ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 176

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

61e jaargang
23 mei 2018


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

RESOLUTIES

 

Comité van de Regio's

 

127e CvdR-zitting, 31.1.2018-1.2.2018

2018/C 176/01

Resolutie van het Europees Comité van de Regio’s over de jaarlijkse groeianalyse 2018 van de Europese Commissie

1

2018/C 176/02

Resolutie van het Europees Comité van de Regio’s over de wijziging van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen voor de ESI-fondsen ter ondersteuning van structurele hervormingen

5

2018/C 176/03

Resolutie van het Europees Comité van de Regio’s over het Commissievoorstel voor een besluit van de Raad betreffende de constatering van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending, door de Republiek Polen, van de rechtsstaat

8

 

ADVIEZEN

 

Comité van de Regio's

 

127e CvdR-zitting, 31.1.2018-1.2.2018

2018/C 176/04

Advies van het Europees Comité van de Regio’s over de toekomst van het programma Cosme na 2020: het perspectief van lokale en regionale overheden

10

2018/C 176/05

Advies van het Europees Comité van de Regio’s — Naar een volledige toepassing van de vernieuwde Europese strategie voor de ultraperifere gebieden

15

2018/C 176/06

Advies van het Europees Comité van de Regio’s — Erasmus voor lokale en regionale afgevaardigden

21

2018/C 176/07

Advies van het Europees Comité van de Regio’s — Het bevorderen van de co-existentie met tot conflicten aanleiding gevende soorten, in het kader van de natuurrichtlijnen van de EU

25

2018/C 176/08

Advies van het Europees Comité van de Regio's over de digitale interne markt: tussentijdse evaluatie

29

2018/C 176/09

Advies van het Europees Comité van de Regio's over de discussienota over de toekomst van de EU-financiën

34

2018/C 176/10

Advies van het Europees Comité van de Regio’s — Geïntegreerde territoriale investeringen — Uitdaging voor het cohesiebeleid van de EU na 2020

40


 

III   Voorbereidende handelingen

 

COMITÉ VAN DE REGIO'S

 

127e CvdR-zitting, 31.1.2018-1.2.2018

2018/C 176/11

Advies van het Europees Comité van de Regio’s — Initiatief voor de duurzame ontwikkeling van de blauwe economie in het westelijke Middellandse Zeegebied

46

2018/C 176/12

Advies van het Europees Comité van de Regio’s — Slotconclusies en aanbevelingen van de groep op hoog niveau Vereenvoudiging na 2020

51

2018/C 176/13

Advies van het Europees Comité van de Regio’s over Europa in beweging: arbeidsaspecten van wegvervoer

57

2018/C 176/14

Advies van het Europees Comité van de Regio’s over Europa in beweging: bevordering van naadloze mobiliteitsoplossingen

66


NL

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

RESOLUTIES

Comité van de Regio's

127e CvdR-zitting, 31.1.2018-1.2.2018

23.5.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 176/1


Resolutie van het Europees Comité van de Regio’s over de jaarlijkse groeianalyse 2018 van de Europese Commissie

(2018/C 176/01)

Ingediend door de fracties van EVP, PSE, ALDE, EA en ECR

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S (CvdR),

gezien de mededeling van de Europese Commissie over de jaarlijkse groeianalyse 2018 (1) en de start van het Europees Semester 2018,

gezien zijn resolutie van 11 oktober 2017 over het Europees Semester 2017 en met het oog op de jaarlijkse groeianalyse 2018,

gezien de resolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2017 over het economisch beleid van de eurozone (2),

1.

is van mening dat er ondanks het relatieve macro-economische herstel van de economie van de EU nog steeds geen reden is voor zelfgenoegzaamheid, aangezien de werkloosheid in veel Europese regio’s, met name onder jongeren, nog steeds te hoog is en verschillende opeenvolgende jaren van onvoldoende investeringen zwaar drukken op het concurrentievermogen en de cohesie van de EU;

2.

deelt de mening van de Commissie dat het, gezien het zwakke concurrentievermogen en de geringe cohesie in de EU evenals de onstabiele bancaire situatie, noodzakelijk is de structurele tekortkomingen van de economische en monetaire unie (EMU) te verhelpen voordat er een nieuwe crisis ontstaat, zoals het CvdR in zijn advies over de verdieping van de economische en monetaire unie (EMU) tegen 2025 heeft aangegeven (3);

3.

is ingenomen met het belang dat in de jaarlijkse groeianalyse wordt gehecht aan de Europese pijler van sociale rechten;

4.

vindt het een goede zaak dat in de jaarlijkse groeianalyse sterke nadruk wordt gelegd op langetermijngroei en betreurt het dan ook dat de richtsnoeren voor de korte termijn niet zijn afgestemd op de langetermijndoelstellingen van de EU op het gebied van duurzame groei en werkgelegenheid. De landenspecifieke aanbevelingen zouden meer recht moeten doen aan de doelstellingen van de VN-agenda voor duurzame ontwikkeling in 2030;

5.

betreurt dat in de jaarlijkse groeianalyse niet wordt verwezen naar de rol van de lokale en regionale overheden waar het gaat om investeringen; herinnert eraan dat de lokale en regionale overheden verantwoordelijk zijn voor meer dan de helft van de overheidsinvesteringen in de EU; dringt er bij de lidstaten op aan de bestaande belemmeringen weg te nemen die particuliere en openbare investeringen op lokaal en regionaal niveau in de weg staan; betreurt dat de analyse van de belemmeringen voor investeringen, waarmee in de jaarlijkse groeianalyse 2016 een begin werd gemaakt, in de groeianalyse 2018 niet wordt voortgezet;

6.

om het Europees Semester doeltreffender te maken en het lokale draagvlak te verbreden, is het volgens het CvdR een conditio sine qua non dat de lokale en regionale overheden als partners structureel bij het Europees Semester worden betrokken, in het licht van de feitelijke verdeling van taken en bevoegdheden over de verschillende bestuursniveaus in de EU-lidstaten. Het CvdR herhaalt zijn pleidooi voor een gedragscode voor de betrokkenheid van lokale en regionale overheden bij het Europees Semester (4) en verzoekt de Commissie derhalve om zich actief in te zetten voor de totstandbrenging van een dergelijke code; beveelt voorts aan om in de volgende jaarlijkse groeianalyse een specifiek hoofdstuk op te nemen over de toestand van de regio’s en in te gaan op de rol van de lokale en regionale overheden, en verzoekt de lidstaten hetzelfde te doen in hun nationale hervormingsprogramma’s;

7.

zou graag zien dat de lidstaten de lokale en regionale overheden direct betrekken bij de nationale hervormingsprogramma’s en het Europees Semester, zonder te vergeten dat de regio’s niet mogen worden gestraft voor het niet halen van doelstellingen waarvoor enkel de nationale overheid verantwoordelijk is;

8.

is van mening dat in de landenspecifieke aanbevelingen een prominentere plaats zou moeten worden ingeruimd voor de vraagstukken in verband met demografische ontwikkelingen, aangezien deze laatste een steeds belangrijkere parameter worden voor territoriale en sociale cohesie;

9.

benadrukt dat de ESI-fondsen het belangrijkste instrument van de EU zijn — en moeten blijven — om de in het Verdrag vastgelegde doelstellingen van economische, sociale en territoriale cohesie te verwezenlijken. De vereiste programmering in de operationele programma’s heeft zich bewezen als onmisbaar instrument om de economische situatie van de regio’s en hun behoefte aan hervormingen te beoordelen;

10.

is ook gekant tegen het idee om het cohesiebeleid ondergeschikt te maken aan het Europees Semester, aangezien het cohesiebeleid zijn eigen legitimiteit heeft, die in de Europese Verdragen is vastgelegd. Bovendien, als de koppeling efficiënter moet worden gemaakt door cohesiebeleid in de nationale hervormingsprogramma’s op te nemen, dan moeten de laatstgenoemde, om te beginnen op Europees niveau, zo opgezet worden dat de territoriale dimensie, alsook het gemeenschappelijke en decentrale uitgangspunt onaangetast blijven (5);

11.

wijst erop dat niet alleen de administratieve capaciteit moet worden versterkt, maar dat er ook behoefte is aan een echte vereenvoudiging van de regels voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF), die schadelijk zijn voor bedoelde capaciteit en de efficiëntie van het personeel dat verantwoordelijk is voor het beheer van deze fondsen;

12.

is verheugd over de resultaten van het EFSI tot nu toe voor wat betreft het bedrag van de gedane investeringen; blijft echter bezorgd over de onzekere additionaliteit en het onevenwichtige geografische bereik van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI); wijst erop dat, zoals blijkt uit een recente studie in opdracht van het CvdR (6), een gebrek aan administratieve capaciteit, een gebrek aan financiële middelen voor langetermijninvesteringen en omslachtige regelgeving het gebruik van het EFSI door de lokale en regionale overheden nog steeds onmogelijk maken;

13.

neemt kennis van het speciale initiatief van de Commissie om de toegang tot financiering uit het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) te vergemakkelijken voor de ultraperifere regio’s, dit in samenwerking met de Europese Investeringsbank (EIB) en na raadpleging van de Europese investeringsadvieshub;

14.

herinnert eraan dat het CvdR voorstander is van initiatieven voor verdere liberalisering van de handel, maar dringt erop aan dat elk nieuw initiatief wordt voorafgegaan door effectbeoordelingen waarin mogelijke asymmetrische effecten op Europese regio’s in een vroeg stadium worden vastgesteld en gekwantificeerd, zodat hierop snel kan worden gereageerd in het overheidsbeleid. Ook dringt het erop aan dat de handelsbeschermingsinstrumenten van de EU een snel en doeltreffend instrument worden om oneerlijke handelspraktijken aan te pakken;

15.

is het ermee eens dat de toekomst van de Europese industrie afhankelijk is van haar vermogen om in hoogwaardige productie en nieuwe technologieën te investeren en de uitdagingen en kansen van digitalisering en het koolstofarm maken van de economie aan te gaan, en dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan investeringen in technologische voorzieningen voor het mkb en de specialisatie van werknemers; verzoekt de Commissie de mededeling over de strategie voor het industriebeleid te gebruiken als uitgangspunt voor de ontwikkeling van een ambitieuzere en holistische visie op de Europese industrie met een tijdshorizon op middellange termijn en een sterke territoriale dimensie, rekening houdend met de centrale rol van regionale ecosystemen bij industriële modernisering;

16.

benadrukt dat, om verenigbaar te zijn met het subsidiariteitsbeginsel en voor Europese toegevoegde waarde in termen van concurrentievermogen te zorgen, structurele hervormingen in het kader van de jaarlijkse groeianalyse gericht moeten zijn op beleidsterreinen waarvoor de EU bevoegd is;

17.

benadrukt dat het van belang is om regio’s en steden te ondersteunen bij het versterken en aan elkaar koppelen van hun bedrijfsecosystemen, zodat ze het mkb kunnen helpen beter te integreren in transregionale, Europese en mondiale waardeketens; staat dan ook achter de doelstellingen van de Commissie om grensoverschrijdende toegang en samenwerking tussen kleine en middelgrote ondernemingen in de hele waardeketen te bevorderen; dit is met name noodzakelijk in de regio’s met permanente territoriale handicaps die de internationale afzetmogelijkheden van bedrijven beperken;

18.

wijst nogmaals op het belang van een ondernemingsvriendelijk bestuurlijk en regelgevend klimaat om het voor ondernemingen, en met name voor scale-ups, gemakkelijker te maken om toegang te krijgen tot financiering en fondsen aan te trekken over de grenzen heen en om het potentieel van de Europese risicokapitaalmarkt volledig te ontsluiten;

19.

benadrukt dat het gebrek aan bestuurlijke capaciteit van het openbaar bestuur op lokaal en regionaal niveau in veel gevallen een belemmering vormt voor het doorvoeren van structurele hervormingen en voor de langetermijninvesteringen die nodig zijn om de investeringskloof te dichten; herhaalt dat de Commissie een gemeenschappelijk strategisch document moet opstellen waarin alle stromen van door de EU gefinancierde technische bijstand voor capaciteitsopbouw, waaronder het steunprogramma voor structurele hervormingen, worden gecoördineerd;

20.

herhaalt zijn verzoek om investeringen van lokale en regionale overheden in het kader van de ESI-fondsen in alle EU-landen buiten beschouwing te laten bij de berekening van de door het stabiliteits- en groeipact vastgestelde tekort- en schuldplafonds; is gekant tegen macro-economische voorwaarden die erop neerkomen dat regio’s en steden worden gestraft voor politieke keuzes waarop zij geen invloed hebben;

21.

vindt ook dat er op alle bestuursniveaus moet worden gezorgd voor gezonde overheidsfinanciën en vermindering van de hoge staatsschuld in het belang van de komende generaties; benadrukt dat de samenstelling van de overheidsuitgaven moet worden verbeterd, in het licht van de OESO-beginselen voor effectieve overheidsinvesteringen op alle overheidsniveaus; zou graag worden betrokken bij het toezicht op de uitvoering van dergelijke regels; verzoekt de Commissie om zich in te spannen voor begrotingsdecentralisatie in de hele EU, hetgeen volgens de beschikbare gegevens de doeltreffendheid van de overheidsuitgaven ten goede zou komen (7);

22.

is het ermee eens dat doeltreffend gebruik moet worden gemaakt van de instrumenten die op EU-niveau beschikbaar zijn, met name de structuur- en investeringsfondsen van het cohesiebeleid, maar wijst er ook op dat de werking van het prestatiekader moet worden verbeterd en dat het gebrek aan flexibiliteit moet worden verholpen;

23.

benadrukt dat een groot deel van de overheidsopdrachten wordt uitgevoerd door lokale en regionale overheden en dat de inspanningen ter verbetering van de bestuurlijke capaciteit op het gebied van het pakket overheidsopdrachten (8) daarom specifiek op de lokale en regionale overheden moeten worden gericht;

24.

benadrukt dat 66 % van de respondenten in de recente gezamenlijke enquête van de OESO en het CvdR over de uitdagingen op het gebied van financiering, beheer en regelgeving voor infrastructuurinvesteringen in steden en regio’s in de EU (9) heeft verklaard dat de complexiteit van de EU-richtlijnen inzake overheidsopdrachten een uitdaging is, en dat 61 % worstelt met de potentiële kosten en tijd die gemoeid zijn met gerechtelijke geschillenbeslechting voor de gunning van contracten;

25.

dringt er bij de lidstaten op aan maatregelen te nemen om de bevoordeling van schulden in het belastingstelsel te verminderen en agressieve belastingplanning te bestrijden; benadrukt dat de lopende werkzaamheden met het oog op de totstandbrenging van een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag (CCCTB), juridisch bindende antimisbruikmaatregelen en meer fiscale transparantie van cruciaal belang zijn; is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om regels vast te stellen die het mogelijk maken dat winsten die door multinationals worden behaald via de digitale economie worden belast;

26.

is ingenomen met het verzoek om meer aandacht te besteden aan de samenstelling en efficiëntie van defensiegerelateerde overheidsuitgaven; benadrukt dat dergelijke uitgaven de huidige versnippering van de defensie-industrie in de EU moeten helpen tegengaan, mede door rationalisering en grensoverschrijdende samenwerking tussen bedrijven, groot en klein, aan te moedigen;

27.

stelt vast dat 76 % van de landenspecifieke aanbevelingen voor 2017 betrekking heeft op structurele hervormingen die een uiteenlopend territoriaal effect kunnen hebben en die, op grond van de huidige bevoegdheidsverdeling tussen de verschillende bestuursniveaus, alleen in partnerschap met lokale en regionale overheden kunnen worden doorgevoerd;

28.

is verheugd over de uitspraak in de jaarlijkse groeianalyse 2018 dat sterkere en efficiëntere overheidsinstellingen van cruciaal belang zijn voor de totstandbrenging van veerkrachtige economische structuren die investeringen en groei stimuleren, en vindt ook dat bij structurele hervormingen rekening moet worden gehouden met de verdelingseffecten op regio’s;

29.

draagt zijn voorzitter op om deze resolutie aan de Europese Commissie, het Europees Parlement, het Bulgaarse voorzitterschap van de Raad en de voorzitter van de Europese Raad toe te sturen.

Brussel, 1 februari 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


(1)  COM(2017) 690 final.

(2)  http://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?type=TA&reference=P8-TA-2017-0418&language=NL&ring=A8-2017-0310

(3)  Uitgebracht op 30 november 2017, rapporteur: Christophe Rouillon (FR/PSE).

(4)  Zie het CvdR-advies over de verbetering van de governance van het Europees Semester: een gedragscode voor de inbreng van de lokale en regionale overheden van 11 mei 2017.

(5)  Zie het CvdR-advies over de toekomst van het cohesiebeleid na 2020 „Naar een sterk en doeltreffend Europees cohesiebeleid na 2020” van 12 mei 2017.

(6)  http://cor.europa.eu/en/documentation/studies/Documents/Implementation-EFSI/implementation_EFSI_pdf.pdf

(7)  Zie ook OESO-verslag over Fiscal Federalism 2016 — Making Decentralisation Work.

(8)  COM(2017) 572.

(9)  Nog niet bekendgemaakt.


23.5.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 176/5


Resolutie van het Europees Comité van de Regio’s over de wijziging van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen voor de ESI-fondsen ter ondersteuning van structurele hervormingen

(2018/C 176/02)

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S (CvdR),

gelet op het voorstel van de Europese Commissie voor een verordening tot wijziging van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (EU) nr. 1303/2013 van 6 december 2017 (1);

gezien:

i)

het advies van het CvdR over het voorstel van de Commissie voor een algemene verordening over de fondsen van het gemeenschappelijk strategisch kader van 4 mei 2012, waarin staat dat decentrale overheden niet mogen worden gestraft voor het feit dat sommige lidstaten hun verplichtingen op het gebied van economische governance, met name voor wat het begrotingstekort betreft, niet nakomen;

ii)

het advies van het CvdR over het steunprogramma voor structurele hervormingen voor de periode 2017-2020 van 8 april 2016, waarin het CvdR aangaf dat het niet wil dat het cohesiebeleid afhankelijk wordt van het Europees Semester aangezien het cohesiebeleid een op zichzelf staand beleid is dat is verankerd in de Europese verdragen;

iii)

het advies van het CvdR over de toekomst van het cohesiebeleid na 2020 — „Naar een sterk en doeltreffend Europees cohesiebeleid na 2020” van 12 mei 2017, waarop de #CohesionAlliance is gebaseerd en waarin wordt onderstreept dat er bij de opname van het cohesiebeleid in de nationale hervormingsprogramma’s vanaf Europees niveau voor moet worden gezorgd dat de territoriale dimensie, alsook het gemeenschappelijke en decentrale uitgangspunt van het beleid onaangetast blijven;

iv)

het advies van het CvdR over verbetering van de governance van het Europees Semester: een gedragscode voor de inbreng van de lokale en regionale overheden van 11 mei 2017, waarin werd opgeroepen tot structurele betrokkenheid van de lokale en regionale overheden bij het Europees Semester, in het licht van de bestaande bevoegdheidsverdeling tussen de verschillende bestuursniveaus in de EU-lidstaten, teneinde het Europees Semester doeltreffender te maken en het lokale draagvlak daarvoor te vergroten;

v)

het advies van het CvdR inzake de discussienota over de verdieping van de Economische en Monetaire Unie tegen 2025 van 1 december 2017, waarin wordt gepleit voor een convergentiestrategie ter aanvulling van het reeds bestaande Europese beleid ter versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang;

1.

wijst erop dat het bevorderen van economische, sociale en territoriale samenhang een doelstelling is voor het EU-beleid op alle terreinen (artikel 3 van het EU-Verdrag), alsook een op zichzelf staand beleidsonderdeel dat in het Verdrag (artikelen 174 tot en met 177) is vastgelegd;

2.

wijst erop dat het cohesiebeleid, zoals gedefinieerd in het EU-Verdrag, geen verplichting tot financiering van algemene structurele hervormingen in de lidstaten inhoudt;

3.

benadrukt dat, met het oog op de inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, de inhoud en reikwijdte van het begrip „structurele hervormingen die in aanmerking komen voor Europese financiële steun” moeten worden vastgesteld. Het CvdR merkt op dat zulks moet worden gedaan op basis van een analyse van de Europese toegevoegde waarde, aangezien artikel 2 bis van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997, waarnaar in het huidige voorstel wordt verwezen, een wel zeer ruime definitie bevat van het begrip „structurele hervormingen”;

4.

is het niet eens met de motivering die wordt gegeven voor de naleving van het subsidiariteitsbeginsel, aangezien het cohesiebeleid, zoals ten uitvoer gelegd door de Europese structuur- en investeringsfondsen waarvoor de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (GB-verordening) het algemene rechtskader biedt, niet tot doel heeft structurele hervormingen in de lidstaten te ondersteunen, maar de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio’s en de achterstand van de minst begunstigde regio’s te verkleinen;

5.

stelt met bezorgdheid vast dat het voorstel om de ondersteuning van structurele hervormingen onder direct beheer te plaatsen en geen cofinancieringsvereisten vast te stellen voor de desbetreffende uitgaven, een hernationalisering van het cohesiebeleid doet vermoeden doordat het in strijd is met de beginselen van cofinanciering en gedeeld beheer waarop het is gebaseerd. Deze beginselen zijn van cruciaal belang voor het stimuleren van eigen inbreng, het handhaven van goed bestuur en het maximaliseren van het hefboomeffect van het cohesiebeleid;

6.

onderstreept dat het beginsel van meerlagig bestuur, dat is vastgelegd in artikel 5 van de GB-verordening, gecoördineerd optreden vereist, met name tussen de verschillende bestuursniveaus, uitgevoerd in overeenstemming met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, ook door middel van operationele en institutionele samenwerking, op het gebied van de voorbereiding en uitvoering van de partnerschapsovereenkomst en -programma’s. Het gebruik van ESIF-middelen voor de financiering van nationale hervormingen zou derhalve gecoördineerd optreden tussen de verschillende bestuursniveaus vereisen, waarvoor in het voorstel van de Commissie geen ruimte wordt gelaten;

7.

merkt verontrust op dat de invoering van een „cash for reforms”-systeem, zoals nu wordt voorgesteld, in strijd zou zijn met de beginselen van partnerschap en meerlagig bestuur en niet bevorderlijk zou zijn voor de betrokkenheid van lokale en regionale overheden bij structurele hervormingen die relevant zijn voor de EU, aangezien voor de meeste van deze hervormingen betrokkenheid van decentrale overheden is vereist;

8.

vindt dat het gebruik van ESIF-middelen voor de financiering van „algemene structurele hervormingen” in de lidstaten in tegenspraak is met de verplichting tot thematische concentratie zoals omschreven in artikel 18 van de GB-verordening;

9.

vindt het zorgwekkend dat de Europese Commissie voorstelt de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen te wijzigen en de prestatiereserve van de ESI-fondsen te gebruiken om een hervormingsinstrument te financieren dat nog niet is voorgesteld en waarvan de details nog moeten worden uitgewerkt;

10.

benadrukt dat de prestatiereserve van de ESI-fondsen zoals omschreven in de artikelen 20 tot en met 22 van de GB-verordening uitsluitend wordt toegewezen aan de programma’s en prioriteiten waarvoor de mijlpalen zijn bereikt en bedoeld is voor het stimuleren van succesvol beheer en goede tenuitvoerlegging; vreest dat de voorgestelde vermindering van deze stimulansen succesvolle regio’s en beheersautoriteiten zou ontmoedigen en is het daarom niet eens met het voorstel van de Commissie om delen van deze prestatiereserve voor andere doeleinden te gebruiken, zelfs niet wanneer dat op vrijwillige basis gebeurt. Als het voorstel van de Commissie door Raad en Parlement wordt goedgekeurd, dient de uitvoering op vrijwillige basis goed verankerd te worden om wijzigingen in de huidige opzet van de ESIF-programma’s aan regio’s en gemeenten over te laten;

11.

is van mening dat de opt-inclausules en vrijwillige deelname aan een EU-regeling niet als argument kunnen worden gebruikt om te beweren dat het voorstel geen subsidiariteitsrelevantie heeft, zolang het gaat om EU-financiering die bedoeld is om de in de Verdragen vastgelegde doelstellingen die voor alle EU-lidstaten van belang zijn te verwezenlijken. Alle EU-steun moet immers worden toegekend met het oog op doelstellingen die in de EU-Verdragen zijn vastgelegd en moet een rechtsgrondslag hebben die rechtstreeks verband houdt met de beoogde doelstellingen;

12.

vreest dat een wijziging van de GB-verordening in dit stadium van de uitvoering van de huidige programmeringsperiode, die wordt doorgevoerd voordat de voor 2019 geplande evaluatie van de prestaties (artikel 21) heeft plaatsgevonden, kan leiden tot rechtsonzekerheid en verdere vertragingen bij de uitvoering van de huidige ESIF-programma’s;

13.

is ook bezorgd over de timing van het nieuwe instrument, aangezien de resultaten van de voorgestelde „proeffase” niet kunnen worden verwerkt in het voorstel van de Commissie voor het nieuwe meerjarige financiële kader dat in mei 2018 zal worden gepresenteerd. Als de proeffase nog moet worden voorgesteld en door de wetgevers nog moet worden goedgekeurd en in 2018 moet beginnen, zal het uitermate lastig worden om vóór mei 2018 bewijzen te verzamelen inzake de behaalde prestaties en resultaten. Een voorstel voor een hervormingsinstrument voor de periode na 2020 zal dan niet op de opgedane ervaringen berusten;

14.

merkt op dat het beginsel om ESI-fondsen te gebruiken voor het financieren van structurele hervormingen die geen verband houden met de doelstellingen van het cohesiebeleid, al is ingevoerd met het steunprogramma voor structurele hervormingen (SRSP), aangezien de financiële middelen van dit programma ten koste zijn gegaan van de technische bijstand uit hoofde van het EFRO, en het de lidstaten is toegestaan om aanvullende financiering te halen uit de middelen voor technische bijstand van de operationele programma’s. Dit zorgwekkende precedent wordt nu versterkt door het EMU-pakket, met implicaties waardoor de uitgangspunten van het cohesiebeleid op de helling komen te staan;

15.

verwerpt daarom het voorstel van de Commissie tot wijziging van de GB-verordening met het oog op het gebruik van de prestatiereserve ter ondersteuning van structurele hervormingen in de lidstaten. Het CvdR is bereid ten volle gebruik te maken van zijn bevoegdheid om het wetgevingsbesluit voor het Hof van Justitie van de Europese Unie aan te vechten, overeenkomstig artikel 8 van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid;

16.

staat ervoor open om de verbanden tussen het cohesiebeleid, de voor de EU relevante structurele hervormingen en het Europees Semester, met het oog op het MFK voor de periode na 2020 en de programmeringsperiode, in detail te bespreken. Deze verbanden zouden deel moeten uitmaken van een overkoepelende EU-strategie voor economisch, sociaal en duurzaam bestuur die aansluit bij de Europa 2020-strategie. Het CvdR is van mening dat volledige betrokkenheid van de lokale en regionale overheden bij alle fasen van een dergelijke strategie een eerste vereiste is, zoals in de gedragscode van het CvdR wordt gesteld;

17.

draagt zijn voorzitter op om deze resolutie aan de Europese Commissie, het Europees Parlement, het Bulgaarse voorzitterschap van de Raad en de voorzitter van de Europese Raad toe te sturen.

Brussel, 1 februari 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


(1)  COM(2017) 826 final.


23.5.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 176/8


Resolutie van het Europees Comité van de Regio’s over het Commissievoorstel voor een besluit van de Raad betreffende de constatering van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending, door de Republiek Polen, van de rechtsstaat

(2018/C 176/03)

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S (CvdR),

gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad van 20 december 2017 om een besluit vast te stellen krachtens artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU);

gezien zijn resolutie van 23 maart 2017 over De rechtsstaat in de EU vanuit lokaal en regionaal perspectief;

gezien zijn advies van 12 februari 2015 over Lokale en regionale overheden en de multilevel-bescherming van de rechtsstaat en de grondrechten in de EU;

gezien de resolutie van het Europees Parlement van 15 november 2017 over Rechtsstaat en democratie in Polen: stand van zaken;

gezien het advies van de Commissie van Venetië van 8-9 december 2017 over de ontwerpwet tot wijziging van de wet inzake de Nationale Raad voor Justitie; over de ontwerpwet tot wijziging van de wet inzake het Hooggerechtshof, zoals voorgesteld door de president van Polen; en over de wet inzake de organisatie van gewone rechtbanken, goedgekeurd door de Commissie tijdens haar 113e plenaire vergadering;

1.

wijst erop dat het gehecht is aan de reeks gemeenschappelijke kernwaarden waarop de Europese Unie is gegrondvest, waaronder de eerbiediging van de democratie en de rechtsstaat, zoals vastgelegd in artikel 2 van het VEU, het Handvest van de grondrechten van de EU en het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM);

2.

is van mening dat deze waarden de basis vormen voor wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten onderling, tussen de lidstaten en de EU-instellingen, en tussen alle bestuursniveaus;

3.

beklemtoont dat de meeste beginselen die aan de rechtsstaat ten grondslag liggen — het legaliteitsbeginsel, eerbiediging van de grondrechten, gelijkheid voor de wet, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering, transparantie, aansprakelijkheid, scheiding der machten, een democratisch en pluralistisch proces voor de vaststelling van wetgeving, rechtszekerheid, verbod op willekeur van de uitvoerende macht, onafhankelijke en onpartijdige rechters, en doeltreffende rechterlijke toetsing — van rechtstreeks belang zijn voor het functioneren van lokale en regionale overheden en een voorwaarde vormen voor hun actieve deelname aan het Europese integratieproces;

4.

betuigt daarom zijn steun aan het Commissievoorstel aan de Raad van 20 december 2017 om een besluit vast te stellen krachtens artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, op basis van de constatering dat er in Polen een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending van de rechtsstaat;

5.

zou graag zien dat de Poolse regering en de Commissie in een constructieve dialoog bespreken hoe de situatie vóór 20 maart 2018 kan worden aangepakt, met name om overloopeffecten op het EU-besluitvormingsproces te voorkomen, waarbij ook gedacht moet worden aan voorstellen die de Commissie zal indienen voor de programmeringsperiode na 2020;

6.

is ertegen gekant dat er om politieke redenen ex-postvoorwaarden worden opgelegd, want dit zou kunnen betekenen dat lokale en regionale overheden gegijzeld worden door beleid van de nationale overheid met als risico dat EU-financiering voor steden en regio’s wordt opgeschort. Het cohesiebeleid niet mag worden onderworpen aan voorwaarden op Europees niveau waarop de lokale en regionale overheden en andere begunstigden geen invloed kunnen uitoefenen. Niettemin wijst het CvdR op reeds bestaande bepalingen in de partnerschapsovereenkomsten op grond waarvan financiering kan worden opgeschort indien de rechtsstaat door lokale en regionale overheden wordt geschonden. Ook uit het zijn bezorgdheid over de verenigbaarheid van mogelijke politieke voorwaarden voor toegang van steden en regio’s tot EU-financiering met het evenredigheidsbeginsel;

7.

benadrukt tevens dat een inbreukprocedure tegen een lidstaat bij het Europees Hof van Justitie kan leiden tot een besluit van het Hof om boeten op te leggen aan de centrale overheid;

8.

draagt zijn voorzitter op om deze resolutie aan de Europese Commissie, het Europees Parlement, het Bulgaarse voorzitterschap van de Raad en de voorzitter van de Europese Raad toe te sturen.

Brussel, 1 februari 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


ADVIEZEN

Comité van de Regio's

127e CvdR-zitting, 31.1.2018-1.2.2018

23.5.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 176/10


Advies van het Europees Comité van de Regio’s over de toekomst van het programma Cosme na 2020: het perspectief van lokale en regionale overheden

(2018/C 176/04)

Rapporteur:

Robert Sorin Negoiţă (RO/PSE), burgemeester van District 3, Boekarest

BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

1.

roept de Europese Commissie op om te zorgen voor een voorspelbaar en stabiel kader ter ondersteuning van het mkb na 2020, door een vernieuwd en versterkt vervolgprogramma voor Cosme op te zetten waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van diverse soorten kleine en middelgrote bedrijven in verschillende EU-gebieden.

2.

In veel EU-regio’s zijn zowel bedrijven als financiële intermediairs zich onvoldoende bewust van de financiële instrumenten die in het kader van het Cosme-programma beschikbaar zijn. Daarom zouden de voorlichting over en de verspreiding van de op alle EU-gebieden gerichte instrumenten moeten worden geïntensiveerd.

3.

Er moeten voldoende middelen worden uitgetrokken om de toegang tot financiering te vergemakkelijken voor een zo breed mogelijk scala aan kleine ondernemingen in verschillende gebieden. Het bevorderen van publiek-private partnerschappen tussen financiële intermediairs en regionale en lokale actoren voor het gezamenlijk gebruik van doelgerichte financiële instrumenten, die een aanvulling zouden vormen op de bestaande garantie- en aandelenfinancieringsinstrumenten, zou kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van de langetermijndoelstelling om duurzame groei en werkgelegenheid te creëren.

4.

Het CvdR is ingenomen met het Enterprise Europe Network (EEN) en zou graag zien dat het wordt voortgezet, uitgebreid en up-to-date wordt gebracht onder de paraplu van de opvolger van het huidige Cosme-programma. Vooral in bepaalde landen, plattelandsgebieden, afgelegen regio’s en dunbevolkte gebieden krijgt het EEN te weinig aandacht en is het te weinig zichtbaar. Het contactpuntennetwerk zou daarom moeten worden uitgebreid, zodat een zo ruim mogelijke territoriale dekking gegarandeerd is.

5.

In de opvolger van Cosme zou prioriteit moeten worden gegeven aan doelstellingen zoals het bevorderen van ondernemerschap in alle sectoren en in verschillende soorten gebieden, waaronder minder ontwikkelde en perifere regio’s en voorstedelijke gebieden, en het versterken van regionale ecosystemen voor ondernemers door het in kaart brengen van ecosystemen te ondersteunen en meer geavanceerde regio’s te koppelen aan regio’s die hun achterstand nog niet hebben ingelopen.

6.

De transparantie en de synergie tussen de verschillende EU-instrumenten ter ondersteuning van het mkb moeten in de volgende programmeringsperiode worden verbeterd. De Europese Commissie zou daarom de functie en reikwijdte van elk instrument ter ondersteuning van het mkb en ondernemers duidelijk moeten afbakenen, om het ontstaan van parallelle structuren te vermijden en ervoor te zorgen dat begunstigden en financiële intermediairs gemakkelijk toegang hebben tot informatie over het hele scala aan beschikbare instrumenten.

7.

De verwachte vraag naar de leninggarantiefaciliteit van Cosme is zo groot dat zelfs de in het kader van EFSI 2.0 geplande verhogingen voor deze faciliteit mogelijk niet voldoende zullen zijn. Men dient dan ook te overwegen om aan Cosme aanvullende middelen toe te kennen (1).

8.

De mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van garanties dient te worden herzien. De minimumpremie die door de mededeling wordt voorgeschreven is namelijk nogal hoog ten opzichte van de huidige rentetarieven voor leningen.

9.

Financiële instrumenten die een gedeeltelijke kredietrisicobescherming in het kader van de leninggarantiefaciliteit van Cosme bieden, zouden kredietrisico’s voor maximaal 80 % moeten dekken. Zonder deze garantie zouden de projecten vaak niet door kmo’s gerealiseerd worden, met een suboptimale investeringssituatie als gevolg. De garanties zijn dusdanig opgezet dat ze aansluiten op de bedrijfsmodellen van kmo’s, om een langdurige en duurzame groei mogelijk te maken.

10.

Verduidelijkt moet worden dat in het kader van het programma Cosme toegekende financiering kan worden gecombineerd met andere EU-financiering.

11.

Het maximum van 150 000 EUR aan geleende middelen, waarboven moet worden nagegaan of de kleine of middelgrote onderneming niet in aanmerking komt voor financiering uit Horizon 2020, moet worden opgetrokken tot 500 000 EUR. Tegelijkertijd moet de minimumlooptijd van de leningen, vastgesteld op één jaar, worden ingekort en dient de maximumlooptijd langer te zijn dan tien jaar.

12.

Er is op gewezen dat „business angels” geen soelaas kunnen bieden voor ondernemers in groeisectoren die risicokapitaal nodig hebben, maar wel de controle over hun onderneming willen behouden. Daarom zou moeten overwogen om andere vormen van risicofinanciering, zoals mezzaninefinanciering, te versterken.

13.

De steun die door het Cosme-programma via het Europees Investeringsfonds (EIF) wordt toegekend aan particuliere financiële intermediairs zou kunnen worden aangevuld met steun uit regionale investeringsfondsen die worden beheerd door regionale autoriteiten of agentschappen voor regionale ontwikkeling. Meerdere regio’s zouden hun krachten kunnen bundelen om algemene investeringsfondsen op te zetten.

14.

Een goede coördinatie tussen lokale, regionale, nationale en Europese programma’s met betrekking tot het ondernemingsklimaat en uniforme regels voor het ondernemingsklimaat in alle lidstaten zijn noodzakelijk om dat klimaat te ondersteunen.

15.

Er moet meer aandacht worden besteed aan de maatregelen van de lokale en regionale overheden ten behoeve van ondernemerschap en startende kleine en middelgrote bedrijven. Bovendien zijn er maatregelen nodig om de rol van lokale en regionale overheden bij de ondersteuning van het ondernemingsklimaat en de ontwikkeling van publiek-private partnerschappen te vergroten.

Ondersteuning van het mkb en ondernemers na 2020

16.

Kleine en middelgrote bedrijven, start-ups en scale-ups zijn de belangrijkste motoren van Europa. Zij creëren groei en werkgelegenheid en zorgen voor stabiele, lokale werkgelegenheid, waardoor het sociale en economische weefsel van de gebieden waar zij actief zijn wordt versterkt.

17.

Europese bedrijfsecosystemen moeten worden versterkt door, als onderdeel van een consistent, efficiënt en resultaatgericht Europees mkb-beleid, gerichte steun te verlenen aan het mkb, start-ups en scale-ups.

18.

Dit steunkader moet worden aangevuld met een mechanisme om ervoor te zorgen dat de beginselen van multilevel governance en multi-actor governance in het mkb-beleid van de EU worden geïntegreerd. Het CvdR herhaalt daarom zijn in zijn advies over slimme regelgeving voor kleine en middelgrote ondernemingen (2) geformuleerde verzoek om regionale en lokale mkb-gezanten formeel en systematisch op te nemen in het mkb-gezantennetwerk, dat als belangrijkste bestuursinstrument voor het mkb-beleid van de EU fungeert.

Toegang tot financiering

19.

Het grootste deel van de Cosme-begroting is bestemd voor het vergemakkelijken van de toegang van het mkb tot financiering. Een toekomstig programma ter ondersteuning van het mkb moet blijven werken aan de verwezenlijking van de prioritaire doelstelling, namelijk het dichten van het financieringstekort voor het mkb.

20.

Er moet echter in het bijzonder op worden toegezien dat een opvolger van Cosme aandacht besteedt aan de financieringsbehoeften van het hele spectrum van kleine en middelgrote bedrijven — waaronder traditionele kleine en middelgrote ondernemingen, „auto-entrepreneurs”, micro-ondernemingen en snel groeiende startende en opschalende ondernemingen — in verschillende delen van de EU.

21.

In dat programma moet bovendien rekening worden gehouden met de huidige situatie van na de crisis, waarin het creëren van werkgelegenheid nog steeds geen gelijke tred weet te houden met het herstel van het bbp, en dient de steun voor het scheppen van arbeidsplaatsen in het mkb en in micro-ondernemingen speciale aandacht te krijgen.

22.

Er moeten voldoende middelen worden uitgetrokken om ervoor te zorgen dat in verschillende regio’s zo veel mogelijk soorten ondernemingen — waaronder traditionele mkb, micro-ondernemingen, coöperaties en ondernemingen van de sociale economie — in de verschillende stadia van hun ontwikkeling gemakkelijker aan financiering kunnen komen.

23.

Veel potentiële ondernemers beschikken niet over de informatie en basisvaardigheden die nodig zijn om een bedrijf op te richten. Voordat zij daartoe overgaan zouden zij daarom al in een vroeg stadium hulp moeten krijgen, met gerichte „à la carte”-cursussen.

24.

Het CvdR herhaalt zijn voorstel uit zijn advies over slimme regelgeving voor kleine en middelgrote ondernemingen (3) om een Europese „take one”-regeling in te voeren die eenmansbedrijven of micro-ondernemingen door middel van financiële prikkels en flexibele regels aanmoedigt om voor het eerst iemand in dienst te nemen. Deze regeling zou kunnen worden gefinancierd uit het Cosme-programma.

25.

De leninggarantiefaciliteit (LGF) is voor kleine en middelgrote bedrijven nog steeds een belangrijk hulpmiddel om aan financiering te komen. In de opvolger van Cosme zou het garantie-instrument moeten worden uitgerust met genoeg middelen om in de financieringsbehoeften van het mkb te kunnen voorzien. Een dergelijk instrument zou geen bedrijven moeten uitsluiten, maar juist toegankelijk moeten blijven voor verschillende soorten ondernemingen. Door garantie-instellingen te versterken en op te nemen in kredietketens kan bereikt worden dat het mkb een betere toegang tot financiering krijgt. Daarom zouden garantie-instellingen in de opvolger van het Cosme-programma structureel betrokken moeten worden bij het ontwerpen en toepassen van garantie-instrumenten.

26.

Durfkapitaal en andere vormen van risicofinanciering worden doorgaans vooral in grote stedelijke en metropolitane gebieden geïnvesteerd. Het geringe aantal financiële intermediairs die momenteel in het kader van de eigenvermogenfaciliteit voor groei (EFG) van het Cosme-programma actief zijn en die bovendien een beperkte sectorale focus hebben, kan voor ondernemingen in de start- en groeifase een belemmering vormen om toegang te krijgen tot EFG-financiering.

27.

Daarom zou moeten worden nagegaan hoe de huidige, zuiver door de vraag gestuurde aanpak kan worden aangevuld met een instrument voor risicokapitaal dat gebaseerd is op gedeeld beheer van de middelen, waarbij eventueel in de opvolger van het Cosme-programma regionale en lokale overheden, ontwikkelingsagentschappen en banken kunnen worden betrokken, om te zorgen voor een betere spreiding van risicokapitaal in de EU.

28.

Andere vormen van financiering, zoals crowdfunding, crowdinvestering en p2p-leningen, kunnen van pas komen om de toegang tot financiering te verbeteren en innovatieve bedrijven te ondersteunen. De opvolger van Cosme zou een duidelijk kader moeten vormen om via alternatieve financiering financiële instrumenten te implementeren.

29.

Het CvdR stelt voor een deskundigengroep voor alternatieve financiering op te richten, met onder anderen praktijkmensen op regionaal en lokaal niveau, om inspiratie en begeleiding te bieden bij het opzetten van een dergelijk kader. Er zou voor gezorgd moeten worden dat deze groep zich bezighoudt met de uiteenlopende behoeften van ondernemers, start-ups en scale-ups in verschillende lokale en regionale bedrijfsecosystemen.

Toegang tot markten

30.

EU-maatregelen ter ondersteuning van Europese kleine en middelgrote bedrijven die internationaal hun vleugels willen uitslaan kunnen en moeten voor hen een echte toegevoegde waarde hebben. Om overlappingen te voorkomen en een breed en samenhangend pakket van maatregelen tot stand te brengen moeten deze maatregelen een aanvulling vormen op de initiatieven die op lokaal, regionaal en nationaal niveau worden ontplooid.

31.

In dit verband is het CvdR ingenomen met het mede uit het Cosme-programma gefinancierde Enterprise Europe Network (EEN), dat het Europese mkb adviseert over uitbreiding over de nationale en EU-grenzen heen en over innovatiebevordering en -ontwikkeling, waaronder ook toegang tot financiering valt. Het zou graag zien dat het EEN met het oog op de brexit wordt voortgezet, uitgebreid en up-to-date wordt gebracht onder de paraplu van de opvolger van het huidige Cosme-programma.

32.

Het CvdR wijst op de sterke regionale en lokale dimensie van de EEN-contactpunten, die grotendeels bestaan uit regionale ontwikkelings-, ondernemings- en innovatieagentschappen, regionale kamers van koophandel en industrie, clusters en universiteiten, die diep verankerd zijn in de lokale realiteit en in nauw contact staan met het lokale mkb.

33.

Om hun kleine en middelgrote bedrijven te helpen de concurrentie het hoofd te bieden, toegang te krijgen tot buitenlandse markten en nieuwe zakenpartners binnen en buiten de EU te vinden is er voor lokale en regionale overheden een belangrijke rol weggelegd.

34.

De opvolger van Cosme moet ervoor zorgen dat het EEN nauw verbonden blijft met lokale en regionale ecosystemen voor ondernemers en dat er een hechte samenwerking tot stand wordt gebracht met lokale en regionale belanghebbenden, waaronder lokale en regionale overheden.

Ondernemerschap bevorderen

35.

De opzet en de resultaten van het programma „Erasmus voor jonge ondernemers”, dat uit het huidige Cosme-programma wordt gefinancierd zijn toe te juichen, en het programma zou moeten worden voortgezet met de opvolger van Cosme.

36.

Als aanvulling op het werk van de scale-upadviseurs waarin het starters- en opschalingsinitiatief voorziet als onderdeel van de EEN-diensten, zou er een netwerk moeten worden opgezet van regionale en lokale scale-upontwikkelaars. Deze zouden ook de basis kunnen leggen voor interregionale schaalvergrotende samenwerkingsverbanden die potentiële partners met elkaar in contact kunnen brengen en interregionale samenwerking en grensoverschrijdende investeringen bevorderen.

37.

Het EEN zou meer adviezen en informatie moeten gaan verstrekken over de toegang tot grensoverschrijdende overheidsopdrachten en mogelijkheden voor grensoverschrijdende bedrijfsoverdrachten.

38.

Het is noodzakelijk dat binnen het volgende MFK voor de periode na 2020 wordt gezorgd voor een toereikende ondersteuning van kmo’s door de complementariteit te vergroten en overlappingen bij de verschillende financieringsinstrumenten van de Europese Commissie en de EIB/het EIF voor kmo’s te voorkomen.

Cosme in de context van andere EU-programma’s

39.

De financiële middelen die Cosme momenteel krijgt toegewezen en die minder dan 0,3 % van de EU-begroting bedragen, doen geen recht aan de cruciale bijdrage van het mkb en ondernemers aan groei en werkgelegenheid, al zijn er ook andere EU-programma’s die het mkb financiële steun verlenen.

40.

Gezien de aanzienlijke middelen die in het kader van de huidige thematische doelstelling 3 van de ESIF voor steun aan het mkb worden uitgetrokken, is de coördinatie tussen een opvolger van Cosme en de ESIF van essentieel belang. Voor een betere coördinatie tussen deze instrumenten is het dan ook raadzaam om een stuurgroep voor het mkb op te richten waarin de relevante diensten van de Commissie en het CvdR, als de institutionele vertegenwoordiging van lokale en regionale overheden op Europees niveau, zitting hebben.

41.

Er zouden centrale contactpunten moeten komen die informatie geven over en toegang verschaffen tot alle relevante instrumenten waar het mkb en ondernemers in het kader van verschillende EU-fondsen en -programma’s gebruik van kunnen maken. Een uitgebreid en verbeterd Enterprise Europe Network zou zich ter plekke van deze taak kunnen kwijten.

42.

De Commissie zou de toegang tot financiële instrumenten uit afzonderlijke programma’s en het combineren van steun uit het Cosme-programma of een vervolgprogramma met middelen uit andere fondsen en programma’s eenvoudiger moeten maken. Zoals het CvdR al in zijn advies over slimme regelgeving voor het mkb (4) uitlegde, maakt het zich zorgen over knelpunten die ontstaan door inconsistente eisen en tegenstrijdige definities in het sectorale beleid van de EU.

Brussel, 31 januari 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


(1)  Zie bijvoorbeeld: Ewa Chomowicz (maart 2017): EU budget post-Brexit, Confronting reality, exploring viable solutions, Brussel, European Policy Centre (onlineversie), blz. 5-6; 25-26; Jörg Haas & Eulalia Rubio (januari 2017): Brexit and the EU budget. Threat or opportunity?, Berlijn, Instituut Jacques Delors, blz. 8-18, januari 2017

(2)  CvdR-advies over slimme regelgeving voor kleine en middelgrote ondernemingen (rapporteur: Christian Buchmann (AT/EVP), ECON-VI/020), par. 8.

(3)  CvdR-advies over slimme regelgeving voor kleine en middelgrote ondernemingen (rapporteur: Christian Buchmann (AT/EVP), ECON-VI/020), par. 48.

(4)  CvdR-advies over slimme regelgeving voor kleine en middelgrote ondernemingen (rapporteur: Christian Buchmann (AT/EVP), ECON-VI/020), par. 14.


23.5.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 176/15


Advies van het Europees Comité van de Regio’s — Naar een volledige toepassing van de vernieuwde Europese strategie voor de ultraperifere gebieden

(2018/C 176/05)

Rapporteur:

Fernando Clavijo Batlle (ES/ALDE), minister-president van de Canarische eilanden

Referentiedocument:

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio’s en de Europese Investeringsbank — Een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU

COM(2017) 623 final

BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S,

1.

herinnert eraan dat de ultraperifere gebieden — die bestaan uit acht eilanden en eilandengroepen die zijn gelegen in het Caribisch gebied, de Indische Oceaan en de Atlantische Oceaan, en een geïsoleerd gebied in de Amazone, zes Franse overzeese gemeenschappen omvatten (Frans-Guyana, Guadeloupe, Martinique, Mayotte, Réunion en Saint Martin) evenals twee Portugese autonome regio’s (de Azoren en Madeira) en één Spaanse autonome regio (de Canarische eilanden) — worden geconfronteerd met dezelfde specifieke beperkingen die worden genoemd in artikel 349 VWEU en dat deze beperkingen voortduren en samen de economische en sociale ontwikkeling bemoeilijken.

2.

Deze gebieden beschikken over bijzonder rijke ecosystemen, een groot potentieel voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie en marien en maritiem onderzoek en onderzoek op het gebied van milieu, lucht- en ruimtevaart, astronomie, vulkanologie, oceanografie, landbouw en duurzaam toerisme, en hebben een rijk cultureel erfgoed.

3.

Ondanks de uitdagingen waarmee deze gebieden, die de uiterste grenzen van Europa vormen, te maken krijgen, bieden ze ook kansen voor bedrijfsontwikkeling in sectoren als de blauwe, groene, witte en zilveren economie en de transitie naar een circulaire economie, die allemaal een groot groeipotentieel hebben en kunnen bijdragen aan de werkgelegenheid.

4.

Het CvdR is verheugd over de vernieuwde toezeggingen van de EU met betrekking tot haar ultraperifere gebieden en erkent de inspanningen van de Commissie om in haar gemeenschappelijk memorandum inzake een nieuwe impuls voor de tenuitvoerlegging van artikel 349 VWEU de voorstellen van de ultraperifere gebieden in acht te nemen. Met deze steun toont de Commissie op een voor de EU gevoelig moment aan dat de Europese instellingen bereid zijn hun acties beter af te stemmen op de realiteit van de ultraperifere gebieden.

5.

De nieuwe mededeling over de ultraperifere gebieden past in het kader van de beschouwing van de EU over de toekomst en de vormgeving van de volgende programmeringsperiode, en is opgesteld naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de EU van december 2015, waarin de werkingssfeer van artikel 349 VWEU definitief wordt verduidelijkt en wordt bepaald dat dit artikel de autonome en toereikende rechtsgrond vormt voor de ultraperifere gebieden.

6.

Met de nieuwe mededeling moet het mogelijk zijn de uitdaging aan te gaan om artikel 349 VWEU systematisch toe te passen, en zo in één enkele benadering drie doelstellingen met elkaar in overeenstemming te brengen: gelijke kansen, concurrentievermogen en extern bereik, drie onscheidbare dimensies die moeten worden gebruikt als indicatoren voor al het ambitieuze openbare beleid met betrekking tot de ultraperifere gebieden, dat moet worden vergezeld van instrumenten om de gelijke rechten van EU-burgers te garanderen.

7.

Het CvdR betreurt dat in de nieuwe mededeling niet wordt ingegaan op voor de ultraperifere gebieden fundamentele thema’s, zoals de impact van het cohesiebeleid, concrete aanpassingen op sociaal gebied en met betrekking tot werkgelegenheid, het vervoersbeleid en de toekomst van voor de ultraperifere gebieden specifieke belasting- en douaneregelingen, die essentieel zijn voor hun ontwikkeling.

8.

Het CvdR is ingenomen met de goedkeuring van een specifieke aanpak op grond van het subsidiariteitsbeginsel, maar betreurt de verwarring over de verschillende bevoegdheidsniveaus en het gebrek aan kennis over de maatregelen die momenteel op elk niveau worden ontwikkeld.

9.

Het CvdR is ingenomen met het besluit van de Commissie om haar partnerschap met de ultraperifere gebieden te versterken zodat deze hun potentieel maximaal kunnen verwezenlijken en volledig kunnen profiteren van hun lidmaatschap van de EU, en dat hierbij door middel van een permanente dialoog zal worden geluisterd naar de punten van zorg en standpunten van deze gebieden. Een sterker partnerschap tussen de ultraperifere gebieden, de lidstaten, de Europese instellingen, de EIB en spelers in de particuliere sector is essentieel. In dit opzicht hebben de halfjaarlijkse forums over de ultraperifere gebieden aangetoond een doeltreffend instrument te zijn om de stem van alle betrokken partijen te laten horen en de voortzetting van deze forums is derhalve van cruciaal belang.

10.

Het is noodzakelijk vooraf effectbeoordelingen uit te voeren bij wetgevingsvoorstellen voor de ultraperifere gebieden om op maat gemaakte maatregelen te kunnen ontwikkelen. Het CvdR hoopt dat een dergelijke analyse met deze nieuwe impuls op effectieve wijze kan worden uitgevoerd.

11.

Bovendien neemt het CvdR nota van de resolutie van het Europees Parlement van juli 2017 over de bevordering van cohesie en ontwikkeling in de ultraperifere gebieden van de EU: uitvoering van artikel 349 VWEU, en van de bijdragen van de drie respectieve lidstaten.

De ultraperifere gebieden in de frontlinie van de uitdagingen van Europa

12.

Het CvdR roept er opnieuw toe op de sociale dimensie van de EU te versterken en hoopt dat in de Europese pijler van sociale rechten wordt ingegaan op de problemen waarmee regio’s als de ultraperifere gebieden te maken krijgen en die tot uiting komen in werkloosheidscijfers die tot de hoogste in de EU behoren (met name onder jongeren), een toenemende ongelijkheid en hoge niveaus van sociale uitsluiting, wat aantoont dat deze gebieden worden geconfronteerd met lastige vraagstukken op het gebied van werkgelegenheid, hetgeen leidt tot sociale onrust, zoals bleek uit de protesten die onlangs plaatsvonden in Guyana.

13.

De crisis heeft aanzienlijke negatieve gevolgen gehad voor de ultraperifere gebieden. Zij behoren tot de zwaarst getroffen gebieden van de EU, hetgeen kan worden toegeschreven aan hun structurele kenmerken: economische kwetsbaarheid, een hoge werkloosheid en een hoog percentage laaggeschoolde arbeidskrachten.

14.

Het CvdR betreurt dat de Commissie, ondanks het feit dat zij een sociale pijler heeft opgenomen in haar strategie van 2012, deze pijler inhoudelijk niet heeft verrijkt met voorstellen voor aanpassing of concrete acties die zijn afgestemd op de specifieke behoeften van de ultraperifere gebieden, zodat zij binnen de Europese programma’s een speciale behandeling kunnen krijgen.

15.

Het CvdR juicht toe dat de Commissie heeft toegezegd te zullen evalueren of binnen het ESF een specifieke toewijzing aan de ultraperifere gebieden kan worden gerechtvaardigd. De in artikel 349 VWEU erkende bijzondere positie van deze gebieden maakt dit volledig mogelijk. Daarom schaart het CvdR zich achter het verzoek van het Parlement en de ultraperifere gebieden om dit op te nemen in het volgende regelgevingsvoorstel inzake het ESF.

16.

De ultraperifere gebieden hebben zich proactief opgesteld en hebben een werkgelegenheidsnetwerk voor ultraperifere gebieden opgericht, met als doel voorstellen en projecten uit te werken die het gebrek aan actie van Europa op dit gebied kunnen compenseren.

17.

Ondanks de in de afgelopen jaren gemaakte vorderingen, krijgen de ultraperifere gebieden nog steeds te maken met grote uitdagingen, die worden verergerd door factoren als klimaatverandering, mondialisering en de cyclische crises in de wereldeconomie. Het CvdR is het eens met de Commissie dat het duidelijk nodig is de inspanningen te intensiveren zodat deze gebieden volledig kunnen genieten van de voordelen van hun EU-lidmaatschap.

18.

Het CvdR dringt erop aan rekening te houden met de gevolgen van de terugtrekking van het VK uit de EU op regionaal niveau in het kader van het vrije verkeer van personen, goederen en diensten, aangezien dit grote gevolgen kan hebben voor de regio’s, in het bijzonder de ultraperifere gebieden, omdat zij intensieve betrekkingen voeren met het Verenigd Koninkrijk en samenwerken met de geassocieerde gebieden van het land op gebieden als toerisme en traditionele productie.

19.

Een aantal ultraperifere gebieden heeft te kampen gehad en kampt nog steeds met een sterke illegale immigratie, in het bijzonder van niet-begeleide minderjarigen, hetgeen tot grote beheersproblemen leidt.

20.

Het CvdR herinnert eraan dat de ultraperifere gebieden de buitengrenzen van Europa vormen, en merkt op dat hun verschillende ontwikkelingsniveau ten opzichte van de buurlanden migratiestromen in de hand werken.

21.

Ultraperifere gebieden hebben een aantal kenmerken die hen bijzonder kwetsbaar maken voor de gevolgen van de klimaatverandering. Ze staan in hoge mate bloot aan natuurlijke fenomenen, die steeds meer voorkomen en extremer worden. Een duidelijk voorbeeld hiervan zijn de dramatische gevolgen van de orkaan Irma voor de ultraperifere gebieden in het Caribisch gebied, in het bijzonder Saint Martin.

22.

Het CvdR is verheugd over de voorstellen van de Commissie om de dimensie van de ultraperifere gebieden binnen LIFE te versterken en de toepassing van het Europees Solidariteitsfonds in deze gebieden te evalueren en hoopt dat de problemen met betrekking tot de toegang tot het fonds ook in deze evaluatie zullen worden meegenomen.

De ultraperifere gebieden: een kans voor Europa. Testlaboratorium voor innovatieve projecten

23.

De blauwe economie biedt veel potentieel voor groei en werkgelegenheid in de EU, in het bijzonder in de ultraperifere gebieden, aangezien de Europese maritieme dimensie hier sterk is geconcentreerd en deze gebieden een cruciale rol spelen in de internationale governance van oceanen.

24.

Het CvdR is verheugd dat in de nieuwe mededeling wordt erkend dat hernieuwbare energie, met name zee-energie, nog onvoldoende wordt ontwikkeld en verzoekt dat de nodige steun wordt verstrekt om deze energievormen een sterkere impuls te geven, overwegende dat de ultraperifere gebieden een legitieme leiderschapspositie kunnen innemen.

25.

De lidstaten wordt opgeroepen om in hun nationale wetgeving rekening te houden met de specifieke kenmerken van ultraperifere gebieden, om zo de ontwikkeling van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie te bevorderen, hetgeen het Comité toejuicht.

26.

Het CvdR steunt het initiatief van de EU over schone energie voor de eilanden en dringt er bij de ultraperifere gebieden, die volledig geïsoleerde elektriciteitssystemen hebben, op aan een actieve rol in dit initiatief te spelen via hun energienetwerk voor ultraperifere gebieden.

27.

In deze context verzoekt het Comité de Commissie een specifiek nieuw instrument voor te stellen dat is bedoeld om de extra kosten te compenseren die zijn gemoeid met de productie en opslag van schone energie.

28.

De ultraperifere gebieden beschikken over een buitengewone biodiversiteit die goed is voor ongeveer 80 % van de Europese biodiversiteit. Deze gebieden behoren tot de 34 plekken die als essentieel worden beschouwd voor het ecologische evenwicht van de planeet.

29.

Het CvdR verwelkomt het engagement van de ultraperifere gebieden t.a.v. de circulaire economie en herinnert eraan dat er voor de transitie naar de circulaire economie belangrijke investeringen nodig zijn, met name in bewustmakingsinitiatieven voor de bevolking, infrastructuur en activiteiten op het gebied van onderzoek en innovatie.

30.

Het CvdR is verheugd over het aangekondigde voorstel om in het programma LIFE 2018-2020 een speciaal hoofdstuk op te nemen over afvalbeheer in ultraperifere gebieden, over de steun om van deze gebieden testlaboratoria te maken voor proefprojecten op het gebied van de circulaire economie en over het voornemen om bepalingen toe te voegen die het makkelijker maken om afvalstoffen van de ultraperifere gebieden voor behandeling naar buurlanden over te brengen.

31.

Het CvdR herinnert de Commissie eraan dat het noodzakelijk is de huidige selectiecriteria van het LIFE+-programma in de volgende programmeringsperiode af te stemmen op de realiteit van de ultraperifere gebieden.

32.

De Commissie is voornemens om steun te verstrekken voor de instandhouding van de biodiversiteit, het duurzame gebruik van ecosysteemdiensten en de aanpassing aan klimaatverandering door middel van een toekomstig specifiek programma dat geldt voor alle ultraperifere gebieden. Het CvdR beveelt aan de financiering van projecten in alle ultraperifere gebieden en direct beheer door de Commissie in samenwerking met de gebieden toe te staan.

Gelijke kansen ondersteunen: een Europese solidariteit met aangepaste instrumenten

33.

De door de ultraperifere gebieden ondernomen economische en sociale aanpassingen moeten kunnen blijven rekenen op de financiële solidariteit van de EU. Dit moet worden meegenomen in het ontwerp van de nieuwe Europese strategie voor na 2020.

34.

De EGTS kan een geschikt instrument zijn om kansen en samenwerkingsactiviteiten te stimuleren in de meest verafgelegen gebieden, zoals de ultraperifere gebieden.

35.

Het CvdR schaart zich achter het initiatief om de toegang van de ultraperifere gebieden tot het EFSI te faciliteren via één loket bij het Europees Adviescentrum voor investeringen van de EIB.

36.

Het CvdR verzoekt de Commissie coherent te zijn in haar benadering t.a.v. staatssteun voor de ultraperifere gebieden, en in alle richtsnoeren rekening te houden met hun specifieke kenmerken, in nauwe samenhang met de rest van het Europese beleid.

37.

Het rijke cultureel erfgoed van de ultraperifere gebieden en hun culturele en creatieve industrieën kunnen een grotere economische impact hebben in termen van werkgelegenheid. Deze industrieën hebben een groot potentieel voor ontwikkeling, dat echter wordt beperkt door de extra kosten die voortvloeien uit een ligging in een ultraperifere gebied, hetgeen het verkeer van werken en kunstenaars beperkt. Het CvdR verzoekt de Commissie in het volgende cultuurprogramma op Europees niveau een pijler met betrekking tot mobiliteit op te nemen met specifieke maatregelen voor de ultraperifere gebieden.

38.

Het CvdR juicht toe dat de ultraperifere gebieden profiteren van het maximale steunbedrag voor mobiliteit binnen de programma’s voor onderwijs en vorming en is van mening dat deze steun in de toekomst moet worden voortgezet. Bovendien verwelkomt het CvdR de mogelijkheid om de programma’s uit te breiden naar derde landen.

39.

De ontwikkeling van een instrument om de vorderingen van de ultraperifere gebieden met betrekking tot hun geleidelijke integratie in de interne markt te volgen, is een stap in de goede richting, evenals de aankondiging dat in de nieuwe strategieën van COSME rekening zal worden gehouden met de bijzondere behoeften van bedrijven in ultraperifere gebieden, om zo hun internationalisering te kunnen steunen.

Een hogere groei bevorderen: mededingingsbeleid ten dienste van regionale projecten

40.

De landbouw is een vitale sector voor de economie, het milieu, de ruimtelijke ordening en de werkgelegenheid in de ultraperifere gebieden. Dit werd door de EU erkend door een speciale behandeling vast te stellen via het POSEI-programma en concrete uitzonderingen in het GLB te voorzien. Deze moeten worden gehandhaafd.

41.

De toenemende liberalisering van de Europese en internationale landbouwmarkt voor producten die ook door de ultraperifere gebieden worden geproduceerd, ondergraaft geleidelijk het concurrentievermogen van deze gebieden. Het is nodig de begroting van POSEI te verhogen om te kunnen reageren op deze uitzonderlijke situaties en ook om andere structurele redenen.

42.

De Commissie moet in de handelsakkoorden waarover zij onderhandelt met derde landen of internationale organisaties een specifiek hoofdstuk opnemen over elk onderwerp dat van bijzonder belang is voor ultraperifere gebieden, zoals wordt voorzien in Verordening nr. 228/2013 van 13 maart 2013. Bovendien is het noodzakelijk in die akkoorden clausules op te nemen over de systematische uitsluiting van gevoelige producten.

43.

In het kader van de bilaterale overeenkomsten die zijn ondertekend met landen in Latijns-Amerika met betrekking tot de invoer van bananen, is het noodzakelijk het stabilisatiemechanisme te verlengen tot na 2020, ervoor te zorgen dat het mechanisme automatisch werkt en de toepassing van deze oplossing op andere overeenkomsten en producten te evalueren.

44.

Het CvdR is verheugd over het voorstel van de Commissie om de mogelijkheid te onderzoeken om overheidssteun toe te staan voor de bouw van nieuwe vaartuigen in ultraperifere gebieden, op voorwaarde dat de duurzaamheid van hulpbronnen in acht wordt genomen. Het is cruciaal om ondersteunende maatregelen te nemen om de financiering van vaartuigen voor de traditionele en ambachtelijke visserij in ultraperifere gebieden mogelijk te maken, in aansluiting op de resolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017.

45.

Het CvdR herinnert eraan dat de visserij- en aquacultuursector in de ultraperifere regio’s over een groot groei- en werkgelegenheidspotentieel beschikt, dat onvoldoende wordt gesteund, en dat een lokaal beheer een rechtstreeks positief effect heeft op de duurzaamheid van de visbestanden.

46.

Het CvdR verwelkomt het besluit van de Commissie om in het kader van de nieuwe programma’s specifieke maatregelen te bestuderen, in het bijzonder een compensatieregeling voor ultraperifere gebieden, en wijst op de eis van de gebieden om het autonome programma ter compensatie van de extra kosten weer in te voeren, in combinatie met regelgeving, een begroting en specifiek beheer, met als doel de visserij en aquacultuur in ultraperifere gebieden te steunen.

47.

In de nieuwe mededeling wordt niet ingegaan op het cohesiebeleid, hoewel het wordt beschouwd als belangrijkste instrument voor economische groei en het scheppen van werkgelegenheid. Het CvdR hoopt dat de Commissie bij de herziening van dit beleid voldoende rekening zal houden met ultraperifere gebieden.

48.

Het cohesiebeleid na 2020 moet sterker en eenvoudiger zijn en gericht zijn op de belangrijkste doelstelling: het evenwicht en gelijke kansen in alle gebieden van de EU waarborgen. Derhalve moet de speciale behandeling van de ultraperifere gebieden in dit beleid worden gehandhaafd.

49.

De aanvullende specifieke toewijzing van EFRO, essentieel voor ultraperifere gebieden, wordt in de mededeling niet voldoende uitgewerkt, wat het Comité betreurt. Deze toewijzing moet worden gehandhaafd en versterkt, aangezien ze is bedoeld om de permanente structurele nadelen te verhelpen die het concurrentievermogen en de ontwikkeling van ultraperifere gebieden beperken.

50.

Financiële instrumenten mogen niet in de plaats komen van steun, aangezien steun van groot belang is voor de convergentie van ultraperifere gebieden binnen de EU. Dergelijke instrumenten dienen geen verplichting, maar slechts een optie te vormen.

51.

Het CvdR betreurt dat in de mededeling geen overtuigende oplossingen of toekomstgerichte voorstellen worden aangedragen voor de problemen waarmee ultraperifere gebieden worden geconfronteerd in de programma’s voor Europese territoriale samenwerking, en is daarom van mening dat een herziening van de algehele benadering noodzakelijk is.

52.

Slimme-specialisatiestrategieën zijn erg nuttig, en het CvdR is dan ook verheugd over de recente trend van netwerkvorming tussen ultraperifere gebieden in het kader van dergelijke strategieën.

53.

Het CvdR is ingenomen met het voornemen van de Commissie om van ultraperifere gebieden experimentele ruimten, platforms voor overdracht van technologie en testlocaties voor innovatieve oplossingen te maken op de gebieden waarop Europa uitblinkt.

54.

Het CvdR steunt het initiatief van de Commissie voor ultraperifere gebieden in het kader van Horizon 2020 en zal de concrete resultaten voor deze gebieden in het toekomstige onderzoeksprogramma van de EU voor na 2020 die voortvloeien uit dit initiatief, aandachtig volgen.

55.

Toegankelijkheid (vervoer, energie en telecommunicatie) is voor ultraperifere gebieden van strategisch belang en is essentieel voor de interne ontwikkeling van deze gebieden, die ver zijn verwijderd van het Europees continent en geïsoleerd zijn, en om de gelijke behandeling van hun burgers te garanderen.

56.

Het CvdR verwelkomt het initiatief om een onderzoek te starten om de behoeften van ultraperifere gebieden op het gebied van connectiviteit beter te identificeren en kwantificeren. Daarbij moet rekening worden gehouden met alle juridische en financiële instrumenten die aan dat doel kunnen bijdragen.

57.

Het CvdR onderstreept het belang van EU-regio’s met geografische en demografische uitdagingen zoals ultraperifere gebieden, en wijst op hun specifieke behoeften. Het roept de Europese Commissie op in het bijzonder te kijken naar de impact die het mobiliteitsbeleid en de mobiliteitsprogramma’s van de EU hebben op knelpuntregio’s, en hierover een Groenboek uit te brengen (1).

58.

Luchthavens en havens zijn in de ultraperifere gebieden de enige poorten voor aankomst en vertrek en vervullen daarom een belangrijke sociale functie. Het CvdR is verheugd over de mogelijkheid om investeringen in deze luchthavens en havens te financieren, in gevallen waarin dit gerechtvaardigd is, en steun te verstrekken voor hun exploitatie.

59.

Het CvdR dringt er bij de Commissie op aan in haar herziening van de prioriteiten voor TEN-V te onderzoeken hoe de specifieke behoeften van ultraperifere gebieden kunnen worden vastgesteld en geïntegreerd, in het bijzonder met betrekking tot snelwegen op zee, zodat projecten mogelijk worden gemaakt die de verbindingen verbeteren tussen de ultraperifere gebieden en de lidstaat waartoe zij behoren of tussen een ultraperifere gebied en de aangrenzende gebieden in hun respectieve geografische zones.

De aantrekkingskracht van de ultraperifere gebieden en hun regionale en internationale invloed vergroten

60.

Om de ultraperifere gebieden aantrekkelijker te maken en hun invloed in hun respectieve regio’s een impuls te geven, is het absoluut nodig de geografische realiteit van het gebied te integreren in alle beleidsmaatregelen van de EU, om coherentie te garanderen tussen hun interne en externe dimensie.

61.

De ultraperifere gebieden kunnen de economische motor van hun respectieve geografische gebieden worden, evenals doeltreffende intermediairs voor de invloed van de EU in de wereld, met name in het kader van het ontwikkelingsbeleid, aangezien zij onmiskenbaar over tal van mogelijkheden beschikken die onvoldoende worden benut.

62.

Het CvdR vindt het een goed idee om de mogelijkheid te onderzoeken om de nieuwe investeringen van de EU te kanaliseren naar prioritaire projecten op grotere schaal in de geografische zones waarin de ultraperifere gebieden zijn gelegen en gezamenlijke programma’s te creëren tussen de ultraperifere gebieden en hun buurlanden, en zal dit aandachtig volgen.

63.

Het CvdR betreurt dat de Commissie niet de aanzet heeft gegeven tot een ambitieus en samenhangend strategisch kader dat de internationalisering van de economieën van deze gebieden ten goede zou komen.

64.

Het CvdR is verheugd dat het belang wordt onderkend van „territoriale effectbeoordelingen” voor het ontwikkelen en behandelen van nieuwe wetgevingsvoorstellen en internationale handelsakkoorden. De autoriteiten en deskundigen van ultraperifere gebieden zouden systematisch moeten samenwerken aan de evaluatie van de mogelijke territoriale effecten van Europese initiatieven.

65.

Het is moeilijk synergieën tussen het EFRO en het EOF te bewerkstelligen. Gestructureerde samenwerkingsprojecten met een daadwerkelijke toevoegde waarde moeten mogelijk worden gemaakt.

Conclusies

66.

Het CvdR is van mening dat de doelstelling om meer rekening te houden met ultraperifere gebieden in het beleid en de initiatieven van de Europese Unie nog steeds een uitdaging vormt en dat deze doelstelling moet worden aangepast aan de uitdagingen die de Europese integratie met zich meebrengt.

67.

Het is van groot belang om artikel 349 VWEU vanaf het begin van het besluitvormingsproces systematisch en volledig toe te passen, zodat de toepassing kan worden afgestemd op de realiteit van de ultraperifere gebieden.

68.

Het CvdR zal de tenuitvoerlegging van de nieuwe mededeling en de concretisering van de toekomstgerichte voorstellen die erin zijn opgenomen, aandachtig volgen.

Brussel, 31 januari 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


(1)  CvdR-advies over Mobiliteit in regio’s met geografische en demografische uitdagingen (CdR 1691/2014).


23.5.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 176/21


Advies van het Europees Comité van de Regio’s — Erasmus voor lokale en regionale afgevaardigden

(2018/C 176/06)

Rapporteur:

François Decoster (FR/ALDE), lid van de regioraad van Nord-Pas-de-Calais

IBELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S,

Inleiding en context

1.

mengt zich actief in de discussie die de Europese Commissie met het Witboek over de toekomst van Europa — Beschouwingen en scenario’s voor de EU-27 in gang heeft gezet en neemt nota van de voorstellen die voorzitter Juncker in september 2017 heeft gedaan tijdens het debat over de staat van de Unie.

2.

Europese burgers hebben nog steeds het gevoel dat de Europese instellingen ver van hen af staan of technocratisch zijn, en ze merken niet altijd dat essentiële Europese besluiten in hun dagelijks leven tot verbeteringen leiden.

3.

In heel Europa kunnen lokale afgevaardigden doorgaans op meer vertrouwen van de burger rekenen dan het merendeel van hun nationale tegenhangers.

4.

Door de huidige geopolitieke crises, de toename van het terroristische gevaar en de onderhandelingen over de brexit ziet de Europese burger Europa steeds meer als het bestuursniveau waarop deze grote gemeenschappelijke problemen moeten worden aangepakt.

5.

Het komt er vooral op aan om niet slechts te zorgen voor betere technische kennis over de EU en haar instellingen, maar ook voor een open houding die de samenwerking en uitwisseling binnen de Europese integratie — waaraan democratische waarden, het rechtsstaatsbeginsel, de eerbiediging van de mensenrechten en solidariteit ten grondslag liggen — ten goede komt. Deze Europese geest is van cruciaal belang om door middel van de Europese integratie de vrede te bewaren en te werken aan een duurzame en billijke toekomst voor iedereen.

6.

Het Erasmus+-programma, een ware etalage van het Europese beleid, viert in 2017 zijn 30e verjaardag en heeft — door zich open te stellen voor meer bevolkingsgroepen: niet alleen studenten, maar ook middelbare scholieren, jongeren met een leercontract, onderwijzers en leraren, pas afgestudeerden, werkzoekenden, vrijwilligers en professionals uit het verenigingsleven en het sportwezen — ruim 5 miljoen burgers de mogelijkheid gegeven om een tijdlang in het buitenland te verblijven.

7.

Het op initiatief van het Europees Parlement gestarte Erasmusprogramma voor jongeren met een leercontract is een goede zaak.

8.

De technologie en onze manier van leven veranderen steeds sneller, en overheden moeten in hun beleid meer oog hebben voor de menselijke dimensie van deze ontwikkelingen.

9.

In Europa hebben lokale en regionale overheden te maken met problemen (economische en financiële crisis, klimaatverandering, vergrijzing, milieuproblemen enz.) die een samenhangend geheel van maatregelen en strategieën vereisen.

10.

De rol van lokale en regionale overheden bij de uitvoering van Europees beleid blijkt extra duidelijk als het op multilevel governance, lokale autonomie en decentraliseringsmaatregelen aankomt, en zij moeten worden geholpen met het ontwikkelen van vaardigheden op deze gebieden.

11.

Iedereen die betrokken is bij de uitvoering van maatregelen voor een geïntegreerde ontwikkeling moet de algemene en multidisciplinaire vaardigheden en kennis kunnen opdoen die nodig zijn om aan lokale en regionale ontwikkeling bij te dragen.

12.

Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel zijn lokale en regionale overheden in de meeste lidstaten rechtstreeks verantwoordelijk voor het opzetten en verlenen van overheidsdiensten. Zij proberen deze goed en efficiënt te laten werken door te profiteren van de kansen die het Europese beleid hun biedt.

De Europese Unie moet nieuwe instrumenten ontwikkelen om de huidige en toekomstige problemen aan te pakken

13.

De EU maakt een periode van ingrijpende veranderingen door, maar kan door het krappe meerjarig financieel kader helaas niet altijd efficiënt genoeg reageren op nieuwe crises of nieuwe problemen.

14.

Het Europees Parlement, de Raad en de Europese Commissie zouden dan ook maatregelen moeten voorstellen om het meerjarig financieel kader beter af te stemmen op de grote problemen van het moment, zodat nieuwe uitdagingen snel kunnen worden aangepakt.

15.

Met behulp van uitwisselingen tussen landen en ook tussen regio’s kan de onderlinge afstemming van de verschillende Europese programma’s en instrumenten voor innovatie, groei en werkgelegenheid worden verbeterd.

16.

De Europese Unie heeft momenteel in haar optreden te maken met regels die zich moeilijk laten aanpassen aan de ontwikkelingen in het algemeen en concrete situaties in het bijzonder. Onder meer met het witboek over de toekomst van Europa stelt de Europese Commissie daarom voor om veranderingen door te voeren in Europese strategieën en beleidsmaatregelen.

17.

Om beter te kunnen inspelen op de behoeften van de burgers en op de nieuwe uitdagingen van deze eeuw zou de Europese Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden voor het komende meerjarige kader meer oog moeten hebben voor menselijk kapitaal.

18.

Ook de volgende voorzitterschappen van de Raad zouden bij het opstellen van hun programma meer aandacht aan het menselijke kapitaal moeten schenken.

De rol van de lokale en regionale afgevaardigden in dit geheel

19.

De 91 000 lokale en regionale overheden, en dus ook de honderdduizenden plaatselijke politici in de Europese Unie, vormen een onmisbare link tussen de burgers en Europa, en voor de Europese integratie en de ontwikkeling van het menselijke kapitaal is het van groot belang dat zij wat het Europees beleid betreft hun kennis en vaardigheden uitbreiden en contacten opbouwen met afgevaardigden in andere lidstaten (programmalanden) en in bij het programma aangesloten niet-EU-landen (1).

20.

Vóór hun verkiezing hebben lokale en regionale afgevaardigden niet altijd alle benodigde opleiding genoten om zich naar behoren van hun taak te kunnen kwijten. Mogelijkheden voor verdere scholing zouden hun wat dit betreft van pas kunnen komen. Bij deze scholing zou hun niet alleen de nodige technische kennis moeten worden bijgebracht, maar zouden zij ook uitleg moeten krijgen over de redenen voor — en de geest van — de Europese integratie, zodat zij aan hun kiezers kunnen laten zien waarom en op welke manier deze baat kunnen hebben bij het Europese project.

21.

De besluiten die lokale en regionale afgevaardigden nemen, hangen nauw samen met de Europese regels wanneer:

a.

regio’s met wetgevende bevoegdheden zitting krijgen in werkgroepen van de Raad en de Raad van ministers die openstaan voor regionale deelname en zo betrokken worden bij de Europese besluitvorming;

b.

zij in de raadplegingsfase, tijdens de diverse openbare raadplegingen door de Europese Commissie, betrokken worden bij de Europese besluitvorming;

c.

het Comité van de Regio’s rapporten opstelt op de in de Verdragen geregelde bevoegdheidsgebieden;

d.

zij Europese richtlijnen en verordeningen toepassen op uiteenlopende gebieden (zoals water, afval, mobiliteit en energiebesparing);

e.

zij ondersteuning door Europese fondsen aanvragen (zoals EFRO en ESF);

f.

zij overheidssteun programmeren;

g.

zij samenwerken met lokale overheden uit andere lidstaten.

Invoering van een Erasmus-programma voor lokale en regionale afgevaardigden

22.

Het verloop van de voorbereidende maatregelen, het gebruik van het programma voor lokale overheden en de peer-to-peer-programma’s leveren veel informatie op die gebruikt moet worden om de leerervaring en de uitwisseling te verbeteren.

23.

Uitwisselingen van goede praktijken tussen lokale en regionale overheden zouden bevorderd moeten worden, met name bij het al dan niet gecombineerde gebruik van het Europees Fonds voor strategische investeringen, het programma Horizon 2020 en het cohesiebeleid. Het Erasmus-programma voor lokale en regionale verkozen vertegenwoordigers zou dus gebruikt kunnen worden om de bestuurlijke capaciteiten van economisch achtergebleven regio’s te helpen verbeteren.

24.

De Europese Commissie zou beter voor ogen moeten houden dat lokale en regionale afgevaardigden in de EU moeten worden geïnformeerd en geholpen bij het gebruik van Europese fondsen en bij de interregionale samenwerking op EU-schaal.

25.

De Commissie zou oog moeten hebben voor of rekening moeten houden met nieuwe initiatieven van de kant van groepen van decentrale overheden die bedoeld zijn om het huidige EU-beleid te verbeteren of om nieuwe Europese initiatieven in gang te zetten.

26.

Watt de basisopleiding van lokale en regionale afgevaardigden betreft is er ook voor de Europese instellingen een rol weggelegd: deze moeten ervoor zorgen dat de afgevaardigden beter vertrouwd raken met de geest van de Europese integratie en het Europese beleid. Met name in het vooruitzicht van de Europese verkiezingen kunnen de instellingen het beroep dat de afgevaardigden in dit verband op hen doen niet negeren.

27.

Het CvdR spreekt nogmaals, zoals het ook al in zijn witboek over multilevel governance (2009) heeft gedaan, zijn steun uit voor een „Erasmus voor lokale en regionale afgevaardigden”. Het blijft bereid om dit initiatief samen met het Europees Parlement, de Raad en de Europese Commissie een conceptuele en operationele invulling te geven, en verklaart zich er eens te meer voorstander van dat er voor lokale en regionale overheden programma’s komen voor opleidingen en voor de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken.

28.

Het in de jaren 2012 en 2013 uitgevoerde proefproject was een goot succes, met meer dan 1 000 aanvragen voor de 100 beschikbare plaatsen.

29.

Met dit proefproject als uitgangspunt kan een programma worden opgestart waarin het accent ligt op voorlichting over de Europese instellingen en de werking van de Europese Unie, met concrete voorbeelden van onder meer uitwisselingen met andere lokale afgevaardigden. Deze zouden lokale en regionale afgevaardigden kunnen helpen om zelf te ervaren wat de Europese samenwerking inhoudt, een ervaring die zij vervolgens met „hun” burgers kunnen delen. Om de weg te banen voor de mobiliteit waarin het programma voorziet zouden onlinecursussen kunnen worden ontwikkeld.

30.

Het mobiliteitsaspect is van groot belang en dient absoluut behouden te worden, aangezien uit tal van studies is gebleken hoe efficiënt kennis via wederzijds leren kan worden overgedragen. Dergelijke multilaterale uitwisselingen tussen lokale afgevaardigden vormen een duidelijke Europese meerwaarde ten opzichte van bilaterale samenwerking.

31.

Voor het opleiden van afgevaardigden zou ook, zij het niet uitsluitend, gebruikgemaakt kunnen worden van het netwerk van Europese universiteiten en hogescholen, en er zou tevens een rol moeten zijn weggelegd voor historisch belangrijke plaatsen die de Europese cultuur en de Europese geest hebben helpen vormgeven.

32.

Na deze basisopleiding kunnen lokale en regionale afgevaardigden hopelijk met hun tegenhangers uit andere lidstaten rond een bepaald thema gaan samenwerken om:

a.

onderling goede praktijken uit te wisselen;

b.

hun kennis van de instrumenten van de EU uit te breiden;

c.

goede contacten op te bouwen;

d.

nieuwe lokale en regionale initiatieven op te starten.

e.

betere ambassadeurs te worden van de voordelen die samenwerking met mensen uit andere landen oplevert en zo bij te dragen aan een Europees bewustzijn.

33.

Dat zou ook de Europese geest van lokale en regionale afgevaardigden in stand houden en bij lokale en regionale overheden een Europees bewustzijn helpen kweken.

34.

Dergelijke, aan de hand van de resultaten van het proefproject aangepaste maatregelen zouden in 2018, 2019 en 2020 getest moeten worden, zodat ze kunnen worden opgenomen in de nieuwe programmering van de Europese Commissie, eventueel met een andere rechtsgrond indien dat nodig mocht blijken voor het opzetten van een programma „Erasmus voor lokale en regionale afgevaardigden” of „Erasmus voor lokale en regionale actoren”.

35.

Het programma moet op zodanige wijze worden ontworpen dat zowel fulltime- als parttimepolitici eraan kunnen meedoen alsook degenen die een meer technisch georiënteerde leidinggevende positie bekleden. Ook moet gestreefd worden naar een evenwichtige verhouding van mannen en vrouwen maar ook van territoria, zodat de deelname van vertegenwoordigers van lokale en regionale overheden van uiteenlopende omvang en bevolkingsgrootte gegarandeerd is.

36.

Op basis van de ervaringen die in 2012 zijn opgedaan met het proefproject zou de Commissie één of meer tests met een groot hefboomeffect moeten voorstellen om het nieuwe programma te verbeteren en er aldus voor te zorgen dat lokale afgevaardigden goed thuis zijn in de Europese Unie en haar beleid.

37.

De kosten kunnen worden gedeeld door de Europese Unie, de overheden van de respectieve afgevaardigden en eventueel de onderwijsinstellingen die in sommige lidstaten door de overheid gefinancierd worden.

38.

De lidstaten zouden steun moeten verlenen aan dit initiatief, waar hun burgers baat bij hebben, met name omdat deze zo een beter inzicht krijgen in beleidsmaatregelen, in het dagelijkse reilen en zeilen van lokale overheden in andere lidstaten en in Europese fondsen, alsmede in de manier waarop een en ander concreet zijn beslag krijgt. Bovendien draagt het initiatief bij aan de stabiliteit en het vertrouwen tussen de lidstaten.

39.

Net als in 2012 zou het Europees Parlement het programma Erasmus voor lokale en regionale afgevaardigden moeten ondersteunen, en wel op verschillende manieren (bijvoorbeeld rapporten of conferenties). Zo zou het in 2018 kunnen voorstellen om in de begrotingsprocedure een proefproject op te nemen dat in 2019 moet worden uitgevoerd.

40.

Een Erasmus-programma voor lokale en regionale afgevaardigden is alleen mogelijk met nieuwe financiële middelen en mag niet drukken op de begroting van het Erasums+- programma.

41.

Het CvdR zal volop meewerken aan de invoering van zo’n programma door een dossier van geïnteresseerde afgevaardigden te helpen samenstellen, de oproep tot het indienen van blijken van belangstelling te verspreiden, een module te verzorgen tijdens de Europese week van regio’s en steden en een of meer online-opleidingsmodules te helpen ontwikkelen.

42.

Voor het opstellen van dit programma zou snel een werkgroep met vertegenwoordigers van de Europese Commissie, het Europees Parlement en het Comité van de Regio’s moeten worden opgericht.

Brussel, 31 januari 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


(1)  https://ec.europa.eu/programmes/erasmus-plus/programme-guide/part-a/who-can-participate/eligible-countries_en.


23.5.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 176/25


Advies van het Europees Comité van de Regio’s — Het bevorderen van de co-existentie met tot conflicten aanleiding gevende soorten, in het kader van de natuurrichtlijnen van de EU

(2018/C 176/07)

Rapporteur:

Csaba Borboly (RO/EVP), voorzitter van de regioraad van Harghita

Referentiedocument:

Initiatiefadvies

BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO'S,

1.

wijst erop dat biodiversiteit, het Natura 2000-netwerk en de bescherming van soorten een zaak van gemeenschappelijk Europees belang is die elke lidstaat, regio en gemeente aangaat, en is van mening dat de tot nu toe gehanteerde werkwijze daarom absoluut moet worden voortgezet en verder moet worden ontwikkeld, d.w.z. dat lidstaten, regio's en lokale gemeenschappen zich op gecoördineerde wijze inzetten om de doelstellingen te verwezenlijken en, conform het solidariteitsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel, de voordelen te spreiden.

2.

Het CvdR benadrukt zijn standpunt uit zijn vorige advies, dat werd geformuleerd tijdens de fitness-check van de natuurrichtlijnen en dat aansloot bij het standpunt van het Parlement, namelijk dat de milieudoelstellingen en natuurrichtlijnen niet hoeven te worden gewijzigd en dat de nadruk erop moet liggen dat ze in de verschillende regio's en lidstaten van de EU naar behoren worden uitgevoerd, met als uitgangspunt de meest recente technische en wetenschappelijke stand van zaken en met gebruikmaking van de flexibiliteit die in de richtlijnen is ingebouwd om concrete lokale kwesties aan te pakken waarbij conflicten mogelijk zijn tussen specifieke soorten en menselijke activiteit. Daarom zegt het CvdR toe te zullen bijdragen aan het actieplan voor natuur, mens en economie om er ook voor te zorgen dat de co-existentie met tot conflicten aanleiding gevende soorten door middel van de geplande maatregelen op Europees, nationaal, regionaal en ook lokaal niveau in adequate mate wordt bevorderd.

3.

De richtlijnen zijn cruciaal omdat de efficiënte coördinatie van het Natura 2000-netwerk en het milieubeleid in grote mate heeft bijgedragen aan de goede onderlinge afstemming van de biodiversiteitsdoelen in de lidstaten, en zodoende is ook de meerwaarde van de Europese Unie duidelijk zichtbaar.

4.

Het CvdR wijst erop dat de lidstaten er verantwoordelijk voor zijn om binnen hun regio's en binnen het kader en in de geest van de richtlijnen passende oplossingen te vinden, rekening houdend met de specifieke situaties in de verschillende regio's waar het gaat om individuele soorten en concrete problemen, en met betrokkenheid van de lokale en regionale overheden en alle andere belanghebbenden.

5.

Problemen in verband met de co-existentie van ‘tot conflicten aanleiding gevende soorten’ kunnen vaak het gevolg zijn van de druk die menselijke activiteiten uitoefenen op de natuurlijke habitats van veel soorten en van de vaak ongepaste of onachtzame houding van mensen tegenover deze dieren. Een en ander varieert van invasieve activiteiten in beschermde gebieden tot het actief fokken van dieren voor de jacht of voor het toerisme dan wel onjuist afvalbeheer, waardoor menselijke nederzettingen grote carnivoren aantrekken. Er is dan ook een holistische aanpak van biodiversiteit nodig, en er moeten oplossingen worden gezocht voor specifieke problemen in hun lokale context, wat nauwe samenwerking vereist tussen verschillende bestuurslagen en alle relevante belanghebbenden.

6.

Het CvdR hoopt dat er bij de planning van het volgende meerjarig financieel kader uit alle relevante EU-fondsen genoeg middelen beschikbaar zullen zijn voor de financiering van maatregelen op het gebied van bescherming, preventie (waaronder bewustwording en milieu-educatie) compensatie, onderzoek en van andere specifieke ontwikkelingsmaatregelen op de verschillende relevante beleidsterreinen;

7.

De verbetering van de biodiversiteit is een gemeenschappelijk belang op elk territoriaal niveau van de Europese Unie en daarom is er nog altijd behoefte aan gecoördineerd optreden.

8.

In een groot aantal regio's kan er een kwantitatieve en kwalitatieve verbetering van de biodiversiteit worden vastgesteld, en tegelijkertijd vindt er meer wisselwerking met menselijke gemeenschappen plaats. Bij sommige zogenaamde tot conflicten aanleiding gevende soorten kan dit gepaard gaan met aanzienlijke afzonderlijke of territoriale risico's voor personen en economische activiteiten, als de gemeenschappen niet voldoende voorbereid zijn of als er geen geschikte, op de plaatselijke omstandigheden toegespitste, realistische en proportionele beheersoplossingen voorhanden zijn.

Naar een efficiëntere toepassing

9.

Het CvdR dringt aan op onder meer nieuwe wetenschappelijk onderbouwde maatregelen waarin de juiste methodiek voor de toepassing van de richtlijn kan worden opgenomen, aangezien ‘tot conflicten aanleiding gevende soorten’ worden gedefinieerd als soorten die vanwege hun biologische en ethologische kenmerken concurreren met verschillende menselijke activiteiten voor een gemeenschappelijk gebruik van hulpbronnen en ruimte;

10.

Voor het behoud van de biodiversiteit en de toepassing van de richtlijnen moeten er multidisciplinaire, holistische onderzoeksgrondslagen worden gewaarborgd waarin de sociale wetenschappen een rol kunnen spelen die even belangrijk is als die van de voor dit onderwerp specifieke natuurwetenschappen.

11.

Lokale en regionale besturen spelen in drie belangrijke opzichten een essentiële rol op het vlak van milieubescherming en biodiversiteit: ten eerste als voornaamste begunstigden van de investeringen op nationaal niveau en uit de ESI-fondsen, en ten tweede als partijen die gerechtigd zijn bouwregelgeving op te stellen en overheidsvergunningen te verstrekken voor landbouw en veeteelt, ruimtelijke ordening en stedenbouw, en daardoor van grote invloed zijn op het grondgebruik en dus ook op de verwezenlijking van milieuaspecten. Ten derde staan lokale en regionale overheden, als de bestuurslagen die het dichtst bij de burgers staan, een belangrijke rol, omdat zij dezen informatie geven over de bescherming van tot conflicten aanleiding gevende soorten en hen in dit verband aanmoedigen en steunen.

12.

Het CvdR verzoekt de Europese Commissie om de inspanningen op het vlak van kennisoverdracht voort te zetten en te intensiveren, teneinde bij te dragen aan het vinden van lokale en regionale oplossingen voor de vraag hoe er kan worden samengeleefd met tot conflicten aanleiding gevende soorten, en om waar mogelijk van de eventuele nood een deugd te maken. Hierbij is het ook zaak goede praktijkvoorbeelden onder de aandacht te brengen waar het gaat om de meest geschikte beheersmodellen voor Natura 2000-gebieden en beschermde soorten. Niet-gouvernementele organisaties en andere betrokken partijen, die in dit verband veel praktische kennis opdoen met projecten die zij in heel Europa uitvoeren, moeten worden beschouwd als waardevolle partners als het op de overdracht van kennis aankomt.

13.

Het is zorgelijk dat lokale gemeenschappen in verscheidene lidstaten zich verzetten tegen de nieuwe verschijning, aanwezigheid en populatie-uitbreiding van tot conflicten aanleiding gevende soorten. Door ondermaatse oplossingen voor conflicten en ongelukkig, te laat of niet naar behoren gecommuniceerde beleidsmatige en bestuurlijke antwoorden kan het draagvlak voor het milieubeleid namelijk afnemen, en deze situatie, vooral in een aantal regio's waar grote carnivoren voorkomen, kan leiden tot een toename van stroperij, gevallen van vergiftiging en het uitzetten van vallen, hetgeen volstrekt verwerpelijk is maar niet kan worden aangepakt met louter verbieden en straffen.

14.

In diverse lidstaten bestaan er uitstekende lokale en regionale praktijken voor de co-existentie met tot conflicten aanleiding gevende soorten, waaronder grote carnivoren, en juist daarom moet de noodzaak van op positieve ervaringen gestoelde lokale en regionale planning worden benadrukt. Naast deze lokale, regionale of nationale publieke of private initiatieven kunnen ook LIFE-projecten goede praktijken opleveren, mits deze na afloop van de betrokken projecten worden voortgezet.

15.

Hopelijk wordt er tijdens de planning van het volgende meerjarig financieel kader in de opvolgers van Horizon 2020 en de ESI-fondsen de nodige aandacht besteed aan maatregelen voor beschermde soorten, aan onze gemeenschappelijke Europese waarden en vooral ook aan investeringen en initiatieven met betrekking tot grote carnivoren en tot conflicten aanleiding gevende soorten, die effectief en efficiënt moeten zijn en waarbij de belangen van gemeenschappen voor ogen moeten worden gehouden.

16.

Het Comité schaart zich volledig achter de Europese Commissie bij het opzetten van specifieke platformen voor biogeografische regio's, en benadrukt dat de rechtstreekse betrokkenheid van de lokale en regionale besturen onontbeerlijk is voor het welslagen daarvan.

Onderzoek en ontwikkeling, nieuwe initiatieven

17.

Bij de selectieprocedure van onderzoeken moet de nadruk worden gelegd op onderzoeks- en ontwikkelingsprocessen die doelstellingen op het vlak van biodiversiteit, economische en sociale doelstellingen en doelstellingen op het vlak van wildbeheer bevorderen en die concreet en snel kunnen worden toegepast.

18.

Bij de goede lokale en regionale benutting van onderzoeks- en ontwikkelingsprocessen mag er geen sprake zijn van onevenredigheid, dat wil zeggen dat in voorkomend geval regio's en gemeenten die beschikken over gebieden met grote natuurschatten en belangrijke habitats, maar achterlopen in hun ontwikkeling, wel dezelfde toegang moeten hebben tot onderzoeksfinanciering.

19.

Het moet klip en klaar zijn dat de verschillende proefprojecten in verband met biodiversiteit in grote mate hebben bijgedragen aan de kennisoverdracht tussen de afzonderlijke lidstaten, en dat de proefprojecten er in veel gevallen voor hebben gezorgd dat de lokale gemeenschappen de doelstellingen begrepen en zich daarmee konden identificeren, zodat ze samen met overheidsinstanties en non-gouvernementele organisaties praktische maatregelen konden nemen om bedreigde en waardevolle soorten te beschermen.

20.

Het Comité benadrukt echter dat dergelijke initiatieven in veel gevallen niet worden voortgezet en dus op zichzelf staan of van tijdelijke aard zijn, en acht het dus van belang om bij de selectieprocedure van dergelijke projecten een criterium te hanteren dat rekening houdt met de nazorg en de praktische continuïteit van de projecten die door de organisatie in kwestie of haar leden eerder verwezenlijkt zijn, waarmee wordt bijgedragen aan de doeltreffende besteding van Europese gelden.

21.

Er zijn verdere stappen nodig zodat de in de context van biodiversiteit en grote carnivoren veelvuldig genoemde positieve effecten zich daadwerkelijk kunnen voordoen in de lokale gemeenschappen, omdat deze mogelijkheid in veel gevallen niet voldoende wordt benut of de voorwaarden ervoor, waaronder de vereiste kennis en subsidies, niet in afdoende mate aanwezig zijn.

Specifieke aspecten in verband met grote carnivoren

22.

Wat betreft grote carnivoren, die vanwege hun gedrag, fysieke en ecologische kenmerken en instincten de menselijke gezondheid eventueel ernstige schade kunnen toebrengen en zelfs voor levensgevaarlijke verwondingen kunnen zorgen, en tevens een groot gevaar kunnen betekenen voor de gezondheid en het welzijn van landbouwdieren, is de tot nu toe in sommige regio's gevolgde aanpak niet toereikend. Er is dus behoefte aan een beter beheer van de conflicten die verband houden met grote carnivoren, waarbij ten volle gebruik moet worden gemaakt van de relevante ervaringen met onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten en andere relevante projecten, teneinde de effecten en risico's voor mens en dier te beperken.

23.

Grote carnivoren moeten — gezien het beschermingsniveau dat zij genieten — beschermd worden buiten menselijke nederzettingen, ongeacht of zij zich binnen of buiten een in de Natura 2000-richtlijn gedefinieerde beschermd gebied bevinden, maar in menselijke nederzettingen is er in het geval van niet sporadisch maar regelmatig voorkomende grote carnivoren sprake van gedragspatronen die enerzijds een risico met zich meebrengen voor mensen, en dan vooral voor kinderen, ouderen en gehandicapten, en die anderzijds ook voor deze specifieke exemplaren van de soort in kwestie niet natuurlijk te noemen zijn; in deze gevallen moeten alle nodige stappen worden gezet om het risico te beperken, en indien onvermijdelijk moeten de exemplaren op passende en controleerbare wijze worden verwijderd of moeten er andere noodzakelijke maatregelen worden genomen, in overeenstemming met eventuele desbetreffende beheersplannen. Het doel is ervoor te zorgen dat er overal beheersplannen zijn voor zowel behoud als de aanpak van „conflicten”. Maatregelen tegen exemplaren die conflicten veroorzaken moeten hoe dan ook uitzonderlijk blijven en mogen de toekomst en de levensvatbaarheid van de bevolking niet in het gedrang brengen;

24.

Het is betreurenswaardig dat landbouwers en veehouders momenteel niet betrokken zijn bij de activiteiten van het platform voor grote Europese carnivoren, als gevolg waarvan de specifieke belangen van deze belangengroep niet rechtstreeks vertolkt kunnen worden in het door de Europese Commissie opgezette samenwerkingsverband, en daarom moeten de partijen bereid zijn compromissen te sluiten over dit onderwerp en zo snel mogelijk gezamenlijk de mogelijkheid creëren om de belangen van landbouwers binnen het platform tot uitdrukking te brengen.

Lokale en regionale aspecten van biodiversiteit

25.

De kwaliteit en de uitbreiding van de leefgebieden van grote carnivoren laten in een aantal regio's een stijgende lijn zien, wat echter, in combinatie met landbouwfactoren, gepaard kan gaan met de verdringing van andere traditionele landbouwvormen — zo verdwijnen met name in het geval van bergweiden en -grasland diverse andere habitats, waaronder beschermingsgebieden voor vogels en vegetatie, als de voor hun voortbestaan belangrijke menselijke activiteiten verdwijnen.

26.

Voor de habitats en de daar voorkomende landbouwvormen moeten verdere stimulansen worden geboden die niet alleen in de Natura 2000-gebieden maar ook in de naburige gebieden beschikbaar moeten zijn voor landbouwers, aangezien deze — vooral de traditionele, overwegend extensieve landbouwvormen waarbij ook lokale kenmerken van belang zijn — in grote mate bijdragen aan de verbetering van de biodiversiteit en de duurzame ontwikkeling van het platteland. Het CvdR verzoekt de Europese Commissie om dergelijke nieuwe stimulansen en mogelijke aanpassingmethoden voor te stellen in haar aanstaande evaluatie van de impact van het gemeenschappelijk landbouwbeleid op de biodiversiteit.

27.

De lokale en regionale besturen kunnen weliswaar meer en efficiëntere maatregelen nemen om de biodiversiteitsdoelen te halen, maar aan de andere kant moet er ook gezorgd worden voor meer samenwerking en coördinatie met de lidstaten en de Unie teneinde de bijdrage van de lokale en regionale besturen te kunnen benutten, waarvoor dan wel een passend kader dient te worden geschapen.

28.

De lidstaten en vooral de regionale en lokale besturen moeten kunnen profiteren van technische bijstand die wordt verleend door agentschappen van de Unie zodat zij hun eigen programma's kunnen opstellen, medegefinancierd uit nationale en/of EU-fondsen.

29.

In de communicatie over biodiversiteit en bij de formulering van actieplannen moeten jagers, wild- en bosbeheerders en veehouders rechtstreeks vertegenwoordigd zijn, aangezien dit voor verscheidene waardevolle of beschermde soorten de partijen zijn die met het behoud en de regulering van de bestanden, de inrichting en aanleg van bossen en de exploitatie van de benodigde infrastructuur in grote mate bijdragen aan de totstandbrenging en instandhouding van de op dit moment als natuurlijk beschouwde toestand.

30.

Het CvdR verzoekt de lidstaten om de in de natuurrichtlijnen genoemde uitzonderingen en afwijkingen voor bepaalde soorten die tot conflicten aanleiding kunnen geven, met de nodige vaart en flexibiliteit toe te passen, terdege rekening houdend met de situatie op regionaal/lokaal niveau, en waar nodig in samenwerking met naburige lidstaten/regio's. Ook vindt het dat in regionale en nationale plannen voor grote carnivoren en tot conflicten aanleiding gevende soorten rekening dient te worden gehouden met de specifieke kenmerken, tradities en het natuurlijke en culturele erfgoed van plaatsen en regio's.

Samenhang tussen beleidsterreinen

31.

De systemen waarbinnen de betalingen voor Natura 2000-gebieden worden uitgekeerd, verschillen aanzienlijk per lidstaat. In sommige lidstaten waar grote populaties grote carnivoren voorkomen is bij de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid afgezien van de invoering van deze betalingen; op dit vlak moeten er al in de huidige programmeringsperiode stappen worden ondernomen.

32.

De habitats van grote carnivoren raken steeds meer versnipperd door de opdeling en specifieke inrichting van het Europese landschap. Als gevolg daarvan moeten grote carnivoren vaak, alleen of in groepen, door mensen gebruikte of bewoonde gebieden oversteken om te migreren tussen verschillende delen van hun habitat. Daarom moet er bij de aanleg en modernisering van de vervoersinfrastructuur, met name over de weg en per spoor, speciale aandacht worden besteed aan deze routes en aan de verbindingen tussen de habitats. Ook in de ruimtelijke ordening en bij het beheer van beschermingszones en aangrenzende gebieden vereist dit speciale aandacht.

33.

De Europese Commissie en de lidstaten zouden financieringsregelingen beter moeten afstemmen op de aanpak van problemen in verband met biodiversiteit en het beheer van habitats, ook die van grote carnivoren, zodat de nodige infrastructuur en menselijk kapitaal kunnen worden ontwikkeld voor het in goede banen leiden van conflicten tussen mensen en bepaalde soorten en gezorgd kan worden voor snelle en eenvoudige compensatie of vergoeding van schade.

34.

Het model van multilevel governance kan met succes worden toegepast om de milieutoestand en met name de biodiversiteit te verbeteren, en daarom zijn er verdere onderling afgestemde maatregelen nodig.

Volgende stappen

35.

Om de lokale en regionale besturen bewuster en op grotere schaal te betrekken bij de passende, veilige en ook voor gemeenschappen nuttige co-existentie met tot conflicten aanleiding gevende soorten, en dan met name grote carnivoren, moet er in 2019 samen met de Europese Commissie een conferentie worden georganiseerd, waarbij de impact van het initiatiefadvies en de activiteiten van de platformen voor Europese en biogeografische regio's moeten worden geëvalueerd, en een beleidsmatige en wetenschappelijke discussie moet worden gevoerd over de concrete stappen na 2021.

36.

Het Comité verzoekt de Europese Commissie om bij de oprichting van platformen en samenwerkingsverbanden inzake tot conflicten aanleiding gevende soorten en bij het opstellen van het desbetreffende beleid een rechtstreekse vertegenwoordiging en daadwerkelijke en efficiënte participatie van lokale en regionale besturen en de bijbehorende organisaties en afvaardigingen tot stand te brengen, en met de publicatie van aanbevelingen en richtsnoeren de lidstaten te helpen om de juiste aanpak op grote schaal te verspreiden.

37.

Het zou nuttig zijn als lokale en regionale besturen in gebieden waar grote carnivoren voorkomen al in de huidige programmeringsperiode een EGTS-samenwerking op zouden zetten, hetzij als grote regio of biogeografische regio, hetzij in een vorm die openstaat voor het hele grondgebied van de Europese Unie, om gemeenschappelijke of gelijksoortige problemen op te lossen en op doeltreffender en gecoördineerde wijze op te treden.

Brussel, 31 januari 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


23.5.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 176/29


Advies van het Europees Comité van de Regio's over de digitale interne markt: tussentijdse evaluatie

(2018/C 176/08)

Rapporteur:

Alin-Adrian NICA (RO-EVP), burgemeester van Dudeștii Noi

Referentiedocument:

Tussentijdse evaluatie van de uitvoering van de strategie voor de digitale interne markt — Een connectieve digitale interne markt

COM(2017) 228 final

BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITE VAN DE REGIO'S

Algemene opmerkingen

1.

is verheugd over het initiatief van de Europese Commissie, die halverwege de uitvoering van de strategie voor de digitale eengemaakte markt de balans opmaakt van wat er inmiddels is bereikt. De evaluatie is uiterst nuttig is om de tot nu toe geboekte vooruitgang te meten en na te gaan welke maatregelen er moeten worden genomen om de aangegane verbintenissen na te komen en in welke gebieden meer gedaan moet worden en nieuwe maatregelen geboden zijn.

2.

De lokale en regionale overheden spelen een belangrijke rol in de uitvoering van de aanbevelingen van de strategie voor de digitale eengemaakte markt, aangezien zij de motor zijn van de economische groei op lokaal en regionaal niveau en diverse digitale IT-producten en -diensten kunnen genereren, gebruiken en beheren.

3.

Het CvdR herinnert aan de steun die is verleend voor de ontwikkeling van elektronische communicatie op de interne markt, teneinde een dynamische en duurzame groei in alle sectoren van de economie te stimuleren, en legt dan ook de nadruk op de essentiële rol van de lokale en regionale overheden en hun potentieel voor de digitalisering van de Europese industrie.

4.

Het CvdR wijst op de belangrijke rol van lokale en regionale overheden bij de verlening van digitale diensten aan burgers en bij de installatie en het beheer van digitale infrastructuur, vaak in het kader van grensoverschrijdende of interregionale samenwerking; voor deze diensten zijn onverwijld maatregelen nodig om belemmeringen voor grensoverschrijdende onlineactiviteiten op een evenwichtige manier aan te pakken; het gaat hierbij onder meer om de verschillen tussen de lidstaten wat de organisatie en de werking van overheidsinstanties, het contractenrecht en auteursrechten betreft (1).

5.

De juiste voorwaarden moeten worden geschapen om de aansluiting van alle geografische gebieden mogelijk te maken op breed- en ultrabanddiensten die ook op de lange termijn goed zullen functioneren in een concurrerende omgeving. De Commissie zou in het kader van de totstandbrenging van de digitale eengemaakte markt regelmatig verslag moeten uitbrengen van de vooruitgang die is geboekt bij het dichten van de digitale kloof, met name op regionaal en lokaal niveau (2).

6.

Het is belangrijk om alle aspecten van interoperabiliteit en elektronische identificatie (e-identificatie), elektronische handtekening, elektronisch documentenbeheer en andere componenten van elektronisch beheer (e-governance) af te dekken. Om ervoor te zorgen dat burgers en bedrijven zich veilig weten en vertrouwen hebben, moet daarbij worden gekeken naar landen/regio’s die op dit gebied veel vooruitgang hebben geboekt.

7.

De digitalisering van de samenleving biedt kansen op groei en werkgelegenheid, vooral in afgelegen regio’s en in regio’s die kampen met demografische problemen.

8.

Gezien de digitale revolutie en het veranderende consumentengedrag moet het juridisch kader inzake auteursrechten worden gemoderniseerd. Het CvdR benadrukt de mogelijkheden die de lokale en regionale overheden hebben om deze rechten te harmoniseren en de sleutelrol die zij hierbij kunnen spelen.

9.

Investeringen in ICT-onderzoek zijn van belang om de opkomst van nieuwe ondernemingen te bevorderen. Bovendien kunnen dankzij ICT-gebruik op het gebied van innovaties grote sociaaleconomische uitdagingen worden aangegaan (3).

10.

Er zou moeten worden gekeken naar de wenselijkheid van een eerlijk en objectief systeem van belastingheffing op inkomsten uit grensoverschrijdende onlineverkoop, dat moet leiden tot een uniform belastingniveau voor bedrijven die in de hele EU e-handelsgerelateerde activiteiten ontplooien en zo de activiteiten van die bedrijven, met name het midden- en kleinbedrijf, zou moeten stimuleren.

Cybersecurity en betere middelen om cyberbeveiligingsincidenten aan te pakken

11.

De nieuwe cyberveiligheidsstrategie van de Europese Commissie zou de preventie, opsporing en aanpak van cyberincidenten moeten verbeteren en voor de ernstigste incidenten moeten leiden tot betere informatie-uitwisseling en meer coördinatie tussen lidstaten en de Commissie. Daartoe zouden de partnerschappen tussen de lidstaten, de EU-instellingen, de lokale en regionale overheden, de privésector en het maatschappelijk middenveld moeten worden versterkt (4).

12.

Er moeten normen, instrumenten en mechanismen worden ontwikkeld die de beveiliging van netwerken en informaticasystemen verzekeren en gelijke tred kunnen houden met de voortdurend veranderende informaticabedreigingen, zodat in alle lidstaten een hoog beveiligingsniveau wordt gewaarborgd.

13.

Door veiligheidsrisico's in de opslag van en de toegang tot gegevens en een toenemend aantal cyberaanvallen op belangrijke stedelijke infrastructuur en beheerssystemen, is een breder scala aan systemische en gecoördineerde maatregelen nodig, waaronder afzwakking en preventie, die borg staan voor concrete initiatieven van de markt en regelgeving en handhaving door de overheid. Onder meer lokale en regionale overheden zouden, ook voor degenen die betrokken zijn bij de aankoop, invoering en dagelijkse werking van technologieën voor slimme steden, een geavanceerde beveiligingsopleiding moeten ontwikkelen en invoeren.

14.

Om de doelstellingen voor de digitale interne markt te kunnen verwezenlijken is het zaak om nationale waarden, de samenleving en de economie te beschermen tegen de negatieve effecten van cyberaanvallen en dienen fundamentele waarden zoals vrijheid van meningsuiting, het recht op privacy en de bevordering van open, vrij en transparant gebruik van cybertechnologieën te worden geëerbiedigd. Grensoverschrijdende cyberbeveiligingsincidenten zijn een groot gevaar.

15.

Er is sprake van een alarmerende ontwikkeling waarbij deze incidenten zich steeds vaker voordoen en een steeds groter risico vormen. Aangezien deze bedreigingen voor netwerken en computersystemen een belemmering kunnen zijn voor economische activiteiten en aanzienlijke financiële verliezen kunnen veroorzaken, het vertrouwen van gebruikers kunnen ondermijnen en grote schade kunnen toebrengen aan de economie van de EU, pleit het CvdR voor meer samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten, met name bij de aanpak van grootschalige grensoverschrijdende cyberbeveiligingsincidenten.

16.

Het vertrouwen van gebruikers in elektronische diensten moet zeker versterkt worden, waarbij ervoor gezorgd moet worden dat zij op de hoogte zijn van hun rechten en veilig online kunnen gaan, en dat de bescherming van het auteursrecht en de intellectuele eigendom gewaarborgd is.

17.

Het CvdR is het ermee eens dat een met alle operationele capaciteiten opgetuigd agentschap van de EU voor cyberveiligheid moet worden opgericht binnen een stabiel operationeel kader en de verantwoordelijkheid moet krijgen voor de volledige IT-beveiligingscyclus en voor het voorkomen, opsporen en oplossen van cyberveiligheidsincidenten als deze zich voordoen.

18.

Het CvdR steunt het voorstel om een Europees ICT-veiligheidskader, dat gestoeld moet worden op bestaande veiligheidscertificeringssystemen en door alle EU-lidstaten moet worden erkend, administratief te onderhouden en technisch te beheren.

19.

Cyberaanvallen zouden moeten worden bestreden met maatregelen om kritieke infrastructuur beter te beschermen, zodat burgers en bedrijven zich kunnen bewegen in een veilige en betrouwbare digitale omgeving die, binnen een passend rechtskader, in overeenstemming is met de grondrechten en andere kernwaarden van de EU.

Ontwikkeling van onlineplatforms

20.

Onlineplatforms kunnen van groot belang blijken voor discussies over kwesties van gemeenschappelijk belang met betrekking tot de installatie, het onderhoud en de ontwikkeling van breedbandnetwerken in alle regio's en gebieden van de EU.

21.

Het CvdR is ingenomen met de aankondiging van de Commissie dat zij de oprichting van digitale-innovatiehubs zal ondersteunen en roept haar op om de middelen evenwichtig over de regio's te verdelen (5).

22.

Er moeten breedbandnetwerken worden aangelegd om de huidige economische en sociale uitdagingen het hoofd te bieden en een inclusieve kennismaatschappij op te bouwen.

23.

Het gebruik van internet en de daar beschikbare diensten zijn factoren voor economische groei en werkgelegenheid, sociale gelijkheid en gelijke toegang tot informatie. De toegang tot internet kan dan uitgroeien tot een daadwerkelijk burgerschapsrecht en indicator van de levenskwaliteit.

24.

Onlineplatformen (zoekrobots, sociale media, appstores enz.) hebben een steeds grotere invloed in de interneteconomie.

25.

Bij de aanleg van de netwerken zouden duurzaamheid en efficiëntie voorop moeten staan. De aanleg van een breedbandnetwerk met een goede dekking vereist aanzienlijke en langdurige investeringen in infrastructuur, en de bevoegde autoriteiten moeten ervoor zorgen dat het netwerk goed toegankelijk is voor particuliere ondernemingen in plattelandsgebieden.

26.

Om de doelstellingen van elektronische-communicatiesystemen te verwezenlijken (waarbij netwerkmonopolisatie moet worden vermeden) zou er meer aandacht moeten worden geschonken aan een efficiëntere toewijzing van radiospectrumbereiken en aan het stimuleren van particuliere investeringen en overheidsinvesteringen.

27.

Het vertrouwen van de burgers en van de bedrijfswereld in elektronische diensten moet worden versterkt door hun voortdurend informatie te geven over de rechten waarover zij beschikken en door hun een goede bescherming te bieden bij hun online activiteiten. Bovendien moeten er doeltreffende maatregelen worden genomen om illegale inhoud waaraan zij kunnen worden blootgesteld te verwijderen.

28.

Er is een gecoördineerde actie van de lidstaten, lokale en regionale overheden — die vaak verantwoordelijk zijn voor scholen en overige onderwijsinstellingen — en andere belanghebbenden nodig ter ondersteuning van maatregelen om het niveau van e-vaardigheden te verhogen en ervoor te zorgen dat burgers niet worden uitgesloten van de op ICT gebaseerde samenleving en economie. Het is van cruciaal belang te zorgen voor digitale geletterdheid en vaardigheden, die burgers, werknemers, en werkzoekenden nodig hebben om te kunnen deelnemen aan de verstrekkende digitalisering van de economie en de samenleving (6). De hardnekkige digitalevaardigheidskloof waar de Commissie gewag van maakt baart het CvdR zorgen.

Zorgen voor de voorwaarden die nodig zijn voor de werking van de gegevenseconomie

29.

Door de voortdurende ontwikkelingen in de economie, waaronder de digitalisering, krijgen lokale en regionale overheden nieuwe kansen om het groeipotentieel van de digitale economie te maximaliseren. Daarbij is het zaak om fors te investeren in informatie- en communicatie-infrastructuur en -technologieën, met name op het gebied van cloud computing en big data, alsook in onderzoek en innovatie, teneinde het concurrentievermogen van de industrie te vergroten en verbeteringen door te voeren op het gebied van openbare dienstverlening, inclusie en vaardigheden. Het CvdR steunt in dit verband het voornemen van de Commissie om, in het verlengde van haar mededeling van 21 september 2017 inzake een eerlijke belastingheffing voor de digitale economie, in het voorjaar van 2018 met een richtlijnvoorstel te komen met EU-regels voor de belasting van de winsten van de digitale economie (7).

30.

Het CvdR is verheugd dat gratis internettoegang voor gebruikers in lokale gemeenschappen wordt aangemoedigd dankzij het WiFi4EU-initiatief en dat privé-investeerders op die manier worden gestimuleerd om mee te werken aan de ontwikkeling van de infrastructuur voor digitale netwerken.

31.

Het CvdR steunt het WiFi4EU-initiatief, dat het op lokaal niveau wil bevorderen en waarvan het de potentiële voordelen wil verspreiden, zodat op het moment dat de eerste oproep tot het indienen van voorstellen wordt gepubliceerd, al een zo groot mogelijk aantal in aanmerking komende Europese overheidsinstanties klaar is om de beschikbare middelen aan te vragen.

32.

De verbetering van breedband zal een belangrijke rol spelen bij de ontwikkeling van 5G-netwerken. Deze netwerken zullen hun uitwerking niet missen op de digitale omschakeling van de economie en de samenleving en op de ontwikkeling van innovatieve en concurrerende digitale diensten, zaken die op de lange termijn sociaaleconomische voordelen, groei, werkgelegenheid en cohesie met zich mee zullen brengen. Het CvdR dringt er daarom nogmaals bij de Europese Commissie op aan om de 5G-standaardisatie zo snel mogelijk af te ronden, aangezien standaarden van eminent belang zijn voor het concurrentievermogen en de interoperabiliteit van telecommunicatienetwerken.

33.

Consumenten stuiten op problemen als zij toegang willen krijgen tot grensoverschrijdende diensten die worden aangeboden in een andere lidstaat dan de lidstaat waar zij verblijven.

34.

De grensoverschrijdende portabiliteit van elektronische diensten zal een positief effect sorteren: zowel thuis als in een andere lidstaat hebben gebruikers straks toegang tot hun online-abonnementen.

35.

Het CvdR pleit voor verdere maatregelen om de toegang van alle Europese burgers tot onlinediensten die in andere lidstaten dan hun eigen lidstaat beschikbaar zijn te vergemakkelijken, zodat het probleem van geoblocking wordt aangepakt. In dit verband zou ook de ongerechtvaardigde discriminatie tussen consumenten uit verschillende landen van de EU moeten worden aangepakt.

36.

Het CvdR is voorstander van een verbod om de toegang tot websites en andere online-interfaces op basis van iemands woonplaats te blokkeren en om klanten van de ene nationale versie naar de andere om te leiden, aangezien zowel consumenten als bedrijven, als eindgebruikers van goederen of diensten, door dergelijke praktijken worden getroffen. Zo’n omleiding zou alleen met hun toestemming mogen gebeuren, en bedrijven moeten ervoor zorgen dat de versie van hun online-interfaces waartoe de klant toegang probeerde te krijgen voordat hij werd doorgeleid makkelijk toegankelijk blijft.

37.

Momenteel zijn de belangen van de makers van digitale inhoud en de belangen van de consument niet met elkaar in evenwicht. Bovendien moet de wetgeving inzake auteursrechten en intellectuele eigendom worden gemoderniseerd.

38.

Het CvdR stelt vast dat de digitalisering, bijv. de ontwikkeling van clouddiensten en streaming, enorme uitdagingen met zich meebrengt, met name op het gebied van auteursrechten (8).

39.

Er zou steeds meer gebruik moeten worden gemaakt van cloud computingtoepassingen voor de toegang tot Europese, mondiale en andere data-infrastructuren, die essentieel zijn voor de uitvoering van activiteiten op verschillende gebieden. Wat deze toegang betreft dient er wel gezorgd te worden voor een hoge mate van veiligheid, gegevensportabiliteit en interoperabiliteit.

Bescherming van persoonsgegevens garanderen

40.

De onafhankelijke autoriteiten die belast zijn met de bescherming van persoonsgegevens dragen een grote verantwoordelijkheid.

41.

De strategie voor de bescherming van persoonsgegevens moet worden aangepast aan de dynamische behoeften van de steeds veranderende virtuele ruimte, aangezien het hier om een problematiek gaat met vertakkingen in tal van sectoren, zoals onder meer justitie, economie, communicatie, onderwijs, gezondheidszorg, administratie en consumentenbescherming.

42.

is ermee ingenomen dat de Commissie de lidstaten een zekere vrijheid geeft bij de toepassing van de uitzonderingen voor het gebruik van beschermde werken voor educatieve doeleinden. Op deze manier wordt de nationale, regionale en lokale identiteit gerespecteerd, net als de verschillende soorten licenties die zijn ontstaan in verschillende sociale en politieke contexten (9);

43.

Het Comité is van mening dat ook op de langere termijn harmonisering van het wetgevingskader voor de vergoeding van auteurs, ontwerpers en kunstenaars wenselijk is (10).

Lokale en regionale draagwijdte / Belang voor het CvdR

44.

Steden en regio's moeten een essentiële rol spelen bij het opzetten van databanken met openbare informatie, het verstrekken van gegevens over veiligheid, het ontwikkelen van de vereiste digitale competenties, het verzekeren en vergemakkelijken van de financiering van breedbandnetten en het scheppen van een gunstig klimaat voor de regio- en grensoverschrijdende uitwisseling van onlinediensten, wat aanzienlijk kan bijdragen tot prestaties op hoog niveau en de totstandbrenging van een data-economie.

45.

Het CvdR heeft in eerdere adviezen meermaals benadrukt dat het lokale en regionale niveau een bijdrage kan leveren aan alle fasen van gegevensverzameling en dienstverlening aan burgers en bedrijven. Dat blijkt ook uit de praktijk: in Europa zijn er talloze voorbeelden van mogelijkheden voor samenwerking tussen regio's, nationale overheden en onderzoekscentra op het gebied van de digitale eengemaakte markt.

46.

Lokale en regionale overheden kunnen een grote bijdrage leveren aan de harmonisatie van gegevens en aan het groeipotentieel van de digitale economie. Hiermee moet dan ook rekening worden gehouden wanneer er op nationaal of EU-niveau een actie op touw wordt gezet.

De invloed van het voornemen van het VK om de Europese Unie te verlaten op de digitale eengemaakte markt

47.

Nu de inwoners van het Verenigd Koninkrijk voor uittreding uit de Europese Unie hebben gestemd, heerst er in het bedrijfsleven onzekerheid over de vraag hoe een en ander zijn beslag zal krijgen. Voor bedrijven die online goederen of diensten verkopen, en met name digitale inhoud, is de belangrijkste vraag hoe de Europese Commissie haar initiatief inzake de digitale eengemaakte markt in het VK zal toepassen.

48.

Als het Verenigd Koninkrijk het vrije verkeer van goederen en diensten aanvaardt, moet de digitale eengemaakte markt ook na de periode van twee jaar die is vastgelegd voor de brexitonderhandelingen van toepassing zijn in het VK.

Brussel, 31 januari 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


(1)  CdR 00039/2016.

(2)  CdR 02646/2015.

(3)  CdR 5559/2013.

(4)  CdR 625/2012.

(5)  CdR 02646/2015.

(6)  CdR 02646/2015.

(7)  Zie CvdR-advies 2017/1530.

(8)  CdR 02646/2015.

(9)  CdR 05114/2016.

(10)  CdR 00039/2016.


23.5.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 176/34


Advies van het Europees Comité van de Regio's over de discussienota over de toekomst van de EU-financiën

(2018/C 176/09)

Rapporteur:

Marek Woźniak (PL/EVP), voorzitter van het bestuur van de regio Groot-Polen

Referentiedocument:

Discussienota over de toekomst van de EU-financiën

BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

Algemene opmerkingen

1.

is ingenomen met het initiatief van de Europese Commissie om een breed debat over de toekomst van Europa op te starten. De discussienota over de toekomst van de EU-financiën bevat een overzicht van wat de Europese Unie na 2020 te wachten en te doen staat. Er wordt uitgelegd welk effect de vijf scenario's in het witboek zullen hebben op de structuur van het volgende meerjarig financieel kader (MFK). Daarnaast wordt ingegaan op de vraag welke mogelijkheden en risico's er zijn voor de toekomstige begroting van de EU en welke veranderingen eventueel mogelijk zijn.

2.

Aangezien de EU-begroting op de lange termijn het een en ander te wachten staat en het huidige financieringsniveau ontoereikend is, moet het meerjarig financieel kader op de schop. De toekomstige begroting moet aansluiten bij de nieuwe ambities van de EU, en na 2020 zal de begroting dan ook uit een veelheid aan bronnen gefinancierd moeten worden. Tegelijkertijd dienen de EU-uitgaven een grotere Europese toegevoegde waarde op te blijven leveren.

3.

Uit de analyse in de discussienota blijkt dat de governanceregels die voor het MFK en het financieringsstelsel van de EU gelden, moeten worden gewijzigd. De huidige situatie — waarin de Europese economie aan het herstellen is en waar het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de EU moet leiden tot de opheffing van kortingssystemen — biedt een uitgelezen kans om voor het eerst in ruim 30 jaar het financieringsstelsel van de EU ingrijpend te hervormen.

4.

Het meerjarig financieel kader, dat van groot belang is, zou op investeringen gericht moeten blijven en gemeenschappelijke EU-doelstellingen en -beleidsmaatregelen moeten blijven ondersteunen. Het is in dit verband niet nodig specifieke instrumenten buiten het MFK of afzonderlijke budgetten voor de eurolanden en de overige lidstaten te creëren.

5.

Uit de economische crisis is gebleken wat de beperkingen zijn van de EU-begroting, die slechts 1 % van het bni van de EU bedraagt maar horizontale taken moet helpen uitvoeren die de mogelijkheden van de lidstaten te boven gaan. Het huidige MFK is belangrijk voor de economische, sociale en territoriale cohesie, de financiering van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten en vervoersinfrastructuur en het scheppen van werkgelegenheid. Het is echter niet flexibel genoeg voor wat ervan verwacht wordt en voor alle nieuwe uitdagingen. Voor de financiële middelen binnen het huidige budget is het plafond inmiddels dan ook bereikt.

6.

Door de aandacht voor het „nettosaldo”, die voorbij gaat aan het rendement op investeringen in de particuliere economie, en de langdurige onderhandelingen — in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure — over elke euro die wordt uitgegeven, raakt de werkelijke Europese toegevoegde waarde uit beeld en is het moeilijk om tot ambitieuzere beleidsmaatregelen en programma's te komen. Bovendien is het niveau van zowel de uitgaven als het huidige systeem van de eigen middelen suboptimaal gebleken. De Europese Raad wordt verzocht om met gekwalificeerde meerderheid van stemmen te gaan besluiten over de verordening tot vaststelling van het MFK, conform artikel 312, lid 2, 2e alinea, van het VWEU.

7.

Op de volgende gebieden veranderen de behoeften van de EU en wordt er na 2020 het nodige van de EU-begroting gevergd: 1) sociale rechtvaardigheid en armoede, 2) toegang tot openbare diensten, huisvesting en onderwijs, 3) concurrentievermogen en innovatie, 4) scheppen van banen, 5) demografische veranderingen, migratie en veiligheid van burgers, 6) gemeenschappelijk defensiebeleid, 7) klimaatverandering, 8) economische, sociale en territoriale samenhang, 9) landbouw en voedselveiligheid, 10) infrastructuur en mobiliteit, 11) energie, 12) impact van de mondialisering, 13) duurzame groei, 14) speciale gevolgen die de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de EU kan hebben voor bepaalde regio's, en 15) digitalisering. Het MFK moet er daarom vooral voor zorgen dat er middelen beschikbaar zijn om deze problemen op te lossen, zodat een tastbare Europese meerwaarde voor de EU-burgers kan worden gecreëerd.

8.

Als de bezuinigingen op de EU-begroting (de bezuinigingen in verband met de brexit inbegrepen) niet gepaard gaan met meer geld uit eigen middelen, zullen de lidstaten meer moeten gaan bijdragen. Anders is het onvermijdelijk dat er minder beleidsmaatregelen gefinancierd kunnen worden.

9.

Het is van belang de EU-begroting doeltreffender te gebruiken door het partnerschapsbeginsel tot alle aspecten van de begroting uit te breiden en de fondsen en de regels daarvan te stroomlijnen.

10.

De omvang van het komende gemeenschappelijke financiële kader zou daarom moeten worden vergroot, zodat de EU de doelstellingen uit de Verdragen en de nieuwe politieke prioriteiten kan uitvoeren en de daaruit voortvloeiende taken op zich kan nemen. Dat zou moeten gebeuren zonder dat het voor alle lidstaten en regio's bestemde cohesiebeleid en gemeenschappelijk landbouwbeleid worden ingeperkt. Gelet op de omvang en het structurele karakter van de uitdagingen waar de EU voor staat, zou het aandeel van het cohesiebeleid in de EU-begroting minstens hetzelfde moeten blijven.

11.

Gezien de grote uitdagingen waarmee de EU wordt geconfronteerd en de dynamische processen die zich daarbij voordoen, moet de EU-begroting functioneler en flexibeler worden en meer inspelen op nieuwe ontwikkelingen en veranderingen in het beleid. Het gaat hierbij zowel om negatieve tendensen als om nieuwe ontwikkelingskansen. Er moet dus een EU-begroting komen die eenvoudiger, transparanter, eerlijker en meer in overeenstemming is met democratische beginselen, overeenkomstig de aanbevelingen van de groep op hoog niveau inzake eigen middelen.

12.

De toekomstige EU-begroting zou recht moeten doen aan de specifieke kenmerken die gebieden vertonen wat hun ontwikkelingspotentieel en hun ontwikkelingstekorten betreft, alsook hun geografische en demografische uitdagingen. Met een dergelijke EU-begroting zal het mogelijk zijn om meer verantwoordelijkheid te nemen voor de gedane toezeggingen en het effect van maatregelen op regionaal en lokaal niveau. Gedeeld beheer speelt in dit verband een belangrijke rol. Zulk beheer garandeert coherente territoriale ontwikkeling doordat het EU beleid wordt gekoppeld aan de uitvoering ervan in de praktijk.

13.

In de discussienota — die gewijd is aan kwesties die in de komende jaren van cruciaal belang zullen zijn voor de vormgeving van Europa — wordt helaas niet met nadruk gewezen op de rol van lokale en regionale overheden, met name in de gevallen waarin deze exclusief bevoegd zijn op de in paragraaf 7 beschreven gebieden.

14.

Van de bevordering van de rol van regionale en lokale overheden en de bescherming van deze bestuurslagen, zoals omschreven in het Verdrag van Lissabon, moet volop werk worden gemaakt door het subsidiariteitsbeginsel in acht te nemen en ervoor te zorgen dat lokale en regionale overheden — met name via het CvdR — kunnen deelnemen aan het Europese wetgevingsproces, aangezien zij meestal de uiteindelijke begunstigden van EU-beleid en -programma’s zijn, maar ook omdat zij een doorslaggevende rol spelen in de uitvoering van EU-beleid. De EU-begroting moet bovendien waarborgen dat het subsidiariteitsbeginsel in acht wordt genomen, zodat de taakverdeling tussen het Europese, nationale en lokale niveau adequaat wordt weerspiegeld.

15.

Het CvdR spreekt eens te meer, zoals het ook al in zijn advies over de toekomst van het cohesiebeleid heeft gedaan, zijn steun uit voor de programmeringsperiode van zeven jaar. Het CvdR erkent echter ook de voordelen van een langere programmeringsperiode van tien jaar (5+5) met een verplichte, uitgebreide tussentijdse herziening. Daarom bepleit het Comité voor de laatste keer een periode van zeven jaar alvorens deze aan de verkiezingscyclus aan te passen. Dat scenario zou voor voldoende stabiliteit en voorspelbaarheid zorgen en het mogelijk maken dat beter wordt voldaan aan strategische planningseisen. Bij een volwaardige tussentijdse herziening zouden bovendien de resultaten van de eerste uitvoeringsperiode al beschikbaar zijn, en zouden toegepast kunnen worden om de besteding van de EU-begroting betrouwbaarder en nauwkeuriger te maken. Ook zou er een criterium voor begrotingsflexibiliteit moeten kunnen worden gehanteerd om te kunnen optreden in situaties waarbij er van een ernstige crisis of verandering van prioriteiten sprake is.

16.

Het CvdR is ingenomen met het voorstel van de Europese Commissie en het Europees Parlement voor een duidelijk en ambitieus tijdschema voor de procedurele werkzaamheden die moeten uitmonden in een nieuw meerjarig financieel kader. Met dat tijdschema kan vóór de verkiezingen voor het Europees Parlement van 2019 overeenstemming met de Raad worden bereikt. Het voorstel van de Raad om de definitieve regelingen voor het toekomstige MFK pas na het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de EU vast te stellen baart het CvdR daarentegen grote zorgen. De besluitvorming voor het MFK kan als gevolg hiervan te lang gaan duren. De goedkeuring van het toekomstige wetgevingspakket zou namelijk een aanzienlijke vertraging oplopen, waardoor het niet tijdig kan worden uitgevoerd.

17.

In de programmering ontbreekt het nog steeds aan een kaderstrategie als opvolger van de Europa 2020-strategie. Daarom zou de Europese Commissie zo snel mogelijk werk moeten maken van zo'n strategie, waarin ambitieuze maar realistische strategische doelstellingen moeten worden vastgelegd, die moeten worden verwezenlijkt om het toekomstige EU- en nationale beleid met behulp van de beschikbare instrumenten en financiële middelen doelgerichter te maken.

18.

Het financieel reglement van het MFK voorziet weliswaar in de mogelijkheid van „overgangsbepalingen”, maar die zouden grote juridische en operationele problemen met zich meebrengen bij het begin van het volgende meerjarig financieel kader, met alle gevolgen van dien voor de operationele programma's en begunstigden, met name voor de lokale en regionale overheden. Het CvdR is graag bereid om een bijdrage te leveren en om het Europees Parlement, de Europese Commissie en de Raad terzijde te staan bij de onderhandelingen over het MFK.

Europese toegevoegde waarde (ETW)

19.

Het CvdR is ingenomen met het voorgestelde concept van Europese toegevoegde waarde, dat verband houdt met verplichtingen op grond van het Verdrag en het referentiekader vormt voor de discussie over het MFK.

20.

Het CvdR kan zich vinden in de voorgestelde criteria voor het leveren van collectieve goederen op Europese schaal, voor schaalvoordelen en overloopeffecten, en voor de bescherming van gemeenschappelijke Europese waarden en de versterking van de interne markt. De definitie van ETW die wordt gegeven wekt vertrouwen dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zullen worden nageleefd bij maatregelen op EU-niveau. Het CvdR benadrukt in het bijzonder dat een van de voorwaarden voor de verbetering van de algehele concurrentiepositie van de EU de verkleining is van de ontwikkelingsverschillen tussen en binnen de lidstaten. Daarom moet het belang van het cohesiebeleid worden onderstreept voor het creëren van ETW door middel van de realisering van structurele hervormingen, de ontwikkeling van administratieve capaciteit op alle bestuursniveaus (spill-over effect) en rechtstreekse steun in bijvoorbeeld het kader van het initiatief voor minder ontwikkelde regio's.

21.

Het CvdR is ingenomen met de oproep van de Commissie om het MFK te richten op prioriteiten die een groot verschil kunnen maken voor het leven van de burgers en het vertrouwen in de toegevoegde waarde van de EU kunnen helpen herstellen. Te dien einde zou de EU-begroting ook een betere afspiegeling moeten zijn van de dialoog met de burgers, met name via de twee politieke assemblees met democratisch gekozen leden (het Europees Parlement en het Europees Comité van de Regio's). Daarnaast is er meer synergie nodig met de nationale en regionale parlementen en regionale en lokale assemblees.

22.

Wat dit betreft kan het CvdR zich eveneens vinden in de oproep van het Europees Parlement om de evaluatiemethoden verder te ontwikkelen, bijvoorbeeld door er adequate prestatie-indicatoren in op te nemen of door bij de evaluatie ook rekening te houden met het effect van specifieke beleidsmaatregelen op de regio's, waarbij gebruik zou moeten worden gemaakt van bestaande instrumenten uit het cohesiebeleid, zoals het ESIF-opendataplatform. Bovendien zouden besluiten over de te ondersteunen beleidsterreinen moeten worden gebaseerd op een kwalitatieve en politieke evaluatie van de prioriteiten van de EU en niet uitsluitend op een louter kwantitatieve evaluatie.

23.

Het risico bestaat dat er besluiten worden genomen die niet bevorderlijk zijn voor maatregelen met een hoge toegevoegde waarde voor Europa, maar eerder voor maatregelen die onder de invloed van grote politieke belangen betrekking hebben op nationale belangen, zoals het nettosaldo of de bescherming van specifieke begrotingslimieten. De Raad wordt verzocht om onderhandelingen over het MFK op basis van nettosaldoberekeningen te vermijden, aangezien ten eerste geen rekening kan worden gehouden met niet-rechtstreekse voordelen (bv. een EU-project uitgevoerd door een buitenlandse onderneming) bij deze berekeningen en ten tweede omdat deze berekeningen indruisen tegen de Europese geest van cohesie en solidariteit.

Begrotingshervorming

24.

Er dient een fundamentele hervorming te komen die ondoeltreffende regels en instrumenten afschaft en de doeltreffender regels op de voorgrond plaatst. Het Comité herhaalt dat de complexe structuur van de begroting — met name de kortings- en aanpassingsmechanismen — het optreden van de EU minder duidelijk maakt en het gebrek aan vertrouwen van het publiek in de EU-instellingen versterkt. Daarom moeten deze mechanismen worden opgeheven, zodat de kosten en baten van de EU daadwerkelijk kunnen worden beoordeeld. In dit verband wijst het CvdR erop dat er meer ruimte moet komen voor het meten van de collectieve voordelen van EU-beleid, de economische synergie, grensoverschrijdende effecten en positieve externe resultaten.

25.

Het MFK moet worden geharmoniseerd en transparanter worden gemaakt. Volgens het Comité is het scheppen van satellietinstrumenten niet de juiste oplossing. Het blijft er dan ook van overtuigd dat speciale instrumenten in de structuur van het MFK moeten worden opgenomen (bv. het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering) en dat voor synergie moet worden gezorgd met behulp van één pakket regels.

26.

De huidige EU-begroting is ontoereikend om een stabiliserend effect te sorteren, wat betekent dat de eigen middelen moeten worden ingezet ter ondersteuning van het meerjarig financieel kader van de EU voor de periode na 2020. Het CvdR bepleit opnieuw de invoering van nieuwe bronnen voor eigen middelen in de vorm van een pakket dat verschillende belastingen combineert (Europese vennootschapsbelasting, CCCTB, FTT, seigniorage, belasting op winsten in de digitale economie, hervormde btw).

27.

De Raad en het voorzitterschap van de Raad van de EU worden verzocht alles in het werk te stellen om de lidstaten ertoe te bewegen het stelsel van de eigen middelen van de EU grondig te hervormen. De conclusies van het verslag van de groep op hoog niveau over de eigen middelen zijn een uitstekend uitgangspunt om hiervoor te pleiten.

28.

De lidstaten zouden moeten overwegen hun bijdragen aan de EU-begroting te verhogen op basis van hun inkomstenniveau, gemeten aan de hand van het bruto nationaal inkomen (bni).

29.

Het CvdR waarschuwt ervoor dat een uitgavenniveau van 1 % van het bni van de EU na het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de EU tot een jaarlijkse daling van de EU-begroting leidt van meer dan 23 miljard EUR. Daarom zou de toekomstige begroting minstens 1,3 % van het bni van de EU moeten bedragen, wat overeenstemt met het standpunt van het Europees Parlement ter zake.

De toekomstige begroting

30.

De structuur van het MFK moet worden gestroomlijnd. De belangrijkste financieringsgebieden moeten een afspiegeling zijn van de te ondersteunen prioriteiten en voor de burgers gemakkelijk herkenbaar zijn (bijv. cohesiebeleid, GLB).

31.

Er moeten maatregelen komen om in het toekomstige MFK te zorgen voor evenwicht tussen enerzijds de noodzakelijke flexibiliteit en anderzijds stabiliteit bij de financiering van de voor de EU strategische interventiegebieden. Daarbij moet een adequaat mechanisme worden gecreëerd voor de verdeling van reserves, dat ongerechtvaardigde cumulatie van middelen voorkomt en duidelijke criteria omvat voor de verdeling ervan. Het CvdR pleit er derhalve voor om een crisisreserve aan te leggen voor situaties die nieuwe taken of een onverwachte crisis met zich meebrengen, alsmede een niet-geprogrammeerde reserve, en om de huidige, speciale flexibiliteitsinstrumenten te versterken.

32.

De samenhang tussen EU-instrumenten moet gewaarborgd zijn, zodat zij bijdragen tot de verwezenlijking van de EU-doelstellingen en de uitvoering van hervormingen in de lidstaten vergemakkelijken.

33.

Op het gebied van het mededingingsbeleid geïnde boetes moeten als bestemmingsontvangsten aan de EU-begroting worden toegevoegd.

34.

Meer complementariteit moet worden bevorderd en de overlapping tussen de bestaande financiële instrumenten van de EU moet worden beperkt om te bereiken dat de toekomstige EU-begroting efficiënter wordt. Een dergelijk consolidatieproces zou het ook mogelijk maken de kritische massa aan financieringsinstrumenten te vergroten en de toegang tot deze fondsen gemakkelijker en transparanter te maken.

35.

Het Comité blijft van mening dat de toekomstige begroting gericht moet zijn op resultaten. Wat betreft de koppeling tussen de middelen van de EU en de coördinatie van het economisch beleid in de EU is het CvdR ertegen om het cohesiebeleid louter ondergeschikt te maken aan het „Europees Semester” in plaats van het te stroomlijnen, aangezien het cohesiebeleid een eigen legitimiteit heeft, die verankerd is in de Europese verdragen. Bovendien, als de koppeling efficiënter moet worden gemaakt door cohesiebeleid in de nationale hervormingsprogramma's op te nemen, dan moeten de laatstgenoemde, om te beginnen op Europees niveau, zo opgezet worden dat de territoriale dimensie, alsook het gemeenschappelijke en decentrale uitgangspunt onaangetast blijven (1). Het CvdR is er ook van overtuigd dat het, om het Europees Semester doeltreffender te maken en het lokale draagvlak te verbreden, een conditio sine qua non is dat de lokale en regionale overheden als partners structureel bij het Europees Semester worden betrokken, in het licht van de feitelijke verdeling van taken en bevoegdheden over de verschillende bestuursniveaus in de EU-lidstaten (2).

Terreinen voor toekomstige financiering

36.

De plaatsgebonden benadering voor de uitvoering van het EU-beleid zou verder ondersteund moeten worden door de positie van de lokale en regionale overheden en de interregionale functionele gebieden als belangrijkste vertegenwoordigers bij het verwezenlijken van de EU-doelstellingen voor de burgers te versterken.

37.

In dit verband wordt er opnieuw voor gepleit om in de toekomstige begrotingsstructuur prioriteit te blijven verlenen aan het cohesiebeleid ten behoeve van alle regio's van de EU; het CvdR steunt de #CohesionAlliance ten volle. Volgens het CvdR spelen de drie aspecten van cohesie (economisch, sociaal en territoriaal) een sleutelrol bij de bevordering van een duidelijkere economische convergentie in de EU, die zorgt voor een geïntegreerder Europa met een sterkere sociale component en het mogelijk maakt dat alle gebieden in de EU van de interne markt profiteren. Grotere cohesie en een grotere territoriale veerkracht zijn van cruciaal belang voor de concurrentiepositie van de EU op het wereldtoneel.

38.

Het CvdR is ervan overtuigd dat de nieuwe begroting meer gericht moet zijn op het zoeken naar en creëren van duurzame voordelen en dat zij het potentieel en de middelen voor ontwikkeling beter moet benutten. In die zin kan het cohesiebeleid reële en meetbare resultaten op EU- en lager niveau garanderen. Als beleid dat voor een Europese meerwaarde zorgt, moet het aandeel van het cohesiebeleid in de totale EU-begroting dan ook op zijn minst worden gehandhaafd.

39.

In het kader van het cohesiebeleid moeten voldoende middelen beschikbaar blijven worden gesteld en moet de interne ontwikkeling van alle gebieden worden ondersteund. Tegelijkertijd benadrukt het Comité dat dit beleid flexibeler moet worden gemaakt voor de lokale en regionale overheden, die direct en indirect betrokken zijn bij de besteding van 75 % van de EU-begroting.

40.

Het huidige gedeelde beheer van de Europese structuur- en investeringsfondsen moet in stand worden gehouden, aangezien dit de doeltreffendheid ervan garandeert en een continue dialoog gedurende de hele programmeringsperiode mogelijk maakt. In dit verband zij gewezen op het bijzondere belang van het Europees Sociaal Fonds (ESF) binnen de ESIF voor de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten en het wegwerken van sociale ongelijkheid in de EU. Verder zou het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) in de toekomst een integraal onderdeel van de ESIF moeten worden.

41.

Het CEF-instrument, COSME, LIFE, Horizon 2020, Erasmus+ en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief moeten een passend aandeel in de financiering blijven houden.

42.

De behoefte neemt toe om meer gebruik te maken van de territoriale samenwerkingsprogramma’s (grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking) en macroregionale strategieën, teneinde het concurrentievermogen, de werkgelegenheid en de sociale inclusie in Europa te bevorderen. Deze programma's en strategieën bieden ook een hoge meerwaarde voor het scheppen van een gedeelde Europese identiteit.

43.

Er moet meer geld gaan naar onderzoek en innovatie, die een bijzonder grote impact hebben op de economische groei, de productiviteit en het concurrentievermogen van de EU.

44.

Opnieuw wordt gepleit voor inspanningen om te zorgen voor een rechtvaardig, duurzaam en solidair landbouwbeleid (3) met een begroting die toereikend is om boeren, regio's, consumenten en burgers te kunnen steunen. Het Comité beveelt aan om de landbouwmarkten te reglementeren om dure sectoriële crises te voorkomen en de rechtstreekse betalingen per bedrijf te plafonneren, waardoor in de eerste pijler van het GLB middelen worden bespaard. Het CvdR verwerpt elke vorm van medefinanciering van rechtstreekse betalingen door de lidstaten. Hernationalisering van het GLB zou de landbouw in veel lidstaten schaden. Het CvdR bepleit versterking van de tweede pijler om ervoor te zorgen dat plattelandsgebieden passende ontwikkelingsmaatregelen kunnen uitvoeren en verzoekt voorts om meer mogelijkheden die de lidstaten in staat stellen middelen van de eerste naar de tweede pijler over te hevelen.

45.

Het CvdR meent dat naast het gemeenschappelijk landbouwbeleid ook de plattelandsdimensie in alle Europese beleidsvormen volledig moet aansluiten op de verwezenlijking van de doelstelling van territoriale cohesie in de EU. Zoals blijkt uit de studie van het CvdR over de Europese begroting voor plattelandsgebieden, gaan de behoeften van deze gebieden immers veel verder dan wat het GLB voor plattelandsontwikkeling kan doen. Daarom moet bij de volgende generatie structuurfondsen de aandacht meer uitgaan naar de plattelandsdimensie, die gebaseerd moet worden op een goedgekeurde Europese „plattelandsagenda”.

46.

Nogmaals wordt verzocht om te zorgen voor een begrotingscapaciteitsmechanisme dat enerzijds stimuli biedt voor de uitvoering van structurele hervormingen in de lidstaten, waarvan de reikwijdte moet worden gedefinieerd op basis van hun Europese meerwaarde, en anderzijds borg staat voor een tijdelijk vermogen om asymmetrische economische schokken op te vangen. Dit moet een aanvulling vormen op de instrumenten van het cohesiebeleid en moet nauw verband houden met de naleving van het ruimere EU-regelgevingskader en de voortschrijdende convergentie, zonder dat dit ten koste gaat van middelen voor het cohesiebeleid zelf. Het Comité blijft erbij dat de besluiten en uitvoering van het begrotingscapaciteitsmechanisme een zaak zijn van de economische en monetaire unie, met volledige inbreng van het Europees Parlement. Conform het beginsel van vrijwillige deelname moeten lidstaten buiten de eurozone ook hiertoe toegang hebben.

47.

Het CvdR herhaalt dat het gekant blijft tegen het idee om in de EU-begroting een begrotingslijn voor de eurozone op te nemen die vorm moet geven aan de begrotingscapaciteit van de eurozone, zolang het maximum van de eigen middelen op het huidige niveau van 1,23 % van het bni van de EU blijft gehandhaafd. Dit voorstel zou immers betekenen dat er ofwel onvoldoende middelen beschikbaar zijn voor de begrotingscapaciteit om een stabiliserende rol te spelen ofwel dat het risico bestaat dat de financiering van het EU-beleid, zoals het ESIF, verdrongen wordt.

48.

Het benadrukt dat de bbp-aanvullende maatregelen dringend moeten worden opgenomen in de nieuwe generatie van de Europese Structuur- en Investeringsfondsen in de volgende meerjarige financiële periode, zodat het medefinancieringspercentage per soort regio kan worden aangepast aan de werkelijke kosten die gemaakt worden wanneer gecofinancierde maatregelen worden bekostigd, of, in voorkomend geval, om te waarborgen dat het programmeringskader het mogelijk maakt steunmaatregelen te financieren in gebieden die in meer ontwikkelde regio's gelegen zijn maar die met specifieke territoriale en sociaal-demografische omstandigheden te maken hebben. Daarom moet er op basis van aanvullende geharmoniseerde en consistente criteria meer rekening worden gehouden met de demografische uitdagingen op regionaal en lokaal niveau, alsook met nadere speciale uitdagingen (bv. sociale, ecologische, geografische en natuurlijke) bij de verdeling van de EU-middelen.

49.

Economische groei kan niet hand in hand gaan met ongelijkheid en sociale uitsluiting. Het CvdR wijst erop dat artikel 9 VWEU de EU oproept om in al haar beleid en al haar activiteiten een adequaat niveau van sociale bescherming te waarborgen.

50.

Er zij aan herinnerd dat het genderperspectief nog lang niet in alle beleidsterreinen is geïntegreerd; het CvdR verzoekt de Europese Commissie daarom om voor alle onderdelen van het MFK een genderbudgetteringsmethode toe te passen.

51.

Er moet meer aandacht besteed worden aan ontwikkelingshulp en aan de vluchtelingen- en migrantencrisis in het bijzonder, die een wereldwijd probleem is.

Scenario's

52.

Het CvdR blijft gekant tegen scenario’s voor toekomstige ontwikkeling („voortgaan”, „samen minder doen”, „sommigen doen meer”, „radicale herziening”) die het belangrijkste langetermijnbeleid voor investeringen, d.w.z. het cohesiebeleid en het gemeenschappelijk landbouwbeleid, zouden beperken of volledig teniet zouden doen. Een Europa dat meerdere richtingen opgaat, moet zonder meer vermeden worden en vooraf zou men de territoriale impact van de verschillende scenario's moeten beoordelen.

53.

De meeste scenario's zijn gericht op het stimuleren van de groei van het bbp, niet op het verzekeren van territoriale, economische en sociale cohesie. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor de toekomst van de EU.

54.

De beste voorgestelde optie is scenario 5 („veel meer samen doen”), dat voor de burgers in steden en regio’s het meest aantrekkelijk is. Bereikt moet worden dat alle lidstaten een forse verhoging van de begroting goedkeuren en met nieuwe eigen middelen instemmen.

Slotoverwegingen

55.

Om het hoofd te kunnen bieden aan mogelijke crises en te voorkomen dat buiten het MFK om ad-hocfondsen worden opgericht, moet het voor de periode na 2020 vast te stellen meerjarig financieel kader zowel toekomstgericht als flexibel zijn. Ook kan het kader op die manier zijn strategische focus op en planningszekerheid voor de regionale en lokale overheden behouden.

56.

Het CvdR dringt nogmaals aan op toepassing van de beginselen partnerschap, multilevel governance en subsidiariteit op alle beleidsterreinen, en dringt aan op meer samenwerking tussen alle geledingen van de samenleving teneinde een democratischer EU tot stand te brengen die het vertrouwen van alle burgers geniet.

Brussel, 1 februari 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


(1)  Zie het CvdR-advies over de toekomst van het cohesiebeleid na 2020 — Naar een sterk en doeltreffend Europees cohesiebeleid na 2020, goedgekeurd op 12 mei 2017.

(2)  Zie het CvdR-advies over verbetering van de governance van het Europees semester: een gedragscode voor de inbreng van de lokale en regionale overheden, goedgekeurd op 11 mei 2017.

(3)  Zie het CvdR-advies over het GLB na 2020, goedgekeurd op 12 juli 2017.


23.5.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 176/40


Advies van het Europees Comité van de Regio’s — Geïntegreerde territoriale investeringen — Uitdaging voor het cohesiebeleid van de EU na 2020

(2018/C 176/10)

Rapporteur:

Petr Osvald (CZ/PSE), lid van de gemeenteraad van Plzeň

Referentiedocument:

n.v.t

BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S,

1.

wijst erop dat de lokale en regionale overheden rechtstreeks te maken hebben met de tenuitvoerlegging van de instrumenten van het cohesiebeleid, zoals geïntegreerde territoriale investeringen (ITI's), aangezien zij de voornaamste begunstigden van het beleid zijn en tevens rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering van het beleid onder gedeeld beheer. Verscheidene jaren na de invoering van de geïntegreerde territoriale investering tijdens de programmeringsperiode 2014-2020 en in het licht van de grote mogelijkheden voor het opwekken van synergieën bij investeringen met gebruik van de ESI-fondsen, brengt het CvdR een initiatiefadvies uit over deze kwestie. Het CvdR is van mening dat de ervaringen van lokale en regionale overheden met de uitvoering van ITI's tot nu toe — zowel de succesverhalen als de uitdagingen waarmee zij te maken hebben gehad — volledig moeten worden geëvalueerd en in aanmerking worden genomen met het oog op het wetgevingskader voor de periode na 2020.

Doelstellingen van het cohesiebeleid en een gebiedsgerichte aanpak

2.

Het cohesiebeleid van de EU moet worden afgestemd op de eigenlijke situatie en vereisten van elke afzonderlijke regio wil het effectiever kunnen bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de EU, zorgen voor Europese toegevoegde waarde, de sociale en economische omstandigheden en vereisten van EU-burgers in alle opzichten verbeteren en ongelijkheid helpen uitbannen. Het cohesiebeleid moet daarom niet alleen een duurzame en gerichte aanpak bieden van de problemen van een regio, maar er ook voor zorgen dat haar mogelijkheden en specifieke kenmerken zo goed mogelijk worden benut. Het belangrijkste is echter dat prioriteit wordt gegeven aan regionaal beleid en ontwikkeling, en meer bepaald aan de behoeften van de regio in plaats van de behoeften van de afzonderlijke sectoren. Door zijn huidige complexe opzet heeft het cohesiebeleid zich losgezongen van zijn eigenlijke doelstelling. Het alomvattende en complexe karakter van het cohesiebeleid vormt steeds meer een fundamentele belemmering voor een adequate en flexibele uitvoering ervan op lokaal en regionaal niveau.

3.

Om het cohesiebeleid werkelijk effectiever te maken — ook wat het bevorderen van synergieën betreft — en de mogelijkheden van regio’s zo goed mogelijk te benutten moet de opzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) op de schop, en wel zodanig dat bij het verwezenlijken van EU-doelstellingen en het creëren van Europese toegevoegde waarde een op lokale omstandigheden gerichte aanpak (een „plaatsgerichte benadering”) voorrang krijgt boven een nationale aanpak en gemeenschappelijke nationale prioriteiten.

4.

Bij de uitvoering van het cohesiebeleid moet effectief gebruik worden gemaakt van bepaalde aspecten van het subsidiariteitsbeginsel en van gedeeld beheer. Conform deze beginselen zou de EU zich moeten beperken tot het vastleggen van algemene doelstellingen (dus tot wat de EU als geheel wil bereiken). De manier waarop deze doelstellingen worden bereikt zou door lokale en regionale overheden moeten worden bepaald, afhankelijk van hun specifieke omstandigheden en mogelijkheden, die in de loop van de jaren veranderen.

5.

De versterking van de gebiedsgerichte aanpak vergt een frequentere communicatie met de diensten van de Commissie, met name DG Regio en de auditdiensten, omdat zij rechtstreeks moeten communiceren met zowel nationale organen als lokale en regionale overheden. Hierdoor zijn er bovendien minder mogelijkheden om generieke modellen vast te stellen die het beheer en toezicht weliswaar goedkoper en eenvoudiger maken, maar een aanzienlijke afstand creëren tussen het cohesiebeleid en degenen die er het meeste baat bij hebben. De tenuitvoerlegging van een geïntegreerde territoriale aanpak, gebaseerd op de actieve deelname van de EU-burgers, zal echter een duidelijke impact hebben, in de vorm van een Europese meerwaarde voor de burgers, wat een prioriteit moet zijn van zowel de Commissie als alle andere EU-instellingen en de lidstaten.

6.

Als we een EU voor de burgers willen opbouwen, moeten we bij ons beleid uitgaan van woongebieden, ongeacht hun omvang, d. w. z. zowel gemeenschappen als regio's, aangezien deze woongebieden een fundamentele en unieke rol vervullen voor burgers als het gaat om de kwaliteit van hun leven, het milieu, onderwijs, werkgelegenheid, sociale diensten en gezondheid, cultuur, enz. Aangezien zij dichter bij de burgers staan, hebben zij meer oog voor hun behoeften en besteden zij meer aandacht aan veranderingen in de sociale en demografische structuur. Zij scheppen de voorwaarden voor de levenskwaliteit van mensen, rekening houdend met hun belangen en prioriteiten, en creëren zo een onbetwistbare Europese meerwaarde.

7.

Het CvdR benadrukt derhalve dat het regionaal beleid en de regionale dimensie van het cohesiebeleid niet alleen een tastbare rechtstreekse impact opleveren voor mensen — door hen te wijzen op de reële voordelen van de EU in hun dagelijks leven en bij te dragen aan het wegwerken van economische en niet-economische verschillen — maar met name ook de basisvoorwaarden scheppen voor de uitvoering van andere EU-beleidsmaatregelen. Het CvdR acht het daarom van essentieel belang dat de tenuitvoerlegging van het regionaal cohesiebeleid zelf wordt beschouwd als een onbetwiste Europese meerwaarde, net zoals bijvoorbeeld steun voor wetenschap en onderzoek wordt beschouwd als een Europese meerwaarde. Bij de tenuitvoerlegging van het regionaal cohesiebeleid hoeft derhalve geen Europese meerwaarde te worden aangetoond voor afzonderlijke soorten activiteiten of zelfs projecten; veeleer moet de bijdrage van het cohesiebeleid als geheel in overweging worden genomen, rekening houdend met zowel horizontale als verticale synergieën.

8.

Om de burgers een beter beeld te geven van het cohesiebeleid en de EU als zodanig, moeten projecten die in het kader van dit beleid ten uitvoer worden gelegd de burgers echte voordelen opleveren die hun behoeften weerspiegelen. Het regionaal cohesiebeleid moet dan ook worden opgezet voor alle soorten woongebieden, van gemeenschappen tot regio's, met inbegrip van de ultraperifere regio's, en moet rekening houden met de situatie ter plaatse en met de mogelijkheden en behoeften van het woongebied in termen van tijd, omstandigheden en locatie. Daarom moet een bottom-up-benadering worden gevolgd en moeten de mogelijkheden van een geïntegreerde aanpak en wederzijdse synergieën maximaal worden benut. Het regionale en lokale NUTS III-niveau en de in de administratief of statistisch opzicht meerdere gebieden omvattende functionele regio’s moeten een sleutelrol spelen bij het bereiken van synergie en integratie (rekening houdend met logische banden met aangrenzende regio's en de belangen of behoeften van lagere territoriale eenheden), aangezien zij een duidelijke planning en strategieën combineren met kennis van lokale omstandigheden.

9.

Het CvdR benadrukt dat er sprake is van een onbetwistbare Europese meerwaarde voor de Europese burgers, namelijk het verbeteren van de levenskwaliteit in de verschillende woongebieden en in de EU als geheel. Verbetering van de kwaliteit van het bestaan in de woongebieden is een voorwaarde voor een succesvolle tenuitvoerlegging van al het andere beleid van de EU. Deze Europese meerwaarde kan slechts in beperkte mate worden verwezenlijkt met een sectorale aanpak, maar zeer doeltreffend aan de hand van regionale horizontale prioriteiten, zoals: levenskwaliteit in woongebieden (lokale en regionale mobiliteit, met name arbeidsmobiliteit, werkgelegenheid en inzetbaarheid, sociale en culturele diensten, inclusie en integratie, veiligheid, enz.) en slimme gemeenschappen, het gebruik van lokaal economisch en niet-economisch potentieel, enz. De tenuitvoerlegging van sectorspecifieke prioriteiten om de belangrijkste prioriteiten vanuit het oogpunt van de burgers aan te pakken, kan slechts een beperkt effect sorteren, en omdat zij niet op de plaatselijke omstandigheden zijn toegesneden, roepen zij bij de burgers vaak (terechte) twijfels op over de voordelen ervan, niet alleen voor henzelf maar ook voor de EU als geheel. Om een tastbare Europese meerwaarde voor de EU-burgers te creëren kan daarom alleen een geïntegreerde territoriale aanpak op basis van lokale omstandigheden — in tegenstelling tot een sectorale of nationale aanpak — doeltreffend zijn.

10.

Het CvdR wijst er nogmaals op dat het in 2017 gepubliceerde 7e cohesieverslag een toename van de subregionale inkomensongelijkheid signaleert, ook in de meest welvarende regio's. Er wordt onvoldoende gebruik gemaakt van ITI's om deze subregionale ongelijkheid te corrigeren. De ervaringen in de periode 2014-2020 laten zien dat ITI's en de instrumenten voor een vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling kunnen worden ingezet om stedelijke of plattelandsgebieden met de grootste problemen te helpen. In bepaalde Europese regio's zijn de uitvoering en de verdeling van EFRO-middelen gebaseerd op indicatoren van werkloosheid en economische dynamiek. De gebieden met de grootste problemen hebben hogere bedragen ontvangen dan de meest welvarende gebieden. Deze logica van territoriale billijkheid is cruciaal om ervoor te zorgen dat geen enkele regio onder het algehele groeiniveau blijft.

11.

Het CvdR is ingenomen met het verslag Integrated territorial and urban strategies: how are ESIF adding value in 2014-2020 (1)? dat de Europese Commissie in december 2017 heeft gepubliceerd, en stemt in met de conclusies van dit verslag. Het CvdR wenst de volgende punten uit dit verslag te benadrukken, met name wanneer het gaat om de ervaring van lokale en regionale overheden:

ITI's zijn potentieel in staat om ontwikkelingsbehoeften en -problemen aan te pakken en bottom-upoplossingen uit te werken met de actieve betrokkenheid van lokale burgers en instellingen, om ervoor te zorgen dat 'geen enkele persoon of regio aan zijn lot wordt overgelaten'. Ook zijn zij in staat in te spelen op plaatselijke schokken of onverwachte ontwikkelingen door middel van geïntegreerde pakketten die de actieplannen inhoud geven.

De stedelijke en territoriale strategieën laten duidelijk zien hoe het cohesiebeleid de tenuitvoerlegging van een gebiedsgerichte aanpak van regionale en stedelijke ontwikkeling bevordert, en moedigen plaatsgebonden maatregelenpakketten aan die zijn opgesteld in overeenstemming met de standpunten van de belanghebbenden, maar die ook voldoen aan de algemene doelstellingen van de EU en worden gekenmerkt door een 'meerwaarde' van de EU en flexibiliteit.

De strategieën vertegenwoordigen een geïntegreerde ontwikkeling — ze zijn multisectoraal, gebaseerd op meerdere partners en (meestal) meerdere fondsen. Zij moedigen een verticale en horizontale samenwerking, territoriale integratie en uitwisseling van kennis aan. Hoewel er op EU-niveau reeds geruime tijd en voortdurend wordt gediscussieerd over de vraag hoe een betere samenwerking en integratie tussen beleidssectoren en tussen autoriteiten kan worden bevorderd, is de integratie van interventies vaak het meest praktisch en haalbaar op lokaal niveau.

ITI's brengen een aanzienlijke mate van institutionele innovatie op het gebied van regionale en stedelijke ontwikkeling met zich mee en creëren nieuwe relaties en werkmethoden. De ontwikkeling en uitvoering van de strategie heeft nieuwe manieren van werken, denken en samenwerken gestimuleerd of noodzakelijk gemaakt. In veel gevallen hebben ITI's ook geleid tot meer samenwerking en netwerken tussen de verschillende centra/gebieden.

Geïntegreerde territoriale investeringen en de huidige programmeringsperiode

12.

Geïntegreerde territoriale investeringen (ITI’s) lijken in alle opzichten een doeltreffend middel voor een op lokale omstandigheden gebaseerde aanpak, en in de huidige programmeringsperiode is dit middel in sommige lidstaten al in tal van uiteenlopende situaties en vormen toegepast: van regionale geïntegreerde territoriale investeringen en stedelijke agglomeraties (stedelijke 'artikel 7' ITI's) tot een vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD) en andere geïntegreerde territoriale instrumenten.

13.

Het CvdR juicht het toe dat er in de aanloop naar de huidige programmeringsperiode diverse uitstekende nota's zijn verschenen waarin erop gewezen wordt dat een op — veranderlijke — lokale omstandigheden geïntegreerde territoriale aanpak nodig is om de besteding van EU-gelden effectiever en meer resultaatgericht te maken. In deze nota's worden de beginselen voor de aanpak en uitvoering omschreven. Helaas zijn deze beginselen echter niet altijd systematisch toegepast en voerde in de huidige programmeringsperiode een nationale en zeer sectorspecifieke aanpak de boventoon. Zo’n aanpak is in administratief opzicht wellicht voordeliger voor de Commissie, maar heeft niet het vereiste effect voor specifieke regio's en EU-burgers, zoals blijkt uit recente discussies over het huidige cohesiebeleid.

14.

De belangrijkste van deze nota's is „An agenda for a reformed cohesion policy — A place-based approach to meeting European Union challenges and expectations” (Agenda voor een herzien cohesiebeleid — gebiedsgerichte aanpak van problemen en verwachtingen van de Europese Unie) van april 2009, die bekend staat als het Barca-verslag. Hierin wordt de territoriale en gebiedsgerichte aanpak cruciaal genoemd om het cohesiebeleid nieuw leven in te blazen en gepleit voor een „gebiedsgerichte ontwikkelingsstrategie met zowel cruciale economische als sociale doelstellingen”.

15.

Ook de Europese Commissie (DG Regio) heeft in samenwerking met deskundigen een uitstekende nota opgesteld, getiteld „Scenarios for Integrated Territorial Investment”, die in januari 2015 is gepubliceerd en waarin vier scenario's naar voren worden geschoven voor de uitvoering van geïntegreerde territoriale investeringen op basis van verschillende omstandigheden en territoriale kenmerken. Onder meer door de late publicatie van de nota (pas in 2015) zijn deze scenario’s in de huidige programmeringsperiode slechts in beperkte mate toegepast. Het verdient aanbeveling om een en ander bij discussies over de toekomst van ITI’s als uitgangspunt te nemen.

16.

Het CvdR is ermee ingenomen dat in de huidige programmeringsperiode 20 lidstaten vrijwillig hebben deelgenomen aan de tenuitvoerlegging van ITI's. Helaas hebben sommige landen de ITI's alleen gebruikt in het kader van de toepassing van artikel 7 van de EFRO-verordening, waarin is bepaald dat ten minste 5 % van de op nationaal niveau toegewezen EFRO-middelen in het kader van de doelstelling „Investeren in groei en werkgelegenheid” moet worden bestemd voor geïntegreerde strategieën voor stedelijke ontwikkeling, zonder terdege rekening te houden met de werkelijke behoeften op lokaal en regionaal niveau. Een groot aantal lidstaten heeft meer in het algemeen gebruik gemaakt van het instrument („thematische” ITI's op grond van artikel 36 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen). Conform de aanbevelingen die in dit advies worden gedaan zou dit grote potentieel voor geïntegreerde investeringen verbeterd kunnen worden door voort te bouwen op goede praktijken en het instrument nauwer af te stemmen op lokale en regionale behoeften.

17.

Het CvdR betreurt dat een aanzienlijke vertraging is opgetreden bij de tenuitvoerlegging van geïntegreerde territoriale benaderingen, en dat het instrument nog niet in staat is gebleken alle synergieën tot stand te brengen die het zou kunnen en moeten opleveren. Hieruit kan en mag echter niet worden afgeleid dat de uitvoering van het cohesiebeleid van de EU via geïntegreerde territoriale investeringen niet doeltreffend is. Integendeel, gezien de complicaties en het gebrek aan duidelijkheid is juist het feit dat dit instrument — dankzij de grote inspanningen van het personeel van alle belanghebbenden — überhaupt van de grond is gekomen en vruchten afwerpt met een echte positieve impact op het grondgebied en de burgers, een bewijs van zijn potentieel. Bovendien benadrukt het CvdR de meerwaarde van de geïntegreerde territoriale benaderingen, die als hefboom hebben gefungeerd voor capaciteitsopbouw in bepaalde contexten en een geïntegreerde territoriale aanpak en multilevel governance mogelijk heeft gemaakt waar dit voorheen niet het geval was.

Zoals naar voren is gekomen tijdens de workshop (2) die in 2017 in het Europees Comité van de Regio's is gehouden over de stand van zaken i.v.m. duurzame stedelijke ontwikkeling en geïntegreerde territoriale investeringen, zijn de belangrijkste moeilijkheden bij de invoering van ITI's in de huidige programmeringsperiode:

De late publicatie van de nota „Guidance for Member States on Integrated Sustainable Urban Development (Article 7 ERDF Regulation)”, die de Europese Commissie pas in mei 2015 heeft gepubliceerd. Pas op basis van deze nota werd een begin gemaakt met de ontwikkeling van de structuur die nodig is om de ITI’s ten uitvoer te leggen in de lidstaten, met het afbakenen van stedelijke gebieden en het in kaart brengen van de beleidsdocumenten over stedelijke ontwikkeling en van de procedures voor de goedkeuring hiervan. Pas toen kon de planning van afzonderlijke projecten van start gaan.

Het grootste probleem met het opstellen en uitvoeren van ITI-beleid voor stedelijke gebieden was dat in de meeste landen de operationele programma's (OP’s) en de bijbehorende indicatoren en beheerssystemen al bij het begin van de voorbereidingen voor de uitvoering van ITI’s waren goedgekeurd, zonder rekening te houden met die ITI’s. Stedelijke strategieën moesten daardoor worden aangepast aan allerlei al bestaande OP’s en indicatoren, met alle gevolgen van dien voor hun flexibiliteit en hun daadwerkelijke synergie-effecten.

In sommige gevallen bleef de verplichte toewijzing van OP-middelen aan ITI’s uit, waardoor de bodem wegviel onder het hele idee achter ITI’s, namelijk uitgevoerd worden en synergie teweegbrengen.

Vertraging in de uitvoering en het ontstaan van nodeloos complexe structuren voor de tenuitvoerlegging van ITI’s waarin, zelfs in stedelijke gebieden, voor de monitoring en evaluatie van projecten intermediaire instanties moeten worden opgericht, terwijl die selectie in werkelijkheid voornamelijk door de beheersautoriteiten van elk OP wordt gedaan. Deze structuren lijken in sommige gevallen onevenredig groot, aangezien aan ITI’s maar weinig middelen worden toegewezen en die intermediaire instanties zeer beperkte bevoegdheden hebben; mogelijk is er ook sprake van dubbel werk. Door zulke complexe tenuitvoerleggingssystemen wordt het hele proces in dergelijke gevallen nodeloos gecompliceerd.

In het kader van het uitvoeringsproces wordt onvoldoende rekening gehouden met de opdracht en bevoegdheden van de instanties die verantwoordelijk zijn voor de selectie van concrete acties (zoals omschreven in artikel 7 van de EFRO-verordening). Wanneer geïntegreerde territoriale strategieën voor duurzame stedelijke ontwikkeling worden uitgevoerd in een functioneel gebied dat groter is dan de officiële stadsgrenzen, moet een sterkere positie worden toegekend aan subregionale autoriteiten die actief zijn op basis van een breed partnerschap van belanghebbenden in het gebied en op basis van multilevel governance.

Tijdens de workshop werd ook gewezen op de positieve aspecten, met name de vaste hoeveelheid middelen voor de uitvoering van strategieën, de totstandbrenging van synergieën tussen projecten, en vooral dat rekening wordt gehouden met de lokale omstandigheden en mogelijkheden, d.w.z. de daadwerkelijke toepassing van de gebiedsgerichte aanpak.

Na 2020 — voorstellen voor de volgende programmeringsperiode

18.

Om goed te begrijpen hoe ITI’s na 2020 het best kunnen worden uitgevoerd, moeten we voortbouwen op de ervaringen die tot dusverre met de tenuitvoerlegging ervan zijn opgedaan. Het volstaat echter niet om het huidige vrijwillige systeem voor de tenuitvoerlegging van ITI’s simpelweg aan te passen voor de volgende programmeringsperiode. De nu opgedane ervaringen moeten slechts worden gezien als het resultaat van proefprojecten en worden gebruikt als aanzet om van het cohesiebeleid echt een beleid te maken dat, met als basis de regionale ontwikkeling en een geïntegreerde territoriale gebiedsgerichte aanpak, de mogelijkheden van een regio werkelijk weet te benutten en oplossingen biedt voor haar economische en sociale problemen en uitdagingen, ten behoeve van de EU-burgers en de EU als geheel.

19.

De nota „Scenarios for Integrated Territorial Investment” zou de grondslag moeten vormen voor de volgende programmeringsperiode en zo uitgebreid mogelijk moeten worden toegepast. De ITI-aanpak zou een bredere toepassing moeten krijgen ook buiten stedelijke gebieden, waar ITI's nu het meest worden gebruikt, met name in de functionele gebieden die in de vier scenario's uit die nota op verschillende wijzen worden omschreven. De toepassing van ITI’s op functionele gebieden is van groot belang, omdat gerichte, op een bottom-upaanpak gebaseerde steun voor deze regio's heel effectief kan zijn als het aankomt op het tot stand brengen van synergieën tussen endogene middelen en externe financieringsbronnen. Het zou verplicht moeten zijn voor alle lidstaten om in de volgende programmeringsperiode de uitvoering van ITI's mogelijk te maken, zodat deze hun potentieel kunnen benutten om een essentieel instrument te worden voor de tenuitvoerlegging van het regionaal cohesiebeleid van de EU, zij het altijd op grond van het partnerschapsbeginsel en met een passende betrokkenheid van de regionale en lokale overheden bij het ontwerp, de uitvoering, het toezicht en de evaluatie van de strategieën.

20.

Het CvdR stelt tevens voor dat functionele gebieden die een logisch geheel vormen en die niet groter mogen zijn dan de NUTS III-gebieden, het uitgangspunt moeten vormen bij het ontwerpen van overkoepelende geïntegreerde strategieën, zolang de logische banden in een bepaald gebied geen ander functioneel geheel scheppen waarbinnen de strategie doeltreffender ten uitvoer kan worden gelegd. Dit betekent echter niet dat de autoriteiten van NUTS III-gebieden of gelijkwaardige regio's ook het enige beheersorgaan moeten zijn voor de tenuitvoerlegging van de ITI-strategie en dat voor dat gebied slechts één geïntegreerde strategie kan worden uitgewerkt. Daarentegen acht het CvdR het zinvol dat op grond van de plaatselijke en functionele omstandigheden en logische banden individuele geïntegreerde territoriale investeringsstrategieën worden opgesteld voor verschillende typen gebieden binnen bovengenoemd functioneel geheel, waarvan de resultaten en effecten moeten worden geharmoniseerd op dat niveau. Deze harmonisatie zou het tevens mogelijk moeten maken om logische thematische banden te creëren met aangrenzende regio's en rekening te houden met de belangen of vereisten van territoriale eenheden. De uitvoering en het beheer van de strategieën moeten echter op een zodanige wijze plaatsvinden dat het effect ervan zo groot mogelijk is en moeten bovenal op vrijwillige basis geschieden, met inachtneming van de lokale omstandigheden en kenmerken.

21.

Het CvdR dringt er met klem op aan dat alle voor ITI’s bestemde middelen worden gebundeld in één operationeel programma, zodat iedere afzonderlijke ITI altijd overeenkomt met slechts één OP en individuele instanties die ITI's ten uitvoer leggen met slechts één OP-beheersautoriteit hoeven te communiceren. ITI's hebben echter duidelijk een grotere toegevoegde waarde wanneer zij uit meerdere fondsen worden gefinancierd. Gemeenschappelijke regels waarin het Regionaal Fonds, het Sociaal Fonds en de onderdelen van het Landbouwfonds die betrekking hebben op algemene plattelandsontwikkeling zijn opgenomen, zouden de meest efficiënte manier zijn om de doelstellingen van het cohesiebeleid ten uitvoer te leggen. Als het idee om ITI’s te koppelen aan één enkel operationeel programma geeh gehoor vindt voor de volgende programmeringsperiode, moet worden voorkomen dat er ingewikkelde verbanden met afzonderlijke operationele programma' worden gelegd. Het CvdR is voorstander van meerfondsenprogramma's die op regionaal niveau worden uitgevoerd. De OP's waarvan de ITI's deel uitmaken, zouden logischerwijs uit meerdere fondsen moeten worden gefinancierd. Met het oog op een grotere synergie moet echter worden toegestaan dat geïntegreerde territoriale investeringen, in voorkomend geval, functioneel gekoppeld zijn aan andere operationele programma's en instrumenten als Horizon en EFSI. De organen — op alle niveaus — die de ITI's ten uitvoer leggen zou bij het verwezenlijken van hun doelstellingen zoveel mogelijk flexibiliteit gegund moeten worden. De mogelijkheid om een leadfonds voor technische bijstand aan te wijzen zou de operationele uitvoering van het meerfondsenmodel kunnen vergemakkelijken.

22.

Bij de uitvoering van een ITI moet rekening worden gehouden met productiviteits- en prestatie-indicatoren die zijn aangepast aan de algemene doelstelling van de geïntegreerde territoriale investering. Het is van essentieel belang dat er specifieke indicatoren voor dit programmeringsinstrument zijn. Daarom moeten de regionale overheden in de ontwerpfase van de operationele programma's hun eigen indicatoren kunnen presenteren, die dan worden beoordeeld door de diensten van de Commissie om te waarborgen dat de voorgestelde acties, indicatoren en de doelstelling van de ITI verenigbaar zijn. Ook moet worden opgemerkt dat er juridische moeilijkheden zijn (zie de staatssteunregels) die soms leiden tot positieve discriminatie wat betreft de objectieve en subjectieve reikwijdte van de ITI, bijvoorbeeld als het gaat om de aanbestedingsvoorwaarden.

23.

Het CvdR beveelt voorts aan dat de aanwijzing van de ITI-gebieden, de uitvoeringsbepalingen, doelstellingen en begrotingstoewijzingen van tevoren duidelijk worden vastgelegd in de partnerschapsovereenkomst (of in soortgelijke documenten waarin de betrekkingen tussen de lidstaten en de EU in de komende programmeringsperiode worden vastgelegd) en de desbetreffende operationele programma's, als een verplicht onderdeel daarvan. Tegelijkertijd zou, bij het goedkeuren van het desbetreffende OP, elke bij de tenuitvoerlegging van een ITI betrokken partij samen met de beheersautoriteit van dat OP een overeenkomst met de Commissie moeten bespreken en goedkeuren (een directe tripartiete overeenkomst tussen de partijen die de ITI ten uitvoer leggen, de beheersautoriteit van het OP en de Commissie is onontbeerlijk voor een geslaagde tenuitvoerlegging). Op die manier krijgen de uitvoeringsmethoden, en de indicatoren van het werkelijke effect van de ITI-strategie in de betrokken regio, duidelijk gestalte. In landen waar het partnerschapsbeginsel niet echt voet aan de grond krijgt en alleen maar voor de schijn wordt beleden, zou de Commissie moeten helpen om op basis van echt partnerschap betrekkingen tot stand te brengen, met name om ITI’s ten uitvoer te leggen.

24.

Uit recente ervaringen met de tenuitvoerlegging, niet alleen van ITI’s maar ook van het EFSI op regionaal niveau, is in grote lijnen gebleken dat de financiering van een ITI met het oog op de stabiliteit en de nagestreefde impact de vorm moet hebben van een globale subsidie, waarbij de doelstellingen, indicatoren, middelen en de verantwoordelijkheid voor de uitvoering duidelijk worden omschreven. Deze globale subsidie mag echter niet worden gezien als een bron van middelen die naar believen kan worden gebruikt, maar moet duidelijk gekoppeld zijn aan de doelstellingen en indicatoren die voor elke ITI-strategie afzonderlijk zijn vastgesteld in het kader van de onderhandelingen over het desbetreffende OP. Het stelsel van globale subsidies moet zorgen voor voorspelbaarheid en zekerheid van middelen voor de uitvoering van ITI-strategieën en op die manier ook een flexibele combinatie van deze financiële middelen met andere EU- en nationale instrumenten (bv. EFSI en Horizon) en eigen middelen mogelijk maken. Dit moet ervoor zorgen dat een echte strategische aanpak kan worden gevolgd in het kader van de uitvoering van ITI's en dat een zo groot mogelijke integratie van middelen en de grootst mogelijke synergieën binnen subregio's en gebieden binnen een regio tot stand kunnen worden gebracht.

25.

De uitvoering van een ITI moet resulteren in een beter financieel beheer van de operationele programma's. De complementariteit betekent niet dat de financiering voor de tenuitvoerlegging van dit programmeringsinstrument wordt verhoogd. Op grond van het beginsel „aanmoedigen in plaats van bestraffen” zouden de voorwaarden op het vlak van de medefinancieringspercentages voor de dekking van de investeringskosten die rechtstreeks samenhangen met de doelstelling van de ITI, moeten worden verbeterd.

26.

Het CvdR beveelt tevens aan dat de uitvoeringsorganen die ITI's verstrekken uitsluitend moeten worden voorbehouden aan lokale en regionale overheden op verschillende niveaus, de verenigingen van gemeenten en de bij wet opgerichte territoriale-ontwikkelingsraden, de euroregio’s en interregionale instanties voor territoriale samenwerking, omdat zij er als enige voor kunnen zorgen dat de strategieën worden uitgevoerd. Zij zouden maximale flexibiliteit moeten krijgen, zowel voor de selectie van activiteiten en maatregelen ter verwezenlijking van de doelstellingen als voor de omvang en het zwaartepunt van de steun, zodat eigen, nationale, particuliere en EU-middelen efficiënt gecombineerd kunnen worden om met de strategie zoveel mogelijk synergie teweeg te brengen. Om de doelstellingen zo efficiënt mogelijk te verwezenlijken en voor zoveel mogelijk Europese toegevoegde waarde te zorgen zouden ITI’s bovendien de mogelijkheid moeten hebben om de omvang en het zwaartepunt van de steun gedurende de uitvoering aan te passen aan de veranderende sociaaleconomische omstandigheden in het betreffende gebied. In dit verband wordt de Europese Commissie verzocht rechtszekerheid te scheppen door duidelijke richtsnoeren te geven voor aansprakelijkheidskwesties bij het gebruik van ITI’s.

27.

Het CvdR acht het van wezenlijk belang dat verder wordt gegaan dan louter het clusteren van projecten die uit verschillende fondsen worden medegefinancierd, en dat een echte strategie van goed geïntegreerd beheer wordt nagestreefd. Met het oog op een grotere efficiëntie en doeltreffendheid van de ITI's zijn meer steun en praktische richtsnoeren nodig om het instrument beter te begrijpen, de strategieën beter uit te werken en ten uitvoer te leggen en zo het potentieel van dit instrument volledig te benutten. Daartoe zou moeten worden nagedacht over de oprichting van een specifieke permanente ondersteuningsstructuur voor regio's die gebruik willen maken van dit instrument, waar zij terecht kunnen voor informatie, advies en uitwisseling van goede praktijken.

28.

Het CvdR merkt tot slot op dat de voorbereidingen voor de tenuitvoerlegging van het ITI-instrument voor de programmeringsperiode na 2020 onmiddellijk na de publicatie van de komende ontwerpwetgeving inzake de ESI-fondsen na 2020 van start moeten gaan, zodat de afzonderlijk op te stellen ITI-strategieën uitvoerig kunnen worden besproken met de burgers en andere belanghebbenden, vóór de eerste besprekingen van de operationele programma's met de Europese Commissie. Een bottom-upbenadering is namelijk veel participatiever en gecompliceerder en vergt veel meer tijd om te onderhandelen dan een top-downbenadering. De implementatie van het ITI-instrument moet worden opgenomen in de ontwerpwetgeving over de ESI-fondsen na 2020 en in de ontwerpbegrotingen, die de grondslag zullen vormen van het toekomstige cohesiebeleid.

Brussel, 1 februari 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


(1)  http://ec.europa.eu/regional_policy/sources/docgener/studies/pdf/integrated_strategies/integrated_strategies_en.pdf.

(2)  samen met de Europese Commissie, in het kader van het TAIEX REGIO PEER 2 PEER-instrument (dat is ontworpen ter bevordering van de uitwisseling van kennis en goede praktijken tussen de beheersorganen van de financiering in het kader van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en het Cohesiefonds, teneinde hun bestuurlijke capaciteit te versterken en ervoor te zorgen dat de investeringen van de EU betere resultaten opleveren) en op initiatief van de regio Murcia.


III Voorbereidende handelingen

COMITÉ VAN DE REGIO'S

127e CvdR-zitting, 31.1.2018-1.2.2018

23.5.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 176/46


Advies van het Europees Comité van de Regio’s — Initiatief voor de duurzame ontwikkeling van de blauwe economie in het westelijke Middellandse Zeegebied

(2018/C 176/11)

Rapporteur:

Samuel Azzopardi (MT/EVP), lid van de gemeenteraad van Rabat (Città Victoria), Gozo

Referentiedocument:

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Initiatief voor de duurzame ontwikkeling van de blauwe economie in het westelijke Middellandse Zeegebied

COM(2017) 183 final, SWD(2017) 130 final

BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO'S,

1.

is ingenomen met de mededeling Initiatief voor de duurzame ontwikkeling van de blauwe economie in het westelijke Middellandse Zeegebied en het bijbehorende Actiekader, die door de Commissie op 19 april 2017 zijn goedgekeurd.

2.

Het Comité kan zich vinden in de voorstellen voor een veilige en schone maritieme ruimte, een betere governance van de zee en duurzaam beheerde oceanen.

3.

Ook onderschrijft het ten volle de ministeriële verklaring van de Unie voor het Middellandse Zeegebied, waarin de deelnemende landen ertoe worden aangezet de meerwaarde en haalbaarheid van maritieme strategieën op subregionaal niveau te onderzoeken en voort te bouwen op de ervaringen met de Dialoog 5+5. In oktober 2016 hebben de ministers van Buitenlandse Zaken van Algerije, Frankrijk, Italië, Libië, Malta, Marokko, Mauritanië, Portugal, Spanje en Tunesië ervoor gepleit om samen met het secretariaat van de Unie voor het Middellandse Zeegebied verder te werken aan het initiatief voor de duurzame ontwikkeling van de blauwe economie (1).

4.

De Commissie erkent dat de samenwerking tussen de twee zijden van het Middellandse-Zeegebied nog vrij kleinschalig is en dat er ruimte is voor verbetering.

5.

Het gaat om een regio die op economisch gebied enorme kansen biedt en befaamd is om haar actieve havens en culturele erfgoed, dat tal van toeristen trekt; deze mogelijkheden kunnen op duurzame wijze verder worden benut.

6.

De Middellandse Zee is strategisch gelegen op het raakvlak van drie grote continenten, te weten Europa, Afrika en Azië, en is altijd een knooppunt geweest voor cultuur en handel met de buurlanden en andere landen.

7.

Het gebied staat bekend om zijn biodiversiteit en vele beschermde mariene gebieden.

8.

In dit verband verwijst het Comité onder meer naar zijn eerdere adviezen over de mededeling van de Commissie „Een geïntegreerd maritiem beleid” (2), over maritieme ruimtelijke ordening en geïntegreerd kustbeheer (3) en over betere bescherming van het mariene milieu en „Een nieuwe fase in het Europees beleid voor blauwe groei” (4).

9.

Het Comité maakt zich zorgen over het feit dat het Middellandse Zeegebied zwaar wordt getroffen door de klimaatverandering (5).

10.

Daarnaast heeft het gebied te maken met hoge jeugdwerkloosheid, politieke instabiliteit en zware problemen op het gebied van migratie, waardoor de economische vooruitzichten van de regio weinig rooskleurig zijn.

11.

Het is een goede zaak dat het initiatief in de eerste plaats op het westelijke deelgebied van het Middellandse Zeegebied gericht is, maar dat betekent allerminst dat het potentieel en de doelen ervan niet kunnen worden uitgebreid tot andere deelgebieden van het Middellandse Zeegebied.

12.

Hoewel het duidelijk niet schort aan politieke wil om de problemen op het gebied van milieu, visserij en aquacultuur aan te pakken, moet de regio meer doen aan voorlichting en bewustmaking, en ontbreekt het nog aan sectoroverschrijdende wetenschappelijk onderbouwde beleidsvorming. Ook wat de uitvoering en handhaving aangaat zijn er nog veel tekortkomingen, met name op nationaal en lokaal niveau (6).

13.

We mogen niet vergeten dat de regio voortdurend wordt geconfronteerd met humanitaire problemen ten gevolge van de toestroom van irreguliere migranten uit Afrika en het Midden-Oosten naar de Zuid-Europese landen, wat rechtstreekse gevolgen heeft voor de aangrenzende maritieme regio’s.

14.

Ook het zeevervoer vormt in bepaalde delen van het Middellandse Zeegebied een probleem waaraan niet mag worden voorbijgegaan: het initiatief, waarbij bescherming van het milieu en de biodiversiteit, duurzaamheid en de strijd tegen klimaatverandering steeds voor ogen moeten worden gehouden, is immers gericht op een toename van de economische activiteit, wat tevens tot meer zeevervoer zou kunnen leiden.

15.

De jeugdwerkloosheid in het westelijke deel van het Middellandse Zeegebied ligt hoog; tegelijk echter vinden veel industriesectoren maar moeilijk werknemers met de juiste kwalificaties en vaardigheden.

16.

Het is zeer positief dat de Commissie gewag maakt van een bottom-upaanpak, omdat zo'n aanpak het meest geschikt is om de lokale en regionale overheden meer bij de in het initiatief voorziene maatregelen te betrekken.

Doelstelling 1 — Een veiliger en meer beveiligde maritieme ruimte

17.

Een duurzame en doeltreffende blauwe economie kan pas werkelijkheid worden als de maatregelen inzake veiligheid en beveiliging in de regio naar behoren worden uitgevoerd. Het Comité dringt er dan ook op aan dat de regionale autoriteiten aan beide zijden van het Middellandse Zeegebied de handen ineenslaan om de huidige situatie daadwerkelijk te verbeteren.

18.

Het is zorgwekkend dat „de samenwerking tussen de kustwachten langs beide zijden van het gebied (…) beperkt (blijft) en de realtimereactie op noodsituaties (…) beter (kan)” (7). Het Comité kan zich dan ook vinden in de acties om de samenwerking tussen de kustwachten aan beide zijden van het westelijke Middellandse-Zeegebied op te voeren; zo moet met name het tekort aan vaardigheden op het gebied van maritieme veiligheid worden aangepakt. Voorts staat het Comité achter de uitwisseling van kennis en gegevens, in het bijzonder met betrekking tot het zeevervoer.

19.

Positief zijn de maatregelen om de partners aan te zetten tot meer inspanningen op het gebied van capaciteitsopbouw, zodat zij illegale en ongereglementeerde activiteiten zoals migrantensmokkel en illegale visserij kunnen aanpakken en de mariene verontreiniging in het gebied kunnen tegengaan; daarnaast moeten instrumenten worden ontwikkeld om beter de strijd te kunnen aanbinden tegen mariene verontreiniging. Het feit dat de lokale en regionale economieën wellicht niet de nodige financiële middelen kunnen uittrekken voor capaciteitsopbouw, baart het Comité zorgen.

20.

Ten slotte herinnert het Comité aan de recente conclusies van de Raad (8) over internationale oceaangovernance, waarin een lans wordt gebroken voor een meer coherente regionale aanpak, iets dat het ten volle onderschrijft.

Doelstelling 2 — Een slimme en veerkrachtige blauwe economie

21.

Er kan pas sprake zijn van een slimme en veerkrachtige blauwe economie als een klimaat van voortdurende innovatie en kennisdeling wordt gecreëerd en wordt ingezet op duurzame concurrentie en economische activiteiten. Het Middellandse Zeegebied staat bekend om zijn bloeiende maritieme toeristische sector; om deze ook in de toekomst te doen gedijen zijn strategieën voor innovatie en diversificatie nodig, waarbij speciale aandacht moet worden besteed aan de troeven van kust en binnenland, het culturele erfgoed en archeologische vondsten.

22.

De aanbeveling dat ook belanghebbenden uit het zuiden van het westelijke Middellandse Zeegebied zouden moeten worden uitgenodigd om deel te nemen aan het BLUEMED-initiatief kan de goedkeuring van het Comité wegdragen; het gaat immers om een belangrijk instrument dat met name gericht is op de bevordering van gezamenlijke acties voor onderzoek en innovatie. Het Comité pleit voor coördinatie van mariene en maritieme onderzoeks- en innovatieactiviteiten en het creëren van synergieën tussen regionale, nationale en EU-investeringen, zodat overlappingen worden vermeden en versnippering wordt tegengegaan.

23.

Het Comité is voorstander van de ontwikkeling van nieuwe technologieën en biogebaseerde innovatieve industrieën, met name als de inspanningen op dit vlak voornamelijk gericht zijn op de ontwikkeling van duurzame producten. Daarnaast ondersteunt het de ontwikkeling van technologieën en op maat gesneden oplossingen om de klimaatverandering tegen te gaan; het denkt daarbij met name aan hernieuwbare mariene energie en drijvende windturbines, die bij uitstek geschikt zijn voor de Middellandse Zee.

24.

De oprichting van nationale en regionale maritieme clusters is een goede zaak: zij maken de ontwikkeling van innovatieve oplossingen mogelijk, die een ideale voedingsbodem vormen voor een bloeiende economie. Clusters zijn bevorderlijk voor ondernemerschap, samenwerking en kennisdeling tussen kleine, middelgrote en micro-ondernemingen.

25.

Het Comité dringt aan (9) op de oprichting van een speciale kennis- en innovatiegemeenschap voor de blauwe economie als extra maatregel voor het ontwikkelen van vaardigheden en het overdragen van ideeën van maritiem onderzoek naar het bedrijfsleven; in dit verband kan ook het virtueel kenniscentrum (10) een toegevoegde waarde hebben. Het gaat hier om een instrument voor het delen van kennis ter ondersteuning van de ontwikkeling van de blauwe economie dat kan worden omschreven als een „one-stop-shop”/webportaal voor het consolideren en delen van algemene, technische en sectorale informatie in verband met mariene en maritieme kwesties in het Middellandse Zeegebied.

26.

Het Comité herinnert aan zijn voorstel in advies CdR 6622/2016 om regionale of interregionale platforms voor de blauwe economie op te richten. Het wijst erop dat verschillende regio's in het Middellandse Zeegebied gebied goede kandidaten zouden kunnen zijn voor de oprichting van dit type platform, om mogelijke projecten in kaart te brengen, te bekijken welke steun nodig zou zijn om een en ander te verwezenlijken, en de nodige financiële middelen vrij te maken op lokaal, nationaal en Europees niveau. Deze platforms zouden worden aangestuurd door de regio's, en de geselecteerde projecten zouden worden gefinancierd in het kader van het plan-Juncker 2.0.

27.

Het zou mogelijk moeten zijn de interregionale, nationale en transnationale projecten die aansluiten bij het strategische kader van het initiatief en de strategieën voor slimme specialisatie, te financieren door de regionale, nationale en Europese middelen samen te brengen in een vereenvoudigd kader; ook zou voor deze projecten een Europese premie moeten worden ingesteld, zonder dat nieuwe projectvoorstellen nodig zijn.

28.

Het Comité benadrukt dat het bij ondernemersactiviteiten in de blauwe economie niet alleen gaat om activiteiten op de Middellandse Zee. Het is daarom belangrijk dat voldoende middelen worden uitgetrokken voor steun aan ondernemingen die verband houden met de blauwe economie op het land, zoals bedrijven die vis verwerken, de scheepsbouwsector, en onshore-installaties voor wind- en fotovoltaïsche energie.

29.

De kloof tussen onderwijs en vaardigheden moet onverwijld worden gedicht. Economische ontwikkeling en onderwijs gaan hand in hand; om dit initiatief te doen slagen moeten de partners dan ook rekening houden met beide sociaaleconomische aspecten. Meer voorlichting over maritieme en mariene beroepen is cruciaal om burgers ertoe aan te zetten de mogelijkheden in dit verband in overweging te nemen en aldus de discrepantie tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt (die kenmerkend is voor de maritieme sector) te verkleinen en bij te dragen aan de terugdringing van de werkloosheid. Met name in het Middellandse Zeegebied is sprake van de paradox dat de jeugdwerkloosheid een van de hoogste in Europa is, maar dat maritieme ondernemingen in opkomende en traditionele sectoren geen gekwalificeerd personeel kunnen vinden.

30.

Het Comité staat positief tegenover de modellen ter ondersteuning van de ontwikkeling en het gebruik van schone energiebronnen, inclusief innovatie op het gebied van oceaanenergie en duurzaam energiegebruik voor de ontzilting van zeewater, waarbij gebruik wordt gemaakt van methoden die een minimale impact hebben op de zeebodem. Ook steunt het de voorstellen die betrekking hebben op het bevorderen van energie-efficiëntie en aanpassing aan de klimaatverandering in kuststeden, het bevorderen van groene scheepvaart- en haveninfrastructuur voor alternatieve brandstoffen, en de ontwikkeling van nieuwe toeristische producten en diensten en van gemeenschappelijke technische normen voor duurzame mariene aquacultuur in de verschillende landen (11). Ook al is er in principe niets aan te merken op de doelstellingen van deze acties, dient er wel rekening te worden gehouden met kleine of in moeilijkheden verkerende economieën.

Doelstelling 3 — Beter bestuur van de zee

31.

Kust- en maritieme gebieden zijn al sinds lang bijzonder concurrerend en veelzijdig, wat heeft geleid tot problemen op het vlak van ruimtelijke ordening en schaarse hulpbronnen. Door de toenemende druk op de natuurlijke hulpbronnen is de milieuproblematiek meer dan ooit actueel: meer kennis is dan ook noodzakelijk. De keuze voor een geïntegreerde aanpak om het delen van middelen te bevorderen zal ongetwijfeld nieuwe kansen meebrengen.

32.

Het Comité moedigt ontwikkelingsmodellen aan die zijn gebaseerd op minder uitstoot, minder consumptie en lagere energiekosten en op meer flexibiliteit en betrouwbaarheid. De ontwikkeling van energie uit biogene en organische reststoffen en uit afval zal in dit opzicht van cruciaal belang zijn.

33.

Het Comité is zich in de context van de menselijke activiteiten op zee ten volle bewust van het belang van een doeltreffende maritieme ruimtelijke ordening; bedoeling is de coördinatie te verbeteren en het risico op conflicterende activiteiten terug te brengen.

34.

Het Comité onderschrijft de maatregelen om de aandacht te vestigen op mariene wetenschappelijke gegevens en kennis als pijlers van een veerkrachtige en innovatieve economie, maar wijst er ook op dat deze gegevens in het licht van de milieuproblematiek en de klimaatverandering actueel moeten zijn en door de internationale wetenschappelijke gemeenschap en publieke overheden geraadpleegd moeten kunnen worden.

35.

Het kan zich volledig vinden in de maatregelen om het mariene milieu en de mariene habitat te beschermen tegen alle vormen van verontreiniging, waarbij de gebieden die hiervoor in aanmerking komen, zoals de beschermde mariene gebieden, proactief in kaart worden gebracht. Bewustmakingscampagnes zijn ontegensprekelijk een stap in de goede richting.

36.

Ook staat het Comité achter het streven naar regionale coördinatie en samenwerking via de middellangetermijnstrategie (2017-2020) van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee, die gericht is op duurzame visserij in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee. Op die manier kan er ook voor worden gezorgd dat het gemeenschappelijk visserijbeleid op het niveau van het deelstroomgebied op consistentere wijze wordt uitgevoerd (12).

37.

Het Comité kan zich volledig vinden in de maatregelen ter bevordering van de ontwikkeling van de kleinschalige visserij en de aquacultuur en de verspreiding van beste praktijken, die bedoeld zijn om de visserij- en aquacultuursector een duwtje in de rug te geven en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de verzameling van regionale gegevens en de uitvoering van wetenschappelijke evaluaties naar behoren verlopen; tegelijk moet de internationale wetgeving volledig in acht worden genomen.

Governance en uitvoering

38.

Het Comité steunt de oprichting van de WestMED-taskforce, in samenwerking met de Unie voor het Middellandse Zeegebied, waaraan onder meer de nationale contactpunten en de Europese Commissie en lokale en regionale overheden zullen deelnemen.

39.

Er zijn verschillende financieringsbronnen beschikbaar, waaronder met name de EU-financieringsprogramma's die diverse initiatieven ondersteunen, afhankelijk van de aard van het ingediende project, de reikwijdte en de prioriteiten ervan.

Slotaanbevelingen

40.

Het Comité pleit voor meer uitwisseling van beste praktijken, capaciteitsopbouw en grensoverschrijdende samenwerking tussen lokale en regionale overheden uit alle Middellandse-Zeelanden.

41.

Het drukt alle partijen op het hart om de uitwisseling van kennis en beleidsexpertise tussen de lokale en regionale overheden te bevorderen ten behoeve van multilevel governance bij het beheer van gedeelde middelen en de aanpak van gemeenschappelijke problemen in de WestMED-ruimte.

42.

Op lokaal en regionaal niveau zouden economisch duurzame projecten moeten worden gestimuleerd en zou de toegang tot kapitaal moeten worden vergemakkelijkt.

43.

Er moeten in samenwerking met de lokale en regionale overheden projecten en maatregelen op het gebied van onderwijs en opleiding worden opgezet om zo de jeugdwerkloosheid terug te dringen en een impuls te geven aan arbeidsmobiliteit tussen de verschillende sectoren van blauwe economie. Het Comité wijst in dit verband op de rol die lokale en regionale overheden spelen bij het voorspellen van in de toekomst vereiste vaardigheden en bij het afstemmen van die vaardigheden op de arbeidsmarktbehoeften. De lidstaten dienen zich hiervan bewust te zijn en de lokale en regionale overheden de juiste middelen te verstrekken om de overgang van school naar werk voor jongeren te vergemakkelijken.

Brussel, 31 januari 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


(1)  Ministeriële verklaring van de Unie voor het Middellandse Zeegebied (UMZ).

(2)  Rapporteur: Michael Cohen, CdR 126/2010.

(3)  Rapporteur: Paul O'Donoghue, CdR 3766/2013.

(4)  Rapporteur: Hermann Kuhn, CdR 07256/2014, en rapporteur: Christophe Clergeau, NAT-VI/019.

(5)  http://www.cmcc.it/publications/regional-assessment-of-climate-change-in-the-mediterranean-climate-impact-assessments

(6)  {SWD(2017) 130 final}

(7)  {SWD(2017) 130 final}

(8)  Conclusies van de Raad van 3 april 2017

(9)  NAT-V-44

(10)  http://www.med-vkc.eu/2016/

(11)  {SWD(2017) 130 final}

(12)  {SWD(2017) 130 final}


23.5.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 176/51


Advies van het Europees Comité van de Regio’s — Slotconclusies en aanbevelingen van de groep op hoog niveau Vereenvoudiging na 2020

(2018/C 176/12)

Rapporteur:

Oldřich Vlasák (CZ/ECR), gemeenteraadslid van Hradec Králové

Referentiedocument:

Slotconclusies en aanbevelingen van de groep op hoog niveau Vereenvoudiging na 2020

BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S,

1.

onderstreept het belang van het cohesiebeleid van de EU voor de economische, sociale en territoriale samenhang van de Unie. Terwijl een derde van de begrotingsmiddelen van de EU wordt besteed aan het bereiken van deze doelstelling, zoals uiteengezet in de artt. 174-178 VWEU, heeft het cohesiebeleid zijn volledige potentieel nog niet verwezenlijkt. Vereenvoudiging van de fondsen moet deel uitmaken van een hervormd en verbeterd cohesiebeleid voor de toekomst van Europa.

2.

Het Comité is verheugd over het constructieve karakter van de aanbevelingen van de groep op hoog niveau („de Groep”) met betrekking tot de vereenvoudiging van de ESI-fondsen voor de periode na 2020 en over de duidelijke uitspraak dat vereenvoudiging een taak is van alle partijen die bij de uitvoering en het beheer van de fondsen betrokken zijn — de Commissie, de medewetgevers, de lidstaten en de lokale en regionale overheden.

3.

Het Comité is ingenomen met het feit dat veel van de aanbevelingen van de Groep voor de periode na 2020 aansluiten bij standpunten die het eerder geformuleerd heeft (1). Het herhaalt ook dat de lokale en regionale overheden rechtstreeks betrokken zijn bij de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid, niet alleen als belangrijkste begunstigden, maar in veel gevallen ook als de autoriteit die rechtstreeks bij het beheer van de implementatie betrokken is.

4.

Hoewel de conclusies en aanbevelingen van de Groep een aantal positieve voorstellen bevatten, kan hoe dan ook niet worden geconcludeerd dat het vereenvoudigingsproces met de uitvoering van deze voorstellen is voltooid. Er is nog steeds een aantal zeer belangrijke gebieden en sectorale problemen waarvoor de conclusies van de Groep geen oplossing bieden of waarop zij slechts gedeeltelijk betrekking hebben. Het Comité verwijst in dit verband naar zijn advies van oktober 2016 over de vereenvoudiging van de ESIF vanuit het oogpunt van lokale en regionale overheden, waarin deze problematiek uitgebreid wordt behandeld.

5.

Het Comité dringt nogmaals aan op een nieuwe territoriale visie waarmee het Europees Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief van 1999 geactualiseerd wordt. Door middel van een gebiedsgerichte aanpak zou deze strategie in de programmeringsperiode na 2020 kunnen worden gebruikt om de EU-fondsen te helpen ter plaatse resultaten te boeken.

6.

Het Comité benadrukt dat het belangrijk is om voort te bouwen op de tot nu toe opgedane ervaring en ontwikkelde capaciteit en om de implementatie van het gedeeld beheer na 2020 te vergemakkelijken door het partnerschapsbeginsel toe te passen. Het partnerschapsbeginsel, zoals vastgelegd in de Europese gedragscode voor partnerschap, blijft een cruciaal middel om ervoor te zorgen dat alle partners, met inbegrip van de lokale en regionale overheden, bij alle programmeringsfasen worden betrokken. De wijze van tenuitvoerlegging moet ook gebaseerd zijn op een groter vertrouwen tussen alle betrokken actoren (autoriteiten op EU-, nationaal en lokaal en regionaal niveau).

7.

Het Comité pleit voor een nieuw gemeenschappelijk strategisch kader voor al het beleid en alle fondsen van de EU met een territoriale dimensie en steunt de doelstelling om gemeenschappelijke horizontale regels op te stellen om de interactie tussen de ESI-fondsen te vergemakkelijken („één rulebook”). Een kader dat alleen betrekking heeft op de ESI-fondsen en niet op andere fondsen met een territoriale dimensie, zoals het huidige kader, is voor de eindgebruikers lastiger om uit te voeren. Dit gaat ten koste van het potentiële nut van het kader. Financiering voor een beperkte lijst van beleidsterreinen moet worden gekozen op basis van een gemeenschappelijk Europees „menu”, dat per regio kan verschillen naargelang van de ontwikkelingsbehoeften van de regio en de EU-doelstellingen.

8.

Het Comité onderschrijft de noodzaak om gelijke voorwaarden voor ESI-fondsen en centraal beheerde fondsen tot stand te brengen. Het is het er uitdrukkelijk mee eens dat nagegaan moet worden of het haalbaar is ESI-financiering standaard geheel of gedeeltelijk vrij te stellen van de toepassing van de staatssteunregels, en herinnert aan zijn eerdere bevindingen met betrekking tot evenredigheid.

9.

Het Comité steunt de doelstelling om het differentiatiebeginsel op ruimere schaal toe te passen in het belang van lastenverlichting, effectievere uitgaven en bevordering van de gebiedsgerichte aanpak.

10.

Het Comité dringt aan op gerichtere oplossingen voor afzonderlijke programma’s, rekening houdend met de capaciteiten van instellingen binnen en buiten de uitvoeringsstructuur van de ESIF, de soorten steun die wordt verleend en andere factoren.

11.

Het Comité stelt voor om de dialoog tussen de Commissie, de lidstaten en de steden en regio’s over een doeltreffende opzet en gebruiksvriendelijke vereenvoudigingsmaatregelen voor de volgende generatie ESIF na 2020 te intensiveren.

12.

Het Comité dringt erop aan dat territoriale effectbeoordelingen op Europees niveau worden gebruikt als instrument om de voordelen van de vereenvoudiging van de ESIF te meten.

Versterking van het gedeeld beheer na 2020

13.

Het Comité spreekt zijn krachtige steun uit voor de door de Groep uiteengezette analyse van de belangrijke voordelen van het gedeeld beheer als model om het cohesiebeleid doeltreffend ten uitvoer te leggen door de eigen inbreng van nationale, regionale en lokale overheden te stimuleren en erkenning van regionale specifieke kenmerken en een gebiedsgerichte aanpak mogelijk te maken. Gedeeld beheer heeft ook een positieve uitwerking op beleidsterreinen buiten de ESIF, waaronder een positief overloopeffect in de zin van versterking van goed bestuur en vergroting van de eigen inbreng van burgers en van de democratische betrokkenheid.

14.

Het Comité staat achter het steven naar een doeltreffende toepassing van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel om een echte multilevel governance in dit verband mogelijk te maken en te ondersteunen. Dit vereist dat zowel lokale en regionale overheden als Commissie en lidstaten in de vorm van een echt partnerschap een adequate inbreng kunnen leveren.

15.

Het Comité onderstreept dat er meer vertrouwen moet komen in het vermogen van de begunstigden, regionale en nationale overheden, om de fondsen op een gezonde en efficiënte manier te beheren en te gebruiken. Gedeeld beheer brengt Europa dichter bij zijn burgers en verbindt lokale behoeften en Europese doelstellingen met elkaar.

16.

Het Comité benadrukt dat het gedeeld beheer alleen kans van slagen heeft als alle partijen zich volledig naar het partnerschapsbeginsel richten. Het staat onverkort achter de aanbeveling van de Groep dat er meer en doeltreffender gebruikgemaakt moet worden van partnerschap.

17.

Het Comité is van mening dat een bredere partnerschapsbenadering geboden is en moet worden ingebed in het Europees Semester — het Europees kader voor economische governance. Het dringt nogmaals aan op invoering van een gedragscode voor de betrokkenheid van lokale en regionale overheden bij het Europees Semester (2). Ook dringt het Comité er bij de Europese Commissie op aan er zorg voor te dragen dat de beginselen van de gedragscode inzake partnerschap in het kader van de ESI-fondsen wettelijk worden vastgelegd als onderdeel van de regelgeving voor de periode na 2020 teneinde rechtszekerheid over hun status te verschaffen. De verbintenissen van de betrokken partijen om de beginselen ten uitvoer te leggen moeten ook in een meer formele vorm worden gegoten.

18.

Het Comité onderstreept de conclusie van de Groep dat de tendens om het cohesiebeleid verantwoordelijk te maken voor de verwezenlijking van vele andere EU-beleidsdoelstellingen een probleem is en ertoe leidt dat beheersautoriteiten de facto verantwoordelijk worden voor de uitvoering van een groeiend aantal andere EU-beleidsmaatregelen.

19.

Het Comité steunt het voorstel van de Groep om de rol van het beheer- en controlesysteem van de ESIF bij de handhaving van niet-ESIF-regels te herzien.

Complementaire aard van de ESI-fondsen

20.

Het Comité onderschrijft het standpunt van de Groep dat de afzonderlijke ESI-fondsen elkaar onderling moeten aanvullen, omdat de fondsen alleen tezamen de in de Verdragen vastgelegde doelstelling van het cohesiebeleid kunnen verwezenlijken.

21.

Het Comité onderstreept dat ervoor moet worden gezorgd dat de huidige ESI-fondsen (EFRO, ESF, Elfpo, Cohesiefonds, Visserijfonds) bij elkaar blijven, aangezien elk afzonderlijk ESI-fonds bijdraagt aan de taak van de andere fondsen, en de fondsen na 2020 door middel van gemeenschappelijke regels en bepalingen op elkaar afgestemd zullen worden.

22.

Het Comité dringt aan op een nieuw gemeenschappelijk strategisch kader dat alle EU-beleidsgebieden en -fondsen met een territoriale dimensie omvat. Een dergelijk kader zou zorgen voor strategische consistentie, synergieën en gelijke behandeling van financieringsinstrumenten en overbodige administratieve lasten voorkomen.

23.

Het Comité beveelt opnieuw aan om voor de verschillende ESI-fondsen exact dezelfde regels te hanteren en benadrukt dat alle horizontale voorwaarden uitsluitend in één algemene reeks regels moeten worden vastgelegd, terwijl fondsspecifieke verordeningen beperkt moeten blijven tot regels met betrekking tot de inhoud van de programma’s en de verslaglegging.

24.

Het Comité is ingenomen met de aanbeveling van de Groep om een afzonderlijke verordening voor het beheer van de ESI-fondsen („één rulebook”) te overwegen en neemt tevens nota van het voorstel om deze verordening op alle financieringsperioden van toepassing te laten zijn om de rechtszekerheid en stabiliteit van de regelgeving te verbeteren.

25.

Het Comité steunt de noodzaak om meerfondsenprogramma’s en geïntegreerde benaderingen (zoals geïntegreerde territoriale investeringen) verder te vergemakkelijken in het licht van de problemen die de huidige Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen oplevert. Het verwijst in dit verband naar zijn advies over geïntegreerde territoriale investeringen (3), waarin de positieve resultaten worden belicht die op lokaal niveau behaald kunnen worden als het potentieel ervan volledig benut wordt.

26.

Het Comité is verheugd over de erkenning dat er een beter evenwicht moet komen tussen de noodzaak om de Europese financieringsregels beter op elkaar af te stemmen en de noodzaak om meer ruimte te bieden voor afstemming op nationale voorschriften, iets waarop het ook in zijn advies over vereenvoudiging van de ESIF heeft gewezen.

27.

Het Comité is van mening dat de middelen uit de EU-fondsen verstrekt moeten worden via bestaande nationale administratieve mechanismen. Er moet zo veel mogelijk gebruik worden gemaakt van nationale regels en systemen (met inbegrip van nationale auditautoriteiten en nationale mededingingsautoriteiten): het is het eenvoudigst als er weinig regels zijn, die bij voorkeur dezelfde zijn als de regels die in de lidstaten worden toegepast.

Gelijke voorwaarden voor ESI-fondsen en centraal beheerde fondsen

28.

Het Comité bevestigt de steun voor de door de Groep aangegeven overkoepelende doelstelling om zorg te dragen voor een gelijke behandeling van en gelijke voorwaarden voor alle ESIF-programma’s en centraal beheerde fondsen.

29.

Het Comité onderschrijft het standpunt van de Groep dat de huidige differentiatie in de behandeling van de ESI-fondsen met betrekking tot staatssteun en overheidsopdrachten geen intrinsiek onderdeel van het gedeeld beheer uitmaakt. Uitgangspunt moet zijn dat door de ESIF gefinancierde projecten geen restrictievere behandeling mogen krijgen dan soortgelijke projecten die centraal door de EU worden beheerd.

30.

Het Comité benadrukt de noodzaak om in het kader voor de periode na 2020 een nieuwe impuls te geven aan synergieën tussen de ESI-fondsen en centraal beheerde programma’s, ook in de context van interregionale samenwerking. Een effectieve vereenvoudiging en een grotere flexibilisering van het beheer van de ESI-fondsen zal de tenuitvoerlegging van slimme-specialisatiestrategieën ten goede komen; interregionale samenwerking zou in dit verband kunnen worden bevorderd door bijvoorbeeld eenvoudigere, resultaatgerichte methoden voor de onderbouwing toe te passen of gebruik te maken van eenheidskosten, zoals uiteengezet in het advies van het Comité over „Slimme-specialisatiestrategieën (RIS3): gevolgen voor de regio’s en de interregionale samenwerking” (4).

31.

Het Comité wijst erop dat de regels inzake staatssteun en overheidsopdrachten voor ESI-fondsen gelijkgetrokken moeten worden met die voor centraal beheerde programma’s. Het herhaalt zijn verzoek om na te gaan of het haalbaar is voor ESIF-uitgaven na 2020 een volledige of gedeeltelijke vrijstelling in het kader van de staatssteunprocedures te verlenen. In dit verband is het verheugd dat de Groep de aanbeveling van het Comité om gemeenschappelijke definities vast te stellen zodat fondsen vergeleken en gecombineerd kunnen worden, heeft overgenomen.

Stroomlijning van de ESIF-programmering na 2020

32.

Het Comité is ingenomen met het feit dat de Groep het van cruciaal belang acht ervoor te zorgen dat de wetgevingsvoorstellen van de Commissie over het ESI-kader voor de periode na 2020, vergezeld van een duidelijke en uniforme interpretatie, ten minste zes maanden voor het begin van de nieuwe programmeringsperiode worden ingediend en goedgekeurd, en herinnert er in dit verband aan dat de lokale en regionale overheden met aanzienlijke operationele problemen te kampen hebben gehad als gevolg van de vertragingen die zich aan het begin van de huidige programmeringsperiode hebben voorgedaan en dat alle betrokken partijen hieruit lering moeten trekken. De voorstellen voor de ESIF moeten zo spoedig mogelijk formeel worden ingediend.

33.

Het Comité beveelt met het oog op de toekomstige vormgeving van de partnerschapsovereenkomsten aan om de noodzaak en het doel van de partnerschapsovereenkomst of een gelijkwaardig document op nationaal niveau opnieuw te beoordelen, en dringt erop aan dat dergelijke overeenkomsten in de toekomst worden toegespitst op een overkoepelende strategie (om overlappingen tussen programma’s te voorkomen), algemene ex-antevoorwaarden en voorwaarden in verband met de landenspecifieke aanbevelingen (die onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen) en op vaststelling van de thematische concentratie en de rol van de coördinatieorganen op nationaal niveau wanneer zij bij de implementatie in een bepaalde lidstaat betrokken zijn.

34.

Het Comité dringt aan op stroomlijning van de strategische programmeringsdocumenten na 2020 en stelt vast dat veel van de specifieke aanbevelingen in zijn advies over de resultaten van de onderhandelingen over partnerschapsovereenkomsten en operationele programma’s zijn overgenomen. Het onderschrijft met name de oproep van de Groep om de programmering flexibeler te maken, zodat de operationele programma’s sneller kunnen worden aangepast.

35.

Het Comité stelt voor het mogelijk te maken om zonder voorafgaande toestemming van de Commissie een deel van de toegewezen middelen naar een andere prioritaire as over te hevelen (bijvoorbeeld 10 %, zoals aan het einde van de programmeringsperiode 2007-2013 was toegestaan).

36.

Het Comité bevestigt dat het beginsel van thematische concentratie van groot belang is voor een coherente en strategische programmering, en wijst erop dat een overkoepelend coherent systeem van thematische concentratie voor de periode na 2020 ook een doeltreffende toepassing van geïntegreerde oplossingen op regionaal of lokaal niveau mogelijk moet maken; de partners, met inbegrip van de lokale overheden, moeten inspraak hebben in de programmeringsfase, ook wat betreft de geïntegreerde instrumenten die worden gebruikt om de strategieën voor duurzame stedelijke en territoriale ontwikkeling ten uitvoer te leggen.

37.

Het Comité is het ermee eens dat de lokale en regionale overheden in dit verband meer te zeggen moeten krijgen en benadrukt de noodzaak om het beginsel van thematische concentratie te verenigen met een gunstig kader voor geïntegreerde oplossingen op lokaal en regionaal niveau. Het verband tussen thematische concentratie en de resultaatgerichtheid van het cohesiebeleid alsook de noodzaak om ervoor te zorgen dat het cohesiebeleid na 2020 geïntegreerde, flexibele en gedifferentieerde oplossingen kan bieden is al aan de orde gekomen in het advies van het Comité over de toekomst van het cohesiebeleid na 2020, waarin ook werd opgeroepen om ruim vóór aanvang van de volgende financieringsperiode een op samenwerking gerichte dialoog tussen de voor de uitvoering van regionaal beleid en sectoraal beleid verantwoordelijke autoriteiten op te zetten, teneinde de territoriale aanpak in overeenstemming met multilevel governance te versterken.

38.

Het Comité is verheugd over de door de Groep aangegeven doelstelling om de gemeenschappelijke reeks indicatoren voor de periode na 2020 te stroomlijnen en benadrukt dat er behoefte is aan geharmoniseerde terminologie en definities om de prestaties van de verschillende fondsen te kunnen beoordelen en vergelijken.

39.

Het Comité wijst op de specifieke maatregelen die het heeft voorgesteld om de overgang naar de volgende programmeringsperiode te vergemakkelijken en de beheersautoriteiten meer zekerheid te bieden. Het steunt de aanbeveling van de Groep om de noodzaak van aanwijzing voor de periode na 2020 opnieuw te beoordelen en dringt in ieder geval aan op stroomlijning van de procedure om ervoor te zorgen dat bestaande aanwijzingen in de volgende programmeringsperiode worden overgenomen.

Versterking van het differentiatiebeginsel op verschillende gebieden noodzakelijk

40.

Het Comité is ingenomen met het algemene beginsel van een grotere differentiatie voor de periode na 2020; aangezien de ESI-fondsen daardoor gerichter en effectiever ingezet kunnen worden is een grotere differentiatie waarschijnlijk van cruciaal belang mochten de totale begrotingsmiddelen in de periode na 2020 o.a. als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de EU lager uitvallen. Een gedifferentieerde aanpak, gebaseerd op het subsidiariteitsbeginsel, hoeft niet te betekenen dat wordt geprobeerd om elk detail van de regelingen voor de implementatie van de verordening op EU-niveau te definiëren; er moet worden uitgegaan van vertrouwen tussen alle betrokken actoren, waarbij het partnerschapsbeginsel concreet wordt toegepast.

41.

Het Comité wijst erop dat soortgelijke ideeën ook door de Oostenrijkse kanselarij zijn geuit en een belangrijke rol kunnen spelen bij het komende Oostenrijkse EU-voorzitterschap in de tweede helft van 2018. Het stelt daarom voor het Oostenrijkse EU-voorzitterschap uit te nodigen om in een vroeg stadium met het Comité samen te werken om deze ideeën verder uit te werken.

42.

Het Comité benadrukt dat de lokale en regionale overheden als gelijkwaardige partners in deze context en bij alle stadia van het verdere onderhandelingsproces volledig moeten worden betrokken. Het zal steeds belangrijker worden om meer gebruik te maken van de gebiedsgerichte aanpak door de fondsen doeltreffender af te stemmen op de uiteenlopende behoeften van gebieden in de EU en door de regio’s te voorzien van de middelen om sneller te kunnen reageren op onvoorziene uitdagingen of noodsituaties.

Audit, verslaglegging en controles

43.

Het Comité beveelt aan om te komen tot een meer gedifferentieerde aanpak op het gebied van audit, verslaglegging en controles door meer uit te gaan van de nationale regels en meer flexibiliteit te bieden om rekening te houden met de bestaande nationale controles en procedures.

44.

Het wijst er nogmaals op dat vertrouwenscontracten tussen de EU en de nationale audit- en beheersautoriteiten een gedifferentieerde audit kunnen vergemakkelijken en ondersteunen. In wezen is het probleem nu dat er als reactie op de implementatieproblemen in het verleden een cultuur van risicomijdend gedrag is ontstaan, en angst voor sancties de overhand heeft boven de ontwikkeling van een cultuur die verbeteringen echt mogelijk maakt.

45.

Het Comité herhaalt ten aanzien van het aanvaardbare foutenpercentage (materialiteitsdrempel) dat de ervaring leert dat een dergelijk percentage niet adequaat is in de context van projecten in het kader van het cohesiebeleid. Het is van mening dat het mogelijk zou moeten zijn om deze drempel te verhogen tot 5 %, aangezien internationale standaarden voor controle geen cijfermatige regels opleggen. Door het huidige strakke controlesysteem, dat elke fout zichtbaarder maakt, ontstaat de misleidende perceptie dat het model van gedeeld beheer meer vatbaar is voor fouten.

Combinatie van ESI-fondsen met financiële instrumenten

46.

Het Comité is verheugd dat ook het beginsel van een gedifferentieerde aanpak wordt overwogen, aangezien het er al eerder op heeft aangedrongen iedere ESIF-EFSI-combinatie aan een voorafgaande evaluatie te onderwerpen. Een gedifferentieerde aanpak moet het mogelijk maken de lasten aanzienlijk te verminderen en beter rekening te houden met de specifieke omstandigheden waarmee de betrokken regio’s bij de implementatie te maken hebben, en zo een gebiedsgerichte aanpak te vergemakkelijken en gerichte investeringen aan te moedigen.

47.

Het Comité stelt voor om op nationaal/regionaal niveau centrale loketten op te richten om begunstigden met de gecombineerde afhandeling van ESI- en niet-ESI-fondsen te helpen.

Vereenvoudiging van de Europese territoriale samenwerking

48.

Het Comité steunt de erkenning door de Groep van het specifieke karakter van de Europese territoriale samenwerking en de aanbeveling van de groep om het huidige afzonderlijke regelgevingskader voor de Interreg-programma’s na 2020 te handhaven.

49.

Het Comité is voorstander van een specifieke verordening voor de uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de Europese territoriale samenwerking en bevestigt dat „gold-plating”, als gevolg van de huidige complexe wet- en regelgeving, de effectieve implementatie van de Europese territoriale samenwerking in belangrijke mate heeft belemmerd.

50.

Het Comité dringt er gezien het multilaterale karakter van de programma’s op het gebied van de Europese territoriale samenwerking op aan om ex-ante voorwaarden op dit vlak te vermijden.

51.

Het Comité benadrukt dat intensievere territoriale samenwerking een Europese meerwaarde biedt en dat onlangs is gebleken dat het terugschroeven in plaats van opvoeren van de territoriale samenwerking op middellange en lange termijn gevolgen heeft voor zowel de algemene economische groei als de economische, sociale en territoriale cohesie.

52.

Het Comité benadrukt de fundamentele rol en de Europese meerwaarde van grensoverschrijdende samenwerking om een einde te maken aan de segregerende invloed van grenzen en de bestaande belemmeringen weg te nemen die van invloed zijn op de levens van mensen in grensregio’s. Het wijst op de belangrijke rol van people-to-people-projecten, met name voor het tot stand brengen van wederzijds vertrouwen, en het stelt in dit verband voor dat de zogenaamde fondsen voor kleinschalige projecten een legitiem onderdeel worden van de toekomstige programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking, zodat deze projecten, met hun eenvoudige karakter en gedecentraliseerd beheer, toegankelijk worden voor begunstigden op de laagste niveaus.

53.

Het Comité is ingenomen met het voorstel om programma’s in het kader van de Europese territoriale samenwerking vrij te stellen van de verplichte melding van staatssteun. Het heeft er al eerder op gewezen dat de inspanningen die bij dergelijke programma’s nodig zijn om aan de staatssteunregels te voldoen, over het algemeen niet in verhouding staan tot het gevaar voor concurrentievervalsing. Het Comité heeft ook de aandacht gevestigd op problemen rond de beperkingen bij medefinancieringspercentages en aansprakelijkheidsregelingen (aangezien bij dergelijke programma’s meer dan één lidstaat betrokken is) en heeft gewezen op de inherente tegenstrijdigheid tussen de logica van samenwerking en de logica van concurrentie, waarbij het erop heeft aangedrongen om de Europese territoriale samenwerking volledig buiten het toepassingsgebied van de staatssteun te laten vallen, naar voorbeeld van de samenwerkingsprogramma’s die door de Commissie worden beheerd (bijv. Horizon 2020).

Brussel, 1 februari 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


(1)  COR-2016-01814-00-00-AC-TRA; COR-2016-05838-00-00-AC-TRA; COR-2016-00008-00-01-AC-TRA; COR-2015-04285-00-00-AC-TRA; COR-2014-06248-00-01-AC-TRA; COR-2015-00487-00-00-AC-TRA; COR-2015-04287-00-00-AC-TRA; CDR2027-2012_00_00_TRA_AC; CDR1683-2012_00_00_TRA_AC; CDR4-2012_FIN_AC; COR-2017-01527-00-00-AC-TRA.

(2)  COR-2016-05386-00-00-AC.

(3)  COR-2017-03554-00-00-AC.

(4)  COR-2016-06963-00-00-AC.


23.5.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 176/57


Advies van het Europees Comité van de Regio’s over Europa in beweging: arbeidsaspecten van wegvervoer

(2018/C 176/13)

Rapporteur:

Spyros Spyridon (EL/EVP), lid van de gemeenteraad van Poros

Referentiedocumenten:

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 wat betreft de minimumeisen voor maximale dagelijkse en wekelijkse rijtijden, minimumonderbrekingen en dagelijkse en wekelijkse rusttijden, en Verordening (EU) nr. 165/2014 wat betreft positionering door middel van tachografen

COM(2017) 277 final

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/22/EG wat betreft de handhavingsvoorschriften en tot vaststelling van specifieke regels met betrekking tot Richtlijn 96/71/EG en Richtlijn 2014/67/EU voor de terbeschikkingstelling van bestuurders in de wegvervoersector

COM(2017) 278 final

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1071/2009 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1072/2009 teneinde ze aan te passen aan ontwikkelingen in de sector

COM(2017) 281 final

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/1/EU betreffende het gebruik van gehuurde voertuigen zonder bestuurder voor het vervoer van goederen over de weg

COM(2017) 282 final

I.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN

Wijzigingsvoorstel 1

COM(2017) 277 final/1

Artikel 1, lid 5, punt c)

Als volgt wijzigen

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

c)

de volgende leden 8 bis en 8 ter worden ingevoegd:

c)

de volgende leden 8 bis, 8 ter en 8 quater worden ingevoegd:

 

„8 bis   De normale wekelijkse rusttijden en wekelijkse rusttijden van meer dan 45 uur ter compensatie van eerdere verkorte wekelijkse rusttijden, mogen niet in een voertuig worden genomen. Zij worden genomen in een passend verblijf met geschikte slaapfaciliteiten en sanitaire voorzieningen,

 

„8 bis   De normale wekelijkse rusttijden en wekelijkse rusttijden van meer dan 45 uur ter compensatie van eerdere verkorte wekelijkse rusttijden, mogen niet in een voertuig worden genomen. Zij worden genomen in een passend verblijf met geschikte slaapfaciliteiten en sanitaire voorzieningen,

 

a)

dat ter beschikking wordt gesteld of betaald door de werkgever, of

b)

thuis of op een andere privélocatie die door de bestuurder wordt gekozen.

 

a)

dat ter beschikking wordt gesteld of betaald door de werkgever, of

b)

thuis of op een andere privélocatie die door de bestuurder wordt gekozen.

 

8 ter   Een vervoeronderneming plant de werkzaamheden van een bestuurder zodanig dat deze per periode van drie opeenvolgende weken ten minste één normale wekelijkse rusttijd of een wekelijkse rusttijd van meer dan 45 uur ter compensatie van een verkorte wekelijkse rusttijd thuis kan nemen.”;

 

8 ter     Lid 8 bis is niet van toepassing wanneer de normale wekelijkse rusttijden en andere rusttijden van meer dan 45 uur ter compensatie van eerdere verkorte wekelijkse rusttijden, worden genomen op een veilige plek met behoorlijke sanitaire voorzieningen, en de cabine van de bestuurder voldoet aan de voorschriften die zullen worden vastgelegd door het in artikel 24, lid 1, van de huidige verordening bedoelde Comité wegvervoer.

 

 

8 quater    Een vervoeronderneming plant de werkzaamheden van een bestuurder zodanig dat deze per periode van drie opeenvolgende weken ten minste één normale wekelijkse rusttijd of een wekelijkse rusttijd van meer dan 45 uur ter compensatie van een verkorte wekelijkse rusttijd thuis kan nemen.”;

Motivering

Op veel snelwegen ontbreekt het aan de in lid 8 bis bedoelde accommodatie voor bestuurders en veilige parkeerplaatsen.

In zijn huidige vorm discrimineert de bepaling bestuurders uit perifere EU-lidstaten die noodzakelijkerwijs meer dagen onderweg zijn dan hun collega's uit centraal gelegen lidstaten. Deze bepaling zou de kosten voor ondernemingen uit perifere lidstaten doen stijgen.

Wijzigingsvoorstel 2

COM(2017) 277 final/1

Artikel 2

Als volgt wijzigen

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

Verordening (EU) nr. 165/2014 wordt als volgt gewijzigd:

Verordening (EU) nr. 165/2014 wordt als volgt gewijzigd:

(1)

artikel 8, lid 1, tweede streepje, wordt vervangen door:

(1)

artikel 8, lid 1, tweede streepje, wordt vervangen door:

 

„—

iedere drie uur van de bij elkaar opgetelde rijtijd en telkens wanneer het voertuig de grens oversteekt;”;

 

„—

iedere drie uur van de bij elkaar opgetelde rijtijd en telkens wanneer het voertuig de grens oversteekt;”;

(1)

artikel 34, lid 7, eerste alinea, wordt vervangen door:

(1)

artikel 34, lid 7, eerste alinea, wordt vervangen door:

 

„7.   De bestuurder vermeldt in de digitale tachograaf het symbool van het land waar de werkperiode van de dag is begonnen en geëindigd, en bij aankomst op een geschikte stopplaats ook waar en wanneer hij in het voertuig een grens is overgestoken. Een lidstaat kan de bestuurder van voertuigen die op zijn grondgebied binnenlands vervoer verrichten echter verplichten bij het landsymbool nadere geografische gegevens te verstrekken, mits deze nadere geografische gegevens door de betrokken lidstaat vóór 1 april 1998 aan de Commissie zijn meegedeeld.”

 

„7.   De bestuurder vermeldt in de digitale tachograaf het symbool van het land waar de werkperiode van de dag is begonnen en geëindigd, en bij aankomst op een geschikte stopplaats ook waar en wanneer hij in het voertuig een grens is overgestoken. Een lidstaat kan de bestuurder van voertuigen die op zijn grondgebied binnenlands vervoer verrichten echter verplichten bij het landsymbool nadere geografische gegevens te verstrekken, mits deze nadere geografische gegevens door de betrokken lidstaat vóór 1 april 1998 aan de Commissie zijn meegedeeld.”

 

(3)

Artikel 3, lid 4 wordt als volgt gewijzigd:

Vijf jaar nadat nieuw ingeschreven voertuigen een tachograaf moeten hebben zoals bepaald in de artikelen 8, 9 en 10, worden voertuigen die in een andere lidstaat dan de lidstaat van inschrijving worden gebruikt, van zo'n tachograaf voorzien.

 

(4)

Artikel 9, lid 2 wordt als volgt gewijzigd:

Vijf jaar nadat nieuw ingeschreven voertuigen een tachograaf moeten hebben, zoals bepaald in dit artikel en in de artikelen 8 en 10, rusten de lidstaten hun controleautoriteiten in passende mate uit met apparatuur voor vroegtijdige detectie op afstand die noodzakelijk is om de in dit artikel bedoelde gegevensoverdracht mogelijk te maken, met inachtneming van hun specifieke handhavingsvoorschriften en -strategieën. Tot die tijd mogen de lidstaten besluiten of hun controleautoriteiten worden uitgerust met dergelijke vroegtijdige detectieapparatuur op afstand.

Motivering

Dankzij slimme tachografen kunnen snelle, interoperabele digitale controles worden uitgevoerd en de regels worden gehandhaafd. De termijn van 2034 is onaanvaardbaar. Vandaar dat wordt voorgesteld „vijftien jaar” te vervangen door „vijf jaar”, zodat een redelijke overgangsperiode voor de wegvervoerders verzekerd is.

Wijzigingsvoorstel 3

COM(2017) 278 final — deel 1

Artikel 2

Lid 4 wijzigen

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

De lidstaten mogen alleen de volgende administratieve eisen en controlemaatregelen opleggen:

De lidstaten mogen alleen de volgende administratieve eisen en controlemaatregelen opleggen:

(a)

de verplichting voor een in een andere lidstaat gevestigde wegvervoerondernemer om uiterlijk bij aanvang van de terbeschikkingstelling een verklaring van terbeschikkingstelling te sturen aan de nationale bevoegde autoriteiten, in elektronische vorm en in een officiële taal van de gastlidstaat of in het Engels, waarin alleen de volgende gegevens zijn opgenomen:

(a)

de verplichting voor een in een andere lidstaat gevestigde wegvervoerondernemer om uiterlijk bij aanvang van de terbeschikkingstelling een verklaring van terbeschikkingstelling te sturen aan de nationale bevoegde autoriteiten, in elektronische vorm en in een officiële taal van de gastlidstaat of in het Engels, waarin alleen de volgende gegevens zijn opgenomen:

 

i)

de identiteit van de wegvervoeronderneming;

 

i)

de identiteit van de wegvervoeronderneming;

 

(ii)

de contactgegevens van een vervoersmanager of een andere contactpersoon in de lidstaat van vestiging die optreedt als tussenpersoon met de bevoegde autoriteiten van de gastlidstaat waarin de diensten worden verleend en met wie documenten of berichten worden uitgewisseld;

 

(ii)

de contactgegevens van een vervoersmanager of een andere contactpersoon in de lidstaat van vestiging die optreedt als tussenpersoon met de bevoegde autoriteiten van de gastlidstaat waarin de diensten worden verleend en met wie documenten of berichten worden uitgewisseld;

 

(iii)

het verwachte aantal ter beschikking gestelde bestuurders en hun identiteit;

 

(iii)

het verwachte aantal ter beschikking gestelde bestuurders en hun identiteit;

 

(iv)

de verwachte duur, de voorgenomen begin- en einddatum van de terbeschikkingstelling;

 

(iv)

de verwachte duur, de voorgenomen begin- en einddatum van de terbeschikkingstelling;

 

(v)

de kentekenplaten van de voertuigen die voor de terbeschikkingstelling worden gebruikt;

 

(v)

de kentekenplaten van de voertuigen die voor de terbeschikkingstelling worden gebruikt;

 

(vi)

het soort vervoersdiensten: goederen-, passagiers- of internationaal vervoer, cabotage;

 

(vi)

het soort vervoersdiensten: goederen-, passagiers- of internationaal vervoer, cabotage;

(b)

de verplichting voor de bestuurder om in het voertuig een papieren of elektronische kopie te bewaren van de verklaring van terbeschikkingstelling en een bewijs dat het vervoer plaatsvindt in de gastlidstaat, zoals een elektronische vrachtbrief (e-CMR) of een in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad bedoeld bewijs, en om die tijdens een wegcontrole op verzoek beschikbaar te stellen;

(b)

de verplichting voor de bestuurder om in het voertuig een papieren of elektronische kopie te bewaren van de verklaring van terbeschikkingstelling en een bewijs dat het vervoer plaatsvindt in de gastlidstaat, zoals een elektronische vrachtbrief (e-CMR) of een in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad bedoeld bewijs, en om die tijdens een wegcontrole op verzoek beschikbaar te stellen;

(c)

de verplichting voor de bestuurder om in het voertuig de tachograafgegevens te bewaren, met name de landencodes van de lidstaten waar de bestuurder zich bevond tijdens internationaal vervoer over de weg of cabotage, en om die tijdens een wegcontrole op verzoek beschikbaar te stellen;

(c)

de verplichting voor de bestuurder om in het voertuig de tachograafgegevens te bewaren, met name de landencodes van de lidstaten waar de bestuurder zich bevond tijdens internationaal vervoer over de weg of cabotage, en om die tijdens een wegcontrole op verzoek beschikbaar te stellen;

(d)

de verplichting voor de bestuurder om in het voertuig een papieren of elektronische kopie te bewaren van de arbeidsovereenkomst of een gelijkwaardig document in de zin van artikel 3 van Richtlijn 91/533/EEG van de Raad, vertaald in een officiële taal van de gastlidstaat of in het Engels, en om die tijdens een wegcontrole op verzoek beschikbaar te stellen;

(d)

de verplichting voor de bestuurder om in het voertuig een papieren of elektronische kopie te bewaren van de arbeidsovereenkomst of een gelijkwaardig document in de zin van artikel 3 van Richtlijn 91/533/EEG van de Raad, vertaald in een officiële taal van de gastlidstaat of in het Engels, en om die tijdens een wegcontrole op verzoek beschikbaar te stellen;

(e)

de verplichting voor de bestuurder om tijdens een wegcontrole op verzoek een papieren of elektronische kopie van de loonstroken van de laatste twee maanden beschikbaar te stellen; de bestuurder mag tijdens een wegcontrole contact opnemen met het hoofdkantoor, de vervoersmanager of een andere persoon of entiteit die deze kopie kan bezorgen;

(e)

de verplichting voor de bestuurder om tijdens een wegcontrole op verzoek een papieren of elektronische kopie van de loonstroken van de laatste twee maanden beschikbaar te stellen; de bestuurder mag tijdens een wegcontrole contact opnemen met het hoofdkantoor, de vervoersmanager of een andere persoon of entiteit die deze kopie kan bezorgen;

(f)

de verplichting voor de wegvervoeronderneming om na de periode van terbeschikkingstelling papieren of elektronische kopieën van de onder b), c) en e) genoemde documenten beschikbaar te stellen op verzoek van de autoriteiten van de gastlidstaat, binnen een redelijke termijn.

(f)

de verplichting voor de wegvervoeronderneming om na de periode van terbeschikkingstelling papieren of elektronische kopieën van de onder b), c) en e) genoemde documenten beschikbaar te stellen op verzoek van de autoriteiten van de gastlidstaat, binnen een redelijke termijn.

 

g)

de verplichting voor de wegvervoerondernemer om vóór de terbeschikkingstelling een papieren of elektronische kopie van de in artikel 4, onder b), d) en e) genoemde documenten beschikbaar te stellen voor de bestuurder.

Motivering

Het is aan de wegvervoerondernemer om ervoor te zorgen dat de nodige documenten in verband met de terbeschikkingstelling kunnen worden voorgelegd bij controles langs de weg.

Wijzigingsvoorstel 4

COM(2017) 281 final — deel 1

Artikel 1

Lid 1, onder b) wijzigen

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

(b)

het volgende lid 6 wordt toegevoegd:

(b)

het volgende lid 6 wordt toegevoegd:

 

„6.    Artikel 3, lid 1, onder b) en d), en de artikelen 4, 6, 8, 9, 14, 19 en 21 , zijn niet van toepassing op ondernemingen die goederenvervoer over de weg verrichten met uitsluitend motorvoertuigen met een toelaatbare maximummassa van hoogstens 3,5 ton of combinaties van voertuigen met een toelaatbare maximummassa van hoogstens 3,5 ton.

 

„6.   De artikelen 4, 9 en 14 zijn niet van toepassing op ondernemingen die goederenvervoer over de weg verrichten met uitsluitend motorvoertuigen met een toelaatbare maximummassa van hoogstens 3,5 ton of combinaties van voertuigen met een toelaatbare maximummassa van hoogstens 3,5 ton , behalve wanneer deze voertuigen internationale vervoersdiensten verrichten zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 1072/2009 .

 

De lidstaten mogen echter:

 

De lidstaten mogen echter:

 

(a)

ondernemingen verplichten om sommige of alle van de in de eerste alinea bedoelde bepalingen toe te passen;

 

(a)

ondernemingen verplichten om sommige of alle van de in de eerste alinea bedoelde bepalingen toe te passen;

 

(b)

het in de eerste alinea bedoelde maximum verlagen voor alle of voor sommige categorieën wegvervoersactiviteiten.”:

 

(b)

het in de eerste alinea bedoelde maximum verlagen voor alle of voor sommige categorieën wegvervoersactiviteiten.”:

Motivering

Om de administratieve lasten te verlichten voor kleine ondernemingen die enkel nationale vervoersdiensten of vervoersdiensten voor eigen rekening verrichten, wordt voorgesteld de vier criteria voor toegang tot het beroep enkel uit te breiden tot lichte bedrijfsvoertuigen die zich bezig houden met internationaal vervoer.

II.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

Algemene opmerkingen

1.

is ingenomen met de inspanningen van de Europese Commissie om de interne markt voor internationaal wegvervoer te verdiepen met inachtneming van de sociale rechtvaardigheid en de convergentie van arbeidsregelingen, wat cruciaal is voor de economische, sociale en territoriale cohesie, maar plaatst vraagtekens bij het feit dat de internationale vervoersdiensten in het algemeen onder het toepassingsgebied van de detacheringsrichtlijn zouden vallen.

2.

Het wegvervoer is de drijvende kracht achter de EU-economie en moet koploper blijven bij het genereren van verdere economische groei en werkgelegenheid onder gelijke concurrentievoorwaarden, alsook bij het bevorderen van de concurrentiekracht en territoriale cohesie.

3.

De sector wegvervoer wordt gekenmerkt door grote loonverschillen tussen de lidstaten en meer in het algemeen verschillen in toepassing van de arbeidswetgeving; ook leggen heel wat landen nog extra regelgevende beperkingen op. Het is niet ondenkbaar dat de uiteenlopende arbeidsvoorwaarden tot concurrentievervalsing leiden en de verkeersveiligheid schaden. Dat probleem is nog nijpender in de grensregio's, wanneer de levensomstandigheden aan beide zijden van de grens enorm uiteenlopen.

4.

Het Comité wijst er daarom op dat in het kader van de interne markt de duurzaamheid en het concurrentievermogen van de vervoerssector moeten worden veiliggesteld, en dat tegelijk moet worden gezorgd voor fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en een hoog niveau van verkeersveiligheid. Het beginsel van gelijk loon voor gelijk werk moet ook in de Europese vervoerssector worden toegepast, en tegelijk moet rekening worden gehouden met de behoeften van perifere regio's.

5.

De belangrijkste problemen op het gebied van vervoer, die de Commissie met haar wetgevingsvoorstellen wil aanpakken, hangen op de eerste plaats samen met het feit dat het niveau van sociale samenhang tussen de regio's ontoereikend is. Een toename van de samenhang zal de loonkloof verkleinen, veel van de regels inzake arbeid en cabotage overbodig maken, en aldus het risico van sociale dumping verkleinen en concurrentieverstoringen tegengaan.

6.

Bij de geplande maatregelen wordt met name gestreefd naar een evenwicht tussen de eis van een aantal lidstaten om de status quo te handhaven voor een reeks procedures en besluiten inzake de vervoerssector, en de noodzaak van verdere verdieping van de interne markt via harmonisatie van het desbetreffende regelgevend kader, waarbij enkel garanties worden geboden op het gebied van verkeersveiligheid, behoorlijke arbeidsomstandigheden en de veiligheid van bestuurders en vracht. Het Comité dringt er in dit verband op aan dat de sociale normen ten volle worden nageleefd, en wijst erop dat sociale dumping ten koste van de vrachtwagenbestuurders onaanvaardbaar is.

7.

Een concurrerende, vrije sector moet worden gekenmerkt door transparante regelingen, controleprocedures en sancties, en moet de gebruikers de best mogelijke dienstverlening bieden. Uitwisseling van informatie is geboden, net als het gebruik van moderne technologie, zoals de invoering van slimme tachografen, waarbij nog steeds sprake is van aanzienlijke vertraging.

8.

Perifere lidstaten hebben het moeilijker om door te dringen tot het centrum van de interne markt van de EU. Zo kan het gebeuren dat het traject door maar liefst twee derde landen leidt, wat gepaard gaat met de nodige grens- en douanecontroles, zodat de totale reistijd langer uitvalt en dus ook de kosten hoger liggen. Met het vertrek van het VK uit de EU is het niet ondenkbaar dat ook Ierland met dit soort moeilijkheden te maken zal krijgen. Het Comité zou graag zien dat de Commissie de nodige maatregelen voorstelt om dit probleem aan te pakken.

9.

Het Comité verwelkomt de poging om de regels inzake cabotage en de terbeschikkingstelling van bestuurders te verduidelijken; het gaat hier immers om een economische sector die van cruciaal belang is voor de verwezenlijking van de interne markt en in het teken staat van hoge mobiliteit. Gezien het nauwe verband tussen cabotage en de terbeschikkingstelling van bestuurders moeten de nieuwe voorschriften inzake deze twee kwesties tegelijk worden besproken en goedgekeurd.

10.

Het Comité waarschuwt voor oneerlijke concurrentie van vervoerders uit derde landen en dringt erop aan dat een specifiek kader voor toezicht wordt ingevoerd.

11.

Het Comité pleit ervoor om met behulp van verplichte slimme digitale tachografen systematische en geautomatiseerde controles uit te voeren, die onontbeerlijk zijn voor een goed functionerende interne markt, met of zonder wijzigingen van het institutionele kader.

12.

Ook wijst het Comité erop dat de gevolgen van de voorgestelde regelgeving voor kleine en middelgrote ondernemingen in de EU grondig moeten worden bestudeerd, en merkt het op dat de kosten van de naleving denkelijk zullen stijgen.

Voorstel betreffende de minimumeisen voor maximale dagelijkse en wekelijkse rijtijden, minimumonderbrekingen en dagelijkse en wekelijkse rusttijden, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 165/2014 wat betreft positionering door middel van tachografen (COM(2017) 277 final)

13.

Positief is dat het voorstel inzake de rusttijden voor bestuurders meer flexibiliteit mogelijk maakt en dat de voorwaarden inzake rusttijden worden verbeterd.

14.

Als de voorgestelde wijzigingen met betrekking tot de berekening van de rusttijden en de rustvoorwaarden naar behoren en ten voordele van de bestuurders worden uitgevoerd, zouden de arbeidsomstandigheden van de bestuurders kunnen verbeteren, wat ook de verkeersveiligheid in het algemeen ten goede zal komen.

15.

Tegelijk echter maakt het Comité zich zorgen dat de voorgestelde flexibiliteit mogelijk door de werkgever zal worden gebruikt om druk uit te oefenen, wat dan weer negatieve gevolgen zou hebben voor de verkeersveiligheid en de arbeidsomstandigheden van de bestuurders.

16.

Aangezien het mogelijk blijft om bestuurders alleen te betalen voor de periode waarin zij rijden en niet voor de rusttijden, bestaat het risico op misbruik. Bestuurders moeten dan ook worden betaald naargelang de uren die zij hebben gewerkt, ook buiten het voertuig.

17.

Er moeten duidelijker definities komen in verband met rij- en rusttijden, zodat schemerzones worden aangepakt; zo moet bijvoorbeeld worden aangegeven of de wachttijden tijdens douanecontroles gelden als werktijd.

18.

De voorgestelde wetgeving kan onmogelijk worden uitgevoerd als er geen oplossing komt voor het gebrek aan veilige parkeerplaatsen en rustplekken voor de bestuurders op de Europese snelwegen, wat de nodige tijd en investeringen zal vergen.

19.

Het is een gemiste kans dat de slimme tachografen niet sneller worden ingevoerd; het feit dat de details van de reis manueel moeten worden opgetekend maakt dat uitgebreide controles voorlopig nog toekomstmuziek blijven, en zal naar alle waarschijnlijkheid verkeersopstoppingen teweegbrengen aan de grensovergangen, waar wellicht niet de nodige parkeerinfrastructuur aanwezig is.

20.

Er moet sneller werk worden gemaakt van de invoering van slimme tachografen door vervoerbedrijven, alsook van de technologie waarmee handhavingsautoriteiten deze tachografen op afstand kunnen aflezen.

Voorstel tot wijziging van Richtlijn 2006/22/EG wat betreft de handhavingsvoorschriften en tot vaststelling van specifieke regels met betrekking tot Richtlijn 96/71/EG en Richtlijn 2014/67/EU voor de terbeschikkingstelling van bestuurders in de wegvervoersector (COM(2017) 278 final), en voorstel houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1071/2009 en Verordening (EG) nr. 1072/2009 teneinde ze aan te passen aan ontwikkelingen in de sector (COM(2017) 281 final)

21.

De termijn van drie dagen voor de terbeschikkingstelling aanvangt maakt vlot internationaal vervoer mogelijk. In het geval van cabotage kan de terbeschikkingstelling onmiddellijk van start gaan, wat oneerlijke concurrentie kan tegengaan. Illegale cabotage leidt tot concurrentieverstoring en creëert onevenwichtigheden tussen lidstaten en regio’s door de aanzienlijke verschillen in loonkosten.

22.

De nieuwe regels inzake cabotage versterken de interne markt, en zullen er tegelijk toe leiden dat het aantal inbreuken op de wetgeving afneemt en controles vlotter verlopen. Een en ander zal ook een positieve impact hebben op de algemene ecologische voetafdruk van het wegvervoer, aangezien het aantal ritten zonder vracht zal verminderen.

23.

Het Comité vreest echter dat de voorstellen inzake terbeschikkingstelling de administratieve kosten voor zowel de bedrijven als de nationale administraties zullen opdrijven, aangezien er sprake is van een tijdsdrempel die gemakkelijk door de bestuurders kan worden overschreden, en er dus herhaaldelijk bureaucratische procedures voor de uitvoering en controle van de arbeidswetgeving van de gastlidstaat in gang zullen moeten worden gezet.

24.

De maatregel zal volgens het Comité niet zonder gevolgen blijven voor de prijzen van de vervoerde goederen, want hoewel de beperking van het aantal ritten zonder lading de kosten drukt, zal de stijging van de administratieve nalevingskosten het tegenovergestelde effect hebben, iets waarvoor de consumenten gedeeltelijk dreigen op te draaien.

25.

Er zijn grote verschillen in de nationale voorschriften voor het vrachtwagenverkeer; een voorbeeld zijn de regels voor het gebruik van de snelwegen tijdens het weekend. Het Comité zou dan ook graag zien dat in nauw overleg met de lokale overheden gemeenschappelijke richtsnoeren ter zake worden aangenomen.

26.

De voorgestelde regels maken het bijzonder moeilijk om de arbeidskosten in te schatten, wat van invloed zal zijn op de manier waarop het vervoer verloopt; we denken dan bijvoorbeeld aan de criteria inzake routeplanning.

27.

Het Comité verwacht dat het bijzonder moeilijk zal zijn wegcontroles uit te voeren om de naleving van de arbeidswetgeving na te gaan, terwijl het voor de bestuurders lastig zal zijn geen fouten te begaan, waardoor zij het risico lopen op sancties. Het is dan ook van belang dat eerst waarschuwingen worden gegeven vooraleer echte sancties worden opgelegd.

28.

Om een en ander te vereenvoudigen stelt het Comité voor na te gaan of het mogelijk is een gewogen dagvergoeding in te voeren, die aan de bestuurder zou worden uitbetaald afhankelijk van het land waar de vervoersdienst wordt verricht en het land waar de vervoeronderneming haar hoofdkantoor heeft. Voor de berekening van een dergelijke dagvergoeding kan gebruik worden gemaakt van de beproefde formule van het cohesiebeleid, namelijk de indeling van de lidstaten op grond van het bbp per hoofd.

29.

Het Comité verheugt zich erover dat de Commissie ijvert voor elektronische registratie en nalevingsmaatregelen voor de hele vervoersketen, zoals slimme tachografen en digitale vrachtbrieven (e-CMR), en zich inzet voor de standaardisatie van documenten en procedures, om zo de handhaving van de wetgeving te verbeteren en tegelijk de administratieve kosten in de hand te houden.

30.

Het is een goede zaak dat de voorwaarden voor toegang tot het beroep van vervoerder worden verduidelijkt en dat maatregelen worden genomen tegen postbusondernemingen. Ook moeten maatregelen worden overwogen waarmee wordt verzekerd dat een bewijs wordt geleverd van de plaats waar de onderneming haar economische activiteit effectief verricht.

31.

De voorgestelde herziening van de wetgeving m.b.t. lichte bedrijfsvoertuigen (minder dan 3,5 ton) is een stap in de goede richting om te verhinderen dat de sociale en arbeidswetgeving bij dergelijke voertuigen wordt omzeild.

32.

Het Comité stelt voor om ook voor deze categorie voertuigen voor zover mogelijk uniforme regels in te voeren en de speelruimte van de lidstaten te beperken, maar erkent dat lichte bedrijfsvoertuigen onder een relatief eenvoudiger kader zouden moeten vallen.

33.

De poging van de Commissie om de verschillende soorten inbreuken en de ernst ervan in kaart te brengen, is een stap in de goede richting; een dergelijke indeling kan door zowel de nationale instanties als de sector zelf worden gebruikt als referentiepunt en bijdragen aan een meer samenhangende aanpak van inbreuken.

34.

Het voornemen om de controles toe te spitsen op de ondernemingen die de meeste inbreuken begaan, zal de administratieve lasten verlichten en de bestrijding van inbreuken efficiënter maken; het Comité pleit voor de invoering van gemeenschappelijke controleprocedures op EU-niveau. Voorts valt ook het voorstel toe te juichen om inbreuken op de richtlijn inzake terbeschikkingstelling van arbeiders in aanmerking te nemen voor de betrouwbaarheidsstatus van een vervoersmanager of een vervoeronderneming. Illegale cabotage moet ook worden opgenomen in de lijst van inbreuken die leiden tot het verlies van de betrouwbaarheidsstatus van een wegvervoerondernemer (Verordening (EG) nr. 1071/2009).

35.

Het Comité waarschuwt voor herhaalde cabotageactiviteiten aan de grenzen van landen met verschillen in loonkosten.

36.

Het Comité betreurt dat het Europees register van ondernemingen voor vervoer over de weg (ERRU) nog steeds niet volledig in werking is getreden en verzoekt de lidstaten zo snel mogelijk aan hun verplichtingen te voldoen; ook verzoekt het de Commissie na te gaan of het nuttig is bestaande databanken zoals TACHOnet, ERRU en de gegevensbank voor de technische inspectie van voertuigen, samen te voegen.

Voorstel voor een richtlijn tot wijziging van Richtlijn 2006/1/EG betreffende het gebruik van gehuurde voertuigen zonder bestuurder voor het vervoer van goederen over de weg (COM(2017) 282 final)

37.

Het Comité is ingenomen met de voorgestelde volledige liberalisering van het gebruik van gehuurde voertuigen zonder bestuurder voor goederenvervoer voor eigen rekening in de hele EU, ongeacht de plaats van verhuur; de voorgestelde maatregelen houden immers een verregaande liberalisering van de markt in en zullen volgens het Comité nieuwe banen creëren en het milieu ten goede komen.

38.

Ook staat het achter de gedeeltelijke liberalisering van het gebruik van in een andere lidstaat gehuurde voertuigen zonder bestuurder voor commerciële activiteiten; de huidige situatie waarin de voorwaarden die van toepassing zijn op vervoersactiviteiten van lidstaat tot lidstaat verschillen, kan zo worden rechtgetrokken.

Samenvatting

39.

Bij het streven naar de voltooiing van de interne markt voor het internationale wegvervoer moet rekening worden gehouden met zowel milieuvereisten, de economische convergentie, de wetgeving van de verschillende lidstaten en de totstandbrenging van eerlijke concurrentie.

40.

In het licht van de toekomstige digitale en technologische ontwikkelingen op vervoersgebied moet actief worden ingezet op bijscholing; zo zouden maatregelen op dit vlak in aanmerking moeten komen voor cohesiesteun.

41.

Het Comité is ingenomen met de poging van de Commissie om uniforme regels in te voeren voor de periodieke verslaglegging over de controles en het toezicht door de lidstaten, en dringt erop aan dat de Commissie de controles opvoert, met name waar het gaat om de transnationale bestuurlijke samenwerking en de interpretatie en correcte en niet-discriminerende handhaving van de vigerende wetgeving.

42.

De lidstaten moeten de voorgestelde wetgeving systematisch en zonder uitzonderingen ten uitvoer leggen, de controles versterken, met inbegrip van de controle van voertuigen van derde landen, en passende sancties opleggen, om zo de harmonisatie van de regels in de praktijk te versnellen, de interne markt te verdiepen en werkgelegenheid, groei en investeringen te bevorderen, in het belang van het concurrentievermogen van de EU en haar regio’s.

43.

Het Comité hoopt op een algemene verbetering van het niveau van de vervoersdiensten, wat de territoriale samenhang en de levenskwaliteit van de burgers ten goede zal komen.

Brussel, 1 februari 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


23.5.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 176/66


Advies van het Europees Comité van de Regio’s over Europa in beweging: bevordering van naadloze mobiliteitsoplossingen

(2018/C 176/14)

Rapporteur:

Ivan Žagar (SI/EVP), burgemeester van Slovenska Bistrica

Referentiedocumenten:

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Europa in beweging: agenda voor een sociaal rechtvaardige transitie naar schone, concurrerende en geconnecteerde mobiliteit voor iedereen

COM(2017) 283 final

Werkdocument van de diensten van de Commissie bij de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Europa in beweging: agenda voor een sociaal rechtvaardige transitie naar schone, concurrerende en geconnecteerde mobiliteit voor iedereen

SWD(2017) 177 final

Werkdocument van de diensten van de Commissie — Naar schone, concurrerende en geconnecteerde mobiliteit: bijdrage van vervoer, onderzoek en innovatie aan het Mobiliteitspakket

SWD(2017) 223 final

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen

COM(2017) 275 final

Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen, wat betreft de bepalingen inzake belastingen op voertuigen

COM(2017) 276 final

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interoperabiliteit van elektronische tolheffingssystemen voor het wegverkeer en ter vergemakkelijking van de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over niet-betaling van wegentol in de Unie (herschikking)

COM(2017) 280 final

I.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN

Wijzigingsvoorstel 1

COM(2017) 275 final — deel 1

Artikel 1

Lid 3

Wijzigen:

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

1.   Onverminderd artikel 9, lid 1 bis, mogen de lidstaten tolgelden en gebruiksrechten handhaven of invoeren op het trans-Europese wegennet of op bepaalde trajecten daarvan, en op andere bijkomende trajecten van hun autosnelwegennet die geen deel uitmaken van het trans-Europees wegennet, mits aan de in de leden 3 t.e.m. 9 van dit artikel en de in de artikelen 7 bis tot en met 7 duodecies gestelde voorwaarden is voldaan.

1.   Onverminderd artikel 9, lid 1 bis, mogen de lidstaten en bevoegde lokale en regionale overheden tolgelden en gebruiksrechten handhaven of invoeren op het trans-Europese wegennet of op bepaalde trajecten daarvan, en op andere bijkomende trajecten van hun autosnelwegennet die geen deel uitmaken van het trans-Europees wegennet, mits aan de in de leden 3 t.e.m. 9 van dit artikel en de in de artikelen 7 bis tot en met 7 duodecies gestelde voorwaarden is voldaan.

2.   Lid 1 doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten om met inachtneming van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie tolgelden en gebruiksrechten toe te passen op andere wegen, mits het opleggen van tolgelden en gebruiksrechten op dergelijke andere wegen geen discriminerende werking heeft jegens het internationaal verkeer en niet tot concurrentievervalsing tussen vervoerders leidt. Tolgelden en gebruiksrechten die worden toegepast op andere wegen dan snelwegen en wegen die deel uitmaken van het trans-Europese wegennet moeten voldoen aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in de leden 3 en 4 van dit artikel, artikel 7 bis en artikel 7 undecies, leden 1, 2 en 4.

2.   Lid 1 doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten en bevoegde lokale en regionale overheden om met inachtneming van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie tolgelden en gebruiksrechten toe te passen op andere wegen, mits het opleggen van tolgelden en gebruiksrechten op dergelijke andere wegen geen discriminerende werking heeft jegens het internationaal verkeer en niet tot concurrentievervalsing tussen vervoerders leidt. Tolgelden en gebruiksrechten die worden toegepast op andere wegen dan snelwegen en wegen die deel uitmaken van het trans-Europese wegennet moeten voldoen aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in de leden 3 en 4 van dit artikel, artikel 7 bis en artikel 7 undecies, leden 1, 2 en 4.

Motivering

Huidige en toekomstige tolheffingen zijn grotendeels een zaak van lokale en regionale overheden, die de hoogte en de verdere details van de heffingen zouden moeten blijven bepalen. Dat geldt met name wanneer tol die op hoofdwegen wordt geheven ertoe leidt dat verkeer op een kunstmatige manier naar secundaire wegen wordt geleid.

Wijzigingsvoorstel 2

COM(2017) 275 final — deel 1

Artikel 1

Lid 14

Punt b)

Wijzigen:

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

„3.   Opbrengsten van congestieheffingen, of het financiële waarde-equivalent van die opbrengsten, moeten worden gebruikt om het congestieprobleem aan te pakken, met name door:

„3.   Opbrengsten uit congestieheffingen, of het financiële waarde-equivalent van die opbrengsten, moeten worden gebruikt om het congestieprobleem aan te pakken, met name door:

a)

de ondersteuning van openbaar vervoer en infrastructuur daarvoor;

b)

het wegwerken van knelpunten op het trans-Europese vervoersnetwerk;

c)

de ontwikkeling van alternatieve infrastructuur voor vervoergebruikers.”

a)

de ondersteuning van openbaar vervoer en infrastructuur daarvoor;

b)

het wegwerken van knelpunten op het trans-Europese vervoersnetwerk;

c)

de ontwikkeling van alternatieve infrastructuur voor vervoergebruikers;

d)

ondersteuning van de ontwikkeling van lokale en regionale vervoerssystemen.

 

Lidstaten worden geacht deze bepaling toe te passen als zij steunbeleid ten uitvoer leggen waarmee de ontwikkeling van een lokaal of regionaal vervoersnetwerk met als doel de oorzaken van opstoppingen aan te pakken wordt gefinancierd ten belope van ten minste 15 % van de opbrengsten van congestieheffingen.”

Motivering

Het Europees Comité van de Regio’s is van mening dat de tekst van de richtlijn explicieter moet vermelden dat de instanties die de heffingen innen, een deel van de opbrengsten ook verplicht moeten doorsluizen naar afgelegen regio’s en regio’s die ver verwijderd zijn van het Europese netwerk.

II.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

Hoofdpunten

1.

beklemtoont het belang van een doeltreffend en duurzaam vervoerssysteem met het oog op de economische concurrentiekracht van steden en regio’s, alsook ter versterking van de sociale, economische en territoriale samenhang van de Europese Unie. Lokale en regionale overheden zijn verantwoordelijk voor de vormgeving en uitvoering van het regionaal en stedelijk vervoersbeleid en voor het waarborgen van openbaar personenvervoer in hun gebied. De besluitvorming op lokaal niveau is echter nauw verbonden met het kader dat via nationale en Europese maatregelen is vastgesteld.

2.

Het Comité is zich ervan bewust dat de externe kosten van vervoer, zoals congestie, luchtvervuiling en geluidshinder, ernstige gevolgen hebben voor het milieu en de gezondheid, alsook voor de economie als geheel. Thans worden de kosten in mindere mate betaald door de partij die ze veroorzaakt, en wordt de rest door de samenleving betaald. Bijna een vijfde van alle broeikasgasemissies in Europa is te wijten aan het vervoer. Er is dringend behoefte aan maatregelen om het vervoer koolstofarmer te maken.

3.

Aanleg van infrastructuur kan de territoriale samenhang bevorderen. Het onderhoud van de infrastructuur laat in tal van regio’s momenteel evenwel dermate te wensen over dat het risico bestaat dat de territoriale en sociale samenhang zal verslechteren. In die gebieden waar tolheffing op wegen plaatsvindt, moeten de aldus verkregen opbrengsten worden geherinvesteerd in lokale en regionale infrastructuur, om er met name voor te zorgen dat er minder verschillen zijn wat betreft de mate waarin en de kwaliteit waarmee regio’s met het Europese vervoersnetwerk verbonden zijn. Bij herinvesteringen in vervoersstelsels zou onder meer de duurzaamheid ervan altijd voorop moeten staan.

4.

Wegentol moet eerst en vooral worden gebaseerd op afgelegde afstanden en zou voor mensen een stimulans moeten zijn om de infrastructuur buiten de spits te gebruiken. Andere criteria, zoals verkeersdrukte, afstand van zakencentra en afstand tussen belangrijke economische centra, kunnen ook in aanmerking worden genomen. Hoge of hogere kosten voor toegang tot het Europese netwerk zijn discriminerend voor perifere en afgelegen regio’s en brengen de sociale en territoriale samenhang verder in het gedrang.

5.

Het Comité is ingenomen met de agenda voor een sociaal rechtvaardige transitie naar schone, concurrerende en geconnecteerde mobiliteit voor iedereen, waarin wordt gesteld dat een nog alomvattendere aanpak nodig is, in termen van bestuursniveaus (nationaal, regionaal en lokaal) en uiteenlopende beleidsmaatregelen. Het is het ermee eens dat, met het oog op de verwezenlijking van de vastgestelde doelstellingen, meer doelgerichte regels en normen nodig zijn met tal van ondersteunende maatregelen.

6.

Er is behoefte aan meer verbonden en geautomatiseerde mobiliteit en er moet worden ingespeeld op de huidige trends, zoals elektromobiliteit en voertuigen die communiceren met andere voertuigen en met de omgeving (V2X-technologie).

7.

De digitalisering van vervoer, bijvoorbeeld door middel van systemen voor gebruikersvoorlichting, kan wat de verkeersstromen en het gebruik van de vervoersinfrastructuur betreft tot verbeteringen leiden. Alle lidstaten en regio’s doen er daarom goed aan om plannen voor de interoperabele digitalisering van vervoerssystemen te ontwikkelen en uit te voeren.

De trend van het koolstofvrij maken van het vervoer

8.

Er zij gehamerd op de noodzaak vervoer koolstofvrij te maken.

Op dit moment is vervoer de enige sector waarin de uitstoot van CO2 nog steeds boven het niveau van 1990 ligt en in veel lidstaten blijft toenemen. Het beleidsdocument Europa in beweging en de voorgestelde wetgeving inzake heffingen voor het gebruik van infrastructuur zijn de twee eerste stappen in de richting van een koolstofarm vervoerssysteem. Rekeningrijden speelt als afschrikmiddel voor onverantwoord wegvervoer ongetwijfeld een sleutelrol in het koolstofarm maken van de sector.

9.

„Groene mobiliteit” brengt evenwel uitdagingen en kansen met zich mee.

Bij de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen met betrekking tot milieuvriendelijk vervoer mag het economische belang van de vervoersector niet uit het oog worden verloren. Daar het hierbij om een van de grootste sectoren gaat in termen van banen en economische activiteit, zal het koolstofvrij maken van de vervoerssector een aantal problemen veroorzaken. Via een milieuvriendelijk en koolstofarm vervoer kunnen echter ook nieuwe en innovatieve gebieden van economische activiteit worden ontwikkeld, waarbij Europa het voortouw zou kunnen nemen. De Commissie zou de geleidelijke transitie naar een „groene mobiliteit” moeten begeleiden teneinde de negatieve gevolgen te temperen.

10.

Het Comité is ingenomen met de wijzigingen in de belasting van zware vrachtvoertuigen, zoals uiteengezet in het voorstel voor een richtlijn tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen. Wat betreft sommige bepalingen over voertuigenbelasting, beletten de wijzigingen immers niet dat de lidstaten belastingen voor zware vrachtvoertuigen handhaven of desgewenst zelfs verhogen.

11.

Wanneer de wijzigingen in de tolheffingsbeginselen voor het wegverkeer (de vervuiler betaalt, de gebruiker betaalt) door de lidstaten en de regio’s worden toegepast, zullen zij er onvermijdelijk toe leiden dat meer voertuigen van lokale wegennetten gebruik zullen maken, met alle gevolgen voor de veiligheid, het milieu en de onderhoudskosten van het lokale wegennet van dien. Tegelijkertijd zal er capaciteit van de snelweginfrastructuur ongebruikt blijven. Dit effect zal zonder meer duidelijker voelbaar zijn in EU-regio’s waarin tijd een factor van geringe betekenis is, zoals ook wordt bevestigd door de resultaten van analyses die in afzonderlijke regio’s zijn verricht. Indien in dergelijke regio’s vignetten worden gebruikt, zal de uitfasering ervan ongetwijfeld een aantal negatieve gevolgen hebben.

De kwestie van marktverstoring en discriminatie in het vervoer

12.

Het Comité wijst op de kwestie van marktverstoring ten gevolge van met name oneerlijke concurrentie tussen verschillende vervoerswijzen.

Dit is vooral het geval tussen het spoor- en het wegvervoer, maar leidt indirect ook tot een vermindering van de concurrentiekracht van het vervoer over water. Hoewel spoorwegexploitanten voor het gebruik van infrastructuur op het hele netwerk betalen en externe vervoerskosten in de prijs begrepen zijn, valt thans alleen goederenvervoer over de weg onder het toepassingsgebied van de richtlijn, die geen betrekking heeft op de totale externe kosten van vervoer. Hierdoor ontstaat een oneerlijk concurrentievoordeel voor vervoerswijzen die minder milieuvriendelijk zijn.

13.

Het Comité wijst erop dat weggebruikers zich in een ongelijke positie bevinden en dat het beginsel van non-discriminatie tussen de verschillende soorten wegvoertuigen moet worden toegepast. Personenauto’s, bestelwagens, bussen en touringcars vallen niet onder het beginsel „de vervuiler betaalt”, hoewel deze voertuigen belangrijke milieuvervuilers zijn (13,5 % van de totale broeikasgassenuitstoot in de EU) en schade aan de infrastructuur toebrengen.

14.

De overstap naar heffingen op basis van de afgelegde afstand is een goede zaak, omdat dergelijke heffingen billijker zijn dan een forfaitaire heffing op weggebruik. De betaling van vergoedingen en heffingen op een gecoördineerde, digitale en pan-Europese interoperabele basis zal een gelijk speelveld creëren voor de interne markt en non-discriminatie tussen EU-burgers en vervoerders uit de verschillende lidstaten garanderen.

15.

Bij de berekening van de tolgelden dient rekening te worden gehouden met de verschillen tussen regio’s wat betreft verkeersdichtheid en de afstand tussen zaken- en wooncentra.

16.

De heffingen voor het gebruik van het wegennet dienen billijk te zijn en de prijzen voor de gebruiksduur moeten beter worden geharmoniseerd. Er moet een passende verhouding worden gewaarborgd tussen de prijs voor kortetermijn- of incidenteel gebruik en de prijs voor permanent of langetermijngebruik.

17.

Consequentere opneming van bussen en touringcars in het tolheffingssysteem is nodig in het licht van het beginsel dat de vervuiler betaalt en zou het concurrentienadeel van het railvervoer, dat spoortoegangsrechten moet betalen, verminderen. In gebieden waar vervoer per trein geen echte optie is, is een verhoging van de kosten voor ondernemers van bus- en touringcarreizen niet wenselijk.

De uitdagingen van sociale en territoriale samenhang

18.

Er moet rekening worden gehouden met aspecten van territoriale en sociale samenhang. De invoering van rekeningrijden mag niet leiden tot uitsluiting op basis van geografische ligging of sociaaleconomische situatie. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan kwetsbare sociale groepen en regio’s waar er geen alternatieven zijn voor individueel vervoer over de weg. Groepen met een laag inkomen mogen niet gebukt gaan onder tolheffingen voor woon-werkverkeer met een personenauto, indien dit de enige haalbare optie is.

19.

Het solidariteitsbeginsel (tussen regio’s die inkomsten genereren en regio’s met een ontwikkelingsachterstand) moet worden toegepast bij de toewijzing van de tolopbrengsten, die opnieuw in de lokale wegeninfrastructuur moeten worden geïnvesteerd of kruisfinanciering kunnen leveren voor milieuvriendelijkere vervoerwijzen.

20.

Steden en regio’s moeten gebruikmaken van wegentol en deze beschouwen als een instrument om hun ontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken. De toewijzing van de opbrengsten van tolheffingen speelt daarbij een beslissende rol. De acceptatie van de voorgenomen wijzigingen hangt af van de manier waarop een evenwicht wordt gevonden tussen enerzijds de verwachtingen van hen die de opbrengsten graag weer in lokale wegeninfrastructuur geïnvesteerd zien worden en anderzijds het algehele streven om te investeren in alternatieve vervoersvormen die op de lange termijn duurzaam zijn.

21.

Opgemerkt zij dat de kwaliteit van de wegeninfrastructuur gemiddeld afneemt en dat investeringsbeslissingen moeten worden genomen in gebieden die inkomsten genereren. Het geld dat de wegentol en de heffingen voor externe kosten in een bepaalde regio opleveren moet, in nauwe samenspraak met de bevoegde lokale en regionale overheden, in de vervoersinfrastructuur van diezelfde regio worden geherinvesteerd. Bij wijze van uitzondering kunnen bepaalde tolgelden van gebieden waar congestie optreedt worden herverdeeld onder gebieden met weinig verkeer.

22.

Het is een goede zaak dat infrastructuurheffingen kunnen worden opgelegd die in verhouding staan tot de wegkwaliteit (zowel in technisch opzicht als qua capaciteit). Dit kan een doeltreffende en passende maatregel zijn om wat te doen aan het povere onderhoud van de weginfrastructuur.

23.

Er is dringend behoefte aan investeringen in milieuvriendelijkere vervoerswijzen. Met het oog op sociale en territoriale cohesie kunnen de tolopbrengsten ook worden geïnvesteerd in milieuvriendelijkere vormen van vervoer en in de uitbreiding van het openbaar vervoer tot regio’s die niet makkelijk toegankelijk zijn.

24.

Investeringen in dunbevolkte en afgelegen gebieden zijn wellicht moeilijk haalbaar via louter publiek-private partnerschappen. De mogelijkheid om de aanleg/het onderhoud van infrastructuur toe te vertrouwen aan een particuliere onderneming in ruil voor geïnde tolgelden, is voor regio’s met te weinig verkeer niet aantrekkelijk voor de particuliere concessiehouder. Een publiek-privaat partnerschap voor operationele activiteiten moet daarom worden beschouwd als een model dat onder bepaalde omstandigheden en in bepaalde regio’s geschikt is, maar dat overheidsinvesteringen in dunner bevolkte of afgelegen regio’s niet mag beletten.

25.

Het Comité vestigt de aandacht op de verschillen in verwachtingen en normen tussen lidstaten en regio’s. In het gemeenschappelijk Europees heffingssysteem voor externe kosten worden drempels en minimumnormen vastgesteld. Het zou de lidstaten (of regio’s) evenwel vrij moeten staan verder te gaan en ambitieuzere regelingen uit te werken wanneer zulks gerechtvaardigd is door bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot hoge externe kosten. Hoge externe milieukosten (bijv. in berggebieden) moeten de problemen in de regio in kwestie helpen aanpakken.

Grensoverschrijdende en Europese interoperabiliteit van elektronische tolheffingssystemen

26.

Het Comité is het eens met de opmerkingen dat ondanks de richtlijn over een Europese dienst voor elektronische tolheffing (EETS) (2004) en de uitvoeringsbepalingen daarvoor (2009), er geen sprake is — enkele uitzonderingen daargelaten — van grensoverschrijdende interoperabiliteit en dat de kosten en ongemakken bijgevolg worden gedragen door de gebruikers en de instanties die deze systemen aanbieden en onderhouden. Het Comité steunt daarom de geplande veranderingen, omdat daarmee op de lange termijn wordt toegewerkt naar een interoperabel systeem voor heel Europa.

27.

Er moet een eenvoudige en betaalbare oplossing worden gevonden. De verplichting zou kunnen worden opgelegd dat nieuwe auto’s met deze oplossing worden uitgerust of dat een interoperabele box op andere voertuigen wordt geïnstalleerd. In de interne Europese vervoersruimte mag elektronische apparatuur voor heffingen op het gebruik van vervoer geen aanleiding geven tot discriminatie op grond van nationale of regionale oorsprong. Grensoverschrijdende en pan-Europese interoperabiliteit van tolheffingsystemen en de evenredigheid van de kosten op korte en lange termijn moeten worden gewaarborgd. Verder moeten bij de ontwikkeling van EU-brede standaarden voor het opladen van elektrische voertuigen de tolheffingssystemen voor het wegverkeer verder op één lijn worden gebracht.

28.

Gegevens moeten worden beschermd. Er moet een solide rechtskader worden vastgesteld waarbij persoonsgegevens worden beschermd en tegelijkertijd een minimum aan informatie aan de tolexploitant wordt verstrekt.

29.

Het Comité steunt de inspanningen voor doeltreffende grensoverschrijdende en pan-Europese vervolging van overtreders. In dit verband mag het beginsel van gegevensbescherming niet worden gebruikt als argument om overtreders ongemoeid te laten.

Brussel, 1 februari 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ