverlichtingsoplossingen, waaronder binnen- en buitenverlichtingsproducten voor consumenten en voor professioneel gebruik.

3.   

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden.

Er zij op gewezen dat deze zaak in aanmerking komt voor de vereenvoudigde procedure zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (2).

4.   

De Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na de datum van deze bekendmaking hebben bereikt. De volgende referentie moet altijd worden vermeld:

M.9102 — Carlyle/Investindustrial/B&B Italia/Louis Poulsen/Flos

Opmerkingen kunnen aan de Commissie worden toegezonden per e-mail, per fax of per post. Gelieve de onderstaande contactgegevens te gebruiken:

E-mail: COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu

Fax +32 22964301

Postadres:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 („de concentratieverordening”).

(2)  PB C 366 van 14.12.2013, blz. 5.