ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 22

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

60e jaargang
23 januari 2017


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie van de Europese Unie

2017/C 22/01

Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

1


 

V   Bekendmakingen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2017/C 22/02

Zaak C-497/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Nejvyšší soud České republiky (Tsjechische Republiek) op 16 september 2016 — Strafzaak tegen Juraj Sokáč

2

2017/C 22/03

Zaak C-499/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Naczelny Sąd Administracyjny (Polen) op 16 september 2016 — AZ, Minister Finansów

2

2017/C 22/04

Zaak C-500/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Naczelny Sąd Administracyjny (Polen) op 16 september 2016 — Caterpillar Financial Services sp. z o.o., Dyrektor Izby Skarbowej w Warszawie

3

2017/C 22/05

Zaak C-509/16 P: Hogere voorziening ingesteld op 26 september 2016 door Francisco Javier Rosa Rodriguez tegen de beschikking van het Gerecht (Vijfde kamer) van 20 juli 2016 in zaak T-358/16, Rosa Rodriguez/Consejería de Educación de la Junta de Andalucía

3

2017/C 22/06

Zaak C-517/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Apelacyjny w Gdańsku (Polen) op 4 oktober 2016 — Stefan Czerwiński/Zakład Ubezpieczeń Społecznych Oddział w Gdańsku

4

2017/C 22/07

Zaak C-523/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunale Amministrativo Regionale per il Lazio (Italië) op 12 oktober 2016 — MA.T.I. SUD SpA/Società Centostazioni SpA

4

2017/C 22/08

Zaak C-533/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Najvyšší súd Slovenskej republiky (Slowakije) op 20 oktober 2016 — Volkswagen AG/Finančné riaditeľstvo SR

5

2017/C 22/09

Zaak C-534/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Najvyšší súd Slovenskej republiky (Slowakije) op 20 oktober 2016 — Finančné riaditeľstvo Slovenskej republiky/BB construct s.r.o.

6

2017/C 22/10

Zaak C-536/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunale Amministrativo Regionale per il Lazio (Italië) op 24 oktober 2016 — DUEMMESGR SpA/Associazione Cassa Nazionale di Previdenza e Assistenza in favore dei Ragionieri e Periti Commerciali (CNPR)

7

2017/C 22/11

Zaak C-537/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte suprema di cassazione (Italië) op 24 oktober 2016 — Garlsson Real Estate SA, in vereffening, e.a./Commissione Nazionale per le Società e la Borsa (Consob)

7

2017/C 22/12

Zaak C-546/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Órgano Administrativo de Recursos Contractuales de la Comunidad Autónoma de Euskadi (Spanje) op 28 oktober 2016 — Montte S.L./Musikene

8

2017/C 22/13

Zaak C-547/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Supremo (Spanje) op 28 oktober 2016 — Gasorba, S.L., Josefa Rico Gil en Antonio Ferrándiz González/Repsol Comercial de Productos Petrolíferos S.A.

9

2017/C 22/14

Zaak C-552/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Аdministrativen sad Sofia-grad (Bulgarije) op 2 november 2016 — WIND INNOVATION 1 EOOD, in liquidatie/Direktor na Direktsia Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika — Sofia

9

2017/C 22/15

Zaak C-553/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varhoven administrativen sad (Bulgarije) op 2 november 2016 — TTL EOOD/Direktor na Direktsia Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika — Sofia

10

2017/C 22/16

Zaak C-557/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Korkein hallinto-oikeus (Finland) op 4 november 2016 — Astellas Pharma GmbH

11

2017/C 22/17

Zaak C-560/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Nejvyšší soud České republiky (Tsjechië) op 4 november 2016 — Michael Dědouch e.a./Jihočeská plynárenská, a.s., E.ON Czech Holding AG

12

2017/C 22/18

Zaak C-561/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Supremo (Spanje) op 7 november 2016 — Saras Energía, S.A./Administración del Estado

12

2017/C 22/19

Zaak C-565/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door deEirinodikeio Lerou (Griekenland) op 9 november 2016 — Alessandro Saponaro, Κalliopi-Chloi Xylina

13

2017/C 22/20

Zaak C-567/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de High Court of Justice (Chancery Division) (Verenigd Koninkrijk) op 10 november 2016 — Merck Sharp/Comptroller-General of Patents, Designs and Trade Marks

14

2017/C 22/21

Zaak C-568/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Nürtingen (Duitsland) op 10 september 2016 — Strafzaak tegen Faiz Rasool

15

2017/C 22/22

Zaak C-573/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de High Court of Justice (Chancery Division) (Verenigd Koninkrijk) op 14 november 2016 — Air Berlin plc/Commissioners for Her Majesty’s Revenue & Customs

16

2017/C 22/23

Zaak C-575/16: Beroep ingesteld op 14 november 2016 — Europese Commissie/Tsjechische Republiek

17

2017/C 22/24

Zaak C-578/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Vrhovno sodišče Republike Slovenije (Slovenië) op 17 november 2016 — C. K., H. F. en A. S./Republiek Slovenië

17

 

Gerecht

2017/C 22/25

Zaak T-279/11: Arrest van het Gerecht van 29 november 2016 — T & L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie [Niet-contractuele aansprakelijkheid — Landbouw — Suiker — Buitengewone maatregelen — Voorziening van de markt van de Unie — Verkoopseizoen 2010/2011 — Rechtsregel die ertoe strekt rechten toe te kennen aan particulieren — Voldoende gekwalificeerde schending — Verordening (EG) nr. 1234/2007 — Non-discriminatiebeginsel — Evenredigheid — Gewettigd vertrouwen — Zorgvuldigheidsplicht en beginsel van behoorlijk bestuur]

19

2017/C 22/26

Zaak T-103/12: Arrest van het Gerecht van 29 november 2016 — T & L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie [Niet-contractuele aansprakelijkheid — Landbouw — Suiker — Buitengewone maatregelen — Voorziening van de markt van de Unie — Verkoopseizoen 2011/2012 — Rechtsregel die ertoe strekt rechten toe te kennen aan particulieren — Voldoende gekwalificeerde schending — Verordening (EG) nr. 1234/2007 — Non-discriminatiebeginsel — Evenredigheid — Rechtszekerheid — Gewettigd vertrouwen — Zorgvuldigheidsplicht en beginsel van behoorlijk bestuur]

20

2017/C 22/27

Zaak T-65/14: Arrest van het Gerecht van 30 november 2016 — Bank Refah Kargaran/Raad (Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Beperkende maatregelen ten aanzien van Iran — Bevriezing van tegoeden — Nieuwe plaatsing van verzoeksters naam op de lijst na nietigverklaring door het Gerecht van de oorspronkelijke plaatsing — Onjuiste toepassing van het recht — Onjuiste opvatting van de feiten — Motiveringsplicht — Rechten van de verdediging — Recht op effectieve rechterlijke bescherming — Evenredigheid)

21

2017/C 22/28

Zaak T-89/14: Arrest van het Gerecht van 30 november 2016 — Export Development Bank of Iran/Raad (Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Beperkende maatregelen ten aanzien van Iran — Bevriezing van tegoeden — Nieuwe plaatsing van verzoeksters naam op de lijst na nietigverklaring door het Gerecht van de oorspronkelijke plaatsing — Onjuiste toepassing van het recht — Onjuiste opvatting van de feiten — Motiveringsplicht — Rechten van de verdediging — Recht op effectieve rechterlijke bescherming — Evenredigheid — Gelijke behandeling)

22

2017/C 22/29

Zaak T-720/14: Arrest van het Gerecht van 30 november 2016 — Rotenberg/Raad (Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Beperkende maatregelen met betrekking tot acties die Oekraïne ondermijnen of bedreigen — Bevriezing van tegoeden — Beperkingen inzake de toegang tot het grondgebied van de lidstaten — Natuurlijke persoon die acties die Oekraïne ondermijnen of bedreigen actief steunt of uitvoert — Natuurlijke persoon die profijt heeft van de Russische beleidsmakers die verantwoordelijk zijn voor de annexatie van de Krim — Rechten van de verdediging — Motiveringsplicht — Kennelijke beoordelingsfouten — Eigendomsrecht — Vrijheid van ondernemerschap — Recht op eerbiediging van het privéleven — Evenredigheid)

23

2017/C 22/30

Zaak T-217/15: Arrest van het Gerecht van 30 november 2016 — Fiesta Hotels & Resorts/EUIPO — Residencial Palladium (PALLADIUM PALACE IBIZA RESORT & SPA) [Uniemerk — Nietigheidsprocedure — Uniebeeldmerk PALLADIUM PALACE IBIZA RESORT & SPA — Oudere nationale handelsnaam GRAND HOTEL PALLADIUM — Relatieve weigeringsgrond — In het economisch verkeer gebruikt teken van meer dan alleen plaatselijke betekenis — Artikel 8, lid 4, en artikel 53, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 207/2009]

24

2017/C 22/31

Zaak T-270/15: Arrest van het Gerecht van 29 november 2016 — ANKO/REA [Arbitrageclausule — In het kader van het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013) gesloten subsidieovereenkomst — ESS-project — Overeenstemming met de contractbepalingen van de opschorting jegens verzoekster en voorwaarden voor opheffing van deze betalingsopschorting — Vertragingsrente]

24

2017/C 22/32

Zaak T-458/15: Arrest van het Gerecht van 30 november 2016 — Automobile Club di Brescia/EUIPO — Rebel Media (e-miglia) [Uniemerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor Uniebeeldmerk e-miglia — Oudere Uniewoordmerken MILLE MIGLIA — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009]

25

2017/C 22/33

Zaak T-532/15 P: Arrest van het Gerecht van 1 december 2016 — Z/Hof van Justitie van de Europese Unie (Hogere voorziening — Openbare dienst — Ambtenaren — Beoordelingsrapport — Onpartijdigheid van het Gerecht voor ambtenarenzaken — Verzoek om wraking van leden van een rechtsprekende formatie — Rechten van de verdediging — Recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming)

26

2017/C 22/34

Zaak T-545/15: Arrest van het Gerecht van 29 november 2016 — Pi-Design/EUIPO — Société des produits Nestlé (PRESSO) [Uniemerk — Oppositieprocedure — Internationale inschrijving — Verzoek om territoriale uitstrekking van de bescherming — Woordmerk PRESSO — Ouder nationaal woordmerk PRESSO — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009]

26

2017/C 22/35

Zaak T-561/15: Arrest van het Gerecht van 1 december 2016 — Universidad Internacional de la Rioja/EUIPO — Universidad de la Rioja (UNIVERSIDAD INTERNACIONAL DE LA RIOJA uniR) [Uniemerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor Uniebeeldmerk UNIVERSIDAD INTERNACIONAL DE LA RIOJA uniR — Ouder Uniewoordmerk UNIRIOJA — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009]

27

2017/C 22/36

Zaak T-578/15: Arrest van het Gerecht van 24 november 2016 — Azur Space Solar Power/EUIPO (Afbeelding van witte lijnen en blokken op een zwarte achtergrond) [Uniemerk — Internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Unie — Beeldmerk dat witte lijnen en blokken op een zwarte achtergrond weergeeft — Absolute weigeringsgrond — Geen onderscheidend vermogen — Artikel 7, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009]

28

2017/C 22/37

Zaak T-614/15: Arrest van het Gerecht van 24 november 2016 — Azur Space Solar Power/EUIPO (Afbeelding van zwarte lijnen en blokken) [Uniemerk — Internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Unie — Beeldmerk dat zwarte lijnen en blokken weergeeft — Absolute weigeringsgrond — Geen onderscheidend vermogen — Artikel 7, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009]

28

2017/C 22/38

Zaak T-617/15: Arrest van het Gerecht van 29 november 2016 — Chic Investments/EUIPO (eSMOKING WORLD) [Uniemerk — Aanvraag voor Uniebeeldmerk eSMOKING WORLD — Absolute weigeringsgronden — Beschrijvend karakter — Geen onderscheidend vermogen — Artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening (EG) nr. 207/2009 — Motiveringsplicht]

29

2017/C 22/39

Zaak T-635/15: Arrest van het Gerecht van 6 december 2016 — Tuum/EUIPO — Thun (TUUM) [Uniemerk — Aanvraag voor Uniebeeldmerk TUUM — Ouder nationaal beeldmerk THUN — Relatieve weigeringsgrond — Geen verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009]

29

2017/C 22/40

Zaak T-703/15: Arrest van het Gerecht van 6 december 2016 — Groupe Go Sport/EUIPO — Design Go (GO SPORT) [Uniemerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor Uniewoordmerk GO SPORT — Oudere nationale woordmerken GO — Gedeeltelijke weigering van inschrijving door de oppositieafdeling — Te late indiening van de schriftelijke uiteenzetting van de gronden van het beroep — Niet-ontvankelijkheid van het beroep bij de kamer van beroep — Artikel 60 van verordening (EG) nr. 207/2009 — Regel 49, lid 1, van verordening (EG) nr. 2868/95]

30

2017/C 22/41

Zaak T-735/15: Arrest van het Gerecht van 6 december 2016 — The Art Company B & S/EUIPO — Manifatture Daddato en Laurora (SHOP ART) [Uniemerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor Uniebeeldmerk SHOP ART — Ouder Uniebeeldmerk art — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009]

31

2017/C 22/42

Zaak T-775/15: Arrest van het Gerecht van 1 december 2016 — EK/servicegroup/EUIPO (FERLI) [Uniemerk — Aanvraag voor Uniewoordmerk FERLI — Vereiste van duidelijkheid — Artikel 28 van verordening (EG) nr. 207/2009 — Rechten van verdediging — Artikel 75, tweede zin, van verordening (EG) nr. 207/2009]

31

2017/C 22/43

Zaak T-2/16: Arrest van het Gerecht van 30 november 2016 — K&K Group/EUIPO — Pret A Manger (Europe) (Pret A Diner) [Uniemerk — Oppositieprocedure — Internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Unie — Beeldmerk Pret A Diner — Ouder Uniebeeldmerk PRET A MANGER — Ouder nationaal woordmerk PRET — Relatieve weigeringsgrond — Normaal gebruik van het oudere merk — Artikel 42, leden 2 en 3, van verordening (EG) nr. 207/2009 — Voordeel dat ongerechtvaardigd wordt getrokken uit het onderscheidend vermogen of de reputatie van de oudere merken — Artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009]

32

2017/C 22/44

Zaak T-355/14: Beschikking van het Gerecht van 1 december 2016 — STC/Commissie (Overheidsopdrachten voor werken — Aanbestedingsprocedure — Bouw van een trigeneratiecentrale met een gasturbine en het daarmee samenhangende onderhoud — Afwijzing van de offerte van een inschrijver — Intrekking van de bestreden handeling — Afdoening zonder beslissing)

33

2017/C 22/45

Zaak T-383/14: Beschikking van het Gerecht van 1 december 2016 — Europower/Commissie (Overheidsopdrachten voor werken — Aanbestedingsprocedure — Bouw van een trigeneratiecentrale met een gasturbine en het daarmee samenhangende onderhoud — Afwijzing van de offerte van een inschrijver — Intrekking van de bestreden handeling — Afdoening zonder beslissing)

33

2017/C 22/46

Zaak T-598/15: Beschikking van het Gerecht van 25 november 2016 — Stichting Accolade/Commissie [Staatssteun — Vermeende verkoop van een aantal percelen onder de marktprijs — Klacht van een derde bij de Commissie — Besluit waarbij wordt verklaard dat de litigieuze maatregel geen steun vormt — Procedure van de inleidende fase van het onderzoek naar vermeend onrechtmatige individuele steun op grond van artikel 108, lid 2, VWEU, artikel 10, lid 1, artikel 13, lid 1, en artikel 4, lid 2, van verordening (EG) nr. 659/1999 — Beroep van een derde tot nietigverklaring — Ontvankelijkheid — Procesbevoegdheid — Beroep strekkende tot het doen eerbiedigen van de procedurele rechten — Beroep waarbij de gegrondheid van de litigieuze maatregel wordt betwist — Geen wezenlijke aantasting van de concurrentiepositie — Niet-ontvankelijkheid]

34

2017/C 22/47

Zaak T-128/16: Beschikking van het Gerecht van 28 november 2016 — SureID/EUIPO (SUREID) [Uniemerk — Aanvraag voor Uniewoordmerk SUREID — Absolute weigeringsgrond — Geen onderscheidend vermogen — Artikel 7, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 — Beschrijvend karakter — Artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009 — Beroep dat kennelijk rechtens ongegrond is]

35

2017/C 22/48

Zaak T-147/16: Beschikking van het Gerecht van 28 november 2016 — Italië/Commissie (Niet-uitvoering van een arrest van het Hof houdende vaststelling van niet-nakoming — Dwangsom — Beslissing houdende vaststelling van de dwangsom — Afdoening zonder beslissing)

35

2017/C 22/49

Zaak T-225/16: Beschikking van het Gerecht van 28 november 2016 — Matratzen Concord/EUIPO (Ganz schön ausgeschlafen) [Uniemerk — Aanvraag voor Uniewoordmerk Ganz schön ausgeschlafen — Merk bestaande in een reclameslogan — Absolute weigeringsgrond — Beschrijvend karakter — Artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 207/2009 — Beroep dat kennelijk rechtens ongegrond is]

36

2017/C 22/50

Zaak T-512/16: Beschikking van het Gerecht van 24 november 2016 — ED/EUIPO (Openbare dienst — Tijdelijk functionaris — Telewerk — Verzoek om verlenging — Afwijzing — Beroep — Latere invaliditeitsverklaring — Afdoening zonder beslissing)

36

2017/C 22/51

Zaak T-520/16: Beschikking van het Gerecht van 24 november 2016 — ED/EUIPO (Openbare dienst — Tijdelijk functionaris — Telewerk — Verzoek om verlenging — Afwijzing — Beroep — Latere invaliditeitsverklaring — Afdoening zonder beslissing)

37

2017/C 22/52

Zaak T-690/16: Beroep ingesteld op 28 september 2016 — Enrico Colombo en Giacomo Corinti/Commissie

37

2017/C 22/53

Zaak T-748/16: Beroep ingesteld op 22 oktober 2016 — QH/Parlement

38

2017/C 22/54

Zaak T-783/16: Beroep ingesteld op 9 november 2016 — Government of Gibraltar/Commissie

39

2017/C 22/55

Zaak T-787/16: Beroep ingesteld op 11 november 2016 — QD/EUIPO

40

2017/C 22/56

Zaak T-792/16: Beroep ingesteld op 14 november 2016 — N & C Franchise/EUIPO — Eschenbach Optik (ojo sunglasses)

41

2017/C 22/57

Zaak T-793/16: Beroep ingesteld op 11 november 2016 — Şölen Çikolata Gıda Sanayi ve Ticaret/EUIPO — Zaharieva (Dozen)

41

2017/C 22/58

Zaak T-794/16: Beroep ingesteld op 11 november 2016 — Şölen Çikolata Gıda Sanayi ve Ticaret/EUIPO — Zaharieva (Verpakkingen voor roomijshoorntjes)

42

2017/C 22/59

Zaak T-799/16: Beroep ingesteld op 16 november 2016 — Xiaomi/EUIPO — Dudingen Develops (MI)

43

2017/C 22/60

Zaak T-800/16: Beroep ingesteld op 16 november 2016 — Mayekawa Europe/Commissie

44

2017/C 22/61

Zaak T-802/16: Beroep ingesteld op 8 november 2016 — Endoceutics/EUIPO — Merck (FEMIBION)

45

2017/C 22/62

Zaak T-803/16: Beroep ingesteld op 15 november 2016 — Glaxo Group/EUIPO — Celon Pharma (SALMEX)

46

2017/C 22/63

Zaak T-804/16: Beroep ingesteld op 16 september 2016 — LG Electronics/EUIPO (Dual Edge)

46

2017/C 22/64

Zaak T-805/16: Beroep ingesteld op 16 november 2016 — IPPT PAN/Commissie en REA

47

2017/C 22/65

Zaak T-807/16: Beroep ingesteld op 17 november 2016 — MIP Metro/EUIPO — Afnor (N & NF TRADING)

48

2017/C 22/66

Zaak T-810/16: Beroep ingesteld op 21 november 2016 — Barmenia Krankenversicherung/EUIPO (Mediline)

49

2017/C 22/67

Zaak T-817/16: Beroep ingesteld op 21 november 2016 — Vans/EUIPO — Deichmann (V)

49

2017/C 22/68

Zaak T-822/16: Beroep ingesteld op 21 november 2016 — Kik Textilien und Non-Food/EUIPO — FF Group Romania (_kix)

50

2017/C 22/69

Zaak T-824/16: Beroep ingesteld op 21 november 2016 — Kiosked Oy/EUIPO — VRT, NV van Publiek Recht (k)

51

2017/C 22/70

Zaak T-825/16: Beroep ingesteld op 24 november 2016 — Republiek Cyprus/EUIPO — POCF (Pallas Halloumi)

52

2017/C 22/71

Zaak T-826/16: Beroep ingesteld op 28 november 2016 — Casasnovas Bernad/Commissie

52

2017/C 22/72

Zaak T-827/16: Beroep ingesteld op 24 november 2016 — QB/ECB

53

2017/C 22/73

Zaak T-828/16: Beroep ingesteld op 25 november 2016 — CRDO Torta del Casar/EUIPO — CRDOP Queso de La Serena (QUESO Y TORTA DE LA SERENA)

54

2017/C 22/74

Zaak T-829/16: Beroep ingesteld op 25 november 2016 — Mouvement pour une Europe des nations et des libertés/Parlement

55

2017/C 22/75

Zaak T-830/16: Beroep ingesteld op 23 november 2016 — Monolith Frost/EUIPO — Dovgan (PLOMBIR)

56

2017/C 22/76

Zaak T-831/16: Beroep ingesteld op 28 november 2016 — Kabushiki Kaisha Zoom/EUIPO — Leedsworld (ZOOM)

57

2017/C 22/77

Zaak T-847/16: Beroep ingesteld op 2 december 2016 — Cyprus/EUIPO — POCF (COWBOYS HALLOUMI)

57

2017/C 22/78

Zaak T-853/16: Beroep ingesteld op 5 december 2016 — Techniplan/Commissie

58

2017/C 22/79

Zaak T-856/16: Beroep ingesteld op 5 december 2016 — Rare Hospitality International/EUIPO (LONGHORN STEAKHOUSE)

59

2017/C 22/80

Zaak T-259/16: Beschikking van het Gerecht van 14 november 2016 — Trost Auto Service Technik/EUIPO (AUTOSERVICE.COM)

60

2017/C 22/81

Zaak T-284/16: Beschikking van het Gerecht van 29 november 2016 — Gulli/EUIPO — Laverana (Lybera)

60

2017/C 22/82

Zaak T-361/16: Beschikking van het Gerecht van 21 november 2016 — TBWA\London/EUIPO (MEDIA ARTS LAB)

60

2017/C 22/83

Zaak T-503/16: Beschikking van het Gerecht van 14 november 2016 — Dulière/Commissie

60


NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie van de Europese Unie

23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/1


Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

(2017/C 022/01)

Laatste publicatie

PB C 14 van 16.1.2017

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 6 van 9.1.2017

PB C 475 van 19.12.2016

PB C 462 van 12.12.2016

PB C 454 van 5.12.2016

PB C 441 van 28.11.2016

PB C 428 van 21.11.2016

Deze teksten zijn beschikbaar in

EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu


V Bekendmakingen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/2


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Nejvyšší soud České republiky (Tsjechische Republiek) op 16 september 2016 — Strafzaak tegen Juraj Sokáč

(Zaak C-497/16)

(2017/C 022/02)

Procestaal: Tsjechisch

Verwijzende rechter

Nejvyšší soud České republiky

Partij in de strafzaak

Juraj Sokáč

Prejudiciële vraag

Kunnen geneesmiddelen zoals omschreven in richtlijn 2001/83/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad, die „geregistreerde stoffen” bevatten zoals opgenomen in verordening (EU) nr. 273/2004 (2) van het Europees Parlement en de Raad, op grond van artikel 2, onder a), van die verordening worden geacht uitgesloten te zijn van de werkingssfeer ervan, overeenkomstig het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken C-627/13 en C-2/14, zelfs nadat die bepaling bij verordening nr. 1258/2013 (3) is gewijzigd en gelet op het feit dat artikel 2, onder a), van verordening nr. 111/2005 (4), zoals gewijzigd bij verordening nr. 1259/2013 (5), geneesmiddelen die efedrine en pseudo-efedrine bevatten binnen de regeling van verordening nr. 111/2005 brengt?


(1)  PB 2001, L 311, blz. 67.

(2)  PB 2004, L 47, blz. 1.

(3)  PB 2013, L 330, blz. 21.

(4)  PB 2005, L 22, blz. 1.

(5)  PB 2013, L 330, blz. 30.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/2


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Naczelny Sąd Administracyjny (Polen) op 16 september 2016 — AZ, Minister Finansów

(Zaak C-499/16)

(2017/C 022/03)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Naczelny Sąd Administracyjny

Partijen in het hoofdgeding

AZ, Minister Finansów

Prejudiciële vraag

Vormt het een schending van het beginsel van de neutraliteit van de btw en het verbod van ongelijke behandeling van goederen in de zin van artikel 98, leden 1 en 2, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1), om het btw-tarief voor banketbakkerswaren en gebak enkel afhankelijk te stellen van het criterium van de datum van minimale houdbaarheid of de uiterste gebruiksdatum, zoals in artikel 41, lid 2, in samenhang met punt 32 van bijlage 3 bij de Ustawa o podatku od towarów i usług van 11 maart 2004 (Dz. U. 2011, nr. 177, volgnr. 1054, zoals nadien gewijzigd)? (1)


(1)  PB L 347, blz. 1.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/3


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Naczelny Sąd Administracyjny (Polen) op 16 september 2016 — Caterpillar Financial Services sp. z o.o., Dyrektor Izby Skarbowej w Warszawie

(Zaak C-500/16)

(2017/C 022/04)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Naczelny Sąd Administracyjny

Partijen in het hoofdgeding

Caterpillar Financial Services sp. z o.o., Dyrektor Izby Skarbowej w Warszawie

Prejudiciële vraag

Verzetten de in artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde beginselen van doeltreffendheid, loyale samenwerking en gelijkwaardigheid of om het even welk ander beginsel van Unierecht zich, gelet op de uitlegging op het terrein van de belasting over de toegevoegde waarde die het Hof heeft gegeven in het arrest van 17 januari 2013, BGŻ Leasing, C-224/11, tegen nationale bepalingen of een nationale praktijk die het onmogelijk maken dat een te veel betaald bedrag dat ingevolge de inning van de verschuldigde btw in strijd met het Unierecht is ontstaan, wordt teruggegeven indien een justitiabele als gevolg van het optreden van de nationale autoriteiten pas na verstrijken van de verjaringstermijn voor de belastingschuld van zijn rechten gebruik kon maken?


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/3


Hogere voorziening ingesteld op 26 september 2016 door Francisco Javier Rosa Rodriguez tegen de beschikking van het Gerecht (Vijfde kamer) van 20 juli 2016 in zaak T-358/16, Rosa Rodriguez/Consejería de Educación de la Junta de Andalucía

(Zaak C-509/16 P)

(2017/C 022/05)

Procestaal: Spaans

Partijen

Rekwirant: Francisco Javier Rosa Rodriguez (vertegenwoordiger: J. Velasco Velasco, abogado)

Andere partij in de procedure: Consejería de Educación de la Junta de Andalucía

Bij beschikking van 8 december 2016 heeft het Hof (Negende kamer) de hogere voorziening afgewezen en beschikt dat rekwirant zijn eigen kosten zal dragen.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/4


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Apelacyjny w Gdańsku (Polen) op 4 oktober 2016 — Stefan Czerwiński/Zakład Ubezpieczeń Społecznych Oddział w Gdańsku

(Zaak C-517/16)

(2017/C 022/06)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Sąd Apelacyjny w Gdańsku

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Stefan Czerwiński

Verwerende partij: Zakład Ubezpieczeń Społecznych Oddział w Gdańsku

Prejudiciële vragen

1)

Kan de kwalificatie van een bepaalde prestatie als behorende tot een concrete, in artikel 3 van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels genoemde tak van sociale zekerheid in de verklaring van een lidstaat krachtens artikel 9 van deze verordening worden getoetst door een nationale overheidsdienst of rechterlijke instantie?

2)

Is een brugpensioen als bedoeld in de Ustawa o emeryturach pomostowych (Dz. U. 2015, volgnr. 965, zoals nadien gewijzigd) van 19 december 2008 een uitkering bij ouderdom in de zin van artikel 3, lid 1, onder d), van verordening nr. 883/2004?

3)

Wordt bij uitsluiting van de regel van de samentelling van tijdvakken van verzekering (artikel 66 en overweging 33 van verordening nr. 883/2004) voor uitkeringen bij vervroegde uittreding de beschermingsfunctie op het gebied van de sociale zekerheid die volgt uit artikel 48, [aanhef en] onder a), van […] het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie […] verwezenlijkt?


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/4


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunale Amministrativo Regionale per il Lazio (Italië) op 12 oktober 2016 — MA.T.I. SUD SpA/Società Centostazioni SpA

(Zaak C-523/16)

(2017/C 022/07)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Tribunale Amministrativo Regionale per il Lazio

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: MA.T.I. SUD SpA

Verwerende partij: Società Centostazioni SpA

Prejudiciële vragen

1)

Is, ofschoon de lidstaten over de mogelijkheid beschikken om betaling te vragen voor de procedure van ondersteuning tijdens de voorbereidende fase met het oog op een regularisatie, artikel 38, lid 2 bis, van wetsbesluit nr. 163 van 2006, zoals van toepassing op de datum van aankondiging van de betrokken aanbesteding […], voor zover is voorzien in betaling van een „geldelijke sanctie” waarvan het bedrag moet worden bepaald door de aanbestedende dienst („niet lager dan één duizendste en niet hoger dan één honderdste van de waarde van de opdracht en in geen geval hoger dan 50 000 EUR, waarvan betaling wordt verzekerd door de voorlopige waarborg”), wel of niet in strijd met het Unierecht gelet op het buitensporig hoge bedrag en op het feit dat deze sanctie op voorhand is bepaald, niet gradueel kan worden aangepast aan de concreet te regulariseren situatie of de ernst van de te verhelpen onregelmatigheid?

2)

Zo artikel 38, lid 2 bis, van wetsbesluit nr. 163 van 2006 (nog steeds zoals van toepassing op de voornoemde datum) daarentegen in strijd is met het Unierecht, in hoeverre kan dan hetzelfde feit dat voor de procedure van ondersteuning tijdens de voorbereidende fase moet worden betaald, worden geacht in strijd te zijn met het beginsel van maximale openstelling van de markt voor mededinging, waaraan met die procedure wordt beoogd te voldoen, zodat de activiteit waaraan het aanbestedingscomité zich in dit verband moet wijden, wordt beperkt tot de plichten die aan dit comité bij wet worden opgelegd in het algemeen belang van de verwezenlijking van de hierboven omschreven doelstelling?


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/5


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Najvyšší súd Slovenskej republiky (Slowakije) op 20 oktober 2016 — Volkswagen AG/Finančné riaditeľstvo SR

(Zaak C-533/16)

(2017/C 022/08)

Procestaal: Slowaaks

Verwijzende rechter

Najvyšší súd Slovenskej republiky

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Volkswagen AG

Verwerende partij: Finančné riaditeľstvo Slovenskej republiky

Prejudiciële vragen

1)

Moeten richtlijn 2008/9 (1) en het recht op belastingteruggaaf aldus worden uitgelegd dat voor de uitoefening van het recht op btw teruggaaf cumulatief aan de volgende voorwaarden moet zijn voldaan:

i)

levering van de goederen of diensten, en

ii)

vermelding van de btw op de factuur door de leverancier?

Met andere woorden, kan een belastingplichtige waaraan de btw niet bij een factuur in rekening is gebracht belastingteruggaaf vragen?

2)

Is het in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel of het beginsel van fiscale neutraliteit van de btw dat de termijn voor belastingteruggaaf wordt berekend vanaf een tijdstip waarop niet aan de materiële voorwaarden voor de uitoefening van het recht op belastingteruggaaf is voldaan?

3)

Moeten artikel 167 en artikel 178, onder a) van de btw richtlijn, gelet op het beginsel van fiscale neutraliteit, aldus worden uitgelegd dat zij in omstandigheden als in het hoofdgeding en mits is voldaan aan de overige materiële en procedurele voorwaarden voor de uitoefening van het recht op belastingaftrek, zich er tegen verzetten dat de belastingautoriteit aan een belastingplichtige het recht op belastingteruggaaf dat hij binnen de in richtlijn 2008/9 gestelde termijn heeft uitgeoefend, weigeren indien de leverancier de belasting hem op de factuur in rekening heeft gebracht en deze belasting heeft afgedragen vóór het verstrijken van de in de nationale regelgeving bepaalde vervaltermijn?

4)

Zijn de Slowaakse belastingautoriteit, gelet op de beginselen van neutraliteit en evenredigheid die aan het gemeenschappelijke btw stelsel ten grondslag liggen, verder gegaan dan noodzakelijk is om het door de btw richtlijn nagestreefde doel te bereiken, doordat zij aan een belastingplichtige het recht op teruggaaf van de betaalde belasting hebben ontzegd wegens het verstrijken van de in de nationale regelgeving bepaalde vervaltermijn voor teruggaaf, ook al had de belastingplichtigen het recht op teruggaaf niet binnen dat tijdsbestek kunnen uitoefenen, en ook al is de belasting naar behoren geïnd en het risico van belastingfraude of niet-betaling volledig uitgesloten?

5)

Kunnen de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen en het recht op behoorlijk bestuur als bedoeld in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een uitlegging van de nationale bepalingen volgens welke voor de inachtneming van de termijn voor belastingteruggaaf de datum van het besluit van de het bestuursorgaan op de belastingteruggaaf beslissend is, en niet de datum waarop de belastingplichtige het recht op belastingteruggaaf uitoefent?


(1)  Richtlijn 2008/9/EG van de Raad van 12 februari 2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in Richtlijn 2006/112/EG vastgestelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn (PB 2008, L 44, blz. 23).


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/6


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Najvyšší súd Slovenskej republiky (Slowakije) op 20 oktober 2016 — Finančné riaditeľstvo Slovenskej republiky/BB construct s.r.o.

(Zaak C-534/16)

(2017/C 022/09)

Procestaal: Slowaaks

Verwijzende rechter

Najvyšší súd Slovenskej republiky

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Finančné riaditeľstvo Slovenskej republiky

Verwerende partij: BB construct s.r.o.

Prejudiciële vragen

1)

Is de praktijk van een nationale instantie, inhoudende dat het feit dat de huidige bestuurder van een rechtspersoon bestuurder is geweest van een andere rechtspersoon die nog belasting verschuldigd is, naar nationaal recht grond oplevert om het stellen van een fiscale zekerheid tot 500 000 EUR te eisen, in overeenstemming met de doelstelling van artikel 273 van richtlijn 2006/112/EG (1) van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, te weten bestrijding van btw fraude?

2)

Kan worden aangenomen dat deze fiscale zekerheid door het maximumbedrag ervan, tot 500 000 EUR zoals in het hoofdgeding is geëist, geen inbreuk maakt op de vrijheid van ondernemerschap als bedoeld in artikel 16 [van het handvest van de grondrechten van de Europese Unie], de belastingplichtige niet indirect dwingt zijn faillissement aan te vragen, niet discriminerend als bedoeld in artikel 21, lid 1, [van het Handvest] is en in het kader de inning van btw niet in strijd is met de beginselen „ne bis in idem” en niet-terugwerkende kracht als bedoeld in artikel 49, leden 1 en 3 van het [Handvest]?


(1)  PB 2006, L 347, blz. 1.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/7


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunale Amministrativo Regionale per il Lazio (Italië) op 24 oktober 2016 — DUEMMESGR SpA/Associazione Cassa Nazionale di Previdenza e Assistenza in favore dei Ragionieri e Periti Commerciali (CNPR)

(Zaak C-536/16)

(2017/C 022/10)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Tribunale Amministrativo Regionale per il Lazio

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: DUEMMESGR SpA

Verwerende partij: Associazione Cassa Nazionale di Previdenza e Assistenza in favore dei Ragionieri e Periti Commerciali (CNPR)

Prejudiciële vragen

1)

Is, ofschoon de lidstaten over de mogelijkheid beschikken om betaling te vragen voor de procedure van ondersteuning tijdens de voorbereidende fase met het oog op een regularisatie, artikel 38, lid 2 bis, van wetsbesluit nr. 163 van 2006, zoals van toepassing op de datum van aankondiging van de betrokken aanbesteding […], voor zover is voorzien in betaling van een „geldelijke sanctie” waarvan het bedrag moet worden bepaald door de aanbestedende dienst („niet lager dan één duizendste en niet hoger dan één honderdste van de waarde van de opdracht en in geen geval hoger dan 50 000 EUR, waarvan betaling wordt verzekerd door de voorlopige waarborg”), wel of niet in strijd met het Unierecht gelet op het buitensporig hoge bedrag en op het feit dat deze sanctie op voorhand is bepaald, niet gradueel kan worden aangepast aan de concreet te regulariseren situatie of de ernst van de te verhelpen onregelmatigheid?

2)

Zo artikel 38, lid 2 bis, van wetsbesluit nr. 163 van 2006 (nog steeds zoals van toepassing op de voornoemde datum) daarentegen in strijd is met het Unierecht, in hoeverre kan dan hetzelfde feit dat voor de procedure van ondersteuning tijdens de voorbereidende fase moet worden betaald, worden geacht in strijd te zijn met het beginsel van maximale openstelling van de markt voor mededinging, waaraan met die procedure wordt beoogd te voldoen, zodat de activiteit waaraan het aanbestedingscomité zich in dit verband moet wijden, wordt beperkt tot de plichten die aan dit comité bij wet worden opgelegd in het algemeen belang van de verwezenlijking van de hierboven omschreven doelstelling?


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/7


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte suprema di cassazione (Italië) op 24 oktober 2016 — Garlsson Real Estate SA, in vereffening, e.a./Commissione Nazionale per le Società e la Borsa (Consob)

(Zaak C-537/16)

(2017/C 022/11)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Corte suprema di cassazione

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Garlsson Real Estate SA, in vereffening, Stefano Ricucci, Magiste International SA

Verwerende partij: Commissione Nazionale per le Società e la Borsa (Consob)

Prejudiciële vragen

1)

Staat artikel 50 van het Handvest voor de grondrechten van de Europese Unie, zoals dit artikel wordt uitgelegd tegen de achtergrond van artikel 4 van Protocol nr. 7 bij het Europese Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, van de desbetreffende rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens en van de relevante nationale wettelijke regeling, in de weg aan de inleiding van een administratieve procedure betreffende een feit (strafbare marktmanipulatie) waarvoor de betrokken justitiabele strafrechtelijk reeds onherroepelijk is veroordeeld?

2)

Kan de nationale rechter de algemene beginselen van het recht van de Unie betreffende het beginsel „ne bis in idem”, dat in artikel 50 van het Handvest voor de grondrechten van de Europese Unie is vastgelegd, zoals dit artikel wordt uitgelegd tegen de achtergrond van artikel 4 van Protocol nr. 7 bij het Europese Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, van de desbetreffende rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens en van de relevante nationale wettelijke regeling, rechtstreeks toepassen?


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/8


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Órgano Administrativo de Recursos Contractuales de la Comunidad Autónoma de Euskadi (Spanje) op 28 oktober 2016 — Montte S.L./Musikene

(Zaak C-546/16)

(2017/C 022/12)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Órgano Administrativo de Recursos Contractuales de la Comunidad Autónoma de Euskadi

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Montte S.L.

Verwerende partij: Musikene

Prejudiciële vragen

1)

Verzet richtlijn 2014/24/EU (1) van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG zich tegen een nationale wettelijke bepaling zoals artikel 150, lid 4, TRLCSP (2), of tegen een uitlegging en toepassing van een dergelijke bepaling, die aanbestedende diensten de mogelijkheid biedt om in het bestek van een openbare aanbestedingsprocedure gunningscriteria op te nemen die in opeenvolgende eliminatiefasen worden toegepast op inschrijvingen die niet voldoen aan een vooraf vastgesteld minimumaantal punten?

2)

Indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend luidt, verzet de voornoemde richtlijn 2014/24 zich tegen een nationale wettelijke bepaling, of tegen een uitlegging of toepassing van een dergelijke bepaling, die in de openbare procedure verwijst naar het bovengenoemde systeem van in opeenvolgende eliminatiefasen toepasselijke gunningscriteria, wanneer dit ertoe leidt dat er in de laatste fase onvoldoende inschrijvingen overblijven om een daadwerkelijke mededinging te waarborgen?

3)

Indien het antwoord op de tweede vraag bevestigend luidt, verzet de voornoemde richtlijn 2014/24 zich tegen een clausule als de onderhavige, waarin de factor prijs alleen wordt meegewogen voor inschrijvingen die ten minste 35 van de 50 punten hebben behaald voor de technische criteria, omdat zij geen waarborg biedt voor een daadwerkelijke mededinging of omdat zij strijdig is met de verplichting van de richtlijn om de opdracht te gunnen aan de inschrijving met de beste prijs-kwaliteitsverhouding?


(1)  PB 2014, L 94, blz. 65.

(2)  Gecodificeerde tekst van de wet inzake het plaatsen van overheidsopdrachten.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/9


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Supremo (Spanje) op 28 oktober 2016 — Gasorba, S.L., Josefa Rico Gil en Antonio Ferrándiz González/Repsol Comercial de Productos Petrolíferos S.A.

(Zaak C-547/16)

(2017/C 022/13)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Tribunal Supremo

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Gasorba, S.L., Josefa Rico Gil en Antonio Ferrándiz González

Verwerende partij: Repsol Comercial de Productos Petrolíferos S.A.

Prejudiciële vragen

1)

Staat beschikking [2006/446/EG (1)] van de Commissie van 12 april 2006 betreffende een procedure conform artikel 81 van het EG-Verdrag (Zaak COMP/B-1/38348 — Repsol CPP) krachtens artikel 16 („Uniforme toepassing van het communautaire mededingingsrecht”) van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (2) van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag, eraan in de weg dat een nationale rechter de nietigheid van onder die beschikking vallende overeenkomsten vaststelt wegens de duur van het exclusieve afnamebeding, hoewel zij wel op andere gronden kunnen worden vernietigd, zoals bijvoorbeeld een door de leverancier aan de koper (of wederverkoper) opgelegde minimumverkoopprijs voor eindverbruikers?

2)

Als dat het geval is, geldt dan krachtens de toezeggingsbeschikking een individuele vrijstelling ex art. 101, lid 3, VWEU voor de langlopende overeenkomsten waarop die beschikking betrekking heeft?


(1)  PB 2006, L 176, blz. 104.

(2)  PB 2003, L 1, blz. 1.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/9


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Аdministrativen sad Sofia-grad (Bulgarije) op 2 november 2016 — „WIND INNOVATION 1” EOOD, in liquidatie/Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika” — Sofia

(Zaak C-552/16)

(2017/C 022/14)

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Аdministrativen sad Sofia-grad

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij:„WIND INNOVATION 1” EOOD, in liquidatie

Verwerende partij: Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika” — Sofia

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 176, tweede alinea, van richtlijn 2006/112/ЕG (1) aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de verplichte schrapping uit het btw-register die voortvloeit uit een wijziging van de Zakon za danak varhu dobavenata stoynost (ZDDS) (btw-wet) vanaf 1 januari 2007, op grond waarvan een door het gerecht aangestelde liquidateur niet langer kan beslissen dat een rechtspersoon waarvan de ontbinding bij rechterlijke beslissing is gelast, geregistreerd blijft op grond van de ZDDS tot zijn schrapping uit het handelsregister en die in plaats daarvan bepaalt dat de ontbinding van een rechtspersoon-handelaar, al dan niet in liquidatie, een reden is voor verplichte schrapping uit het btw-register?

2)

Moet artikel 176, tweede alinea, van richtlijn 2006/112 aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de verplichte schrapping uit het btw-register die voortvloeit uit een wijziging van de ZDDS vanaf 1 januari 2007, in het geval van een belastingplichtige die op het ogenblik van de verplichte schrapping uit het btw-register voldoet aan de voorwaarden voor een vernieuwde, verplichte btw-registratie, partij is bij lopende overeenkomsten en verklaart dat hij zijn werkzaamheden niet heeft stopgezet en een economische activiteit blijft uitoefenen, voor zover de belastingplichtige de bij de verplichte schrapping berekende en verschuldigde belasting daadwerkelijk moet betalen opdat hij een recht op aftrek heeft voor de aanwezige activa die bij de schrapping uit het register werden belast en op het ogenblik van de vernieuwde registratie aanwezig zijn? Indien de verplichte schrapping uit het register in deze omstandigheden geoorloofd is, mag het recht op aftrek voor de bij de schrapping uit het register belaste activa die op het ogenblik van de vernieuwde btw-registratie aanwezig zijn en waarmee de persoon belastbare handelingen verricht of zal verrichten, worden verbonden met de daadwerkelijke betaling van de belasting aan de staatsbegroting of kan er compensatie plaatsvinden tussen de bij de schrapping uit het register berekende belasting en het bij de vernieuwde btw-registratie vastgestelde belastingtegoed, temeer daar de belasting moet worden betaald door een persoon voor wie een recht op aftrek ontstaat?


(1)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1)


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/10


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varhoven administrativen sad (Bulgarije) op 2 november 2016 — „TTL” EOOD/Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika” — Sofia

(Zaak C-553/16)

(2017/C 022/15)

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Varhoven administrativen sad

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij:„TTL” EOOD

Verwerende partij: Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika” — Sofia

Prejudiciële vragen

1)

Is een nationale wettelijke bepaling als artikel 175, lid 2, punt 3, DOPK, op grond waarvan een ingezeten vennootschap die aan bronheffing onderworpen inkomsten uitbetaalt, verplicht is interest te betalen voor de periode vanaf het verstrijken van de termijn voor de betaling van de belasting op de inkomsten tot op de dag waarop de in een andere lidstaat gevestigde niet-ingezetene het bewijs levert dat is voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting met de Republiek Bulgarije, ook wanneer op basis van die overeenkomst de belasting niet of in geringere mate moet worden betaald, verenigbaar met artikel 5, lid 4, en artikel 12, onder b), VWEU?

2)

Zijn een wettelijke bepaling als artikel 175, lid 2, punt 3, DOPK en een praktijk van de belastingdienst, volgens welke van de vennootschap die aan bronheffing onderworpen inkomsten uitbetaalt, interest kan worden geheven voor de periode vanaf het verstrijken van de termijn voor de betaling van de belasting op de inkomsten tot op de dag waarop de in een andere lidstaat gevestigde niet-ingezetene het bewijs levert dat is voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting met de Republiek Bulgarije, ook wanneer op basis van die overeenkomst de belastingen niet of in geringere mate moeten worden betaald, verenigbaar met de artikelen 49, 54, 63 en 65, leden 1 en 3, VWEU?


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/11


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Korkein hallinto-oikeus (Finland) op 4 november 2016 — Astellas Pharma GmbH

(Zaak C-557/16)

(2017/C 022/16)

Procestaal: Fins

Verwijzende rechter

Korkein hallinto-oikeus

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Astellas Pharma GmbH

Andere partijen in de procedure: Helm AG, Lääkealan turvallisuus- ja kehittämisvirasto (Fimea)

Prejudiciële vragen

1)

Dienen artikel 28, lid 5, en artikel 29, lid 1, van richtlijn 2001/83/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik aldus te worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat bij de afgifte van de nationale vergunning voor het in de handel brengen van een generiek geneesmiddel, in het kader van de gedecentraliseerde vergunningsprocedure overeenkomstig artikel 28, lid 3, van de richtlijn, geen autonome bevoegdheid bezit om de aanvangsdatum van de gegevensbeschermingsperiode van het referentiegeneesmiddel te onderzoeken?

2)

Indien de eerste vraag aldus dient te worden beantwoord dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat geen autonome bevoegdheid bezit om bij de afgifte van de nationale vergunning voor het in de handel brengen de aanvangsdatum van de gegevensbeschermingsperiode van het referentiegeneesmiddel te onderzoeken:

Moet een rechter van deze lidstaat, nadat bij hem beroep is ingesteld door de houder van de vergunning voor het in de handel brengen van het referentiegeneesmiddel, niettemin de aanvangsdatum van de gegevensbeschermingsperiode onderzoeken, of geldt voor de rechter dezelfde beperking als voor de autoriteit van de lidstaat?

Hoe wordt in dat geval bij de betrokken rechter van de lidstaat, wat de gegevensbescherming betreft, het recht gegarandeerd van de houder van de vergunning voor het in de handel brengen van het referentiegeneesmiddel op een doeltreffende voorziening in rechte als bedoeld in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 10 van richtlijn 2001/83?

Impliceert de voorziening in rechte met het oog op een doeltreffende rechtsbescherming de verplichting voor de rechter van de lidstaat om na te gaan of de in andere lidstaten afgegeven oorspronkelijke vergunning voor het in de handel brengen verleend werd in overeenstemming met de bepalingen van richtlijn 2001/83?


(1)  PB 2001, L 311, blz. 67.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/12


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Nejvyšší soud České republiky (Tsjechië) op 4 november 2016 — Michael Dědouch e.a./Jihočeská plynárenská, a.s., E.ON Czech Holding AG

(Zaak C-560/16)

(2017/C 022/17)

Procestaal: Tsjechisch

Verwijzende rechter

Nejvyšší soud České republiky

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Michael Dědouch, MUDr. Petr Streitberg, Pavel Suda

Verwerende partijen: Jihočeská plynárenská, a.s., E.ON Czech Holding AG

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 22, punt 2, van verordening (EG) nr. 44/2001 (1) van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken („Brussel I-verordening”) aldus worden uitgelegd dat het ook betrekking heeft op een procedure voor toetsing van de billijkheid van de vergoeding die een meerderheidsaandeelhouder als tegenwaarde voor effecten die een deelnemingsrecht vertegenwoordigen, moet betalen aan de vorige eigenaars van de effecten die aan hem werden overgedragen op grond van een besluit van de algemene vergadering van een naamloze vennootschap over de gedwongen overdracht van de resterende effecten aan die meerderheidsaandeelhouder („uitkoop” of „squeeze out”), indien het bedrag van de billijke vergoeding wordt bepaald in het op de algemene vergadering van de naamloze vennootschap vastgestelde besluit en de rechterlijke beslissing waarbij een recht op een ander bedrag wordt toegekend, bindend is voor de meerderheidsaandeelhouder en de vennootschap wat betreft de grondslag van het toegekende recht, en ten aanzien van de andere eigenaars van effecten?

2)

Indien de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord: moet artikel 5, punt 1, onder a), van de Brussel I-verordening aldus worden uitgelegd dat het ook betrekking heeft op de in de vorige vraag beschreven procedure voor toetsing van de billijkheid van de vergoeding?

3)

Indien de twee vorige vragen ontkennend worden beantwoord: moet artikel 5, punt 3, van de Brussel I-verordening aldus worden uitgelegd dat het ook betrekking heeft op de in de eerste vraag beschreven procedure voor toetsing van de billijkheid van de vergoeding?


(1)  PB 2001, L 12, blz. 1.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/12


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Supremo (Spanje) op 7 november 2016 — Saras Energía, S.A./Administración del Estado

(Zaak C-561/16)

(2017/C 022/18)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Tribunal Supremo

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Saras Energía, S.A.

Verwerende partij: Administración del Estado

Prejudiciële vragen

1)

Verdraagt regelgeving van een lidstaat waarbij een nationale verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie wordt opgesteld waaraan hoofdzakelijk uitvoering wordt gegeven via een jaarlijkse storting in een op grond van artikel 20, lid 4, van richtlijn 2012/27/EU (1) opgericht nationaal fonds voor energie-efficiëntie, zich met artikel 7, leden 1 en 9, van die richtlijn?

2)

Verdraagt een nationale regeling die voorziet in de mogelijkheid om aan de energiebesparingsverplichtingen te voldoen door aan te tonen dat er, in plaats van de storting in het nationaal fonds voor energie-efficiëntie, besparingen zijn gerealiseerd, zich met artikel 7, lid 1, en artikel 20, lid 6, van richtlijn 2012/27/EU?

3)

Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord: verdraagt die alternatieve mogelijkheid om aan de energiebesparingsverplichtingen te voldoen zich met artikel 7, lid 1, en artikel 20, lid 6, van de richtlijn wanneer het daadwerkelijke bestaan daarvan afhankelijk is van de omstandigheid dat de regering deze mogelijkheid naar eigen goeddunken in het leven roept middels regelgeving?

En in het verlengde daarvan: hoe zit het met de verenigbaarheid van een dergelijke regeling wanneer de regering die alternatieve mogelijkheid niet in het leven roept?

4)

Verdraagt een nationale regeling waarbij alleen detailhandelaars in energie en niet de distributeurs worden aangemerkt als partijen voor wie de energiebesparingsverplichtingen gelden, zich met artikel 7, leden 1 en 4, van de richtlijn?

5)

Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord: verdraagt de omstandigheid dat de detailhandelaars aan verplichtingen gebonden partijen zijn zonder dat wordt aangegeven waarom energiedistributeurs dat niet zijn, zich met de genoemde leden van artikel 7?


(1)  Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB 2012, L 315, blz. 1).


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/13


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door deEirinodikeio Lerou (Griekenland) op 9 november 2016 — Alessandro Saponaro, Κalliopi-Chloi Xylina

(Zaak C-565/16)

(2017/C 022/19)

Procestaal: Grieks

Verwijzende rechter

Eirinodikeio Lerou (Griekenland)

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Alessandro Saponaro, Κalliopi-Chloi Xylina

Prejudiciële vragen

Ingeval wordt verzocht om toelating om een nalatenschap te verwerpen en het verzoek om toelating bij een Grieks gerecht is ingediend door de ouders van een minderjarig kind met gewone verblijfplaats in Italië, moet dan voor de geldigheid van een prorogatie van rechtsmacht op grond van artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 (1) ervan worden uitgegaan dat a) er sprake is van een ondubbelzinnige aanvaarding van de prorogatie van rechtsmacht vanwege de ouders als gevolg van het loutere feit dat het verzoek is ingediend bij het Griekse gerecht, b) het openbaar ministerie een van de partijen in de procedure is die de prorogatie van rechtsmacht moeten aanvaarden op het tijdstip van indiening van het verzoek, gelet op het feit dat het openbaar ministerie, naar Grieks recht, krachtens de wet partij in een dergelijke procedure is; c) de prorogatie van rechtsmacht in het belang van het minderjarige kind is aangezien dat kind en de ouders — de verzoekende partijen — hun gewone verblijfplaats in Italië hebben, terwijl de laatste woonplaats van de decujus in Griekenland was, waar de nalatenschap zich bevindt?


(1)  Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB 2003, L 388, blz. 1).


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/14


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de High Court of Justice (Chancery Division) (Verenigd Koninkrijk) op 10 november 2016 — Merck Sharp/Comptroller-General of Patents, Designs and Trade Marks

(Zaak C-567/16)

(2017/C 022/20)

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

High Court of Justice (Chancery Division)

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Merck Sharp

Verwerende partij: Comptroller-General of Patents, Designs and Trade Marks

Prejudiciële vragen

1)

Dient een einde-procedure-bericht dat door de referentielidstaat overeenkomstig artikel 28, lid 4, van richtlijn 2001/83/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik is opgesteld vóór het vervallen van het basisoctrooi, te worden beschouwd als gelijkwaardig aan een vergunning voor het in de handel brengen voor de toepassing van artikel 3, onder b), van verordening (EG) nr. 469/2009 (2) van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen (gecodificeerde versie) („ABC-verordening”), zodat een aanvrager van een aanvullend beschermingscertificaat in de betrokken lidstaat een dergelijk certificaat kan aanvragen en verkrijgen op basis van het einde-procedure-bericht?

2)

Indien het antwoord op vraag (1) ontkennend luidt: is in de in vraag 1 vermelde omstandigheden het feit dat op de datum van de aanvraag van een aanvullend beschermingscertificaat in de betrokken lidstaat geen vergunning voor het in de handel brengen is afgegeven in die lidstaat, een gebrek dat overeenkomstig artikel 10, lid 3, van de ABC-verordening kan worden hersteld nadat die vergunning is afgegeven?


(1)  PB L 311, blz. 67.

(2)  PB L 152, blz. 1.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/15


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Nürtingen (Duitsland) op 10 september 2016 — Strafzaak tegen Faiz Rasool

(Zaak C-568/16)

(2017/C 022/21)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Amtsgericht Nürtingen

Partijen in de strafzaak

Faiz Rasool, Rasool Entertainment GmbH, Staatsanwaltschaft Stuttgart

Prejudiciële vragen

1.

Moet artikel 3, onder o), van richtlijn 2007/64/EG betreffende betalingsdiensten in de interne markt in die zin worden uitgelegd dat het feit dat in een speelhal waaraan door de overheid een concessie is verleend, met een pinpas contant geld kan worden opgenomen uit een pinautomaat, die tegelijkertijd een geldwisselaar is, waarbij de bank- en rekening-technische afwikkeling wordt verricht door een externe dienstverlener („netwerkexploitant”) en de uitbetaling aan de klant pas plaatsvindt wanneer de netwerkexploitant, na controle van de banktegoeden, een autorisatiecode aan de pinautomaat zendt, terwijl de speelhalexploitant alleen de multifunctionele geldwisselaar met contant geld vult en van de bank die de rekening houdt van de klanten die geld opnemen, een creditering ter hoogte van het opgenomen bedrag ontvangt, een activiteit in de zin van artikel 3, onder o), vormt, waarvoor dus geen toestemming hoeft te worden verkregen?

2.

Indien de in de eerste vraag omschreven activiteit geen activiteit in de zin van artikel 3, onder o), is:

moet artikel 3, onder e), van richtlijn 2007/64/EG dan in die zin worden uitgelegd dat de in de eerste vraag omschreven mogelijkheid om met een pinpas contant geld op te nemen een activiteit in de zin van deze bepaling is, wanneer tegelijkertijd met het opnemen van het contante geld een speeltegoed ter waarde van 20 EUR wordt gegenereerd dat bij de toezichthouder op de speelhal kan worden ingewisseld, waarna de toezichthouder van de hal een speelautomaat met munten vult?

Indien de in de eerste en de tweede vraag omschreven activiteit geen activiteit is die op grond van artikel 3, onder o) en/of e), van de werkingssfeer van de richtlijn is uitgesloten:

3a.

moet punt 2 van de bijlage bij richtlijn 2007/64/EG dan in die zin worden uitgelegd dat de in de eerste en de tweede vraag omschreven activiteit van de speelhalexploitant een betalingsdienst vormt waarvoor toestemming moet worden verkregen, hoewel de speelhalexploitant geen rekening aanhoudt van de klant die geld opneemt?

3b.

moet artikel 4, punt 3, van richtlijn 2007/64 dan in die zin worden uitgelegd dat de in de eerste en de tweede vraag omschreven activiteit van de speelhalexploitant een betalingsdienst in de zin van deze regeling vormt wanneer de speelhalexploitant de service gratis aanbiedt?

Voor het geval het Hof zou oordelen dat voor de beschreven activiteit toestemming vereist is:

4.

moeten het Unierecht en de richtlijn betreffende betalingsdiensten in de interne markt in die zin worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat het exploiteren van een pinautomaat strafrechtelijk wordt bestraft in een geval met de bijzonderheden als in casu, wanneer in een groot aantal speelhallen met een door de overheid verleende concessie alsmede in casino’s met een door de overheid verleende concessie die ten dele ook door de overheid worden geëxploiteerd, soortgelijke pinautomaten zonder toestemming worden of werden geëxploiteerd en de voor de toelating en het toezicht bevoegde autoriteit geen bezwaren maakt?

Indien ook de vierde vraag ontkennend wordt beantwoord:

5.

moeten de richtlijn betreffende betalingsdiensten en de Unierechtelijke beginselen van rechtszekerheid en rechtsduidelijkheid alsmede artikel 17 van het Handvest in die zin worden uitgelegd dat zij in een geval met de bijzonderheden als in casu, in de weg staan aan een bestuurlijke en rechterlijke praktijk op grond waarvan de geldbedragen die de speelhalexploitant middels een dienstverlening van de netwerkexploitant heeft ontvangen van de bankklanten die met een pinpas het door hem in de pinautomaat gestopte contante geld en/of de speeltegoeden voor de speelautomaten hebben opgenomen, aan de staat vervallen (voordeelsontneming), hoewel alle crediteringen enkel overeenkomen met de bedragen die de klanten aan contant geld en speeltegoeden via de pinautomaten hebben ontvangen?


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/16


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de High Court of Justice (Chancery Division) (Verenigd Koninkrijk) op 14 november 2016 — Air Berlin plc/Commissioners for Her Majesty’s Revenue & Customs

(Zaak C-573/16)

(2017/C 022/22)

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

High Court of Justice (Chancery Division)

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Air Berlin plc

Verwerende partij: Commissioners for Her Majesty’s Revenue & Customs

Prejudiciële vragen

1)

Is de hierboven omschreven zegelrechtheffing door een lidstaat van 1,5 % op een overdracht onder de hierboven omschreven omstandigheden in strijd met één of meer van de navolgende bepalingen:

1)

artikel 10 of artikel 11 van de eerste richtlijn (1);

2)

artikel 4 of artikel 5 van de tweede richtlijn (2); of

3)

artikel 12, 43, 48, 49 of 56 van het EG-Verdrag?

2)

Luidt het antwoord op de eerste vraag anders wanneer de aandelenoverdracht aan de clearinginstelling een vereiste is voor de notering van de desbetreffende vennootschap op een aandelenbeurs in die lidstaat of een andere lidstaat?

3)

Luidt het antwoord op de eerste vraag of de tweede vraag anders wanneer de nationale wetgeving van de lidstaat aan een clearinginstelling de optie biedt om, indien de belastingautoriteit daartoe toestemming verleent, geen zegelrecht te betalen voor de aandelenoverdracht aan de clearinginstelling maar in plaats daarvan een aanvullende zegelheffing [SDRT] af te dragen op elke daaropvolgende verkoop van aandelen binnen de clearinginstelling (tegen een tarief van 0,5 % van de tegenprestatie voor de verkoop)?

4)

Luidt het antwoord op de derde vraag anders wanneer de door de desbetreffende vennootschap gekozen structurering van de transacties ertoe leidt dat het voordeel van de optie niet kan worden genoten?


(1)  Richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal (PB L 249, blz. 25).

(2)  Richtlijn 2008/7/EG van de Raad van 12 februari 2008 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal (PB L 46, blz. 11).


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/17


Beroep ingesteld op 14 november 2016 — Europese Commissie/Tsjechische Republiek

(Zaak C-575/16)

(2017/C 022/23)

Procestaal: Tsjechisch

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: H. Støvlbæk en K. Walkerová, gemachtigden)

Verwerende partij: Tsjechische Republiek

Conclusies

voor recht verklaren dat de Tsjechische Republiek niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 49 VWEU, doordat zij een nationaliteitsvoorwaarde stelt voor de uitoefening van het beroep van notaris;

de Tsjechische Republiek verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Volgens de Commissie vormt de nationaliteitsvoorwaarde die in de Tsjechische rechtsorde wordt gesteld voor de uitoefening van het beroep van notaris, discriminatie en een onevenredige beperking van de vrijheid van vestiging. De Tsjechische Republiek heeft bijgevolg niet voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 49 VWEU.

Voorts is de Commissie van mening dat de door de wetgeving van de Tsjechische Republiek aan notarissen opgedragen taken niet van dien aard zijn dat zij een deelneming aan de uitoefening van het openbare gezag impliceren, zodat de in de Tsjechische rechtsorde voor de toegang tot het beroep van notaris gestelde nationaliteitsvoorwaarde niet kan worden gerechtvaardigd door de uitzondering van artikel 51 VWEU.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/17


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Vrhovno sodišče Republike Slovenije (Slovenië) op 17 november 2016 — C. K., H. F. en A. S./Republiek Slovenië

(Zaak C-578/16)

(2017/C 022/24)

Procestaal: Sloveens

Verwijzende rechter

Vrhovno sodišče Republike Slovenije

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: C. K., H. F. en A. S.

Verwerende partij: Republiek Slovenië

Prejudiciële vragen

1)

Staat de uitlegging van de regels inzake de toepassing van de discretionaire bepaling van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 604/2013, gelet op de aard van deze bepaling, in laatste instantie aan de rechter van de lidstaat, en ontslaan deze regels de rechter die beslissingen wijst waartegen niet meer kan worden opgekomen, van de verplichting de zaak op grond van artikel 267, derde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te verwijzen naar het Hof van Justitie?

Subsidiair, indien de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord:

2)

Volstaat een beoordeling van de omstandigheden zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, van verordening nr. 604/2013 (in een geval zoals dat aan de orde in deze prejudiciële verwijzing) om te voldoen aan de vereisten van artikel 4 en artikel 19, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie junctis artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 33 van het Verdrag van Genève?

In samenhang met de vorige vraag:

3)

Volgt uit de uitlegging van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 604/2013 dat de lidstaat verplicht is de discretionaire bepaling toe te passen om een effectieve bescherming tegen schending van de rechten van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie te waarborgen in gevallen zoals dat aan de orde in deze prejudiciële verwijzing, en dat die toepassing zich verzet tegen de overdracht van een verzoeker om internationale bescherming aan de verantwoordelijke lidstaat die heeft erkend dat hij verantwoordelijk is op grond van die verordening?

Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord:

4)

Kan de discretionaire bepaling van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 604/2013 voor een verzoeker om internationale bescherming of een andere persoon in een overdrachtsprocedure op grond van die verordening een grondslag vormen om toepassing van deze bepaling te vorderen, waarover de bevoegde administratieve autoriteiten en de rechterlijke instanties van de lidstaat zich moeten uitspreken, of moeten die administratieve autoriteiten en rechterlijke instanties de bedoelde omstandigheden ambtshalve vaststellen?


Gerecht

23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/19


Arrest van het Gerecht van 29 november 2016 — T & L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie

(Zaak T-279/11) (1)

([„Niet-contractuele aansprakelijkheid - Landbouw - Suiker - Buitengewone maatregelen - Voorziening van de markt van de Unie - Verkoopseizoen 2010/2011 - Rechtsregel die ertoe strekt rechten toe te kennen aan particulieren - Voldoende gekwalificeerde schending - Verordening (EG) nr. 1234/2007 - Non-discriminatiebeginsel - Evenredigheid - Gewettigd vertrouwen - Zorgvuldigheidsplicht en beginsel van behoorlijk bestuur”])

(2017/C 022/25)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: T & L Sugars Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk), Sidul Açúcares, Unipessoal Lda (Santa Iria de Azóia, Portugal) (vertegenwoordigers: aanvankelijk D. Waelbroeck, advocaat, en D. Slater, solicitor, vervolgens D. Waelbroeck)

Interveniëntes aan de zijde van verzoekende partijen: DAI — Sociedade de Desenvolvimento Agro-Industrial, SA (Coruche, Portugal) (vertegenwoordiger: M. Mendes Pereira, advocaat), RAR — Refinarias de Açúcar Reunidas, SA (Porto, Portugal) (vertegenwoordiger: M. Mendes Pereira) en SFIR Società Fondiaria Industriale Romagnola SpA (Cesena, Italië) en SFIR Raffineria di Brindisi SpA (Cesena) (vertegenwoordigers: P. Buccarelli en M. Todino, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk A. Demeneix, P. Rossi en N. Donnelly, vervolgens P. Rossi en P. Ondrůšek, gemachtigden)

Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Franse Republiek (vertegenwoordigers: G. de Bergues, D. Colas en C. Candat, gemachtigden), Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: E. Sitbon en A. Westerhof Löfflerová, gemachtigden) en Comité européen des fabricants de sucre (CEFS) (Brussel, België) (vertegenwoordiger: C. Pitschas, advocaat)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 268 VWEU om vergoeding van de schade die verzoeksters stellen te hebben geleden, enerzijds, ten gevolge van de vaststelling van verordening (EU) nr. 222/2011 van de Commissie van 3 maart 2011 tot vaststelling van buitengewone maatregelen inzake het tegen verlaagde overschotheffing op de markt van de Unie brengen van buiten het quotum geproduceerde suiker en isoglucose in het verkoopseizoen 2010/2011 (PB 2011, L 60, blz. 6), van uitvoeringsverordening (EU) nr. 293/2011 van de Commissie van 23 maart 2011 tot vaststelling van de toewijzingscoëfficiënt, tot afwijzing van verdere aanvragen en tot sluiting van de periode voor de indiening van aanvragen voor beschikbare hoeveelheden buiten het quotum geproduceerde suiker die tegen verlaagde overschotheffing op de markt van de Unie moeten worden verkocht (PB 2011, L 79, blz. 8), van uitvoeringsverordening (EU) nr. 302/2011 van de Commissie van 28 maart 2011 tot opening, voor het verkoopseizoen 2010/2011, van een buitengewoon tariefcontingent voor de invoer van bepaalde hoeveelheden suiker (PB 2011, L 81, blz. 8) en van uitvoeringsverordening (EU) nr. 393/2011 van de Commissie van 19 april 2011 houdende vaststelling van de toewijzingscoëfficiënt voor de afgifte van invoercertificaten die in de periode van 1 tot en met 7 april 2011 zijn aangevraagd voor suikerproducten in het kader van bepaalde tariefcontingenten en houdende schorsing van de indiening van de certificaataanvragen (PB 2011, L 104, blz. 39) en, anderzijds, ten gevolge van de weigering van de Commissie om de maatregelen te nemen die nodig zijn om de voorziening met ruwe rietsuiker te herstellen.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

T & L Sugars Ltd en Sidul Açúcares, Unipessoal Lda, enerzijds, en de Europese Commissie, anderzijds, dragen hun eigen kosten in verband met de exceptie van niet-ontvankelijkheid die heeft geleid tot het arrest van 6 juni 2013, T & L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie (T-279/11, EU:T:2013:299).

3)

T & L Sugars en Sidul Açúcares dragen behalve hun eigen kosten ook die van de Commissie met betrekking tot de gegrondheid van het beroep.

4)

De Franse Republiek en de Raad van de Europese Unie dragen hun eigen kosten, met inbegrip van die welke betrekking hebben op de exceptie van niet-ontvankelijkheid die heeft geleid tot het arrest van 6 juni 2013, T & L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie (T-279/11, EU:T:2013:299).

5)

DAI — Sociedade de Desenvolvimento Agro-Industrial, SA, RAR — Refinarias de Açùcar Reunidas, SA, SFIR — Società Fondiaria Industriale Romagnola SpA, SFIR Raffineria di Brindisi SpA en het Comité européen des fabricants de sucre (CEFS) dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 232 van 6.8.2011.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/20


Arrest van het Gerecht van 29 november 2016 — T & L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie

(Zaak T-103/12) (1)

([„Niet-contractuele aansprakelijkheid - Landbouw - Suiker - Buitengewone maatregelen - Voorziening van de markt van de Unie - Verkoopseizoen 2011/2012 - Rechtsregel die ertoe strekt rechten toe te kennen aan particulieren - Voldoende gekwalificeerde schending - Verordening (EG) nr. 1234/2007 - Non-discriminatiebeginsel - Evenredigheid - Rechtszekerheid - Gewettigd vertrouwen - Zorgvuldigheidsplicht en beginsel van behoorlijk bestuur”])

(2017/C 022/26)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: T & L Sugars Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk), Sidul Açúcares, Unipessoal Lda (Santa Iria de Azóia, Portugal) (vertegenwoordigers: aanvankelijk D. Waelbroeck, advocaat, en D. Slater, solicitor, vervolgens D. Waelbroeck)

Interveniëntes aan de zijde van verzoekende partijen: DAI — Sociedade de Desenvolvimento Agro-Industrial, SA (Coruche, Portugal) (vertegenwoordiger: M. Mendes Pereira, advocaat), RAR — Refinarias de Açúcar Reunidas, SA (Porto) (vertegenwoordiger: M. Mendes Pereira, advocaat), Lemarco SA (Boekarest, Roemenië), Lemarco Cristal Srl (Urziceni) en Zaharul Liesti SA (Lieşti) (vertegenwoordigers: L.-I. Van de Waart en D. Gruia Dufaut, advocaten), en SFIR Società Fondiaria Industriale Romagnola SpA (Cesena, Italië) en SFIR Raffineria di Brindisi SpA (Cesena) (vertegenwoordigers: P. Buccarelli en M. Todino, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk P. Rossi en N. Donnelly, vervolgens P. Rossi en P. Ondrůšek, gemachtigden)

Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: E. Sitbon en A. Westerhof Löfflerová, gemachtigden) en Comité européen des fabricants de sucre (CEFS) (Brussel, België) (vertegenwoordiger: C. Pitschas, advocaat)

Voorwerp

Enerzijds, verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1239/2011 van de Commissie van 30 november 2011 tot opening van een permanente openbare inschrijving voor het verkoopseizoen 2011/2012 voor de invoer van suiker van GN-code 1701 tegen een verlaagd douanerecht (PB 2011, L 318, blz. 4), van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1240/2011 van de Commissie van 30 november 2011 tot vaststelling van buitengewone maatregelen inzake het tegen verlaagde overschotheffing op de markt van de Unie brengen van buiten het quotum geproduceerde suiker en isoglucose in het verkoopseizoen 2011/2012 (PB 2011, L 318, blz. 9), van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1281/2011 van de Commissie van 8 december 2011 inzake het minimumdouanerecht dat moet worden vastgesteld naar aanleiding van de eerste deelinschrijvingen in het kader van de bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 1239/2011 geopende openbare inschrijving (PB 2011, L 327, blz. 60), van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1308/2011 van de Commissie van 14 december 2011 tot vaststelling van de toewijzingscoëfficiënt, tot afwijzing van verdere aanvragen en tot sluiting van de periode voor de indiening van aanvragen voor beschikbare hoeveelheden buiten het quotum geproduceerde suiker die tijdens het verkoopseizoen 2011/2012 tegen verlaagde overschotheffing op de markt van de Unie moeten worden verkocht (PB 2011, L 332, blz. 8), van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1316/2011 van de Commissie van 15 december 2011 inzake het minimumdouanerecht dat moet worden vastgesteld naar aanleiding van de tweede deelinschrijvingen in het kader van de bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 1239/2011 geopende openbare inschrijving (PB 2011, L 334, blz. 16), van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1384/2011 van de Commissie van 22 december 2011 inzake het minimumdouanerecht dat moet worden vastgesteld naar aanleiding van de derde deelinschrijvingen in het kader van de bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 1239/2011 geopende openbare inschrijving (PB 2011, L 343, blz. 33), van uitvoeringsverordening (EU) nr. 27/2012 van de Commissie van 12 januari 2012 inzake het minimumdouanerecht voor suiker dat moet worden vastgesteld naar aanleiding van de vierde deelinschrijving in het kader van de bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 1239/2011 geopende openbare inschrijving (PB 2012, L 9, blz. 12) en van uitvoeringsverordening (EU) nr. 57/2012 van de Commissie van 23 januari 2012 tot schorsing van de bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 1239/2011 geopende permanente openbare inschrijving (PB 2012, L 19, blz. 12). Anderzijds, verzoek krachtens artikel 268 VWEU om vergoeding van de schade die verzoeksters stellen te hebben geleden ten gevolge van de vaststelling van die handelingen en de weigering van de Commissie om de maatregelen te nemen die nodig zijn om de voorziening met ruwe rietsuiker te herstellen.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

T & L Sugars Ltd en Sidul Açúcares, Unipessoal Lda zullen behalve hun eigen kosten ook die van de Europese Commissie dragen.

3)

De Raad van de Europese Unie, DAI — Sociedade de Desenvolvimento Agro-Industrial, SA, RAR — Refinarias de Açùcar Reunidas, SA, Lemarco SA, Lemarco Cristal Srl, Zaharul Liesti SA, SFIR — Società Fondiaria Industriale Romagnola SpA, SFIR Raffineria di Brindisi SpA en het Comité européen des fabricants de sucre (CEFS) zullen hun eigen kosten dragen.


(1)  PB C 151 van 26.5.2012.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/21


Arrest van het Gerecht van 30 november 2016 — Bank Refah Kargaran/Raad

(Zaak T-65/14) (1)

((„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen ten aanzien van Iran - Bevriezing van tegoeden - Nieuwe plaatsing van verzoeksters naam op de lijst na nietigverklaring door het Gerecht van de oorspronkelijke plaatsing - Onjuiste toepassing van het recht - Onjuiste opvatting van de feiten - Motiveringsplicht - Rechten van de verdediging - Recht op effectieve rechterlijke bescherming - Evenredigheid”))

(2017/C 022/27)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Bank Refah Kargaran (Teheran, Iran) (vertegenwoordiger: J.-M. Thouvenin, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: V. Piessevaux, M. Bishop en B. Driessen, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Aresu en D. Gauci, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende, primair, tot nietigverklaring van besluit 2013/661/GBVB van de Raad van 15 november 2013 houdende wijziging van besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran (PB 2013, L 306, blz. 18), en van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1154/2013 van de Raad van 15 november 2013 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB 2013, L 306, blz. 3), voor zover deze handelingen verzoekster betreffen, en, subsidiair, tot nietigverklaring van besluit 2013/661 en van uitvoeringsverordening nr. 1154/2013, voor zover deze handelingen verzoekster betreffen vanaf 20 januari 2014

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Bank Refah Kargaran draagt haar eigen kosten en die van de Raad van de Europese Unie.

3)

De Europese Commissie draagt haar eigen kosten.


(1)  PB C 135 van 5.5.2014.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/22


Arrest van het Gerecht van 30 november 2016 — Export Development Bank of Iran/Raad

(Zaak T-89/14) (1)

((„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen ten aanzien van Iran - Bevriezing van tegoeden - Nieuwe plaatsing van verzoeksters naam op de lijst na nietigverklaring door het Gerecht van de oorspronkelijke plaatsing - Onjuiste toepassing van het recht - Onjuiste opvatting van de feiten - Motiveringsplicht - Rechten van de verdediging - Recht op effectieve rechterlijke bescherming - Evenredigheid - Gelijke behandeling”))

(2017/C 022/28)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Export Development Bank of Iran (Teheran, Iran) (vertegenwoordiger: J.-M. Thouvenin, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: V. Piessevaux en M. Bishop, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Aresu en D. Gauci, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende, primair, tot nietigverklaring van besluit 2013/661/GBVB van de Raad van 15 november 2013 houdende wijziging van besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran (PB 2013, L 306, blz. 18), en van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1154/2013 van de Raad van 15 november 2013 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB 2013, L 306, blz. 3), voor zover deze handelingen verzoekster betreffen, en, subsidiair, tot nietigverklaring van besluit 2013/661 en van uitvoeringsverordening nr. 1154/2013, voor zover deze handelingen verzoekster betreffen vanaf 20 januari 2014

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Export Development Bank of Iran draagt haar eigen kosten en die van de Raad van de Europese Unie.

3)

De Europese Commissie draagt haar eigen kosten.


(1)  PB C 135 van 5.5.2014.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/23


Arrest van het Gerecht van 30 november 2016 — Rotenberg/Raad

(Zaak T-720/14) (1)

((„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen met betrekking tot acties die Oekraïne ondermijnen of bedreigen - Bevriezing van tegoeden - Beperkingen inzake de toegang tot het grondgebied van de lidstaten - Natuurlijke persoon die acties die Oekraïne ondermijnen of bedreigen actief steunt of uitvoert - Natuurlijke persoon die profijt heeft van de Russische beleidsmakers die verantwoordelijk zijn voor de annexatie van de Krim - Rechten van de verdediging - Motiveringsplicht - Kennelijke beoordelingsfouten - Eigendomsrecht - Vrijheid van ondernemerschap - Recht op eerbiediging van het privéleven - Evenredigheid”))

(2017/C 022/29)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Arkady Romanovich Rotenberg (Sint-Petersburg, Rusland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk D. Pannick, QC, M. Lester, barrister, en M. O’Kane, solicitor, vervolgens D. Pannick, M. Lester, S. Hey, H. Brunskill, solicitors, en Z. Al-Rikabi, barrister, en tot slot D. Pannick, M. Lester en Z. Al-Rikabi)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: J.-P. Hix en B. Driessen, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot gedeeltelijke nietigverklaring van besluit 2014/145/GBVB van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 16), zoals in de eerste plaats gewijzigd bij besluit 2014/508/GBVB van de Raad van 30 juli 2014 (PB 2014, L 226, blz. 23), in de tweede plaats bij besluit (GBVB) 2015/432 van de Raad van 13 maart 2015 (PB 2015, L 70, blz. 47), in de derde plaats bij besluit (GBVB) 2015/1524 van de Raad van 14 september 2015 (PB 2015, L 239, blz. 157), en in de vierde plaats bij besluit (GBVB) 2016/359 van de Raad van 10 maart 2016 (PB 2016, L 67, blz. 37), en van verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 6, met rectificatie in PB 2014, L 121, blz. 60), zoals in de eerste plaats uitgevoerd bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 826/2014 van de Raad van 30 juli 2014 (PB 2014, L 226, blz. 16), in de tweede plaats bij uitvoeringsverordening (EU) 2015/427 van de Raad van 13 maart 2015 (PB 2015, L 70, blz. 1), in de derde plaats bij uitvoeringsverordening (EU) 2015/1514 van de Raad van 14 september 2015 (PB 2015, L 239, blz. 30), en in de vierde plaats bij uitvoeringsverordening (EU) 2016/353 van de Raad van 10 maart 2016 (PB 2016, L 67, blz. 1), voor zover deze handelingen verzoeker betreffen

Dictum

1)

Besluit 2014/145/GBVB van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen, zoals gewijzigd bij besluit 2014/508/GBVB van de Raad van 30 juli 2014, en verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen, zoals uitgevoerd bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 826/2014 van de Raad van 30 juli 2014, worden nietig verklaard voor zover zij Arkady Romanovich Rotenberg betreffen.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

Elke partij draagt haar eigen kosten.


(1)  PB C 7 van 12.1.2015.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/24


Arrest van het Gerecht van 30 november 2016 — Fiesta Hotels & Resorts/EUIPO — Residencial Palladium (PALLADIUM PALACE IBIZA RESORT & SPA)

(Zaak T-217/15) (1)

([„Uniemerk - Nietigheidsprocedure - Uniebeeldmerk PALLADIUM PALACE IBIZA RESORT & SPA - Oudere nationale handelsnaam GRAND HOTEL PALLADIUM - Relatieve weigeringsgrond - In het economisch verkeer gebruikt teken van meer dan alleen plaatselijke betekenis - Artikel 8, lid 4, en artikel 53, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 207/2009”])

(2017/C 022/30)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Fiesta Hotels & Resorts, SL (Ibiza, Spanje) (vertegenwoordiger: J.-B. Devaureix, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: J. Crespo Carrillo, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: Resid (Ibiza, Spanje) (vertegenwoordiger: D. Solana Giménez, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 23 februari 2015 (zaak R 2391/2013-2) inzake een nietigheidsprocedure tussen Residencial Palladium en Fiesta Hotels & Resorts

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Fiesta Hotels & Resorts, SL wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 205 van 22.6.2015.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/24


Arrest van het Gerecht van 29 november 2016 — ANKO/REA

(Zaak T-270/15) (1)

([„Arbitrageclausule - In het kader van het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013) gesloten subsidieovereenkomst - ESS-project - Overeenstemming met de contractbepalingen van de opschorting jegens verzoekster en voorwaarden voor opheffing van deze betalingsopschorting - Vertragingsrente”])

(2017/C 022/31)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: ANKO AE Antiprosopeion, Emporiou kai Viomichanias (Athene, Griekenland) (vertegenwoordiger: V. Christianos, advocaat)

Verwerende partij: Uitvoerend Agentschap Onderzoek (vertegenwoordigers: S. Payan-Lagrou en V. Canetti, gemachtigden, aanvankelijk bijgestaan door O. Lytra, vervolgens A. Saratsi, advocaten)

Voorwerp

Verzoek op grond van artikel 272 VWEU tot vaststelling dat de door het REA besloten opschorting van de betaling van het resterende gedeelte van de financiële steun die aan verzoekster is verschuldigd uit hoofde van de uitvoering van subsidieovereenkomst nr. 217951 tot financiering van het project „Emergency support system”, gesloten in het kader van het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013), in strijd is met zijn contractuele verplichtingen en dat het bedrag bijgevolg aan verzoekster moet worden uitgekeerd, vermeerderd met rente, te rekenen vanaf de dag van betekening van het beroep

Dictum

1)

Het Uitvoerend Agentschap Onderzoek (REA) heeft de betalingen aan ANKO AE Antiprosopeion, Emporiou kai Viomichanias opgeschort in strijd met punt II.5, lid 3, onder d), van de algemene voorwaarden als gehecht aan subsidieovereenkomst nr. 217951 tot financiering van het project „Emergency support system”, gesloten in het kader van het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013).

2)

Het REA wordt veroordeeld om ANKO AE Antiprosopeion, Emporiou kai Viomichanias een bedrag te betalen ter hoogte van de tussentijdse betalingen met betrekking tot de deelname van laatstgenoemde aan het project „Emergency support system” die niet hadden mogen worden opgeschort, met een maximum van het resterende gedeelte van de financiële bijdrage die beschikbaar was op het moment van opschorting ervan, vermeerderd met vertragingsrente, die voor elke periode van uitstel ingaat bij het verval van de betalingstermijn van 105 dagen na ontvangst van de bijbehorende verslagen, tegen de op de eerste dag van de maand van de betalingstermijn geldende rentevoet zoals bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, C-serie, vermeerderd met drie en een halve procentpunt.

3)

Het REA draagt de kosten.


(1)  PB C 279 van 24.8.2015.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/25


Arrest van het Gerecht van 30 november 2016 — Automobile Club di Brescia/EUIPO — Rebel Media (e-miglia)

(Zaak T-458/15) (1)

([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniebeeldmerk e-miglia - Oudere Uniewoordmerken MILLE MIGLIA - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])

(2017/C 022/32)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Automobile Club di Brescia (Brescia, Italië) (vertegenwoordigers: F. Celluprica en F. Fischetti, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: L. Rampini, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht: Rebel Media Ltd (Wilmslow, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: P. Schotthöfer en F. Steiner, advocaten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 9 juni 2015 (zaak R 1990/2014-5) inzake een oppositieprocedure tussen Automobile Club di Brescia en Rebel Media

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Het incidentele beroep wordt verworpen.

3)

Automobile Club di Brescia en Rebel Media Ltd dragen hun eigen kosten en elk de helft van de kosten van het EUIPO.


(1)  PB C 328 van 5.10.2015.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/26


Arrest van het Gerecht van 1 december 2016 — Z/Hof van Justitie van de Europese Unie

(Zaak T-532/15 P) (1)

((„Hogere voorziening - Openbare dienst - Ambtenaren - Beoordelingsrapport - Onpartijdigheid van het Gerecht voor ambtenarenzaken - Verzoek om wraking van leden van een rechtsprekende formatie - Rechten van de verdediging - Recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming”))

(2017/C 022/33)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirante: Z (Luxemburg, Luxemburg) (vertegenwoordiger: F. Rollinger, advocaat)

Andere partij in de procedure: Hof van Justitie van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk A. Placco, vervolgens J. Inghelram en Á. Almendros Manzano, gemachtigden)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Tweede kamer) van 30 juni 2015, Z/Hof van Justitie (F-64/13, EU:F:2015:72), en strekkende tot vernietiging van dat arrest

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Z wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 16 van 18.1.2016.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/26


Arrest van het Gerecht van 29 november 2016 — Pi-Design/EUIPO — Société des produits Nestlé (PRESSO)

(Zaak T-545/15) (1)

([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Internationale inschrijving - Verzoek om territoriale uitstrekking van de bescherming - Woordmerk PRESSO - Ouder nationaal woordmerk PRESSO - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])

(2017/C 022/34)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Pi-Design AG (Triengen, Zwitserland) (vertegenwoordiger: M. Apelt, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: M. Fischer, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO: Société des produits Nestlé SA (Vevey, Zwitserland)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 2 juli 2015 (zaak R 428/2014-1) inzake een oppositieprocedure tussen Société des produits Nestlé en Pi-Design

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Pi-Design AG wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 371 van 9.11.2015.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/27


Arrest van het Gerecht van 1 december 2016 — Universidad Internacional de la Rioja/EUIPO — Universidad de la Rioja (UNIVERSIDAD INTERNACIONAL DE LA RIOJA uniR)

(Zaak T-561/15) (1)

([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniebeeldmerk UNIVERSIDAD INTERNACIONAL DE LA RIOJA uniR - Ouder Uniewoordmerk UNIRIOJA - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])

(2017/C 022/35)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Universidad Internacional de la Rioja, SA (Logroño, Spanje) (vertegenwoordigers: C. Lema Devesa en A. Porras Fernandez Toledano, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: A. Schifko, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: Universidad de la Rioja (Logroño, Spanje) (vertegenwoordigers: aanvankelijk J. Diez-Hochleitner Rodríguez, D. Garayalde Niño en A. I. Alpera Plazas, advocaten, vervolgens Diez-Hochleitner Rodríguez en Garayalde Niño)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 22 juni 2015 (zaak R 1914/2014-5) inzake een oppositieprocedure tussen Universidad de la Rioja en Universidad Internacional de la Rioja

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Universidad Internacional de la Rioja, SA wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 389 van 23.11.2015.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/28


Arrest van het Gerecht van 24 november 2016 — Azur Space Solar Power/EUIPO (Afbeelding van witte lijnen en blokken op een zwarte achtergrond)

(Zaak T-578/15) (1)

([„Uniemerk - Internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Unie - Beeldmerk dat witte lijnen en blokken op een zwarte achtergrond weergeeft - Absolute weigeringsgrond - Geen onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])

(2017/C 022/36)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Azur Space Solar Power GmbH (Heilbronn, Duitsland) (vertegenwoordigers: J. Nicodemus en S. Stöcker, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk E. Zaera Cuadrado, vervolgens A. Folliard-Monguiral, gemachtigden)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 27 juli 2015 (zaak R 2780/2014-4) inzake de internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Unie van een beeldmerk dat bestaat uit witte lijnen en blokken op een zwarte achtergrond

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Azur Space Solar Power GmbH wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 414 van 14.12.2015.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/28


Arrest van het Gerecht van 24 november 2016 — Azur Space Solar Power/EUIPO (Afbeelding van zwarte lijnen en blokken)

(Zaak T-614/15) (1)

([„Uniemerk - Internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Unie - Beeldmerk dat zwarte lijnen en blokken weergeeft - Absolute weigeringsgrond - Geen onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])

(2017/C 022/37)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Azur Space Solar Power GmbH (Heilbronn, Duitsland) (vertegenwoordigers: J. Nicodemus en S. Stöcker, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral, gemachtigde)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 2 september 2015 (zaak R 3233/2014-4) inzake de internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Unie van een beeldmerk dat bestaat uit zwarte lijnen en blokken

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Azur Space Solar Power GmbH wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 38 van 1.2.2016.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/29


Arrest van het Gerecht van 29 november 2016 — Chic Investments/EUIPO (eSMOKING WORLD)

(Zaak T-617/15) (1)

([„Uniemerk - Aanvraag voor Uniebeeldmerk eSMOKING WORLD - Absolute weigeringsgronden - Beschrijvend karakter - Geen onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening (EG) nr. 207/2009 - Motiveringsplicht”])

(2017/C 022/38)

Procestaal: Pools

Partijen

Verzoekende partij: Chic Investments sp. z o.o. (Poznań, Polen) (vertegenwoordiger: K. Jarosiński, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: D. Walicka, gemachtigde)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 25 juni 2015 (zaak R 3227/2014-5) inzake een aanvraag tot inschrijving van het beeldteken eSMOKING WORLD als Uniemerk

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Chic Investments sp. z o.o. wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 16 van 18.1.2016.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/29


Arrest van het Gerecht van 6 december 2016 — Tuum/EUIPO — Thun (TUUM)

(Zaak T-635/15) (1)

([„Uniemerk - Aanvraag voor Uniebeeldmerk TUUM - Ouder nationaal beeldmerk THUN - Relatieve weigeringsgrond - Geen verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])

(2017/C 022/39)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Tuum Srl (San Giustino, Italië) (vertegenwoordiger: B. Saguatti, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: L. Rampini, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht: Thun SpA (Bolzano, Italië) (vertegenwoordigers: L. Sergi en G. Muscas, advocaten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 3 september 2015 (zaak R 2624/2014-1) inzake een oppositieprocedure tussen Thun en Tuum

Dictum

1)

De beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 3 september 2015 (zaak R 2624/2014-1) wordt vernietigd.

2)

De oppositie wordt afgewezen.

3)

Het EUIPO zal zijn eigen kosten dragen, alsmede de helft van de kosten die Tuum Srl in de procedure bij het Gerecht en bij de kamer van beroep zijn opgekomen.

4)

Thun Spa zal haar eigen kosten dragen, alsmede de helft van de kosten die Tuum in de procedure bij het Gerecht en bij de kamer van beroep zijn opgekomen.


(1)  PB C 16 van 18.1.2016.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/30


Arrest van het Gerecht van 6 december 2016 — Groupe Go Sport/EUIPO — Design Go (GO SPORT)

(Zaak T-703/15) (1)

([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniewoordmerk GO SPORT - Oudere nationale woordmerken GO - Gedeeltelijke weigering van inschrijving door de oppositieafdeling - Te late indiening van de schriftelijke uiteenzetting van de gronden van het beroep - Niet-ontvankelijkheid van het beroep bij de kamer van beroep - Artikel 60 van verordening (EG) nr. 207/2009 - Regel 49, lid 1, van verordening (EG) nr. 2868/95”])

(2017/C 022/40)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Groupe Go Sport (Sassenage, Frankrijk) (vertegenwoordigers: G. Arbant en E. Henry-Mayer, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: D. Gája, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO: Design Go Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 22 september 2015 (zaak R 569/2015-2) inzake een oppositieprocedure tussen Design Go en Groupe Go Sport

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Groupe Go Sport wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 48 van 8.2.2016.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/31


Arrest van het Gerecht van 6 december 2016 — The Art Company B & S/EUIPO — Manifatture Daddato en Laurora (SHOP ART)

(Zaak T-735/15) (1)

([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniebeeldmerk SHOP ART - Ouder Uniebeeldmerk art - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])

(2017/C 022/41)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: The Art Company B & S, SA (Quel, Spanje) (vertegenwoordigers: L. Sánchez Calderón en J. Villamor Muguerza, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: S. Palmero Cabezas, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht: Manifatture Daddato SpA (Barletta, Italië) (vertegenwoordiger: D. Russo, advocaat)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO: Sabina Laurora (Trani, Italië)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 8 oktober 2015 (zaak R 3050/2014-1) inzake een oppositieprocedure tussen The Art Company B & S enerzijds, en Manifatture Daddato en Laurora anderzijds

Dictum

1)

De beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 8 oktober 2015 (zaak R 3050/2014-1) wordt vernietigd.

2)

Elke partij zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 68 van 22.2.2016.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/31


Arrest van het Gerecht van 1 december 2016 — EK/servicegroup/EUIPO (FERLI)

(Zaak T-775/15) (1)

([„Uniemerk - Aanvraag voor Uniewoordmerk FERLI - Vereiste van duidelijkheid - Artikel 28 van verordening (EG) nr. 207/2009 - Rechten van verdediging - Artikel 75, tweede zin, van verordening (EG) nr. 207/2009”])

(2017/C 022/42)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: EK/servicegroup (Bielefeld, Duitsland) (vertegenwoordigers: T. Müller en T. A. Müller, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: S. Hanne, gemachtigde)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 28 oktober 2015 (zaak R 1233/2015-4) inzake een aanvraag tot inschrijving van het woordteken FERLI als Uniemerk

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

EK/servicegroup eG wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 78 van 28.2.2016.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/32


Arrest van het Gerecht van 30 november 2016 — K&K Group/EUIPO — Pret A Manger (Europe) (Pret A Diner)

(Zaak T-2/16) (1)

([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Unie - Beeldmerk Pret A Diner - Ouder Uniebeeldmerk PRET A MANGER - Ouder nationaal woordmerk PRET - Relatieve weigeringsgrond - Normaal gebruik van het oudere merk - Artikel 42, leden 2 en 3, van verordening (EG) nr. 207/2009 - Voordeel dat ongerechtvaardigd wordt getrokken uit het onderscheidend vermogen of de reputatie van de oudere merken - Artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009”])

(2017/C 022/43)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: K&K Group AG (Cham, Zwitserland) (vertegenwoordigers: N. Lützenrath, U. Rademacher, C. Fürsen en N. Bertram, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: J. Crespo Carrillo, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht: Pret A Manger (Europe) Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordiger: M. Edenborough, QC)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 29 oktober 2015 (zaak R 2825/2014-5) inzake een oppositieprocedure tussen Pret A Manger (Europe) en K&K Group

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

K&K Group AG wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 78 van 29.2.2016.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/33


Beschikking van het Gerecht van 1 december 2016 — STC/Commissie

(Zaak T-355/14) (1)

((„Overheidsopdrachten voor werken - Aanbestedingsprocedure - Bouw van een trigeneratiecentrale met een gasturbine en het daarmee samenhangende onderhoud - Afwijzing van de offerte van een inschrijver - Intrekking van de bestreden handeling - Afdoening zonder beslissing”))

(2017/C 022/44)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: STC SpA (Forlì, Italië) (vertegenwoordigers: A. Marelli en G. Delucca, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk L. Di Paolo, F. Moro en L. Cappelletti, vervolgens L. Di Paolo en F. Moro, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: CPL Concordia Soc. coop. (Concordia Sulla Secchia, Italië) (vertegenwoordiger: A. Penta, advocaat)

Voorwerp

Ten eerste een verzoek op grond van artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van 1) het besluit van 3 april 2014 waarbij de Commissie de offerte van verzoekster in het kader van aanbesteding JRC IPR 2013 C04 0031 OC voor de bouw van een trigeneratiecentrale met een gasturbine en het onderhoud ervan (PB 2013/S 137-237146) op het terrein van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (GCO) te Ispra (Italië) heeft afgewezen, 2) het besluit waarbij de Commissie de opdracht aan CPL Concordia heeft gegund alsmede van iedere daarmee samenhangende handeling die daaraan vooraf ging of daarop volgde, waaronder begrepen het eventuele besluit waarbij het contract werd goedgekeurd, en in voorkomend geval het contract zelf, 3) de brief van de Commissie van 15 april 2014 waarbij het verzoek van verzoekster om inzage in de aanbestedingsstukken werd afgewezen, en ten tweede, primair, een verzoek dat ertoe strekt dat de Commissie wordt gelast de gunning te herroepen en de opdracht aan verzoekster te gunnen en, subsidiair, mocht het nadeel niet in natura kunnen worden hersteld, dat de Commissie wordt veroordeeld tot vergoeding van de door verzoekster geleden schade.

Dictum

1)

Op het onderhavige beroep behoeft niet meer te worden beslist.

2)

De vorderingen van CPL Concordia Soc. coop. worden kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

3)

Elke partij zal haar eigen kosten dragen die verband houden met de onderhavige procedure en met de procedure in kort geding.


(1)  PB C 233 van 14.7.2014.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/33


Beschikking van het Gerecht van 1 december 2016 — Europower/Commissie

(Zaak T-383/14) (1)

((„Overheidsopdrachten voor werken - Aanbestedingsprocedure - Bouw van een trigeneratiecentrale met een gasturbine en het daarmee samenhangende onderhoud - Afwijzing van de offerte van een inschrijver - Intrekking van de bestreden handeling - Afdoening zonder beslissing”))

(2017/C 022/45)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Europower SpA (Milaan, Italië) (vertegenwoordigers: G. Cocco en L. Salomoni, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk L. Cappelletti, F. Moro en L. Di Paolo, vervolgens L. Di Paolo en F. Moro, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: CPL Concordia Soc. coop. (Concordia Sulla Secchia, Italië) (vertegenwoordiger: A. Penta, advocaat)

Voorwerp

Ten eerste een verzoek op grond van artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van het besluit van 3 april 2014 waarbij de Commissie de offerte van verzoekster in het kader van aanbesteding JRC IPR 2013 C04 0031 OC voor de bouw van een trigeneratiecentrale met een gasturbine en het onderhoud ervan (PB 2013/S 137-237146) op het terrein van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (GCO) te Ispra (Italië) heeft afgewezen, van het besluit waarbij de Commissie de opdracht aan CPL Concordia heeft gegund, van iedere daarmee samenhangende handeling die daaraan vooraf ging of daarop volgde, waaronder begrepen het eventuele besluit waarbij het contract werd goedgekeurd, en ook van het contract zelf, alsook het besluit van de Commissie waarbij het verzoek van verzoekster om inzage in de aanbestedingsstukken werd afgewezen, en ten tweede een verzoek op grond van artikel 268 VWEU tot vergoeding van de schade die verzoekster stelt te hebben geleden.

Dictum

1)

Op het onderhavige beroep behoeft niet meer te worden beslist.

2)

De vorderingen van CPL Concordia Soc. coop. tot afwijzing van het verzoek om afdoening zonder beslissing worden kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

3)

De Europese Commissie zal haar eigen kosten en die van Europower SpA dragen, waaronder de kosten die verband houden met de procedure in kort geding.

4)

CPL Concordia zal haar eigen kosten dragen die verband houden met deze procedure en met de procedure in kort geding.


(1)  PB C 235 van 21.7.2014.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/34


Beschikking van het Gerecht van 25 november 2016 — Stichting Accolade/Commissie

(Zaak T-598/15) (1)

([„Staatssteun - Vermeende verkoop van een aantal percelen onder de marktprijs - Klacht van een derde bij de Commissie - Besluit waarbij wordt verklaard dat de litigieuze maatregel geen steun vormt - Procedure van de inleidende fase van het onderzoek naar vermeend onrechtmatige individuele steun op grond van artikel 108, lid 2, VWEU, artikel 10, lid 1, artikel 13, lid 1, en artikel 4, lid 2, van verordening (EG) nr. 659/1999 - Beroep van een derde tot nietigverklaring - Ontvankelijkheid - Procesbevoegdheid - Beroep strekkende tot het doen eerbiedigen van de procedurele rechten - Beroep waarbij de gegrondheid van de litigieuze maatregel wordt betwist - Geen wezenlijke aantasting van de concurrentiepositie - Niet-ontvankelijkheid”])

(2017/C 022/46)

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekende partij: Stichting Accolade (Drachten, Nederland) (vertegenwoordigers: H. de Boer en J. Abma, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P.-J. Loewenthal en S. Noë, gemachtigden)

Voorwerp

Op artikel 263 VWEU gebaseerd verzoek tot nietigverklaring van besluit C(2015) 4411 final van de Commissie van 30 juni 2015 betreffende staatssteun SA.34676 (2015/NN) — Nederland (vermeende verkoop van grond onder de marktprijs door de gemeente Harlingen), waarbij de Commissie heeft besloten dat de verkoop van die grond aan Ludinga Vastgoed BV geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormt

Dictum

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Stichting Accolade wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 406 van 7.12.2015.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/35


Beschikking van het Gerecht van 28 november 2016 — SureID/EUIPO (SUREID)

(Zaak T-128/16) (1)

([„Uniemerk - Aanvraag voor Uniewoordmerk SUREID - Absolute weigeringsgrond - Geen onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 - Beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009 - Beroep dat kennelijk rechtens ongegrond is”])

(2017/C 022/47)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: SureID, Inc. (Hillsboro, Oregon, Verenigde Staten van Amerika) (vertegenwoordiger: B. Brandreth, barrister)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: A. Folliard-Monguiral en S. Crabbe, gemachtigden)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 18 januari 2016 (zaak R 1478/2015-4) inzake de inschrijving van het woordteken SUREID als Uniemerk

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

SureID, Inc. wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 175 van 17.5.2016.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/35


Beschikking van het Gerecht van 28 november 2016 — Italië/Commissie

(Zaak T-147/16) (1)

((„Niet-uitvoering van een arrest van het Hof houdende vaststelling van niet-nakoming - Dwangsom - Beslissing houdende vaststelling van de dwangsom - Afdoening zonder beslissing”))

(2017/C 022/48)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: G. Palmieri, gemachtigde, en S. Fiorentino, avvocato dello Stato)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: B. Stromsky en D. Recchia, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU, strekkende tot nietigverklaring van besluit C (2016) 366 final van de Commissie van 28 januari 2016, waarbij de Commissie, ter uitvoering van het arrest van 17 november 2011, Commissie/Italië (C-496/09, EU:C:2011:740), het bedrag heeft vastgesteld van de dwangsom die de Italiaanse Republiek verschuldigd is voor het halfjaar van 18 november 2012 tot en met 17 mei 2013 en het halfjaar van 18 mei 2013 tot en met 17 november 2013.

Dictum

1)

Op het beroep hoeft niet meer te worden beslist.

2)

De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten


(1)  PB C 191 van 30.5.2016.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/36


Beschikking van het Gerecht van 28 november 2016 — Matratzen Concord/EUIPO (Ganz schön ausgeschlafen)

(Zaak T-225/16) (1)

([„Uniemerk - Aanvraag voor Uniewoordmerk Ganz schön ausgeschlafen - Merk bestaande in een reclameslogan - Absolute weigeringsgrond - Beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 207/2009 - Beroep dat kennelijk rechtens ongegrond is”])

(2017/C 022/49)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Matratzen Concord GmbH (Keulen, Duitsland) (vertegenwoordiger: I. Selting, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: D. Hanf en A. Graul, gemachtigden)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 24 februari 2016 (zaak R 1234/2015-1) inzake een aanvraag tot inschrijving van het woordteken Ganz schön ausgeschlafen als Uniemerk

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Matratzen Concord GmbH wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 232 van 27.6.2016.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/36


Beschikking van het Gerecht van 24 november 2016 — ED/EUIPO

(Zaak T-512/16) (1)

((„Openbare dienst - Tijdelijk functionaris - Telewerk - Verzoek om verlenging - Afwijzing - Beroep - Latere invaliditeitsverklaring - Afdoening zonder beslissing”))

(2017/C 022/50)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: ED (Barcelona, Spanje) (vertegenwoordiger: S. Pappas, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: A. Lukošiūtė, P. Saba en D. Botis, gemachtigden)

Voorwerp

Krachtens artikel 270 VWEU ingediend verzoek om nietigverklaring van het besluit van het EUIPO van 15 januari 2014 tot afwijzing van verzoeksters verzoek van 26 september 2013 om tot het herstel van haar gezondheid in wezen telewerk te mogen blijven verrichten vanuit Barcelona (Spanje)

Dictum

1)

Op het onderhavige beroep behoeft niet meer te worden beslist.

2)

ED zal één derde van haar eigen kosten dragen.

3)

Het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) zal zijn eigen kosten dragen en twee derde van de kosten van ED.


(1)  PB C 184 van 16.6.2014 (zaak aanvankelijk ingeschreven bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie onder nummer F-35/14 en op 1 september 2016 verwezen naar het Gerecht van de Europese Unie).


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/37


Beschikking van het Gerecht van 24 november 2016 — ED/EUIPO

(Zaak T-520/16) (1)

((„Openbare dienst - Tijdelijk functionaris - Telewerk - Verzoek om verlenging - Afwijzing - Beroep - Latere invaliditeitsverklaring - Afdoening zonder beslissing”))

(2017/C 022/51)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: ED (Barcelona, Spanje) (vertegenwoordiger: S. Pappas, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: A. Lukošiūtė, gemachtigde)

Voorwerp

Krachtens artikel 270 VWEU ingediend verzoek om nietigverklaring van het besluit van het EUIPO van 15 januari 2014 tot afwijzing van verzoeksters verzoek van 26 september 2013 om tot het herstel van haar gezondheid in wezen telewerk te mogen blijven verrichten vanuit Barcelona (Spanje) en van het besluit van de president van het EUIPO van 3 juni 2014 tot afwijzing van haar klacht van 7 februari 2014

Dictum

1)

Op het onderhavige beroep behoeft niet meer te worden beslist.

2)

ED zal één derde van haar eigen kosten dragen.

3)

Het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) zal zijn eigen kosten dragen en twee derde van de kosten van ED.


(1)  PB C 7 van 12.1.2015 (zaak aanvankelijk ingeschreven bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie onder nummer F-93/14 en op 1 september 2016 verwezen naar het Gerecht van de Europese Unie).


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/37


Beroep ingesteld op 28 september 2016 — Enrico Colombo en Giacomo Corinti/Commissie

(Zaak T-690/16)

(2017/C 022/52)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partijen: Enrico Colombo SpA (Sesto Calende, Italië), Giacomo Corinti (Ispra, Italië) (vertegenwoordigers: R. Colombo en G. Turri, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

Verzoekster vordert:

nietigverklaring van het gunningsbesluit waarvan het kenmerk en de inhoud niet bekend zijn en dat is bekendgemaakt bij de oproep tot inschrijvingen van 20 juli 2016, ref. Ares(2016)371182, waarmee de Europese Commissie, Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (JRC) — vestiging te Ispra, opdracht CCR/IPR/2016/C.4/0002/OC, betreffende „werken voor de bouw van en het onderhoud van waterleidingen en onderstations van stadsverwarming/-koeling in het JCR te Ispra”, heeft toegewezen aan Carmet SAS di Fietta Graziella & C;

nietigverklaring van de oproep tot inschrijvingen van 20 juli 2016, ref. Ares(2016)371182, waarmee de Europese Commissie, JRC — vestiging te Ispra, het resultaat van de aanbestedingsprocedure heeft meegedeeld;

nietigverklaring van de notulen van 13 mei 2016 en 28 juni 2016;

schadevergoeding, primair, in natura, met name via de nietigverklaring, intrekking of ongeldigverklaring van de op 19 augustus 2016 tussen de Europese Commissie en Carmet SAS di Fietta Graziella & C gesloten overeenkomst waarvan het kenmerk en de inhoud niet bekend zijn, alsook de daaruit voortvloeiende vervanging van deze onderneming als geselecteerde inschrijver;

subsidiair, schadevergoeding bij equivalent, ten belope van 500 000 EUR dan wel een hoger of lager bedrag dat het Gerecht passend acht, vermeerderd met de interest en indexatie tot betaling van het verschuldigde bedrag.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter onderbouwing van haar beroep voert verzoekster de hierna volgende middelen aan: schending van de artikelen 105 en 107 van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB 2012, L 298, blz. 1), schending van de lex specialis betreffende de betrokken aanbestedingsprocedure, schending van het beginsel van gelijke behandeling en het beginsel van het recht op een eerlijk proces, alsook misbruik van bevoegdheid in de onderhavige zaak.

Verzoekster stelt in dit verband dat de offerte van de inschrijver aan wie de opdracht is gegund, had moeten worden uitgesloten, aangezien deze niet voldeed aan de bij de lex specialis gestelde voorwaarden inzake juridische en technische bekwaamheid.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/38


Beroep ingesteld op 22 oktober 2016 — QH/Parlement

(Zaak T-748/16)

(2017/C 022/53)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: QH (Sint-Pieters-Woluwe, België) (vertegenwoordigers: N. Lhoëst en S. Michiels, advocaten)

Verwerende partij: Europees Parlement

Conclusies

nietigverklaring van het besluit van 26 januari 2016 waarbij verzoekers verzoek om bijstand wordt afgewezen, en dientengevolge nietigverklaring van het besluit van 12 juli 2016 waarbij zijn klacht werd afgewezen, en vergoeding van de schade die verzoeker zou hebben geleden;

verwijzing van verweerder in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker vijf middelen aan.

1.

Eerste middel: belangenconflict, schending van de rechten van de verdediging, schending van het beginsel van hoor en wederhoor, schending van het beginsel van processuele gelijkheid van partijen en schending van artikel 41, lid 2, en artikel 42 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

2.

Tweede middel: kennelijk onjuiste beoordeling bij de aanstelling van de onderzoeker, geen onafhankelijke en onpartijdige onderzoeker en niet-naleving door de onderzoeker van zijn opdracht.

3.

Derde middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht met betrekking tot een besluit houdende beëindiging van een administratief onderzoek.

4.

Vierde middel: schending van het recht op behoorlijk bestuur en de zorgvuldigheidsplicht.

5.

Vijfde middel: kennelijk onjuiste beoordeling van de aangevoerde elementen betreffende psychisch geweld.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/39


Beroep ingesteld op 9 november 2016 — Government of Gibraltar/Commissie

(Zaak T-783/16)

(2017/C 022/54)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Government of Gibraltar (Gibraltar) (vertegenwoordigers: M. Llamas, QC, J. Temple Lang, solicitor, F.-C. Laprévote en C. Froitzheim, lawyers)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht om:

nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie van 1 oktober 2014 in de staatssteunzaak SA.34914(C/2013) (ex 2013/NN) — Gibraltar Corporate Income Tax Regime (regeling vennootschapsbelasting in Gibraltar);

verwijzing van verwerende partij in de kosten van de procedure en in alle overige kosten die voor verzoekster zijn opgekomen in deze zaak.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan.

1.

Eerste middel: de vaststelling dat de fiscale rulings als nieuwe steun kunnen worden beschouwd, geeft blijk van een onjuiste opvatting, feitelijk en rechtens, en is gebaseerd op een ondeugdelijke motivering.

Ter onderbouwing van dit middel stelt verzoekster, ten eerste, dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet van meet af aan te oordelen dat, indien de fiscale rulings en de individuele fiscale rulings staatssteun zouden opleveren, deze praktijken als bestaande steun moeten worden gekwalificeerd, ten tweede, dat de Commissie de feiten onjuist heeft opgevat waar zij heeft verklaard dat Section 42 van de Income Tax Act van 2010 (wet inkomstenbelasting van 2010) de rechtsgrondslag voor de fiscale rulings is, en, ten derde, dat het besluit niet geschikt is gemotiveerd aangezien de fiscale rulings volgens de Commissie als nieuwe steun moeten worden aangemerkt terwijl dit indruist tegen haar bewering dat de rulings in wezen een „de facto regeling” vormen.

2.

Tweede middel: het bestreden besluit geeft blijk van een onjuiste opvatting, feitelijk en rechtens, en is gebaseerd op een ondeugdelijke motivering.

Ter onderbouwing van dit middel stelt verzoekster, ten eerste, dat de voor een uitbreiding van de opening van het staatssteunonderzoek geldende voorwaarden in het onderhavige geval kennelijk niet vervuld waren, ten tweede, dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting van de feiten en een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te stellen dat de fiscale rulings een voordeel opleverden, ten derde, dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting van de feiten en een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat de fiscale rulings selectief zijn, ten vierde, dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting van de feiten en een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat de fiscale rulings de mededinging verstoren en/of gevolgen hebben voor het intracommunautaire handelsverkeer, en, ten vijfde, dat het bestreden besluit ontoereikend is gemotiveerd.

3.

Derde middel: de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat zij haar oorspronkelijk onderzoek in het bestreden besluit een andere wending heeft gegeven en zij de procedure van de Income Tax Act op kunstmatige wijze heeft „uitgebreid” tot rulings.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/40


Beroep ingesteld op 11 november 2016 — QD/EUIPO

(Zaak T-787/16)

(2017/C 022/55)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: QD (Alicante, Spanje) (vertegenwoordiger: H. Tettenborn, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

nietig te verklaren het besluit van het EUIPO van 4 maart 2016 om geen definitief besluit te nemen over verzoeksters verzoek van 19 januari 2016 om een tweede verlenging van de krachtens artikel 2, onder f), RAP gesloten overeenkomst en om een definitief besluit over dat verzoek uit te stellen naar een „specifieke procedure” in de toekomst; en

het EUIPO te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vier middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan schending door het EUIPO van de relevante bepalingen van het Statuut en de RAP, namelijk artikel 90, lid 1, van het Statuut (in samenhang met artikel 46 RAP), bijlage III bij het Statuut, de artikelen 2, 8 en 53 RAP en artikel 110 van het Statuut;

2.

Tweede middel, ontleend aan niet-nakoming door het EUIPO van zijn fiduciaire plicht;

3.

Derde middel, ontleend aan schending door het EUIPO van het beginsel van behoorlijk bestuur (artikel 41, leden 1, 2 en 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie);

4.

Vierde middel, ontleend aan misbruik van bevoegdheid door het EUIPO.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/41


Beroep ingesteld op 14 november 2016 — N & C Franchise/EUIPO — Eschenbach Optik (ojo sunglasses)

(Zaak T-792/16)

(2017/C 022/56)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: N & C Franchise Ltd (Nicosia, Cyprus) (vertegenwoordigers: C. Chrysanthis, P.-V. Chardalia en A. Vasilogamvrou, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Eschenbach Optik GmbH (Nürnberg, Duitsland)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij

Betrokken merk: beeldmerk met de woordelementen „ojo sunglasses” — Uniemerk nr. 13 224 761

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 9 september 2016 in zaak R 32/2016-5

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO in verzoeksters kosten en juridische honoraria.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/41


Beroep ingesteld op 11 november 2016 — Şölen Çikolata Gıda Sanayi ve Ticaret/EUIPO — Zaharieva (Dozen)

(Zaak T-793/16)

(2017/C 022/57)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Şölen Çikolata Gıda Sanayi ve Ticaret AŞ (Şehitkamil Gaziantep, Turkije) (vertegenwoordiger: T. Tsenova, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Elka Zaharieva (Plovdiv, Bulgarije)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken model: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken model: gemeenschapsmodel „Dozen” — gemeenschapsmodel nr. 002 343 244-0002

Bestreden beslissing: beslissing van de derde kamer van beroep van het EUIPO van 12 september 2016 in zaak R 1143/2015-3

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

nietigverklaring van gemeenschapsmodel nr. 002343244-0002 „Bobo Cornet”;

verwijzing van het EUIPO en Elka Zaharieva in de kosten die Şölen zijn opgekomen in de procedure voor het Gerecht en in de bestuurlijke fase van de procedure, inzonderheid in de nietigheids- en beroepsprocedure voor het EUIPO.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 25, lid 1, onder e), van verordening nr. 6/2002;

schending van artikel 25, lid 1, onder f), van verordening nr. 6/2002;

schending van artikel 62 en artikel 63, lid 1, van verordening nr. 6/2002.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/42


Beroep ingesteld op 11 november 2016 — Şölen Çikolata Gıda Sanayi ve Ticaret/EUIPO — Zaharieva (Verpakkingen voor roomijshoorntjes)

(Zaak T-794/16)

(2017/C 022/58)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Şölen Çikolata Gıda Sanayi ve Ticaret AŞ (Şehitkamil Gaziantep, Turkije) (vertegenwoordiger: T. Tsenova, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Elka Zaharieva (Plovdiv, Bulgarije)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken model: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken model: gemeenschapsmerk „Verpakkingen voor roomijshoorntjes” — gemeenschapsmodel nr. 002 343 244-0001

Bestreden beslissing: beslissing van de derde kamer van beroep van het EUIPO van 12 september 2016 in zaak R 1144/2015-3

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

nietigverklaring van gemeenschapsmodel nr. 002343244-0001 „Bobo Cornet”;

verwijzing van het EUIPO en Elka Zaharieva in de kosten die Şölen zijn opgekomen in de procedure voor het Gerecht en in de bestuurlijke fase van de procedure, inzonderheid in de nietigheids- en beroepsprocedure voor het EUIPO.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 25, lid 1, onder e), van verordening nr. 6/2002;

schending van artikel 25, lid 1, onder f), van verordening nr. 6/2002;

schending van artikel 62 van verordening nr. 6/2002;

schending van artikel 63, lid 1, van verordening nr. 6/2002.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/43


Beroep ingesteld op 16 november 2016 — Xiaomi/EUIPO — Dudingen Develops (MI)

(Zaak T-799/16)

(2017/C 022/59)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Xiaomi, Inc. (Beijing, China) (vertegenwoordigers: T. Raab en C. Tenkhoff, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Dudingen Develops, SL (Numancia de la Sagra, Spanje)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij

Betrokken merk: beeldmerk „MI” — Uniemerkaanvraag nr. 13 498 423

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 5 september 2016 in zaak R 337/2016-4

Conclusies

gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing, namelijk voor zover daarbij is vastgesteld dat er geen gevaar voor verwarring bestond met betrekking tot:

„Elektrische draden; Moffen [omhulsels] voor elektrische kabels; Kabelafdekkingen [leidingen]; Verlengsnoeren; Elektriciteitsdraad (Gelakte -); Kabeldetectoren; Elektrische adapterkabels; Elektriciteitsdraden (Geïsoleerde -); Weerstandsdraden; Thermokoppeldraad; Kabels van metaal [elektrisch]; Kabelconnectors; Meetkabels; Aansluitkabels; Goten voor elektrische kabels; Kabelsplitsen voor elektrische kabels; Monteerkoorden [elektrisch]; Leidingen voor elektrische kabels; Kabelkanalen (elektrisch); Kabeldozen (Elektrische -); Kabelaansluitingen voor elektriciteitskabels; Draadklemmen [elektriciteit]; Hittebestendige elektriciteitskabels; Verbindingsblokken [elektrische kabels]; Helmen voor sportdoeleinden; Labeltjes voor identificatie van elektrische kabels; Kabelaansluitingen (Elektrische -); Markeerders voor elektriciteitsdraad; Elektriciteitskabels met minerale isolatie; Verbindingen (Mannelijke -) voor elektriciteitskabels; Moffen (Buigzame -) voor elektrische kabels; Materiaal voor elektrische leidingen [draden, kabels]; Verbindingsmoffen voor elektrische kabels; Aansluitdozen voor elektrische draden; Behuizing (Dozen van -) van kabelaansluitingen; Apparaten, instrumenten en kabels voor elektriciteit; Stroomadapters; Verloopstekkers; Adapterconnectors (Elektrische -); Adapters voor het verbinden van telefoons met gehoorapparaten; Reisadapters voor stekkers” voor waren van klasse 9 en

„Rugzakken; Rugzakjes; Tassen voor bergbeklimmers” voor waren van klasse 18;

verwijzing van het EUIPO en de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO in de proceskosten.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/44


Beroep ingesteld op 16 november 2016 — Mayekawa Europe/Commissie

(Zaak T-800/16)

(2017/C 022/60)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Mayekawa Europe NV (Zaventem, België) (vertegenwoordigers: H. Gilliams en J. Bocken, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het besluit van de Commissie van 11 januari 2016 betreffende de door het Koninkrijk België ten uitvoer gelegde staatssteunregeling inzake vrijstelling van overwinst SA.37667 (2015/C) (ex 2015/NN) (1) nietig verklaren;

subsidiair, de artikelen 2 tot en met 4 van dit besluit nietig verklaren;

hoe dan ook, de artikelen 2 tot en met 4 van dit besluit nietig verklaren voor zover (a) zij gelasten dat ook wordt teruggevorderd van andere entiteiten dan die welke een „overwinstruling”, zoals gedefinieerd in het besluit, hebben gekregen, en (b) zij gelasten dat een bedrag gelijk aan de door de begunstigde bespaarde belasting wordt teruggevorderd, zonder dat zij België toestaan om rekening te houden met een effectieve bijstelling naar boven door een andere belastingdienst;

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan.

1.

De Commissie heeft een kennelijke beoordelingsfout gemaakt, haar bevoegdheid overschreden en het bestreden besluit ontoereikend gemotiveerd, voor zover zij in dit besluit heeft vastgesteld dat sprake is van een steunregeling.

2.

De Commissie heeft artikel 107 VWEU geschonden, is haar motiveringsplicht niet nagekomen en heeft een kennelijke beoordelingsfout gemaakt, voor zover zij in het bestreden besluit heeft vastgesteld dat de vermeende steunregeling een selectief voordeel toekent.

3.

De Commissie heeft artikel 107 VWEU geschonden en een kennelijke beoordelingsfout gemaakt, voor zover zij in het bestreden besluit heeft vastgesteld dat de vermeende steunregeling een voordeel oplevert.

4.

De Commissie heeft artikel 107 VWEU, het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel geschonden, een kennelijke beoordelingsfout gemaakt, haar bevoegdheid overschreden en het bestreden besluit ontoereikend gemotiveerd, voor zover zij België daarbij heeft gelast de steun terug te vorderen.


(1)  Besluit (EU) 2016/1699 van de Commissie van 11 januari 2016 betreffende de staatssteunregeling inzake vrijstelling van overwinst SA.37667 (2015/C) (ex 2015/NN) door België ten uitvoer gelegd (Kennisgeving geschied onder nummer C(2015) 9837) (PB 2016, L 260, blz. 61).


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/45


Beroep ingesteld op 8 november 2016 — Endoceutics/EUIPO — Merck (FEMIBION)

(Zaak T-802/16)

(2017/C 022/61)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Endoceutics, Inc. (Quebec, Canada) (vertegenwoordiger: M. Wahlin, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Merck KGaA (Darmstadt, Duitsland)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: Uniewoordmerk „FEMIBION” — Uniemerk nr. 898 924

Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 14 juli 2016 in zaak R 1608/2015-1

Conclusies

gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing en vervallenverklaring van het Uniemerk voor „farmaceutische preparaten voor ondersteuning van het immuunsysteem, voor menopauze, menstruatie, behandeling en begeleiding van zwangerschap, preventie en behandeling van stress, onevenwichtige of gebrekkige voeding”;

verwijzing van de Uniemerkhouder in de kosten die de verzoekende partij zijn opgekomen in de beroepsprocedure en in de procedure voor het EUIPO.

Aangevoerd middel

schending van artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/46


Beroep ingesteld op 15 november 2016 — Glaxo Group/EUIPO — Celon Pharma (SALMEX)

(Zaak T-803/16)

(2017/C 022/62)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Glaxo Group Ltd (Brentford, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: S. Baran, S. Wickenden, barristers, R. Jacob, E. Morris, solicitors)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Celon Pharma S.A. (Łomianki, Polen)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: Uniebeeldmerk in de kleuren lichtbruin/koffie en wit met het woordelement „SALMEX” — Uniemerk nr. 9 849 191

Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 31 augustus 2016 in zaak R 2108/2015-4

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO en de andere partij in de procedure in hun eigen kosten en in de kosten van de om vernietiging verzoekende partij in elk stadium van de oppositie- en beroepsprocedure, met inbegrip van de kosten van deze procedure.

Aangevoerd middel

De kamer van beroep heeft het recht onjuist toegepast door een beslissing te nemen die in strijd is met artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009. Ten eerste heeft het namelijk ten onrechte beslist dat het normale gebruik van het Franse merk door verzoekster tot vernietiging geen aanvaardbare vorm van gebruik in de zin van artikel 15, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009 was, en ten tweede heeft het ten onrechte beslist dat het normale gebruik van het Franse merk door verzoekster tot vernietiging geen gebruik van het Franse merk voor de waren „inhaleertoestellen” was.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/46


Beroep ingesteld op 16 september 2016 — LG Electronics/EUIPO (Dual Edge)

(Zaak T-804/16)

(2017/C 022/63)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: LG Electronics, Inc. (Seoel, Republiek Korea) (vertegenwoordiger: M. Graf, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Betrokken merk: Uniewoordmerk „Dual Edge” — inschrijvingsaanvraag nr. 14 463 178

Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 2 september 2016 in zaak R 832/2016-2

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO in de kosten.

Aangevoerd middel

schending van artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening nr. 207/2009.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/47


Beroep ingesteld op 16 november 2016 — IPPT PAN/Commissie en REA

(Zaak T-805/16)

(2017/C 022/64)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Instytut Podstawowych Problemów Techniki Polskiej Akademii Nauk (IPPT PAN) (Warschau, Polen) (vertegenwoordiger: M. Le Berre, advocaat)

Verwerende partijen: Europese Commissie en Uitvoerend Agentschap onderzoek (REA)

Conclusies

het bestreden besluit van de Commissie nietig verklaren;

voor recht verklaren dat de Commissie ten onrechte debetnota nr. 3241514040 (verminderd bij creditnota nr. 3233160082) heeft opgesteld, en dat verzoekende partij het overeenkomstige bedrag van 67 984 EUR niet verschuldigd is;

voor recht verklaren dat de Commissie en REA aan verzoekende partij in het kader van het project SMART-NEST het bedrag van 69 623,94 EUR dienen te betalen, te vermeerderen met rente vanaf de datum waarop het besluit is vastgesteld;

voor recht verklaren dat verzoekende partij niet gehouden is om aan de Commissie schadevergoeding te betalen in verband met de projecten KMM-NOE en BOOSTING BALTIC;

de Commissie verwijzen in de kosten;

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU voert verzoekende partij zeven middelen aan.

1.

Eerste middel: schending van de artikelen 47 en 43 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, die respectievelijk betrekking hebben op de toegang tot de rechter en de toegang tot de Europese ombudsman.

2.

Tweede middel: schending van de overeenkomsten betreffende de projecten KMM-NOE, BOOSTING BALTIC en SMART-NEST en van het toepasselijke Belgische recht.

3.

Derde middel: schending van het Financieel Reglement en van de gedelegeerde verordening van de Commissie houdende uitvoeringsvoorschriften voor het Financieel Reglement.

4.

Vierde middel: schending van het vertrouwensbeginsel.

5.

Vijfde middel: schending van het beginsel van non-discriminatie.

6.

Zesde middel: schending van wezenlijke vormvoorschriften.

7.

Zevende middel: misbruik van bevoegdheid door de Commissie.

Ter ondersteuning van haar beroep krachtens een arbitragebeding als bedoeld in artikel 272 VWEU voert verzoekende partij zes middelen aan.

1.

Eerste middel: verzoekende partij heeft voldaan aan haar verplichting krachtens artikel II.19.1 van de overeenkomsten betreffende de projecten KMM-NOE en BOOSTING BALTIC.

2.

Tweede middel: de Commissie heeft haar vordering niet gestaafd met enig bewijs.

3.

Derde middel: de Commissie heeft haar vordering niet geldig onderbouwd.

4.

Vierde middel: de Commissie heeft haar contractuele rechten niet te goeder trouw uitgeoefend.

5.

Vijfde middel: de op grond van artikel II.30 gevorderde schadevergoeding is buitensporig en dient te worden verminderd overeenkomstig artikel 1231 van het Burgerlijk Wetboek van België.

6.

Zesde middel: verzoekende partij heeft recht op een vergoeding in het kader van het project SMART-NEST, waarvan het bedrag overeenkomt met het nog niet terugbetaalde gedeelte van haar bijdrage aan het Garantiefonds.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/48


Beroep ingesteld op 17 november 2016 — MIP Metro/EUIPO — Afnor (N & NF TRADING)

(Zaak T-807/16)

(2017/C 022/65)

Taal van het verzoekschrift: Duits

Partijen

Verzoekende partij: MIP Metro Group Intellectual Property GmbH & Co. KG (Düsseldorf, Duitsland) (vertegenwoordiger: J.-C. Plate en R. Kaase, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Association française de normalisation (Afnor) (La Plaine Sant-Denis, Frankrijk)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houdster van het betrokken merk: verzoekende partij

Betrokken merk: internationale inschrijving van het merk „N & NF TRADING” met aanduiding van de Europese Unie — internationale inschrijving nr. 1 086 884 met aanduiding van de Europese Unie

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 14 juli 2016 in zaak R 1109/2015-1

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO in de kosten.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/49


Beroep ingesteld op 21 november 2016 — Barmenia Krankenversicherung/EUIPO (Mediline)

(Zaak T-810/16)

(2017/C 022/66)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Barmenia Krankenversicherung a.G. (Wuppertal, Duitsland) (vertegenwoordiger: M. Graf, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Betrokken merk: Uniewoordmerk „Mediline” — inschrijvingsaanvraag nr. 14 655 385

Bestreden beslissing: beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 8 september 2016 in zaak R 2437/2015-1

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO in de kosten.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009;

schending van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/49


Beroep ingesteld op 21 november 2016 — Vans/EUIPO — Deichmann (V)

(Zaak T-817/16)

(2017/C 022/67)

Taal van het verzoekschrift: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Vans, Inc. (Wilmington, Delaware, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: M. Hirsch, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Deichmann SE (Essen, Duitsland)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager: verzoekende partij

Betrokken merk: Uniebeeldmerk (afbeelding van een „V”) — inschrijvingsaanvraag nr. 10 263 978

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 19 september 2016 in zaak R 2030/2015-4

Conclusies

de bestreden beslissing aldus wijzigen dat de oppositie volledig wordt afgewezen;

subsidiair, de bestreden beslissing aldus wijzigen dat de oppositie ook wordt afgewezen voor „producten vervaardigd uit leder en kunstleder; reiskoffers en koffers; paraplu’s, parasols en wandelstokken; portefeuilles; zakken en tassen; ransels; riemtassen; documententassen; schooltassen; schooltassen voor sport; strandtassen; sleutelringen; heuptassen, kaarthouders” van klasse 18 en „kledingstukken, schoeisel, hoofddeksels; ceintuurs; handschoenen van klasse 25;

meer subsidiair, de bestreden beslissing vernietigen;

het EUIPO verwijzen in de kosten.

Aangevoerde middelen

schending van regel 19, leden 2 en 3, en regel 20, lid 1, van verordening nr. 2868/95;

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/9009;

schending van artikel 60, lid 1, eerste volzin, artikel 63, lid 2, artikel 75, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 207/2009, van het verbod van reformatio in peius en van het recht om te worden gehoord.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/50


Beroep ingesteld op 21 november 2016 — Kik Textilien und Non-Food/EUIPO — FF Group Romania (_kix)

(Zaak T-822/16)

(2017/C 022/68)

Taal van het verzoekschrift: Duits

Partijen

Verzoekende partij: KiK Textilien und Non-Food GmbH (Bönen, Duitsland) (vertegenwoordigers: S. Körber en L. Pechan, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: FF Group Romania SRL (Boekarest, Roemenië)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: Uniebeeldmerk met het woordelement „_kix” — Uniemerk nr. 12 517 901

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 6 september 2016 in zaak R 2323/2015-4

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van verweerder en, in voorkomend geval, de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep in de kosten, daaronder begrepen de kosten die in de procedure voor de kamer van beroep zijn opgekomen.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 75, eerste volzin, van verordening nr. 207/2009;

schending van art. 42, leden 2 en 3, juncto artikel 15 van verordening nr. 207/2009.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/51


Beroep ingesteld op 21 november 2016 — Kiosked Oy/EUIPO — VRT, NV van Publiek Recht (k)

(Zaak T-824/16)

(2017/C 022/69)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Kiosked Oy Ab (Espoo, Finland) (vertegenwoordiger: L. Laaksonen, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: VRT, NV van Publiek Recht (Brussel, België)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij

Betrokken merk: internationale inschrijving waarin de Europese Unie wordt aangewezen, van het beeldmerk in zwart-wit met het woordelement „K” — internationale inschrijving nr. 1 112 969 waarin de Europese Unie wordt aangewezen

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 19 september 2016 in zaak R 279/2016-4

Conclusies

de bestreden beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 21 september 2016 in zaak R0279/2016-4 vernietigen, waarbij de oppositie door VRT, NV van publiek recht, wordt toegewezen, en de inschrijving van internationale inschrijving W01112969 K (fig.) waarin de Europese Unie wordt aangewezen (hierna: „logo K”) wordt geweigerd voor „publiciteit, bedrijfsvoering, zakelijke administratie en administratieve diensten” van klasse 35 en „ontwerp en ontwikkeling van software voor computers” van klasse 42; en inschrijving van het logo K toestaan voor bovengoemde diensten;

opposante verwijzen in verzoeksters kosten van de oppositieprocedure, met inbegrip van de kosten voor vertegenwoordiging in rechte, overeenkomstig de gedetailleerde beschrijving van de kosten die verzoekster moet indienen binnen de termijn waarnaar wordt verwezen in artikel 85 van verordening nr. 207/2009, en mocht geen dergelijke gedetailleerde beschrijving worden ingediend, overeenkomstig de toepasselijke wetgeving.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/52


Beroep ingesteld op 24 november 2016 — Republiek Cyprus/EUIPO — POCF (Pallas Halloumi)

(Zaak T-825/16)

(2017/C 022/70)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Republiek Cyprus (vertegenwoordigers: S. Malynicz, QC en V. Marsland, solicitor)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Pancyprian Organisation of Cattle Farmers (POCF) (Latsia, Cyprus)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: Uniebeeldmerk met de woordelementen „Pallas Halloumi” — inschrijvingsaanvraag nr. 11 180 536

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 22 september 2016 in zaak R 2065/2014-4

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO en andere partij in de procedure voor de kamer van beroep in de kosten.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/52


Beroep ingesteld op 28 november 2016 — Casasnovas Bernad/Commissie

(Zaak T-826/16)

(2017/C 022/71)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Luis Javier Casasnovas Bernad (Santo Domingo, Dominicaanse Republiek) (vertegenwoordigers: S. Orlandi en T. Martin, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht om:

nietigverklaring van het besluit van 27 september 2016 waarbij de overeenkomst van verzoeker is opgezegd;

verwijzing van de Europese Commissie in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker vier middelen aan.

1.

Eerste middel: niet-toepasselijkheid van artikel 3, lid 3, van het besluit van de Commissie van 2 maart 2011.

2.

Tweede middel: artikel 85 van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie is geschonden aangezien het tot aanstelling bevoegde gezag („TABG”) verzoekers overeenkomst voor onbepaalde duur heeft verlengd maar daarin een clausule heeft opgenomen op grond waarvan de oveeenkomst kan worden opgezegd bij een bepaalde gebeurtenis, hetgeen kan worden gelijkgesteld met een beëindiging.

3.

Derde middel: de zorgvuldigheidsplicht is geschonden aangezien, ten eerste, het TABG de overeenkomst van verzoeker heeft opgezegd alvorens een beslissing te nemen over de verlenging van zijn verlof om redenen van persoonlijke aard, ten tweede, het TABG hiertoe is overgegaan zonder dat het verzoeker een eerste voorstel tot re-integratie heeft gedaan en, ten derde, zonder dat het verzoeker heeft laten weten of er budgettaire mogelijkheden bestonden om hem na zijn verlof te bezoldigen.

4.

Vierde middel: het TABG heeft de artikelen 12 ter en 40, lid 1 bis, van het statuut van de ambtenaren van de Europese Unie geschonden.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/53


Beroep ingesteld op 24 november 2016 — QB/ECB

(Zaak T-827/16)

(2017/C 022/72)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: QB (Frankfurt am Main, Duitsland) (vertegenwoordiger: L. Levi, advocaat)

Verwerende partij: Europese Centrale Bank

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

bijgevolg

het beoordelingsrapport voor 2015 en het op 7 januari 2016 ter kennis gebrachte besluit van 15 december 2015, waarbij verzoekster een salarisverhoging is ontzegd, nietig te verklaren;

voor zover nodig, de besluiten van 2 mei 2016 en 15 september 2016 nietig te verklaren, waarbij respectievelijk het administratieve beroep en de klacht van verzoekster zijn afgewezen,

verweerster te veroordelen tot vergoeding van de morele schade, ex aequo et bono begroot op 15 000 EUR;

verweerster te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan.

1.

Eerste middel: niet-inachtneming van de beoordelingsgids en van de procedurele voorschriften, schending van de rechten van de verdediging en niet-nakoming van de zorgvuldigheidsplicht bij de vaststelling van het beoordelingsrapport voor 2015 (hierna: „litigieus beoordelingsrapport”). Verzoekster voert met name de volgende grieven aan:

er heeft geen dialoog plaatsgevonden en de rechten van verdediging van verzoekster zijn geschonden;

in het litigieuze beoordelingsrapport worden geen middelen om zich te verbeteren vermeld en evenmin doelstellingen vastgelegd, zoals vereist door de beoordelingsgids, wat indruist tegen de zorgvuldigheidsplicht;

de input van een andere leidinggevende ontbreekt.

2.

Tweede middel: het beoordelingsrapport schendt de regels van objectieve en onpartijdige beoordeling, alsook artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

Uit de specifieke omstandigheden van de zaak blijkt immers dat de beoordelaars en met name de tweede beoordelaars hun rol niet op een objectieve en onpartijdige wijze hebben kunnen vervullen.

3.

Derde middel: kennelijke vergissing. Uit de door verzoekster aangevoerde bewijzen blijkt immers dat de in het litigieuze rapport vervatte beoordeling niet geloofwaardig is.

4.

Vierde middel: het besluit van 15 december 2015, waarbij verzoekster een salarisverhoging wordt ontzegd, berust op een onrechtmatig beoordelingsrapport.

5.

Vijfde middel: schending van de richtsnoeren van 2015 alsook van de procedurevoorschriften en van artikel 41 van het Handvest, doordat het besluit van 15 december 2015 niet met redenen is omkleed en verzoekster niet vooraf is gehoord.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/54


Beroep ingesteld op 25 november 2016 — CRDO Torta del Casar/EUIPO — CRDOP „Queso de La Serena” (QUESO Y TORTA DE LA SERENA)

(Zaak T-828/16)

(2017/C 022/73)

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Consejo Regulador de la Denominación de Origen Torta del Casar (Casar de Cáceres, Spanje) (vertegenwoordigers: A. Pomares Caballero en M. Pomares Caballero, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Consejo Regulador de la Denominación de Origen Protegida „Queso de La Serena” (Castuera, Spanje)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: Uniebeeldmerk met de woordelementen „QUESO Y TORTA DE LA SERENA” — inschrijvingsaanvraag nr. 10 486 447

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 26 september 2016 in zaak R 2573/2014-4

Conclusies

wijziging van de bestreden beslissing, in die zin dat wordt geoordeeld dat in de onderhavige zaak is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de relatieve weigeringsgrond van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009 juncto artikel 13, lid 1, van verordening nr. 510/2006;

subsidiair, vernietiging van de bestreden beslissing; en

in elk geval, verwijzing van het EUIPO in zijn eigen kosten en in die van verzoekster (daaronder begrepen de kosten van de procedure voor de kamer van beroep).

Aangevoerde middelen

schending van de artikelen 2, lid 2, en 3, lid 1, van verordening nr. 510/2006 juncto artikel 13, lid 1, van deze verordening en door de uiteindelijke verwijzing in artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009;

schending van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 510/2006 door de verwijzing in artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009;

schending van artikel 75 van verordening nr. 207/2009;

schending van de algemene beginselen van rechtszekerheid en behoorlijk bestuur.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/55


Beroep ingesteld op 25 november 2016 — Mouvement pour une Europe des nations et des libertés/Parlement

(Zaak T-829/16)

(2017/C 022/74)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Mouvement pour une Europe des nations et des libertés (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordiger: A. Varaut, advocaat)

Verwerende partij: Europees Parlement

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

nietig te verklaren besluit D106185 van het Bureau van het Europees Parlement van 12 september 2016, door de heer [X] betekend op 26 september, waarbij de uitgaven in verband met de affichage voor de „Schengen”-campagne van het MENL van financiering zijn uitgesloten;

het Europees Parlement in de kosten te verwijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vier middelen aan.

1.

Eerste middel: schending van het beginsel van goed bestuur doordat noch de stukken in het dossier, noch de bezwaren van het Mouvement pour une Europe des nations et des libertés („MENL”) het Bureau van het Europees Parlement ter kennis zijn gebracht.

2.

Tweede middel: het begrip „indirecte financiering” van de nationale partijen door de Europese partijen is een onnauwkeurig begrip, dat niet verenigbaar is met de rechtszekerheid.

3.

Derde middel: met het logo op de affiches van de „Schengen”-campagne van het MENL (hierna: „litigieuze logo”) wordt op de nationale grondgebieden een campagne van uitsluitend Europese aard gevoerd, anders dan hetgeen verweerder aan de vaststelling van het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Tot staving van dit middel voert verzoeker in hoofdzaak drie argumenten aan, te weten:

Het MENL heeft de campagne alleen opgezet, zonder instemming of implicatie van de nationale partijen;

De campagne en de affiches hebben betrekking op een Europese problematiek, te weten de akkoorden van Schengen;

Het litigieuze logo is dus niet het logo van de nationale partijen, maar het logo van de delegaties van die partijen in het Europees Parlement.

4.

Vierde middel: het litigieuze logo is aanzienlijk kleiner dan het logo van het MENL. Volgens de rechtspraak en de betrokken voorschriften kan slechts een sanctie worden opgelegd voor nationale logo’s die groter zijn dan of even groot zijn als Europese logo’s.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/56


Beroep ingesteld op 23 november 2016 — Monolith Frost/EUIPO — Dovgan (PLOMBIR)

(Zaak T-830/16)

(2017/C 022/75)

Taal van het verzoekschrift: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Monolith Frost GmbH (Leopoldshöhe, Duitsland) (vertegenwoordigers: E. Liebich en S. Labesius, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Dovgan GmbH (Hamburg, Duitsland)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: Uniewoordmerk „PLOMBIR”

Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 22 september 2016 in zaak R 1812/2015-4

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing overeenkomstig artikel 65, lid 3, van verordening (EG) nr. 207/2009;

verwijzing van het EUIPO in de kosten, daaronder begrepen de kosten die in de procedure voor de kamer van beroep zijn opgekomen.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009;

schending van artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009;

schending van de motiveringsplicht van artikel 75, eerste volzin, van verordening nr. 207/2009.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/57


Beroep ingesteld op 28 november 2016 — Kabushiki Kaisha Zoom/EUIPO — Leedsworld (ZOOM)

(Zaak T-831/16)

(2017/C 022/76)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Kabushiki Kaisha Zoom (Tokio, Japan) (vertegenwoordiger: M. de Arpe Tejero, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Leedsworld, Inc. (New Kensington, Pennsylvania, Verenigde Staten)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: Uniewoordmerk „ZOOM” — inschrijvingsaanvraag nr. 11 766 111

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 7 september 2016 in zaak R 1235/2015-5

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

afwijzing van inschrijvingsaanvraag nr. 11 766 111 voor het Uniemerk „ZOOM” voor waren van klasse 9;

verwijzing van het EUIPO en interveniënte in de kosten.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/57


Beroep ingesteld op 2 december 2016 — Cyprus/EUIPO — POCF (COWBOYS HALLOUMI)

(Zaak T-847/16)

(2017/C 022/77)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Republiek Cyprus (vertegenwoordigers: S. Malynicz, QC, en V. Marsland, solicitor)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Pancyprian Organisation of Cattle Farmers (POCF) (Latsia, Cyprus)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: Uniebeeldmerk in kleur met de woordelementen „COWBOYS HALLOUMI” — inschrijvingsaanvraag nr. 11 281 375

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 22 september 2016 in zaak R 2781/2014-4

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO in de kosten.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/58


Beroep ingesteld op 5 december 2016 — Techniplan/Commissie

(Zaak T-853/16)

(2017/C 022/78)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Techniplan Srl (Rome, Italië) (vertegenwoordigers: R. Giuffrida en A. Bonavita, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

vast te stellen dat de Europese Commissie artikel 265 VWEU heeft geschonden doordat zij haar standpunt niet heeft bepaald over de formele ingebrekestelling die Techniplan haar had doen toekomen;

te gelasten dat de bij artikel 266 VWEU opgelegde verplichting tot handelen wordt nagekomen en dat schadevergoeding wordt betaald voor elke dag vertraging die daarbij wordt opgelopen, alsook te gelasten dat haar kosten en uitgaven worden terugbetaald.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster is een ingenieursbureau waaraan een reeks projecten in Afrikaanse landen is toegewezen (controle en toezicht op het ontwerp en de uitvoering van de asfalteringswerken aan de wegen van Banikoara-Kandi in Benin, toezicht op de werken aan weg RN32 Ouallah-Miringoni op de Comoren, toezicht op de werken voor het gewone onderhoud van de asfaltwegen in Anjouanen Moheli op de Comoren, controle en toezicht op de werken voor het gewone onderhoud van de Grande Comores op de Comoren, controle en toezicht op de werken voor de bouw van nationale weg N.1 Kinkala-Mindouli in Kongo en controle en toezicht op het ontwerp en de uitvoering van de asfalteringswerken aan de weg Bouar-Fambélé in de Centraal-Afrikaanse Republiek alsook de voorbereiding van en het toezicht op de werken in het kader van de PA-PNDS in de Democratische Republiek Congo).

Verzoekster stelt dienaangaande dat al deze projecten zijn beëindigd en door de nationale ordonnateurs zijn geverifieerd, dat de betrokken rekeningen zijn betaald en dat deze zijn goedgekeurd door de organen van de Europese Commissie, die de projecten financierde. Plots werden de rekeningen echter nog slechts gedeeltelijk betaald. Verweerster heeft zelfs een niet nader gespecificeerde sanctie ten gunste van het Europese Ontwikkelingsfonds toegepast, zonder dat sprake was van een nauwkeurig omschreven betwisting. De Europese Commissie is met name voornemens de bedragen waarop verzoekster aanspraak kan maken, op arbitraire wijze te compenseren met niet nader gepreciseerde schulden.

Verzoekster heeft de Europese Commissie overeenkomstig artikel 265 VWEU een tegen deze maatregel gerichte formele ingebrekestelling doen toekomen, waarbij zij deze heeft verzocht om een handeling vast te stellen dan wel officieel haar standpunt te bepalen over verzoeksters vorderingen tot betaling en over de reële aard van de opgelegde sancties.

Ter onderbouwing van haar beroep betoogt verzoekster dat de bevoegde organen van de Europese Commissie het rechtszekerheidsbeginsel en het transparantiebeginsel hebben geschonden. Dit heeft geleid tot een grove aantasting van de subjectieve rechtspositie van Techniplan, ofschoon bij deze het gewettigde vertrouwen was gewekt dat zij op elk tijdstip en in elke situatie met zekerheid kon weten welke haar — ook door het Unierecht gewaarborgde — rechten en verplichtingen waren.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/59


Beroep ingesteld op 5 december 2016 — Rare Hospitality International/EUIPO (LONGHORN STEAKHOUSE)

(Zaak T-856/16)

(2017/C 022/79)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Rare Hospitality International, Inc. (Orlando, Florida, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: I. Lázaro Betancor, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Betrokken merk: Uniewoordmerk „LONGHORN STEAKHOUSE” — inschrijvingsaanvraag nr. 13 948 682

Bestreden beslissing: beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 12 september 2016 in zaak R 2149/2015-5

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO in de kosten.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening nr. 207/2009;

schending van het beginsel van gelijke behandeling en van het beginsel van behoorlijk bestuur.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/60


Beschikking van het Gerecht van 14 november 2016 — Trost Auto Service Technik/EUIPO (AUTOSERVICE.COM)

(Zaak T-259/16) (1)

(2017/C 022/80)

Procestaal: Duits

De president van de Zesde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 251 van 11.7.2016.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/60


Beschikking van het Gerecht van 29 november 2016 — Gulli/EUIPO — Laverana (Lybera)

(Zaak T-284/16) (1)

(2017/C 022/81)

Procestaal: Engels

De president van de Tweede kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 270 van 25.7.2016.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/60


Beschikking van het Gerecht van 21 november 2016 — TBWA\London/EUIPO (MEDIA ARTS LAB)

(Zaak T-361/16) (1)

(2017/C 022/82)

Procestaal: Engels

De president van de Tweede kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 314 van 29.8.2016.


23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/60


Beschikking van het Gerecht van 14 november 2016 — Dulière/Commissie

(Zaak T-503/16) (1)

(2017/C 022/83)

Procestaal: Frans

De president van de Zesde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 129 van 4.5.2013 (zaak oorspronkelijk onder nummer F-15/13 ingeschreven bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie en op 1 september 2016 overgedragen aan het Gerecht van de Europese Unie).