ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 434

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

60e jaargang
15 december 2017


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

ADVIEZEN

 

Europees Economisch en Sociaal Comité

 

528e zitting van het EESC, 20-21 september 2017

2017/C 434/01

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de impact van de digitalisering in de gezondheidszorg op ziektekostenverzekeringen (initiatiefadvies)

1

2017/C 434/02

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de analyse van de transparantie, methodologie en middelen voor de effectbeoordelingen en evaluaties die de Commissie opzet om de kwaliteit van Europese wetgeving te verbeteren (initiatiefadvies)

11

2017/C 434/03

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over een belastingstelsel voor eerlijke concurrentie en groei (initiatiefadvies)

18

2017/C 434/04

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de nieuwe context voor de strategische betrekkingen EU-Celac en de rol van het maatschappelijk middenveld (initiatiefadvies)

23

2017/C 434/05

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de rol en kansen van de sociale partners en andere maatschappelijke organisaties in de context van de nieuwe vormen van werk (verkennend advies op verzoek van het Estse voorzitterschap)

30

2017/C 434/06

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de verwerving en ontwikkeling van vaardigheden, m.i.v. digitale vaardigheden, in de context van nieuwe vormen van werk: nieuw beleid en veranderende taken en verantwoordelijkheden (verkennend advies op verzoek van het Estse voorzitterschap)

36


 

III   Voorbereidende handelingen

 

EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

 

528e zitting van het EESC, 20-21 september 2017

2017/C 434/07

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité — De ontwikkeling van de EU-douane-unie en haar governance (COM(2016) 813 final)

43

2017/C 434/08

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, de Europese Centrale Bank, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Actieplan inzake financiële diensten voor de consument: Betere producten, meer keuze (COM(2017) 139 final)

51

2017/C 434/09

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) (COM(2016) 683 final — 2016/0336 (CNS)) en over het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (COM(2016) 685 final — 2016/0337 (CNS))

58

2017/C 434/10

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 wat betreft de clearingverplichting, de opschorting van de clearingverplichting, de rapportagevereisten, de risicolimiteringstechnieken voor otc-derivatencontracten die niet door een centrale tegenpartij worden gecleard, de registratie van en het toezicht op transactieregisters en de vereisten voor transactieregisters (COM(2017) 208 final — 2017/090 (COD)) en over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1095/2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 wat betreft de procedures en betrokken autoriteiten voor de autorisatie van ctp's en de vereisten voor de erkenning van ctp's uit derde landen (COM(2017) 331 final — 2017/0136 (COD))

63


NL

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

ADVIEZEN

Europees Economisch en Sociaal Comité

528e zitting van het EESC, 20-21 september 2017

15.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 434/1


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de impact van de digitalisering in de gezondheidszorg op ziektekostenverzekeringen

(initiatiefadvies)

(2017/C 434/01)

Rapporteur:

Alain COHEUR

Besluit van de voltallige vergadering

26.1.2017

Rechtsgrondslag

Artikel 29, lid 2, van het reglement van orde

 

Initiatiefadvies

 

 

Bevoegde afdeling

Interne Markt, Productie en Consumptie

Goedkeuring door de afdeling

5.9.2017

Goedkeuring door de voltallige vergadering

20.9.2017

Zitting nr.

528

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

174/0/1

1.   Conclusies

1.1.

In het licht van de digitale revolutie die zich op gezondheidsgebied voltrekt, vindt het EESC het absoluut noodzakelijk om te zorgen voor de instandhouding en bevordering van solidaire, niet-discriminerende ziektekosten- en zorgverzekeringen voor iedereen. Inclusie en gelijke toegang van iedereen tot hoogwaardige gezondheidszorgdiensten (al dan niet van digitale aard) en het vasthouden daaraan zijn immers voorwaarden voor een universele dekking van gezondheidszorg.

1.2.

Zoals het EESC al in eerdere adviezen (1) heeft aangegeven, is gelijke toegang tot zorg een essentiële doelstelling van het volksgezondheidsbeleid. Het EESC is van mening dat de digitalisering hieraan kan bijdragen als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

de dekking moet overal op het grondgebied, ook in streken die door aanbieders van digitale diensten minder goed worden bediend, gelijk zijn (toegang, snelheid);

de digitale kloof op gebruiksgebied tussen burgers, mensen die in de zorg werken en actoren uit de wereld van de ziektekosten- en zorgverzekeringen moet worden verkleind;

het totale digitale systeem (databanken, medische apparatuur) moet interoperabel zijn, zodat de continuïteit van de zorg in iedere structuur en tussen deze structuren wordt bevorderd;

medische gegevens moeten worden beschermd en mogen in geen geval ten koste van de patiënten worden gebruikt.

1.3.

De snelle opkomst van telegeneeskunde, het internet der dingen, nanotechnologie, biotechnologie, informatietechnologie en cognitieve wetenschappen (NBIC) mag er niet toe leiden dat individuen louter gezien worden als met elkaar verbonden lichamen die op afstand door een almachtig IT-programma geanalyseerd, gecontroleerd en in de gaten gehouden kunnen worden. De technologisering van de gezondheidszorg bevordert juist het tegenovergestelde, nl. dat interpersoonlijke verhoudingen en sociale banden weer centraal komen te staan in de zorg en de geneeskunde.

1.4.

Het EESC wijst erop dat er alsmaar meer verantwoordelijkheid gelegd wordt bij de burgers, die ertoe aangezet worden om hun gezondheid in eigen hand te nemen. Daarbij heeft de individualisering een hoge vlucht genomen. Met de voorspellende geneeskunde en het internet der dingen ziet het ernaar uit dat eenieder steeds beter op de hoogte raakt van gezondheidsrisico’s en manieren om deze in het oog te houden. Dit spoort aan tot meer individueel afgestemde benaderingen. Wanneer bekend wordt welke risico’s individuen lopen en welke verschillen er tussen individuen bestaan, dienen zich belangrijke ethische kwesties aan waar het gaat om het behoud van een op solidariteit gebaseerde verzekeringsdekking.

2.   Aanbevelingen

2.1.

Voor het welslagen van de digitale revolutie moeten onze goed presterende systemen voor ziektekosten- en zorgverzekeringen er volgens het EESC voor zorgen dat:

a)

de digitalisering onze grondrechten op gezondheidsgebied versterkt i.p.v. verzwakt. De digitalisering moet de individuele en collectieve vaardigheden versterken en moet een krachtig middel zijn om rechten daadwerkelijk te kunnen uitoefenen en nieuwe vormen van organisatie en bestuur op gezondheidsgebied te ontwikkelen;

b)

opnieuw de nadruk wordt gelegd op solidariteit en universaliteit als essentiële waarden van ons gezondheidszorgstelsel die door iedereen overeind moeten worden gehouden.

2.2.

De digitalisering mag er hoe dan ook niet toe leiden dat er getornd wordt aan de beginselen van het delen en bundelen van risico’s op sociaal en gezondheidsgebied, want deze beginselen vormen de sluitstenen van de collectieve solidariteit.

2.3.

Het EESC benadrukt dat het zaak is om:

de kennis op het gebied van digitale gezondheidszorg te verbeteren en voor de burgers toegankelijker te maken, zodat ze gezondheidsinformatie kritisch kunnen beoordelen;

goede voorlichting op medisch gebied te waarborgen, met name door te stimuleren dat er labellings- en goedkeuringsprocedures voor gezondheidsapps worden ingevoerd;

de vertrouwensrelatie tussen patiënten, gezondheidsprofessionals en mensen uit de ziektekosten- en zorgverzekeringssector te versterken;

werk te maken van een systeem om zowel gebruikers als zorgprofessionals in dezen te vormen, teneinde ervoor te zorgen dat digitale technologie op efficiënte, veilige en beschermende wijze wordt gebruikt en veranderingen in het gezondheidsstelsel worden gefaciliteerd;

de sociale dialoog, die absoluut noodzakelijk is om toekomstige veranderingen op basis van overleg in goede banden te leiden, te versterken;

regelingen ten uitvoer te leggen om voor een veilige verwerking van persoonsgegevens te zorgen en daarmee te voorkomen dat deze gegevens op verzekeringsgebied (toegang, terugbetaling enz.) gebruikt worden voor commerciële doeleinden waarmee de volksgezondheid niet is gebaat;

een dynamisch regelgevingskader te bevorderen, rekening houdend met alle betrokkenen uit het systeem en met de rol die zorg- en ziektekostenverzekeraars als betrouwbare derden vervullen in hun betrekkingen met de verzekerden/aangeslotenen;

de verdere ontwikkeling van de nomenclatuur van gezondheids- en welzijnsdiensten die vergoed kunnen worden te ondersteunen en daarbij de technische innovatie die met de digitalisering mogelijk wordt in aanmerking te nemen;

de ontwikkeling in de richting van een op de vier P’s (2) gebaseerde geneeskunde in goede banen te leiden door op solidariteit stoelende zorg- en ziektekostenverzekeringsinstanties op te zetten die aan de behoeften van de burgers beantwoorden.

3.   Achtergrond

3.1.

De digitalisering heeft een hoge vlucht genomen, waardoor zich ook in de gezondheidszorg ontwikkelingen van een ongeziene omvang en snelheid voordoen. Met de enorme uitbreiding van het internet der dingen en gezondheidsapps, de benutting van big data, de opkomst van nanotechnologie, biotechnologie, informatietechnologie en cognitieve wetenschappen (NBIC) en het overvloedige aanbod van nieuwe gezondheidsdiensten heeft de digitalisering tot gevolg dat ons gezondheidszorgstelsel een gedaanteverandering ondergaat.

3.2.

De digitale innovatie in de zorg leidt tot vele nieuwe gebruiksvormen en is dan ook lang niet alleen van technische of wetenschappelijke aard. Deze nieuwe gebruiksvormen gaan hand in hand met grootschalige sociale innovatie waardoor er op nieuwe manieren kan worden gereageerd op behoeften op sociaal en medisch gebied.

3.3.

Dit is rechtstreeks van invloed op de verhoudingen die er binnen een complex ecosysteem bestaan tussen:

a)

de burger, via de kennis over zijn gezondheidstoestand;

b)

medisch en paramedisch personeel en hun relatie met de patiënt;

c)

het ziekteverzekeringssysteem in zijn verschillende organisatie-, beheers- en financieringsvormen.

3.4.

Wat de verhouding tussen het individu en zijn gezondheid betreft, valt op dat iedereen zich bewuster wordt van het belang van gezondheid en van de manier om zich te verzorgen. Tot voor kort heerste er bij iedereen onzekerheid over ziekterisico’s omdat medische informatie moeilijk toegankelijk was, wat onwetendheid in de hand werkte. Maar voortaan beschikken mensen over allerlei voorzieningen (bv. gekoppelde apparaten, het zgn. internet der dingen) waarmee ze hun gezondheidstoestand in de gaten kunnen houden. Op basis hiervan kunnen ze hun levensstijl aanpassen.

3.5.

Dankzij de beschikbaarheid van informatie heeft ieder individu zijn gezondheid meer in eigen hand en kan hij de zorgdiensten die het best op zijn behoeften zijn afgestemd in kaart brengen, vergelijken en kiezen. De „e-patiënt” draagt bij aan voorspellende geneeskunde, produceert gezondheidsgegevens en wordt een belangrijke speler waar het gaat om zijn eigen gezondheid en die van anderen. In verband met gegevensbescherming, geïntegreerd beheer en gegevensgebruik staat hierbij centraal dat de patiënt met kennis van zaken toestemming kan geven.

3.6.

De nieuwe technologie stimuleert dat de nadruk wordt gelegd op preventie, meer dan op de behandeling van ziektes zelf. Met de nieuwe technieken wordt het tevens mogelijk om behandelmethoden in te voeren die efficiënter en minder belastend zijn en die beter zijn afgestemd op de genetische en biologische kenmerken van de individuele patiënt. Ook het feit dat informatie in real time beschikbaar is, komt de behandeling ten goede.

3.7.

Zorgprofessionals dienen nieuwe vaardigheden en nieuwe werkterreinen te ontwikkelen, wat op verschillende niveaus zou moeten uitwerken. Met name wordt verwacht dat hun verhouding met de patiënt meer gebaseerd wordt op wederzijds vertrouwen, dat ze zich aan de hand van opleidingsmaatregelen geleidelijk de digitale instrumenten eigen maken, dat de technische kant van de zorgverlening verandert en dat er via interoperabele systemen meer uitwisseling en samenwerking ontstaat.

3.8.

Het is zaak om in het kader van de sociale dialoog deze veranderingen te begeleiden en de opleidingsmaatregelen voor zorgpersoneel te versterken.

3.9.

Wat de ziektekostenverzekeringsstelsels betreft, moet men ernaar blijven streven dat hoogwaardige publieke en particuliere gezondheidszorgdiensten voor alle burgers toegankelijk zijn. De digitalisering zal de ziekteverzekering sterk beïnvloeden, want het zal er voortaan op aankomen om voordat zich gevaren aandienen, oplossingen en individueel afgestemde zorgtrajecten te ontwikkelen binnen de grenzen van het beginsel van risicodeling, met behoud van de traditionele taak van ziekteverzekeringen, nl. ervoor zorgen dat mensen die ziek worden gebruik kunnen maken van gezondheidsdiensten.

3.10.

De digitalisering leidt tot medische innovatie die het systeem van ziekteverzekeringen ingrijpend kan veranderen. Ze zorgt namelijk voor een ontwikkeling waarbij de geneeskunde en de behandelingsmethoden steeds meer op de individuele persoon worden afgestemd aan de hand van twee bronnen van informatie:

a)

de ontrafeling van het genoom:

daar de ontrafeling van het genoom een voorspellende dimensie heeft, kan de aanpak van preventie een geheel ander gezicht krijgen (met de ontrafeling van het genoom ontstaat er inzicht in de waarschijnlijkheid van een gezondheidsrisico, zodat preventie zinvoller wordt), wat belangrijke consequenties kan hebben voor de ziekteverzekering;

b)

apparatuur voor e-gezondheidszorg:

hieronder vallen bv. objecten die aan elkaar zijn gekoppeld en waarmee mensen zelf bepaalde zaken kunnen meten (zelftesten), zodat ze hun gezondheidstoestand te weten kunnen komen en kunnen verbeteren.

Image

Tegen deze achtergrond dringen zich een aantal vragen op:

a)

Kunnen deze nieuwe bronnen van kennis ertoe leiden dat er nieuwe, op maat gemaakte gezondheidsdiensten worden aangeboden die beter zijn afgestemd op de manier waarop deze diensten door de verzekerden worden gebruikt?

b)

Zal onze ziektekostenverzekering in de toekomst afhangen van de waarschijnlijkheid waarmee we, volgens de ontrafeling van ons genoom, bepaalde ziektes zullen krijgen?

c)

Is er nu definitief sprake van een verschuiving van een curatieve naar een preventieve benadering? Wat zal dit in economisch lastige omstandigheden voor gevolgen hebben voor het beheer van de ziektekostenverzekering en de financiering? Moeten de gepersonaliseerde programma’s voor medische preventie in het kader van digitale platforms worden vergoed?

d)

Komt welzijn voortaan in de plaats van gezondheid? (3) Zal deze transformatie van het zorgstelsel niet leiden tot een holistische en minder op genezing gerichte geneeskunde?

e)

Zal de relatie patiënt/arts en verzekerde/verzekeraar door deze wijzigingen ingrijpend veranderen, in die zin dat een „verticaal” model zal plaatsmaken voor een meer „horizontaal” model waarbij de patiënt vragen stelt en zijn „lekenkennis” ontwikkelt?

f)

Is het gezien de economische macht van de internetgiganten niet noodzakelijk dat er meer wordt geïnvesteerd in publieke onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten?

4.   Impact van de digitalisering op de burger/patiënt

4.1.

Door de digitale omwenteling krijgen mensen de mogelijkheid om hun gezondheid in eigen hand te nemen, al bestaan er nog steeds belemmeringen die de toegang in de weg staan. Doordat kennis, voorzieningen en innovatieve gepersonaliseerde gezondheidsdiensten veel toegankelijker zijn geworden, zouden mensen een belangrijk stempel kunnen drukken op hun eigen gezondheid, maar zouden ze ook kunnen bijdragen aan het verbeteren van de gezondheid van anderen door te helpen, informatie te produceren en gegevens aan te leveren.

4.2.

Deze individualisering ligt ten grondslag aan de zgn. „zorg van de 4 P’s”:

participatief: medische gegevens worden door de patiënten zelf geproduceerd en in de gaten gehouden met behulp van een toenemend aantal aan elkaar gekoppelde objecten. De relatie tussen de patiënt en de arts (die niet meer de enige bron van medische kennis is) evolueert. De patiënt wordt speler in zijn eigen film;

preventief: doordat patiënten regelmatig informatie verzamelen over hun gezondheid worden ze er zich bewuster van dat het belangrijk is om gezond te blijven, waardoor het pad wordt geëffend voor een meer op preventie gerichte zorg;

persoonlijk: door de continue stroom van steeds nauwkeurigere en diversere persoonlijke gegevens kan ook de zorg alsmaar persoonlijker worden;

prognostisch: tot slot maken de technologische ontwikkelingen het bv. ook mogelijk om het volledige genoom van mensen te digitaliseren, waardoor de geneeskunde steeds meer van voorspellende aard kan worden.

4.3.

Gezondheidskennis en het gevaar van een nieuwe, nl. digitale zorgkloof

4.3.1.

Het vermogen van individuen om informatie te vergaren, te begrijpen en te gebruiken met het oog op het promoten en in stand houden van een goede gezondheid wordt health literacy genoemd. Dit vereist het bereiken van een niveau van kennis, vaardigheden en vertrouwen dat hen in staat stelt maatregelen ter verbetering van de eigen gezondheid en die van de gemeenschap te treffen door hun levenswijze en leefomstandigheden te veranderen.

4.3.2.

De digitalisering vergroot de sociale ongelijkheid op gezondheidsgebied doordat het causale verband tussen enerzijds iemands gezondheidstoestand en anderzijds zijn cognitieve vaardigheden (zoals het vermogen om goede gezondheidsinformatie te vinden en te begrijpen) en financiële armslag (bv. de mogelijkheid om de best presterende apparaten aan te schaffen) wordt versterkt. Extra te lijden onder deze ongelijkheid hebben ouderen, mensen uit de meest kwetsbare groepen en bewoners van gebieden met een slechte internetdekking.

4.3.3.

Mensen kunnen pas met gezondheidsapps omgaan als ze over een bepaald kennisniveau beschikken zodat ze toegang kunnen krijgen tot informatie en ze deze kunnen begrijpen, beoordelen en gebruiken teneinde in hun dagelijks leven besluiten op het gebied van zorg, ziektepreventie en gezondsheidsbevordering te nemen. Mensen met een laag niveau van health literacy lopen heel wat gezondheidsrisico’s, met gevolgen op het gebied van „gezonde levensverwachting”, vroegtijdig overlijden, levenskwaliteit en kosten voor individu en samenleving.

4.3.4.

Er mag niet veronachtzaamd worden dat er binnen medische en paramedische beroepen een nieuwe digitale kloof aan het ontstaan is. Om deze tegen te gaan zou het educatieve systeem versterkt kunnen worden via een opleidingsprogramma dat inzicht geeft in de nieuwe verhoudingen tussen zorgverstrekker en zorgontvanger die door de digitalisering worden teweeggebracht.

4.4.   Te veel verantwoordelijkheid voor het individu, een ander belangrijk risico van de digitalisering

4.4.1.

Als gevolg van de kwantificering in de zorg gaan mensen de gezondheid op micro-niveau steeds meer in eigen hand nemen en komt de nadruk te veel te liggen op de eigen verantwoordelijkheid van het individu, wat ten koste gaat van een meer collectieve benadering. Hierdoor worden individuele personen zelf verantwoordelijk gemaakt voor hun eigen goede of slechte gedrag op gezondheidsgebied en kan de aandacht worden afgeleid van de sociaaleconomische of milieu-oorzaken van volksgezondheidsproblemen.

4.4.2.

Doordat er niet op de gevolgen van de digitalisering voor de individualisering wordt geanticipeerd, de sociale ongelijkheid op het vlak van de gezondheid groter wordt en de commercialisering van de zorg toeneemt, kunnen onze universele, op solidariteit gebaseerde ziekteverzekeringsmodellen in gevaar komen.

5.   Gevolgen van de digitalisering voor zorgprofessionals en hun onderlinge verhoudingen

5.1.   Het elektronische medische dossier als hoeksteen van de organisatie van de gezondheidszorg

5.1.1.

De digitalisering biedt instrumenten om het zorgsysteem opener te maken doordat het voor ziekenhuizen, zelfstandige praktijken, gezondheidsnetwerken en thuiszorgdiensten gemakkelijker wordt om informatie te bundelen. Snelle en veilige mechanismen voor de overdracht van gegevens die door verschillende betrokkenen zijn verzameld, zijn absoluut noodzakelijk om de behandeling en de algemene verzorging van de patiënt te kunnen coördineren. Het wordt veel eenvoudiger om de continuïteit van de behandeling en de verzorging van de patiënt in meerdere opzichten te organiseren. Als gegevens beschikbaar en snel toegankelijk zijn en uitgewisseld en gebundeld worden, kan de medische besluitvorming worden vergemakkelijkt. Geïnformatiseerde gegevensuitwisseling tussen zorgprofessionals geeft de kwaliteit van de zorg een rechtstreekse meerwaarde.

5.1.2.

Het elektronische medische dossier wordt een middel om de aan de patiënt verstrekte zorg te coördineren en de kwaliteit ervan te bewaken doordat gegevens door bevoegde personen worden gedeeld; de patiënt moet hiervoor vooraf wel toestemming hebben gegeven, behalve als dat niet mogelijk was of in geval van urgentie. De regels voor het geïnformatiseerde elektronische medische dossier betreffen alle specifieke garanties die de patiënt krijgt op het gebied van de toegang tot digitale gegevens en de bescherming van zijn privacy. De vertrouwelijkheid van het medische en administratieve dossier moet volledig worden gewaarborgd.

5.1.3.

Met het elektronische medische dossier kunnen fouten vanwege de slechte leesbaarheid van documenten (zoals doktersvoorschriften of protocollen van medische behandelingen) worden voorkomen, kunnen databanken over geneesmiddelen toegankelijker worden en kan het voorschrijven van medicijnen veiliger worden omdat het dossier inzage geeft in de kenmerken van de patiënt. De informatisering van de medische praktijk helpt om de kans op vergissingen te beperken en om door medisch ingrijpen veroorzaakte risico’s te reduceren.

5.1.4.

De informatisering van een medisch dossier biedt mogelijkheden om mensen ergens aan te herinneren of om hen te waarschuwen. Dit kan ertoe bijdragen om preventiemaatregelen (vaccinaties, screenings), het in de gaten houden van mensen met een chronische aandoening en de kennis over geneesmiddelen te verbeteren. Ook komt het de patiëntenzorg ten goede en kan de zorgverlener hierdoor op solidere basis een diagnose stellen en een behandeling voorschrijven.

5.1.5.

Met de digitalisering van de over de patiënt verzamelde informatie zal de medische besluitvorming kunnen worden verbeterd en zullen de medische praktijken in de komende jaren radicaal veranderen. Er zal geen enkele medische diagnose meer kunnen worden gesteld zonder dat er gebruik wordt gemaakt van een expertsysteem of instrumenten die een beroep doen op kunstmatige intelligentie. Een dergelijke revolutie vloeit voort uit de gelijktijdige ontwikkeling van de genomica, de neurowetenschappen en het internet der dingen (NBIC), waarbij tegenwoordig alleen machines de hele stroom van gegevens kunnen verwerken.

5.2.   Plaats van de mens binnen de ontwikkeling van nieuwe medische praktijken

5.2.1.

Door de evolutie van de technologie wordt de ontwikkeling van de telegeneeskunde mogelijk gemaakt en geschraagd. Hierdoor kunnen er nieuwe medische en paramedische werkwijzen ontstaan. Telegeneeskunde heeft als voordelen dat de gezondheidszorg in afgelegen gebieden wordt verbeterd, dat er minder verplaatsingen van kwetsbare personen nodig zijn, dat patiënten op afstand kunnen worden gevolgd waardoor ziekenhuisopname kan worden vermeden, dat kennis van deskundigen op afstand kan worden gedeeld, dat therapeutische educatie wordt bevorderd via bewaking op afstand en dat multidisciplinair overleg wordt vergemakkelijkt door middel van teleconsultatie en tele-expertise.

5.2.2.

Telegeneeskunde, elektronische communicatie tussen professionals, papierloze documentatie, bundeling van verspreide vaardigheden en het delen van intellectuele of medisch-technische hulpbronnen moeten voor de professionals tijdwinst opleveren zodat er meer tijd kan worden besteed aan de persoonlijke verzorging van en de communicatie met de patiënt, wat de verhouding tussen de zorgverlener en de zorgontvanger flink ten goede kan komen.

6.   Impact van de digitalisering op het beheer van ziektekosten- en zorgverzekeringen

6.1.   Big data

6.1.1.

De voortschrijdende digitalisering van onze systemen heeft ontegenzeglijk geholpen om het administratieve en financiële beheer van de verzekeringsdossiers van iedere patiënt te verbeteren (ruimtebesparing, tijdwinst, besparing op verbruiksgoederen, hogere productiviteit, gemakkelijkere en veiligere archivering, milieuwinst) en de zorgverstrekkers en ziekenhuizen sneller te vergoeden, waarbij tegelijkertijd scherper wordt gecontroleerd en het risico op fouten in de facturering van zorgverstrekkingen kleiner wordt.

6.1.2.

Doordat administratieve formaliteiten steeds vaker papierloos verlopen, kunnen formulieren sneller worden overgedragen en worden de desbetreffende procedures vereenvoudigd. Dit komt de zorgkwaliteit weliswaar niet rechtstreeks ten goede, maar maakt de uitoefening van de geneeskunde er wel gemakkelijker op: de arts kan zich meer concentreren op zijn taak om de patiënt beter te maken, en verliest minder energie aan het administratieve werk dat er nu eenmaal bij komt kijken.

6.1.2.1.

Tegenwoordig worden er door de samenvoeging van alle gegevens van alle patiënten/verzekerden, ook gegevens die van gezondheidsapps komen, big data gegenereerd. Bij big data gaat het om het vermogen om verschillende gegevensverzamelingen, afkomstig van een groot aantal bronnen, te analyseren. Hiervoor moeten gegevens aan elkaar gekoppeld kunnen worden en moet op geautomatiseerde en kosteneffectieve wijze waardevolle informatie uit ongestructureerde gegevens gehaald kunnen worden.

6.1.3.

Via apps worden gegevens niet langer opgeslagen bij de arts, het ziekenhuis of de zorgverzekeraar, maar in apparaten of in cloudplatforms waarvan de moederonderneming zich niet per se in het land van de verzekerde en zelfs niet in Europa hoeft te bevinden.

6.1.4.

Interoperabiliteit is in dit verband zowel op Europees (met de „digitale eengemaakte markt”) als nationaal niveau van cruciaal belang. Het is zaak om een kader voor de interoperabiliteit van gezondheidsinformatiesystemen te ontwikkelen en te implementeren. Zo’n kader zou de beginselen en normen moeten bevatten die in acht genomen dienen te worden om gezondheidsgegevens volledig veilig te kunnen uitwisselen tussen alle betrokkenen uit de wereld van de e-health.

6.2.   Gegevensbescherming

6.2.1.

De eigendom en bescherming van gegevens zijn in dit verband van prioritair belang voor de burger/patiënt en vormen een grondrecht dat geëerbiedigd moet worden. De burger/patiënt moet vrijelijk over zijn gegevens kunnen beschikken. Voorwaarde is dat burgers vrij, met kennis van zaken en blijvend instemmen met het verzamelen en gebruik van hun gegevens. Daarbij komt de erkenning van een daadwerkelijk recht op meeneembaarheid en de ontwikkeling van Blue Button-achtige oplossingen (4) voor het geven van inzage in de persoonlijke achtergrond van individuen.

6.2.2.

In de algemene verordening gegevensbescherming (AVGB), die op 25 mei 2018 in werking zal treden, wordt deze materie op Europees niveau geregeld. Voorts dient ook rekening te worden gehouden met de Verklaring van de World Medical Association over de ethische beginselen inzake gezondheidsdatabanken en biobanken (Verklaring van Taipei).

6.3.   Grote veranderingen in de ziektekosten- en zorgverzekeringen

6.3.1.

In het verzekeringswezen wordt steeds meer gedigitaliseerd. Aanvankelijk was de digitalisering beperkt tot elektronische informatieverstrekking en vergelijking (vergelijkingsinstrumenten, onlineaanmelding enz.) of hield ze verband met de invoering van papierloze medische administratieve formulieren, maar in de toekomst zal ze veel verder gaan. De nieuwe methoden voor kwantitatieve analyse — big data — zullen een radicale omwenteling in het bedrijfsmodel van het verzekeringswezen teweegbrengen en ertoe leiden dat er nieuwe producten op de markt komen.

6.3.2.

Deze omwenteling is logischerwijs van grote invloed op:

het werk van professionals die gegevens produceren, opslaan, beschikbaar stellen, verwerken en door middel van algoritmes omvormen tot gegevens met een belangrijke informatieve meerwaarde;

de positie van de patiënt, die zijn gezondheid meer in eigen hand neemt en geleidelijk minder afhankelijk wordt van de zorgprofessionals.

6.3.3.

Met de alsmaar voortschrijdende ontwikkelingen op het gebied van technologie en gezondheidsapps wordt het voor alle mensen voortaan mogelijk om zaken als hun lichaamsbeweging, voeding en interactie met anderen en zelfs alle factoren die hun gezondheid beïnvloeden, objectief vast te leggen.

6.3.4.

Het op individuele personen gerichte gebruik van big data zou kunnen betekenen dat er van een op onderlinge solidariteit gebaseerd risicoverzekeringsmodel wordt overgestapt op een model waarbij het verzekeringsaanbod afhangt van het individuele gedrag, wat tot een ver doorgedreven individualisering zou leiden. Particuliere verzekeraars die een winstoogmerk beogen, zullen zich wellicht op vrij natuurlijke wijze kunnen positioneren. Lastiger zou het kunnen worden voor ziekenfondsen en publieke zorgverzekeraars, waarvan de basistaken onder spanning zouden komen te staan.

6.3.5.

Deze ontwikkeling leidt ook tot onzekerheid onder zorgverzekeraars, die zich midden in een multidimensionaal ecosysteem bevinden dat uit industriële ondernemers, artsen, overheden, regelgevingsinstanties, investeerders en patiënten bestaat.

6.3.6.

Zorgverzekeraars worden geconfronteerd met een grote inertie die verband houdt met de zeer strikte regulering van gevoelige medische gegevens, de gecompliceerde werking en financiering van de zorg- en ziekenhuissector, het feit dat de waardeketen (inschrijving, bijdrage-inning, financiële afwikkeling van zorgverstrekkingen) weinig flexibel is en tamelijk traag reageert, de steeds strengere regels voor verzekeringsproducten, en soms zelfs corporatistische praktijken binnen medische beroepsgroepen.

6.3.7.

Alle zorgverzekeraars beschikken echter niet (of niet meer) over dezelfde financiële armslag om handelend op te treden, en de behoeften aan eigen middelen die voor dit optreden noodzakelijk zijn, vormen steeds vaker een belemmering voor hun eigen ontwikkeling. De economische macht van internetgiganten stelt hen in staat om rechtstreeks actief te worden op wat zij als een markt beschouwen.

6.3.8.

De kennis over individuele gezondheidsrisico’s mag dan beter worden, onze gezondheidsstelsels moeten absoluut gebaseerd blijven op een systeem van collectieve en solidaire verzekering. Onze ziektekosten- en zorgverzekeringsstelsels presteren het best daar waar individuele aansluiting en collectieve bescherming tegen alle gezondheidsrisico’s hand in hand gaan.

6.4.   Aanpassing van vergoedingsmechanismen

6.4.1.

Er zijn nog maar weinig voorbeelden van gevallen waarin het gebruik van mobiele toepassingen in het zorgtraject van patiënten financieel wordt vergoed. Het gebrek aan geschikte vergoedingsmodellen die recht doen aan de nieuwe technologische omstandigheden zou hiervoor thans een van de voornaamste belemmeringen zijn.

6.4.2.

Enerzijds bestaat er het klassieke model van overheidsoptreden waarbij de vergoeding afhangt van nationale instellingen en autoriteiten die bepalen of mobiele gezondheidszorgactiviteiten kunnen worden vergoed (5), anderzijds worden er ook initiatieven ontplooid door ziektekostenverzekeraars, zoals onderlingewaarborgmaatschappijen (6).

6.4.3.

Ook worden er innovatieve vergoedingssystemen ingevoerd zoals stimulerings- en preventieprogramma’s die niet zozeer op medicatie als wel op preventie zijn gericht.

6.5.   Nieuwe uitdagingen voor ziektekostenverzekeraars

6.5.1.

Voor zowel publieke als particuliere (bv. onderlingewaarborgmaatschappijen) zorgverzekeraars zijn er grote gevolgen. Het komt erop aan om:

aangepaste en individueel afgestemde preventie-, diagnose- en behandelingssystemen op te zetten en voordat zich gevaren aandienen oplossingen en persoonlijke zorgtrajecten te ontwikkelen, binnen de grenzen van het beginsel van risicodeling, met behoud van de traditionele verzekeringstaak, nl. ervoor zorgen dat mensen die ziek worden de nodige zorg kunnen krijgen;

het aanbod aan gezondheidsdiensten af te stemmen op de veranderende behoeften van patiënten;

patiënten te begeleiden en daarbij te voorkomen dat ze gestigmatiseerd of met een schuldcomplex opgezadeld worden. Onderlingewaarborgmaatschappijen spelen al een belangrijke rol bij ziektepreventie, het in de gaten houden van het zorgtraject en de begeleiding van patiënten. Publieke ziekteverzekeringsinstanties zouden deze rol ook moeten vervullen;

de sociale ongelijkheid op gezondheidsgebied die de digitale kloof teweeg kan brengen te bestrijden door de health literacy te verbeteren (met name door het opvoeren van de kennis);

risicogedrag tegen te gaan en toe te zien op de inachtneming van de voorschriften van zorgprofessionals. Het is van cruciaal belang dat er gezocht wordt naar efficiënte middelen die aan de behoeften voldoen;

de levenskwaliteit van de leden voorop te stellen. Dit houdt ook verband met economische doelstellingen en het in de hand houden van de risico’s en bijgevolg de uitgaven op gezondheidsgebied;

het elektronische beheer van de patiëntendossiers en de betrekkingen met zorgverstrekkers te systematiseren, o.a. met de digitalisering van zorgverstrekkingsattesten, het elektronische patiëntendossier en het digitale gezondheidsboekje;

de vergoedingen aan te passen aan de nieuwe manieren waarop patiënten door zorgprofessionals behandeld en begeleid worden;

betrouwbare derden te worden waar het gaat om het gebruik en beheer van gegevensstromen op gezondheidsgebied en het verzamelen van gezondheidsgegevens, gezien het risico dat deze gegevens op ongeoorloofde wijze voor commerciële doeleinden worden gebruikt.

6.5.2.

Onderlingewaarborgmaatschappijen, de voorlopers van de zorgverzekeraars, kunnen al hun leden voortaan een permanente en individueel afgestemde begeleiding in het vooruitzicht stellen. Of het nu gaat om de producten/diensten die ze aanbieden of om de begeleiding van individuele personen die een welzijns- of zorgtraject zoeken, onderlingewaarborgmaatschappijen dienen via welk communicatiekanaal dan ook aanwezig te zijn in het leven van hun leden en moeten hun een specifiek antwoord geven dat op hun behoeften is afgestemd.

7.   Impact van digitale „ordeverstoorders” op de ziektekostenverzekering en de samenleving

7.1.

Door alle bovenstaande factoren, waaruit al blijkt dat de digitalisering in de zorg een complexe aangelegenheid is, en door de opkomst van nieuwe digitale spelers, krijgen onze ziekteverzekeringsstelsels te maken met een economische machtsgreep.

7.2.

Deze wordt mogelijk gemaakt doordat er betaalbare en technisch betrouwbare sensoren zijn gekomen, maar ook en vooral doordat gegevens tegenwoordig via een smartphone of webinterface gecentraliseerd en geanalyseerd kunnen worden. Zo is er een heel ecosysteem ontstaan van apps, opgezet om doelstellingen te halen, gemeenschappen te vormen of „de spelende mens” te prikkelen. Hierdoor kunnen ontwikkelaars van mobiele omgevingen via hun eigen specifieke diensten normen voor het beheer van gezondheidsgegevens bepalen (7).

7.3.

Gevreesd moet worden dat GAFAMA (Google, Apple, Facebook, Amazon, Microsoft en Alibaba) (8) en andere, toekomstige spelers deze nieuwe vorm van geneeskunde, die steeds meer stoelt op informatietechnologie en ontsleuteling van gegevens, zullen domineren. Juist deze technologie is het vakgebied van de wereldleiders op digitaal gebied, die er gebruik van maken om de controle te krijgen over ecosystemen in alle sectoren.

7.4.

Deze platforms zijn zo sterk omdat hun ontwikkelingsmodel gebaseerd is op het massaal verlenen van aan de bevolking verbonden producten of diensten, waardoor ze toegang hebben tot grote hoeveelheden gegevens die te gelde worden gemaakt. Het te gelde maken van gegevens maakt het mogelijk om allerlei gratis diensten te verlenen, waardoor grote bezoekersaantallen worden gegarandeerd en er een virtueuze spiraal ontstaat waarbij iedereen probeert om de consument vast te houden in een zo gesloten mogelijk ecosysteem. Daar de marginale kosten voor het leveren van deze diensten uitermate gering zijn, is het op internet gebaseerde economische model van nature in het voordeel van de grootste bedrijven, die er met het leeuwendeel van de toegevoegde waarde vandoor gaan en daarmee over enorme investeringsmiddelen beschikken.

7.5.

Gevreesd moet worden dat alleen de GAFAMA-reuzen van deze gratis verspreide gegevens zullen kunnen profiteren door ze te koppelen aan alle gegevens die ze elders over het gedrag van personen verzamelen. Voor de Europese burgers, overheden en instanties (met name socialebeschermingsinstanties) is het vanuit juridisch en ethisch oogpunt van essentieel belang om ten opzichte van de internetreuzen van vandaag en morgen soeverein te blijven op het gebied van het vaststellen, verzamelen en gebruik van gezondheidsgegevens.

7.6.

De meerwaarde van deze informatie, met name op gezondheidsgebied, wordt dus ingepalmd en gecontroleerd door deze platforms en niet langer door producenten uit het gezondheidszorgstelsel. Deze informatie moet dan alleen nog maar ter beschikking worden gesteld aan „geïnteresseerde klanten”, die er vervolgens gebruik van kunnen maken.

7.7.

Gegevensbescherming aan de hand van de vijf V’s (Volume, Velocity, Variety, Veracity, Values) vertegenwoordigt ook een economische waarde. Er dient derhalve samen met alle stakeholders uit het ecosysteem een dynamisch rechtskader te worden ontwikkeld om te voorkomen dat informatie louter voor commerciële doeleinden wordt benut.

Brussel, 20 september 2017.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Georges DASSIS


(1)  PB C 458 van 19.12.2014, blz. 54; PB C 242 van 23.7.2015, blz. 48; PB C 13 van 15.1.2016, blz. 14; PB C 13 van 15.1.2016, blz. 40; PB C 288 van 31.8.2017, blz. 1.

(2)  Zie paragraaf 4.2.

(3)  „Welzijn, gezondheid en zorg bevinden zich in een continuüm dat zich uitstrekt van het normale tot het pathologische. En dit continuüm dient de geneeskunde.”

(4)  Het Blue Button-initiatief is in 2010 door de overheid van de VS gelanceerd om een platform te bieden waarmee Amerikaanse veteranen hun persoonlijke medische gegevens kunnen monitoren, checken en downloaden. Ze kunnen hiermee tevens toegang krijgen tot hun behandelingsverslagen, hun zorgverzekeringsgegevens en hun medische achtergrond (allergieën, gezondheidsanalyses enz.), die ze ook kunnen downloaden. Bron: http://www.va.gov/bluebutton/

(5)  In Frankrijk is na advies van de nationale commissie voor de beoordeling van medische apparatuur en gezondheidstechnologie besloten dat het gebruik van Diabeo kan worden vergoed, waarmee een belangrijke stap is gezet. Diabeo is een softwareprogramma dat gekoppeld is aan medische bewaking op afstand en een technische toepassing om te leren hoe de software moet worden gebruikt. Met Diabeo wordt beoogd om patiënten te helpen bij het berekenen van hun dagelijkse dosis langwerkende of kortwerkende insuline, op basis van de doelen die de voorschrijvende arts van tevoren heeft geformuleerd. Het programma is voor de patiënt beschikbaar via een app op een mobiel apparaat (smartphone of tablet) en via een webportaal.

(6)  Vivoptim is een e-gezondheidszorgprogramma dat door de Franse onderlingewaarborgmaatschappij MGEN is ontwikkeld en door het Belgische ziekenfonds Solidaris is overgenomen. Het is bedoeld ter preventie en begeleiding van cardiovasculaire risico’s. Daartoe worden er verscheidene gepersonaliseerde diensten aangeboden door middel van digitale instrumenten en gekoppelde voorwerpen. In totaal zijn er drie begeleidingsprogramma’s en 13 preventietrajecten die op eenieders situatie, behoeften en verwachtingen zijn afgestemd en die uiteenlopen van preventiemaatregelen voor gezonde mensen tot maatregelen om chronisch zieken te begeleiden.

(7)  De markt voor appwinkels wordt door vijf grote aanbieders beheerst. Bij 90 % van de downloads gaat het om Play (Android), Appstore (Apple), Windowsphone Store (Microsoft), Appworld (Blackberry) en Ovi (Nokia).

(8)  De marktreuzen die bekend staan onder de naam GAFAMA (Google, Apple, Facebook, Amazon, Microsoft en Alibaba) streven naar een monopolie op de monitoring van de mobiele gezondheidszorg. Deze multinationals zijn volledig doorgedrongen tot de zorgsector, waarin ze een belangrijke mogelijkheid zien om hun economische macht uit te breiden.


15.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 434/11


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de analyse van de transparantie, methodologie en middelen voor de effectbeoordelingen en evaluaties die de Commissie opzet om de kwaliteit van Europese wetgeving te verbeteren

(initiatiefadvies)

(2017/C 434/02)

Rapporteur:

Denis MEYNENT

Besluit van de voltallige vergadering

26.1.2017

Rechtsgrondslag

Artikel 29, lid 2, van het reglement van orde

Initiatiefadvies

 

 

Bevoegde afdeling

Afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie

Goedkeuring door de afdeling

5.9.2017

Goedkeuring door de voltallige vergadering

20.9.2017

Zitting nr.

528

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

142/0/5

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) herinnert eraan dat het REFIT-programma (1) er in eerste instantie op gericht is de kwaliteit en de doeltreffendheid van de Europese wetgeving te verbeteren en eenvoudige, begrijpelijke en samenhangende regelgeving op te stellen, zonder afbreuk te doen aan de strategische doelstellingen van reeds vastgesteld EU-beleid of ten koste te gaan van de bescherming van burgers, consumenten, werknemers en de sociale dialoog, of het milieu (2). Europese regelgeving is van essentieel belang voor de Europese integratie. Zij biedt alle belanghebbenden en EU-burgers een belangrijke waarborg voor bescherming, bevordering van de Europese wetgeving en rechtszekerheid, maar dan moet zij wel goed geproportioneerd zijn (3).

1.2.

Ondanks de geboekte vooruitgang, met name onder invloed van de werkzaamheden van de Raad voor regelgevingstoetsing (RRT), zou het EESC graag zien dat het Europese systeem van effectbeoordelingen verder evolueert, teneinde de kwaliteit ervan te verbeteren en het maatschappelijk middenveld meer te betrekken bij het ontwerp en de uitvoering van de wetgeving.

1.3.

Het is dus met name van essentieel belang:

dat de specificaties van voorafgaande of aanvullende studies transparant, toegankelijk en pluralistisch zijn en aanzetten tot de opstelling van alternatieve scenario's, met duidelijke vermelding van de reële gevolgen van de verschillende opties;

dat een Europees register van effectbeoordelingen en alle beschikbare relevante (wetenschappelijke en statistische) gegevens, inclusief het standpunt van de belanghebbenden, gemakkelijk kan worden geraadpleegd en toegankelijk is in alle talen van de EU, met name de samenvattingen van de effectbeoordelingen;

dat het evenwichtige karakter van de effectbeoordelingen van alle wetgevingsvoorstellen wordt gewaarborgd door terdege rekening te houden met het belang van de economische, sociale en milieugevolgen, ook voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's).

1.4.

Het EESC pleit voor een kwalitatieve benadering die op gelijke voet staat met de kwantitatieve analyse en rekening houdt met de verwachte voordelen van de wetgeving.

1.5.

Het EESC roept de Commissie op om erop te blijven letten dat de vermindering van de regelgevings- en administratieve lasten niet ten koste gaat van de doeltreffendheid en algemene kwaliteit van het EU-beleid, met name op sociaal en milieugebied en op het gebied van de consumentenbescherming en ten aanzien van kmo's en micro-ondernemingen.

1.6.

Met betrekking tot de effectbeoordelingen wenst het EESC ten slotte:

dat een gezamenlijke methodologische aanpak wordt gevolgd door het Europees Parlement (EP), de Raad en de Commissie, die kan worden gedeeld met de adviesorganen, om de respectieve werkzaamheden van de instellingen te vergemakkelijken en de formulering van amendementen en adviezen mogelijk te maken;

dat het EESC meer wordt betrokken bij de kwaliteitscontrole van effectbeoordelingen, door het de mogelijkheid te geven om zich te buigen over de gebruikte methodologie en te kijken of de sociale, de milieu- en/of de territoriale dimensie in aanmerking zijn genomen. In dit verband dringt het EESC erop aan dat systematisch en concreet rekening wordt gehouden met artikel 9 VWEU;

dat regelmatig overleg plaatsvindt met de RRT over de methoden voor effectbeoordeling (EB) en goede praktijken, met name op het gebied van werkgelegenheid of territoriale samenhang of op het gebied van beleid dat gevolgen heeft voor het mkb en micro-ondernemingen.

2.   Inleiding

2.1.

Een effectbeoordeling is een permanente en kritische analyse van de positieve en negatieve effecten van geplande regelgeving van de EU op economisch, sociaal en milieugebied. Vijftien jaar na de lancering ervan is de EB één van de toetsstenen van de agenda voor betere regelgeving van de EU geworden.

2.2.

Het systeem van effectbeoordelingen wordt in een zeer vroeg stadium van de beleidscyclus geactiveerd. De effectbeoordelingen gaan vooraf aan ieder nieuw initiatief dat gevolgen kan hebben op economisch, ecologisch en sociaal gebied. Ook worden regelmatig evaluaties en gezondheidscontroles („fitness checks”) van bestaande wetgeving of beleid van de Unie uitgevoerd. Tijdens de aanvangseffectbeoordeling („inception impact assessment”) worden de hoofdlijnen van de effectbeoordeling uiteengezet en worden de verschillende opties besproken (gaande van een status quo tot een volledige harmonisatie). Vervolgens vindt de eigenlijke effectbeoordeling plaats, waarvan het ontwerp wordt behandeld door de RRT. Na de fase waarin de wetgeving ten uitvoer wordt gelegd worden de doeltreffendheid, de doelmatigheid, de relevantie en de Europese toegevoegde waarde van de betrokken wetgeving geanalyseerd. De RRT buigt zich over de belangrijkste evaluaties van de EU-wetgeving. „Beter wetgeven” strekt zich dus uit tot alle stadia van de procedure. De effectbeoordelingen worden, in alle stadia, meer en meer opengesteld voor belanghebbenden, via een groot aantal overlegmechanismen.

2.3.

Het interinstitutioneel akkoord (IIA) van mei 2015 over „Beter wetgeven” (4) weerspiegelt het gemeenschappelijk standpunt van de drie instellingen ten aanzien van de EB. In het licht hiervan onthoudt het Comité twee belangrijke conclusies:

het ontbreken van een gemeenschappelijke methodologie: iedere instelling is verantwoordelijk voor de vaststelling van haar eigen evaluatiemethode, hoewel de EB van de Commissie altijd moet worden gebruikt als basis voor de besprekingen met het oog op een convergerende aanpak;

de toezegging van de Raad en Parlement om een effectbeoordeling uit te voeren alvorens „wezenlijke wijzigingen” voor te stellen, wanneer dit nodig wordt geacht.

2.4.

Het heeft bijna twee jaar geduurd voordat de in mei 2015 opgerichte Raad voor regelgevingstoetsing (RRT) volledig operationeel was. Deze beschikt over een versterkte autoriteit en brede verantwoordelijkheden, onder meer voor de kwaliteit van ontwerp-EB's, fitness checks en evaluaties van bestaande EU-wetgeving (5). Dankzij de professionalisering van de RRT wordt beter rekening gehouden met sociale en milieueffecten. In 2016 heeft de RRT 60 EB's geëvalueerd, waarvan 25 oftewel 42 % aanvankelijk een negatief advies kregen, waarna de opstellers werden verplicht een nieuwe EB voor te leggen aan de RRT. Momenteel beperkt het EESC zich in zijn adviezen tot de effectbeoordelingen. In de toekomst zou het nuttig kunnen zijn om ook te kijken of en hoe de bevindingen van de effectbeoordeling zijn terug te vinden in het wetgevingsvoorstel.

3.   Evaluatie van de effectbeoordelingsprocedure

3.1.   Een multidimensionale effectbeoordeling

3.1.1.

De EB stoelt op een reeks criteria en tests, die met name betrekking hebben op de volgende effecten:

op economisch, sociaal en milieugebied;

voor consumenten;

voor kleine en micro-ondernemingen;

voor de internationale handel en investeringen;

voor de administratieve en regelgevingslasten;

voor het subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel;

op het niveau van de regionale en territoriale samenhang;

3.1.2.

De effectbeoordelingen van de Commissie hebben in beginsel een geïntegreerd karakter en gaan voor elk afzonderlijk geval in op de belangrijkste en meest relevante economische, sociale en milieueffecten.

3.1.3.

In de loop der jaren hebben de Raad en soms ook het EP om aanvullende criteria verzocht:

een test om de externe dimensie van het concurrentievermogen te toetsen („competitiveness proofing”);

een test om de eerbiediging van de grondrechten te toetsen;

een test om de verenigbaarheid van de voorstellen met de digitale economie te toetsen;

een test betreffende de naleving van het innovatiebeginsel.

3.1.4.

Deze verschillende criteria verplichten de Commissie er soms toe om uiteenlopende doelstellingen of bekommernissen met elkaar in evenwicht te brengen: zij moet hiervoor een hiërarchie van criteria vaststellen, besluiten welk(e) criterium/criteria doorslaggevend is/zijn boven de andere criteria, en politieke knopen doorhakken als het gaat om concurrerende criteria:

subsidiariteit versus harmonisatie;

concurrentievermogen versus sociale bescherming en kwaliteit van de werkgelegenheid;

voorzorgsbeginsel versus innovatiebeginsel enz.

3.1.5.

Een studie over het EB-systeem van de Commissie, die in 2007 is uitgevoerd door The Evaluation Partnership (TEP) (6), een Brits particulier consultancybedrijf, heeft een aantal tekortkomingen gesignaleerd, met name op het gebied van sociale en milieubescherming. Volgens TEP is de slechte kwaliteit van effectbeoordelingen te wijten aan een slechte timing, tekortkomingen in de mechanismen voor het toezicht op de kwaliteit van de evaluaties, en het gebrek aan monitoring en bijstand voor EB's (opleiding, coördinatie, onvolledige of ontbrekende gegevens enz.). In 2010 was de Rekenkamer van oordeel „dat de EB-werkzaamheden van de Commissie in de praktijk niet gelijkmatig de drie pijlers, en de kosten en baten bestreken” (7).

3.1.6.

In dit verband vraagt het EESC nogmaals dat artikel 9 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (8) systematisch wordt gebruikt als basis voor de evaluatie (9).

3.2.   De toolbox over „Beter wetgeven”  (10) vanuit het oogpunt van de sociale bescherming en werkgelegenheid

3.2.1.

De Commissie heeft in haar mededeling van 19 mei 2015 over betere regelgeving (11) een „toolbox” uitgewerkt. Dit is een gedetailleerde gids voor EB's met 59 tools (instrumenten, criteria, tests enz.) die de Commissie maar ook de bevoegde autoriteiten van de lidstaten moeten helpen.

3.2.2.

Van de 59 voorgestelde tools zijn er 2 die het EESC bijzonder interesseren. Dit zijn nr. 7 („requirements for social partner initiatives” — vereisten met betrekking tot initiatieven van de sociale partners) en nr. 25 („employment, working conditions, income distribution and inequality” — werkgelegenheid, arbeidsvoorwaarden, inkomensverdeling en ongelijkheid).

3.2.3.

Deze tools zijn in feite niet meer dan een indicatieve lijst van vragen die kunnen worden gesteld in het geval van initiatieven met een sociale impact of gevolgen voor de werkgelegenheid. De vragen zijn algemeen, neutraal en niet erg stimulerend. Zo worden bij tool nr. 25 onder andere de volgende vragen gesteld:

Leidt de optie rechtstreeks tot het scheppen van banen of banenverlies in specifieke sectoren, beroepen, kwalificatieniveaus, regio's en landen (of een combinatie daarvan) met gevolgen voor sociale en/of specifieke groepen? Zo ja, welke?;

Is de optie rechtstreeks of onrechtstreeks van invloed op de bescherming van de werkgelegenheid, met name de kwaliteit van de arbeidsovereenkomsten, het risico op zwartwerk of schijnzelfstandigheid?;

Heeft de optie een effect op de ongelijkheid en de verdeling van de inkomens en van de rijkdom in de Unie of in een deel ervan?

3.2.4.

Deze vragen beperken zich vaak tot een beschrijving van mogelijke negatieve en positieve gevolgen. Zij zetten niet echt aan tot diepgaandere analyses met betrekking tot de kwaliteit of de omvang van de werkgelegenheid.

3.2.5.

Bovendien lijkt het erop dat de sociale en milieunormen in sommige gevallen niet systematisch en uitvoerig in aanmerking worden genomen in de EB's van de Commissie, en dat al gedurende enige jaren (12), hoewel de Commissie betoogt dat zij in 70 % van de EB's kijkt naar de sociale gevolgen en in 45 % van de EB's naar de milieueffecten.

3.3.   De door de Commissie gebruikte methodologie moet nader worden omschreven

3.3.1.

De directoraten-generaal (DG’s) zijn verantwoordelijk voor de analytische methoden en de modellen waarop de diensten van de Commissie hun wetgevingsvoorstellen baseren. De EB's worden meestal intern verricht door de directoraten-generaal, aan de hand van de richtsnoeren voor effectbeoordelingen (13) en de toolbox. In sommige gevallen doet het betrokken DG een beroep op een externe consultant, die wordt gekozen via een open en transparante procedure, om een bepaald punt van de EB verder uit te diepen.

3.3.2.

Van alle 59 instrumenten uit de toolbox lijken er slechts twee of drie instrumenten als leidraad te kunnen dienen bij besluiten over de kwaliteit van de werkgelegenheid, de sociale bescherming, de hoogte van de beloningen enz. Dit is duidelijk een gebied waarop de toolbox nog moet worden versterkt.

3.4.   Wordt de EB meer en meer een kostenreductieanalyse?

3.4.1.   De kwantificering van de regelgevings- en administratieve lasten

3.4.1.1.

Het REFIT-programma heeft tot doel vast te stellen welke onnodige lasten, inconsistenties en ineffectieve maatregelen er zijn en de nodige maatregelen te treffen om dit te verhelpen. In het kader hiervan is in 2013 de volledige EU-wetgeving in kaart gebracht.

3.4.1.2.

De Raad „Concurrentievermogen” van de EU had de Commissie verzocht om doelstellingen vast te stellen voor het terugdringen van de lasten op terreinen waarop deze bijzonder groot zijn, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen (14).

3.4.1.3.

Op 26 mei 2016 toonde de Raad „Concurrentievermogen” zich eveneens „ingenomen met de toezegging van de Commissie in het interinstitutioneel akkoord om de inspanningen tot vereenvoudiging en tot het terugdringen van regeldruk nader te kwantificeren, om een jaarlijks lastenoverzicht te presenteren en, indien mogelijk, de vermindering van de regeldruk of de potentiële besparingen door afzonderlijke voorstellen of wetgevingshandelingen te kwantificeren” (15).

3.4.2.

Het Comité roept de Commissie op om erop te blijven letten dat de vermindering van de regelgevingslasten niet ten koste gaat van de doeltreffendheid en algemene kwaliteit van het EU-beleid, met name op sociaal en milieugebied en op het gebied van de consumentenbescherming en ten aanzien van kmo's en micro-ondernemingen.

4.   Voorstellen en aanbevelingen

4.1.

Ondanks de reeds geboekte vooruitgang moet het Europese systeem voor effectbeoordelingen nog verder worden uitgebouwd. Wij reiken zeven opties voor verbetering aan om de kwaliteit van EB's te verbeteren en het maatschappelijk middenveld meer te betrekken bij het ontwerp en de uitvoering van wetgeving.

4.2.   Een transparante, toegankelijke en pluralistische opdrachtomschrijving voor studies op het gebied van EB's

4.2.1.

Het Comité dringt erop aan dat de Commissie duidelijker aangeeft welke methode wordt gebruikt voor het berekenen van de effecten van het voorstel, de reikwijdte van het onderzoek en de eventuele beperkingen van de studie (territoriale grenzen, doelgroepen enz.).

4.2.2.

Indien bepaalde delen of onderdelen van de effectbeoordeling zijn uitbesteed, vraagt het Comité dat de naam van de uitvoerder wordt bekendgemaakt.

4.2.3.

Het is van belang dat in de specificaties van de opdrachtomschrijving duidelijk alternatieve scenario's worden gegeven, en dat de gevolgen van alle mogelijke opties worden beschreven, met inbegrip van:

het concurrentievermogen van de EU en haar ondernemingen;

de sociale of milieubescherming;

de ontwikkeling van micro- en kleine ondernemingen;

de gelijkheid tussen vrouwen en mannen;

de territoriale samenhang enz.

4.2.4.

Het is van belang dat uiteindelijk wordt gekozen voor het voorstel dat de verschillende aspecten van artikel 3, lid 3, van het VEU (16) en artikel 9 van het VWEU (17) zo goed mogelijk combineert.

4.2.5.

Om de medewetgevers te helpen bij het opstellen van hun amendementen moeten de effectbeoordelingen alternatieve opties bevatten, zoals scenario's die gunstiger zijn voor de werkgelegenheid, de sociale of milieubescherming, de territoriale samenhang of het consumentenbeleid.

4.3.   Uitbreiding van het Europees register van effectbeoordelingen

4.3.1.

Transparantie is een noodzakelijke voorwaarde voor goed bestuur. Er bestaat een register (18) van de documenten van de Commissie dat de lijst van de effectbeoordelingen en de desbetreffende adviezen van de RRT bevat. Dit register is evenwel weinig bekend bij het grote publiek en is alleen beschikbaar in het Engels.

4.3.2.

Het EESC dringt er dan ook op aan dat de Commissie de desbetreffende website, in samenwerking met de intermediaire organisaties, meer onder de aandacht brengt, dat zij er de standpunten van belanghebbenden, relevante studies en samenvattingen van EB's op publiceert en ervoor zorgt dat de informatie op de site in alle talen van de EU kan worden gelezen.

4.4.   Noodzaak van een kwalitatieve aanpak

4.4.1.

Het EESC pleit ervoor dat de kwantitatieve of kostengerichte aanpak op gelijke voet staat met een kwalitatieve aanpak, waarbij vooral aandacht wordt geschonken aan de menselijke dimensie van nabijheid, gendergelijkheid en contact met de werkelijkheid. De redenen die pleiten voor een kwalitatieve benadering kunnen als volgt worden samengevat:

de moeilijkheid om in te schatten wat de gevolgen op middellange en lange termijn zullen zijn voor het algemeen belang van de EU. Met een kostengerichte aanpak is het moeilijk om de reële ontwikkelingen voor de samenleving of de duurzame ontwikkeling te bevatten;

het gebrek aan beschikbare of betrouwbare gegevens. De econometrische en kwantitatieve methoden kunnen niet alle effecten berekenen. Meestal beperken zij zich tot het generaliseren en aggregeren van gegevens, die vaak partieel en onvolledig zijn, en wordt voorbij gegaan aan niet-meetbare elementen, zoals: de kwaliteit van de sociale dialoog, de evolutie van de sociale bescherming, de mate van regionale integratie, de reële mate van armoede en uitsluiting enz.;

de onvergelijkbaarheid van de gegevens. Iedere kwantitatieve methode is verschillend van aard. De steekproeven, referentiejaren en wetenschappelijke gegevens verschillen van methode tot methode. Daarom is het vaak moeilijk om methoden met elkaar te vergelijken en daaruit lering te trekken;

de vertrouwelijkheid. Vertrouwelijke benaderingen zijn gebaseerd op partiële steekproeven, enquêtes en opiniepeilingen. Uiteraard wordt vertrouwelijke informatie over het sociale klimaat van een bedrijf, een bedrijfstak of een sector weggelaten.

4.4.2.

De effectbeoordelingen moeten altijd in de eerste plaats een kosten-batenanalyse bevatten. Of er sprake is van een terugdringing van het aantal ziekten, gevallen van overlast, verontreinigende emissies en ongevallen kan nooit worden afgeleid op basis van louter kwantitatieve gegevens. Net zoals een eerlijkere mededinging, eerlijke handel en betere arbeidsomstandigheden niet kunnen worden afgeleid uit kwantitatieve beoordelingen. Het is van cruciaal belang dat de Commissie meer nadruk legt op de kwalitatieve beoordeling, in het belang van alle betrokken partijen.

4.5.   Noodzaak van een convergerende methodologische aanpak ten aanzien van de onderzoeksmatrix

4.5.1.

Hoewel in het interinstitutioneel akkoord is geconcludeerd dat elke instelling haar eigen methodologie kan ontwikkelen, stelt het EESC voor dat hierover een diepgaande bezinning plaatsvindt binnen het EP, de Raad en de Commissie, en dat ook het EESC hieraan kan deelnemen.

4.5.2.

Het gaat er niet zozeer om een uniforme methode voor te stellen, maar wel om vooraf overeenstemming te bereiken over een convergerende methodologische matrix, met betrekking tot methodologische basiselementen zoals de omschrijving van de reikwijdte van de studie, de onderzoeksstrategie, de keuze van de instrumenten, de opties die de voorkeur genieten enz.

4.5.3.

Het beste zou zijn dat een dialoog wordt gevoerd met betrekking tot de methodologische keuzes waaraan de Commissie de voorkeur geeft, teneinde het werk van instellingen die amendementen op de wetgeving voorstellen te vergemakkelijken.

4.5.4.

Op die manier zouden de voorstellen van het EESC een gunstiger gehoor vinden bij de medewetgevers.

4.6.   Gerichte evaluatie van de kwaliteit van effectbeoordelingen door het EESC

4.6.1.

Het EESC beschikt over een administratieve eenheid die de kwaliteit van bepaalde Europese wetgevingsinitiatieven achteraf evalueert. In de toekomst zou deze eenheid de werkzaamheden van de EESC-leden kunnen vergemakkelijken door bepaalde effectbeoordelingen te analyseren, de gebruikte methodologie te evalueren en te kijken of rekening is gehouden met economische, sociale, milieu- en territoriale aspecten. Dit zou ook kunnen helpen bij de opstelling van eventuele adviezen wanneer het EESC wordt geraadpleegd over wetgevingsvoorstellen waarop deze effectbeoordelingen betrekking hebben.

4.6.2.

Er dient een regelmatige dialoog tussen het EESC en de Europese Commissie in het leven te worden geroepen over de raadplegingen en effectbeoordelingen.

4.7.   Samenwerking tussen het EESC en de Raad voor regelgevingstoetsing (RRT)

4.7.1.

Er moet worden nagedacht over mogelijkheden voor een informele maar regelmatige samenwerking tussen de RTT en het EESC.

4.7.2.

Naast informele gedachtewisselingen en samenwerking dient te worden gezorgd voor een dynamische samenwerking tussen de RTT en het EESC, in twee richtingen:

de organisatie van regelmatige gedachtewisselingen over de methoden van effectbeoordelingen en goede praktijkvoorbeelden, over „wezenlijke wijzigingen” van Commissievoorstellen en over de vereenvoudiging en vermindering van de regelgevingsdruk;

het verstrekken van adequate informatie aan het EESC voorafgaand aan elk initiatief van de Commissie dat een wezenlijke impact kan hebben op sociaal gebied of op het gebied van werkgelegenheid, milieu of territoriale samenhang, die in de effectbeoordeling moet worden meegenomen. Daartoe zou het Comité een van de ontvangers moeten zijn aan wie de Commissie haar voorlopige beoordelingen (Inception Evaluations) en effectbeoordelingen opstuurt.

4.7.3.

Het EESC zal op zijn beurt in voorkomend geval een beknopte informatiefiche opstellen waarin het zijn voornaamste aanbevelingen presenteert ten aanzien van het terrein waarop de effectbeoordeling betrekking heeft, en zal alle andere gegevens of informatie verstrekken die van belang kunnen zijn voor de effectbeoordeling door de Commissie en de daarmee samenhangende werkzaamheden van de RRT.

4.7.4.

Het EESC zal tevens zijn ex-postevaluatie verstrekken over de uitvoering en toepassing van de wetgeving.

Brussel, 20 september 2017.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Georges DASSIS


(1)  De afkorting staat voor „programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving”.

(2)  PB C 303 van 19.8.2016, blz. 45.

(3)  PB C 303 van 19.8.2016, blz. 45.

(4)  Interinstitutioneel akkoord „Beter wetgeven”, PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(5)  Zie zijn jaarverslag 2016 https://ec.europa.eu/info/law/law-making-process/regulatory-scrutiny-board_en#annual-reports

(6)  The Evaluation Partnership Limited (2007), http://ec.europa.eu/smart-regulation/impact/key_docs_en.htm

(7)  „Effectbeoordelingen in de EU-instellingen: ondersteunen zij de besluitvorming?”, Speciaal verslag nr. 3/2010 van de Europese Rekenkamer, paragraaf 64, blz. 36

(8)  Dit artikel luidt als volgt: „Bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden houdt de Unie rekening met de eisen in verband met de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting alsmede een hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van de menselijke gezondheid.”

(9)  PB C 24 van 28.1.2012, blz. 29.

(10)  http://ec.europa.eu/smart-regulation/guidelines/toc_tool_en.htm

(11)  Better regulation Guidelines, SWD(2015) 111 van 19 mei 2015.

(12)  Renda A., Schrefler L., Luchetta G. and Zavatta R. (2013) Assessing the costs and benefits of regulation. A CEPS — Economisti Associati, studie voor de Europese Commissie.

http://ec.europa.eu/smart-regulation/impact/commission_guidelines/docs/131210_cba_study_sg_final.pdf, geciteerd door Isabelle Schömann in EU Refit machinery ‘cutting red tape’ at the cost of the acquis communautaire, in Policy brief 5/2015, ETUI, 2015.

(13)  De richtsnoeren van de Commissie inzake effectbeoordelingen en daarmee verband houdend materiaal zijn beschikbaar op http://ec.europa.eu/smart-regulation/impact/index_nl.htm

(14)  Punt 9 van de conclusies van de Raad over betere regelgeving ter versterking van het concurrentievermogen, document 8849/16 van 18 mei 2016.

(15)  Punt 7 van de conclusies van de Raad van 26 mei 2016 over betere regelgeving ter versterking van het concurrentievermogen, document 8849/16 van 18 mei 2016.

(16)  „De Unie brengt een interne markt tot stand. Zij zet zich in voor de duurzame ontwikkeling van Europa, op basis van een evenwichtige economische groei en van prijsstabiliteit, een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen die gericht is op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang, en van een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu. De Unie bevordert wetenschappelijke en technische vooruitgang.”

(17)  Zie voetnoot 6.

(18)  Dit register kan worden geraadpleegd op de website van de Europese Commissie op het volgende adres: http://ec.europa.eu/transparency/regdoc/?fuseaction=ia


15.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 434/18


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over een belastingstelsel voor eerlijke concurrentie en groei

(initiatiefadvies)

(2017/C 434/03)

Rapporteur:

Petru Sorin DANDEA

Besluit van de voltallige vergadering

26.1.2017

Rechtsgrondslag

artikel 29, lid 2, van het reglement van orde

 

Initiatiefadvies

 

 

Bevoegde afdeling

Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang

Goedkeuring door de afdeling

7.9.2017

Goedkeuring door de voltallige vergadering

20.9.2017

Zitting nr.

528

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

149/6/18

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Als gevolg van belastingontwijking en agressieve fiscale planning van sommige ondernemingen lopen de lidstaten een aanmerkelijk bedrag aan begrotingsinkomsten mis. Het EESC beveelt de lidstaten aan zich meer inspanningen te getroosten om dit uiterst schadelijke fenomeen te bestrijden door zo snel mogelijk de noodzakelijke belastingregelingen in te voeren.

1.2.

In het besef dat initiatieven ter bestrijding van agressieve fiscale planning alleen effect kunnen sorteren als zij wereldwijd worden uitgevoerd, adviseert het EESC de Commissie en de lidstaten zich er meer voor in te zetten om binnen internationale organisaties, zoals de OESO en de G20, een doeltreffende regeling ter bestrijding van belastingontwijking overeen te komen.

1.3.

Het EESC is verheugd dat de Raad zijn goedkeuring heeft gehecht aan de door de Commissie voorgestelde criteria voor het opstellen van een lijst van rechtsgebieden die als belastingparadijzen bekend staan. Met deze maatregel kan echter alleen een belangrijke stap ter bestrijding van agressieve fiscale planning worden gezet als daarnaast ook sancties worden opgelegd aan deze rechtsgebieden en aan ondernemingen die daarvan bij hun financiële transacties gebruik blijven maken. Deze sancties zouden kunnen inhouden dat de betrokken ondernemingen geen toegang tot openbare middelen krijgen.

1.4.

Het EESC beveelt de lidstaten aan om de belastingconcurrentie niet langer aan te zwengelen met allerlei belastingbesluiten die uit economisch oogpunt ongegrond zijn en de betrokken ondernemingen op ongerechtvaardigde wijze bevoordelen ten opzichte van hun concurrenten.

1.5.

Het EESC vindt dat de lidstaten harmonisatie en vereenvoudiging van de belastingvoorschriften tot prioriteit moeten maken. Bovendien moet naast harmonisatie ook werk worden gemaakt van het volledig afschaffen van fiscale belemmeringen.

1.6.

De mondialisering heeft ertoe geleid dat de belastingdruk is verschoven van kapitaal naar arbeid, waardoor de loonkosten zijn gestegen en de ongelijkheden zijn toegenomen. Het EESC pleit ervoor dat de lidstaten bij belastinghervormingen de belastingdruk verschuiven van arbeid naar financieel gebied of naar praktijken die schadelijk zijn voor het milieu.

1.7.

Het EESC stelt voor dat de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) voor de hele eengemaakte markt en zelfs daarbuiten gaat gelden. Daarmee zou er een voorspelbaarder en ondernemingsvriendelijker stelsel komen en zouden de nalevingskosten bij grensoverschrijdende investeringen worden teruggedrongen.

1.8.

Het EESC pleit ervoor dat de in het kader van de CCCTB gehanteerde verdeelsleutel voor de belastbare winsten zoveel mogelijk uitgaat van het beginsel dat winsten daar worden belast waar zij gegenereerd zijn. De noodzakelijke consensus over deze maatregel zou daardoor gemakkelijker bereikt kunnen worden. Leveren de recente Europese maatregelen tegen belastingontwijking niets op en worden de doelstellingen van de CCCTB niet gehaald, dan zou er een minimumtarief voor de vennootschapsbelasting kunnen worden overwogen om een neerwaartse spiraal te voorkomen.

1.9.

Wat de eigen begrotingsmiddelen van de EU betreft, adviseert het EESC de lidstaten oplossingen te zoeken om de aanbevelingen van de Groep op hoog niveau inzake de eigen middelen ten uitvoer te leggen. Verhoging van de eigen middelen van de EU maakt het mogelijk om het ontwikkelings- en cohesiebeleid in de lidstaten sterker te ondersteunen.

1.10.

De gemeenschappelijke munt is en blijft een van de opmerkelijkste successen van de EU. Vanwege de versnippering van het Europese belastingstelsel is het volledige potentieel van de euro echter nog niet verwezenlijkt. Het EESC herhaalt zijn voorstel om een „belastingslang” in te voeren, naar het voorbeeld van de „monetaire slang” (1) die voorafging aan de gemeenschappelijke munt. Het meent dat een belastingslang aanvankelijk betrekking zou kunnen hebben op de drie soorten belastingen die 90 % van de begrotingsmiddelen van de lidstaten genereren: de btw, de inkomstenbelasting en de sociale premies.

1.11.

De inspanningen om de regels voor het vaststellen van de heffingsgrondslagen voor de belangrijkste belastingen te harmoniseren (2) zouden er echter wel bij varen als op het vlak van de directe belastingen stemmen bij gekwalificeerde meerderheid werd ingevoerd. Er zouden sneller vorderingen op het vlak van het belastingbeleid gemaakt kunnen worden, iets dat goed zou zijn voor de eengemaakte markt en een aanmerkelijk groeipotentieel zou creëren; met een geharmoniseerde regeling zouden de nalevingskosten voor ondernemingen fors verlaagd kunnen worden en zou het belastingstelsel in de EU voorspelbaarder worden.

2.   Achtergrond

2.1.

Belastingen spelen een fundamentele rol in het streven naar sociale rechtvaardigheid en een billijke economie en hebben dan ook een sociale, intergenerationele en genderdimensie. Overheden innen belastingen om de socialebeschermings- en socialezekerheidsstelsels en de openbare dienstverlening aan burgers en bedrijven te kunnen (blijven) financieren. Daarnaast vormen belastingen een cruciaal instrument om inkomen en vermogen eerlijker te verdelen binnen de samenleving en zo sociale ongelijkheden te verminderen.

2.2.

Belastingontduiking en belastingontwijking, met inbegrip van de agressieve fiscale planningspraktijken die sommige bedrijven met grensoverschrijdende activiteiten toepassen om geen belasting te hoeven betalen, en zwartemarktactiviteiten werken de toenemende ongelijkheden als gevolg van de economische crisis en bezuinigingsprogramma's in de hand en houden daarmee een ernstig gevaar in. Zelfs in de meest voorzichtige schattingen wordt het financiële verlies voor de lidstaten als gevolg van grondslaguitholling en winstverschuiving geraamd op honderden miljarden euro.

2.3.

Door de mondialisering is het kapitaalverkeer in omvang toegenomen en sneller geworden. Kapitaal vloeit naar zones waar gunstigere belastingregels een hoger rendement opleveren. Dit is problematisch voor overheden, omdat zij zich genoodzaakt zien in hun belastingbeleid meer rekening te houden met deze internationale kapitaalbewegingen dan met hun eigen nationale economische en sociale prioriteiten.

2.4.

De afgelopen jaren heeft de belastingconcurrentie tussen de lidstaten (3) tot een definitief verlies van belastinginkomsten geleid. Dit is niet alleen ten koste gegaan van elementaire openbare diensten, maar ook van de openbare investeringen — een van de belangrijkste motoren van de groei. Op korte termijn kan een lager belastingniveau weliswaar gunstig uitpakken voor landen die de belastingconcurrentie op deze manier aanzwengelen, maar op lange termijn is de afname van overheidsinkomsten schadelijk gebleken voor de algemene economische groei (4). Lidstaten stimuleren de belastingconcurrentie door allerlei vrijstellingen van verbruiks- of inkomstenbelasting te verlenen en gunstige belastingafspraken met multinationale ondernemingen te maken.

2.5.

Door de versnippering van de belastingregelgeving in de EU (vrijwel iedere lidstaat heeft zijn eigen belastingstelsel) zijn lidstaten over het algemeen veel kwetsbaarder voor agressieve fiscale planning geworden, waardoor zij aanzienlijke begrotingsinkomsten kunnen mislopen. Daarnaast is de buitensporige versnippering op belastinggebied schadelijk voor de eengemaakte markt en holt zij het concurrentievermogen van de EU ten opzichte van haar belangrijkste concurrenten uit. Niet alleen kan fiscale harmonisatie op EU-niveau alle lidstaten hogere begrotingsinkomsten opleveren; er kan ook een gunstiger ondernemingsklimaat ontstaan doordat regelgeving vereenvoudigd en nalevingskosten dus verminderd zouden worden. Harmonisatie zou een einde moeten maken aan de mazen en verschillen binnen en tussen de belastingstelsels van de lidstaten.

2.6.

De schandalen rond de belastingontwijking door rijke mensen en multinationale ondernemingen die de afgelopen jaren aan het licht zijn gekomen hebben de gemoederen sterk in beroering gebracht. Uit de Panama Papers, LuxLeaks en het Apple-schandaal blijkt dat er financiële transacties ten bedrage van tientallen of zelfs honderden miljarden euro zijn verricht om geen belasting in de lidstaten te hoeven betalen.

2.7.

Zouden de vrijstellingen van verbruiks- en inkomstenbelastingen worden afgeschaft en de belastinggrondslagen meer gelijk worden getrokken, dan zouden de overheidsinkomsten fors toenemen en de investeringen in de eengemaakte markt bevorderd worden. Zoals bekend hebben kleine en middelgrote ondernemingen die grensoverschrijdende investeringen willen doen, vanwege de hoge nalevingskosten te kampen met een slechtere toegang en slechtere kansen.

2.8.

In dit verband heeft de Commissie op verzoek van de Raad een reeks voorschriften voorgelegd om belastingontwijking en agressieve fiscale planning aanzienlijk terug te dringen, alsook om dubbele belastingheffing van ondernemingen in de EU te voorkomen. Aangezien rechtstreekse belastingen nog altijd tot de exclusieve bevoegdheden van de lidstaten behoren is er echter weinig vooruitgang geboekt; over een aantal van de door de Commissie voorgestelde maatregelen heeft de Raad geen consensus weten te bereiken.

2.9.

Enkele van de belangrijkste maatregelen die de Commissie heeft voorgesteld om belastingontwijking en agressieve fiscale planning te bestrijden zijn: verbetering van het mechanisme voor de automatische uitwisseling van inlichtingen tussen belastingdiensten, invoering van een algemene antimisbruikregel in de regelgeving ten aanzien van vennootschappen, invoering van de verplichting voor multinationale ondernemingen om geboekte winsten en betaalde winstbelastingen per land bekend te maken, en hervatting van de plannen om een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) in te voeren. Voorts zijn er vele maatregelen ingevoerd om btw-fraude te bestrijden en ervoor te zorgen dat er minder inkomsten worden misgelopen: momenteel gaat er 15 % aan btw-inkomsten verloren (de zgn. btw-kloof).

2.10.

Overigens heeft de Commissie actief deelgenomen aan het onderhandelingsproces binnen de OESO, dat in 2015 is uitgemond in ondertekening van het zgn. BEPS-akkoord (inzake grondslaguitholling en winstverschuiving). Deze OESO-standaard beoogt strengere belastingvoorschriften voor grensoverschrijdende transacties in te voeren, met name om agressieve fiscale planning te bestrijden. De lidstaten leggen de door deze standaard voorgestelde maatregelen thans ten uitvoer en hebben ter zake ook aanvullende maatregelen getroffen.

3.   Voorstellen van het Comité

3.1.   Bestrijding van belastingontwijking en agressieve fiscale planning

3.1.1.

Door de agressieve fiscale planning van sommige ondernemingen lopen de lidstaten een aanmerkelijk bedrag aan begrotingsinkomsten mis. Aangezien agressieve fiscale planning de belastinggrondslagen uitholt en de lidstaten daardoor noopt de belastingen te verhogen, is die planning van nature een immorele praktijk die de werking van de eengemaakte markt zwaar verstoort en de billijkheid van de belastingstelsels jegens belastingplichtigen aantast. Burgers en kleine ondernemingen betalen vaak meer belasting dan grote bedrijven. Het Comité beveelt de lidstaten aan zich meer inspanningen te getroosten en zo snel mogelijk regels in te voeren om dit uiterst schadelijke fenomeen te bestrijden.

3.1.2.

Meer dan honderd landen hebben deelgenomen aan de OESO-onderhandelingen die zijn uitgemond in een reeks maatregelen die in de BEPS-standaard zijn opgenomen. De maatregelen ter bestrijding van belastingontwijking en agressieve fiscale planning hebben alleen kans van slagen als zij wereldwijd de norm worden. Het EESC beveelt aan dat de Commissie en de lidstaten zich meer inzetten om binnen internationale organisaties doeltreffende regelingen ter bestrijding van belastingontwijking en agressieve fiscale planning overeen te komen die correct ten uitvoer worden gelegd.

3.1.3.

De Raad heeft zijn goedkeuring gehecht aan de door de Commissie voorgestelde criteria voor het opstellen van een lijst van rechtsgebieden die als belastingparadijzen bekend staan. Met deze maatregel kan echter alleen een belangrijke stap ter bestrijding van agressieve fiscale planning worden gezet als daarnaast ook sancties worden opgelegd aan deze rechtsgebieden en aan ondernemingen die daarvan bij hun financiële transacties gebruik blijven maken. Deze sancties zouden kunnen inhouden dat de betrokken ondernemingen geen toegang tot openbare middelen krijgen en niet mogen deelnemen aan aanbestedingen.

3.1.4.

Op initiatief van de Commissie is in 2015 bepaald dat de lidstaten verplicht automatisch inlichtingen over hun fiscale rulings moeten uitwisselen. De lidstaten zouden dit systeem moeten gebruiken om fiscale rulings in kaart te brengen die de concurrentie op de markt verstoren doordat ondernemingen gebruik kunnen maken van belastingvrijstellingen of -verminderingen, die mogelijk onrechtmatige staatssteun inhouden. Het EESC beveelt de lidstaten aan om de belastingconcurrentie niet langer aan te zwengelen met allerlei belastingbesluiten die uit economisch oogpunt ongegrond zijn en de betrokken ondernemingen op ongerechtvaardigde wijze bevoordelen ten opzichte van hun concurrenten.

3.2.   Belastinghervorming op EU-niveau

3.2.1.

De fragmentatie van de belastingstelsels in de EU is schadelijk voor de eengemaakte markt doordat de mogelijkheden om grensoverschrijdende investeringen te doen vooral voor klein en middelgrote ondernemingen worden beperkt. Het EESC vindt dat de lidstaten harmonisatie en vereenvoudiging van de belastingvoorschriften tot prioriteit moeten maken. Bovendien moet naast harmonisatie ook werk worden gemaakt van het volledig afschaffen van fiscale belemmeringen.

3.2.2.

De mondialisering heeft ertoe geleid dat de belastingdruk is verschoven van kapitaal naar arbeid, waardoor de loonkosten zijn gestegen en de ongelijkheden zijn toegenomen. Het EESC pleit ervoor dat de belastingdruk wordt verschoven van arbeid naar financieel gebied of naar praktijken die schadelijk zijn voor het milieu.

3.2.3.

De Commissie heeft onlangs haar voorstel tot invoering van een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) voor grote ondernemingen met een omzet boven de 750 miljoen euro opnieuw ter hand genomen. Dit voorstel van de Commissie kan leiden tot harmonisatie van de vennootschapsbelastingstelsels in de EU. Mocht dit systeem doeltreffend blijken in die zin dat het banen schept en tot investeringen aanzet doordat de belastinginning wordt verbeterd en de belastingheffing voorspelbaarder en ondernemingsvriendelijker wordt, dan zou het volgens het EESC een goed idee zijn om het in de hele EU en zelfs daarbuiten in te voeren.

3.2.4.

Het EESC vindt dat de in het kader van de CCCTB gehanteerde verdeelsleutel voor de belastbare winsten zoveel mogelijk zou moeten uitgaan van het beginsel dat winsten daar worden belast waar zij gegenereerd zijn. De noodzakelijke consensus over deze maatregel zou daardoor gemakkelijker bereikt kunnen worden. Leveren de recente Europese maatregelen tegen belastingontwijking niets op en worden de doelstellingen van de CCCTB niet gehaald, dan zou er een minimumtarief voor de vennootschapsbelasting kunnen worden overwogen om een neerwaartse spiraal te voorkomen.

3.2.5.

Verhoging van de eigen middelen van de EU maakt het volgens het EESC mogelijk om het ontwikkelings- en cohesiebeleid in de lidstaten sterker te ondersteunen. Het EESC adviseert de lidstaten dan ook oplossingen te zoeken om de aanbevelingen van de Groep op hoog niveau inzake de eigen middelen ten uitvoer te leggen.

3.2.6.

In het licht van de inspanningen om de belastingstelsels in de EU te harmoniseren herhaalt het EESC zijn voorstel om een „belastingslang” in te voeren, naar het voorbeeld van de „monetaire slang” die voorafging aan de gemeenschappelijke munt. Hoewel een dergelijke regeling wellicht volgens beleidsmakers vanwege de complexe aard van de nationale belastingstelsels lastig te realiseren is, meent het EESC dat een belastingslang aanvankelijk betrekking zou kunnen hebben op de drie soorten belastingen die 90 % van de begrotingsmiddelen van de lidstaten genereren: de btw, de inkomstenbelasting en de sociale premies.

3.2.7.

Op het gebied van de directe belastingen blijft de bevoegdheid overeenkomstig de bepalingen van het EU-Verdrag bij de lidstaten berusten. De inspanningen om de regels voor het vaststellen van de heffingsgrondslagen voor de belangrijkste belastingen te harmoniseren zouden er echter wel bij varen als op het vlak van de directe belastingen stemmen bij gekwalificeerde meerderheid werd ingevoerd. Er zouden sneller vorderingen op het vlak van het belastingbeleid gemaakt kunnen worden, iets dat goed zou zijn voor de eengemaakte markt en een aanmerkelijk groeipotentieel zou creëren; met een geharmoniseerde regeling zouden de nalevingskosten voor ondernemingen fors verlaagd kunnen worden en zou het belastingstelsel in de EU voorspelbaarder worden.

3.2.8.

Het bestaan van de eurozone, als muntunie die in de toekomst het merendeel van de lidstaten zal omvatten, maakt harmonisatie van de belasting- en socialezekerheidsstelsels wellicht noodzakelijk. Volgens deskundigen op het gebied van monetair beleid heeft de versnippering van de belastingstelsels in de eurozone de gevolgen van de recente economische en financiële crisis verergerd. Blijft de huidige situatie — een muntunie met verschillende belastingstelsels — voortbestaan, dan zal de eengemaakte markt verzwakt raken. Door de belastinggrondslagen voor de belangrijkste soorten belastingen en heffingen te harmoniseren worden de nalevingskosten voor ondernemingen teruggedrongen en kunnen er bij hen dus meer middelen vrijkomen voor investeringen, onderzoek en innovatie.

3.2.9.

Invoering van een gedifferentieerde winstbelasting die gunstig is voor ondernemingen die winsten opnieuw investeren, kan de groei en werkgelegenheid in de EU bevorderen. Ook afschaffing van alle belastingvrijstellingen voor ondernemingen die het merendeel van hun winst in de vorm van dividend uitkeren zou de economische groei kunnen stimuleren.

3.2.10.

Belastingharmonisatie in de eurozone, op basis van het convergentiebeginsel en gepaste belastingheffing, zou de nodige middelen genereren om de overheidsinvesteringen een nieuwe impuls te geven, waarmee ook de weg wordt vrijgemaakt voor particuliere investeringen.

Brussel, 20 september 2017.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Georges DASSIS


(1)  PB C 230 van 14.7.2015, blz. 24, paragraaf 1.11.

(2)  PB C 198 van 10.7.2013, blz. 34, paragraaf 3.4 en 3.6.

(3)  Business and Economics Research Journal, volume 6 nr. 2, 2015, blz. 52-53.

(4)  COM(2009) 201 final, blz. 5-6.


15.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 434/23


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de nieuwe context voor de strategische betrekkingen EU-Celac en de rol van het maatschappelijk middenveld

(initiatiefadvies)

(2017/C 434/04)

Rapporteur:

Mário SOARES

Corapporteur:

Josep PUXEU ROCAMORA

Besluit van de voltallige vergadering

30.3.2017

Rechtgrondslag:

Artikel 29, lid 2, van het reglement van orde

 

Initiatiefadvies

 

 

Bevoegde afdeling

REX

 

 

Goedkeuring door de voltallige vergadering

21.9.2017

Zitting nr.

528

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

179/15/31

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

De regio Latijns-Amerika en het Caribisch gebied — tegenwoordig verenigd in de Gemeenschap van Latijns-Amerikaanse en Caribische Staten (Celac) — houdt er al eeuwen dezelfde normen en waarden op na als Europa, wat betekent dat zij eenzelfde kijk op de wereld hebben. Door samen een blok te vormen met een gemeenschappelijke aanpak van de mondiale uitdagingen kunnen de EU en Celac hun stem krachtiger laten weerklinken op het internationale toneel.

1.2.

De Europese Unie en haar lidstaten zijn de grootste investeerders en belangrijkste partners voor de landen in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied (LAC). In de loop der eeuwen zijn politieke, economische, sociale, culturele en historische banden gesmeed, die ook tot uiting komen in de tweejaarlijkse Top van staatshoofden en regeringsleiders, een parlementaire vergadering, allerlei overeenkomsten en vooral ook in een groot sociaal netwerk.

1.3.

Door nieuwe mondiale uitdagingen dient de behoefte aan versterking van dit samenwerkingsverband, en met name aan een nieuwe strategie, zich aan. Deze strategie moet meer zijn dan een formaliteit en verder gaan dan ronkende verklaringen, en moet ertoe leiden dat de EU en Celac met een krachtige en overtuigende stem kunnen spreken op het wereldtoneel. In de nieuwe geopolitieke situatie wint de Latijns-Amerikaanse regio als strategische prioriteit van het buitenlandbeleid van de EU aan kracht.

1.4.

Het EESC stelt met voldoening vast dat de Commissie buitenlandse zaken van het Europees Parlement momenteel een resolutie over hetzelfde onderwerp voorbereidt, waarin wordt gesteld dat Celac een belangrijke partner is voor de EU en dat de Unie in haar externe optreden met Celac prioriteit moet geven aan de intensivering van de politieke dialoog en samenwerking op het gebied van migratie, klimaatverandering, hernieuwbare energie, bestrijding van georganiseerde misdaad en versterking van de politieke, culturele en sociaaleconomische betrekkingen.

1.4.1.

Het EESC hoopt dat de staatshoofden van de EU en Celac zich tijdens hun topontmoeting op 26 en 27 oktober van dit jaar bewust zijn van de uitdagingen waarmee de mensheid en de aarde thans worden geconfronteerd en een strategie opstellen om de strategische, politieke, economische, sociale en culturele banden tussen beide regio's aan te halen.

1.4.2.

Het zou een goede zaak zijn als de Europese Unie en Celac een algemene kaderovereenkomst zouden kunnen sluiten waarin beleidsbeginselen op het gebied van politiek overleg, samenwerking en duurzame ontwikkeling worden vastgelegd. Deze overeenkomst zou als uitgangspunt kunnen dienen van geopolitiek optreden op wereldschaal en zou de stem van onze regio's op het internationale toneel kunnen versterken.

1.4.3.

Het EESC verzoekt alle politieke leiders van de EU en Latijns-Amerika en het Caribisch gebied om het belang van de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld te erkennen en naar waarde te schatten. Het is daarom belangrijk dat:

structureel overleg met het maatschappelijk middenveld — waarvan de deelname gebaseerd moet zijn op criteria voor de representativiteit van de organisaties en evenwicht tussen de verschillende vertegenwoordigde sectoren — een officieel onderdeel wordt van alle onderhandelingen; in het specifieke geval van onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten moet worden gegarandeerd dat het maatschappelijk middenveld daadwerkelijk wordt betrokken in elk stadium van het onderhandelingsproces en tijdens de uitvoering en evaluatie van het resultaat daarvan;

alle in de overeenkomsten voorziene overlegstructuren van meet af aan en in voldoende mate over de noodzakelijke materiële middelen beschikken, zodat zij naar behoren kunnen functioneren;

transparantie en formeel en regelmatig overleg met de autoriteiten de basis vormen van het vertrouwen in hoogwaardige actie door de betrokken partijen;

zowel de follow-up van als het toezicht op de gesloten overeenkomsten bij één enkele — geïnstitutionaliseerde en voldoende gefinancierde — instantie komt te liggen volgens het principe „één overeenkomst, één instantie uit het maatschappelijk middenveld”.

1.4.4.

Het EESC wil eraan herinneren dat consolidatie van de democratie, humane duurzame ontwikkeling, justitie en sociale cohesie, bescherming van natuurlijke hulpbronnen en milieu, onvoorwaardelijke eerbiediging van de mensenrechten en arbeidsnormen, de toekomst van fatsoenlijk werk en de bestrijding van ongelijkheid de speerpunten van het maatschappelijk middenveld zijn.

1.4.5.

Actieve betrokkenheid bij het werken aan een wereld waarin iedereen, ondanks de onderlinge verschillen en dankzij een constante dialoog, in vrede samenleeft, is onderdeel van zijn opdracht. Een wereld waarin alle landen en alle volkeren hun eigen pad naar ontwikkeling kunnen bewandelen en met inachtneming van hun cultuur een democratische, inclusieve en welvarende samenleving kunnen bouwen. Het EESC eist zijn plaats op in dit proces.

2.   Een complexe wereld in beweging

2.1.

De wereld worstelt tegenwoordig met allerlei problemen die maar moeilijk op te lossen zijn: toenemende klimaatverandering, steeds meer gewapende conflicten die duizenden mensen op de vlucht jagen, nationalisme dat weer de kop opsteekt en tot een eenzijdige kijk op conflictoplossing leidt, en zelfs de terugkeer van nucleaire dreiging.

2.2.

Hoewel de ontwikkeling van de wereldhandel vanuit politiek oogpunt tot een beter evenwicht tussen verschillende delen van de wereld zou kunnen leiden, blijft de kloof tussen arm en rijk bestaan (en is zij soms nog toegenomen), ook binnen eenzelfde regio of land.

2.3.

In veel delen van de wereld staat de eerbiediging van de mensenrechten en de internationale normen van de Verenigde Naties en de ILO onder druk en worden de rechten van vrouwen en kinderen en van etnische, religieuze of culturele minderheden nog steeds met voeten getreden. Ook de fundamentele vrijheden worden niet altijd gerespecteerd, met alle gevolgen van dien voor de veiligheid en de levenskwaliteit van allerlei bevolkingsgroepen.

2.4.

Het klimaatakkoord van Parijs, dat brede steun kreeg, ook van landen als de Verenigde Staten en China, die meestal huiverig zijn om toezeggingen te doen op dit vlak, staat momenteel op losse schroeven. De nieuwe Amerikaanse regering heeft immers aangekondigd dat zij zich wil terugtrekken uit het akkoord, waarmee het Clean Power Plan (een plan dat in 2015 werd gelanceerd om de uitstoot door de energiesector te verminderen en de productie van hernieuwbare energie te stimuleren) op de helling komt te staan.

2.5.

Na een periode waarin de wereld kennelijk in een soort van evenwicht begon te raken, werden door de financiële crisis die in 2007 losbarstte de sociale gevolgen van de liberalisering van de markten ook in de geïndustrialiseerde landen merkbaar. In plaats van af te nemen zijn de conflicten alleen maar toegenomen en zijn de tegenstellingen tussen landen en regio's nog groter geworden.

2.6.

In Europa heeft de samenwerking tussen de EU en Rusland en tussen de EU en Turkije (dat nog steeds onderhandelt over toetreding tot de EU) een flinke deuk opgelopen door uitgesproken meningsverschillen, die erop wijzen dat dit prille evenwicht is verstoord of ernstig wordt bedreigd.

2.7.

De verkiezing van een nieuwe Amerikaanse president, die niet erg eenduidig is en zich kennelijk minder vriendschappelijk opstelt tegenover de EU, maakt de internationale situatie nog ingewikkelder. Het opschorten van de onderhandelingen over TTIP, de aankondiging in de Verenigde Naties dat hij zich bij zijn handelingen niet altijd zal laten leiden door de criteria voor besluitvorming die binnen deze organisatie gelden, het niet ratificeren van het TPP, de pogingen om het migratiebeleid te wijzigen en het in twijfel trekken van de gebruikelijke procedures tussen bondgenoten leiden tot onzekerheid en dragen bij tot instabiliteit van de wereldorde.

2.8.

Overeengekomen en realistische verbintenissen zijn de enige alomvattende oplossing voor dit probleem en andere bedreigingen en uitdagingen. Maar deze toezegging moet ook bindend zijn om echte oplossingen, die onvermijdelijk complexer zijn en moeten multilateraal zijn.

3.   Europa: wereldspeler en strategische partnerschappen

3.1.

Het EESC is van mening dat als Europa een hoofdrol wil blijven spelen op het huidige complexe wereldtoneel, het partners en bondgenoten nodig heeft die niet alleen hetzelfde ontwikkelingspad volgen en handelspartners kunnen zijn, maar ook en vooral dezelfde normen en waarden hebben. Dat is de toegevoegde waarde die de Europese Unie kan en moet hebben.

3.2.

De strategie die Europa tot dusver heeft gevolgd voor Latijns-Amerika en het Caribisch gebied, is o.a. gebaseerd op de volgende elementen:

bevordering van sociale samenhang;

steun voor regionale integratie in Latijns-Amerika;

bevordering van „zuid-zuid-samenwerking”;

het sluiten van associatieovereenkomsten, overeenkomsten inzake politieke dialoog en samenwerking, handelsovereenkomsten of strategische partnerschappen (akkoorden met Mexico en Chili (2002), overeenkomsten voor economische samenwerking met de vijftien landen in het Caribisch gebied (2008), associatieovereenkomsten met Midden-Amerikaanse landen (2012), multilaterale handelsakkoorden met Peru en Colombia (2010) en Ecuador (2014), overeenkomsten inzake politieke dialoog en samenwerking met Cuba, strategisch partnerschap met Brazilië (2008)) (1).

3.3.

De Top van staatshoofden en regeringsleiders van de EU en van Latijns-Amerika en het Caribisch gebied en, later, de bijeenkomst van de Celac-landen en de Euro-Latijns-Amerikaanse Parlementaire Vergadering (EuroLat), een parlementair orgaan dat is voortgekomen uit de biregionale strategische associatie tussen de EU en Latijns-Amerika en het Caribisch gebied, zijn de politieke uitingen van deze strategie.

3.4.

Europa heeft zich internationaal sterk gemaakt voor de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) van de Verenigde Naties, de Agenda 2030 en de overeenkomsten van Parijs. De EU heeft zich vooral laten leiden door:

de verdediging van sociale, culturele en arbeidsrechten;

de bevordering van een economisch gezonde, duurzame en eerlijker ontwikkeling;

de instandhouding van de aarde en de strijd tegen de negatieve gevolgen van klimaatverandering;

de eerbiediging en onvoorwaardelijke toepassing van de mensenrechten;

het behoud van vrede, de ondersteuning van multilateralisme en de bestrijding van conflicten via onderhandeling.

3.5.

In dit opzicht zou een solide blok EU-Celac internationaal meer gewicht in de schaal kunnen leggen en een belangrijke rol kunnen spelen in het behoud van deze waarden, die zowel door de EU als Celac worden onderschreven. Daarom lijkt de tijd nu rijp om de vraag te stellen of deze strategie, die absoluut waardevolle resultaten heeft opgeleverd, wel toereikend is om de mondiale uitdagingen waarmee beide regio’s worden geconfronteerd het hoofd te bieden.

3.6.

Het EESC vindt het uiterst belangrijk dat er een serieus interregionaal debat wordt gevoerd waarin openhartig wordt gesproken over zowel de successen die tot dusver zijn geboekt als de tekortkomingen of beperkingen die zijn geconstateerd en waarin lessen worden getrokken uit eerdere maatregelen; een debat dat inspeelt op de actuele uitdagingen en de gemeenschappelijke waarden en normen, waardoor een band ontstaat die gebaseerd is op vernieuwde samenwerking en legitimiteit voor de toekomst.

4.   Een nieuwe impuls voor de betrekkingen tussen de EU en Celac

4.1.

De internationale situatie schept een nieuwe gelegenheid om sterkere en adequatere banden te smeden tussen LAC en Europa, die vorm zouden kunnen krijgen in de toekomstige overeenkomst EU-Mercosur (2). Deze overeenkomst is een belangrijke uitdaging voor de EU want als hierover een akkoord wordt bereikt, dan zou de hele Latijns-Amerikaanse regio, met uitzondering van Bolivia en Venezuela, politiek en economisch nauw verbonden raken met de Unie. De nieuwe onderhandelingen over de overeenkomst met Mexico zijn ook van groot belang voor dit land en geven Europa de kans om zijn aanwezigheid te versterken met het oog op de verwachte afname van de handel tussen Mexico en de Verenigde Staten.

4.2.

De betrekkingen tussen de EU en Latijns-Amerika en het Caribisch gebied moeten aantoonbaar nuttig zijn voor iedereen, d.w.z. zowel voor de Europese landen als voor de landen in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied en, niet in de laatste plaats, voor de burgers van deze landen.

4.3.

Productieve investeringen in beide regio’s vormen de sleutel tot interactie tussen de politieke, sociale, milieu- en economische aspecten van ontwikkeling. De EU en haar lidstaten blijven de grootste investeerder in de regio. De landen van Latijns-Amerika en het Caribisch gebied zijn de tweede grootste handelspartner van de EU, en samen maken Celac en de EU een derde van de VN-lidstaten uit en zijn zij goed voor 25 % van het mondiale bbp.

4.4.

Een hechter partnerschap tussen Latijns-Amerika en de Europese Unie kan bevorderlijk zijn voor de economische groei, vaart zetten achter structurele hervormingen in het voordeel van kennisintensieve sectoren, de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting ten goede komen en meer aandacht genereren voor milieubescherming.

Dit kan worden bereikt door:

associatieovereenkomsten uit te breiden, waardoor ruimte ontstaat voor investeringen, met name in nieuwe kennisintensieve activiteiten en hoogwaardige banen;

de oprichting van kleine en middelgrote ondernemingen te bevorderen door banen in netwerken te creëren;

te investeren in sectoren die duurzame groei, fatsoenlijk werk, sociale inclusie en milieuduurzaamheid hoog in het vaandel hebben;

innovatie en democratisering van nieuwe technologie, met name informatie- en communicatietechnologie (ICT), te stimuleren en aldus bij te dragen aan de verspreiding ervan op grote schaal;

inclusieve en milieuvriendelijke infrastructuur aan te leggen die, binnen een nieuw kader voor stadsontwikkeling, basisdiensten beter bereikbaar maakt en de territoriale cohesie bevordert;

te investeren in technologie die de klimaatverandering tegengaat;

meer gebruik te maken van milieuvriendelijke energie door een beroep te doen op niet-conventionele hernieuwbare bronnen om de energieconsumptie te diversifiëren, en te profiteren van de ervaringen van Europese bedrijven op dit gebied zodat stappen kunnen worden gezet in de richting van een groene economie;

bedrijfsorganisaties en vakbonden in staat te stellen om een centrale rol te spelen in de sociale dialoog, om een zo harmonieus mogelijke ontwikkeling van het lokale productieapparaat te bevorderen en de omvang van de informele economie te beperken.

4.5.

Dit zou het economisch en sociaal welzijn in beide regio’s ten goede komen, hetgeen zeker een positief effect zou hebben op de werkgelegenheid, bijvoorbeeld door middel van:

nieuwe bedrijfskansen voor ondernemingen in niet-traditionele sectoren, zoals nieuwe technologie, groene economie en sociale netwerken;

uitbreiding van de traditionele markten in o.a. de telecommunicatie-, automobiel-, farmaceutische, elektriciteits- en banksector;

het aanboren van nieuwe markten voor kleine en middelgrote ondernemingen;

het aanbod van natuurlijke hulpbronnen en voedingsmiddelen, en het behoud van biodiversiteit en milieuduurzaamheid;

het stimuleren van de sociale en op solidariteit gebaseerde economie als een manier om de sociaaleconomische structuur te verbeteren, de schaduweconomie te bestrijden of migratie te beperken.

4.6.

De EU en Celac staan voor uitdagingen, maar krijgen ook de kans om positieve ontwikkelingen teweeg te brengen op terreinen die voor beide regio’s van cruciaal belang zijn. Dit effect kan worden versterkt door middel van gezamenlijk optreden op gebieden als:

kwaliteitsvol onderwijs en opleiding voor iedereen;

fatsoenlijk werk voor vrouwen en jongeren;

mobiliteit en erkenning van rechten, met name aan de hand van het Erasmus-programma voor de uitwisseling van studenten, dat zijn nut inmiddels heeft bewezen.

4.7.

De combinatie van publieke maatregelen en particuliere initiatieven moet de economische ontwikkeling bevorderen, de samenwerking binnen het bedrijfsleven verbeteren en financiële investeringen in groei realiseren. Ook is het noodzakelijk dat de informele economie, de onderontwikkeling en de slechte concurrentiepositie van het mkb worden bestreden. Het EESC roept bovendien op tot het vergemakkelijken en verbeteren van de mobiliteit tussen beide regio's, en daarbij de wederzijdse consistentie van arbeidsrechten te waarborgen en de coördinatie van socialezekerheidsstelsels te verbeteren.

4.8.

Het is belangrijk dat de betrekkingen tussen beide regio’s als een ondeelbaar geheel worden beschouwd en dat aspecten als economie, mensenrechten en duurzame ontwikkeling niet los van elkaar worden gezien. Samenwerking en wederzijdse steun zijn onmisbaar als we vooruitgang willen boeken met een actieplan en een gemeenschappelijke agenda om de belangrijkste problemen in onze wereld, waaronder armoede, klimaatverandering en gewapende conflicten, aan te pakken.

5.   Participatie van het maatschappelijk middenveld: barrières en toekomstperspectieven

5.1.

De betekenis, rol en actieve bijdrage van de maatschappelijke organisaties in beide regio’s, evenals het feit dat zij ervaringen uitwisselen, samen aan projecten werken en een actieve bijdrage leveren aan beoogde maatregelen, moeten in acht worden genomen, worden erkend en worden aanvaard als fundamentele elementen van een nieuwe vorm van strategisch partnerschap.

5.2.

Het maatschappelijk middenveld in beide regio’s staat niet alleen voor grote uitdagingen, maar beschikt ook over kansen, aangezien de betrekkingen tussen beide regio’s een nieuwe dimensie moeten krijgen: een dimensie die geen afbreuk doet aan wat in het verleden is bereikt, maar met meer oog voor politieke en strategische belangen op de toekomst is gericht.

5.3.   Barrières

5.3.1.

Hoewel de rol van het maatschappelijk middenveld als drijvende kracht achter de versterking van een biregionale strategie de laatste jaren steeds meer wordt erkend, blijft het middenveld in werkelijkheid tegen beperkingen aanlopen die een meer doelgerichte en doeltreffende participatie in de weg staan, met name omdat:

de participatie van het maatschappelijk middenveld onvoldoende geïnstitutionaliseerd is;

de economische middelen ontbreken om regelmatige deelname aan activiteiten en maatregelen mogelijk te maken;

het moeilijk is om een formele en open dialoog met de autoriteiten te voeren;

het door gebrek aan transparantie bij verdragsonderhandelingen, vooral in het geval van handelsverdragen, erg lastig is om deze verdragen te analyseren en de desbetreffende autoriteiten voorstellen en eisen voor te leggen namens het maatschappelijk middenveld;

er in de akkoorden zo veel toezichtstructuren worden ingevoerd dat controle moeilijk en ingewikkeld wordt.

5.4.   Vooruitzichten

5.4.1.

Het slechten van deze barrières vergt een actieplan en een agenda die:

het biregionale partnerschap op een realistische, evenwichtige en ambitieuze manier versterken, alle partijen meer vertrouwen geven en het proces transparanter maken;

de deelnemers sociale legitimiteit verschaffen door onderwerpen aan de orde te stellen en uit te diepen die werkelijk van belang zijn voor de bevolking in beide regio’s;

maatregelen omvatten die de EU en Celac een stem geven op het internationale toneel en waarborgen dat de door hen gedeelde normen en waarden worden bestendigd;

erkennen dat de aanwezige verschillen een uitdaging zijn en geleidelijk moeten worden weggewerkt of tot een minimum worden beperkt.

5.5.

Om de onderhandelingen tussen de EU en Latijns-Amerika en het Caribisch gebied, over welk onderwerp dan ook, te doen slagen moet er structureel overleg worden gevoerd met het maatschappelijk middenveld, zodat het middenveld daadwerkelijk wordt betrokken in elk stadium van het onderhandelingsproces evenals tijdens de uitvoering en evaluatie van het resultaat daarvan. Met het oog hierop is het EESC zeer te spreken over de oprichting van het gemengd raadgevend comité EU-Chili, dat het samen met Chileense maatschappelijke organisaties heeft helpen oprichten.

5.6.

Volgens het EESC zijn consolidatie van de democratie, humane duurzame ontwikkeling, justitie en sociale cohesie, bescherming van natuurlijke hulpbronnen en milieu, onvoorwaardelijke eerbiediging van de mensenrechten en de toekomst van fatsoenlijk werk prioritaire doelstellingen van de betrekkingen tussen het Europees en het Latijns-Amerikaans maatschappelijk middenveld.

5.7.

Het feit dat het maatschappelijk middenveld in Europa, Latijns-Amerika en het Caribisch gebied niet structureel en in ruime mate over informatie beschikt, is al vele malen eerder bestempeld als een groot probleem dat de monitoring van de betrekkingen tussen de EU en Latijns-Amerika en het Caribisch gebied bemoeilijkt, en is een van de belangrijkste redenen waarom het maatschappelijk middenveld er niet in slaagt om tijdig met voorstellen te komen. Het EESC wijst er eens te meer op dat toegang tot informatie een van de prioritaire krachtlijnen van de betrekkingen tussen beide regio's moet zijn, en dat het daarom absoluut noodzakelijk is om duidelijke regels en procedures voor informatieverspreiding vast te stellen.

5.8.

Indien de partijen bij de overeenkomsten de deelname van het maatschappelijk middenveld echt waarderen, dan moeten alle in de overeenkomsten voorziene overlegstructuren van meet af aan en in voldoende mate over de noodzakelijke materiële middelen beschikken, zodat zij naar behoren kunnen functioneren.

5.9.

Het EESC verwelkomt de recente omvorming van de Stichting EU-LAC tot een internationale organisatie, die een belangrijke rol kan spelen in de versterking van het biregionale partnerschap, en herhaalt het voorstel dat het in 2012 in zijn verklaring van Santiago de Chile heeft gedaan aan de staatshoofden van de EU en Celac, nl. dat doelgerichte en concrete samenwerking met de organisaties van het maatschappelijk middenveld op beide continenten een prominent onderdeel moet zijn van het werkprogramma van deze stichting.

5.10.

Om ervoor te zorgen dat de beleidsmaatregelen waartoe wordt besloten solide en relevant zijn en door de betrokken organisaties van het maatschappelijk middenveld worden omarmd, moeten deze maatregelen gericht zijn op versterking van de samenhang en de positieve effecten van de betrekkingen tussen de twee regio's.

6.   De voorstellen van het maatschappelijk middenveld

6.1.

De top van staatshoofden en regeringsleiders van de EU en de Gemeenschap van Latijns-Amerikaanse en Caribische landen (Celac) vindt plaats in El Salvador op 26-27 oktober 2017. Nu de betrekkingen tussen de VS en Latijns-Amerika zijn bekoeld, zou deze top volgens het EESC moeten worden aangegrepen om de strategische, politieke, economische, sociale en culturele banden tussen de EU en Latijns-Amerika en het Caribisch gebied aan te halen.

6.2.

Het EESC verzoekt de beleidsmakers uit beide regio's met klem om slagvaardiger op te treden en zich met meer verve in te zetten voor de bescherming van de aarde, de bestrijding van klimaatverandering, het behoud van biodiversiteit en duurzame ontwikkeling, de bevordering van het algemene welzijn, het uitbannen van armoede, de verbetering van de sociale en territoriale samenhang, het stimuleren van onderwijs en goede gezondheidszorg voor iedereen, de gelijkheid van mannen en vrouwen en de culturele identiteit, de handhaving van vrede, de erkenning van de rol van internationale instellingen en de ondersteuning van multilateralisme.

6.3.

Het EESC vindt dat actieve betrokkenheid bij het werken aan een wereld waarin iedereen, ondanks de onderlinge verschillen en dankzij een constante dialoog, in vrede samenleeft, onderdeel van zijn opdracht is. Een wereld waarin alle landen en alle volkeren hun eigen pad naar ontwikkeling kunnen bewandelen en met inachtneming van hun cultuur een democratische, inclusieve en welvarende samenleving kunnen bouwen. Het EESC eist zijn plaats op in dit proces.

6.4.

Het EESC verzoekt alle politieke leiders van de EU en Latijns-Amerika en het Caribisch gebied om het belang van de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld te erkennen en naar waarde te schatten, teneinde zoveel mogelijk inwoners bij de besluitvorming te betrekken. Zonder iemand te willen uitsluiten, vindt het EESC dat een structurele en meer doelgerichte betrokkenheid staat of valt met geïnstitutionaliseerde participatiemechanismen.

6.5.

Bevordering van fatsoenlijk werk moet vooropstaan in het beleid van de Europese Unie met betrekking tot de samenwerking met Latijns-Amerika en het Caribisch gebied. Met het oog hierop moet concreet worden afgesproken dat de fundamentele IAO-verdragen zullen worden nageleefd en moeten er in alle beleidsmaatregelen en besprekingen van de EU en LAC controlemechanismen worden ingebouwd om, samen met de sociale partners en de vakbonden, na te gaan of dat ook daadwerkelijk gebeurt.

6.6.

In de huidige geopolitieke situatie zijn associatieovereenkomsten, handelsovereenkomsten, overeenkomsten inzake politieke dialoog en strategische partnerschappen weliswaar nog steeds belangrijke, maar niet meer de enige mogelijke instrumenten. Tegenwoordig is het belangrijk dat wie culturele, historische en politieke waarden en standpunten deelt, zich bewust is van de noodzaak om een strategisch blok te vormen dat invloed kan uitoefenen op het wereldtoneel. Overeenkomsten moeten het gevolg zijn van dit bewustzijn, en niet het instrument.

6.7.

Het zou een goede zaak zijn als de Europese Unie en Celac een algemene kaderovereenkomst zouden kunnen sluiten waarin beleidsbeginselen op het gebied van politiek overleg, samenwerking en duurzame en economische ontwikkeling worden vastgelegd. Dat zou de basis kunnen leggen voor geopolitiek optreden op wereldschaal, waarbij wordt afgesproken hoe zal worden gehandeld wanneer de gemeenschappelijke normen en waarden in het geding zijn.

6.8.

Volgens het EESC is het van primordiaal belang te erkennen dat de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bijdraagt tot het scheppen van een wereldwijd bewustzijn dat mondiale oplossingen voor vrede, duurzame ontwikkeling, eerlijke handel en het welzijn van alle volkeren en regio's mogelijk maakt, bevordert en stimuleert.

Brussel, 21 september 2017.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Georges DASSIS


(1)  In 2016 zijn de onderhandelingen met Mercosur over het sluiten van een associatieovereenkomst hervat.

(2)  Met een bevolking van 250 miljoen inwoners en een bbp van 2 biljoen USD is Mercosur de vijfde economie van de wereld. Meer dan 5 % van de directe buitenlandse investeringen van de EU vindt plaats in Mercosur-landen. De EU is de grootste investeerder in de regio. In 2016 bedroeg de export van de EU naar Mercosur 41,633 miljard EUR en de import uit Mercosur naar de EU 40,330 miljard EUR. Het is de op negen na grootste exportmarkt van de EU.


15.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 434/30


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de rol en kansen van de sociale partners en andere maatschappelijke organisaties in de context van de nieuwe vormen van werk

(verkennend advies op verzoek van het Estse voorzitterschap)

(2017/C 434/05)

Rapporteur:

Franca SALIS-MADINIER

Corapporteur:

Jukka AHTELA

Raadpleging

Estse voorzitterschap van de Raad, 17.3.2017

Rechtsgrondslag

Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

 

 

Bevoegde afdeling

Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap

Goedkeuring door de afdeling

19.7.2017

Goedkeuring door de voltallige vergadering

20.9.2017

Zitting nr.

528

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

185/2/3

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

In deze tijd van grote digitale, ecologische en demografische omwentelingen, die ook ingrijpende veranderingen meebrengen voor werknemers, werkgevers en hun onderlinge betrekkingen als sociale partners, is het meer dan ooit noodzakelijk de rol van de sociale dialoog en collectieve onderhandelingen op alle niveaus te erkennen en te versterken.

1.2.

De veranderingen waar we mee te maken krijgen zijn dermate ingrijpend dat een breed en inclusief collectief debat onontkoombaar is. Daartoe moet op alle niveaus een sociale dialoog worden gevoerd en moeten alle partijen worden betrokken bij de voortdurende zoektocht naar nieuwe, afdoende antwoorden, het formuleren van voorstellen en de vormgeving van de wereld van morgen.

1.3.

De sociale partners mogen zichzelf geen rad voor ogen draaien: het gaat om ingrijpende veranderingen die in een rap tempo plaatsvinden. Zij moeten daarom al het mogelijke doen om de negatieve effecten ervan binnen de perken te houden, en gaan inzien dat de deeleconomie positief kan uitvallen en kansen biedt.

1.4.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ervan overtuigd dat de doelstellingen en de grondbeginselen van de sociale dialoog ook in de nieuwe arbeidscontext geldig blijven. De sociale dialoog, die onder meer voorlichting, raadpleging en participatie van werknemers inhoudt, moet uitgaan van wederzijds vertrouwen en eerbiediging van de nationale gebruiken.

1.5.

Het Comité heeft in tal van adviezen gewezen op de centrale rol van de sociale dialoog in de nieuwe vormen van werk (1). De sociale dialoog moet een hoofdrol vervullen op alle relevante niveaus, met volledige inachtneming van de autonomie van de sociale partners.

1.6.

Op dit moment is het nog onmogelijk te voorspellen welke uitdagingen en kansen de digitale economie zal meebrengen. De rol van de sociale en maatschappelijke dialoog is niet om zich tegen deze transities te verzetten, maar wel om ervoor te zorgen dat zij zoveel mogelijk worden aangewend ten voordele van groei, innovatie en vaardigheden, kwaliteitsbanen en de houdbare en solidaire financiering van sociale bescherming.

1.7.

Het Comité heeft er eerder al op gewezen dat de vakbondsvertegenwoordiging en collectieve onderhandelingen voor de werknemers van platforms niet vanzelfsprekend zijn (2). Er moet op worden toegezien dat niets de uitoefening van de in het Handvest van de grondrechten van de EU en de IAO-verdragen vastgelegde grondrechten in de weg staat (3).

1.8.

De digitalisering zet de traditionele beheers- en bestuursmethoden op losse schroeven en maakt participatief beheer en collectieve spelregels onontkoombaar. In het nieuwe beheersmodel moeten werknemers hun mening kenbaar kunnen maken en kunnen bijdragen aan de oplossing van problemen en het uitwisselen van goede praktijken, zodat er meer gemeenschappelijke referentiepunten worden gevonden, de professionele knowhow wordt versterkt en optimaal gebruik wordt gemaakt van de personele middelen in het kader van innovatie en ontwikkeling van het bedrijf.

1.9.

Tegelijk ziet het Comité in dat de nieuwe vormen van arbeid, die gepaard gaan met het verdwijnen van tussenpersonen en snelle en onophoudelijke veranderingen, een aanpassing van de structuur en de opzet van de sociale dialoog noodzakelijk maken.

1.10.

Het Comité pleit ervoor niet te raken aan de autonomie van de sociale partners die bereid zijn via collectieve onderhandelingen te zoeken naar innovatieve vormen van sociale dialoog en oplossingen op maat van werkgevers én werknemers, zowel in traditionele bedrijven als in het kader van de digitale economie.

1.11.

Het Comité wil in onderhavig advies een overzicht geven van een aantal eerste ervaringen en innovatieve antwoorden en oplossingen, vakbondspraktijken en resultaten van collectieve onderhandelingen die een antwoord kunnen bieden op de uitdagingen die de veranderingen met zich mee brengen.

1.12.

De digitalisering en de gevolgen ervan voor de arbeidsmarkt moeten op Europees niveau en door alle lidstaten worden uitgeroepen tot prioriteit en de rode draad vormen in de sociale dialoog. Het EESC doet de volgende aanbevelingen:

er moet worden toegezien op de ontwikkeling van de digitalisering en de bijbehorende trends, bedreigingen en kansen, en er moet worden gekeken naar de impact ervan op de arbeidsverhoudingen, de arbeidsvoorwaarden en de sociale dialoog;

tegen de achtergrond van de omwentelingen op arbeidsvlak moet de sociale dialoog aan efficiëntie en relevantie winnen, onder meer via het delen van informatie, de opstelling van verkennende studies, de uitwisseling van goede praktijken en een passend (juridisch) kader.

1.13.

Ook maken de ingrijpende veranderingen op de arbeidsmarkt duidelijk dat moet worden nagedacht over meer samenwerking tussen de sociale partners en de andere maatschappelijke organisaties. Het Comité heeft er al op gewezen dat er duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen sociale en burgerdialoog, maar dat de ene vorm van dialoog niet helemaal los kan worden gezien van de andere, hoewel zij niet in elkaar kunnen opgaan (4). Tot de in dit advies vermelde initiatieven behoort immers ook het breed overleg op regeringsniveau, waarbij tevens andere belanghebbenden uit het maatschappelijk middenveld deelnemen aan brede debatten over de algemene impact van de digitalisering.

2.   Inleiding

2.1.

In 1985 werden de legitimiteit van de sociale partners en de sociale dialoog versterkt en kregen zij een grotere rol toebedeeld in het Europese project. In deze periode van grote veranderingen zou het Comité graag zien dat de rol van de sociale partners net als toen op alle niveaus wordt versterkt en dat er meer oog komt voor de rol van de vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld.

2.2.

De nieuwe vormen van arbeidsdeling en de stijging van het aantal atypische werknemers moeten gepaard gaan met meer zeggenschap voor deze werknemers: dat houdt in dat zij meer informatie moeten krijgen en dat er meer overleg moet komen, en dat er een aanpassing noodzakelijk is van de collectieve rechten en de bepalingen inzake arbeidstijden en sociale rechten (5).

3.   Werk via platforms: de realiteit

3.1.

Volgens Eurobarometer (6) maakt 17 % van de Europese burgers als klant of werknemer gebruik van digitale platforms. Het gaat dan voornamelijk om hoogopgeleide mensen uit een stedelijke omgeving. Niet meer dan 5 % van deze werknemers werkt evenwel regelmatig voor een digitaal platform, terwijl 18 % dat sporadisch en als nevenactiviteit doet. Werken voor een platform als hoofdactiviteit is dus nog een marginaal verschijnsel, dat zich echter wel uitbreidt. De impact van de digitalisering en kunstmatige intelligentie op het werk in traditionele bedrijven is daarentegen veel duidelijker voelbaar, en zonder voorbij te willen gaan aan het fenomeen van werken via platforms, is het Comité van oordeel dat de sociale dialoog zich moet richten op deze ontwikkelingen, die de aard en de organisatie van werk ingrijpend veranderen.

3.2.

Het EESC pleit voor onderzoek naar de contractuele status van opdrachtnemers van crowdsourcingplatforms en andere nieuwe vormen van werk en arbeidsverhoudingen, alsook naar de verplichtingen van de bemiddelaars, met het oog op de onderhandelingen over de arbeidsvoorwaarden. Ten aanzien van deze vormen van werk en de toepasselijke belasting- en socialezekerheidsstelsels moet meer duidelijkheid worden verschaft.

3.3.

Het EESC beveelt aan dat de Europese Commissie, de OESO en de IAO samen met de sociale partners passende voorschriften opstellen voor fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en bescherming van onlinewerknemers en werknemers die onder andere nieuwe arbeidsverhoudingen vallen. Volgens het EESC kan er het best voor een aanpak op EU-niveau worden gekozen, met inachtneming van het feit dat de meeste acties toch zullen moeten worden uitgevoerd op nationaal of sectoraal niveau of op de werkplek (7).

3.4.

Het Comité maakt zich ernstig zorgen over het feit dat werknemers uit de digitale sector dreigen te worden uitgesloten van vakbondsvertegenwoordiging en het recht op collectieve onderhandelingen. Zo zouden de mededingingsregels kunnen worden toegepast op zelfstandigen, terwijl hun situatie in feite vergelijkbaar is met die van een werknemer. Per geval moet daarom bekeken worden welke status de werknemer in kwestie heeft. Gaat het om onzelfstandige arbeid, dan moeten de obstakels die de vakbondsvertegenwoordiging van deze werknemers en hun deelname aan collectieve onderhandelingen in de weg staan, worden weggenomen (8).

4.   Digitalisering en prioritaire thema's voor sociale partners in de sociale dialoog

4.1.

Kwesties die verband houden met werkgelegenheid, omschakeling, een leven lang leren (9), opleiding, sociale bescherming en de financiering daarvan op de lange termijn (10), arbeids- en loonvoorwaarden en inkomenszekerheid, zouden in dit tijdperk van digitalisering bovenaan de agenda van de sociale dialoog moeten staan.

5.   Werkgelegenheid en beroepsopleiding

5.1.

De kwalitatieve en kwantitatieve gevolgen van de digitale transitie voor werkgelegenheid zijn lastig in te schatten, niet het minst omdat de effecten per sector en per beroep kunnen verschillen.

5.2.

Het is echter aan de sociale partners om vooruit te lopen op deze ontwikkelingen en ervoor te zorgen dat de werknemers de nodige nieuwe vaardigheden verwerven (11). Prioriteit moet worden gegeven aan een leven lang leren en aanpassing van de opleidingen aan digitale vaardigheden. In sommige lidstaten bestaan minimumrechten inzake betaald educatief verlof. Er moet worden bekeken of dit voor werknemers en werkgevers een nuttig instrument is om de vraag naar vaardigheden aan te passen en of er EU-maatregelen geboden zijn om een en ander in de hele EU in te voeren (12).

6.   Sociale bescherming

6.1.

Het functioneren van de stelsels voor sociale zekerheid moet tegen het licht gehouden en eventueel aangepast worden omdat deze bedacht waren voor werknemers met een ononderbroken loopbaan, wat echter steeds minder de norm is. In de loop van tien jaar is het aantal deeltijds werkende Europeanen gestegen met 11 miljoen (op dit moment 44 miljoen), en het aantal werknemers met een tijdelijk contract is met meer dan 3 miljoen toegenomen (22 miljoen in totaal) (13).

6.2.

Op Europees en nationaal niveau moeten politieke keuzes van financiële en fiscale aard worden gemaakt om ervoor te zorgen dat onze socialezekerheidsstelsels houdbaar blijven; deze problematiek moet worden aangekaart in het kader van de sociale dialoog.

7.   De juridische evolutie van de relatie van ondergeschiktheid

7.1.

Het Comité heeft er in een advies (14) op gewezen dat de juridische benadering van de definitie zelf van werk en het structurele onderscheid tussen werk in dienstverband en zelfstandig werk moet evolueren, zodat ook werknemers in een digitale omgeving bescherming genieten. De statuten en verhoudingen in de digitale economie moeten worden verduidelijkt, zodat alle werknemers gebruik kunnen maken van hun rechten en behoorlijke sociale bescherming genieten. De sociale partners moeten een sleutelrol spelen om ervoor te zorgen dat dit proces een positief, eerlijk en houdbaar resultaat oplevert en dat grijze zones waar het gaat om rechten en bescherming worden aangepakt.

8.   De impact op werk

De digitalisering heeft ingrijpende gevolgen voor zowel bestaande als voor nieuwe organisaties. De impact van de digitalisering op de werkmethoden doet zich steeds meer gevoelen; zo neemt het aantal telewerkers in diverse sectoren in snel tempo toe. Volgens een recente studie van Eurofound zijn in de EU-28 gemiddeld 17 % van de werknemers telewerkers of mobiele werknemers die gebruik maken van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) (15).

8.1.

De toename van het aantal telewerkers en mobiele werknemers maakt dat de sociale partners op zoek moeten naar nieuwe manieren en innovatieve methodes om werknemers die niet meer fysiek aanwezig zijn in het bedrijf te bereiken.

9.   Toezicht en controle op het werk

9.1.

Het mag zo zijn dat de digitalisering en ICT voor sommige werknemers betekenen dat zij hun tijd meer zelf kunnen indelen en zelf kunnen beslissen waar ze werken (zij worden meer beoordeeld op grond van hun resultaten dan op grond van het aantal uren dat zij aanwezig zijn), voor anderen komt het gebruik van informatie- en communicatietechnologieën erop neer dat hun werk meer gecontroleerd wordt.

9.2.

Deze problemen moeten door de sociale partners worden aangepakt in het kader van de sociale dialoog, zodat de collectieve belangen van al deze werknemers worden behartigd en er kwaliteitsvol werk wordt gegarandeerd.

10.   Permanent verbonden werknemers en gezondheidsrisico's

10.1.

Sommige werknemers gaan steeds intensiever gebruik maken van ICT om zo meer autonomie te verwerven en werk en privéleven beter met elkaar te kunnen combineren, maar als niet weloverwogen wordt omgegaan met deze technologieën kunnen zij ook een gevaar voor de gezondheid betekenen. Het toenemend aantal werknemers dat wordt getroffen door stress en burn-out is zorgwekkend en brengt hoge kosten mee; oplossingen hiervoor moeten worden uitgewerkt via de sociale dialoog. De Commissie werkt in het kader van het pakket maatregelen bij de Europese pijler van sociale rechten aan een voorstel voor een richtlijn over evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers (16).

10.2.

Anderzijds dreigen ICT (17) de grens tussen werk en privéleven juist te doen vervagen. Zo is een brede dialoog nodig over het feit dat werknemers niet permanent beschikbaar hoeven te zijn, en moeten mensen leren efficiënt om te gaan met ICT; daarnaast kan het wenselijk zijn nieuwe rechten vast te leggen, zoals het onlangs in Frankrijk ingevoerde recht om offline te zijn.

11.   Deelname van werknemers aan de besluitvorming

11.1.

Het feit dat de digitalisering bepaalde werknemers meer autonomie verschaft vormt een uitdaging voor ondernemingen, hun verenigingen, hun governance alsook voor de traditionele managementmethoden en hiërarchische structuren van bedrijven. Deze evolutie vereist meer vormen van sociale dialoog, informatie en overleg en sterkere betrokkenheid van de werknemers, die zelf een bijdrage kunnen leveren aan innovatieve praktijken en ontwikkelingsprocessen die zowel het bedrijf als de betrokkenen ten goede komen.

11.2.

In het licht hiervan meent het EESC dat de werknemers meer zeggenschap moeten krijgen en nauwer moeten worden betrokken bij de besluitvorming. Het is van kapitaal belang dat de werknemers en hun vakbondsorganisaties vertrouwen hebben en op alle relevante niveaus en in alle relevante organen — hetzij op lokaal niveau, hetzij op het niveau van de raad van toezicht en de raad van bestuur — een bijdrage leveren. Om de digitale transitie mee in goede banen te leiden en een op innovatie gericht klimaat te creëren, moeten zij meedenken over toekomstige ontwikkelingen en worden betrokken bij de aanpak van deze veranderingen en de besluitvorming ter zake. Volgens een rapport van Eurofound is de meerderheid van de bedrijfsleiders ervan overtuigd dat inspraak van de werknemers in de keuzes van bedrijven een concurrentievoordeel is (18).

11.3.

Het Comité wijst erop dat in het kader van de nieuwe vormen van werk rekening moet worden gehouden met aangepaste methodes voor raadpleging en informatie van werknemers. Zowel op nationaal als op bedrijfsniveau moeten de sociale partners nagaan wat de beste manier is om participatie van werknemers te verzekeren.

12.   De eerste resultaten van de sociale dialoog over digitalisering in de lidstaten: beginselen en goede praktijken

12.1.

In een aantal lidstaten is de regering de dialoog aangegaan over de problemen en uitdagingen van de digitalisering. Vakbonden, werkgevers, onderzoekers en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld werden hierbij betrokken.

12.2.

Het EESC wil stilstaan bij de initiatieven die bepaalde landen hebben ontplooid om vooruit te lopen op de nieuwe vormen van werk en waaraan werd meegewerkt door sociale partners en maatschappelijke organisaties, met inbegrip van jeugdverenigingen en organisaties voor armoedebestrijding.

12.2.1.

De Duitse regering heeft in 2015 het voortouw genomen met het groenboek „Arbeiten 4.0 — Arbeit weiter denken” (Werk 4.0 — Een nieuwe blik op werk), waarmee de dialoog met de sociale partners en andere betrokkenen over de digitale omschakeling op gang werd gebracht.

12.2.2.

In Frankrijk is een nationale raad voor de digitalisering opgericht, en is in 2015 het „Rapport Mettling” gepubliceerd. Zowel vakbonden als werkgevers en burgers hebben meegewerkt aan dit rapport, waarin een aantal aanbevelingen voor bedrijven zijn geformuleerd.

12.2.3.

Ook in Oostenrijk, Finland, Zweden, Portugal, Italië, Spanje, Hongarije en Denemarken hebben de regeringen in samenwerking met de sociale partners, universiteiten en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld dergelijke initiatieven ontplooid.

Het Comité meent dat de resultaten van deze dialoog met meerdere belanghebbenden ook op Europees niveau hun weerslag moeten krijgen, en dat in de Europese initiatieven rekening moet worden gehouden met de behoeften en zorgen die tot uitdrukking zijn gekomen, zodat een harmonieus referentiekader kan worden uitgewerkt.

13.   Sociale partners en ontwikkeling van de thema's van de sociale dialoog en de vakbondsacties in het kader van de digitalisering

13.1.

Hieronder volgt een greep uit de experimenten in tal van lidstaten, die aantonen hoe de vakbondspraktijken zich hebben ontwikkeld en een beeld geven van de nieuwe rechten die zijn verworven dankzij de collectieve onderhandelingen over nieuwe vormen van arbeid.

13.2.

Zo werden in Frankrijk twee nieuwe rechten erkend: het eerste, dat is vastgelegd in de arbeidswet van augustus 2016, is het recht om uit te loggen, waarmee de risico's van werk zonder grenzen en zonder beperkingen worden aangepakt. Hiermee wordt werknemers die gebruik maken van ICT het recht gegarandeerd om niet permanent bereikbaar te zijn.

13.3.

Op bedrijfsniveau wordt dit recht om offline te zijn via de sociale dialoog vastgelegd in collectieve bedrijfs- of sectorovereenkomsten. In een aantal bedrijven zijn overeenkomsten bereikt inzake telewerken en mobiel werken. Ook hebben de sociale partners van een telecommunicatiebedrijf in 2016 de eerste overeenkomst in Europa over digitalisering gesloten, waarin onder meer wordt bepaald dat een comité met de sociale partners zal worden opgericht om na te gaan welke nieuwe vaardigheden de werknemers zullen moeten verwerven met het oog op de digitale ontwikkelingen.

13.4.

Het tweede nieuwe verworven recht in Frankrijk is de persoonlijke activiteitenaccount. Alle werkenden (werknemers, zelfstandigen of schijnzelfstandigen én de werknemers van platforms) beschikken over een dergelijke account en kunnen daarmee al hun rechten — op opleiding, sociale zekerheid, werkloosheidsuitkeringen en pensioen — onderbrengen in één overdraagbare account.

13.5.

Voorts duiken steeds meer innovatieve vakbondspraktijken op: sommige vakbonden hebben een platform voor zelfstandigen opgericht, dat nieuwe diensten aanbiedt, waaronder een ziekteverzekering, sociale voorzieningen en juridische diensten die aansluiten bij hun activiteit.

13.6.

De Duitse vakbond IG Metall en de Zweedse vakbond Unionen zijn in juni 2016 een partnerschap aangegaan om te kijken hoe het staat met de ontwikkeling van digitale platforms en zo vooruit te kunnen lopen op de veranderingen die de nieuwe economie teweegbrengt, en om digitale instrumenten voor vakbondscommunicatie te kunnen ontwikkelen, zodat zelfstandigen en werknemers van de deeleconomie (crowdworkers) zich kunnen organiseren. Dit transnationale vakbondsplatform is bedoeld voor werknemers over de nationale grenzen heen. Ook is in Duitsland een sectorovereenkomst op het gebied van mobiel werken gesloten, waarin rekening wordt gehouden met de nieuwe vormen van werk, zoals telewerken, nomadisch werken en thuiswerken.

13.7.

In Italië zijn de vakbonden er in sommige bedrijven in geslaagd overeenkomsten te sluiten voor atypische werknemers, zodat ook zij recht hebben op sociale voorzieningen en ziektekostenverzekeringen, die tot nog toe enkel bedoeld waren voor de traditionele werknemers; daarnaast wordt voorzien in aangepaste juridische bijstand.

13.8.

In Denemarken en tal van andere EU-lidstaten hebben de vakbonden net als in de VS scherpe kritiek geuit op de nieuwe vormen van digitaal werk, waarop de belastingregels en de huidige arbeidswetgeving voor de traditionele sectoren niet van toepassing zijn. Het vervoersbedrijf Uber, het voorbeeld bij uitstek van werken via platforms, staat centraal in de debatten over de digitale economie. Waar het om draait is de chauffeurs van Uber te doen erkennen als loontrekkers, zodat het bedrijf verplicht is hen aan te geven, werkgeversbijdragen te betalen en de arbeidswetgeving na te leven (19). Het is met name de taak van de vakbondsorganisaties om namens de werknemers van platforms te onderhandelen over minimumlonen, de transparantie van de criteria die ten grondslag liggen aan de gebruikte algoritmes en aan de hand waarvan de werknemers worden beoordeeld, en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden (20).

13.9.

Ook in Nederland beginnen werknemers met flexibele contracten of „zelfstandigen” zich te verenigen in vakbonden.

13.10.

In de Europese metaalsector heeft de Europese sociale dialoog geleid tot een gemeenschappelijk standpunt van de sociale partners — te weten de vakbond Industriall en de werkgeversorganisatie CEEMET — over de impact van de digitalisering en te nemen maatregelen (21).

13.11.

Op Europees niveau hebben Business Europe, UNI Europa, het CEEP en UEAPME een gemeenschappelijke verklaring ondertekend over de gevolgen van de digitalisering voor de arbeidsmarkt en gewezen op de belangrijkste uitdagingen waarmee de Europese verantwoordelijken en de sociale partners te maken zullen krijgen (22).

Brussel, 20 september 2017.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Georges DASSIS


(1)  PB C 125 van 21.4.2017, blz. 10, PB C 303 van 19.8.2016, blz. 54, en PB C 13 van 15.1.2016, blz. 161.

(2)  PB C 303 van 19.8.2016, blz. 54.

(3)  De artt. 12 en 28 van het Handvest, en de verdragen nr 87 en 98 van de IAO; zie ook par. 3.2 e.v.

(4)  PB C 458 van 19.12.2014, blz. 1.

(5)  Zoals erkend door Marianne Thyssen tijdens de gezamenlijke conferentie EVI/EVV van juni 2016 met als titel „De nieuwe arbeidswereld vormgeven”.

(6)  Eurobaromètre Flash 438, 2016.

(7)  PB C 303 van 19.8.2016, blz. 54.

(8)  PB C 303 van 19.8.2016, blz. 54.

(9)  EESC-advies over vaardigheden/nieuwe vormen van werk (zie bladzijde 36 van dit Publicatieblad).

(10)  Zie PB C 13 van 15.1.2016, blz. 161 over de noodzaak van de aanpassing van belastingen en sociale premies voor werknemers van platforms om de sociale zekerheid te kunnen financieren.

(11)  EESC-advies over vaardigheden/nieuwe vormen van werk (zie bladzijde 36 van dit Publicatieblad).

(12)  PB C 13 van 15.1.2016, blz. 161.

(13)  Discussienota over de sociale dimensie van de EU, april 2017.

(14)  PB C 75 van 10.3.2017, blz. 33.

(15)  „Travailler en tout temps, en tout lieu: les effets sur le monde du travail”, Eurofound, 2017.

(16)  Mededeling van de Commissie getiteld „Een initiatief om het evenwicht tussen werk en privéleven voor werkende ouders en mantelzorgers te ondersteunen”, april 2017.

(17)  Zie de studie van Eurofound „Travailler en tout temps, en tout lieu: les effets sur le monde du travail”, 2017.

(18)  „Work organisation and employee involvement in Europe”, 2013, zie ook PB C 161 van 6.6.2013, blz. 35.

(19)  In Engeland is Uber veroordeeld in de zaak Y Aslam, J Farrar en anderen tegen Uber; Uber gaat in beroep.

(20)  „Les impacts sociaux de la digitalisation de l’économie”, Christophe Degryse, Working Paper ETUI 2016.02; „ReformsWatch”, service d’information en ligne d’ETUI, 2016; „Trade unions must organise people working through plateforms”, Gunhild Wallin, juni 2016 en „Digitalisation and working life: lessons from the Uber cases around Europe”, Eurofound, januari 2016.

(21)  „An Industriall Europe & CEEMET joint position”, 8 december 2016.

(22)  Verklaring van de Europese sociale partners over digitalisering, ondertekend tijdens de tripartiete sociale top van 16 maart 2016.


15.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 434/36


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de verwerving en ontwikkeling van vaardigheden, m.i.v. digitale vaardigheden, in de context van nieuwe vormen van werk: nieuw beleid en veranderende taken en verantwoordelijkheden

(verkennend advies op verzoek van het Estse voorzitterschap)

(2017/C 434/06)

Rapporteur:

Ulrich SAMM

Corapporteur:

Indrė VAREIKYTĖ

Raadpleging

Estse voorzitterschap van de Raad, 17.3.2017

Rechtsgrondslag

Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

 

 

Bevoegde afdeling

Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap

Goedkeuring door de afdeling

19.7.2017

Goedkeuring door de voltallige vergadering

20.9.2017

Zitting nr.

528

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

198/5/16

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

De digitalisering zal ons beroepsleven drastisch veranderen. We moeten nú handelen om ervoor te zorgen dat in de toekomst passende vaardigheden beschikbaar zijn, zodat Europa zijn concurrentiepositie kan behouden en in staat is nieuwe bedrijven en nieuwe banen te creëren, mensen gedurende hun hele werkende leven actief kunnen blijven op de arbeidsmarkt en het welzijn van alle burgers is gewaarborgd. De snelheid waarmee de digitalisering en automatisering zich voltrekken brengt ook sociale risico's met zich mee die wij moeten aanpakken door middel van gecoördineerde inspanningen van alle belanghebbenden: de besluitvormers, de sociale partners en het maatschappelijk middenveld.

1.2.

Dankzij de beschikbaarheid van zeer krachtige breedbandnetwerken wordt de toekomst van werk gekenmerkt door een toenemend aantal atypische vormen van arbeid, zoals (meervoudig) deeltijdwerk, werk met meerdere contractanten en het zogenaamde „crowdworking”, waarbij werknemers hun vaardigheden aanbieden op internetplatforms, als een netwerk van hooggekwalificeerde en gespecialiseerde vakmensen. In het licht van de groei van deze atypische arbeidsvormen moeten de sociale zekerheid en het voorkomen van armoede (ook onder ouderen) een hoge prioriteit krijgen.

1.3.

Het EESC is ingenomen met bepaalde nationale initiatieven van vakbonden en het maatschappelijk middenveld om crowdworkers te helpen. Dit heeft in sommige gevallen al geleid tot de ontwikkeling van een gedragscode voor crowdworkingplatforms. Het EESC zou graag zien dat deze ontwikkeling door de Commissie wordt overgenomen en op Europese schaal wordt toegepast. De toenemende informatieasymmetrie tussen consumenten en bedrijven zal moeten worden aangepakt met methoden als, bijvoorbeeld, de ethische codes voor vrije beroepen.

1.4.

Ook in traditionele bedrijven verandert het werk. Met name voor kennisintensief werk zijn er steeds minder beperkingen, wat enerzijds beantwoordt aan de behoefte aan flexibiliteit, zoals die door veel werknemers wordt gevoeld, maar anderzijds kan leiden tot nog meer intensivering en hogere lasten. Een steeds multi-lokalere werkomgeving vereist nieuwe sociale vaardigheden.

1.5.

Automatisering en robots zullen grote gevolgen hebben voor het werk in de toekomst. Zij kunnen monotone, zware of gevaarlijke werkzaamheden vervangen, en de nieuwe generatie van zogenaamde „op samenwerking gerichte robots” kunnen fysieke partners worden voor werknemers, en met name nuttig zijn voor mensen met een lichamelijke handicap. Hoewel de huidige robots hoofdzakelijk ter vervanging van arbeiders dienen, zullen ook de intellectuele beroepen hiermee te maken krijgen wanneer kunstmatige intelligentie wordt toegepast. In een vergrijzende samenleving kunnen automatisering en robots tot een stabilisering van de economie leiden.

1.6.

Een aanzienlijk aantal banen zal te maken krijgen met de invoering van meer robots op de werkvloer. Verwacht mag worden dat, net als in het verleden, meer welvaart in de samenleving zal leiden tot groei en nieuwe banen op specifieke gebieden zoals cultuur, kunst, toerisme, sociaal werk, onderwijs, communicatie, entertainment of gezondheidszorg. Deze ontwikkeling kan zich echter sneller voltrekken dan in het verleden, wat tot verstoringen kan leiden. Daarom dient in een vroeg stadium een sociale dialoog te worden gevoerd.

1.7.

Een leven lang leren, met name als het gaat om digitale vaardigheden, is een noodzaak voor iedereen, en vraagt meer en meer flexibiliteit van individuen en bedrijven en van alle onderwijs- en opleidingsstelsels. Buiten het formele onderwijs zal veel meer tijd moeten worden besteed aan beroepsopleiding en informeel leren, zoveel mogelijk ondersteund door een op EU-niveau geharmoniseerd systeem van certificaten en normen. Het EESC heeft overigens reeds opmerkingen geformuleerd over Europese maatregelen op het gebied van educatief verlof.

1.8.

In het basisonderwijs moet er meer aandacht zijn voor interactief digitaal leren. Digitale vaardigheden kunnen echter verder gaan dan programmeren. Het gaat er ook om te begrijpen wat er achter een „muisklik” schuilt: inzicht in het systeem, de interconnecties, de sociale impact en privacy- en veiligheidskwesties.

1.9.

De toekomstige vaardigheden moeten aansluiten op de behoeften van de samenleving en van de arbeidsmarkt. Dit kan alleen worden bereikt dankzij een nauwe samenwerking tussen de sociale partners en openbare en particuliere onderwijsstelsels. Meer volatiele markten zullen uitdagingen met zich meebrengen, omdat bedrijven en werknemers zich voldoende snel zullen moeten aanpassen. Dit is met name een uitdaging voor beroepsopleidingsstelsels.

1.10.

Publieke en particuliere organisaties (scholen, universiteiten, kamers van koophandel, vakbonden en opleidingscentra) moeten beroepsopleidingen in nieuwe technologieën aanbieden, met name voor degenen die niet in staat zijn om zelf opleidingen te organiseren, zoals kmo's, vrije beroepen en zelfstandigen.

1.11.

Ontwikkelingen op lange termijn, die kunnen leiden tot nieuwe en onvoorspelbare uitdagingen waardoor de huidige vaardigheden snel tekortschieten, kunnen het beste aan bod komen in het algemeen onderwijs. Hoe beter de kwaliteit van het algemeen onderwijs is, hoe beter mensen zijn voorbereid op het onbekende. Een brede algemene vorming is bovendien de beste basis om mensen te leren hoe betrouwbare informatie op het internet kan worden herkend, zodat ze minder kwetsbaar zijn voor nepnieuws.

1.12.

Het EESC is ingenomen met de verschillende initiatieven van de Commissie op het gebied van een leven lang leren, digitale vaardigheden en banen, de agenda voor nieuwe vaardigheden en Erasmus+. De door de Commissie opgezette databank met goede praktijken kan fungeren als katalysator voor een EU-brede discussie, die zou moeten leiden tot de goedkeuring van richtsnoeren en normen op basis van deze beste praktijken. Het maatschappelijk middenveld kan en moet hierbij een belangrijke rol spelen.

2.   Inleiding

2.1.

Digitale technologie speelt een steeds grotere rol in onze economie en samenleving. Zij zal van cruciaal belang zijn voor de ontwikkeling van nieuwe economische modellen (de collaboratieve, functionele, circulaire en deeleconomie). Bovendien zullen de mondialisering, de migratie, de vergrijzing, de klimaatverandering en de behoefte aan duurzame oplossingen een grote impact hebben op de sociale omgeving in het algemeen, en met name op ons beroepsleven. In dit verkennend advies over nieuwe vormen van werk wordt vooral ingegaan op de vaardigheden die nodig zijn, met inbegrip van digitale vaardigheden, en op het nieuwe beleid en de veranderende taken en verantwoordelijkheden. Parallel hiermee wordt in een ander verkennend advies van het EESC ingegaan op nieuwe vormen van werk en de rol en kansen van de sociale partners en andere maatschappelijke organisaties (1).

2.2.

Om ervoor te zorgen dat Europa zijn concurrentiepositie kan behouden en in staat is nieuwe bedrijven en nieuwe banen te creëren en het welzijn van alle burgers te bevorderen, moet de ontwikkeling van de juiste vaardigheden voorrang krijgen. De snelheid waarmee de digitalisering en automatisering zich voltrekken zorgt ook voor angst onder de bevolking, met name onder werknemers, en schept onzekerheden in het bedrijfsleven, gezien de grote uitdagingen die dit met zich meebrengt. Onze samenleving moet met deze uitdagingen weten om te gaan en moet zich met spoed aanpassen aan de veranderingen, door middel van gecoördineerde inspanningen van alle belanghebbenden, zowel beleidsmakers als het maatschappelijk middenveld. Europa kan een mondiale voortrekkersrol vervullen, met een moderne ontwikkeling op basis van zijn eigen waarden.

2.3.

Het EESC is ervan overtuigd dat de toekomst van werk centraal zou moeten staan in de debatten over de Europese pijler van sociale rechten  (2). Specifieke kwesties kwamen reeds aan de orde in verschillende EESC-adviezen, zoals het advies over De digitale eengemaakte markt en kmo's (3); het advies over de Agenda voor nieuwe vaardigheden (4); het advies over de Europese gigabitmaatschappij (5); het advies over Verbetering van de digitale geletterdheid, de digitale vaardigheden en de digitale inclusie (6); en het advies over Industrie 4.0 en digitale transformatie (7), en in het informatief rapport over de tussentijdse evaluatie van Erasmus+ (8).

3.   De toekomst van werk

3.1.

Zeer krachtige breedbandnetwerken zullen de deur openzetten voor een grote variëteit aan nieuwe toepassingen en omgevingen zoals het internet der dingen, automatisering, cloud computing, big data of nieuwe bedrijfsmodellen op basis van een service-dominante logica. Deze trend zal als voordeel hebben dat voortaan in afgelegen en/of vanwege hun reliëf moeilijk bereikbare gebieden professionele specialisaties kunnen worden aangeboden die momenteel het exclusieve voorrecht zijn van stedelijke agglomeraties. Dankzij instrumenten als teleconsultatie, telebewaking en telerapportage kunnen zwakke personen op afstand worden gevolgd, rechtstreeks in hun woonplaats, en kan zelfs in kleine centra een beroep worden gedaan op zeer gespecialiseerde deskundigen. Het is belangrijk te erkennen dat de manier van werken zal worden gewijzigd voor bijna alle groepen en beroepen, en dat voorspellingen over ontwikkelingen in de komende decennia significante onzekerheden bevatten. Beseft dient te worden dat we voorbereid moeten zijn op het onbekende.

3.2.

In de toekomst zal er meer en meer differentiëring zijn in de organisatie van ondernemingen. Enerzijds zijn er de traditionele ondernemingen met vast personeel en een aantrekkelijk werkklimaat, de zogenaamde „zorgzame ondernemingen” (9). Anderzijds is er een groeiend aantal bedrijven met een „flexibele” organisatie, die ook steeds meer zijn gebruik maken van zogenaamde „crowdworkers”. Hierdoor kunnen zij zeer flexibel inspelen op veranderingen op de markten. Crowdworkers zijn een netwerk van hooggekwalificeerde en gespecialiseerde vakmensen, hoewel tot op zekere hoogte ook minder gekwalificeerde medewerkers hun vaardigheden op internetplatforms kunnen aanbieden. Verwacht wordt dat er in de toekomst diverse gemengde vormen van bedrijfsorganisatie zullen worden ontwikkeld. Zo kunnen zorgzame ondernemingen een deel van hun activiteiten uitbesteden aan crowdworkers. De toenemende informatieasymmetrie tussen consumenten en bedrijven zal moeten worden aangepakt met methoden als, bijvoorbeeld, de ethische codes voor vrije beroepen.

3.3.

Crowdworkers genieten meer vrijheid, met flexibele werktijden en werkplekken. Zij bieden hun vaardigheden aan op de markt — soms voor micro-opdrachten — tegen de beste prijs. Het ontbreken van een socialezekerheidsdekking voor deze zelfstandigen („digitale nomaden”) brengt evenwel aanzienlijke risico's met zich mee. De tendens in onze samenleving om van „normaal” werk over te stappen op „atypisch” werk — niet alleen crowdworking maar ook (meervoudig) deeltijdwerk en werk met meerdere contractanten — vormt een grote uitdaging voor onze socialezekerheidsstelsels  (10). De vier componenten van flexizekerheid (11) moeten ook worden toegepast op deze nieuwe vorm van werk: 1) flexibele en voldoende zekerheid biedende contractuele regelingen, 2) een leven lang leren, 3) actief arbeidsmarktbeleid, en 4) moderne socialezekerheidsstelsels.

3.4.

Ook in traditionele bedrijven met vast personeel verandert het werk. Vandaag de dag is het relatief onbelangrijk waar kennisintensieve taken en werkzaamheden — zoals engineeringstaken of onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten — worden uitgevoerd. Voor dit soort werk zijn er steeds minder beperkingen, wat enerzijds beantwoordt aan de behoefte aan flexibiliteit, zoals die door veel werknemers wordt gevoeld, maar anderzijds kan leiden tot nog meer intensivering en hogere lasten. Het bereiken van een goede balans tussen werk en privéleven is uitgegroeid tot een van de belangrijkste criteria voor de keuze van een werkgever. Onze samenleving evolueert naar een multi-lokale werkomgeving, die nieuwe sociale vaardigheden vergt van alle werkende personen. De 24/7 connectiviteit kan helpen om werk en privéleven te combineren, maar kan ook een last vormen en risico's voor de gezondheid inhouden.

3.5.

Automatisering en robots hebben grote gevolgen voor het werk in de toekomst. De voordelen spreken voor zich: een hogere productiviteit en betrouwbaarheid, en de vervanging van monotone, zware of gevaarlijke werkzaamheden. Een nieuwe generatie van zogenaamde „op samenwerking gerichte robots” kunnen fysieke partners worden voor werknemers, en kunnen met name nuttig zijn voor mensen met een lichamelijke handicap. Kunstmatige intelligentie zal de automatisering van complexe werkzaamheden mogelijk maken. Dit zal niet alleen van invloed zijn op arbeiders, maar ook op intellectuele beroepen en diensten (verzekeringen, financiële diensten, vertalers, rechtsbijstand enz.) (12). In een vergrijzende samenleving kunnen automatisering en robots tot een stabilisering van de economie leiden.

3.6.

Robots nemen aanvankelijk de plaats van werknemers in maar vervolgens kunnen ook nieuwe banen worden gecreëerd. Er is veel gediscussieerd over de vraag hoeveel banen hierdoor worden getroffen en hoeveel nieuwe banen kunnen worden gecreëerd. De trend is duidelijk, maar de cijfers lopen zeer sterk uiteen. Zo heeft het World Economic Forum voorspeld dat er als gevolg van de ontwrichtende veranderingen op de arbeidsmarkt tussen 2015-2020 meer dan 5,1 miljoen banen verloren zouden gaan in 15 belangrijke ontwikkelde en opkomende economieën. Dankzij kunstmatige intelligentie, robotica, nanotechnologie en andere sociaaleconomische factoren neemt de behoefte aan menselijke werknemers af, terwijl diezelfde technologische vooruitgang ook 2 miljoen nieuwe banen zou opleveren (13). Dankzij robots zal de productiviteit ongetwijfeld toenemen, wat goed is voor de economie en voor onze samenleving, aangezien dit leidt tot een hoger bbp. Het is bijna onmogelijk te voorspellen hoe het overschot van het bbp zal worden gebruikt om nieuwe banen te creëren (14). We kunnen lessen trekken uit het verleden, toen de automatisering goed was voor meer welvaart in de samenleving, met groei en nieuwe banen op specifieke gebieden zoals cultuur, kunst, toerisme, sociaal werk, onderwijs, communicatie, entertainment of gezondheidszorg. Verwacht mag worden dat deze trend zal doorzetten, hoewel het nu sneller kan gaan dan in het verleden. Dit kan leiden tot distorsies, zodat een sociale dialoog nodig kan zijn in een vroeg stadium.

3.7.

Bovendien brengen de digitalisering en robotisering van het vervoer grote veranderingen met zich mee voor het soort werk dat gedaan moet worden en de vraag naar vaardigheden. Het is belangrijk op deze structurele veranderingen in te spelen door een eerlijke en vlotte transitie mogelijk te maken en de vaardighedenkloof aan te pakken (15).

4.   Voorzien in vaardigheden en competenties

4.1.

Competenties zijn een noodzakelijke voorwaarde voor het omzetten van kennis in resultaten die ons welzijn vergroten — maar het digitale tijdperk brengt ook nieuwe uitdagingen met zich mee. Naar verwachting zullen er steeds meer werknemers met atypische arbeidscontracten komen, die vaak geen toegang tot de traditionele opleidingsregelingen binnen bedrijven hebben. Technische en sociale competenties, met inbegrip van het vermogen om te communiceren en interageren met mensen in verschillende contexten en via verschillende technische hulpmiddelen, maar ook ondernemerscompetenties en een focus op verantwoordelijkheid jegens de maatschappij zijn nu al een voorwaarde, maar de meeste onderwijsstelsels zijn nog niet in staat om deze competenties te kweken omdat zij zijn bedacht voor een ander tijdperk. Het EESC dringt er eens te meer bij de lidstaten op aan om, in samenwerking met de EU-instellingen en agentschappen maar ook met ondernemingen in Europa, hun capaciteit te vergroten en met meer innovatieve oplossingen te komen op het gebied van onderwijs en ontwikkeling van vaardigheden, met inbegrip van opleiding en omscholing op de werkplek, daar in Europa een echte paradigmaverschuiving noodzakelijk is wat betreft de doelstellingen en het functioneren van de onderwijssector alsook de wijze waarop de plaats en rol ervan in de samenleving worden begrepen (16).

4.2.

De digitalisering creëert mogelijkheden voor toegankelijke en individuele technologieën die kunnen zorgen voor leertrajecten waarin de lerende meer centraal staat en de totstandkoming van een continuüm tussen formeel, niet-formeel en informeel leren. Digitale oplossingen kunnen worden geïntegreerd in de strategieën voor een leven lang leren, en kunnen een krachtig instrument zijn om de tekorten aan vaardigheden en mogelijkheden terug te dringen. Dit is echter sterk afhankelijk van de wijze waarop digitale technologie wordt ingevoerd en gebruikt in de leeromgeving.

4.3.

Om tot betere leerervaringen en -resultaten te komen moet het onderwijsstelsel de lerende een centrale plaats moeten geven: hij/zij is degene die zijn/haar onderwijs, opleiding en bijscholing moet regelen. Hiermee zouden lerenden actieve, digitale burgers worden die de verworven kennis goed weten te benutten omdat zij zelf zeggenschap uitoefenen over de aard, de plaats, het tempo en de timing van het leren, overeenkomstig hun visies en waarden, met waarden als solidariteit en respect voor verschillen, die deel uitmaken van de Europese identiteit. De toekomstige investeringen in technologie moeten dan ook hand in hand gaan met investeringen in mensen, en een betere toegankelijkheid tot een leven lang leren.

4.4.

De toekomstige vaardigheden moeten tevens aansluiten op de behoeften van de samenleving en van de arbeidsmarkt. Dit kan alleen worden bereikt dankzij een nauwe samenwerking tussen openbare en particuliere onderwijsinstellingen en alle betrokken belangengroeperingen, waaronder met name de sociale partners en ondernemingen. Meer volatiele markten zullen uitdagingen met zich meebrengen, omdat bedrijven en werknemers zich voldoende snel zullen moeten aanpassen. In 2010 (17) heeft het EESC zijn steun uitgesproken voor de oprichting van Europese sectorale raden (ESR) voor werkgelegenheid en vaardigheden. Tot op heden zijn er pas in twee sectoren ESR's opgericht, terwijl de ESR in 14 andere sectoren nog in de kinderschoenen staat. Het EESC verzoekt de Europese Commissie toe te lichten waarom deze ontwikkeling zo traag op gang komt en niet de nodige steun krijgt van sectoren en nationale instellingen.

4.5.

Lerenden moeten worden begeleid naar vernieuwende manieren van kennisverwerving, wat vraagt om de samenvoeging van de sociale, fysieke, digitale, virtuele en mobiele leeromgeving. Ook moeten zij „leren leren”. Onderzoek en projectgebaseerd leren, leren op basis van fenomenen, activerende werkvormen voor leerlingen, collaboratief leren en flipped learning leiden allen tot meer reflectieve en participatieve leerprocessen. Eén mogelijke manier om de kloof tussen innovatie op technologisch en pedagogisch gebied te verkleinen is om de structuren voor formeel, niet-formeel en informeel leren doeltreffender aan elkaar te koppelen.

4.6.

Een leven lang leren is een noodzaak voor de samenleving en alle betrokken actoren. Het begint met een solide algemeen onderwijs — een essentieel onderdeel van de individuele ontwikkeling, die een persoon helpt om zich voor te bereiden op nieuwe en onvoorspelbare uitdagingen — en wordt gedurende zeer lange tijd voortgezet met beroepsopleidingen en informeel leren, wat moet worden ondersteund door een geharmoniseerd systeem van EU-brede certificaten en normen, en door adequate gemeenschappelijke instrumenten om de vergelijkbaarheid en gelijkwaardigheid van de leerresultaten te bepalen. De vereisten op het gebied van leren zullen belangrijker worden, en er worden steeds meer eisen gesteld aan de flexibiliteit van individuen, bedrijven en alle onderwijs- en opleidingsstelsels, waardoor de interdisciplinaire aanpak een steeds grotere rol zal spelen.

4.7.

Het EESC herhaalt zijn voorstel (18) om aan te tonen of Europese maatregelen nodig zijn om ervoor te zorgen dat positieve ervaringen van de lidstaten met educatief verlof in de hele EU worden verspreid.

4.8.

De huidige systemen zijn over het algemeen niet aangepast aan de structuur van de digitale arbeidsmarkt, waarin atypische arbeidsvormen vaker zullen voorkomen. De huidige systemen slagen er tot op zekere hoogte in om de standaard werknemers te bereiken dankzij opleidingen op de werkplek De systemen moeten worden geüpdatet zodat iedereen op de arbeidsmarkt toegang heeft tot opleiding. De EU zal veel meer middelen beschikbaar moeten stellen voor investeringen in opleiding, zo niet dan wordt adequate opleiding het voorrecht van enkelen. Dit is een probleem, aangezien alleen personen met moderne vaardigheden kans maken op een goede baan met een billijk salaris.

4.9.

Digitale vaardigheden moeten al vanaf het begin van de lagere school worden aangeleerd (19) en in het basisonderwijs moet er meer aandacht zijn oor interactief digitaal leren (20). Digitale vaardigheden kunnen echter verder gaan dan programmeren. Het gaat er ook om te begrijpen wat er achter een „muisklik” schuilt: inzicht in het systeem, de interconnecties, de sociale impact en privacy- en veiligheidskwesties.

4.10.

Digitale instrumenten spelen een belangrijke rol bij de hervorming en ondersteuning van het onderwijs, wat tot meer betrokkenheid van lerenden en betere resultaten kan leiden (21). Aangezien opvoeders en onderwijzers een steeds grotere rol zullen spelen, moeten hun bevoegdheden worden aangepast aan de nieuwe benaderingen, technologieën en kennis in de nieuwe leeromgeving. De kwalitatieve voorbereiding van onderwijzers zal daarom van essentieel belang zijn, net als hun statuut in termen van flexibiliteit, bezoldiging, sociale zekerheid, enz. Met het oog op de kwalitatieve veranderingen die in de Europese onderwijsstelsels pleit het EESC ervoor om de succesvolle voorbeelden in de EU te volgen (22) en meer te investeren in de initiële en continue professionele ontwikkeling van leerkrachten en andere onderwijzers.

4.11.

Naast het ondersteunen van de actoren van het formele onderwijs bij hun inspanningen om levenslang onderwijs te verstrekken, moet aanvullende steun worden geboden aan aanbieders van niet-formeel onderwijs. Zij kunnen kansarme en kwetsbare groepen bereiken en kunnen deze groepen toegang bieden tot mogelijkheden voor een leven lang leren, met inbegrip van de mogelijkheid om kennis die is verworven via digitale, online- en open leermiddelen en instrumenten, en via verschillende beoordelings- en zelfbeoordelings-, formatieve en summatieve methoden, te valideren.

4.12.

Digitale technologieën bieden niet alleen mogelijkheden voor beter onderwijs en leerprocessen, maar kunnen ook bevorderlijk zijn voor nieuwe beoordelingsmethoden, met inbegrip van zelfbeoordeling, in aanvulling op de traditionele summatieve benaderingen; hierbij valt met name te denken aan methoden die beoordeling een integrerend onderdeel van het leren maken door middel van kunstmatige intelligentie, machine-intelligentie, leerprocesanalyse en nieuwe methoden om de beoordeling aan het leermateriaal te koppelen. Dankzij het gebruik van analysetechnieken kan een snelle terugkoppeling worden gemaakt die een beoordeling in real time mogelijk maakt. Dit draagt bij tot meer gepersonaliseerd leren.

4.13.

Voor de digitalisering in de wetenschap en het universitair onderzoek moeten grote hoeveelheden wetenschappelijke gegevens worden verwerkt. Een geschikte gegevensinfrastructuur (op nationaal en internationaal niveau) zal het mogelijk maken om ook op afstand toegang te krijgen tot deze gegevens en deze te analyseren. Terwijl Europa plannen maakt om de infrastructuur op te zetten die nodig is om de wetenschap en innovatie te versnellen, heeft Europa tegen 2025 naar schatting een half miljoen gegevensdeskundigen nodig (23). Europa moet een gecoördineerde inspanning leveren om deze kernexpertise te ontwikkelen. Hoogwaardig nationaal onderwijs speelt in dit verband een belangrijke rol en moet worden aangevuld met Europese programma's zoals Erasmus+ en de Marie Skłodowska-Curie-acties.

5.   De rol van de overheid en het maatschappelijk middenveld

5.1.

Europa biedt vele goede voorbeelden over hoe om te gaan met de vraag naar nieuwe vaardigheden in het digitale tijdperk. Het EESC is ingenomen met de verschillende initiatieven van de Commissie met betrekking tot een leven lang leren, digitale vaardigheden en banen, de agenda voor nieuwe vaardigheden en Erasmus+. De door de Commissie opgezette databank met goede praktijken kan fungeren als katalysator voor een EU-brede discussie met als doel richtsnoeren en normen vast te stellen. De organisaties van het maatschappelijk middenveld kunnen en moeten hierbij een belangrijke rol spelen.

5.2.

Het EESC wil graag wijzen op het zeer gewaardeerde werk van EU-agentschappen als Eurofound en Cedefop. Betere samenwerking tussen de agentschappen kan resulteren in een grotere impact en zou meer aandacht genereren uit de lidstaten en de EU-instellingen.

5.3.

Nu moet nog een systeem om te voorzien in de vaardigheden en competenties voor het werk in de toekomst worden ontwikkeld. Waar mogelijk zou dit moeten worden gebaseerd op de beoordeling van vaardigheden en anticipatie van de langetermijnbehoefte aan vaardigheden op alle niveaus. Op Europees niveau zou vaart moeten worden gezet achter de oprichting van sectorale raden voor werkgelegenheid en vaardigheden, om tekorten aan vaardigheden en discrepanties tussen aangeboden en gevraagde vaardigheden te voorkomen. Dit is een dringende taak voor alle belanghebbenden, met inbegrip van de betrokken openbare en particuliere instanties.

5.4.

Er moeten duidelijke rollen voor de diverse formele opleidingsniveaus worden vastgesteld, alsmede de verbindingen daartussen. Te denken valt aan: bevordering van creativiteit en verbeelding — op voorschools niveau; combineren van creativiteit met degelijke basiskennis en het bevorderen van kritisch denken en aanpassing van kennis — op schoolniveau; toevoeging van gespecialiseerde interdisciplinaire vaardigheden — op het niveau van beroepsonderwijs en beroepsopleiding; en uitbreiding van professionele interdisciplinaire kennis en ideeën — op het niveau van het hoger onderwijs.

5.5.

Beroepsopleidingen die door bedrijven worden verstrekt aan hun werknemers zijn van essentieel belang. De onderlinge samenwerking tussen ondernemingen, universiteiten en beroepsinstellingen is van cruciaal belang. Er zullen steeds meer organisaties zijn die niet-formeel onderwijs aanbieden, d.w.z. educatieve activiteiten die buiten het formele systeem worden georganiseerd. Het maatschappelijk middenveld kan nieuwe educatieve fora in het leven roepen voor de ontwikkeling van competenties, in samenwerking met verschillende individuen, instellingen en belangen.

5.6.

Kmo's hebben behoefte aan externe ondersteuning omdat ze over beperkte middelen voor opleiding beschikken, met name wanneer nieuwe technieken worden geïntroduceerd en de specifieke knowhow intern nog niet beschikbaar is. Instellingen zoals kamers van koophandel of organisaties van vrije beroepen zouden opleidingsprogramma's kunnen aanbieden, in samenwerking met scholen, universiteiten en particuliere opleidingscentra, en instellingen die zijn gebaseerd op een publiek-privaat partnerschap.

5.7.

Informeel leren zal een steeds grotere rol spelen als een echt levenslang proces, waarbij ieder individu vaardigheden en kennis verwerft uit de dagelijkse ervaring. Deze sector kan kwalitatief worden verbeterd dankzij door de overheid gefinancierde programma's die worden aangeboden via tv-zenders, internetplatforms en andere media. Normen en certificaten zouden nuttig zijn om deze leerresultaten meetbaar en vergelijkbaar te maken, met name wanneer iemand van baan verandert.

5.8.

Met betrekking tot alle verschillende vormen van onderwijs moeten de bestaande instrumenten voor het bepalen van de vergelijkbaarheid en gelijkwaardigheid van informeel leren worden verbeterd. De bestaande systemen voor de erkenning van eerder gevolgde opleidingen, leerresultaten en competenties moeten worden herzien om iedereen een betrouwbare en toegankelijke norm te bieden, en om lerenden bewust te maken van hun eigen ervaringen, vaardigheden en kennis.

5.9.

De sociale zekerheid en collectieve onderhandelingen vormen een probleem, met name voor crowdworkers en mensen met een atypische arbeidsovereenkomst. Meer en meer „digitale nomaden” dreigen op latere leeftijd in armoede te vervallen. De overheid moet regelgeving ontwikkelen om dit probleem aan te pakken. Er zijn al enkele initiatieven voor een sociale dialoog op dit gebied. Een goed voorbeeld is de Duitse vakbond IG Metall, die het internetplatform faircrowdwork.org heeft opgezet dat richtsnoeren biedt voor crowdworkers, en dat samen met andere betrokkenen een gedragscode heeft opgesteld voor crowdworkerplatforms. Het EESC zou graag zien dat de vastgestelde beste praktijken over heel Europa worden uitgerold.

Brussel, 20 september 2017.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Georges DASSIS


(1)  EESC advies over Rol en kansen van de sociale partners en andere maatschappelijke organisaties in de context van de nieuwe vormen van werk, goedgekeurd in september 2017 (zie bladzijde 30 van dit Publicatieblad).

(2)  PB C 125 van 21.4.2017, blz. 10.

(3)  Initiatiefadvies van het EESC over De digitale eengemaakte markt — Trends en vooruitzichten voor kleine en middelgrote ondernemingen, dat in oktober 2017 zal worden behandeld.

(4)  PB C 173 van 31.5.2017, blz. 45.

(5)  PB C 125 van 21.4.2017, blz. 51.

(6)  PB C 318 van 29.10.2011, blz. 9.

(7)  PB C 389 van 21.10.2016, blz. 50.

(8)  Tussentijdse evaluatie van Erasmus+, goedgekeurd op 31 mei 2017 (informatief rapport).

(9)  Bauer, Wilhelm et al. (2012). Arbeitswelten 4.0. Wie wir morgen arbeiten und leben / Working Environments 4.0. How We Will Work and Live Tomorrow. Dieter Spath, ed. Stuttgart, Fraunhofer Verlag.

(10)  PB C 303 van 19.8.2016, blz. 54; PB C 13 van 15.1.2016, blz. 161.

(11)  Zie de Mededeling „Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen: een Europese bijdrage aan volledige werkgelegenheid”, COM(2010) 682 final.

(12)  Zie het advies van het EESC over De gevolgen van kunstmatige intelligentie voor de (digitale) eengemaakte markt, de productie, consumptie,, werkgelegenheid en samenleving, goedgekeurd op 31 mei 2017 (PB C 288 van 31.8.2017, blz. 1).

(13)  World Economic Forum. Employment, Skills and Workforce Strategy for the Fourth Industrial Revolution: The Future of Jobs. Global Challenge Insight Report, januari 2016, blz. 13.

(14)  PB C 181 van 21.6.2012, blz. 14.

(15)  Zie het advies van het EESC over De gevolgen van de digitalisering en robotisering van het vervoer voor de EU-besluitvorming, goedgekeurd in juli 2017 (PB C 345 van 13.10.2017, blz. 52).

(16)  PB C 173 van 31.5.2017, blz. 45.

(17)  PB C 347 van 18.12.2010, blz. 1.

(18)  PB C 13 van 15.1.2016, blz. 161.

(19)  PB C 451 van 16.12.2014, blz. 25.

(20)  In Japan leren kinderen vanaf 5 jaar al computerspelletjes ontwikkelen; in Estland worden basis- en visuele programmering onderwezen vanaf de tweede klas. Dergelijke voorbeelden kunnen dienen als baanbrekende modellen.

(21)  Institute for Prospective Technological Studies, Policy brief on ICT for Learning, Innovation and Creativity, 2008.

(22)  Zoals het Finse onderwijsstelsel in het algemeen, het Ørestad-gymnasium in Kopenhagen (Denemarken), de Egalia-kleuterschool in Stockholm (Zweden) enz.

(23)  Deskundigengroep op hoog niveau van de Commissie over de Europese open wetenschapscloud, Realising the European Open Science Cloud, 2016, blz. 12.


III Voorbereidende handelingen

EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

528e zitting van het EESC, 20-21 september 2017

15.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 434/43


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité — De ontwikkeling van de EU-douane-unie en haar governance

(COM(2016) 813 final)

(2017/C 434/07)

Rapporteur:

Dimitris DIMITRIADIS

Raadpleging

Europese Commissie, 17.2.2017

Rechtsgrondslag

Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

 

 

Bevoegde afdeling

Interne Markt, Productie en Consumptie

Goedkeuring door de afdeling

5.9.2017

Goedkeuring door de voltallige vergadering

20.9.2017

Zitting nr.

528

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

162/0/3

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Volgens het Comité is een efficiënte douane-unie een conditio sine qua non voor het Europese integratieproces, teneinde het vrije verkeer van goederen te waarborgen, het concurrentievermogen en de handels- en onderhandelingspositie van de EU te versterken, maar zij is ook belangrijk voor de ontwikkeling van een Veiligheidsunie aangezien zij flink bijdraagt aan de bestrijding van nieuwe en uitzonderlijke bedreigingen op veiligheidsgebied, waarbij de veiligheid van de burgers en hun financiële belangen beschermd worden.

1.2.

De nieuwe douanewetgeving is grotendeels gericht op vereenvoudigde, aan de meest recente gegevens aangepaste procedures. De doeltreffende toepassing van het douanewetboek van de Unie (UCC) kan bijdragen tot een wereldwijde versterking van het economische concurrentievermogen van de EU.

1.3.

Het EESC onderschrijft het voorstel van de Commissie om de governance van de douane-unie te ontwikkelen, maar meent dat de brede invoering ervan veranderingen op meerdere niveaus en krachtige interventie van technische aard vereist, zonder te raken aan de bevoegdheden van de EU of het evenwicht tussen de instellingen te verstoren. Het EESC benadrukt evenwel dat eventuele hervormingen niet in mogen druisen tegen de facilitering van de legale handel en de bescherming van de grondrechten.

1.4.

De doeltreffende uitvoering van de douanewetgeving omvat volgens het EESC in de eerste plaats het streven naar terugdringing van mogelijk uiteenlopende interpretaties door de administraties van de lidstaten. Hieraan moet de voltooiing van de interoperabele informatisering voorafgaan, alsmede de overgang naar een volledig digitale omgeving, met gebruikmaking van de verschillende middelen waarop de organisatie en de werking van de nationale autoriteiten berust.

1.5.

Het Comité meent dat de daadwerkelijke overgang naar de geautomatiseerde en gecentraliseerde in- en uitklaring moet worden afgerond, voor het stroomlijnen van de coördinatie van preventie en de bestrijding van criminele activiteiten en de bescherming van de financiële belangen van de EU, ter bescherming van de rechten, de belangen en de veiligheid van het bedrijfsleven en de Europese consumenten. Daarom pleit het EESC voor de oprichting van het Europees Openbaar Ministerie (EPPO), die daartoe een positieve bijdrage kan leveren.

1.6.

Het is nodig dat er een gemeenschappelijke Europese douanestrategie komt die rekening houdt met de tweeledige aard van de werkzaamheden van de douanediensten: grenscontrole, in combinatie met gemengde taken — douanecontroles en de inning van accijnzen en advies inzake preventie en bestrijding van criminele praktijken. Tegelijkertijd moet er gezorgd worden voor een optimale benutting van materiële en menselijke middelen, met investeringen in de uitbreiding en verbetering van het materiaal en, als prioriteit, door verdere opleiding en paraatheid van het personeel, ook voor de ontwikkeling van de administratieve ondersteuning van de EU wat betreft de uitvoering en het scherper toezicht op de toepassing van de nationale wetgeving.

1.7.

Bij de uitwerking van de strategie moet rekening worden gehouden met de diversiteit van de economische sectoren, die aan de douanewetgeving moeten voldoen, alsook met de dringende noodzaak van het gebruik van de nieuwe technologieën en innovatie, steeds met inachtneming van de persoonlijke gegevens van de burgers en die van bedrijven, alsook van intellectuele, industriële en commerciële eigendom, en van de menselijke factor, die de motor is van de douane-autoriteiten. Speciale aandacht moet uitgaan naar micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) en consumenten.

1.8.

Volgens het EESC is een betere werking vereist van het decentrale operationele model via administratieve samenwerking, met een centrale coördinatie van een ondersteunende dienst of orgaan volgens de aanwijzingen van de Commissie en met medewerking van de groep Douanebeleid, om de tenuitvoerlegging van de UCC bij te staan. Dit orgaan is onder andere verantwoordelijk voor de uitvoering van programma‘s voor bedrijfsacties, bij- en nascholing, speciaal gericht op het gebied van beveiliging, hooggekwalificeerde specialisatie en bevordering van de deskundigheid van de douanewerknemers. Tegelijkertijd kan het richtsnoeren uitvaardigen die bedoeld zijn als een snelle en directe reactie op nieuwe uitdagingen.

1.9.

Van cruciaal belang is het volgens het EESC ook om de programma’s Douane 2020 en Fiscalis 2020 uit te breiden en te versterken, die een katalyserende rol kunnen vervullen in de gerichte benutting van de financiering voor governance (opleiding, verspreiding van informatie, operationele maatregelen, apparatuur enz.).

1.10.

Het EESC ziet dan ook uit naar de intensivering van de wederzijdse administratieve bijstandsovereenkomsten met handelspartners, naadloos aansluitend op de groeiende handelssamenwerking met landen buiten de EU en met de overeenkomst inzake handelsfacilitatie (TFA) van de Wereldhandelsorganisatie (WTO).

1.11.

Het EESC acht het noodzakelijk om ingrijpende maatregelen te nemen op het gebied van veiligheid en beveiliging, waar ook de douaneautoriteiten al met deze problemen te maken krijgen. Daarom meent het dat verdere institutionalisering en centrale coördinatie in samenwerking tussen de douane en de politie geboden is. Ook moet de sectoroverschrijdende samenwerking van Europese organisaties en decentrale instellingen uitgebreid worden met het oog op versterking en intensivering van de acties en op nadrukkelijker aanwezigheid van de Unie aan de buitengrenzen via de lidstaten. De samenwerking moet onder meer gericht zijn op bestrijding van de financiering van het terrorisme en de illegale handel in wapens en grondiger controle van goederen voor tweeërlei gebruik en aanverwante technologie. Bovendien moeten namaak en piraterij doeltreffend en doelmatig worden aangepakt.

1.12.

Het EESC is van oordeel dat alle te ontwikkelen maatregelen hoe dan ook een open dialoog met belanghebbenden moeten omvatten (bedrijven, consumenten, douaneautoriteiten en -werknemers, vakbonden en maatschappelijke organisaties), teneinde te komen tot een beter en vollediger beeld van de op te lossen problemen, waarbij rekening moet worden gehouden met het belang van alle partijen.

1.13.

Tot slot meent het EESC dat er, ongeacht welke procedure wordt gevolgd voor de modernisering van de douane-unie, serieus rekening moet worden gehouden met de wijzigingen voor de EU-buitengrenzen ten gevolge van de brexit.

2.   Algemene opmerkingen omtrent de douane-unie

2.1.

De douane-unie was een belangrijke voorwaarde voor Europese integratie, met name om te zorgen voor gelijke en vlotte uitvoering van het vrij verkeer van goederen op een veilige, transparante en milieu- en consumentvriendelijke wijze die doeltreffend is bij de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit (1).

2.2.

De douane-unie is de hoeksteen van de interne markt en moet dus volledig aan de behoeften daarvan tegemoetkomen. Zij heeft ook een belangrijke bijdrage geleverd aan de versterking van het concurrentievermogen van de Unie op de wereldmarkt. Verder dragen de douanerechten in belangrijke mate bij tot de Europese begroting. In 2015 beliepen de inkomsten concreet 18,6 miljard euro, ofwel circa 13,6 % van de EU-begroting.

2.3.

Afgezien van beschermende maatregelen in de vorm van verboden of maatregelen ter waarborging van de veiligheid en beveiliging voor EU-burgers, vereiste de invoering van de douane-unie instelling of wijziging van maatregelen, zoals goedkeuring van een gemeenschappelijk handelsbeleid en een gemeenschappelijk buitentarief, alsmede de goedkeuring van een preferentieel tarief via associatieovereenkomsten tussen de EU en buurlanden en (potentiële) kandidaatlidstaten en maar ook via vrijhandelsovereenkomsten met derde landen.

2.4.

De douane-unie streeft ernaar de legale handel te bevorderen, terwijl zij tevens tracht fraude in verband met commerciële transacties te bestrijden, maar tegelijk ook de illegale overdracht van goederen en financiële transacties te voorkomen die kunnen worden gebruikt voor illegale of terroristische activiteiten.

3.   Inhoud van de mededeling

3.1.

Met de mededeling beoogt de Commissie een dialoog op gang te brengen over de modernisering van de douane-unie in verband met nieuwe omstandigheden die zijn voortgevloeid uit:

de interne problemen ten gevolge van de verbreding en verdieping van de EU en grote kwalitatieve en wetgevingsverschillen tussen overheidsinstanties, die onvermijdelijk hebben geleid tot minder middelen en een evenredige stijging van de operationele behoeften;

de onverminderd toenemende externe veiligheidsproblemen en -bedreigingen, met als belangrijkste voorbeeld het geïmporteerde terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit en kwesties in verband met de globalisering van de internationale handel, zoals de zich gestaag ontwikkelende bedrijfsmodellen, leveringsketens en het stijgend aantal transacties, voortvloeiend uit overeenkomsten met derde landen, maar ook uit internetgebruik;

met het oog op de uitvoering van een structurele hervorming van de belangrijkste aspecten van de douane-unie en de invoering van een nieuwe bestuursstructuur.

3.2.

De Commissie benadrukt in de mededeling dat de douane-unie efficiënter moet worden door modernisering van de opzet daarvan, teneinde de samenwerking tussen EU-douane-autoriteiten op te voeren en structuren te scheppen die flexibel en aan te passen zijn.

3.3.

De onderhavige mededeling pleit niet voor uitbreiding van de bevoegdheden van de EU tot nieuwe terreinen, maar is een poging om het beleid van de douane-unie te moderniseren door het flexibeler en efficiënter te maken om in te kunnen spelen op de steeds veranderende omstandigheden.

4.   Problematische aspecten die hoe dan ook aandacht verdienen

4.1.

De herziening van de UCC bracht aanzienlijke wijzigingen met zich mee die de handel moesten vereenvoudigen en vergemakkelijken. Desondanks blijven de douanewetgeving en de wetgeving inzake het vrije verkeer van goederen over het algemeen zeer ingewikkeld, aangezien ze circa 1 127 teksten omvatten die van kracht zijn (overeenkomsten, richtlijnen, verordeningen en besluiten) (2). Zo wordt het moeilijk voor iemand de relevante bepalingen aan te halen zonder bekend te zijn met de Europese wetgeving.

4.2.

De vorige regeling bevatte duidelijk grotere onzekerheden, en relevante nationale wettelijke bepalingen konden er ongemerkt in worden opgenomen, met twijfelachtige resultaten die de uniforme toepassing benadeelden. De alomvattende codificering van de UCC betekent dat Europese wetgeving direct toepasbaar is en directe gevolgen heeft, hoewel het wetboek nog steeds uitsluitend uitgevoerd wordt door nationale douanesystemen die organisatorisch sterk verschillen, wat leidt tot versnippering, meer administratieve lasten, bureaucratische tekortkomingen en vertragingen (3). Bovendien schept de uitzonderlijk lange overgangsperiode onzekerheid en kan deze nadelig uitpakken voor ondernemingen, met name voor micro-ondernemingen en het midden- en kleinbedrijf (mkb) en consumenten.

4.3.

Van oudsher waren douaneautoriteiten verantwoordelijk voor de inning van douanerechten en indirecte belastingen, maar zij worden nu ook verzocht bij te dragen aan de versterking van de buitengrenzen en aan de bestrijding van illegale praktijken met schadelijke gevolgen in en buiten de Unie.

4.4.

De uitbreidingen van de EU waren een verdere belasting voor het decentrale model, dat coördinatie en bijscholing vereist voor ruim 120 000 douanebeambten, aangezien douanesystemen, controlemechanismen, de logistieke infrastructuur die dringend behoefte heeft aan geavanceerde technologische systemen, het douanepersoneel en de middelen fundamenteel uiteenlopen.

4.5.

De toepassing van nieuwe technologieën in de Europese industrie en de totstandkoming van de digitale interne markt zijn, samen met de voorgestelde hervorming van het btw-stelsel, een stap in de goede richting, maar maken ook dat douaneprocedures dringend flexibeler moeten worden om zich te kunnen aanpassen aan de complexiteit van de tegenwoordige transacties. Hetzelfde geldt voor de veranderende productie- en consumptiepatronen, de toenemende internationale handel en mondiale dreigingen voor de ontwikkeling van de wereldhandel, waarbinnen het handelsbeleid van de EU zich beweegt.

5.   Concept en uitgangspunten van de governance van de douane-unie

5.1.

Douanegovernance moet gebaseerd zijn op de volgende componenten:

diverse taken: enerzijds douanecontroles en inning van rechten (zuiver financieel) en anderzijds preventie en bijdragen aan de bestrijding van mondiale dreigingen die van invloed zijn op de Unie (criminele activiteiten, terrorisme, georganiseerde misdaad, aantasting van het milieu en toenemende risico’s van de handel in gevaarlijke goederen);

investeren in efficiëntere uitvoering via optimalisering van materialen, technologische en personele middelen, met serieuze investeringen in de uitbreiding en modernisering van eerstgenoemde en voorrang voor de bijscholing en paraatheid van laatstgenoemde om hun professionaliteit te vergroten en hun verantwoordingsplicht te waarborgen;

administratieve ondersteuning van de EU in verband met de uniforme toepassing van de wetgeving en een scherper toezicht hierop;

versterking van de interconnectiviteit tussen de nationale douaneautoriteiten;

totstandbrenging van institutionele samenwerking ter verbetering van de reactietijd en een zo nauwkeurig mogelijke operationele paraatheid;

een sectoroverschrijdende aanpak op het gebied van veiligheid, tussen douaneautoriteiten en rechtshandhavingsinstanties, aan de hand van synergieën en de uitwisseling van informatie;

aanpassing aan de wijzigingen die voortvloeien uit het wetgevingspakket voor de totstandbrenging van de digitale interne markt en het hervormen van het Europese btw-stelsel;

benutting van nieuwe technologieën en innovatie; echter, met inachtneming van persoonlijke gegevens van burgers en ondernemingen;

prioriteit in elk plan voor de bescherming van consumenten en vergemakkelijking van in- en uitklaring (op basis van het beginsel „denk eerst klein”);

beginselen van goed bestuur, rechtszekerheid en transparantie;

ruime aandacht voor het menselijke aspect en het behoud van de werkgelegenheid.

6.   Noodzakelijke algemene hervormingen

6.1.

Conform het door het EESC onderschreven voorstel van de Commissie moet de operationele visie voor de douane-unie worden uitgebreid tot een coherente strategie met een duidelijk tijdschema, op basis van de hierboven geschetste beginselen en de hierna beoordeelde aspecten.

6.2.

Er dient een effectbeoordeling en een evaluatie van de nieuwe UCC te worden opgesteld; een tussentijdse versie hiervan moet er voor eind 2017 zijn, in het verlengde van eerdere studies, breder van opzet en voor alle activiteitengebieden (4), zodat de strategie gericht wordt op het opheffen van problemen, zwakke punten, overlappingen, inconsistenties en achterhaalde maatregelen en een solide basis (5) vormt de volgende stappen in het proces. In de studie moet de aandacht in het bijzonder uitgaan naar de douanebeambten.

6.3.

De nadruk moet liggen op uitwisseling van informatie en goede praktijken tussen douane- en administratieve diensten door systematisch en methodisch gebruik van informatietechnologie. Daartoe dienen bestaande gegevensbanken voor douanedoeleinden te worden beoordeeld.

6.4.

Een decentraal en bedrijfsvriendelijk model op basis van de administratieve structuur van de lidstaten heeft alleen kans van slagen als de nationale autoriteiten een stem in het kapittel hebben. Dit vereist dus dat er permanente en flexibele institutionele structuren worden opgericht. Daarom wordt voorgesteld een ondersteunend orgaan of organisatie op te richten onder leiding van de Commissie en met medewerking van de groep douanebeleid, met het oog op:

assistentie in verband met vraagstukken inzake de toepassing van wetgeving, onder meer aan de hand van een alomvattende gids voor de toepassing van de UCC en systematisering van de overige teksten;

beheer van de IT-infrastructuur; hieronder valt ook de Europese hogeschool voor douaneopleidingen (6), die op basis van het EU-competentiekader voor de douane belast zal worden met:

de waarborging van een hoog niveau van specialisatie en bevordering van professionele expertise in de douanesector, gebaseerd op de Europese opleidingscurricula;

de organisatie van operationele actie- en opleidingsprogramma’s, met name gericht op veiligheidskwesties;

samenstelling van een alomvattende gids voor de toepassing van de UCC en de uitvoeringsbepalingen daarvan en de systematisering van de betreffende wetgeving;

gedeeld beheer van elektronische systemen ter waarborging van de toegang tot informatie en procedures in één platform om een en ander voor ondernemingen uit derde landen te vergemakkelijken. Hiertoe moet de overgang naar een papierloze omgeving onmiddellijk worden versneld, met de oprichting van een gemeenschappelijk referentiepunt om de procedures te vereenvoudigen, zoals vermeld in de UCC;

mogelijkheid tot besluiten nemen voor het uitvaardigen van richtsnoeren om snel en direct op nieuwe uitdagingen te kunnen inspelen.

Ten aanzien van dit orgaan handhaaft het EESC zijn standpunt en pleit het voor de oprichting van een Europees team voor snelle interventie ter ondersteuning van het gespecialiseerde en belangrijke werk van de douane-autoriteiten, met name aan de buitengrenzen van de Unie.

6.5.

Volgens het EESC kan de beleidsgroep douane van de Commissie (die informeel te werk gaat, tot nu toe beperkte bevoegdheden heeft en waarvan de invloed te verwaarlozen is) een belangrijke rol spelen in het nieuwe tijdperk van het douanebeheer (7). Daartoe beveelt het EESC aan regels op te stellen en dringt het bij de lidstaten aan op samenwerking om dit orgaan zo efficiënt mogelijk te laten werken. Daarnaast hecht het EESC aan forse uitbreiding van de bestaande samenwerking tussen de lidstaten en de groepen deskundigen op het gebied van douanebeleid.

6.6.

Volgens het EESC heeft het programma „Douane 2020” positieve resultaten opgeleverd voor de verspreiding en overdracht van informatie over de douane-unie, zowel onder douaneambtenaren als ondernemingen. Het is een nuttig instrument voor de samenwerking van de EU met (potentiële) kandidaat-lidstaten (8); daarom zou uitbreiding en verlenging ervan, tot na de oorspronkelijk bepaalde periode, bijdragen tot de verspreiding van horizontale acties (9) voor de volgende kwesties:

permanente, kwalitatief hoogwaardige opleiding en voorlichting van het personeel aan de hand van Europese gegevens en modellen;

een investerings- en financieringscomponent ter verbetering en modernisering van de infrastructuur voor niet-invasieve detectie en laboratoriumtests, alsook investeringen in het personeel van nationale organen met het oog op de voltooiing van één digitaal systeem;

6.7.

Het EESC meent verder dat het programma Fiscalis 2020, gericht op verbetering van de belastingstelsels van de lidstaten, ook kan bijdragen aan de ontwikkeling van gemeenschappelijke acties en de stimulering van meer samenwerking tussen fiscale en douaneautoriteiten op transnationaal niveau.

6.8.

Het EESC onderschrijft de inspanningen van de Commissie, zoals deze onder meer tot uiting komen in de mededeling over het actieplan voor de btw, voor meer samenwerking door een toolbox uit te werken voor de wetgevings- en andere autoriteiten van de lidstaten bij de bestrijding van fiscale, btw-gerelateerde fraude. Een dergelijke toolbox zou de overstap vergemakkelijken naar een definitief btw-stelsel voor de EU voor de grensoverschrijdende handel, gebaseerd op het beginsel van het land van bestemming.

6.9.

Het EESC steunt initiatieven voor normen en als onderdeel van een dialoog met de Werelddouaneorganisatie (WCO) en juicht daarom de invoering toe van de geautoriseerde marktdeelnemer en van de uniforme erkenningen en certificaten. Daarom verzoekt het de Commissie te kijken naar de mogelijkheden om deze initiatieven te verfijnen teneinde de administratieve lasten en belemmeringen voor ondernemingen verder terug te dringen.

6.10.

In deze context meent het EESC dat de overeenkomst inzake handelsfacilitatie van de WTO gehandhaafd en toegepast moet worden. Deze vereenvoudigt en verduidelijkt internationale in- en uitvoerprocedures, douaneformaliteiten en doorvoervoorschriften. Voorts acht het EESC het essentieel om de wederzijdse administratieve bijstandsovereenkomsten met handelspartners te intensiveren, die naadloos aansluiten op de groeiende handelssamenwerking met landen buiten de EU.

6.11.

Het EESC verwelkomt het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het rechtskader van de Unie inzake douaneovertredingen en sancties, dat helaas aanzienlijke vertraging heeft opgelopen: de goedkeuring ervan zou, samen met de standpunten van het Parlement in eerste lezing alsook de door het EESC al naar voren gebrachte argumenten (10), bijdragen tot grotere uniformiteit en rechtszekerheid.

6.12.

Volgens het EESC moet er een eenloketsysteem (portaal) komen, uitgaande van het beginsel van één audit, om de administratieve lasten tot een minimum te beperken en om de douaneprocedures drastisch te vereenvoudigen. Daarom moet er op EU-niveau snel een database voor de certificaten en voor de automatische controle ervan ontwikkeld worden.

6.13.

Het Comité uit zijn bezorgdheid over de veranderingen aan de EU-grenzen ten gevolge van de brexit. Niettemin steunt het de onderhandelingen, die in volledige transparantie en te goeder trouw worden gevoerd. Het pleit voor onverminderde inzet voor het vredesproces in Noord-Ierland en voor het vermijden van een „harde grens”, op een wijze echter die geen afbreuk doet aan de Unie en haar belangen.

7.   Vereiste specifieke hervormingen (politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, gezondheids-, veiligheids- en milieukwesties)

7.1.

Hier dient de nadruk te liggen op het beschermen van de buitengrenzen van de EU tegen dreigingen door ontwikkeling van synergie met buurlanden of potentiële kandidaat-lidstaten en met de betreffende douaneautoriteiten voor de aanpak van risico’s in verband met buitengewone veiligheidsomstandigheden (fraude en daarmee samenhangende onwettige activiteiten, terrorisme, sanitaire, veterinaire en fytosanitaire incidenten of milieurampen). Ook moet gekeken worden naar de mogelijkheid om de internationale samenwerking om dezelfde redenen uit te breiden, met name met potentiële en huidige handelspartners.

7.2.

Er moet grondig bekeken worden of er behoefte is aan herziening van andere specifieke wetgeving die al meer dan tien jaar ongewijzigd van kracht is en die van grote invloed is op het douanebeheer. Het REFIT-platform kan een nuttig instrument zijn om te bezien of het regelgevingskader voor de EU-wetgeving in dit verband geschikt is voor het beoogde doel. Het EESC benadrukt evenwel dat eventuele hervormingen niet in mogen druisen tegen de facilitering van de legale handel en de bescherming van de grondrechten.

7.3.

Het EESC is ingenomen met de ontwikkeling en uitvoering van de strategie en het actieplan voor douanerisicobeheer van de EU en tekent aan dat er meer moet worden gedaan op gebieden die buiten de bevoegdheid van de douane vallen, zoals de Commissie in het voortgangsverslag over 2016 vermeldt.

7.4.

Voorts juicht het EESC pogingen op bilateraal niveau toe, maar meent het dat verdere institutionalisering en centrale coördinatie in samenwerking tussen de douane, justitie en de politie geboden is om te komen tot een efficiëntere bestrijding van de financiering van het terrorisme en de illegale handel in wapens, de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten, goederen voor tweeërlei gebruik en daaraan gerelateerde technologie, door middel van controles op basis van een risicobeoordeling, zoals voorgeschreven door het douanerisicobeheersysteem (CRMS) en met inachtneming van de strategie en het actieplan van de EU voor douanerisicobeheer en het actieplan van de Commissie ter versterking van de strijd tegen de financiering van terrorisme. Voorts moet er meer gedaan worden om namaak en piraterij doeltreffend en doelmatig aan te pakken.

7.5.

De procedures dienen versneld te worden voor de wijziging van verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten, uitgaande van de resultaten van de openbare raadpleging en de aanbevelingen van de Financiële-actiegroep.

7.6.

Voor de betrokken doelstellingen moet er opnieuw een beoordeling komen van de zwarte lijst van landen die weigeren om witwaspraktijken doeltreffend te bestrijden. Deze lijst is door het Europees Parlement verworpen omdat zij niet volledig aan de actuele gegevens voldeed; daarom verzoekt het om de controles op te voeren, zoals ook vermeld wordt in de te herziene richtlijn (4e richtlijn ter bestrijding van het witwassen van zwart geld).

7.7.

Het EESC dringt er bij de Raad en het Europees Parlement op aan de laatste hand te leggen aan de oprichting van het Europees Openbaar Ministerie (EPPO), dat verantwoordelijk zal zijn voor het opsporen, vervolgen en voor het gerecht brengen van de daders van strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden. Het EESC roept alle lidstaten op zich bij deze inspanningen aan te sluiten.

7.8.

Het meent ook dat de sectoroverschrijdende samenwerking tussen (al dan niet decentrale) Europese organen en diensten, zoals de Europese politiedienst (Europol), het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), het Europees grens- en kustwachtagentschap (Frontex), het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA), de Europese eenheid voor justitiële samenwerking (Eurojust), het Bureau voor intellectuele eigendom van de EU (EUIPO) enz., versterkt en uitgebreid moet worden op basis van de strategie voor geïntegreerd grensbeheer en Verordening (EU) 2016/1624, onder bijzondere verwijzing naar de Europese Veiligheidsagenda, ter wille van:

versterking van de interinstitutionele dialoog en de betrokkenheid van de douane om te komen tot optreden en aanwezigheid van de Unie aan de buitengrenzen via de lidstaten voor misdaadpreventie, -opsporing en onderzoeksdoeleinden in verband met de financiering van criminele activiteiten;

de opzet van een systeem voor de vroegtijdige uitwisseling van informatie en gegevens (delen van gegevens uit de leveringsketen en informatie over risico’s) dat volledig strookt met de Europese wetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens, en terdege rekening houdend met de vernieuwde interneveiligheidsstrategie (2015-2020);

de modernisering van douanecontroles en de ontwikkeling van de coördinatie van douanesamenwerking op EU-niveau;

het verzamelen, uitwisselen en registreren van goede praktijken om capaciteiten en vaardigheden te delen en gezamenlijk te gebruiken;

de voorbereiding van de overstap naar slimme grenzen.

Brussel, 20 september 2017.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Georges DASSIS


(1)  PB C 229 van 31.7.2012, blz. 68.

(2)  Zelfbeoordeling (beoordeling van de werking van de douane-unie door de nationale douanediensten). Studie naar de evaluatie van de douane-unie (specifiek contract nr. 13 inzake de uitvoering van raamcontract nr. TAXUD/2010/CC/101) (DG TAXUD, 2013).

(3)  Zie het EESC-advies over de Stand van de douane-unie (PB C 271 van 19.9.2013, blz. 66).

(4)  Mededeling van de Europese Commissie over de blauwdruk voor de hervorming van de governance van de douane-unie van de EU (DG TAXUD — A1, 07/2015).

(5)  Resolutie van het Europees Parlement van 19 januari 2017 over de aanpak van de uitdagingen rond de tenuitvoerlegging van het EU-douanewetboek (2016/2017(RSP)) P8_TA(2017)0011.

(6)  Door het EESC aanbevolen voorstel, ook in zijn advies over het Douanewetboek van de Unie (PB C 229 van 31.7.2012, blz. 68), in de vorm van een opleidingsinstituut voor douaneambtenaren. De Commissie heeft het voorstel niet in de UCC overgenomen.

(7)  Groep douanebeleid — gewone leden (het niveau van directeuren-generaal van de douane-autoriteiten van de EU (E00944).

(8)  28 lidstaten en 6 toetredingslanden en potentiële toetredingslanden namen deel.

(9)  Zie: http://ec.europa.eu/taxation_customs/business/customs-cooperation-programmes/customs-2020-programme_en

(10)  Zie PB C 487 van 28.12.2016, blz. 57.


15.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 434/51


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, de Europese Centrale Bank, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Actieplan inzake financiële diensten voor de consument: Betere producten, meer keuze

(COM(2017) 139 final)

(2017/C 434/08)

Rapporteur:

Michael IKRATH

Rapporteur:

Carlos TRIAS PINTÓ

Raadpleging

Europese Commissie, 26.4.2017

Rechtsgrondslag

Artikel 304 VWEU

 

 

Bevoegde afdeling

Interne Markt, Productie en Consumptie

Goedkeuring door de afdeling

5.9.2017

Goedkeuring door de voltallige vergadering

20.9.2017

Zitting nr.

528

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

136/0/2

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het is goed dat de Commissie momenteel zuinig is met regelgeving, en het Comité deelt haar vastbeslotenheid om, indien noodzakelijk, naar de mededingingsregels te grijpen om voor gelijke kansen en bescherming van de consument te zorgen.

1.2.

Haar actieplan om de interne markt te verdiepen verdient bijval. Dat vereist zowel geleidelijke uitbreiding van de Economische en Monetaire Unie (EMU) als verdere harmonisatie van financiële producten en diensten; en zulks in combinatie met digitale innovatie onder handhaving van eerlijke en, qua technologische- en zakelijke modellen, neutrale concurrentievoorwaarden.

1.3.

Het EESC roept de lidstaten op hun om inspanningen te verdubbelen voor verstrekkende, geharmoniseerde, gecoördineerde en systematische toepassing van het brede scala aan pan-Europese normen. Die worden momenteel uitgevoerd ten behoeve van alle consumenten en moeten hen ook beschermen tegen de vele risico’s in verband met de nieuwe financiële scenario’s.

1.4.

Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de klassieke retailbanken („boring banking”) als belangrijke tussenpersoon voor die producten en diensten. Die banken, in het bijzonder op regionaal of lokaal niveau, genieten veel vertrouwen onder de consumenten in de EU, en hun neiging om van bank te wisselen is tamelijk gering. Niettemin moeten grensoverschrijdende producten worden gepromoot om het idee van de interne markt en het vrije verkeer van personen en goederen te benadrukken.

1.5.

Maar daarbij moet worden ingespeeld op de zorgen van de consumenten betreffende onder meer taal- en wetgevingsverschillen, hogere tarieven en weigering van toegang tot bepaalde financiële diensten en producten voor niet-ingezetenen, verschillen in belastingheffing, goldplating van anti-witwaswetgeving en wisselkoersrisico’s.

1.6.

De Commissie wordt verzocht te kijken hoeveel economisch kwetsbare kredietnemers grensoverschrijdende leningen afsluiten die zij in hun eigen land niet kunnen krijgen (loan shopping) en daardoor een groot risico lopen om tot over hun oren in de schulden te geraken.

1.7.

Het is in het belang van transparantie en vergelijkbaarheid van financiële producten en diensten om gelijke kansen te creëren tussen de lidstaten. Daarom mogen rulings betreffende die producten en diensten niet langer een belemmering voor eerlijke concurrentie vormen.

1.8.

Dus wordt de Commissie dringend verzocht om te zorgen voor passende, onafhankelijke en verplicht gecertificeerde vergelijkingsinstrumenten voor per lidstaat verschillende financiële producten.

1.9.

Er moet regulering komen voor niet-Europese IT-giganten zoals Google, Apple enz., die gebruik kunnen maken van hun klantenbestand voor rechtstreekse verkoop van producten op maat zonder dat zij moeten voldoen aan de regels inzake consumentenbescherming en andere EU-voorschriften.

1.10.

Het staat buiten kijf dat digitalisering het consumentengedrag voortdurend wijzigt. Daarom is het EESC zeer ingenomen met de nadruk die de Commissie legt op het bevorderen van de digitale interne markt, met bijzondere aandacht voor financiële diensten. De Commissie richt zich terecht op de opheffing van belemmeringen voor grensoverschrijdende digitale distributie (geoblocking). Dit is inderdaad de enige kans om een echte interne markt voor financiële diensten voor consumenten tot stand te brengen.

1.11.

Op het gebied van FinTech, in het belang van duurzame regelgeving en met het oog op zoveel mogelijk behoud van de financiële stabiliteit is het Comité van mening dat er gelijke kansen voor alle verleners van de betrokken financiële diensten moeten komen en dat de consumenten te allen tijde dezelfde garanties moeten genieten als die welke bestaan in de traditionele banksector.

1.12.

De Commissie zou daartoe aanvullende producten moeten omschrijven die eenvoudig zijn, dezelfde kenmerken bezitten en op die manier net zo vergelijkbaar en transparant zijn als de consumentenproducten die reeds zijn opgenomen in het actieplan. Dit opent de deur voor producten die worden aangeboden als „vlaggenschepen”, en zulks in de hele EU via verschillende distributiesystemen (FinTech, traditionele bankkantoren enz.). Voorts kan het vertrouwen van de consument in deze producten worden versterkt. Met betrouwbare productinformatie en -transparantie kan de consument risicoloos de beste dienstverlener binnen de EU kiezen.

1.13.

De onafhankelijkheid van de betrokkenen bij het beheer van één en dezelfde financiële dienst dient, met vermijding van belangenconflicten, te worden versterkt, aangezien dit goede governance en doeltreffend toezicht op financiële diensten vergemakkelijkt.

1.14.

Het is zaak om regelmatig het effect te beoordelen van elke norm voor de ontwikkeling van financiële producten en diensten voor de consument, terwijl tegelijkertijd de middelen van de toezichthoudende autoriteiten op het juiste niveau moeten worden gebracht. Tevens moeten er mechanismen komen voor doeltreffende alternatieve geschillenbeslechting (ADR) en onlinegeschillenbeslechting (ODR) inzake grensoverschrijdende transacties. Dat is cruciaal om het vertrouwen van de consument te verhogen.

1.15.

Als we willen dat de uiteindelijke resultaten voor burgers en bedrijven efficiënt en zo goedkoop mogelijk zijn, dan dienen alle maatregelen en regelingen aangaande dit onderwerp voort te bouwen op en rekening te houden met de beginselen van het REFIT-programma. Zonder afbreuk te doen aan de duidelijke doelstellingen op dit gebied moeten alle toekomstige regels eenvoudig zijn en onnodige obstakels uit de wereld helpen. Eveneens, en om te komen tot een echte interne markt die niet versnipperd is, dient overregulering op nationaal of regionaal niveau te worden vermeden.

2.   Achtergrond

2.1.

Het actieplan is bedoeld om de Europese consumenten een ruimere keuze uit en betere toegang tot financiële diensten in de EU te bieden.

2.2.

Het heeft betrekking op financiële diensten die een belangrijk onderdeel zijn van hun dagelijkse leven, zoals spaar- en lopende rekeningen, betalingsdiensten, kredietkaarten, hypotheek- andere leningen en diverse verzekeringen.

2.3.

Ook is het plan een integrerend onderdeel van de ontwikkeling van een verdiepte en eerlijkere interne markt. Dit betekent dat op het gebied van financiële diensten de mededinging tussen verleners van die diensten moet worden aangejaagd en dat de keuzemogelijkheden voor de consument moeten worden uitgebreid, zodat die kan profiteren van lagere prijzen, hogere productkwaliteit en innovatie.

2.4.

De consumenten zouden moeten kunnen kiezen uit een breed assortiment van in de gehele Unie beschikbare financiële diensten en producten, waarbij het er niet toe doet in welke lidstaat de aanbieder is gevestigd.

2.5.

Ook die aanbieder moet kunnen profiteren van de voordelen van de Europese markt (de interne markt).

2.6.

De EU heeft al een reeks maatregelen genomen voor de totstandbrenging van een interne markt voor financiële diensten voor consumenten, zoals de richtlijn inzake betaalrekeningen (1), hypotheken (2), verzekeringsdistributie (3), het actieplan voor de opbouw van een kapitaalmarktenunie (4), de strategie voor de Europese interne markt (5) en de strategie voor de digitale interne markt (6).

2.7.

Dit actieplan — gebaseerd op de raadplegingen over het Groenboek van de Commissie (7) — is opgesteld om de resterende obstakels in kaart te brengen en weg te werken.

2.8.

Het plan spitst zich toe op drie hoofdgebieden:

verhoging van het consumentenvertrouwen en hen mondiger maken

verwijdering van wettelijke en bestuursrechtelijke belemmeringen

continue ondersteuning voor de ontwikkeling van innovatieve digitale diensten.

Daarbij worden twaalf uitvoeringsacties uiteengezet.

2.9.

Aangezien slechts 7 % van de consumenten gebruikmaakt van financiële diensten uit een andere lidstaat, ligt de nadruk in het actieplan op de ontwikkeling van FinTechs en onlinebedrijven.

3.   Algemene opmerkingen

3.1.

Het EESC stelt vast dat de creatie van een interne markt voor financiële diensten harmonisatie vergt van de diverse projecten van de Unie voor de financiële markt. Zo raakt de kapitaalmarktenunie alle lidstaten, de bankenunie met haar drie pijlers slechts de eurozone en vallen de markten van nieuwe lidstaten buiten schot. Dit betekent dat de verwachte grensoverschrijdende verrichting van financiële diensten en producten op onzichtbare grenzen stuit.

3.2.

Daarom moet, naast verdere verdieping van de interne markt voor financiële diensten, de EMU worden uitgebouwd. Het zal onmogelijk blijken om het actieplan volledig uit te voeren indien niet alle lidstaten geleidelijk de euro invoeren en dat geldt met name op digitaal gebied. Er is ook een risico dat alternatieve digitale valuta zoals bitcoins deze gang van zaken gaan scheeftrekken, wat afbreuk kan doen aan beveiliging, gegevensbescherming en het vertrouwen van de consument in grensoverschrijdende financiële diensten.

3.3.

De consumenten zien de handel in financiële diensten momenteel als een lokaal of regionaal bedrijfsmodel. Aangezien angsten en onzekerheden over het nieuwe financiële landschap blijven bestaan, deelt het Comité de conclusie van de Commissie dat „de meeste klanten van financiële diensten ook in de toekomst niet verder kijken dan hun plaatselijke markt” (8).

3.4.

Voorts vormen de verschillende nationale fiscale regelingen een belangrijke belemmering voor de vergelijkbaarheid en transparantie van financiële producten. De aantrekkelijkheid van de belangrijkste producten ligt vaak in fiscale stimulansen, die echter alleen de nationale belastingbetaler ten goede komen. Bovendien vormt de bestrijding van belastingontwijking, waarbij houders van buitenlandse rekeningen al snel van fiscaal sjoemelen worden verdacht, een forse belemmering voor de grensoverschrijdende financiële markt. Daarom wordt de Commissie verzocht om aanvullende voorstellen op te nemen in het actieplan.

3.5.

Ondanks de aanzienlijke inspanningen van de Commissie heeft volgens Eurobarometer 446 tot op heden slechts 7 % van de EU-burgers gebruikgemaakt van grensoverschrijdende financiële diensten. Verder is het onduidelijk hoeveel economisch kwetsbare kredietnemers grensoverschrijdende leningen afsluiten die zij in hun eigen land niet kunnen krijgen (loan shopping) en daardoor een groot risico lopen om tot over hun oren in de schulden te geraken. Hierover moet een studie worden gemaakt.

3.6.

Er mag niet over het hoofd worden gezien dat er een grensoverschrijdende vraag bestaat in grensregio’s met een gemeenschappelijke taal. Zelfs op nationale markten verwisselt minder dan een derde van de consumenten van aanbieder. Een van de belangrijkste redenen hiervoor is het hoge niveau van tevredenheid over de lokale of regionale traditionele retailbanken (zie EBS 446). In dit verband wil het EESC er wel op wijzen dat de winstgevendheid van de regionale retailbanken sinds de financiële crisis onder zeer grote druk is komen te staan. Daarom dient te worden gestudeerd op de vraag hoe banken met een relatief gering aantal klanten uit andere lidstaten de desbetreffende hoge kosten moeten dragen. De Commissie moet ook andere redenen voor dit laag percentage grensoverschrijdende aankopen van financiële producten aanpakken, zoals taal- en wetgevingsverschillen, hogere tarieven en weigering van toegang tot bepaalde financiële diensten en producten voor niet-ingezetenen, fiscale verschillen, goldplating van anti-witwaswetgeving en wisselkoersrisico’s enz.

3.7.

Het is in dit verband alleszins zaak om de rol van de lokale en regionale retailbanken overeind te houden want zij zijn de financiële-dienstverleners die het vertrouwen van de consument genieten. Dit vergt veel meer gedifferentieerde regelgeving voor banken, met een consequente toepassing van het evenredigheidsbeginsel (9). Alleen onder deze voorwaarde kunnen deze banken goed fungeren als innovatieleiders of -volgers.

3.8.

Dat is een conditio sine qua non voor het bereiken van de terechte doelstellingen: de financiële sector moet gebruik kunnen maken van de moderne technologieën die nodig zijn om de interne markt te ontwikkelen en de sector zelf moet financieel gezond en veilig voor consument en belegger zijn.

3.9.

Het staat buiten kijf dat digitalisering het consumentengedrag voortdurend wijzigt. Daarom is het EESC zeer ingenomen met de nadruk die de Commissie legt op de digitale interne markt, met bijzondere aandacht voor financiële diensten. De Commissie richt zich terecht op de opheffing van belemmeringen voor grensoverschrijdende digitale distributie (geoblocking). Dit is inderdaad een goede kans op de totstandbrenging van een echte interne markt voor financiële diensten voor consumenten. Niettemin zijn er nog andere maatregelen nodig (zie paragraaf 3.6).

3.10.

Het EESC deelt het standpunt van de Commissie dat men de toekomstige werkzaamheden enerzijds vooral moet richten op de goede uitvoering van eerder goedgekeurde wetgeving (zie paragraaf 2.6). Anderzijds bestaat er behoefte aan aanvullende maatregelen om ervoor te zorgen dat ook de consument van de voordelen van een EU-brede interne markt voor financiële diensten kan genieten.

3.11.

In dit verband is het tevredenstellend dat het actieplan een ambitieuze routekaart van acties omvat, en het Comité verwacht van de nationale wetgevers, toezichthouders en consumentenorganisaties dat zij een volwaardige rol zullen spelen bij de uitvoering ervan. Ook de sociale partners hebben hier een belangrijke rol te vervullen.

3.12.

Het EESC is eveneens verheugd over het feit dat de marktdeelnemers meer mogelijkheden krijgen om hun individuele financiële diensten te ontwikkelen, met name met betrekking tot digitale innovatie. Op die manier wordt voldoende rekening gehouden met de momenteel zeer verschillende marktomstandigheden in de lidstaten. Dat beantwoordt aan de gemeenschappelijke doelstelling.

3.13.

De Commissie zou bijkomende producten moeten omschrijven die gemakkelijk te vergelijken, volkomen transparant en eenvoudig zijn en dezelfde kenmerken bezitten. Zulks als aanvulling op de consumentenproducten die reeds zijn opgenomen in het actieplan. Dit opent de deur voor producten die worden aangeboden als „vlaggenschepen”, en zulks in de hele EU en via verschillende distributiesystemen (FinTech, traditionele bankkantoren enz.), om ook het vertrouwen van de consument in deze producten te stimuleren. Met betrouwbare productinformatie en -transparantie kan de consument risicoloos de beste dienstverlener binnen de EU kiezen. Daarbij valt te denken aan geharmoniseerde terminologie, vermijding van te technische beschrijvingen en eenvoudige en dus begrijpelijke contractvoorwaarden.

3.14.

Een doeltreffende combinatie van nieuwe onlinetechnologieën en vergelijkbare en transparante consumentenproducten zal van cruciaal belang zijn voor de verdere ontwikkeling van de interne markt voor financiële diensten.

3.15.

Het is dan ook een goede zaak dat de Commissie in haar discussienota over de verdieping van de EMU (1 juni) is ingegaan op de belangrijkste aspecten in verband met de harmonisatie van financiële producten en diensten in de EU. In het bijzonder gaat het daarbij om de totstandbrenging van gelijke kansen voor de lidstaten en daarmee voor de financiële dienstverleners. De voorstellen inzake de EMU vereenvoudigen dus de vergelijkbaarheid en de presentatie van de verschillende „grensoverschrijdende” financiële producten.

3.16.

In dit verband is het tevens van belang te blijven pleiten voor regulering van de FinTechs. Tijdens de financiële crisis van 2008-2010 bleek zeer strikte regulering (Basel III, CRD IV) een van de redenen waarom de traditionele retailbanken niet langer in staat waren om hun traditionele rol te vervullen (leningen verschaffen aan kmo’s en private individuen). Hetgeen de FinTechs aanbieden valt niet onder deze regulering. Derhalve dringt het EESC erop aan om — voorafgaande aan het opstellen van het actieplan voor grensoverschrijdende financiële diensten voor consumenten — voor gelijke kansen te zorgen in termen van regelingen die van toepassing zijn op zowel de traditionele retailbanken als de FinTechs (10).

3.16.1.

Het is absoluut noodzakelijk dat de Commissie iets doet aan de zorgen van consument over FinTechs, zoals de bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer, verhaalmechanismen, risico’s van overmatige schuldenlasten, gevolgen van eventuele insolventie van deze platforms, gebrek aan onafhankelijk en verantwoord advies over de producten en diensten die zij aanbieden, het risico van financiële uitsluiting voor consumenten die digibeet zijn, exploitatie en gebruik van big data, beschikbaarheid en toegankelijkheid van deze producten. Een en ander om het vanwege de crisis verloren gegane vertrouwen van de consumenten in financiële instellingen weer terug te winnen.

3.17.

Het EESC dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat de uitvoering van de maatregelen van het actieplan altijd in overeenstemming is met de richtlijn inzake toegankelijkheidseisen voor producten en diensten en de Europese wet inzake toegankelijkheid.

3.18.

Het actieplan zal alleen het gewenste effect opleveren indien het gepaard gaat met een geleidelijke versterking (zowel kwalitatief als kwantitatief) van de toezichthoudende functies van de financiële autoriteiten, met de invoering van een systematische monitoring van het gedrag van aanbieders van financiële diensten ter uitvoering van PSD2 en MIFID II, met het waarborgen van het complexe evenwicht tussen privacy en transparantie en met een onderscheid tussen functies betreffende enerzijds productadvisering en anderzijds marketing. Dit alles moet worden gecombineerd met speciale aandacht voor ratingbureaus en onafhankelijke financiële intermediairdiensten, zoals het EESC in zijn advies over het Groenboek aangaf.

3.19.

Ten slotte: onderwijs en permanente educatie zijn noodzakelijk voor de bestrijding van financiële ongeletterdheid die kan leiden tot buitensporige schulden en financiële en sociale uitsluiting.

4.   Bijzondere opmerkingen

4.1.

In het licht van de opmerkingen gemaakt in paragraaf 3 beveelt het EESC aan dat de Commissie zich concentreert op snelle tenuitvoerlegging van maatregelen met betrekking tot de verbetering van de kwaliteit en betrouwbaarheid van websites waarop financiële diensten worden vergeleken (actie 4), onderzoek van nationale regels inzake consumentenbescherming (actie 8), FinTech (actie 10) en elektronische identificatie (actie 11).

4.2.   (Actie 11)

De onsamenhangende nationale uitvoering van de huidige bepalingen tegen witwassen van geld (bv. het ingezetenschapsvereiste) is een doorslaggevende hindernis voor de verdere ontwikkeling van de interne retailmarkt. Alles moet in het werk worden gesteld om elektronische identificatiemiddelen ter beschikking te stellen om ervoor te zorgen dat zo snel mogelijk nieuwe zakelijke betrekkingen op de interne markt kunnen worden aangegaan. Zorgen over veiligheid en betrouwbaarheid moeten worden weggenomen om het vertrouwen van de consument in elektronische identificatieprocedures te versterken.

4.3.

Het EESC is daarom met name ingenomen met de voorgestelde maatregelen in het kader van actie 11, zoals het bevorderen van het gebruik van de eIDAS-verordening (verordening betreffende elektronische identificatie), bv. door deze uit te breiden tot B2C, en het stimuleren van nieuwe middelen voor digitale onboarding (bv. identificatieprocedures met behulp van video). In dit verband ondersteunt het Comité het standpunt van het Europees Parlement (11) over de vijfde richtlijn inzake het witwassen van geld (12). Maar deze digitale procedures mogen de bescherming van gegevens en privacy niet ondermijnen.

4.4.   (Actie 10)

Om ervoor te zorgen dat financiële innovatie hand in hand gaat met consumentenbescherming, pleit het EESC voor een kader om nieuwe financiële diensten te testen (13). Zijn zij eenmaal in samenwerking met de betrokkenen getest, dan zouden zij kunnen worden toegevoegd aan het scala gestandaardiseerde financiële producten (overeenkomstig paragraaf 3.12).

4.5.   (Actie 8)

Het Comité steunt de voorgestelde maatregelen in het kader van actie 8, die gericht zijn op het identificeren en wegnemen van onnodige „gold-plating” door de lidstaten. De consumentenbescherming mag daar echter niet onder lijden.

4.6.

Ook beveelt het EESC aan om de huidige bijzondere wetgeving inzake financiële diensten te evalueren op de gevolgen ervan voor de gewenste interne markt en de digitale geschiktheid van die regels. De consumenteninformatie moet begrijpelijk, eenvoudig en adequaat zijn, zodat de consument de juiste keuze kan maken. Een overvloed aan informatie, advies en documentatieverplichtingen is nadelig voor de ontwikkeling van een digitale interne markt voor financiële diensten. Daarom moet de zaak holistisch worden aangepakt.

4.7.   (Actie 1)

Wat betreft het voorstel in het kader van actie 1 om de werkingssfeer van de verordening betreffende grensoverschrijdende betalingen (14) uit te breiden tot transacties in andere valuta’s dan de euro, wijst het EESC erop dat deze transacties aanbieders aanzienlijk meer kosten dan betalingen in euro. Het EESC is daarom van mening dat een prijsverschil, in vergelijking met betalingen uitsluitend in euro, gerechtvaardigd is. Het pleit dan ook voor de toepassing van transactieprijzen op niet-eurotransacties die het mogelijk maken om de werkelijke kosten te dekken. In overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel moeten deze prijzen in het teken staan van de omvang van de uitvoerende aanbieder en de frequentie van de transacties.

4.8.   (Actie 2)

De Commissie zou de transparantievereisten voor dynamische valutaomrekening moeten verhogen.

4.9.   (Actie 3)

Het EESC onderschrijft deze maatregel in beginsel, maar wijst erop dat veel marktdeelnemers de SEPA-verordening (15) onjuist toepassen en dat veroorzaakt problemen die niet de verantwoordelijkheid van de consumenten en de verleners van financiële diensten zijn. Het dringt er daarom bij de Commissie op aan om prioriteit te geven aan de volledige toepassing van artikel 9 van de SEPA-verordening (verbod van IBAN-discriminatie). Dit is de enige manier om overschrijvingsdiensten uit te breiden zodat deze doeltreffend zijn op de gehele interne markt.

4.10.   (Actie 4)

Het is noodzakelijk om te voldoen aan de „belangrijkste beginselen voor vergelijkingsinstrumenten” en de Commissie wordt dan ook verzocht om in samenwerking met de belanghebbenden, met name consumentenorganisaties, nauwlettend toezicht te houden op de bestaande websites. Vergelijkingswebsites moeten voldoen aan bepaalde criteria inzake onafhankelijkheid en transparantie. Zij moeten ook verplicht worden gecertificeerd.

Het EESC stelt voor om de eventuele invoering van een pan-Europees vergelijkingswebsite samen met de stakeholders te onderzoeken. Die site zou dan betrekking moeten hebben op bovengenoemde grensoverschrijdende vlaggenschipproducten (zie paragraaf. 3.13).

4.11.   (Actie 9)

Het EESC stemt in met de voorgestelde maatregelen om vaart te zetten achter de harmonisatie van de kredietwaardigheidsbeoordeling op Europees niveau. Het risico is anders namelijk niet ondenkbeeldig dat armere consumenten zich met grensoverschrijdend consumentenkrediet te diep in de schulden gaan steken. Het steunt daarom geharmoniseerde minimumcriteria voor kredietwaardigheidsbeoordelingen met opneming van de bestaande uniforme normen ter zake (Richtlijn 2008/48/EG (16) en Richtlijn 2014/17/EU (17)). Er dient er wel voor te worden gezorgd dat dit geen afbreuk doet aan de nieuwe, algoritmisch gebaseerde kredietscoremodellen (credit Tech) van Bazel III.

4.12.   (Actie 7)

Het EESC steunt de inspanningen van de Commissie om manieren te vinden om buitensporige schulden van consumenten te voorkomen. Financiële en permanente educatie, in combinatie met regels voor verantwoorde kredietverstrekking en wetgeving betreffende insolventie (18), moeten daarom een centraal aandachtspunt worden. Ter bevordering van een meer ambitieuze en geharmoniseerde financiële „opvoeding”, beveelt het EESC aan dat de Commissie financiële educatie als een extra vaardigheid invoert bij de lopende herziening van het Europees kader van sleutelcompetenties. De sociale partners hebben een bijzondere verantwoordelijkheid in dit verband.

4.13.

Ook is het essentieel dat de Commissie goed kijkt naar „snel” consumentenkrediet. Dat is vaak ondoorzichtig, omvat allerlei oneerlijke clausules en gaat gepaard met misleidende marketingpraktijken die worden ondersteund door reclame in de belangrijkste media (geschreven pers, radio en televisie). In dit verband roept het EESC de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten ertoe op om adequaat toezicht uit te oefenen op het marktgedrag van de ondernemingen in kwestie en zulks in nauwe samenwerking met consumentenorganisaties.

Brussel, 20 september 2017.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Georges DASSIS


(1)  PB L 257 van 28.8.2014, blz. 214.

(2)  PB L 60 van 28.2.2014, blz. 34.

(3)  PB L 26 van 2.2.2016, blz. 19.

(4)  COM(2015) 468 final, EESC-advies (PB C 133 van 14.4.2016, blz. 17).

(5)  COM(1999) 624 final.

(6)  COM(2016) 176 final.

(7)  COM(2015) 630 final.

(8)  Groenboek over financiële diensten voor consumenten in de interne markt, COM(2007) 226, punt 10, blz. 7.

(9)  PB C 209 van 30.6.2017, blz. 36.

(10)  PB C 246 van 28.7.2017, blz. 8.

(11)  A8-0056/2017.

(12)  COM(2016) 450 final, EESC-advies (PB C 34 van 2.2.2017, blz. 121).

(13)  PB C 246 van 28.7.2017, blz. 8, paragraaf 1.4.1.

(14)  PB L 266 van 9.10.2009, blz. 11

(15)  PB L 257 van 28.8.2014, blz. 214.

(16)  PB L 133 van 22.5.2008, blz. 66.

(17)  PB L 60 van 28.2.2014, blz. 34.

(18)  PB C 311 van 12.9.2014, blz. 38.


15.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 434/58


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB)

(COM(2016) 683 final — 2016/0336 (CNS))

en over het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting

(COM(2016) 685 final — 2016/0337 (CNS))

(2017/C 434/09)

Rapporteur:

Michael McLOUGHLIN

Raadpleging

Raad, 21.11.2016

Rechtsgrondslag

Artikel 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang

Goedkeuring door de afdeling

7.9.2017

Goedkeuring door de voltallige vergadering

20.9.2017

Zitting nr.

528

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

182/2/11

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het EESC steunt de doelstellingen van de Commissievoorstellen op het vlak van de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB).

1.2.

Het pleit ervoor dat alles in het werk wordt gesteld om de CCCTB op basis van consensus in te voeren, rekening houdend met de delicate aard van de materie qua subsidiariteit en nationale soevereiniteit.

1.3.

Het EESC begrijpt waarom de Commissie voor een gefaseerde benadering kiest, maar dringt er met klem op aan dat de tweede fase snel na het bereiken van overeenstemming over een gemeenschappelijke grondslag wordt ingevoerd, omdat ondernemingen de echte voordelen pas na de consolidatie zullen ondervinden. Reeds in de eerste fase zal de bestrijding van agressieve fiscale planning enkele vruchten afwerpen, maar zonder consolidatie kan deze opgave niet tot een goed einde worden gebracht.

1.4.

De Commissie heeft het CCCTB-voorstel opnieuw ingediend om de eengemaakte markt te bevorderen en agressieve fiscale planning te bestrijden door inkomsten daar toe te rekenen waar de waarde wordt gecreëerd. Het EESC dringt er bij de lidstaten op aan dat zij beide fasen afronden, omdat dit een doeltreffende maatregel is om fraude tegen te gaan en de groei te bevorderen.

1.5.

Net als in 2011 pleit het EESC ervoor dat de formule voor toekenning van de CCCTB wordt herzien. De Commissie en de lidstaten zouden moeten nadenken over de vraag of intellectuele eigendom wel van de verdeelsleutel uitgesloten moet worden. Mogelijk is het uit oogpunt van rechtvaardigheid ook nodig om de factor 'omzet op basis van bestemming' aan te passen. Het EESC is bezorgd dat hantering van de omzet op basis van bestemming er in de praktijk toe zal leiden dat veel kleinere exporterende EU-lidstaten aanzienlijke belastbare inkomsten zullen zien verdwijnen naar grotere consumerende lidstaten. Doel van het voorstel zou moeten zijn tot een billijke formule te komen en stelselmatig onevenwichtige gevolgen te voorkomen.

1.6.

Het EESC maant om bij de voorstellen inzake afschrijving behoedzaam te werk te gaan, zodat deze de realiteit van ondernemingen weerspiegelen. De afschrijvingsmogelijkheden zijn wellicht te beperkt voor bepaalde klassen van activa die razendsnel verouderen vanwege het tempo waarin technologische veranderingen elkaar opvolgen.

1.7.

Het EESC is verheugd dat het belang van de fiscale behandeling van financiering met eigen vermogen bij bedrijfsinvesteringen wordt onderkend met het voorstel om schuldfinanciering en financiering met eigen vermogen op gelijke voet te behandelen. Het mag echter niet zo zijn dat ondernemingen die in economisch zwaar weer verkeren daardoor met grotere fiscale lasten te maken krijgen.

1.8.

Het EESC beveelt aan dat de voorstellen een billijk evenwicht tussen de lidstaten opleveren en dat daarom uitvoerig per lidstaat wordt bekeken wat de gevolgen ervan zijn voor de aantrekkelijkheid van het investeringsklimaat en voor het scheppen en behouden van banen. Het benadrukt dat lidstaten relevante informatie moeten verstrekken om dit mogelijk te maken.

1.9.

Het EESC beveelt aan dat de CCCTB-voorstellen waar mogelijk de complexiteit verminderen, zeker omdat het de bedoeling is dat de voorstellen zekerheid verschaffen en de situatie eenvoudiger maken. Dit is met name belangrijk bij de behandeling van immateriële activa op de bedrijfsbalansen.

1.10.

Het EESC dringt er bij de Commissie op aan de noodzakelijke flexibiliteit te bieden en te waarborgen dat staten en ondernemingen bij machte zijn om in te spelen op veranderende economische omstandigheden in eigen land of op mondiaal niveau, waarbij wel de procedures van de EU en de samenwerking binnen de EU gerespecteerd moeten worden.

1.11.

De noodzakelijke unanimiteit voor de CCCTB zou beter en gemakkelijker bereikt kunnen worden indien aan een aantal belangrijke bezwaren, die in dit advies worden uiteengezet, tegemoetgekomen zou worden.

2.   Commissievoorstel

2.1.

Het opnieuw ingediende CCCTB-voorstel voorziet in één set regels om de belastbare winsten van ondernemingen in de EU te berekenen, teneinde een krachtige bijdrage aan de groei, het concurrentievermogen en de eerlijkheid op de eengemaakte markt te leveren. Met de CCCTB zouden grensoverschrijdende ondernemingen niet langer onder verschillende nationale regels voor berekening van hun belastbare inkomsten vallen, maar onder een en hetzelfde EU-systeem. Ondernemingen zouden één belastingaangifte voor al hun EU-activiteiten doen en verliezen in de ene lidstaat verrekenen met winsten in de andere. Intragroepstransacties zouden niet langer op het niveau van de entiteit worden belast, waardoor problemen rond verrekenprijzen op het vlak van de CCCTB zich niet meer zouden voordoen. De geconsolideerde belastbare winsten zouden volgens een bepaalde formule worden toegekend aan de lidstaten waarin de groep actief is. Iedere lidstaat zou het hem toegekende aandeel in de winsten vervolgens tegen zijn eigen vennootschapsbelastingtarief belasten.

2.2.

Er zijn ook nieuwe bepalingen ten opzichte van het voorstel van 2011: 1) de regels voor geconsolideerde groepen met een jaaromzet van meer dan 750 miljoen EUR zouden volgens de voorstellen van 2016 verplicht in plaats van facultatief worden; 2) er worden regels voorgesteld om ondernemingen aan te sporen investeringen met eigen vermogen te financieren, om de bevoordeling van schuldfinanciering tegen te gaan; 3) er wordt een extra grote aftrek toegekend voor onderzoek en ontwikkeling (O&O). Bovendien voorziet het CCTB-voorstel in een mechanisme voor grensoverschrijdend verminderen en inhalen van verliezen, dat tijdelijk van kracht zal zijn totdat de consolidatie wordt ingevoerd. Nadat er politieke overeenstemming over de voorstellen voor de gemeenschappelijke grondslag is bereikt, zal worden overgegaan tot de tweede fase van de voorstellen. Tot die tijd zal de tweede fase ter behandeling bij de Raad blijven.

2.3.

Het onderhavige Commissievoorstel bestaat uit twee afzonderlijke richtlijnvoorstellen: een voorstel voor een 'gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting' (CCTB) en een voorstel voor een 'gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting' (CCCTB). Dat deze in 2016 als afzonderlijke voorstellen zijn ingediend is een essentieel verschil met 2011. De Commissie stelt nu een gefaseerde aanpak voor: eerst de CCTB en later de CCCTB.

2.4.

De Commissie heeft het CCCTB-voorstel ook opnieuw ingediend om agressieve fiscale planning te bestrijden en de eengemaakte markt te bevorderen, waarbij zij erkent dat het voorstel „waarschijnlijk niet in zijn geheel, zonder een gefaseerde aanpak, […] goedgekeurd [zal] geraken”. De Commissie benadrukt wel dat consolidatie een integraal onderdeel van de voorstellen uitmaakt. De verplichte invoering van de CCCTB voor ondernemingen met een omzet van meer dan 750 miljoen EUR maakt deel uit van de strategie om de groeivooruitzichten te verbeteren en agressieve fiscale planning te bestrijden. Volgens de Commissie zijn de voorstellen over het geheel genomen aantrekkelijker voor bedrijven, zowel uit oogpunt van naleving en complexiteit als door de fiscale aftrekmogelijkheden die eigen vermogen bevorderen ten opzichte van vreemd vermogen. De mogelijkheid om verliezen in de ene lidstaat te verrekenen met winsten in de andere wordt door de Commissie eveneens als een voordeel van de voorstellen beschouwd.

2.5.

De Commissie stelt dat het huidige internationale vennootschapsbelastingstelsel „de voeling met de hedendaagse werkelijkheid” verloren heeft. Wanneer nationale voorschriften worden opgesteld zonder rekening te houden met internationale kwesties kunnen volgens de Commissie incongruenties ontstaan. Terwijl de regels in de onderhavige voorstellen verplicht worden voor grotere groepen, kunnen entiteiten die wel onder het vennootschapsbelastingstelsel in de EU vallen maar niet boven de minimumomzet van 750 miljoen EUR uit komen, zelf voor toepassing van de regels kiezen. De Commissie meent dat inkomsten met de onderhavige voorstellen worden toegerekend aan de plaats waar de waarde wordt gecreëerd.

2.6.

De Commissie erkent dat de voorstellen ambitieus zijn en daarom gefaseerd ingevoerd moeten worden. Zij stelt dat moeilijke debatten over de consolidatie kunnen leiden tot vertraging op andere belangrijke gebieden waarop wellicht een grotere mate van consensus bestaat. Dit neemt niet weg dat zij de twee voorstellen als onderdeel van één en hetzelfde initiatief indient. De Commissie verklaart tevens dat consolidatie een essentieel onderdeel van het initiatief blijft en dat grote fiscale obstakels waarmee de betrokken groepen worden geconfronteerd, alleen door middel van consolidatie aangepakt kunnen worden.

3.   De voordelen van het voorstel

3.1.

De voorstellen houden aanzienlijke voordelen in voor burgers en bedrijven. Voor grotere ondernemingen die in andere EU-lidstaten handel drijven zullen de nalevingskosten lager uitvallen en zal de situatie minder complex worden. Hetzelfde geldt voor ondernemingen die zelf voor toepassing van de regels kiezen. De voorstellen zijn ook van essentieel belang om de totstandbrenging van de eengemaakte markt en een gelijk speelveld dichterbij te brengen. De CCCTB kan, indien voor een goede opzet wordt gezorgd, een doorslaggevende rol vervullen bij de bestrijding van agressieve fiscale planning en het vertrouwen van de burger in het belastingstelsel herstellen. Met een gemeenschappelijke aanpak van de belastinggrondslag zullen alle EU-lidstaten een vergelijkbare benadering volgen en — hetgeen van cruciaal belang is — dezelfde zaken meetellen en dezelfde aftrekposten toestaan. Momenteel kunnen multinationals dusdanig gebruik maken van de uiteenlopende belastinggrondslagen en -tarieven in verschillende lidstaten en soms offshore-entiteiten dat hun effectieve belastingtarieven zeer laag uitvallen. De CCCTB moet dit een halt toeroepen.

3.2.

Door agressieve fiscale planning van bedrijven worden belastinginkomsten misgelopen. Burgers in de EU maken zich grote zorgen over de omvang van deze fiscale planning. De EU heeft een groot aantal maatregelen, waaronder het actieplan, getroffen om de kwestie het hoofd te bieden. Een van de doelstellingen van de CCCTB is na te gaan hoe men op de ingeslagen weg kan doorgaan om een effectieve heffing van de vennootschapsbelasting in de hele EU te waarborgen.

3.3.

Met de invoering van de CCCTB zal de toepassing van verrekenprijzen binnen de EU fors afnemen, waardoor praktijken die tot agressieve fiscale planning leiden bestreden zullen worden. Er wordt bijvoorbeeld vaak gebruik gemaakt van activa zoals intellectueel eigendom omdat het moeilijk is hieraan een waarde toe te kennen of omdat de waarde ervan door de onderneming zelf als 'marktconforme prijs' wordt bepaald. Vaak worden deze activa binnen de onderneming verhandeld.

3.4.

De CCCTB kan agressieve fiscale planning tegengaan doordat wordt vastgesteld waar de echte economische activiteit plaatsvindt. Het is mogelijk dat ondernemingen in een bepaalde lidstaat werknemers in dienst hebben en/of belangrijke activa bezitten, maar in dat land niet of nauwelijks winst maken. Ondernemingen met vestigingen in meerdere lidstaten kunnen hun activiteiten dusdanig opzetten dat het gros van hun winst in de EU terechtkomt in een Europese hoofdvestiging in een rechtsgebied met de laagste tarieven en/of de beste aftrekmogelijkheden. In combinatie met de toepassing van verrekenprijzen voor immateriële activa kan dit leiden tot extreem lage effectieve vennootschapsbelastingtarieven voor multinationals die in vele rechtsgebieden enorme omzetten behalen. De CCCTB kan hier iets aan doen. Aan de hand van de voorgestelde formule, met omzet, arbeid en activa als belangrijkste componenten, moet worden vastgesteld waar de economische activiteit plaatsvindt. Ook de nationale belastingdiensten komt daarbij een rol toe.

3.5.

Eenmaal goedgekeurd zou de CCCTB het concurrentievermogen van alle ondernemingen in aanmerking moeten nemen. Bij het voorstel zou rekening gehouden moeten worden met de verschillende problemen voor zowel kleine, middelgrote als grote ondernemingen.

4.   Algemene opmerkingen

4.1.

Het EESC is verheugd over het voorstel voor een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting en een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting als middel om de eengemaakte markt te versterken door de belastingbetaling door grotere ondernemingen te vereenvoudigen en als middel om agressieve fiscale planning tegen te gaan. Sinds 2011 is de algemene economische en politieke context op Europees en mondiaal niveau ingrijpend veranderd. Met het vorige CCCTB-voorstel is geen noemenswaardige vooruitgang geboekt. Het EESC hoopt dat de nieuwe voorstellen, waarin rekening wordt gehouden met mondiale ontwikkelingen, meer succes zullen opleveren.

4.2.

Bij de verdere discussie over de CCCTB is het belangrijk dat consolidatie het hoofddoel blijft. Het voorstel zou er ook bij gebaat zijn als het — waar mogelijk –minder ingewikkeld zou zijn. Het EESC moedigt de Commissie aan om een zo groot mogelijke consensus over beide aspecten van het voorstel na te streven.

4.3.   Het systeem voor toekenning van de CCCTB

4.3.1.

De verdeelsleutel voor toekenning van de CCCTB werpt een aantal kwesties op. Zorgwekkend genoeg is niet getracht om op zinnige wijze vast te stellen of te verklaren hoe de algemene formule voor de verdeling van belastbare winsten over de lidstaten (een derde activa, een derde arbeid en een derde omzet op basis van bestemming) de economische realiteit van de onderneming adequaat weergeeft. Het onderhavige voorstel kan leiden tot aanzienlijke veranderingen in de plaats waar winsten fiscaal worden toegerekend, hetgeen ingrijpende, nog onbekende gevolgen voor ondernemingen en lidstaten zal hebben. Aangezien belastinginkomsten een fundamenteel onderdeel van het economisch bestuur uitmaken, heeft dit mogelijk ernstige gevolgen. Doel van het voorstel zou moeten zijn tot een billijke formule te komen en stelselmatig onevenwichtige gevolgen te voorkomen.

4.3.2.

De focus ligt op zaken als fabrieken, machines en personeelsbezetting, en hoewel deze relevant zijn, omvat de hedendaagse industrie veel meer. In de strategie voor een digitale eengemaakte markt wordt bijvoorbeeld nadruk gelegd op het belang van intellectuele eigendom. Evenzo kunnen ontwikkelingen rond de kapitaalmarktenunie de aandacht richten op financiële activa.

4.3.3.

De bezorgdheid van het EESC wordt vooral ingegeven door het volgende:

1.

Het voorstel om intellectuele eigendom niet in de berekening van de activa op te nemen. Intellectuele eigendom is een economische factor die gemakkelijk verschoven kan worden om de winstberekening te beïnvloeden. Het EESC erkent dat intellectuele eigendom moeilijk te beoordelen is en daarom niet in het Commissievoorstel is opgenomen en roept de lidstaten op na te gaan hoe dit belangrijke punt het best aangepakt kan worden. Een en ander is vooral relevant omdat intellectuele eigendom een belangrijke motor van economische waardeschepping is en steeds meer de richting bepaalt waarin moderne economieën zich begeven. De voorgestelde oplossing is ook niet in overeenstemming met de nadruk die de Commissie blijft leggen op de digitale eengemaakte markt.

2.

Het voorstel om de omzet op basis van bestemming in de berekening op te nemen. Het EESC is bezorgd dat hantering van de omzet op basis van bestemming er in de praktijk toe zal leiden dat veel kleinere exporterende EU-lidstaten aanzienlijke belastbare inkomsten zullen zien verdwijnen naar grotere consumerende lidstaten. Welke economische en sociale gevolgen dit zal hebben, is onbekend. Het omzetvoorstel zou er dan ook bij gebaat zijn als de gevolgen ervan gekwantificeerd werden; zo nodig zou deze factor opnieuw overwogen moeten worden.

3.

Invoering in de hele EU van een compleet systeem voor de berekening en consolidatie van vennootschapsbelasting zou een ingrijpende wijziging van het ondernemingsklimaat in de EU inhouden en kan de eengemaakte markt een impuls geven. Een zorgvuldige analyse en nationale effectbeoordelingen zijn dan ook geboden. De internationale financiële en boekhoudnormen vormen een pakket regels dat voor alle grote internationale ondernemingen van groot belang is. Iedere afwijking hiervan in het planningsproces zou ondernemingen eerder met extra lasten opzadelen dan besparingen opleveren. Aangezien de formule voor toekenning van de CCCTB door de Commissie uitsluitend met dit specifieke oogmerk is opgesteld, is de verdeelsleutel op het eerste gezicht in strijd met een aantal internationale boekhoudnormen.

4.

Omdat het vooral op belastinggebied van cruciaal belang is dat begrippen op heldere en consistente wijze worden gebruikt, beveelt het EESC aan dat alle belangrijke elementen en met name de definities in de richtlijn aan bod komen.

4.4.   Schuldfinanciering versus financiering met eigen vermogen

4.4.1.

In de Commissievoorstellen wordt grote nadruk gelegd op de fiscale behandeling van vreemd versus eigen vermogen bij de financiering van bedrijven. Als algemeen onderdeel van het industriebeleid is de bevordering van eigen vermogen zinvol: ondernemingsrisico's worden gediversifieerd en er zijn veel minder volatiliteitsaspecten in de planning.

4.4.2.

Het is volgens het EESC met name zorgwekkend dat de gekozen benadering procyclisch kan uitpakken: indien bedrijven in slechte tijden hun eigen vermogen zien dalen of bij gebrek aan alternatieven meer vreemd kapitaal aantrekken, zouden hun belastbare inkomsten stijgen, waardoor zij in nog zwaarder weer terecht zouden komen. Dit zou zijn weerslag hebben op de werkgelegenheid en de groei. Het EESC acht het dan ook noodzakelijk dat er nog eens goed wordt nagedacht over de gekozen aanpak.

5.   Specifieke opmerkingen

5.1.

De voorstellen van de Commissie zijn volgens haar sterk gericht op ondersteuning van het bedrijfsleven en invoering van een betere regeling waardoor het voor ondernemingen gemakkelijker wordt om de regels na te leven en zaken te doen. Maar bevordering van de eengemaakte markt en de behoeften van bedrijven mogen dan wel voorop staan in de EU, dit neemt niet weg dat de Unie in feite door haar lidstaten is opgericht om hun belangen te dienen. De Commissie dient ten minste een systematische evaluatie uit te voeren van de gevolgen voor elke lidstaat van de voorgestelde wijzigingen in de belastingontvangsten, investeringen en werkgelegenheid, uitgaande van de analyses van internationale databanken en gegevens van de lidstaten. Het EESC dringt er bij de lidstaten op aan om de Commissie toegang tot alle relevante gegevens te verlenen en stelt voor dat voor beide fasen van de invoering van de CCCTB effectbeoordelingen worden uitgevoerd.

5.2.

Hoewel het afschaffen van verrekenprijzen een centrale plaats inneemt binnen de voorstellen, is duidelijk dat groepen die zowel binnen als buiten de EU actief zijn verrekenprijzen zullen blijven hanteren. Het is dus onvermijdelijk dat voor veel bedrijven onderscheiden en afzonderlijke regelingen zullen gelden. Er moet dan ook aandacht naar de opzet van groepen binnen en buiten de EU en naar gemengde structuren uitgaan. Ontwijkingsmogelijkheden zullen mogelijk verschuiven van de belastinggrondslag of huidige hybride mismatches naar ondernemingsstructuren en groepen.

5.3.

Het EESC dringt erop aan dat de discussie over de CCCTB, wanneer deze eenmaal is goedgekeurd, volgens de Europese procedures verloopt. Weliswaar moet het beleid enigszins flexibel zijn ten aanzien van veranderende omstandigheden, maar ook moet er een mechanisme worden opgezet om het beleid aan de economische situatie te kunnen aanpassen.

5.4.

Het EESC is zeer te spreken over de voorgestelde maatregelen op het gebied van onderzoek en ontwikkeling. Een extra grote aftrek op dit gebied zal de activiteiten natuurlijk aanzienlijk stimuleren en het concurrentievermogen ten goede komen. Het is belangrijk dat deze maatregelen in context worden geplaatst door ze te vergelijken met de — sterk uiteenlopende — faciliteiten die de lidstaten reeds bieden. Hoewel de aftrek voor groei en investeringen belangrijk is, is het ook essentieel dat deze nieuwe stimulans, en zeker de extra grote aftrek voor O&O, straks niet wordt aangegrepen als nieuwe manier om belasting te ontduiken.

5.5.

De Commissie moet er rekening mee houden dat tussen de hoofdbelastingautoriteit en andere belastingautoriteiten waarschijnlijk conflicten zullen ontstaan. Het is zeker denkbaar dat er conflicten over het belasten van dochterondernemingen binnen een groep en de toekenning van winst ontstaan, die net zoveel tijd kosten als er met het afschaffen van verrekenprijzen wordt gewonnen.

5.6.

Er moet worden verduidelijkt hoe nationale belastingdiensten audits in een dochteronderneming binnen een groep kunnen laten uitvoeren.

5.7.

Het kan zijn dat de bepalingen inzake afschrijvingstermijnen niet aansluiten bij sommige bedrijfspraktijken; enige flexibiliteit zou hierbij op zijn plaats zijn. Veel bedrijven vervangen hun uitrusting (bijv. bedrijfscomputers) ieder jaar of om de twee jaar om veroudering voor te blijven — deze tijdspanne zal de komende jaren bij een aantal activaklassen alleen maar korter worden gezien het tempo waarin de technologische ontwikkelingen elkaar opvolgen.

5.8.

Het blijft belangrijk om belastingontwijking in de vorm van arbitrage op basis van verschillende boekhoudkundige regelingen tegen te gaan, aangezien dergelijke praktijken nog kunnen voorkomen voordat de consolidatie wordt doorgevoerd.

5.9.

De voorstellen bieden multinationals ook de mogelijkheid om intermediaire entiteiten buiten de EU, met inbegrip van intermediaire entiteiten in belastingparadijzen, uit te sluiten. Deze kwestie moet dan worden aangepakt met andere methoden, zoals regels voor verrekenprijzen en voor gecontroleerde buitenlandse vennootschappen en een algemeen beginsel ter bestrijding van belastingontwijking.

Brussel, 20 september 2017.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Georges DASSIS


15.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 434/63


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 wat betreft de clearingverplichting, de opschorting van de clearingverplichting, de rapportagevereisten, de risicolimiteringstechnieken voor otc-derivatencontracten die niet door een centrale tegenpartij worden gecleard, de registratie van en het toezicht op transactieregisters en de vereisten voor transactieregisters

(COM(2017) 208 final — 2017/090 (COD))

en over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1095/2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 wat betreft de procedures en betrokken autoriteiten voor de autorisatie van ctp's en de vereisten voor de erkenning van ctp's uit derde landen

(COM(2017) 331 final — 2017/0136 (COD))

(2017/C 434/10)

Rapporteur:

Petru Sorin DANDEA

Raadpleging

Europees Parlement, COM(2017) 208 final — 31.5.2017; COM(2017) 331 final — 11.9.2017

Raad van de Europese Unie, COM(2017) 208 final — 6.6.2017; COM(2017) 331 final — 22.8.2017

Rechtgrondslag

Artikelen 114 en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

 

 

Bevoegde afdeling

Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang

Goedkeuring door de afdeling

7.9.2017

Goedkeuring door de voltallige vergadering

20.9.2017

Zitting nr.

528

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

145/0/2

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het EESC is ingenomen met dit initiatief, dat twee voorstellen voor verordeningen omvat, en verzoekt de Commissie vaart te zetten achter de volledige uitvoering van de Europese marktinfrastructuurverordening (EMIR).

1.2.

Het vindt het een zeer goede zaak dat het huidige Commissievoorstel een uitvloeisel vormt van de voorstellen uit het Refit-programma en dat het is opgesteld na een brede openbare raadpleging, waardoor alle belanghebbenden zijn geraadpleegd. Dit heeft geresulteerd in een voorstel om de regels beter en eenvoudiger te maken zonder de financiële stabiliteit op de helling te zetten.

1.3.

Het EESC vindt het belangrijk dat de door de Commissie ingediende voorstellen in overeenstemming zijn met het actieplan voor de kapitaalmarktenunie en vooral met de bepalingen daaruit over securitisatie.

1.4.

Aangezien de nominale waarde van otc-derivaten wereldwijd meer dan 544 biljoen EUR bedraagt, meent het EESC dat het initiatief van de Commissie gerechtvaardigd is en is het verheugd dat de EMIR nog steeds op haar oorspronkelijke doel is gericht.

1.5.

Het EESC beveelt aan om de soorten derivatentransacties en -instrumenten te standaardiseren, want dit zou de kwaliteit van de gegevens aanzienlijk ten goede kunnen komen.

1.6.

Het EESC stemt in met het voorstel van de Commissie om een clearingdrempel in te voeren voor kleine tegenpartijen, omdat zij moeilijk toegang krijgen tot clearing.

1.7.

Het EESC steunt het voorstel van de Commissie tot verlenging van de periode waarin pensioenfondsen zijn vrijgesteld van de verplichting inzake centrale clearing, aangezien er tot dusverre geen oplossing is gevonden om deze fondsen de beschikking over de nodige liquide middelen te geven zonder de belangen van hun leden aan te tasten.

1.8.

Ook het voorstel van de Commissie om binnen de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) een nieuw mechanisme voor toezicht op te richten, wordt door het EESC toegejuicht. Het EESC beveelt de Commissie aan de nodige financiële middelen uit te trekken voor de opleiding van personeel dat bij de nieuwe afdeling van de ESMA gaat werken, waarbij de complexiteit van de uit te voeren toezichttaken in aanmerking dient te worden genomen.

2.   Het voorstel van de Europese Commissie

2.1.

De Commissie heeft in mei en juni twee voorstellen ingediend voor verordeningen (1) tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 wat betreft de clearingverplichting, de opschorting van de clearingverplichting, de rapportagevereisten, de risicolimiteringstechnieken voor otc-derivatencontracten die niet door een centrale tegenpartij worden gecleard, de registratie van en het toezicht op transactieregisters en de vereisten voor transactieregisters (EMIR).

2.2.

Beide voorstellen gingen vergezeld van werkdocumenten van de Commissie en effectbeoordelingen.

2.3.

In het eerste voorstel voor een verordening stelt de Commissie eenvoudigere en efficiëntere regels voor derivaten voor. Het is haar bedoeling een aantal grote en nieuwe uitdagingen op het gebied van de clearing van otc-derivaten aan te pakken. In het voorstel komen vier punten aan de orde: rapportagevereisten, niet-financiële tegenpartijen, financiële tegenpartijen en pensioenfondsen.

2.4.

In het tweede verordeningsvoorstel pleit de Commissie voor een aangescherpt toezicht op de centrale tegenpartijen wat de derivatenmarkt betreft. Het voorstel is erop gericht om de financiële stabiliteit van de EU verder te verbeteren door binnen de Europese Autoriteit voor effecten en markten een nieuw mechanisme voor toezicht op de derivatenmarkt in te voeren.

3.   Algemene en specifieke opmerkingen

3.1.

De wijziging van de EMIR past in het kader van het streven van de Commissie naar betere regels inzake derivaten. De afgelopen jaren is een aantal bepalingen van de verordening uitgevoerd via gedelegeerde handelingen, richtlijnen en verordeningen. Het EESC is ingenomen met dit initiatief en verzoekt de Commissie vaart te zetten achter de volledige uitvoering van de EMIR.

3.2.

Het EESC vindt het een zeer goede zaak dat het huidige Commissievoorstel een uitvloeisel vormt van de voorstellen uit het Refit-programma en dat het is opgesteld na een brede openbare raadpleging, waardoor alle belanghebbenden zijn geraadpleegd. Dit heeft geresulteerd in een voorstel om de regels beter en eenvoudiger te maken zonder de financiële stabiliteit op de helling te zetten.

3.3.

Het EESC vindt het belangrijk dat de door de Commissie ingediende voorstellen in overeenstemming zijn met het actieplan voor de kapitaalmarktenunie en vooral met de bepalingen daaruit over securitisatie.

3.4.

Het initiatief van de Commissie druist niet in tegen de belangrijkste doelstelling van de EMIR, nl. toezicht houden op otc-derivaten om systeemrisico's te beperken en ervoor te zorgen dat dit soort — met name speculatieve — instrumenten in omvang minder wordt gebruikt. Aangezien de nominale waarde van otc-derivaten wereldwijd meer dan 544 biljoen EUR bedraagt, meent het Comité dat het initiatief van de Commissie gerechtvaardigd is.

3.5.

Dankzij de door de Commissie voorgestelde wijziging van de rapportagevereisten zal de administratieve rompslomp verminderen en zal de rapportageprocedure voor de meeste tegenpartijen eenvoudiger worden. Ook zal volgens de Commissie de kwaliteit van de gerapporteerde gegevens verbeteren. Het EESC meent dat standaardisatie van de soorten transacties en instrumenten de kwaliteit van de gegevens aanzienlijk zou kunnen verbeteren.

3.6.

De Commissie stelt voor een clearingdrempel in te voeren voor kleine tegenpartijen. Het voorstel is gunstig voor dergelijke kleine instellingen, zoals kleine banken of investeringsfondsen, aangezien zij moeilijk toegang krijgen tot clearing. Het Comité onderschrijft het voorstel van de Commissie.

3.7.

De Commissie stelt een verlenging voor van de periode waarin pensioenfondsen zijn vrijgesteld van de verplichting inzake centrale clearing voor hun otc-derivatenportefeuilles. Aangezien pensioenfondsen niet beschikken over de nodige liquide middelen voor centrale clearing en zij een cruciale rol spelen in het veiligstellen van het inkomen van ouderen, schaart het Comité zich achter het Commissievoorstel.

3.8.

In het tweede voorstel voor een verordening worden nieuwe regels en verantwoordelijkheden ingevoerd met betrekking tot het toezicht op de centrale tegenpartijen binnen en buiten de EU. Met het voorstel wordt een versterkt kader voor samenwerking tussen centrale banken en toezichthoudende autoriteiten ingevoerd. Het EESC verwelkomt het voorstel van de Commissie.

3.9.

Met de voorgestelde verordening wordt binnen de ESMA een nieuw mechanisme voor toezicht opgericht, dat toezichthoudende bevoegdheden krijgt ten aanzien van centrale tegenpartijen uit de EU én uit derde landen. Het is de bedoeling van de Commissie het toezicht op centrale tegenpartijen van derde landen te verscherpen, met name de partijen die een belangrijke rol spelen in clearingactiviteiten binnen de EU. Het EESC beveelt de Commissie aan de nodige financiële middelen uit te trekken voor de opleiding van personeel dat bij de nieuwe afdeling van de ESMA gaat werken, waarbij de complexiteit van de uit te voeren toezichttaken in aanmerking dient te worden genomen.

3.10.

Aangezien otc-derivaten problemen kunnen opleveren met het spaargeld van de burgers, en gezien het systeemrisico, herhaalt het EESC zijn pleidooi (2) voor programma's voor financiële educatie. De Commissie zou dergelijke programma’s voor kleine beleggers kunnen financieren.

Brussel, 20 september 2017.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Georges DASSIS


(1)  COM(2017) 208 final — Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 wat betreft de clearingverplichting, de opschorting van de clearingverplichting, de rapportagevereisten, de risicolimiteringstechnieken voor otc-derivatencontracten die niet door een centrale tegenpartij worden gecleard, de registratie van en het toezicht op transactieregisters en de vereisten voor transactieregisters, en COM(2017) 331 final — Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1095/2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 wat betreft de procedures en betrokken autoriteiten voor de autorisatie van ctp's en de vereisten voor de erkenning van ctp's uit derde landen.

(2)  Zie paragraaf 4.7 van het EESC-advies „Markten in financiële instrumenten” (PB C 143 van 22.5.2012, blz. 74).