ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 402

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

59e jaargang
31 oktober 2016


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie van de Europese Unie

2016/C 402/01

Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

1


 

V   Bekendmakingen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2016/C 402/02

Zaak C-113/14: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 7 september 2016 — Bondsrepubliek Duitsland/Europees Parlement, Raad van de Europese Unie [Beroep tot nietigverklaring — Keuze van de rechtsgrondslag — Artikel 43, lid 2, VWEU of artikel 43, lid 3, VWEU — Gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten — Verordening (EU) nr. 1308/2013 — Artikel 7 — Verordening (EU) nr. 1370/2013 — Artikel 2 — Maatregelen voor de prijsbepaling — Referentiedrempels — Interventieprijzen]

2

2016/C 402/03

Zaak C-409/14: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 8 september 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Debreceni Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság — Hongarije) — Schenker Nemzetközi Szállítmányozási és Logisztikai Kft./Nemzeti Adó- és Vámhivatal Észak-alföldi Regionális Vám- és Pénzügyőri Főigazgatósága (Prejudiciële verwijzing — Gemeenschappelijk douanetarief — Gecombineerde nomenclatuur — Indeling van goederen — Uitlegging van een onderverdeling van de gecombineerde nomenclatuur — Richtlijn 2008/118/EG — Invoer van accijnsgoederen — Douaneschorsingsregeling — Gevolgen van een douaneaangifte met vermelding van een onjuiste onderverdeling van de gecombineerde nomenclatuur — Onregelmatigheden tijdens de overbrenging van accijnsgoederen)

3

2016/C 402/04

Zaak C-549/14: Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 7 september 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Højesteret — Denemarken) — Finn Frogne A/S/Rigspolitiet ved Center for Beredskabskommunikation (Prejudiciële verwijzing — Overheidsopdrachten — Richtlijn 2004/18/EG — Artikel 2 — Beginsel van gelijke behandeling — Transparantieverplichting — Opdracht voor de levering van een complex communicatiesysteem — Problemen bij de uitvoering — Onenigheid tussen partijen over de verantwoordelijkheden — Schikking — Beperking van de omvang van de overeenkomst — Omzetting van verhuur van materiaal in verkoop — Wezenlijke wijziging van een opdracht — Rechtvaardiging door de objectieve gelegenheid om de zaak in der minne te regelen)

4

2016/C 402/05

Zaak C-584/14: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 7 september 2016 — Europese Commissie/Helleense Republiek (Niet-nakoming — Milieu — Richtlijn 2006/12/EG — Richtlijn 91/689/EEG — Richtlijn 1999/31/EG — Afvalbeheer — Arrest van het Hof waarbij niet-nakoming wordt vastgesteld — Niet-uitvoering — Artikel 260, lid 2, VWEU — Geldelijke sancties — Dwangsom — Forfaitaire som)

4

2016/C 402/06

Zaak C-101/15 P: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 7 september 2016 — Pilkington Group Ltd, Pilkington Automotive Ltd, Pilkington Automotive Deutschland GmbH, Pilkington Holding GmbH, Pilkington Italia SpA/Europese Commissie (Hogere voorziening — Mededingingsregelingen — Artikel 101 VWEU — Artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 — Europese autoglasmarkt — Afspraken tot verdeling van markten en uitwisseling van commercieel gevoelige informatie — Geldboeten — Richtsnoeren van 2006 voor de berekening van geldboeten — Punt 13 — Waarde van de verkopen — Verordening (EG) nr. 1/2003 — Artikel 23, lid 2, tweede alinea — Wettelijk maximum van de geldboete — Wisselkoers voor de berekening van het maximum van de geldboete — Bedrag van de geldboete — Volledige rechtsmacht — Monoproducenten — Evenredigheid — Gelijke behandeling)

5

2016/C 402/07

Zaak C-121/15: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 7 september 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d'État — Frankrijk) — Association nationale des opérateurs détaillants en énergie (ANODE)/Premier ministre, Ministre de l’Économie, de l’Industrie et du Numérique, Commission de régulation de l’énergie, ENGIE, voorheen GDF Suez (Prejudiciële verwijzing — Harmonisatie van de wetgevingen — Richtlijn 2009/73/EG — Energie — Aardgassector — Vaststelling van de prijzen voor de levering van aardgas aan de eindafnemers — Gereguleerde tarieven — Belemmering — Verenigbaarheid — Beoordelingscriteria — Doelstellingen van leverings- en voorzieningszekerheid en territoriale samenhang)

6

2016/C 402/08

Zaak C-160/15: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 8 september 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden) — GS Media BV/Sanoma Media Netherlands BV, Playboy Enterprises International Inc., Britt Geertruida Dekker (Prejudiciële verwijzing — Auteursrecht en naburige rechten — Richtlijn 2001/29/EG — Informatiemaatschappij — Harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten — Artikel 3, lid 1 — Mededeling aan het publiek — Begrip — Internet — Hyperlinks die toegang verschaffen tot beschermde werken die zonder toestemming van de rechthebbende toegankelijk zijn gemaakt op een andere website — Nog niet door de rechthebbende gepubliceerde foto’s — Met winstoogmerk plaatsen van dergelijke links)

7

2016/C 402/09

Zaak C-180/15: Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 8 september 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Nacka Tingsrätt — Mark- och miljödomstolen — Zweden) — Borealis AB e.a./Naturvårdsverket (Prejudiciële verwijzing — Regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Europese Unie — Richtlijn 2003/87/EG — Artikel 10 bis — Methode voor de kosteloze toewijzing van emissierechten — Berekening van de uniforme transsectorale correctiefactor — Besluit 2013/448/EU — Artikel 4 — Bijlage II — Geldigheid — Vaststelling van de productbenchmark voor vloeibaar ruwijzer — Besluit 2011/278/EU — Bijlage I — Geldigheid — Artikel 3, onder c) — Artikel 7 — Artikel 10, leden 1 tot en met 3 en 8 — Bijlage IV — Kosteloze toewijzing van emissierechten voor warmteverbruik en voor uitvoer van warmte — Naar privéhuishoudens uitgevoerde meetbare warmte — Verbod van dubbeltelling van emissies en van dubbele toewijzing van emissierechten)

7

2016/C 402/10

Zaak C-182/15: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 6 september 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Augstākā tiesa — Letland) — procedure tot uitlevering van Aleksei Petruhhin (Prejudiciële verwijzing — Burgerschap van de Europese Unie — Uitlevering, aan een derde land, van een onderdaan van een lidstaat die gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer — Werkingssfeer van het Unierecht — Bescherming van onderdanen van een lidstaat tegen uitlevering — Geen bescherming van onderdanen van andere lidstaten — Beperking van het vrije verkeer — Rechtvaardiging op grond van de voorkoming van straffeloosheid — Evenredigheid — Verificatie van de inachtneming van de waarborgen van artikel 19 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie)

9

2016/C 402/11

Zaak C-225/15: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 8 september 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunale di Reggio Calabria — Italië) — Strafzaak tegen Domenico Politanò (Prejudiciële verwijzing — Artikel 49 VWEU — Vrijheid van vestiging — Kansspelen — Beperkingen — Dwingende vereisten van algemeen belang — Evenredigheid — Overheidsopdrachten — Voorwaarden voor deelname aan een aanbesteding en beoordeling van de economische en financiële draagkracht — Uitsluiting van een inschrijver wegens niet-overlegging van door twee verschillende bankinstellingen afgegeven verklaringen van economische en financiële draagkracht — Richtlijn 2004/18/EG — Artikel 47 — Toepasselijkheid)

9

2016/C 402/12

Zaak C-310/15: Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 7 september 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de cour de cassation — Frankrijk) — Vincent Deroo-Blanquart/Sony Europe Limited, rechtsopvolgster van Sony France SA (Prejudiciële verwijzing — Consumentenbescherming — Oneerlijke handelspraktijken — Richtlijn 2005/29/EG — Artikelen 5 en 7 — Gezamenlijk aanbod — Verkoop van een computer met voorgeïnstalleerde software — Essentiële informatie betreffende de prijs — Misleidende omissie — Onmogelijkheid voor de consument om hetzelfde model computer zonder software te kopen)

10

2016/C 402/13

Zaak C-459/15 P: Arrest van het Hof (Negende kamer) van 8 september 2016 — Iranian Offshore Engineering & Construction Co./Raad van de Europese Unie (Hogere voorziening — Beperkende maatregelen tegen de Islamitische Republiek Iran — Lijst van personen en entiteiten waarvan de tegoeden en economische middelen worden bevroren — Verlenen van logistieke steun aan de Iraanse regering — Plaatsing van rekwirantes naam op een lijst)

11

2016/C 402/14

Zaak C-461/15: Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 8 september 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Verwaltungsgericht Berlin — Duitsland) — E.ON Kraftwerke GmbH/Bundesrepublik Deutschland (Prejudiciële verwijzing — Milieu — Regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Europese Unie — Richtlijn 2003/87/EG — Geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten — Besluit 2011/278/EU — Wijziging van de toewijzing — Artikel 24, lid 1 — Informatieverplichting van de exploitant van de installatie — Omvang)

11

2016/C 402/15

Zaak C-294/16 PPU: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 28 juli 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Rejonowy dla Łodzi-Śródmieścia w Łodzi — Polen) — JZ/Prokuratura Rejonowa Łódź — Śródmieście (Prejudiciële verwijzing — Prejudiciële spoedprocedure — Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken — Kaderbesluit 2002/584/JBZ — Artikel 26, lid 1 — Europees aanhoudingsbevel — Gevolgen van de overlevering — Verrekening van de periode van vrijheidsbeneming in de uitvoerende staat — Begrip vrijheidsbeneming — Andere vrijheidsbeperkende maatregen dan gevangenzetting — Huisarrest, gekoppeld aan het dragen van een elektronische enkelband — Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Artikelen 6 en 49)

12

2016/C 402/16

Zaak C-328/16: Beroep ingesteld op 1 juni 2016 — Europese Commissie/Helleense Republiek

13

2016/C 402/17

Zaak C-376/16 P: Hogere voorziening ingesteld op 7 juli 2016 door het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 27 april 2016 in zaak T-556/11, European Dynamics Luxembourg SA, European Dynamics Belgium SA, Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE/Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie

14

2016/C 402/18

Zaak C-393/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) op 14 juli 2016 — Comité Interprofessionnel du Vin de Champagne/Aldi Einkauf GmbH & Co. OHG Süd

16

2016/C 402/19

Zaak C-425/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) op 1 augustus 2016 — Hansruedi Raimund/Michaela Aigner

17

2016/C 402/20

Zaak C-431/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Superior de Justicia de Castilla y León (Spanje) op 2 augustus 2016 — Instituto Nacional de la Seguridad Social (INSS) en Tesorería General de la Seguridad Social (TGSS)/José Blanco Marqués

17

2016/C 402/21

Zaak C-462/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland) op 17 augustus 2016 — Finanzamt Bingen-Alzey/Boehringer Ingelheim Pharma GmbH & Co. KG

19

2016/C 402/22

Zaak C-464/16 P: Hogere voorziening ingesteld op 18 augustus 2016 door Pénzügyi Ismeretterjesztő és Érdek-képviseleti Egyesület (PITEE) tegen de beschikking van het Gerecht (Vierde kamer) van 20 juli 2016 in zaak T-674/15, Pénzügyi Ismeretterjesztő és Érdek-képviseleti Egyesület (PITEE)/Europese Commissie

20

2016/C 402/23

Zaak C-465/16 P: Hogere voorziening ingesteld op 20 augustus 2016 door Raad van de Europese Unie tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 9 juni 2016 in zaak T-276/13, Growth Energy en Renewable Fuels Association/Raad van de Europese Unie

21

2016/C 402/24

Zaak C-466/16 P: Hogere voorziening ingesteld op 20 augustus 2016 door de Raad van de Europese Unie tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 9 juni 2016 in zaak T-277/13, Marquis Energy LLC/Raad van de Europese Unie

22

 

Gerecht

2016/C 402/25

Zaak T-220/13: Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — Scuola Elementare Maria Montessori/Commissie [Staatssteun — Gemeentelijke onroerendezaakbelasting — Vrijstelling verleend aan niet-commerciële organisaties die specifieke activiteiten uitoefenen — Geconsolideerde wet op de inkomstenbelasting — Vrijstelling van de eenmalige gemeentelijke belasting — Besluit waarin ten dele wordt vastgesteld dat er geen sprake is van staatssteun en ten dele dat de steun onverenigbaar is met de interne markt — Beroep tot nietigverklaring — Regelgevingshandeling die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt — Rechtstreeks geraakt — Ontvankelijkheid — Volstrekte onmogelijkheid van terugvordering — Artikel 14, lid 1, van verordening (EG) nr. 659/1999 — Motiveringsplicht]

25

2016/C 402/26

Zaak T-392/13: Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — La Ferla/Commissie en ECHA (REACH — Voor registratie van een stof verschuldigde vergoeding — Lagere vergoeding voor kleine, middelgrote en micro-ondernemingen — Onjuiste aangifte van de grootte van de onderneming — Aanbeveling 2003/361/EG — Besluit waarbij een vergoeding voor administratieve kosten wordt opgelegd — Verzoek om informatie — Bevoegdheid van ECHA — Evenredigheid)

25

2016/C 402/27

Zaak T-472/13: Arrest van het Gerecht van 8 september 2016 — Lundbeck/Commissie (Mededinging — Mededingingsregelingen — Markt van antidepressiva die het werkzame farmaceutische bestanddeel citalopram bevatten — Begrip mededingingsbeperking naar strekking — Potentiële mededinging — Generieke geneesmiddelen — Drempels voor toetreding tot de markt als gevolg van het bestaan van octrooien — Overeenkomsten tussen de octrooihouder en ondernemingen die actief zijn op het gebied van generieke geneesmiddelen — Artikel 101, leden 1 en 3, VWEU — Schending van het recht en beoordelingsfouten — Motiveringsplicht — Rechten van de verdediging — Rechtszekerheid — Geldboeten)

26

2016/C 402/28

Zaak T-620/13: Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — Marchi Industriale/ECHA (REACH — Voor registratie van een stof verschuldigde vergoeding — Lagere vergoeding voor kleine, middelgrote en micro-ondernemingen — Onjuiste aangifte van de grootte van de onderneming — Aanbeveling 2003/361/EG — Besluit waarbij een vergoeding voor administratieve kosten wordt opgelegd — Vaststelling van de grootte van de onderneming — Bevoegdheid van ECHA — Motiveringsplicht)

27

2016/C 402/29

Zaak T-695/13: Arrest van het Gerecht van 13 september 2016 — ENAC/INEA (Financiële bijstand — Projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van de trans-Europese netwerken voor vervoer en energie — Uitvoering van een studie voor de intermodale ontwikkeling van de luchthaven van Bergamo-Oria al Serio — Vaststelling van het eindbedrag van de financiële bijstand — Niet-subsidiabele kosten — Onjuiste rechtsopvatting — Motiveringsplicht)

27

2016/C 402/30

Zaak T-80/14: Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — PT Musim Mas/Raad [Dumping — Invoer van biodiesel van oorsprong uit Indonesië — Definitieve inning van voorlopige antidumpingrechten — Definitieve antidumpingrechten — Rechten van de verdediging — Artikel 2, lid 5, van verordening (EG) nr. 1225/2009 — Normale waarde — Productiekosten]

28

2016/C 402/31

Zaak T-111/14: Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — Unitec Bio/Raad [Dumping — Invoer van biodiesel uit Argentinië — Definitief antidumpingrecht — Beroep tot nietigverklaring — Rechtstreekse geraaktheid — Individuele geraaktheid — Ontvankelijkheid — Artikel 2, lid 5, van verordening (EG) nr. 1225/2009 — Normale waarde — Productiekosten]

29

2016/C 402/32

Zaken T-112/14–T-116/14 en T-119/14: Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — Molinos Río de la Plata e.a/Raad [Dumping — Invoer van biodiesel van oorsprong uit Argentinië — Definitief antidumpingrecht — Beroep tot nietigverklaring — Handelsvereniging — Rechtstreekse geraaktheid — Individuele geraaktheid — Ontvankelijkheid — Artikel 2, lid 5, van verordening (EG) nr. 1225/2009 — Normale waarde — Productiekosten]

30

2016/C 402/33

Zaak T-117/14: Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — Cargill/Raad [Dumping — Invoer van biodiesel van oorsprong uit Argentinië — Definitief antidumpingrecht — Beroep tot nietigverklaring — Rechtstreekse geraaktheid — Individuele geraaktheid — Ontvankelijkheid — Artikel 2, lid 5, van verordening (EG) nr. 1225/2009 — Normale waarde — Productiekosten]

31

2016/C 402/34

Zaak T-118/14: Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — LDC Argentina/Raad [Dumping — Invoer van biodiesel van oorsprong uit Argentinië — Definitief antidumpingrecht — Artikel 2, lid 5, van verordening (EG) nr. 1225/2009 — Normale waarde — Productiekosten]

31

2016/C 402/35

Zaak T-120/14: Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — PT Ciliandra Perkasa/Raad [Dumping — Invoer van biodiesel uit Indonesië — Definitief antidumpingrecht — Artikel 2, lid 5, van verordening (EG) nr. 1225/2009 — Normale waarde — Productiekosten]

32

2016/C 402/36

Zaak T-139/14: Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — PT Wilmar Bioenergi Indonesia en PT Wilmar Nabati Indonesia/Raad [Dumping — Invoer van biodiesel van oorsprong uit Indonesië — Artikel 2, leden 3 en 5, van verordening (EG) nr. 1225/2009 — Normale waarde — Productiekosten]

33

2016/C 402/37

Zaak T-340/14: Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — Klyuyev/Raad (Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Oekraïne — Bevriezing van tegoeden — Lijst van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren — Plaatsing van verzoekers naam op die lijst — Rechten van de verdediging — Motiveringsplicht — Rechtsgrond — Recht op een effectieve rechterlijke bescherming — Niet-nakoming van de criteria voor plaatsing op de lijst — Kennelijk onjuiste beoordeling — Eigendomsrecht — Recht op bescherming van de goede naam)

34

2016/C 402/38

Zaak T-346/14: Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — Yanukovych/Raad (Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Oekraïne — Bevriezing van tegoeden — Lijst van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren — Plaatsing van verzoekers naam op die lijst — Rechten van de verdediging — Motiveringsplicht — Rechtsgrond — Recht op een effectieve rechterlijke bescherming — Misbruik van bevoegdheid — Niet-nakoming van de criteria voor plaatsing op de lijst — Kennelijk onjuiste beoordeling — Eigendomsrecht)

35

2016/C 402/39

Zaak T-348/14: Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — Yanukovych/Raad (Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Oekraïne — Bevriezing van tegoeden — Lijst van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren — Plaatsing van verzoekers naam op die lijst — Motiveringsplicht — Rechtsgrond — Rechten van de verdediging — Recht op een effectieve rechterlijke bescherming — Misbruik van bevoegdheid — Niet-nakoming van de criteria voor plaatsing op de lijst — Kennelijk onjuiste beoordeling — Eigendomsrecht)

36

2016/C 402/40

Zaak T-386/14: Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — FIH Holding en FIH Erhvervsbank/Commissie (Staatssteun — Banksector — Steun verleend aan de Deense bank FIH in de vorm van de overdracht van haar aan waardevermindering onderhevige activa aan een nieuwe dochteronderneming en de daaropvolgende overname ervan door de Deense instantie die tot taak heeft de financiële stabiliteit te verzekeren — Staatssteun aan banken in een crisisperiode — Besluit waarbij de steun verenigbaar met de interne markt wordt verklaard — Begrip steunmaatregel — Criterium van de particuliere investeerder — Criterium van de particuliere schuldeiser — Berekening van het steunbedrag — Motiveringsplicht)

37

2016/C 402/41

Zaak T-481/14: Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — European Dynamics Luxembourg en Evropaïki Dynamiki/EIT (Overheidsopdrachten voor dienstverlening — Aanbestedingsprocedure — Verrichting van diensten met betrekking tot ontwikkeling van een platform voor het beheer van informatie en kennis — Diensten voor de ontwikkeling van software en voor de handhaving van de beschikbaarheid en doelmatigheid van computerdiensten — Weigering om de offerte van een inschrijver op de eerste plaats te rangschikken — Selectiecriteria — Gunningscriteria — Motiveringsplicht — Kennelijke beoordelingsfouten — Toegang tot documenten — Niet-contractuele aansprakelijkheid)

37

2016/C 402/42

Zaak T-698/14: Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — European Dynamics Luxembourg en Evropaïki Dynamiki/Commissie [Overheidsopdrachten voor dienstverlening — Aanbestedingsprocedure — Externe dienstverlening voor ontwikkeling, onderzoeken en ondersteuning van informatiesystemen (ESP-DESIS III) — Rangschikking van een inschrijver in de cascadeprocedure — Motiveringsplicht — Abnormaal lage offertes — Beginsel van vrije mededinging — Niet-contractuele aansprakelijkheid]

38

2016/C 402/43

Zaak T-710/14: Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — Herbert Smith Freehills/Raad [Toegang tot documenten — Verordening (EG) nr. 1049/2001 — Documenten inzake de besprekingen voorafgaande aan de vaststelling van de richtlijn betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten — Weigering van toegang — Uitzondering voor de bescherming van juridisch advies — Recht van verdediging — Hoger openbaar belang]

39

2016/C 402/44

Zaak T-800/14: Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — Philip Morris/Commissie [Toegang tot documenten — Verordening (EG) nr. 1049/2001 — Documenten die zijn opgesteld in het kader van de voorbereidende werkzaamheden voor de vaststelling van richtlijn 2014/40/EU inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten — Weigering van toegang — Uitzondering betreffende de bescherming van juridische adviezen — Uitzondering betreffende de bescherming van de besluitvorming — Recht van verweer — Hoger openbaar belang]

39

2016/C 402/45

Zaak T-51/15: Arrest van het Gerecht van 20 september 2016 — PAN Europe/Commissie [Toegang tot documenten — Verordening (EG) nr. 1049/2001 — Verordening (EG) nr. 1367/2006 — Documenten betreffende hormoonontregelaars — Gedeeltelijke weigering van toegang — Uitzondering betreffende de bescherming van de besluitvorming — Artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1049/2001]

40

2016/C 402/46

Zaak T-91/15: Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — AEDEC/Commissie (Onderzoek en technologische ontwikkeling — Kaderprogramma voor onderzoek en innovatie ‚Horizon 2020’ — Oproepen tot het indienen van voorstellen in het kader van het werkprogramma 2014-2015 — Besluit waarbij de Commissie oordeelt dat het door verzoekster ingediende voorstel niet voor bijstand in aanmerking komt — Motiveringsplicht — Rechten van de verdediging — Evenredigheid — Transparantie — Kennelijke beoordelingsfout)

41

2016/C 402/47

Zaak T-359/15: Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — Arrom Conseil/EUIPO — Nina Ricci (Roméo has a Gun by Romano Ricci) [Uniemerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor Uniebeeldmerk Roméo has a Gun by Romano Ricci — Oudere Uniewoordmerken NINA RICCI en RICCI — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 — Voordeel dat ongerechtvaardigd wordt getrokken uit het onderscheidend vermogen of de reputatie van de oudere merken — Afbreuk aan de reputatie — Artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009]

41

2016/C 402/48

Zaak T-485/15: Arrest van het Gerecht van 20 september 2016 — Alsharghawi/Raad (Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — In het licht van de situatie in Libië vastgestelde beperkende maatregelen — Bevriezing van tegoeden — Lijst van personen op wie beperkingen van binnenkomst op en doorreis via het grondgebied van de Europese Unie gelden — Functies van voormalig kabinetschef van Mouammar Qadhafi — Keuze van de rechtsgrondslag — Motiveringsplicht — Rechten van de verdediging — Vermoeden van onschuld — Evenredigheid — Vrijheid om te gaan en te staan waar men wil — Eigendomsrecht — Verplichting om de gegrondheid van de maatregel te rechtvaardigen)

42

2016/C 402/49

Zaak T-565/15: Arrest van het Gerecht van 20 september 2016 — Excalibur City/EUIPO — Ferrero (MERLIN’S KINDERWELT) [Uniemerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor Uniewoordmerk MERLIN’S KINDERWELT — Ouder nationaal woordmerk KINDER — Relatieve weigeringsgrond — Geen overeenstemmende tekens — Geen verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009]

42

2016/C 402/50

Zaak T-566/15: Arrest van het Gerecht van 20 september 2016 — Excalibur City/EUIPO — Ferrero (MERLIN’S KINDERWELT) [Uniemerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor Uniebeeldmerk MERLIN’S KINDERWELT — Ouder nationaal woordmerk KINDER — Relatieve weigeringsgrond — Geen overeenstemmende tekens — Geen verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009]

43

2016/C 402/51

Zaak T-633/15: Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — JT International/EUIPO — Habanos (PUSH) [Uniemerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor Uniewoordmerk PUSH — Oudere Benelux- en nationale woord- en beeldmerken PUNCH — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Zelfde waren — Overeenstemmende tekens — Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009]

44

2016/C 402/52

Zaak T-384/15: Beschikking van het Gerecht van 13 september 2016 — EDF Luminus/Parlement [Arbitragebeding — Overeenkomst CNT(2009) nr. 137 voor de levering van elektriciteit — Betaling door het Parlement van de door verzoekster aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gestorte regionale bijdrage die werd berekend op basis van het vermogen dat ter beschikking werd gehouden van het Parlement — Geen contractuele verplichting — Geen verplichting op basis van het toepasselijke nationale recht]

44

2016/C 402/53

Zaak T-511/15: Beschikking van het Gerecht van 30 augustus 2016 — Fontem Holdings 4/EUIPO (BLU ECIGS) (Uniemerk — Intrekking van de inschrijvingsaanvraag — Afdoening zonder beslissing)

45

2016/C 402/54

Zaak T-544/15: Beschikking van het Gerecht van 13 september 2016 — Terna/Commissie (Beroep tot nietigverklaring — Unieprojecten van gemeenschappelijk belang — Financiële steun van de Unie voor twee projecten op het gebied van de trans-Europese energienetwerken — Vermindering van de initieel toegekende financiële steun na een audit — Voorbereidende handeling — Niet voor beroep vatbare handeling — Niet-ontvankelijkheid)

46

2016/C 402/55

Zaak T-584/15: Beschikking van het Gerecht van 14 september 2016 — POA/Commissie [Beroep tot nietigverklaring — Aanvraag tot registratie van een beschermde oorsprongsbenaming (‚Halloumi’ of ‚Hellim’) — Besluit tot bekendmaking in het Publicatieblad, reeks C, van een aanvraag tot registratie van een beschermde oorsprongsbenaming overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van verordening (EU) nr. 1151/2012 — Voorbereidende handeling — Handeling die niet vatbaar is voor beroep — Niet-ontvankelijkheid]

46

2016/C 402/56

Zaak T-366/16: Beroep, ingesteld op 12 juli 2016 — Gaki/Europol

47

2016/C 402/57

Zaak T-476/16: Beroep ingesteld op 25 augustus 2016 — Adama Agriculture en Adama France/Commissie

48

2016/C 402/58

Zaak T-477/16: Beroep ingesteld op 26 augustus 2016 — Epsilon International/Commissie

49

2016/C 402/59

Zaak T-480/16: Beroep ingesteld op 30 augustus 2016 — Lidl Stiftung/EUIPO — Amedei (For you)

50

2016/C 402/60

Zaak T-620/16: Beroep ingesteld op 30 augustus 2016 — The Logistical Approach/EUIPO — Idea Groupe (Idealogistic)

51

2016/C 402/61

Zaak T-625/16: Beroep ingesteld op 2 september 2016 — Przedsiębiorstwo Energetyki Cieplnej/ECHA

51

2016/C 402/62

Zaak T-629/16: Beroep ingesteld op 1 september 2016 — Shoe Branding Europe/EUIPO — adidas (Twee parallelle strepen geplaatst op een schoen)

53

2016/C 402/63

Zaak T-630/16: Beroep ingesteld op 5 september 2016 — Dehtochema Bitumat/Europees Agentschap voor chemische stoffen

53

2016/C 402/64

Zaak T-644/16: Beroep ingesteld op 9 september 2016 — ClientEarth/Commissie

54

2016/C 402/65

Zaak T-645/16: Beroep ingesteld op 7 september 2016 — Vorarlberger Landes- und Hypothekenbank/GAR

55

2016/C 402/66

Zaak T-648/16: Beroep ingesteld op 13 september 2016 — Şölen Çikolata Gıda Sanayi ve Ticaret/EUIPO — Zaharieva (BOBO cornet)

56

2016/C 402/67

Zaak T-649/16: Beroep ingesteld op 12 september 2016 — Bernaldo de Quirós/Commissie

57

2016/C 402/68

Zaak T-650/16: Beroep ingesteld op 7 september 2016 — LG Electronics/EUIPO (QD)

58

2016/C 402/69

Zaak T-656/16: Beroep ingesteld op 12 september 2016 — PM/ECHA

58

2016/C 402/70

Zaak T-659/16: Beroep ingesteld op 16 september 2016 — LG Electronics/EUIPO (Second Display)

59

2016/C 402/71

Zaak T-661/16: Beroep ingesteld op 19 september 2016 — Credito Fondiario/GAR

59

2016/C 402/72

Zaak T-665/16: Beroep ingesteld op 16 september 2016 — Cinkciarz.pl/EUIPO (€$)

61


NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie van de Europese Unie

31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/1


Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

(2016/C 402/01)

Laatste publicatie

PB C 392 van 24.10.2016

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 383 van 17.10.2016

PB C 371 van 10.10.2016

PB C 364 van 3.10.2016

PB C 350 van 26.9.2016

PB C 343 van 19.9.2016

PB C 335 van 12.9.2016

Deze teksten zijn beschikbaar in

EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu


V Bekendmakingen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/2


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 7 september 2016 — Bondsrepubliek Duitsland/Europees Parlement, Raad van de Europese Unie

(Zaak C-113/14) (1)

([Beroep tot nietigverklaring - Keuze van de rechtsgrondslag - Artikel 43, lid 2, VWEU of artikel 43, lid 3, VWEU - Gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten - Verordening (EU) nr. 1308/2013 - Artikel 7 - Verordening (EU) nr. 1370/2013 - Artikel 2 - Maatregelen voor de prijsbepaling - Referentiedrempels - Interventieprijzen])

(2016/C 402/02)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: T. Henze, A. Lippstreu en A. Wiedmann, gemachtigden)

Interveniënten aan de zijde van de verzoekende partij: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (vertegenwoordigers: M. Holt, C. Brodie en J. Kraehling, gemachtigden, bijgestaan door A. Bates, barrister), Tsjechische Republiek (vertegenwoordigers: M. Smolek, J. Škeřík, J. Vláčil en D. Hadroušek, gemachtigden)

Verwerende partijen: Europees Parlement (vertegenwoordigers: L. G. Knudsen en R. Kaškina, gemachtigden), Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: G. Maganza, J.-P. Hix en S. Barbagallo, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van de verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: D. Triantafyllou en G. von Rintelen, gemachtigden)

Dictum

1)

Artikel 7 van verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wordt nietig verklaard.

2)

Artikel 2 van verordening (EU) nr. 1370/2013 van de Raad van 16 december 2013 houdende maatregelen tot vaststelling van steun en restituties in het kader van de gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten, wordt nietig verklaard.

3)

De gevolgen van artikel 7 van verordening nr. 1308/2013 en van artikel 2 van verordening nr. 1370/2013 worden gehandhaafd tot de inwerkingtreding, binnen een redelijke termijn van maximaal vijf maanden te rekenen vanaf de datum van uitspraak van het onderhavige arrest, van een nieuwe regeling die is gebaseerd op de juiste rechtsgrondslag, namelijk artikel 43, lid 3, VWEU.

4)

Het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie worden verwezen in de kosten.

5)

De Tsjechische Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Europese Commissie dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 129 van 28.4.2014.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/3


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 8 september 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Debreceni Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság — Hongarije) — Schenker Nemzetközi Szállítmányozási és Logisztikai Kft./Nemzeti Adó- és Vámhivatal Észak-alföldi Regionális Vám- és Pénzügyőri Főigazgatósága

(Zaak C-409/14) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Gemeenschappelijk douanetarief - Gecombineerde nomenclatuur - Indeling van goederen - Uitlegging van een onderverdeling van de gecombineerde nomenclatuur - Richtlijn 2008/118/EG - Invoer van accijnsgoederen - Douaneschorsingsregeling - Gevolgen van een douaneaangifte met vermelding van een onjuiste onderverdeling van de gecombineerde nomenclatuur - Onregelmatigheden tijdens de overbrenging van accijnsgoederen))

(2016/C 402/03)

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Debreceni Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Schenker Nemzetközi Szállítmányozási és Logisztikai Kft.

Verwerende partij: Nemzeti Adó- és Vámhivatal Észak-alföldi Regionális Vám- és Pénzügyőri Főigazgatósága

Dictum

1)

Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 861/2010 van de Commissie van 5 oktober 2010, moet aldus worden uitgelegd dat goederen zoals die in het hoofdgeding, bestaande uit rooktabak, ondanks de aanwezigheid van tabaksafval niet vallen onder post 2401 van de gecombineerde nomenclatuur in bijlage I bij verordening nr. 2658/87, zoals gewijzigd bij verordening nr. 861/2010, aangezien dat afval niet afdoet aan de bestemming van het betrokken product. Dergelijke goederen kunnen evenwel vallen onder post 2403 van die nomenclatuur, en meer in het bijzonder onderverdeling 2403 10 90 van genoemde nomenclatuur, wanneer deze in bulk zijn verpakt en zijn samengeperst in met plastic gevoerde dozen met een nettogewicht van 30 kg.

2)

Het begrip „douaneschorsingsregeling” in artikel 4, punt 6, van richtlijn 2008/118 van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG, moet aldus worden uitgelegd dat goederen onder de douaneschorsingsregeling kunnen worden geplaatst wanneer de begeleidende documenten het juiste hoofdstuk vermelden van het gemeenschappelijk douanetarief waaronder die goederen vallen, maar niet de juiste specifieke onderverdeling. In een dergelijk geval moeten artikel 2, onder b), en artikel 4, punt 8, van richtlijn 2008/118 aldus worden uitgelegd dat die goederen dan niet zijn ingevoerd en niet zijn onderworpen aan accijns.

3)

Het begrip „onregelmatigheid” in de zin van artikel 38 van richtlijn 2008/118 moet in een situatie als die in het hoofdgeding aldus worden uitgelegd dat dit begrip niet mede ziet op goederen die onder een „douaneschorsingsregeling” zijn geplaatst en die vergezeld gaan van een document met vermelding van een onjuiste tariefindeling.


(1)  PB C 439 van 8.12.2014.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/4


Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 7 september 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Højesteret — Denemarken) — Finn Frogne A/S/Rigspolitiet ved Center for Beredskabskommunikation

(Zaak C-549/14) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Overheidsopdrachten - Richtlijn 2004/18/EG - Artikel 2 - Beginsel van gelijke behandeling - Transparantieverplichting - Opdracht voor de levering van een complex communicatiesysteem - Problemen bij de uitvoering - Onenigheid tussen partijen over de verantwoordelijkheden - Schikking - Beperking van de omvang van de overeenkomst - Omzetting van verhuur van materiaal in verkoop - Wezenlijke wijziging van een opdracht - Rechtvaardiging door de objectieve gelegenheid om de zaak in der minne te regelen))

(2016/C 402/04)

Procestaal: Deens

Verwijzende rechter

Højesteret

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Finn Frogne A/S

Verwerende partij: Rigspolitiet ved Center for Beredskabskommunikation

Dictum

Artikel 2 van richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten moet aldus worden uitgelegd dat na de gunning van een overheidsopdracht geen wezenlijke wijziging aan deze opdracht mag worden aangebracht zonder dat een nieuwe procedure voor het plaatsen van een opdracht wordt uitgeschreven, zelfs wanneer deze wijziging, objectief gezien, een regeling in de vorm van een schikking vormt, die wederzijdse concessies door beide partijen meebrengt, ter beëindiging van een geschil met onzekere uitkomst dat is ontstaan uit de problemen bij de uitvoering van deze opdracht. Dit zou slechts anders zijn indien de documenten van deze opdracht voorzagen in de mogelijkheid bepaalde, zelfs belangrijke, voorwaarden van de opdracht aan te passen na de gunning ervan en de voorwaarden voor de toepassing van deze mogelijkheid vaststelden.


(1)  PB C 127 van 20.4.2015.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/4


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 7 september 2016 — Europese Commissie/Helleense Republiek

(Zaak C-584/14) (1)

((Niet-nakoming - Milieu - Richtlijn 2006/12/EG - Richtlijn 91/689/EEG - Richtlijn 1999/31/EG - Afvalbeheer - Arrest van het Hof waarbij niet-nakoming wordt vastgesteld - Niet-uitvoering - Artikel 260, lid 2, VWEU - Geldelijke sancties - Dwangsom - Forfaitaire som))

(2016/C 402/05)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: M. Patakia, E. Sanfrutos Cano en D. Loma-Osorio Lerena, gemachtigden)

Verwerende partij: Helleense Republiek (vertegenwoordiger: E. Skandalou, gemachtigde)

Dictum

1)

Door niet alle maatregelen te hebben genomen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het arrest van 10 september 2009, Commissie/Griekenland (C-286/08, niet gepubliceerd, EU:C:2009:543), is de Helleense Republiek de krachtens artikel 260, lid 1, VWEU op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2)

De Helleense Republiek wordt ertoe veroordeeld, aan de Europese Commissie op de rekening „Eigen middelen van de Europese Unie” een dwangsom te betalen van 30 000 EUR per dag vertraging bij de tenuitvoerlegging van de maatregelen die nodig zijn om zich te voegen naar het arrest van 10 september 2009, Commissie/Griekenland (C-286/08, niet gepubliceerd, EU:C:2009:543), en wel vanaf de datum van uitspraak van het onderhavige arrest tot aan de volledige uitvoering van het arrest van 10 september 2009, Commissie/Griekenland (C-286/08, niet gepubliceerd, EU:C:2009:543). Dit bedrag wordt gesplitst in drie delen, een voor elk van de drie door de Europese Commissie geformuleerde grieven, te weten voor de eerste grief 10 % van het totale bedrag van de dwangsom, namelijk 3 000 EUR, voor de tweede grief 45 % van dat bedrag, namelijk 13 500 EUR, en voor de derde grief hetzelfde percentage en bedrag, dat ter zake van het goede beheer van het zogenoemde „afval uit het verleden” elk semester zal worden verminderd naargelang van de hoeveelheid van deze afvalstoffen waarvan het beheer in overeenstemming met Unierecht zal zijn gebracht. Deze vermindering mag niet minder bedragen dan 50 % van het bedrag van de dwangsom voor deze grief, namelijk 6 750 EUR.

3)

De Helleense Republiek wordt ertoe veroordeeld, aan de Europese Commissie op de rekening „Eigen middelen van de Europese Unie” een forfaitaire som van 10 miljoen EUR te betalen.

4)

De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 81 van 9.3.2015.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/5


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 7 september 2016 — Pilkington Group Ltd, Pilkington Automotive Ltd, Pilkington Automotive Deutschland GmbH, Pilkington Holding GmbH, Pilkington Italia SpA/Europese Commissie

(Zaak C-101/15 P) (1)

((Hogere voorziening - Mededingingsregelingen - Artikel 101 VWEU - Artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 - Europese autoglasmarkt - Afspraken tot verdeling van markten en uitwisseling van commercieel gevoelige informatie - Geldboeten - Richtsnoeren van 2006 voor de berekening van geldboeten - Punt 13 - Waarde van de verkopen - Verordening (EG) nr. 1/2003 - Artikel 23, lid 2, tweede alinea - Wettelijk maximum van de geldboete - Wisselkoers voor de berekening van het maximum van de geldboete - Bedrag van de geldboete - Volledige rechtsmacht - Monoproducenten - Evenredigheid - Gelijke behandeling))

(2016/C 402/06)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirantes: Pilkington Group Ltd, Pilkington Automotive Ltd, Pilkington Automotive Deutschland GmbH, Pilkington Holding GmbH, Pilkington Italia SpA (vertegenwoordigers: S. Wisking en K. Fountoukakos-Kyriakakos, solicitors, en C. Puech Baron, advocaat)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Biolan, M. Kellerbauer en H. Leupold, gemachtigden)

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Pilkington Group Ltd, Pilkington Automotive Ltd, Pilkington Automotive Deutschland GmbH, Pilkington Holding GmbH en Pilkington Italia SpA worden verwezen in de kosten.


(1)  PB C 81 van 9.3.2015.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/6


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 7 september 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d'État — Frankrijk) — Association nationale des opérateurs détaillants en énergie (ANODE)/Premier ministre, Ministre de l’Économie, de l’Industrie et du Numérique, Commission de régulation de l’énergie, ENGIE, voorheen GDF Suez

(Zaak C-121/15) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Harmonisatie van de wetgevingen - Richtlijn 2009/73/EG - Energie - Aardgassector - Vaststelling van de prijzen voor de levering van aardgas aan de eindafnemers - Gereguleerde tarieven - Belemmering - Verenigbaarheid - Beoordelingscriteria - Doelstellingen van leverings- en voorzieningszekerheid en territoriale samenhang))

(2016/C 402/07)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Conseil d'État

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Association nationale des opérateurs détaillants en énergie (ANODE)

Verwerende partijen: Premier ministre, Ministre de l’Économie, de l’Industrie et du Numérique, Commission de régulation de l’énergie, ENGIE, voorheen GDF Suez

Dictum

1)

Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van richtlijn 2003/55/EG, moet aldus worden uitgelegd dat de interventie van een lidstaat die bestaat in het opleggen aan bepaalde leveranciers, onder wie de historische leverancier, van de verplichting om eindverbruikers de levering van aardgas tegen gereguleerde tarieven aan te bieden, naar haar aard de totstandbrenging van een door concurrentie gekenmerkte aardgasmarkt als bedoeld in deze bepaling belemmert, waarbij deze belemmering niet wordt weggewerkt door de omstandigheid dat die interventie niet eraan in de weg staat dat alle op de markt actieve leveranciers concurrerende aanbiedingen kunnen doen tegen prijzen die lager zijn dan die tarieven.

2)

Artikel 3, lid 2, van richtlijn 2009/73, gelezen in samenhang met de artikelen 14 en 106 VWEU alsook met het Protocol (nr. 26) betreffende de diensten van algemeen belang dat aan het EU-Verdrag — in de versie ervan die uit het Verdrag van Lissabon voortvloeit — en aan het VWEU is gehecht, moet aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten toestaat om na te gaan of in het algemeen economisch belang aan ondernemingen die in de gassector actief zijn, openbaredienstverplichtingen moeten worden opgelegd met betrekking tot de prijs voor de levering van aardgas teneinde met name de leverings- en voorzieningszekerheid en de territoriale samenhang te waarborgen, voor zover enerzijds alle bij artikel 3, lid 2, van deze genoemde richtlijn gestelde voorwaarden — inzonderheid wat het niet-discriminerende karakter van die verplichtingen betreft — zijn vervuld, en anderzijds de betrokken maatregel het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt.

Artikel 3, lid 2, van richtlijn 2009/73 moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een methode van berekening van de prijs waarbij wordt uitgegaan van de kosten, op voorwaarde dat de toepassing van een dergelijke methode niet tot gevolg heeft dat de interventie van de staat verder gaat dan hetgeen noodzakelijk is ter verwezenlijking van de met de interventie beoogde doelstellingen van algemeen economisch belang.


(1)  PB C 178 van 1.6.2015.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/7


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 8 september 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden) — GS Media BV/Sanoma Media Netherlands BV, Playboy Enterprises International Inc., Britt Geertruida Dekker

(Zaak C-160/15) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Auteursrecht en naburige rechten - Richtlijn 2001/29/EG - Informatiemaatschappij - Harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten - Artikel 3, lid 1 - Mededeling aan het publiek - Begrip - Internet - Hyperlinks die toegang verschaffen tot beschermde werken die zonder toestemming van de rechthebbende toegankelijk zijn gemaakt op een andere website - Nog niet door de rechthebbende gepubliceerde foto’s - Met winstoogmerk plaatsen van dergelijke links))

(2016/C 402/08)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hoge Raad der Nederlanden

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: GS Media BV

Verwerende partijen: Sanoma Media Netherlands BV, Playboy Enterprises International Inc., Britt Geertruida Dekker

Dictum

Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, moet aldus worden uitgelegd dat, om vast te stellen of het plaatsen, op een website, van hyperlinks naar beschermde werken die zonder toestemming van de auteursrechthebbende vrij beschikbaar zijn op een andere website, een „mededeling aan het publiek” vormt in de zin van die bepaling, bepaald moet worden of deze links zijn verstrekt zonder winstoogmerk door een persoon die geen kennis had, of redelijkerwijs geen kennis kon hebben, van het illegale karakter van de publicatie van die werken op die andere website, dan wel of, integendeel, voornoemde links met een dergelijk oogmerk zijn verstrekt, in welk geval deze kennis moet worden vermoed.


(1)  PB C 205 van 22.6.2015.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/7


Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 8 september 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Nacka Tingsrätt — Mark- och miljödomstolen — Zweden) — Borealis AB e.a./Naturvårdsverket

(Zaak C-180/15) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Europese Unie - Richtlijn 2003/87/EG - Artikel 10 bis - Methode voor de kosteloze toewijzing van emissierechten - Berekening van de uniforme transsectorale correctiefactor - Besluit 2013/448/EU - Artikel 4 - Bijlage II - Geldigheid - Vaststelling van de productbenchmark voor vloeibaar ruwijzer - Besluit 2011/278/EU - Bijlage I - Geldigheid - Artikel 3, onder c) - Artikel 7 - Artikel 10, leden 1 tot en met 3 en 8 - Bijlage IV - Kosteloze toewijzing van emissierechten voor warmteverbruik en voor uitvoer van warmte - Naar privéhuishoudens uitgevoerde meetbare warmte - Verbod van dubbeltelling van emissies en van dubbele toewijzing van emissierechten))

(2016/C 402/09)

Procestaal: Zweeds

Verwijzende rechter

Nacka tingsrätt — Mark- och miljödomstolen

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Borealis AB, Kubikenborg Aluminium AB, Yara AB, SSAB EMEA AB, Lulekraft AB, Värmevärden i Nynäshamn AB, Cementa AB, Höganäs Sweden AB

Verwerende partij: Naturvårdsverket

Dictum

1)

Bij het onderzoek van de eerste, de tweede en de dertiende vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 15, lid 3, van besluit 2011/278/EU van de Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, kunnen aantasten.

2)

Bij het onderzoek van de vijfde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van bijlage I bij besluit 2011/278 kunnen aantasten.

3)

Artikel 4 van en bijlage II bij besluit 2013/448/EU van de Commissie van 5 september 2013 betreffende nationale uitvoeringsmaatregelen voor de voorlopige kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten overeenkomstig artikel 11, lid 3, van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, zijn ongeldig.

4)

De gevolgen van de ongeldigverklaring van artikel 4 van besluit 2013/448 en van bijlage II daarbij worden op zodanige wijze beperkt in de tijd dat, ten eerste, deze ongeldigverklaring pas effect sorteert na een periode van tien maanden vanaf de datum waarop het arrest van 28 april 2016, Borealis Polyolefine e.a. (C-191/14, C-192/14, C-295/14, C-389/14 en C-391/14–C-393/14, EU:C:2016:311), is gewezen, teneinde de Europese Commissie in staat te stellen de noodzakelijke maatregelen vast te stellen, en dat, ten tweede, niet kan worden afgedaan aan de tot dat tijdstip op grondslag van de ongeldig verklaarde bepalingen vastgestelde maatregelen.

5)

Artikel 10 bis van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009, en artikel 10, leden 1 tot en met 3 en 8, van besluit 2011/278 moeten in die zin worden uitgelegd dat zij toestaan, teneinde dubbele toewijzing te voorkomen, dat geen broeikasgasemissierechten worden toegekend aan een warmtebenchmark-subinstallatie wanneer deze de warmte die zij heeft teruggewonnen in een brandstofbenchmark-subinstallatie, uitvoert naar privéhuishoudens.

6)

Artikel 10, lid 8, van besluit 2011/278 moet in die zin worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat aan een marktdeelnemer kosteloos broeikasgasemissierechten worden toegewezen voor het verbruik, in een warmtebenchmark-subinstallatie, van warmte die in aanmerking is genomen in het kader van een brandstofbenchmark-subinstallatie.

7)

Artikel 7 van besluit 2011/278 en bijlage IV daarbij moeten in die zin worden uitgelegd dat zij een lidstaat toestaan om bij het verzamelen van de in deze bepalingen bedoelde gegevens, teneinde dubbeltelling te voorkomen, niet rekening te houden met alle emissies verbonden met de productie van warmte die door een warmtebenchmark-subinstallatie wordt uitgevoerd naar privéhuishoudens.

8)

Artikel 10 bis, leden 1 en 4, van richtlijn 2003/87, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/29, en artikel 10, lid 3, van besluit 2011/278 moeten in die zin worden uitgelegd dat zij toestaan dat geen extra kosteloze broeikasgasemissierechten worden toegewezen voor emissies verbonden met de productie van meetbare warmte door de verbranding van restgassen die zijn voortgebracht door een installatie met een benchmark voor vloeibaar ruwijzer, voor zover de hoeveelheid broeikasgasemissierechten die is vastgesteld op basis van de warmtebenchmark lager is dan de mediane waarde van de historische emissie verbonden met de productie van deze warmte.

9)

Artikel 7 van besluit 2011/278 en bijlage IV daarbij moeten in die zin worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat, bij het verzamelen van de in deze bepalingen bedoelde gegevens, de door deze lidstaat verkregen cijfers op zodanige wijze aanpast dat de broeikasgasemissies uit de verbranding van restgassen door een warmtebenchmark-subinstallatie gelijkwaardig zijn aan die welke voortkomen uit de verbranding van aardgas, voor zover een productbenchmark rekening houdt met de emissies verbonden met de productie van restgassen.

10)

Artikel 3, onder c), van besluit 2011/278 moet in die zin worden uitgelegd dat het begrip „warmtebenchmark-subinstallatie” de activiteit omvat van uitvoer van meetbare warmte, afkomstig van een aan de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten onderworpen installatie, naar een stoomnetwerk, wanneer dat netwerk kan worden aangemerkt als „niet onder de EU-regeling vallende installatie of andere entiteit”.


(1)  PB C 205 van 22.6.2015.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/9


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 6 september 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Augstākā tiesa — Letland) — procedure tot uitlevering van Aleksei Petruhhin

(Zaak C-182/15) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Burgerschap van de Europese Unie - Uitlevering, aan een derde land, van een onderdaan van een lidstaat die gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer - Werkingssfeer van het Unierecht - Bescherming van onderdanen van een lidstaat tegen uitlevering - Geen bescherming van onderdanen van andere lidstaten - Beperking van het vrije verkeer - Rechtvaardiging op grond van de voorkoming van straffeloosheid - Evenredigheid - Verificatie van de inachtneming van de waarborgen van artikel 19 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie))

(2016/C 402/10)

Procestaal: Lets

Verwijzende rechter

Augstākā tiesa

Partijen in het hoofdgeding

Aleksei Petruhhin

Dictum

1)

De artikelen 18 en 21 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat, indien een derde land een lidstaat waarnaar een Unieburger die onderdaan is van een andere lidstaat, zich heeft begeven, om uitlevering verzoekt, en er tussen het derde land en de aangezochte lidstaat een uitleveringsverdrag bestaat, de aangezochte lidstaat de lidstaat waarvan deze onderdaan de nationaliteit heeft op de hoogte dient te brengen en deze onderdaan in voorkomend geval op verzoek van deze laatste lidstaat aan hem dient over te leveren overeenkomstig kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, op voorwaarde dat deze laatste lidstaat ingevolge zijn nationale recht bevoegd is om deze persoon te vervolgen voor buiten zijn nationale grondgebied gepleegde feiten.

2)

In het geval waarin een derde land een lidstaat verzoekt om uitlevering van een onderdaan van een andere lidstaat, moet deze eerste lidstaat nagaan of de uitlevering geen afbreuk doet aan de in artikel 19 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde rechten.


(1)  PB C 205 van 22.6.2015.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/9


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 8 september 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunale di Reggio Calabria — Italië) — Strafzaak tegen Domenico Politanò

(Zaak C-225/15) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Artikel 49 VWEU - Vrijheid van vestiging - Kansspelen - Beperkingen - Dwingende vereisten van algemeen belang - Evenredigheid - Overheidsopdrachten - Voorwaarden voor deelname aan een aanbesteding en beoordeling van de economische en financiële draagkracht - Uitsluiting van een inschrijver wegens niet-overlegging van door twee verschillende bankinstellingen afgegeven verklaringen van economische en financiële draagkracht - Richtlijn 2004/18/EG - Artikel 47 - Toepasselijkheid))

(2016/C 402/11)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Tribunale di Reggio Calabria

Partij in de strafzaak

Domenico Politanò

Dictum

1)

Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, en inzonderheid artikel 47, moeten aldus worden uitgelegd dat een nationale regeling betreffende de verlening van concessies op het gebied van kansspelen zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, niet binnen de werkingssfeer daarvan valt.

2)

Artikel 49 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale bepaling zoals die in het hoofdgeding, op grond waarvan exploitanten die wensen deel te nemen aan een aanbesteding voor de verlening van concessies op het gebied van spelen en weddenschappen hun economische en financiële draagkracht moeten bewijzen aan de hand van verklaringen van minstens twee bankinstellingen, zonder dat deze draagkracht ook op een andere wijze mag worden aangetoond, voor zover een dergelijke bepaling kan voldoen aan de evenredigheidsvoorwaarden die in de rechtspraak van het Hof zijn geformuleerd, hetgeen aan de verwijzende rechter ter beoordeling staat.


(1)  PB C 262 van 10.8.2015.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/10


Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 7 september 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de cour de cassation — Frankrijk) — Vincent Deroo-Blanquart/Sony Europe Limited, rechtsopvolgster van Sony France SA

(Zaak C-310/15) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Consumentenbescherming - Oneerlijke handelspraktijken - Richtlijn 2005/29/EG - Artikelen 5 en 7 - Gezamenlijk aanbod - Verkoop van een computer met voorgeïnstalleerde software - Essentiële informatie betreffende de prijs - Misleidende omissie - Onmogelijkheid voor de consument om hetzelfde model computer zonder software te kopen))

(2016/C 402/12)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Cour de cassation

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Vincent Deroo-Blanquart

Verwerende partij: Sony Europe Limited, rechtsopvolgster van Sony France SA

Dictum

1)

Een handelspraktijk bestaande in de verkoop van een computer met voorgeïnstalleerde software zonder de mogelijkheid voor de consument om hetzelfde model computer zonder voorgeïnstalleerde software te kopen, vormt als zodanig geen oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 5, lid 2, van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”), tenzij een dergelijke praktijk in strijd zou zijn met de vereisten van professionele toewijding en het economische gedrag van de gemiddelde consument met betrekking tot dat product wezenlijk verstoort of kan verstoren, wat aan de nationale rechter toekomt om te beoordelen rekening houdend met de bijzondere omstandigheden van het hoofdgeding.

2)

In het kader van een gezamenlijk aanbod bestaande in de verkoop van een computer met voorgeïnstalleerde software, vormt het ontbreken van een prijsaanduiding voor elk van de voorgeïnstalleerde softwareprogramma’s geen misleidende handelspraktijk in de zin van artikel 5, lid 4, onder a), en artikel 7 van richtlijn 2005/29.


(1)  PB C 294 van 7.9.2015.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/11


Arrest van het Hof (Negende kamer) van 8 september 2016 — Iranian Offshore Engineering & Construction Co./Raad van de Europese Unie

(Zaak C-459/15 P) (1)

((Hogere voorziening - Beperkende maatregelen tegen de Islamitische Republiek Iran - Lijst van personen en entiteiten waarvan de tegoeden en economische middelen worden bevroren - Verlenen van logistieke steun aan de Iraanse regering - Plaatsing van rekwirantes naam op een lijst))

(2016/C 402/13)

Procestaal: Spaans

Partijen

Rekwirante: Iranian Offshore Engineering & Construction Co. (vertegenwoordigers: J. Viñals Camallonga, L. Barriola Urruticoechea en J. Iriarte Ángel, abogados)

Andere partij in de procedure: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: A. de Elera-San Miguel Hurtado en V. Piessevaux, gemachtigden)

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Iranian Offshore Engineering & Construction Co. wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 346 van 19.10.2015.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/11


Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 8 september 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Verwaltungsgericht Berlin — Duitsland) — E.ON Kraftwerke GmbH/Bundesrepublik Deutschland

(Zaak C-461/15) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Milieu - Regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Europese Unie - Richtlijn 2003/87/EG - Geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten - Besluit 2011/278/EU - Wijziging van de toewijzing - Artikel 24, lid 1 - Informatieverplichting van de exploitant van de installatie - Omvang))

(2016/C 402/14)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Verwaltungsgericht Berlin

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: E.ON Kraftwerke GmbH

Verwerende partij: Bundesrepublik Deutschland

Dictum

Artikel 24, lid 1, van besluit 2011/278/EU van de Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, moet aldus worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat een lidstaat van de ondernemingen die onder de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten in de Europese Unie vallen en recht hebben op een kosteloze toewijzing van deze emissierechten, vereist dat zij informatie over alle geplande of effectieve veranderingen van de capaciteit, het activiteitsniveau en de werking van een installatie verstrekken, zonder deze eis te beperken tot enkel die informatie die betrekking heeft op wijzigingen die mogelijk van invloed zijn op deze toewijzing.


(1)  PB C 398 van 30.11.2005.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/12


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 28 juli 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Rejonowy dla Łodzi-Śródmieścia w Łodzi — Polen) — JZ/Prokuratura Rejonowa Łódź — Śródmieście

(Zaak C-294/16 PPU) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Prejudiciële spoedprocedure - Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken - Kaderbesluit 2002/584/JBZ - Artikel 26, lid 1 - Europees aanhoudingsbevel - Gevolgen van de overlevering - Verrekening van de periode van vrijheidsbeneming in de uitvoerende staat - Begrip „vrijheidsbeneming” - Andere vrijheidsbeperkende maatregen dan gevangenzetting - Huisarrest, gekoppeld aan het dragen van een elektronische enkelband - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikelen 6 en 49))

(2016/C 402/15)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Sąd Rejonowy dla Łodzi-Śródmieścia w Łodzi

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: JZ

Verwerende partij: Prokuratura Rejonowa Łódź — Śródmieście

Dictum

Artikel 26, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moet in die zin worden uitgelegd dat maatregelen als een huisarrest van negen uur gedurende de nacht, gekoppeld aan toezicht op de betrokkene middels een elektronische enkelband, aan een verplichting om zich dagelijks of verscheidene keren per week op gezette tijden te melden op een politiebureau alsmede aan een verbod om documenten aan te vragen waarmee naar het buitenland kan worden gereisd, gelet op de aard, de duur, de gevolgen en de uitvoeringsmodaliteiten van al deze maatregelen in beginsel niet dermate dwingend zijn dat zij een vrijheidsbenemend effect zouden meebrengen dat vergelijkbaar is met dat wat voortvloeit uit gevangenzetting en dat zij aldus zouden moeten worden gekwalificeerd als „vrijheidsbeneming” (hechtenis) in de zin van die bepaling. Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.


(1)  PB C 296 van 16.8.2016.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/13


Beroep ingesteld op 1 juni 2016 — Europese Commissie/Helleense Republiek

(Zaak C-328/16)

(2016/C 402/16)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. Zavvos en E. Manhaeve, gemachtigden)

Verwerende partij: Helleense Republiek

Conclusies

vaststellen dat de Helleense Republiek, door niet alle maatregelen te treffen ter uitvoering van het arrest van het Hof van 24 juni 2004 in zaak C-119/02 (1), Commissie/Helleense Republiek, verzuimd heeft de krachtens artikel 260, lid 1, VWEU op haar rustende verplichting, na te komen,

de Helleense Republiek veroordelen tot betaling aan de Commissie van een dwangsom van 34 974 EUR per dag vertraging bij de uitvoering van het arrest in zaak C-119/02, vanaf de dag van de uitspraak van het arrest in de onderhavige zaak tot op de dag van de uitvoering van het arrest in zaak C-119/02,

de Helleense Republiek veroordelen tot betaling aan de Commissie van een dagelijks forfaitair bedrag van 3 828 EUR vanaf de dag van de uitspraak van het arrest C-119/02, tot op de dag van de uitspraak van het arrest in de huidige zaak dan wel tot op de dag van de uitvoering van het arrest C-119/02, indien die uitvoering eerder plaatsvindt,

de Helleense Republiek verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

1.

In het arrest van 24 juni 2004, zaak C-119/02, Commissie/Helleense Republiek, heeft het Hof als volgt geoordeeld:

„De Helleense Republiek, door niet de maatregelen te treffen die nodig zijn voor de aanleg van een opvangsysteem voor het stedelijk afvalwater van het gebied van Thriasio Pedio, en door het stedelijk afvalwater van dat gebied niet te onderwerpen aan een behandeling die verder gaat dan de secundaire behandeling vóór het in het, kwetsbare gebied’ van de golf van [Eleusi] wordt geloosd, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 3, lid 1, en artikel 5, lid 2, van richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater  (2) , zoals gewijzigd bij richtlijn 98/15/EG van de Commissie van 27 februari 1998”.

2.

De Helleense Republiek diende de nodige maatregelen te treffen om het stedelijke afvalwater van het gebied van Thriasio Pedio (die de plaatsen Eleusi, Aspropyrgos, Magoula en Mandra omvat) op te vangen en te behandelen, overeenkomstig artikel 3, lid 1, tweede alinea, en artikel 5, lid 2, van richtlijn 91/271/EEG, als gewijzigd bij richtlijn 98/15/EG, vóór de lozing in het kwetsbare gebied van de golf van Eleusi. Het opvang- en zuiveringssysteem van het afvalwater van het gebied Thriasio Pedio diende uiterlijk op 31 december 1998 te zijn geïnstalleerd. Bovendien diende het stedelijke afvalwater uiterlijk op die datum aan een behandeling te worden onderworpen die verder gaat dan de secundaire, („tertiaire behandeling”) vóór de lozing, ervan in kwetsbaar gebied.

3.

De Helleense Republiek diende te zorgen voor de opvang en de behandeling van al het stedelijke afvalwater van het gebied van Thriasio Pedio, de onderwerping ervan aan een behandeling die verder gaat dan de secundaire behandeling, en te bewijzen dat de werking van de waterzuiveringsinstallaties van het stedelijke afvalwater de bepalingen van de richtlijn naleeft.

4.

Het arrest van het Hof diende door de realisatie van verschillende projecten uitgevoerd te worden:

de oprichting van een centrum voor de behandeling van afvalwater (hierna: „CBEUR”),

de bouw van „hoofdkanalisaties” (voor het opvangsysteem van stedelijk afvalwater), of „primair opvangsysteem”,

de bouw van pijpleidingen (voor het opvangsysteem van stedelijk afvalwater), of „secundair opvangsysteem”,

de aansluiting van de verschillende inwoners/industrie van het gebied (van de gemeenten Eleusi, Aspropyrgos, Mandra en Magoula) op het opvangsysteem van stedelijk afvalwater, of „tertiair opvangsysteem”.

5.

De bevoegde Helleense autoriteiten hebben de Commissie meegedeeld dat het grootste deel van het volledige project zou worden gerealiseerd vóór het einde van 2010. Het primaire opvangsysteem was zo goed als gerealiseerd, het secundaire opvangsysteem was voor 45 % klaar en het tertiaire opvangsysteem was in opbouw. De autoriteiten voerden aan dat het CBEUR het stedelijke afvalwater van de hele bevolking van het gebied kon aansluiten vóór het einde van 2010. Het primaire opvangsysteem kon 100 % van de bevolking van de gemeenten Aspropyrgos, Mandra en Magoula bedienen en 2/3 van de bevolking van Eleusi (te weten, samengeteld, ongeveer 90 % van de 4 gemeenten). De rest van de bevolking kon uiterlijk op 30 april 2011 bediend worden.

6.

De Commissie heeft in dat verband besloten dat het arrest van het Hof op 18 juli 2011 nog niet helemaal was uitgevoerd.

7.

De Helleense autoriteiten hebben in hun antwoord van 27 november 2012 aan de Commissie meegedeeld dat het CBEUR sinds 27 juli 2012 in werking was, maar dat de secundaire en tertiaire opvangsystemen nog niet af waren (dit was voorzien voor het einde van maart 2013). Het secundaire opvangsysteem was zo goed als af, met uitzondering van een deel van de gemeente Eleusi („Kato Eleusi”) waar de werken wegens archeologische vondsten vertraging hebben opgelopen. Bovendien werd geschat dat op dat moment 24 % van het stedelijke afvalwater van de stedelijke agglomeratie van Thriasio Pedio werd opgevangen en behandeld door het CBEUR. De autoriteiten hebben ook elementen aangevoerd om aan te tonen (tertiaire behandeling van het opgevangen stedelijke afvalwater) dat de installaties goed werkten.

8.

De Commissie is van oordeel dat, ondanks het verstrijken van twaalf jaar sinds de uitspraak, het arrest door de Helleense Republiek nog niet volledig is uitgevoerd. De waterzuiveringsinstallaties voor het stedelijke afvalwater zijn afgewerkt en sinds 27 juli 2012 in werking gesteld, teneinde zodat aldus stikstof kan worden verwijderd, maar toch moet worden onderstreept dat enkel een zeer klein percentage (28 %) van het stedelijke afvalwater van het gebied van Thriasio Pedio momenteel wordt opgevangen en behandeld.

9.

De Commissie heeft bovendien van de bevoegde autoriteiten geen enkele betrouwbare kalender ontvangen die toestaat om in te schatten vanaf wanneer er een echte vooruitgang zal zijn. De Commissie onderstreept bovendien dat de verschillende deadlines die meerdere malen door de Helleense autoriteiten zijn meegedeeld, nooit zijn nageleefd. Naast het tertiaire opvangsysteem, dat verschillende woningen en industrie van het gebied aansluit, is evenmin het secundaire opvangsysteem (bouw van grote pijpleidingen) afgewerkt aangezien het deel van Kato Eleusi, in de gemeente Eleusi, ontbreekt.

10.

De Commissie onderstreept dat, behalve het antwoord van de Helleense autoriteiten van 27 november 2011, zij geen enkel statistisch gegeven heeft ontvangen dat kan aantonen dat het stedelijke afvalwater aan een behandeling wordt onderworpen die verder gaat dan de secundaire behandeling. Het betrokken antwoord bevatte bepaalde cijfers, die evenwel enkel betrekking hadden op een periode van vier maanden, aangezien de installatie pas op 27 juli van dat jaar in werking was gesteld. Welnu, om een voldoende behandeling van het opgevangen stedelijke afvalwater aan te kunnen tonen, dienden de Helleense autoriteiten de goede werking van de waterzuiveringsinstallatie aan te tonen voor een periode van twaalf maanden, en daarbij een percentage van vermindering van de BZV5 (biochemisch zuurstofverbruik) en de CZV (chemisch zuurstofverbruik) aangeven, dat kon voldoen aan de bepalingen van de richtlijn inzake de secundaire behandeling, en, inzake de tertiaire behandeling, een voldoende percentage van vermindering van stikstof overeenkomstig bijlage I, tabel 2, bij de richtlijn. Zolang die gegevens ontbreken kan de Commissie niet nagaan of het momenteel opgevangen stedelijke afvalwater uiteindelijk onderworpen is aan een behandeling die verder gaat dan de secundaire behandeling, overeenkomstig artikel 4 van de richtlijn.


(1)  EU:C:2004:385

(2)  PB 1991, L 135, blz. 40.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/14


Hogere voorziening ingesteld op 7 juli 2016 door het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 27 april 2016 in zaak T-556/11, European Dynamics Luxembourg SA, European Dynamics Belgium SA, Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE/Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie

(Zaak C-376/16 P)

(2016/C 402/17)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirant: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: N. Bambara, gemachtigde, P. Wytinck, B. Hoorelbeke, advocaten)

Andere partijen in de procedure: European Dynamics Luxembourg SA, European Dynamics Belgium SA, Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE

Conclusies

Rekwirant verzoekt het Hof:

primair,

het bestreden arrest van het Gerecht in zijn geheel te vernietigen;

het door verzoeksters in eerste aanleg ingediende verzoek tot nietigverklaring van het litigieuze besluit en de door hen ingestelde vordering tot schadevergoeding af te wijzen;

subsidiair, het bestreden arrest van het Gerecht in zijn geheel te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht;

meer subsidiair, het bestreden arrest van het Gerecht te vernietigen voor zover het EUIPO daarbij is veroordeeld tot vergoeding van de schade die European Dynamics Luxembourg heeft geleden door het verlies van een kans om de raamovereenkomst toegewezen te krijgen, en de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht.

verzoeksters in eerste aanleg te verwijzen in alle kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

1.

De hogere voorziening is in hoofdzaak gebaseerd op vier middelen, namelijk: 1) het Gerecht heeft het beginsel van gelijke kansen en het transparantiebeginsel rechtens onjuist uitgelegd en toegepast, en het heeft hoe dan ook de feiten onjuist opgevat; 2) het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging en de toepassing van de criteria die moeten worden gehanteerd om na te gaan of sprake was van kennelijk onjuiste beoordelingen, en het heeft in een aantal gevallen de feiten verdraaid; 3) het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van artikel 100, lid 2, van het algemeen financieel reglement, gelezen in samenhang met artikel 296, tweede alinea, VWEU, en 4) het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar het schadevergoeding heeft toegewezen wegens het verlies van een kans.

2.

Met het eerste middel in hogere voorziening betoogt rekwirant dat het Gerecht — in strijd met artikel 21 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof en de artikelen 76, lid 1, en 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht — ultra petita heeft geoordeeld, of minstens blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar het heeft geoordeeld dat schending van de beginselen van gelijke kansen en zorgvuldigheid tot de nietigverklaring van het litigieuze besluit kon leiden, door te verklaren dat het litigieuze besluit nietig diende te worden verklaard voor zover het EUIPO noch heeft verzocht om uittreksels uit de strafregisters van Siemens SA en Siemens SL als bewijs dat aan geen van de uitsluitingsgronden in de zin van de artikelen 93 en 94 van het algemeen financieel reglement was voldaan, noch deze uittreksels heeft verkregen. In het tweede onderdeel van het eerste middel in hogere voorziening stelt rekwirant tevens dat het Gerecht de feiten onjuist heeft opgevat door te verklaren dat het EUIPO noch om bewijzen heeft verzocht — noch deze heeft overgelegd — waaruit overeenkomstig artikel 134, lid 3, eerste alinea, van de uitvoeringsvoorschriften rechtens genoegzaam bleek dat met betrekking tot Siemens SL geen sprake was van een van de uitsluitingsgevallen, aangezien in het dossier geen uittreksel uit het handelsregister is opgenomen dat een gelijkwaardig document is in de zin van artikel 134, lid 3, eerste alinea, van de uitvoeringsvoorschriften.

3.

Met het tweede middel in hogere voorziening voert rekwirant aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het niet heeft onderzocht of de bewezen kennelijke beoordelingsfouten die het beoordelingscomité bij de evaluatie van de offerte van European Dynamics heeft gemaakt, het uiteindelijke resultaat van het litigieuze gunningsbesluit kon hebben beïnvloed. Rekwirant benadrukt dat Gerecht dient na te gaan of de aangetoonde kennelijke beoordelingsfouten tot een verschillende uitkomst van de aanbestedingsprocedure zouden leiden, waarbij wordt onderzocht of deze beoordelingsfouten een impact hebben gehad op het aantal punten dat voor een bepaald criterium is verleend, indien er verschillende andere redenen (die niet door een kennelijke beoordelingsfout zijn aangetast) de toegekende score evenzeer rechtvaardigen. Bovendien stelt rekwirant dat het Gerecht op verschillende plaatsen hetzij de feiten heeft verdraaid en de onjuiste criteria heeft toegepast om na te gaan of sprake was van kennelijke beoordelingsfouten doordat het zijn beoordeling van de feiten simpelweg in de plaats van die van het EUIPO heeft gesteld, hetzij blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat een ontoereikende motivering als het bewijs van een kennelijke beoordelingsfout kan worden opgevat.

4.

Met het derde middel in hogere voorziening betoogt rekwirant dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te verklaren dat in de motivering van het litigieuze besluit diende te worden uiteengezet op welke wijze iedere (negatieve) aantekening een invloed heeft gehad op de punten die voor elk sub-criterium en onderdeel van het bestek werden toegekend, en het aldus met betrekking tot de motiveringsplicht strengere vereisten heeft opgelegd dan die welke voortvloeien uit vaste rechtspraak van het Hof. Bijgevolg heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het litigieuze besluit nietig te verklaren wegens schending van artikel 100, lid 2, van het algemeen financieel reglement, gelezen in samenhang met artikel 296, tweede alinea, VWEU.

5.

Met het vierde middel in hogere voorziening voert rekwirant aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het schadevergoeding heeft toegekend aan de eerste verzoekende partij in eerste aanleg, terwijl niet was voldaan een van de cumulatieve voorwaarden voor het bestaan van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de EU-instellingen (namelijk dat sprake was van onrechtmatige gedragingen). Subsidiair stelt rekwirant dat, zelfs indien de hogere voorziening enkel op basis van het eerste door hem aangevoerde middel zou worden toegewezen, het bestreden arrest hoe dan ook dient te worden vernietigd voor zover daarbij de verplichting is opgelegd om schadevergoeding te betalen, aangezien in dit geval niet het bewijs is geleverd van een causaal verband tussen het vermeende onrechtmatige gedrag (een kennelijke beoordelingsfout en ontoereikende motivering) en de beweerdelijk geleden schade. Meer subsidiair betoogt rekwirant dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het schadevergoeding heeft toegekend wegens het verlies van een kans, aangezien het verlenen van schadevergoeding op die grondslag niet kan worden beschouwd als een algemeen beginsel dat de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, en die toekenning dus schending oplevert van de desbetreffende uitdrukkelijke bepaling van artikel 340 VWEU.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/16


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) op 14 juli 2016 — Comité Interprofessionnel du Vin de Champagne/Aldi Einkauf GmbH & Co. OHG Süd

(Zaak C-393/16)

(2016/C 402/18)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesgerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Comité Interprofessionnel du Vin de Champagne

Verwerende partij: Aldi Einkauf GmbH & Co. OHG Süd

Interveniërende partij: Galana N.V.

Prejudiciële vragen

1)

Moeten artikel 118 quaterdecies, lid 2, onder a), ii), van verordening (EG) nr. 1234/2007 (1) en artikel 103, lid 2, onder a), ii), van verordening (EU) nr. 1308/2013 (2) aldus worden uitgelegd dat zij ook van toepassing zijn wanneer de beschermde oorsprongsbenaming wordt gebruikt als deel van een benaming voor een levensmiddel dat niet in overeenstemming is met het productdossier, maar waaraan een ingrediënt is toegevoegd dat in overeenstemming is met het productdossier?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

Moeten artikel 118 quaterdecies, lid 2, onder a), ii), van verordening (EG) nr. 1234/2007 en artikel 103, lid 2, onder a), ii), van verordening (EU) nr. 1308/2013 aldus worden uitgelegd dat het gebruik van een beschermde oorsprongsbenaming als deel van een benaming voor een levensmiddel dat niet in overeenstemming is met het productdossier, maar waaraan een ingrediënt is toegevoegd dat in overeenstemming is met het productdossier, neerkomt op het uitbuiten van de reputatie van de oorsprongsbenaming wanneer de benaming van het levensmiddel overeenkomt met de bij het relevante publiek gebruikelijke benaming en het ingrediënt in voldoende hoeveelheid werd toegevoegd teneinde het product een essentieel kenmerk te verlenen?

3)

Moeten artikel 118 quaterdecies, lid 2, onder b), van verordening (EG) nr. 1234/2007 en artikel 103, lid 2, onder b), van verordening (EU) nr. 1308/2013 aldus worden uitgelegd dat het gebruik van een beschermde oorsprongsbenaming onder de in de tweede prejudiciële vraag beschreven omstandigheden misbruik, nabootsing of voorstelling oplevert?

4)

Moeten artikel 118 quaterdecies, lid 2, onder c), van verordening (EG) nr. 1234/2007 en artikel 103, lid 2, onder c), van verordening (EU) nr. 1308/2013 aldus worden uitgelegd dat zij alleen van toepassing zijn op onjuiste of misleidende aanduidingen die bij het relevante publiek aanleiding kunnen geven tot misverstanden over de geografische herkomst van een product?


(1)  Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening) (PB L 299, blz. 1).

(2)  Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 (PB L 347, blz. 671).


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/17


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) op 1 augustus 2016 — Hansruedi Raimund/Michaela Aigner

(Zaak C-425/16)

(2016/C 402/19)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Oberster Gerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Hansruedi Raimund

Verwerende partij: Michaela Aigner

Prejudiciële vragen

1)

Mag een vordering wegens inbreuk op een Uniemerk [artikel 96, onder a), van verordening (EG) nr. 207/2009 (1), in de versie van verordening (EU) nr. 2015/2424] worden afgewezen op grond dat de aanvraag van het merk te kwader trouw was [artikel 52, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009, in de versie van verordening (EU) nr. 2015/2424], wanneer de gedaagde op deze grond weliswaar een reconventionele vordering tot nietigverklaring van het Uniemerk heeft ingesteld [artikel 99, lid 1, van verordening (EG) nr. 207/2009, in de versie van verordening (EU) nr. 2015/2424], maar de rechter op deze reconventionele vordering nog niet heeft beslist?

2)

Zo nee, mag de rechter de vordering wegens inbreuk afwijzen op grond dat de aanvraag van het merk te kwader trouw was, wanneer hij minstens tegelijk de reconventionele vordering tot nietigverklaring toewijst, of moet hij met de beslissing op de vordering wegens inbreuk in ieder geval wachten tot de beslissing op de reconventionele vordering in kracht van gewijsde is gegaan?


(1)  Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk, PB 2009, L 78, blz. 1.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/17


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Superior de Justicia de Castilla y León (Spanje) op 2 augustus 2016 — Instituto Nacional de la Seguridad Social (INSS) en Tesorería General de la Seguridad Social (TGSS)/José Blanco Marqués

(Zaak C-431/16)

(2016/C 402/20)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Tribunal Superior de Justicia de Castilla y León

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Instituto Nacional de la Seguridad Social (INSS) en Tesorería General de la Seguridad Social (TGSS)

Verwerende partij: José Blanco Marqués

Prejudiciële vragen

1)

Moet worden aangenomen dat een nationale regeling als die van artikel 6, lid 4, van koninklijk besluit 1646/1972 van 23 juni 1972, die bepaalt dat de aanvulling van 20 % van de pensioengrondslag voor personen ouder dan 55 jaar die volledig en blijvend ongeschikt zijn verklaard voor de uitoefening van hun reguliere beroep „wordt opgeschort gedurende de periode dat de werknemer arbeid verricht”, een anticumulatiebepaling is in de zin van de artikelen 12, 46 bis, 46 ter en 46 quater van verordening (EEG) nr. 1408/71 (1) en de artikelen 5, 53, 54 en 55 van verordening (EG) nr. 883/2004 (2), rekening houdend met het feit dat het Spaanse Tribunal Supremo heeft geoordeeld dat de in die nationale regeling vastgestelde onverenigbaarheid niet alleen van toepassing is op het verrichten van werk maar ook op de ontvangst van een ouderdomspensioen?

2)

Als de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, moeten dan artikel 46 bis, lid 3, onder a) van verordening (EEG) nr. 1408/71 en artikel 53, lid 3, onder a) van verordening (EG) nr. 883/2004 in die zin worden uitgelegd dat een anticumulatiebepaling enkel kan worden toegepast met betrekking tot de aan de orde zijnde uitkering en een uitkering van een andere lidstaat van de Europese Unie of Zwitserland, wanneer er een nationale wettelijke bepaling bestaat die uitdrukkelijk de onverenigbaarheid vaststelt van socialezekerheidsuitkeringen bij invaliditeit, bij ouderdom of aan nabestaanden, zoals de uitkering die hier aan de orde is, met de uitkeringen of inkomsten die door de begunstigde in het buitenland zijn verkregen? Of kan de anticumulatiebepaling worden toegepast op pensioenen van een andere lidstaat van de Europese Unie of Zwitserland, conform artikel 12 van verordening (EEG) nr. 1408/71 en artikel 5 van verordening (EG) nr. 883/2004, ondanks het feit dat er geen uitdrukkelijke bepaling in de wet is opgenomen, maar de nationale rechtspraak een uitlegging hanteert die uitgaat van onverenigbaarheid van de aan de orde zijnde uitkering met een Spaans nationaal ouderdomspensioen?

3)

Als het antwoord op de vorige vraag luidt dat de Spaanse anticumulatiebepaling (met de uitbreiding daarvan via de rechtspraak) kan worden toegepast op de onderhavige zaak, ondanks het feit dat er geen uitdrukkelijke wettelijke bepaling bestaat die uitkeringen of inkomsten in het buitenland in aanmerking neemt, moet dan de aanvulling van 20 % die werknemers krachtens de Spaanse wetgeving inzake de sociale zekerheid ontvangen die volledig en blijvend arbeidsongeschikt zijn verklaard voor de uitoefening van hun reguliere beroep en ouder zijn dan 55 jaar, zoals hierboven beschreven, worden beschouwd als een uitkering van dezelfde aard als of van andere aard dan een ouderdomspensioen van het Zwitserse socialezekerheidsstelsel? Heeft de definitie van de verschillende takken van de sociale zekerheid in artikel 4, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 en artikel 3, lid 1, van verordening (EG) nr. 883/2004 communautaire strekking, of moet de definitie worden gevolgd die in de nationale wetgeving aan elke concrete uitkering is gegeven? Indien de definitie communautaire strekking heeft, moet dan de aanvulling van 20 % van de berekeningsgrondslag van de uitkering voor volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid, welke aanvulling onderwerp is van deze procedure, worden beschouwd als een invaliditeitsuitkering of als een werkloosheidsuitkering? Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat de aanvulling op de uitkering wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid voor het reguliere beroep is gebaseerd op de moeilijkheid voor mensen ouder dan 55 jaar om ander werk te vinden, en dat daarom de uitbetaling van deze aanvulling wordt stopgezet wanneer de begunstigde arbeid verricht.

4)

Als beide uitkeringen worden beschouwd als van dezelfde aard en daarbij wordt overwogen dat noch voor de bepaling van het bedrag van de Spaanse arbeidsongeschiktheidsuitkering, noch voor dat van de aanvulling daarop, tijdvakken van pensioenafdracht in een andere lidstaat in aanmerking zijn genomen, moet dan worden aangenomen dat de aanvulling van 20 % van de berekeningsgrondslag van de Spaanse uitkering wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid een uitkering is waarop de anticumulatiebepalingen van toepassing zijn, omdat het bedrag onafhankelijk is van de duur van de tijdvakken van verzekering of wonen, in de zin van artikel 46 ter, [lid 2, onder a)], van verordening (EEG) nr. 1408/71 en artikel 54, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 883/2004? Kan de anticumulatiebepaling worden toegepast hoewel deze uitkering niet genoemd wordt in deel D van bijlage IV bij verordening (EEG) nr. 1408/71, noch in bijlage IX bij verordening (EG) nr. 883/2004?

5)

Als de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, is dan de regel van toepassing van artikel 46 bis, lid 3, onder d), van verordening (EEG) nr. 1408/71 en artikel 53, lid 3, onder d), van verordening (EG) nr. 883/2004, die bepaalt dat de Spaanse socialezekerheidsuitkering slechts kan worden verminderd „ten belope van het bedrag van de uitkeringen die verschuldigd zijn krachtens de wetgeving” van de andere staat, in dit geval Zwitserland?

6)

Als beide uitkeringen worden beschouwd als van verschillende aard, en wanneer in aanmerking wordt genomen dat niet vaststaat dat Zwitserland een anticumulatiebepaling toepast, kan dan krachtens artikel 46 quater van verordening (EEG) nr. 1408/71 en artikel 55 van verordening (EG) nr. 883/2004 de vermindering in haar geheel worden toegepast op de aanvulling van 20 % van de Spaanse uitkering wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid, of moet de vermindering worden gesplitst of naar verhouding in aanmerking worden genomen? Moet in beide gevallen de maximale vermindering worden toegepast van artikel 46 bis, lid 3, onder d), van verordening (EEG) nr. 1408/71 en artikel 53, lid 3, onder d), van verordening (EG) nr. 883/2004, volgens welke de Spaanse socialezekerheidsuitkering slechts kan worden verminderd „ten belope van het bedrag van de uitkeringen die verschuldigd zijn krachtens de wetgeving” van de andere staat, in dit geval Zwitserland?


(1)  Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2).

(2)  Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004, L 166, blz. 1).


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/19


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland) op 17 augustus 2016 — Finanzamt Bingen-Alzey/Boehringer Ingelheim Pharma GmbH & Co. KG

(Zaak C-462/16)

(2016/C 402/21)

Procestaal: Duitsland

Verwijzende rechter

Bundesfinanzhof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Finanzamt Bingen-Alzey

Verwerende partij: Boehringer Ingelheim Pharma GmbH & Co. KG

Prejudiciële vraag

Heeft een farmaceutische onderneming die geneesmiddelen levert, gelet op de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (arrest van 24 oktober 1996, Elida Gibbs, C-317/94 (1)) en op het Unierechtelijke beginsel van gelijke behandeling, recht op verlaging van de maatstaf van heffing overeenkomstig artikel 90 van richtlijn 2006/112/EG (2) van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wanneer

de onderneming deze geneesmiddelen via een groothandelaar aan apotheken levert,

de apotheken belaste leveringen verrichten aan personen die particulier zorgverzekerd zijn,

het orgaan van de zorgverzekering (de particuliere zorgverzekeringsmaatschappij) de door zijn verzekerden gemaakte kosten voor geneesmiddelen vergoed, en

de farmaceutische onderneming op grond van een wettelijke regeling verplicht is de particuliere zorgverzekeraar een korting te verlenen?


(1)  EU:C:1996:400, punten 28 en 31.

(2)  PB 2006, L 347, blz. 1.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/20


Hogere voorziening ingesteld op 18 augustus 2016 door Pénzügyi Ismeretterjesztő és Érdek-képviseleti Egyesület (PITEE) tegen de beschikking van het Gerecht (Vierde kamer) van 20 juli 2016 in zaak T-674/15, Pénzügyi Ismeretterjesztő és Érdek-képviseleti Egyesület (PITEE)/Europese Commissie

(Zaak C-464/16 P)

(2016/C 402/22)

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirante: Pénzügyi Ismeretterjesztő és Érdek-képviseleti Egyesület (PITEE) (vertegenwoordiger: D. Lazar, Rechtsanwalt)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

1.

de beslissing van het Gerecht van 20 juli 2016 in zaak T-674/15 in haar geheel vernietigen;

2.

de besluiten van de Commissie van 9 oktober 2015 [Ares(2015)4207700] en 14 augustus 2015 [Ares(2015)3532556], waarbij rekwirante de toegang tot documenten is geweigerd, nietig verklaren;

3.

de Commissie gelasten om rekwirante toegang te verlenen tot alle documenten van de Hongaarse regering in verband met de „pilot”-procedure 6874/14/JUST [CHAP(2015)00353 en CHAP(2015)00555], ongeacht of zij reeds in haar bezit zijn of haar pas later zullen worden verstrekt;

4.

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van haar hogere voorziening tegen de voormelde beslissing van het Gerecht voert rekwirante in wezen de volgende argumenten aan.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het een partij in de zin van het Statuut van het Hof, ongeacht haar hoedanigheid, niet toegestaan om zelf voor het Hof op te treden, maar dient zij gebruik te maken van de diensten van een derde. (1)

Bovendien mogen advocaten die leidinggevende functies binnen de organen van een rechtspersoon bekleden, de belangen van die rechtspersoon niet behartigen voor de Unierechter. (2)

De vaste rechtspraak van het Hof is in strijd met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met artikel 6, lid 3, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Uit de rechtspraak van het Hof kan niet worden afgeleid welk legitiem doel het Hof nastreeft met zijn uitlegging van het Statuut. Bovendien is onduidelijk op basis van welke uitlegging het Hof tot de conclusie komt dat de procesvertegenwoordiger een onafhankelijke derde moet zijn. Hoe dan ook bevat het Statuut niet een dergelijke formulering.

Het Statuut van het Hof van Justitie moet aldus worden uitgelegd dat iedere partij en iedere rechtspersoon vrij is om haar of zijn procesvertegenwoordigers te kiezen.


(1)  Beschikkingen van 5 december 1996, Lopes/Hof van Justitie (C-174/96 P, EU:C:1996:473, punt 11), van 21 november 2007, Correia de Matos/Parlement (C-502/06 P, niet gepubliceerd, EU:C:2007:696, punt 11) en van 29 september 2010, EREF/Commissie (C-74/10 P en C-75/10 P, niet gepubliceerd, EU:C:2010:557, punt 54).

(2)  Beschikkingen Gerecht van 8 december 1999, Euro-Lex/BHIM (T-79/99, EU:T:1999:312, punt 29); van 13 januari 2005, Sulvida/Commissie (T-184/04, EU:T:2005:7, punt 10), en van 30 november 2012, Activa Preferentes/Raad (T-437/12, niet gepubliceerd, EU:T:2012:638, punt 7).


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/21


Hogere voorziening ingesteld op 20 augustus 2016 door Raad van de Europese Unie tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 9 juni 2016 in zaak T-276/13, Growth Energy en Renewable Fuels Association/Raad van de Europese Unie

(Zaak C-465/16 P)

(2016/C 402/23)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirant: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: S. Boelaert, gemachtigde, N. Tuominen, advocaat)

Andere partijen in de procedure: Growth Energy, Renewable Fuels Association, Europese Commissie, ePURE, de Europese Producenten Unie van Hernieuwbare Ethanol

Conclusies

het arrest van het Gerecht van 9 juni 2016 in zaak T-276/13, Growth Energy en Renewable Fuels Association/Raad van de Europese Unie, ter kennis gebracht van de Raad op 10 juni 2016, vernietigen;

het door Growth Energy en Renewable Fuels Association in eerste aanleg ingestelde beroep tot nietigverklaring van de bestreden verordening (1) verwerpen;

Growth Energy en Renewable Fuels Association verwijzen in de kosten van de Raad in beide instanties.

Subsidiair,

de zaak terugverwijzen naar het Gerecht voor een nieuwe uitspraak;

in het geval van terugverwijzing naar het Gerecht, de beslissing omtrent de kosten aanhouden.

Middelen en voornaamste argumenten

Met de onderhavige hogere voorziening verzoekt de Raad om vernietiging van het bestreden arrest op de volgende gronden:

Het oordeel van het Gerecht inzake de ontvankelijkheid van het beroep en met name de conclusies van het Gerecht inzake verzoeksters’ rechtstreekse en individuele geraaktheid, geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

a)

Ten eerste stelt het Gerecht zich op het standpunt dat, om vast te stellen of er sprake is van rechtstreekse geraaktheid, het voldoende is dat de vier VS- steekproefproducenten producenten van biodiesel zijn. Deze conclusie met betrekking tot de rechtstreekse geraaktheid is evenwel niet verenigbaar met vaste rechtspraak, die rechtstreekse geraaktheid op basis van louter economische gevolgen afwijst.

b)

Ten tweede is het onduidelijk hoe het enkele feit dat de VS-producenten hun bio-ethanol hebben verkocht aan binnenlandse handelaren/mengers en deze bio-ethanol vervolgens werd doorverkocht op de binnenlandse markt of door deze handelaren, vóór de heffing van rechten, in aanzienlijke hoeveelheden werd uitgevoerd naar de Unie, hun marktpositie wezenlijk zou beïnvloeden. Om aan te tonen dat hun marktpositie door de instelling van de rechten wezenlijk is beïnvloed, hadden verzoeksters op zijn minst het effect van de rechten op de omvang van de invoer in de Unie na de oplegging van de antidumpingrechten moeten vaststellen. Verzoeksters hebben in dit opzicht evenwel geen enkele informatie verstrekt en ook het bestreden arrest bevat geen enkele conclusie op dit punt. Dit geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van de individuele geraaktheid-test en vormt tevens een motiveringsgebrek.

Wat de zaak ten principale betreft, heeft het Gerecht met betrekking tot de uitlegging van de basisverordening (2) blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts heeft het met betrekking tot het WTO-recht op twee punten blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

a)

Ten eerste heeft het Gerecht de basisverordening onjuist uitgelegd, door te oordelen dat artikel 9, lid 5, van de basisverordening zowel artikel 9.2 als artikel 6.10 van de antidumpingovereenkomst implementeert. Enerzijds gaat, zoals ook blijkt uit het de tekst van artikel 9, lid 5, van de basisverordening, laatstgenoemde bepaling niet in op de kwestie van de steekproeftrekking. Anderzijds is artikel 6.10 van de antidumpingovereenkomst geïmplementeerd door artikel 17 en artikel 9, lid 6, van de basisverordening, en niet door artikel 9, lid 5, van deze verordening.

b)

Ten tweede heeft het Gerecht de term „leverancier” in artikel 9, lid 5, van de basisverordening en artikel 9.2 van de antidumpingovereenkomst onjuist uitgelegd. Uit de logica en algemene opzet van artikel 9, lid 5, blijkt dat enkel een „bron [van waaruit] de invoer met dumping plaatsvindt en schade veroorzaakt” een leverancier kan zijn. Aangezien de VS-producenten echter geen exportprijs hadden, kon hen geen dumping worden verweten. Bijgevolg heeft het Gerecht, door hen aan te merken als „leveranciers”, in de zin van artikel 9, lid 5, van de basisverordening en artikel 9.2 van de antidumpingovereenkomst, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

c)

Ten derde heeft het Gerecht de term „niet praktisch mogelijk” in artikel 9, lid 5, van de basisverordening en artikel 9.2 van de antidumpingovereenkomst onjuist uitgelegd, door zich te baseren op een onjuiste uitlegging van artikel 9, lid 5, van de basisverordening in het licht van artikel 6.10 van de antidumpingovereenkomst, alsmede op het rapport van de Beroepsinstantie in de zaak EG — Bevestigingsmiddelen (3). Laatstgenoemd rapport gaat alleen in op artikel 9.2 van de antidumpingovereenkomst, zodat het onderzoek van deze instantie van de term „niet praktisch mogelijk” enkel betrekking heeft op de situatie en de behandeling waarin artikel 9.2 van de antidumpingovereenkomst voorziet voor exporteurs in landen zonder markteconomie. De Beroepsinstantie heeft derhalve geen uitlegging gegeven van de term „niet praktisch mogelijk” welke kan worden overgebracht op de onderhavige procedure, die geen betrekking heeft op exporteurs in landen zonder markteconomie.

Tot slot heeft het Gerecht feitelijk onjuiste conclusies getrokken toen het vaststelde dat de berekening van individuele rechten „praktisch mogelijk” was. Een situatie waarin de producenten van bio-ethanol geen uitvoerprijs, maar alleen een binnenlandse prijs hebben, maakt vaststelling van een individuele dumpingmarge onuitvoerbaar en onmogelijk en geeft de Commissie het recht om een voor het gehele land geldende dumpingmarge vast te stellen.


(1)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 157/2013 van de Raad van 18 februari 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bio-ethanol van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (PB 2013, L 49, blz. 10).

(2)  Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51).

(3)  Europese Gemeenschappen — Definitieve antidumpingmaatregelen inzake ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen uit China — AB-2011-2 — Rapport van de Beroepsinstantie, WT/DS397/AB/R („EG — Bevestigingsmiddelen, WT/DS397/AB/R”).


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/22


Hogere voorziening ingesteld op 20 augustus 2016 door de Raad van de Europese Unie tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 9 juni 2016 in zaak T-277/13, Marquis Energy LLC/Raad van de Europese Unie

(Zaak C-466/16 P)

(2016/C 402/24)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirant: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: S. Boelaert, gemachtigde, N. Tuominen, advocaat)

Andere partijen in de procedure: Marquis Energy LLC, Europese Commissie, ePURE, de Europese Producenten Unie van Hernieuwbare Ethanol

Conclusies

het arrest van het Gerecht van 9 juni 2016 in zaak T-277/13, Marquis Energy/Raad van de Europese Unie, , ter kennis gebracht van de Raad op 10 juni 2016, vernietigen;

het door Marquis Energy in eerste aanleg ingestelde beroep tot nietigverklaring van de bestreden verordening (1) verwerpen;

Marquis Energy verwijzen in de kosten van de Raad in beide instanties.

Subsidiair

de zaak terugverwijzen naar het Gerecht voor een nieuwe uitspraak;

in het geval van terugverwijzing naar het Gerecht, de beslissing omtrent de kosten aanhouden.

Middelen en voornaamste argumenten

Met de onderhavige hogere voorziening verzoekt de Raad om vernietiging van het bestreden arrest op de volgende gronden:

Het oordeel van het Gerecht inzake de ontvankelijkheid van het beroep en met name de conclusies van het Gerecht inzake verzoeksters rechtstreekse en individuele geraaktheid, geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

a)

Ten eerste stelt het Gerecht zich op het standpunt dat, om vast te stellen of er sprake is van rechtstreekse geraaktheid, het voldoende is dat verzoekster een producent van biodiesel is. Deze conclusie met betrekking tot de rechtstreekse geraaktheid is evenwel niet verenigbaar met vaste rechtspraak, die rechtstreekse geraaktheid op basis van louter economische gevolgen afwijst.

b)

Ten tweede is het onduidelijk hoe het enkele feit dat verzoekster haar bio-ethanol heeft verkocht aan binnenlandse handelaren/mengers en deze bio-ethanol vervolgens werd doorverkocht op de binnenlandse markt of door deze handelaren, vóór de heffing van rechten, in aanzienlijke hoeveelheden werd uitgevoerd naar de Unie, haar marktpositie wezenlijk zou beïnvloeden. Om aan te tonen dat haar marktpositie door de instelling van de rechten wezenlijk is beïnvloed, had verzoekster op zijn minst het effect van de rechten op de omvang van de invoer in de Unie na de oplegging van de antidumpingrechten moeten vaststellen. Verzoekster heeft in dit opzicht evenwel geen enkele informatie verstrekt en ook het bestreden arrest bevat geen enkele conclusie op dit punt. Dit geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van de individuele geraaktheid-test en vormt tevens een motiveringsgebrek.

Wat de zaak ten principale betreft, heeft het Gerecht met betrekking tot de uitlegging van de basisverordening (2) blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts heeft het met betrekking tot het WTO-recht op twee punten blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

a.

Ten eerste heeft het Gerecht de basisverordening onjuist uitgelegd, door te oordelen dat artikel 9, lid 5, van de basisverordening zowel artikel 9.2 als artikel 6.10 van de antidumpingovereenkomst implementeert. Enerzijds gaat, zoals ook blijkt uit het de tekst van artikel 9, lid 5, van de basisverordening, laatstgenoemde bepaling niet in op de kwestie van de steekproeftrekking. Anderzijds is artikel 6.10 van de antidumpingovereenkomst geïmplementeerd door artikel 17 en artikel 9, lid 6, van de basisverordening, en niet door artikel 9, lid 5, van deze verordening.

b.

Ten tweede heeft het Gerecht de term „leverancier” in artikel 9, lid 5, van de basisverordening en artikel 9.2 van de antidumpingovereenkomst onjuist uitgelegd. Uit de logica en algemene opzet van artikel 9, lid 5, blijkt dat enkel een „bron [van waaruit] de invoer met dumping plaatsvindt en schade veroorzaakt” een leverancier kan zijn. Aangezien de VS-producenten echter geen exportprijs hadden, kon hen geen dumping worden verweten. Bijgevolg heeft het Gerecht, door hen aan te merken als „leveranciers”, in de zin van artikel 9, lid 5, van de basisverordening en artikel 9.2 van de antidumpingovereenkomst, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

c.

Ten derde heeft het Gerecht de term „niet praktisch mogelijk” in artikel 9, lid 5, van de basisverordening en artikel 9.2 van de antidumpingovereenkomst onjuist uitgelegd, door zich te baseren op een onjuiste uitlegging van artikel 9, lid 5, van de basisverordening in het licht van artikel 6.10 van de antidumpingovereenkomst, alsmede op het rapport van de Beroepsinstantie in de zaak EG — Bevestigingsmiddelen (3). Laatstgenoemd rapport gaat alleen in op artikel 9.2 van de antidumpingovereenkomst, zodat het onderzoek van deze instantie van de term „niet praktisch mogelijk” enkel betrekking heeft op de situatie en de behandeling waarin artikel 9.2 van de antidumpingovereenkomst voorziet voor exporteurs in landen zonder markteconomie. De Beroepsinstantie heeft derhalve geen uitlegging gegeven van de term „niet praktisch mogelijk” welke kan worden overgebracht op de onderhavige procedure, die geen betrekking heeft op exporteurs in landen zonder markteconomie.

Tot slot heeft het Gerecht feitelijk onjuiste conclusies getrokken toen het vaststelde dat de berekening van individuele rechten „praktisch mogelijk” was. Een situatie waarin de producenten van bio-ethanol geen uitvoerprijs, maar alleen een binnenlandse prijs hebben, maakt vaststelling van een individuele dumpingmarge onuitvoerbaar en onmogelijk en geeft de Commissie het recht om een voor het gehele land geldende dumpingmarge vast te stellen.


(1)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 157/2013 van de Raad van 18 februari 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bio-ethanol van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (PB 2013, L 49, blz. 10).

(2)  Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51).

(3)  Europese Gemeenschappen — Definitieve antidumpingmaatregelen inzake ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen uit China — AB-2011-2 — Rapport van de Beroepsinstantie, WT/DS397/AB/R („EG — Bevestigingsmiddelen, WT/DS397/AB/R”).


Gerecht

31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/25


Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — Scuola Elementare Maria Montessori/Commissie

(Zaak T-220/13) (1)

([„Staatssteun - Gemeentelijke onroerendezaakbelasting - Vrijstelling verleend aan niet-commerciële organisaties die specifieke activiteiten uitoefenen - Geconsolideerde wet op de inkomstenbelasting - Vrijstelling van de eenmalige gemeentelijke belasting - Besluit waarin ten dele wordt vastgesteld dat er geen sprake is van staatssteun en ten dele dat de steun onverenigbaar is met de interne markt - Beroep tot nietigverklaring - Regelgevingshandeling die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt - Rechtstreeks geraakt - Ontvankelijkheid - Volstrekte onmogelijkheid van terugvordering - Artikel 14, lid 1, van verordening (EG) nr. 659/1999 - Motiveringsplicht”])

(2016/C 402/25)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Scuola Elementare Maria Montessori Srl (Rome, Italië) (vertegenwoordigers: aanvankelijk A. Nucara en E. Gambaro, vervolgens E. Gambaro, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk V. Di Bucci, G. Conte en D. Grespan, vervolgens G. Conte, D. Grespan en F. Tomat, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: G. Palmieri en G. De Bellis, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van besluit 2013/284/EU van de Commissie van 19 december 2012 betreffende steunmaatregel SA.20829 (C 26/2010, ex NN 43/2010 (ex CP 71/2006)) Regeling betreffende de door Italië ten uitvoer gelegde vrijstelling van de onroerendezaakbelasting ICI voor bij niet-commerciële organisaties ten behoeve van specifieke doeleinden in gebruik zijnde onroerende zaken (PB 2013, L 166, blz. 24)

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Scuola Elementare Maria Montessori Srl wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van de Europese Commissie.

3)

De Italiaanse Republiek draagt haar eigen kosten in verband met de interventie.


(1)  PB C 171 van 15.6.2013.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/25


Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — La Ferla/Commissie en ECHA

(Zaak T-392/13) (1)

((„REACH - Voor registratie van een stof verschuldigde vergoeding - Lagere vergoeding voor kleine, middelgrote en micro-ondernemingen - Onjuiste aangifte van de grootte van de onderneming - Aanbeveling 2003/361/EG - Besluit waarbij een vergoeding voor administratieve kosten wordt opgelegd - Verzoek om informatie - Bevoegdheid van ECHA - Evenredigheid”))

(2016/C 402/26)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Leone La Ferla SpA (Melilli, Italië) (vertegenwoordigers: G. Passalacqua, J. Occhipinti en G. Calcerano, advocaten)

Verwerende partijen: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Di Paolo en K. Talabér-Ritz, gemachtigden) en Europees Agentschap voor chemische stoffen (vertegenwoordigers: aanvankelijk M. Heikkilä, A. Iber, E. Bigi, E. Maurage en J.-P. Trnka, vervolgens M. Heikkilä, E. Bigi, E. Maurage en J.-P. Trnka, gemachtigden, bijgestaan door C. Garcia Molyneux, advocaat)

Voorwerp

In de eerste plaats, een verzoek op grond van artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van meerdere handelingen van de Commissie of van ECHA, in de tweede plaats, een verzoek tot veroordeling van ECHA tot terugbetaling van de bedragen die onverschuldigd zijn geïnd en, in de derde plaats, een verzoek op grond van artikel 268 VWEU tot vergoeding van de schade die verzoekster stelt te hebben geleden

Dictum

1)

Het beroep, voor zover ingesteld tegen de Europese Commissie, wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Het beroep, voor zover ingesteld tegen het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA), wordt deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.

3)

Leone La Ferla SpA wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 291 van 5.10.2013.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/26


Arrest van het Gerecht van 8 september 2016 — Lundbeck/Commissie

(Zaak T-472/13) (1)

((„Mededinging - Mededingingsregelingen - Markt van antidepressiva die het werkzame farmaceutische bestanddeel citalopram bevatten - Begrip mededingingsbeperking naar strekking - Potentiële mededinging - Generieke geneesmiddelen - Drempels voor toetreding tot de markt als gevolg van het bestaan van octrooien - Overeenkomsten tussen de octrooihouder en ondernemingen die actief zijn op het gebied van generieke geneesmiddelen - Artikel 101, leden 1 en 3, VWEU - Schending van het recht en beoordelingsfouten - Motiveringsplicht - Rechten van de verdediging - Rechtszekerheid - Geldboeten”))

(2016/C 402/27)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: H. Lundbeck A/S (Valby, Denemarken) en Lundbeck Ltd (Milton Keynes, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: R. Subiotto, QC, en T. Kuhn, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk J. Bourke, F. Castilla Contreras, B. Mongin, T. Vecchi en C. Vollrath, vervolgens F. Castilla Contreras, M. Mongin, T. Vecchi, M. Vollrath en T. Christoforou, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verzoekende partijen: European Federation of Pharmaceutical Industries and Associations (EFPIA) (Genève, Zwitserland) (vertegenwoordigers: F. Carlin, barrister, en M. Healy, solicitor)

Voorwerp

Verzoek om gedeeltelijke nietigverklaring van besluit C(2013) 3803 final van de Commissie van 19 juni 2013 inzake een procedure op grond van artikel 101 [VWEU] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (Zaak AT/39226 — Lundbeck), en een verzoek om verlaging van de bij dat besluit aan verzoeksters opgelegde geldboete

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

H. Lundbeck A/S en Lundbeck Ltd zullen hun eigen kosten en die van de Europese Commissie dragen.

3)

De European Federation of Pharmaceutical Industries and Associations (EFPIA) zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 325 van 9.11.2013.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/27


Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — Marchi Industriale/ECHA

(Zaak T-620/13) (1)

((„REACH - Voor registratie van een stof verschuldigde vergoeding - Lagere vergoeding voor kleine, middelgrote en micro-ondernemingen - Onjuiste aangifte van de grootte van de onderneming - Aanbeveling 2003/361/EG - Besluit waarbij een vergoeding voor administratieve kosten wordt opgelegd - Vaststelling van de grootte van de onderneming - Bevoegdheid van ECHA - Motiveringsplicht”))

(2016/C 402/28)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Marchi Industriale SpA (Firenze, Italië) (vertegenwoordigers: M. Baldassarri en F. Donati, advocaten)

Verwerende partij: Europees Agentschap voor chemische stoffen (vertegenwoordigers: aanvankelijk M. Heikkilä, A. Iber, E. Bigi, J.-P. Trnka en E. Maurage, vervolgens M. Heikkilä, E. Bigi, J.-P. Trnka en E. Maurage, gemachtigden, bijgestaan door C. Garcia Molyneux, advocaat)

Voorwerp

In de eerste plaats, een verzoek op grond van artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit SME(2013) 3747 van ECHA van 19 september 2013, waarbij is vastgesteld dat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de lagere vergoeding voor middelgrote ondernemingen en haar een vergoeding voor administratieve kosten is opgelegd en, in de tweede plaats, een verzoek op grond van artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van de facturen die naar aanleiding van de vaststelling van besluit SME(2013) 3747 door ECHA zijn uitgeschreven

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Marchi Industriale SpA wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 24 van 25.1.2014.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/27


Arrest van het Gerecht van 13 september 2016 — ENAC/INEA

(Zaak T-695/13) (1)

((„Financiële bijstand - Projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van de trans-Europese netwerken voor vervoer en energie - Uitvoering van een studie voor de intermodale ontwikkeling van de luchthaven van Bergamo-Oria al Serio - Vaststelling van het eindbedrag van de financiële bijstand - Niet-subsidiabele kosten - Onjuiste rechtsopvatting - Motiveringsplicht”))

(2016/C 402/29)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Ente nazionale per l’aviazione civile (ENAC) (Rome, Italië) (vertegenwoordigers: G. Palmieri en P. Garofoli, avvocati dello Stato)

Verwerende partij: Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (vertegenwoordigers: I. Ramallo, D. Silhol en Z. Szilvássy, gemachtigden, bijgestaan door M. Merola, M. C. Santacroce en L. Armati, advocaten)

Interveniënte aan de zijde van verzoekende partij: Società per l’aeroporto civile di Bergamo-Orio al Serio SpA (SACBO SpA) (Grassobbio, Italië) (vertegenwoordigers: M. Muscardini, G. Greco en G. Carullo, advocaten)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van de brieven van 18 maart en 23 oktober 2013 van het Uitvoerend Agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T EA), thans INEA, inzake bepaalde kosten in het kader van het uitvoeren van een studie naar de haalbaarheid van de intermodale ontwikkeling van de luchthaven van Bergamo-Orio al Serio (Italië), naar aanleiding van financiële bijstand van de Europese Commissie aan de verzoekende partij

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Ente nazionale per l’aviazione civile (ENAC, nationale burgerluchtvaartautoriteit, Italië) wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 52 van 22.2.2014.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/28


Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — PT Musim Mas/Raad

(Zaak T-80/14) (1)

([„Dumping - Invoer van biodiesel van oorsprong uit Indonesië - Definitieve inning van voorlopige antidumpingrechten - Definitieve antidumpingrechten - Rechten van de verdediging - Artikel 2, lid 5, van verordening (EG) nr. 1225/2009 - Normale waarde - Productiekosten”])

(2016/C 402/30)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: PT Perindustrian dan Perdagangan Musim Semi Mas (PT Musim Mas) (Medan, Indonesië) (vertegenwoordigers: J. García Gallardo Gil Fournier, A. Verdegay Mena, advocaten, en C. Humpe, solicitor)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk S. Boelaert, vervolgens H. Marcos Fraile, gemachtigden, bijgestaan door R. Bierwagen en C. Hipp, advocaten)

Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J.-F. Brakeland, M. França en A. Stobiecka-Kuik, gemachtigden) en European Biodiesel Board (EBB) (Brussel, België) (vertegenwoordigers: O. Prost en M.-S. Dibling, advocaten)

Voorwerp

Verzoek op grond van artikel 263 VWEU en strekkende tot gedeeltelijke nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1194/2013 van de Raad van 19 november 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië (PB 2013, L 315, blz. 2)

Dictum

1)

De artikelen 1 en 2 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1194/2013 van de Raad van 19 november 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië worden nietig verklaard voor zover zij betrekking hebben op PT Perindustrian dan Perdagangan Musim Semi Mas (PT Musim Mas).

2)

De Raad van de Europese Unie draagt zijn eigen kosten en die van PT Musim Mas.

3)

De Europese Commissie en de European Biodiesel Board (EBB) dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 102 van 7.4.2014.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/29


Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — Unitec Bio/Raad

(Zaak T-111/14) (1)

([„Dumping - Invoer van biodiesel uit Argentinië - Definitief antidumpingrecht - Beroep tot nietigverklaring - Rechtstreekse geraaktheid - Individuele geraaktheid - Ontvankelijkheid - Artikel 2, lid 5, van verordening (EG) nr. 1225/2009 - Normale waarde - Productiekosten”])

(2016/C 402/31)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Unitec Bio SA (Buenos Aires, Argentinië) (vertegenwoordigers: J.-F. Bellis, R. Luff en G. Bathory, advocaten)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk S. Boelaert en B. Driessen, vervolgens H. Marcos Fraile, gemachtigden, bijgestaan door R. Bierwagen en C. Hipp, advocaten)

Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: M. França en A. Stobiecka-Kuik, gemachtigden) en European Biodiesel Board (EBB) (Brussel, België) (vertegenwoordigers: O. Prost en M.-S. Dibling, advocaten)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU, strekkende tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1194/2013 van de Raad van 19 november 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië (PB 2013, L 315, blz. 2), voor zover daarbij een antidumpingrecht is opgelegd aan verzoekster

Dictum

1)

De artikelen 1 en 2 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1194/2013 van de Raad van 19 november 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië, worden nietig verklaard voor zover zij Unitec Bio SA betreffen.

2)

De Raad van de Europese Unie zal zijn eigen kosten dragen alsmede de kosten van Unitec Bio.

3)

De Europese Commissie en de European Biodiesel Board (EBB) zullen hun eigen kosten dragen.


(1)  PB C 112 van 14.4.2014.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/30


Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — Molinos Río de la Plata e.a/Raad

(Zaken T-112/14–T-116/14 en T-119/14) (1)

([„Dumping - Invoer van biodiesel van oorsprong uit Argentinië - Definitief antidumpingrecht - Beroep tot nietigverklaring - Handelsvereniging - Rechtstreekse geraaktheid - Individuele geraaktheid - Ontvankelijkheid - Artikel 2, lid 5, van verordening (EG) nr. 1225/2009 - Normale waarde - Productiekosten”])

(2016/C 402/32)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Molinos Río de la Plata SA (Buenos Aires, Argentinië) (zaak T-112/14), Oleaginosa Moreno Hermanos SACIFI y A (Bahia Blanca, Argentinië) (zaak T-113/14), Vicentin SAIC (Avellaneda, Argentinië) (zaak T-114/14), Aceitera General Deheza SA (General Deheza, Argentinië) (zaak T-115/14), Bunge Argentina SA (Buenos Aires) (T-116/14), Cámara Argentina de Biocombustibles (Carbio) (Buenos Aires) (zaak T-119/14) (vertegenwoordigers: J.-F. Bellis, R. Luff en G. Bathory, advocaten)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk S. Boelaert en B. Driessen, vervolgens H. Marcos Fraile, gemachtigden, bijgestaan door R. Bierwagen en C. Hipp, advocaten)

Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: M. França en A. Stobiecka-Kuik, gemachtigden) en European Biodiesel Board (EBB) (Brussel, België) (vertegenwoordigers: O. Prost en M.-S. Dibling, advocaten)

Voorwerp

Verzoeken op grond van artikel 263 VWEU en strekkende tot, in zaak T-119/14, nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1194/2013 van de Raad van 19 november 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië (PB 2013, L 315, blz. 2) en tot, in de zaken T-112/14 tot en met T-116/14, nietigverklaring van deze verordening voor zover verzoeksters in deze zaken een antidumpingrecht wordt opgelegd

Dictum

1)

De zaken T-112/14, T-113/14, T-114/14, T-115/14, T-116/14 en T-119/14 worden gevoegd voor de beslissing die een einde maakt aan het geding.

2)

De artikelen 1 en 2 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1194/2013 van de Raad van 19 november 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië worden nietig verklaard voor zover zij betrekking hebben op Molinos Río de la Plata SA, Oleaginosa Moreno Hermanos SAFICI y A, Vicentin SAIC, Aceitera General Deheza SA en Bunge Argentina SA.

3)

In de zaak T-119/14 wordt het beroep verworpen voor het overige.

4)

In de zaken T-112/14– T-116/14 draagt de Raad van de Europese Unie zijn eigen kosten. Hij draagt tevens de kosten van Molinos Río de la Plata in zaak T-112/14, van Oleaginosa Moreno Hermanos in zaak T-113/14, van Vicentin in zaak T-114/14, van Aceitera General Deheza in zaak T-115/14 en van Bunge Argentina in zaak T-116/14.

5)

In zaak T-119/14 dragen Cámara Argentina de Biocombustibles (Carbio) en de Raad hun eigen kosten.

6)

De Europese Commissie en de European Biodiesel Board (EBB) dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 112 van 14.4.2014.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/31


Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — Cargill/Raad

(Zaak T-117/14) (1)

([„Dumping - Invoer van biodiesel van oorsprong uit Argentinië - Definitief antidumpingrecht - Beroep tot nietigverklaring - Rechtstreekse geraaktheid - Individuele geraaktheid - Ontvankelijkheid - Artikel 2, lid 5, van verordening (EG) nr. 1225/2009 - Normale waarde - Productiekosten”])

(2016/C 402/33)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Cargill SACI (Buenos Aires, Argentinië) (vertegenwoordigers: J.-F. Bellis, R. Luff en G. Bathory, advocaten)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk S. Boelaert en B. Driessen, vervolgens H. Marcos Fraile, gemachtigden, bijgestaan door R. Bierwagen en C. Hipp, advocaten)

Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: M. França en A. Stobiecka-Kuik, gemachtigden) en European Biodiesel Board (EBB) (Brussel, België) (vertegenwoordigers: O. Prost en M.-S. Dibling, advocaten)

Voorwerp

Verzoek op grond van artikel 263 VWEU en strekkende tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1194/2013 van de Raad van 19 november 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië (PB 2013, L 315, blz. 2), voor zover daarbij een antidumpingrecht wordt opgelegd aan verzoekster

Dictum

1)

De artikelen 1 en 2 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1194/2013 van de Raad van 19 november 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië worden nietig verklaard voor zover zij betrekking hebben op Cargill SACI.

2)

De Raad van de Europese Unie draagt zijn eigen kosten en die van Cargill.

3)

De Europese Commissie en de European Biodiesel Board (EBB) dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 151 van 19.5.2014.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/31


Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — LDC Argentina/Raad

(Zaak T-118/14) (1)

([„Dumping - Invoer van biodiesel van oorsprong uit Argentinië - Definitief antidumpingrecht - Artikel 2, lid 5, van verordening (EG) nr. 1225/2009 - Normale waarde - Productiekosten”])

(2016/C 402/34)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: LDC Argentina SA (Buenos Aires, Argentinië) (vertegenwoordigers: J.-F. Bellis, R. Luff en G. Bathory, advocaten)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk S. Boelaert en B. Driessen, vervolgens H. Marcos Fraile, gemachtigden, bijgestaan door R. Bierwagen en C. Hipp, advocaten)

Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: M. França en A. Stobiecka-Kuik, gemachtigden) en European Biodiesel Board (EBB) (Brussel, België) (vertegenwoordigers: O. Prost en M.-S. Dibling, advocaten)

Voorwerp

Verzoek op grond van artikel 263 VWEU en strekkende tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1194/2013 van de Raad van 19 november 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië (PB 2013, L 315, blz. 2), voor zover daarbij een antidumpingrecht wordt opgelegd aan verzoekster

Dictum

1)

De artikelen 1 en 2 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1194/2013 van de Raad van 19 november 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië worden nietig verklaard voor zover zij betrekking hebben op LDC Argentina SA.

2)

De Raad van de Europese Unie draagt zijn eigen kosten en die van LDC Argentina SA.

3)

De Europese Commissie en de European Biodiesel Board (EBB) dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 151 van 19.5.2014.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/32


Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — PT Ciliandra Perkasa/Raad

(Zaak T-120/14) (1)

([„Dumping - Invoer van biodiesel uit Indonesië - Definitief antidumpingrecht - Artikel 2, lid 5, van verordening (EG) nr. 1225/2009 - Normale waarde - Productiekosten”])

(2016/C 402/35)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: PT Ciliandra Perkasa (Jakarta, Indonesië) (vertegenwoordigers: F. Graafsma en J. Cornelis, advocaten)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk S. Boelaert, vervolgens H. Marcos Fraile, gemachtigden, bijgestaan door R. Bierwagen en C. Hipp, advocaten)

Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J.-F. Brakeland, M. França en A. Stobiecka-Kuik, gemachtigden) en European Biodiesel Board (EBB) (Brussel, België) (vertegenwoordigers: O. Prost en M.-S. Dibling, advocaten)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU, strekkende tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1194/2013 van de Raad van 19 november 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië (PB 2013, L 315, blz. 2), voor zover daarin een antidumpingrecht wordt opgelegd aan verzoekster

Dictum

1)

Artikel 1 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1194/2013 van de Raad van 19 november 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië, wordt nietig verklaard voor zover het betrekking heeft op PT Ciliandra Perkasa.

2)

De Raad van de Europese Unie draagt zijn eigen kosten en de kosten van PT Ciliandra Perkasa.

3)

De Europese Commissie en de European Biodiesel Board (EBB) dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 112 van 14.4.2014.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/33


Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — PT Wilmar Bioenergi Indonesia en PT Wilmar Nabati Indonesia/Raad

(Zaak T-139/14) (1)

([„Dumping - Invoer van biodiesel van oorsprong uit Indonesië - Artikel 2, leden 3 en 5, van verordening (EG) nr. 1225/2009 - Normale waarde - Productiekosten”])

(2016/C 402/36)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: PT Wilmar Bioenergi Indonesia (Medan, Indonesië) en PT Wilmar Nabati Indonesia (Medan) (vertegenwoordiger: P. Vander Schueren, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk S. Boelaert, vervolgens H. Marcos Fraile, gemachtigden, bijgestaan door R. Bierwagen en C. Hipp, advocaten)

Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J.-F. Brakeland, M. França en A. Stobiecka-Kuik, gemachtigden) en European Biodiesel Board (EBB) (Brussel, België) (vertegenwoordigers: O. Prost en M.-S. Dibling, advocaten)

Voorwerp

Verzoek op grond van artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1194/2013 van de Raad van 19 november 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië (PB 2013, L 315, blz. 2)

Dictum

1)

De artikelen 1 en 2 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1194/2013 van de Raad van 19 november 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië worden nietig verklaard voor zover zij betrekking hebben op PT Wilmar Bioenergi Indonesia en PT Wilmar Nabati Indonesia.

2)

De Europese Commissie zal haar eigen kosten en die van PT Wilmar Bioenergi Indonesia en PT Wilmar Nabati Indonesia dragen.

3)

De Europese Commissie en de European Biodiesel Board (EBB) zullen hun eigen kosten dragen.


(1)  PB C 151 van 19.5.2014.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/34


Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — Klyuyev/Raad

(Zaak T-340/14) (1)

((„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Oekraïne - Bevriezing van tegoeden - Lijst van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren - Plaatsing van verzoekers naam op die lijst - Rechten van de verdediging - Motiveringsplicht - Rechtsgrond - Recht op een effectieve rechterlijke bescherming - Niet-nakoming van de criteria voor plaatsing op de lijst - Kennelijk onjuiste beoordeling - Eigendomsrecht - Recht op bescherming van de goede naam”))

(2016/C 402/37)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Andriy Klyuyev (Donetsk, Oekraïne) (vertegenwoordigers: B. Kennelly, J. Pobjoy, barristers, R. Gherson en T. Garner, solicitors)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: Á. de Elera-San Miguel Hurtado en J.-P. Hix, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie, (vertegenwoordigers: D. Gauci en T. Scharf, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van ten eerste besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2014, L 66, blz. 26) en verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2014, L 66, blz. 1), en ten tweede besluit (GBVB) 2015/364 van de Raad van 5 maart 2015 tot wijziging van besluit 2014/119 (PB 2015, L 62, blz. 25) en uitvoeringsverordening (EU) 2015/357 van de Raad van 5 maart 2015 tot uitvoering van verordening nr. 208/2014 (PB 2015, L 62, blz. 1), voor zover verzoekers naam is geplaatst of gehandhaafd op de lijst van personen, entiteiten en lichamen waarop deze beperkende maatregelen van toepassing zijn, en subsidiair een verzoek tot vaststelling dat artikel 1, lid 1, van besluit 2014/119, zoals gewijzigd bij besluit (GBVB) 2015/143 van de Raad van 29 januari 2015 (PB 2015, L 24, blz. 16), alsook artikel 3, lid 1, van verordening nr. 208/2014, zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2015/138 van de Raad van 29 januari 2015 (PB 2015, L 24, blz. 1), niet op verzoeker van toepassing zijn.

Dictum

1)

Besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne en verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne, in hun oorspronkelijke versie, worden nietig verklaard, voor zover de naam van Andriy Klyuyev is opgenomen op de lijst van personen, entiteiten en lichamen waarop die beperkende maatregelen van toepassing zijn, tot de inwerkingtreding van besluit (GBVB) 2015/364 van de Raad van 5 maart 2015 tot wijziging van besluit 2014/119 en van uitvoeringsverordening (EU) 2015/357 van de Raad van 5 maart 2015 tot uitvoering van verordening nr. 208/2014.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

De Raad van de Europese Unie wordt verwezen in zijn eigen kosten alsmede in die van Klyuyev, wat het in het verzoekschrift geformuleerde verzoek tot nietigverklaring betreft.

4)

Klyuyev wordt verwezen in zijn eigen kosten alsmede in die van de Raad, wat het in de memorie tot aanpassing van de conclusies geformuleerde verzoek tot nietigverklaring betreft.

5)

De Europese Commissie zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 261 van 11.8.2014.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/35


Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — Yanukovych/Raad

(Zaak T-346/14) (1)

((„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Oekraïne - Bevriezing van tegoeden - Lijst van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren - Plaatsing van verzoekers naam op die lijst - Rechten van de verdediging - Motiveringsplicht - Rechtsgrond - Recht op een effectieve rechterlijke bescherming - Misbruik van bevoegdheid - Niet-nakoming van de criteria voor plaatsing op de lijst - Kennelijk onjuiste beoordeling - Eigendomsrecht”))

(2016/C 402/38)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Viktor Fedorovych Yanukovych (Kiev, Oekraïne) (vertegenwoordigers: T. Beazley, P. Saini, S. Fatima, QC, H. Mussa, J. Hage, K. Howard, barristers, en C. Kennedy, solicitor)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk E. Finnegan en J.-P. Hix, vervolgens J.-P. Hix en P. Mahnič Bruni, gemachtigden)

Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Republiek Polen (vertegenwoordiger: B. Majczyna, gemachtigde) en Europese Commissie (vertegenwoordigers: S. Bartelt en D. Gauci, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring, ten eerste, van besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2014, L 66, blz. 26) en verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2014, L 66, blz. 1), ten tweede, van besluit (GBVB) 2015/143 van de Raad van 29 januari 2015 tot wijziging van besluit 2014/119 (PB 2015, L 24, blz. 16) en verordening (EU) 2015/138 van de Raad van 29 januari 2015 tot wijziging van verordening (EU) 208/2014 (PB 2015, L 24, blz. 1), en ten derde, van besluit (GBVB) 2015/364 van de Raad van 5 maart 2015 tot wijziging van besluit 2014/119 (PB 2015, L 62, blz. 25) en uitvoeringsverordening (EU) 2015/357 van de Raad van 5 maart 2015 tot uitvoering van verordening nr. 208/2014 (PB 2015, L 62, blz. 1), voor zover verzoekers naam is geplaatst of gehandhaafd op de lijst van personen, entiteiten en lichamen waarop deze beperkende maatregelen van toepassing zijn

Dictum

1)

Besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne en verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne, in hun oorspronkelijke versie, worden nietig verklaard voor zover de naam van Viktor Fedorovych Yanukovych is geplaatst op de lijst van personen, entiteiten en lichamen waarop deze beperkende maatregelen van toepassing zijn, en dit tot de inwerkingtreding van besluit (GBVB) 2015/364 van de Raad van 5 maart 2015 tot wijziging van besluit 2014/119, en van uitvoeringsverordening (EU) 2015/357 van de Raad van 5 maart 2015 tot uitvoering van verordening nr. 208/2014.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

De Raad van de Europese Unie wordt verwezen in zijn eigen kosten alsmede in die van Yanukovych, wat het in het verzoekschrift geformuleerde verzoek tot nietigverklaring betreft.

4)

Yanukovych wordt verwezen in zijn eigen kosten alsmede in die van de Raad, wat het in de memorie tot aanpassing van de conclusies geformuleerde verzoek tot nietigverklaring betreft.

5)

De Republiek Polen en de Europese Commissie zullen hun eigen kosten dragen.


(1)  PB C 253 van 4.8.2014.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/36


Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — Yanukovych/Raad

(Zaak T-348/14) (1)

((„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Oekraïne - Bevriezing van tegoeden - Lijst van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren - Plaatsing van verzoekers naam op die lijst - Motiveringsplicht - Rechtsgrond - Rechten van de verdediging - Recht op een effectieve rechterlijke bescherming - Misbruik van bevoegdheid - Niet-nakoming van de criteria voor plaatsing op de lijst - Kennelijk onjuiste beoordeling - Eigendomsrecht”))

(2016/C 402/39)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Oleksandr Viktorovych Yanukovych (Donetsk, Oekraïne) (vertegenwoordigers: T. Beazley, P. Saini, S. Fatima, QC, J. Hage, K. Howard, barristers, en C. Kennedy, solicitor)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk E. Finnegan en J.-P. Hix, vervolgens J.-P. Hix en P. Mahnič Bruni, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: D. Gauci en S. Bartelt, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring, ten eerste, van besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2014, L 66, blz. 26) en verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2014, L 66, blz. 1), zoals gewijzigd bij respectievelijk uitvoeringsbesluit 2014/216/GBVB van de Raad van 14 april 2014 tot uitvoering van besluit 2014/119 (PB 2014, L 111, blz. 91) en uitvoeringsverordening (EU) nr. 381/2014 van de Raad van 14 april 2014 tot uitvoering van verordening nr. 208/2014 (PB 2014, L 111, blz. 33), ten tweede, van besluit (GBVB) 2015/143 van de Raad van 29 januari 2015 tot wijziging van besluit 2014/119 (PB 2015, L 24, blz. 16) en verordening (EU) 2015/138 van de Raad van 29 januari 2015 tot wijziging van verordening (EU) 208/2014 (PB 2015, L 24, blz. 1), en ten derde, van besluit (GBVB) 2015/364 van de Raad van 5 maart 2015 tot wijziging van besluit 2014/119 (PB 2015, L 62, blz. 25) en uitvoeringsverordening (EU) 2015/357 van de Raad van 5 maart 2015 tot uitvoering van verordening nr. 208/2014 (PB 2015, L 62, blz. 1), voor zover verzoekers naam is geplaatst of gehandhaafd op de lijst van personen, entiteiten en lichamen waarop deze beperkende maatregelen van toepassing zijn.

Dictum

1)

Besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne, zoals gewijzigd bij uitvoeringsbesluit 2014/216/GBVB van de Raad van 14 april 2014 tot uitvoering van besluit 2014/119, en verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 381/2014 van de Raad van 14 april 2014 tot uitvoering van verordening nr. 208/2014, worden nietig verklaard voor zover de naam van Oleksandr Viktorovych Yanukovych is geplaatst op de lijst van personen, entiteiten en lichamen waarop deze beperkende maatregelen van toepassing zijn, en dit tot de inwerkingtreding van besluit (GBVB) 2015/364 van de Raad van 5 maart 2015 tot wijziging van besluit 2014/119, en van uitvoeringsverordening (EU) 2015/357 van de Raad van 5 maart 2015 tot uitvoering van verordening nr. 208/2014.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

De Raad van de Europese Unie wordt verwezen in zijn eigen kosten alsmede in die van Yanukovych, wat het in het verzoekschrift geformuleerde verzoek tot nietigverklaring betreft.

4)

Yanukovych wordt verwezen in zijn eigen kosten alsmede in die van de Raad, wat het in de memorie tot aanpassing van de conclusies geformuleerde verzoek tot nietigverklaring betreft.

5)

De Europese Commissie zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 253 van 4.8.2014.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/37


Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — FIH Holding en FIH Erhvervsbank/Commissie

(Zaak T-386/14) (1)

((„Staatssteun - Banksector - Steun verleend aan de Deense bank FIH in de vorm van de overdracht van haar aan waardevermindering onderhevige activa aan een nieuwe dochteronderneming en de daaropvolgende overname ervan door de Deense instantie die tot taak heeft de financiële stabiliteit te verzekeren - Staatssteun aan banken in een crisisperiode - Besluit waarbij de steun verenigbaar met de interne markt wordt verklaard - Begrip steunmaatregel - Criterium van de particuliere investeerder - Criterium van de particuliere schuldeiser - Berekening van het steunbedrag - Motiveringsplicht”))

(2016/C 402/40)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: FIH Holding A/S (Kopenhagen, Denemarken) en FIH Erhvervsbank A/S (Kopenhagen) (vertegenwoordiger: O. Koktvedgaard, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Flynn en P.-J. Loewenthal, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit 2014/884/EU van de Commissie van 11 maart 2014 betreffende de door Denemarken ten uitvoer gelegde steunmaatregel SA.34445 (12/C) ten behoeve van de overdracht van vastgoedgerelateerde activa van FIH naar FSC (PB 2014, L 357, blz. 89)

Dictum

1)

Besluit 2014/884/EU van de Commissie van 11 maart 2014 betreffende de door Denemarken ten uitvoer gelegde steunmaatregel SA.34445 (12/C) ten behoeve van de overdracht van vastgoedgerelateerde activa van FIH naar FSC wordt nietig verklaard.

2)

De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 253 van 4.8.2014.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/37


Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — European Dynamics Luxembourg en Evropaïki Dynamiki/EIT

(Zaak T-481/14) (1)

((„Overheidsopdrachten voor dienstverlening - Aanbestedingsprocedure - Verrichting van diensten met betrekking tot ontwikkeling van een platform voor het beheer van informatie en kennis - Diensten voor de ontwikkeling van software en voor de handhaving van de beschikbaarheid en doelmatigheid van computerdiensten - Weigering om de offerte van een inschrijver op de eerste plaats te rangschikken - Selectiecriteria - Gunningscriteria - Motiveringsplicht - Kennelijke beoordelingsfouten - Toegang tot documenten - Niet-contractuele aansprakelijkheid”))

(2016/C 402/41)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: European Dynamics Luxembourg SA (Ettelbrück, Luxemburg) en Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE (Athene, Griekenland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk E. Siouti en M. Sfyri, vervolgens M. Sfyri en A. Lymperopoulou, advocaten)

Verwerende partij: Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT) (vertegenwoordigers: aanvankelijk M. Kern, B. Győri-Hartwig en P. Juanes Burgos, vervolgens B. Győri-Hartwig en P. Juanes Burgos, gemachtigden, bijgestaan door P. Wytinck en B. Hoorelbeke, avocaten)

Voorwerp

Enerzijds een verzoek krachtens artikel 263 VWEU, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van het EIT van 14 april 2014 waarbij de door Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE in het kader van een aanbestedingsprocedure met betrekking tot computerdiensten en daaraan gerelateerde diensten ingediende offerte is gerangschikt op de tweede plaats, alsmede van de brief van het EIT van 25 april 2014 waarbij dit heeft geweigerd om de namen van de leden van het beoordelingscomité bekend te maken, en, anderzijds, een verzoek krachtens artikel 268 VWEU, strekkende tot vergoeding van de schade die verzoeksters zouden hebben geleden.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

European Dynamics Luxembourg SA en Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE worden verwezen in de kosten.


(1)  PB C 351 van 6.10.2014.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/38


Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — European Dynamics Luxembourg en Evropaïki Dynamiki/Commissie

(Zaak T-698/14) (1)

([„Overheidsopdrachten voor dienstverlening - Aanbestedingsprocedure - Externe dienstverlening voor ontwikkeling, onderzoeken en ondersteuning van informatiesystemen (ESP-DESIS III) - Rangschikking van een inschrijver in de cascadeprocedure - Motiveringsplicht - Abnormaal lage offertes - Beginsel van vrije mededinging - Niet-contractuele aansprakelijkheid”])

(2016/C 402/42)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partijen: European Dynamics Luxembourg SA (Ettelbrück, Luxemburg) en Evropaïki Dynamiki Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE (Athene, Griekenland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk V. Christianos, I. Ampazis en M. Sfyri, vervolgens M. Sfyri, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: S. Delaude en S. Lejeune, gemachtigden, aanvankelijk bijgestaan door E. Petritsi, E. Roussou en K. Adamantopoulos, vervolgens door E. Roussou en K. Adamantopoulos, advocaten)

Voorwerp

Enerzijds, een verzoek krachtens artikel 263 VWEU, strekkende tot nietigverklaring van de besluiten van de Commissie om de door verzoeksters ingediende offertes voor kavels nrs. 1 en 3 van aanbestedingsprocedure DIGIT/R2/PO/2013/029 — ESP DESIS III, betreffende „Externe dienstverlening voor ontwikkeling, onderzoeken en ondersteuning van informatiesystemen” (PB 2013/S 19-0380314), volgens het cascademechanisme te rangschikken op de vierde en derde plaats en om hun offerte voor kavel nr. 2 van die aanbestedingsprocedure uit te sluiten, en, anderzijds, een verzoek krachtens artikel 268 VWEU, strekkende tot vergoeding van de schade die verzoeksters zouden hebben geleden.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

European Dynamics Luxembourg SA en Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE worden verwezen in de kosten.


(1)  PB C 448 van 15.12.2014.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/39


Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — Herbert Smith Freehills/Raad

(Zaak T-710/14) (1)

([„Toegang tot documenten - Verordening (EG) nr. 1049/2001 - Documenten inzake de besprekingen voorafgaande aan de vaststelling van de richtlijn betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten - Weigering van toegang - Uitzondering voor de bescherming van juridisch advies - Recht van verdediging - Hoger openbaar belang”])

(2016/C 402/43)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Herbert Smith Freehills LLP (Londen, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordiger: P. Wytinck, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: E. Rebasti, M. Veiga en J. Herrmann, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. van Nuffel, J. Baquero Cruz en F. Clotuche-Duvieusart, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek op grond van artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van het besluit 18/c/01/14 van de Raad van 23 juli 2014 tot weigering van toegang tot bepaalde documenten die verband houden met de vaststelling van richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van richtlijn 2001/37/EG (PB 2014, L 127, blz. 1)

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Herbert Smith Freehills LLP wordt verwezen in haar eigen kosten alsook in die van de Raad van de Europese Unie.

3)

De Europese Commissie zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 409 van 17.11.2014.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/39


Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — Philip Morris/Commissie

(Zaak T-800/14) (1)

([„Toegang tot documenten - Verordening (EG) nr. 1049/2001 - Documenten die zijn opgesteld in het kader van de voorbereidende werkzaamheden voor de vaststelling van richtlijn 2014/40/EU inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten - Weigering van toegang - Uitzondering betreffende de bescherming van juridische adviezen - Uitzondering betreffende de bescherming van de besluitvorming - Recht van verweer - Hoger openbaar belang”])

(2016/C 402/44)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Philip Morris Ltd (Richmond, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: K. Nordlander en M. Abenhaïm, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Baquero Cruz en F. Clotuche Duvieusart, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek ingediend krachtens artikel 263 VWEU en strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie Ares (2014) 3188066 van 29 september 2014, voor zover bij dit besluit werd geweigerd verzoekende partij volledige toegang te verlenen tot de aangevraagde stukken, met uitzondering van de geanonimiseerde persoonsgegevens die zich daarin bevinden

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Philip Morris Ltd wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 56 van 16.2.2015.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/40


Arrest van het Gerecht van 20 september 2016 — PAN Europe/Commissie

(Zaak T-51/15) (1)

([„Toegang tot documenten - Verordening (EG) nr. 1049/2001 - Verordening (EG) nr. 1367/2006 - Documenten betreffende hormoonontregelaars - Gedeeltelijke weigering van toegang - Uitzondering betreffende de bescherming van de besluitvorming - Artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1049/2001”])

(2016/C 402/45)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Pesticide Action Network Europe (PAN Europe) (Brussel, België) (vertegenwoordiger: B. Kloostra, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Buchet, P. Mihaylova en J. Tomkin, gemachtigden)

Interveniënt aan de zijde van verzoekende partij: Koninkrijk Zweden (vertegenwoordigers: A. Falk, C. Meyer Seitz, U. Persson, N. Otte Widgren, E. Karlsson en L. Swedenborg, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek ingediend krachtens artikel 263 VWEU en strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 24 november 2014 met referentie Ares(2014)3900631, voor zover daarbij toegang is geweigerd tot documenten betreffende hormoonontregelaars.

Dictum

1)

Het besluit van de Commissie van 24 november 2014 met referentie Ares(2014)3900631 wordt nietig verklaard voor zover daarbij toegang is geweigerd tot de documenten met de nummers 9, 13, 14, 15, 16, 17, 17a, 20, 22, 24, 25, 29, 30, 31, 37, 38, 39, 41, 42 en 43 krachtens artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

2)

De hogere voorziening wordt afgewezen voor het overige.

3)

De Europese Commissie draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van Pesticide Action Network Europe (PAN Europe).

4)

Het Koninkrijk Zweden draagt zijn eigen kosten.


(1)  PB C 118 van 13.4.2015.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/41


Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — AEDEC/Commissie

(Zaak T-91/15) (1)

((„Onderzoek en technologische ontwikkeling - Kaderprogramma voor onderzoek en innovatie ‚Horizon 2020’ - Oproepen tot het indienen van voorstellen in het kader van het werkprogramma 2014-2015 - Besluit waarbij de Commissie oordeelt dat het door verzoekster ingediende voorstel niet voor bijstand in aanmerking komt - Motiveringsplicht - Rechten van de verdediging - Evenredigheid - Transparantie - Kennelijke beoordelingsfout”))

(2016/C 402/46)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Asociación Española para el Desarrollo de la Epidemiología Clínica (AEDEC) (Madrid, Spanje) (vertegenwoordiger: R. López López, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: N. Ruiz García en M. Siekierzyńska, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van 4 september 2014 waarbij de Commissie het door verzoekster namens het consortium Latin Plan ingediende verzoek om financiering heeft afgewezen.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

De Asociación Española para el Desarrollo de la Epidemiología Clínica (AEDEC) wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 127 van 20.4.2015.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/41


Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — Arrom Conseil/EUIPO — Nina Ricci (Roméo has a Gun by Romano Ricci)

(Zaak T-359/15) (1)

([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniebeeldmerk Roméo has a Gun by Romano Ricci - Oudere Uniewoordmerken NINA RICCI en RICCI - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 - Voordeel dat ongerechtvaardigd wordt getrokken uit het onderscheidend vermogen of de reputatie van de oudere merken - Afbreuk aan de reputatie - Artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009”])

(2016/C 402/47)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Arrom Conseil (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordigers: C. Herissay Ducamp en J. Blanchard, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: H. Kunz, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht: Nina Ricci SARL (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordiger: E. Armijo Chávarri, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 13 april 2015 (zaak R 1021/2014-1) inzake een oppositieprocedure tussen Nina Ricci en Arrom Conseil

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Arrom Conseil wordt verwezen in haar eigen kosten alsmede in de kosten van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) en van Nina Ricci SARL


(1)  PB C 294 van 7.9.2015.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/42


Arrest van het Gerecht van 20 september 2016 — Alsharghawi/Raad

(Zaak T-485/15) (1)

((„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - In het licht van de situatie in Libië vastgestelde beperkende maatregelen - Bevriezing van tegoeden - Lijst van personen op wie beperkingen van binnenkomst op en doorreis via het grondgebied van de Europese Unie gelden - Functies van voormalig kabinetschef van Mouammar Qadhafi - Keuze van de rechtsgrondslag - Motiveringsplicht - Rechten van de verdediging - Vermoeden van onschuld - Evenredigheid - Vrijheid om te gaan en te staan waar men wil - Eigendomsrecht - Verplichting om de gegrondheid van de maatregel te rechtvaardigen”))

(2016/C 402/48)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Bashir Saleh Bashir Alsharghawi (Johannesburg, Zuid-Afrika) (vertegenwoordiger: É. Moutet, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: A. Vitro en V. Piessevaux, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek op grond van artikel 263 VWEU tot gedeeltelijke nietigverklaring van ten eerste besluit 2015/1333/GBVB van de Raad van 31 juli 2015 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië en tot intrekking van besluit 2011/137/GBVB (PB 2015, L 206, blz. 34), en ten tweede uitvoeringsverordening (EU) 2015/1323 van de Raad van 31 juli 2015 tot uitvoering van artikel 16, lid 2, van verordening (EU) nr. 204/2011 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Libië (PB 2015, L 206, blz. 4)

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Bashir Saleh Bashir Alsharghawi zal zijn eigen kosten en die van de Raad van de Europese Unie dragen.


(1)  PB C 337 van 12.10.2015.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/42


Arrest van het Gerecht van 20 september 2016 — Excalibur City/EUIPO — Ferrero (MERLIN’S KINDERWELT)

(Zaak T-565/15) (1)

([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniewoordmerk MERLIN’S KINDERWELT - Ouder nationaal woordmerk KINDER - Relatieve weigeringsgrond - Geen overeenstemmende tekens - Geen verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])

(2016/C 402/49)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Excalibur City s.r.o. (Znojmo, Tsjechië) (vertegenwoordiger: E. Engin-Deniz, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Simandlova en A. Folliard-Monguiral, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht: Ferrero SpA (Alba, Italië) (vertegenwoordigers: L. Ghedina en F. Jacobacci, advocaten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 9 juli 2015 (zaak R 1538/2014-1) inzake een oppositieprocedure tussen Ferrero en Excalibur City

Dictum

1)

De beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 9 juli 2015 (zaak R 1538/2014-1) wordt vernietigd.

2)

Het EUIPO zal behalve zijn eigen kosten de kosten van Excalibur City s.r.o. dragen.

3)

Ferrero SpA zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 398 van 30.11.2015.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/43


Arrest van het Gerecht van 20 september 2016 — Excalibur City/EUIPO — Ferrero (MERLIN’S KINDERWELT)

(Zaak T-566/15) (1)

([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniebeeldmerk MERLIN’S KINDERWELT - Ouder nationaal woordmerk KINDER - Relatieve weigeringsgrond - Geen overeenstemmende tekens - Geen verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])

(2016/C 402/50)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Excalibur City s.r.o. (Znojmo, Tsjechië) (vertegenwoordiger: E. Engin-Deniz, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Simandlova en A. Folliard-Monguiral, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht: Ferrero SpA (Alba, Italië) (vertegenwoordigers: L. Ghedina en F. Jacobacci, advocaten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 16 juli 2015 (zaak R 1617/2014-1) inzake een oppositieprocedure tussen Ferrero en Excalibur City

Dictum

1)

De beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 16 juli 2015 (zaak R 1617/2014-1) wordt aldus herzien dat het door Excalibur City s.r.o. bij de kamer van beroep ingestelde beroep gegrond wordt verklaard en de oppositie bijgevolg wordt afgewezen.

2)

Het EUIPO zal behalve zijn eigen kosten de kosten van Excalibur City dragen.

3)

Ferrero SpA zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 398 van 30.11.2015.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/44


Arrest van het Gerecht van 15 september 2016 — JT International/EUIPO — Habanos (PUSH)

(Zaak T-633/15) (1)

([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniewoordmerk PUSH - Oudere Benelux- en nationale woord- en beeldmerken PUNCH - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Zelfde waren - Overeenstemmende tekens - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])

(2016/C 402/51)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: JT International SA (Genève, Zwitserland) (vertegenwoordigers: S. Malynicz, QC, K. E. Gilbert en J. Gilbert, solicitors)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: S. Bonne, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht: Corporación Habanos, SA (Havana, Cuba) (vertegenwoordiger: M. Escudero Pérez, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 10 augustus 2015 (zaak R 3046/2014-5) inzake een oppositieprocedure tussen Corporación Habanos en JT International

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

JT International SA wordt verwezen in haar eigen kosten alsmede in de kosten van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) en van Corporación Habanos, SA.


(1)  PB C 27 van 25.1.2016.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/44


Beschikking van het Gerecht van 13 september 2016 — EDF Luminus/Parlement

(Zaak T-384/15) (1)

([„Arbitragebeding - Overeenkomst CNT(2009) nr. 137 voor de levering van elektriciteit - Betaling door het Parlement van de door verzoekster aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gestorte regionale bijdrage die werd berekend op basis van het vermogen dat ter beschikking werd gehouden van het Parlement - Geen contractuele verplichting - Geen verplichting op basis van het toepasselijke nationale recht”])

(2016/C 402/52)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: EDF Luminus (Brussel, België) (vertegenwoordigers: D. Verhoeven en O. Vanden Berghe, advocaten)

Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: L. Darie en P. Biström, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: F. Clotuche-Duvieusart en I. Martínez del Peral, gemachtigden)

Voorwerp

Op artikel 272 VWEU gebaseerd verzoek om het Parlement te veroordelen tot betaling aan verzoekster van 439 672,95 EUR, verhoogd met rente, te weten het bedrag van de door haar aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betaalde regionale bijdrage die werd berekend op basis van het vermogen dat ter beschikking werd gehouden van het Parlement

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

De declaratoire vordering van het Europees Parlement wordt afgewezen.

3)

EDF Luminus draagt haar eigen kosten en die van het Parlement.

4)

De Europese Commissie draagt haar eigen kosten.


(1)  PB C 337 van 12.10.2015.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/45


Beschikking van het Gerecht van 30 augustus 2016 — Fontem Holdings 4/EUIPO (BLU ECIGS)

(Zaak T-511/15) (1)

((„Uniemerk - Intrekking van de inschrijvingsaanvraag - Afdoening zonder beslissing”))

(2016/C 402/53)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Fontem Holdings 4 BV (Amsterdam, Nederland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk A. Poulter, vervolgens A. Dykes en D. Stone, solicitors)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: H. O’Neill, gemachtigde)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 29 juni 2015 (zaak R 2697/2014-4) inzake een inschrijvingsaanvraag

Dictum

1)

Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist.

2)

Fontem Holdings 4 BV wordt verwezen in haar eigen kosten alsmede in de kosten van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO).


(1)  PB C 363 van 3.11.2015.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/46


Beschikking van het Gerecht van 13 september 2016 — Terna/Commissie

(Zaak T-544/15) (1)

((„Beroep tot nietigverklaring - Unieprojecten van gemeenschappelijk belang - Financiële steun van de Unie voor twee projecten op het gebied van de trans-Europese energienetwerken - Vermindering van de initieel toegekende financiële steun na een audit - Voorbereidende handeling - Niet voor beroep vatbare handeling - Niet-ontvankelijkheid”))

(2016/C 402/54)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Terna — Rete elettrica nazionale SpA (Rome, Italië) (vertegenwoordigers: A. Police, L. Di Via, F. Covone en D. Carria, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: O. Beynet, L. Di Paolo en A. Tokár, gemachtigden)

Voorwerp

Beroep krachtens artikel 263 VWEU en strekkende tot de nietigverklaring van het besluit vervat in de brief van de Commissie van 6 juli 2015, tot vermindering van de initieel toegekende financiële steun in het kader van twee projecten (projecten 2009-E255/09-ENER/09/TEN-E-S12.564583 en 2007-E 221/07/2007-TREN/07TEN-E-S07.91403) op het gebied van de trans-Europese energienetwerken

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Terna — Rete elettrica nazionale SpA wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 363 van 3.11.2015.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/46


Beschikking van het Gerecht van 14 september 2016 — POA/Commissie

(Zaak T-584/15) (1)

([„Beroep tot nietigverklaring - Aanvraag tot registratie van een beschermde oorsprongsbenaming (‚Halloumi’ of ‚Hellim’) - Besluit tot bekendmaking in het Publicatieblad, reeks C, van een aanvraag tot registratie van een beschermde oorsprongsbenaming overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van verordening (EU) nr. 1151/2012 - Voorbereidende handeling - Handeling die niet vatbaar is voor beroep - Niet-ontvankelijkheid”])

(2016/C 402/55)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Pagkyprios organismos ageladotrofon Dimosia Ltd (POA) (Latsia, Cyprus) (vertegenwoordiger: N. Korogiannakis, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Lewis en J. Guillem Carrau, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie tot bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB 2015, C 246, blz. 9) van de door de Republiek Cyprus ingediende registratieaanvraag CY/PDO/0005/01243, voor zover daarin is vastgesteld dat deze aanvraag voldeed aan de voorwaarden van verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB 2012, L 343, blz. 1), zoals bepaald in artikel 50, lid 1, van deze verordening.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Pagkyprios organismos ageladotrofon Dimosia Ltd (POA) zal haar eigen kosten alsook die van de Europese Commissie dragen, met inbegrip van de kosten van het kort geding.


(1)  PB C 406 van 7.12.2015.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/47


Beroep, ingesteld op 12 juli 2016 — Gaki/Europol

(Zaak T-366/16)

(2016/C 402/56)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Anastasia-Soultana Gaki (Düsseldorf, Duitsland) (vertegenwoordiger: G. Keisers, advocaat)

Verwerende partij: Europese Politiedienst (Europol)

Conclusies

preciseren in welke omstandigheden verzoekster de feiten zou hebben gepleegd volgens het door Griekenland uitgevaardigde Europese aanhoudingsbevel, op grond waarvan zij sinds 2011 binnen de Europese Unie met de steun van Europol onrechtmatig wordt opgespoord (recht van verzoekster op een gemotiveerd standpunt);

het gemeenschappelijke controleorgaan (hierna: „GCO”) gelasten een einde te maken aan de onrechtmatige opslag van (onjuiste) gegevens over verzoekster in het Europol-informatiesysteem;

het GCO gelasten bij de uitoefening van haar recht op toegang tot en opvraging van de in SIS II opgenomen gegevens erom te verzoeken dat wordt gecontroleerd of de op verzoeksters vrijheid gemaakte inbreuk — gelet op de inhoud van het Europese aanhoudingsbevel (hierna: „EAB”) — geoorloofd is;

Europol gelasten het parket in hoger beroep in Athene te vragen welke openbare aanklager in hoger beroep op 23 mei 2016 heeft beslist het EAB te handhaven en aldus verzoekster willekeurige vrijheidsbeneming heeft bevolen, alsook welke van de beide nationale aanhoudingsbevelen — waarvan het EAB een kopie is — rechtskracht heeft. Het voormelde parket dient tevens de vraag te beantwoorden hoe het mogelijk is dat in het EAB verzoeksters adres in Duitsland wordt vermeld, terwijl beide nationale aanhoudingsbevelen — waarvan het EAB een kopie is — juist tegen verzoekster zijn uitgevaardigd omdat de Griekse justitie zogenaamd niet beschikte over een adres van verzoekster;

het GCO gelasten om een gemotiveerd antwoord te geven op de vraag wat Europol heeft ondernomen na kennisneming van het feit dat bij de Generalstaatsanwaltschaft Düsseldorf [openbaar ministerie bij de hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Noordrijn-Westfalen, Düsseldorf (Duitsland)] een strafklacht is ingediend tegen de Griekse openbare aanklager in hoger beroep die het EAB tegen verzoekster heeft uitgevaardigd;

verzoekster een schadevergoeding van 3 miljoen EUR toekennen.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster twee middelen aan.

1.

Eerste middel: schending van artikel 41 van besluit 2007/533/JBZ (1), gelezen in samenhang met de artikelen 30, lid 7, 31 en 52 van besluit 2009/371/JBZ (2)

2.

Tweede middel: schending van artikel 296, tweede alinea, VWEU en artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met de artikelen 1, 9 en 23 van besluit nr. 29/2009 van het GCO.


(1)  Besluit 2007/533/JBZ van de Raad van 12 juni 2007 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (PB 2007, L 205, blz. 63).

(2)  Besluit van de Raad van 6 april 2009 tot oprichting van de Europese politiedienst (Europol) (PB 2009, L 121, blz. 37).


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/48


Beroep ingesteld op 25 augustus 2016 — Adama Agriculture en Adama France/Commissie

(Zaak T-476/16)

(2016/C 402/57)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Adama Agriculture BV (Amsterdam, Nederland) en Adama France (Sèvres, Frankrijk) (vertegenwoordigers: C. Mereu en M. Grunchard, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:

het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

de bestreden beslissing (1) nietig te verklaren en i) vast te stellen dat de goedkeuring van de werkzame stof isoproturon (IPU) verlengd moet worden, of subsidiair, ii) de beoordeling van de verlenging van de goedkeuring van IPU terug te verwijzen naar verweerster en alle relevante termijnen gesteld in verordening nr. 1107/2009 en de uitvoeringsverordeningen ervan op te schorten teneinde een passend tijdschema te kunnen toepassen voor de vaststelling van een nieuwe beslissing betreffende de verlenging van de goedkeuring voor IPU, en

verweerster te verwijzen in alle kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters aan dat de bestreden beslissing door verweerster was vastgesteld in strijd met de door de EU gewaarborgde rechten en beginselen. Zij stellen dat de bestreden beslissing onrechtmatig is omdat zij inbreuk maakt op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: „VWEU”) en op de secundaire EU-wetgeving, en voeren daartoe de volgende vijf middelen aan:

1.

Eerste middel: kennelijke beoordelingsfouten. Volgens de overwegingen 8, 9 en 10 van de bestreden beslissing was IPU immers verboden vanwege i) het risico dat voortvloeit uit de blootstelling van grondwater aan een metaboliet, ii) het risico voor vogels, zoogdieren en in het water levende organismen en iii) de voorgestelde indeling van IPU als een giftige stof voor de voortplanting, categorie 2. Alle bezwaren waarop de bestreden beslissing is gebaseerd vertonen evenwel gebreken van procedurele of inhoudelijke aard en houden geen rekening met door verzoeksters overgelegde informatie.

2.

Tweede middel: schending van de procedure waarin is voorzien bij verordening (EG) nr. 1272/2008 (2) — handeling ultra vires. Door voor te stellen om IPU in te delen als giftig voor de voortplanting en door zich op dat voorstel te baseren ter rechtvaardiging van de weigering om de goedkeuring van IPU te verlengen, heeft verweerster immers inbreuk gemaakt op zowel verordening nr. 1272/2008 als verordening (EG) nr. 1107/2009 (3) betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en dus haar bevoegdheden overschreden.

3.

Derde middel: schending van de rechten van verdediging en van het beginsel van behoorlijk bestuur. Door hun handelwijze hebben de lidstaat-rapporteur, de EFSA en de Commissie elk afzonderlijk en gezamenlijk inbreuk gemaakt op het recht om te worden gehoord en het recht van verweer van verzoeksters door hun een eerlijke behandeling van de zaak en een correcte procedure te ontzeggen. In het bijzonder hebben verzoeksters, niettegenstaande herhaalde en proactieve pogingen om contact op te nemen met de lidstaat-rapporteur en de EFSA, niet tijdig feedback ontvangen. Bovendien werd geen rekening gehouden met opmerkingen van verzoeksters.

4.

Vierde middel: schending van het discriminatieverbod en van het gelijkheidsbeginsel. Terwijl de Commissie voor IPU (op basis van kennelijke beoordelingsfouten en procedurele fouten) een strikte benadering heeft gehanteerd, heeft zij dit niet gedaan in soortgelijke situaties/vroegere beslissingen betreffende stoffen waarvoor soortgelijke bezwaren bestonden, hetgeen schending oplevert van het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod.

5.

Vijfde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel. Door niet te kiezen voor minder beperkende maatregelen die dezelfde doelstellingen zouden hebben verwezenlijkt (bijvoorbeeld door de goedkeuring afhankelijk te stellen van voorwaarden die op het niveau van de lidstaten moeten worden beoordeeld of van de indiening van bevestigende informatie op EU-niveau in overeenstemming met artikel 6 van verordening nr. 1107/2009) en door integendeel IPU te verbieden, heeft de Commissie inbreuk gemaakt op het evenredigheidsbeginsel.


(1)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/872 van de Commissie van 1 juni 2016 tot niet-verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof isoproturon overeenkomstig verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (PB 2016, L 145, blz. 7).

(2)  Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB 2008, L 353, blz. 1).

(3)  Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB 2009, L 309, blz. 1).


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/49


Beroep ingesteld op 26 augustus 2016 — Epsilon International/Commissie

(Zaak T-477/16)

(2016/C 402/58)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Epsilon International SA (Marousi, Griekenland) (vertegenwoordigers: D. Bogaert en A. Guillerme, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

1)

Krachtens artikel 272 VWEU:

te verklaren dat de bedragen die de Europese Commissie aan Epsilon heeft betaald uit hoofde van de subsidieovereenkomsten BRISEIDE, i-SCOPE en SMART-ISLANDS, voor subsidie in aanmerking komende kosten vormen, en dat Epsilon zich niet schuldig heeft gemaakt aan stelselmatige onjuistheden bij de uitvoering van die overeenkomsten;

te verklaren dat te terugvordering door de Commissie van de uit hoofde van de BRISEIDE-overeenkomst betaalde bedragen volledig ongegrond is en dat die bedragen niet aan de Europese Commissie hoeven te worden terugbetaald;

te verklaren dat de besluiten van de Europese Commissie om de betalingen in verband met de subsidieovereenkomsten i-LOCATE, eENV-Plus, GeoSmartCity en c-SPACE op te schorten, ongegrond zijn;

de Commissie te veroordelen tot vergoeding van de kosten die Epsilon heeft gemaakt voor aanvullende financiële onderzoeken om de onjuiste conclusies van de door de Commissie ingeschakelde audits te weerleggen en tot vergoeding van de door Epsilon geleden, voorlopig ex aequo et bono op een bedrag van 10 000 EUR geraamde morele schade.

2)

Krachtens artikel 263 VWEU nietig te verklaren het besluit van de Europese Commissie van 17 juni 2016 (ref. Ares (2016)2835215) om Epsilon op te nemen in de Early Detection and Exclusion System databank (systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting) (EDES).

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van de op artikel 272 VWEU gebaseerde vordering betoogt Epsilon dat de door de Commissie beaamde conclusies van de audits betreffende de personeelskosten voor de uitvoering van de projecten BRISEIDE, SMART-ISLANDS en i-SCOPE onjuist zijn. Meer in het bijzonder merkt Epsilon op dat geen sprake is van onregelmatigheden op het gebied van het systeem voor tijdopname, de berekeningen van de productieve uren en de uurtarieven, het ontbreken van rekeningen voor het werk van de eigenaren en het feit dat de met de interne adviseurs gesloten overeenkomsten niet waren opgegeven bij de belastingdienst. Hoe dan ook kunnen kleinere onjuistheden in verband met de uitvoering van die overeenkomsten niet als stelselmatige onjuistheden worden beschouwd.

Voorts komt Epsilon op tegen het besluit van de Commissie, de betalingen voor de uitvoering van de door de EU gefinancierde projecten i-LOCATE, eENV-Plus, GeoSmartCity enc-SPACE op te schorten, met het betoog dat zij rechtens ongegrond zijn.

Tot slot vordert Epsilon een financiële vergoeding voor de materiële en immateriële schade die zij door de besluiten van de Commissie heeft geleden.

Tot staving van de op artikel 263 VWEU gebaseerde vordering verzoekt Epsilon het Gerecht, het besluit van de Commissie om Epsilon in de Early Detection and Exclusion System databank (EDES) op te nemen op grond van de beweerdelijk stelselmatige onjuistheden bij de uitvoering van bovenbedoelde projecten nietig te verklaren. Volgens verzoekster is dat besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel en de rechten van verweer.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/50


Beroep ingesteld op 30 augustus 2016 — Lidl Stiftung/EUIPO — Amedei (For you)

(Zaak T-480/16)

(2016/C 402/59)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Lidl Stiftung & Co. KG (Neckarsulm, Duitsland) (vertegenwoordigers: A. Berger, M. Wolter, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Amedei Srl (Pontedera, Italië)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij

Betrokken merk: Uniebeeldmerk met de woordelementen „For you” — inschrijvingsaanvraag nr. 12 267 571

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 28 april 2016 in zaak R 851/2015-5

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing en afwijzing van oppositie nr. B 2 342 452 ingesteld tegen Uniemerkaanvraag nr. 12 267 571;

verwijzing van het EUIPO in de kosten van de procedure;

verwijzing van interveniënte in de kosten van de procedure voor het EUIPO.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/51


Beroep ingesteld op 30 augustus 2016 — The Logistical Approach/EUIPO — Idea Groupe (Idealogistic)

(Zaak T-620/16)

(2016/C 402/60)

Taal van het verzoekschrift: Frans

Partijen

Verzoekende partij: The Logistical Approach BV (Uden, Nederland) (vertegenwoordiger: R. Milchior, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Idea Groupe (Montoir de Bretagne, Frankrijk)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: verzoekster

Betrokken merk: Uniebeeldmerk met het woordelement „Idealogistic” — inschrijvingsaanvraag nr. 12 318 234

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 20 juni 2016 in zaak R 1435/2015-4

Conclusies

primair, vernietiging van de bestreden beslissing;

subsidiair, herziening van de bestreden beslissing voor zover daarbij ten onrechte de beslissing van de oppositieafdeling houdende weigering van de inschrijving van merk nr. 012318234 werd bevestigd voor de diensten „raadgeving op gebied van logistiek, waaronder routeselectie, opslagfaciliteiten en keuze van transportmiddelen”;

verwijzing van het EUIPO in de kosten.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 76 van verordening nr. 207/2009;

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/51


Beroep ingesteld op 2 september 2016 — Przedsiębiorstwo Energetyki Cieplnej/ECHA

(Zaak T-625/16)

(2016/C 402/61)

Procestaal: Pools

Partijen

Verzoekende partij: Przedsiębiorstwo Energetyki Cieplnej sp. z o.o. (Grajewo, Polen) (vertegenwoordiger: T. Dobrzyński, radca prawny)

Verwerende partij: Europees Agentschap voor chemische stoffen

Conclusies

nietigverklaring van besluit nr. SME (2016) 2851 van het ECHA van 23 juni 2016 waarbij is vastgesteld dat de verzoekende partij niet voldoet aan de voorwaarden om gebruik te maken van het verlaagde tarief voor het middenbedrijf en een vergoeding voor administratieve kosten is opgelegd;

nietigverklaring van factuur nr. 10058238 van het ECHA van 23 juni 2016 ten belope van het verschil tussen de vergoeding die de verzoekende partij heeft voldaan en de verschuldigde vergoeding voor grote ondernemingen die is opgelegd op basis van besluit nr. SME (2016) 2851 van het ECHA;

nietigverklaring van factuur nr. 10058239 van het ECHA van 23 juni 2016 ten belope van het bedrag van de vergoeding voor administratieve kosten die is opgelegd op basis van besluit nr. SME (2016) 2851 van het ECHA;

nietigverklaring van besluit nr. 14/2015 van het bestuur van het ECHA van 4 juni 2015 (MB/43/2014) ME (2016) 2851;

verwijzing van de verwerende partij in de proceskosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vijf middelen aan.

1.

Eerste middel: schending van het toedelingsbeginsel

De vergoeding voor administratieve kosten die in besluit MB/43/2014 van het bestuur van het ECHA is neergelegd en de grondslag vormt voor de vaststelling van het betwiste besluit en de facturen is onevenredig hoog ten opzichte van de functie die de vergoeding voor administratieve kosten moet vervullen, zodat zij eerder een straf lijkt. Een en ander vormt een schending van het toedelingsbeginsel in artikel 5 VEU in samenhang met overweging 11 van verordening (EG) nr. 340/2008 van de Commissie.

2.

Tweede middel: schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het recht op behoorlijk bestuur

De verzoekende partij heeft haar verklaring van de omvang van haar onderneming onderbouwd met gegevens die afkomstig zijn van onder meer het ECHA en nationale gegevens. De omvang van de onderneming had in overeenstemming met de wet van 2 juli 2004 inzake de vrijheid van onderneming vastgesteld moeten worden. Deze wet definieert ondernemingen niet aan de hand van de aandeelhoudersstructuur. Het ECHA heeft ontoereikende informatie verstrekt over de regels voor de registratie en vervolgens vergoedingen opgelegd zonder de mogelijkheid te bieden de vergissing te herstellen.

3.

Derde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel

Overeenkomstig de bepalingen van verordening (EG) nr. 1907/2006 en verordening (EG) nr. 340/2008 van de Commissie moeten vergoedingen voor administratieve kosten worden aangepast bij de daadwerkelijke kosten van de controle door de ECHA. De praktijk van het ECHA om ondernemingen die onregelmatige verklaringen over hun omvang hebben afgelegd, te belasten met de kosten van de controles bij alle ondernemingen, moet als ontoelaatbaar worden beschouwd.

4.

Vierde middel: schending van het gelijkheidsbeginsel

Door vergoedingen voor administratieve kosten op te leggen en de hoogte ervan afhankelijk te stellen van de omvang van een onderneming heeft het ECHA het gelijkheidsbeginsel geschonden. Een onderneming die uitsluitend vanwege de door een overheidsinstelling daarin aangehouden aandelen als groot is gekwalificeerd, dezelfde vergoeding voor administratieve kosten opleggen als een onderneming die als groot gekwalificeerd zou moeten worden vanwege haar jaaromzet en personeelsbestand is een schending van het gelijkheidsbeginsel.

5.

Vijfde middel: ongeldigheid van de facturen uitgereikt op basis van het bestreden besluit

Ten gevolge van de nietigverklaring van besluit nr. SME (2016) 2851 van het ECHA moeten de facturen die de grondslag vormen voor de vordering van het ECHA nietig worden verklaard. De opgelegde vergoedingen zijn tevens niet verschuldigd omdat de verzoekende partij ten tijde van de vaststelling van besluit nr. SME (2016) 2851 van het ECHA en de uitreiking van de facturen niet gehouden was zich in het REACH-systeem te registreren.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/53


Beroep ingesteld op 1 september 2016 — Shoe Branding Europe/EUIPO — adidas (Twee parallelle strepen geplaatst op een schoen)

(Zaak T-629/16)

(2016/C 402/62)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Shoe Branding Europe BVBA (Oudenaarde, België) (vertegenwoordiger: J. Løje, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: adidas (Herzogenaurach, Duitsland)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij

Betrokken merk: positiemerk (Twee parallelle strepen geplaatst op een schoen) — Uniemerk nr. 8 398 141

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 8 juni 2016 in zaak R 597/2016-2

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO in de kosten.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009;

onjuiste opvatting van de feiten.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/53


Beroep ingesteld op 5 september 2016 — Dehtochema Bitumat/Europees Agentschap voor chemische stoffen

(Zaak T-630/16)

(2016/C 402/63)

Procestaal: Tsjechisch

Partijen

Verzoekende partij: Dehtochema Bitumat, s. r. o. (Bělá pod Bezdězem, Tsjechië) (vertegenwoordiger: P. Holý, advocaat)

Verwerende partij: Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

het besluit van het Europees Agentschap voor chemische stoffen van 7 juli 2016, op grond waarvan verzoekster nog steeds moet worden aangemerkt als een grote onderneming en bijgevolg geen recht heeft op de verlaagde vergoeding voor middelgrote ondernemingen nietig te verklaren, en toe te staan dat de uitvoering van dat besluit wordt opgeschort.

Middelen en voornaamste argumenten

Volgens verzoekster heeft verweerder door voormeld besluit en zijn handelwijze misbruik gemaakt van zijn bevoegdheden en inbreuk gemaakt op het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.

Verzoekster stelt dat verweerder bij de verificatie van de status van kleine en middelgrote onderneming (kmo) de onafhankelijkheid van verzoeksters bedrijf onjuist heeft beoordeeld en ten onrechte bij de berekening van het aantal personeelsleden en van de omzet van verzoeksters bedrijf rekening heeft gehouden met vermeende verbonden ondernemingen of partnerondernemingen, die evenwel geen verbonden ondernemingen of partnerondernemingen van verzoeksters onderneming zijn in de zin van verordening (EG) nr. 340/2008 van de Commissie en aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie

Verzoekster stelt dat haar verklaring betreffende de onjuiste omvang van de onderneming, die zij op verweerders verzoek op 2 juni 2016 heeft afgelegd, in wezen werd gedaan met vertrouwen in verweerders beoordeling en met de belofte van een lagere vergoeding.

Verzoekster merkt op dat haar registratie was opgeschort en dat zij verweerder uitdrukkelijk had meegedeeld dat zij de betrokken producten (de te registreren stoffen) niet meer had geproduceerd sinds 2011.

Verzoekster stelt dat uit artikel 13, lid 4, van verordening (EG) nr. 340/2008 van de Commissie voortvloeit dat de aanspraak op een lagere registratievergoeding ontstaat wanneer het recht daarop kan worden aangetoond, en dat verzoekster, anders dan verweerder betoogt, dus in staat moet worden gesteld om dat recht aan te tonen.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/54


Beroep ingesteld op 9 september 2016 — ClientEarth/Commissie

(Zaak T-644/16)

(2016/C 402/64)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: ClientEarth (Londen, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: O. Brouwer, advocaat, en N. Frey, Solicitor)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van het krachtens verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (1) genomen besluit van de Commissie houdende weigering van de toegang tot de gevraagde documenten, dat op 1 juli 2016 aan verzoekster werd meegedeeld bij brief met kenmerk C(2016) 4286 final;

verwijzing van de Commissie in verzoeksters kosten in overeenstemming met artikel 87 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, met inbegrip van de kosten van eventuele interveniërende partijen.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan.

1.

Eerste middel: onjuiste rechtsopvattingen en een kennelijke beoordelingsfout die hebben geleid tot de onjuiste toepassing van de uitzondering voor de internationale betrekkingen [artikel 4, lid 1, onder a), derde streepje, van verordening nr. 1049/2001] en ontoereikende motivering:

de Commissie heeft niet aangetoond dat de uitzondering voor de internationale betrekkingen van toepassing is. Zij heeft met name niet aangetoond hoe de openbaarmaking van louter juridische documenten die reflecties over Unierecht bevatten als zodanig strategische doelstellingen die door de Europese Unie worden nagestreefd bij onderhandelingen kan onthullen, of de onderhandelingspositie van de Commissie verzwakt. De Commissie is gebonden aan de regels van de rechtsstaat en kan geen internationale overeenkomsten in strijd met het Unierecht sluiten. Verzoekster betoogt voorts dat artikel 4, punt 1, onder a), van verordening nr. 1049/2001 (en andere uitzonderingen) niet „in perpetuum” kan worden ingeroepen, dat wil zeggen zolang de Commissie om het even waar onderhandelingen voert inzake andere internationale overeenkomsten. De Commissie heeft bovendien niet gemotiveerd hoe de openbaarmaking van de gevraagde documenten concreet en daadwerkelijk afbreuk zou kunnen doen aan het openbaar belang inzake internationale betrekkingen.

2.

Tweede middel: onjuiste rechtsopvattingen en een kennelijke beoordelingsfout die hebben geleid tot een onjuiste toepassing van de uitzondering voor bescherming van juridisch advies (artikel 4, lid 2, tweede streepje, van verordening nr. 1049/2001) en ontoereikende motivering:

de Commissie heeft niet aangetoond dat er een redelijkerwijs voorzienbaar en niet louter hypothetisch risico bestaat dat de openbaarmaking van de gevraagde documenten haar belang bij het krijgen van openhartig, objectief en volledig juridisch advies zou ondermijnen.

3.

Derde middel: onjuiste rechtsopvattingen en een kennelijke beoordelingsfout die hebben geleid tot een onjuiste toepassing van de bescherming van de uitzondering voor het besluitvormingsproces (artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1049/2001) en ontoereikende motivering:

de Commissie heeft niet uitgelegd hoe de toegang tot de gevraagde documenten concreet en daadwerkelijk afbreuk zou kunnen doen aan het besluitvormingsproces.

4.

Vierde middel: onjuiste rechtsopvatting en een kennelijke beoordelingsfout die hebben geleid tot de onjuiste toepassing van het criterium van het hoger openbaar belang, en ontoereikende motivering:

er bestaat een hoger openbaar belang, aangezien openbaarmaking de mogelijkheid zou bieden om een debat te voeren over de toegang tot justitie, met name de toegang tot (en de rol van) binnenlandse rechtbanken, en de behoefte om de eenheid en zelfstandigheid van het Unierecht te behouden. Deze thema’s hebben een rechtstreeks belang voor Unieburgers en ngo’s zoals verzoekster.

5.

Vijfde middel: schending van artikel 4, lid 6, van verordening nr. 1049/2001 (gedeeltelijke toegang) en verzoek tot het nemen van een onderzoeksmaatregel

verzoekster stelt dat de Commissie niet, of in ieder geval niet rechtens genoegzaam, het onderzoek heeft gevoerd en gedeeltelijke toegang tot de gevraagde documenten heeft verleend.


(1)  PB 2001, L 145, blz. 43


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/55


Beroep ingesteld op 7 september 2016 — Vorarlberger Landes- und Hypothekenbank/GAR

(Zaak T-645/16)

(2016/C 402/65)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Vorarlberger Landes- und Hypothekenbank (Bregenz, Oostenrijk) (vertegenwoordiger: G. Eisenberger, advocaat)

Verwerende partij: Gemeenschappelijke afwikkelingsraad (GAR)

Conclusies

de kennelijk op 15 april 2016 genomen beslissing van de Single Resolution Board nietig verklaren, althans voor zover deze beslissing betrekking heeft op verzoekster;

verweerder verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster twee middelen aan.

1.

Eerste middel: flagrante schending van wezenlijke vormvoorschriften op grond van ontoereikende (volledige) kennisgeving van de bestreden beslissing

2.

Tweede middel: flagrante schending van wezenlijke vormvoorschriften op grond van ontoereikende motivering van de bestreden beslissing


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/56


Beroep ingesteld op 13 september 2016 — Şölen Çikolata Gıda Sanayi ve Ticaret/EUIPO — Zaharieva (BOBO cornet)

(Zaak T-648/16)

(2016/C 402/66)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Şölen Çikolata Gıda Sanayi ve Ticaret AŞ (Şehitkamil Gaziantep, Turkije) (vertegenwoordiger: T. Tsenova, advocate)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Elka Zaharieva (Plovdiv, Bulgarije)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: Beeldmerk met de woordelementen „BOBO cornet” — inschrijvingsaanvraag nr. 12 299 343

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 20 juli 2016 in zaak R 906/2015-4

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO en de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep in de kosten

Aangevoerde middelen

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009;

schending van de artikelen 75 en 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/57


Beroep ingesteld op 12 september 2016 — Bernaldo de Quirós/Commissie

(Zaak T-649/16)

(2016/C 402/67)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Belén Bernaldo de Quirós (Brussel, België) (vertegenwoordigers: T. Bontinck en A. Guillerme, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het besluit van het TABG, in de persoon van de algemeen directeur van het DG „Onderwijs en cultuur” van de Europese Commissie van 30 november 2015 houdende overplaatsing van Bernaldo de Quirós van de post van hoofd van de eenheid „Stagebureau” EAC.C.4 naar de post van adviseur voor de modernisering van het onderwijs DG EAC.B, nietig verklaren;

de Europese Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij drie middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout en misbruik van bevoegdheid.

Verzoekster is van mening dat het bestreden besluit een kennelijke beoordelingsfout bevat met betrekking tot het belang van de dienst en met betrekking tot de gelijkwaardigheid van ambt. Zij betoogt dat haar overplaatsing naar de post van adviseur voor de modernisering van het onderwijs niet wordt gerechtvaardigd door het dienstbelang, maar door de wens van haar hiërarchische superieur om haar beroepsmatig te isoleren en haar een voortijdige tuchtmaatregel op te leggen. Het besluit is derhalve gebrekkig wegens misbruik van bevoegdheid, voor zover een dergelijke overplaatsing ook, gelet op de bekwaamheden van verzoekster en de noodzaak om vacatures voor de post van eenheidshoofd binnen het DG EAC te vervullen, in strijd is met het dienstbelang.

Voorts stelt zij dat bij de overplaatsing het beginsel van gelijkwaardigheid van ambt niet is nageleefd. De nieuwe taken die aan verzoekster zijn opgedragen, liggen immers, gelet op de aard, het belang en de omvang ervan, onder het niveau van die welke worden toevertrouwd aan een adviseur van de rang AD 13. Bovendien voorziet de post niet in een, door artikel 2 van besluit C(2008)5029/2 vereiste, werkelijke behoefte van de dienst.

2.

Tweede middel, ontleend aan schending van het recht om te worden gehoord, alsmede aan schending van de zorgvuldigheidsplicht van de administratie.

Verzoekster is van mening dat het overplaatsingsbesluit niet is vastgesteld in omstandigheden die haar recht om te worden gehoord waarborgen, aangezien zij niet in staat is geweest om haar standpunt over het ontwerp-overplaatsingsbesluit nuttig kenbaar te maken. Verder heeft de administratie haar zorgvuldigheidsplicht geschonden, aangezien het TABG absoluut geen rekening heeft gehouden met de belangen van verzoekster, noch op objectieve wijze heeft gezocht naar een evenwicht tussen de belangen van de dienst en die van verzoekster, met name door te voorzien in een plaatsing op een vacante post van eenheidshoofd.

3.

Derde middel, ontleend aan schending van besluit C(2008) 5029/2 van de Europese Commissie van 9 augustus 2008 betreffende de functie van adviseur.

Verzoekster voert aan dat besluit C(2008) 5029/2, in de geconsolideerde versie van 7 juli 2016, is geschonden doordat het DG EAC de toegekende adviseursquota’s heeft overschreden en niet heeft bewezen dat de post van adviseur voor de modernisering van het onderwijs waarnaar verzoekster was overgeplaatst, werkelijk legaal is.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/58


Beroep ingesteld op 7 september 2016 — LG Electronics/EUIPO (QD)

(Zaak T-650/16)

(2016/C 402/68)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: LG Electronics, Inc. (Seoel, Zuid-Korea) (vertegenwoordiger: R. Schiffer, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Betrokken merk: Uniewoordmerk „QD” — inschrijvingsaanvraag nr. 13 633 516

Bestreden beslissing: beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 24 mei 2016 in zaak R 2046/2015-1

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO in de kosten.

Aangevoerd middel

Schending van artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening nr. 207/2009.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/58


Beroep ingesteld op 12 september 2016 — PM/ECHA

(Zaak T-656/16)

(2016/C 402/69)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: PM (vertegenwoordiger: C. Zambrano Almero, advocaat)

Verwerende partij: Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA)

Conclusies

Verzoekster verzoekt het Gerecht besluit nr. SME(2016) 3198 nietig te verklaren op grond dat PM behoort tot de kleine en middelgrote ondernemingen en de betaalde heffingen dus rechtens juist zijn, en bijgevolg de verzochte inschrijving toe te wijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster één enkel middel aan, dat is gebaseerd op de definitie van kleine en middelgrote ondernemingen als bedoeld in artikel 2, lid 1, van de bijlage bij aanbeveling 2003/361/EG betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen. Samen met de groep ondernemingen waartoe zij behoort, stelt verzoekster in dit verband te voldoen aan de in dat artikel gestelde voorwaarden.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/59


Beroep ingesteld op 16 september 2016 — LG Electronics/EUIPO (Second Display)

(Zaak T-659/16)

(2016/C 402/70)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: LG Electronics, Inc. (Seoel, Zuid-Korea) (vertegenwoordigers: T. de Haan en P. Péters, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Betrokken merk: Uniewoordmerk „Second Display” — inschrijvingsaanvraag nr. 14 362 248

Bestreden beslissing: beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 10 juni 2016 in zaak R 106/2016-1

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO in de kosten, daaronder begrepen de kosten die verzoekster voor de eerste kamer van beroep van het EUIPO zijn opgekomen.

Aangevoerd middel

schending van artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening nr. 207/2009 juncto artikel 75 van verordening nr. 207/2009.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/59


Beroep ingesteld op 19 september 2016 — Credito Fondiario/GAR

(Zaak T-661/16)

(2016/C 402/71)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Credito Fondiario SpA (Rome, Italië) (vertegenwoordigers: F. Sciaudone, F. Iacovone, S. Frazzani en A. Neri, advocaten)

Verwerende partij: Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad

Conclusies

het eerste en het tweede besluit van de Gemeenschappelijke afwikkelingraad nietig verklaren;

artikel 5, lid 1, onder f), van gedelegeerde verordening (EU) 2015/63, waarop de bestreden besluiten gebaseerd zijn, strijdig verklaren met de beginselen van gelijke behandeling, evenredigheid en rechtszekerheid, neergelegd in het Handvest van de Grondrechten van de EU;

bijlage I bij gedelegeerde verordening (EU) 2015/63, waarop de bestreden besluiten gebaseerd zijn, strijdig verklaren met de beginselen van gelijke behandeling, evenredigheid en rechtszekerheid, neergelegd in het Handvest van de Grondrechten van de EU;

gedelegeerde verordening (EU) 2015/63, waarop de bestreden besluiten gebaseerd zijn, strijdig verklaren met het beginsel van vrij ondernemerschap, neergelegd in het Handvest van de Grondrechten van de EU;

de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Dit beroep is gericht tegen de besluiten van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad in bestuursvergadering SRB/ES/SRF/2016/06 van 15 april 2016 (eerste besluit) en SRB/ES/SRF/2016/13 van 20 mei 2016 (tweede besluit), die betreffende verzoekster de vooraf te betalen bijdrage bepalen voorzien in gedelegeerde verordening (EU) 2015/63 tot aanvulling van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van wat de vooraf te betalen bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen betreft (PB 2015, L 11, blz. 44).

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zeven middelen aan.

1.

Eerste middel: verzuim van mededeling van het eerste en het tweede besluit aan Credito Fondiario.

De Banca d’Italia (Italiaanse centrale bank) heeft de twee door de Afwikkelingsraad vastgestelde besluiten niet aan verzoekster meegedeeld, zoals vereist door artikel 5 van uitvoeringsverordening (EU) 2015/81 van de Raad van 19 december 2014 tot vaststelling van eenvormige voorwaarden voor de toepassing van verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad wat vooraf te betalen bijdragen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds betreft (PB 2015, L 15, blz. 1), en heeft zich beperkt tot het meedelen van het totaalbedrag van de betaling en heeft het recht van verzoekster op een tijdige voorziening in rechte geschonden. De Afwikkelingsraad heeft bij de mededeling niet de nodige waakzaamheid aan de dag gelegd.

2.

Tweede middel: schending van artikel 296, lid 2, VWEU wegens gebrek aan motivering en niet-naleving van de verplichting besluiten betreffende vooraf te betalen bijdragen na een procedure op tegenspraak vast te stellen.

De bestreden besluiten bevatten geen enkele motivering over hoe de vooraf te betalen bijdrage werkelijk is berekend, waardoor verzoekster de wettigheid en de gegrondheid van de besluiten niet daadwerkelijk kan nagaan.

3.

Derde middel: onjuiste toepassing van artikel 5, lid 1, onder f), van gedelegeerde verordening (EU) 2015/63.

De aan Credito Fondiario gevraagde vooraf te betalen bijdrage is onevenredig met het risicoprofiel van de instelling en is het resultaat van een onjuiste beoordeling van de passiva van de instelling.

4.

Vierde middel: schending van de artikelen 4, lid 1, en 6 van gedelegeerde verordening (EU) 2015/63. Onjuiste beoordeling van het risicoprofiel van Credito Fondiario.

Credito Fondiario had op 31 december 2014 een laag risicoprofiel, op grond van de parameters voorzien in [de artikelen] 4, lid 1, en 6 van gedelegeerde verordening (EU) 2015/63. De door de Afwikkelingsraad berekende bijdrage is eigen aan instellingen met een hoog risicoprofiel, en is het resultaat van het niet in rekening brengen, door de Afwikkelingsraad, van de criteria voor de bepaling en de vermindering van het risico voorzien in de aangehaalde artikelen.

5.

Vijfde middel: schending van de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Gelijke behandeling.

Artikel 5, lid 1, onder f), en bijlage I bij gedelegeerde verordening (EU) 2015/63, schenden het beginsel van gelijke behandeling voor zover zij voorzien in een discriminerende behandeling voor de betrokken bedrijfstak.

6.

Zesde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.

De besluiten houden geen rekening met het lage risicoprofiel van verzoekster en leggen een vooraf te betalen bijdrage op die overeenkomt met die van een instelling die een hoog risicoprofiel heeft, waardoor aldus de beginselen van evenredigheid en rechtszekerheid worden geschonden.

7.

Zevende middel: schending van artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Vrijheid van ondernemerschap.

Gedelegeerde verordening (EU) 2015/63 legt strengere vereisten op dan die voorzien in het Europese bancaire recht en in verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014 L 225, blz. 1), met betrekking tot de beoordeling van het risico van de instelling, door het invoeren van discretionaire elementen in de berekening van de vooraf te betalen bijdrage, waardoor zij de beginselen van gelijke behandeling, rechtszekerheid en vrijheid van ondernemerschap schendt.


31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/61


Beroep ingesteld op 16 september 2016 — Cinkciarz.pl/EUIPO (€$)

(Zaak T-665/16)

(2016/C 402/72)

Procestaal: Pools

Partijen

Verzoekende partij: Cinkciarz.pl sp. z o.o. (Zielona Góra, Polen) (vertegenwoordigers: E. Skrzydło-Tefelska, advocaat [radca prawny], K. Gajek, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Betrokken merk: Uniebeeldmerk met de symbolen „€” en „$” — inschrijvingsaanvraag nr. 13 839 998

Bestreden beslissing: beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 14 juli 2016 in zaak R 2086/2015-5

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO in de kosten.

Aangevoerd middel

schending van artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening nr. 207/2009.