ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 72

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

61e jaargang
26 februari 2018


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie van de Europese Unie

2018/C 72/01

Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

1


 

V   Bekendmakingen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2018/C 72/02

Zaak C-434/15: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de lo Mercantil no 3 de Barcelona — Spanje) — Asociación Profesional Elite Taxi / Uber Systems Spain, SL (Prejudiciële verwijzing — Artikel 56 VWEU — Artikel 58, lid 1, VWEU — Diensten op het gebied van vervoer — Richtlijn 2006/123/EG — Diensten op de interne markt — Richtlijn 2000/31/EG — Richtlijn 98/34/EG — Diensten van de informatiemaatschappij — Bemiddelingsdienst die door middel van een smartphoneapp particuliere bestuurders, die hun eigen voertuig gebruiken, tegen betaling in contact brengt met personen die een stadstraject willen afleggen — Vereiste van een vergunning)

2

2018/C 72/03

Zaak C-521/15: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 20 december 2017 — Koninkrijk Spanje / Raad van de Europese Unie (Beroep tot nietigverklaring — Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1289 — Oplegging van een boete aan een lidstaat in het kader van het economisch en begrotingstoezicht in de eurozone — Manipulatie van statistische gegevens betreffende het tekort van de betrokken lidstaat — Rechterlijke bevoegdheid — Verordening (EU) nr. 1173/2011 — Artikel 8, leden 1 en 3 — Gedelegeerd besluit 2012/678/EU — Artikel 2, leden 1 en 3, en artikel 14, lid 2 — Verordening (EG) nr. 479/2009 — Artikel 3, lid 1, artikel 8, lid 1, en de artikelen 11 en 11 bis — Rechten van de verdediging — Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Artikel 41, lid 1 — Recht op behoorlijk bestuur — Artikelen 121, 126 en 136 VWEU — Protocol nr. 12 betreffende de procedure bij buitensporige tekorten — Bestaan van een inbreuk — Verkeerde voorstelling van gegevens — Bepaling van de boete — Verbod van terugwerkende kracht van strafbepalingen)

3

2018/C 72/04

Zaak C-664/15: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgerichtshof — Oostenrijk) — Protect Natur-, Arten- und Landschaftsschutz Umweltorganisation / Bezirkshauptmannschaft Gmünd (Prejudiciële verwijzing — Milieu — Richtlijn 2000/60/EG — Waterbeleid van de Europese Unie — Artikel 4, lid 1, en artikel 14, lid 1 — Verplichtingen om de achteruitgang van de toestand van de waterlichamen te voorkomen en de actieve deelneming van alle betrokkenen bij de uitvoering van de richtlijn aan te moedigen — Verdrag van Aarhus — Inspraak van het publiek in de besluitvorming inzake milieuaangelegenheden en toegang tot de rechter — Artikel 6 en artikel 9, leden 3 en 4 — Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Artikel 47 — Recht op effectieve rechterlijke bescherming — Project dat gevolgen kan hebben voor de toestand van de waterlichamen — Bestuurlijke vergunningprocedure — Milieuorganisatie — Verzoek tot verkrijging van de hoedanigheid van partij in de bestuurlijke procedure — Mogelijkheid om een beroep te doen op de aan richtlijn 2000/60/EG ontleende rechten — Verlies van de hoedanigheid van partij in de procedure en van het recht van beroep indien die rechten in de loop van de bestuurlijke procedure niet tijdig geldend worden gemaakt)

4

2018/C 72/05

Zaak C-677/15 P: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 20 december 2017 — Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) / European Dynamics Luxembourg SA, Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE, European Dynamics Belgium SA (Hogere voorziening — Overheidsopdrachten voor diensten — Externe dienstverlening voor programma- en projectbeheer alsook technische bijstand op IT-gebied — Cascadeprocedure — Weging van subcriteria binnen de gunningscriteria — Beginsel van gelijke kansen en transparantiebeginsel — Kennelijke beoordelingsfouten — Ontoereikende motivering — Verlies van een kans — Niet-contractuele aansprakelijkheid van de Europese Unie — Verzoek om schadevergoeding)

5

2018/C 72/06

Gevoegde zaken C-66/16 P tot en met C-69/16 P: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 20 december 2017 — Comunidad Autónoma del País Vasco, Itelazpi SA (C-66/16 P), Comunidad Autónoma de Cataluña, Centre de Telecomunicacions i Tecnologies de la Informació de la Generalitat de Catalunya (CTTI) (C-67/16 P), Navarra de Servicios y Tecnologías SA (C-68/16 P), Cellnex Telecom SA, voorheen Abertis Telecom SA, Retevisión I SA (C-69/16 P) / Europese Commissie, SES Astra SA (Hogere voorziening — Staatssteun — Digitale televisie — Steun voor de ontwikkeling van digitale terrestrische televisie in afgelegen en minder verstedelijkte gebieden — Steun ten behoeve van de exploitanten van digitale terrestrische televisieplatformen — Besluit waarbij de steunmaatregelen gedeeltelijk met de interne markt onverenigbaar worden verklaard — Begrip staatssteun — Voordeel — Dienst van algemeen economisch belang — Omschrijving — Beoordelingsruimte van de lidstaten)

6

2018/C 72/07

Zaak C-70/16 P: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 20 december 2017 — Comunidad Autónoma de Galicia, Redes de Telecomunicación Galegas Retegal SA (Retegal) / Europese Commissie, SES Astra SA (Hogere voorziening — Staatssteun — Digitale televisie — Steun voor de ontwikkeling van digitale terrestrische televisie in afgelegen en minder verstedelijkte gebieden — Steun ten behoeve van de exploitanten van digitale terrestrische televisieplatformen — Besluit waarbij de steunmaatregelen gedeeltelijk met de interne markt onverenigbaar worden verklaard — Begrip staatssteun — Voordeel — Dienst van algemeen economisch belang — Omschrijving — Beoordelingsruimte van de lidstaten)

6

2018/C 72/08

Zaak C-81/16 P: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 20 december 2017 — Koninkrijk Spanje / Europese Commissie (Hogere voorziening — Staatssteun — Digitale televisie — Steun voor de ontwikkeling van digitale terrestrische televisie in afgelegen en minder verstedelijkte gebieden — Steun ten behoeve van de exploitanten van digitale terrestrische televisieplatformen — Besluit waarbij de steunmaatregelen gedeeltelijk met de interne markt onverenigbaar worden verklaard — Begrip staatssteun — Voordeel — Dienst van algemeen economisch belang — Omschrijving — Beoordelingsruimte van de lidstaten)

7

2018/C 72/09

Zaak C-102/16: Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad van State — België) — Vaditrans BVBA / Belgische Staat [Prejudiciële verwijzing — Wegvervoer — Rusttijden van de bestuurder — Verordening (EG) nr. 561/2006 — Artikel 8, leden 6 en 8 — Mogelijkheid om de dagelijkse rusttijden en verkorte wekelijkse rusttijden buiten de standplaats en in het voertuig door te brengen — Uitsluiting van normale wekelijkse rusttijden]

8

2018/C 72/10

Zaak C-158/16: Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de lo Contencioso-Administrativo no 1 de Oviedo — Spanje) — Margarita Isabel Vega González / Consejería de Hacienda y Sector Público del gobierno del Principado de Asturias (Prejudiciële verwijzing — Sociale politiek — Richtlijn 1999/70/EG — Door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd — Clausule 4 — Non-discriminatiebeginsel — Begrip arbeidsvoorwaarden — Toekenning van de ambtelijke stand van verlof wegens bijzondere diensten — Nationale regeling die in geval van verkiezing voor een openbaar ambt enkel voor ambtenaren in vaste dienst voorziet in de toekenning van verlof wegens bijzondere diensten en ambtenaren in tijdelijke dienst hiervan uitsluit)

8

2018/C 72/11

Zaak C-178/16: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato — Italië) — Impresa di Costruzioni Ing. E. Mantovani SpA, Guerrato SpA / Provincia autonoma di Bolzano, Agenzia per i procedimenti e la vigilanza in materia di contratti pubblici di lavori servizi e forniture (ACP), Autorità nazionale anticorruzione (ANAC) (Prejudiciële verwijzing — Overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken — Richtlijn 2004/18/EG — Artikel 45, leden 2 en 3 — Voorwaarden voor uitsluiting van deelneming aan de overheidsopdracht — Verklaring inzake het ontbreken van onherroepelijke vonnissen houdende veroordeling van de voormalige bestuurders van de inschrijvende vennootschap — Strafbaar gedrag van een voormalige bestuurder — Strafrechtelijke veroordeling — Volledige en daadwerkelijke distantiëring tussen de inschrijvende onderneming en die bestuurder — Bewijs — Beoordeling door de aanbestedende dienst van de eisen betreffende die verplichting)

9

2018/C 72/12

Zaak C-226/16: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d’État — Frankrijk) — Eni SpA, Eni Gas & Power France SA, Union professionnelle des industries privées du gaz (Uprigaz) / Premier ministre, Ministre de l’Environnement, de l’Énergie et de la Mer [Prejudiciële verwijzing — Energie — Gassector — Veiligstelling van de gaslevering — Verordening (EU) nr. 994/2010 — Verplichting van aardgasbedrijven om maatregelen te nemen die de gaslevering van beschermde afnemers waarborgen — Artikel 2, tweede alinea, punt 1 — Begrip beschermde afnemers — Artikel 8, lid 2 — Aanvullende verplichting — Artikel 8, lid 5 — Mogelijkheid voor aardgasbedrijven om op regionaal niveau of op niveau van de Unie aan hun verplichting te voldoen — Nationale regeling die gasleveranciers een aanvullende verplichting tot gasopslag oplegt waarvan de werkingssfeer afnemers omvat die niet behoren tot de beschermde afnemers in de zin van verordening nr. 994/2010 — Opslagverplichting die voor 80 % op het grondgebied van de betrokken lidstaat moet worden vervuld]

10

2018/C 72/13

Zaak C-255/16: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door Københavns Byret — Denemarken) — Strafzaak tegen Bent Falbert, Poul Madsen, JP/Politikens Hus A/S (Prejudiciële verwijzing — Informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften — Nationale wetgeving tot verduidelijking of invoering van een verbod om zonder vergunning kansspelen, loterijen en weddenschappen aan te bieden, en tot invoering van een verbod om zonder vergunning reclame te maken voor kansspelen, loterijen en weddenschappen)

11

2018/C 72/14

Zaak C-268/16 P: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 20 december 2017 — Binca Seafoods GmbH / Europese Commissie [Hogere voorziening — Verordening (EG) nr. 834/2007 — Productie en etikettering van biologische producten — Verordening (EG) nr. 889/2008 — Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1358/2014 — Procesbelang — Begrip persoonlijk voordeel]

11

2018/C 72/15

Zaak C-276/16: Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte suprema di cassazione — Italië) — Prequ' Italia Srl / Agenzia delle Dogane e dei Monopoli (Prejudiciële verwijzing — Beginsel van eerbiediging van de rechten van verdediging — Recht om te worden gehoord — Verordening (EEG) nr. 2913/92 — Communautair douanewetboek — Artikel 244 — Invordering van een douaneschuld — Geen aan de vaststelling van een rectificatieaanslag voorafgaand verhoor van de adressaat — Recht van de adressaat om opschorting van de tenuitvoerlegging van de rectificatieaanslag te krijgen — Geen automatische opschorting ingeval administratief beroep wordt ingesteld — Verwijzing naar de voorwaarden van artikel 244 van het douanewetboek)

12

2018/C 72/16

Zaak C-277/16: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Najwyższy — Polen) — Polkomtel sp. z o.o. / Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej (Prejudiciële verwijzing — Gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten — Richtlijn 2002/21/EG — Artikelen 8 en 16 — Richtlijn 2002/19/EG — Artikelen 8 en 13 — Exploitant die is aangemerkt als onderneming met aanmerkelijke marktmacht — Prijscontrole — Door de nationale regelgevende instanties opgelegde verplichtingen — Verplichting inzake kostenoriëntering van prijzen — Prijzen die lager worden vastgesteld dan de kosten die de betrokken exploitant maakt voor de levering van de afgiftedienst op mobiele netwerken — Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Artikel 16 — Vrijheid van ondernemerschap — Evenredigheid)

13

2018/C 72/17

Zaak C-291/16: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de lo Mercantil no 8 de Barcelona — Spanje) — Schweppes SA / Red Paralela SL, Red Paralela BCN SL, voorheen Carbòniques Montaner SL (Prejudiciële verwijzing — Harmonisatie van de wetgevingen — Merken — Richtlijn 2008/95/EG — Artikel 7, lid 1 — Uitputting van het aan het merk verbonden recht — Parallelle merken — Overdracht van de merken voor een deel van het grondgebied van de Europese Economische Ruimte (EER) — Commerciële strategie waardoor na de overdracht bewust het imago van één enkel globaal merk wordt versterkt — Onafhankelijke houders die nauwe commerciële en economische banden hebben)

14

2018/C 72/18

Zaak C-322/16: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato — Italië) — Global Starnet Ltd / Ministero dell’Economia e delle Finanze, Amministrazione Autonoma Monopoli di Stato (Prejudiciële verwijzing — Vrij verrichten van diensten, vrijheid van vestiging, vrij verkeer van kapitaal en vrijheid van onderneming — Beperkingen — Verlening van nieuwe concessies voor het beheer op afstand van kansspelen — Rechtszekerheidsbeginsel en beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen — Arrest van het grondwettelijk hof — Al dan niet een verplichting voor de nationale rechterlijke instantie om zich tot het Hof te wenden)

15

2018/C 72/19

Zaak C-334/16: Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Audiencia Provincial de Albacete — Spanje) — José Luis Núñez Torreiro / AIG Europe Limited, Sucursal en España, voorheen Chartis Europe Limited, Sucursal en España, Unión Española de Entidades Aseguradoras y Reaseguradoras (Unespa) (Prejudiciële verwijzing — Verplichte verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven — Richtlijn 2009/103/EG — Artikel 3, eerste alinea — Begrip deelneming aan het verkeer van voertuigen — Nationale regeling op grond waarvan het besturen van motorrijtuigen op wegen en terreinen die niet geschikt voor verkeer zijn, met uitzondering van terreinen die weliswaar niet geschikt voor verkeer zijn, maar niettemin algemeen worden gebruikt, is uitgesloten van dat begrip)

15

2018/C 72/20

Zaak C-364/16 P: Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 20 december 2017 — Trioplast Industrier AB / Europese Commissie (Hogere voorziening — Mededingingsregelingen — Markt voor industriële plastic zakken — Aanmaningsbrief van de Europese Commissie aan rekwirante waarbij wordt verzocht om betaling van vertragingsrente op het bedrag van de opgelegde geldboete — Beroep tot nietigverklaring en tot schadevergoeding)

16

2018/C 72/21

Zaak C-372/16: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Oberlandesgericht München — Duitsland) — Soha Sahyouni / Raja Mamisch (Prejudiciële verwijzing — Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Verordening (EU) nr. 1259/2010 — Nauwere samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed — Erkenning van een door een religieuze rechtbank in een derde land uitgesproken buitengerechtelijke echtscheiding — Werkingssfeer van verordening nr. 1259/2010)

16

2018/C 72/22

Zaak C-393/16: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof — Duitsland) — Comité Interprofessionnel du Vin de Champagne / Aldi Süd Dienstleistungs-GmbH & Co. OHG, vertegenwoordigd door Aldi Süd Dienstleistungs-GmbH, voorheen Aldi Einkauf GmbH & Co. OHG Süd [Prejudiciële verwijzing — Gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten — Bescherming van beschermde oorsprongsbenamingen (BOB’s) — Verordening (EG) nr. 1234/2007 — Artikel 118 quaterdecies, lid 2, onder a), ii), onder b) en c) — Verordening (EU) nr. 1308/2013 — Artikel 103, lid 2), onder a), ii), onder b) en c) — Werkingssfeer — Uitbuiten van de reputatie van een BOB — Misbruik, nabootsing of voorstelling van een BOB — Onjuiste of misleidende aanduiding — BOB Champagne gebruikt in de benaming van een levensmiddel — Benaming Champagner Sorbet — Levensmiddel dat champagne als ingrediënt bevat — Ingrediënt dat het levensmiddel een essentieel kenmerk verleent]

17

2018/C 72/23

Gevoegde zaken C-397/16 en C-435/16: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 20 december 2017 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte d'appello di Milano en door het Bundesgerichtshof — Italië, Duitsland) — Acacia Srl / Pneusgarda Srl, in staat van faillissement, Audi AG (C-397/16), Acacia Srl, Rolando D’Amato / Dr. Ing. h.c. F. Porsche AG (C-435/16) [Prejudiciële verwijzing — Verordening (EG) nr. 6/2002 — Gemeenschapsmodellen — Artikel 110, lid 1 — Geen bescherming — Reparatieclausule — Begrip onderdeel van een samengesteld voortbrengsel — Reparatie van het samengestelde voortbrengsel om het de oorspronkelijke uiterlijke kenmerken terug te geven — Maatregelen die de gebruiker moet treffen om zich te kunnen beroepen op de reparatieclausule — Autovelg die een identieke replica van het model van de originele velg is]

18

2018/C 72/24

Zaak C-419/16: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunale di Bolzano — Italië) — Sabine Simma Federspiel / Provincia autonoma di Bolzano, Equitalia Nord SpA (Prejudiciële verwijzing — Vrijheid van vestiging en vrij verkeer van werknemers — Artikelen 45 en 49 VWEU — Wederzijdse erkenning van diploma’s, certificaten en andere titels van artsen — Richtlijnen 75/363/EEG en 93/16/EEG — Bezoldiging van medisch specialisten in opleiding)

19

2018/C 72/25

Zaak C-434/16: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supreme Court — Ierland) — Peter Nowak / Data Protection Commissioner (Prejudiciële verwijzing — Bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens — Richtlijn 95/46/EG — Artikel 2, onder a) — Begrip persoonsgegevens — Schriftelijke antwoorden van de kandidaat op een beroepsexamen — Opmerkingen van de examinator bij die antwoorden — Artikel 12, onder a) en b) — Omvang van het recht op toegang en op rectificatie van de betrokkene)

20

2018/C 72/26

Zaak C-442/16: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Court of Appeal — Ierland) — Florea Gusa / Minister for Social Protection, Ierland, Attorney General (Prejudiciële verwijzing — Richtlijn 2004/38/EG — Persoon die een zelfstandige activiteit heeft beëindigd — Behoud van de status van zelfstandige — Recht van verblijf — Wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke de toekenning van een uitkering voor werkzoekenden is voorbehouden aan personen die het recht van verblijf op het grondgebied van die lidstaat hebben)

20

2018/C 72/27

Zaak C-462/16: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof — Duitsland) — Finanzamt Bingen-Alzey / Boehringer Ingelheim Pharma GmbH & Co. KG [Prejudiciële verwijzing — Belastingen — Belasting over de toegevoegde waarde (btw) — Richtlijn 2006/112/EG — Artikel 90, lid 1 — Prijsvermindering onder de door de lidstaten vastgestelde voorwaarden — Verlaging van de maatstaf van heffing — Beginselen vastgelegd in het arrest van 24 oktober 1996, Elida Gibbs (C-317/94, EU:C:1996:400) — Kortingen toegekend aan particuliere zorgverzekeraars]

21

2018/C 72/28

Zaak C-467/16: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Stuttgart — Duitsland) — Brigitte Schlömp / Landratsamt Schwäbisch Hall (Prejudiciële verwijzing — Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken — Lugano II-Verdrag — Aanhangigheid — Begrip gerecht — Bemiddelingsinstantie naar Zwitsers recht, belast met de aan elke procedure ten gronde voorafgaande bemiddelingsprocedure)

22

2018/C 72/29

Zaak C-492/16: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Fővárosi Törvényszék — Hongarije) — Incyte Corporation / Szellemi Tulajdon Nemzeti Hivatala (Prejudiciële verwijzing — Intellectuele en industriële eigendom — Octrooirecht — Geneesmiddelen voor menselijk gebruik — Verordening (EG) nr. 469/2009 — Artikel 18 — Gewasbeschermingsmiddelen — Verordening (EG) nr. 1610/96 — Artikel 17, lid 2 — Aanvullend beschermingscertificaat — Duur — Vaststelling van de vervaldatum — Gevolgen van een arrest van het Hof — Mogelijkheid of verplichting tot rectificatie van de vervaldatum)

22

2018/C 72/30

Zaak C-500/16: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Naczelny Sąd Administracyjny — Polen) — Caterpillar Financial Services sp. z o.o. (Prejudiciële verwijzing — Fiscale bepalingen — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) — Richtlijn 2006/112/EG — Artikel 135, lid 1, onder a) — Vrijstellingen — Belastingen geïnd in strijd met het recht van de Unie — Belemmeringen voor de teruggaaf van te veel betaalde btw — Artikel 4, lid 3, VEU — Gelijkwaardigheidsbeginsel, doeltreffendheidsbeginsel en beginsel van loyale samenwerking — Rechten toegekend aan particulieren — Verstrijken van de verjaringstermijn van de belastingschuld — Werking van een arrest van het Hof — Rechtszekerheidsbeginsel)

23

2018/C 72/31

Gevoegde zaken C-504/16 en C-613/16: Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 20 december 2017 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Köln — Duitsland) — Deister Holding AG, voorheen Traxx Investments NV (C-504/16), Juhler Holding A/S (C-613/16) / Bundeszentralamt für Steuern (Prejudiciële verwijzing — Directe belastingen — Vrijheid van vestiging — Richtlijn 90/435/EEG — Artikel 1, lid 2 — Artikel 5 — Moedermaatschappij — Houdstermaatschappij — Bronbelasting op winst die aan een niet-ingezeten moeder-/houdstermaatschappij wordt uitgekeerd — Vrijstelling — Belastingfraude, belastingontwijking en fiscaal misbruik — Vermoeden)

24

2018/C 72/32

Zaak C-516/16: Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesverwaltungsgericht -Oostenrijk) — Erzeugerorganisation Tiefkühlgemüse eGen / Agrarmarkt Austria [Prejudiciële verwijzing — Landbouw — Gemeenschappelijke ordening van de markten — Operationeel programma in de sector groenten en fruit — Verordening (EG) nr. 1234/2007, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 361/2008 — Artikelen 103 ter, 103 quinquies en 103 octies — Financiële steun van de Europese Unie — Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 — Artikel 60 en bijlage IX, punt 23 — Investeringen in bedrijven en/of bedrijfsruimten van de producentenorganisatie — Begrip — Gewettigd vertrouwen — Rechtszekerheid]

24

2018/C 72/33

Zaak C-529/16: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht München — Duitsland) — Hamamatsu Photonics Deutschland GmbH / Hauptzollamt München (Prejudiciële verwijzing — Gemeenschappelijk douanetarief — Douanewetboek — Artikel 29 — Bepaling van de douanewaarde — Grensoverschrijdende transacties tussen onderling verbonden ondernemingen — Advance Pricing Agreement (voorafgaande verrekenprijsafspraak) — Overeengekomen verrekenprijs die bestaat in een aanvankelijk in rekening gebracht bedrag en een forfaitaire correctie na afloop van het afrekeningstijdvak)

25

2018/C 72/34

Zaak C-649/16: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof — Oostenrijk) — Peter Valach e.a. / Waldviertler Sparkasse Bank AG e.a. (Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Verordening (EU) nr. 1215/2012 — Werkingssfeer — Vordering wegens aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad ingesteld tegen de leden van een schuldeiserscomité die in een insolventieprocedure een saneringsplan hebben afgewezen)

26

2018/C 72/35

Zaak C-571/17 PPU: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 22 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rechtbank Amsterdam — Nederland) –Tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd tegen Samet Ardic (Prejudiciële verwijzing — Prejudiciële spoedprocedure — Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken — Europees aanhoudingsbevel — Kaderbesluit 2002/584/JBZ — Procedures van overlevering tussen de lidstaten — Voorwaarden voor tenuitvoerlegging — Gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging — Artikel 4 bis, lid 1, zoals voortvloeiend uit kaderbesluit 2009/299/JBZ — Bevel dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf — Begrip proces dat tot de beslissing heeft geleid — Strekking — Persoon die onherroepelijk tot een vrijheidsstraf is veroordeeld na een proces dat in zijn aanwezigheid is gevoerd — Straf waarvan de tenuitvoerlegging nadien ten dele en onder bepaalde voorwaarden is opgeschort — Later proces dat tot de herroeping van de opschorting wegens niet-naleving van de voorwaarden heeft geleid — Herroepingsproces dat in afwezigheid van de betrokkene is gevoerd)

27

2018/C 72/36

Zaak C-648/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Augstākā tiesa (Letland) op 20 november 2017 — Balcia Insurance SE

27

2018/C 72/37

Zaak C-696/17 P: Hogere voorziening ingesteld op 8 december 2017 door Alex SCI tegen de beschikking van het Gerecht (Eerste kamer) van 10 oktober 2017 in zaak T-841/16, Alex / Commissie

28

2018/C 72/38

Zaak C-14/18 P: Hogere voorziening ingesteld op 5 januari 2018 door Alfamicro — Sistemas de computadores, Sociedade Unipessoal, Lda. tegen het arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 14 november 2017 in zaak T-831/14, Alfamicro / Commissie

29

 

Gerecht

2018/C 72/39

Zaak T-76/15: Arrest van het Gerecht van 18 januari 2018 — Kenup Foundation e.a. / EIT (Onderzoek en technologische ontwikkeling — EIT — Kaderprogramma voor onderzoek en innovatie Horizon 2020 — Uitnodiging tot het indienen van voorstellen voor de aanwijzing van een kennis- en innovatiegemeenschap — Afwijzing van de offerte van verzoeksters — Verordening (EG) nr. 294/2008 — Verordening (EU) nr. 1290/2013 — Onrechtmatige delegatie van bevoegdheden)

31

2018/C 72/40

Zaak T-747/15: Arrest van het Gerecht van 16 januari 2018 — EDF/Commissie (Staatssteun — Steunmaatregelen van de Franse autoriteiten voor EDF — Herclassificatie van belastingvrije boekhoudkundige voorzieningen voor de vervanging van het hoogspanningsnet als kapitaal — Besluit waarbij de steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard — Gezag van gewijsde — Criterium van de particuliere investeerder)

32

2018/C 72/41

Zaak T-68/16: Arrest van het Gerecht van 17 januari 2018 — Deichmann/EUIPO — Munich (Afbeelding van een kruis op de zijkant van een sportschoen) (Uniemerk — Procedure tot vervallenverklaring — Uniebeeldmerk dat een kruis op de zijkant van een sportschoen afbeeldt — Positiemerk — Normaal gebruik van het merk — Artikel 15, lid 1, en artikel 51, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 18, lid 1, en artikel 58, lid 1, onder a), van verordening (EU) 2017/1001])

32

2018/C 72/42

Zaak T-204/16: Arrest van het Gerecht van 16 januari 2018 — Sun Media/EUIPO — Meta4 Spain (METABOX) [Uniemerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor Uniewoordmerk METABOX — Ouder Uniemerk en oudere nationale woordmerken META4 en ouder Uniemerk en oudere nationale beeldmerken meta4 — Relatieve weigeringsgrond — Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001] — Overeenstemmende tekens — Verwarringsgevaar]

33

2018/C 72/43

Zaak T-273/16: Arrest van het Gerecht van 16 januari 2018 — Sun Media/EUIPO — Meta4 Spain (METAPORN) (Uniemerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor Uniewoordmerk METAPORN — Oudere Uniewoordmerken en nationale woordmerken META4 en ouder Uniebeeldmerk en nationaal beeldmerk meta4 — Relatieve weigeringsgrond — Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001] — Soortgelijke diensten — Begrip complementaire diensten — Overeenstemmende tekens — Verwarringsgevaar)

34

2018/C 72/44

Zaak T-398/16: Arrest van het Gerecht van 16 januari 2018 — Starbucks/EUIPO — Nersesyan (COFFEE ROCKS) [Uniemerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor Uniebeeldmerk COFFEE ROCKS — Oudere Uniebeeldmerken STARBUCKS COFFEE — Relatieve weigeringsgrond — Overeenstemmende tekens — Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001] — Artikel 8, lid 5, van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 5, van verordening (EU) 2017/1001]]

34

2018/C 72/45

Zaak T-630/16: Arrest van het Gerecht van 16 januari 2018 — Dehtochema Bitumat/ECHA (REACH — Voor registratie van een stof verschuldigde vergoeding — Verlaagde vergoeding voor KMO’s — Aanbeveling 2003/361/EG — Begrip verbonden onderneming — Indiening van een onjuiste verklaring omtrent de grootte van de onderneming — Verlaging van het bedrag van de toepasselijke vergoeding voor administratieve kosten met 50 % — Bevoegdheid van het ECHA — Staking van de productie van de stof)

35

2018/C 72/46

Zaak T-804/16: Arrest van het Gerecht van 18 januari 2018 — LG Electronics/EUIPO (Dual Edge) [Uniemerk — Aanvraag voor Uniewoordmerk Dual Edge — Absolute weigeringsgrond — Beschrijvend karakter — Artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EU) 2017/1001]]

36

2018/C 72/47

Zaak T-231/17: Arrest van het Gerecht van 16 januari 2018 — SE / Raad (Openbare dienst — Ambtenaren — Bezoldiging — Gezinstoelagen — Artikel 2, lid 2, derde alinea, van bijlage VII bij het Statuut — Begrip kind ten laste — Begrip ‘kind ten aanzien van wie de ambtenaar krachtens een rechterlijke beslissing op grond van de wetgeving inzake de bescherming van minderjarigen van een lidstaat een onderhoudsplicht heeft’ — Weigering om de hoedanigheid van ‘kind ten laste’ toe te kennen aan de kleindochter van de ambtenaar)

36

2018/C 72/48

Zaak T-809/17: Beroep ingesteld op 7 december 2017 — Intercontact Budapest / CdT

37

2018/C 72/49

Zaak T-816/17: Beroep ingesteld op 14 december 2017 — Luxemburg / Commissie

38

2018/C 72/50

Zaak T-819/17: Beroep ingesteld op 18 december 2017 — Sierra / EUIPO

39

2018/C 72/51

Zaak T-823/17: Beroep ingesteld op 20 december 2017 — Etnia Dreams/EUIPO — Poisson (Etnik)

40

2018/C 72/52

Zaak T-834/17: Beroep ingesteld op 29 december 2017 — United Parcel Service / Commissie

41

2018/C 72/53

Zaak T-835/17: Beroep ingesteld op 29 december 2017 — Eurofer / Commissie

42

2018/C 72/54

Zaak T-837/17: Beroep ingesteld op 28 december 2017 — Negru/EUIPO — Sky (SkyPrivate)

43

2018/C 72/55

Zaak T-3/18: Beroep ingesteld op 9 januari 2018 — Holzer y Cia/EUIPO — Annco (ANN TAYLOR)

43

2018/C 72/56

Zaak T-4/18: Beroep ingesteld op 9 januari 2018 — Holzer y Cia/EUIPO — Annco (AT ANN TAYLOR)

44

2018/C 72/57

Zaak T-5/18: Beroep ingesteld op 3 januari 2018 — Hamburg Beer Company/EUIPO (Hamburg BEER COMPANY)

45

2018/C 72/58

Zaak T-6/18: Beroep ingesteld op 2 januari 2018 — Hamburg Beer Company/EUIPO (Hamburg Beer Company)

46

2018/C 72/59

Zaak T-7/18: Beroep ingesteld op 8 januari 2018 — inforsacom Informationssysteme/EUIPO (Business and technology working as one)

46

2018/C 72/60

Zaak T-9/18: Beroep ingesteld op 8 januari 2018 — Addiko Bank/EUIPO (STRAIGHTFORWARD BANKING)

47

2018/C 72/61

Zaak T-12/18: Beroep ingesteld op 11 januari 2018 — Zweirad-Center Stadler/EUIPO — Triumph Designs (Triumph)

47


NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie van de Europese Unie

26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/1


Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

(2018/C 072/01)

Laatste publicatie

PB C 63 van 19.2.2018

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 52 van 12.2.2018

PB C 42 van 5.2.2018

PB C 32 van 29.1.2018

PB C 22 van 22.1.2018

PB C 13 van 15.1.2018

PB C 5 van 8.1.2018

Deze teksten zijn beschikbaar in

EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu


V Bekendmakingen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/2


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de lo Mercantil no 3 de Barcelona — Spanje) — Asociación Profesional Elite Taxi / Uber Systems Spain, SL

(Zaak C-434/15) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Artikel 56 VWEU - Artikel 58, lid 1, VWEU - Diensten op het gebied van vervoer - Richtlijn 2006/123/EG - Diensten op de interne markt - Richtlijn 2000/31/EG - Richtlijn 98/34/EG - Diensten van de informatiemaatschappij - Bemiddelingsdienst die door middel van een smartphoneapp particuliere bestuurders, die hun eigen voertuig gebruiken, tegen betaling in contact brengt met personen die een stadstraject willen afleggen - Vereiste van een vergunning))

(2018/C 072/02)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Juzgado de lo Mercantil no 3 de Barcelona

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Asociación Profesional Elite Taxi

Verwerende partij: Uber Systems Spain, SL

Dictum

Artikel 56 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 58, lid 1, VWEU, alsook artikel 2, lid 2, onder d), van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt en artikel 1, punt 2, van richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij, zoals gewijzigd bij richtlijn 98/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juli 1998 — waarnaar artikel 2, onder a), van richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt („richtlijn inzake de elektronische handel”) verwijst — moeten in die zin worden uitgelegd dat een bemiddelingsdienst, zoals aan de orde in het hoofdgeding, waarmee particuliere bestuurders, die hun eigen voertuig gebruiken, door middel van een smartphoneapp, tegen betaling in contact worden gebracht met personen die een stadstraject willen afleggen, moet worden beschouwd als onlosmakelijk verbonden met een vervoerdienst en dient derhalve te worden gekwalificeerd als een „dienst op het gebied van het vervoer” in de zin van artikel 58, lid 1, VWEU. Een dergelijke dienst moet dus worden uitgesloten van de werkingssfeer van artikel 56 VWEU, van richtlijn 2006/123 en van richtlijn 2000/31.


(1)  PB C 363 van 3.11.2015.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/3


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 20 december 2017 — Koninkrijk Spanje / Raad van de Europese Unie

(Zaak C-521/15) (1)

((Beroep tot nietigverklaring - Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1289 - Oplegging van een boete aan een lidstaat in het kader van het economisch en begrotingstoezicht in de eurozone - Manipulatie van statistische gegevens betreffende het tekort van de betrokken lidstaat - Rechterlijke bevoegdheid - Verordening (EU) nr. 1173/2011 - Artikel 8, leden 1 en 3 - Gedelegeerd besluit 2012/678/EU - Artikel 2, leden 1 en 3, en artikel 14, lid 2 - Verordening (EG) nr. 479/2009 - Artikel 3, lid 1, artikel 8, lid 1, en de artikelen 11 en 11 bis - Rechten van de verdediging - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikel 41, lid 1 - Recht op behoorlijk bestuur - Artikelen 121, 126 en 136 VWEU - Protocol nr. 12 betreffende de procedure bij buitensporige tekorten - Bestaan van een inbreuk - Verkeerde voorstelling van gegevens - Bepaling van de boete - Verbod van terugwerkende kracht van strafbepalingen))

(2018/C 072/03)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordigers: A. Gavela Llopis, A. Rubio González en M. A. Sampol Pucurull, gemachtigden)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: E. Dumitriu-Segnana, A. F. Jensen en A. de Gregorio Merino, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Baquero Cruz, J.-P. Keppenne, M. Clausen en F. Simonetti, gemachtigden)

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Het Koninkrijk Spanje wordt verwezen in zijn eigen kosten alsmede in die van de Raad van de Europese Unie.

3)

De Europese Commissie draagt haar eigen kosten.


(1)  PB C 406 van 7.12.2015.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/4


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgerichtshof — Oostenrijk) — Protect Natur-, Arten- und Landschaftsschutz Umweltorganisation / Bezirkshauptmannschaft Gmünd

(Zaak C-664/15) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Milieu - Richtlijn 2000/60/EG - Waterbeleid van de Europese Unie - Artikel 4, lid 1, en artikel 14, lid 1 - Verplichtingen om de achteruitgang van de toestand van de waterlichamen te voorkomen en de actieve deelneming van alle betrokkenen bij de uitvoering van de richtlijn aan te moedigen - Verdrag van Aarhus - Inspraak van het publiek in de besluitvorming inzake milieuaangelegenheden en toegang tot de rechter - Artikel 6 en artikel 9, leden 3 en 4 - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikel 47 - Recht op effectieve rechterlijke bescherming - Project dat gevolgen kan hebben voor de toestand van de waterlichamen - Bestuurlijke vergunningprocedure - Milieuorganisatie - Verzoek tot verkrijging van de hoedanigheid van partij in de bestuurlijke procedure - Mogelijkheid om een beroep te doen op de aan richtlijn 2000/60/EG ontleende rechten - Verlies van de hoedanigheid van partij in de procedure en van het recht van beroep indien die rechten in de loop van de bestuurlijke procedure niet tijdig geldend worden gemaakt))

(2018/C 072/04)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Verwaltungsgerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Protect Natur-, Arten- und Landschaftsschutz Umweltorganisation

Verwerende partij: Bezirkshauptmannschaft Gmünd

Dictum

1)

Artikel 9, lid 3, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, op 25 juni 1998 te Aarhus ondertekend en namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat een milieuorganisatie die conform de regels is opgericht en haar activiteiten verricht in overeenstemming met de eisen van nationaal recht, in rechte moet kunnen opkomen tegen een besluit tot goedkeuring van een project dat strijdig kan zijn met de verplichting om de achteruitgang van de waterlichamen te voorkomen, zoals deze is opgenomen in artikel 4 van richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid.

2)

De gecombineerde bepalingen van artikel 9, lid 3, van dit Verdrag, dat is goedgekeurd bij besluit 2005/370, artikel 47 van het Handvest van de grondrechten en artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/60 moeten aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzetten tegen een nationaal procesrecht dat in een situatie zoals die in het hoofdgeding aan de orde is, milieuorganisaties uitsluit van het recht om, in de hoedanigheid van partij in de procedure, inspraak te hebben in een vergunningprocedure die de uitvoering van richtlijn 2000/60 beoogt, en die het recht van beroep tegen besluiten die na afloop van een dergelijke procedure zijn genomen, alleen beperkt tot personen die deze hoedanigheid hebben.

3)

Onder voorbehoud van verificatie van de relevante feiten en nationale wetgeving door de verwijzende rechter, moet artikel 9, leden 3 en 4, van dit Verdrag, dat is goedgekeurd bij besluit 2005/370, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, aldus worden uitgelegd dat het zich in een situatie zoals die in het onderhavige hoofdgeding aan de orde is, ertegen verzet dat een milieuorganisatie wordt geconfronteerd met een vervalregel van nationaal procesrecht, op grond waarvan een persoon de hoedanigheid van partij in de procedure verliest en dus geen beroep kan instellen tegen het besluit dat na afloop van die procedure is genomen, indien hij heeft nagelaten om reeds in de bestuurlijke procedure tijdig zijn bezwaren kenbaar te maken en, ten laatste, in de mondelinge fase van die procedure.


(1)  PB C 111 van 29.3.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/5


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 20 december 2017 — Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) / European Dynamics Luxembourg SA, Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE, European Dynamics Belgium SA

(Zaak C-677/15 P) (1)

((Hogere voorziening - Overheidsopdrachten voor diensten - Externe dienstverlening voor programma- en projectbeheer alsook technische bijstand op IT-gebied - Cascadeprocedure - Weging van subcriteria binnen de gunningscriteria - Beginsel van gelijke kansen en transparantiebeginsel - Kennelijke beoordelingsfouten - Ontoereikende motivering - Verlies van een kans - Niet-contractuele aansprakelijkheid van de Europese Unie - Verzoek om schadevergoeding))

(2018/C 072/05)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirant: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) (vertegenwoordigers: N. Bambara, gemachtigde, bijgestaan door P. Wytinck en B. Hoorelbeke, avocats)

Andere partijen in de procedure: European Dynamics Luxembourg SA, Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE, European Dynamics Belgium SA (vertegenwoordigers: M. Sfyri, C.-N. Dede en D. Papadopoulou, dikigoroi)

Dictum

1)

Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 7 oktober 2015, European Dynamics Luxembourg e.a./BHIM (T-299/11, EU:T:2015:757), wordt vernietigd voor zover daarin

in punt 2 van het dictum de Europese Unie wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade die European Dynamics Luxembourg heeft geleden door het verlies van een kans om als eerste contractant in het cascadesysteem de raamovereenkomst toegewezen te krijgen, en

in de punten 4 en 5 van het dictum wordt beslist dat partijen het Gerecht het in onderlinge overeenstemming becijferde bedrag van de vergoeding zullen meedelen, of, bij ontbreken van deze overeenstemming, hun berekeningen aan het Gerecht zullen toezenden.

2)

De hogere voorziening wordt afgewezen voor het overige.

3)

Het verzoek om schadevergoeding van European Dynamics Luxembourg SA, Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE en European Dynamics Belgium SA in zaak T-299/11 wordt afgewezen.

4)

Het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), alsook European Dynamics Luxembourg SA, Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE en European Dynamics Belgium SA dragen hun eigen kosten in het kader van de hogere voorziening en de procedure in eerste aanleg.


(1)  PB C 90 van 7.3.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/6


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 20 december 2017 — Comunidad Autónoma del País Vasco, Itelazpi SA (C-66/16 P), Comunidad Autónoma de Cataluña, Centre de Telecomunicacions i Tecnologies de la Informació de la Generalitat de Catalunya (CTTI) (C-67/16 P), Navarra de Servicios y Tecnologías SA (C-68/16 P), Cellnex Telecom SA, voorheen Abertis Telecom SA, Retevisión I SA (C-69/16 P) / Europese Commissie, SES Astra SA

(Gevoegde zaken C-66/16 P tot en met C-69/16 P) (1)

((Hogere voorziening - Staatssteun - Digitale televisie - Steun voor de ontwikkeling van digitale terrestrische televisie in afgelegen en minder verstedelijkte gebieden - Steun ten behoeve van de exploitanten van digitale terrestrische televisieplatformen - Besluit waarbij de steunmaatregelen gedeeltelijk met de interne markt onverenigbaar worden verklaard - Begrip „staatssteun” - Voordeel - Dienst van algemeen economisch belang - Omschrijving - Beoordelingsruimte van de lidstaten))

(2018/C 072/06)

Procestaal: Spaans

Partijen

Rekwiranten: Comunidad Autónoma del País Vasco, Itelazpi SA (C-66/16 P), Comunidad Autónoma de Cataluña, Centre de Telecomunicacions i Tecnologies de la Informació de la Generalitat de Catalunya (CTTI) (C-67/16 P), Navarra de Servicios y Tecnologías SA (C-68/16 P), Cellnex Telecom SA, voorheen Abertis Telecom SA, Retevisión I SA (C-69/16 P) (vertegenwoordigers: J. Buendía Sierra, A. Lamadrid de Pablo en M. Bolsa Ferruz, abogados)

Andere partijen in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Němečková, É. Gippini Fournier en B. Stromsky, gemachtigden), SES Astra SA (vertegenwoordigers: F. González Díaz, V. Romero Algarra, abogados en F. Salerno, avocat)

Dictum

1)

De hogere voorzieningen worden afgewezen.

2)

De Comunidad Autónoma del País Vasco, Itelazpi SA, de Comunidad Autónoma de Cataluña, Centre de Telecomunicacions i Tecnologies de la Informació de la Generalitat de Catalunya (CTTI), Navarra de Servicios y Tecnologías SA, Cellnex Telecom SA en Retevisión I SA worden verwezen in de kosten.


(1)  PB C 118 van 4.4.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/6


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 20 december 2017 — Comunidad Autónoma de Galicia, Redes de Telecomunicación Galegas Retegal SA (Retegal) / Europese Commissie, SES Astra SA

(Zaak C-70/16 P) (1)

((Hogere voorziening - Staatssteun - Digitale televisie - Steun voor de ontwikkeling van digitale terrestrische televisie in afgelegen en minder verstedelijkte gebieden - Steun ten behoeve van de exploitanten van digitale terrestrische televisieplatformen - Besluit waarbij de steunmaatregelen gedeeltelijk met de interne markt onverenigbaar worden verklaard - Begrip „staatssteun” - Voordeel - Dienst van algemeen economisch belang - Omschrijving - Beoordelingsruimte van de lidstaten))

(2018/C 072/07)

Procestaal: Spaans

Partijen

Rekwiranten: Comunidad Autónoma de Galicia, Redes de Telecomunicación Galegas Retegal SA (Retegal) (vertegenwoordigers: F. J. García Martínez en B. Pérez Conde, abogados)

Andere partijen in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Němečková, É. Gippini Fournier en B. Stromsky, gemachtigden), SES Astra SA (vertegenwoordigers: F. González Díaz, V. Romero Algarra, abogados, en F. Salerno, avocat)

Dictum

1)

Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 26 november 2015, Comunidad Autónoma de Galicia en Retegal/Commissie (T-463/13 en T-464/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:901), wordt vernietigd.

2)

Besluit 2014/489/EU van de Commissie van 19 juni 2013 betreffende de door het Koninkrijk Spanje ten uitvoer gelegde steunmaatregel SA.28599 [(C 23/2010) (ex NN 36/2010, ex CP 163/2009)] voor de ontwikkeling van digitale terrestrische televisie in afgelegen en minder verstedelijkte gebieden (met uitzondering van Castilië-La Mancha), wordt nietig verklaard.

3)

De Europese Commissie draagt de kosten van de Comunidad Autónoma de Galicia (autonome regio Galicië, Spanje) en Redes de Telecomunicación Galegas Retegal SA (Retegal) in verband met de onderhavige hogere voorziening en de kosten die voor hen zijn opgekomen in eerste aanleg.

4)

SES Astra SA draagt haar eigen kosten.


(1)  PB C 118 van 4.4.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/7


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 20 december 2017 — Koninkrijk Spanje / Europese Commissie

(Zaak C-81/16 P) (1)

((Hogere voorziening - Staatssteun - Digitale televisie - Steun voor de ontwikkeling van digitale terrestrische televisie in afgelegen en minder verstedelijkte gebieden - Steun ten behoeve van de exploitanten van digitale terrestrische televisieplatformen - Besluit waarbij de steunmaatregelen gedeeltelijk met de interne markt onverenigbaar worden verklaard - Begrip „staatssteun” - Voordeel - Dienst van algemeen economisch belang - Omschrijving - Beoordelingsruimte van de lidstaten))

(2018/C 072/08)

Procestaal: Spaans

Partijen

Rekwirant: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordigers: M. A. Sampol Pucurull, M. J. García-Valdecasas Dorrego en A. Rubio González, gemachtigden)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Němečková, É. Gippini Fournier en B. Stromsky, gemachtigden)

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Het Koninkrijk Spanje zal de kosten dragen.


(1)  PB C 118 van 4.4.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/8


Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad van State — België) — Vaditrans BVBA / Belgische Staat

(Zaak C-102/16) (1)

([Prejudiciële verwijzing - Wegvervoer - Rusttijden van de bestuurder - Verordening (EG) nr. 561/2006 - Artikel 8, leden 6 en 8 - Mogelijkheid om de dagelijkse rusttijden en verkorte wekelijkse rusttijden buiten de standplaats en in het voertuig door te brengen - Uitsluiting van normale wekelijkse rusttijden])

(2018/C 072/09)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Raad van State

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Vaditrans BVBA

Verwerende partij: Belgische Staat

Dictum

1)

Artikel 8, leden 6 en 8, van verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad, moet aldus worden uitgelegd dat een bestuurder de normale wekelijkse rusttijden bedoeld in artikel 8, lid 6, niet in zijn voertuig mag doorbrengen.

2)

Uit het onderzoek van de tweede vraag is geen enkel punt naar voren gekomen op grond waarvan de geldigheid van verordening nr. 561/2006 uit het oogpunt van het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel zoals verwoord in artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, wordt aangetast.


(1)  PB C 165 van 10.5.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/8


Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de lo Contencioso-Administrativo no 1 de Oviedo — Spanje) — Margarita Isabel Vega González / Consejería de Hacienda y Sector Público del gobierno del Principado de Asturias

(Zaak C-158/16) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Sociale politiek - Richtlijn 1999/70/EG - Door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd - Clausule 4 - Non-discriminatiebeginsel - Begrip „arbeidsvoorwaarden” - Toekenning van de ambtelijke stand van verlof wegens bijzondere diensten - Nationale regeling die in geval van verkiezing voor een openbaar ambt enkel voor ambtenaren in vaste dienst voorziet in de toekenning van verlof wegens bijzondere diensten en ambtenaren in tijdelijke dienst hiervan uitsluit))

(2018/C 072/10)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Juzgado de lo Contencioso-Administrativo no 1 de Oviedo

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Margarita Isabel Vega González

Verwerende partij: Consejería de Hacienda y Sector Público del gobierno del Principado de Asturias

Dictum

1)

Clausule 4, lid 1, van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „arbeidsvoorwaarden” als bedoeld in deze bepaling voor een in een parlementaire functie gekozen werknemer het recht omvat dat hem de mogelijkheid wordt geboden te profiteren van verlof wegens bijzondere diensten, welk recht is vastgelegd in een nationale regeling op grond waarvan de dienstbetrekking wordt opgeschort, zodat is gewaarborgd dat deze werknemer voor de duur van zijn parlementaire mandaat zijn arbeidsplaats en recht op bevordering behoudt.

2)

Clausule 4 van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70, moet aldus worden uitgelegd dat deze clausule zich verzet tegen een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding, waarin volledig wordt uitgesloten dat een werknemer voor bepaalde tijd met het oog op de uitoefening van een politiek mandaat verlof wordt toegekend op grond waarvan de arbeidsverhouding wordt opgeschort tot de terugkeer van deze werknemer na afloop van dit mandaat, terwijl het recht op een dergelijk verlof wel wordt toegekend aan werknemers in vaste dienst.


(1)  PB C 211 van 13.6.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/9


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato — Italië) — Impresa di Costruzioni Ing. E. Mantovani SpA, Guerrato SpA / Provincia autonoma di Bolzano, Agenzia per i procedimenti e la vigilanza in materia di contratti pubblici di lavori servizi e forniture (ACP), Autorità nazionale anticorruzione (ANAC)

(Zaak C-178/16) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken - Richtlijn 2004/18/EG - Artikel 45, leden 2 en 3 - Voorwaarden voor uitsluiting van deelneming aan de overheidsopdracht - Verklaring inzake het ontbreken van onherroepelijke vonnissen houdende veroordeling van de voormalige bestuurders van de inschrijvende vennootschap - Strafbaar gedrag van een voormalige bestuurder - Strafrechtelijke veroordeling - Volledige en daadwerkelijke distantiëring tussen de inschrijvende onderneming en die bestuurder - Bewijs - Beoordeling door de aanbestedende dienst van de eisen betreffende die verplichting))

(2018/C 072/11)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Consiglio di Stato

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Impresa di Costruzioni Ing. E. Mantovani SpA, Guerrato SpA

Verwerende partijen: Provincia autonoma di Bolzano, Agenzia per i procedimenti e la vigilanza in materia di contratti pubblici di lavori servizi e forniture (ACP), Autorità nazionale anticorruzione (ANAC)

in tegenwoordigheid van: Società Italiana per Condotte d’Acqua SpA, Inso Sistemi per le Infrastrutture Sociali SpA

Dictum

Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, inzonderheid artikel 45, lid 2, eerste alinea, onder c), d) en g), van die richtlijn, alsook de beginselen van gelijke behandeling en evenredigheid moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan nationale voorschriften op grond waarvan de aanbestedende dienst:

volgens de door hem vastgestelde voorwaarden een strafrechtelijke veroordeling — ook indien die veroordeling nog niet onherroepelijk is geworden — van de bestuurder van een inschrijvende onderneming voor een strafbaar feit dat indruist tegen de beroepsgedragsregels van die onderneming in de beschouwing kan betrekken, wanneer die bestuurder zijn functies heeft neergelegd in het jaar voorafgaand aan de aankondiging van de overheidsopdracht, en

die onderneming van deelneming aan de betrokken aanbestedingsprocedure kan uitsluiten op grond dat zij, door na te laten die nog niet onherroepelijke veroordeling te melden, zich niet volledig en daadwerkelijk van de gedragingen van die bestuurder heeft gedistantieerd.


(1)  PB C 232 van 27.6.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/10


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d’État — Frankrijk) — Eni SpA, Eni Gas & Power France SA, Union professionnelle des industries privées du gaz (Uprigaz) / Premier ministre, Ministre de l’Environnement, de l’Énergie et de la Mer

(Zaak C-226/16) (1)

([Prejudiciële verwijzing - Energie - Gassector - Veiligstelling van de gaslevering - Verordening (EU) nr. 994/2010 - Verplichting van aardgasbedrijven om maatregelen te nemen die de gaslevering van beschermde afnemers waarborgen - Artikel 2, tweede alinea, punt 1 - Begrip „beschermde afnemers” - Artikel 8, lid 2 - Aanvullende verplichting - Artikel 8, lid 5 - Mogelijkheid voor aardgasbedrijven om op regionaal niveau of op niveau van de Unie aan hun verplichting te voldoen - Nationale regeling die gasleveranciers een aanvullende verplichting tot gasopslag oplegt waarvan de werkingssfeer afnemers omvat die niet behoren tot de beschermde afnemers in de zin van verordening nr. 994/2010 - Opslagverplichting die voor 80 % op het grondgebied van de betrokken lidstaat moet worden vervuld])

(2018/C 072/12)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Conseil d’État

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Eni SpA, Eni Gas & Power France SA, Union professionnelle des industries privées du gaz (Uprigaz)

Verwerende partijen: Premier ministre, Ministre de l’Environnement, de l’Énergie et de la Mer

in tegenwoordigheid van: Storengy, Total Infrastructures Gaz France (TIGF)

Dictum

1)

Artikel 8, lid 2, van verordening (EU) nr. 994/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gaslevering en houdende intrekking van richtlijn 2004/67/EG van de Raad moet aldus worden uitgelegd dat deze bepaling zich niet verzet tegen een nationale regeling als in het hoofdgeding, die gasleveranciers een verplichting tot gasopslag oplegt waarvan de werkingssfeer afnemers omvat die niet behoren tot de in artikel 2, tweede alinea, punt 1, van deze verordening genoemde beschermde afnemers, mits de in de eerste van deze bepalingen bedoelde voorwaarden zijn nageleefd, hetgeen door de verwijzende rechter moet worden nagegaan.

2)

Artikel 8, lid 5, van verordening nr. 994/2010 moet in die zin worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die gasleveranciers verplicht hun verplichtingen om gasvoorraden aan te houden teneinde de leveringszekerheid bij crises te waarborgen, noodzakelijkerwijze en uitsluitend door middel van de op het nationale grondgebied gelegen infrastructuur na te komen. In casu is het echter aan de nationale rechter om na te gaan of de door de nationale regeling aan de bevoegde autoriteit opgelegde verplichting om rekening te houden met de andere „aanpassingsinstrumenten” van de betrokken leveranciers hun een daadwerkelijke mogelijkheid biedt om op regionaal of Unieniveau aan hun verplichtingen te voldoen.


(1)  PB C 251 van 11.7.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/11


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door Københavns Byret — Denemarken) — Strafzaak tegen Bent Falbert, Poul Madsen, JP/Politikens Hus A/S

(Zaak C-255/16) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften - Nationale wetgeving tot verduidelijking of invoering van een verbod om zonder vergunning kansspelen, loterijen en weddenschappen aan te bieden, en tot invoering van een verbod om zonder vergunning reclame te maken voor kansspelen, loterijen en weddenschappen))

(2018/C 072/13)

Procestaal: Deens

Verwijzende rechter

Københavns Byret

Partijen in de strafzaak

Bent Falbert, Poul Madsen, JP/Politikens Hus A/S

Dictum

Artikel 1 van richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij, zoals gewijzigd bij richtlijn 98/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juli 1998, moet aldus worden uitgelegd dat een bepaling van nationaal recht zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarbij strafrechtelijke sancties worden gesteld op het zonder vergunning aanbieden van kansspelen, loterijen of weddenschappen op het nationale grondgebied, geen technisch voorschrift in de zin van die bepaling is, dat moet worden meegedeeld op grond van artikel 8, lid 1, van die richtlijn. Daarentegen moet een nationale bepaling zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarbij strafrechtelijke sancties worden gesteld op het maken van reclame voor kansspelen, loterijen of weddenschappen waarvoor geen vergunning is afgegeven, wél als technisch voorschrift in de zin van deze bepaling worden aangemerkt, zodat het op grond van artikel 8, lid 1, van richtlijn 98/34 moet worden meegedeeld, voor zover uit de ontstaansgeschiedenis van die nationale bepaling duidelijk blijkt dat deze tot voorwerp en doel had een reeds bestaand reclameverbod uit te breiden tot diensten van onlinekansspelen. Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of dit daadwerkelijk het geval is.


(1)  PB C 251 van 11.7.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/11


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 20 december 2017 — Binca Seafoods GmbH / Europese Commissie

(Zaak C-268/16 P) (1)

([Hogere voorziening - Verordening (EG) nr. 834/2007 - Productie en etikettering van biologische producten - Verordening (EG) nr. 889/2008 - Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1358/2014 - Procesbelang - Begrip „persoonlijk voordeel”])

(2018/C 072/14)

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirante: Binca Seafoods GmbH (vertegenwoordiger: H. Schmidt, Rechtsanwalt)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Lewis, G. von Rintelen en K. Walkerová, gemachtigden)

Dictum

1)

De beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 11 maart 2016, Binca Seafoods/Commissie (T-94/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:164), wordt vernietigd.

2)

De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie.

3)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


(1)  PB C 279 van 1.8.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/12


Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte suprema di cassazione — Italië) — Prequ' Italia Srl / Agenzia delle Dogane e dei Monopoli

(Zaak C-276/16) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Beginsel van eerbiediging van de rechten van verdediging - Recht om te worden gehoord - Verordening (EEG) nr. 2913/92 - Communautair douanewetboek - Artikel 244 - Invordering van een douaneschuld - Geen aan de vaststelling van een rectificatieaanslag voorafgaand verhoor van de adressaat - Recht van de adressaat om opschorting van de tenuitvoerlegging van de rectificatieaanslag te krijgen - Geen automatische opschorting ingeval administratief beroep wordt ingesteld - Verwijzing naar de voorwaarden van artikel 244 van het douanewetboek))

(2018/C 072/15)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Corte suprema di cassazione

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Prequ' Italia Srl

Verwerende partij: Agenzia delle Dogane e dei Monopoli

Dictum

Het recht van iedere persoon om te worden gehoord voorafgaand aan de vaststelling van een besluit dat zijn belangen kan schaden, moet aldus worden uitgelegd dat de rechten van verdediging van de adressaat van een rectificatieaanslag die door de douaneautoriteiten is vastgesteld zonder dat de belanghebbende vooraf is gehoord, niet zijn geschonden wanneer de nationale regeling op grond waarvan de belanghebbende de mogelijkheid heeft om deze handeling in een administratief beroep aan te vechten, onder verwijzing naar artikel 244 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000, enkel voorziet in de mogelijkheid om om opschorting van de tenuitvoerlegging van deze handeling tot aan de eventuele herziening ervan te verzoeken, en niet bepaalt dat de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling automatisch wordt opgeschort wanneer administratief beroep wordt ingesteld, voor zover de toepassing van artikel 244, tweede alinea, van deze verordening, door de douaneautoriteiten, de toekenning van opschorting van de tenuitvoerlegging niet beperkt indien er redenen zijn om aan de overeenstemming van de aangevochten beschikking met de douanewetgeving te twijfelen of indien de belanghebbende onherstelbare schade dreigt te lijden.


(1)  PB C 305 van 22.8.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/13


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Najwyższy — Polen) — Polkomtel sp. z o.o. / Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej

(Zaak C-277/16) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten - Richtlijn 2002/21/EG - Artikelen 8 en 16 - Richtlijn 2002/19/EG - Artikelen 8 en 13 - Exploitant die is aangemerkt als onderneming met aanmerkelijke marktmacht - Prijscontrole - Door de nationale regelgevende instanties opgelegde verplichtingen - Verplichting inzake kostenoriëntering van prijzen - Prijzen die lager worden vastgesteld dan de kosten die de betrokken exploitant maakt voor de levering van de afgiftedienst op mobiele netwerken - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikel 16 - Vrijheid van ondernemerschap - Evenredigheid))

(2018/C 072/16)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Sąd Najwyższy

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Polkomtel sp. z o.o.

Verwerende partij: Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej

in tegenwoordigheid van: Krajowa Izba Gospodarcza Elektroniki i Telekomunikacji

Dictum

1)

Artikel 8, lid 4, en artikel 13 van richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (toegangsrichtlijn) moeten aldus worden uitgelegd dat wanneer een exploitant die is aangemerkt als onderneming met een aanmerkelijke macht op een specifieke markt, door een nationale regelgevende instantie een verplichting inzake kostenoriëntering van prijzen wordt opgelegd, deze nationale regelgevende instantie met het oog op de bevordering van efficiëntie en duurzame concurrentie voor de diensten die door deze verplichting worden bestreken een prijs kan vaststellen op een niveau dat lager ligt dan de kosten die voor het verrichten van die diensten door deze exploitant worden gemaakt indien deze kosten hoger zijn dan die van een efficiënte exploitant, hetgeen door de nationale rechter moet worden nagegaan.

2)

Artikel 8, lid 4, en artikel 13, lid 3, van richtlijn 2002/19, gelezen in samenhang met artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moeten aldus worden uitgelegd dat een nationale regelgevende instantie een exploitant die is aangemerkt als onderneming met een aanmerkelijke macht op een specifieke markt en op wie een verplichting inzake kostenoriëntering van prijzen rust, kan verplichten zijn prijzen jaarlijks vast te stellen op basis van de meest actuele gegevens en deze prijzen en de gegevens die deze prijzen onderbouwen voorafgaand aan de toepassing ervan ter toetsing aan haar voor te leggen, op voorwaarde dat dergelijke verplichtingen zijn gegrond op de aard van het vastgestelde probleem en evenredig en gerechtvaardigd zijn in het licht van de doelstellingen van artikel 8 van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn), hetgeen door de nationale rechter moet worden nagegaan.

3)

Artikel 13, lid 3, van richtlijn 2002/19 moet aldus worden uitgelegd dat, wanneer een verplichting tot kostenoriëntering van prijzen is opgelegd aan een exploitant op basis van artikel 13, lid 1, van deze richtlijn, deze exploitant kan worden verplicht zijn prijzen aan te passen voordat of nadat hij deze is gaan toepassen.


(1)  PB C 335 van 12.9.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/14


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de lo Mercantil no 8 de Barcelona — Spanje) — Schweppes SA / Red Paralela SL, Red Paralela BCN SL, voorheen Carbòniques Montaner SL

(Zaak C-291/16) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Harmonisatie van de wetgevingen - Merken - Richtlijn 2008/95/EG - Artikel 7, lid 1 - Uitputting van het aan het merk verbonden recht - Parallelle merken - Overdracht van de merken voor een deel van het grondgebied van de Europese Economische Ruimte (EER) - Commerciële strategie waardoor na de overdracht bewust het imago van één enkel globaal merk wordt versterkt - Onafhankelijke houders die nauwe commerciële en economische banden hebben))

(2018/C 072/17)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Juzgado de lo Mercantil no 8 de Barcelona

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Schweppes SA

Verwerende partijen: Red Paralela SL, Red Paralela BCN SL, voorheen Carbòniques Montaner SL

in tegenwoordigheid van: Orangina Schweppes Holding BV, Schweppes International Ltd, Exclusivas Ramírez SL

Dictum

Artikel 7, lid 1, van richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten, gelezen in het licht van artikel 36 VWEU, moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de houder van een nationaal merk zich verzet tegen de invoer van identieke waren die van hetzelfde merk zijn voorzien en afkomstig zijn uit een andere lidstaat, waar dat merk, dat aanvankelijk aan dezelfde houder toebehoorde, thans in handen is van een derde die de rechten daarop door overdracht heeft verkregen, wanneer na die overdracht

de houder, alleen of door zijn merkstrategie met die derde te coördineren, actief en bewust het beeld of imago van één enkel globaal merk is blijven versterken, en aldus bij het betrokken publiek verwarring heeft geschapen of versterkt over de commerciële herkomst van de van dat merk voorziene waren,

of

er economische banden bestaan tussen de houder en die derde, in die zin dat zij hun commerciële beleid coördineren of afstemmen teneinde gezamenlijk controle uit te oefenen op het gebruik van het merk, zodat zij de mogelijkheid hebben om direct of indirect de waren te bepalen waarop het merk wordt aangebracht en de kwaliteit ervan te controleren.


(1)  PB C 305 van 22.08.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/15


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato — Italië) — Global Starnet Ltd / Ministero dell’Economia e delle Finanze, Amministrazione Autonoma Monopoli di Stato

(Zaak C-322/16) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Vrij verrichten van diensten, vrijheid van vestiging, vrij verkeer van kapitaal en vrijheid van onderneming - Beperkingen - Verlening van nieuwe concessies voor het beheer op afstand van kansspelen - Rechtszekerheidsbeginsel en beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen - Arrest van het grondwettelijk hof - Al dan niet een verplichting voor de nationale rechterlijke instantie om zich tot het Hof te wenden))

(2018/C 072/18)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Consiglio di Stato

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Global Starnet Ltd

Verwerende partijen: Ministero dell’Economia e delle Finanze, Amministrazione Autonoma Monopoli di Stato

Dictum

1)

Artikel 267, derde alinea, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat de nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, in beginsel verplicht is om een vraag over de uitlegging van het Unierecht voor te leggen aan het Hof, zelfs wanneer het grondwettelijk hof van de betrokken lidstaat in het kader van die nationale procedure de grondwettigheid heeft getoetst van nationale bepalingen in het licht van referentienormen waarvan de inhoud vergelijkbaar is met de relevante bepalingen van het Unierecht.

2)

De artikelen 49 en 56 VWEU en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, die aan houders van reeds bestaande concessies in de sector van het beheer op afstand van legale kansspelen door middel van een addendum bij de reeds bestaande overeenkomst nieuwe vereisten oplegt voor de uitoefening van hun activiteit, voor zover de verwijzende rechterlijke instantie tot de slotsom komt dat deze regeling kan worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, geschikt is om de nagestreefde doelstellingen te verwezenlijken en niet verder gaat dan noodzakelijk is om deze te bereiken.


(1)  PB C 343 van 19.9.2016


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/15


Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Audiencia Provincial de Albacete — Spanje) — José Luis Núñez Torreiro / AIG Europe Limited, Sucursal en España, voorheen Chartis Europe Limited, Sucursal en España, Unión Española de Entidades Aseguradoras y Reaseguradoras (Unespa)

(Zaak C-334/16) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Verplichte verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven - Richtlijn 2009/103/EG - Artikel 3, eerste alinea - Begrip „deelneming aan het verkeer van voertuigen” - Nationale regeling op grond waarvan het besturen van motorrijtuigen op wegen en terreinen die niet „geschikt voor verkeer” zijn, met uitzondering van terreinen die weliswaar niet geschikt voor verkeer zijn, maar niettemin „algemeen worden gebruikt”, is uitgesloten van dat begrip))

(2018/C 072/19)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Audiencia Provincial de Albacete

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: José Luís Núñez Torreiro

Verwerende partijen: AIG Europe Limited, Sucursal en España, voorheen Chartis Europe Limited, Sucursal en España, Unión Española de Entidades Aseguradoras y Reaseguradoras (Unespa)

Dictum

Artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling zoals aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan schade die is ontstaan door het rijden met motorrijtuigen op wegen en terreinen die niet „geschikt voor verkeer” zijn, met uitzondering van terreinen die weliswaar niet geschikt zijn voor verkeer, maar niettemin „algemeen worden gebruikt”, mag worden uitgesloten van de dekking door de verplichte verzekering.


(1)  PB C 305 van 22.8.2016


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/16


Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 20 december 2017 — Trioplast Industrier AB / Europese Commissie

(Zaak C-364/16 P) (1)

((Hogere voorziening - Mededingingsregelingen - Markt voor industriële plastic zakken - Aanmaningsbrief van de Europese Commissie aan rekwirante waarbij wordt verzocht om betaling van vertragingsrente op het bedrag van de opgelegde geldboete - Beroep tot nietigverklaring en tot schadevergoeding))

(2018/C 072/20)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Trioplast Industrier AB (vertegenwoordigers: T. Pettersson, F. Sjövall en A. Johansson, advokater)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: V. Bottka en P. Rossi, gemachtigden)

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Trioplast Industrier AB wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 343 van 19.9.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/16


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Oberlandesgericht München — Duitsland) — Soha Sahyouni / Raja Mamisch

(Zaak C-372/16) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht - Verordening (EU) nr. 1259/2010 - Nauwere samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed - Erkenning van een door een religieuze rechtbank in een derde land uitgesproken buitengerechtelijke echtscheiding - Werkingssfeer van verordening nr. 1259/2010))

(2018/C 072/21)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Oberlandesgericht München

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Soha Sahyouni

Verwerende partij: Raja Mamisch

Dictum

Artikel 1 van verordening (EU) nr. 1259/2010 van de Raad van 20 december 2010 tot nauwere samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed moet aldus worden uitgelegd dat een echtscheiding die het gevolg is van een eenzijdige verklaring van een echtgenoot voor een religieuze rechtbank, zoals de echtscheiding die aan de orde is in het hoofdgeding, niet binnen de materiële werkingssfeer van die verordening valt.


(1)  PB C 343 van 19.09.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/17


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof — Duitsland) — Comité Interprofessionnel du Vin de Champagne / Aldi Süd Dienstleistungs-GmbH & Co. OHG, vertegenwoordigd door Aldi Süd Dienstleistungs-GmbH, voorheen Aldi Einkauf GmbH & Co. OHG Süd

(Zaak C-393/16) (1)

([Prejudiciële verwijzing - Gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten - Bescherming van beschermde oorsprongsbenamingen (BOB’s) - Verordening (EG) nr. 1234/2007 - Artikel 118 quaterdecies, lid 2, onder a), ii), onder b) en c) - Verordening (EU) nr. 1308/2013 - Artikel 103, lid 2), onder a), ii), onder b) en c) - Werkingssfeer - Uitbuiten van de reputatie van een BOB - Misbruik, nabootsing of voorstelling van een BOB - Onjuiste of misleidende aanduiding - BOB „Champagne” gebruikt in de benaming van een levensmiddel - Benaming „Champagner Sorbet” - Levensmiddel dat champagne als ingrediënt bevat - Ingrediënt dat het levensmiddel een essentieel kenmerk verleent])

(2018/C 072/22)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesgerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Comité Interprofessionnel du Vin de Champagne

Verwerende partij: Aldi Süd Dienstleistungs-GmbH & Co. OHG, vertegenwoordigd door Aldi Süd Dienstleistungs-GmbH, voorheen Aldi Einkauf GmbH & Co. OHG Süd,

in tegenwoordigheid van: Galana NV

Dictum

1)

Artikel 118 quaterdecies, lid 2, onder a), ii), van verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 491/2009 van de Raad van 25 mei 2009, en artikel 103, lid 2, onder a), ii), van verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad moeten aldus worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn wanneer een beschermde oorsprongsbenaming, zoals „Champagne”, wordt gebruikt als onderdeel van de benaming waaronder een levensmiddel, zoals „Champagner Sorbet”, wordt verkocht dat niet in overeenstemming is met het bij die beschermde oorsprongsbenaming horende productdossier, maar dat een ingrediënt bevat dat in overeenstemming is met dat productdossier.

2)

Artikel 118 quaterdecies, lid 2, onder a), ii), van verordening nr. 1234/2007, zoals gewijzigd bij verordening nr. 491/2009, en artikel 103, lid 2, onder a), ii), van verordening nr. 1308/2013 moeten aldus worden uitgelegd dat het gebruik van een beschermde oorsprongsbenaming als onderdeel van de benaming waaronder een levensmiddel wordt verkocht dat niet in overeenstemming is met het bij die beschermde oorsprongsbenaming horende productdossier, maar dat een ingrediënt bevat dat in overeenstemming is met dat productdossier, zoals „Champagner Sorbet”, neerkomt op het uitbuiten van de reputatie van een beschermde oorsprongsbenaming in de zin van die bepalingen indien dat levensmiddel niet als essentieel kenmerk een smaak heeft die hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van dat ingrediënt in dat levensmiddel.

3)

Artikel 118 quaterdecies, lid 2, onder b), van verordening nr. 1234/2007, zoals gewijzigd bij verordening nr. 491/2009, en artikel 103, lid 2, onder b), van verordening nr. 1308/2013 moeten aldus worden uitgelegd dat het gebruik van een beschermde oorsprongsbenaming als onderdeel van de benaming waaronder een levensmiddel wordt verkocht dat niet in overeenstemming is met het bij die beschermde oorsprongsbenaming horende productdossier, maar dat een ingrediënt bevat dat in overeenstemming is met dat productdossier, zoals „Champagner Sorbet”, geen misbruik, nabootsing of voorstelling in de zin van die bepalingen oplevert.

4)

Artikel 118 quaterdecies, lid 2, onder c), van verordening nr. 1234/2007, zoals gewijzigd bij verordening nr. 491/2009, en artikel 103, lid 2, onder c), van verordening nr. 1308/2013 moeten aldus worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op zowel onjuiste of misleidende aanduidingen die aanleiding kunnen geven tot misverstanden over de oorsprong van het betrokken product als onjuiste of misleidende aanduidingen met betrekking tot de aard of de wezenlijke kenmerken van dat product.


(1)  PB C 402 van 31.10.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/18


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 20 december 2017 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte d'appello di Milano en door het Bundesgerichtshof — Italië, Duitsland) — Acacia Srl / Pneusgarda Srl, in staat van faillissement, Audi AG (C-397/16), Acacia Srl, Rolando D’Amato / Dr. Ing. h.c. F. Porsche AG (C-435/16)

(Gevoegde zaken C-397/16 en C-435/16) (1)

([Prejudiciële verwijzing - Verordening (EG) nr. 6/2002 - Gemeenschapsmodellen - Artikel 110, lid 1 - Geen bescherming - Reparatieclausule - Begrip „onderdeel van een samengesteld voortbrengsel” - Reparatie van het samengestelde voortbrengsel om het de oorspronkelijke uiterlijke kenmerken terug te geven - Maatregelen die de gebruiker moet treffen om zich te kunnen beroepen op de reparatieclausule - Autovelg die een identieke replica van het model van de originele velg is])

(2018/C 072/23)

Procestalen: Duits en Italiaans

Verwijzende rechters

Corte d'appello di Milano, Bundesgerichtshof

Partijen in de hoofdgedingen

Verzoekende partijen: Acacia Srl (C-397/16), Acacia Srl, Rolando D’Amato (C-435/16)

Verwerende partijen: Pneusgarda Srl, in staat van faillissement, Audi AG (C-397/16), Dr. Ing. h.c. F. Porsche AG (C-435/16)

Dictum

1)

Artikel 110, lid 1, van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen moet aldus worden uitgelegd dat de erin vervatte reparatieclausule de uitsluiting van bescherming als gemeenschapsmodel voor een model dat een onderdeel vormt van een samengesteld voortbrengsel dat wordt gebruikt voor de reparatie van dit samengestelde voortbrengsel om het de oorspronkelijke uiterlijke kenmerken terug te geven, niet afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de uiterlijke kenmerken van het samengestelde voortbrengsel bepalend zijn voor het beschermde model.

2)

Artikel 110, lid 1, van verordening nr. 6/2002 moet aldus worden uitgelegd dat de erin vervatte reparatieclausule de uitsluiting van bescherming als gemeenschapsmodel voor een model dat een onderdeel vormt van een samengesteld voortbrengsel dat wordt gebruikt voor de reparatie van dit samengestelde voortbrengsel om het de oorspronkelijke uiterlijke kenmerken terug te geven, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat het reserveonderdeel uit visueel oogpunt dezelfde uiterlijke kenmerken heeft als het onderdeel dat oorspronkelijk in het samengestelde voortbrengsel was verwerkt bij het in de handel brengen van dit voortbrengsel.

3)

Artikel 110, lid 1, van verordening nr. 6/2002 moet aldus worden uitgelegd dat op de fabrikant of verkoper van een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel die zich met succes wil beroepen op de in die bepaling vervatte reparatieclausule, een zorgvuldigheidsplicht rust wat de naleving van de in die bepaling gestelde voorwaarden door de downstream-gebruiker betreft.


(1)  PB C 371 van 10.10.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/19


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunale di Bolzano — Italië) — Sabine Simma Federspiel / Provincia autonoma di Bolzano, Equitalia Nord SpA

(Zaak C-419/16) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Vrijheid van vestiging en vrij verkeer van werknemers - Artikelen 45 en 49 VWEU - Wederzijdse erkenning van diploma’s, certificaten en andere titels van artsen - Richtlijnen 75/363/EEG en 93/16/EEG - Bezoldiging van medisch specialisten in opleiding))

(2018/C 072/24)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Tribunale di Bolzano

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Sabine Simma Federspiel

Verwerende partijen: Provincia autonoma di Bolzano, Equitalia Nord SpA

Dictum

1)

Artikel 2, lid 1, onder c), van richtlijn 75/363/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de arts, zoals gewijzigd bij richtlijn 82/76/EEG van de Raad van 26 januari 1982, en artikel 24, lid 1, onder c), van richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma’s, certificaten en andere titels, moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan voorschriften van een lidstaat zoals aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan aan de toekenning van een nationale beurs die bedoeld is ter financiering van een in een andere lidstaat verstrekte opleiding die tot de verkrijging van de titel van medisch specialist leidt, de voorwaarde gekoppeld is dat de begunstigde arts in een tijdvak van tien jaar na de verkrijging van de titel van specialist gedurende vijf jaar zijn beroepswerkzaamheden in die eerste lidstaat uitoefent of, bij gebreke daarvan, dat hij tot 70 % van het bedrag van de ontvangen beurs, vermeerderd met rente, terugbetaalt.

2)

De artikelen 45 en 49 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan voorschriften van een lidstaat zoals aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan aan de toekenning van een nationale beurs die bedoeld is ter financiering van een in een andere lidstaat verstrekte opleiding die tot de verkrijging van de titel van medisch specialist leidt, de voorwaarde gekoppeld is dat de begunstigde arts in een tijdvak van tien jaar na de verkrijging van de titel van specialist gedurende vijf jaar zijn beroepswerkzaamheden in die eerste lidstaat uitoefent of, bij gebreke daarvan, dat hij tot 70 % van het bedrag van de ontvangen beurs, vermeerderd met rente, terugbetaalt, tenzij de in die voorschriften vervatte maatregelen niet daadwerkelijk bijdragen tot het nastreven van de doelstellingen van bescherming van de volksgezondheid en financieel evenwicht van het socialezekerheidsstelsel en verder gaan dan daartoe noodzakelijk is. Het is aan de verwijzende rechterlijke instantie om dat te beoordelen.


(1)  PB C 392 van 24.10.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/20


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supreme Court — Ierland) — Peter Nowak / Data Protection Commissioner

(Zaak C-434/16) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens - Richtlijn 95/46/EG - Artikel 2, onder a) - Begrip „persoonsgegevens” - Schriftelijke antwoorden van de kandidaat op een beroepsexamen - Opmerkingen van de examinator bij die antwoorden - Artikel 12, onder a) en b) - Omvang van het recht op toegang en op rectificatie van de betrokkene))

(2018/C 072/25)

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

Supreme Court

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Peter Nowak

Verwerende partij: Data Protection Commissioner

Dictum

Artikel 2, onder a), van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, moet aldus worden uitgelegd dat, in omstandigheden als die van het hoofdgeding, de door de kandidaat geformuleerde schriftelijke antwoorden op een beroepsexamen en de eventuele opmerkingen van de examinator bij deze antwoorden, persoonsgegevens in de zin van die bepaling zijn.


(1)  PB C 364 van 3.10.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/20


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Court of Appeal — Ierland) — Florea Gusa / Minister for Social Protection, Ierland, Attorney General

(Zaak C-442/16) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Richtlijn 2004/38/EG - Persoon die een zelfstandige activiteit heeft beëindigd - Behoud van de status van zelfstandige - Recht van verblijf - Wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke de toekenning van een uitkering voor werkzoekenden is voorbehouden aan personen die het recht van verblijf op het grondgebied van die lidstaat hebben))

(2018/C 072/26)

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

Court of Appeal

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Florea Gusa

Verwerende partijen: Minister for Social Protection, Ierland, Attorney General

Dictum

Artikel 7, lid 3, onder b), van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG, moet aldus worden uitgelegd dat een staatsburger van een lidstaat die, na gedurende ongeveer vier jaar in een andere lidstaat rechtmatig te hebben verbleven en er een zelfstandige activiteit te hebben uitgeoefend, deze activiteit heeft beëindigd wegens een naar behoren vastgesteld gebrek aan werk buiten zijn wil om en die zich bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening van laatstbedoelde lidstaat als werkzoekende heeft ingeschreven, de status van zelfstandige behoudt voor de toepassing van artikel 7, lid 1, onder a), van deze richtlijn.


(1)  PB C 383 van 17.10.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/21


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof — Duitsland) — Finanzamt Bingen-Alzey / Boehringer Ingelheim Pharma GmbH & Co. KG

(Zaak C-462/16) (1)

([Prejudiciële verwijzing - Belastingen - Belasting over de toegevoegde waarde (btw) - Richtlijn 2006/112/EG - Artikel 90, lid 1 - Prijsvermindering onder de door de lidstaten vastgestelde voorwaarden - Verlaging van de maatstaf van heffing - Beginselen vastgelegd in het arrest van 24 oktober 1996, Elida Gibbs (C-317/94, EU:C:1996:400) - Kortingen toegekend aan particuliere zorgverzekeraars])

(2018/C 072/27)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesfinanzhof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Finanzamt Bingen-Alzey

Verwerende partij: Boehringer Ingelheim Pharma GmbH & Co. KG

Dictum

Gelet op de beginselen die het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft vastgelegd in het arrest van 24 oktober 1996, Elida Gibbs (C-317/94, EU:C:1996:400, punten 28 en 31), betreffende de vaststelling van de maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde, en gelet op het Unierechtelijke gelijkheidsbeginsel, moet artikel 90, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde aldus worden uitgelegd dat een korting die een farmaceutische onderneming krachtens een nationale wet toekent aan een particuliere zorgverzekeraar, overeenkomstig dat artikel leidt tot een verlaging van de maatstaf van heffing in het voordeel van deze farmaceutische onderneming, wanneer farmaceutische producten via een groothandelaar worden geleverd aan apotheken die deze producten bezorgen aan personen die zijn aangesloten bij een particuliere zorgverzekering die haar verzekerden vergoedt voor de aankoopprijs van de farmaceutische producten.


(1)  PB C 402 van 31.10.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/22


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Stuttgart — Duitsland) — Brigitte Schlömp / Landratsamt Schwäbisch Hall

(Zaak C-467/16) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht - Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - Lugano II-Verdrag - Aanhangigheid - Begrip „gerecht” - Bemiddelingsinstantie naar Zwitsers recht, belast met de aan elke procedure ten gronde voorafgaande bemiddelingsprocedure))

(2018/C 072/28)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Amtsgericht Stuttgart

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Brigitte Schlömp

Verwerende partij: Landratsamt Schwäbisch Hall

Dictum

De artikelen 27 en 30 van het op 30 oktober 2007 ondertekende Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, namens de Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2009/430/EG van de Raad van 27 november 2008, moeten in die zin worden uitgelegd dat in geval van aanhangigheid de datum waarop een verplichte bemiddelingsprocedure bij een bemiddelingsinstantie naar Zwitsers recht is ingeleid, de datum is waarop de zaak wordt geacht te zijn aangebracht bij een „gerecht”.


(1)  PB C 428 van 21.11.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/22


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Fővárosi Törvényszék — Hongarije) — Incyte Corporation / Szellemi Tulajdon Nemzeti Hivatala

(Zaak C-492/16) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Intellectuele en industriële eigendom - Octrooirecht - Geneesmiddelen voor menselijk gebruik - Verordening (EG) nr. 469/2009 - Artikel 18 - Gewasbeschermingsmiddelen - Verordening (EG) nr. 1610/96 - Artikel 17, lid 2 - Aanvullend beschermingscertificaat - Duur - Vaststelling van de vervaldatum - Gevolgen van een arrest van het Hof - Mogelijkheid of verplichting tot rectificatie van de vervaldatum))

(2018/C 072/29)

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Fővárosi Törvényszék

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Incyte Corporation

Verwerende partij: Szellemi Tulajdon Nemzeti Hivatala

Dictum

1)

Artikel 18 van verordening (EG) nr. 469/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen, gelezen in het licht van artikel 17, lid 2, van verordening (EG) nr. 1610/96 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 1996 betreffende de invoering van een aanvullend beschermingscertificaat voor gewasbeschermingsmiddelen, moet aldus worden uitgelegd dat de datum van de eerste vergunning voor het in de handel brengen, zoals opgegeven in een aanvraag voor een aanvullend beschermingscertificaat, op basis waarvan de tot afgifte van een dergelijk certificaat bevoegde nationale autoriteit de duur van dat certificaat heeft berekend, niet juist is in een situatie als die in het hoofdgeding, waarin de onjuiste datum heeft geleid tot een berekeningswijze van de duur van dat certificaat die niet strookt met artikel 13, lid 1, van verordening nr. 469/2009, zoals uitgelegd in een later arrest van het Hof.

2)

Artikel 18 van verordening nr. 469/2009, gelezen in het licht van overweging 17 en artikel 17, lid 2, van verordening nr. 1610/96, moet aldus worden uitgelegd dat in een situatie als die welke in punt 1 van dit dictum is beschreven, de houder van een aanvullend beschermingscertificaat op basis van dat artikel 18 beroep kan instellen om de verlenging van de in het aanvullend beschermingscertificaat opgegeven duur te verkrijgen, en dit zolang dat aanvullend beschermingscertificaat niet is vervallen.


(1)  PB C 454 van 5.12.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/23


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Naczelny Sąd Administracyjny — Polen) — Caterpillar Financial Services sp. z o.o.

(Zaak C-500/16) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Fiscale bepalingen - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) - Richtlijn 2006/112/EG - Artikel 135, lid 1, onder a) - Vrijstellingen - Belastingen geïnd in strijd met het recht van de Unie - Belemmeringen voor de teruggaaf van te veel betaalde btw - Artikel 4, lid 3, VEU - Gelijkwaardigheidsbeginsel, doeltreffendheidsbeginsel en beginsel van loyale samenwerking - Rechten toegekend aan particulieren - Verstrijken van de verjaringstermijn van de belastingschuld - Werking van een arrest van het Hof - Rechtszekerheidsbeginsel))

(2018/C 072/30)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Naczelny Sąd Administracyjny

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Caterpillar Financial Services sp. z o.o.

in tegenwoordigheid van: Dyrektor Izby Skarbowej w Warszawie

Dictum

De beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, gelezen in het licht van artikel 4, lid 3, VEU, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling, zoals die aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan een verzoek om teruggaaf van te veel betaalde belasting over de toegevoegde waarde (btw) kan worden afgewezen indien dit verzoek is ingediend door de belastingplichtige na het verstrijken van een verjaringstermijn van vijf jaar, hoewel uit een arrest van het Hof dat is gewezen na het verstrijken van die termijn voortvloeit dat de btw die het voorwerp was van het verzoek, niet verschuldigd was.


(1)  PB C 22 van 23.1.2017.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/24


Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 20 december 2017 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Köln — Duitsland) — Deister Holding AG, voorheen Traxx Investments NV (C-504/16), Juhler Holding A/S (C-613/16) / Bundeszentralamt für Steuern

(Gevoegde zaken C-504/16 en C-613/16) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Directe belastingen - Vrijheid van vestiging - Richtlijn 90/435/EEG - Artikel 1, lid 2 - Artikel 5 - Moedermaatschappij - Houdstermaatschappij - Bronbelasting op winst die aan een niet-ingezeten moeder-/houdstermaatschappij wordt uitgekeerd - Vrijstelling - Belastingfraude, belastingontwijking en fiscaal misbruik - Vermoeden))

(2018/C 072/31)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Finanzgericht Köln

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Deister Holding AG, voorheen Traxx Investments NV (C-504/16), Juhler Holding A/S (C-613/16)

Verwerende partij: Bundeszentralamt für Steuern

Dictum

Artikel 1, lid 2, van richtlijn 90/435/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/98/EG van de Raad van 20 november 2006, juncto artikel 5, lid 1, van deze richtlijn, alsmede artikel 49 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een wettelijke belastingregeling van een lidstaat als die in de hoofdgedingen, die een niet-ingezeten moedermaatschappij, wanneer een deelneming in deze moedermaatschappij wordt gehouden door personen die geen recht op teruggaaf of vrijstelling van bronbelasting zouden hebben indien zij de dividenden van een ingezeten dochteronderneming rechtstreeks zouden ontvangen, vrijstelling van belasting op inkomsten uit vermogen over uitkeringen van dividenden ontzegt in het geval dat aan één van de voorwaarden van die wettelijke regeling is voldaan.


(1)  PB C 475 van 19.12.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/24


Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesverwaltungsgericht -Oostenrijk) — Erzeugerorganisation Tiefkühlgemüse eGen / Agrarmarkt Austria

(Zaak C-516/16) (1)

([Prejudiciële verwijzing - Landbouw - Gemeenschappelijke ordening van de markten - Operationeel programma in de sector groenten en fruit - Verordening (EG) nr. 1234/2007, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 361/2008 - Artikelen 103 ter, 103 quinquies en 103 octies - Financiële steun van de Europese Unie - Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 - Artikel 60 en bijlage IX, punt 23 - Investeringen in bedrijven en/of bedrijfsruimten van de producentenorganisatie - Begrip - Gewettigd vertrouwen - Rechtszekerheid])

(2018/C 072/32)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesverwaltungsgericht

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Erzeugerorganisation Tiefkühlgemüse eGen

Verwerende partij: Agrarmarkt Austria

Dictum

1)

De verwijzing in punt 23 van bijlage IX bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft, naar investeringen „in […] bedrijven en/of bedrijfsruimten […] van de producentenorganisatie” moet aldus worden uitgelegd dat:

het loutere feit dat een investering in het kader van een operationeel programma als bedoeld in artikel 60, lid 1, van deze verordening is gedaan op een terrein dat eigendom is van een derde en niet van de betrokken producentenorganisatie, volgens de eerstgenoemde bepaling in beginsel geen grond is om de uitgaven die deze producentenorganisatie voor die investering heeft gedaan, niet voor steun in aanmerking te laten komen;

punt 23 van bijlage IX ziet op investeringen in bedrijven en/of bedrijfsruimten waarover deze producentenorganisatie zowel rechtens als feitelijk de uitsluitende zeggenschap heeft, zodat elk gebruik van deze investeringen ten behoeve van een derde is uitgesloten.

2)

Het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen moet aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat de bevoegde nationale autoriteit in omstandigheden als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, enerzijds weigert het saldo te betalen van de financiële steun die door een producentenorganisatie was aangevraagd voor een investering die uiteindelijk op grond van punt 23 van bijlage IX bij uitvoeringsverordening nr. 543/2011 als niet-subsidiabel is aangemerkt en anderzijds deze producentenorganisatie verzoekt de reeds voor deze investering ontvangen steun terug te betalen.

3)

In omstandigheden als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, moet het Unierecht aldus worden uitgelegd dat het, bij gebreke van beperking van de werking in de tijd van het onderhavige arrest, zich er niet tegen verzet dat het rechtszekerheidsbeginsel in aanmerking wordt genomen om de terugvordering van onverschuldigd betaalde steun uit te sluiten, mits de gestelde voorwaarden dezelfde zijn als die voor de terugvordering van financiële prestaties met een zuiver nationaal karakter, ten volle met het belang van de Europese Unie rekening wordt gehouden en de goede trouw van de begunstigde is aangetoond.


(1)  PB C 462 van 12.12.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/25


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht München — Duitsland) — Hamamatsu Photonics Deutschland GmbH / Hauptzollamt München

(Zaak C-529/16) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Gemeenschappelijk douanetarief - Douanewetboek - Artikel 29 - Bepaling van de douanewaarde - Grensoverschrijdende transacties tussen onderling verbonden ondernemingen - Advance Pricing Agreement (voorafgaande verrekenprijsafspraak) - Overeengekomen verrekenprijs die bestaat in een aanvankelijk in rekening gebracht bedrag en een forfaitaire correctie na afloop van het afrekeningstijdvak))

(2018/C 072/33)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Finanzgericht München

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Hamamatsu Photonics Deutschland GmbH

Verwerende partij: Hauptzollamt München

Dictum

De artikelen 28 tot en met 31 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 82/97 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996, moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet toestaan dat als douanewaarde wordt gehanteerd een overeengekomen transactiewaarde die bestaat uit deels een aanvankelijk in rekening gebracht en aangegeven bedrag en deels een forfaitaire correctie daarop na afloop van het afrekeningstijdvak, zonder dat het mogelijk is om te weten of aan het einde van het afrekeningstijdvak deze correctie naar boven of naar beneden zal plaatsvinden.


(1)  PB C 30 van 30.1.2017.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/26


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof — Oostenrijk) — Peter Valach e.a. / Waldviertler Sparkasse Bank AG e.a.

(Zaak C-649/16) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Verordening (EU) nr. 1215/2012 - Werkingssfeer - Vordering wegens aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad ingesteld tegen de leden van een schuldeiserscomité die in een insolventieprocedure een saneringsplan hebben afgewezen))

(2018/C 072/34)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Oberste Gerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Peter Valach, Alena Valachová, SC Europa ZV II a.s., SC Europa LV a.s., VAV Parking a.s., SC Europa BB a.s., Byty A s.r.o.

Verwerende partijen: Waldviertler Sparkasse Bank AG, Československá obchodná banka a.s., Stadt Banská Bystrica

Dictum

Artikel 1, lid 2, onder b), van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet in die zin worden uitgelegd dat deze bepaling van toepassing is op een vordering wegens aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad die tegen de leden van een schuldeiserscomité is ingesteld wegens van hun stemgedrag over een saneringsplan in het kader van een insolventieprocedure, en dat een dergelijke vordering dus van de materiële werkingssfeer van die verordening is uitgesloten.


(1)  PB C 104 van 3.4.2017.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/27


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 22 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rechtbank Amsterdam — Nederland) –Tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd tegen Samet Ardic

(Zaak C-571/17 PPU) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Prejudiciële spoedprocedure - Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken - Europees aanhoudingsbevel - Kaderbesluit 2002/584/JBZ - Procedures van overlevering tussen de lidstaten - Voorwaarden voor tenuitvoerlegging - Gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging - Artikel 4 bis, lid 1, zoals voortvloeiend uit kaderbesluit 2009/299/JBZ - Bevel dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf - Begrip „proces dat tot de beslissing heeft geleid” - Strekking - Persoon die onherroepelijk tot een vrijheidsstraf is veroordeeld na een proces dat in zijn aanwezigheid is gevoerd - Straf waarvan de tenuitvoerlegging nadien ten dele en onder bepaalde voorwaarden is opgeschort - Later proces dat tot de herroeping van de opschorting wegens niet-naleving van de voorwaarden heeft geleid - Herroepingsproces dat in afwezigheid van de betrokkene is gevoerd))

(2018/C 072/35)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Rechtbank Amsterdam

Partij in het hoofdgeding

Samet Ardic

Dictum

In een geval waarin de betrokkene in persoon is verschenen op het strafproces dat heeft geleid tot de rechterlijke beslissing waarbij hij onherroepelijk schuldig is verklaard aan het plegen van een strafbaar feit en hem daarvoor een vrijheidsstraf is opgelegd waarvan de tenuitvoerlegging nadien ten dele is opgeschort op voorwaarde van de naleving van bepaalde voorwaarden, moet het begrip „proces dat tot de beslissing heeft geleid” in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, aldus worden uitgelegd dat dit zich niet uitstrekt tot een later proces tot herroeping van die opschorting van de tenuitvoerlegging wegens schending van genoemde voorwaarden tijdens de proeftijd, voor zover de herroepingsbeslissing die na dat proces is vastgesteld noch de aard noch de maat van de aanvankelijk uitgesproken straf wijzigt.


(1)  PB C 402 van 27.11.2017.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/27


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Augstākā tiesa (Letland) op 20 november 2017 — Balcia Insurance SE

(Zaak C-648/17)

(2018/C 072/36)

Procestaal: Lets

Verwijzende rechter

Augstākā tiesa

Partijen in het hoofdgeding

Eiseres tot cassatie: Balcia Insurance SE

Verweerster in cassatie: AS Baltijas Apdrošināšanas Nams

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 3, lid 1, van richtlijn 72/166/EEG (1) van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (Eerste richtlijn) aldus worden uitgelegd dat het begrip „deelneming aan het verkeer van voertuigen” een situatie omvat als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, namelijk het openen van de portieren van een geparkeerd voertuig?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 3, lid 1, van richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 dan aldus worden uitgelegd dat het begrip „deelneming aan het verkeer van voertuigen” een situatie omvat als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, namelijk een situatie waarin schade aan de eigendom van een derde wordt veroorzaakt door het gebruik van een voertuig door een passagier?


(1)  PB 1972, L 103, blz. 1.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/28


Hogere voorziening ingesteld op 8 december 2017 door Alex SCI tegen de beschikking van het Gerecht (Eerste kamer) van 10 oktober 2017 in zaak T-841/16, Alex / Commissie

(Zaak C-696/17 P)

(2018/C 072/37)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirante: Alex SCI (vertegenwoordiger: J. Fouchet, avocat)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 10 oktober 2017 in zijn geheel nietig verklaren behalve voor zover daarin wordt erkend dat tegen het besluit van de Commissie van 21 september 2016 beroep kan worden ingesteld;

opnieuw recht doende:

het besluit van de Europese Commissie van 21 september 2016 nietig verklaren;

vaststellen dat de door het EFRO, de Franse Staat, de Conseil régional d’Aquitaine en de Conseil général des Pyrénées Atlantiques aan de CABAB verleende steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is;

de Europese Commissie verwijzen in alle kosten van de procedure, daaronder begrepen de kosten voor een advocaat ter hoogte van 5 000 EUR.

Middelen en voornaamste argumenten

A.   Ontvankelijkheid

Rekwirante verzoekt om bevestiging van de beschikking van het Gerecht waar dit laatste heeft geoordeeld dat tegen voornoemd besluit in rechte kon worden opgekomen. De brief van 21 september 2016 is een voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 263, lid 1, VWEU.

Rekwirante verzoekt de beschikking van het Gerecht te wijzigen voor zover deze betrekking heeft op de procesbevoegdheid en het procesbelang van Alex SCI. Zij werd door het betrokken besluit geraakt in de zin van artikel 263, lid 4, VWEU wat haar situatie op de markt betreft.

B.   Ten gronde

Het eerste middel is ontleend aan externe onwettigheid wegens een motiveringsgebrek. In het besluit van 21 september 2016 wordt geen enkele uit juridische of tekstuele gegevens dan wel uit de rechtspraak afgeleide grondslag genoemd, zodat Alex SCI, vertegenwoordigd door haar bestuurder, dit besluit niet kan begrijpen door het alleen maar te lezen. Aangezien het besluit zowel juridisch als feitelijk zeer gebrekkig is gemotiveerd, is er sprake van externe onwettigheid.

Het tweede middel is ontleend aan interne onwettigheid (niet-aangemelde staatssteun). De Communauté d’Agglomération Côte-basque — Adour (CABAB) was in het kader van haar economische strategie voornemens om de „Technocité” in Bayonne aan te leggen, een terrein waar een gespecialiseerd luchtvaartcentrum moest ontstaan. Daartoe heeft de CABAB het EFRO, de Franse Staat, de Conseil régional d’Aquitaine en de Conseil général des Pyrénées Atlantiques verzocht of zij het project mede wilden financieren door ieder een bedrag van 1 000 000 EUR bij te dragen.

Om te beginnen vertonen deze betalingen volgens rekwirante alle kenmerken van staatssteun en gaat het dus om een steunmaatregel die in strijd met artikel 108 VWEU niet is aangemeld.

Bovendien zijn deze betalingen onverenigbaar met de interne markt. Het project Technocité bestaat immers uit een gespecialiseerd platform voor industrie en dienstverlening gericht op de ontwikkeling van geavanceerde technologie voor de lucht- en ruimtevaartsector alsook van geïntegreerde systemen. Deze sector is uitermate competitief. Daarom is deze steun in strijd met artikel 107 VWEU.

Wat ten slotte de niet-naleving van de steunverleningsovereenkomsten betreft, moet eraan worden herinnerd dat deze overeenkomsten tot doel hadden het project „luchtvaartcentrum Technocité” te financieren om zo het terrein in te richten en te komen tot „een gespecialiseerd platform voor onderzoek naar en ontwikkeling van geavanceerde technologie voor de lucht- en ruimtevaartsector alsook van geïntegreerde systemen”. Op het terrein van Technocité verrichten diverse ondernemingen tal van werkzaamheden. Het betreft ondernemingen zoals Fidal, Avantis, Decra, Sepa, Trescal, KPMG en Capgemini, dat wil zeggen ondernemingen die op andere gebieden dan de luchtvaart actief zijn.

De staatssteun moet kortom ongeldig worden verklaard en de betaalde bedragen dienen te worden terugbetaald [zie in het bijzonder artikel 4, leden 1 en 2, van verordeningen nr. 734/2013 (1) en nr. 2988/95 (2); Conseil d’État (Raad van State, Frankrijk; hierna: „CE”), 2 juni 1992, jurispr. blz. 165; CE, 6 november 1998, jurispr. blz. 397; HvJEG 11 juli 1996, SFEI, C-39/94].


(1)  Verordening (EU) nr. 734/2013 van de Raad van 22 juli 2013 tot wijziging van verordening (EG) nr. 659/1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 204, blz. 15).

(2)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312, blz. 1).


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/29


Hogere voorziening ingesteld op 5 januari 2018 door Alfamicro — Sistemas de computadores, Sociedade Unipessoal, Lda. tegen het arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 14 november 2017 in zaak T-831/14, Alfamicro / Commissie

(Zaak C-14/18 P)

(2018/C 072/38)

Procestaal: Portugees

Partijen

Rekwirante: Alfamicro — Sistemas de computadores, Sociedade Unipessoal, Lda. (vertegenwoordigers: G. Gentil Anastácio en D. Pirra Xarepe, advocaten)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

Vernietiging van het arrest van het Gerecht van 14 november 2017 in zaak T-831/14.

Terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht voor een uitspraak overeenkomstig artikel 263 VWEU.

Verwijzing van de Europese Commissie in alle kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Alfamicro komt op tegen de uitspraak van het Gerecht waarbij het door haar ingestelde beroep is verworpen en zij is veroordeeld tot betaling aan de Europese Commissie van het bedrag van 277 849,93 EUR, vermeerderd met een bedrag ter hoogte van 26,88 EUR vertragingsrente per dag. Volgens Alfamicro had het Gerecht uitspraak moeten doen op basis van artikel 263 VWEU en niet op basis van artikel 272 VWEU. Voor het overige betoogt Alfamicro dat de Commissie, evenals het Gerecht, in haar besluit — een bestuurlijk besluit — de beginselen van evenredigheid, goede trouw en rechtszekerheid niet in acht heeft genomen.

Alfamicro betoogt dat zowel uit de analyse als uit de context van de brief van de Commissie van 28 oktober 2014 blijkt dat die brief een besluitvormende bestuurlijke handeling, dat wil zeggen een bestuurlijk besluit, vormt. De bewoordingen ervan, het feit dat zij is gebaseerd op een onderzoek door de Rekenkamer, het feit dat de Commissie de conclusies van dat onderzoek heeft geprojecteerd op alle andere overeenkomsten waarbij rekwirante partij was en de door de Commissie gevorderde vergoedingen wijzen erop dat het hier een bestuurlijk besluit betreft. De uitspraak van het Gerecht, waaruit blijkt dat het Gerecht het ingestelde beroep beschouwt als een beroep tot vaststelling en niet als een beroep tot nietigverklaring van een bestuurlijk besluit, doet ernstig afbreuk aan de rechten van verweer van rekwirante. Voorts is Alfamicro van oordeel dat het Gerecht het beginsel van gelijkheid van partijen en het beginsel van contractueel evenwicht in ernstige mate heeft geschonden.

Door de aan rekwirante toegezegde steun met meer dan 93 % te verlagen heeft de Commissie niet alle maatregelen getroffen waartoe zij volgens de overeenkomst gehouden was en heeft zij dus het evenredigheidsbeginsel geschonden. Door dat handelen van de Commissie niet af te keuren heeft het Gerecht het evenredigheidsbeginsel niet geëerbiedigd en dus geschonden. Wanneer de Commissie maatregelen treft die niet passend zijn en arbitrair, leidt dat tot een gebrek aan rechtszekerheid. Door het handelen van de Commissie goed te keuren heeft het Gerecht dus ook het beginsel van rechtszekerheid geschonden.


Gerecht

26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/31


Arrest van het Gerecht van 18 januari 2018 — Kenup Foundation e.a. / EIT

(Zaak T-76/15) (1)

((„Onderzoek en technologische ontwikkeling - EIT - Kaderprogramma voor onderzoek en innovatie Horizon 2020 - Uitnodiging tot het indienen van voorstellen voor de aanwijzing van een kennis- en innovatiegemeenschap - Afwijzing van de offerte van verzoeksters - Verordening (EG) nr. 294/2008 - Verordening (EU) nr. 1290/2013 - Onrechtmatige delegatie van bevoegdheden”))

(2018/C 072/39)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Kenup Foundation (Kalkara, Malta), Candena GmbH (Lunebourg, Duitsland), CO BIK Center odličnosti za biosenzoriko, instrumentacijo in procesno kontrolo (Ajdovščina, Slovenië), Evotec AG (Hamburg, Duitsland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk vertegenwoordigd door U. Soltész, C. Wagner, H. Weiß en A. Richter, vervolgens door Soltész, Weiß en Richter, en tenslotte door Soltész en Weiß, advocaten)

Verwerende partij: Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT) (vertegenwoordigers: M. Kern, gemachtigde, bijgestaan door P. de Bandt en M. Gherghinaru, advocaten)

Interveniënten aan de zijde van verzoekende partijen: Republiek Malta (vertegenwoordiger: M. E. Perici Calascione, advocaat) en Stiftung Universität Lüneburg (vertegenwoordiger: F. Oehl, advocaat)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van de besluiten van 9 december 2014, waarvan de inhoud is medegedeeld bij brief van 10 december 2014 en bij welke het EIT de kennis- en innovatiegemeenschap (KIG) „Innovatie voor gezond leven en actief ouder worden” heeft aangewezen en het door het Kenup-consortium ingediende voorstel heeft afgewezen.

Dictum

1)

De besluiten van 9 december 2014, waarvan de inhoud is medegedeeld bij brief van 10 december 2014 en bij welke het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT) de kennis- en innovatiegemeenschap (KIG) „Innovatie voor gezond leven en actief ouder worden” heeft aangewezen en het door het Kenup-consortium ingediende voorstel heeft afgewezen, worden nietig verklaard.

2)

Het EIT draagt zijn eigen kosten en die van Kenup Foundation, Candena GmbH, CO BIK Center odličnosti za biosenzoriko, instrumentacijo in procesno kontrolo en Evotec AG.


(1)  PB C 146 van 4.5.2015.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/32


Arrest van het Gerecht van 16 januari 2018 — EDF/Commissie

(Zaak T-747/15) (1)

((„Staatssteun - Steunmaatregelen van de Franse autoriteiten voor EDF - Herclassificatie van belastingvrije boekhoudkundige voorzieningen voor de vervanging van het hoogspanningsnet als kapitaal - Besluit waarbij de steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard - Gezag van gewijsde - Criterium van de particuliere investeerder”))

(2018/C 072/40)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Électricité de France (EDF) (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordiger: M. Debroux, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: É. Gippini Fournier, B. Stromsky en D. Recchia, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verzoekende partij: Franse Republiek (vertegenwoordigers: aanvankelijk G. de Bergues, D. Colas en J. Bousin en vervolgens D. Colas en J. Bousin, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van de artikelen 1 tot en met 5 van besluit (EU) 2016/154 van de Commissie van 22 juli 2015 betreffende steunmaatregel SA.13869 (C 68/2002) (ex NN 80/2002) — Herclassificatie van de belastingvrije boekhoudkundige voorzieningen voor de vervanging van het hoogspanningsnet als kapitaal die door Frankrijk ten uitvoer is gelegd ten gunste van EDF (PB 2016, L 34, blz. 152)

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Électricité de France (EDF) wordt verwezen in haar eigen kosten en in de kosten van de Europese Commissie met uitzondering van de kosten die deze laatste zijn opgekomen door de interventie van de Franse Republiek.

3)

De Franse Republiek wordt verwezen in haar eigen kosten en in de kosten die de Commissie zijn opgekomen door de interventie van de Franse Republiek.


(1)  PB C 78 van 29.2.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/32


Arrest van het Gerecht van 17 januari 2018 — Deichmann/EUIPO — Munich (Afbeelding van een kruis op de zijkant van een sportschoen)

(Zaak T-68/16) (1)

((„Uniemerk - Procedure tot vervallenverklaring - Uniebeeldmerk dat een kruis op de zijkant van een sportschoen afbeeldt - Positiemerk - Normaal gebruik van het merk - Artikel 15, lid 1, en artikel 51, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 18, lid 1, en artikel 58, lid 1, onder a), van verordening (EU) 2017/1001]”))

(2018/C 072/41)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Deichmann SE (Essen, Duitsland) (vertegenwoordiger: C. Onken, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: D. Gája, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: Munich, SL (Capellades, Spanje) (vertegenwoordigers: J. Güell Serra en M. del Mar Guix Vilanova, advocaten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 4 december 2015 (zaak R 2345/2014-4) inzake een procedure tot vervallenverklaring tussen Deichmann en Munich

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Deichmann SE wordt verwezen in de kosten van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) en van Munich, SL.


(1)  PB C 111 van 29.3.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/33


Arrest van het Gerecht van 16 januari 2018 — Sun Media/EUIPO — Meta4 Spain (METABOX)

(Zaak T-204/16) (1)

([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniewoordmerk METABOX - Ouder Uniemerk en oudere nationale woordmerken META4 en ouder Uniemerk en oudere nationale beeldmerken meta4 - Relatieve weigeringsgrond - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001] - Overeenstemmende tekens - Verwarringsgevaar”])

(2018/C 072/42)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Sun Media Ltd (Hong Kong, China) (vertegenwoordiger: A. Schnider, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: S. Bonne, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: Meta4 Spain, SA (Las Rozas, Spanje) (vertegenwoordiger: I. Temiño Ceniceros, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 8 februari 2016 (zaak R 307/2015-2) betreffende een oppositieprocedure tussen Meta4 Spain en Sun Media

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Sun Media Ltd wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 232 van 27.6.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/34


Arrest van het Gerecht van 16 januari 2018 — Sun Media/EUIPO — Meta4 Spain (METAPORN)

(Zaak T-273/16) (1)

((„Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniewoordmerk METAPORN - Oudere Uniewoordmerken en nationale woordmerken META4 en ouder Uniebeeldmerk en nationaal beeldmerk meta4 - Relatieve weigeringsgrond - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001] - Soortgelijke diensten - Begrip complementaire diensten - Overeenstemmende tekens - Verwarringsgevaar”))

(2018/C 072/43)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Sun Media Ltd (Hong Kong, China) (vertegenwoordiger: A. Schnider, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: S. Bonne, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: Meta4 Spain, SA (Las Rozas, Spanje) (vertegenwoordiger: I. Temiño Ceniceros, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 3 maart 2016 (gevoegde zaken R 653/2015-2 en R 674/2015-2) inzake een oppositieprocedure tussen Meta4 Spain en Sun Media.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Sun Media Ltd wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 270 van 25.7.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/34


Arrest van het Gerecht van 16 januari 2018 — Starbucks/EUIPO — Nersesyan (COFFEE ROCKS)

(Zaak T-398/16) (1)

([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniebeeldmerk COFFEE ROCKS - Oudere Uniebeeldmerken STARBUCKS COFFEE - Relatieve weigeringsgrond - Overeenstemmende tekens - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001] - Artikel 8, lid 5, van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 5, van verordening (EU) 2017/1001]”])

(2018/C 072/44)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Starbucks Corp. (Seattle, Washington, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: J. Schmitt, advocaat, en I. Fowler, solicitor)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: J. Crespo Carrillo en A. Kusturovic, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO: Hasmik Nersesyan (Borgloon, België)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 24 mei 2016 (zaak R 559/2015-4) inzake een oppositieprocedure tussen Starbucks Corp. en Hasmik Nersesyan

Dictum

1)

De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 24 mei 2016 (zaak R 559/2015-4) wordt vernietigd.

2)

Het EUIPO wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 335 van 12.9.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/35


Arrest van het Gerecht van 16 januari 2018 — Dehtochema Bitumat/ECHA

(Zaak T-630/16) (1)

((„REACH - Voor registratie van een stof verschuldigde vergoeding - Verlaagde vergoeding voor KMO’s - Aanbeveling 2003/361/EG - Begrip verbonden onderneming - Indiening van een „onjuiste verklaring omtrent de grootte van de onderneming” - Verlaging van het bedrag van de toepasselijke vergoeding voor administratieve kosten met 50 % - Bevoegdheid van het ECHA - Staking van de productie van de stof”))

(2018/C 072/45)

Procestaal: Tsjechisch

Partijen

Verzoekende partij: Dehtochema Bitumat, s. r. o. (Bělá pod Bezdězem, Tsjechië) (vertegenwoordiger: P. Holý, advocaat)

Verwerende partij: Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) (vertegenwoordigers: aanvankelijk J.-P. Trnka, E. Maurage en M. Heikkilä, vervolgens J.-P. Trnka en M. Heikkilä, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit SME(2016) 3038 van het ECHA van 7 juli 2016, waarbij wordt vastgesteld dat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden om voor de verlaagde vergoeding voor middelgrote ondernemingen in aanmerking te komen en haar een vergoeding voor administratieve kosten wordt opgelegd

Dictum

1)

Het verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van besluit SME(2016) 3038 van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) van 7 juli 2016 wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

Dehtochema Bitumat s. r. o. wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 402 van 31.10.2016.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/36


Arrest van het Gerecht van 18 januari 2018 — LG Electronics/EUIPO (Dual Edge)

(Zaak T-804/16) (1)

([„Uniemerk - Aanvraag voor Uniewoordmerk Dual Edge - Absolute weigeringsgrond - Beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EU) 2017/1001]”])

(2018/C 072/46)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: LG Electronics, Inc. (Seoel, Zuid-Korea) (vertegenwoordiger: M. Graf, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: M. Rajh, gemachtigde)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 2 september 2016 (zaak R 832/2016-2) inzake een aanvraag tot inschrijving van het woordteken Dual Edge als Uniemerk

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

LG Electronics, Inc. wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 22 van 23.1.2017.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/36


Arrest van het Gerecht van 16 januari 2018 — SE / Raad

(Zaak T-231/17) (1)

((„Openbare dienst - Ambtenaren - Bezoldiging - Gezinstoelagen - Artikel 2, lid 2, derde alinea, van bijlage VII bij het Statuut - Begrip „kind ten laste” - Begrip ‘kind ten aanzien van wie de ambtenaar krachtens een rechterlijke beslissing op grond van de wetgeving inzake de bescherming van minderjarigen van een lidstaat een onderhoudsplicht heeft’ - Weigering om de hoedanigheid van ‘kind ten laste’ toe te kennen aan de kleindochter van de ambtenaar”))

(2018/C 072/47)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: SE (vertegenwoordiger: N. de Montigny, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Bauer en R. Meyer, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 270 VWEU, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de Raad van 22 juni 2016 waarbij het tot aanstelling bevoegd gezag van deze instelling heeft geweigerd om te erkennen dat verzoekers kleindochter een „kind ten laste” van hem was in de zin artikel 2, lid 2, derde alinea, van bijlage VII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

SE wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 213 van 3.7.2017.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/37


Beroep ingesteld op 7 december 2017 — Intercontact Budapest / CdT

(Zaak T-809/17)

(2018/C 072/48)

Procestaal: Hongaars

Partijen

Verzoekende partij: Intercontact Budapest Fordító és Pénzügyi Tanácsadó Kft. (Boedapest, Hongarije) (vertegenwoordiger: É. Subasicz, advocaat)

Verwerende partij: Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie (CdT)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

primair, door vergelijking van de ingediende inschrijvingen vast te stellen of de beoordelingspunten die aan elke inschrijver zijn toegekend, realistisch zijn en in overeenstemming met de beginselen van gelijke behandeling, non-discriminatie, evenredigheid en transparantie;

subsidiair, de door de verwerende partij vastgestelde besluiten van 10 juli 2017 betreffende het resultaat van de openbare aanbestedingen FL/GEN 16-01 en FL/GEN 16-02 nietig te verklaren;

méér subsidiair, de openbare aanbestedingsprocedures nietig te verklaren;

de verwerende partij te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vier middelen aan.

1.

Met haar eerste middel stelt zij dat de beginselen van gelijke behandeling, non-discriminatie, evenredigheid en transparantie zijn geschonden aangezien de verwerende partij de inschrijvers op de openbare aanbestedingen niet consequent heeft beoordeeld, meer bepaald identieke activiteiten in de respectievelijke procedures op een verschillende wijze heeft beoordeeld. (1)

2.

Met haar tweede middel stelt zij dat de verwerende partij zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van bevoegdheid doordat zij haar in de openbare aanbestedingsprocedures niet de vereiste informatie heeft verstrekt. (2)

3.

Met haar derde middel stelt zij dat inbreuk is gemaakt op het beginsel dat openbare aanbestedingen transparant zijn, aangezien de verwerende partij het resultaat van de aanbestedingsprocedures te laat in het Publicatieblad heeft bekendgemaakt en daarbij niet alle door de Unierichtlijn bepaalde informatie heeft vermeld. (3)

4.

Met haar vierde middel stelt zij dat de verwerende partij inbreuk heeft gemaakt op de richtlijn betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten doordat zij niet heeft meegedeeld wat de termijnen voor beroepsprocedures waren en zo de mogelijkheid om de besluiten aan te vechten, heeft beperkt. (4)


(1)  Overwegingen 1 en 90 van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG (PB 2014, L 94, blz. 65).

(2)  Artikel 113 van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB 2012, L 298, blz. 1).

(3)  Artikel 50 van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG (PB 2014, L 94, blz. 65).

(4)  Bijlage V, deel D, punt 16, bij richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG (PB 2014, L 94, blz. 65).


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/38


Beroep ingesteld op 14 december 2017 — Luxemburg / Commissie

(Zaak T-816/17)

(2018/C 072/49)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Groothertogdom Luxemburg (vertegenwoordigers: D. Holderer, gemachtigde, D. Waelbroeck en A. Steichen, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het huidige beroep ontvankelijk en gegrond verklaren;

primair, het besluit van de Commissie betreffende staatssteun SA.38944 van 4 oktober 2017 inzake Luxemburgse steun aan Amazon nietig verklaren;

subsidiair, het besluit van de Commissie betreffende staatssteun SA.38944 van 4 oktober 2017 inzake Luxemburgse steun aan Amazon nietig verklaren voor zover daarbij terugvordering van de steun wordt gelast;

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoeker vijf middelen aan.

1.

Het eerste middel valt uiteen in drie onderdelen en is ontleend aan schending van artikel 170 VWEU, aangezien de Commissie niet heeft aangetoond dat sprake is van een voordeel voor Amazon EU Sàrl (hierna: „LuxOpCO”).

Met het eerste onderdeel voert verzoeker aan dat met de fiscale ruling en de vernieuwing van deze ruling in 2011 geen enkel voordeel werd toegekend, aangezien de vergoeding die een derde voor een licentie op immateriële activa zou hebben betaald, hoger zou zijn geweest dan de vergoeding die LuxOpCo krachtens de licentieovereenkomst aan Amazon Europe Holding Technologies SCS (hierna: „LuxSCS”) heeft betaald. Verzoekster meent dat in het besluit van de Commissie betreffende staatssteun SA.38944 van 4 oktober 2017 inzake Luxemburgse steun aan Amazon (hierna: „bestreden besluit”) ten onrechte wordt gesteld dat de daadwerkelijk door LuxOpCo betaalde vergoeding afwijkt van de zakelijke verrekenprijs.

Het tweede onderdeel is eraan ontleend dat in het bestreden besluit bij de analyse van de methode van de transactionele nettomarge de feiten kennelijk zijn verdraaid en het recht kennelijk onjuist is toegepast. Deze methode zou in het kader van de fiscale ruling zowel bij de keuze van de onderzochte partij als bij de toe te passen parameters verkeerd zijn gehanteerd.

Het derde onderdeel is gebaseerd op het argument dat juist de door de Commissie in het bestreden besluit berekende transferprijs tot een resultaat heeft geleid dat kennelijk afweek van het zakelijkheidsbeginsel.

2.

Het tweede middel is verdeeld in twee onderdelen en is ontleend aan schending van artikel 107 VWEU aangezien de Commissie niet het bewijs heeft geleverd van de selectiviteit van de betrokken fiscale ruling.

Met het eerste onderdeel betoogt verzoeker dat de Commissie er ten onrechte van is uitgegaan dat de betrokken fiscale ruling selectief was, terwijl de Commissie om de selectiviteit van deze ruling aan te nemen volgens de rechtspraak niet dient vast te stellen dat er een voordeel bestond, maar in het kader van haar analyse van de selectiviteit verplicht is eerst het toepasselijke referentiekader te definiëren om vervolgens een afwijking van dit referentiekader vast te stellen.

Het tweede onderdeel is ontleend aan de omstandigheid dat de Commissie in haar subsidiaire overwegingen de veronderstelde selectiviteit van de aangevoerde steun niet heeft bewezen. Deze twee subsidiaire overwegingen, waarin de zogenoemde selectiviteit werd vastgesteld, gaan kennelijk mank, aangezien de Commissie zich heeft vergist wat de referentiekaders betreft en hoe dan ook niet heeft kunnen aantonen dat van die kaders werd afgeweken.

3.

Het derde middel is ontleend aan schending van de artikelen 4 en 5 VWEU aangezien de Commissie tot verkapte fiscale harmonisatie overgaat door haar eigen opvatting op te leggen van hetgeen moet worden beschouwd als een „goede” verrekenprijs die LuxOpCo krachtens de desbetreffende licentieovereenkomst werd geacht te betalen aan LuxSCS. Verzoeker stelt dienaangaande dat de Commissie feitelijk via het staatssteunrecht op verholen wijze de fiscale verrekenprijzen harmoniseert en zo de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten op het gebied van directe belastingen schendt.

4.

Het vierde middel is ontleend aan schending van verordening 2015/1589 en de rechten van de verdediging, aangezien de Commissie in strijd met deze rechten heeft gehandeld doordat zij een besluit heeft vastgesteld waarin ex post door Amazon overgelegde gegevens simpelweg niet aanmerking zijn genomen en waarbij het Groothertogdom Luxemburg of Amazon geen nadere opmerkingen meer hebben kunnen maken met betrekking tot het centrale argument dat door deze gegevens wordt gestaafd, namelijk dat er een fout is gemaakt bij de keuze van de voor de toepassing van de methode van de transactionele nettomarge onderzochte partij.

5.

Het vijfde middel wordt subsidiair aangevoerd en is eraan ontleend dat de Commissie artikel 16 van verordening 2015/1589 heeft geschonden. De terugvordering van de steun is namelijk onverenigbaar met het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien het Groothertogdom Luxemburg de verrekenprijzen te goeder trouw heeft toegepast en het de door de Commissie in het bestreden besluit toegepaste nieuwe benadering van de verrekenprijzen niet kon voorzien.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/39


Beroep ingesteld op 18 december 2017 — Sierra / EUIPO

(Zaak T-819/17)

(2018/C 072/50)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Mercedes Sierra (Alicante, Spanje) (vertegenwoordiger: E. Fontes Vila, abogado)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie

Conclusies

Verzoekster verzoekt het Gerecht verweerder te gelasten om uit haar beoordelingsrapport („Appraisal Report”), dat betrekking heeft op 2016, elk bezwaar met betrekking tot haar wijze van communicatie te verwijderen, aangezien in die bevindingen de feiten zijn verdraaid en haar grondrecht om haar ideeën en meningen vrijelijk naar voren te brengen, is geschonden.

Middelen en voornaamste argumenten

Het onderhavige beroep is gericht tegen het besluit van EUIPO dat is genomen in het kader van de jaarlijkse beoordeling van verzoekster, namelijk het rapport betreffende 2016.

Verzoekster vordert met name intrekking van bepaalde in dat beoordelingsrapport verrichte vaststellingen.

Ter onderbouwing van haar beroep voert verzoekster aan dat zij het recht heeft om zich binnen het Bureau vrijelijk en zonder vrees voor represailles uit te drukken.

Volgens haar is haar recht op vrijheid van meningsuiting geschonden. Zij stelt tevens dat de ter motivering van het besluit verstrekte reden om de ambtenaar niet te verhogen op de wijze die haar of zijn inzet, kwaliteit en uitvoering van het werk zou verdienen, hem of haar in een situatie van weerloosheid plaatst.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/40


Beroep ingesteld op 20 december 2017 — Etnia Dreams/EUIPO — Poisson (Etnik)

(Zaak T-823/17)

(2018/C 072/51)

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Etnia Dreams (Valencia, Spanje) (vertegenwoordiger: P. Gago Comes, abogado)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Serge Poisson (Limal, België)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: Uniewoordmerk „Etnik” – inschrijvingsaanvraag nr. 15 721 301

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 19 oktober 2017 in zaak R 880/2017-4

Conclusies

Verzoekster concludeert dat het Gerecht na de toewijzing van het beroep een nieuwe beslissing geeft waarbij oppositie nr. B 2 791 229 wordt toegewezen en bijgevolg na een eerlijke procedure de aanvraag tot inschrijving van merk nr. 15 721 301 „Etnik” voor de klassen 3 en 35 op grond van artikel 8, lid 1, onder a), wordt afgewezen wegens het bestaan van gevaar voor verwarring met Uniemerk nr. 11 017 241 waarvan Etnia Dreams SL houdster is.

Aangevoerde middelen

De grondslag van de oppositie strookt duidelijk met artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009;

verweerder had regel 17, leden 3 en 4, laatste streepje, van verordening nr. 2868/95 moeten toepassen en dus de onregelmatigheid moeten melden, zodat deze binnen twee maanden had kunnen worden verholpen;

schending van de artikelen 41 en 42 van verordening nr. 207/2009;

schending van de artikelen 10, 41, 47 en 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

schending van de beginselen van de goede trouw en de eerbiediging van het gewettigd vertrouwen.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/41


Beroep ingesteld op 29 december 2017 — United Parcel Service / Commissie

(Zaak T-834/17)

(2018/C 072/52)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: United Parcel Service, Inc. (Atlanta, Georgia, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: A. Ryan, solicitor, F. Hoseinian en W. Knibbeler, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

UPS een schadeloosstelling toekennen ter hoogte van 1,742 miljard EUR vermeerderd met de verschuldigde rente;

UPS een vergoeding toekennen ter compensatie van de belastingen die haar over de verkregen schadeloosstelling zullen worden opgelegd, te berekenen volgens het op de dag van de uitspraak toepasselijke belastingtarief;

de Commissie verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster verzoekt op grond van artikel 340 VWEU om een vergoeding ter compensatie van het verlies dat zij heeft geleden als gevolg van besluit C(2013) 431 van de Commissie, Zaak COMP/M.6570 UPS/TNT Express (hierna: „besluit”) dat het Gerecht op 7 maart 2017 in zaak T-194/13 nietig heeft verklaard.

Ter ondersteuning van haar vordering betoogt verzoekster dat het besluit blijk geeft van voldoende gekwalificeerde schendingen van rechtsregels die ertoe strekken UPS rechten te verlenen. Stuk voor stuk hadden deze schendingen volgens verzoekster betrekking op de onderbouwing van het besluit en hebben zij verzoekster belet om TNT over te nemen en te profiteren van de voordelen die aan deze transactie verbonden zouden zijn geweest.

Verzoekster stelt dat deze schendingen betrekking hebben op een gekwalificeerde schending van het recht bij de in het besluit gemaakte (1) analyse van de prijsconcentratie; (2) analyse van de efficiëntieverbeteringen; (3) beoordeling van het concurrentievermogen van FedEx, en (4) beoordeling hoe nauw de concurrentierelatie was.

Volgens verzoekster waren deze schendingen zowel elk apart als tezamen de oorzaak van de onwettigheid van het besluit en is de Unie als gevolg van deze schendingen aansprakelijk volgens artikel 340 VWEU.

Verzoekster stelt voorts dat deze schendingen op hun beurt hebben geleid tot het door haar geleden verlies, aangezien UPS zonder deze schendingen TNT zou hebben overgenomen. Zonder de onjuistheden in de analyse van de prijsconcentratie, de analyse van de efficiëntieverbeteringen, de beoordeling van het concurrentievermogen van FedEx en de beoordeling hoe nauw de concurrentierelatie was, zou geen normaal voorzichtig en toegewijd bestuursorgaan de voorgestelde overeenkomst hebben verboden, zo stelt verzoekster.

Volgens verzoekster dient zij daarom bij wijze van schadevergoeding krachtens artikel 340 VWEU te worden hersteld in de toestand waarin zij zich zou hebben bevonden indien het onrechtmatige besluit niet zou zijn vastgesteld.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/42


Beroep ingesteld op 29 december 2017 — Eurofer / Commissie

(Zaak T-835/17)

(2018/C 072/53)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Eurofer, Association Européenne de l’Acier, ASBL (Brussel, België) (vertegenwoordigers: J. Killick, barrister en G. Forwood, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

artikel 2 van uitvoeringsverordening 2017/1795 van de Commissie van 5 oktober 2017 (PB 2017, L 258, blz. 24) nietig verklaren;

de gevraagde maatregelen tot organisatie van de procesgang gelasten;

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan.

1.

Het eerste middel is ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout en schending van het recht doordat is besloten de Servische import niet overeenkomstig artikel 3, lid 4, van de basisverordening (1) te combineren met de import van de andere vier landen waarnaar onderzoek wordt gedaan.

2.

Het tweede middel is ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout en schending van het recht doordat handelsbeschermende maatregelen tegen Servië — zelfs zonder dat andere import in aanmerking werd genomen — als „onnodig” in de zin van artikel 9, lid 2, van de basisverordening zijn aangemerkt.

3.

Het derde middel is ontleend aan schending van artikel 20, lid 2, van de basisverordening, schending van verzoeksters recht op informatie en haar recht van verweer, alsmede aan niet-nakoming van de verplichting tot behoorlijk bestuur volgens artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, doordat de Commissie de schademarge (prijsbederf) en de prijsonderbiedingsmarge met betrekking tot de invoer uit Servië niet heeft meegedeeld en daarna heeft geweigerd alle relevante aspecten van de zaak nauwgezet en onpartijdig te onderzoeken.


(1)  Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 21).


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/43


Beroep ingesteld op 28 december 2017 — Negru/EUIPO — Sky (SkyPrivate)

(Zaak T-837/17)

(2018/C 072/54)

Taal van het verzoekschrift: Roemeens

Partijen

Verzoekende partij: Alexandru Negru (Iași, Roemenië) (vertegenwoordiger: I.-M. Iliescu, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Sky plc (Isleworth, Verenigd Koninkrijk)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager: verzoekende partij

Betrokken merk: internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Unie van het beeldmerk met het woordelement „Skyprivate”

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 12 oktober 2017 in zaak R 349/2017-2

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO in de kosten.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/43


Beroep ingesteld op 9 januari 2018 — Holzer y Cia/EUIPO — Annco (ANN TAYLOR)

(Zaak T-3/18)

(2018/C 072/55)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Holzer y Cia, SA de CV (Mexico-Stad, Mexico) (vertegenwoordiger: N. Fernández Fernández-Pacheco, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Annco, Inc. (New York, New York, Verenigde Staten)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken merk: verzoekende partij

Betrokken merk: Uniewoordmerk „ANN TAYLOR” — Uniemerk nr. 9 865 651

Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 2 november 2017 in zaak R 2370/2016-2

Conclusies

het beroep ontvankelijk verklaren;

de bestreden beslissing vernietigen;

de geldigheid van de inschrijving van Uniemerk nr. 9 865 651 „ANN TAYLOR” bevestigen voor alle waren waarvoor in de betrokken aanvraag om bescherming werd verzocht;

interveniënte verwijzen in de kosten van de procedure.

Aangevoerd middel

De kamer van beroep heeft een onjuiste analyse gemaakt van het bestaan van verwarrende overeenstemming tussen de conflicterende tekens en de kennis van de houder van een merk dat op verwarrende wijze overeenstemde, bij de indiening van zijn aanvraag; de intenties van de houder bij de indiening van zijn aanvraag; de bewijswaarde van de door de verzoeker tot nietigverklaring overgelegde bewijsstukken en de bewijslast.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/44


Beroep ingesteld op 9 januari 2018 — Holzer y Cia/EUIPO — Annco (AT ANN TAYLOR)

(Zaak T-4/18)

(2018/C 072/56)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Holzer y Cia, SA de CV (Mexico-Stad, Mexico) (vertegenwoordiger: N. Fernández Fernández-Pacheco, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Annco, Inc. (New York, New York, Verenigde Staten)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken merk: verzoekende partij

Betrokken merk: Uniebeeldmerk met de woordelementen „AT ANN TAYLOR” — Uniemerk nr. 11 197 647

Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 8 november 2017 in zaak R 2371/2016-2

Conclusies

het beroep ontvankelijk verklaren;

de bestreden beslissing vernietigen;

de geldigheid van de inschrijving van Uniemerk nr. 11 197 647 „AT ANN TAYLOR” bevestigen voor alle waren waarvoor in de betrokken aanvraag om bescherming werd verzocht;

interveniënte verwijzen in de kosten van de procedure.

Aangevoerd middel

De kamer van beroep heeft een onjuiste analyse gemaakt van het bestaan van verwarrende overeenstemming tussen de conflicterende tekens en de kennis van de houder van een merk dat op verwarrende wijze overeenstemde, bij de indiening van zijn aanvraag; de intenties van de houder bij de indiening van zijn aanvraag; de bewijswaarde van de door de verzoeker tot nietigverklaring overgelegde bewijsstukken en de bewijslast.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/45


Beroep ingesteld op 3 januari 2018 — Hamburg Beer Company/EUIPO (Hamburg BEER COMPANY)

(Zaak T-5/18)

(2018/C 072/57)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Hamburg Beer Company GmbH (Hamburg, Duitsland) (vertegenwoordigers: O. Spieker, A. Schönfleisch en M. Alber, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Betrokken merk: Uniebeeldmerk met de woordelementen „Hamburg BEER COMPANY” — inschrijvingsaanvraag nr. 15 272 743

Bestreden beslissing: beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 6 september 2017 in zaak R 436/2017-5

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO in de kosten.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 7, lid 1, onder b), juncto artikel 7, lid 2, van verordening nr. 207/2009;

schending van artikel 7, lid 1, onder c), juncto artikel 7, lid 2, van verordening nr. 207/2009.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/46


Beroep ingesteld op 2 januari 2018 — Hamburg Beer Company/EUIPO (Hamburg Beer Company)

(Zaak T-6/18)

(2018/C 072/58)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Hamburg Beer Company GmbH (Hamburg, Duitsland) (vertegenwoordigers: O. Spieker, A. Schönfleisch en M. Alber, gemachtigden)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Betrokken merk: Uniewoordmerk „Hamburg Beer Company” — inschrijvingsaanvraag nr. 15 272 784

Bestreden beslissing: beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 29 september 2017 in zaak R 437/2017-5

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO in de kosten.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 7, lid 1, onder b), juncto artikel 7, lid 2, van verordening nr. 207/2009;

schending van artikel 7, lid 1, onder c), juncto artikel 7, lid 2, van verordening nr. 207/2009.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/46


Beroep ingesteld op 8 januari 2018 — inforsacom Informationssysteme/EUIPO (Business and technology working as one)

(Zaak T-7/18)

(2018/C 072/59)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: inforsacom Informationssysteme GmbH (Neu-Isenburg, Duitsland) (vertegenwoordigers: O. Spieker, A. Schönfleisch en M. Alber, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Betrokken merk: Uniewoordmerk „Business and technology working as one” — inschrijvingsaanvraag nr. 15 272 586

Bestreden beslissing: beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 20 oktober 2017 in zaak R 808/2017-1

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO in de kosten.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 7, lid 1, onder c), juncto artikel 7, lid 2, van verordening 2017/1001;

schending van artikel 7, lid 1, onder b), juncto artikel 7, lid 2, van verordening 2017/1001.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/47


Beroep ingesteld op 8 januari 2018 — Addiko Bank/EUIPO (STRAIGHTFORWARD BANKING)

(Zaak T-9/18)

(2018/C 072/60)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Addiko Bank AG (Wenen, Oostenrijk) (vertegenwoordiger: A. Seling, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Betrokken merk: Uniewoordmerk „STRAIGHTFORWARD BANKING” — inschrijvingsaanvraag nr. 16 133 449

Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 25 oktober 2017 in zaak R 1090/2017-2

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO in de kosten.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001;

schending van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001.


26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/47


Beroep ingesteld op 11 januari 2018 — Zweirad-Center Stadler/EUIPO — Triumph Designs (Triumph)

(Zaak T-12/18)

(2018/C 072/61)

Taal van het verzoekschrift:Engels

Partijen

Verzoekende partij: Zweirad-Center Stadler GmbH (Regensburg, Duitsland) (vertegenwoordigers: P. Ruess en A. Doepner-Thiele, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Triumph Designs Ltd (Swadlincote, Verenigd Koninkrijk)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij

Betrokken merk: Uniewoordmerk „Triumph” — inschrijvingsaanvraag nr. 6 717 672

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 2 november 2017 in zaak R 665/2017-5

Conclusies

de bestreden beslissing vernietigen voor zover daarbij de merkaanvraag voor de waren van de klassen 9, 12 en 25 is geweigerd;

de oppositie in haar geheel afwijzen en inschrijving van het merk voor die waren toestaan, of, subsidiair, de zaak naar het EUIPO terugverwijzen met het oog op de noodzakelijke maatregelen;

het EUIPO en de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO verwijzen in verzoeksters kosten.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.